28 625 Herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

Nr. 142 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 24 januari 2012

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 heeft op 14 december 2011 overleg gevoerd met staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over het behandelvoorbehoud GLB en de Landbouw- en Visserijraad 15 en 16 december 2011.

(De volledige agenda is opgenomen aan het einde van het verslag.)

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Van der Ham

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Franke

Voorzitter: Van der Ham

Griffier: Schüssel

Aanwezig zijn dertien leden der Kamer tijdens, te weten: Gerbrands, Van Gerven, Grashoff, Van der Ham, Houwers, Jacobi, Koopmans, Koppejan, Ouwehand, Slob, Snijder-Hazelhoff, Van Veldhoven en Wiegman-van Meppelen Scheppink,

en staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Voorzitter: Snijder-Hazelhoff

De voorzitter: Ik open dit AO over het behandelvoorbehoud gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en over de Landbouw- en Visserijraad. Ik heet de staatssecretaris, zijn ambtenaren, de Kamerleden en de mensen op de publieke tribune welkom. Wij behandelen de twee onderwerpen apart van elkaar.

Voorzitter: Van der Ham

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ik ga graag in op wat we belangrijk vinden als inzet op de strategie voor de herziening van het GLB. In het voorstel van de Commissie lijkt het voor Nederland beschikbare nationale plafond voor de directe betalingen in 2020 760 mln. te zijn. Dit betekent een daling van meer dan 8%. We hebben al eerder laten weten dat we daarop kritiek hebben. We hebben ook kritiek op de manier waarop de gelden worden herverdeeld tussen de oude en de nieuwe lidstaten. De Nederlandse boeren draaien onevenredig meer op voor de verschuiving van de subsidies naar Polen en Roemenië. De herverdeling moet worden herzien, ook met het oog op de Nederlandse nettobetalingspositie.

In het nieuwe GLB wordt volgens de plannen 30% van de nationale enveloppen gereserveerd voor een vergroeningspremie. Die vergroening is verplicht voor iedereen die in aanmerking komt of wil komen voor een basispremie. Naar onze mening is dat in feite een verzwaring van de crosscompliance. Er liggen drie verplichte vergroeningsmaatregelen voor. De eerste maatregel betreft het behoud permanent grasland. De tweede maatregel betreft de gewasdiversificatie. Hiervan moeten ten minste drie gewassen onderdeel uitmaken die minimaal 5% van het areaal in beslag moeten nemen. Het hoofdgewas mag bovendien niet meer dan 70% zijn. De derde maatregel is dat van het bouwland 7% van het areaal een ecologische focus moet krijgen.

Voor de Nederlandse landbouw zijn die beperkingen nadelig. We vinden het niet acceptabel dat 7% van onze dure landbouwgronden uit productie moet worden gehouden. We zijn er voorstander van om de vergroening op vrijwillige basis vorm te geven. De vergroeningspremie moet worden gezien als een top-up bovenop de basispremie zodat iedereen te allen tijde de mogelijkheid krijgt om ook een top-up te maken. Bij top-ups denken we bijvoorbeeld aan weidegang, akkerlandenbeheer, natuurwaterbeheer en aan allerlei andere diensten. Dat is veel gerichter en effectiever. We willen dat er voor de invulling van de vergroeningspremie een andere benadering wordt gekozen met minder ecologische braak, meer flexibiliteit en maatwerk voor individuele bedrijven.

De Commissie wil de lidstaten de gelegenheid geven de overgang van het historische naar het regionale model stapsgewijze vorm te geven. Wat de Commissie betreft dient het regionale model uiterlijk in 2019 volledig geïmplementeerd te zijn. De basishectarepremie is dan binnen de lidstaat of binnen een regio voor elke hectare gelijk. Wij zijn van mening dat Nederland de maximale overgangstermijn tot 2019 moet benutten voor de omschakeling van het historische naar het regionale model. Wij zijn niet voor een verlenging van deze overgangstermijn omdat de onderhandelingen voor de volgende herziening van het GLB al in 2017 weer beginnen. Wij kunnen ons goed vinden in het regionale model zoals de Commissie dat voorstelt.

Wij hebben vraagtekens bij het nieuwe toeslagrechtensysteem. Dat heeft betrekking op bedrijven die in 2011 toeslagrechten hebben benut, en op gespecialiseerde groenten-, fruit- en wijnbedrijven. Het aantal bedrijven dat in aanmerking komt voor de toeslag, zal licht stijgen. Wij vinden het onterecht dat een aantal ondernemers hierdoor geen aanspraak kan maken op de middelen omdat ze in voorgaande jaren niet in het bezit waren van toeslagrechten. Ik heb daarop eerder gewezen. Ik heb toen als voorbeeld de bloembollen- en pootgoedtelers genoemd. Het blijkt dat boeren die jaren geleden hun grond hebben ingeplant met bomen die ze binnen een aantal jaren moeten kappen, nu geen toeslagrechten hebben. De staatssecretaris kan bedenken dat het ook om de populierenbossen in Groningen gaat. Ik ga ervan uit dat naar een oplossing voor dit probleem wordt gekeken.

Ik denk dat het goed is als we als fractiewoordvoerders de staatssecretaris meegeven welke informatie we graag op een aantal momenten terug willen zien voordat we akkoord gaan met alle voorstellen. Ik stel voor dat dit in tweede termijn aan de staatssecretaris wordt voorgelegd. Ik ga ervan uit dat meerdere fractiewoordvoerders dezelfde opmerkingen hebben die ik daarbij wil maken.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): De vergroening kunnen we vormgeven via een norm. Ik ben het met de VVD eens dat de voorgestelde norm te rigide is. Daarop zal ik in mijn inbreng terugkomen. Die moet veel flexibeler. We kunnen het ook doen via een subsidie. Ik vind het bijzonder dat een liberale ondernemerspartij als de VVD de voorkeur geeft aan een subsidie boven het stellen van een norm. Dat creëert ook een level playing field. Waarom is dat?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik kan niet helemaal plaatsen hoe u dit bedoelt.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): De Europese Commissie stelt voor om iedere ondernemer te verplichten een aantal vergroeningsmaatregelen te nemen. Dat creëert een level playing field. Tegelijkertijd draagt het bij aan vergroening. De VVD kiest liever voor een ander model, namelijk het geven van een subsidie aan individuele boeren. Ik vind het bijzonder dat een ondernemerspartij de voorkeur geeft aan het subsidiëren van die ondernemers, als er een norm ligt als basis voor een level playing field. Waarom is dat?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): U kiest een heel andere aanvliegroute, want u begint weer over dat subsidie geven. Ten eerste vinden we dat de norm die we nu in de vergroeningsmaatregelen zien niet past op wat de agrarische sector in Nederland zou moeten willen. De nu voorliggende vergroeningsmaatregelen passen niet op het landbouwdossier en de productiviteit van onze sector. Ten tweede denken we dat juist een stuk flexibiliteit waarbij we een stuk verduurzaming willen vergoeden en ook willen betalen voor een aantal diensten, het bedrijfsleven enthousiasmeert om mee te doen aan vergroeningsmaatregelen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Dan blijft het nog het hanteren van een economisch principe. Waarom is het nodig om boeren te betalen voor aanvullende vergroeningsmaatregelen? Dat is omdat ze anders mogelijk in een slechtere concurrentiepositie komen ten opzichte van andere ondernemers die dat soort maatregelen niet nemen. Dat is op te lossen met een subsidie of met een norm die voor iedereen geldt. Ik ben het helemaal met de VVD eens dat die norm flexibeler moet worden, maar ik vind het bijzonder dat de VVD liever kiest voor een subsidie dan voor een norm.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Volgens de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de basispremie moeten boeren nu al voldoen aan een aantal crosscompliancemaatregelen. Die randvoorwaarden zullen ook blijven. Wij zeggen bovendien dat de maatregelen die nu in het vergroeningsdossier zitten, absoluut niet passen op vergroeningsmaatregelen die we in Nederland willen hebben. Ik kan me ook niet voorstellen dat D66 ervoor kiest om 7% van onze productieve landbouwgronden braak te leggen. Dat kan ik niet begrijpen. Wij zeggen dat die vergroeningsmaatregelen flexibel moeten zijn. We zien die 30% als extra waarbij boeren niet zomaar een subsidie krijgen, maar betaald worden voor diensten die ze in het kader van het vergroenings- en het verduurzamingsdossier leveren.

Mevrouw Jacobi (PvdA): U zei vanmorgen dat inzet van geld uit het GLB effectiever ingezet kan worden voor ontwikkeling en innovatie. Vindt u dat dit geld ook buiten het boerenerf besteed mag worden?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik heb me nu beperkt tot de punten die in het behandelvoorbehoud voorliggen. Ik had nog een opmerking kunnen maken over de artikel 68-gelden. We vinden het belangrijk dat we die opnieuw bekijken en dat die bijvoorbeeld juist moeten worden ingezet voor een krachtige innovatie. Dat kan ook deels voor vergroening en verduurzaming, dus binnen die 30%. Daar had ik het net al over Het kan ook een slag zijn met betrekking tot innovatie binnen artikel 68. Ik ben trouwens benieuwd of de staatssecretaris inschat dat artikel 68 nog voldoende terugkomt in het nieuwe GLB.

De heer Van Gerven (SP): Ik heb begrepen dat de VVD vindt dat de pure inkomenssubsidie voor boeren afgebouwd moet worden. Dat vind ik ook in lijn met de VVD-gedachte dat in marktverhoudingen de boer moet kunnen bestaan van de prijs die een product opbrengt. Onderschrijft de VVD dit uitgangspunt dat wij ook hebben?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ons uitgangspunt is dat we van subsidies naar betaling voor diensten gaan. Zo zie ik het nieuwe beleid en zo is het ook al een aantal jaren vormgegeven. We subsidiëren niet zomaar; we betalen boeren in een basispremie voor enkele diensten die ze leveren. Ze moeten al voldoen aan een aantal voorwaarden. Dat past helemaal bij de lijn zoals we die zien. Verder willen we graag – daarom sla ik ook zo aan op die vergroeningsmaatregelen – dat we boeren betalen voor enkele extra diensten die ze in de diverse regio's waarschijnlijk in een stuk flexibiliteit kunnen uitvoeren. Dat is betaling voor diensten en dat zien we absoluut niet meer als subsidie.

De heer Van Gerven (SP): Mag ik het zo samenvatten? De VVD zegt dat pure inkomensondersteuning niet aan de orde is. Dat is niet het uitgangspunt van de VVD. Wel aan de orde is het betalen voor geleverde diensten. Daarover zijn we het eens. Moeten we de markt dan toch niet reguleren? De markt laat nu zien dat er heel veel bulk geproduceerd wordt en dat de boer veel te lage prijzen krijgt om zonder subsidie te kunnen overleven. We moeten dus koersen naar een regulering van het marktstelsel om mogelijk te maken wat mevrouw Snijder wenst.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): U had van mij toch niet verwacht dat ik zou zeggen dat we moeten ingrijpen op de markt? Laten we dat niet doen. Die lijn zullen we zeker niet kiezen. Als u mijn betoog in de eerste termijn van de begrotingsbehandeling nog eens leest, weet u ook dat wij zeggen: laat die keten nu zijn werk doen. We hebben daar prachtige voorbeelden van. We hebben de commissie-Van Doorn. We kennen het Beter Leven kenmerk. We kennen de weidemelk. Dit zijn prachtige initiatieven. Laten die vooral hun werk doen en dan zal blijken hoe dat gaat.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Voorzitter. Wat ons betreft wordt de boer onafhankelijk van structurele inkomenssubsidie, stimuleren we innovaties, voorlopers en meerwaarden, maar geen eenheidsworst. Onze toekomstige concurrentiepositie ligt in een kwaliteitssprong. Er liggen al belangrijke moties met verbeterpunten over de plannen van de Europese Commissie. Ik ga ervan uit dat deze moties de basis vormen voor een kritische opstelling van het kabinet in de onderhandelingen.

Ik heb een aantal specifieke opmerkingen over de verordeningen. Met betrekking tot de GLB-verordening algemeen. Het efficiënt gebruik van grondstoffen wordt aangehaald maar niet erg uitgewerkt. Deelt de staatssecretaris de mening dat voorlopers op het gebied van het efficiënt gebruik van grondstoffen binnen de landbouw – ik denk aan water, nutriënten, energie – beloond moeten worden naar prestatie? Zo ja, is hij bereid zich in te zetten voor een concrete uitwerking daarvan?

Wat ons betreft, gaan we niet meer terug naar gekoppelde betalingen. Ik vraag een duidelijk signaal van de staatssecretaris dat hij zich daartegen zal verzetten.

Met betrekking tot de rechtstreekse betalingen is het logisch dat de staatssecretaris pleit voor evenwichtigheid in de korting. Daarnaast lees ik ook de opmerkingen van minister De Jager. Die zei dat het überhaupt allemaal wel wat minder kan bij het GLB. In de recent aangenomen motie pleit eindelijk ook de VVD voor een verlaging van het totale GLB. Tegelijkertijd zijn er natuurlijk wel verwachtingen gewekt bij de landbouwsector. Ik heb de vraag al eerder gesteld: hoeveel minder mag het worden en waar gaat dan minder geld heen?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik wil ter verheldering nog iets vragen aan mevrouw Van Veldhoven. Zij zei geen gekoppelde betaling meer te willen. Hoe wil ze de betalingen dan vormgeven? Ergens zit er nu nog wel een koppeling.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): U moet natuurlijk onderscheid maken tussen enerzijds gekoppelde betalingen die te maken hebben met een bepaalde productie en anderzijds beloningen. Wat ons betreft stellen we een stevige norm. Die mag voor alle ondernemers gelden. Daarna zetten we in via innovatie en een beloning van de echte voorlopers op gerichte betalingen voor aanvullende diensten. Van de ondernemers in het agrarisch bedrijf mogen we een soort basishouding, een basiszorg, verwachten voor de omgeving waarmee ze uiteindelijk hun brood verdienen. Daarom willen we een stevige norm en duidelijke instrumenten om voorlopers te stimuleren.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Mag ik concluderen dat u zegt dat we deels die koppeling moeten houden, bijvoorbeeld met het voorstel van de hectares? En dat u vervolgens de individuele boer een handvat wilt geven om een extra op te bouwen?

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Er is natuurlijk een onderscheid tussen ons ideale model en welke mogelijkheden we zien om binnen de kaders die door de Europese Commissie zijn gesteld, te komen tot wijzigingen waarvan we denken dat die enige kans hebben op Europees niveau. Ik heb het net geschetst. Enerzijds is dat een stevige norm die voor iedereen geldt omdat dit namelijk de concurrentieverhoudingen op dat punt in heel Europa gelijktrekt. Ik denk dat de Nederlandse boeren daarbij alle belang hebben. Anderzijds zijn dat heldere instrumenten die de echte vergroening en het echte voorlopen stimuleren. Die moeten we niet als een soort warme deken over iedereen uitrollen om het voor iedereen een klein beetje makkelijker maken. Die moeten we gericht inzetten op die kwaliteitssprong.

Voorzitter. Wij begrijpen de wens van de staatssecretaris dat het flexibeler en effectiever moet, maar voor een gelijk speelveld kunnen we geen 27 eigen vergroeningsregimes toestaan. Kan de staatssecretaris pleiten voor een misschien wat beperkte menukaart aan vergroeningsmaatregelen waaruit de lidstaten zelf kunnen kiezen? Daarna kan de Europese Commissie een beoordeling van het gekozen menu geven. Dat zou meer flexibiliteit geven, is doelmatiger en verzekert het level playing field in de Europese Unie. Kan de staatssecretaris toezeggen te pleiten voor de mogelijkheid om blauwe diensten te verlenen? Kan hij ook toezeggen dat hij ervoor zal pleiten dat de Kaderrichtlijn Water (KRW) onder de crosscompliance komt?

Met betrekking tot de 7% ecological focus areas biedt artikel 32 van de verordening een opsomming van verschillende landschapselementen die hieronder kunnen vallen. Nederlandse landschapselementen als poldersloten, bloemrijke akkerranden en dergelijke lijken er niet tussen te staan. Het kan toch niet zo zijn dat we straks in het Groene Hart extra houtwallen moeten plaatsen om aan de 7% te komen. Kan de staatssecretaris zich inzetten voor het opnemen van de elementen die ik net noemde, onder de 7% zodat we die zo doelmatig mogelijk kunnen invullen en zo min mogelijk extra kosten hoeven te maken of onnodig braak liggen kunnen voorkomen?

Ik heb al het een en ander gezegd over de plattelandsfondsen uit de tweede pijler. De staatssecretaris heeft bij de vorige Landbouwraad gezegd dit te steunen, maar wel van de cofinanciering af te willen. Ik zou het als volgt zeggen. Als we geen flexibel instrument hebben dat vergelijkbaar is met artikel 68 in het huidige GLB, is het echt een stap terug. Ik zie twee mogelijkheden. De eerste is cofinanciering vanuit provincies of waterschappen mogelijk te maken. Dat geeft bijvoorbeeld zaken als natuurbeheer of integrale projecten meer ruimte. De tweede mogelijkheid is het bepleiten van een beperktere schuif van pijler 1 naar pijler 2, zonder cofinanciering, tot het bedrag dat we ongeveer onder het huidige artikel 68 hadden. Graag verneem ik een reactie van de staatssecretaris.

De Commissie wil te grote bedragen uittrekken voor dingen die simpelweg niet uitgelegd kunnen worden, zoals wijnpromotie 1,8 mld., katoenproductie 1,5 mld. en regelingen op maat voor Griekse vakantie-eilanden 2,5 mld. Ik daag de beschermheren van het GLB uit om met droge ogen uit te leggen dat dergelijke regelingen onmisbaar zijn voor de wereldvoedselvoorziening of voor de concurrentiepositie van Europa in de wereld.

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Ik kom nog even terug op mijn interruptiedebatje met de woordvoerster van de VVD. Mijn conclusie is dat de VVD de boeren in de kou laat staan. Als je aan de ene kant de inkomenssubsidiestroom af wilt bouwen en aan de andere kant niets doet aan het reguleren van de markt en het stellen van regels zodat de boer een eerlijke prijs voor zijn product krijgt, is de uitkomst automatisch een versneld faillissement van een aantal boeren. Dat wil ik even opmerken. Een boer hoort een goede prijs te krijgen voor een eerlijk product. De overheid moet bepaalde regels stellen, want anders gaat het fout. Dan is er alleen bulkproductie en gaan heel veel boeren failliet.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik wil aan de SP-woordvoerder vragen wie dat allemaal gaat betalen. Hogere prijzen moeten wel betaald worden.

De heer Van Gerven (SP): Wij willen naar een systeem toe dat we geen inkomenssubsidie nodig hebben voor de boeren. Dat is zinloos rondpompen van geld. Wat is dat voor idiotie? Er gaat een heleboel geld naar Brussel. Dat moeten we op allerlei ingewikkelde manieren weer terug zien te halen. We kunnen dat veel beter zelf investeren of aanwenden voor zaken die we nuttig vinden. Een boer krijgt nu voor zijn product niet de prijs die hij nodig heeft om uit de kosten te komen en om een fatsoenlijke marge te behalen. Er moet een structuur komen waardoor de boer voldoende krijgt voor zijn product zodat hij geen subsidie nodig heeft. Dat moet de VVD aanspreken.

De vraag is natuurlijk ook gericht aan de staatssecretaris. Hoe ziet hij die prijsvorming in Europees verband? Is hij bereid een actieplan te maken? Als het antwoord niet bevredigend is, wil ik daarover een motie indienen. Mededingingsmaniakken en voedselspeculanten en al dat soort mensen moeten beteugeld worden. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om bijvoorbeeld de melkquotering te behouden en het dierenrechtensysteem en dergelijke? Dat zijn goede instrumenten om tot een fatsoenlijke prijs voor de boeren te komen.

We vragen nadrukkelijk aandacht voor de regionalisering van de voedselproductie. We moeten in Europa minder afhankelijk worden van de soja-import uit Zuid-Amerika. Wat ons betreft heeft het kabinet hiervoor onvoldoende aandacht. Bij een eerlijk Europees landbouwbeleid is het toch idioot dat het geld naar miljonairs en multinationals gaat, zoals dat nu het geval is? Als we geld geven, moet het naar het gezinsbedrijf gaan. Graag zie ik een blijvende inzet van de staatssecretaris tegen het subsidiëren van miljonairs. Dat is in deze tijden van crises onverstandig en oneerlijk.

Is de staatssecretaris bereid een impactassesment naar de Kamer te sturen voordat de definitieve besluitvorming in de Raad plaatsvindt? In dit assessment moet het nieuwe Europese landbouwbeleid bekeken worden op consequenties op milieugebied, gevolgen voor ontwikkelingslanden en sociaaleconomische gevolgen. Bij dit laatste moet dan onderscheid gemaakt worden naar de gevolgen voor de armere en de rijkere boeren. Wat betekenen de voorstellen voor het Europese landbouwbeleid voor de biologische sector?

Ik heb nog een procedurele vraag. De VVD-woordvoerder had het er ook al over. Kunnen we de conceptstandpunten twee weken voor elke LNV-raad ontvangen zodat we tijdig geïnformeerd zijn over de onderhandelingen?

Zolang we dit systeem nog hebben, hoort vergroening in beide pijlers van het landbouwbeleid thuis. Het loopt op twee benen. Voor het verkrijgen van een basispremie moet aan serieuze haalbare starteisen voldaan worden. Voor de echt groene boeren die bijvoorbeeld verenigd zijn in de agrarische natuurbeheer- en weidevogelverenigingen, moet een extra kot geld beschikbaar zijn. Ik maak me zorgen of de agrarische natuurbeheerverenigingen wel aan hun trekken komen. Er moet een mogelijkheid komen om binnen de eerste pijler als collectief een aanvraag te doen, of er moet binnen de tweede pijler geld komen. Men moet gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om 10% van de eerste pijler door te schuiven naar de tweede pijler. Ik vraag de staatssecretaris expliciet aandacht te besteden aan de landschapselementen die met name Staatsbosbeheer in beheer heeft. Kan de staatssecretaris vast met de sector overleggen hoe deze bij overdracht in stand gehouden kunnen worden en voor de sector gebruikt kunnen worden als 7% of 8% ecologische focusgebieden?

Mevrouw Gerbrands (PVV): Voorzitter. Ik spreek vanmiddag ook namens de heer Dijkgraaf van de SGP. Die zou eigenlijk bij de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn, maar het is allemaal iets anders gelopen, zoals we allemaal weten. Vanaf deze plek wil ik de heer Dijkgraaf beterschap wensen. Op dit dossier komen de SGP en PVV vaak overeen. Laat wel duidelijk zijn dat de PVV nog steeds de rillingen van de verduurzaming, milieueisen en dat soort dingen krijgt. In dat opzicht komen we niet overeen met de SGP. Als we toch gaan verduurzamen en vergroenen, moeten we het maar op een goede manier doen.

De economie stagneert en een goede exportpositie is van groot belang. De agrarische sector is een belangrijke poot onder de Nederlandse export. Dit onderstreept het belang van een vitale agrarische sector en een Europees landbouwbeleid dat deze vitaliteit ondersteunt. Het stelt ons in dit licht teleur dat het kabinet zo enthousiast is over de volledige vervanging van de directe betalingen door doelgerichte betalingen. Ik kan me heel goed voorstellen dat de Commissaris denkt dat Nederland heel wat kan hebben. Wat ons betreft moet dat beeld bijgesteld worden. Wil de staatssecretaris het uitgangspunt dat directe betalingen volledig vervangen moeten worden door doelgerichte betalingen, verlaten?

De Europese Commissie heeft mist gezaaid over de wijze waarop ze de vergroening vorm wil geven. De laatste berichten zijn dat niet alleen 30% van de directe betalingen wordt gekoppeld aan het leveren van vergroenende diensten, maar dat boeren ook gekort kunnen worden op hun basispremie. In de kabinetsreactie staat geschreven dat het kabinet deze koppeling aan de basispremie steunt. Dat kan toch niet waar zijn? We verzoeken de staatssecretaris om zich fel te verzetten tegen deze koppeling aan de basispremie. De Kamer heeft in dit voorjaar per motie gevraagd om een zo hoog mogelijke basispremie en daarbovenop doelgerichte bepalingen voor onder meer groene en blauwe diensten. Dat is ook de inzet van de SGP en de PVV. We vinden het uitstekend dat in de eerste pijler meer geld uitgetrokken wordt voor verduurzaming en innovatie. We willen dat echter niet koppelen aan de directe betalingen. Dat is ook wat de motie vroeg. Dat is echter niet te rijmen met de kabinetsreactie en de eerste inzet in Brussel. Daar spreekt de staatssecretaris zijn steun uit aan de koppeling van 30% van de directe betalingen aan vergroeningseisen. Gaat de staatssecretaris alsnog luisteren naar de Kamer en in ieder geval voor een lager percentage pleiten?

We verzetten ons ook tegen de rigide vergroeningseisen. Het is al eerder genoemd. In ieder geval moet er een pakket komen met meerdere keuzemogelijkheden, bijvoorbeeld precisielandbouw of integraal duurzame stallen. Het moeten wel keuzemogelijkheden zijn. Het kabinet houdt echter vast aan de eis dat op akkerland grond ingezet moet worden voor ecologische maatregelen en natuur. Dat is geen keuze. Dat is niet de flexibiliteit die wij voor ogen hebben. Wil de staatssecretaris zich ook tegen deze eis verzetten?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb altijd begrepen dat cultuurlandschappen en agrarische natuur ongeveer de enige soort natuur is waarover de PVV enthousiast is. Er komt geld uit Europa en je wilt uit de Nederlandse begroting niet te veel aan natuur doen. Ik kan me voorstellen dat je zegt: laten we het doen en laten we het ook verplicht stellen. Als een boer een deel van zijn grond voor de natuur beschikbaar stelt, maar zijn buurman niet, is dat eigenlijk een beetje zonde van het geld. Wij willen juist voorstellen om het te verplichten. Gelijke monniken, gelijke kappen en je krijgt er nog geld voor ook. Het zou een goedkope manier zijn om dat natuurlandschap waarover de PVV wel enthousiast is, via Europees geld te financieren.

Mevrouw Gerbrands (PVV): Op de manier die wij voorstaan wordt de agrariër beloond als hij er wat aan doet. Dat is ook wat wij willen. We hebben nooit gezegd dat dit allemaal maar zo moet. We zijn altijd voor de vrijwilligheid. We zijn ook voor particuliere natuur. Daarop hebben we altijd ingezet. Als een extra bedrag bovenop de basispremie een stimulans is voor boeren om er meer aan te doen, dan is dat prima. Laten we het op zo'n manier doen. Laten we het niet allemaal met regeltjes doen en alles in vakjes duwen en het als een verplichting opleggen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het enige punt is dat het zo zonde van het geld is. Je kunt een heel mooi lint van die cultuurlandschappen, en dus heel veel natuurwaarde, halen voor relatief weinig geld. Als je het vrijblijvend doet, als je er ook voor kunt kiezen om het niet te doen, krijg je er gaten in. Dat is zonde. Volgens mij is het heel eenvoudig om te zeggen dat iedereen een strookje van zijn land braak moet leggen voor de natuur en er geld voor krijgt. Ziet de PVV hiervan niet de voordelen in? Het is gemakkelijk en het is een kwestie van gelijke monniken, gelijke kappen.

Mevrouw Gerbrands (PVV): Volgens mij heb ik er net al antwoord op gegeven. Als het op vrijwillige basis gebeurt en het geld een stimulans is, vind ik het prima. We staan natuurlijk in dat opzicht lijnrecht tegenover de Partij voor de Dieren. Die wil alles wat maar naar de boeren en de agrariërs gaat, stopzetten en alles naar de natuur doen. Daar zijn wij niet voor; wij willen inzetten op het stimuleren en het geven van een premie. We zien wel wat er gebeurt.

Voorzitter. De suikerquotering per 2015 vindt de SGP onwenselijk. Het rapport van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) laat zien dat zowel akkerbouwers als ontwikkelingslanden bij afschaffing ervan zeer waarschijnlijk moeten inleveren. Zowel de akkerbouwsector als de verwerkende bedrijven hebben zich uitgesproken voor handhaving van de quotering. Wil de staatssecretaris deze verlenging steunen?

De hervorming van het GLB zal voor een aantal sectoren en bedrijven forse consequenties hebben. Voor de gewenste vitaliteit van de agrarische sector is het cruciaal dat sectoren en bedrijven de tijd krijgen om mee te schakelen. In de kabinetsreactie staat helaas dat het kabinet vindt dat de overgang zo snel mogelijk moet plaatsvinden. Dit is ongewenst. Gunt de staatssecretaris sectoren en bedrijven de tijd om mee te schakelen?

We verzetten ons tegen de herintroductie van aan productie gekoppelde betalingen. Het mag niet zo zijn dat onze vleeskalverenhouders voor het regionale model fors moeten inleveren, terwijl Frankrijk voor de vleeskalverensector weer gekoppelde betalingen in zou voeren.

Mevrouw Wiegman-Van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Een krachtig GLB is voor ons altijd van groot belang geweest. Voedselzekerheid is een publiek belang en daaraan stellen we hoge eisen. Het is nodig dat de onze eisen zich goed verhouden tot de prijzen die boeren voor hun product krijgen. Deze samenhang wordt op dit moment onvoldoende door de markt gewaarborgd.

Naast de voedselzekerheid vormen verduurzaming en zekerheid voor boeren voor ons het uitgangspunt binnen het landbouwbeleid. Een goed boereninkomen biedt zekerheid om investeringen in bijvoorbeeld dierenwelzijn en duurzaamheid te doen. Daarvoor is een stabiele voedselprijs nodig. De huidige instabiele prijzen vormen op geen enkele manier een kompas om op te varen. De voorstellen van de Commissie bewegen de goede kant op, maar bieden onvoldoende mogelijkheden om op nationaal niveau een transitie naar verduurzaming door te maken.

Verduurzaming begint in de regio en met een koppeling van productie aan grond. De overstap van het historisch model naar een hectarepremie is daarom een goede zet. De overgang moet wel meer stapsgewijs plaatsvinden zodat de sectoren die hard getroffen worden door de herverdeling, de tijd hebben om zich aan te passen.

Ook de herverdeling van het geld tussen de lidstaten moet redelijker. In de huidige voorstellen worden de Nederlandse boeren onevenredig hard getroffen. Boeren investeren voor de lange termijn. Veranderingen in het beleid moeten die lange termijn als uitgangspunt nemen. Zekerheid over de mogelijkheid om investeringen terug te verdienen is nodig.

Wij hebben altijd gepleit voor het behoud van het melkquotum. Nu het afschaffen van het melkquotum een politieke realiteit is, willen we daarop anticiperen. Aangezien het quotum in sommige landen uitgewerkt is omdat boeren onder het quotum produceren, lopen de Nederlandse boeren een achterstand op. De maatregelen voor een zachte landing moeten daarom naar voren worden gehaald en worden vergroot. Het suikerquotum blijft wat ons betreft voorlopig in stand. Stabilisatie van de markt heeft nu voorrang boven liberalisering. Een stabiele prijs biedt zekerheid voor boeren, afnemers en consumenten.

Dat er meer ruimte komt voor vergroening is een goede ontwikkeling. De manier waarop dat gebeurt, sluit echter niet aan bij de Nederlandse situatie. Daarom willen we dat de Nederlandse regering zich inzet voor de volgende punten, en dat zijn punten waarop ik eventueel een motie overweeg. Allereerst moet de vergroening ontkoppeld worden van de basispremie. Boeren moeten al aan veel verplichtingen voldoen om in aanmerking te komen voor de basispremie. De 30% vergroening moet een mogelijkheid zijn om extra inkomsten te generen. Zo vormt de vergroening een prikkel om te investeren in verduurzaming en geen van bovenaf opgelegde verplichting.

De voorgestelde maatregelen richten zich eenzijdig op de vergroening van de omgeving. Dat maatregelenpakket moet breder door het onder andere uit te breiden met middelen voor bijvoorbeeld precisielandbouw, dierenwelzijn, watermaatregelen en duurzame stallen. Boeren kunnen een keuzepakket samenstellen van een aantal maatregelen dat bij elkaar, bij hun bedrijf en bij hun omgeving past. De weidegang moet er natuurlijk nadrukkelijk bij genoemd worden. Het agrarischenatuurbeheer wordt niet uit de 70% basispremie betaald wat ons betreft, maar uit de vergroening of uit de tweede pijler. Er zijn er mogelijkheden voor een collectieve aanpak binnen de vergroeningsmaatregelen in de eerste pijler. Zeker in de omgeving van Natura 2000-gebieden kan zo een bufferzone worden gevormd en kunnen gericht verbindingen en migratieroutes worden gevormd. Zo kan het agrarisch natuurbeheer ook effectief worden.

Daarnaast hoort bij de verduurzaming ook de teelt van eiwitrijke gewassen op Europees grondgebied. Ik wijs nog eens op de commissie-Van Doorn. Binnen het GLB moet ruimte zijn voor tijdelijke investeringen voor onderzoek en innovatie op dit gebied.

Ik besef dat de staatssecretaris in Europa niet het laatste woord heeft, maar om een antwoord te geven op de uitdagingen van deze tijd en om zekerheid te bieden aan de boeren in Nederland is een stevige inzet op de zo juist genoemde punten noodzakelijk. Ik kan me voorstellen dat mijn betoog vrij beknopt was en snel ging. Ik nodig iedereen graag uit om uitgebreider kennis te maken met de visie van de ChristenUnie op het Europese landbouwbeleid. Ik verspreid graag deze notitie met daarin opgenomen ook een kernachtig tienpuntenplan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. De aangekondigde hervorming van het GLB die nu zijn beslag krijgt, zou mijn partij heel anders hebben gedaan. Dat is geen geheim in deze Kamer. We komen er regelmatig over te spreken. Ik heb al aangegeven dat de inzet van stukken grond voor natuur en die vergoeding daarvoor wat ons betreft verplicht moet zijn. Anders krijg je ecologische gaten. Dat is, in ieder geval voor een deel, zonde van het geld, terwijl juist die verplichte inzet enorm effectief kan zijn. We hadden het allemaal heel anders gewild. Gelet echter op de huidige voorstellen en de bewegingsruimte die daarin nog aanwezig is, zien we nog een mogelijkheid om 5% van het GLB-budget in te zetten voor gekoppelde steun. Wij zien graag dat Nederland deze 5% koppelt aan een transitie naar een biologische bedrijfsvoering. We weten allemaal dat voor de gangbare boer de verplichte transitieperiode naar biologische bedrijfsvoering een moeilijke tijd is. Dat kan boeren ervan weerhouden om over te stappen. We zien graag dat het kabinet die 5% voor deze boeren inzet om op deze manier duurzame landbouw te stimuleren binnen de gelden die toch al omgaan binnen het GLB. Graag verneem ik een reactie hierop.

Voor het landbouwbeleid wil ik het hierbij laten. Ik was in de veronderstelling dat de Europese Commissie gisteren haar nieuwe actieplan voor dierenwelzijn zou presenteren. Gelet op het regeerakkoord waarin het kabinet aangeeft niets voor dieren te willen doen in Nederland, maar wel in Europees verband, verwachtte ik natuurlijk een uitgebreide en ambitieuze inzet hierop. Beide hebben nog niets geleverd. De Europese Commissie heeft haar plan nog niet gepresenteerd en het kabinet heeft tot nu toe geen ambitieuze inzet geformuleerd. We hebben wel een brief gekregen, maar daarin mis ik allerlei aangenomen moties, bijvoorbeeld een Europees verbod op de nertsenfokkerij, het sluiten van de Europese wateren voor de vangst van de met uitsterven bedreigde tonijn, een verbod op import van dons van levend geplukte ganzen, een importverbod van in het wild gevangen dolfijnen. Die zie ik allemaal niet. Ik kan me voorstellen dat de Nederlandse regering dat nog eventjes keurig formuleert als haar inzet voor het nieuwe Europese actieplan. Ik kan me ook voorstellen dat Nederland zelf aan de bel trekt en met voorstellen komt, als de Europese Commissie treuzelt. En dat is niet het enige. We weten dat er in Europese lidstaten nog steeds dieren op een afschuwelijke wijze worden gemarteld. Ik heb het dan over de stierenrennen, de stierengevechten en de zwerfdieren die in vele landen nog een gruwelijk lot tegemoet kunnen zien.

De voorzitter: Mevrouw Ouwehand, ik heb een kleine onderbreking. We hebben dit AO opgedeeld in twee delen. Een deel van de dingen die u hebt gezegd, is eigenlijk bestemd voor het tweede deel. U gaat natuurlijk zelf over uw spreektekst, maar ik wil het wel opmerken. We hebben niet voor niets die knip aangebracht.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Hiervan ben ik mij bewust, maar ik voel me wel erg in een tijdsklem gewrongen. Zoals u weet, hechten we altijd veel waarde aan het decemberoverleg over de visserij. In de procedurevergadering heb ik hierover opmerkingen gemaakt. Nu staat er anderhalf uur voor visserij en al die andere onderwerpen. Ik doe het nu en ik hoor wel wat de staatssecretaris erop zegt.

De voorzitter: Dan beantwoordt de staatssecretaris straks die vragen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat kan, dan heb ik nu mijn spreektekst hiervoor gebruikt zodat ik me straks ook sterk kan maken voor de vissen.

Voorzitter. Ik verwacht dat de Nederlandse regering een eigen inzet heeft. Ik hoor graag hoe het staat met de toezegging dat de staatssecretaris zou bekijken wat hij in Europees verband kan doen om een einde te maken aan de gruwelijke slachting van grienden bij de Faeröer eilanden. Ik heb de zwerfdieren genoemd en het fokken en martelen van galgo's in Spanje. Enfin, ik kan een heel rijtje opnoemen. Ik ben er erg voor, en met mij meer collega's aan deze tafel, om in elk geval een eind te maken aan de wreedste excessen in Europees dierenwelzijnland. Nederland moet dat op schrift zetten. Nederland moet daar een inzet op hebben.

Hetzelfde geldt voor de diertransporten. Ook dat onderwerp zit in het volgende blok. Hiervan ben ik me bewust. Ik wacht de antwoorden wel af. Er is een rapport verschenen waaruit maar weer eens blijkt dat het helemaal niet de goede kant opgaat met de diertransporten. In het regeerakkoord staat letterlijk dat dit kabinet er wat aan wil doen. Dus ik kan me voorstellen dat het kabinet een reactie op dit rapport formuleert en ook die inzet stevig meeneemt in het actieplan.

De heer Grashoff (GroenLinks): Voorzitter. De invulling van de Commissie van de herziening van het GLB ligt op tafel. Die gaat ons absoluut niet ver genoeg. We hadden een veel ingrijpender vergroeningsslag gewild. Er mag wel bij gezegd worden dat er toch ook een hoop bruikbare elementen in het voorstel van de Europese Commissie zitten. Vanuit die elementen kan geredeneerd worden en kan geprobeerd worden om de herziening verder te verbeteren. Er zijn in elk geval zaken die evident winst zijn zoals het loslaten van het historisch model, het feit dat de daadwerkelijke landbouwers subsidie krijgen en de andere niet. Deze zaken beoordelen we als positief.

Een paar punten wil ik aanstippen, allereerst de vergroening. Het reserveren van 30% van het totaalbedrag voor vergroening is fors aan de lage kant. Dan wordt het logisch om het te koppelen aan de betaling van de basispremie. Als diegenen die bepleiten dat die koppeling er niet zou moeten zijn, daarin zouden willen meedenken, komen ze tot de conclusie dat we eigenlijk een veel groter percentage aan vergroeningsmaatregelen moeten koppelen. Dan kan een koppeling aan de basispremie vervallen. We moeten dan wel een veel groter deel van het geld aan daadwerkelijke vergroening uitgeven. We bepleiten dat de staatssecretaris zich daarvoor inzet.

Het is terecht dat Nederland kritiek heeft op met name de invulling die de Europese Commissie kiest. Dat is door meer mensen gezegd en ook door het kabinet. Het is te star; het is op een bepaalde manier niet altijd passend bij de Nederlandse situatie. Ik kan er geen uitspraak over doen of we die 7% veel of weinig vinden. Het gaat erom hoe we die 7% invullen. Het gaat erom of we dat principe binnen de Europese kaders op zo'n manier in kunnen vullen, in willen vullen, in mogen vullen, dat er een ecologische dooradering van het agrarisch landschap tot stand kan komen. Als we dat voor elkaar kunnen krijgen, gaat dat landbouwgebied daadwerkelijk als geheel een grote rol spelen in natuurwaarden, biodiversiteit, trekroutes etc. We moeten dan wel de ruimte krijgen om het op een dergelijke manier in te vullen. Het is voor ons onvoldoende duidelijk. Misschien kan de staatssecretaris hierop ingaan. Ik denk dat er een nadere diversificatie op die landschappelijke aspecten moet komen om dit stelsel van regels bruikbaar te maken, elders, maar zeker ook in de Nederlandse situatie.

Ik ondersteun van harte wat op bladzijde 6 van de reactie door het kabinet wordt aangegeven: we streven naar een grotere vorm van keuzevrijheid binnen Europees kader om op een zinnige manier milieumaatregelen en landschappelijke natuurmaatregelen te kunnen invullen. Vooralsnog gaat het ons niet om de 7%. Daarmee kunnen we prima uit de voeten. Het gaat ons om de goede invulling.

Wat inderdaad ontbreekt – ook daarin kunnen we de in de brief vermelde opvattingen van de inzet van het kabinet steunen – is dat er evident in die eerste pijler inzet moet komen op wat wij duurzame innovatie zouden willen noemen. Als we alleen naar die landschappelijke kanten kijken, zoals de Europese Commissie nu doet, missen we een belangrijk facet. Ik moedig de staatssecretaris van harte aan daarop fors in te zetten. Ik kan hem de volgende suggestie doen. Als hij een stevig percentage van die eerste pijlergelden kan laten reserveren voor groene innovaties binnen het Europese raamwerk, en als hij dat geld haalt uit de 70% die nu in de basispremie zit, komen we waarschijnlijk snel dichter bij elkaar.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. We hebben een behandelvoorbehoud. Volgens mij moeten we dan ook procedurele opmerkingen maken. Daarvoor wil ik een deel van mijn spreektijd graag gebruiken.

Ik wil graag dat we de concept gemeenschappelijke standpunten voor het GLB van 2014–2020 in eerste en tweede lezing drie weken van tevoren krijgen, en die dan hier kunnen bespreken en aan de orde kunnen stellen. Het is sowieso belangrijk dat de Kamer tijdens elk AO over landbouw en visserij apart geïnformeerd wordt over de stand van zaken van de onderhandelingen over de EU-wetgevingsvoorstellen. Het lijkt me goed dat het kabinet ons informeert over de stand van zaken van de onderhandelingen en over de aanpassingen van de Nederlandse inzet die daarbij aan de orde zijn. We kunnen de desbetreffende voorstellen van zowel de eerste als de tweede pijler dan op elementen bespreken en de wijzigingen spoedig te zien krijgen.

Met betrekking tot budgettaire zaken worden we graag over de kwartaalrapportages in het kader van het meerjarig financieel kader (MFK) geïnformeerd. We willen dat daarbij het budget voor het GLB betrokken wordt, als dat gelijk blijft. Ik dacht dat dit de motie-De Mos/Koopmans was.

Ik verzoek om alle correspondentie tussen de regering en de Europese Commissie inzake het GLB aan de Kamer beschikbaar te stellen. Volgens mij heeft mevrouw Van Gent dat een keer verzocht. Graag verneem ik op al deze zaken een reactie. Zoals we dat ook bij het visserijbeleid hebben gedaan verzoek ik om tijdige informatie en afspraken over termijnen, zodat we met elkaar tot een goede discussie op onderdelen kunnen komen. Het is belangrijk dat we straks kunnen zien hoeveel invloed we werkelijk op de Nederlandse inzet kunnen plegen, want we zijn maar een klein landje binnen de 27 landen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik wil graag een puntje van orde maken. De woordvoerster van de PvdA leest nu heel mooi voor. Ik had aan het begin van mijn betoogje al gezegd dat er enkele voorstellen zijn en dat we met de staatssecretaris moeten afspreken wat we hierover willen horen. Dat waren exact de punten die mevrouw Jacobi ook maakt. Ik wil graag dat we ons allemaal bij deze punten kunnen aansluiten. Dan hoeven we ze straks niet in de tweede termijn te behalen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik heb uw voorstel niet gehoord en ik ben helemaal niet iemand die papegaait, maar het lijkt me goed om harde afspraken te maken over termijnen en dat soort dingen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Het was heel positief bedoeld.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik ben er heel blij mee dat we goede afspraken kunnen maken.

Voorzitter. Ik wil enkele punten kort aanstippen die al bij eerder inzetten op het GLB aan de orde zijn geweest. Wat ons betreft moeten we heel stevig inzetten op klimaatbeleid en energiebeleid, innovatie en natuurmaatregelen. Er is iets wat ons daarbij van het hart moet, namelijk dat de gekoppelde betalingen toch weer via de achterdeur lijken binnen te sluipen. Ik ben serieus van plan, als er straks een VAO komt – bij dezen wil ik dat wel aanvragen – dat we daarin hard stelling nemen dat die gekoppelde betalingen niet meer in de voorstellen terugkomen. In de voorstellen zit nog steeds een mogelijkheid voor landbouw om te herkoppelen. Dat vinden we echt een foute gang van zaken. Als we dit via de achterdeur blijven toelaten, kunnen we wel stoppen met het GLB.

Ik heb nog een heel belangrijk punt bij het hele verhaal van de eerste en tweede pijler. We zijn op werkbezoek geweest bij collectieven gratis natuurbeheer. Dit is een heel goede pilot geweest. Ik wil heel graag van de staatssecretaris weten of we de collectieven in de eerste pijler neerzetten, maar dan ook goed, of in de tweede pijler. In dat laatste geval hebben we te maken met provincies die bijna geen geld meer hebben doordat ze alle bezuinigingen van deze regering moeten ophoesten. We willen graag een harde inzet daarop, want ze mogen niet het kind van de rekening worden.

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de laatste woorden van mevrouw Jacobi met betrekking tot de collectieven. Ik denk ook dat het goed is om aan te sluiten bij het punt waarvan mevrouw Snijder een ordepuntje maakte. Dat wil zeggen dat we inderdaad datgene wat aan ons is voorgelegd door onze Europese griffie die altijd keurig werk levert, voorleggen aan de regering als een set van afspraken die we graag willen maken. Misschien kunnen die even aan de staatssecretaris gegeven worden? Dat is het meest precies geformuleerd.

De voorzitter: Ik wil daarover iets zeggen. We laten nooit iets van griffies voorleggen aan de staatssecretaris. De punten die mevrouw Snijder heeft aangegeven, maken we tot onze punten. We hebben ons laten inspireren door allerlei slimme mensen en we doen er ook niet geheimzinnig over dat er natuurlijk al wat voorwerk is gedaan. Procedureel zijn het echter onze punten en niet die van de griffie.

De heer Koopmans (CDA): Daarom zei ik het ook. Onze Europese griffie doet altijd fantastisch werk. Ik stel voor om de door haar voorgestelde punten aan de regering voor te leggen. Daarmee zijn het onze punten geworden. Ik denk dat het af en toe goed eens om eens te laten weten wie allemaal voortreffelijk werk leveren ter voorbereiding van de debatten.

De voorzitter: Dank u. Dat is heel vriendelijk van u. U bent een schat.

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. Naast die meer procedurele punten hebben we zeven punten die we aan de staatssecretaris mee willen geven.

Met betrekking tot de herverdeling van de directe betalingen, gaan we de staatssecretaris ook in zijn werk in Brussel streng controleren op de herziening van het GLB. Niet alleen naar de juffrouw luisteren, maar ook naar de meester, zou ik tegen de staatssecretaris willen zeggen. Bij de herverdeling van de directe betalingen moet het gelijkheidsprincipe toegepast worden. Het is raar dat we nu 5% in plaats van 8% van het budget krijgen voor Nederland. Mevrouw Snijder knikt, maar ja, de motie-Lucas loopt ons voor de voeten. Daarmee is het terecht dat mevrouw Jacobi zojuist de op dit gebied enige, echte, juiste en verstandige motie, namelijk de motie-De Mos/Koopmans, nog eens even op tafel gooide.

De heer Grashoff (GroenLinks): Is de heer Koopmans het met me eens dat Nederland op dit moment veruit de hoogste bijdrage per hectare krijgt van het Europese landbouwgeld, op Malta na?

De heer Koopmans (CDA): Dat komt omdat wij ook veruit de hardst werkende boeren van Europa hebben.

De heer Grashoff (GroenLinks): Is de heer Koopmans het vervolgens met mij eens dat, zelfs als er 8% afgehaald wordt van de Nederlandse bijdrage en van de Duitse en Franse bijdrage – pak hem beet – 2%, Nederland dan nog steeds de hoogste bijdrage per hectare krijgt?

De heer Koopmans (CDA): Onze productie en onze wijze van produceren is zo goed en zo efficiënt dat het daarom terecht is dat we niet heel onnozel naar Brussel gaan en zeggen: ach, het kan wel even wat minder. Nee, we hebben goede redenen om te blijven vragen om een passend deel van het GLB voor de Nederlandse boeren als inkomenstoeslag. Niet als subsidie maar als inkomenstoeslag.

De heer Grashoff (GroenLinks): Ik heb zeer korte vragen gesteld. Ik zou graag nog een slotvraag willen stellen. Ik heb mijn interruptie zeer efficiënt gebruikt. Is de heer Koopmans het met mij eens dat het by far niet redelijk is om te lopen miepen over die bijdrage per hectare als je de hoogste bijdrage per hectare krijgt en ook behoudt?

De heer Koopmans (CDA): Oneens.

Voorzitter. We steunen de inzet om herverdeling te laten plaatsvinden op basis van het totale GLB-budget. We vinden dat er een focus moet worden aangebracht bij de directe betalingen. We moeten opletten dat we niet in de eerste pijler van alles en nog wat inbrengen, bijvoorbeeld jonge boeren, kleine boeren, herkoppelen en weet ik wat allemaal. Voor we het weten wordt het een systeem dat heel erg ingewikkeld is en het gelijke speelveld in gevaar brengt.

We vinden het ook van belang dat de inzet van ongebruikte toeslagrechten via de huidige artikel 68-constructie wordt voortgezet en dat dit instrument wordt gebruikt voor het overgangsbeleid. Hierop kom ik dadelijk nog terug. En natuurlijk voor de door iedereen bejubelde innovatie.

We willen 30% van de directe betalingen enkel en alleen verplicht vergroenen als dit vormvrij is en er maatwerk geleverd kan worden. We willen het niet zoals Brussel nu bepleit: rigide, onhoudbaar, onhaalbaar voor Nederland, en eigenlijk ook onbetaalbaar voor Nederland. Dat moet anders.

Het overgangsbeleid dient langer te zijn en er moet meer ruimte zijn ter invulling van de overgang.

Bij het plattelandsbeleid, en dan hebben we het over de tweede pijler, horen elementen van vergroening. Ook extra elementen die een keuzemogelijkheid inhouden, horen daar thuis. Let op dat we in de eerste pijler niet weer te veel keuzemomenten zetten, want dan wordt het veel te ingewikkeld. We snappen dat we in de eerste pijler aan vergroening doen. De randvoorwaarden daarvoor heb ik net al geformuleerd.

Voor het marktbeheer wil ik de motie-Dijkgraaf c.s. noemen. We noemen hem vandaag met ere op dit moment. Hij is thuis aan het rusten. Hij heeft een heel briljante motie ingediend. Ik heb het over die heel lange motie, een enorm epistel over de gemeenschappelijke marktordeningsmiddelen (GMO-middelen) die ons uit het hart gegrepen was en is. Die lijn steunt onze fractie.

Ik heb een laatste opmerking: zorg bij al deze wensen, die voor het overgrote deel leiden tot versimpeling, dat je het eenvoudig, simpel en controleerbaar houdt. De boeren moeten het doen, maar de diensten van de staatssecretaris moeten het daarna ook nog controleren. En hij weet hoe ingewikkeld dat is.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Over het budget is veel gesproken, ook vanochtend bij de behandeling van de begroting. De inzet van de Nederlandse regering is volstrekt duidelijk. Ik kan niet alle ingediende moties volgen. Ik weet ook niet wat er met die moties is gebeurd, maar we staan op precies hetzelfde standpunt als op 26 november. De Nederlandse regering zet in op nominale continuering van het Europese landbouwbudget.

We zetten bovendien in op een eerlijker deel voor Nederland in vergelijking met wat er nu voorligt. De min 8% in 2021 vinden we te ver gaan. Er zal iets extra's moeten gebeuren voor de nieuwe Europese lidstaten. Daaraan willen we ook een bijdrage leveren, maar wel een faire bijdrage in vergelijking met andere West-Europese landen. Wij min 8%, de Denen min 7%, de Duitsers min 4% en de Fransen min 3,5%, dat willen we dus niet. Het moet voor alle West-Europese landen nagenoeg eenzelfde percentage zijn. Ik ga niet in op al die moties, de motie-Lucas, de motie-zus, de motie-zo. Ik heb duidelijk gezegd wat de inzet van de Nederlandse regering is, nominaal continueren van het Europese budget en een lagere korting dan de min 8% die nu speelt. Ik ben klaar met dit eerste blokje over het geld.

De heer Grashoff (GroenLinks): De staatssecretaris heeft het over de budgetverdeling. Ik leg hem dezelfde vraag voor die ik aan de heer Koopmans heb voorgelegd. Is het redelijk om hierover door te zagen als je de hoogste bijdrage per hectare hebt waar weliswaar iets van afgaat maar die dan nog steeds by far de hoogste bijdrage per hectare is? Schaadt het de Nederlandse inzet en het Nederlandse prestige in Europees verband niet om hierop inzet te plegen?

Staatssecretaris Bleker: Nee, het schaadt de Nederlandse inzet niet. Daar komt bij dat we niet alleen staan. We voeren deze onderhandelingen op dit punt met meerdere andere lidstaten. Zelfs bij andere West-Europese lidstaten bestaat er begrip voor de positie die bijvoorbeeld Italië, Nederland, België, Denemarken en Ierland innemen. We zullen afwachten hoe dat verder loopt.

De heer Grashoff (GroenLinks): Mijn sommetje leidt ertoe dat ook na die korting van 8% Nederland een bijdrage krijgt van rond de € 370/ha. Ter vergelijking: in Duitsland en Frankrijk is dat rond de € 290/ha. Dat lijkt me nog steeds een significant verschil in het voordeel van Nederland.

Staatssecretaris Bleker: Dat is ook zo, maar het gaat om de relatieve teruggang. We vinden de relatieve korting te groot. Punt. We knokken ervoor om dat meer in evenwicht te krijgen.

Voorzitter. Ik ben heel erg blij dat in dit AO het principe dat het nieuwe Europese landbouwbeleid en de directe betalingen een zeer stevige vergroeningscomponent moeten hebben, wordt onderschreven. Zij het dat mevrouw Gerbrands dat een beetje morrend en wat terughoudender doet. Ik vind het heel erg belangrijk voor het maatschappelijk draagvlak van het Europese landbouwbeleid. Ik vind het ook belangrijk omdat er op die 1,8 miljoen hectares agrarisch productielandschap mogelijkheden zijn om op efficiënte wijze aan vergroening en biodiversiteit bij te dragen. De gestelde vragen gaan vooral over de manier waarop. Nagenoeg iedereen deelt de opvatting van het kabinet dat de voorstellen van de Commissie op dat punt te rigide zijn. De 7%, de vruchtwisseling, permanent grasland: het is allemaal heel erg rigide. We willen graag toewerken naar een keuzemenu voor een land als Nederland, om maatwerk te leveren met betrekking tot de manier waarop we die vergroeningsdoelen realiseren. Dat geldt ook voor Denemarken, delen van Zweden, Ierland en het Verenigd Koninkrijk waar men ook met hoog intensieve landbouwgronden van doen heeft. Bovendien willen we niet alleen vergroening in het landschap en de openbare ruimten, maar ook vergroening in het productieproces en de bedrijfsprocessen: innovatie en innovatieve vergroening, zoals de heer Grashoff aangaf. Dat is onze inzet. Er is nog een hele weg te gaan. Daarbij moeten volgens mij ook niet zozeer de discussie voeren over 7% of 30%. Het gaat er veel meer om dat we er maximaal gebruik van maken, als we kunnen komen tot vergroeningsmethoden in zowel het productieproces als het landschap die passen bij de Nederlandse agrarische structuur. Het gaat veel meer om de methode, de flexibiliteit en het maatwerk dan om een vaste methode of een vast percentage.

Als er een oplossing is gevonden op een manier zoals de heer Koopmans en anderen aangaven, met flexibiliteit en maatwerk die past bij de Nederlandse situatie, is ook de relatie met de directe betalingen veel minder problematisch. Als men verplicht wordt tot iets wat niet past bij de Nederlandse bedrijfsvoering, is die koppeling met de eerste pijler heel erg onverstandig. Onze inzet is vooral gericht op een manier van vergroenen die past bij de Nederlandse situatie en die een werkelijke en wezenlijke bijdrage levert aan biodiversiteit en natuur- en landschapselementen in het Nederlandse productielandschap, plus innovatieve vergroening in het productieproces. Dat is primair op dat punt.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Het spreekt mij heel erg aan om de inzet en het geld daar te spenderen waar het dienstbaar is aan die innovatie, die vergroening en die biodiversiteit. Er moeten dan goede parameters gemaakt worden om te regelen dat het geld op de goede plek komt. Welke instrumentaria zijn er om dat maatwerk voor elkaar te krijgen, wat vervolgens zal leiden tot minder normen? Ik ben altijd voor strakke normen als je geen andere sturingsinstrumenten hebt. Hoe ziet de staatssecretaris dat?

Staatssecretaris Bleker: Daarmee zijn wij nu aan het werk, Ik zal de Kamer tijdens een van de volgende Landbouwraden informeren over mogelijke Nederlandse componenten van zo'n Europees keuzemenu. Voor mij geldt daarbij ook de eenvoud, plus de mogelijkheid voor een collectieve aanpak. Dat is heel interessant. Dat is ook door mevrouw Jacobi benoemd. Door een collectieve aanpak kun je ook bijvoorbeeld qua ecologische effecten meer bereiken dan ieder voor zich.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Waar hebben we bij die collectieven de sterkste positie? Is dat in de eerste pijler of in de tweede pijler?

Staatssecretaris Bleker: In de tweede pijler is het makkelijker om de collectieven te introduceren dan in de eerste pijler. We zien wel mogelijkheden om ook in de eerste pijler openingen te forceren.

Mevrouw Wiegman-Van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Het wordt beetje bij beetje duidelijk waar de regering aan denkt bij mogelijkheden voor vergroening. Ziet de staatssecretaris ook duidelijk dat die 30% vergroening een mogelijkheid moet zijn voor extra inkomsten en dat het een top-up is? Zet hij zich daarvoor in?

Misschien kan hij nog wat meer zeggen over het type maatregelen waaraan hij denkt? Ik heb zelf wat voorbeelden genoemd, van weidegang, precisielandbouw en dat soort zaken. Deelt hij bij die collectieve vergroeningsmaatregelen de visie om daarbij ook sterk te richten op Natura 2000-gebieden en wat daar omheen gebeurt en de mogelijkheden van het beheer van agrarische natuur?

Staatssecretaris Bleker: Het antwoord op het laatste is ja. Dat staat trouwens ook in de voorstellen van de Commissie. Ook de omgeving van de Natura 2000-gebieden wordt met naam en toenaam genoemd.

We willen wel proberen om de collectieven ook in die eerste pijler als het ware te introduceren. Er is nu een koppeling gelegd van de participatie aan de vergroeningsmaatregelen en de hoogte van de eerste pijler, respectievelijk de eerste pijlerbetaling, respectievelijk de sancties die erop zitten. Hoe die relatie precies moet liggen weet ik niet. Ik vind wel dat er een relatie moet liggen, anders wordt het totaal vrijblijvend. Of de koppeling echt zo gelegd moet worden als nu in de voorstellen ligt, weet ik nog niet. Het verplichtende karakter van die vergroeningsmaatregelen is makkelijker te verteren als die vergroeningsmaatregelen ook passen bij de structuur van de agrarische sector in de diverse gebieden. Dan is het op zichzelf geen bottleneck.

Mevrouw Wiegman-Van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Dat geloof ik ook, dus dat zou mooi zijn. Die inzet is belangrijk. Ik denk wel dat het ook belangrijk is in het licht van mijn betoog over de voedselzekerheid en meer zekerheid voor boeren, dat er iets van die basispremie goed overeind blijft. Op het moment dat men voor die basispremie in aanmerking wil komen, moet men al aan heel veel verplichtingen voldoen. Die eisen liggen er al. Ik vraag de staatssecretaris daar wel veel aandacht aan te besteden.

Staatssecretaris Bleker: Akkoord. Dat begrijp ik.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Allereerst dank voor de toezegging van de staatssecretaris om in te zetten op de menukaart. De woorden die hij daarbij noemt, zijn stevige ambitie, doelmatigheid binnen de kaders van het level playing field, als ik het zo mag samenvatten. Dat scheelt mij dan weer een motie en dat is mooi. Ik hoop dat de vraag die ik heb gesteld, daar ook binnen kan vallen. Kan de staatssecretaris toezeggen ervoor te pleiten dat ook blauwe diensten in dat hele kader van vergroening worden meegenomen? Kan hij ervoor pleiten dat de Kaderrichtlijn Water op deze manier ook wordt meegenomen?

Staatssecretaris Bleker: Ja, ook blauwe diensten.

De heer Van Gerven (SP): Ik heb nog een tweeledige vraag. Ten eerste vraag ik het aspect dierenwelzijn ook als algemeen doel te bepleiten bij het plattelandsbeleid. Dat aspect is nog niet aan de orde geweest. Ten tweede vraag ik of er door de Europese Commissie of de staatssecretaris gekeken is naar de mogelijkheid van differentiatie naar gebiedskwaliteit?

Staatssecretaris Bleker: Daar kom ik straks nog op terug in mijn volgende blokje. Mag ik dan antwoorden?

De voorzitter: Oké. Als er dan nog een vervolgvraag is, geef ik de heer Van Gerven daartoe nog de gelegenheid.

Staatssecretaris Bleker: Er is gesproken over een stevige basispremie, ook indachtig een motie die daarover is aangenomen. Een van de indieners van de motie, de heer Dijkgraaf, sprak toen over een basispremie van ongeveer 60% tot 70% van de eerste pijlerbetaling. Hierop zitten we ongeveer met de huidige voorstellen.

In de voorstellen van de Commissie wordt artikel 68 beëindigd. Net als mevrouw Snijder, mevrouw Van Veldhoven en de heer Koopmans, vind ik dat jammer. Zoals de Kamer in het kabinetsstandpunt heeft kunnen lezen, zet ik nadrukkelijk in op de handhaving en uitbreiding van de mogelijkheden om te investeren in innovatie. Of dat een nieuw soort artikel 68 wordt, weet ik nog niet, maar we willen dat op een of andere manier realiseren. Dat kan misschien ook via het schuiven van 10% van de eerste pijler naar de tweede pijler. Onze eis is dan zonder cofinancieringverplichting. Dat kan ook een mogelijkheid zijn om die artikel 68-achtige impulsen uit te bekostigen voor de toekomst.

Meerdere van de commissieleden hebben gezegd dat ze tegen herintroductie of continuering van de koppeling van steun aan productie zijn. Daar zijn wij ook tegen.

Mevrouw Gerbrands heeft een vraag gesteld over de afschaffing van quota, met name de suikerquota. Dat was mevrouw Gerbrands toch? Misschien was dat namens de heer Dijkgraaf, dat weet ik niet helemaal zeker. Dat punt wil ik nog wel even serieus bekijken. Het voorstel is het suikerquotum per 1 januari 2015 af te schaffen, als ik het goed zie. Ik heb inmiddels diverse signalen ontvangen die erop duiden dat dit misschien wat aan de vroege kant is, gelet op het feit dat de suikersector net een hervorming achter de rug heeft. Dat wil ik goed bekijken. Mevrouw Gerbrands hoeft daarover geen motie in te dienen want ik zie dat punt zelf ook en ik wil het in het totaal van de onderhandelingen bekijken.

Over GLB-voorstellen en innovatie hebben verschillende van de leden gesproken. De innovaties, en dan kom ik op het punt van de heer Van Gerven, kunnen ook betrekking hebben op dierenwelzijn en diergezondheid. Milieu, klimaat, water en hernieuwbare energie zijn de innovaties die we mede met de eerste en tweede pijler gestimuleerd willen hebben.

Aan het regionale model en de omschakelingstermijnen zitten twee kanten. Een enkele woordvoerder, ik dacht mevrouw Snijder, zegt: kies altijd voor de langzaamste periode van afbouw. Heb ik dat goed begrepen?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik volgde uw lijn. U zegt in 2019 omdat in 2017 de onderhandelingen voor de nieuwe hervorming van het GLB weer beginnen.

Staatssecretaris Bleker: Ik ben er zelf nog niet helemaal uit. Ook uit de inbreng van de Kamer zie ik de verschillende kanten van de medaille. Als je de wat snellere variant van afbouw neemt, richt je je met name op de toekomstgerichte bedrijven.

De voorzitter: De vraag is hoeveel sneller dat is. Dat wil mevrouw Snijder graag weten.

Staatssecretaris Bleker: Dat ziet u precies in de staatjes. Dat kan ik u aangeven.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): U hebt in uw brief al van alles geschreven.

Staatssecretaris Bleker: Bent u het daarmee eens?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ja, dat heb ik net verwoord.

Staatssecretaris Bleker: Dan is het goed en heb ik er verder geen opmerkingen over.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik ben het met u eens, maar enkele anderen hebben een andere mening.

Staatssecretaris Bleker: Dan hoor ik wel of die anderen het nog steeds niet met mij eens zijn.

Mevrouw Snijder vindt het onterecht dat nieuwe bedrijven geen recht hebben op toeslagrechten. Iedereen die in 2011 toeslagrechten heeft, komt ook in het nieuwe GLB. Dit betreft het overgrote deel van de Nederlandse landbouw. Ook nieuwe bedrijven kunnen toetreden. Ook gespecialiseerde groentebedrijven kunnen toetreden. Dat geldt niet voor gespecialiseerde bollentelers en boomkwekers. Het lijkt ook geen probleem omdat ze zeer kapitaalintensief zijn en de arealen aan oppervlaktes van heel andere orde zijn dan waarover we in de overige landbouwsectoren spreken. Dit systeem ligt nu voor en we vinden dat een werkbaar systeem.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik wil dit duidelijk krijgen en ik heb u er eerder ook al op aangesproken. Het is een beetje raar. Bollentelers hebben zelf de keuze gemaakt en ook de boomkwekers met het inplanten van bomen. Maar dat is van jaren her. Die bomen zijn twintig jaar geleden ingeplant en moeten binnenkort gekapt worden. Dat wordt gewoon weer landbouwgrond. De staatssecretaris moet daarvan op Europees niveau wel een punt van maken. Er is een deel van ons agrocluster dat de toeslagrechten in de toekomst niet kan benutten, ook al voldoen ze aan een aantal randvoorwaarden waaraan anderen, zeg maar de buurman, ook voldoen. We hebben aan hen gevraagd om te investeren in bomen en nu moeten ze kappen en de grond weer omvormen tot landbouwgrond. Ik vind dat de staatssecretaris bij Europa op het bordje mag leggen dat daarbij toch een aantal problemen zit in Nederland.

Staatssecretaris Bleker: De voormalige excessieve landbouwbedrijven die op de boomproductie, de houtproductie zijn overgestapt en waarvan de gronden nu moeten terugkomen voor de reguliere voedselproductie, vind ik inderdaad wel een specifiek probleem waarvoor ik bij de Europese Commissaris en bij de Europese Commissie en bij de collega-lidstaten aandacht wil vragen.

Voorzitter. Bescherming van ecosystemen die afhankelijk zijn van land- en bosbouw waaronder de Natura 2000-gebieden vormt een van de prioriteiten van het toekomstig plattelandsbeleid. De implementatie van de Kaderrichtlijn Water kan daaraan een bijdrage leveren. De Commissie stelt echter ook voor om elementen uit de Kaderrichtlijn Water aan de randvoorwaarden, crosscompliance, toe te voegen zodra alle lidstaten deze richtlijn hebben omgezet en de verplichtingen zijn vastgesteld die rechtstreeks op de landbouwers van toepassing zijn. Ik ben er geen voorstander van. Ik denk dat het bereiken van de doelen van de Kaderrichtlijn Water het best gediend wordt door landbouwers gericht te betalen voor concrete prestaties die ze leveren op het vlak van duurzaam waterbeheer, zeker waar deze gebiedsgerichte aanpak vergen.

Met betrekking tot de nationale cofinanciering in de tweede pijler, streeft Nederland naar een zo laag mogelijke cofinanciering. Voor eventueel over te hevelen middelen van de eerste naar de tweede pijler bepleiten we geen cofinanciering. Dat heb ik al eerder aangegeven.

We vinden het een goed idee om ongebruikte toeslagrechten in te zetten voor overgangsbeleid en innovatie, een punt van de heer Koopmans, vinden we een goed idee. De Commissie stelt nu voor dat ongebruikte toeslagrechten teruggaan naar Brussel. Dat proberen we natuurlijk te voorkomen, en met ons vele andere lidstaten. Dit zou een goede alternatieve bestemming kunnen zijn.

We delen de opvatting van de heer Koopmans dat vereenvoudiging een topprioriteit is. Ik ben op dat punt ook een van de voortrekkers in Europa om daar scherp in te koersen.

Ik heb nog een enkele slotopmerking over de procedure. Ik kan elk kwartaal een brede rapportage toezenden over de stand van zaken in de onderhandelingen, dus in maart, juni, oktober en december. Die gaat dan over de formele stand van de onderhandelingen. Daarnaast ontvangt de Kamer elke maand de geannoteerde agenda en het verslag van de Landbouwraad ten behoeve van het bijbehorende AO. De kabinetsreactie en ook de recente correspondentie van onze kant hierover naar de Kamer is steeds het voortschrijdende uitgangspunt, het zich verder ontwikkelende uitgangspunt voor onze inzet. Daarnaast hebben we de mogelijkheid om in de reguliere AO's hierover van gedachten te wisselen.

Ik wil zeker proberen te voldoen aan de voorwaarde om twee weken voordat de agenda bekend is, de stukken toe te zenden, maar dan zijn we wel afhankelijk van de manier waarop de Raad van landbouwministers logistiek functioneert. Op die termijn beschikken we zelf, als deelnemers aan dat beraad, überhaupt niet altijd over de agenda en de stukken. Dat doen we zeker niet drie weken voor de raad. We moeten het vooral zoeken in de periodieke rapportage, eens per kwartaal, en de afspraak dat de Kamer voor elke AO Landbouwraad de actuele stand van zaken heeft plus de agenda voor dat moment.

Daarnaast zijn het natuurlijk ook nog gewone onderhandelingen. Het beste is om de Kamer volop in de gelegenheid te stellen mij de belangrijkste kaders, boodschappen en prioriteiten mee te geven, maar wel op een manier dat ik er nog mee kan onderhandelen. Als de Kamer vier of vijf moties aanneemt waarin bikkelhard geformuleerd wordt wat de uitkomsten voor Nederland moeten zijn, is dat voor een aantal collega-lidstaten heel erg interessant. Die lezen dat ook. Het is verstandig om, zoals de Kamer dat nu doet, kaderstellende uitspraken te doen en mij dan periodiek daarop te beoordelen. Als de Kamer hier bikkelhard zegt dat het nooit meer dan 3% mag zijn en dat dit staat in een motie over vergroening, is dat voor mij namens de Kamer complex onderhandelen. Ik kan me heel goed vinden in de manier waarop het tot nu toe is gegaan: uitgangspunten, kaders en richtingen en daarbinnen opereren.

Er is een impactanalyse opgesteld van de huidige voorstellen van de Commissie. Ik kijk even naar de heer Van Gerven. Die analyse omvat 1000 pagina's en de Kamer beschikt hier al sinds 12 oktober over. Daarnaast heb ik de Kamer vorige week vier onderzoeksrapporten van het LEI toegezonden. Ook daarin zijn de consequenties doorgerekend van de voorstellen van de Commissie. Dus aan impactanalyses en consequentieanalyses geen gebrek, zou ik denken.

De heer Van Gerven (SP): Twee vragen zijn nog niet beantwoord. Ik heb gevraagd naar de mogelijkheid van differentiatie naar gebiedskwaliteit en naar een actieplan voor redelijke en stabiele prijzen bij de boeren.

Staatssecretaris Bleker: Over gebiedskwaliteit loopt nog een discussie. Dat heeft ook te maken met de natuurlijke handicaps enz. Daarop komen we terug. Een actieplan voor de prijsvorming gaan we niet in Europees verband doen. Ook in het kader van de regiegroep Duurzame Veehouderij komt dat aan de orde. Ook de relatie met de mededinging en versterking van de positie van de boer op de markt is aan de orde. Ik voel er niets voor om met een speciaal aanvalsplan te komen op Europees niveau zoals de heer Van Gerven bedoelt. We zijn er in Nederland actief mee bezig en de Kamer kan de voortgang periodiek beoordelen.

De heer Van Gerven (SP): Er komt een VAO, dus het wordt op dat moment vervolgd.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording. Hij heeft helder geantwoord, in ieder geval op mijn punten. Ik wil nog even zeggen dat wij het juist vinden dat een aantal bestaande marktinstrumenten zoals afgesproken blijft. Dat ben ik net vergeten. De staatssecretaris heeft gezegd dat hij artikel 68 wil houden. Dat heb ik in eerste termijn ook gezegd. De staatssecretaris zei ook dat hij het anders moet laten vallen onder de tweede pijler. Dat is wel een heel andere aanvliegroute. Hoe ziet de staatssecretaris dat als hij daarvoor zou kiezen?

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Voorzitter. Ik heb drie punten. Over de Kaderrichtlijn Water heeft de staatssecretaris eerder duidelijk gesteld dat van boeren een bepaalde verantwoordelijkheid mag worden verwacht voor het zorgvuldig omgaan met hun ruimte. Welke elementen vindt de staatssecretaris eventueel acceptabel en welke niet? Ik begrijp dat er een onderscheid in zit, maar om dit rücksichtslos volledig van tafel te schuiven is niet in lijn met wat de staatssecretaris hierover eerder heeft gezegd. Graag krijg ik meer precisie op dit punt.

Met betrekking tot apurement is vandaag een persbericht uitgebracht dat 90% van de boetes niet wordt verhaald op de overtreders. Is het dan wel een effectief instrument? Waarom gebeurt het eigenlijk? Waarom wordt de te veel betaalde subsidie aan de boeren via de belastingbetaler gecompenseerd? Onterecht ontvangen subsidie moet gewoon teruggevorderd kunnen worden.

Ten aanzien van de procedure vraagt de staatssecretaris de Kamer om vertrouwen en om ruimte. Uiteraard vraag ik aan de staatssecretaris om ook ons te vertrouwen en om desnoods in vertrouwelijkheid in ieder geval ook inzage te geven op voortgang op raadsconclusies en dergelijke, en Coreper-stukken, zodat we effectief op kaders kunnen sturen.

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Mijn fractie stelt voor om dat impactassessment over een jaar uit te voeren, als de definitieve voorstellen er liggen. Dit zou tot aardige veranderingen kunnen leiden.

Specifiek voor de melkveesector moeten vergroeningsmaatregelen worden getroffen. Het verbouwen van die drie verschillende gewassen is niet praktisch voor de sector, omdat er vooral gras en mais wordt verbouwd. De maatregel van 7% of 8% ecologische gebieden zou veel toepasselijker zijn voor grasland, maar is niet verplicht. Wil de staatssecretaris samen met de natuurorganisaties, boeren en Europa op zoek gaan naar een praktische oplossing en inzetten op ecologische focusgebieden voor grasland? Is de staatssecretaris bereid om beheervoorschriften of een minimum ecologische kwaliteit voor ecologische focusgebieden af te spreken? Is hij tevens bereid om minimaal 30% van het budget van de tweede pijler te reserveren voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer, om 10% van de eerste naar de tweede pijler over te hevelen of om meer geld voor de tweede pijler in Brussel te regelen?

Mevrouw Gerbrands (PVV): Voorzitter. Ik bedank de staatssecretaris voor zijn antwoorden. Zijn inzet stemt hoopvol. Ik ben benieuwd wat hij gaat doen met de suikerproblematiek. Ik ben niet van plan om een motie in te dienen. Mijn fractie houdt een en ander in de gaten.

Mevrouw Wiegman-Van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Ik zou graag een antwoord ontvangen op mijn vraag over het stapsgewijs uitvoeren van die overgang. Sectoren die hard worden getroffen door de herverdeling, hebben op die wijze de tijd om zich aan te passen. Graag ontvang ik een inhoudelijke reactie. Ik wil eveneens graag een antwoord op mijn vraag over de afschaffing van het melkquotum, teneinde te bezien of we die zachte maatregelen naar voren kunnen halen.

Het feit dat de landbouwsector gericht betaald krijgt voor de KRW-maatregelen is zeer terecht. Dit is typisch zo'n top-upmaatregel, zeker gezien het feit dat Nederland op dit moment veel te weinig geld beschikbaar heeft voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Tijdens het VAO over het Bestuursakkoord Natuur heb ik een motie ingediend met het verzoek om het agrarisch natuurbeheer niet uit de 70% basispremie te betalen, maar uit de vergroening of uit de tweede pijler. De staatssecretaris antwoordde dat het eigenlijk te vroeg is voor die motie. Hij is vandaag niet ingegaan op mijn gedachte achter die motie, terwijl hij wel naar dit algemeen overleg verwezen heeft.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik zou graag een antwoord ontvangen op de twee vragen die ik heb gesteld over het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Mijn eerste vraag betreft het effectief gebruikmaken van de aanwezige subsidiëring en het verplichten van de vergroening, opdat je een ecologisch lint kunt maken. Mocht er in de voorstellen sprake blijven van koppelingssteun, kan Nederland zich dan inspannen om ervoor te zorgen dat die 5% gekoppeld wordt aan een transitie naar een biologische bedrijfsvoering?

De heer Grashoff (GroenLinks): Voorzitter. In de eerste termijn heb ik niet kunnen wijzen op het feit dat er in de kabinetsreactie er volledig niet thuisgegeven wordt op het aspect van marktregulering en productbeperking. Hoe verhoudt datgene wat de staatssecretaris hierover stelt zich tot de Kamerbreed aangenomen motie, waarin de staatssecretaris wordt verzocht om de marktmacht van boeren te versterken en zich hiervoor in Europees verband in te zetten?

Wil de staatssecretaris zich uitlaten over mijn suggestie in eerste termijn om eventueel tot een hoger percentage vergroening dan 30 te komen? Wil hij bezien of dit kan worden uitgeruild tegen de koppeling aan de basispremie?

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Ik bedank de staatssecretaris voor zijn uitleg. Het spreekt mij erg aan om aan de hand van een menukaart – ik noemde dit zelf het cafetariasysteem – een soort keuzepakket samen te stellen. Ik wil ons ertoe verleiden om parameters te zoeken, om te bezien of we gaan scoren met dat maatwerk. Anders hebben we elkaar enkel met lucht blij gemaakt. We moeten naar innovatieprogramma's, waarmee we resultaatgericht kunnen sturen.

Ik kom op het aspect van de vergroening en de innovaties. Ik ben het volledig ermee eens dat de Kaderrichtlijn Water een essentieel onderdeel gaat vormen bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De collectieven spreken mij aan. De door de staatssecretaris genoemde opzet, waarbij je van de eerste naar de tweede pijler kunt zonder verplichting van cofinanciering, zal een heel interessante worden.

Ik sluit mij aan bij de opmerkingen van D66 over die apurementen. We moeten hiervan wegblijven. Elke euro die wordt besteed, moet gebruikt worden voor innovatie en vergroening.

In mijn eerste inbreng had ik al gezegd dat ik voor die herkoppeling ga liggen. Ik zal hierover een motie indienen.

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden. Aan de procedurele kant wijs ik erop dat, mochten er bijvoorbeeld rapporten komen van rapporteurs van het Europees Parlement, de Kamer via een kabinetsreactie hierover nader moet worden geïnformeerd. De staatssecretaris merkte terecht op dat de Kamer voldoende moties heeft vastgelegd. Het hekwerk is hier en daar wat onduidelijk geworden, maar na het antwoord van de staatssecretaris van heden weer op de juiste plek neergelegd.

Mijn fractie steunt de opmerkingen van mevrouw Wiegman inzake de zachte landing van het melkquotum. Zij is het eens met de overweging van de staatssecretaris om nog eens goed na te denken over de vraag of we niet wat langer met suiker moeten doorgaan. Een en ander werkt in Nederland immers heel goed.

De staatssecretaris komt met een nader onderzoek. Dit heeft hij de Kamer op 2 december 2011 laten weten. Er zijn vier rapporten. Het vijfde rapport inzake de gevolgen voor de sector heeft hij aan Wageningen UR gevraagd. Wanneer is dit gereed? De Kamer ontvangt dit graag zo snel mogelijk. Zowel de Kamer als de staatssecretaris heeft het nodig.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Ik doe echt mijn best, maar heb het gevoel dat de nacht in de Eerste Kamer mij nu enigszins bedwelmt. Het kan zijn dat de voorzitter mij zo nu en dan een por moet geven om op tempo blijven.

De voorzitter: Ik zal een geluid nadoen.

Staatssecretaris Bleker: Als je geld uit de eerste pijler kunt inzetten voor de tweede pijler – ik noem een verschuiving van bijvoorbeeld 10% – zonder nationale cofinanciering, kun je op zich met dat geld hetzelfde doen als hetgeen je nu doet op grond van artikel 68.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Nu betreft de tweede pijler alleen plattelandsmiddelen.

Staatssecretaris Bleker: Precies, maar onze inzet is om de tweede pijler vooral in te zetten voor innovatie, duurzaamheid en aanvullende vergroening.

Voorzitter. Ik ben het eens met de bezwaren van de SP inzake de drie gewassen, rotatie enzovoorts. Ik zou het liefst een heel simpele methode zien, zowel administratief als bedrijfsmatig, in de trant van: «Als je op zo'n oppervlakte grasland X doet of op die oppervlakte akkerland Y doet, voldoe je aan je vergroeningsdoelen.» We gaan derhalve op zoek naar een simpel systeem. Ik weet niet of het lukt, maar dit is wel het idee.

De heer Van Gerven verzocht om het agrarisch natuurbeheer uit de tweede pijler te halen. We hebben met de provincies afgesproken dat het agrarisch natuurbeheer buiten de ehs (ecologische hoofdstructuur) vanuit het gemeenschappelijk landbouwbeleid plaatsvindt. Dit kan deels via de eerste pijler en wellicht ook deels via de tweede pijler worden gerealiseerd. We zullen dit bezien.

Ik kom op de marktmacht. Het regeringsstandpunt inzake het nemen van marktmaatregelen is duidelijk. Dit gebeurt enkel indien sprake is van ernstig marktfalen. Dat is het principe. Daarnaast zijn we zeer actief bezig om de positie van de primaire producent te versterken op de markt, oftewel diens marktmacht. Zowel de rol van de producentenorganisatie als de transparantie in de keten is hierbij van belang. Dat is de aanpak op dit punt.

Mij werd gevraagd welke informatie ik bereid ben om aan de Kamer te geven. Ik ben bereid om eventuele vertrouwelijke correspondentie aan de Kamer te overhandigen, echter niet de Coreper-documenten. Dit zijn ambtelijke en niet politiek bepaalde rapportages. We zullen inderdaad melding maken van rapporten van het Europees Parlement.

Mevrouw Ouwehand koos een heel ondersteunende opstelling ten aanzien van de wijze waarop wij de vergroening willen ingeven. Ik zou bijna een soort van motie van ondersteuning aan de Partij voor de Dieren willen voorleggen, maar dat is wellicht iets te royaal.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter, ik bemerk de bedwelming.

Staatssecretaris Bleker: Zo ziet u maar, we zijn weer snel over de schrik heen. We koppelen 5% van de directe betalingen aan de transitie naar biologische productie. Dit is een voorstel. Het is een kwestie van marktvraag. We romen dus niet 5% vooraf af.

Over effectief natuurbeheer voor groen en de Kaderrichtlijn Water zijn meerdere vragen gesteld. Als het gaat om blauwe diensten die bijdragen aan de KRW-doelstellingen en die zijn in te passen in de bedrijfsvoering die ook voor groene diensten geldt, zie ik dit als een reëel punt voor de eerste pijler en eventueel ook voor de tweede pijler.

De heer Grashoff stelde een hoger percentage vergroening voor, bijvoorbeeld 40%, en een totale ontkoppeling van die vergroeningsopgave van de basispremie. Dit is een interessante gedachte, maar niet realistisch. De lidstaten oefenen immers reeds een forse druk uit om het percentage lager dan 30 te brengen. We steunen de Eurocommissaris wat betreft die 30%. We vragen echter wel één tegenprestatie, te weten dat het flexibel maatwerk passend kan worden gemaakt voor de agrarische structuur van Nederland. Voor mij is dat percentage van 30, 25 of 20 niet zo van belang. Het gaat om het feit dat een en ander goed kan worden ingepast in de agrarische productie. Waar zit het hoogproductieve landschap? Het moet niet alleen vergroening op het land zijn, maar ook vergroening in de zin van innovaties op het terrein van duurzaamheid, emissie, enzovoorts, enzovoorts. Dat is het principe.

De heer Koopmans (CDA): De staatssecretaris noemt het idee van de heer Grashoff interessant. Zou de staatssecretaris het een goed idee vinden als meerdere landen op de lijn van de heer Grashoff uitkomen, alleen met een veel lager percentage, en kiezen voor het principiële idee dat 20% vergroend zou moeten worden in de tweede pijler en niet langer in de eerste. Ik hoop niet dat hij hier dwars voor gaat liggen.

Staatssecretaris Bleker: Die 30% als deel van de betalingen in de eerste pijler, die zichtbaar een bijdrage moet leveren aan de vergroening van het proces en vergroening van het landschap, is op zichzelf verdedigbaar. Het is niet zozeer de vraag waar de relatie met die basispremie ligt, als wel waaruit die maatregelen bestaan. Als de maatregelen passen bij de Nederlandse agrarische bedrijfsvoering, is het voor zowel de agrariër als mij niet problematisch dat deze gekoppeld zijn aan de basispremie. Je kunt wel volume met elkaar realiseren. Komt het echter tot vergroeningsmaatregelen, die bij grote deelsectoren van de Nederlandse agrarische sector niet werken, dan is het ook niet reëel om de basispremie daarvan afhankelijk te stellen. Ik redeneer vanuit de inhoud van die vergroening.

De heer Grashoff (GroenLinks): Is een deel van de weerstand tegen die 30% niet juist gelegen in het feit dat deze gekoppeld is aan de basispremie? Hierin zit ruimte. Het is mogelijk dit percentage te laten vallen, maar dan moet je het percentage vergroening verhogen.

Staatssecretaris Bleker: Deels wordt het verzet hierdoor veroorzaakt, maar het zit hem vooral in de rigiditeit van de voorstellen.

Mevrouw Wiegman-Van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik herhaal nogmaals mijn vraag over die zachtelandingsmaatregelen voor het melkquotum. Voor de Nederlandse boer zou het goed zijn om deze naar voren te halen. Hoe snel of hoe langzaam wil de staatssecretaris te werk gaan? Ik heb gevraagd om een stapsgewijze aanpak en om rekening te houden met de transitietijd, die bepaalde bedrijven in ons land nodig hebben gezien de impact van de voorstellen van de Europese Commissie.

Staatssecretaris Bleker: Mijn voorgangers, mevrouw Verburg en de heer Veerman, hebben zich al vele malen sterk gemaakt voor een zachte landing van de melkquota en het voorkomen van de superheffing. Dit komt telkens weer aan de orde, maar stuit op een totale blokkade van Duitsland, Frankrijk en andere landen. We ontvangen enkel de opmerking dat we dan het hele systeem overhoop moeten gooien. Hierbij hebben we evenmin baat. Ik wil mij met liefde hiervoor sterk maken en zal daarbij aan mevrouw Wiegman denken. Het zal echter niet helpen. Enkel de heer Berlusconi is een en ander ooit gelukt. Hij heeft het toen gered via de zogeheten «Berlusconi-route». Berlusconi is er echter geen premier meer. Dit is derhalve geen goed voorbeeld.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik kom even op de vergroeningsmaatregelen. De staatssecretaris heeft zojuist gesproken over de blauwe diensten. Ik zou ook graag iets willen horen over de groene diensten. Hoe staat de staatssecretaris tegenover enkele groene diensten, zoals akkerrandenbeheer, weidegang, et cetera?

Staatssecretaris Bleker: Met zaken als weidevogelmozaïek en akker- en faunarandenbeheer moet je op een flexibele en bij voorkeur collectieve wijze omgaan. Weidegang is een heel interessant punt. Moet je weidemelk stimuleren met collectieve middelen, met gemeenschapsmiddelen of belastinggeld, als de markt een en ander al oppakt? Ik kijk even naar mevrouw Snijder. De consument wil extra betalen voor weidemelk. De zuivelindustrie wil iets extra's betalen in de richting van de leverancier. Moet de overheid hiertussen gaan zitten? Ik zet een groot vraagteken bij de vraag of deze besteding van gemeenschapsgeld effectief is. Laten we eerlijk zijn. Hoe moet je dit rechtvaardigen? Niet vanuit het oogpunt van biodiversiteit. Het is voor de emissie immers niet gunstiger als dieren heel veel buiten lopen.

Ik kom op dierenwelzijn. Zeggen we op voorhand dat er bij bedrijven waar dieren binnen worden gehouden, inclusief de duurzame stallen met beperkte uitloop, aanzienlijk minder wordt gescoord op het punt van dierenwelzijn dan bij bedrijven met weidegang? Dit is ook een inhoudelijk punt. Pas op met het heilig verklaren van de weidegang. Deze is een soort symbool geworden.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): De staatssecretaris knikte flink, toen ik sprak over het in vertrouwen beschikbaar stellen van enkele conclusies. Ik bedank hem hiervoor en ga ervan uit dat de Kamer deze zal ontvangen.

Ik had nog een vraag gesteld over het rapport inzake apurement, dat de European Court of Auditors heeft uitgebracht. Hieruit blijkt dat 90% van de boetes niet wordt verhaald op de ondernemers. Hoe komt dit? Gaan we dit veranderen?

Staatssecretaris Bleker: Hierover komt een brief.

De voorzitter: De staatssecretaris zegt een brief toe.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Mijn partij vindt dat Europese landbouwgelden niet moeten worden gebruikt voor structurele subsidies en zeker niet voor veehouderij. Ik merk dit op voorhand op, om te voorkomen dat de staatssecretaris weer iets zegt in de trant van: «Goh, wat is de Partij voor de Dieren constructief.» Ja, stel je voor. De weidemelk zou je als een voorwaarde kunnen stellen. Als je die subsidie wilt ontvangen, moet je ten minste je dieren buiten laten lopen. Voor biodiversiteit gelden natuurlijk de nationale Natura 2000-verplichtingen. Dit kan derhalve geen argument zijn. Hierop moet nationaal worden getoetst.

Staatssecretaris Bleker: In geval van een vergoeding voor weidegang, moeten de dieren wel buiten lopen. Op dit punt ben ik het met mevrouw Ouwehand eens.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik bedoel structureel. Je krijgt überhaupt geen vergoeding als je je dieren niet naar buiten doet.

Staatssecretaris Bleker: Wat bedoelt mevrouw Ouwehand met «structureel»? Die dieren kunnen nu echt niet naar buiten.

De voorzitter: Dat is het antwoord van de staatssecretaris. Ik heb de volgende toezeggingen genoteerd:

  • De staatssecretaris zal in januari een brief sturen aan de Kamer over apurement.

  • De staatssecretaris stuurt elk kwartaal, te weten in maart, juni, oktober en december, een brede rapportage aan de Kamer over de formele status van de onderhandelingen.

  • De staatssecretaris zal elke maand in de geannoteerde agenda de actuele stand van zaken geven. Hij zal proberen deze twee weken van tevoren aan de Kamer te sturen. De kabinetsreactie is hierbij steeds voortschrijdend en vormt het uitgangspunt voor de inzet van de staatssecretaris bij de onderhandelingen in Brussel.

  • De staatssecretaris zal de Kamer informeren over rapporten van rapporteurs van het Europees Parlement.

  • De staatssecretaris zal vertrouwelijke informatie naar de Kamer sturen of ter inzage leggen.

De heer Koopmans (CDA): Ik heb een klein puntje van orde. De twitteraar met de illustere naam «Hond met één oog» laat weten dat dit hele debat slechts één camera werkt, zodat mevrouw Jacobi en ik de hele tijd in beeld zijn geweest. Wij vragen ons af of dit wel verstandig is.

De voorzitter: U kunt ook dit moment pakken. Geef elkaar een kus!

Onze excuses. We proberen het technisch probleem zo snel mogelijk te verhelpen. Ik schors dit algemeen overleg gedurende tien minuten, waarna we doorgaan naar het tweede blok van het algemeen overleg over de Landbouw- en Visserijraad.

De heer Houwers (VVD): Voorzitter. Tijdens de Landbouw- en Visserijraad zullen onder andere de toegestane vangsthoeveelheden voor de verschillende visstanden en het aantal zeedagen wordt vastgesteld. De VVD vraagt de staatssecretaris om zich sterk te maken voor het feit dat het aantal zeedagen de vissers in de gelegenheid stelt om het quotum op te vissen. Graag ontvang ik een reactie van de staatssecretaris. Ik overweeg anders op dit punt een motie in te dienen. Bij de vaststelling van de quota wordt de benuttingsratio betrokken. Als een quotum onderbenut is, worden de quota lager vastgesteld. In de beleving van de VVD zou het quotum juist hoger moeten liggen. Ook hierop ontvang ik graag een reactie van de staatssecretaris. De staatssecretaris geeft in zijn brief aan dat hij niet zonder meer kan instemmen met de verlaging van de TAC met 15% tot 25% als er onvoldoende wetenschappelijke kennis beschikbaar is over de bestanden. De staatssecretaris kiest hier een heel voorzichtige formulering. De VVD-fractie verzoekt hem om zich in Europees verband nadrukkelijker tegen een dermate hoge reductie uit te spreken. Zij ontvangt op dit punt graag een toezegging van de staatssecretaris.

De pilot met volledig gedocumenteerde visserij wordt voortgezet. De VVD-fractie is hierover verheugd, gezien de positieve geluiden die haar over deze pilot bereiken. Er is besloten om alleen het huidige project met kabeljauw te verlengen. Tot uitbreiding van het project met andere vissoorten is niet besloten. Wil de staatssecretaris zich ervoor inspannen dat de reikwijdte van het project wordt vergroot?

De pulskor is van grote betekenis voor de Nederlandse visserijsector. Deze is een belangrijke innovatie. Mijn fractie meent dat het gebruik van de pulskor moet worden uitgebreid. Wil de staatssecretaris zich hiervoor inzetten? Deze vraag stel ik in vervolg op eerdere vragen van de VVD.

Ik vraag aandacht voor de palingvissers. De staatssecretaris heeft bij de begrotingsbehandeling aangegeven dat hij zich maximaal wil inzetten om de hoogte van de tegemoetkoming voor deze vissers te verbeteren. Hij zal met de Commissie in overleg treden om te bekijken of er op een andere titel sprake kan zijn van tegemoetkoming. De VVD-fractie is benieuwd naar de vorderingen op dit onderwerp. Van een goudgerande regeling kan geen sprake zijn. Desalniettemin wil mijn fractie graag weten op welke wijze de staatssecretaris verder vaart.

De staatssecretaris heeft een brief gestuurd over het overleg met Ameland inzake de staandwantvisserij. Kan hij aangeven welke afspraken er precies zijn gemaakt? Hoe staat hij tegenover het voorstel om met de regio in gesprek te gaan over het handmatig slepen van sleepnetten in de Oosterschelde?

We hebben ook gesproken over het creëren van visveilige passeermogelijkheden. Op dit punt kom ik met een motie.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik heb een opmerking over de vlasproductie. De staatssecretaris ziet geen steun binnen het huidige GLB. Dit is enigszins vreemd in relatie tot hetgeen in België gebeurt. De Belgische overheid heeft aan haar ondernemers en boeren wel de mogelijkheid geboden om binnen het GLB steun te geven aan de vlassector.

Graag verneem ik de stand van zaken inzake het importverbod van de Europese Unie op legbatterijeieren.

De voorzitter: In deze ronde hanteren we één interruptie en drie minuten spreektijd.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de laatste opmerking die door mevrouw Snijder werd gemaakt over het importverbod op de legbatterijeieren.

Ik kom op de Nederlandse inzet voor de Europese visquota. D66 is blij dat we toewerken naar die quota en een maximum sustainable yield (MSY). Dit lijkt een heel logische manier van omgaan met natuurlijke hulpbronnen: de soort laten floreren, zodat deze zo goed mogelijk benut kan worden. Zowel de natuur als de economie is dan blij. Waarom wordt een en ander niet al in 2012 ingezet? Graag ontvang ik hierop een reactie van de staatssecretaris.

Er zijn te weinig wetenschappelijke cijfers over tarbot en griet. Desalniettemin wil de staatssecretaris hiermee veel minder voorzichtig omspringen en pleit hij voor lage reductie in de Total Allowable Catch (TAC) voor deze vissoorten. Hoe komt de staatssecretaris tot dit besluit? Kan hij bij de Raad aandringen op nader wetenschappelijk onderzoek naar deze soorten, zodat we op termijn wel gefundeerde uitspraken doen? We willen tenslotte niet de vis met de gouden eieren ophalen. Steunt de staatssecretaris het standpunt dat er van de verdeling van schaarse quota een prikkel tot vergroening en innovatie zou moeten uitgaan?

Ik kom op de verordening voor het Europees Maritiem en Visserijfonds (EMVF), oftewel de pot met geld uit de Brussel voor de visserijsector. Ik deel de visie van de staatssecretaris over het Visserijfonds. Vissers zouden op termijn economisch zelfstandige ondernemers moeten worden. Op de langere termijn is de sector hiermee het meest gediend. Kan de staatssecretaris de Kamer regelmatig op de hoogte houden over de vorderingen op dit punt?

Ik kom op de aalvisserij. Op 17 maart jl. is er een motie van mij over dit onderwerp door de Kamer aangenomen. Hierin werd gevraagd om rekening te houden met de gemiddelde lengte van palingen die gevangen worden. Dit klinkt heel technisch, maar heeft te maken met het feit dat langere en oudere palingen meer dioxine bevatten. Ze hebben immers langer kunnen rondzwemmen in vervuilde wateren. Juist deze palingen worden vooral geconsumeerd, en niet de palingen die gemeten worden. Onderzoek hiernaar leek geen prioriteit te krijgen. Er kwam gelukkig wel informatie beschikbaar, omdat vergelijkbare cijfers nodig waren voor de compensatievergoeding van aalvissers. Die cijfers zijn er nu. De moraal is dat de zorgen uit de moties terecht waren. De volksgezondheid is mogelijk nog altijd in het geding. Ik vraag de staatssecretaris derhalve of mijn motie nu eindelijk kan worden uitgevoerd? Kunnen de mengmonsters worden aangepast aan de lengte van de palingen die daadwerkelijk worden gevangen? Kan er zo spoedig mogelijk onderzoek worden gedaan naar de gebieden die nog veilig worden geacht, rekening houdend met de uitgangspositie van die nieuwe mengmonsters?

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Ik heb grote verwachtingen van de staatssecretaris wat betreft de transportverordening. De vermindering van langeafstandstransporten staat immers in het regeerakkoord. Er ligt een aangenomen Kamermotie van mijn hand. Mijn fractie zal de staatssecretaris derhalve nauwlettend volgen. Het is teleurstellend dat de staatssecretaris, die zich eerder nog presenteerde als de blauwe messias, niet wil instemmen met de automatische TAC-verlagingen van 15% en 25% voor bestanden waarover weinig wetenschappelijke kennis beschikbaar is. Dit behelst simpelweg het toepassen van het voorzorgsprincipe. De staatssecretaris pleit ervoor om meer te vissen op geassocieerde soorten, zoals tarbot, griet en schar, dan is voorgesteld. Hij wil het niveau van de visserij-inspanning niet verlagen. Ik ben wel verheugd over het feit dat de staatssecretaris gaat aandringen op stevige matregelen tegen IJsland en de Faeröer, die geen visserijafspraken willen maken, en dat hij zich inzet tegen de dolfijnenslachting op de Faeröer. Volle vaart vooruit tegen deze verschrikkelijke praktijk!

Op de jaarvergadering ter bescherming van de tonijn is een begin gemaakt met de aanpak van de grootschalige inzet van lokvlotten. Dat is prima. Ik had echter graag meer resultaat gezien op het terrein van een betere internationale bescherming van bedreigde tonijnsoorten.

De staatssecretaris schrijft dat hij door de WTO niets kan doen aan de concurrentie van de legbatterijeieren van buiten Europa. De WTO-uitspraak in de zaak over de garnalen en zeeschildpadden laat zien dat er wel mogelijkheden zijn. Wil de staatssecretaris een en ander heroverwegen en de volgende concrete punten toezeggen? Wil hij ten eerste een voorstel in de EU presenteren om confronterende en ontmoedigende labeling van legbatterijeieren of producten verplicht te stellen? Wil hij ten tweede de accijnzen of andere mogelijke maatregelen om de verkoop van legbatterijeieren te ontmoedigen en de mogelijkheden binnen de WTO onderzoeken? Blijft de staatssecretaris zich ten derde inzetten om de EU bij onderhandelingen over vrijhandelsakkoorden te overtuigen van het feit dat het verlagen van de EU-invoertarieven op eiproducten afhankelijk moet worden gemaakt van het welzijnsniveau van de leghennen? Wil hij ten vierde in de richting van de WTO inzetten op expliciete erkenning van mensenrechten, milieu en dierenwelzijnsnormen?

Ik kom op de palingvissers. De regeling die er nu ligt is onzinnig en onnodig gecompliceerd. Er is een enorme bureaucratie opgebouwd om te bepalen of de minuscule verschillen in het toch al minuscule, voor vergoeding in aanmerking komende percentage kunnen worden aangebracht. Ik vraag de staatssecretaris het over een andere boeg te gooien. Laat hem met een simpele oplossing en een fatsoenlijke regeling komen. Hoeveel vissers zijn er inmiddels failliet? Er zijn te veel ondernemende vissers die graag iets ander willen beginnen, maar hun palingvisboot is op dit moment qua onderpand niets waard. Heeft de staatssecretaris al iets gedaan met het voorstel van de SP voor een garantstelling?

Tot slot maak ik nog een laatste opmerking over de markttoelating van vier genetisch gemodificeerde organismen. Ik maak bezwaar tegen het feit dat de staatssecretaris hiermee wil instemmen. Waarom wordt de grote milieu-impact in met name Zuid-Amerika niet meegewogen bij deze toelatingen?

Mevrouw Gerbrands (PVV): Voorzitter. Ik voer ook nu weer mede namens de heer Dijkgraaf van de SGP het woord. Ik begin gelijk met de palingvissers. De Kamer heeft per motie gevraagd om een inventarisatie van de volledige financiële schade voor beroepsvissers als gevolg van het palingvangstverbond. Naast de drie sporen van de staatssecretaris betreft dit de totale omzet van paling, wolhandkrab en snoekbaars, Daarnaast betreft het de waardedaling van de visrechten en het inkomensverlies, omdat er geen visvergunningen meer kunnen worden afgegeven. Tijdens de begrotingsbehandeling heeft de staatssecretaris min of meer erkend dat zijn driesporenregeling onvoldoende is en toegezegd dat hij met de beroepsvissers in overleg zal treden om tot een vergelijk te komen over de nu nog uiteenlopende inschatting van de totale schade. Ook heeft hij toegezegd dat hij in de Europese regels ruimte ziet voor een extra tegemoetkoming en dat hij hiervoor zijn best gaat doen. Dit klonk goed en biedt perspectief. Kan de staatssecretaris bevestigen dat hij op de genoemde punten al volop aan de slag is gegaan en dat hij op zeer korte termijn met resultaten komt? Het elastiek van de beroepsvisser staat op knappen. Dit konden we vanmorgen weer op het journaal zien. Is de staatssecretaris bereid om, zoals toegezegd, de vergoedingen of voorschotten van spoor 2 voor het einde van het jaar over te maken aan de getroffen beroepsvissers?

Ik kom op het aantal zeedagen. De quote van een visser luidt: «We merken op zee de veranderingen in de natuur. Het wetenschappelijk onderzoek lijkt altijd hetzelfde te blijven. Dit najaar vonden we veel kleine haring. De wetenschap kan ze niet vinden, maar men zoekt gewoon niet goed.» De onderhandelingen over quota en zeedagen zijn in volle gang. De decemberraad is dichtbij. In een AO is gevraagd of de staatssecretaris Frankrijk en Engeland steunt in hun pleidooi voor het opschorten van de zeedagenkorting van 18% in het kabeljauwherstelplan. Maakt de staatssecretaris zich ook sterk voor het voorkomen van een zeedagenkorting in de plannen voor tong en schol, nu deze bestanden in de groene zone zitten? Verzet hij zich ook tegen de lagere quota voor de geassocieerde bestanden in lijn met het rapport van de ICES (International Council for the Exploration of the Sea)? De staatssecretaris antwoordde driemaal ja. Uit de geannoteerde agenda maakt mijn fractie echter op dat de staatssecretaris terugtrekkende bewegingen maakt. Hierin staan formuleringen in de trant van: «Ik kan hiermee niet zonder meer instemmen», «lagere reductie», «vind ik te ver gaan». Hiermee kun je heel veel kanten op. Wat is nu precies de positie van de staatssecretaris? Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hebben al het voortouw genomen om de zeedagenkorting van 18% voor de kabeljauwvisserij geheel van tafel te. Afgelopen jaren is het aantal zeedagen al met 50% gekort. Daarnaast stimuleert de zeedagenkorting bijvangsten, hetgeen we geen van allen willen. Wat betreft de zeedagen voor schol en tong, geldt dat fase één is afgerond en dat de visstanden al twee jaar op rij in de groene zone zitten. Een zeedagenkorting van 10% is helemaal niet nodig. Bovendien zou dit betekenen dat vissers aan de kant moeten gaan liggen, terwijl de stijgende quota nog niet zijn opgevist. Dit lijkt mijn fractie een rare gang van zaken.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Ik kom eerst op de TAC's en de quota. Als wetenschappelijk advies met betrekking tot overbevissing ontbreekt, stelt de Europese Commissie stelt een vangstreductie van 25% voor. De staatssecretaris geeft in het BNC-fiche aan dat hij voorstander is van maatwerk. Hij vindt automatische reductie een stap te ver en wil de mogelijkheden van geval tot geval bekijken. De staatssecretaris zegt te streven naar een duurzaam en evenwichtig beheer, dat ecologisch verantwoord is. Als je deze zaken bij elkaar legt, enerzijds die 25% reductie en anderzijds de ambitie van de staatssecretaris, is er sprake van een spagaat, zeker als je rekening houdt met de lange termijn. Als je op de korte termijn alle belangen uit het oog hebt verloren en de zaak hebt weggevist, heb je ook geen lange termijn meer. Ingeval er wetenschappelijke adviezen ontbreken, is het derhalve goed dat die reductie van 25% er komt. De adviezen van de regionale adviesraden zijn belangrijk. De wetenschappelijke adviezen moeten echter zwaar meetellen en zeker niet terzijde worden geschoven.

Ik kom op de toekomstige inzet van het Europees Visserijfonds (EVF). Dit fonds hangt samen met het gemeenschappelijk visserijbeleid. De PvdA-fractie vindt het logisch dat de informatie hieromtrent parallel loopt met die van het Europees Visserijfonds. Zij zou derhalve graag versneld een BNC-fiche ontvangen, te weten binnen drie weken na het voorstel van 2 december. Het Visserijfonds bepaalt de verdeling van de subsidiegelden. Nu zorgt de systematiek nog voor het in stand houden van de overcapaciteit van de vloot, hetgeen vreemd is. De nieuwe subsidie moet eigenlijk alleen aan duurzame visserij worden toegekend en hiervan volledig in dienst worden gesteld. Voorlopig staat dit niet in de plannen. Dit is een gemiste kans op daadwerkelijke verduurzaming van de visserij. Mijn fractie is het eens met de inzet van de staatssecretaris om de subsidieverlening te beperken, zodat de sector op termijn niet meer afhankelijk is van subsidies. Subsidie mag enkel worden verleend ten behoeve van innovatie en duurzaamheidsbevorderende zaken. Mijn fractie pleit derhalve voor het tegengaan van die overcapaciteit.

Ik merk nog iets op over visserij, die dichter bij huis plaatsvindt. Hoe staat het met de commissie binnenvisserij? Juist voor de Wadden en de kustvissers van de Noordzee is het heel belangrijk dat hiermee haast geboden is. Intussen zijn we vier maanden verder en heeft de Kamer nog niets gehoord. Ik vrees derhalve dat het niet goed gaat.

Het ministerie heeft een bezoek gebracht aan Ameland. Er is getracht de grootschalige staandwantvisserij te reguleren. Uiteindelijk moet de kleine onschuldige recreatieve staandwantvisserij wijken, hetgeen niet de bedoeling kan zijn.

Tot slot merk ik op dat de PvdA zal inzetten op aanscherpingen van de diertransporten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Een deel van de vragen voor dit blok had ik al gesteld. Ik hoop hierop een antwoord te krijgen. Ik kom nogmaals terug op de dolfijnslachtingen bij de Faeröer. In de stukken zegt de staatssecretaris dat hij zich in samenspraak met andere lidstaten zal beraden op de vraag of de richtlijn voor het nemen van maatregelen ingeval landen zich niet houden aan verantwoord beheer, ook gebruikt kan worden om maatregelen te nemen tegen de slachting van de grienden. Ik meen dat er al met sancties was gedreigd in die makreeloorlog. Hoe is een en ander afgelopen? Mijn verzoek heeft ook betrekking op de slachting van grienden. Europa is immers toch al boos op de Faeröer en heeft aangekondigd met sancties te komen als men zich niet aan de makreelafspraken houdt. Graag verneem ik de stand van zaken. Omwille van de tijd sluit ik mij wat betreft de genetisch gemodificeerde organismen (ggo's) graag aan bij de SP.

Ik kom op de visvangstmogelijkheden. Ik maak mij zorgen over het feit dat het kabinet niet voornemens is het voorzorgsprincipe te volgen als er onvoldoende wetenschappelijke gegevens zijn. Dit lijkt mij het minste wat je kunt doen in een situatie van zware overbevissing. Mijn zorgen nemen enkel toe als ik kijk naar de haring. Deze TAC wordt met 103% verhoogd, terwijl het kabinet en de ICES erkennen dat we nog niet eens op het MSY-bestand zitten. Haring is een vissoort die grote schommelingen in aantallen kent. Het gaat slecht met de larfjes. De voortplantingsgebieden worden aangetast. Dit zijn allemaal extra redenen om voorzichtig te zijn. Ik ontvang graag een toezegging van de staatssecretaris dat het Nederlandse kabinet vasthoudt aan de adviezen van de ICES en een verhoging van meer dan 284 000 ton niet zal steunen. Dat moet echt het maximum zijn. Mijn fractie maakt zich ook zorgen over de tong. Het bestand zit iets boven het voorzorgsniveau. Er wordt nu een verhoging van 11% voorgesteld. Door een sterke jaarklasse gaat het weliswaar best goed met het bestand. Het is echter onzin om dan gelijk de quota te verhogen. De toename leunt immers slechts op één jaarklasse. Graag ontvang ik de toezegging van de staatssecretaris dat die verhoging geen doorgang zal vinden.

Ik kom op de tonijnvangst en de uitkomsten van de jaarvergadering. De staatssecretaris is teleurgesteld. Dit geldt ook voor de Partij voor de Dieren. Hoe ziet de staatssecretaris de discussie over de tonijn in het licht van de toekomst? We concluderen ieder jaar dat een en ander teleurstellend is en dat de tonijn uitsterft. Wat kunnen we anders doen? Mijn fractie wil in elk geval de Europese wateren sluiten voor de tonijnvangst en de lokvlotten verbieden. We moeten meer zeilen bijzetten, want anders komt het niet goed.

Ik rond af met enkele opmerkingen over het Visserijfonds. De kern moet zijn dat de overcapaciteit wordt aangepakt. We zullen hierover vaker spreken. De lijn wil ik graag alvast uitzetten. Er kunnen geen investeringen meer worden gedaan, die op welke manier dan ook de visserijactiviteiten bevorderen. Dit geldt ook voor investeringen in het licht van innovatie. In het verleden hebben we immers gezien dat de vloot hierdoor ook gewoon groeit. Graag ontvang ik voor nu de toezegging dat de aanpak van de overcapaciteit prioritair is.

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij alle opmerkingen van mijn collega's over het aantal zeedagen. Vanuit het duurzaamheidsoogpunt vindt mijn fractie het onbegrijpelijk dat dit aantal wordt teruggebracht. Dit is slecht voor de duurzaamheid en slecht voor de vissers. De staatssecretaris moet in het overleg een veel hardere opstelling kiezen dan die nu uit zijn brief blijkt. Mijn fractie is teleurgesteld over de geassocieerde bestanden en de korting hierop van 15% tot 25%. Zij verwacht op dit punt een stevige opstelling van de staatssecretaris, omdat ook hiermee de duurzaamheid geen dienst wordt bewezen. Het zal enkel het aantal discards bevorderen.

De CDA-fractie steunt de inzet van de staatssecretaris bij de makreelonderhandelingen met IJsland en de Faeröer en de aangekondigde sanctiemaatregelen. Het is heel belangrijk dat er beheermaatregelen worden overeengekomen, zoals het MSC-certificaat voor makreelvissers. Wat betreft staandwantvisserij sluit ik mij aan bij de heer Houwers. Kan de staatssecretaris al een tipje van de sluier oplichten over een werkbare oplossing?

Ik kom op de door dioxine vervuilde en voor de visvangst gesloten gebieden. De sociale problematiek is groot. Mijn fractie ontvangt heel veel reacties. Veel vissers zijn ernstig getroffen door de maatregelen die zowel de Kamer als de vissers niet hebben zien aankomen. Hoe groot is de sociale problematiek? Hoeveel gezinnen zijn getroffen? Is de staatssecretaris bereid om bij de berekening en de toekenning van de schadevergoeding daadwerkelijk maatwerk te leveren? De staatssecretaris heeft in eerdere overleggen aangegeven dat hij zich wil inspannen om de financiële tegemoetkoming te verbeteren. Hiervoor is echter overleg met de Europese Commissie nodig. Hoe staat het hiermee?

De staatssecretaris heeft eerder toegezegd om de tegemoetkoming met betrekking tot spoor 2 van de compensatie voor het einde van het jaar af te ronden. Kan de Kamer hierop nog steeds rekenen?

Met betrekking tot de spermarichtlijn vraagt de heer Koopmans zich af of de staatssecretaris bereid is om af te zien van de nationale kop. Ik neem aan dat de staatssecretaris weet wat hiermee bedoeld wordt. Een toelichting is te verkrijgen bij de heer Koopmans. Stieren die foktechnisch buitengewoon interessant zijn, maar commercieel niet, vallen hierdoor buiten de boot. Is de staatssecretaris bereid om te bezien of deze nationale kop eraf kan, zonder afbreuk te doen aan de eisen op het terrein van diergezondheid en dierenwelzijn?

Kan de staatssecretaris een overzicht geven van de subsidies waarop Stichting De Noordzee aanspraak maakt? Op welke wijze voldoet deze aan de in de specifieke subsidieregeling dan wel individuele subsidiebeschikking opgenomen verplichtingen? Is de staatssecretaris bereid om bij de beoordeling van de subsidieaanvragen de handelwijze van de Stichting De Noordzee mee te wegen?

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Gezien de tijd sluit ik mij kortheidshalve aan bij de vragen die mevrouw Gerbrands heeft gesteld over de palingvissers en de ontwikkelingen met betrekking tot dit onderwerp. We zijn hiermee al een behoorlijke tijd bezig. Ik sluit mij ook aan bij de vragen van mevrouw Jacobi inzake het BNC-fiche en het verzoek om dit ons zo snel mogelijk te doen toekomen. Ik neem aan dat zij dit nog voor de kerst wil ontvangen, indien dit mogelijk is.

Over de quota zou je heel lang kunnen spreken. Een en ander vormt een jaarlijks gebeuren. Ik word er eerlijk gezegd ieder jaar niet vrolijker ervan. Het is een gejojo. Dit zie je bijvoorbeeld terug bij de blauwe wijting: de TAC was vorig jaar tien keer lager dan het komende jaar. Uit de teksten van de staatssecretaris maak ik op dat deze is gebaseerd op onvolledig wetenschappelijk advies. Desondanks is dat besluit wel genomen en heeft het gevolgen voor de sector. Hoe is dit mogelijk? De staatssecretaris moet enkel akkoord gaan met TAC's die gebaseerd zijn op volledig onderbouwd en wetenschappelijk advies. Dit is ontzettend belangrijk.

De staatssecretaris streeft naar een lagere reductie van de TAC voor de Noordzeehorsmakreel. Het wetenschappelijk advies van de laatste jaren is op dit punt niet gewijzigd. Vanwege het feit dat de gebieden anders zijn ingedeeld, zijn de cijfers van de afgelopen jaren niet goed vergelijkbaar. Waarom volgt de staatssecretaris niet gewoon het advies van de Pelagische Regionale Advies Commissie en stelt hij de TAC niet vast op basis van trends? Dit zou dezelfde TAC als in 2011 opleveren. Dan hebben we een roll-over en behoeven we niet elk jaar een schatting van het bestand te maken.

De staatssecretaris kiest ten aanzien van de zilversmelt dezelfde inzet, oftewel een lagere reductie van de TAC. Nederland is met 80% de grootste belanghebbende van de TAC voor zilversmelt. De Europese Commissie stelt kortingen voor van 25% met als hoofdreden dat er te weinig kennis is van de bestanden. De staatssecretaris geeft als reden aan dat de benutting van de TAC's laag is. Een lage benutting mag wat mijn fractie betreft nooit de aanleiding zijn om een TAC te verlagen. De heer Houwers stelde hierover ook reeds een vraag.

De ChristenUnie heeft zich verbaasd over het aantal zeedagen. De platvis is inmiddels op het biologisch veilige niveau. Desondanks moeten we 10% korten, terwijl de sector reeds fors is gesaneerd. Als dit zo doorgaat, dreigt er een zeedagentekort. Dit kost tientallen miljoenen aan omzet. Mijn fractie vindt dit niet acceptabel. Je ziet een en ander ook al bij de kabeljauw: sinds 24 september is het zeedagenmandje op. De vissers hebben nog quota, maar mogen niet meer vissen. De ChristenUnie-fractie wil dat de staatssecretaris geen enkele korting meer op de zeedagen accepteert. Zij is bereid hiertoe een motie in te dienen. Volgt de staatssecretaris het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk op dit dossier?

Het Vibeg-akkoord (visserij in beschermde gebieden) over natuurgebieden op zee is getekend. De ChristenUnie pleit voor een permanente toelating van pulsvisserij in deze gebieden in het kader van de herziening van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). ZIj vraagt de staatssecretaris op korte termijn in een bilateraal overleg met de Europese Commissie te onderzoeken onder welke voorwaarden er extra ontheffingen voor de pulsvisserij kunnen worden gerealiseerd. Mijn fractie zou op enkele zaken graag wat bewegingen zien bij de staatssecretaris. Indien nodig, is zij bereid om via een motie de Kamer om een uitspraak te vragen.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Meerdere Kamerleden hebben gesproken over het aantal zeedagen. Ik ben het op zich eens met de inzet van de VVD, de PVV en het CDA. We zetten in op een status-quo wat betreft het aantal zeedagen. Het kabinet trekt gezamenlijk op met onder meer het Verenigd Koninkrijk. De zeedagenkorting is derhalve niet een gewenst fenomeen.

Mevrouw Gerbrands vroeg naar het kabeljauwherstelplan. Dit is samen met de sector opgesteld. Hiervoor bestaat derhalve draagvlak.

De heer Houwers informeerde naar de onderbenuttings- en benuttingsratio. Er zit soms veel ruimte tussen de quota en de benutting ervan. Onderbenutting kan geen reden zijn om het quotum te verhogen. Dit geschiedt eerder andersom. Een deel wordt immers niet gebruikt.

Ik kom op de kwestie van de automatische reductie van 15% tot 25%, die de Eurocommissaris voorstelt. Het gaat om soorten waarover helaas weinig kennis bestaat. Naar mijn mening past hier een voorzichtige benadering. Ik wil in eerste instantie dat de wetenschappelijke adviezen gevolgd worden. Deze zijn reeds gebaseerd op het voorzorgsbeginsel. In een aantal gevallen zegt de ICES dat de vangsten niet mogen toenemen. Ik ben het met de heer Houwers en enkele andere Kamerleden eens dat een reductie van 15% of 25% erg hoog is. Per geval moeten we een en ander beoordelen. Het kabinet vindt een automatische reductie met 15% of 25% aan de hoge kant. We moeten echter wel vanuit het oogpunt van duurzaamheid en voorzorg blijven handelen. Mijn inzet op dit punt is gelijk aan de lijn van vorig jaar.

De heer Houwers heeft gevraagd om een uitbreiding van de volledig gedocumenteerde visserij. Een pilot met de volledig gedocumenteerde visserij is belangrijk met het oog op het nieuwe GVB. We kunnen nu ervaring opdoen met het werken met die vangstquota. Ik heb derhalve in de onderhandelingen met Noorwegen gepleit voor uitbreiding naar andere soorten, in het bijzonder de schol. Helaas weigert Noorwegen dit. Extra quota voor een eventuele pilot zullen derhalve van onze eigen quota moeten worden gehaald. Dit is de situatie.

De heer Houwers heeft geïnformeerd naar de pulsvisserij. De ruimte voor pulsvisserij is begin dit jaar aanzienlijk vergroot door het akkoord dat we vorig jaar in december hebben bereikt over 42 vergunningen. Mijn inzet blijft gericht op een zo spoedig mogelijke en permanente toelating. Het onderzoek naar de effecten van de pulsvisserij is nu afgerond. De Europese Commissie heeft de resultaten recent voorgelegd aan het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij. Hiernaar wordt derhalve volop gekeken. Het advies van het comité is essentieel voor de besluitvorming over toelating. Ik heb dit comité verzocht om een zo spoedig mogelijk advies en verwacht dit in de loop van 2012. Ik heb overleg met de Europese Commissie om te bezien of we voor de zomer van 2012 een verdere verruiming van het aantal pulsvergunningen kunnen realiseren.

Mevrouw Gerbrands informeerde naar de feiten inzake de palingvisserij. 44 bedrijven komen in aanmerking voor tegemoetkoming. Aan 26 bedrijven is reeds een betaling gedaan. Drie bedrijven hebben een voorlopige betaling ontvangen. Zeven bedrijven hebben een aanvraag ontvangen en betalen we voor 1 januari 2012. Van acht bedrijven hebben we nog geen aanvraag ontvangen. Ik kan derhalve niet garanderen dat deze bedrijven voor 1 januari 2012 een betaling ontvangen. De actie hiervoor ligt bij de ondernemer zelf. Zodra een aanvraag is ontvangen, wordt de betaling zo spoedig mogelijk verricht. We voeren momenteel intensief overleg met de Europese Commissie over de situatie. De verschillende sporen leiden tot een magere vergoeding. Dit geldt met name voor spoor 3 inzake die 3% schone paling en wolhandkrab. Het overleg om een grondslag van de Europese Commissie te krijgen, op basis waarvan we een hogere vergoeding kunnen uitbetalen, loopt. Ik hoop dit deze week af te ronden en voor de kerst duidelijkheid te kunnen bieden. De druk zit er goed op. Ik ben van plan om met een fatsoenlijk voorstel te komen. In het kader van spoor 2 is er al volop uitbetaald. Naar schatting is er 2,5 mln. te betalen. Er wordt een voorschot verstrekt om de cashflow te behouden. De heer Van Gerven informeerde naar de garantstellingsregeling visserij. Er wordt bezien of naast de bestaande regelingen een nadere regeling nodig is. Ik verwacht de Kamer hierover in januari 2012 nader te kunnen informeren. Die garantstellingsregeling is niet eenvoudig. We liggen behoorlijk op schema wat betreft de palingvisserij. De palingvissers kampen al langer met het probleem. Ik kan wel zeggen dat wij op schema liggen, maar voor de betrokkenen is dit nog steeds een traag schema. We proberen voor de kerst op een aantal punten meer duidelijkheid te scheppen en tot betaling over te gaan.

Over de staandwantvisserij heb ik goed nieuws. De Kamer heeft mij gevraagd om overleg te voeren met de Waddengemeenten, in het bijzonder Ameland. De Waddengemeenten pleiten voor het gecontroleerd toestaan van recreatieve staandwantvisserij langs de noordelijke kant van de eilanden, mede vanuit een soort cultuurhistorische gedachte. Het is een Nederlandse traditie. Ik kijk in de richting van mevrouw Gerbrands. Welaan! Er is afgesproken dat de gemeenten een aantal zaken verder uitwerken. Een en ander moet wel passen binnen de wettelijke kaders. Begin van deze week is er een compromis bereikt dat tot tevredenheid van Ameland strekt. Ik zal de Kamer binnenkort berichten over de aard en de inhoud van dit compromis. Het is verantwoord met het oog op duurzaamheid, risico's voor de bruinvissen enzovoorts. De Kamer ontvangt hierover een separate melding.

Ik heb geen goed nieuws over de sleepnetvisserij in de Oosterschelde. Ik kijk in de richting van de heer Houwers. Het kan niet compleet feest zijn zo vlak voor de kerst. Dit betreft namelijk een heel ander punt dan de recreatieve staandwantvisserij. In de Oosterschelde is al sinds begin jaren negentig een algemeen sleepnetverbod van kracht vanwege de kraamkamerfunctie voor tong en het herstel van het kreeftenbestand. We willen die kraamkamer niet verstoren. Ik zie derhalve geen enkele ruimte voor handmatige sleepnetvisserij. Ik kan mij niet voorstellen dat de heer Houwers hiervoor blijft pleiten, nu hij weet dat we hiermee de kraamkamer verstoren.

Mevrouw Van Veldhoven vroeg naar de visquota. Waarom wordt de MSY niet reeds in 2012 ingevoerd? In Johannesburg is er afgesproken dat de MSY in 2020 wordt ingevoerd. Voor de Europese Unie is reeds een hogere ambitie van kracht, te weten 2015. We willen ons ertoe verplichten om deze te bereiken. Een en ander verder versnellen is niet reëel. Via het BNC-fiche wordt de Tweede Kamer begin januari geïnformeerd over de nadere voorstellen voor de invulling van het Europees Visserijfonds en de financiële delen van het GVB.

Er is gevraagd waarom de inzet op onderzoek naar tarbot en griet lager is. We overwegen een extra inzet op monitoring. Hiervoor is een aanvullende samenwerking tussen de visserij en wetenschap nodig. De sector moet op dit punt wel willen samenwerken. Ik steun regelmatig het standpunt van de Eurocommissaris dat onderzoek niet enkel de verantwoordelijk van de overheid is. Onderzoek is ook in het belang van de sector zelf. Deze dient hieraan praktisch en, waar nodig, ook financieel bij te dragen en zijn medewerking te verlenen.

Ik kom op de vragen over meer inzet op de bescherming van tonijn. Vanochtend hebben we al een motie van de heer Van Gerven aan de orde gehad over konijnen. Nu hebben we het over de bescherming van tonijnen. We blijven in dezelfde lijn. Ik ben het eens met het standpunt van de heer Van Gerven dat de resultaten van de ICCAT-vergadering op het terrein van tonijnbescherming teleurstellend zijn. Ik blijf inzetten op lagere quota en het vaststellen van daadwerkelijke beschermingsplannen. Bescherming- en beheerplannen vormen de beste aanpak. Op basis hiervan kun je de quotering goed reguleren.

De slacht van grienden op de Faeröer is al diverse malen aangekaart bij mijn Deense collega. Daarnaast ben ik voornemens te bezien of de discussie over niet duurzame makreel, beheerd door IJsland en de Faeröer, kan worden gebruikt als sanctie tegen de slacht van grienden. Ook op dit punt kom ik de Partij voor de Dieren onvoorstelbaar tegemoet. Ik hoop dat er een motie van treurnis komt over de zelf ingediende motie. Hiernaar ben ik eigenlijk op zoek. De komende raad zal de Commissie voorstellen presenteren om maatregelen te nemen tegen IJsland en de Faeröer.

D66 bepleit zeer consequent dat bij het toedelen van quota, subsidie en directe betalingen er altijd prikkels voor verduurzaming, innovatie en vergroening moet zijn. De verdeling van de schaarse quota met een prikkel naar vergroening is kostbaar en heeft vergaande gevolgen voor de uitvoeringslasten en de administratieve lasten. Een en ander is derhalve moeilijk te hanteren.

Mevrouw Jacobi wil overcapaciteit tegengaan. De inzet van beschikbare capaciteit moet worden voorkomen. Het principe dat men mag vissen als men toereikende quota heeft, lijkt de goede aanpak. De Commissie stelt dit voor bij de hervorming van het GVB. De overcapaciteit moet als het ware worden gereduceerd via het quoteringssysteem.

Ik kom op de commissie toekomstvisie binnenvisserij. De Kamer ontvangt binnen een week een brief hierover. De commissie is samengesteld en bestaat uit de heer Remkes, voorzitter, de heer Sicko Heldoorn, de heer Toine Poppelaars, mevrouw Joyce Sylvester en de heer Nol Sweep.

Vragen over het overzicht van subsidies richting de Stichting De Noordzee kan ik nu niet beantwoorden. Ik zal dit via een briefje doen.

Bij zware overbevissing dient inderdaad het voorzorgsprincipe te worden gevolgd.

Mij werd gevraagd om de toezegging te doen dat ik vasthoud aan de adviezen van de ICES over haring. ICES-adviezen zijn zeer belangrijk en vormen het uitgangspunt voor de inzet bij de vaststelling van de TAC. Hiermee wordt met verstand omgegaan. De TAC voor Noordzeeharing wordt in 2012 verhoogd van 200 000 naar 405 000 ton. Volgens de ICES had de TAC zelfs verder kunnen worden verhoogd tot 476 000 ton. We zitten namelijk ver onder de MSY. Om toch rekening te houden met de overleving van jonge haring wordt niet de volle MSY vastgesteld. Dit is het principe.

Ik kom op de horsmakreel. Waarom is het advies van de Pelagische Regionale Advies Commissie niet gevolgd? In beginsel wordt het ICES-advies gevolgd en wordt gestreefd naar een fors lagere reductie. Een roll-over zou eventueel ook mogelijk zijn. We streven echter naar een lagere reductie. De lagere benutting van de quota voor zilversmelt klopt. Hierdoor kan een lagere TAC zonder gevolgen voor de sector worden vastgesteld.

Er is nog een enkele vraag gesteld over de Landbouwraad. Mevrouw Snijder wees op de vlasteelt in België. De Belgische situatie is anders dan de onze. Wij ontkoppelen volgens de afspraken die eerder, reeds in april 2009, aan de Kamer zijn gecommuniceerd.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Het is natuurlijk raar dat België wel dit soort zaken doet. Voor een aantal van onze telers leidt dit immers tot een concurrentienadeel. Kan de staatssecretaris dit eens bekijken? Wat doen de Belgen nu wel? Vlas is een gewas dat vooral in Zuid-Nederland wordt geproduceerd. Kan de staatssecretaris nagaan hoe een en ander mogelijk is en de Kamer hierover berichten? Het is vreemd dat iets in de ene lidstaat wel en kan en in de andere niet.

Staatssecretaris Bleker: Ik zal de Kamer in de zojuist toegezegde brief – het worden anders zo veel brieven – informeren over de Belgische situatie en de reden waarom deze afwijkt van de Nederlandse situatie.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Het importverbod van legbatterijeieren staat niet op de agenda van de Landbouwraad. Vanaf 1 januari 2012 is de legbatterij verboden, ook in Nederland. We zullen hierop handhaven, hetgeen tot een aantal pijnlijke situaties zal leiden. Voor evidente knelgevallen – dit betreft een klein aantal – zoek ik naar een passende oplossing. Ook voor deze knelgevallen staat een zo snel mogelijke omschakeling voorop. Ik zal de Kamer voor het einde van dit jaar informeren over de precieze aanpak. Die brief is in de maak.

Ik kom op het Commissieverslag over de transportverordening. De bescherming van dieren tijdens het transport is voor mij een belangrijk beleidsterrein.

De heer Van Gerven (SP): Ik kom nog even op de legbatterijeieren, ondanks het feit dat dit onderwerp niet op de agenda staat. De staatssecretaris schrijft dat hij door de WTO niets kan doen. Ik heb hem als voorbeeld de case geschetst over de garnalen en schildpadden uit het begin van deze eeuw. Hieruit blijkt dat een en ander wel mogelijk ik. Graag ontvang ik hierop een reactie van de staatssecretaris, alsmede op mijn vier voorstellen.

Staatssecretaris Bleker: De heer Van Gerven trekt een vergelijking met de WTO-uitspraak in de zaak over de garnalen en schildpadden. Die vergelijking gaat mank. De WTO-panels in de garnalen-schildpaddenkwestie van de Verenigde Staten tegen respectievelijk Mexico en Thailand gingen over milieu en niet over dierenwelzijn. WTO-regels staan bovendien los van onze interne EU-markt, waar dit probleem nu vooral speelt. Regels voor etikettering van legbatterijeieren passen niet bij onze inzet om de legbatterijen zo spoedig mogelijk uit de Europese Unie te verbannen.

De heer Koppejan heeft verzocht om af te zien van nationale koppen op de Europese regelgeving over sperma. We weten werkelijk niet waarop de heer Koppejan namens de heer Koopmans doelt. Zodra we dit weten, zullen we de heer Koopmans via de heer Koppejan van een adequate reactie voorzien.

De voorzitter: Deze komt op het toezeggingenlijstje.

Staatssecretaris Bleker: Dit wordt een toezegging met een bijzondere kop.

Voorzitter. De bescherming van dieren tijdens het transport is voor mij een belangrijk beleidsterrein. Met het oog op dierenwelzijn moeten we hiervoor vergaande maatregelen stellen. De beelden van wantoestanden zijn ons allemaal bekend. Aanscherpingen en andere herzieningen van de verordening zijn nodig, zowel qua transporttijden als transportomstandigheden. De EFSA (European Food Safety Authority) heeft hierover ook geadviseerd. Voor de slachtdieren bepleit een maximale transportduur van acht uur. Dit is bekend.

Ik heb mijn brief aan de Europese Commissie inzake de EU-strategie dierenwelzijn aan de Kamer toegezonden. Commissaris Dalli heeft op 10 november jl. een schriftelijke reactie gegeven. Uit zijn brief komt naar voren dat zijn ideeën op een aantal punten corresponderen met de Nederlandse. De officiële mededeling waarin de Commissie haar visie en voornemens met betrekking tot de EU-strategie voor dierenwelzijn zal weergeven, wordt in het voorjaar van 2012 verwacht. De Commissie zal dit document pas dan in de Landbouwraad presenteren. Het is nog niet bekend in welke maand dit gebeurt, maar het loopt enige vertraging op. Ik zal mijn reactie op de voornemens van de Commissie nader formuleren, zowel naar aanleiding van de brief van de heer Dalli als te zijner tijd naar aanleiding van de officiële Commissiemededeling. Een en ander wordt geagendeerd voor de Landbouwraad. Zodoende komt het ook hier in de reguliere agendering en brievenstroom aan de orde.

Op de agenda staat het voorstel om vier nieuwe ggo's toe te laten op de Europese markt. Het gaat om één katoengewas en drie maisgewassen. De heer Van Gerven en mevrouw Ouwehand hebben hierover gesproken. Deze toelatingen betreffen geen teelt. De EFSA heeft een risicobeoordeling uitgevoerd en de gewassen veilig bevonden. De Nederlandse RIKILT en COGEM (Commissie Genetische Modificatie) kijken altijd kritisch mee met de Europese risicobeoordeling van genetisch gemodificeerde organismen in diervoeders en levensmiddelen. Beide instanties hebben een positief oordeel gegeven over deze aanvragen hebben. Nederland zal tijdens de Landbouwraad de toelating van deze gewassen ondersteunen.

De voorzitter: Iedereen krijgt een minuutje om vervolgvragen te stellen.

De heer Houwers (VVD): Voorzitter. Ik bedank de staatssecretaris voor zijn beantwoording. Wat betreft de zeedagen, de TAC, de pulskor en de palingvissers heeft hij mij redelijk gerustgesteld. Ik ben er enigszins ontevreden en ongelukkig over dat er niet gesleept kan worden in de Oosterschelde. Zoals de staatssecretaris al aangaf, moeten we echter zuinig zijn op kraamkamers. Ik verschil wel van mening met de staatssecretaris over de lagere vaststelling van quota in geval van onderbenutting. Mijn fractie was in de veronderstelling dat er bij onderbenutting nog ruimte is, zodat er het opvolgende jaar meer kan worden gevist. Hierop ontvang ik graag een reactie van de staatssecretaris.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ik sla even aan op die legbatterijeieren. Ik dacht dat wij met elkaar hadden afgesproken dat we een etiket zouden plakken of een stempel zouden zetten op eieren die nog vanuit legbatterijen komen. Op deze wijze kunnen we het onderscheid maken, ook in de andere lidstaten. Dat is een voorwaarde. Uit de beantwoording van de staatssecretaris proef ik deze maatregel niet.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Voorzitter. Ik bedank de staatssecretaris voor het feit dat hij de consistentie in de lijn van mijn fractie opmerkt. Ik wil hieraan nog iets toevoegen. De staatssecretaris zegt dat inzet op extra onderzoek moet worden overwegen, graag in samenwerking met de sector. Hij benadrukt terecht dat de sector hierbij belang heeft. Het kan helpen als hierin een bepaalde prikkel zit die dat belang voor de sector onderstreept. Zo dient aan de strengere reductie te worden vastgehouden, tenzij uit onderzoek wordt vastgesteld dat de reductie kan worden verlaagd.

De staatssecretaris geeft aan dat de link tussen individuele quota, verduurzaming en vergroening kostbaar is en administratieve lasten met zich meebrengt. Iedereen is natuurlijk altijd tegen overbodige administratieve lasten. Ik zou die afwijzing echter wat beter onderbouwd willen hebben. Als de staatssecretaris wil, kan hij een en ander doen zonder zware administratieve lasten. Als hij denkt dat het echt niet kan, zou ik graag een wat nader onderbouwd antwoord willen ontvangen. Dit mag uiteraard in briefvorm.

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Als het gaat om bijvoorbeeld de Hedwigepolder, staat de staatssecretaris als een man voorop het schip. Er is geen zee te de diep of golf te hoog. Hij gaat ervoor en voorkomt dat de Hedwigepolder onder water wordt gezet. Wat betreft de legbatterijeieren zit er echter iets niet goed. De staatssecretaris duikt. Zijn hoofd is dan weg of zijn kop is eraf, zoals sommigen bij een ander onderwerp zeiden. Ik zou zeggen: koppie erbij!

Ik ga even door op die garnalen en schildpadden. Ik heb mij laten vertellen dat er garnalen werden gevangen en dat er in de netten ook heel veel schildpadden zaten. Dit was niet de bedoeling, aangezien schildpadden beschermd zijn. De vissers moesten derhalve op een andere manier gaan vissen, zodat de schildpadden weer netjes uit het net konden komen. Een en ander is verplicht gesteld in WTO-verband. Er zijn duidelijke eisen gesteld over de wijze waarop de garnalen gevangen mogen worden. We moeten derhalve in WTO-verband ook iets kunnen doen aan die legbatterijen. We kunnen een importverbod van legbatterijeieren voor Europa voorstellen, zodat de concurrentieverhoudingen gelijk zijn en het dierenwelzijn gerespecteerd wordt.

Mevrouw Gerbrands (PVV): Ik bedank de staatssecretaris voor zijn toezeggingen. Hij zal voor de kerst meer duidelijkheid geven aan de palingvissers. Kan ik de toezegging noteren dat de Kamer voor de kerst hierover bericht ontvangt? Anders zijn we weer vier weken verder.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Als de diertransportrichtlijn aanscherping behoeft, vergt dit toch ook een aanpassing van de EU-verordening diertransport?

Het is op zich mooi dat er op Ameland een compromis over de kleinschalige recreatieve staandwantvisserij in de maak is. Dit moet echter ook voor Texel en alle andere eilanden gelden. Aanvankelijk was er helemaal niets mogelijk en werden de regels heel hard en rigide toegepast. Dit geeft derhalve hoop voor de toekomst, ook op andere terreinen. Hierover ben ik verheugd.

Het zou mooi zijn als het BNC-fiche voor de kerst aan de Kamer wordt gezonden. Deze planning is wellicht wel heel erg krap.

Tot slot verneem ik graag hoe het staat met de uitvoering van de motie-Koopmans/Jacobi inzake de afzetbevordering landbouwproducten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik ben niet gerust op de manier waarop de Nederlandse regering wil omgaan met de quota. Het voorzorgsbeginsel komt in gevaar. Mijn partij maakt zich grote zorgen over de haring. Houdt de staatssecretaris vast aan het ICES-advies en staat hij geen hoger quotum toe dan 248 000 ton? Wellicht heb ik het antwoord op deze vraag gemist. Ik verneem het graag van de staatssecretaris. Ik overweeg anders een motie in te dienen.

De brief van de staatssecretaris inzake het actieplan dierenwelzijn is niet voldoende ambitieus. Mijn fractie heeft een aantal keren getracht om deze te agenderen, maar dan stond deze weer niet op de agenda van de Raad. De Europese Commissie zou gisteren haar plan presenteren. Ik kondig alvast enkele moties aan over zaken die mijn fractie graag geregeld wil hebben. Het aantal is niet volledig, daar de voorzitter ons aan twee minuten spreektijd houdt. De staatssecretaris kan verwachten dat de Partij voor de Dieren de komende periode voortdurend met nieuwe verzoeken komt over allerlei ellendige dingen die in Europa met dieren gebeuren en die we moeten tegengaan.

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Ik bedank de staatssecretaris voor zijn antwoorden en toezeggingen. Mijn fractie wil een aantal zaken markeren in het VAO. De staatssecretaris mag dit beschouwen als een steuntje in de rug om extra sterk te staan in de onderhandelingen.

Ik kom op de spermarichtlijn. Ik heb me even herpakt en verdiept in de kwestie. De EU heeft regelgeving ingesteld om intracommunautaire handel in stierensperma te reguleren. Voor de binnenlandse handel geeft de Europese Unie geen voorschriften. Nederland heeft nu voor de binnenlandse handel die regels voor de intracommunautaire handel in Europa toegepast. Dat is een Europese kop. De vraag van mijn fractie luidt of die kop geschrapt kan worden of kan worden aangepast, zonder dat dit afbreuk doet aan die gezondheids- en dierenwelzijnseisen. Ik hoop dat de vraag nu wel duidelijk is.

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden. Dat gejojo met die quota en argumentatie blijft enigszins irritant. De redenering van de staatssecretaris luidt dat als je in het ene jaar een lagere benutting hebt, je in het andere jaar een lagere TAC mag verwachten. Dat moet je eens met vakantiedagen doen! Je zou ook kunnen redeneren dat men wat gespaard heeft, zodat een ender gelijk kan worden gehouden. Je zou het misschien zelfs kunnen verhogen.

Ik kom op de zilversmelt. Die lagere benutting van de Nederlandse vloot is ook terug te voeren op de grotere aanwezigheid van die longliners uit Spanje en Noorwegen, die op die visgronden op zilversmelt hebben gevist. De Nederlandse vissers worden in feite hiervoor gestraft door middel van een nog lagere TAC voor het komende jaar. Laten we de argumentatie helder houden. Er moeten goede wetenschappelijke adviezen liggen. Indien deze ontbreken, dan houden we een en ander zoals het is. Probeer uitaard goede adviezen te krijgen, in combinatie met de ervaringen van de vissers zelf. Die combinatie is altijd het mooiste. Bij de vissers zit immers ontzettend veel kennis.

Ik heb nog een opmerking over het BNC-fiche. Toezending voor de kerst is wellicht wat snel. We tellen echter altijd vanaf de publicatiedatum. Naar mijn weten was dit 2 december. Het is niet onlogisch dat de Kamer binnen drie weken een fiche krijgt. Ik kom dan net op de dagen voor kerst uit. Deze rekensom kan volgens mij gemaakt worden. Het kabinet rekent iets minder goed. Wellicht kunnen we elkaar op dit punt vinden, zodat de Kamer op tijd het BNC-fiche ontvangt. We kunnen dan ook op tijd bekijken wat we gaan doen. Een en ander valt allemaal onder het behandelvoorbehoud, dat we met elkaar hebben afgesproken.

De voorzitter: Ik geef het woord aan de staatssecretaris. Omdat er sowieso dadelijk een VAO komt, sta ik geen interrupties meer toe.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Op de onderbenutting ben ik ingegaan. Ik zeg dit in de richting van de heer Houwers. Bij onderbenutting van de TAC is er ruimte om de quota te verlagen zonder dat de vissers minder hoeven te vissen. Ze hebben in het voorafgaande jaar immers geen behoefte gehad aan een bepaald deel van het quotum. Bij onderbenutting kan het quotum zonder problemen worden verlaagd. Dit is het voorstel, tenzij hiervoor contrasignalen zijn.

Mevrouw Ouwehand vroeg naar de haring. Zij heeft een en ander echt gemist. Na deze erkenning geef ik geen nadere uitleg.

Wat betreft de eieren kom ik eerst op de situatie binnen Europa. Er is afgesproken dat eieren afkomstig van legbatterijen per 1 januari 2012 op het bedrijf worden gemerkt. Deze zijn niet bestemd voor consumptie, maar worden binnen het land verwerkt in de industrie. Dit geldt ook voor eventuele Nederlandse eieren van bedrijven die door procedurele knelpunten nog niet hebben kunnen overschakelen, ondanks het feit dat zij dit wel wilden. Indien het uitblijven van een overschakeling geen externe oorzaken heeft, maar wordt veroorzaakt door eigen toedoen, vindt er sluiting van het bedrijf plaats.

De heer Van Gerven kwam nog even terug op de vergelijkbare kwestie. Daarbij ging het echter om een bedreigde diersoort. Hierop zijn de internationale CITES-regelingen van toepassing. Deze kwestie wijkt af van zaken met betrekking tot dierenwelzijn.

Voor de kerst verwacht ik de gedupeerde palingvissers een redelijk voorstel te kunnen doen. Het kabinet zal de Kamer hierover zo spoedig mogelijk na kerst informeren.

Datgene wat voor Ameland aan de noordzijde geldt, geldt ook voor de andere Waddeneilanden aan de noordzijde. We zijn bezig met de uitvoering van de motie-Koopmans/Jacobi. Een en ander loopt zoals in de motie is bedoeld.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Dit vind ik te vaag.

Staatssecretaris Bleker: De motie-Koopmans/Jacobi gaat over de promotie van landbouwproducten.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Precies. Wat heeft de staatssecretaris op dit moment gerealiseerd?

Staatssecretaris Bleker: Als ik het mij goed herinner, ging de motie met name over de rol van de sector bij de Europese promotieprogramma's. Dat is precies datgene wat het kabinet wil: een goede rol van de private sector, ook bij de cofinanciering. Bij die Europese promotieprogramma's proberen we het bedrijfsleven de promotie van de Nederlandse landbouwproducten te laten verrichten.

Er is nog een vraag gesteld over de transportrichtlijn. Er zijn twee speerpunten. De maximale transporttijd voor slachtvee is maximaal acht uur. Daarnaast dient het toezicht op het transport te worden verbeterd. Dat is de inzet voor de nieuwe transportrichtlijn op Europees niveau.

Ik zal schriftelijk reageren op de kwestie met betrekking tot het rundersperma.

Volgens de voorschriften dient het BNC-fiche na ommekomst van zes weken na de mededeling aan de Kamer te worden verstrekt. We gaan ons deze keer hieraan houden, zeg ik in de richting van de heer Slob. Dit lukt niet voor de kerst, aangezien we ook nog een kabinetsbehandeling nodig hebben.

De voorzitter: Ik heb de volgende toezeggingen genoteerd:

  • De staatssecretaris zal de Kamer begin januari 2012 informeren over de garantstelling voor de palingvissers en de compensatieregeling.

  • De staatssecretaris zal de Kamer voor 1 januari 2012 informeren over de aard en de inhoud van het compromis met Ameland en over staandwantvisserij.

  • Begin januari 2012 zal de staatssecretaris het BNC-fiche aan de Kamer toezenden.

  • Binnen een week ontvangt de Kamer een brief over de commissie toekomstvisie binnenvisserij.

  • De Kamer zal in maart per brief worden geïnformeerd over Stichting De Noordzee.

  • De staatssecretaris zal de Kamer in januari in een van zijn brieven informeren over vlasteelt in België.

  • Voor het einde van het jaar informeert de staatssecretaris de Kamer over het verbod op legbatterijeieren.

  • Zodra de staatssecretaris weet waarover de heren Koopmans en Koppejan het hebben ten aanzien van de nationale koppen van de spermarichtlijn, zal hij de Kamer informeren.

  • De staatssecretaris zal de Kamer in het voorjaar van 2012 middels de geannoteerde agenda informeren over het EU-actieplan dierenwelzijn.

Ik sluit dit algemeen overleg.

Volledige agenda

1. Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad d.d. 15–16 december 2011 – gedeelte GLB

21 501-32-561 – Brief regering d.d. 09-12-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

2. Verslag Landbouw- en Visserijraad 14 november 2011 – Gedeelte GLB

21 501-32-539 – Brief regering d.d. 25-11-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

3. EU-voorstel: wetgevingsvoorstellen Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2014–2020

2011Z20524 – EU-voorstel d.d. 18-10-2011

4. Kabinetsreactie briefadvies RLI

28 625-130 – Brief regering d.d. 13-07-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

5. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid: Collectieve aanpak maatschappelijke diensten en voortgang pilots

28 625-131 – Brief regering d.d. 13-07-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

6. Kabinetsreactie wetgevingsvoorstellen Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

28 625-137 – Brief regering d.d. 28-10-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

7. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GBL)-rapporten van Wageningen-UR

28 625-141 – Brief regering d.d. 02-12-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

8. Reactie van de staatssecretaris ELI op de rapportage van de Europese Rekenkamer over agromilieumaatregelen, een belangrijk onderdeel van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

28 625-140 – Brief regering d.d. 25-11-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

9. Reactie op de visie van GroenLinks op de herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)

28 625-139 – Brief regering d.d. 25-11-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

10. Reactie op een brief van de commissie ELI met betrekking tot natuurvezelteelt van HempFlax

2011Z16367 – Brief regering d.d. 24-08-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

11. Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad d.d. 15–16 december 2011

21 501-32-561 – Brief regering d.d. 09-12-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

12. Verslag Landbouw- en Visserijraad 14 november 2011

21 501-32-539 – Brief regering d.d. 25-11-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

13. Regeling vergoeding aalvissers

29 675-135 – Brief regering d.d. 21-10-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

14. Aanbieding van het rapport van IMARES/RIKILT inzake het percentage schone paling

29 675-136 – Brief regering d.d. 25-10-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

15. Fiche: Verordening Vangstmogelijkheden autonome EU bestanden 2012

22112-1254 – Brief regering d.d. 07-11-2011

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

16. Reactie op motie-Van Gerven c.s. (31 923, nr. 24) over een importverbod van legbatterijeieren

31 923-25 – Brief regering d.d. 10-11-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

17. Stand van zaken visserij Frankrijk)

32 201-34 – Brief regering d.d. 02-12-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

18. Terugkoppeling gesprek Ameland inzake recreatieve staand want visserij

29 675-139 – Brief regering d.d. 13-12-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Dijksma (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), voorzitter, Smeets (PvdA), Samsom (PvdA), Paulus Jansen (SP), ondervoorzitter, Jacobi (PvdA), Koppejan (CDA), Graus (PVV), Thieme (PvdD), Gesthuizen (SP), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Van Tongeren (GroenLinks), Ziengs (VVD), Braakhuis (GroenLinks), Gerbrands (PVV), Lodders (VVD), Van Vliet (PVV), Dijkgraaf (SGP), Schaart (VVD), Verhoeven (D66) en Van der Werf (CDA).

Plv. leden: Jadnanansing (PvdA), Elias (VVD), Blanksma-van den Heuvel (PvdA), Koolmees (D66), Dikkers (PvdA), Dekken (PvdA), Irrgang (SP), Groot (PvdA), Holtackers (CDA), Tony van Dijck (PVV), Ouwehand (PvdD), Van Gerven (SP), Schouten (ChristenUnie), Van Gent (GroenLinks), Leegte (VVD), El Fassed (GroenLinks), De Mos (PVV), Taverne (VVD), Van Bemmel (PVV), Van der Staaij (SGP), Houwers (VVD), Van Veldhoven (D66) en Ormel (CDA).

Naar boven