Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201627858 nr. 344

27 858 Gewasbeschermingsbeleid

Nr. 344 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 januari 2016

Met deze brief informeer ik u, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, over het rapport van het Centrum voor Milieuwetenschappen van de Universiteit Leiden (CML) over meetgegevens van de neonicotinoïde imidacloprid in het oppervlaktewater (bijlage 1)1 en de acties die aan de hand hiervan zijn genomen.

Daarnaast informeer ik uw Kamer over de bevindingen van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) (bijlage 4a en 4b)2 ten aanzien van het EASAC-rapport over effecten van neonicotinoïden op ecosystemen. Tenslotte ga ik in op de EFSA (European Food Safety Authority) – opinie van eind augustus 2015 ten aanzien van risico’s van neonicotinoïden voor bijen.

In de beleidsnota «Gezonde Groei Duurzame Oogst» (2013) heeft het kabinet haar inzet voor de komende jaren (tot aan 2023) weergegeven, waarbij het de inzet is om te werken aan verdere verduurzaming en innovatie in het gewasbeschermingsmiddelendomein. «Gezonde groei» is noodzakelijk om mens, dier en milieu te beschermen tegen de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen. Tegelijkertijd moet er een blijvend economisch perspectief voor de land- en tuinbouw worden gerealiseerd door de concurrentiekracht te versterken. Gewasbescherming is een randvoorwaarde om hoogwaardige, gezonde en veilige producten te telen.

Eerder is uw Kamer gemeld (Kamerstuk 27 858 nrs. 264, 276, 278, 303 en 304) dat op het neonicotinoïdendossier sinds 2011 veel herbezinning en besluitvorming heeft plaatsgevonden. Het Ctgb heeft een herbeoordeling uitgevoerd in 2011. Daar waar risico’s ten aanzien van bijen werden bevestigd is besloten tot ingrijpen op de toelating. Ook de EFSA heeft vanaf 2012 herbeoordeeld en risico’s geïdentificeerd, dit leidde tot een EU-besluit, vervat in Uitvoeringsverordening (EU) 485/2013. Daarbij zijn alle gewastoepassingen in bij-aantrekkelijke gewassen met uitzondering van wintergranen, de teelt onder glas en de toepassingen ná de bloei ingetrokken. Behandeld zaad mag niet meer gebruik of verhandeld worden per 1 december 2013. Per 30 september 2013 heeft het Ctgb het genomen EU-besluit uitgevoerd, waarbij in Nederland 11 toelatingen zijn ingetrokken en 7 zijn ingeperkt. Ook is gemeld dat ter verder bescherming van het aquatisch milieu door het Ctgb de toelaatbare norm van imidacloprid in oppervlaktewater substantieel is verlaagd. Het besluit dat imidacloprid gezuiverd moet worden in glastuinbouwtoepassingen is per mei 2014 ingegaan.

Zoals ik in de begrotingsbehandeling heb gezegd is mijn ambitie om de voedselproductie en ook de sierteelt en andere vormen van landbouw «natuurlijker» te maken.

Mijn inzet is daarom gericht op een verdere verduurzaming van de gewasbescherming zowel op Europees als nationaal niveau. Cruciaal onderdeel daarvan is de transitie naar een meer duurzaam pakket van gewasbeschermingsmiddelen. Ik zet daarop in onder meer via de Green Deal Groene Gewasbeschermingsmiddelen, via uitbreiding van het middelenpakket met laagrisicomiddelen, alternatieve maatregelen en preventie. Daarnaast gaan we nationaal inzetten op het verder verschuiving binnen het middelenpakket, zowel Europees als nationaal, van hoogrisicomiddelen richting laagrisicomiddelen. Dit wordt opgepakt in de EU-expertgroep Duurzame gewasbescherming die door de Europese Commissie (EC) op verzoek van Nederland is ingesteld. De voortgang wil ik agenderen in de Landbouw- en Visserijraad van juni 2016.

In dit kader is het van belang de verantwoordelijkheidsverdeling goed in het oog te houden. De toelating van gewasbeschermingsmiddelen is sterk Europees gereguleerd. De Raad besluit op voorstel van de EC over de goedkeuring van stoffen. Van groot belang daarbij is de rol van EFSA. De EFSA (her-)beoordeelt op basis van een wetenschappelijk toetsingskader welke stoffen binnen de Europese Unie kunnen worden goedgekeurd. Vervolgens moeten de middelen gebaseerd op de goedgekeurde stoffen per toepassing nog worden beoordeeld en toegelaten door lidstaten. In Nederland is het Ctgb de autoriteit voor deze toelating. Zij beoordelen middelen conform het door de overheid aangereikte Europees goedgekeurd toetsingskader. Waar ik het Ctgb kan vragen middelen opnieuw te beoordelen, dan wel de EFSA kan wijzen op nieuwe wetenschappelijke inzichten, is het aan deze organisaties om de beschikbare informatie te beoordelen en aan te geven welke middelen wel of niet toegelaten kunnen of kunnen blijven worden.

Het Ctgb is gevraagd op basis van de hierboven genoemde wetenschappelijke ontwikkelingen en rapporten van CML en EASAC advies uit te brengen en daarbij verzocht aandacht te schenken aan de consequenties, indien nodig, van deze nieuwe gegevens voor de bestaande toelatingen gelet op het Europese en het nationale juridische kader. In eerdere, vergelijkbare kwesties heeft de Nederlandse inzet in samenspraak met andere lidstaten en met de Europese Commissie (EC), geleid tot het ingrijpen in de toelating van deze middelen, zoals door het stellen van aanvullende risicobeperkende voorschriften of door het intrekken van de toelating.

CML-rapport «Analyse van imidacloprid in het oppervlaktewater»

Het rapport van CML (bijlage 1) bevat de meest recente meetgegevens (tot en met het eerste kwartaal 2015) van imidacloprid in het oppervlaktewater in vijf regio’s in Nederland met een relatief grote bijdrage aan de normoverschrijdingen van imidacloprid in het oppervlaktewater. De gegevens zijn getoetst aan drie milieunormen voor het oppervlaktewater voor imidacloprid.

Het CML concludeert:

  • De resultaten van de percentages normoverschrijdende meetpunten op jaarbasis:

Norm

Normoverschrijdende meetpunten in 2010 (%)

Normoverschrijdende meetpunten in 2013 (%)

Normoverschrijdende meetpunten in 2014 (%)

Toelatingscriterium

80%

90%

>90%

JaarGemiddelde MilieuKwaliteitsNorm

47%

>47%

47%

Maximaal Aanvaardbare Concentratie MilieuKwaliteitsNorm

<47%

<47%

47%

  • Na standaardisatie van de resultaten geldt voor alle drie getoetste normen dat de gestandaardiseerde percentages overschrijdingen in 2014 niet-significant verschillend zijn van 2013 of 2010. Het Toelatingscriterium is de strengste norm.

  • Er zijn grote verschillen tussen regio’s in niveau en het verloop in de tijd van de imidacloprid-concentraties. Zo hebben de kassenregio’s de hoogste percentages en het verloop ervan vertoont geen of beperkte afname, in tegenstelling tot de overige regio’s (bloembollen, boomteelt), waar de percentages veelal lager zijn en de afnames over de gehele periode veelal groter zijn.

  • De gemiddelde concentraties voor de regio’s gecombineerd in 2014 is 0,038 μg/L hetgeen een indicatie is voor een lichte daling in vergelijking met 2013 en 2010. Deze daling is onvoldoende om tot een verbetering te leiden in de percentages normoverschrijdende meetpunten. Uit de aanvullende analyse naar het verloop van de concentraties van imidacloprid voor beide kassenregio’s door het jaar heen blijkt dat geen duidelijke verlaging optreedt van de gemiddelde maand- of jaarconcentraties imidacloprid na de invoering van zuiveringsmaatregel per 1 mei 2014.

Ctgb-bevindingen naar aanleiding van het CML-rapport

Ik heb het CML-rapport voorgelegd aan het Ctgb en daarbij gevraagd de toelating van imidacloprid te heroverwegen gelet op de ernstige normoverschrijdingen die het CML constateert. De bevindingen van het Ctgb zijn met het RIVM afgestemd (bijlage 2)3.

Het Ctgb concludeert het volgende (citaat):

  • Op basis van de beschikbare data kan geen duidelijke afname van de concentraties imidacloprid in het oppervlaktewater worden geconstateerd.

  • Hierbij speelt een beperkte naleving van de gestelde zuiveringseisen mogelijk een belangrijke rol.

  • Inmiddels zijn de toepassingsvoorwaarden aangescherpt (gecontroleerde levering). Dit moet ertoe leiden dat de naleving verbetert.

  • Wanneer dan blijkt dat de genomen maatregelen onvoldoende effect hebben op de concentratie imidacloprid in het oppervlaktewater, zal het College ofwel adviseren over beperking van het gebruik, ofwel zelf maatregelen treffen ten aanzien van de toelating als zodanig.

Kabinetsreactie

Het CML-rapport laat geen trendbreuk zien in de cijfers ten opzichte van eerdere jaren, voor zowel het toelatingscriterium als de waterkwaliteitsnormen. De concentratie imidacloprid in het oppervlaktewater is in de onderzochte regio’s te hoog om aan de normen te voldoen. Ik vind deze normoverschrijdingen onacceptabel en acht verdergaande maatregelen noodzakelijk indien met de al genomen maatregelen niet op zeer korte termijn de overschrijdingen zijn verminderd.

Om die reden heb ik het Ctgb dan ook verzocht om de toelating te heroverwegen.

a. Ingrijpen op de toelating

Het Ctgb heeft in januari 2014 ingegrepen in bestaande toelatingen zodanig dat middelen op basis van imidacloprid in de glastuinbouw slechts nog kunnen worden gebruikt op bedrijven waarvan het afval- en drainagewater gezuiverd wordt, voordat het wordt geloosd. Dit om emissies naar oppervlaktewater te voorkomen. Dit besluit is in mei 2014 van kracht geworden. Naar verwachting zou daarmee het aantal normoverschrijdingen van imidacloprid in glastuinbouwgebieden moeten dalen. De CML-cijfers laten dat echter niet zien.

Het Ctgb onderkent dat op basis van de huidige gegevens geen trendbreuk in concentraties imidacloprid kan worden aangetoond. Gezien de beperkte dataset en de beperkte meetperiode (tot maart 2015) die is onderzocht, constateert het Ctgb dat hieruit op dit moment onvoldoende kan worden afgeleid dat niet meer wordt voldaan aan de eisen voor het toelaten van een middel. Het college meent dat er op dit moment geen aanleiding is voor verder ingrijpen in de toelating.

Gegeven de bevindingen van het CML is, mede op initiatief van de toelatingshouders, het Ctgb direct verzocht om een tijdelijke maatregel te introduceren, namelijk «gecontroleerde distributie» en deze te verplichten via het etiket. Dat betekent dat een middel op basis van imidacloprid slechts mag worden verkocht voor gebruik in de glastuinbouw, als door de toepasser wordt aangetoond dat er zuivering plaatsvindt die de emissie sterk beperkt. Hierdoor ontstaat in beginsel een sluitend systeem van levering en gebruik. Alle distributeurs van de middelen worden via de Stichting CDG (Certificatie Distributie in Gewasbeschermingsmiddelen) verplicht hierop toe te zien. De maatregel gecontroleerde distributie is per 1 augustus 2015 van kracht geworden.

Ten aanzien van de mogelijkheden tot ingrijpen op de toelating van imidacloprid heeft het Ctgb het volgende aangegeven (bijlage 3)4: op basis van een aanvullende monitoringsrapportage in de periode ná maart 2015 tot maart 2016 kan worden beoordeeld wat het effect is geweest van de maatregelen. Als blijkt dat de gehaltes imidacloprid in het oppervlaktewater (sterk) afnemen kunnen de toelatingen onder de huidige beperkende voorwaarden worden gehandhaafd. Zo niet, dan overweegt het College, afhankelijk van de uitkomst, artikel 44 – als de gehaltes imidacloprid in oppervlaktewater niet of onvoldoende dalen – of artikel 71 – als de gehaltes (sterk) zijn gestegen – van de EU Verordening 1107/2009 toe te passen. Artikel 44 gaat over het intrekken of wijzigen van een toelating, als niet meer wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden die zijn vastgelegd in de EU Verordening 1107/2009 voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Daarbij moeten de toelatingshouder, de andere lidstaten, de Europese Commissie (EC) en de EFSA direct worden ingelicht. Er is hoor en wederhoor, vóór de maatregelen van kracht worden. In artikel 71 is de noodprocedure vastgelegd, waarbij een lidstaat direct beschermende maatregelen neemt en onverwijld de andere lidstaten en de EC ervan in kennis stelt. Binnen 30 dagen moet de EC reageren.

Het Ctgb geeft aan dat het monitoringstijdvak nauw luistert, evenals de naleving van de maatregelen. Daarom adviseert het Ctgb om een vervolganalyse van de monitoringsgegevens in het oppervlaktewater tot maart 2016 en een nalevingsrapportage op te laten stellen. Afhankelijk van de uitkomsten hiervan zal het Ctgb, conform artikel 44, een herbeoordeling van de middelen in gang zetten. Deze herbeoordeling kan leiden tot de intrekking van de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen op basis van imidacloprid voor de glastuinbouw.

b. Gebruiksverbod

Ten behoeve van verdere maatregelen heb ik de NVWA gevraagd een nalevingsrapportage op te stellen, inclusief de bevindingen van de handhaving. Verder zal ik een vervolganalyse van de monitoringsgegevens tot maart 2016 in het oppervlaktewater laten opstellen. Deze door CML uitgevoerde analyse is naar verwachting eind mei beschikbaar.

Mocht uit de bevindingen van deze rapportages blijken dat de genomen maatregelen onvoldoende effect hebben en de normoverschrijdingen van imidacloprid in het oppervlaktewater in de glastuinbouwgebieden niet substantieel zijn afgenomen, dan is het risico voor het (aquatisch) milieu zo groot dat ik verdere maatregelen noodzakelijk acht.

Als het Ctgb niet kan ingrijpen op de toelating, zal ik een gebruiksverbod van middelen op basis van imidacloprid in de glastuinbouw instellen. Daartoe bereid ik alvast een AMvB voor.

Ctgb bevindingen op het EASAC-rapport over neonicotinoïden

Zoals in de brief van 10 april 2015 (Kamerstuk 27 858, nr. 304) is gemeld, is het Ctgb verzocht op basis van het EASAC-rapport de toelatingen van neonicotinoïden in Nederland te herbeoordelen en zo spoedig mogelijk te melden of dit onderzoek het Ctgb aanleiding geeft tot ingrijpen in de toelatingen.

Het Ctgb heeft het EASAC-rapport bestudeerd en geanalyseerd, daarvoor verwijs ik naar de uitvoerige bevindingen in bijlage 4a en 4b. De conclusies van het Ctgb volgen de onderstaande lijn:

  • De brede, integrale visie die het EASAC-rapport voorstaat, waarvan diverse aspecten zoals landbouw, biodiversiteit, IPM (Integrated Pest Management) en risicobeoordeling onderdeel van uitmaken, wordt ondersteund.

  • Op basis van de bevindingen van het EASAC-rapport is geen direct risico vast te stellen voor het gebruik van in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Er is zodoende geen aanleiding om op dit moment in te grijpen in bestaande toelatingen.

  • Het Ctgb stelt vast dat een versoepeling van de bestaande beperkende maatregelen en aanscherpingen in de toelatingen, zoals die in de EU en Nederland eerder al zijn genomen, nu eveneens niet aan de orde is.

  • Ondanks dat niet alle onderwerpen van het EASAC-rapport specifiek onderdeel uitmaken van het huidige toetsingskader en dankzij genoemde zaken als de in 2013 ingestelde restricties op het gebruik van neonicotinoïden – is de risicobeoordeling van de bestaande toelatingen conform ditzelfde toetsingskader dermate robuust dat het risico als acceptabel kan worden beschouwd.

Afsluitend doet het Ctgb vier aanbevelingen die raken aan toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen en verband houden met de brede analyse in het EASAC-rapport:

  • - Bespoedigen van bestaande ontwikkelingen in EU richtsnoeren, zogenaamde guidance documents voor risicobeoordelingen

  • - Toezien op verdere verbeteringen binnen het toetsingskader

  • - Agenderen van onderwerpen om het toetsingskader verder te verbeteren

  • - Inspannen om inzichten op te nemen in het brede kader van de landbouw

Kabinetsreactie

In de brief van 10 april 2015 (Kamerstuk 27 858, nr. 304) is aangegeven dat Eurocommissaris Andriukaitis (SANTE) is verzocht het EASAC-rapport te laten beoordelen door de EFSA. De EC heeft laten weten dat de EFSA dit rapport in de lopende beoordelingstrajecten van de neonicotinoïden meeweegt.

Zoals in de brieven van 14 mei 2013 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 707),

17 april 2014 (Kamerstuk 27 858, nr. 264) en 27 oktober 2014 (Kamerstuk 27 858, nr. 276) is aangegeven, volgt uit het Europese en nationale juridisch kader dat er – om in te grijpen in toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen – aanwijzingen moeten bestaan, die wetenschappelijk onderbouwd zijn, dat niet langer wordt voldaan aan de goedkeurings- of toelatingscriteria van respectievelijk werkzame stoffen of gewasbeschermingsmiddelen, waardoor er onaanvaardbare risico’s ontstaan. Het Ctgb wijst er in de bevindingen ten aanzien van het EASAC-rapport op dat dit rapport geen nieuwe feiten of inzichten bevat van zodanige aard dat deze nopen tot ingrijpen. Het is goed te constateren dat de bestaande beperkingen en aanscherpingen van de toelatingen die eerder zijn genomen de bekende risico’s vooralsnog afdoende hebben geadresseerd. Het EASAC-rapport maakt evenwel duidelijk dat deze eerder genomen maatregelen moeten worden doorgezet. Het Ctgb heeft mij laten weten dat de bestaande beperkingen en aanscherpingen van de Nederlandse toelatingen in de huidige vorm mede daarom allen blijven bestaan.

Het Ctgb doet op basis van het EASAC-rapport verder een aantal aanbevelingen op het terrein van het toetsingskader. Ik vind het van belang dat de (Europees geharmoniseerde) toetsingskaders zich op basis van wetenschappelijke informatie blijven ontwikkelen. In lijn met alle aanbevelingen van het Ctgb zet ik mij daar op nationaal en Europees niveau op de volgende manieren actief voor in:

  • Om het «richtsnoer bijen» snel, uitvoerbaar en robuust te verankeren in het toetsingskader heeft Nederland – samen met de EC – een workshop georganiseerd in december 2013, waaruit in 2014 een Roadmap voor correcte invoering is voortgekomen die binnen de EC ter besluitvorming voorligt. Ik vind het van belang dat nu snel besluitvorming hierover door de EC plaatsvindt en zal de EC hier per brief om verzoeken.

  • Nederland levert actief een belangrijke bijdrage aan nieuwe toetsingsmethoden om het toetsingskader te verbeteren, bijvoorbeeld om chronische (subletale) effecten op wilde bijen te kunnen toetsen. Dit doen we door gespecialiseerde kennis te leveren, bijvoorbeeld over aanvullende potentiële blootstellingsroutes, en er vervolgens op aan te dringen deze kennis ook in het toetsingskader mee te nemen.

  • Ook draagt Nederland (zie ook Kamerstuk 27 858, nr. 362) samen met de EFSA bij aan het ontwikkelen van beoordelingsmethoden voor cumulatieve effecten van gewasbeschermingsmiddelen die vervolgens moeten indalen in het EU-toetsingskader.

Ten aanzien van de vierde aanbeveling van het Ctgb verwijs ik naar de brieven aan uw Kamer van 30 oktober 2014 (Kamerstuk 27 858, nr. 276) en 2 december 2014 (Kamerstuk 27 858 nr. 279) waarin de inzet is gemeld voor het realiseren van de transitie naar een versnelling van de vergroening van gewasbescherming en naar een voedselproductie die minder afhankelijk is van risicovolle gewasbeschermingsmiddelen. Daar hoort bevorderen en versnellen van geïntegreerde gewasbescherming bij, naast een duurzaam middelenpakket met lager risico. Dit wordt bereikt via uitbreiding ervan met biologische, natuurvriendelijke en andere alternatieve middelen met een lager risico en een goede landbouwpraktijk en tegelijkertijd via het terugdringen van risicovollere gewasbescherming. In Nederland heeft mijn ambtsvoorganger een Green Deal Groene Gewasbeschermingsmiddelen met onder andere LTO en Nefyto gesloten. Deze Deal beoogt de toelating van «groene» laagrisico gewasbeschermingsmiddelen in Nederland te bevorderen. In de EU zet ik me in voor een actieplan om tot een versnelde verduurzaming te komen, samen met gelijkgestemde lidstaten. Op Nederlands verzoek is hiervoor in december 2015 een expertgroep ingericht, waarin de acties verder worden uitgewerkt, om onder mijn voorzitterschap deze zomer tot een implementatieplan te komen. Ik zal uw Kamer van de voortgang op de hoogte houden.

EFSA-opinie risico’s voor bijen door spuittoepassingen neonicotinoïden

Tenslotte meld ik u dat er op 26 augustus 2015 een EFSA-opinie is gepubliceerd aangaande het risico voor bijen bij spuittoepassingen van drie neonicotinoïden. Daarin geeft de EFSA aan dat voor de drie neonicotinoïden (clothianidin, thiamethoxam en imidacloprid) na herbeoordeling is geconcludeerd:

  • 1. Er is een hoog risico vastgesteld of kan niet worden uitgesloten op basis van beschikbare gegevens.

  • 2. Eerder is ingegrepen in de toelatingen (2013), waarbij al een verbod voor spuittoepassingen is uitgevaardigd op voor bijen aantrekkelijke gewassen en voor granen, met uitzondering van kastoepassingen.

Deze EFSA-conclusies zijn in opdracht van de EC opgesteld en – conform het geldende Europese proces – aan de lidstaten en toelatingshouders voorgelegd, met de oproep om (studie)gegevens te leveren in september 2015 («call for data»). Op dit moment wordt op EU-niveau bezien of de maatregelen die in 2013 op Europees niveau zijn genomen om de toepassing van neonicotinoïden te beperken en zo bijen beter te beschermen, voldoende zijn of dat aanvullende maatregelen nodig zijn.

In Nederland zijn, op basis van deze Europese maatregelen, spuittoepassingen van de onderzochte neonicotinoïden in voor bijen aantrekkelijke gewassen sinds 2013 verboden. Gezien de aard van de conclusies van de EFSA heb ik het Ctgb gevraagd om op basis van deze EFSA-opinie de toelating en gebruiksvoorschriften te herbeoordelen.

Overigens kan ik u melden dat het Ctgb in augustus 2015 besloten heeft dat, op basis van nieuw Deens en Nederlands onderzoek, ook de aardappel als «bij-aantrekkelijk gewas» wordt geclassificeerd. Dit is ook in de EU onder de aandacht gebracht. Op basis van deze classificatie is door het Ctgb besloten één voor bijen risicovolle toepassing op aardappel niet toe te laten. Tevens is van een andere toepassing, die onderwerp was van een bezwaarprocedure, de toelating ingetrokken. Tegen deze intrekking is door de toelatingshouder een Voorlopige Voorziening aangevraagd bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) met de eis tot schorsing van deze intrekking. Het College van Beroep heeft in zijn uitspraak van 18 december 2015 de eis van de toelatingshouder afgewezen. Andere bestaande toepassingen van insecticiden op aardappelen, niet alleen op basis van neonicotinoïden, zullen op basis van artikel 44 van de Verordening eveneens door het Ctgb worden herbeoordeeld.

Ook kan ik u mededelen dat op dezelfde datum het CBB uitspraak heeft gedaan in een Voorlopige Voorziening aangevraagd door de Bijenstichting met de eis de toelating van een groot aantal middelen op basis van neonicotinoïden te schorsen. Het CBB heeft deze eis van de Bijenstichting afgewezen.

Samenhang met hoofdlijnenakkoord zuivering

In het voortgezet Algemeen Overleg Landbouw, inclusief mestbeleid van 14 oktober 2015 is door mijn ambtsvoorganger toegezegd in te gaan op de relatie van de genomen maatregelen voor imidacloprid met het generieke beleid ten aanzien van de waterzuivering in de glastuinbouw.

Het genoemde hoofdlijnenakkoord is tot stand gekomen met verschillende partijen en wordt nu met instemming van alle partijen uitgevoerd. U bent hierover apart geïnformeerd op 12 oktober 2015 (Kamerstuk 32627. nr. 20) door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, mede namens mij. Er wordt aangegeven dat de zuiveringsverplichting (met minimaal 95%) voor de glastuinbouwsector ten opzichte van de eerdere planning wordt verschoven naar 1 januari 2018. Het hoofdlijnenakkoord is erop gericht om hieraan gezamenlijk invulling te geven en introduceert geen andere maatregelen dan de uitgestelde zuiveringsplicht.

Voor de specifieke werkzame stof imidacloprid is afgesproken dat deze buiten het hoofdlijnenakkoord valt. Door de betrokken partijen is tijdens het bestuurlijk overleg nadrukkelijk gesteld dat de bestaande zuiveringsplicht voor imidacloprid niet ter discussie staat.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
4

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl