Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201928286 nr. 1063

28 286 Dierenwelzijn

Nr. 1063 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 september 2019

In deze brief geef ik u de voortgang van mijn beleid op dierenwelzijn landbouwhuisdieren zoals aangegeven in de Beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2018 (Kamerstuk 28 286, nr. 991) en het regeerakkoord.

Met deze brief informeer ik uw Kamer ook over de volgende toezeggingen die ik heb gedaan tijdens het algemeen overleg dierenwelzijn van 14 november 2018 (Kamerstuk 28 286, nr. 1016), het debat over dieren in de veehouderij van 24 januari 2019 (Handelingen II 2018/19, nr. 45), de begrotingsbehandeling over 2019 (Handelingen II 2018/19, nr. 18, item 10) en de beantwoording van vragen over de slotwet (Kamerstuk 35 200 XIII, nr. 7). De Tweede Kamer,

  • ontvangt in het voorjaar van 2019 een standvanzakenbrief dierenwelzijn, waarin ook wordt ingegaan op de sterfte van jonge dieren en het plan van aanpak welzijn geitenbokjes (bijlage 1)1;

  • wordt jaarlijks geïnformeerd over de ontwikkelingen met betrekking tot het vervolgactieplan Brandveilige Veestallen (bijlage 2)2; ontvangt in 2019 het evaluatierapport «Voortgang Plan van Aanpak naar meer natuurlijke geboorten bij luxe vleesvee» en wordt geïnformeerd over de mogelijke vervolgstappen (bijlage 3)3;

  • wordt geïnformeerd over de sondering bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) of er meer ruimte mogelijk is voor het gebruik van gif door agrariërs bij de bestrijding van ratten;

  • wordt geïnformeerd over het plaatsen van alle voortgangsrapportages bigvitaliteit op de site www.vitalevarkens.nl.

  • wordt in de loop van deze zomer geïnformeerd over de bevindingen van het PPS onderzoek AF-16017: Verbeteren dierenwelzijn tijdens CO2-verdoven (bijlage 4)4;

Tevens meld ik in deze brief hoe ik invulling geef aan de volgende moties:

  • Motie van het lid De Groot over een plan van aanpak om de biggensterfte terug te brengen (Kamerstuk 28 286, nr. 1025);

  • Motie van het lid Dik-Faber over een Europese norm voor de konijnenhouderij (Kamerstuk 28 286, nr. 1029);

  • Gewijzigde motie van het lid Futselaar over een regeling voor het terugdringen van biggensterfte (Kamerstuk 28 286, nr. 1037);

  • Motie van het lid Van Dekken om een fokverbod voor te bereiden dat meteen ingezet kan worden indien er te weinig vooruitgang is geboekt in het terugdringen van het aantal keizersneden bij dubbelgespierde vleesrassen (Kamerstuk 28 286, nr.760).

  • Motie van het lid Van Dekken over een wettelijke verplichting voor gps-apparatuur in veetransportwagens en een centrale database voor verzameling en analyse van de gps-gegevens (Kamerstuk 28 286, nr. 761).

  • Motie van de leden Thieme en Van Dekken om aandacht te geven aan alternatieven voor CO2-bedwelming bij varkens, en als alternatieven reëel blijken te zijn, hierbij een termijn te stellen waarbinnen de CO2-bedwelming wordt uitgefaseerd (Kamerstuk 34 300 XIII, nr. 151).

Beleidsbrief dierenwelzijn 4 oktober 2018

Dierenwelzijn internationaal

EU-Platform en toekomstig werkprogramma nieuwe Europese Commissie

In de beleidsbrief dierenwelzijn heb ik aangegeven dat Nederland zich samen met andere landen die gelijkgestemde ambities hebben blijft inzetten voor verbetering van het dierenwelzijn en een gelijk speelveld in Europa en daarbuiten. Hiertoe is de afgelopen maanden onder meer in het kader van het EU-Platform voor dierenwelzijn verder gewerkt aan gidsdocumenten voor het verantwoord houden van paarden, paardachtigen en opfokleghennen. Met deze gidsdocumenten wordt verdere invulling gegeven aan de algemene Europese dierenwelzijnseisen. Voor deze diersoorten is namelijk geen specifieke regelgeving. Deze gidsdocumenten worden in oktober aan het EU-Platform voorgelegd.

Samen met de bewindspersonen verantwoordelijk voor dierenwelzijn van Duitsland, Denemarken, Zweden en België heb ik in mei bij de Eurocommissaris voor Gezondheid en Voedselveiligheid kenbaar gemaakt dat we de activiteiten van het EU-Platform graag voortzetten, maar dat we aanvullend ook een nieuwe EU-strategie voor dierenwelzijn wenselijk achten voor de periode van de nieuwe Europese Commissie die dit najaar zal aantreden. Onderwerpen die we gezamenlijk aan de Commissie hebben meegegeven voor in een nieuwe EU-strategie dierenwelzijn zijn:

  • verduidelijkende uitwerking en specificering, alsmede aanscherping, van de EU-transportverordening;

  • verbetering en actualisering van de EU-welzijnsrichtlijn voor varkens;

  • concrete EU-welzijnsvoorschriften voor commercieel gehouden en verhandelde diersoorten waarvoor deze nog ontbreken, zoals voor konijnen, opfokleghennen en kalkoenen.

Aanvullend heb ik de volgende onderwerpen aan de Europese Commissie meegegeven:

  • EU-welzijnsvoorschriften voor de commerciële handel in honden;

  • nieuwe (EU-)regelgeving om EU-brede beroepsverboden en een zwarte lijst van dierhouders die zo’n beroepsverbod hebben gekregen mogelijk te maken.

Deze lijst is niet onuitputtelijk. Als de nieuwe Commissie is aangetreden en een strategie maakt, is er ruimte en tijd om dit verder aan te vullen.

Inzet in OIE-verband

Van 18 tot en met 20 juni was Nederland gastheer van een World Organisation for Animal Health (OIE)-trainingsseminar voor de OIE-contactpersonen voor dierenwelzijn van de regio Europa. Nederland heeft tijdens dit seminar onder meer het belang benadrukt van groepshuisvesting van drachtige zeugen en het verminderen van lange transporten. Hiermee zet Nederland zich in – samen met andere landen en de Europese Commissie – om de formulering en aanpassing van dierenwelzijnsstandaarden van de OIE zoveel mogelijk op te trekken naar het niveau van de EU.

Dierenwelzijn in het kader van associatie- en handelsakkoorden

Met het oog op verbetering van dierenwelzijn is als inzet van het Kabinet afgesproken om in de associatie- en handelsakkoorden standaard een artikel te laten opnemen over samenwerking en uitwisseling van informatie en expertise inzake dierenwelzijn in het hoofdstuk over sanitaire en fytosanitaire afspraken. Hierbij wordt rekening gehouden met de uitgangssituatie in het betreffende derde land en de (te verwachten) handelsstromen. Afhankelijk van de ingeschatte mogelijkheden per land zetten we in op afspraken tot het in lijn brengen van dierenwelzijnsstandaarden van derde landen met die van de EU. Dit is een streven, maar blijkt niet altijd haalbaar. Er zit hier een spanning tussen ons wensbeeld en de situatie dat derde landen veelal – evenals de EU- hun eigen «right to regulate» op dierenwelzijnsgebied willen behouden. Voor wat betreft minst ontwikkelde landen is de Nederlandse inzet inzake dierenwelzijn veelal gericht op het aangaan van een dialoog over dierenwelzijnsstandaarden en zo mogelijk op kennisontwikkeling.

Verder zet Nederland richting de Europese Commissie er op in dat verlagingen van invoertarieven of verruimingen van markttoegang via tariefcontingenten voor ontwikkelde landen en opkomende economieën, voor de producten eieren & eiproducten, varkensvlees en pluimvee-(kippen-)vlees, voorwaardelijk worden gemaakt aan het voldoen aan de EU-normen voor dierenwelzijn of gelijkwaardig. Voor de genoemde sectoren heeft de EU concrete minimum-welzijnsnormen en bestaan met landen buiten de EU over het algemeen wat betreft dierenwelzijnsstandaarden de grootste verschillen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om krappe, onverrijkte kooien voor leghennen. Het voorwaardelijk maken aan equivalentie aan de EU-normen heeft – naast dierenwelzijn – tot doel om voor producten uit deze sectoren een gelijk speelveld te creëren op de Europese interne markt.

Om de zorgpunten inzake dierenwelzijn in landen waarmee de EU over associatie- en handelsakkoorden met derde landen (in toekomst) onderhandelt beter te kunnen beoordelen, heb ik Wageningen Livestock Research een inventarisatie laten maken van de dierenwelzijnsregelgeving en -praktijken in een zevental landen (Mexico, Chili, Indonesië, Australië, Nieuw Zeeland, Turkije en de Filippijnen). Het rapport is recentelijk afgerond en kunt u vinden op de website van de WUR.5 Het rapport geeft informatie over de verschillende situaties qua regelgeving en praktijk in de genoemde landen. Te zien is dat in een land als Nieuw-Zeeland de dierenwelzijnsstandaarden goed ontwikkeld zijn. Bij de andere landen is dat vaak minder het geval. Met de kennis uit het rapport kan ik de inzet zoals hierboven beschreven beter onderbouwen, waardoor dit eerder tot resultaat kan leiden in de EU-besprekingen over de onderhandelingen.

Transport

Op het gebied van het welzijn van dieren bij transport wil ik dat dieren korter en minder vervoerd zullen gaan worden, dat de condities tijdens transport verder verbeterd worden en dat de regels hieromtrent goed worden gehandhaafd.

Beperken vervoer

Bij het beperken van vervoer van dieren is de focus gelegd op dieren die naar een slachthuis worden vervoerd. In april is door mijn ministerie met sectorpartijen en dierenwelzijnsorganisaties gestart met het verkennen hoe we stappen kunnen zetten om te bereiken dat Nederlandse slachtdieren binnen de interne markt over minder lange afstanden worden vervoerd. Zo zijn bijvoorbeeld de mogelijkheden tot het beperken van transport van leghennen naar Polen en biggen naar landen als Kroatië en Italië verkend. De volgende stap is om deze mogelijkheden om te gaan zetten in een aantal concrete acties.

Ook internationaal zwengelt Nederland de discussie aan over het vervangen van vervoer van levende dieren door het vervoer van vlees. Dit doen we in werkgroepen die door de Europese Commissie worden georganiseerd en tijdens de landbouw en Visserijraad van 15 juni jl. Wageningen Economic Research heeft in april een lezing gegeven op het OIE Global Welfare Forum over de sociaaleconomische aspecten van vervoer van slachtdieren in de EU en ik faciliteer in het najaar van 2019 een internationaal rondetafelgesprek over het beperken van het vervoer van slachtdieren.

Bij beperking van diervervoer kijk ik ook naar de mogelijkheden om exporten van fokrunderen naar bestemmingen buiten de EU te vervangen door de export van genetisch uitgangsmateriaal, zoals rundersperma. Aangezien de meeste fokrunderen naar Rusland worden geëxporteerd (meer dan 50% van de circa 27.000 dieren per jaar), is de focus met name daarop gericht. Maar ook andere landen zoals Marokko en Libanon hebben de aandacht, omdat daar wel fokrunderen naartoe gaan, maar slechts heel weinig rundersperma. Het valt overigens op dat de export van fokrunderen door het nieuwe fosfaatstelsel is afgenomen. Melkveehouders houden minder vaak jongvee aan dat voor export in aanmerking komt.

Verbetering van condities en handhaving

Naar aanleiding van een uitzending van RTL4 van 10 juni jl.over niet-transportwaardige dieren die naar België en Duitsland zijn vervoerd, heb ik het «vierogenprincipe», wat ook in de noordelijke slachthuizen wordt toegepast, uitgebreid naar vijf verzamelcentra waar verhoudingsgewijs meer zwakke dieren worden aangeboden. Dit betekent dat bij exportcertificering op deze verzamelcentra twee NVWA dierenartsen worden ingezet. Op mijn verzoek is de problematiek van het transport van niet-transportwaardige dieren meegenomen in het onafhankelijke externe onderzoek van 2Solve, dat ik heb ingesteld naar de gang van zaken rond (signalen over) de noordelijke slachthuizen en de wijze waarop de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hierop heeft gereageerd. Ik informeer uw Kamer op korte termijn over de uitkomsten van het onderzoek.

Mijn inzet ten aanzien van het vervoer van dieren bij extreme temperaturen wordt in een aparte brief aan uw Kamer toegelicht.

Zorg voor jonge dieren

Naar een integrale benchmark

In mijn beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2018 sprak ik mijn zorg uit over de hoge sterfte onder jonge dieren. Ook uw Kamer hecht hier duidelijk belang aan, gezien het aantal Kamervragen over dit onderwerp. Ik spreek sinds oktober 2018 intensief met de sectoren en dring er bij hen op aan extra aandacht te besteden aan de zorg voor jonge dieren.

Ik vind het belangrijk dat dieren de best mogelijke zorg krijgen, gezond en fit zijn en dat inzicht ontstaat in de onderliggende oorzaken van ziekte en sterfte zodat deze kunnen worden aangepakt. Daarom voert Wageningen Livestock Research in mijn opdracht een literatuurstudie uit naar wat er bekend is over oorzaken van sterfte. Met de uitkomsten kan de huidige aanpak van de sector worden aangescherpt en kan waar nodig vervolgonderzoek worden uitgezet. De inzet van de rundveesector op de aanpak van oorzaken heb ik uiteengezet in een Commissiebrief van mei 2019 (Kamerstuk 28 286, nr. 1053). Het Platform Melkgeitenhouderij wil meer aandacht voor de jonge bokken door de geitenbokjes op het eigen bedrijf af te mesten of het afmesten uit te besteden aan een professionele bokkenmester via een 1-op-1 relatie. De sector geeft aan dat er nu meer bokjes worden afgemest op het eigen bedrijf. De varkenssector neemt verschillende maatregelen zoals u kunt lezen in de laatste voortgangsrapportage over 2018 (alle voortgangsrapportages zijn te vinden op: www.vitalevarkens.nl

Voorbeelden van aanvullende acties zijn de uitrol van de checklist en een focusgroep bigvitaliteit. Met het invullen van de checklist krijgt een varkenshouder beter inzicht in de succesfactoren en verbeterpunten op zijn individuele bedrijf. En om de verbeterpunten voor het beperken van biggensterfte in de kraamstal dan ook op te kunnen pakken zijn door onder andere Wageningen Livestock Research en de vakgroep varkens van de KNMvD protocollen opgesteld die daarbij kunnen helpen. De focusgroep bestaat uit experts die de praktijk goed kennen. Zij verspreiden kennis, gaan actief op zoek naar dilemma’s waar varkenshouders tegenaan lopen in de praktijk en komen met oplossingen hiervoor.

Ook het gedrag van de veehouder en de keuzes die hij maakt hebben grote invloed op de sterfte onder jonge dieren. Hier wil ik meer inzicht in krijgen, dus daar zal ik een onderzoek naar instellen. Daarnaast verken ik op welke manier een goede zorg voor jonge dieren een plek kan krijgen in marktconcepten, zoals het Beter Leven Keurmerk.

Met de melkvee-, geiten- en varkenssector heb ik afgesproken dat zij benchmarks ontwikkelen over sterfte bij jonge dieren. Een benchwaardesystematiek waarbij bedrijven worden ingedeeld in een groen (lage sterfte), oranje en rood (relatief hoge sterfte) biedt de sectoren de mogelijkheid om concrete maatregelen te nemen om bedrijven in het rode gebied te ondersteunen om de zorg voor jonge dieren te verbeteren. Deze aanpak is tevens gevolgd in het antibioticabeleid, en heeft bijgedragen aan een forse reductie van het antibioticumgebruik in de veehouderij. Ik zie graag dat er een specifieke aanpak komt op bedrijven in het actiegebied en dat de benchmarks onderdeel uitmaken van de ketenkwaliteitssystemen. Hoewel het een lastig vraagstuk is, heb ik goede hoop dat de gemaakte afspraken bijdragen aan het vooruitbrengen hiervan.

Eind van dit jaar moet duidelijk zijn hoe de benchmarksystematiek per sector exact wordt vormgegeven. Deze bevat in ieder geval kengetallen op sterfte, maar ook andere data met betrekking tot goede zorg voor dieren, zoals bijvoorbeeld de dierziektestatus.

De melkveesector kent al een integrale benchmark gericht op de goede zorg voor het kalf, waarmee de sector een goede basis heeft gelegd voor de aanpak van de kalversterfte. Momenteel wordt met de sector bekeken hoe deze integrale benchmark aansluit op de benchmarksystematiek die ik voor ogen heb. Daarnaast heeft de sector afgelopen jaren diverse programma’s gestart om de gezondheid van jonge kalveren op melkveebedrijven te verbeteren. Zo is in 2018 het KalfOK-systeem geïntroduceerd, dat de melkveehouder inzicht geeft in de kwaliteit van de kalveropfok. Bedrijven met hogere kalversterfte worden via het kwaliteitssysteem ondersteund bij het verbeteren van de zorg.

Ook de varkenssector start nog dit jaar met een integrale benchmark diergezondheid en dierenwelzijn, waarbij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit actief meekijkt. Bedrijven die in het actiegebied vallen krijgen gerichte ondersteuning om de bigvitaliteit te verbeteren. Daarmee heeft de sector het plan van aanpak «verlaging biggenuitval» uit 2016 verder aangescherpt. Deze systematiek wordt nu vormgegeven en de afspraak is dat eind dit jaar een eerste pilot met deze bigvitaliteitsindex is uitgevoerd. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan de motie van het lid De Groot (Kamerstuk 28 286, nr. 1025) en gewijzigde motie van het lid Futselaar (Kamerstuk 28 286, nr. 1037).

De geitensector kent ook een benchmark, maar deze moet geoptimaliseerd worden en hierbij zal ik hen ondersteunen. Het plan van aanpak van de sector baseert zich, wegens het gebrek aan andere bronnen, uitsluitend op data uit het Identificatie en Registratie systeem (I&R). Ik zal de I&R-regelgeving voor de melkgeitenhouderij daartoe aanscherpen. De termijn waarbinnen geboortes van lammeren gemeld moeten worden in het I&R-systeem, wordt aangescherpt van zes maanden naar zeven kalenderdagen. Tevens wordt de melkgeitenhouders verplicht gesteld om het geslacht en de exacte geboortedatum van het lam te registreren in het I&R-systeem en doodgeboortes te melden. Met deze uitgebreidere informatie is een betere analyse van sterfte mogelijk. Daarnaast onderzoekt de geitensector of hun benchmark kan worden uitgebreid naar een systematiek zoals de melkveesector die hanteert, waarin meerdere kenmerken met betrekking tot de opfok van het jonge dier worden meegenomen. Op die manier kan een meer integrale aanpak nagestreefd worden en komt de zorg voor het jonge dier beter in beeld.

Onafhankelijke monitoring

Ik stel een onafhankelijke groep van experts samen die meekijkt bij het opstellen van de benchmarks en de grenzen van het streef-, signalerings- en actiegebied. Dit jaar laat ik hen al een eerste analyse doen over de data die al beschikbaar zijn en de grenzen waar mee gestart kan worden zoveel mogelijk bepalen. Ook wil ik dat de expertgroep een voorstel doet voor een realistisch streefcijfer. Het tijdpad waarop dit plaatsvindt verschilt per sector. Ik laat deze experts vervolgens jaarlijks een monitoring uitvoeren op de voortgang, vergelijkbaar met de aanpak bij antibiotica. De expertgroep brengt jaarlijks een rapportage uit over de stand van zaken per sector die uw Kamer zal ontvangen. Daarnaast zal deze groep van experts adviseren over aanvullende stappen die sectoren kunnen zetten.

Overige sectoren

Van de konijnensector heb ik een eerste aanzet voor een «Programma Welvarende konijnen 5.0.» ontvangen. Doel is optimalisatie van de diergezondheid en een verantwoord antibioticagebruik. Dit moet ook leiden tot vitale jonge dieren. Onderdeel van het programma is ontwikkeling van kennis, kennisverspreiding en een lijst met kritische succesfactoren voor de vitaliteit van jonge konijnen. Ik ben met de sector in gesprek over verdere concretisering van het programma en zal uw Kamer hiervan op de hoogte houden.

De pluimveesector onderschrijft het belang van het terugdringen van sterfte onder pluimvee. Zij brengt per 2020 de sterfte en uitval in de verschillende diercategorieën in de verschillende schakels en systemen in beeld en benchmarkt deze per 2021, of zoveel eerder als mogelijk, om zo zicht te krijgen op oorzaken en mogelijkheden om de sterfte te verminderen en de vitaliteit te verbeteren.

Stalbranden

Conform mijn toezegging om uw Kamer op de hoogte te houden van de voortgang van de aanpak van stalbranden stuur ik met deze brief de eerste voortgangsrapportage van het Actieplan brandveilige veestallen 2018 – 2022 (bijlage 2)6. De rapportage gaat over 2018 en geeft tevens een doorkijk naar 2019. Er wordt per actie aangegeven hoe ver het staat met de uitvoering. Hieruit blijkt onder andere dat de varkens-, pluimvee-, melkvee- en kalverhouderij in de eerste maanden van 2019 hun sectorplannen hebben afgerond. Een van de belangrijkste onderdelen uit het actieplan is de elektrakeuring. Uit recent contact met de werkgroep blijkt dat alle varkens- en kalverhouderijen die aangesloten zijn bij een kwaliteitssysteem (en dat zijn vrijwel alle bedrijven) een elektrakeuring hebben gehad. Indien er gebreken werden geconstateerd zijn deze verholpen en vond er een herkeuring plaats. De pluimveehouderijen zijn ook vrijwel gereed. Hier zullen alle bedrijven voor 1 januari 2020 gekeurd zijn.

Dit jaar hebben helaas weer meerdere stalbranden plaatsgevonden met veel dierlijke slachtoffers. Het leed na iedere stalbrand is enorm. Voor de dieren, de veehouder en diens familie, hulpverleners en omwonenden. Daarom heb ik deze week de partners van het Actieplan Brandveilige Veestallen bijeengeroepen en hen de vraag voorgelegd op welke manier zij, in aanvulling op de acties die al genomen worden, het aantal stalbranden en het aantal dierlijke slachtoffers nog verder terug kunnen gaan brengen. Ook treed ik de komende tijd in gesprek met andere stakeholders, waaronder ngo’s, die hierover ideeën hebben. Ik hoop hiermee nog meer handvatten in handen te krijgen om het aantal dierlijke slachtoffers als gevolg van stalbranden te verlagen en zal uw Kamer hierover informeren. Ik zal uw Kamer dan ook informeren over de kosten van bliksemafleiders en de motie van het lid Geurts over snelle detectiesystemen in technische ruimten van veehouderijbedrijven (Kamerstuk 28 286, nr. 1031).

Ook in de maatschappij maken dieren die dood gaan doorstalbranden, in de hitteperiode in juli door verstikking omkomen in de stal, dood arriveren bij een slachthuis of lijden onder transport in de hitte veel emoties los. Dit snap ik goed. Het is aan ons mensen om goed voor de dieren te zorgen die aan ons zijn toevertrouwd, juist ook als het zogenoemde productiedieren zijn. Juist daarom ga ik regelen dat veehouders er melding van maken bij de NVWA indien er op hun bedrijf grote aantallen dieren sterven ten gevolge van dit soort omstandigheden. Er kan dan onderzoek plaatsvinden naar wat er is gebeurd. Dat stelt ons allen in staat de oorzaken beter in beeld te hebben en van elk incident te leren, zodat dergelijke incidenten in de toekomst steeds minder voorkomen.

Motie – IMVO-convenant

Naar aanleiding van de motie van het lid Bromet (Kamerstuk 28 286, nr. 1007) om in gesprek te gaan om internationaal opererende Nederlandse leveranciers van dierlijke productiesystemen ertoe te bewegen deel te nemen aan een bestaand IMVO-convenant, is contact geweest met enkele (organisaties van) leveranciers van (pluimvee)huisvestingssystemen aan derde landen. Ik heb hen gewezen op het al lopende IMVO-convenant Voedingsmiddelen en geopperd of zij zich daar – zoals gebruikelijk vrijwillig – bij aan zouden willen sluiten. Uit de reacties de afgelopen maanden is echter weinig animo gebleken voor deelname. Het biedt m.i. weinig perspectief om te trachten een enkele, individuele leverancier van huisvestingssystemen aan derde landen aansluiting te laten zoeken bij het lopende IMVO-convenant Voedingsmiddelen.

Motie GPS-apparatuur in veetransportwagens

In september 2014 is een motie van het lid Van Dekken aangenomen (Kamerstuk 28 286, nr. 761) die oproept tot het realiseren van een wettelijke verplichting voor GPS-apparatuur in veetransportwagens en een centrale database voor verzameling en analyse van de GPS-gegevens ter verbetering van de handhaving. De Europese transportverordening verplicht het gebruik van GPS bij lang transport (>8 uur), maar voorziet niet in een centrale database voor opslag van de GPS-gegevens. Voor kort transport (<8 uur) bestaat geen Europese verplichting voor het gebruik van GPS. Om tegemoet te komen aan de motie was in eerste instantie ervoor gekozen om voor kort transport verplicht GPS-gebruik op te nemen in private kwaliteitssystemen voor transport en preventie. Hierbij was ook voorzien in een centrale database. Vanwege het stopzetten van deze private kwaliteitssystemen, waarover ik uw Kamer per brief van 5 februari 2018 heb ingelicht (Kamerstuk 28 286, nr. 942), kon dit niet op deze wijze gerealiseerd worden. Inmiddels is er een nieuw initiatief van het bedrijfsleven dat gericht is op de ontwikkeling van een systeem waarbij met prestatie-indicatoren wordt gewerkt om het behaalde niveau van dierenwelzijn tijdens het transport te kunnen bepalen. Aan de hand van output van technologie in de veewagens (zoals GPS-gegevens) en waarnemingen tijdens en na transporten, wordt beoordeeld in hoeverre voldaan is aan welzijnsvriendelijk transport. Vervolgens worden geaggregeerde data, waaronder GPS-gegevens, voor zowel kort als lang transport, gerapporteerd aan de deelnemers, maar ook het publiek en de overheid. De overheid zal deze gegevens gebruiken voor risicogericht toezicht. Voor de ontwikkeling van dit nieuwe systeem is dit jaar het PPS-onderzoek «toekomstbestendig diertransport» gestart naar toepassingen van technologische dierenwelzijnsindicatoren tijdens transporten. Uit dit onderzoek zal blijken welke indicatoren, naast GPS-gegevens, opgenomen kunnen worden in het systeem. Het onderzoek wordt door WUR uitgevoerd en loopt tot 2022.

Voortgang Bewust Natuurlijk Luxe

In de Beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2013 (Kamerstuk 28 286, nr. 651) zijn houders van de dubbelgespierde rassen Verbeterd Roodbont en Belgisch Witblauw opgeroepen om toe te werken naar dieren die weer op een natuurlijke wijze kunnen afkalven. De sector heeft hiervoor een plan gemaakt en het project Bewust Natuurlijk Luxe (BNL) gestart. Wageningen Livestock Research heeft in 2018 een evaluatie over de voortgang opgeleverd die ik u hiermee toezend (bijlage 3)7. Uit het evaluatierapport blijkt dat genetische selectie op specifieke kenmerken tijd kost en dat een periode van 3 jaar BNL te kort is om de beoogde genetische vooruitgang te bewerkstelligen om het aantal keizersneden te reduceren. Ook blijkt uit het rapport dat de tot nu toe geboekte genetische vooruitgang het gunstigste is wat in dit stadium verwacht kan worden. Tevens zijn wezenlijke stappen gezet en is het draagvlak voor meer natuurlijke geboorten onder fokkers van luxe vleesvee duidelijk versterkt.

In navolging van de motie van het lid Van Dekken (Kamerstuk 28 286, nr. 760) heb ik tevens bekeken welke wettelijke mogelijkheden bestaan om over te gaan tot een fok- en/of houdverbod van dubbelgespierde rassen wanneer te weinig vooruitgang werd geboekt binnen het project. Het instellen van een fok- of houdverbod is in strijd met richtlijn 87/328/EEG. In deze richtlijn is onder meer bepaald dat lidstaten er op toe moeten zien dat de toelating van raszuivere fokrunderen tot de voortplanting niet wordt verboden, beperkt of belemmerd. Fokrunderen van de rassen VRB en BWB zijn raszuiver en vallen binnen de werkingssfeer van de richtlijn. Om deze redenen ondersteun ik de voortzetting van het project met een financiële bijdrage.

Mogelijkheden voor het gebruik van gif bij de bestrijding van ratten

Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft aangegeven dat er niet meer ruimte mogelijk is voor het gebruik van gif door agrariërs bij de bestrijding van ratten. Medio 2015 heeft de toenmalige Staatssecretaris Mansveld uw Kamer het plan van aanpak knaagdierbestrijding gestuurd. De rode draad in dit plan van aanpak is de systematiek van geïntegreerde bestrijding. Dit betekent inzetten op preventie, het toepassen van niet-chemische maatregelen en vervolgens het eventueel toepassen van rodenticiden (Kamerstuk 27 858, nr. 322). Dit plan van aanpak en het toelatingsbeleid voor biociden bepaalt de speelruimte voor professionele gebruikers van rodenticiden (waaronder agrarische ondernemers). Professionele gebruikers – waaronder gecertificeerde agrariërs – mogen nu en ook straks na 2023 binnen een Integrated Pest Management (IPM) aanpak nog steeds ratten en muizen bestrijden met chemische middelen in en rond gebouwen. Er lijkt vooralsnog geen sprake te zijn van een (dreigende) muizenplaag in de landbouw in een omvang waarvan in 2015 sprake was, hoewel ik me bewust ben van de overlast die deze dieren nu op sommige plekken in Nederland veroorzaken. Ik volg de situatie op de voet en zal op ambtelijk niveau het gesprek aangaan met LTO Nederland over de huidige situatie en om het belang te benadrukken van preventieve maatregelen en invoeren van een «early warning» systeem.

CO2-bedwelming van varkens

Zoals toegezegd in de beantwoording van vragen over de slotwet, doe ik u hierbij de resultaten van het onderzoek naar alternatieven voor CO2-bedwelming van varkens toekomen (Bijlage 4)8.

Internationaal lopen op dit moment enkele onderzoeken waarbij bijvoorbeeld in Duitsland is gekeken naar het gebruik van met stikstof (N2) gevuld schuim voor het bedwelmen van slachtvarkens. Dit heeft tot nu toe niet voldoende resultaat opgeleverd om het als reëel alternatief te zien. In het Verenigd Koninkrijk wordt momenteel onderzoek gedaan naar het relatief nieuwe concept Low Pressure Atmosphere Stunning (LAPS). Bij LAPS wordt met lage druk een situatie gecreëerd waardoor de opname van zuurstof dusdanig vermindert dat er bewusteloosheid intreed. Bij pluimvee is deze methode door de European Food Safety Authorities (EFSA) erkend als alternatieve bedwelmingsmethode voor kippen, voor varkens wordt dit nu onderzocht. Het ontwikkelen van een nieuwe bedwelmingsmethode kost echter vele jaren en de eerste resultaten van LAPS als bedwelmingsmethode voor varkens worden dan ook pas in 2020 verwacht. Ik ben voornemens de Kamer op de hoogte te houden van de ontwikkelingen naar deze bedwelmingsmethode. Uit het onderzoeksrapport van Wageningen Livestock Research blijkt tevens dat een combinatie van stikstof met CO2 geen verbetering voor dierenwelzijn oplevert ten opzichte van de huidige gangbare bedwelming met een hoge (>80%) concentratie CO2.

Het gebruik van CO2-gas voor de bedwelming van varkens vóór de slacht is een in de EU toegestane methode, die niet zonder meer door een lidstaat verboden kan worden. Indien een lidstaat een toegestane methode wil verbieden, moet daartoe wetenschappelijk bewezen worden dat er een alternatief is dat een uitgebreidere bescherming van dieren biedt, bij het doden. Uit het onderzoeksrapport van Wageningen UR komt dit niet naar voren. Om die reden ben ik voornemens het tweede gedeelte van de aangenomen motie van de leden Thieme en Van Dekken (Kamerstuk 34 300 XIII, nr. 151), om een termijn te stellen waarbinnen de CO2-bedwelming wordt uitgefaseerd, vooralsnog niet ten uitvoer te brengen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
4

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
6

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
7

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
8

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl