27 858 Gewasbeschermingsbeleid

Nr. 364 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 6 april 2016

De vaste commissie voor Economische Zaken en de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu hebben op 18 februari 2016 overleg gevoerd met Staatssecretaris Van Dam van Economische Zaken en Staatssecretaris Dijksma van Infrastructuur en Milieu over gewasbeschermingsmiddelen.

(De volledige agenda is opgenomen aan het einde van het verslag).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Vermeij

De voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu, Van Dekken

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Franke

Voorzitter: Graus

Griffier: Konings

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Dijkgraaf, Geurts, Grashoff, Graus, Koşer Kaya, Leenders, Lodders en Wassenberg,

en Staatssecretaris Van Dam van Economische Zaken en Staatssecretaris Dijksma van Infrastructuur en Milieu.

Aanvang 14.32 uur.

De voorzitter: Dit is een voortzetting van een algemeen overleg van 20 januari over gewasbeschermingsmiddelen. In de tussentijd heeft er veel plaatsgevonden. Zo is er nog een schriftelijk overleg geweest. Die vragen zijn allemaal netjes en op tijd beantwoord. Ik heet iedereen op de tribune en thuis welkom. Ook de Staatssecretarissen en hun gevolg en de Kamerleden heet ik hartelijk welkom. Ik stel voor dat de Kamerleden in deze tweede termijn vier minuten spreektijd per fractie hebben, met maximaal twee interrupties.

Mevrouw Lodders (VVD): Voorzitter. We trekken een uur langer voor dit debat uit vanwege het bericht van Greenpeace dat de verkoop van schadelijke pesticiden veel hoger is dan aangenomen. Het is zaak dat hier met grote spoed helderheid over wordt verschaft, want dit soort berichtgeving dient niemand. Je kunt je als milieuorganisatie willen afzetten tegen het gebruik van pesticiden, maar voer de discussie wel op basis van goede en gewogen informatie. Nu wordt er een discussie gevoerd op basis van verschillende cijfers. Volgens mij zou de discussie moeten gaan over milieubelasting. Ik wil graag weten of het verschil in cijfers is terug te voeren op de wijze waarop de cijfers van het CBS tot stand zijn gekomen. Klopt het dat er verschillen tussen de verkoopcijfers en de gebruikscijfers zijn? Ik heb gezien dat er net een brief is gekomen. Ik heb de brief nog niet kunnen lezen, maar ik begrijp dat het daarin verwoord is. Ik zal de brief straks intussen lezen en wellicht stel ik er bij interruptie een aanvullende vraag over.

Ik dank de bewindspersonen voor de beantwoording van de schriftelijke vragen. Naar aanleiding daarvan heb ik toch nog een aantal kritische noten. Ik mis in de beantwoording de ambitie bij de inzet voor het creëren van een gelijk speelveld in Europa en de reflectie op het resultaat ervan. In de praktijk kom ik te veel voorbeelden tegen waarbij in Nederland wordt gesproken over een verbod of beperking van middelen die elders in Europa zijn toegestaan, terwijl producten uit die landen gewoon in de Nederlandse schappen liggen. In Nederland zijn middelen voor de teelt van sierbloemen verboden, terwijl die wel op komkommers of andere eetbare producten gebruikt mogen worden, in Nederland, maar ook in Europa. Dat is niet uit te leggen. Wij vinden dat een ongewenste situatie. Graag ontvang ik voor de zomer een voortgangsbrief over de concrete stappen om te komen tot een gelijker speelveld in Europa en liefst ook de eerste resultaten. Het gaat dan om de toelating, het gebruikmaken van wederzijdse erkenning en bij de kleine teelt de bereidheid om maatwerk te leveren. Ook zou ik graag zien dat er wordt ingegaan op de toelating van de laagrisicomiddelen, want daar zijn meerdere vragen over gesteld. Is de Staatssecretaris bereid het gebruik van een variabel label voor laagrisicomiddelen toe te staan?

Er zijn ook veel vragen niet of half beantwoord. De VVD heeft gevraagd wat de Staatssecretaris verstaat onder een substantiële verbetering of onder een duidelijke beweging richting geen normoverschrijdingen. Dat heeft natuurlijk alles te maken met imidacloprid. Ondernemers hebben recht op deze duidelijkheid. Ik wil de Staatssecretaris vragen daar alsnog op in te gaan. Een aantal vragen over de meetgegevens zijn niet beantwoord. Ik zal die alsnog als schriftelijke vragen indienen.

We hebben een brief van de Staatssecretaris ontvangen waarin staat dat hij op basis van een advies van de Raad van State het voorgenomen gebruiksverbod op glyfosaat op verhardingen voor particulieren voorlopig niet zal instellen. Het gebruiksverbod voor professioneel gebruik zal in de loop van maart gerealiseerd zijn. De VVD heeft hiervoor gewaarschuwd. Ik wil de Staatssecretaris vragen het advies van de Raad van State met de Kamer te delen, nog voor de inwerkingtreding van het gebruiksverbod voor professioneel gebruik. Mijn fractie wil weten waarom het één niet juridisch vormgegeven kan worden en het ander wel. Ik zou dat advies graag voor 1 maart ontvangen. Mijn fractie wil ook duidelijkheid over de handhaving van het voorgenomen verbod. Mijn fractie wil weten wat de kosten zijn voor handhaving, wie die gaat uitvoeren en wie de kosten daarvoor betaalt. Ik overweeg op dit punt een motie.

Het mogelijke verbod op het gebruik van imidacloprid – hoe vaker ik het zeg, hoe beter het gaat – hebben we uitgebreid besproken in de eerste termijn. De VVD is van mening dat de Staatssecretaris wel erg laconiek doet over de periode waarin tuinders een resultaat moeten laten zien. De zuiveringsplicht is per 1 mei 2014 op het etiket gekomen, maar pas in november 2015 is er echt duidelijkheid gekomen over de eisen aan de verplichte zuivering. Apparatuur is net op de markt. Het beloofde wettelijke toetsingskader is echter nog steeds niet vastgesteld. Dat betekent dat de Staatssecretaris echt zelf aan zet is. De VVD doet een beroep op de Staatssecretaris, zeker gezien haar kennis over de sector, om realistische termijnen te hanteren en ondernemers de ruimte te bieden om te investeren in de zuivering. Het verbreden van de controle en de handhaving is uiteraard prima. Het waterschap kan die rol in onze optiek heel goed invullen.

De voorzitter: Mevrouw Lodders had het over het indienen van een motie. Ook de Partij voor de Dieren heeft al een VAO aangekondigd. De heer Grashoff heeft daar in eerste termijn ook al om gevraagd. Vooralsnog is de heer Grashoff dus de eerste spreker in het VAO.

Dan is nu het woord aan de heer Wassenberg. Hij zal later deze vergadering verlaten omdat hij ook een plenair debat heeft.

De heer Wassenberg (PvdD): Voorzitter. Nederland staat wereldwijd op de derde plek als het gaat om het gebruik van landbouwgif. Misschien nog wel hoger, want Greenpeace onthulde deze week dat de verkoopcijfers minstens twee keer zo hoog liggen als de cijfers van het CBS. Voor glyfosaat ligt het zelfs vijf keer zo hoog. Al jarenlang vraagt de Partij voor de Dieren om cijfers over de verkoop van landbouwgif, maar het ministerie houdt deze angstvallig geheim en stelt daarmee de belangen van producenten en gebruikers van dat gif boven de belangen van de volksgezondheid en een gezond milieu. Waarom houdt de Staatssecretaris deze cijfers geheim? Gaat hij dat veranderen?

Het hoge gifgebruik in ons land heeft namelijk desastreuze gevolgen. Allereerst voor de insecten die van de bloemen eten, waarna het gif hun centrale zenuwstelsel aantast, maar ook voor vogels die door de insectensterfte onvoldoende voedsel vinden, of die door het gif aangetaste insecten eten en daardoor zelf sterven. Ook waterorganismen verdwijnen. Er zijn ook gevolgen voor het drinkwater. Het kost drinkwaterbedrijven namelijk steeds meer moeite om veilig drinkwater te garanderen. En last but not least is het desastreus voor mensen die om de akkers waar gif wordt gebruikt heen wonen, en voor hun kinderen die daarlangs naar school moeten fietsen. Ziekten als alzheimer en parkinson worden in verband gebracht met het hoge gebruik van landbouwgif.

Dat moet anders en dat kan ook anders. Biologische en agro-ecologische boeren over de hele wereld laten zien dat een landbouwsysteem zonder kunstmest en zonder landbouwgif robuust en vitaal kan zijn, met hoge opbrengsten door slim gebruik te maken van de natuur in plaats van de natuur dood te spuiten.

De Staatssecretaris wil dat het gebruik van imidacloprid in de glastuinbouw wordt verboden. Dank daarvoor. Graag ook zo snel mogelijk dan. Zo'n verbod blijkt echter lastiger dan we zouden willen. Bovendien moeten we voorkomen dat het ene gif vervangen wordt door het andere gif. Hoe gaat de Staatssecretaris daarvoor zorgen? Het moet gemakkelijker worden om op nationaal niveau landbouwgif en middelen voor particulieren te beperken of te verbieden. Het is te gek voor woorden dat zelfs het gebruiksverbod voor particulieren van glyfosaat nu later in werking zal treden, terwijl de Kamer nota bene een algeheel verbod op het gebruik van dit schadelijke gif door particulieren wil. Landen moeten zelf beslissen over de gifsoorten die ze wel of niet toelaten. Te vaak horen we nu, als de Kamer zich uitspreekt om metam-natrium, neonicotinoïden, schimmelbestrijdingsmiddelen of glyfosaat te verbieden, dat dit niet mag van Brussel. Is de Staatssecretaris het met de Partij voor de Dieren eens dat het gemakkelijker moet worden om op nationaal niveau maatregelen te treffen? Is hij bereid om dit punt aan te kaarten bij de Europese Commissie en daarvoor steun te verwerven bij andere lidstaten?

Het beleid is zo dat er pas gespoten mag worden met landbouwgif als de inzet van preventieve maatregelen en milieuvriendelijke middelen onvoldoende helpt. Voor zover wij na kunnen gaan, wordt daar niet of nauwelijks op gehandhaafd en is de gangbare landbouwpraktijk voor een groot deel nog steeds gericht op het gebruik van gif, ook voordat er sprake is van ziekte of schade. Hoe intensief wordt er gehandhaafd op het gebruik van gif zonder noodzaak? Hoeveel procent van de zaden en bollen wordt er behandeld zodat de hele plant giftig wordt voor insecten? Als de Staatssecretaris achter zijn eigen beleid staat, moet hij ook voor handhaving zorgen. Dan moet er dus een verbod komen op de preventieve toepassing van landbouwgif en handhaving van geïntegreerde gewasbescherming. Graag krijg ik hierop van hem een reactie.

In AGRAFACTS lezen we dat er op 7 maart gestemd gaat worden in het ambtelijk Standing Committee over de hernieuwde toelatingsaanvraag voor glyfosaat. Dit gevaarlijke bestrijdingsmiddel dat hormoonverstorend en volgens de Wereldgezondheidsorganisatie waarschijnlijk kankerverwekkend is, mag onder geen beding weer opnieuw tien jaar op de Europese markt worden toegelaten. Zullen de Nederlandse ambtenaren tegen deze toelating stemmen? Ik overweeg een motie op dit punt bij het aangekondigde VAO.

Mevrouw Lodders (VVD): De heer Van Wassenberg pleit voor een nationale bevoegdheid om van alles maar toe te staan. Is hij het met de VVD eens dat regels juridisch getoetst moeten worden om enige zekerheid te bieden aan ondernemers, consumenten en andere organisaties? Of laat de Partij voor de Dieren de juridische haalbaarheid achterwege?

De heer Wassenberg (PvdD): Als de hele of een groot deel van de Kamer zich uitspreekt tegen die landbouwgiffen, kan het niet zo zijn dat we het niet doen omdat het niet mag van Brussel. Een land moet ook een eigen bevoegdheid hebben. Ik vraag de Staatssecretaris daarom draagvlak te vinden in Europa om ervoor te zorgen dat Nederland niet weerhouden wordt door Brussel in het verbieden van gevaarlijke landbouwgiffen.

Mevrouw Lodders (VVD): Volgens mij maakt Nederland nog steeds deel uit van Europa en dat is een groot goed. Er is een heel aantal afspraken. Ik vind dat de heer Van Wassenberg heel gemakkelijk voorbijgaat aan de juridische houdbaarheid. Als wij een voorgenomen besluit nemen, is het misschien wel heel verstandig om het besluit voor te leggen aan de landsadvocaat om dat soort zaken te toetsen. Is de heer Van Wassenberg dat met mij eens? Die vraag zou ik tegelijkertijd ook aan de Staatssecretaris willen stellen. Dit gaat over het imidaclopriddossier.

De voorzitter: Mevrouw Lodders, het is Wassenberg, niet Van Wassenberg. Hij behoort niet tot de adelijke, maar tot de arme tak.

Mevrouw Lodders (VVD): Helaas. Excuses.

De heer Wassenberg (PvdD): Dank voor deze correctie. Dat van die arme tak had u niet hoeven zeggen, maar het is wel correct. Nu ben ik wel even van mijn à propos. We zitten inderdaad in de Europese Unie. Nu kun je daar als land nog niet van afwijken. Daarom heb ik aan de Staatssecretaris gevraagd of dit niet raar is en of hij draagvlak kan zoeken in Europa om als land de nationale bevoegdheid te hebben en te houden om bepaalde stoffen of gevaarlijke giffen, die de Tweede Kamer niet in Nederland wil, te verbieden. Dat was alles wat ik vroeg.

De voorzitter: Er is nog een interruptie van professor Dijkgraaf.

De heer Dijkgraaf (SGP): Dank, voorzitter Grausch met «ch». De heer Wassenberg zei aan het begin van zijn betoog dat er geen afzetcijfers van landbouwbestrijdingsmiddelen zijn en dat de Staatssecretaris ze al jaren geheimhoudt. Is de heer Wassenberg bekend met compendiumvoordeleefomgeving.nl, waar deze cijfers al jarenlang gewoon te downloaden zijn?

De heer Wassenberg (PvdD): Dat zijn niet de verbruikscijfers van wat in Nederland gewoon verkocht wordt. Greenpeace heeft die achterhaald. Dat is met veel moeite gepaard gegaan. Wij willen de totale verkoopcijfers in Nederland. Die zijn niet te vinden.

De heer Dijkgraaf (SGP): Ik raad de heer Wassenberg aan eens op die site te kijken. Daar staan de afzetcijfers op, voor zover ik begrepen heb. Laat ik de vraag anders stellen. De Staatssecretaris heeft zojuist een brief gestuurd met de statistische uitleg over de verschillen. Er wordt niets onder het tapijt geveegd. Die cijfers zijn gewoon bekend. De verschillen die er zijn, zijn statistisch te verklaren. Kan de heer Wassenberg het inhoudelijke probleem duiden in plaats van statistische wonderen ten tonele te voeren?

De heer Wassenberg (PvdD): De cijfers van het CBS zijn niet te vergelijken met de verkoopcijfers. Die worden voor een belangrijk deel gebaseerd op enquêtes. Het gaat om het verbruik. Het gaat alleen om bedrijven, niet om de overheid of om particulieren. Wij zijn geïnteresseerd in het gebruik van die giffen in Nederland, niet alleen in wat er met enquêtes van het CBS achterhaald kan worden bij bedrijven.

De heer Geurts (CDA): Voorzitter. Mijn naam is met een s aan het eind, ook de arme tak. Ik zeg het maar voordat u er zelf over begint.

In eerste termijn heeft de Staatssecretaris felle uitspraken gedaan over de huidige effecten van imidacloprid op insecten en watervogels. Uit zijn schriftelijke antwoorden blijkt dat hij daar geen enkele onderbouwing voor heeft. Hij verwijst naar de toelating van de EFSA (European Food Safety Authority), maar heeft eigenlijk niets om daadwerkelijk de urgentie aan te tonen. Ik vind dat schokkend. De Staatssecretaris en het kabinet sturen, los van wat het Ctgb (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden) doet, aan op het afkondigen van een verbod. Het kabinet wil blijkbaar daadkracht tonen. Of de argumenten die het gebruikt kloppen en of zijn handelwijze redelijk is, verliest het uit het oog. Ik wil het kabinet, de beide Staatssecretarissen, nogmaals aanspreken op hun verantwoordelijkheid en betrouwbaarheid als beleidsmaker. Ik vraag hen de toelating van een middel over te laten aan het Ctgb. Uit de antwoorden van de Staatssecretaris blijkt dat de laatste beleidswijziging ten aanzien van gebruiksvoorschriften maar enkele maanden geleden getroffen is. En toch wil de Staatssecretaris niet kijken naar een langere onderzoeksperiode om te bekijken of de genomen maatregelen effect sorteren. Ik wil de Staatssecretarissen nogmaals verzoeken om onderzoek te doen naar een langere periode. Zijn zij daartoe bereid?

De Staatssecretaris overweegt een verbod aan te kondigen bij innamepunten van drinkwater. Hoe is hij van plan deze gebieden af te bakenen? Welke bedrijven vallen er onder een gebruiksverbod van imidacloprid? Aan welke afstand tot het innamepunt bij oppervlaktewater moeten we dan denken? Ik denk dat het aangekondigde verbod slecht overdacht en slecht voorbereid is; kortom, gewoon slecht beleid is.

De voorgangster van de Staatssecretaris van Economische Zaken heeft met het verbod op het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw nu ook te maken met het voornemen tot een verbod zonder deugdelijke juridische onderbouwing. Na vele vragen hierover van onder andere mijn fractie zegt de Raad van State dat nu ook. Ik hoop dat het advies van de Raad van State ook binnenkort openbaar wordt zodat we dat in de Kamer kunnen bespreken. Ik roep de Staatssecretarissen op om een verantwoord beleid te vormen en niet het Ctgb uit te hollen.

Ik kom op geïntegreerde gewasbescherming, het zogenoemde IPM (Integrated Pest Management). Chemische bestrijding zou ook in het totaalpakket als preventief middel kunnen passen. Het gaat er toch om dat het gebruik secuur plaatsvindt? Dat lijken de Staatssecretarissen nu uit te sluiten. Zouden zij daar op kunnen ingaan?

Er is in België tegelijkertijd een vrijstelling aangevraagd voor Apron voor vlas. De middelen zijn beoordeeld en daar al in oktober vrijgesteld. In het kader van een gelijk speelveld kan dit direct worden overgenomen. Waarom gebeurt dat niet? Op grond van de Europese verordening kan het Belgische behandelde zaad in Nederland verhandeld en gezaaid worden. Nederlandse bedrijven zouden het vlaszaad toch ook met dit middel moeten kunnen behandelen? Zijn de Staatssecretarissen bereid zich in Europa in te zetten voor gelijke mogelijkheden voor het behandelen van zaaizaad?

De heer Leenders (PvdA): Wij winkelen allemaal redelijk selectief uit onder andere wetenschappelijke rapporten. Ik neem dat de heer Geurts niet kwalijk, want dat doe ik ook weleens. Het is aangetoond dat imidacloprid ernstige effecten op de natuur heeft. Ik kan niet precies de letterlijke woorden terughalen uit een van de laatste brieven van de Staatssecretaris, maar daarin wordt dat wel degelijk gezegd, en daarom zijn er ook restricties bij het gebruik van het middel. Winkelt de heer Geurts niet een beetje selectief in de informatie? Waar haalt hij de informatie vandaan op basis waarvan hij deze uitspraak doet?

De heer Geurts (CDA): Even een paar feitelijkheden: op pagina 12 van de antwoorden van het schriftelijk overleg is te lezen dat ik de volgende vraag heb gesteld: op basis van welke studies of welk onderzoek concludeert de Staatssecretaris dat de schade aan de natuur door het gebruik van imidacloprid in de glastuinbouw op dit moment dermate ernstig is? Dat heeft de Staatssecretaris immers gezegd. Hij verwijst in reactie op die vraag kortheidshalve naar het antwoord op de vraag van de VVD-fractie. Dan moet je dus even terugbladeren. Dan kom je uit op pagina 1 in de onderste alinea. Daar staat geen enkele verwijzing naar welke studie dan ook. Het is er gewoon niet. De Staatssecretaris beweert wat, maar onderbouwt het in ieder geval niet. We hebben dat in het debat gevraagd, we hebben het schriftelijk gevraagd en we krijgen het niet.

De heer Leenders (PvdA): Dat is een helder antwoord. Ik ga die vraag zo nog even aan de Staatssecretaris stellen, want ik heb dat anders gelezen. Ik wil daar graag nog even op terugkomen straks.

De heer Wassenberg (PvdD): Misschien kan ik die vraag alvast beantwoorden. Ik heb hier een Nederlandse studie uit 2014 van Nature, een vrij goed en geaccepteerd wetenschapsblad, over de effecten van imidacloprid op insecten en indirect op vogels. Daaruit blijkt dat vogelaantallen drastisch afnemen als in een buurt imidacloprid in het water wordt aangetroffen. Er zijn twee studies gecombineerd, namelijk die naar imidacloprid in het water en die naar vogelaantallen. Er is een direct verband. Het is een Nederlandse studie uit 2014. Ik zal die de heer Geurts graag doen toekomen.

De heer Geurts (CDA): Ik heb de vraag gesteld aan het kabinet. Het kabinet antwoordt de Kamer niet. Het is mooi dat de Partij voor de Dieren blijkbaar wel antwoorden heeft, maar daar heb ik de vragen niet aan gesteld.

De voorzitter: We zullen dit even afwachten. Er zitten daar twee Staatssecretarissen die er mogelijk op gaan antwoorden.

De heer Grashoff (GroenLinks): Dit is een debat dat op een wonderlijke manier lijkt te verzanden in juridisch getouwtrek over de vraag of een bepaald verbod wel of niet kan. Vindt de heer Geurts het normaal, logisch en gebruikelijk dat de tuindersbranche een verbod op uitstoot van die stof vanaf 1 mei 2014 gewoon negeert? Wat vindt de heer Geurts daarvan?

De heer Geurts (CDA): Daar kan ik een heel lang en een kort antwoord op geven. Ik heb er zelf ook vragen over gesteld.

De voorzitter: Graag het korte antwoord.

De heer Geurts (CDA): Willen de leden nou het antwoord op een vraag of niet? Ik heb er zelf in de stukken ook naar gevraagd. Ik verwijs naar mijn schriftelijke inbreng. Meer mag ik van de voorzitter niet zeggen.

De heer Grashoff (GroenLinks): Ik heb geen antwoord gehoord op de vraag die ik heb gesteld. Als u als voorzitter zegt dat de heer Geurts wel gewoon een antwoord moet geven, ook al is dat niet al te lang, dan heb ik een antwoord en kan ik een vervolgvraag stellen.

De voorzitter: Het probleem is dat geen enkele voorzitter een Kamerlid kan dwingen om antwoord te geven. Daar gaat het lid namelijk zelf over. Ik wilde het alleen maar kort houden.

De heer Grashoff (GroenLinks): Hij wilde wel antwoord geven, maar voelde zich belemmerd door de orde. Ik denk dat het dus aan u ligt, voorzitter. Ik wil graag een goed antwoord van de heer Geurts. Ik heb daar tijd voor over.

De voorzitter: Ik vraag de heer Geurts om kort te antwoorden, niet om geen antwoord te geven. Dat heb ik net ook niet gevraagd trouwens.

De heer Geurts (CDA): In de stukken die wij gekregen hebben, wordt op pagina 12 aangegeven dat er op 30 september toelatingen zijn ingetrokken, op 30 januari 2014 gebruiksvoorschriften voor middelen zijn aangepast, en op 7 juli 2015 – we komen steeds dichter bij het heden – gebruiksvoorschriften voor middelen op basis van imidacloprid zijn aangepast. Je ziet gewoon dat er heel traag geopereerd wordt door de overheid om dingen te verbieden. Dan kun je niet zeggen dat er op heel korte termijn de opdracht was aan de sector, die nog niet wist waar hij aan toe was, om binnen een aantal maanden aan te tonen dat het verbruik afgenomen is. Dan kom ik terug bij mijn inbreng. Ik heb gewoon gevraagd om de meetmaanden te verlengen om te laten zien dat de sector het verlagen van dit middel zeer serieus neemt.

De voorzitter: Zullen we het daarbij laten, mijnheer Grashoff?

De heer Grashoff (GroenLinks): Nee. Nu krijg ik in ieder geval het begin van een antwoord. Mijn vervolgvraag daarop is: is de heer Geurts het ermee eens dat er per 1 mei 2014 een geldige zuiveringsplicht was? Een jaar en negen maanden na dato meten we nog geen verschil. Is de heer Geurts het met mij eens dat er sprake is van niet-acceptabel gedrag in de sector?

De heer Geurts (CDA): Ik ben het er niet mee eens dat er niet-acceptabel gedrag door de sector is vertoond. De sector moet de tijd krijgen om aan de eisen van de overheid te voldoen. De etiketten van het middel zijn niet op tijd aangepast, de gebruiksvoorschriften waren niet aangepast et cetera. Ik heb het in eerste termijn ook gezegd. We vinden elkaar op het punt dat de sector het gebruik moet verminderen, maar laten we het er ook over eens zijn dat de sector tijd gegund moet worden om te voldoen aan de regels die we stellen. Bovendien wordt er gerommeld in het kabinet, want de Raad van State maakt gehakt van de manier waarop de AMvB's gemaakt worden.

De heer Dijkgraaf (SGP): Voorzitter. Ook mijn belangrijkste punt is het gebruiksverbod voor imidacloprid in de glastuinbouw. De Staatssecretarissen blijven ermee dreigen. Het verbod raakt echter juridisch kant noch wal. Laten we gewoon kijken naar de letter der wet. Artikel 80a van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bepaalt dat regels kunnen worden gesteld over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in specifieke gebieden als bedoeld in artikel 12 van de Richtlijn duurzaam gebruik pesticiden. Het gaat eigenlijk om twee dingen. Het moeten passende risicobeheersmaatregelen zijn en het moet gaan om beschermde gebieden. Als je dat vergelijkt met de situatie die de Staatssecretaris voorstelt, moet je constateren dat een zeer groot deel van de glastuinbouwgebieden buiten deze beschermingszones valt. Dan heb je het helemaal niet over beschermde gebieden. Gaat het verbod dan alleen gelden voor de glastuinbouw die in de beschermde gebieden valt en voor anderen niet? Dat kan toch niet? Mijn conclusie is dat de Staatssecretarissen geen juridisch houdbare middelen hebben om een verbod af te dwingen. Ik zou zelfs willen zeggen: hoe durft de overheid met zo'n slappe interpretatie van het recht naar de Raad van State te gaan? Ik lees de brief als volgt: de Staatssecretarissen schroeven wat in elkaar en horen nog wel wat de Raad van State ervan vindt. Zo moet een overheid toch niet met een sector omgaan?

De wetgeving vereist ook passende risicobeheersmaatregelen. Dat is het tweede. Dat betekent dat ingrijpende maatregelen alleen genomen kunnen worden als er ook een groot probleem is. Is imidacloprid een levensgevaarlijke bedreiging? Het antwoord is nee. Imidacloprid heeft via drinkwater geen negatieve gevolgen voor de mens. Vewin en de Unie van Waterschappen zien geen probleem, zoals blijkt uit de antwoorden van Staatssecretaris Dijksma op Kamervragen uit 2014. Het aanpakken van ecologische problemen – die zijn er wel degelijk – via gebruiksverboden voor drinkwaterbeschermingsgebieden is niet passend en dus oneigenlijk. Graag krijg ik hierop een reactie.

Wij willen wel degelijk dat het onderliggende probleem wordt aangepakt. Dat kan ook omdat er een gebruiksverbod is. De heer Geurts heeft daar net het nodige over gezegd. Er is een zuiveringsplicht. Er zijn allerlei nieuwe maatregelen genomen. De sector heeft tijd nodig. Wij hebben meer gegevens over de handhaving hiervan gevraagd. Wat heeft de overheid zelf gedaan om die plicht te handhaven? In de beantwoording weet de Staatssecretaris weinig meer te melden dan dat de NVWA bezig is een nalevingsrapportage op te stellen. Ja, me dunkt. Als we een verbod overwegen, mag de Kamer toch inzicht hebben in wat de overheid gedaan heeft aan de handhaving? Dit doet mij een beetje denken aan een Staatssecretaris die net een paar nieuwe schoenen gekocht heeft, constateert dat ze niet soepel lopen en daarom maar weer nieuwe koopt. Dan blijf je bezig. Ik vind dit zorgelijk. Dit is een verkeerd signaal richting sector en Ctgb. Gaat de Staatssecretaris inzetten op handhaving van de zuiveringsplicht? Dan lossen we ook het inhoudelijke probleem op.

Wij willen ook meer tijd voor monitoring. De vorige monitoringsrapportage van het Centrum voor Milieuwetenschappen (CML) was volgens het Ctgb gebaseerd op een te beperkte dataset en een te beperkte meetperiode. Daar komt bij dat de afgelopen maanden de gebruiksvoorschriften verder zijn aangescherpt. Het duurt gewoon even voordat de effecten terug te zien zijn in het oppervlaktewater, bijvoorbeeld omdat tuinders het recirculatiewater slechts een enkele keer per jaar verversen. De meetperiode is te beperkt. Gaat de Staatssecretaris zorgen voor een meetperiode van voldoende lengte, zodat we ook echt weten wat er gebeurt?

Ik sluit me aan bij de opmerkingen van mevrouw Lodders en de heer Geurts over het advies van de Raad van State ten aanzien van het verbod op particulier gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen op verhardingen. Ik verzoek de regering dat advies deze week naar de Kamer te sturen.

De heer Leenders (PvdA): Voorzitter. Voor ons is in ieder geval wél duidelijk dat imidacloprid ernstige gevolgen heeft voor de natuur. Wij willen van dat spul af, zeker nu ook nog eens blijkt dat na anderhalf jaar na het ingaan van de zuiveringsplicht de kwaliteit van het oppervlaktewater in bepaalde tuinbouwgebieden ernstig wordt bedreigd. Wij waren tevreden met de ambitie van de Staatssecretaris om het gebruik van imidacloprid in de tuinbouw te verbieden indien er in mei geen substantiële verbetering blijkt te zijn. Wij zijn niet blij met een eventueel verbod in specifieke gebieden. We hebben het toch anders gelezen. «In tuinbouwgebieden» is wat breder dan «in specifieke gebieden». Mijn buurman had het daar ook al over.

De heer Dijkgraaf (SGP): Daarover heb ik inderdaad precies een vraag. De Partij van de Arbeid mag van mening zijn dat imidacloprid verboden moet worden, maar een overheid kan niet zomaar alles doen. Er moet wel een wettelijke basis zijn om dat te doen. Wat is de wettelijke basis voor de PvdA-fractie? Of trekt de PvdA-fractie zich niks meer aan van de wet? Dat laatste kan toch niet het geval zijn?

De heer Leenders (PvdA): Wij trekken ons heel veel aan van de wet. Wij zijn ervan overtuigd dat de maatregelen die de Staatssecretaris voornemens is te nemen, gebaseerd zijn op de wet. Ik vermoed eerlijk gezegd ook dat de beperking tot specifieke gebieden, zoals in de brief is aangegeven, betrekking heeft op de juridische mogelijkheden. Daarmee loop ik echter een beetje vooruit op het antwoord van de Staatssecretaris, want dit is ook iets wat ik hem juist wilde vragen. Wij zijn daar namelijk niet zo blij mee. We hadden gedacht een verbod te krijgen in de tuinbouw indien er geen substantiële verlaging van de waterverontreiniging zou zijn.

De heer Dijkgraaf (SGP): In artikel 80a staat dat je dat in beschermde gebieden kunt doen, maar heel veel glastuinbouwgebieden zitten helemaal niet in beschermde gebieden. Wat is dan de wettelijke basis om dat te doen?

De heer Leenders (PvdA): Dat is dus de vraag die ik aan de Staatssecretaris wil stellen. Ik heb net al gezegd dat ik vermoed dat daarmee ook de verandering ten opzichte van de vorige keer wordt verklaard. Wat gebeurt er in gebieden die niet zijn aangewezen als beschermd gebied op grond van de Kaderrichtlijn Water, die waarschijnlijk de wettelijke basis is, maar waar wel de norm wordt overschreden? Waarom gaat de Staatssecretaris niet over tot een totaalverbod op imidacloprid als blijkt dat gebruikers zich niet aan de regels houden?

Om de berichten over de verkoopcijfers van landbouwgif konden we moeilijk heen na de berichtgeving van deze week. Er was enige ophef over de verschillen tussen verkoop- en gebruikscijfers. In de brief die vanochtend door de Staatssecretaris is verstuurd, staat een verklaring voor die verschillen. Ik lees in die brief dat de cijfers over afzet en verbruik bekend en verklaarbaar zijn. Ze worden gepubliceerd op de website compendiumvoordeleefomgeving.nl. Greenpeace stelt dat de jaarlijkse afzet van chemische gewasbeschermingsmiddelen moet worden gepubliceerd om sneller te kunnen reageren op risico's. Dat lijkt me een zinvolle opmerking, temeer omdat die oproep wordt gesteund door waterbeheerders en drinkwaterbedrijven, zoals ik heb gelezen in de Volkskrant van gisteren. Zij suggereren dat gegevens sneller beschikbaar moeten zijn, zodat die bijvoorbeeld in laboratoriumanalyses kunnen worden gebruikt. Is een enquête over gebruiksgegevens eens in de vier jaar voldoende? Moeten daarin ook gegevens over gebruik op andere terreinen worden meegenomen? Waarom wordt een middel als metam-natrium niet meegenomen in die enquête?

Ik heb nog een opmerking voor de andere Staatssecretaris over het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden buiten de landbouw. Wij maken ons zorgen over het uitstel en zijn daardoor zelfs erg teleurgesteld. Op welke punten moet dat besluit worden aangepast op grond van het advies van de Raad van State? Heeft dat bijvoorbeeld betrekking op de handhaafbaarheid van het besluit? Als dat zo is, is het dan niet mogelijk om verkoop aan particulieren gewoon te verbieden? Dan zijn we van het probleem van de handhaving af. Waarom kan het professioneel gebruik niet per 1 maart worden verboden? Ik begrijp namelijk dat dit wordt opgeschoven.

De motie-Leenders/Koşer Kaya over dit onderwerp wordt volgens ons wel erg dun uitgevoerd. Er is alleen een opsomming van wat er al gebeurt aan green deals et cetera. Er is in de tussentijd geen overleg geweest met relevante branches, voor zover wij hebben begrepen. Wij hebben vooral grote zorgen over de beschikbaarheid van alternatieve middelen. Misschien biedt het uitstel ruimte en is dat ook wel een voordeel. Een van de overwegingen in de motie is dat alternatieven als mechanische en thermische onkruidbestrijdingsmiddelen nog beperkt verkrijgbaar zijn in de detailhandel. Dat er al in belangrijke mate is ingesprongen op de behoefte om alternatieven aan te bieden, zoals in de brief van de Staatssecretaris staat, wagen wij te betwijfelen. Wat ons betreft moet er werk worden gemaakt van de ontwikkeling van alternatieven en van de beschikbaarheid daarvan in de detailhandel. Dat vraagt om meer dan nu gedaan is als gevolg van de motie. Is de Staatssecretaris bereid om met name dat deel van de motie toch nog wat voortvarender uit te voeren?

De heer Geurts (CDA): Heb ik goed gehoord dat de heer Leenders gegevens die volgens een verordening vertrouwelijk zijn, buiten de wet wil plaatsen? Zegt hij: we kijken niet naar de wet; die gegevens moeten gewoon gepubliceerd worden?

De heer Leenders (PvdA): Dat heb ik mijzelf niet horen zeggen en dat heb ik in ieder geval ook niet bedoeld. Ik weet niet waarop de heer Geurts precies doelt.

De heer Geurts (CDA): De heer Leenders zei net dat de cijfers openbaar en snel gepubliceerd moeten worden. Deze cijfers zijn echter vertrouwelijk volgens een Europese verordening. Punt. Met zijn opmerking zet hij de wet aan de kant. Dat lijkt mij niet de bedoeling. Daarnaast wil ik vragen of de heer Leenders ervan op de hoogte is dat de gebruikscijfers over gewasbeschermingsmiddelen van het CBS niet gebruikt worden, maar dat het gaat om de afzetcijfers door de overheid.

De heer Leenders (PvdA): Het antwoord op de eerste vraag is duidelijk: alles moet wel binnen de wet wat mij betreft. Wat betreft de tweede vraag: ik ben bekend met het verschil tussen de afzet- en gebruikscijfers. De gebruikscijfers worden een keer in de vier jaar gemonitord via een enquête door het CBS. Maar wat is nou precies de vraag?

De voorzitter: Kunt u dat even verduidelijken, mijnheer Geurts?

De heer Geurts (CDA): Er wordt gezegd dat die cijfers de wereld gaan redden. Maar die cijfers gaan de wereld helemaal niet redden. Het gaat om het gebruik en om het terugdringen van het gebruik; daar staat het CDA ook voor. De eenzijdige focus op cijfers, publicatie van cijfers en ga zo maar door, is niet onze keuze. Het gaat om het feitelijke gebruik en om wat dat betekent voor onze samenleving.

De heer Leenders (PvdA): Volgens mij heb ik in diezelfde lijn geredeneerd. Die cijfers moeten eerder bekend zijn – alles binnen de grenzen van de wet uiteraard – omdat bijvoorbeeld drinkwaterbedrijven en waterbeheerders dan kunnen anticiperen op eventualiteiten in die cijfers. Als je aan die cijfers ziet dat er problemen zijn, kunnen zij daarop anticiperen. Meer of minder heb ik niet gezegd.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. De schriftelijke vragen zijn niet allemaal even uitgebreid beantwoord. Ik zal daar omwille van de tijd later schriftelijk op terugkomen, want ik wil me vandaag allereerst richten op het bericht van Greenpeace dat de verkoop van glyfosaat vijf keer zo hoog is als aangenomen. Ik heb de brief van de Staatssecretaris minutieus gelezen. Ik ben geen professor, noch erg cijfermatig aangelegd, maar ik ga toch pogen een aantal vragen te stellen naar aanleiding van deze brief.

In de brief wordt aangegeven dat voor het effect van de gewasbeschermingsmiddelen op milieu en dieren niet uitgegaan moet worden van de gebruikscijfers van het CBS, maar van de afzetcijfers die beschikbaar zijn. Op zich begrijp ik dat. Gebruikscijfers zijn er een keer in de vier jaar. Afzetcijfers zijn jaarlijks beschikbaar. Staan er in de schuren van mensen die gebruik van deze middelen maken nog allerlei gewasbeschermingsmiddelen die niet gebruikt zijn? Ik neem aan dat bij zo'n enquête ook gevraagd wordt hoeveel iemand heeft gekocht en gebruikt. Wat niet is gebruikt, staat dan nog ergens. Zijn er gewasbeschermingsmiddelenbergen, zoals je vroeger boterbergen en graanbergen had? Ik kan dat niet helemaal nagaan, zeker niet als de Staatssecretaris vervolgens zegt dat de verkoop ook buiten Nederland plaatsvindt. Dat zal best zo zijn. Dat maakt het voor mij nog ingewikkelder om na te gaan hoeveel er is gekocht, gebruikt en nog in de schuren staat. Kan de Staatssecretaris daar duidelijkheid over geven?

De Staatssecretaris zegt dat een aantal zaken niet zijn meegenomen. Er is bijvoorbeeld geen enquête gehouden onder de professionele beheerders van onbeteelde terreinen, zoals industriegebieden en parkeerplaatsen, beheerders van recreatieterreinen en particuliere grondbezitters. Zo zijn er nog een paar niet-geënquêteerde onderdelen die het CBS niet heeft meegenomen. In hoeverre kunnen we uitgaan van zo'n enquête als we niet echt goed weten wat er is gebruikt, hoeveel er is gebruikt en door wie het is gebruikt? Ik weet dus ook niet of er inderdaad vijf keer zo veel is gebruikt of niet. Als je niet hebt onderzocht hoeveel er is gebruikt, kun je ook niet zeggen dat er vijf keer zo veel is gebruikt. Is de Staatssecretaris bereid onderzoek te doen naar de door het CBS niet-geënquêteerde gebruikers, van wie we dus niet weten hoeveel ze hebben gebruikt? Is hij bereid om dat onderzoek naar de Kamer te sturen, zodat we echt op basis van gegevens en cijfers met elkaar kunnen debatteren en niet op basis van «een deel is in het buitenland gekocht, een deel is niet meegenomen, maar het is allemaal goed, dus slaapt u lekker verder»? Is hij bereid hier onderzoek naar te doen?

De heer Grashoff (GroenLinks): Voorzitter. Ik begin met imidacloprid. Daarna kom ik op het particuliere gebruik van glyfosaat. Tot slot kom ik op de brief over de verschillende cijfers.

Wat betreft imidacloprid moeten we vaststellen dat er in de tussentijd een wat wonderlijke beweging optreedt. Aan de ene kant zegt de Staatssecretaris: ik ben er nu wel klaar mee en neem een besluit tot een verbod. Zo heb ik dat de vorige keer in ieder geval geïnterpreteerd. Ik was toen vrij duidelijk volgens mij. Wat mij betreft had het wel sneller gemogen. De sector heeft meer dan voldoende tijd gehad om zich gewoon aan de regels te houden. Elke burger en elk bedrijf moet zich aan de regels houden. Dan moet de glastuinbouw dat ook doen. Dat lijkt met helemaal niet raar. Sommigen hier lijken dat wel raar te vinden, maar dat vind ik dan weer raar. Ik zie nu dat de Staatssecretaris zich terugtrekt uit de situatie door te zeggen dat hij dit gaat doen als er sprake is van beschermde gebieden in het kader van de drinkwatervoorziening. Dat is een enorme inperking. Dat vind ik buitengewoon jammer. Kan de Staatssecretaris mij vertellen of hij zich op juridisch glad ijs bevindt of niet? Ik vind dat relevant om te weten. Waarom is er voor deze inperking gekozen? Ik vind die namelijk niet logisch, want de kritiek op imidacloprid is in hoge mate ecologisch van aard. Ik kan me eerlijk gezegd niet voorstellen dat er geen juridische basis zou zijn om in te grijpen bij een 100%-normoverschrijding met ernstige schade voor de natuur.

Een lichtpuntje in dezen is dat de Staatssecretaris met zoveel woorden aangeeft dat hij verwacht dat het Ctgb, als die normoverschrijding niet teruggebracht wordt, zelfstandig zal beslissen tot het aanscherpen van gebruiksvoorschriften of het intrekken van de mogelijkheid van gebruik. Waar baseert de Staatssecretaris dat op? Is er overleg geweest met het Ctgb? Het zou goed zijn als het Ctgb de fluwelen handschoenen uit zou doen en wat harder zou optreden. Het heeft daar immers de bevoegdheid toe. Heb ik dat goed begrepen?

De Staatssecretaris zegt dat hij zich er niet op vastpint met welk percentage de normoverschrijdingen moeten teruglopen vooraleer hij een beslissing neemt. Op een bepaalde manier kan ik daar de wijsheid wel van inzien. Is de Staatssecretaris het met mij eens dat er gewoon uitzicht moet zijn op het binnen een redelijke termijn geheel voldoen aan de norm? Ik doel dan gewoon op de norm die gesteld is voor oppervlaktewater, niet op de norm in de sfeer van de drinkwatervoorziening. Er is een norm en daar moeten wij ons aan houden. Kan de Staatssecretaris aangeven binnen welke termijn er aan de norm voor oppervlaktewater voldaan moet worden en hoe hij dat gaat bereiken? Gaat dat via een verbod of via handhaving? In de richting van de heren Geurts en Dijkgraaf, die hier bovenop zitten, wil ik opmerken dat het doel is om op zo kort mogelijke termijn te voldoen aan de norm. Het middel is niet het doel; dit is het doel.

Ook ik ben buitengewoon benieuwd naar het advies van de Raad van State over de particulieren. Er wordt wel op gepreludeerd, maar het kan blijkbaar niet vrijgegeven worden. Dat vind ik vreemd. De Staatssecretaris kan er bijna uit citeren, maar wij mogen het niet hebben omdat het vertrouwelijk is. Graag zie ik dat z.s.m. naar de Kamer komen. Mocht het verstandig zijn om vanwege de juridische houdbaarheid het verbod voor particulieren even los te knippen van dat voor professioneel gebruik, dan ben ik daar niet blij mee, maar lijkt me dat verstandig. Is de Staatssecretaris van plan om het verbod zo dicht mogelijk bij het verbod op professioneel gebruik van 1 maart door te zetten? Is hij voornemens om zo snel mogelijk daarna wel degelijk te komen tot een verbod voor particulieren? Zou het daarbij een begaanbare weg zijn om het verbod voor particulieren niet alleen voor verhardingen maar ook voor het groen te laten gelden? Dan nemen de handhaafbaarheid en de mogelijkheden die we hebben om daar bijvoorbeeld samen met de tuinbranche op te sturen aanzienlijk toe. Dat zou winst kunnen zijn. Ook al kost het een paar maanden uitstel, het kan dan wel in een keer voor het hele particuliere gebruik gedaan worden. Is dat geen aardige suggestie?

De voorzitter: U dient af te ronden.

De heer Grashoff (GroenLinks): Ik wil tot slot nog ingaan op de afzetcijfers. Ik ben blij dat wij het beleid niet baseren of de gebruikscijfers, maar op de afzetcijfers, als ik het goed begrijp. Anders zouden we onszelf echt te rijk rekenen. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe hij de leemte van de gebruikscijfers gaat vullen? We voeren nu namelijk beleid op arme informatie.

De vergadering wordt van 15.18 uur tot 15.29 uur geschorst.

De voorzitter: De twee termijnen van de Kamer zijn achter de rug. Nu gaan we luisteren naar de tweede termijn van de Staatssecretarissen van Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu. Ik geef als eerste het woord aan de Staatssecretaris van EZ. Kan hij, net als zijn voorgangster en huidige buurvrouw, met blokjes werken? Als hij een andere manier van werken heeft, kan dat natuurlijk ook, maar dan horen we dat graag. Ik stel voor dat de Kamerleden in totaal, voor beide Staatssecretarissen dus, twee interrupties hebben aan het einde van ieder blokje. Zij dienen dus zuinig om te gaan met hun interrupties.

Staatssecretaris Van Dam: Voorzitter. Ik was eigenlijk van plan om van de hak op de tak te springen, maar omdat u het vraagt, zal ik het toch maar in blokjes indelen. Ik begin met het nieuws van Greenpeace over de afzetcijfers. Daarna kom ik op de Europese agenda, op imidacloprid en op de overige vragen.

Greenpeace bracht nieuws naar buiten over afzetcijfers die hoger zijn dan gebruikscijfers. Ik heb de Kamer daar een brief over gestuurd. Daarin heb ik kort aangegeven wat wij daarover kunnen zeggen. Voor het beleid rond het effect van gewasbeschermingsmiddelen op de belasting van het milieu en het dier wordt al uitgegaan van de afzetcijfers. Greenpeace suggereerde dat dit niet zo zou zijn, maar dat is wel zo. Dat geldt ook voor de doorrekeningen van bijvoorbeeld het Planbureau voor de Leefomgeving. Er worden daadwerkelijke metingen gebruikt, bijvoorbeeld in de bestrijdingsmiddelenatlas, om de waterkwaliteit te meten. Dat is niet onbelangrijk, want dat is uiteindelijk waar het echt om gaat, niet om hoeveel gewasbeschermingsmiddelen er worden gekocht of hoeveel boeren en tuinders zeggen ervan te gebruiken. Dat is natuurlijk wel relevant om een beeld te krijgen, maar het relevantst is om te weten wat er uiteindelijk in het milieu terechtkomt. Dat is namelijk waar we op sturen om milieu- en waterkwaliteit te beschermen.

Bij imidacloprid gaat het om normoverschrijding in het oppervlaktewater. Verschillen tussen afzet en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn niet nieuw. Die worden al jarenlang geconstateerd. Dat kan in het algemeen worden verklaard uit de heel verschillende systematiek die ten grondslag ligt aan het verkrijgen van data. Er worden andere bronnen gebruikt, zoals ik ook heb toegelicht in de brief van vandaag. Er is een groot verschil tussen gebruikscijfers die gebaseerd zijn op een enquête of afzetcijfers die gebaseerd zijn op harde verkoopgegevens. Dit speelt niet alleen in Nederland. Dit zien we ook in de rest van Europa. Het verschil tussen afzet- en gebruikscijfers is dus niet uniek.

De gebruikscijfers van het CBS bestaan uit twee componenten, de landbouwenquête en een enquête onder niet-landbouwgebruikers, zoals overheden en ProRail. Er is geen enquête gehouden onder de professionele beheerders van onbeteelde terreinen, bijvoorbeeld industriegebieden en parkeerplaatsen, beheerders van recreatieterreinen en particuliere grootgrondbezitters. Dat kan met name een verklarende factor zijn voor de grote verschillen tussen het gebruik en de afzet van de werkzame stof glyfosaat, want dat wordt vaak in die context gebruikt. De landbouwenquête van het CBS bevat geen gegevens over gewasbeschermingsmiddelen voor zaadbehandeling. Dat kan bijvoorbeeld weer een verklaring zijn voor het verschil tussen gebruiks- en afzetcijfers bij imidacloprid. Nattegrondontsmetting of metam-natrium, wordt niet meegenomen in de gebruikscijfers omdat de NVWA door de meldplicht beschikt over veel nauwkeuriger gegevens.

Enkele leden vroegen naar het openbaar maken van gegevens. Het betreft vertrouwelijke gegevens die op grond van de Europese statistiekverordening uitsluitend voor statistische doeleinden mogen worden gebruikt. Die gegevens mogen op basis van de mededingingsregelgeving niet zomaar openbaar worden gemaakt, omdat het bedrijfsvertrouwelijke informatie betreft. De vertrouwelijke gegevens die door Greenpeace openbaar zijn gemaakt, waren wel bij meerdere partijen bekend, maar hadden niet op straat mogen belanden. Om er zeker van te zijn dat dergelijke informatie bij de overheid in ieder geval veilig wordt bewaard en slechts waar nodig veilig wordt gedeeld, laat ik nagaan of er sprake kan zijn geweest van mogelijke inbreuken op de informatiebeveiliging bij mijn departement, dan wel bij onderliggende diensten.

Mevrouw Koşer Kaya vroeg naar een aantal zaken die niet zijn meegenomen in de enquêtes. Ik heb net aangegeven dat dit klopt. Een enquête blijft desalniettemin een heel nuttige aanvulling. Je moet echter altijd in beeld houden dat gebruiksenquêtes niet alle gebruikers afdekken en dat het gewoon een enquête blijft. Je vult zelf ook weleens een enquête in. Dan geef je niet altijd een realistisch beeld van wat je daadwerkelijk doet. Enquêtes zijn een nuttige aanvulling op het instrumentarium, maar ze geven nooit een volledig beeld van wat er daadwerkelijk gebeurt.

Ik meen dat ik in de richting van de leden Koşer Kaya en Dijkgraaf al voldoende heb gezegd over het effect op het milieu. Is een enquête eens per vier jaar wel genoeg? Zoals ik al zei maken we bij het berekenen van het effect op het milieu gebruik van de afzetcijfers. Op basis daarvan wordt een worstcasescenario voor het gebruik meegenomen. Daarom is een enquête eens per vier jaar voldoende.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Als ik het goed begrijp zegt de Staatssecretaris dat het niet zoveel uitmaakt hoeveel er verkocht is en op basis van de enquête verbruikt lijkt te zijn, omdat we uitgaan van wat er in het milieu terecht is gekomen. Begrijp ik dat goed?

Staatssecretaris Van Dam: We gaan van twee dingen uit. We meten wat we daadwerkelijk in het milieu aantreffen. We kijken dus naar de waterkwaliteit. Dan zien we welke schadelijke stoffen er in het water zitten. Dat is belangrijk om een beeld te hebben van wat er in het milieu terechtkomt. Dat is waar we op sturen. Daarnaast wordt er uitgegaan van afzetcijfers. Bijvoorbeeld het Planbureau voor de Leefomgeving gaat daarvan uit, maar we gebruiken de afzetcijfers ook voor het beleid inzake het effect van gewasbeschermingsmiddelen. Die geven namelijk een soort worstcasescenario: als alles wat is verkocht in het milieu terechtkomt, dan weet je ongeveer wat de schade is. Voor de ontwikkeling van beleid en voor het in beeld brengen daarvan wordt al uitgegaan van de afzetcijfers. Dat zijn de twee elementen waarop we ons beleid baseren, veel meer dan op wat gebruikers via een enquête zeggen te gebruiken. Het is veel belangrijker om te zien wat er echt in het milieu terechtkomt.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Hoe kan het dan dat een heel gebied waar dit soort middelen gebruikt worden, niet wordt meegenomen in de enquête? Dat heb je toch nodig om te kunnen zeggen dat je alle cijfers naast elkaar kunt leggen? Moet daar geen onderzoek naar worden gedaan, om precies te weten wat er gekocht is en waar dat blijft? Kennelijk wordt er wel meer gekocht dan gebruikt. Dat moet toch ergens in een schuurtje ofzo terechtkomen? Daarnaast zegt de Staatssecretaris dat de cijfers niet naar buiten hadden mogen komen. Maar Greenpeace heeft ze wel. Hij zei dat hij op zijn departement zal nagaan wat dit betekent. Hoor ik hem nou zeggen dat er vanuit het departement gegevens zijn verstrekt die niet hadden mogen worden verstrekt?

Staatssecretaris Van Dam: De eerste vraag is of we zicht moeten hebben op wat wordt verkocht en wat wordt gebruikt. Het CBS brengt op basis van enquêtes in beeld hoeveel middelen er landbouwkundig en niet-landbouwkundig gebruikt worden. Dat betekent dat je mensen vraagt hoeveel zij gebruiken. Mensen verstrekken dan gegevens. Ik zei al dat dit niet altijd betekent dat je een reëel beeld krijgt van hoe het gebruik daadwerkelijk is. Het is een enquête en met het afnemen daarvan krijg je niet altijd het precieze beeld. Daarnaast zitten niet alle gebruikers in de groep geënquêteerden. Als beleidsinformatie is dus relevant wat er wordt verkocht, en niet wat allerlei gebruikers zeggen dat ze gebruiken. Dan weet je namelijk hoeveel er beschikbaar is. Natuurlijk blijven middelen weleens op de plank staan, want niet alles wat verkocht wordt, wordt daadwerkelijk gebruikt. Bij het vormen van beleid moeten we er echter van uitgaan dat wat verkocht wordt ook daadwerkelijk gebruikt zal worden. Daarnaast meten we wat er daadwerkelijk in het milieu terechtkomt. Dat zegt namelijk veel meer over wat er in werkelijkheid gebruikt wordt dan enquêtes die onder gebruikers worden afgenomen. Dat zijn voor ons de twee belangrijkste pilaren om het beleid op te baseren. Daar geven de enquêtes dus een goede aanvulling op.

De tweede vraag van mevrouw Koşer Kaya gaat over bedrijfsvertrouwelijke gegevens die door de overheid zijn verzameld. Die zijn verzameld voor statistische doeleinden op basis van de Europese verordening en die mogen op basis van die verordening en op basis van mededingingsregelgeving niet openbaar gemaakt worden. Dat betekent niet dat de gegevens niet met direct betrokkenen gedeeld kunnen worden, zolang dat past binnen de vertrouwelijkheid die betracht moet worden. Deze gegevens waren in bezit van de overheid, onder andere bij de NVWA en het departement, maar ook bij een aantal aangelegen organisaties. Ik vind dat wij horen te onderzoeken of deze gegevens die naar buiten zijn gekomen terwijl dat niet had gemogen, bij ons vandaan komen. De informatiebeveiliging wordt dus in beeld gebracht. Er wordt bekeken of deze gegevens bij ons vandaan kunnen zijn gekomen, en zo ja, waarvandaan dan. Als vertrouwelijke gegevens op straat belanden, heb je de plicht om te onderzoeken hoe dat gegaan is, voor zover je daar zelf mee te maken hebt gehad. De gegevens zijn gedeeld, dus zij kunnen ook bij andere organisaties vandaan komen. Ik ga er daarom van uit dat zij zelf ook een dergelijk onderzoek zullen doen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Dat is nogal fors. Ik neem aan dat de resultaten van dat onderzoek snel naar de Kamer komen. Op welke termijn gaat de Staatssecretaris dat doen? Die gegevens kunnen verzameld worden. Waarom zou dat het mededingingsrecht raken?

Staatssecretaris Van Dam: De verzamelde gegevens worden allang openbaar gemaakt. Dat heeft de heer Dijkgraaf ook aangegeven.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Volgens mij is dat niet helemaal juist, maar ik kom daar later op terug.

Staatssecretaris Van Dam: Op geaggregeerd niveau.

De voorzitter: Mevrouw Koşer Kaya, het staat u vrij om uw tweede interruptie al te gebruiken, maar dan bent u die ook meteen kwijt.

De heer Geurts (CDA): Ik heb een punt van orde. Mevrouw Koşer Kaya vroeg of de uitkomsten van dat onderzoek naar de Kamer komen. Daar heb ik de Staatssecretaris nog niets over horen zeggen.

Staatssecretaris Van Dam: Vanzelfsprekend, op het moment dat wij daar een beeld van kunnen hebben. Dit betreft een standaardprocedure. Als je waarneemt dat het gaat om vertrouwelijke gegevens die bij ons beschikbaar waren en die door ons, de NVWA in dit geval, verzameld zijn, dan is het een standaardprocedure om te onderzoeken of het van ons uit op straat is beland. Als het antwoord daarop ja is, zal ik de Kamer daarover vanzelfsprekend informeren, net als over de stappen die dan worden gezet. Als we het niet kunnen aantonen, kan ik de Kamer daar ook over informeren. Het is echter niet zo bijzonder als mevrouw Koşer Kaya deed voorkomen. Het is normaal dat je dit onderzoekt.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Dit is wel uitlokking. Wanneer komt dat onderzoek dan naar de Kamer?

Staatssecretaris Van Dam: We hebben het vanzelfsprekend meteen in gang gezet. Ik kan niet zeggen wanneer het is afgerond. Het moet gewoon goed gebeuren.

Ik kom op de vraag van mevrouw Lodders over de Europese harmonisatie en het gelijke speelveld. We hebben in eerste termijn al besproken dat het creëren van een gelijk Europees speelveld voor toelatingshouders en voor agrarische ondernemers een speerpunt is voor mij. Ik deel die ambitie dus met mevrouw Lodders. Wij doen dit door harmonisatie van de toelatingsbeoordeling na te streven. Bij noodsituaties in de land- en tuinbouw op het gebied van gewasbescherming kan ik vrijstellingen verlenen, maar in principe proberen we de toelating te harmoniseren, zodat er voor toelatingshouders en agrarische ondernemers voorspelbaarheid is.

Verder zet ik me ook in voor het ontwikkelen en invoeren van zogenaamde guidancedocumenten, richtsnoeren, die de beoordeling in Europa verder harmoniseren en het Europese toetsingskader handvatten geven. Het Ctgb ondersteunt die lijn. Het heeft in 2015 al vier workshops met Europese toelatingsautoriteiten georganiseerd, bijvoorbeeld over de beoordeling van effecten voor vogels en zoogdieren. Het Ctgb heeft ook aangegeven dat het bij de beoordeling van middelen drie nationale specifieke situaties onderscheidt, waarin Nederland afwijkt van de Europese lijn. Dat is juridisch mogelijk met het oog op deze specifieke situatie. Dan moet men bijvoorbeeld denken aan de uitspoeling van gewasbeschermingsmiddelen naar het grondwater, omdat Nederland met een relatief hoge grondwaterstand in combinatie met een intensief gebruik van het grondwater hiervoor kwetsbaar is.

Mevrouw Lodders vroeg of ik bereid ben voor de zomer een voortgangsrapportage over die inzet in Europa te sturen. Ik ben daartoe bereid. Ik zal daarin ook de voortgang wat betreft de laagrisicomiddelen meenemen. Mevrouw Lodders vroeg ook naar het flexibele label. De beschikbaarheid van laagrisicomiddelen is een van de speerpunten van het Nederlands voorzitterschap. Zij weet dat wij daar in Nederland sterk op inzetten. In de door Nederland opgezette EU-expertgroep wil ik de Nederlandse suggesties inbrengen over de versnelde toelating van de zogeheten groene laagrisicomiddelen. Op 3 februari heeft er een dialoog over gewasbeschermingsmiddelen plaatsgevonden waarbij we alle betrokken partijen – toelatingshouders, agrarische ondernemers en koepelorganisaties, maar ook de natuur- en milieuorganisaties – rond de tafel hadden. Daarbij hebben we afspraken gemaakt om de gewasbescherming nog sneller te verduurzamen en om gezamenlijk een aantal pilots op te zetten. Het Ctgb gaat in dat kader onderzoeken wat mogelijk is om de beoordeling van de werkzaamheid van laagrisicomiddelen te versnellen.

De heer Wassenberg vroeg of wij bij de stemming over de toelating van glyfosaat, op 7 maart, gaan tegenstemmen. Wij baseren ons stemgedrag in het Standing Committee op het advies van de EFSA, die stoffen beoordeelt, en de risicobeoordeling van het Ctgb. Als deze autoriteiten tot de conclusie komen dat goedkeuring en toelating mogelijk is na beoordeling op grond van het recentste toetsingskader en de wetenschappelijke stand van zaken, dan volgen wij dat advies.

De voorzitter: De heer Wassenberg heeft zich verontschuldigd vanwege plenaire verplichtingen, maar het team van de Partij voor de Dieren luistert uiteraard mee.

Mevrouw Lodders (VVD): Ik dank de Staatssecretaris voor de toezegging dat de voortgangsrapportage in ieder geval voor de zomer komt. Ik heb nog niet duidelijk gehoord of het variabele label tot de mogelijkheden gaat behoren. Ik hoor de Staatssecretaris ook zeggen dat er op 3 februari gesproken is over verdere verduurzaming. Dat is prima, want die ambitie is altijd heel waardevol. Verdere verduurzaming wil echter niet zeggen dat het alleen kan leiden tot een verbod op middelen. Dat zien we in de afgelopen jaren eigenlijk te vaak. Door die verboden moet worden teruggegrepen op oudere middelen, die schadelijker zijn voor het milieu. Ik hoop dat die afweging wel degelijk gemaakt wordt.

Staatssecretaris Van Dam: Het gaat bij de verduurzaming van gewasbeschermingsmiddelen om de beschikbaarheid van groene laagrisicomiddelen en geïntegreerde gewasbescherming, waarbij het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen als last resort een optie is, maar waarbij vooraf wordt geprobeerd te voorkomen dat dit nodig gaat zijn. Er worden allerlei stappen eerder ingebouwd, waardoor het gewas op een natuurlijker manier beschermd wordt. Die zaken horen nadrukkelijk bij elkaar. Juist de toelating van meer laagrisicomiddelen en het versnellen van de toelating daarvan, horen bij die ambitie. Er zullen meer van dergelijke middelen op de markt moeten komen om in die verduurzamingsopgave te slagen.

Mevrouw Lodders vroeg ook naar het variabele label. Ik hoop dat zij mij toestaat dat ik in de voortgangsrapportage uitgebreider terugkom op de mogelijkheden die daarvoor bestaan.

Mevrouw Lodders (VVD): Zeker, want het is nogal technisch. Misschien moet ik ook niet verwachten dat ik daar vandaag al een toezegging op krijg. Ik denk echter wel dat het een belangrijke stap is. Ik hoop dus dat er tijdig naar gekeken wordt. De ambitie van geïntegreerde gewasbescherming delen wij. Het is misschien in dit verband niet helemaal het goede voorbeeld, maar we zien bij glyfosaat dat de milieu-impact op andere doelen echt slechter wordt als we zo'n verbod doorvoeren. Daar ben ik in dit kader ook erg bang voor, omdat we daar voorbeelden van hebben gezien. Ik kijk echter uit naar de voortgangsrapportage van de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Dam: Wij komen op die labeling uitgebreid terug in de voortgangsrapportage. Ik had al toegezegd dat die voor de zomer komt.

De heer Grashoff (GroenLinks): De Staatssecretaris meldde dat het Ctgb op basis van de Europese regelgeving voor de Nederlandse situatie specifiek het argument van belasting van het grondwater kan gebruiken. In Nederland hebben wij, met name in de lagere gebieden, één waterspiegel. Op de ene plek heet dat oppervlaktewater en op de andere grondwater. Die staan aan de slootkant letterlijk met elkaar in verbinding. Afhankelijk van of het veel of weinig geregend heeft, is de grondwaterspiegel onder de grond hol of bol, maar verder is het eigenlijk één grondwaterspiegel met uitwisseling. In met name de poldergebieden kan het Ctgb evengoed het argument van de belasting van het oppervlaktewater als criterium nemen. Dan kan het Ctgb ook normoverschrijdingen in het oppervlaktewater meenemen in de afweging om tot een geheel of gedeeltelijk verbod te komen.

Staatssecretaris Van Dam: Ik kom later nog even terug op de specifieke situaties die het Ctgb hanteert. Op een drietal lijnen wijkt het Ctgb namelijk af van de Europese regelgeving. Dat mag ook vanwege de specifieke Nederlandse situatie. Ik heb als voorbeeld de druk op het grondwater en het intensieve gebruik van het grondwater genoemd. Daardoor kijkt het Ctgb strenger naar het terechtkomen van middelen in het grondwater dan men mogelijk in andere landen doet. Ik denk dat dit ook relevant is voor het level playing field, al vraagt de heer Grashoff daar minder vaak naar dan sommige andere leden. Het is relevant om te weten dat het Ctgb in sommige opzichten strenger is dan andere landen, juist vanwege de intensiviteit waarmee wij het grondwater gebruiken. Ik kan die andere uitzonderingsgronden er aan het eind van mijn termijn wel even bij halen, als de heer Grashoff dat wil.

De voorzitter: Ctgb staat voor College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Ik zeg het maar even voor de mensen die dit debat volgen. Gaat u akkoord met het voorstel, mijnheer Grashoff?

De heer Grashoff (GroenLinks): Ik wacht het af.

De voorzitter: Dan gaan we nu luisteren naar het blokje over imidacloprid.

Staatssecretaris Van Dam: In eerste termijn hebben we gesproken over de risico's van imidacloprid voor het milieu. Dan gaat het in het bijzonder om risico's voor bijen en insecten, maar ook om risico's voor in en om het water levende organismen. Als imidacloprid in het oppervlaktewater terechtkomt, zijn er grote risico's voor de insecten in en om het water, en vanzelfsprekend ook voor de rest van de voedselketen.

De heer Geurts vroeg om onderbouwing van die schadelijke effecten. Zoals de heer Geurts weet, beoordelen de EFSA en het Ctgb studies in het kader van de toelating van werkzame stoffen en middelen. Daarbij worden de risico's beoordeeld conform het toetsingskader. De studies over het gedrag van de werkzame stof in het terrestrisch en aquatisch milieu laten na die toetsing grote risico's zien. Die risico's kun je mitigeren, maar bij imidacloprid in het oppervlaktewater kan dat slechts met volledige zuivering van het afvalwater. Die studies zijn onderdeel geweest van de beoordeling door de EFSA en het Ctgb. Het Ctgb heeft die risico's van het begin af aan in beeld gebracht. Er is geen discussie over het risico dat deze stof met zich meebrengt, zeg ik tegen de heer Geurts. Je moet ervoor zorgen dat die niet in het milieu terechtkomt. Het gaat daarbij om het directe risico voor insecten en bijen. Er zijn voorwaarden voor de wijze van toebrengen, net als voor de andere neonicotinoïden, zeker in het open veld. Dergelijke stoffen mogen ook niet op alle gewassen gebruikt worden, vanwege de risico's voor bijen. Het Ctgb heeft aangegeven dat de risico's van imidacloprid in oppervlaktewater vergen dat afvalwater van de glastuinbouw wordt gezuiverd.

Ik zal de tijdlijn hiervan aangeven. Op 30 januari 2014 heeft het Ctgb al het gebruiksvoorschrift voor middelen op basis van imidacloprid aangepast. Vanaf toen was een toelating in de glastuinbouw alleen nog mogelijk als een zuiveringsplicht van emissiewater uit kassen werd voorgeschreven. Die is per mei 2014 ook wettelijk in werking getreden. Op 7 juli 2015 heeft het Ctgb het gebruiksvoorschrift nader aangepast. De middelen mogen alleen gecontroleerd gedistribueerd worden. Je moet dus aantonen dat je het afvalwater zuivert, voordat je het mag kopen. Dat is op 8 augustus 2015 in werking getreden. Op 25 november is het gebruiksvoorschrift voor middelen op basis van imidacloprid nog verder aangepast, waardoor ongezuiverde lozing op oppervlaktewater of riool niet meer is toegestaan. Dat blijkt ook duidelijk uit de etikettering.

Sommigen vroegen of dit niet te kort is. Al meer dan twee volledige teeltseizoenen is duidelijk dat je imidacloprid niet mag gebruiken zonder het afvalwater te zuiveren. Desondanks blijven de normoverschrijdingen onverminderd hoog, in het bijzonder in de gebieden waar de glastuinbouw zit. Er zijn teelten, bijvoorbeeld de bloembollenteelt, waar we lagere normoverschrijdingen zien, maar in de glastuinbouw zijn de overschrijdingen nog steeds zeer hoog. Daarin treedt ook geen verbetering op. Kennelijk worden de gebruiksvoorschriften onvoldoende nageleefd of met onvoldoende effect. De schade voor het milieu die voorkomen zou moeten worden, wordt niet voorkomen. Daarom heb ik aan het Ctgb gevraagd wat dit betekent. De Kamer heeft terecht aangegeven dat het Ctcg de eerste verantwoordelijkheid heeft, omdat het de beoordeling doet voor toelating of intrekking daarvan. Het Ctgb heeft aangegeven dat het na afloop van dit teeltseizoen en na ommekomst van de gegevens tot en met maart van dit jaar – die gegevens komen eind mei beschikbaar – zal herbeoordelen of de toelating overeind kan blijven. Het zal dan dus ook afwegen of het de toelating moet intrekken. Ik ga ervan uit dat, als de normoverschrijdingen ook dit teeltseizoen onveranderd blijven, het Ctgb tot die beslissing zal komen. Het Ctgb heeft niet voor niets die herbeoordeling aangekondigd. Mocht het Ctgb om wat voor reden dan ook niet kunnen of niet willen ingrijpen op die toelating, dan heb ik het volgende achter de hand. Ik bereid alvast een AMvB voor om een gebruiksverbod in te stellen in specifieke gebieden. Dat hebben we steeds aangegeven. Omdat de normoverschrijdingen zo hoog zijn in de glastuinbouwgebieden kijken we daar vanzelfsprekend naar. Verschillende leden hebben terecht opgemerkt dat de juridische onderbouwing daarvan nauw luistert. Je moet uitgaan van wat er op basis van de Europese richtlijn mogelijk is. Er werd terecht naar de Kaderrichtlijn Water verwezen in het kader van de kwetsbare gebieden. Dit wordt vanzelfsprekend allemaal zeer zorgvuldig voorbereid. We gaan uit van de gebieden waar de normoverschrijdingen het hoogst zijn, in de glastuinbouw dus. Dat is de basis die we hebben om dat gebruiksverbod te kunnen instellen.

Volgens mij heb ik alle vragen over dit onderwerp beantwoord. Als ik er een ben vergeten, wordt dat vast gemeld en kan ik er specifiek nader op ingaan.

De heer Dijkgraaf (SGP): Ik denk dat ik mijn interrupties allebei ga gebruiken, voorzitter. De Staatssecretaris hangt alles op aan de gebruiksvoorschriften. Die zijn volgens hem onvoldoende nageleefd. Door mij en door andere Kamerleden is stelselmatig gevraagd wat de overheid heeft gedaan aan handhaving. Hoeveel bedrijven zijn de zuiveringsplicht aantoonbaar niet nagekomen in 2015? Hoe verhoudt zich dat tot de enkele en eenmalige overtreding die in 2014 is vastgesteld conform het jaarverslag van het NVWA handhavingsonderzoek 2015 en het meerjarig nationaal controleplan? De overheid stelde een zuiveringsplicht in en heeft één overtreding vastgesteld in 2014. Hoeveel waren dat er in 2015?

Staatssecretaris Van Dam: Dat wordt in kaart gebracht in de nalevingsrapportage. Dat staat ook in de brief. Daarom heb ik de NVWA ook om een nalevingsrapportage gevraagd. Die gaat ook naar het Ctgb. Het Ctgb kan die gebruiken bij zijn herbeoordeling van de toelating. Overigens heb ik in eerste termijn ook aangegeven dat de NVWA gericht kan inspecteren bij de bedrijven waarbij nu wordt vastgesteld dat ze het middel hebben gekocht in Nederland en daarbij hebben moeten aantonen dat zij aan waterzuivering doen. De handhaving heeft de verkoopgegevens van de groothandelaren vanaf 2014 opgevraagd. Er is gecontroleerd bij een selectie van die glastuinbouwbedrijven op de vraag of er geloosd wordt op oppervlaktewater. Dat is ook in 2015 gebeurd. Naar aanleiding van de verandering in november 2015 zijn ook specifiek namen van afnemers opgevraagd die specifiek worden gecontroleerd. Dat gaat allemaal om bekende afnemers. Het ligt natuurlijk ingewikkelder bij de controle in het algemeen. De heer Leenders vroeg of je meteen in overtreding bent als het middel bij een controle wordt aangetroffen. Ik heb al eerder aangegeven dat dit niet het geval is. Je mag het middel wel in bezit hebben, maar niet gebruiken en daarna je afvalwater lozen. Dat laat meteen zien waarom de handhaving behoorlijk ingewikkeld is. Dit geeft voor de NVWA wel een indicatie dat een bedrijf vaker bezocht moet worden om te bezien of het middel niet daadwerkelijk gebruikt wordt. Al dit soort dingen komen in de nalevingsrapportage die de NVWA opstelt en die ter beschikking wordt gesteld aan het Ctgb, en die het Ctgb kan gebruiken in zijn afweging.

De heer Dijkgraaf (SGP): Dan zal ik het antwoord maar geven, want de Staatssecretaris wil het blijkbaar niet geven. Ook in 2015 was het één keer. In 2014 was het ook één keer. Ik hoor dat er ambtelijk «nee» wordt gezegd. Dan is het antwoord blijkbaar bekend. Dan hoor ik dat graag. Of het is niet bekend, of het is één. Wij hebben als Kamer al heel vaak naar het cijfer gevraagd. En wanneer krijgen wij dat cijfer? Als het debat achter de rug is. Dat is toch geen informatievoorziening aan de Kamer? Zo'n simpel cijfer kan toch gewoon naar de Kamer komen? Wat betekent het dat er in beide jaren onvoorstelbaar weinig overtredingen van de zuiveringsplicht zijn vastgesteld? Waarom schiet de Staatssecretaris gelijk door naar een verbod? Ik vind dat een actie van een onzorgvuldige overheid.

Staatssecretaris Van Dam: Als het cijfer nu al bekend was, had ik dat gegeven, maar er lopen nog onderzoeken naar aanleiding van bedrijfsbezoeken die vorig jaar hebben plaatsgevonden. We zijn dus nog in afwachting van wat daar uitkomt. Dat komt allemaal in de nalevingsrapportage. De heer Dijkgraaf wijst precies op een van de moeilijkheden bij de gebruiksvoorschriften die door het Ctgb zijn vastgesteld. Kijkend naar de normoverschrijdingen kan het niet anders dan dat imidacloprid gebruikt wordt op een manier die niet past bij de gebruiksvoorschriften. Het is alleen ongelooflijk moeilijk om vast te stellen door wie en waar dat gebeurt. Als dat makkelijker was, waren er veel meer overtredingen geconstateerd. Een van de moeilijkheden betreft de handhaafbaarheid van het voorschrift. Dat zal het Ctgb erbij betrekken. Het Ctgb heeft in de toelating gebruiksvoorschriften opgenomen, ervan uitgaande dat die gebruiksvoorschriften goed kunnen worden gehandhaafd. Dat is een van de dingen waarop de NVWA moet terugkoppelen: in hoeverre is het mogelijk om de handhaving goed uit te voeren? Dat is een overweging voor het Ctgb om te zeggen dat het de toelating gaat herbeoordelen. Ik benadruk nog maar eens dat niet ik heb gezegd dat die toelating moet worden herbeoordeeld. Het Ctgb zal de toelating herbeoordelen, gelet op de normoverschrijdingen die worden waargenomen. Het Ctgb geeft aan dat het betwijfelt of de gebruiksvoorschriften wel worden nageleefd en of die wel voldoende bescherming voor het milieu bieden. Dat is de afweging die het Ctgb heeft gemaakt bij de toelating. Men ging ervan uit dat het milieu beschermd zou kunnen worden, maar men constateert nu dat het milieu onvoldoende beschermd wordt. Daarom wordt de toelating herbeoordeeld. Ik begrijp dat de heer Dijkgraaf met mij de discussie aangaat omdat ik zeg dat, mocht er een reden zijn waardoor het Ctgb niet kan of wil ingrijpen, ik een AMvB achter de hand houd om gericht en voor specifieke gebieden waar de normoverschrijdingen het zwaarst zijn, een gebruiksverbod te kunnen instellen om op die manier het milieu te beschermen.

De voorzitter: U mag uw tweede interruptie inzetten, mijnheer Dijkgraaf.

De heer Dijkgraaf (SGP): Dat doe ik graag. De zuiveringsplicht is volgens mij heel makkelijk vast te stellen. Ik snap dat het lastig is om de overschrijding terug te leiden tot een individueel bedrijf, maar of de zuiveringsplicht wordt nageleefd is heel makkelijk vast te stellen. Als er zuiveringsapparatuur aanwezig is en het systeem gesloten is, weet je dat. Het is al februari. Laat ik naar die AMvB gaan. Er staan veel kassen in het Westland. De Staatssecretaris wil met het verbod aansluiten bij het drinkwater. Het Westland krijgt water via Brakel. Daar is het winningspunt. Dat is 89 kilometer van het Westland af. Het gaat met een pijpleiding via Bergambacht – daar wordt het gesnelinfiltreerd – naar de duinen bij Den Haag. Daar vindt duininfiltratie plaats. Toevallig heb ik wat wateronderzoek gedaan in mijn tijd bij de Erasmus Universiteit. Dat is een specifieke vorm van zuivering van drinkwater. Het komt helemaal niet in de buurt van het Westland. Het gaat er bovenlangs met een pijpleiding. Het wordt in de duinen geïnfiltreerd. Er is zelfs theoretisch geen mogelijkheid dat imidacloprid uit het Westland terechtkomt in het drinkwater dat daar gewonnen wordt. Op welke basis wil de Staatssecretaris ooit een verbod handen en voeten geven?

De voorzitter: Ja, Staatssecretaris, ik noem hem niet voor niks altijd professor Dijkgraaf.

Staatssecretaris Van Dam: Ik ken de heer Dijkgraaf al een paar jaar, dus dat was mij bekend. Het gaat erom of je de normoverschrijdingen een probleem vindt. Ik hoor de heer Dijkgraaf niet zeggen dat hij het geen probleem vindt. Ik neem dus aan dat we het daarover eens zijn. Laten we beginnen met de basis waarover we het eens zijn, namelijk dat het ernstig is als het milieu schade wordt toegebracht door menselijk handelen. Dat is volgens mij niet de bedoeling, en ik neem aan dat de heer Dijkgraaf dat met mij eens is.

De volgende vraag is wat je daaraan kunt doen. Het Ctgb heeft op voorhand aangegeven de toelating van het middel te koppelen aan een aantal gebruiksvoorwaarden. Als die gebruiksvoorwaarden worden nageleefd, zouden die normoverschrijdingen moeten verdwijnen. Dat gebeurt niet. Integendeel, de normoverschrijdingen blijven op de overgrote meerderheid van de meetpunten geregistreerd worden. Volgens mij is er een factor 22 te veel imidacloprid in het oppervlaktewater. Wat zijn de mogelijkheden om daar iets aan te doen? Het Ctgb is de eerst aangewezene om daar iets aan te doen. Dat vindt het zo ernstig dat het de toelating zal herbeoordelen. Ik begrijp dat heel goed en vind het heel verstandig. Ik ga er dus ook van uit dat, als er geen verbetering zichtbaar zal zijn, het Ctgb de toelating zal intrekken. Daar ga ik niet over, daar gaat de heer Dijkgraaf niet over, daar gaat alleen het Ctgb over. Als het Ctgb de toelating intrekt, mag imidacloprid gewoon niet meer gebruikt worden. Punt. Als het Ctgb om wat voor reden dan ook dat niet kan of niet wil – van dat laatste ga ik niet uit overigens – vind ik de situatie dermate ernstig dat ik bekijk of ik een juridische mogelijkheid heb om een verbod in te stellen. Die hebben we gevonden op basis van artikel 80a in de wet, gebaseerd op artikel 12 van de Europese verordening. Daarin staat dat het mogelijk is om kwetsbare gebieden in het kader van de Kaderrichtlijn Water te beschermen. Die kwetsbare gebieden zijn er en liggen in het gebied van de glastuinbouw. Daarmee hebben we een juridische mogelijkheid. Het betreft een AMvB en die wordt vanzelfsprekend voor advies voorgelegd aan de Raad van State. De Raad van State zal die juridische onderbouwing beoordelen. We zouden het echter niet naar de Raad van State durven sturen als we zouden denken dat de onderbouwing geen stand zou houden. Anders hebben we er niets aan. Een juridische onderbouwing die geen standhoudt, kan immers worden herroepen door de rechter. Ik roep het doel hiervan nog maar eens in herinnering, want ik heb het gevoel dat we daarover geen verschil van mening hebben, namelijk het milieu beschermen omdat dit nu onvoldoende gebeurt.

De heer Dijkgraaf (SGP): Ik kan alleen maar constateren dat de Staatssecretaris nog niet het begin van een antwoord geeft op mijn vraag waar die beschermde gebieden zitten. Die beschermde gebieden zitten niet bij het Westland. Laten we Aalsmeer eens bekijken. Ook daar zijn veel kassen. Inlaatpunten liggen bij Loenderveen en de Bethunepolder. Dat is tientallen kilometers daarvandaan. Er is geen beschermd gebied in de buurt van Aalsmeer. Er is geen enkele relatie tussen de basis die de Staatssecretaris legt en het verbod dat hij wil. Natuurlijk moeten we het probleem aanpakken, maar ik vind dat een overheid te allen tijde een wettelijke basis moet hebben. Als de Staatssecretaris een AMvB slaat op basis van artikel 80a, waarin het gaat over beschermde gebieden, en het ook nog moet gaan om proportionaliteit, dan faalt hij op beide punten. Ik vind dat je het als ministerie niet kunt maken om het dan maar naar de Raad van State te sturen en wel te zien. Ik vind dat de Kamer dat niet moet accepteren. Te allen tijde hebben ondernemers recht op een deugdelijke wettelijke basis, wat het probleem ook is.

Staatssecretaris Van Dam: Het kan zijn dat wij van opvatting verschillen over de vraag of die basis deugdelijk is. Ik meen dat die basis wél deugt. Op basis van «kwetsbare gebieden» kun je gebieden aanwijzen waar een gebruiksverbod wordt ingesteld. Die gebieden kunnen ook voor een groot deel samenvallen met het gebied waar de glastuinbouw het stevigst is vertegenwoordigd en waar de normoverschrijdingen het hoogst zijn. Dan hebben we het met name over het Westland en het gebied ten oosten daarvan. We bereiden die AMvB voor. We zullen daarin de juridische onderbouwing helemaal uitwerken.

De heer Grashoff (GroenLinks): Ik heb twee vragen. Het klinkt misschien gek, maar op sommige punten moet ik de heer Dijkgraaf bijvallen, al is het met een tegenovergesteld doel. De Staatssecretaris geeft in de schriftelijke beantwoording klip-en-klaar aan dat het gaat om innamepunten voor oppervlaktewater voor menselijke consumptie. Dat zijn de beschermde gebieden waarop hij zijn AMvB los wil laten. Ik heb ze niet gecontroleerd, zoals de heer Dijkgraaf heeft gedaan, maar ik denk dat hij gelijk heeft. Het is van tweeën een. Of het gaat niet alleen om een gebiedje rond innamepunten voor oppervlaktewater voor menselijke consumptie, maar het is breder. Dat laatste mag ik hopen, want dan is er een juridische basis. Ik zou graag hebben dat de Staatssecretaris dat hier dan ook zegt. Of het is toch een papieren tijger. Dat zou erg jammer zijn. Wat mij betreft zou het namelijk helemaal niet moeten gaan om innamepunten voor oppervlaktewater voor menselijke consumptie. De essentie van de schade van imidacloprid is namelijk ecologisch. Op basis daarvan zouden we moeten kunnen ingrijpen.

Mijn tweede vraag gaat over de handhaving. Klopt het dat er een zeer klein aantal overtredingen is vastgesteld? Betekent dit dat er nagenoeg geen inspanning is geweest op handhaving? Of is dat een te snelle conclusie?

Staatssecretaris Van Dam: Er is wel degelijk een inspanning geweest op handhaving. Ik heb aangegeven dat handhaving wel ingewikkeld is en dat het ook een reden is waarom het Ctgb opnieuw zal kijken naar de toelating. Uit de nalevingsrapportage zal blijken wat er aan handhaving is gedaan. De eerste vraag van de heer Grashoff ging over de bescherming van kwetsbare gebieden. Het gaat om specifieke gebieden. Dat is de beperkte ruimte die de richtlijn biedt. Daar heeft hij gelijk in. Ik begrijp heel goed dat hij verder zou willen gaan dan de ruimte die de richtlijn geeft. De richtlijn kadert echter nu eenmaal specifiek af waar je dit soort maatregelen gericht op de bescherming van specifieke gebieden mag nemen. Die zijn inderdaad gerelateerd aan de inname van drinkwater uit oppervlaktewater. Wij bekijken op dit moment in welke mate die kunnen samenvallen met het gebied waar de overschrijdingen het hoogste zijn. Dat is onze rechtsbasis. Ik zou het ook prettig vinden als ik een rechtsbasis kon kiezen die puur op milieuschade gericht was. Dat zou dit een heel stuk eenvoudiger maken. Iedereen die hier juridische vragen over heeft gesteld, heeft ook helemaal gelijk, want het is juridisch niet eenvoudig. Dat betekent echter niet dat het onmogelijk is, zoals de heer Dijkgraaf meent. Wij gaan dit traject in vanuit de overtuiging dat het kan. Laat ik benadrukken dat het ook mijn uitdrukkelijke voorkeur heeft dat het Ctgb uiteindelijk de beslissing neemt. Dat is de reguliere procedure. De AMvB is een procedure die ik achter de hand houd. Stel dat het Ctgb het niet kan verbieden, dan moet ik doen wat ik kan doen om de milieuschade te beperken. Daarom hanteren wij deze onderbouwing en die zullen we zo goed mogelijk uitwerken.

De heer Grashoff (GroenLinks): Is de Staatssecretaris bereid om een informatievraag aan de Europese Commissie te stellen? Het komt erop neer dat de Kaderrichtlijn Water, die in hoge mate is gebaseerd op ecologische uitgangspunten en niet op uitgangspunten voor waterinname voor menselijke consumptie, normen stelt die niet gehandhaafd kunnen worden langs de juridische weg omdat de criteria daar niet op aansluiten en de bevoegdheid bij het Ctgb en de EFSA ligt, die daar niet rechtstreeks op toetsen. Ik constateer dat twee Europese sets regelgeving elkaar bijten. Misschien is het verstandig de Europese Commissie eens te vragen hoe dit met elkaar in het reine gebracht kan worden. De Staatssecretaris zal aan allebei moeten voldoen.

Staatssecretaris Van Dam: Ik wil dat wel toezeggen. Europese regelgeving creëert natuurlijk ook andere mogelijkheden om in te grijpen. Die hebben wij echter bij het Ctgb neergelegd. Het Ctgb baseert zich op andere artikelen uit de Europese verordening op basis waarvan het de toelating kan herroepen vanwege milieuschade. In artikel 80a van de wet hebben we op basis van artikel 12 van de Europese verordening de mogelijkheid gecreëerd om buiten het Ctgb om zelf in heel specifieke gebieden een gebruiksverbod in te stellen. Dat is een veel kleinere maatregel dan wanneer het Ctgb de toelating zou intrekken. Ik neem aan dat de heer Grashoff dat ook helder voor ogen heeft. Het heeft dus niet voor niets mijn voorkeur dat dit langs de reguliere weg wordt opgelost. Het allerliefst zou ik willen dat we in de meetgegevens van dit teeltseizoen zien dat de normoverschrijdingen teruglopen. Dat zou een complete trendbreuk zijn, maar daar hoop ik zeer op, want dat zou voor iedereen het beste zijn. Als die trendbreuk er niet is, gaat het Ctgb de toelating herbeoordelen. Het Ctgb kan beslissen de toelating in te trekken. Als het Ctgb die beslissing niet neemt om wat voor reden dan ook, bereid ik een AMvB voor om een maatregel achter de hand te hebben gericht op de gebieden waar de normoverschrijdingen het hoogst zijn. Dat moeten we onderbouwen op basis van de Europese regelgeving die uitgaat van de bescherming van kwetsbare gebieden in het kader van de Kaderrichtlijn Water.

De heer Leenders (PvdA): Ik wilde eigenlijk ook iets vragen over de reikwijdte van die AMvB, maar dat is in reactie op de vraag van de heer Grashoff voldoende beantwoord.

De heer Geurts (CDA): Als een dolle alles verbieden zonder strategie heeft uiteindelijk het effect dat iedereen met lege handen staat. De Staatssecretaris zit al in het moeras en in het drijfzand en raakt alleen maar verder in het drijfzand, is mijn indruk. Zou hij een brief naar de Kamer willen sturen die specifiek ingaat op wat collega Dijkgraaf heeft aangegeven? Onderbouw het nou eens goed. Daarnaast vraagt de CDA-fractie om verlenging van de termijn. Dat wil de Staatssecretaris niet doen. Hij schermt met het feit dat het Ctgb de gebruiksvoorschriften heeft aangepast, al twee jaar. In zijn eigen beantwoording staat echter heel wat anders op pagina 13. Op 7 juli 2015 heeft het Ctgb gebruiksvoorschriften voor middelen op basis van imidacloprid aangepast. Op 25 november 2015 heeft het Ctgb het gebruiksvoorschrift voor middelen op basis van imidacloprid aangepast. Dat is dezelfde zin. Daar staat nog wat achter. Werk dat nou eens goed uit, want dit gaat echt helemaal mis. Dan staat iedereen hier met lege handen, van links tot rechts. Zet de argumenten die genoemd zijn in een brief. Dan kunnen we het er nog eens over hebben, want de juridische basis van dit hele gedoe klopt voor geen meter.

Staatssecretaris Van Dam: De heer Geurts noemt een aantal data. Ik heb in mijn beantwoording ook duidelijk de data genoemd waarover het gaat. Op 30 januari 2014 heeft het Ctgb het gebruiksvoorschrift voor middelen op basis van imidacloprid aangepast. Dat betekent dat vanaf 30 januari 2014 iedereen die dit middel wilde gebruiken, wist dat daarvoor een zuiveringsplicht gold. Aanpassingen daarna kwamen omdat de normoverschrijdingen lieten zien dat het gebruiksvoorschrift nog steeds onvoldoende werd nageleefd. Daarom is het Ctgb steeds verdergegaan met het aanscherpen van de gebruiksvoorschriften. Het gebruiksvoorschrift waar het hier om gaat, namelijk de zuiveringsplicht, is sinds 30 januari 2014 bekend. Sindsdien zijn twee teeltseizoenen verstreken. Het Ctgb heeft aangekondigd op basis van de gegevens van die twee teeltseizoenen een herbeoordeling te zullen uitvoeren op de toelating. De heer Geurts kan mij vragen om die termijn te verlengen, maar ik heb geen zeggenschap over die termijn. Zelfs al zou ik het willen, ik kan het Ctgb niet tegenhouden zo'n herbeoordeling te doen. Het Ctgb heeft een eigenstandige bevoegdheid. Als het Ctgb op basis van twee teeltseizoenen na de aangekondigde zuiveringsplicht beslist om de toelating in te trekken, is dat een zelfstandige bevoegdheid van het Ctgb. Daar heeft noch de Kamer, noch het kabinet enige invloed op. Zo hebben we dat bewust geregeld met elkaar.

De heer Geurts (CDA): De datum van 30 januari 2014 wordt weer genoemd. Op 1 mei 2014 is dat de facto pas ingegaan. Dat is dus de halve waarheid. Het Ctgb is inderdaad een onafhankelijk orgaan waar wij als politiek niet over gaan. Dat zou ik ook niet willen, zoals ik vaak heb gezegd. Het is een onafhankelijk orgaan dat ons en het kabinet moet adviseren. De Staatssecretaris dreigt met een AMvB en een wettelijk verbod. Als het Ctgb niet doet wat het kabinet wil, komt hij met een AMvB. Wil hij reageren op wat de heer Dijkgraaf net aangaf? Wil hij eens goed duidelijk maken of wat hij aan het doen is, juridisch haalbaar is? Ik vraag hem dit in een brief aan de Kamer te zetten, want dan kunnen we het er nog eens over hebben.

Staatssecretaris Van Dam: Die informatie heeft de heer Geurts gekregen in het verslag van het schriftelijk overleg. Daarin hebben we die juridische onderbouwing zo goed mogelijk uiteengezet. Bovendien zou ik het wel gepast vinden als de heer Geurts geen termen als «halve waarheid» in de mond neemt, omdat we elkaar wel recht moeten doen. Hij heeft gelijk – en daar ben ik mijn beantwoording in deze termijn mee begonnen – dat het aangescherpte gebruiksvoorschrift per mei 2014 in werking is getreden. Ik benadrukte nu dat het op 30 januari 2014 gepubliceerd is. Vanaf dat moment was iedereen bekend dat imidacloprid slechts gebruikt mag worden als je je afvalwater zuivert. Over die datum kan volgens mij geen discussie zijn. Elke tuinder die het middel wilde gebruiken, wist vanaf toen dat hij zijn water moest gaan zuiveren en dat hij het anders niet mocht gebruiken.

De voorzitter: Dan gaan we naar het blokje overig.

Staatssecretaris Van Dam: De heer Wassenberg vroeg hoe intensief er wordt gehandhaafd in het geval van gewasbescherming. Hoeveel zaad wordt er bijvoorbeeld behandeld? Handhaving vindt plaats op basis van risico, zoals we eigenlijk op alle terreinen doen. We hebben in het kader van het verbeterplan voor de NVWA herhaaldelijk gesproken over risicogericht toezicht.

Geïntegreerde gewasbescherming is een van de pijlers van het gewasbeschermingsbeleid. Daarbij kunnen ook middelen worden ingezet die toegelaten zijn. Het kan zijn dat de totale milieulast van kleine hoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen in een vroeg stadium, bij zaadbehandeling bijvoorbeeld, minder schadelijk is bezien over de hele teeltcyclus dan wanneer er later gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. De heer Wassenberg vroeg om een verbod op de preventieve toepassing van dergelijke gewasbeschermingsmiddelen. Maar het zou juist voor het milieu weleens heel goed kunnen zijn dat dergelijke middelen juist preventief worden gebruikt, omdat er daardoor effectief minder van worden gebruikt.

De heer Geurts vroeg naar de vrijstelling op de toelating van Apron voor vlas die in België wel bestaat. Vrijstelling op een toelating wordt in Nederland altijd goed onderzocht, ook in het geval van toepassing op vlas. Intussen heb ik het middel Beret al vrijgesteld. Bij Apron ziet het Ctgb risico's die niet zijn te mitigeren. Zoals de heer Geurts weet, volg ik normaal gesproken het advies van het Ctgb. Ik moet daar nog een definitieve beslissing over nemen. Ik ben echter niet van plan om het oordeel van het Ctgb in twijfel te trekken.

De vraag van de heer Leenders heb ik al beantwoord in de discussie over de Greenpeacerapportage.

De heer Grashoff vroeg naar de specifieke situaties waarin het Ctgb anders kan oordelen dan andere Europese landen. De eerste is uitspoeling naar het ondiepe grondwater in relatie tot het drinkwater. De tweede is uitspoeling naar oppervlaktewater in relatie tot de drinkwaterwinning. De derde is afwijkende windsnelheden in Nederland ten opzichte van de meeste andere lidstaten, met uitzondering van Engeland en Ierland. Vanwege deze specifieke omstandigheden is de toelating door het Ctgb in Nederland soms strenger of anders dan in andere landen.

De heer Wassenberg (PvdD): Dank voor het antwoord. De Staatssecretaris zegt dat er handhaving plaatsvindt op basis van de risicobeoordeling, maar mijn vraag is niet op basis waarvan wordt gehandhaafd, maar of er in de praktijk überhaupt wordt gehandhaafd? Hoe is de praktijk?

Staatssecretaris Van Dam: Vanzelfsprekend wordt er in de praktijk gehandhaafd. Is dat wat u bedoelt? Wordt er gehandhaafd? Ja, er wordt gehandhaafd.

De heer Wassenberg (PvdD): Hoeveel overtredingen worden er dan geconstateerd? Daar gaat het om.

Staatssecretaris Van Dam: In het algemeen, bedoelt u? Als ik het goed begrijp, wilt u een rapportage over hoeveel overtredingen er worden geconstateerd bij gewasbeschermingsmiddelen. Ik zal een totaaloverzicht daarvan toesturen. Ik zou u zelfs ter plekke door al die cijfers heen kunnen nemen, maar ik denk niet dat u dat graag wilt.

De voorzitter: Nee, dat kan schriftelijk. Wanneer gaat u die ongeveer toesturen? Dan kunnen we daar rekening mee houden.

Staatssecretaris Van Dam: Wij zullen dat overzicht aan de Kamer toezenden zodra we dat hebben. Dat zal op niet al te lange termijn zijn.

De voorzitter: Een punt van orde van de heer Dijkgraaf.

De heer Dijkgraaf (SGP): Als ik vraag naar de cijfers over de handhaving in 2015, heeft de Staatssecretaris ze niet, maar als de Partij voor de Dieren vraagt om de cijfers over de handhaving, dan zegt de Staatssecretaris dat hij ze ter plekke kan toelichten. Ik verzoek hem, volgens mij namens al mijn collega's, om dat dan gewoon te doen.

Staatssecretaris Van Dam: Ik ken de heer Dijkgraaf niet alleen als iemand die af en toe goede colleges kan geven over hoe dingen precies zitten, maar ook als iemand die op de goede momenten de goede grappen weet te maken. De vraag van de heer Dijkgraaf ging specifiek over de handhaving bij lozing op het oppervlaktewater, bij gebruik van imidacloprid. Er lopen nog enkele onderzoeken om in beeld te brengen wat er vorig jaar precies is geconstateerd. De heer Wassenberg vraagt naar een algemener overzicht over de handhaving in de afgelopen jaren. Zodra we dat in beeld hebben, ben ik graag bereid om dat te verstrekken aan de Kamer, zoals ik al zei.

De voorzitter: We willen toch graag weten op welke termijn. We willen u niet in de problemen brengen, maar u zult toch een termijn moeten noemen, want daar houden wij de regering graag aan als wij een toezegging krijgen.

Staatssecretaris Van Dam: Ik neem aan dat de heer Wassenberg graag de meest actuele gegevens wil. Ik denk dat het voor de zomer kan.

De voorzitter: Voor de zomer van 2016.

Mevrouw Lodders (VVD): Ik had nog een vraag die niet beantwoord is. Ik bewaar mijn interruptie voor de andere Staatssecretaris, maar ik had een vraag gesteld over het advies van de landsadvocaat over imidacloprid. De vraag die ik hierover heb gesteld in de schriftelijke ronde, is niet beantwoord. Ik heb die vraag daarnet ook gesteld bij een interruptie aan de heer Wassenberg.

Staatssecretaris Van Dam: De meest logische weg is dat we niet advies vragen aan de landsadvocaat. Als ik dat zou vragen, zou ik dat niet met de Kamer mogen delen, dus daar heeft zij niet zo veel aan. Ik wil advies vragen aan de Raad van State, zoals wij altijd doen. De Raad van State zal een dergelijke AMvB beoordelen. Dat is de juridische route die ik voor ogen heb.

De heer Geurts (CDA): Een advies van de landsadvocaat mag gedeeld worden. Het gebeurt niet vaak, maar het mag wel.

Staatssecretaris Van Dam: Het kabinetsbeleid is dat die niet worden gedeeld.

De heer Geurts (CDA): In de regel niet worden gedeeld, zoals de heer Dijkgraaf zegt. Het mag wel en er is jurisprudentie dat dit ook gebeurd is.

Staatssecretaris Van Dam: Het ligt meer in de rede in dit proces om de ontwerpAMvB naar de Raad van State te laten gaan. De Raad van State beoordeelt deze. De Raad van State is volgens mij nog steeds het meest gezaghebbende orgaan in dit land als het gaat om de beoordeling van juridische deugdelijkheid van wet- en regelgeving. Beter dan dat krijgt men over het algemeen niet.

De voorzitter: Ik dank de Staatssecretaris van Economische Zaken. Dan gaan we nu luisteren naar de beantwoording van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. Mogelijk kan zij vermelden in welke blokjes, want die heeft zij uitgevonden.

Staatssecretaris Dijksma: Voorzitter. Om mijn eigen regel een beetje te ondergraven heb ik vandaag maar één blok. Dat zal de commissie begrijpen, want het gaat maar over één onderwerp, namelijk het recente advies van de Raad van State over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het is misschien goed om even in te gaan op de vraag wat er met dat ontwerpbesluit werd beoogd. Het was politiek een heet hangijzer. De Kamer heeft er intens over gedebatteerd. Dat ging over het verbod op het professionele en particuliere gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op verhardingen met ingang van het komende onkruidbestrijdingsseizoen, en daarnaast om het verbod op het professionele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op onverharde terreinen buiten de landbouw. Dat zou met ingang van oktober 2017 zijn.

Het advies van de Raad van State is in dit stadium van de wetgevingsprocedure vertrouwelijk volgens de regelgeving. Ik weet dat de heer Dijkgraaf dol is op wetgeving, dus tegen hem zeg ik dat dit voortvloeit uit artikel 26, lid 2 van de Wet op de Raad van State. Dat bepaalt dat een advies door de Minister openbaar wordt gemaakt op het moment dat het betreffende voorstel openbaar wordt gemaakt. Dat betekent in dit geval zo spoedig mogelijk na 1 maart, als de regeling wordt gepubliceerd. Zo zit dat altijd. De Raad van State maakt in de tussentijd zelf ook niets openbaar.

Bij wijze van uitzondering weet de commissie nu al dat dit advies problemen veroorzaakt. Gezien de betekenis van dit verbod voor particulieren vond ik het niet goed dat pas in maart, terwijl alle organisaties zich al aan het voorbereiden zijn, bekend zou worden dat we de regeling op dit punt hebben moeten wijzigen. Ik vond dat niet fair. Om die reden heb ik ervoor gekozen om niet te wachten met publicatie van de regeling, maar om er nu al voor te zorgen dat dit nieuws bekend is, niet alleen bij deze commissie, maar ook bij de buitenwereld, die natuurlijk met dit verbod bezig is.

Dat advies is dus kritisch, vooral als men het gebruik door particulieren in ogenschouw neemt. We zijn de komende maanden kwijt, zeg ik tegen de Kamer, met het beoordelen op welke wijze wij verder kunnen op het punt van particulier gebruik. Dat betekent dat ik de regeling moet wijzigen. De regeling gaat nu alleen door voor professioneel gebruik. Een aanpassing van het besluit is noodzakelijk op basis van het advies van de Raad van State. Het lukt ons niet meer om dat voor 1 maart te doen, want dit moet juridisch zorgvuldig. Wij zullen uiterlijk half maart met dat voorstel naar buiten komen, zeg ik tegen de heer Grashoff. In de tussentijd gaan we wel door met het stimuleren van het gebruik van minder milieubelastende alternatieven door particulieren. Daarbij moet men onder andere denken aan intensieve voorlichting door Milieu Centraal en de Green Deal particulieren.

Voor de leden die hartstochtelijk voor deze regeling gepleit hebben, is het van belang om te melden dat het professionele gebruik wel op korte termijn kan worden verboden. Dat is ook meteen het grootste deel. Het gaat om twee derde van het gebruik buiten de landbouw.

De heer Leenders vroeg of je de verkoop van het middel aan particulieren kunt verbieden. Nee, dat kan niet. Een verkoopverbod gaat namelijk nog een stap verder dan een gebruiksverbod of gebruiksbeperkingen. Op grond van het advies van de landsadvocaat is daarvan afgezien, zoals mijn voorganger in brieven heeft laten weten. We moeten nu opnieuw afwegen op welke wijze er stappen kunnen worden gezet inzake particulier gebruik. Het is goed als de Kamer weet dat er een nieuw voorstel komt. We moeten een nieuwe regeling maken. Deze gaat het proces door zoals gebruikelijk is, dus deze wordt voorgelegd aan de Kamer, en dan heeft zij daar ook invloed op.

Kunnen we niet beter op nationaal niveau maatregelen treffen? Mijn collega van EZ heeft al tegen de heer Wassenberg gezegd dat het kabinet toch echt streeft naar een gelijk speelveld. Op Europees niveau is de verordening voor toelating op de markt ontwikkeld, net als de richtlijn duurzaam gebruik, waar wij ons nu op richten. Ons beleid blijft om te gaan voor een gelijk speelveld, maar bij de mogelijkheden voor de voorgelegde regeling wordt gedacht in de richting van de richtlijn duurzaam gebruik. Die richtlijn is het resultaat van een zorgvuldige afweging op Europees niveau. Daar maken wij gebruik van als ankerpunt voor de situatie buiten de landbouw.

Mevrouw Lodders heeft eerder, en nu opnieuw, gevraagd om inzicht in de handhaving en de kosten daarvan. Ik heb al eerder toegezegd dat ik hier uitgebreid op in zal gaan in een brief die zij voor het zomerreces zal ontvangen.

Last but not least de heer Leenders. Hij zegt dat de motie die hij met mevrouw Koşer Kaya heeft ingediend, niet heel royaal wordt uitgevoerd. Misschien heeft hij het nog iets diplomatieker gezegd, maar ik denk dat hij dat bedoelde. In de tuincentra worden echt al de nodige alternatieven aangeboden, maar dat kan beter. Toen bleek dat ik deze regeling op dat punt niet kon doorzetten, heb ik besloten om versneld met de branche en alle betrokkenen om de tafel te gaan, om te kijken wat ons te doen staat op basis van vrijwilligheid. We hebben de Green Deal. Er kan ook heel veel worden gedaan door de branche. Volgens mij wil men dat ook. Ik denk dat het goed is om dat gesprek te hebben, maar ik vond het ook fair om nu al te melden dat het anders loopt dan we hadden gedacht. Ik vind dit ook een kwestie van zo veel mogelijk transparantie betrachten.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb een vraag over de mededeling dat er wel een gebruiksverbod komt, maar dat er geen verkoopverbod is. Heb ik dat goed begrepen? Als er een gebruiksverbod is, mogen verkopers wel geld verdienen, maar de gebruikers mogen het verder niet gebruiken. Kan de Staatssecretaris dat uitleggen?

Staatssecretaris Dijksma: U hebt het niet goed begrepen. Er is eerder afgewogen om een verkoopverbod te bekijken, maar dat is juridisch niet deugdelijk gebleken. We hebben het voorstel gedaan voor een gebruiksverbod voor particulieren. Die regeling is hier ook voorgehangen. Een meerderheid van de Kamer heeft daar ja tegen gezegd, maar de Raad van State heeft overwegende bezwaren. Daardoor moesten wij die regeling voor particulier gebruik aanpassen en dat voorstel eruit halen. Dat heeft allemaal in brieven gestaan.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Dan zal het ermee te maken hebben dat ik nog niet zo heel lang in deze commissie zit. Ik ga dit verder uitzoeken, want ik vind het nogal bizar dat je wel mag verkopen, dus degene die dat levert, mag daar geld aan verdienen, maar dat je het vervolgens niet mag gebruiken en dat het juridisch niet mogelijk zou zijn om een gebruiksverbod in te stellen. Ik vind dat nogal bizar, maar dat gaan we dan maar verder uitzoeken.

Staatssecretaris Dijksma: Zodra het besluit openbaar wordt, met het advies van de Raad van State, kunt u zien op grond van welke redenen de Raad van State dat advies geeft. Daar hebben we in dit land wel mee te maken. U kunt dat bizar vinden, maar dit is de realiteit waar ik tegenaan loop.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Wordt vervolgd.

Staatssecretaris Dijksma: Zonder meer. Ik wens u veel succes bij het uitpluizen.

De heer Grashoff (GroenLinks): Er doet zich nu een beetje een gekke situatie voor. Ik snap de keuze van de Staatssecretaris om ons niet na 1 maart hiermee te overvallen, want bij mij zou de rook wel uit mijn oren komen, om heel eerlijk te zijn, als ik dat dan zou constateren. Het roept ook de vraag op waar dan ruimte zit en hoe dat advies van de Raad van State in elkaar zit. Ik neem een dergelijk advies uiteraard buitengewoon serieus. Ik heb zomaar het gevoel dat er weleens een knelpunt zou kunnen zitten in aspecten van handhaafbaarheid. Het zwakke element is dat het bij particulier gebruik niet zo makkelijk is om onderscheid te maken tussen het straatje en de border ernaast. Kan de Staatssecretaris mij enigszins helpen door een doorkijkje te geven waar zij heen denkt te gaan met de particulieren?

Staatssecretaris Dijksma: Ik begrijp uw vraag en al die vragen die u zojuist hebt gesteld. Die heb ik ook. Die gaan we allemaal verkennen. Nadat we dat hebben gedaan, zal ik een voorstel doen over hoe we verdergaan. Dan zal ik ook uitleggen waarom ik denk dat dit voldoende juridische basis biedt. Dan zullen we het debat echt vervolgen. Ik heb inderdaad juist willen voorkomen dat mensen zouden worden overvallen bij publicatie van de regeling. Dit is een ongebruikelijke stap. Het is ook in die zin lastig dat ik het advies van de Raad van State niet met de Kamer kan delen. Ik vond het ook niet fair om dit niet te melden, omdat dit veel met zich mee zou hebben gebracht en omdat mensen volop bezig waren met de voorbereiding. Dat betekent dat we ons nu moeten herpakken om te bezien hoe het wel kan.

De heer Grashoff (GroenLinks): Dat is jammer. Het is geen zeer verrassend antwoord van de Staatssecretaris. Ik houd het gevoel dat het ook weer niet zo heel ingewikkeld hoeft te zijn. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat wij bijvoorbeeld voor 1 april een brief krijgen over hoe we verdergaan met particulier gebruik, zodat we daarover voor de zomer nog een debat kunnen voeren?

Staatssecretaris Dijksma: Ik denk niet dat ik 1 april red. Het is juridisch kennelijk wel een stuk gecompliceerder dan menigeen denkt. Dat is exact waar wij tegenaan lopen. Ik wil juist voorkomen dat ik met voorstellen kom die uiteindelijk bij de rechter stranden. Daar hebt u niets aan en ik ook niet. Daarom wil ik het zorgvuldig doen.

De voorzitter: Wat is dan wel handig?

Staatssecretaris Dijksma: We proberen voor de zomer wel met een vervolgvoorstel te komen.

De voorzitter: Voor de zomer van 2016, zeg ik er voor de zekerheid maar even bij.

Staatssecretaris Dijksma: Zeker.

Mevrouw Lodders (VVD): Ik had een aantal vragen gesteld over dit dossier. Ik neem aan dat het advies voor 15 maart in plaats van voor 1 maart openbaar wordt, omdat die regeling dan gepubliceerd wordt. Daar moet ik op wachten, dat begrijp ik. We hebben twee dossiers. Er heeft een interruptiedebat met de Staatssecretaris van EZ plaatsgevonden over imidacloprid. We gaan van generiek naar specifiek en van beschermingsgebied naar innamepunt. Hier zien we juridische twijfel ontstaan. Ik denk dat een wijze les die hieruit geleerd zou moeten worden, is om niet op basis van onderbuikgevoelens dit soort maatregelen te nemen. Dit heeft wel enorme discussie doen oplaaien in de afgelopen maanden, bij de sector, de gebruikers en de ondernemers. Welke les heeft de Staatssecretaris hieruit getrokken? De Staatssecretaris heeft al schriftelijk geantwoord dat we voor de zomer een brief krijgen over de handhaving. Het zal de Staatssecretaris niet verbazen dat het er bij mijn fractie niet ingaat dat we wel maatregelen nemen, terwijl er geen budget beschikbaar is voor handhaving door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Ik wil graag weten hoe het met die combinatie zit, alvorens het besluit in werking zal treden.

Staatssecretaris Dijksma: Ik ken het dossier waarover zojuist is gesproken, ook goed. Zij zijn om te beginnen niet vergelijkbaar. Ik denk dat het om veel inhoudelijke redenen belangrijk is om dat te zeggen. Bij het dossier waarover we het nu hebben, is er een grond te vinden in het feit dat een duidelijke democratische meerderheid in de Kamer heeft verzocht om dit verbod. Daar is inhoudelijk ook voldoende argumentatie voor. Vervolgens kom je dan in uitvoeringsvraagstukken terecht. Hoe kun je dat vormgeven? Ik stel vast dat het voorgestelde verbod voor een heel deel, namelijk bij professioneel gebruik, en dat is twee derde van het gebruik van dat middel, in werking zal treden. Je kunt dus niet zeggen dat het hele voorstel niet kan worden doorgezet.

Ik veroorloof mij een opmerking over dat andere dossier. Dat mag ik misschien niet doen, omdat het kan worden gezien als uitlokking. Dat andere dossier laat zien dat ondanks het feit dat men beloofd had niet meer te lozen, er eigenlijk sinds dat verbod alleen maar meer van die stof het milieu binnenkwam in plaats van minder. Daar zouden we ook bij stil kunnen staan in dit debat. Ik vind dat heel, heel, heel zorgelijk, ook vanuit mijn verantwoordelijkheid voor Milieu.

Als het gaat om de lessen die we moeten trekken, moeten we vaststellen dat een gebruiksverbod van middelen voor particulieren nog een slag ingewikkelder is dan wanneer het gaat om professioneel gebruik. Dat vind ik inderdaad wel een les die we moeten trekken. Daarom ga ik ook niet over één nacht ijs. Ik kan niet tegen de heer Grashoff zeggen dat het morgen alsnog geregeld is, want die les neem ik zeer serieus.

Dan nog het punt van de handhaving. Ik ken de discussie, uiteraard. Ik denk dat het van belang is om goed in beeld te brengen hoe de NVWA dat proportioneel en op een goede wijze kan doen. Om die reden heb ik in de brief aangekondigd dat ik over dit onderwerp in gesprek wil gaan met de professionele gebruikers. Laten we vaststellen dat als iedereen zich gewoon aan de afspraken houdt bij dit soort onderwerpen, de handhavingsdruk ook veel geringer is. Het ene heeft heel erg met het andere te maken. Bij de professionele gebruikers buiten de landbouw gaat het voor een deel om medeoverheden. Ik ga ervan uit dat hen er ook veel aan gelegen is om dit goed te doen.

Het is zeer terecht dat mevrouw Lodders om een brief vraagt. Die krijgt ze. In de komende tijd voer ik overleg met medeoverheden en anderen om dit heel goed in kaart te brengen. Voor de zomer zal ik de Kamer daarover informeren.

Mevrouw Lodders (VVD): De Staatssecretaris deed inderdaad aan uitlokking, maar ik zal daar omwille van de tijd niet op ingaan. Het zijn twee aparte dossiers, dat wil ik erover zeggen. De les die wij volgens mij moeten trekken, is dat je alleen op basis van argumenten die je juridisch goed kunt borgen, dit soort besluiten kunt nemen. Ik denk dat het heel onverstandig is om een sector of een groep mensen, in dit geval particuliere gebruikers, in onwetendheid te brengen. Dit soort zaken moet aan de voorkant veel beter worden afgedicht.

Dan het punt van de handhaving. Ik snap dat de Staatssecretaris nog gesprekken wil voeren, maar als er een verzoek uit de Kamer komt om extra handhaving, is mijn ervaring dat de Staatssecretaris dan toezegt om steviger te handhaven. Dat kan dus echt niet het geval zijn. Op het moment dat wij dit soort besluiten nemen, dan vind ik dat we ook moeten nadenken over de vraag hoe je gaat handhaven. Zegt de Staatssecretaris nu dat zij niet op zo'n verzoek ingaat, wie daar ook mee komt? Ondernemers gaan dit besluit natuurlijk op een goede manier uitvoeren. We hebben ook zorgen over de organisatie van de NVWA.

Staatssecretaris Dijksma: Nogmaals, ik denk dat het heel belangrijk is om een uiterst slimme en behendige handhavingsstrategie te organiseren. Ik snap heel goed dat mevrouw Lodders zegt dat dit niet op voorhand op extra capaciteit kan rekenen. Dat ben ik met haar eens. Als je daaraan gaat beginnen, moet je ook middelen beschikbaar stellen. Dat debat ken ik. Dat is eigenlijk uitlokking naar mijn kant, maar daar zal ik niet op ingaan. Ik snap heel goed wat mevrouw Lodders vraagt, maar ik denk dat het mogelijk is om dat op een verstandige manier te doen, waarbij er vertrouwen is in die handhavingsstrategie. Daar hebben we ook onze medeoverheden voor nodig. Die zijn ook belangrijk omdat zij de schakel zijn in het gebruik. Dat is voor mij ook van belang.

De voorzitter: Dank aan de Staatssecretaris voor Infrastructuur en Milieu. Er is een VAO aangekondigd in de eerste termijn. Ik zie dat de heer Leenders nog een interruptie heeft.

De heer Leenders (PvdA): Die zat er nog aan te komen op het laatste punt. Ik heb iets gezegd over beschikbare middelen en het onderzoek dat de Tuinbranche Nederland heeft uitgevoerd naar alternatief gebruik. Mevrouw Lodders en ik hebben daarover indertijd onze zorgen geuit, want wij waren het erover eens dat middelen als azijn en chloor veelvuldig gebruikt zouden worden. Ik zal de voorbeelden niet noemen op grond waarvan ik geloof dat dit zal gebeuren. Uit mijn contacten in de samenleving krijg ik de indruk dat dit inderdaad zo is. In de brief van de Staatssecretaris staat dat er al in belangrijke mate is ingesprongen op de behoefte om alternatieven aan te bieden, maar ik zie ze niet, ook niet in mijn contacten met de sector. In de motie gaat het om de ontwikkeling, het gebruiksgemak en vooral de beschikbaarheid in de schappen van de tuincentra en de doe-het-zelf-winkels, want daar hebben we het over gehad. Ik vertrouw erop dat de Staatssecretaris de intentie heeft om dat positief te beïnvloeden. Ik ga er ook vanuit dat zij dat doet. Misschien heb ik dus niet eens een vraag, want zij heeft deze deels al beantwoord. Misschien kan zij hier toch nog even op reageren.

Staatssecretaris Dijksma: Er zijn zeker wel alternatieven, zoals branders, krabbers of schoffelen, even heel praktisch. Uiteraard zijn er ook milieuvriendelijke alternatieven. Ik denk dat het goed is dat we ons herpakken en opnieuw in gesprek gaan met de branche over de vraag hoe we verdergaan, wetende dat we op dit moment even niet met een wettelijke regeling aan de slag kunnen. Er ligt een Green Deal en men zit aan tafel. Dat geeft aan dat het voor de branche ook een belangrijk punt is. Daar reken ik ook op. Ik ga graag samen met hen aan de slag.

De voorzitter: De heer Leenders kijkt tevreden en kan ook goed de avond ingaan. De heer Grashoff heeft op 20 januari al een VAO aangekondigd en hij handhaaft dat, dus we gaan het verslag op de plenaire agenda zetten. De heer Wassenberg heeft gevraagd of dat direct na het reces kan, in de eerste week na het reces. Daar gaan wij niet over. Dat zal met de Kamervoorzitter en de Griffie bepaald moeten worden.

Mevrouw Lodders (VVD): Wij kunnen nu wel een richting meegeven. Ik ben het zeer eens met het voorstel van de heer Wassenberg om dat in de eerste week na het reces te doen, waarbij ik ook kijk naar de heer Grashoff. Het zou mij een lief ding waard zijn als wij dan ook het advies van de Raad van State hebben dat hopelijk voor 15 maart komt, dus dan zou het de tweede week zijn.

De voorzitter: Dat verzoek wordt nog voorgelegd, dus ik zal er nu niet meer over zeggen. Dit was een vooraankondiging dat dit gebeurt.

De heer Wassenberg (PvdD): Het was inderdaad mijn uitdrukkelijk verzoek om het direct na het reces te doen in verband met het Standing Committee dat bij elkaar komt op 4 of 5 maart, zeg ik even uit mijn hoofd. Als het daarna is, is het mosterd na de maaltijd. Daarom was mijn dringende verzoek om het inderdaad zo snel mogelijk na het reces te doen.

De voorzitter: Dat verzoek wordt in ieder geval ingediend.

De griffier heeft mij een goede vraag ingefluisterd, namelijk met wie het VAO moet plaatsvinden; met beide Staatssecretarissen of met een van beiden. Als het met beiden is, is het veel moeilijker in te plannen. Daarom wil ik dit even voorleggen.

De heer Dijkgraaf (SGP): Volgens mij moeten we dat aan het kabinet overlaten.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Als er geen dikke muur wordt neergezet bij degene die komt en als het niet over de schutting wordt gegooid, vind ik het prima als een van beide bewindslieden komt. Doorgaans is het zo dat er een muur staat en we er niet doorheen komen.

De heer Grashoff (GroenLinks): Ik stel voor dat in elk geval de Staatssecretaris van Economische Zaken erbij is. Mijn inzet bij het VAO zal in belangrijke mate daarop gericht zijn. Als hij eventueel de honneurs kan waarnemen voor zijn collega, zou dat buitengewoon handig zijn.

De heer Wassenberg (PvdD): Nog een opmerking, die misschien te maken heeft met mijn relatieve onervarenheid, betreft een verzoek om daarna meteen stemmingen te laten volgen, of om het te laten aansluiten bij de stemmingen van die dag.

De voorzitter: Dat zullen we allemaal proberen.

Er zijn een paar toezeggingen gedaan, ook tijdens het eerste deel van het algemeen overleg, op 20 januari. Twee daarvan zijn ook al in het verslag van het schriftelijk overleg opgenomen. Er rest nog één toezegging van 20 januari die ik ga voorlezen.

  • Voor de zomer stuurt de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu de eerste informatie over het onderzoek naar de risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden naar de Kamer. Die staat er nog vanaf 20 januari. De Staatssecretaris knikt.

Staatssecretaris Dijksma: Over de stand van zaken.

De voorzitter: Nu komen de resterende toezeggingen van vandaag.

  • De Staatssecretaris van Economische Zaken zal de uitkomst van het onderzoek naar het op straat komen te liggen van de vertrouwelijke gegevens over de afzetcijfers van gewasbeschermingsmiddelen delen met de Kamer.

  • De Staatssecretaris van Economische Zaken zal voor de zomer van 2016 de voortgangsrapportage over een gelijk speelveld in Europa naar de Kamer sturen.

  • In die rapportage gaat hij ook in op laagrisicomiddelen en variabele labeling.

  • De Staatssecretaris van Economische Zaken zal voor de zomer de rapportage over overtredingen met gewasbeschermingsmiddelen naar de Kamer sturen, met daarbij ook de meest recente cijfers.

  • Tot slot de toezegging dat de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu ook voor de zomer informatie naar de Kamer zal sturen over het vervolg van de wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Ook hierbij knikt de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Dijksma: Er komen twee dingen, voorzitter. Er komt een publicatie van de regeling. We hopen die rond 15 maart te hebben. Daarbij wordt dan ook het advies van de Raad van State openbaar. Vervolgens heeft de Kamer mij, onder andere bij monde van de heer Grashoff gevraagd, hoe we nu verdergaan met particulier gebruik. Toen heb ik gezegd dat ik op dat punt voor de zomer terugkom bij de Kamer. Zo zit het.

De voorzitter: Dank u wel voor de verduidelijking, Staatssecretaris. Dat wordt zo genoteerd.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Volgens mij was er nog een toezegging, namelijk de check bij Europa door Staatssecretaris Van Dam naar aanleiding van de vraag van collega Grashoff.

De voorzitter: Volgens mij heb ik die genoemd. Als ik het niet heb opgelezen, komt die er in ieder geval aan. Dat is zojuist bevestigd.

Ik dank iedereen op de publieke tribune, de mensen thuis, beide Staatssecretarissen en hun teams en ook de Kamerleden. Ik wens iedereen een gezegende avond en een behouden thuiskomst.

Sluiting 16.59 uur.

Volledige agenda

1. Uitstel toezending van een toelichting op het gelijke speelveld van Nederland met omringende EU lidstaten en wederzijdse erkenningen van gewasbeschermingsmiddelen

Kamerstuk 27 858, nr. 299 – Brief regering d.d. 13-03-2015

Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

2. Gelijk speelveld van Nederland met omringende landen en wederzijdse erkenningen van gewasbeschermingsmiddelen

Kamerstuk 27 858, nr. 310 – Brief regering d.d. 12-05-2015

Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

3. Moties en toezeggingen gewasbeschermingsmiddelen

Kamerstuk 27 858, nr. 309 – Brief regering d.d. 12-05-2015

Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

4. Kassacheck voor bestrijdingsmiddelen

Kamerstuk 27 858, nr. 308 – Brief regering d.d. 12-05-2015

Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

5. Stand van zaken toezeggingen omwonenden en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

Kamerstuk 27 858, nr. 311 – Brief regering d.d. 18-05-2015

Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

6. Planning zuiveringsplicht glastuinbouw

Kamerstuk 32 627, nr. 19 – Brief regering d.d. 23-06-2015

Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

7. Reactie op verzoek van het lid Smaling, gedaan tijdens de regeling van werkzaamheden van 16 juni 2015, over ontwikkelingen ten aanzien van onkruidbestrijdingsmiddelen op basis van de werkzame stof glyfosaat

Kamerstuk 27 858, nr. 319 – Brief regering d.d. 25-06-2015

Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

8. Equivalent certificaat «Extensieve teelt op klei»

Brief regering d.d. 29-06-2015

Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

9. Invulling enkele moties en toezeggingen over gewasbeschermingsmiddelen

Kamerstuk 27 858, nr. 323  – Brief regering d.d. 10-07-2015

Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

10. Reactie op de motie van het lid Jacobi (Kamerstuk 27 858, nr. 288) en op de motie van het lid Lodders c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 282) inzake planmatige aanpak knaagdierbestrijding

Kamerstuk 27 858, nr. 322 – Brief regering d.d. 02-07-2015

Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

11. Relatie toelatingsbeleid gewasbeschermingsmiddelen/Nitraatrichtlijn en Kaderrichtlijn Water en uitvoering diverse moties gewasbeschermingsmiddelen

Kamerstuk 27 858, nr. 326 – Brief regering d.d. 15-10-2015

Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

12. Reactie op het bericht «Monsanto vervalst studies Roundup» en op bericht EFSA over glyfosaat

Kamerstuk 27 858, nr. 343 – Brief regering d.d. 18-12-2015

Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

13. Normoverschrijdingen imidacloprid in oppervlaktewater en het EASAC-rapport over neonicotinoïden

Kamerstuk 27 858, nr. 344 – Brief regering d.d. 14-01-2016

Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

14. Reactie op het artikel «Gifmix op gensoja gevaar voor gezondheid»

Kamerstuk 27 858, nr. 345 – Brief regering d.d. 19-01-2016

Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

15. Verslag van een schriftelijk overleg over gewasbeschermingsmiddelen

Kamerstuk 27 858, nr. 363 – Brief regering d.d. 15-02-2016

Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

16. Terugdringen gebruik bestrijdingsmiddelen door particulieren en uitvoering van de motie van de leden Leenders en Koşer Kaya over de beschikbaarheid van alternatieve onkruidbestrijdingsmiddelen

Kamerstuk 27 858, nr. 347 – Brief regering d.d. 16-02-2016

Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

17. Reactie op verzoek van het lid Koşer Kaya, gedaan tijdens de regeling van werkzaamheden van 16 februari 2016 over het bericht «Verkoop schadelijke pesticiden in Nederland veel hoger dan aangenomen»

Kamerstuk 27 858, nr. 348 – Brief regering d.d. 1-02-2016

Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

Naar boven