Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201927858 nr. 454

27 858 Gewasbeschermingsbeleid

Nr. 454 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 april 2019

Hierbij ontvangt u mijn invulling van verschillende moties en van enkele toezeggingen die ik u heb gedaan op het gebied van gewasbescherming. Bovendien informeer ik u over de stand van zaken van enkele onderwerpen op dit thema. Verder maak ik van deze gelegenheid gebruik om uw Kamer de antwoorden te sturen op de vragen van het lid Lodders (VVD) over standpuntbepaling in het Europees Parlement over een hoger toegestaan restgehalte van neonicotinoïden. Deze beantwoord ik mede namens de Minister voor Medische Zorg en Sport (zie Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 2512).

Inleiding

Op 16 april jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 (Kamerstuk 27 858, nr. 449). Mijn ambities richten zich op weerbare planten en teeltsystemen, het verbinden van landbouw en natuur en voor zover er dan toch nog behoefte is aan gewasbeschermingsmiddelen, dan nagenoeg zonder emissies naar de leefomgeving en nagenoeg zonder residuen op producten. Ik beschouw de moties en toezeggingen in het licht van deze visie en neem deze – voor zover nodig – mee in het uitvoeringsprogramma.

Om een goede en hoogwaardige oogst mogelijk te maken, zullen we niet helemaal zonder maatregelen en gewasbeschermingsmiddelen kunnen. Mijn voorkeur gaat dan uit naar duurzame en niet-chemische alternatieven. Denk hierbij aan mechanische onkruidbestrijding. En als het niet anders kan, dan hebben laag-risicomiddelen de voorkeur. Het is van groot belang dat er meer haalbare, betaalbare en milieuvriendelijke niet-chemische alternatieven beschikbaar komen. En dat agrariërs die beschikbare alternatieven ook breed gaan toepassen.

Er is veel steun voor deze visie. Ik ga er vanuit dat we het met elkaar – ook met de wetenschap – voor elkaar krijgen. Er zal wel sprake zijn van een overgangsperiode. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is voor veel agrarische ondernemers nu nog cruciaal voor een goede oogst en het overstappen naar bijvoorbeeld andere teeltmethodes met meer weerbare gewassen is iets dat tijd kost. Dat neemt uiteraard niet weg dat ook in die overgangsperiode gewasbeschermingsmiddelen alleen gebruikt worden als dit veilig is voor mens, dier en milieu.

Uitvoering moties

Chemische middelen vervangen door niet-chemische varianten

Ik heb in het debat insectensterfte toegezegd uw Kamer te informeren over de uitvoering van de motie Graus (Kamerstuk 27 858, nr. 131) (Handelingen II 2018/19, nr. 63, item 3). Met deze motie heeft uw Kamer de regering verzocht te onderzoeken welke chemische middelen waar mogelijk kunnen worden vervangen door niet-chemische varianten.

In de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst (Kamerstuk 27 858, nr. 146) ligt het accent op geïntegreerde gewasbescherming. In deze nota zijn daarom verschillende acties opgenomen om het toepassen van geïntegreerde gewasbescherming te stimuleren. In de tussenevaluatie van de nota wordt onderzocht in hoeverre agrarische ondernemers ook daadwerkelijk geïntegreerde gewasbescherming toepassen. De resultaten van deze tussenevaluatie zullen worden gebruikt bij het opstellen van het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030, dat ik na het zomerreces naar uw Kamer zal sturen. Hierin zal een werkgroep zich richten op het verder ontwikkelen en breder toepassen in de praktijk van duurzame, niet-chemische alternatieven. Daarnaast wordt in specifieke situaties nu al geïnventariseerd of er alternatieven zijn voor gewasbeschermingsmiddelen, zoals bij het beoordelen van een aanvraag voor een tijdelijke vrijstelling.

Drinkwaterbronnen

Met de motie Ouwehand en Futselaar (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1048) heeft uw Kamer de regering verzocht in overleg te treden met waterwinbedrijven over mogelijke beschermingsmaatregelen voor drinkwaterbronnen en de uitkomsten van dit overleg te betrekken bij de vervolgdiscussie die de EU voert over de wenselijkheid van verlenging van biociden. De bescherming van drinkwaterbronnen is regulier onderwerp van gesprek met de waterwinbedrijven en Vewin. De afgelopen jaren is daarin een aantal belangrijke stappen gezet. Ik verwijs u voor de volledigheid naar de brief over grondwaterwinning voor drinkwater (Kamerstuk 27 858, nr. 372). Vewin is betrokken bij het tot stand komen van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 en onderschrijft deze. Vewin zal ook participeren in het opstellen van het uitvoeringsprogramma.

Daarnaast voorziet Vewin het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) jaarlijks van een overzicht van goedgekeurde werkzame stoffen die deze boven het drinkwatercriterium van 0,1 µg/l aangetroffen worden op de in het oppervlaktewater gelegen innamepunten van de drinkwaterbedrijven. Het Ctgb voert bij het beoordelen van gewasbeschermingsmiddelen een extra toets uit voor deze stoffen.

Glyfosaat

Ik heb in het debat over insectensterfte van 14 maart jl. (Handelingen II 2018/19, nr. 63, item 3) toegezegd uw Kamer te informeren over de uitvoering van de motie De Groot (Kamerstuk 27 858, nr. 426). Met deze motie heeft uw Kamer de regering verzocht het gebruik van glyfosaathoudende middelen voor gebruik buiten geïntegreerde gewasbescherming (zoals kalenderspuiten, resetten van grasland en pre-harvest) te verbieden.

Ik onderschrijf de strekking van deze motie, dat gewasbeschermingsmiddelen in het algemeen en glyfosaathoudende middelen in het bijzonder alleen zouden moeten worden gebruikt wanneer dat niet anders kan. Dat is ook de essentie van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030. De in die visie beschreven omslag naar weerbare planten en teeltsystemen moet ervoor gaan zorgen dat de behoefte aan gewasbeschermingsmiddelen drastisch afneemt. Zoals aangegeven blijft in de overgangsperiode daarnaartoe de kern van mijn beleid dat gewasbeschermingsmiddelen alleen kunnen worden gebruikt als dat veilig is voor mens, dier en milieu.

Eind 2017 is besloten om de Europese goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat met vijf jaar te verlengen op basis van een herbeoordeling waaruit bleek dat deze stof veilig gebruikt kan worden voor mens, dier en milieu. Dit besluit is vastgelegd in Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2324. De vervolgstap is dat alle middelen, waarin deze werkzame stof zit, op het niveau van de lidstaten opnieuw moeten worden beoordeeld. In bijlagen I en II van de verordening zijn specifieke bepalingen vastgesteld, waarmee de bevoegde autoriteiten in de verschillende lidstaten – in Nederland dus het Ctgb – rekening moeten houden bij het herbeoordelen van alle toegelaten gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof glyfosaat. Het gaat daarbij om bescherming van het grondwater, bescherming van toepassers en niet-professionele gebruikers, over risico’s voor bodemleven en niet-doelwitorganismen en het toepassen van goede landbouwpraktijken bij gebruik voor de oogst.

Het Ctgb en de instanties in andere lidstaten zijn momenteel bezig met het herbeoordelen van ongeveer 50 gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof glyfosaat. Hierin nemen ze de bovenstaande aspecten uiteraard mee. Zo’n herbeoordeling vergt tijd, waardoor er op dit moment nog geen besluiten zijn genomen. Het Ctgb verwacht de herbeoordeling van middelen waarvoor het Ctgb de zonale rapporteur is eind dit jaar af te ronden. Over middelen waarvoor een andere lidstaat zonaal rapporteur is, kan het Ctgb pas een besluit nemen als die lidstaat de beoordeling heeft afgerond. In enkele gevallen zal het Ctgb daardoor in 2020 een besluit nemen. Het is helaas niet mogelijk om deze herbeoordeling te versnellen.

Ter uitvoering van de motie zal ik samen met de betrokken partijen in het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 uitwerken hoe we de ambitie gaan realiseren dat onkruidbestrijding in principe gebeurt met mechanische of ecologische technieken. Daarnaast wil ik hierin ook afspraken vastleggen over het – in de overgangsperiode – verminderen van het gebruik van glyfosaathoudende middelen binnen de landbouw. Ik pak dit uiteraard met de nodige urgentie op en zal daarbij ook verbinding leggen met private initiatieven hiertoe. Denk daarbij aan FrieslandCampina en Natuurmonumenten, die hebben aangegeven te willen stoppen met het gebruik van glyfosaat.

Overigens hebben niet alleen de gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen hierin een verantwoordelijkheid, maar ook de handelaren en hun adviseurs. We kennen al vele jaren de verplichting voor gebruikers en handelaren van gewasbeschermingsmiddelen om een bewijs van vakbekwaamheid te hebben en hun kennis te onderhouden. Deze verplichting geldt sinds 1 januari 2019 is ook voor adviseurs. De opleiding en de herhalingscursussen besteden uiteraard ook aandacht aan het toepassen van geïntegreerde gewasbescherming.

Toezeggingen

Geïntegreerde gewasbescherming

Ik heb in het SO over de werkzame stoffen thiram en diquat toegezegd uw Kamer te informeren over de dossiers rond geïntegreerde gewasbescherming en het overschakelen op niet-chemische methoden en laag-risicomiddelen (Kamerstuk 27 858, nr. 430).

Niet-chemische methoden

In het kader van het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 zal een werkgroep zich richten op het verder ontwikkelen en breder toepassen in de praktijk van duurzame, niet-chemische alternatieven. Er lopen verschillende (onderzoeks)trajecten die op termijn zullen bijdragen aan het vergroten van de beschikbaarheid van niet-chemische alternatieven, zoals de kennisimpuls groene gewasbescherming en bestuivers, nationale proeftuin precisielandbouw en het onderzoek binnen de topsectoren. Daarnaast lopen er verschillende trajecten, zoals het uitwerken van de bodemstrategie en de herbezinning op het mestbeleid, die een bijdrage zullen leveren aan weerbare planten en teeltsystemen. Ook nieuwe veredelingstechnieken kunnen hieraan een bijdrage leveren.

Laag-risicostoffen / middelen

De Europese Commissie heeft vorig jaar een overzicht gepubliceerd met daarop ongeveer 60 werkzame stoffen, die na Europese herbeoordeling naar verwachting de status laag-risicostoffen zullen krijgen.1 Dit biedt perspectief. Ongeveer de helft van deze werkzame stoffen zijn micro-organismen. De criteria voor het goedkeuren van deze micro-organismen zijn afgeleid van de criteria voor chemische stoffen. Mijn inzet is erop gericht om deze criteria zodanig aan te passen, dat ze beter toegesneden zijn om de risico’s van micro-organismen te beoordelen. Ik doe dit langs twee sporen, namelijk via onderzoek en via inbreng in Europese gremia.

Op nationaal niveau stimuleer ik samen met de stakeholders de toelating van laag-risicomiddelen via het Fonds Kleine Toepassingen. Daarnaast zal in de bijscholingscursussen voor het bewijs van vakbekwaamheid aandacht besteed worden aan deze middelen om de bekendheid in de praktijk te vergroten.

(Neven)effecten niet-chemische onkruidbestrijding

Ik heb in het SO over het rapport «Achteruitgang insectenpopulaties in Nederland: trends, oorzaken en kennislacunes» toegezegd uw Kamer te informeren over de mogelijke (neven)effecten van niet-chemische onkruidbestrijding (Kamerstuk 33 576, nr. 134).

Wageningen UR heeft een literatuurstudie uitgevoerd.2 Deze studie heeft een overzicht opgeleverd van de resultaten uit (inter)nationaal onderzoek naar de mogelijke (neven)effecten van niet-chemische onkruidbestrijding. Hieruit volgt dat:

  • mechanische en thermische onkruidbestrijding een beperkt negatief effect hebben op het bodemleven;

  • de negatieve effecten van mechanische en thermische onkruidbestrijding op insecten afhankelijk zijn van het moment en de frequentie van toepassing en indirect op de hoeveelheid biomassa die achterblijft;

  • mechanische onkruidbestrijding destructief is voor het broedsel van grondbroedende vogels tijdens het broedseizoen;

  • er mogelijkheden zijn – bijvoorbeeld nestbescherming – om de negatieve effecten van mechanische en thermische onkruidbestrijding te verminderen.

Ik zal de uitkomsten van deze studie betrekken bij de uitwerking van de afspraken over mechanische onkruidbestrijding in het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030.

Omwonenden

Ik heb samen met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat in het AO gewasbeschermingsmiddelen op 7 maart 2018 toegezegd in gesprek te gaan met omwonenden die zich zorgen maken over gewasbeschermingsmiddelen (Kamerstuk 27 858, nr. 419). Dit gesprek heeft op 8 april jl. plaatsgevonden. Voor verdere informatie verwijs ik u naar de brief over het onderzoek naar de blootstelling van omwonenden aan gewasbeschermingsmiddelen van 10 april jl.

Systeemaanpak

Ik heb in de brief over geïntegreerde gewasbescherming en in het SO over de werkzame stoffen thiram en diquat toegezegd uw Kamer te informeren over de resultaten van de pilots binnen de Systeemaanpak Duurzame Gewasbescherming en de systeemaanpassingen die uitgewerkt worden (Kamerstuk 27 858, nr. 417 en 430).

In de periode 2016–2018 hebben 7 bedrijven in verschillende teelten (appel, spruitkool, paprika, uitgangsmateriaal, chrysant, vruchtbomen) geëxperimenteerd met geïntegreerde gewasbescherming met als doel milieuwinst te behalen ten opzichte van gangbare teeltwijzen. De volgende ervaringen zijn opgedaan in deze pilots:

  • Telers durven te experimenteren met geïntegreerde gewasbescherming als er een gewasbeschermingsmiddel achter de hand is om in te kunnen grijpen mocht dat nodig zijn. De reden hiervoor is oogstzekerheid;

  • Telers missen een eenduidig instrument waarmee eenvoudig alle stappen van geïntegreerde gewasbescherming zijn vast te leggen;

  • Telers kunnen op dit moment met het huidige instrumentarium de milieubelasting van de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen niet goed meten;

  • De huidige systematiek van aanvraag, risicobeoordeling en toelating van gewasbeschermingsmiddelen richt zich grotendeels op het toepassen van een gewasbeschermingsmiddel op het hele perceel en op middelniveau, terwijl de pilots hier flexibeler mee om willen gaan.

De ervaringen die zijn opgedaan, leiden tot de volgende projecten in de periode 2019–2020:

  • De gebruikswaarde voor telers van de gewasbeschermingsmonitor zal geoptimaliseerd worden, zodat het voor de teler mogelijk wordt om alle stappen van geïntegreerde gewasbescherming eenvoudig vast te leggen en de monitor voor meerdere doeleinden gebruikt kan worden.

  • Er is dit jaar binnen de Topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen onderzoek gestart om een milieu-indicator te ontwikkelen. De indicator zal het voor telers mogelijk maken om de milieubelasting te meten van de gewasbeschermingsmiddelen die gebruikt worden.

  • Er zal, uitgaande van het verlagen van de milieu-impact. onderzocht worden:

    • welke mogelijkheden en beperkingen er zijn aan het gericht toepassen van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen (bijvoorbeeld pleksgewijs) en hoe toezicht / handhaving hiermee rekening kan houden;

    • of en hoe de beoordelingsmethodiek aangepast kan worden, zodat – waar mogelijk – meer rekening kan worden gehouden met het gericht toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.

Het vervolg zal een plaats krijgen in het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030.

Diquat en thiram

Ik heb uw Kamer geïnformeerd over de besluitvorming rond het voorstel van de Europese Commissie (EC) over het niet-hernieuwen van de goedkeuring van de werkzame stoffen diquat en thiram (Kamerstuk 27 858, nr. 428). Ik heb toegezegd uw Kamer te zullen informeren over de uitslag. Er bleek ook in het beroepscomité geen gekwalificeerde meerderheid voor of tegen het voorstel van de EC. De EC heeft inmiddels – conform mandaat – besloten de goedkeuring van beide stoffen niet te hernieuwen.

Stand van zaken diverse onderwerpen

Afzetgegevens

De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State heeft op 30 januari 2019 uitspraak gedaan in het hoger beroep dat het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Nefyto elk afzonderlijk hadden ingediend tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam om de afzetgegevens van gewasbeschermingsmiddelen openbaar te maken over de periode 2010 tot en met 2014.

De Afdeling oordeelt dat gewasbeschermingsmiddelen bedoeld zijn om in het milieu vrij te komen en dat de afzetgegevens dus ook iets zeggen over de voorzienbare emissies in het milieu. Om die reden zijn afzetgegevens aan te merken als emissiegegevens die openbaar moeten worden gemaakt. Daarnaast oordeelt de Afdeling dat er geen vergaarplicht bestaat van de afzetgegevens per toelatinghouder en dat ik kan blijven volstaan met het opvragen van de afzetgegevens bij Nefyto. Ik respecteer deze uitspraak en zal de afzetgegevens openbaar maken zodra deze beschikbaar zijn.

Azolen

Ik ben in afwachting van de uitkomsten van de tweede fase van het onderzoek naar de resistentie van de schimmel Aspergillus fumigatus voor fungiciden uit de groep van de triazolen. Daarin wordt onderzocht welke factoren invloed hebben op de groei en de ontwikkeling van resistentie bij de schimmel A. fumigatus. Het onderzoek is vertraagd vanwege uitvoeringstechnische redenen. De onderzoekers zijn nog bezig met de afronding. Daarna acht ik een zorgvuldige interdepartementale afweging met onder meer het Ctgb nodig. Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk informeren, nadat ik het rapport heb ontvangen.

Tijdelijke vrijstellingen

Ik heb uw Kamer op 28 januari 2019 geïnformeerd over mijn besluit om geen tijdelijke vrijstelling te verlenen voor het gewasbeschermingsmiddel Cruiser SB op basis van thiamethoxam (Kamerstuk 27 858, nr. 443). Hierbij heb ik toegezegd uw Kamer te informeren over mijn besluit op een aanvraag voor tijdelijke vrijstelling voor een alternatief middel zonder neonicotinoïden in de teelt van suikerbieten.

Na positief te zijn geadviseerd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit op landbouwkundige noodzaak en het Ctgb op de risico’s van het gebruik heb ik besloten om tijdelijke vrijstelling te verlenen voor het gewasbeschermingsmiddel Batavia in de teelt van suikerbieten. Hiermee krijgen telers voor de korte termijn de mogelijkheid om de bietenvlieg in de teelt van suikerbieten te bestrijden. Op lange termijn moeten door innovatie op het gebied van weerbare teeltsystemen, maatregelen en laag-risico middelen alternatieve vormen van bescherming tegen plagen in de teelt van suikerbieten beschikbaar komen. Ik zal hier in het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 verdere aandacht aan geven. De tijdelijke vrijstelling is per 1 april 2019 in werking getreden en vervalt op 28 juli 2019.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten