28 625 Herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

Nr. 139 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 november 2011

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft mij om een reactie gevraagd op de visie van GroenLinks op de herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Met haar visie «De boer is troef» levert GroenLinks mijns inziens een gedegen bijdrage in het belangrijke debat over de toekomst van het GLB. Een debat dat de komende maanden op veel plaatsen in Europa zal worden gevoerd, niet alleen in Brussel en Straatsburg, maar in alle 27 EU-lidstaten. Op 12 oktober jl. heeft de Europese Commissie het startsein voor dit debat gegeven met de presentatie van haar wetgevingsvoorstellen over het GLB 2014–2020. Op 28 oktober jl. heb ik u de kabinetsreactie op deze voorstellen gestuurd (TK 28 625, nr. 137). Eerder heeft al u een brief ontvangen met het kabinetsstandpunt over het meerjarig Financieel Kader 2014–2020 (TK 21 501-20, nr. 553).

Ik heb met veel interesse de visie van GroenLinks gelezen. Zoals de songtekst van «Normaal», waar de titel ongetwijfeld van afgeleid is, al aangeeft («De boer is troef, de boer is troef, de ene keer geet 't gladjes, de ander keer geet ’t stroef, de ene dag bu-j koning en de andere dag een boef») opereert de landbouwsector in een maatschappelijk spanningsveld. Enerzijds is de landbouwsector belangrijk voor ons voedsel en landschap en anderzijds krijgt zij ook regelmatig kritiek.

De boer is de spil in het leveren van maatschappelijke diensten, zoals voedsel, maar ook landschap, natuur en klimaatdoelen, aldus de visie van GroenLinks. De sector staat voor de belangrijke opgave om een «resource efficient economy» te realiseren op gebied van een duurzame voedsel en energieproductie, en van het gebruik van nutriënten. Ik onderschrijf ten volle dat dit de centrale uitdaging is waar we landbouw en samenleving voor staan. De constatering dat de landbouw «totaal anders» moet, deel ik echter niet. In vrijwel alle sectoren staan innovatie en verduurzaming centraal en het GLB kan daaraan een belangrijke bijdrage leveren. Naar mijn mening bieden de voorstellen van de Europese Commissie ook aangrijpingspunten daarvoor.

De keuze om 30% van het budget voor directe betalingen te reserveren voor vergroeningsmaatregelen is significant.

Hiermee wordt een belangrijke stap gezet in de richting van meer doelgerichte betalingen. Zoals de kabinetsreactie van 28 oktober stelt, acht het kabinet de voorgestelde vergroeningsmaatregelen echter nog onvoldoende effectief. Daarnaast is de inzet van het kabinet er ook op gericht om investeringen in duurzame en innovatie productiemethoden te stimuleren via doelgerichte betalingen.

Wat de vergroeningsmaatregelen betreft constateer ik dat GroenLinks een andere koers vaart dan het kabinet. GroenLinks opteert voor een puntensysteem waarbij de boer de keuze heeft om zelf diensten te kiezen die hij wil leveren. Elke dienst levert punten op en het puntentotaal bepaalt de groene vergoeding. Het kabinet streeft ernaar andere aanpak, namelijk een Europees keuzemenu. Lidstaten krijgen daarbij wat het kabinet betreft de keuzevrijheid om binnen een algemeen Europees kader te streven naar maatwerk. Op deze manier kan de lidstaat maatregelen kiezen die bijdragen aan biodiversiteit, milieu, luchtkwaliteit, dierenwelzijn, klimaat en passen bij de nationale en regionale productieomstandigheden en bedrijfsvoering. Deze meer generieke aanpak heeft als voordeel dat de uitvoerings- en controlelasten aanmerkelijk geringer zijn, terwijl de nationale aanpak tevens de mogelijkheid biedt om deze diensten regionaal gedifferentieerd en doelgericht in te zetten.

Lidstaten kunnen, aldus het voorstel van de Europese Commissie, 5% van het budget voor directe betalingen inzetten voor een extra betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen. Het kabinet wil de toepassing daarvan bezien bij de Nederlandse implementatie van het GLB. GroenLinks wil een dergelijke top-up alleen inzetten in bepaalde gebieden mits er ook extra plichten tegenover komen te staan. Daarbij heb ik aarzelingen. Het doel van de top-up is immers om het economisch nadeel van bestaande beperkingen te compenseren, en niet van aanvullende beperkingen.

Het thema marktmacht in de keten en prijsvorming is de afgelopen jaren vele malen geagendeerd in Europa. Het kabinet is van mening dat goed functionerende landbouwmarkten de beste garantie vormen voor het waarborgen van voedselzekerheid. Vanwege het speciale karakter van landbouwmarkten met een vaak weinig flexibel vraag- en aanbodpatroon is het van belang om van overheidswege zorg te dragen voor een vangnet.

Het kabinet steunt de inzet van bestaande marktinstrumenten van interventie en particuliere opslag maar vindt dat het instrument van exportrestitutie per 2013 afgeschaft zou moeten worden.

Veel ondernemers ervaren de prijs- en marktrisico’s als de belangrijkste risico’s. Prijsrisico’s hebben een groot effect op het inkomen, omdat boeren en tuinders slechts een beperkt aantal producten voortbrengen, soms maar één. Prijsrisico’s kunnen ten dele overgedragen worden aan derden. Hierbij valt te denken aan het afsluiten van productiecontracten, marketingcontracten en verzekeringen. Deze instrumenten zijn voor de producten waar de EU vanouds een marktordening voor in stand hield niet of matig ontwikkeld. Nu het markt- en prijsbeleid verder wordt afgeslankt zullen deze risicobeheersinginstrumenten naar verwachting verder worden ontwikkeld.

Ik ben blij dat de GroenLinks positief is over de stappen die de afgelopen jaren zijn gezet om de relatie tussen de Europese landbouwmarkt en die van ontwikkelingslanden te verbeteren. De externe dimensie van het GLB vraagt om een alerte houding. Tegelijk is van belang dat ontwikkelingslanden ook zelf blijven investeren in de ontwikkeling van de eigen landbouw.

Wat betreft de inzet van het kabinet in de modernisering van de Europese begroting en de budgettaire gevolgen voor het nieuwe GLB verwijs ik kortheidshalve naar de kabinetsstandpunten over het Meerjarig Financieel Kader 2014–2020 en het GLB 2014–2020.

Ik deel de opvatting van GroenLinks dat de «plattelandsproblematiek» in Nederland is anders dan in sommige andere lidstaten. De omvang van het Nederlandse aandeel in het EU-budget voor plattelandsbeleid (tweede pijler) is erg klein. Daar staat tegenover dat ook doelgerichte betalingen in de eerste pijler van het GLB ook ten goede komen aan een duurzame ontwikkeling van het platteland.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

H. Bleker

Naar boven