26 485 Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Nr. 141 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 2 mei 2012

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, de vaste commissie voor Financiën, de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie hebben op 11 april 2012 overleg gevoerd met staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over:

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 23 november 2011 over inspanningen van het bedrijf C&A op het gebied van betere arbeidsomstandigheden en het Sumangalisysteem in de Zuid-Indiase textielsector (26 485, nr. 113);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 23 december 2011 inzake schriftelijke beantwoording vragen n.a.v. het AO Maatschappelijk verantwoord ondernemen (26 485, nr. 122);

  • de brief van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 30 januari 2012 over het Rapport 2011 van de Monitoringcommissie Corporate Governance Code (31 083, nr. 43);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 6 februari 2012 over maatschappelijk verantwoord ondernemen en resultaten transparantiebenchmark 2011 (26 485, nr. 123);

  • de brief van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 14 februari 2012 over de gedragscode eerlijke handelspraktijken (31 531, nr. 19);

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 24 februari 2012 houdende de reactie op het verzoek van de cie BuZa inzake het artikel in de Groene Amsterdammer «Shell betaalt leger Nigeria» o.a. in verband met de OESO-richtlijnen over maatschappelijk verantwoord ondernemen (26 485, nr. 125);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 27 maart 2012 houdende informatie over het voornemen tot (mede-)oprichting door de Staat der Nederlanden van een vereniging naar Nederlands recht ter ondersteuning van het internationale collectief «Initiative on the Voluntary Principles on Security and Human Rights» (33 226, nr. 1);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 29 maart 2012 over ontwikkelingen in het mvo-beleid en over de bevordering van de naleving van de OESO-richtlijnen (26 485, nr. 126).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Van der Ham,

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Albayrak

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Aptroot

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van Gent

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, De Roon

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Franke

Voorzitter: Ziengs

Griffier: Blacquière

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Ziengs, Gesthuizen, Smeets, Voordewind, Koppejan, Braakhuis, Schaart en Verhoeven,

en staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Welkom. De spreektijd bedraagt vier minuten per spreker en eenieder mag in eerste termijn tweemaal interrumperen.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Voorzitter. Ik begin met een paar citaten. «Door handelsrelaties is Nederland beter in staat mensenrechten aan de orde te stellen en te helpen verbeteren. Bedrijven kunnen invloed aanwenden om omstandigheden in de landen waar zij werken te verbeteren en een klimaat te creëren waar de bescherming en bevordering van mensenrechten en fundamentele vrijheden in acht worden genomen.» «Wij hebben het over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Neem bijvoorbeeld kinderarbeid. In de mensenrechtenstrategie zijn wij overeengekomen dat Nederland het voortouw zal nemen bij het bestrijden van alle vormen van kinderarbeid. Wij kijken ook naar handelsmaatregelen. Op ons voorstel is de Europese Commissie bezig met een onderzoek naar de mogelijkheden om handelsmaatregelen in te zetten bij de bestrijding van de ergste vormen van kinderarbeid. Uiteindelijk zouden in onze winkels alleen kinderarbeidvrije producten moeten liggen. Niemand wil een spijkerbroek die door kinderhanden is gemaakt. Consumenten moeten dan wel bewust kunnen kiezen. Zij zouden gebaat zijn bij een duidelijk keurmerk voor producten die zonder kinderarbeid zijn gemaakt. Hiervoor zouden overheid en bedrijfsleven zich samen sterk moeten maken. Ik hoop dat dit vandaag aan de orde komt. Principieel, wanneer het gaat om de plicht van de overheid om mensenrechten te beschermen en de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven om deze te respecteren, en pragmatisch in zijn visie op de beste rolverdeling tussen overheid, bedrijfsleven en maatschappelijk middenveld om die principes in praktijk te brengen.» De laatste woorden zijn van minister Verhagen, indertijd minister van Buitenlandse Zaken, over het rapport van Ruggie.

Ik vind het huidige kabinet wel erg stil over maatschappelijk verantwoord ondernemen, met uitzondering van 16 maart jongstleden, bij de Food First Conventie, waar de staatssecretaris aangaf dat er geen foute bedrijven mee mogen op handelsmissie. Hoever wil hij daarbij gaan? Hij gaf een voorbeeld van een bedrijf dat zich schuldig had gemaakt aan land grabbing in Kenia. Dat bedrijf mocht niet meer mee, maar hoe zit het met andere bedrijven? Hoe hoog ligt de lat? Hoe staat het met de implementatie van Ruggie en de voornemens van het vorige kabinet op de terreinen van Buitenlandse Zaken en EL&I?

Ik kom op C&A en het Sumangalisysteem. Het is wat vreemd. Ik heb zelf diverse gesprekken met C&A gevoerd. C&A is een bedrijf als vele, die hun kledingproductie uitbesteden aan een land als India, omdat het werk daar goedkoper gedaan kan worden. Vervolgens zegt men dat men er last van heeft dat men eigenlijk niet zo goed in de gaten heeft hoe het proces met die toeleveranciers zich precies afspeelt. Dat kan men niet controleren. Dat lijkt mij zeer onwenselijk. Men kiest er zelf voor om de productie uit te besteden, naar ik aanneem om bedrijfseconomische redenen. Het is daar gewoon goedkoper. En vervolgens verschuilt men zich achter het feit dat men het allemaal niet kan weten. Ik vind dat krom. Wat is de reactie van de staatssecretaris?

Ik kom op het Initiatief Duurzame Handel. Het is prachtig dat er tegenwoordig zoveel groene chocoladeletters zijn, maar ik heb rond de afgelopen Pasen om mij heen gekeken en volgens mij halen wij die 95% nog lang niet. Er is heel veel aandacht voor – ik noem de Groene Sint, de publiciteit en de betrokkenheid van de politiek – maar hoe zit het met de groene eitjes? Wordt er vooral gekeken naar de zaken waaraan aandacht wordt besteed en doet men het voor de rest wat rustiger aan? Ik heb voor de staatssecretaris foto's meegenomen van Pieter Hugo, die op dit moment exposeert in het Haagse Fotomuseum, waar ik maandag geweest ben. Ik wil ze straks graag van hem terug, want ik ben niet de rechthebbende. Het gaat om foto's van een vuilstortplaats in Ghana, waar jonge mensen allerlei smerige troep verbranden om de metalen die erin zitten te vergaren. Het gaat om onze oude elektronica. De mensen staan mooi op de foto's, maar ze staan in verschrikkelijke walmen. Je vraagt je af of er binnen het Initiatief Duurzame Handel geen plek kan zijn voor het dumpen van oude elektronica. Volgens mij is zo'n plek er nog steeds niet. Wil de staatssecretaris zich daarvoor hard maken?

Ik vind het jammer dat het binnen de gedragscode niet mogelijk bleek om de handen op elkaar te krijgen op het punt van de inkoopmacht. Wat nu? Er wordt gezegd dat er ijkpunten zijn om verder te gaan, maar wat moet ik aan ondernemers laten weten die zeggen dat zij nog steeds worden geconfronteerd met bedrijven die achteraf contracten opzeggen?

Mijn laatste punt mag niet onbesproken blijven: Shell in de Nigerdelta. Wat hebben de gesprekken met Nigeria tot dusver opgeleverd? Is het niet nodig om dit plan definitief naar het EU-niveau te trekken?

Mevrouw Smeets (PvdA): Voorzitter. De PvdA is kritisch. Het kabinet vindt mvo belangrijk, maar daar blijkt in de praktijk weinig van. Mijn fractie is bezorgd dat wij langzamerhand onze positie verliezen. Wij liepen voorop, maar lopen wij straks niet achteraan?

Ik zal mijn kritische houding toelichten. Wij kunnen niet in mooie woorden blijven hangen. Daarom hebben collega Gesthuizen en ik een motie ingediend, die breed is ondersteund, om het mvo-beleid in een stappenplan te concretiseren, een stappenplan met doelstellingen en een tijdpad. Zo moeten wij inzicht krijgen in de manier waarop het bedrijfsleven de vernieuwde OESO-richtlijnen en de VN-principes integreert. Ik ben enorm teleurgesteld in de brief van de staatssecretaris van 29 maart. Er is geen stappenplan en er is geen tijdpad. Kortom, de motie is niet uitgevoerd. Graag een reactie.

Ik maak een opmerking over de formuleringen in de brief van 29 maart. Op pag. 3 staat: «Doel is dat bedrijven adequaat inzicht verwerven in de potentiële effecten van een onderneming op mensenrechten in de context van het betreffende land en de sector, en op basis daarvan hun eigen verantwoordelijkheid nemen om eventuele negatieve effecten te vermijden.» Deze formuleringen zijn niet terug te vinden in de OESO-richtlijnen. Die contextuele nuancering van land en sector strookt absoluut niet met de duidelijke tekst van de OESO. In de richtlijnen staat dat bedrijven ongeacht hun grootte, sector, operationele context, eigenaarschap en structuur mensenrechten moeten respecteren, waar ter wereld ook actief. Graag een uitgebreide reactie van de staatssecretaris.

Het zou de Nederlandse regering sieren als zij op basis van de door haar omarmde VN-principes systematisch in kaart brengt hoe zij haar duty to protect tegen het schenden van mensenrechten het beste kan uitvoeren.

Op handelsmissies mogen geen bedrijven mee die verdacht zijn of die zich niet houden aan de OESO-richtlijnen. Hoe controleren wij dat? Als wij goed zijn geïnformeerd, gaat de minister van VWS binnenkort naar India. Hoe is geborgd dat mvo daarbij op de agenda staat?

Ik kom op de transparantiebenchmark. Wij lopen niet voorop. In het vorige AO hebben wij gezegd dat wij moeten bekijken of wij het investeringsbeleid van de banken ook kunnen opnemen als criterium bij de transparantiebenchmark. De staatssecretaris omarmde dat idee, maar wanneer wordt het geëffectueerd? Wij lezen dat eind 2012 de criteria worden opgesteld. Wanneer moeten zij worden toegepast? Indien er nog wordt gekeken naar andere criteria, dan willen wij een lans breken voor de positie van vrouwen binnen bedrijven en in de keten van ontwikkelingslanden en opkomende markten.

Het kabinet heeft geen haast om Shell op zijn verantwoordelijkheden te wijzen, getuige de brief van de minister van Buitenlandse Zaken naar het Amerikaanse Hooggerechtshof. Het kabinet steunt Ruggie, maar deze handelswijze lijkt hiermee ernstig in strijd te zijn. Waarom pakt Nederland deze kwestie niet op? In de zaak die in Amerika dient, pogen twaalf Nigerianen schadeherstel van Shell te krijgen. Volgens hen is Shell medeplichtig aan mensenrechtenschendingen door de Nigeriaanse overheid in de jaren negentig. Wat is de reactie van de staatssecretaris? Wat de aanpak van de milieuvervuiling aldaar betreft sluit ik mij aan bij de vragen die de SP hierover gesteld heeft.

De minister van Buitenlandse Zaken heeft aangegeven dat regelmatig gesprekken met Shell worden gevoerd over de invulling van mvo. Shell is daar zelf verantwoordelijk voor, aldus het mantra van het kabinet. Hoe kan de Tweede Kamer controleren in hoeverre het een gesprekspunt is tussen Shell en het kabinet?

Wij moeten niet alleen aandacht hebben voor topsectoren, maar ook voor topduurzaamheid. Een passieve houding op dit gebied past niet.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Wij hebben het over een onderwerp waar de Kamer regelmatig over spreekt. Ik vervang mijn collega Schouten met veel passie in deze commissie.

Een jaar geleden heb ik een bezoek aan India gebracht en heb ik met eigen ogen kinderarbeid gezien. Het is zeer schrijnend: kinderen van zes, zeven jaar worden ingezet in steengroeven. Ik heb er foto's van gemaakt en een rapport over geschreven. Ik ben blij dat de staatssecretaris de situatie in de textielsector heeft opgepakt. Hij is zo moedig geweest om dit op niveau aan te kaarten en aan de kaak te stellen. Meestal gebeurt het via diplomatieke kringen, maar hij pakt het op hoog niveau op. Lof daarvoor, maar wij zijn er daarmee nog niet. Wat is er uit het aanbod van de staatssecretaris voortgekomen? Liggen er concrete vragen? Wat gaat de staatssecretaris aanbieden om zijn collega te helpen om die kinderen uit de arbeid te halen? Ik denk met name aan de Dalit-meisjes. Het gaat om kinderen van dertien, veertien jaar die lange werkdagen maken.

C&A zegt dat het zijn best doet. Dat zien wij ook. Als men het tegenkomt, trekt men niet meteen de handen ervan af, maar probeert men er daadwerkelijk wat aan te doen. Meteen met die bedrijven stoppen zou makkelijk zijn, maar een inspanning om de meisjes naar school te leiden is meer te prijzen. Het platform Stop Kinderarbeid pleit er ook voor. Het gaat er niet om dat wij hier schone handen houden, het gaat erom dat die meisjes een kans krijgen op een goede toekomst. Wat doet C&A concreet? Het bedrijf heeft inzicht in de laatste toeleverancier, maar trekt zijn handen af van wat er daarna gebeurt. Men heeft wel ambitie, maar men kan het niet allemaal overzien. Wat doet de staatssecretaris samen met C&A om de hele productieketen kinderarbeidvrij te maken? Er zijn meer bedrijven in de textiel die van kinderarbeid gebruikmaken. Heeft de staatssecretaris daar ook contacten mee?

Ik kom op de hazelnootpluk in Turkije. Ik begrijp dat de staatssecretaris de omstandigheden daar ook heeft aangekaart. Ook daarvan hebben wij een schrijnende reportage in EenVandaag gezien. Men bekeek de verschillen een jaar later. Er bleken een speelplaats en enkele toiletten te zijn opgericht. Dat was het dan. De kinderen werken nog vrolijk mee. Wat kan de staatssecretaris doen tegen Nederlandse bedrijven die de hazelnoten daar vandaan halen? Hoe kunnen wij de bedrijven daar aansporen om de kinderen uit de arbeid te halen? Wij moeten meer doen dan faciliteren of vergemakkelijken. De kinderen daar horen ook gewoon naar school te gaan. Het land wil lid worden van de EU, terwijl duizenden kinderen daar vier à vijf maanden weg zijn van school.

Ik sluit mij kortheidshalve aan bij de vragen over Shell.

De gewijzigde motie-Wiegman-van Meppelen Scheppink (32 500 XIII, nr. 172) over een gesprek met de Raad voor de Jaarverslaggeving over de transparantie van jaarverslagen is niet uitgevoerd. Bij de aanneming van de motie werd verwezen naar Europa, maar inmiddels doet Europa niet meer zo veel op dit gebied. Wat gaat de staatssecretaris doen om de motie alsnog uit te voeren?

Vorig jaar is een motie over eerlijke supermarkten aangenomen met als doelstelling om de huismerken in 2015 bij alle supermarkten duurzaam en eerlijk te krijgen. Ik heb daarover twee gesprekken gevoerd op het ministerie. Er wordt gezegd dat de sector het vooral moet gaan doen, maar de motie vraagt heel duidelijk een betrokkenheid van het kabinet om tot een convenant met de andere supermarkten te komen om in 2015 tot eerlijke producten te komen. Wat gaat de staatssecretaris doen om die motie alsnog uit te voeren?

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Laat ik deze mooie dag beginnen met de staatssecretaris te complimenteren. Wij vinden dat hij in de casus van C&A en het Sumangalisysteem en de tot stand gekomen samenwerking met India duidelijk heeft laten zien hoe je als overheid op een succesvolle wijze mvo-beleid kunt bevorderen. Deze succesvolle aanpak zien wij graag voortgezet bij nog komende missies van dit kabinet, onder andere naar Brazilië, Turkije en China. Zijn de staatssecretaris en zijn collega's in het kabinet bereid om voorafgaand aan deze missies met de deelnemende bedrijven in overleg te treden over mogelijke mvo-onderwerpen die de Nederlandse bewindslieden dan aan de orde kunnen stellen in de te voeren gesprekken? Zo zou mvo standaard onderdeel kunnen uitmaken van de agenda van handelsmissies naar landen waar mvo-onderwerpen actueel zijn, niet alleen van de staatssecretaris maar bijvoorbeeld ook van zijn collega's van I en M. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Tijdens het overleg over het nieuwe topsectorenbeleid is naar aanleiding van opmerkingen van het CDA door de minister toegezegd dat naast duurzaamheid ook mvo een belangrijk toetsingscriterium is voor bedrijven die profiteren van het topsectorenbeleid. Wij vragen ons af hoe dit inmiddels in de praktijk werkt. Wat het CDA betreft hoeft hier niet een heel circus voor te worden opgetuigd. Wij zouden graag zien dat bedrijven die voordelen genieten van de overheid, ongeacht of dat in de vorm is van kredieten, garantstellingen, subsidies of deelname aan handelsmissies, standaard een verklaring dienen af te geven waarin deze bedrijven aangeven te voldoen aan OESO-richtlijnen en bereid zijn zich actief in te zetten voor mvo-beleid en daarover transparant verantwoording af te leggen. Zo'n verklaring kan heel eenvoudig van opzet zijn, zoals eerder is overeengekomen bij de nieuwe Aanbestedingswet. Ik denk met name aan het amendement van collega Ziengs op het gebied van duurzaamheid. Als achteraf blijkt dat zo'n bedrijf zich niet aan de afspraken op het gebied van mvo heeft gehouden, dan zou het bedrijf de grote overheidsvoordelen met een boete moeten terugbetalen. Is de staatssecretaris bereid om zich hiervoor in te zetten en de Kamer op korte termijn terug te rapporteren hoe dit in het overheidsbeleid vorm gaat krijgen?

Mvo is niet alleen iets wat in het buitenland speelt. De overheid is een grote opdrachtgever. Jaarlijks zijn er vele aanbestedingen. Dat biedt mogelijkheden om producten en diensten niet alleen in de beste prijs-kwaliteitverhouding te verwerven, maar ook om in de aanbestedingswensen waar een aanbieder op kan scoren, doelstellingen op te nemen op het gebied van mvo. Meer in het bijzonder kunnen mensen met een achterstand op de arbeidsmarkt extra kansen op werk worden geboden. Dat wordt ook wel social return genoemd. Een jaar geleden heeft de Kamer de motie-Koopmans/Van Hijum aangenomen waarin de overheid wordt opgeroepen om meer werk te maken van toepassing van social return in overheidsaanbestedingen, maar wij krijgen nog niet de indruk dat er sindsdien in veel aanbestedingen van de rijksoverheid concreet invulling hieraan wordt gegeven. In welke mate vormen doelstellingen op het gebied van social return, mvo en duurzaamheid reeds standaard onderdeel in iedere aanbesteding van de rijksoverheid? Hoe zit dat met de aanbesteding van andere overheden en overheidsorganisaties? Wij zien graag dat de staatssecretaris actief aan de slag gaat om criteria als «social return», «duurzaamheid» en «mvo» standaard onderdeel te laten uitmaken van iedere overheidsaanbesteding, zodat de score op deze aspecten kan worden meegewogen in de uiteindelijk toekenning van de opdracht. Wij horen graag van de staatssecretaris de toezegging dat hij hier werk van gaat maken en hierover binnen een halfjaar terugrapporteert aan de Kamer.

De heer Verhoeven (D66): Ik hoorde de heer Koppejan vol elan over mvo en duurzaamheid praten, maar ik herinner mij bij de behandeling van de Aanbestedingswet een amendement van zijn hand waarin heel erg gevreesd werd voor kosten op dit gebied. Is de heer Koppejan niet heel bang dat de kosten, die hij zelf zo graag wil beperken, ineens heel erg gaan oplopen door dit enthousiasme?

De heer Koppejan (CDA): Nee, wat ik zeg is dat duurzaamheid ook kosten met zich brengt als je er niet aan voldoet. Dat moet de heer Verhoeven met mij eens zijn. Als wij niet duurzaam te werk gaan, als wij alleen maar kortzichtig kijken naar de laagste prijs, dan kunnen wij op de lange termijn wel eens duurder uit zijn. Dan plegen wij namelijk roofbouw op kostbare grondstoffen. In die zin vind ik dat duurzaamheid rendeert. Wie goed doet, goed ontmoet. Maatschappelijk verantwoord ondernemen hoeft helemaal niet tegenstrijdig te zijn met winst maken of de beste aanbesteding binnenhalen in de beste prijs-kwaliteitverhouding. Overheden die mvo hoog in het vaandel hebben, moeten dat in de praktijk brengen bij het beoordelen van opdrachten. Zij moeten dat in hun aanbestedingen onder de aandacht brengen. Als een bedrijf zoveel medewerkers in dienst neemt met een beperking of met afstand tot de arbeidsmarkt, dan scoort het hoger in de aanbesteding. Dat kun je meewegen in het toekennen van opdrachten. Daarmee dienen wij twee doelen. Wij krijgen de beste aanbesteding tegen de beste prijs, wij helpen mensen aan werk en wij besparen op uitkeringen. Het is dus een win-win-winsituatie.

De heer Verhoeven (D66): Win-win-win, dat klinkt lekker. Hoe gaat de heer Koppejan voorkomen dat grote bedrijven, die veel makkelijker aan dit soort eisen kunnen voldoen, alle opdrachten binnenhalen? De kleinere bedrijven mogen niet geblokkeerd worden door dit soort eisen, die op zichzelf goed zijn. Hoe zorgen wij ervoor dat het voor alle bedrijven bereikbaar blijft?

De heer Koppejan (CDA): Door nadrukkelijk in de aanbesteding ruimte te scheppen voor kleine bedrijven. Dat zijn wij bij de Aanbestedingswet met elkaar overeengekomen. Het mkb moet volop de kans krijgen om mee te dingen, meer kans dan nu. De voorwaarden mogen geen belemmering voor het midden- en kleinbedrijf zijn. Ik meen overigens dat het mkb net zo goed maatschappelijk verantwoord kan ondernemen. In die zin heb ik veel vertrouwen in het mkb.

Wij hebben niet de indruk dat er grote vorderingen worden gemaakt met de steenkooldialoog. Waarom heeft de Nederlandse regering wel mvo-beleid ontwikkeld voor abiotische en biotische grondstoffen, maar niet voor fossiele energetische grondstoffen zoals steenkool en olie? Is de regering alsnog bereid om vanuit mvo-perspectief steenkool op te nemen in het grondstoffenbeleid? De Nederlandse Energie Maatschappij zegt op dit moment niet in staat te zijn de Nederlandse consumenten te informeren over de afkomst van de gebruikte steenkool, terwijl bekend is dat de winning van fossiele brandstoffen uit landen als Sudan, Nigeria en Colombia de nodige mensenrechtenschendingen met zich mee kan brengen. Waarborgen dat de steenkool op een maatschappelijk verantwoorde wijze wordt gewonnen, is waar het om draait in de steenkooldialoog. Wij denken dat het van groot belang is dat er een deugdelijk keurmerk komt voor een duurzame en maatschappelijk verantwoorde wijze van kolenwinning, maar dan wel onafhankelijk en met betrokkenheid van maatschappelijke organisaties. Is de staatssecretaris het met ons eens dat zo'n keurmerk er zou moeten komen en wat doet hij eraan om dit te bevorderen? Wij verzoeken de staatssecretaris ook om de steenkooldialoog om een tussentijds verslag te vragen van de ontwikkelingen en de tot op heden gemaakte keuzes. Hoe staat het met de aan de Kamer toegezegde pilotaudit van de steenkooldialoog in Colombia? Graag een reactie.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Steenkool, textiel, hazelnoten, je kunt nog een aantal sectoren noemen waarover wij ons grote zorgen maken, maar het is de vraag of wij niet tot een soort risicoproductielijst, een risicolandenlijst moeten komen. Amerika kent een dergelijke lijst. Als wij dat overzicht hebben, kunnen wij de staatssecretaris vragen wat hij wil doen met producten en landen waarvan wij weten dat er een groot risico is op schending van de arbeidsnormen. Voelt de heer Koppejan daar wat voor?

De heer Koppejan (CDA): Het is juist het doel van dit overleg om de landen en de product-marktcombinaties te bespreken. U sprak over de hazelnoten, ik over de steenkool. Andere collega's spreken over andere producten. Wij moeten de landen bespreken, maar ik vind het gevaarlijk om een lijst te maken van landen waarmee geen handel meer mag worden gevoerd. Dan raak je de mensen in die landen ook. Ik ben dus aarzelend om al te rigide om te gaan met bepaalde lijsten van landen, maar ik sta open voor suggesties. Misschien kan de heer Voordewind mij overtuigen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Het gaat niet om het creëren van een landenverbod. Amerika heeft een lijst met aangetoonde risicoproducten. Daarbij worden de arbeidsnormen geschonden. Steenkool en textiel zijn daarvan voorbeelden. Als wij zo'n overzicht zouden hebben, kunnen wij de staatssecretaris vragen om te overwegen om dergelijke producten te weren uit Nederland en uit Europa.

De heer Koppejan (CDA): Ik vind het inderdaad een interessante suggestie. Wij kunnen altijd leren van de aanpak van andere landen. Als zo'n lijst in de VS goed werkt, vraag ik met de heer Voordewind aan de staatssecretaris om zoiets te overwegen.

Mevrouw Gesthuizen (SP): De opmerking van de heer Voordewind verbaast mij wel een beetje. Hij wil niet komen tot een handelsverbod, want daar hebben de werknemers niets aan. Dat ben ik eigenlijk wel met hem eens. Zo'n lijst dient niet uitsluitend tot het weren van producten. Ik vraag de heer Koppejan waar wij eigenlijk mee bezig zijn. Wij bespreken dit onderwerp toch niet voor het eerst? De heer Koppejan hoort toch niet voor het eerst van het voornemen om te komen tot een dergelijke lijst? Dat voornemen heeft hij een paar jaar geleden toch ook gehoord?

De heer Koppejan (CDA): Luister, we zitten hier in een debat om te kijken of wij maatschappelijk verantwoord ondernemen verder kunnen helpen. Dat betekent dat je met een open oor naar elkaar luistert. Als een collega een goede suggestie doet en ik hem daarin ondersteun, dan is dat toch alleen maar prima? Waarom nou weer dat vliegen afvangen? Van SP tot CDA tot VVD moeten wij ons inzetten voor een beter mvo-beleid. Elke suggestie van collega's die daar een bijdrage aan levert, ondersteun ik.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik ben hier geen vliegen aan het afvangen, ik geef er alleen maar uiting aan dat het lijkt alsof wij diep het gaspedaal indrukken, terwijl wij in feite snoeihard de handrem aantrekken. Dat heeft dus niet zoveel zin. Ik vind het erg jammer dat deze coalitiepartner iedere keer de indruk wekt dat hij van alles wil, terwijl het uiteindelijk allemaal verschrikkelijk langzaam gaat. Het schiet gewoon niet op. Dat neem ik de heer Koppejan kwalijk. Ik zou willen dat hij eens een keer wakker werd.

De heer Koppejan (CDA): Ik betreur deze wat zure reactie. Wij kunnen wel degelijk stappen zetten. In mijn betoog heeft mevrouw Gesthuizen een aantal concrete suggesties en voorstellen kunnen horen. Als de staatssecretaris dit uitvoert, zetten wij een paar stappen.

Mevrouw Schaart (VVD): We hebben het inderdaad al langer over lijsten voor het weren van producten of bedrijven. De OESO heeft zo'n lijst al. De VVD is er heel erg op tegen om in Nederland zo'n lijst te gaan opstellen. Dat zal ook onze eigen bedrijven benadelen. Als je zoiets wilt doen, kun je dat veel beter in internationaal of Europees verband doen. Deze discussie is al lang gaande. Zou de heer Koppejan voor een nationale lijst zijn?

De heer Koppejan (CDA): Ik heb het ook echt begrepen als een Europese lijst. Wij leren van Amerika. Wij hebben Europees economisch beleid. Wij hebben Europees handelsbeleid. Het zou heel raar zijn om een Nederlandse alleingang te bepleiten. Volgens mij is dat ook niet de bedoeling van mijn collega Voordewind.

Wij vinden het belangrijk dat individuele bedrijven worden aangesproken op het niet naleven van de Corporate Governance Code. Wanneer dit niet het gewenste resultaat heeft, zouden wij graag in het eerstvolgende rapport van de Commissie hierover als Kamer geïnformeerd worden. Is de staatssecretaris bereid om de Commissie hiertoe op te roepen? Daar kan een belangrijke preventieve werking van uitgaan.

Wij horen graag van de staatssecretaris welke 54 bedrijven uit de transparantiebenchmark op geen enkele wijze voldoen aan de eisen van transparantie. Het gaat om bedrijven die geen dochteronderneming zijn van een buitenlands bedrijf en ook niet tegen betaling hun maatschappelijk verslag beschikbaar stellen.

Mevrouw Smeets (PvdA): Ik ken de heer Koppejan als iemand die echt begaan is met mvo. In deze termijn hoor ik hem echter niets zeggen over Shell. Ik vraag hem om te reageren op de brief van het kabinet aan het Amerikaanse Hooggerechtshof over de zaak die twaalf Nigerianen hebben aangedragen. Hoe kunnen wij de desbetreffende mensen helpen?

De voorzitter: Volgens mij is die brief niet geagendeerd voor dit AO.

De heer Koppejan (CDA): Ik moet eerlijk zeggen dat ik hierop niet ben voorbereid. Ik moet mevrouw Smeets een reactie schuldig blijven.

Mevrouw Smeets (PvdA): De heer Koppejan heeft tijdens het vorige overleg zijn spreektijd benut voor de aanpak van Shell in Nigeria. Nu heb ik hem daarover niet gehoord. Is hij tevreden over de stappen die tot op heden zijn gezet?

De heer Koppejan (CDA): Ik heb wel geconstateerd dat minister Verhagen heel nadrukkelijk de zaak aan de orde heeft gesteld bij de directie van Shell. Tevreden kan ik natuurlijk onmogelijk zijn, want de problemen zijn bepaald nog niet opgelost. Wij hebben de taak om de ontwikkelingen nauwlettend te blijven volgen.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Voorzitter. Ik vervang vandaag mijn collega Van Tongeren op een voor mij welbekend onderwerp. Dat is dus zeer plezierig, maar toen ik de agenda zag, had ik het gevoel dat ik terug in de tijd was gegaan. Het schiet allemaal ontzettend niet op. De dingen waar ik mij een paar jaar geleden mee bezighield, liggen nu weer of nog steeds op tafel. Dit keer gaat het om C&A. Het zal best, maar het gaat natuurlijk niet om C&A, maar om de textielbranche. Die branche heeft al heel lang een groot probleem. Dat weten wij allemaal al heel lang. Het gaat er uiteindelijk om dat wij volledige ketentransparantie moeten willen. Wij moeten van zand tot klant weten wat er gebeurt. Het wordt tijd om dit verplicht te stellen. Wij ondertekenen allerlei verdragen bij de OESO en bij de VN. Wij zeggen dat er niet gemarchandeerd mag worden met mensenrechten. Elke keer blijkt weer dat wij om economische redenen – wij willen allemaal goedkope kleren – water bij de wijn doen. Willens en wetens accepteren wij dit soort mensenrechten- of arbeidsomstandighedenschendingen. Er is geen smoes meer om niet aan de verdragen te voldoen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook heel concreet: wanneer wordt in de textiel ketentransparantie volledig verplicht gesteld? Ik besef dat het een complexe branche is vanwege de lange keten, maar het wordt echt tijd. Is de staatssecretaris bereid om hiervoor nu eindelijk eens de handen uit de mouwen te steken? Dat is volgens mij de essentie der dingen. Dat C&A zich inspant, zal best, maar ook dit bedrijf moet uiteraard continu de afweging maken tussen wat het kost en wat het oplevert. Dat is een economische rekensom op mensenrechten en dat vind ik niet gepast.

Ditzelfde gemarchandeer zie je natuurlijk ook bij Shell. Hoe lang maakt Shell er al een potje van in Ogoniland? Waar rook is, is vuur. Dit keer gaat het erom of het bedrijf een bondje heeft gesloten met overheid en politie aldaar, maar het is elke keer gedonder. En elke keer weer wordt er gemarchandeerd omwille van de economische belangen. Wij stellen de mensenrechten daarmee op een lager niveau dan het economische gewin. Dat dit kabinet daarbij Shell de hand boven het hoofd houdt, zegt iets over de macht van de multinationals, maar ook over de gebrekkige inspanning van dit kabinet. Shell moet hier gewoon goed op worden aangesproken. Er zijn excuses nodig voor de mensen van Ogoniland. De boel moet eindelijk eens een keer goed worden aangepakt. Dat is waarvoor wij moeten staan. Nogmaals, gemarchandeer met mensenrechten geeft geen pas.

Ik ben op zich heel blij dat de meeste bedrijven zich lijken te committeren aan de Corporate Governance Code, maar het is natuurlijk wel comply or explain. Als zij niet kunnen «complyen» dan gaan ze wel «explainen» en dan is er altijd wel weer een goede smoes. De commissie-Frijns heeft volgens mij drie jaar geleden voor het laatst de Corporate Governance Code geactualiseerd. Ik denk dat het tijd is voor een nieuwe actualisatie. Laten wij aan de raden van commissarissen een commissie toevoegen die toeziet op de maatschappelijke verbondenheid van ondernemingen. Dan kunnen de raden van commissarissen dit vertalen naar key performance indicators (kpi's) voor de raden van bestuur. Op die manier wordt het in een organisatie ingebed. Is de staatssecretaris bereid om de Corporate Governance Code te actualiseren en om te kijken of aan de raad van commissarissen iets kan worden toegevoegd? Wij hebben het ook in de financiële sector gezien. Financiële instellingen raakten losgezongen van de samenleving. Het wordt tijd dat wij weer met z'n allen met de voetjes op de grond komen, inclusief de raden van bestuur en de raden van commissarissen.

Ik sluit af met de transparantiebenchmark. Daarin is nog niet veel veranderd. Ik heb ooit gevraagd wat er gebeurt als je heel erg eerlijk en heel erg transparant bent over oneerlijke praktijken. Krijg je dan ook veel puntjes? Ja, zolang je eerlijk bent, krijg je veel puntjes. Het doel is natuurlijk om ervoor te zorgen dat bedrijven zich beter gaan gedragen, maar transparantie leidt daar niet noodzakelijkerwijs toe. Wil de staatssecretaris daar nog eens goed over nadenken? Het zijn altijd grote ondernemingen met veel kapitaalkracht die hoog scoren. Heel lang was het de Rabobank, nu zijn het andere grote ondernemingen. Toch moet dit tegen geringere kosten ook mogelijk zijn voor het midden- en kleinbedrijf. Daar mankeert het op de lijst aan. Wil de staatssecretaris die hele transparantiebenchmark niet eens grondig evalueren op effect en toegankelijkheid voor het hele bedrijfsleven?

Mevrouw Schaart (VVD): Voorzitter. De heer Braakhuis begon zijn betoog met de opmerking dat de tijd lijkt stil te staan bij dit onderwerp, maar op het gebied van corporate governance is de commissie-Frijns inmiddels opgevolgd door de commissie-Streppel. Waarschijnlijk zullen wij er volgende week plenair over praten. Er zijn dus heel wat stappen gezet. Ik nodig de heer Braakhuis uit om daarbij aanwezig te zijn.

Volgens de VVD moet maatschappelijk verantwoord ondernemen vooral uit de bedrijven zelf komen. Wij zijn het op dat punt eens met de staatssecretaris. De meeste bedrijven zien het nu al als mogelijkheid om zich te onderscheiden van de concurrentie. De motivatie om een goed mvo-beleid te voeren zal in de toekomst alleen maar toenemen onder druk van de consument en de maatschappij. Wij moeten vooral de markt zijn werk laten doen en bedrijven niet met onnodige regels opzadelen.

De transparantiebenchmark heeft laten zien dat Nederland het ook best goed doet. De gemiddelde score is aanzienlijk gestegen ten opzichte van vorig jaar. In de ogen van de VVD moeten wij ons beleid dan ook niet te veel wijzigen. Wij moeten vooral voorkomen dat bedrijven aan extra regels en verplichtingen onderworpen worden.

Veel van de conclusies in het rapport van de Monitoringcommissie Corporate Governance Code zijn positief. De naleving van de meeste codebepalingen ligt hoger dan 90%. Het gedachtegoed van de code wordt breed gedragen in het Nederlandse bedrijfsleven. Ons systeem scoort op Europees niveau ook goed. Ons bedrijfsleven doet het dus prima. Dat mag ook wel eens gezegd worden. Wat mij in het rapport wel opvalt, is dat de commissie waarschuwt voor cherrypicking. Volgens de commissie zijn politiek en overheid steeds meer geneigd om codebepalingen in de wet op te nemen, terwijl zelfregulering goed werkt. De VVD is groot voorstander van zelfregulering. Ik roep alle aanwezigen op deze kritische kanttekening uit het rapport mee te nemen.

Ik vraag aandacht voor de aanbesteding en certificering van duurzame producten. Wij kennen allemaal het FSC-keurmerk voor duurzaam hout. Het is uiteraard aan de bedrijven om wel of niet deel te nemen aan een dergelijk certificaat. Het gaat er uiteindelijk om dat bedrijven goede en duurzame producten maken en niet of zij voldoen aan keurmerk x, y of z. In de praktijk lijkt het helaas wel zo te werken. Zo vermeldt de gemeente Groningen op haar website dat bedrijven FSC-gecertificeerd moeten zijn als zij in de toekomst producten en diensten aan de gemeente willen blijven leveren. Als bedrijven nog geen certificaat hebben, dan is het zaak om dit nog voor het eind van het jaar te behalen, aldus de website. Anders loopt men opdrachten mis. De VVD vindt dit een zeer slechte zaak. Het kan niet zo zijn dat overheidsinstellingen bij hun aanbestedingen specifieke keurmerken en certificaten eisen van bedrijven in plaats van te kijken naar onderliggende duurzaamheidscriteria. Dit soort praktijken zorgt ervoor dat juist jonge en innovatieve bedrijven op kosten gejaagd worden en niet voor opdrachten in aanmerking komen. Wat gaat de staatssecretaris doen om een einde te maken aan dit zinloze certificatencircus?

De heer Verhoeven (D66): Voorzitter. In het AO van november vorig jaar hebben wij over Nigeria gesproken. De verantwoordelijkheid voor dit soort zaken ligt zoals bij alle mvo-onderwerpen bij allerlei betrokken partijen. De Nederlandse politiek heeft zeer beperkte mogelijkheden om op afstand actie te ondernemen. Dat geldt voor allerlei situaties waar mvo in het geding is. D66 wil naar nieuwe manieren van verantwoord ondernemen kijken. Daarbij moet de economische macht van de Nederlandse burger niet worden onderschat. Ik heb eerder gewezen op het belang van de positie van de Nederlandse burger als koper, als consument, maar ook de 800 mld. die door pensioenfondsen worden beheerd en de vele miljarden aan spaartegoeden zijn namens de burger belegd in aandelen. Wat als wij de burger gebruik kunnen laten maken van deze zeggenschap? Op die manier kan de markt misstanden veel directer zelf democratisch oplossen of ervoor kiezen om dit niet te doen. Het doel is de burger meer te betrekken bij besluiten van bedrijven, niet alleen als koper in de winkel, maar ook als indirect eigenaar. Wat vindt de staatssecretaris van deze invalshoek? Ziet hij kans om deze mogelijkheden beter te benutten door de burger daadwerkelijk inspraak te gunnen bij het beleggen van zijn geld, bijvoorbeeld door met banken af te spreken om de consument meer inzicht te geven in beleggingen met zijn spaartegoeden of in beleggingen van het pensioenvermogen? Op termijn kunnen wij de consument wat concreter de keuze laten maken voor een verstandig pensioenfonds of een verstandige bank.

Onlangs stelde de staatssecretaris dat bedrijven met een smet niet mee mogen met een handelsreis. D66 vindt dat op zich goed beleid, maar wat zijn bedrijven met een smet? Hoeveel gesprekken zijn al gevoerd met besmette bedrijven die toch mee willen op een missie? In welke categorie plaatst het kabinet Shell, ook gezien de lopende procedure tegen Shell bij het Nationaal Contact Punt?

In de Europese Unie wordt aan transparantiewetgeving gewerkt. Dit zou oliemaatschappijen en mijnbouwbedrijven verplichten om betalingen aan landen waar zij olie winnen openbaar te maken. Volgens de Volkskrant verzet het kabinet zich hiertegen, terwijl de minister van Buitenlandse Zaken of de staatssecretaris van EL&I in november nog heeft aangegeven zich in EU-verband maximaal in te zetten voor transparantie. Hoe rijmt het kabinet de eigen inzet voor transparantie in de Kamer met de opstelling van het kabinet bij Europese transparantiewetgeving? Is dat niet tegenstrijdig?

Ik sluit af met het rechtsbijstandsfonds. In vorige overleggen heb ik daar vaker aandacht voor gevraagd, al dan niet samen met de ChristenUnie. Het kabinet schrijft dat een apart fonds niet nodig is en verwijst naar het fonds van de Raad voor Rechtsbijstand. Volgens de staatssecretaris komen ook buitenlandse gedupeerden hiervoor in aanmerking. In eerdere overleggen hebben wij er al vaker zorgen over geuit. De juridische mogelijkheden voor niet-ingezetenen zijn in de praktijk zeer beperkt. D66 heeft signalen ontvangen dat de Raad voor Rechtsbijstand in de toekomst de hulp voor niet-ingezetenen zal moeten beëindigen. Een toch al niet zo heel goede weg wordt dan ook nog eens afgesloten door een gebrek aan middelen. Kan ik uit eerdere toezeggingen opmaken dat het kabinet zorg zal dragen voor voldoende middelen in dit fonds, zodat ook de hulp voor niet-ingezetenen kan worden voortgezet, ook als dit betekent dat er meer geld nodig is?

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Ik sluit aan bij de woorden van mevrouw Schaart en enkele anderen dat het, als je op dit terrein succes wilt boeken, gaat om continuïteit en consistentie. Het is een illusie om te denken dat het mogelijk is om kortetermijnsuccessen snel binnen te halen. Ik ga niet in op onze algemene inzet en intentie. Die zijn voldoende bekend. Wat hebben wij gedaan en wat gaan wij de komende tijd doen? Het beleidsterrein kan worden gekenmerkt als de druppel die de steen uitholt. Daarvoor heb je die druppel dus lange tijd nodig.

Wat hebben wij gedaan? De OESO-richtlijnen zijn richtlijnen die nopen tot inspanningen van bedrijven. Wij behoren te «controleren», wij behoren bedrijven aan te spreken op de mate waarin zij die inspanningen daadwerkelijk leveren, willen zij met ons optrekken en zaken doen. Wij zijn volop bezig om de OESO-richtlijnen actief bij de leiding van de ondernemingen onder de aandacht te brengen. In het komende jaar, in 2012, zullen de CEO's van 100 beursgenoteerde bedrijven worden uitgenodigd om met het kabinet van gedachten te wisselen over de manier waarop zij vanuit hun verantwoordelijkheid die richtlijnen kunnen implementeren. Dat doen wij natuurlijk ook bij bedrijven die meegaan op handelsmissies. In de voorbereiding van handelsmissies bevragen wij de bedrijven op de wijze waarop zij invulling geven aan de richtlijnen in de landen waar de handelsmissie zich op richt. Dat is een actieve rol die van onze kant wordt vervuld om bedrijven die met ons op missie gaan aan te spreken op hun inspanningen op dit terrein. Waar wij aanwijzingen hebben dat bedrijven tekortschieten, zullen wij ze voordat we op missie gaan daarop aanspreken om te bezien of wij tot een vergelijk kunnen komen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Als ik het goed begrijp, is dit een hele stap voorwaarts, want de ChristenUnie heeft onlangs nog een motie in stemming gebracht die de staatssecretaris ontried omdat het ging om de koppeling van handelsmissies, buitenlandcriteria en de vernieuwde OESO-richtlijn, inclusief de transparantie en het ILO-proof maken. Heb ik de staatssecretaris goed begrepen: geen handelsmissies voor bedrijven die zich niet houden aan de vernieuwde OESO-richtlijnen?

Staatssecretaris Bleker: Geen handelsmissies voor bedrijven die zich niet willen inspannen conform de vernieuwde OESO-richtlijnen, klaar, duidelijk. Voordat wij op handelsmissie gaan, voeren wij gesprekken en wordt dit punt aangekaart. Dat is de manier waarop wij werken.

De heer Voordewind (ChristenUnie): «Niet willen inspannen» is natuurlijk een heel rekbaar begrip. Je kunt je jaren voor iets inspannen. Stel dat er ergens in de hele keten kinderarbeid wordt gebruikt. Worden dan geen faciliteiten via handelsmissies geboden?

Staatssecretaris Bleker: De OESO-richtlijnen zelf zijn richtlijnen die oproepen, die verplichten tot inspanningen van bedrijven in landen. Als er geen keteninspanningen zijn, als er duidelijk sprake is van betrokkenheid bij zaken die door die richtlijnen worden verboden, dan is het: niet mee op reis.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Hier zit wel een belangrijk punt. Ik ben er blij mee dat er stappen worden gezet, maar dit is wel de vaagheid die ons al jaren nekt. Ik sluit mij volledig aan bij de heer Voordewind: wij kunnen jarenlang met elkaar blijven praten over wat er dan eigenlijk zou moeten gebeuren en hoe het eigenlijk zou kunnen. Stel dat een bedrijf in een jaar een probleem heeft geconstateerd met kinderarbeid in de keten en zegt dat het zijn best gaat doen. Dan mag het bedrijf dus mee op handelsmissie. Stel dat hetzelfde probleem er vijf jaar later nog is. Zijn er dan consequenties?

Staatssecretaris Bleker: Ja. Dan wil ik zien welke inspanningen er in die vijf jaar zijn geweest en tot welke resultaten dat heeft geleid. Als er wel inspanningen zijn geweest, maar geen reële inspanningen of inspanningen die als zodanig niet tot enig resultaat zouden kunnen leiden omdat ze te licht waren, dan is het over en uit, klaar is Kees.

De heer Verhoeven (D66): Ik zou de staatssecretaris willen vragen of er bedrijven zijn die de afgelopen jaren mee geweest zijn op een handelsmissie die volgens de nieuwe lijn van het kabinet nu niet meer mee zouden hebben gemogen.

Staatssecretaris Bleker: Dat durf ik niet te zeggen. Die analyse heb ik niet gemaakt, dus ik trek geen conclusies. Ik ga over het nu. Wij hebben een bedrijf gehad dat mogelijk betrokken ging raken bij land grabbing. Dat staat in mijn hoofd gegrift. Als er een nieuwe missie komt, is dat het eerste punt waarover ik met het bedrijf praat: u hebt zich toen teruggetrokken en ik neem aan dat dat eens maar nooit weer was. Wij kunnen het wel heel ingewikkeld maken, maar zo zit het toch? Je hebt gesprekken met die bedrijven. Het gaat om 30 tot 40 bedrijven die meegaan op zo'n missie. Je weet dan redelijk goed of er iets bij zit dat verdacht is. Als dat zo is, als ik zo'n bedrijf weer op een missie zie, dan vraag ik toch wel even door: wij hebben destijds dat akkefietje gehad, hoe zit het nu? Zo werkt het.

De heer Verhoeven (D66): De staatssecretaris doet nu net alsof de Kamer moeilijk doet op het moment dat wij een uitspraak iets concreter willen krijgen. Het is terecht dat de staatssecretaris niet wil terugkijken. Laten wij dan vooruitkijken. Is de staatssecretaris bereid om een jaarlijks overzicht te maken van de handelsmissies en daarbij te melden of er een aantal gevallen is geweest – het hoeft geen schandpaalregeling te zijn – waarbij een bedrijf niet meegegaan is? Dan kan de Kamer iets van de consequenties van deze uitspraak volgen.

Staatssecretaris Bleker: Ik weet niet of dat de goede route is. Voorafgaand aan handelsmissies zal ik met de bedrijven overleggen over de punten die in het desbetreffende land en in de desbetreffende sector kwetsbaar zijn als het gaat om maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid om dat vooraf te doen. Ik kan één keer per jaar rapporteren over de manier waarop wij met en op die handelsmissies dit soort punten hebben geagendeerd, hoe ze onderwerp zijn geworden in het overleg dat ik met mijn collega's in het desbetreffende land heb gehad en welke follow-up daaraan is gegeven. De heer Voordewind noemde het gesprek met minister Singh in India. Daar is een vervolg op gekomen. Wij kunnen dan zichtbaar maken hoe wij aan de ene kant zuiver kunnen opereren richting bedrijven en hoe wij de handelsmissies verantwoord kunnen benutten om aspecten van mvo te agenderen, zowel bij het bedrijf als bij de autoriteiten van het land waar het om gaat. Dat is mijn ambitie. Je moet er heel direct in kunnen zijn, of het nu in India of in China is. Eromheen praten werkt meestal niet. Je moet gewoon zeggen: dit is een zorgpunt voor onze bedrijven; u hebt er een verantwoordelijkheid in; hoe kunnen wij samen optrekken om die misstanden terug te dringen?

Mevrouw Schaart (VVD): Ik zou wel heel graag willen weten hoe dat in de praktijk dan werkt met handelsmissies. In Nederland hebben we rechters. Als er iets onoorbaars of kwalijks gevonden wordt bij bedrijven, kunnen we dus op die manier te werk gaan. Hoe moet het dan als er een handelsmissie naar Rusland gaat? Kan Shell volgens de nieuwe voorwaarden dan niet meer mee? Kan C&A dan niet meer mee naar Turkije? Dat is toch heel moeilijk te realiseren? Krijgen we dan jaarlijks een brief waarin bedrijven met naam en toenaam worden genoemd, in de zin van een soort «naming and shaming»?

Staatssecretaris Bleker: Nee, we kennen de formele conflictbeslechting via het NCP. Ngo's en particuliere bedrijven kunnen dit soort zaken aankaarten. Dat speelt nu bijvoorbeeld ook tussen Shell en andere partijen. Dat laat onverlet dat bedrijven die met ons op missie gaan, een mvo-verklaring dienen te ondertekenen. Dat is al enkele jaren het geval. Dat is dus staand beleid. Ik ben nu van plan om dat wat meer substantie te geven en de Kamer er aan het eind van het jaar over te rapporteren waar dat toe heeft geleid. Dat is niet «aan de schandpaal nagelen», dat is kijken hoe dat op een positieve manier een follow-up heeft gekregen.

De heer Koppejan (CDA): Dank voor deze toezegging. Ik was degene die de suggestie deed om voorafgaand aan handelsmissies met de deelnemende bedrijven om de tafel te gaan zitten om te inventariseren welke mvo-onderwerpen er spelen in het desbetreffende land. Ik heb daarbij ook de vraag gesteld om het te verbreden. De regering spreekt met één mond. U doet het, maar dan verwacht ik ook dat uw collega's Verhagen, Schultz van Haegen en Schippers dat doen. Wat betreft de delegaties die op de rol staan, zie ik dat mevrouw Schippers in mei al naar India gaat.

Staatssecretaris Bleker: Dat kan ik snel beantwoorden. Handelsmissies worden op een eenduidige manier voorbereid. Het maakt niet uit met welke bewindspersoon een bedrijf op handelsmissie is. In beginsel geldt dezelfde systematiek. Punt.

Samen met de collega voor Ontwikkelingssamenwerking, dus de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, werk ik aan een beoordelingskader waar het gaat om toepassing van het financiële instrumentarium. Ik heb eerder toegezegd dat de wijze waarop het bij Ontwikkelingssamenwerking plaatsvindt op dezelfde wijze zal gebeuren waar het gaat om het financieel instrumentarium vanuit de handelsoptiek. In april, begin mei wordt de Kamer daarover geïnformeerd door mijn collega Knapen.

Mevrouw Smeets was enigszins teleurgesteld over de voortgangsbrief. Ik heb in mijn inleiding al gezegd dat dit een onderwerp is waarbij je altijd enige vorm van teleurstelling houdt, omdat het een lange tijd vergt om dingen te bereiken op dit punt. In de tweede helft van 2012 kan de Kamer een brief verwachten over de actualisatie van het mvo-beleid, waarin de punten die ik zo-even al noemde expliciet benoemd zullen worden. Daarbij gaat het ook om het actieprogramma Ruggie, en dat doen we samen met het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Dan kom ik te spreken over de maatschappelijke verslaglegging. Nederland is binnen Europa een van de koplopers met zijn beleid gericht op transparantie. Voor grote bedrijven geldt de verplichting op grond van artikel 2391, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek en richtlijn 400 van de Raad voor de Jaarverslaggeving. De inzet is om betere bedrijfsinformatie voor en over mvo te realiseren met beperkte administratieve lasten. Uiteindelijk is de beste route om te komen tot heldere Europese regels waar het gaat om jaarverslagen. Ik kijk met belangstelling uit naar het wetgevingsvoorstel van de Europese Commissie. In de BNC-fiche is de inzet van de Nederlandse regering geformuleerd. Genoemd wetgevingsvoorstel zal ik beoordelen op basis van de bijdrage aan het bevorderen van mvo enerzijds en de beperking van administratieve lasten anderzijds. In dat kader spreekt het model van «comply or explain» mij aan, omdat ik geen voorstander ben van gedetailleerd voorschrijven van regelgeving. De Kamer kan een nadere reactie van mij verwachten op het moment dat het wetgevend voorstel van de Europese Commissie er ligt.

Verder is gevraagd hoe ik de motie-Wiegman over richtlijn 400 ga uitvoeren. De reactie op deze motie die een aanpassing van richtlijn 400 betreft, neem ik mee in mijn reactie op het wetgevend voorstel dat deze zomer van de Europese Commissie zal komen. Daarin zal duidelijk worden op welke wijze ik utvoering ga geven aan die motie.

Mevrouw Smeets heeft gevraagd om sectorspecifieke criteria voor banken toe te voegen aan de criteria voor de transparantiebenchmark. Er zijn reeds een aantal sectorspecifieke criteria waar bedrijven uit kunnen kiezen om over te rapporteren. Deze zijn nu niet verplicht. Eind 2012 staat een herijking van de criteria op het programma. Mede in het licht van de Europese ontwikkelingen voor deze herijking zal ik diverse belangengroepen waaronder de ngo's en de bedrijven zelf, spreken. Toevoeging van criteria specifiek voor de financiële sector wordt dan zeker bekeken en in overweging genomen.

De heer Koppejan heeft gevraagd of de 54 bedrijven die op geen enkele wijze voldoen aan de transparantiebenchmark met naam en toenaam in beeld kunnen worden gebracht. Het antwoord daarop is ja. Die lijst zal de Kamer krijgen.

De heer Braakhuis heeft gevraagd of de transparantiebenchmark nog te verbeteren is. Ook heeft hij het gehad over het mkb en het evalueren van effecten en toegankelijkheid. Ik ga bedrijven met een nulscore gericht aanspreken. Tevens zal ik met MVO Nederland en de SER overleggen over hoe we deze groep kunnen activeren. Daar zullen we dus echt werk van maken. Dat is ook de ambitie van de SER. Het mkb mag vrijwillig deelnemen en we gaan een proces in gang zetten om een grotere groep bedrijven te laten participeren in de benchmark.

Mevrouw Smeets (PvdA): Bij het vorige AO hebt u al gezegd dat u het een goed idee vindt om de financiële criteria te betrekken bij die transparantiebenchmark. Mijn vraag is nu dan ook wanneer die criteria uiteindelijk worden toegepast. Daarnaast bent u nog niet ingegaan op mijn vraag over de positie van vrouwen in relatie tot de transparantiebenchmark.

Staatssecretaris Bleker: Die criteria worden volgend jaar toegepast.

Mevrouw Smeets (PvdA): En de positie van vrouwen als criterium?

Staatssecretaris Bleker: De criteria zijn nog in ontwikkeling. Dus ik kan er nu nog geen ja of nee op zeggen, maar het is wel een wens van u, begrijp ik.

Mevrouw Smeets (PvdA): Ja, een grote wens om het aandeel van vrouwen daarin mee te nemen. Dus het zou mij deugd doen als u ook dit zou kunnen omarmen.

Staatssecretaris Bleker: Ik ga er serieus naar kijken.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Met betrekking tot de transparantiebenchmark had ik in eerste termijn wat kritiek op het feit dat alleen transparantie beloond wordt. Het gaat er namelijk uiteindelijk wel om dat je een bepaald resultaat bereikt ten aanzien van het gedrag van de desbetreffende ondernemer. Daar voorziet de transparantiebenchmark echter niet in, terwijl dat wel aan de basis ligt van de doelstelling. Mijn vraag aan de staatssecretaris was dan ook wat hij daaraan gaat doen. Hoe wordt de output van zo'n onderneming gemeten zodat er daadwerkelijk iets gebeurt? Transparant zijn over de verkeerde dingen, levert namelijk net zo veel punten op als transparant zijn over de goede dingen. Dat is hoe het nu werkt.

Staatssecretaris Bleker: Maar het begint allemaal wel met transparantie, verslaggeving en verantwoording. In de loop van de tijd kun je dan ook beoordelen of er inspanningen zijn gepleegd en verbeteringen zijn opgetreden. Daarom is die transparantiebenchmark door u als Kamer destijds omarmd als een heel belangrijk basaal middel om het proces van mvo verder te brengen.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Dan is het ook wel zaak dat gemeten wordt wat de resultaten ervan zijn, zodat we als Kamer daarover verstandig kunnen beslissen op basis van de evaluatie.

Staatssecretaris Bleker: Laat ik er in de bief van de tweede helft van 2012 op ingaan. De heer Braakhuis wil nu ontzettend snel te werk gaan. Eerst willen we dat meer bedrijven gaan participeren in de transparantiebenchmark. Ik zal de namen van de bedrijven melden die een nulscore hebben. We gaan inzetten op grotere participatie. Verder is er de vraag hoe we het middel van die transparantiebenchmark kunnen gebruiken om ook de voortgang te stimuleren. Daar zal ik in de brief die de tweede helft van dit jaar verschijnt, nader op ingaan.

De Staat der Nederlanden is geen partij in de steenkooldialoog. Vanuit de waarnemersrol die ons ministerie in de dialoog vervult, heb ik het beeld van een traject waarin partijen ondanks gelijkluidende intenties nog verschil van mening hebben over de uitvoering. Het loopt dit jaar nog en ik blijf de partijen vanuit die waarnemingsrol oproepen om in gesprek te blijven en om overeenstemming te bereiken op punten die er echt toe doen. De partijen zijn in beginsel nog in gesprek tot eind augustus. De suggestie van een keurmerk kan daarin worden meegenomen. Ik ben het wel met mevrouw Schaart eens dat een keurmerk niet een doel op zichzelf moet zijn. Als je je kunt verantwoorden, hoeft er niet noodzakelijkerwijs een keurmerk aan verbonden te zijn. Het kan namelijk ook een soort van schijnheiligheid creëren, in de zin van: als je het keurmerk maar hebt, zit je goed. Het gaat er uiteindelijk om duidelijk te maken wat je doet, of je verantwoord bezig bent.

Mevrouw Schaart (VVD): Dat was precies mijn punt. De staatssecretaris zegt terecht dat het niet verplicht moet zijn. In de uitvoering zie je echter dat het op dat punt wel eens misgaat. Zo zet de gemeente Groningen bijvoorbeeld op haar website dat ze bedrijven verplicht om het FSC-keurmerk te hebben. Ze roept bedrijven op om dat te verkrijgen als ze mee willen dingen naar de opdrachten van de gemeente Groningen.

Staatssecretaris Bleker: De gemeenten zijn autonoom en zeker de gemeente Groningen. Ik kom daar vandaan. Ik weet dat in de gemeente Groningen al vanaf de jaren zestig de hele wereld voor de laatste keer gewaarschuwd wordt om dit en dat aan goede dingen te doen. De Sovjet-Unie is destijds ettelijke malen gewaarschuwd door de gemeenteraad van Groningen en dat zal nu ook wel weer gebeuren.

De heer Koppejan (CDA): Ik vind de reactie van de staatssecretaris toch wel erg vaag. Ik ben het met hem eens dat een keurmerk een middel is, maar als elektriciteitsmaatschappijen niet weten waar hun steenkolen vandaan komen en hoe die geproduceerd worden, dan vind ik dat we daar niet in kunnen berusten. Dat is de doelstelling van die steenkooldialoog: helderheid over waar de steenkolen vandaan komen en hoe ze worden geproduceerd. Ik vraag de staatssecretaris om een tussentijds verslag over de ontwikkelingen van de dialoog en de gemaakte keuzen. Als de staatssecretaris waarnemer is, is dat toch wel het minste wat hij als waarnemer mag vragen van de partijen. Verder ben ik benieuwd hoe het staat met de toegezegde pilotaudit van de steenkooldialoog. Ik krijg nu namelijk een beetje het idee dat het wat voortkabbelt en dat men er wat in berust. Nederland neemt veel steenkolen af. 20% van onze elektriciteitsproductie is afhankelijk van steenkool. Bovendien voert Nederland ook heel veel steenkolen door. Dus ik vind dat we hier best wel een belangrijke verantwoordelijkheid in hebben.

Staatssecretaris Bleker: We hebben daarin wel een verantwoordelijkheid maar we hebben vooral de verantwoordelijkheid om de partijen die er echt over gaan op te roepen om tot resultaat te komen. Dat is nu gaande. Energiemaatschappijen, ngo's en anderen zitten om de tafel. Ik kan mij voorstellen dat ik in dezelfde brief van het najaar de tussenstand of de voorlopige eindstand vermeld van dit proces. Het is namelijk even niet aan ons; het is nu aan andere grote partijen, dus de energiebedrijven, de ngo's et cetera die er nu volop mee bezig zijn. We kunnen ze daarop aanspreken maar we moeten niet partner daarin worden. De verantwoordelijkheid is door hen opgepakt en daar hoort die ook. Op het moment dat er resultaat is, zal ik de Kamer daarover informeren.

De heer Koppejan (CDA): De vraag is nu juist of die verantwoordelijkheid daadwerkelijk is opgepakt. Het gaat niet alleen maar om het rapporteren. We willen ook zien welke consequenties en acties u eraan verbindt. Dus ik vraag u om naast de rapportage, aan te geven wat u er vervolgens mee doet. Ook de overheid is een grote elektriciteitsafnemer. Dus hoezo hebben we er niets mee te maken? We zijn ook klant.

Staatssecretaris Bleker: Er worden nu gesprekken gevoerd. De indruk die wij vanuit onze waarnemersrol hebben is dat de energiebedrijven het versterken van hun ketenverantwoordelijkheid echt serieus willen nemen. Ook is onze indruk dat de maatschappelijke organisaties en vakbonden nog niet tevreden zijn met de manier waarop dat nu zou moeten plaatsvinden. Dus er is wel een gemeenschappelijk probleembesef en een gemeenschappelijke intentie. Alleen, over de manier van invulling van die medeverantwoordelijkheid bestaan nog verschillende gedachten. Tot en met augustus is men met elkaar in gesprek. Dat behoort nu ook zijn beloop te krijgen. Vervolgens kunnen we met elkaar de stand van zaken opmaken. Het is niet goed om tussentijds, dus terwijl de zaak gaande is, te interveniëren. Dat doe ik niet.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Het is in ieder geval duidelijk wat de staatssecretaris zegt. Ik herinner hem er wel aan dat in datzelfde Groningen op dit moment in ieder geval tegen mijn zin een kolencentrale tot stand komt. Juist dan heb je de mogelijkheid om via de vergunningverlening eisen te stellen, maar dat gebeurt dus gewoon niet. De overheid heeft een vergunningsstelsel. Via dat stelsel kunnen we als overheid dan toch ook eisen stellen aan de keten? Moet het dan weer allemaal via zelfregulering terwijl we weten dat dit niet werkt? Laten we nu gewoon een paar maatregelen nemen.

Staatssecretaris Bleker: Ik heb daarover gezegd wat ik daarover heb gezegd. Men is bezig. Eind augustus is er een einduitkomst. Daar wordt de Kamer over gerapporteerd. Ik heb het nooit een goed idee gevonden dat Groningen de hele wereld waarschuwt. Ik vind het echter ook geen goed idee om vanuit Den Haag Groningen te waarschuwen. Daar moeten ze zelf maar met elkaar uitzoeken hoe ze met de energiecentrales om willen gaan vanuit hun verantwoordelijkheid. Er zit daar een prima college van Gedeputeerde Staten, waarin ook GroenLinks is vertegenwoordigd. Dus ik heb er alle vertrouwen in dat het daar goed komt.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Het gaat mij niet specifiek om Groningen. Het gaat mij erom dat het vergunningsysteem an sich een middel is voor de overheid om in te grijpen en eisen te stellen aan de keten. Dus mijn vaag aan de staatssecretaris is waarom dat niet gebeurt.

Staatssecretaris Bleker: Nu nog niet. Punt.

De ketenverantwoordelijkheid is een belangrijk element in de herziene OESO-richtlijn. Van bedrijven verwacht ik dat deze de risico's in hun keten in kaart brengen. Op basis van genoemde richtlijn zijn bedrijven gehouden om de risico's in de keten in kaart te brengen, daarover informatie te verzamelen, een analyse erover te maken en zich in te spannen om misstanden in de keten te voorkomen. Er is een groot aantal Nederlandse bedrijven dat die ketenverantwoordelijkheid op die manier serieus oppakt. Dat betekent niet dat bedrijven een 100% garantie kunnen bieden waar het gaat om alle schakels in de keten. Dat is ook niet wat de OESO-richtlijn verwacht. Die verwacht dat bedrijven verantwoordelijkheid nemen, dat ze risico's in beeld brengen, althans waar die door hen ook redelijkerwijs in beeld gebracht kunnen worden, en dat ze misstanden wegnemen. Ik refereer aan de textielindustrie in India. Er zijn nagenoeg ongrijpbare schakeltjes in die keten die in bepaalde regio's in India en verhuld ook door de semigouvernementele of gouvernementele organisaties, aan de orde zijn. Daarvan kun je niet verwachten dat een Nederlands bedrijf of welk bedrijf dan ook in staat is om dat helemaal weg te nemen. Wat je wel kunt doen, is dat de risico's dat je ermee in aanraking komt en dat het een rol speelt in je productie- en toeleveringsproces, worden geminimaliseerd. Bijvoorbeeld C&A is bereid dat te doen. Nogmaals, een bedrijf kan dat probleem in India niet tackelen. Dat moet een actie zijn van het bedrijf en andere bedrijven en van de autoriteiten in India zelf. In het overleg met mijn collega heb ik dat ook klip-en-klaar aangekaart. De reactie daarop was: we willen met u praten over hoe we de ketenverantwoordelijkheid zoals Nederland en Europa die hanteren, kunnen implementeren in de Indiase situatie. Daartoe is een Nederlands-Indiase werkgroep ingesteld die afgelopen februari nog bijeen is geweest. In het voorjaar komt die nog een keer bijeen. De bedoeling daarvan is om onze ervaringen en inzichten op dat punt in te zetten op een manier die past bij de situatie in India. Daarnaast is onze ambassade samen met bijvoorbeeld C&A alert op concrete incidenten en voorvallen. Dat is de wijze waarop het werkt. De heer Voordewind zei dat dit een goed voorbeeld is. Nou, ik vind dat ook een goed voorbeeld. Dat wil overigens nog niet zeggen dat het succes heeft maar we zijn in ieder geval samen met de Indiase autoriteiten aan de slag. Het is ook voor de centrale overheid in India nog een hele stap richting die regionale autoriteiten. Het vindt namelijk plaats in die stadjes en dorpen op het platteland van India. Daar moet uiteindelijk ingegrepen worden. Dat is de werkwijze. Waar dat kan, doen we dat dus ook in andere gevallen.

Vervolgens ga ik in op de vragen die zijn gesteld over Nigeria. Tijdens het algemeen overleg vorig jaar heb ik aangegeven dat Nederland Nigeria graag wil helpen bij de versterking van toezicht op de olie- en gassector. Door de Nederlandse ambassade is dit bij de verschillende partijen in Nigeria onder de aandacht gebracht. Medio maart heeft de ambassade een positieve reactie ontvangen van de Nigeriaanse autoriteit die toeziet op de milieuaspecten van olieproductie et cetera, vallend onder het ministerie van milieu. Het Staatstoezicht op de Mijnen zal een bezoek brengen aan Nigeria om de mogelijkheden voor assistentie in kaart te brengen. Dat is de follow-up geweest van de actie die is ingezet. In het kader van de dialoog met de verschillende stakeholders heeft een ambtelijke delegatie van het ministerie waarvoor ik verantwoordelijk mag dragen en het ministerie van Buitenlandse Zaken begin maart een bezoek gebracht aan Nigeria. Er is gesproken met verschillende ngo's, de Shell Petroleum Development Company en de gouverneurs van de deelstaten die het betreft. De delegatie heeft de vervuiling waargenomen en heeft met stakeholders gesproken om te kijken hoe we een follow-up aan het geheel kunnen geven. Dus dat is daadwerkelijk ambtelijke professionele inzet vanuit Nederland in samenspraak met de Nigeriaanse autoriteiten en relevante bedrijven om te kijken hoe we het toezicht en dergelijke kunnen verbeteren. Bij het NCP lopen twee zaken over Shell. Onze indruk is dat Shell zich daar constructief in opstelt. Dus wij zijn mijns inziens een stap verder ten opzichte van het algemeen overleg van de vorige keer, hetgeen nog niet betekent dat we al daar zijn waar we uiteindelijk uit willen komen. Er worden uit andere hoofde overigens regelmatig door de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de minister-president gesprekken gevoerd met Shell. Maatschappelijk verantwoord ondernemen is een onderwerp dat in dat verband meerdere malen aan de orde is geweest. Dit blijkt ook wel uit de manier waarop Shell zelf aandacht aan dit onderwerp besteedt. Dus het is werken langs verschillende wegen. Heel praktisch in de delta aldaar met experts van ons en de autoriteiten en de experts van het desbetreffende land en de desbetreffende deelstaat.

Waarom heeft Nederland zich gemengd in de rechtszaak? Laat Nederland zich voor het karretje van Shell spannen? Minister Rosenthal van Buitenlandse Zaken heeft de Kamer hierover bij brief van 26 maart geïnformeerd. Het gaat hierbij niet om Shell-belangen. De regering maakt zich al langer zorgen over de uitoefening van de rechtsmacht door Amerikaanse rechters ten aanzien van personen en activiteiten die geen wezenlijk verband houden met de Verenigde Staten. Het gaat dus om de buitenlandse rechtswerking van Amerikaanse rechtsuitoefening. Daar hebben wij vragen over gesteld in het algemeen belang. Dat is het en meer is er niet over te zeggen. Dat het van toepassing was op Shell is een feit, maar het gaat om een algemene zorg die wij hebben en die wij hebben aangekaart.

Een interessante gedachte betreft die lijst van producten, landen et cetera. Dan gaat het met name om kinderen en dwangarbeid. De Amerikaanse lijst wordt nu al gebruikt door ons ministerie. Dit in antwoord op een vraag die de heer Voordewind hierover had gesteld. Dat antwoord heeft ook bij mij dit inzicht opgeleverd; ik wist dat namelijk ook niet. Het is dus niet een soort van handelsblokkadelijst. Er is trouwens zeer veel onderzoek aan voorafgegaan door de Amerikaanse autoriteiten. Dus het is niet zomaar te verbreden naar andere sectoren. Het gaat met name om kinder- en dwangarbeid. We willen dat voorbeeld graag op deze manier volgen.

Mevrouw Gesthuizen heeft een vraag gesteld over de inkoopmacht. De minister heeft de Kamer een brief gestuurd over het onderzoek naar de gedragscode Eerlijke handel. Hij heeft daarin aangegeven dat het rapport voldoende aanknopingspunten biedt om nog een poging te wagen om tot zo'n gedragscode te komen. Hiertoe gaan we de komende maanden het gesprek aan met de bestuurders van diverse bedrijven. We zullen de Kamer voor het zomerreces informeren over de uitkomsten daarvan. De Corporate Governance Code is een instrument voor zelfregulering, zoals de heer Braakhuis terecht aangeeft. Op zijn suggestie om hieraan een vervolg te geven, ben ik reeds ingegaan. Die suggestie neem ik over.

Verder is een vraag gesteld over de overheidsaanbestedingen. Ik zal bij collega Atsma navraag doen waar het gaat om de suggesties van de heer Koppejan en de heer Verhoeven op dat punt. De heer Atsma zal er dan op een later moment op terugkomen.

Dan het mvo in relatie tot de instrumenten van de topsectoren. We werken met de heer Knapen samen aan een mvo-kader met betrekking tot de instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking, economie, landbouw en innovatie. Ook zal bekeken worden hoe dit wat betreft de topsectoren kan worden geïmplementeerd in het beleidsinstrumentarium aan de ene kant en de mvo- en OESO-richtlijnen aan de andere kant. Hierover wordt de Kamer in de najaarsbrief nader geïnformeerd.

De heer Voordewind heeft gesproken over de problematiek van de hazelnoten en de kinderarbeid. De Turkse overheid is primair verantwoordelijk voor de oplossing van deze misstanden. Daar spreken we de Turkse overheid op aan in de contacten die we regulier hebben. Daarnaast zoeken bedrijven via de brancheorganisatie, de Federatie van Nederlandse Levensmiddelen Industrie samen naar oplossingen, ook in Europees verband. Dus er is wel een bereidheid, een wens vanuit de brancheorganisatie om deze problematiek aan te pakken. De brancheorganisatie heeft een analyse gemaakt van de keten en heeft per stakeholder de belangrijkste verbeterpunten in beeld gebracht. Deze worden besproken met de ngo's.

Dan de foto's van mevrouw Gesthuizen. Ik zal na afloop van dit algemeen overleg nog even aan haar vragen waar de expositie precies is, want het zijn indrukwekkende foto's. Niet vanwege de foto's, maar wel vanwege de problematiek kan mevrouw Gesthuizen ervan op aan dat ik dit onderwerp op de adequate plekken actief zal aankaarten.

De voorzitter: Dan gaan we thans over naar een korte tweede termijn met een spreektijd van een minuut per fractie.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording. Wel vind ik dat er een te grote vrijblijvendheid spreekt uit alles wat de staatssecretaris hier heeft gezegd. Zeker, hij is bezig, maar wat zijn nu de consequenties van al dat handelen? Ik zit pas vijf jaar in deze Kamer en pas vijf jaar op dit onderwerp, maar dat is lang genoeg om te constateren dat nu echt met de handrem aangetrokken geprobeerd wordt op de snelweg vooruit te komen, en dat is niet goed. Wat er achter ligt – dat hoor ik bijvoorbeeld in de bijdrage van de VVD – is dat er te veel wordt uitgegaan van een volledige verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. Dat is niet de manier waarop onze fractie tegen mvo aankijkt. Ik denk dat we moeten ophouden om de wereld alleen maar te zien als een plek waar we vooral kunnen gaan halen; we zullen ook moeten brengen. Wat mij betreft moet er dan ook zeker een VAO komen. Bij dezen mijn verzoek aan u, voorzitter, om dit aan te melden.

Mevrouw Smeets (PvdA): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden. Ik hoop van harte dat hij zijn oren niet zal laten hangen naar de VVD, want daar is vrijblijvendheid het motto.

Ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag over de formulering op blz. 3, waarop ik graag alsnog een antwoord krijg.

Wat betreft de uitvoering van de motie van ondergetekende en mevrouw Gesthuizen heb ik van de staatssecretaris begrepen dat in de tweede helft van 2012 een en ander wordt geconcretiseerd in de najaarsbrief over het actieprogramma. Dus dat wacht ik dan maar even af.

De staatssecretaris heeft verder niets meer te melden over de brief die minister Rosenthal heeft gestuurd aan het Amerikaanse gerechtshof. Ik accepteer dat hier op dit moment, hoewel ik denk dat er wel meer te melden is over die brief. Het gaat in dit geval niet alleen om het algemeen belang maar vooral om de vraag wat wij als Nederland kunnen doen voor de desbetreffende Nigerianen. We zullen dat punt in een ander overleg in ieder geval nog ter sprake brengen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor het inlichten van de Kamer over wat er precies allemaal speelt. Met betrekking tot India en de textielindustrie aldaar heeft hij gezegd dat er een Nederlands-Indiase werkgroep is ingesteld. Ik blijf graag op de hoogte van de voortgang van die werkgroep die naar ik aanneem niet alleen de textielindustrie omvat maar een veel breder terrein; het gaat namelijk om kinderarbeid in de productieketen.

De staatssecretaris is niet ingegaan op mijn vraag over de eerlijke supermarkten. We kunnen daar later uitgebreid nog wel op terugkomen, maar ik zou nu wel graag de eerste reactie van de staatssecretaris vernemen op het niet uitvoeren van de motie om tot convenanten met de sector te komen. Het betreft hier een duidelijke uitspraak van de Kamer, ondersteund door de CDA-fractie.

Ik ben verder verheugd dat er een lijst van risicoproducten er is, hoewel ik het wel jammer vind dat de staatssecretaris er zelf nog niet eerder van wist. Dus vraag ik nu wel aan hem wat hij concreet met die lijst gaat doen. Gaat hij die bijvoorbeeld gebruiken bij de handelsmissies en het buitenlands instrumentarium?

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn diverse toezeggingen. We zijn blij met zijn ingezette beleid met betrekking tot mvo en handelsmissies. Ik denk dat hij op dat punt heel goed bezig is.

Ook ben ik verheugd over zijn toezegging over het topsectorenbeleid. Waar het mij bij dit beleid om gaat is dat het maatschappelijk verantwoord ondernemen waarbij voldaan wordt aan de OESO-criteria, integraal overheidsbeleid wordt. Bij alle voordelen die bedrijven van de overheid kunnen genieten – of dat nu subsidies, kredieten, garantstellingen of handelsmissies zijn – zou standaard de vraag gesteld moeten worden of men voldoet aan het mvo-beleid en de OESO-criteria. Dat kan één A4'tje zijn. Als ze er achteraf niet aan voldoen maar ze er toch voordeel van hebben ondervonden, moeten ze ook aangepakt worden. Ik krijg graag op dat punt een toezegging van de staatssecretaris.

Waar ik minder gelukkig mee ben is wat de staatssecretaris heeft gezegd over de steenkolen. Ik kom daarop nog terug en ik bezin mij daarop nog nader, maar ik vind zijn houding op dit punt veel te passief; het gaat hier om een belangrijk onderdeel van het Nederlands beleid. Steenkolen zijn belangrijk voor de Nederlandse energievoorziening. Als ik zie hoeveel uren we hier besteden aan discussies over olie in Nigeria – dat is overigens heel terecht – dan denk ik dat we zeker ook moeten spreken over steenkolen.

Wat betreft het sociaal aanbesteden vind ik het echt te mager als de staatssecretaris hierover alleen maar even met zijn collega Atsma zal spreken. Het gaat mij erom dat de eerder aangenomen motie-Koopmans/Van Hijum daadwerkelijk uitgevoerd wordt. Destijds is door toenmalig minister Donner aangekondigd dat bij aanbestedingen door de Nederlandse overheid vanaf € 250 000, het sociaal aanbesteden daarvan onderdeel zal uitmaken. Ik zie dat echter niet terug. Ik wil van de staatssecretaris een terugrapportage krijgen waarin tot uitdrukking komt in welke mate sociaal aanbesteden een vast onderdeel uitmaakt van de overheidsaanbestedingen.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Voorzitter. Ik ben op zich blij met een aantal toezeggingen die de staatssecretaris heeft gedaan maar ik ben op sommige punten van zijn antwoord toch wel teleurgesteld. Zoals ik al eerder zei, kun je niet marchanderen met zaken zoals mensenrechten en kinderarbeid. Op de een of andere manier hangt dit kabinet er een prijs aan en dat vind ik ongepast.

Mijn vraag om volledige ketentransparantie is door de staatssecretaris niet beantwoord, terwijl ik eigenlijk vind dat bedrijven sowieso de plicht hebben om zich er eerst van te vergewissen dat er niets aan de knikker is, alvorens ze het product op de markt brengen. We kunnen natuurlijk eisen stellen aan producten op de Nederlandse markt ten aanzien van ketentransparantie. Ik roep de staatssecretaris nogmaals op dat te doen.

De staatssecretaris zei dat hij de suggestie van mij zou meenemen ten aanzien van de code-Tabaksblat. Bedoelt hij daarmee dat hij wil overleggen om aan de raden van commissarissen middels de code-Tabaksblat een commissie toe te voegen die maatschappelijke verbondenheid gaat regelen en die dan weer vertaald worden in key performance indicators voor raden van bestuur? Dat zou namelijk fijn zijn.

Mevrouw Schaart (VVD): Voorzitter. Dat de VVD een ander wereldbeeld heeft dan de SP en de PvdA ...

De heer Braakhuis (GroenLinks): En GroenLinks.

Mevrouw Schaart (VVD): En GroenLinks, voor mijn part. Tot uw dienst. Wat de VVD echt belangrijk vindt, is dat bedrijven verantwoordelijk zijn voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ze moeten dat zijn voor hun werknemers, voor zichzelf en voor hun consumenten. En dat blijkt hartstikke goed te gaan. Uit de transparantiebenchmark blijkt dat een bedrijf als DSM het afgelopen jaar De Kristal heeft gewonnen en dat Bavaria de themaprijs heeft gewonnen. Het gaat dus gewoon goed met het mvo in relatie tot het bedrijfsleven.

De staatssecretaris noemde het voorbeeld van de gemeente Groningen. Ik hoop dat het inderdaad tot die gemeente beperkt blijft. Ik zal de staatssecretaris daarin dan ook blijven volgen.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Voorzitter. Ik heb al aangekondigd dat ik een VAO wil. Als de staatssecretaris mij straks nog prikkelt om nadere vragen te stellen, zal ik die opzouten tot dat VAO, maar ik kan nu toch niet voorbijgaan aan wat mevrouw Schaart zegt over de wereldvisie van de VVD. Als iedereen het nu zo goed meent en als die bedrijven allemaal zo enorm goed hun verantwoordelijkheid nemen, hoe kan het dan dat het op veel plekken en in veel sectoren, niet alleen waar het gaat om verschrikkelijke regimes maar ook waar het gaat om de handel, nog zo'n puinhoop is? Hoe kan dat dan?

Mevrouw Schaart (VVD): Ik zeg helemaal niet dat de wereld perfect is. Ik zeg ook helemaal niet dat er in Nigeria niets aan de hand is; dat komt ook omdat het regime dat daar zit, corrupt is. U schuift de schuld echter in de schoenen van het bedrijfsleven en daar pas ik voor. Het bedrijfsleven doet het gewoon hartstikke goed op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen.

De voorzitter: We hebben nu geen tijd meer voor een vervolgvraag. Er komt een VAO.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Dan kan ik niet met mevrouw Schaart van gedachten wisselen.

De voorzitter: Dat klopt, maar we zullen binnen de tijd moeten eindigen. Anders hebben we een probleem.

De heer Verhoeven (D66): Voorzitter. De staatssecretaris heeft de metafoor van de druppel en de rots gebruikt. Je zou het ook kunnen vertalen in de opmerking dat mvo blijkbaar veel tijd kost. In die zin wil ik mijn knopen wel tellen waar het gaat om de handelsmissies – daar is de staatssecretaris vrij concreet over geweest – mits dat ook concreet en consequent wordt uitgewerkt. Dus dank daarvoor.

Verder zou ik nog graag op al mijn onbeantwoorde vragen alsnog antwoord krijgen. Dat waren er drie, respectievelijk over de consumentenkracht, de transparantie-eisen en de dubbele opstelling en ten slotte het rechtsbijstandsfonds.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Allereerst ga ik dan in op de drie vragen van de heer Verhoeven. Er ligt een wetsvoorstel voor over maatschappelijke verslaglegging pensioenfondsen. Met de banken zijn we in gesprek over de OESO-richtlijnen. Er wordt gekeken naar specifieke criteria in de transparantiebenchmark voor financiële instellingen. Dus in beginsel is er een positieve houding ten opzichte van hetgeen de heer Verhoeven ons in overweging heeft gegeven.

Dan het vergroten van de rol van de burger. Er is nu al een groeiende rol van de financiële sector bij mvo. Wij zijn op dit moment ook doende om projecten uit te voeren met de Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling. In het vervolg van wat ik er al eerder over heb gezegd, heeft het dus wel onze aandacht.

De kwestie achter de vraag over het rechtsbijstandsfonds gaat primair om versterking van lokale rechtssystemen. De regering heeft niet tot doel om specifiek rechtszaken naar Nederland te halen. Buitenlandse slachtoffers hebben toegang tot het rechtsbijstandsfonds in Nederland. Tot nu toe hebben wij geen nee behoeven te verkopen, maar het fonds is wel krap.

De heer Verhoeven (D66): Het fonds is krap, dat wist ik. Echter, als er hulp voor niet-ingezetenen gevraagd gaat worden en er extra geld voor nodig is, wat gaat de staatssecretaris dan doen? Gaat hij dan ook nee verkopen?

Staatssecretaris Bleker: Het is nu niet aan de orde. Ik moet u zeggen dat ik het een teleurstelling zou vinden als we nee zouden moeten verkopen. Dan moeten we op dat moment kijken hoe we het oplossen met elkaar.

Dan kom ik op de suggestie van de heer Braakhuis. Ik heb eerder aan de SER gevraagd om advies uit te brengen over de vraag of de Wet op de ondernemingsraden benut kan worden om verslaglegging over maatschappelijk verantwoord ondernemen te incorporeren in de sociale jaarverslaggeving. Ik zou de suggestie van de heer Braakhuis op dat punt graag aan de SER willen voorleggen om na te gaan of die een route inhoudt die ons verder kan brengen.

Dan de motie over eerlijke supermarkten. De brief hierover is in aantocht. Oh, ik hoor nu dat de Kamer de brief inmiddels al heeft. Ik heb hier op mijn papier staan «de brief is er» maar omdat ik nog niet wist of die al bij de Kamer was, heb ik gezegd dat die aantocht is. Maar goed, de Kamer heeft de brief dus inmiddels. Wij komen er later over te spreken, lijkt mij.

De heer Koppejan en de heer Voordewind hebben gevraagd hoe de Amerikaanse lijst wordt gebruikt. Op dit moment wordt die onder andere gebruikt door het agentschap bij de beoordeling van subsidieaanvragen. De heer Voordewind heeft gelijk dat het natuurlijk wel sneu is voor een bewindspersoon wanneer iets wat heel goed is, nog niet tot zijn hoofd is doorgedrongen. Desalniettemin ben ik er wel volledig verantwoordelijk voor dat het wordt toegepast, net als voor dingen die niet goed gaan en waar ik geen weet van heb.

De mvo-werkgroep gaat niet alleen over de textiel, maar is breder.

Dan de steenkooldialoog. Ik heb reeds aangegeven wat ik daarvan vind. Ik wacht af hoe er verder over geoordeeld wordt. Na augustus hoort de Kamer daarover meer van mij.

Ik herken mij totaal niet in het beeld van vrijblijvendheid. Uit onder meer het voorbeeld van de textielindustrie in India spreekt zeker geen vrijblijvendheid. Ook wat betreft de manier waarop we met handelsmissies omgaan is geen sprake van vrijblijvendheid; dat is praktisch mvo-beleid, namelijk het bestrijden en aanpakken van misstanden.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Die brief over de eerlijke supermarkten hebben we inderdaad gehad. Ik had juist al citaten uit die brief voorgelezen, omdat ik concludeer dat de staatssecretaris zegt de desbetreffende motie niet te zullen uitvoeren. Dat is de kern van de brief en dat vind ik erg teleurstellend.

Is de staatssecretaris verder bereid om de lijst van risicoproducten toe te passen en te gebruiken bij de handelsmissies?

Staatssecretaris Bleker: Het antwoord op die laatste vraag is ja.

Uw eerste vraag heb ik al beantwoord in de brief. De brief is de brief.

Zoals gezegd, herken ik mij helemaal niet in het beeld van vrijblijvendheid. Het is ook niet zo dat we de verantwoordelijkheid helemaal aan de keten en de bedrijven laten. Er ligt daar een primaire verantwoordelijkheid. De problemen waar we het over hebben, kunnen uiteindelijk alleen maar effectief worden aangepakt indien bedrijven daar werk van maken. Dus in die zin heeft mevrouw Schaart het bij het rechte eind. Alleen, wij zijn er wel als overheid om er voor te zorgen dát het ook steeds meer en beter gebeurt. Dat is de rolverdeling.

Hiermee ben ik aan het eind gekomen van mijn tweede termijn.

Mevrouw Smeets (PvdA): Voor de derde keer: op blz. 3 van de brief van 29 maart maakt de staatssecretaris een nuancering naar land en sector die echter niet in de OESO-richtlijn staat. Ik krijg daar graag alsnog een reactie op.

Staatssecretaris Bleker: Ik zal even voorlezen wat er staat: Doel is dat bedrijven een adequaat inzicht verwerven in de effecten van hun onderneming op mensenrechten in de context van het betreffende land en de sector en op basis daarvan hun eigen verantwoordelijkheid nemen om eventueel negatieve effecten te vermijden. Dat is toch geen afzwakking van de OESO-richtlijnen?

Mevrouw Smeets (PvdA): Jawel, het wordt in de context geplaatst van het land en de sector en dat is niet de bedoeling. Ongeacht het land en de sector dienen mensenrechten te worden nageleefd. Mijn fractie is beducht voor deze omschrijving.

Staatssecretaris Bleker: Maar zo is die absoluut niet bedoeld. Ze is zo bedoeld dat bedrijven adequaat inzicht verwerven in de potentiële effecten van hun onderneming op mensenrechten, niet in generieke zin maar in de context van het betreffende land en de sector. Dus het moet land- en sectorspecifieke inzichten omvatten. Het is niet bedoeld als een wat gemakkelijk verhaal. Integendeel, het is bedoeld om land- en sectorspecifieke informatie te verwerven die relevant is. Het is dus niet bedoeld als afzwakking van de OESO-richtlijnen.

De voorzitter: Ik vat de toezeggingen samen.

  • De staatssecretaris zal de Kamer jaarlijks rapporteren over hoe maatschappelijk verantwoord ondernemen aan de orde is gesteld bij bedrijven die deel hebben genomen of wilden nemen aan handelsmissies en de follow-up die daaraan gegeven is.

  • De Kamer ontvangt in de tweede helft van 2012 een brief van de staatssecretaris en de minister van EL&I over de voortgang inzake de actualisatie van de handelspraktijken.

  • De staatssecretaris zal een lijst naar de Kamer sturen van bedrijven met een nulscore op de transparantiebenchmark.

  • De staatssecretaris zal in het kader van het wetgevend voorstel inzake de Mededingingswet terugkomen op de uitvoering van de motie-Wiegman inzake jaarverslagen.

  • De staatssecretaris zal de Kamer in de tweede helft van 2012 informeren over de criteria ten behoeve van diversiteit en vrouwen aan de top.

  • De staatssecretaris zal in augustus 2012 de Kamer informeren over de vorderingen inzake de steenkooldialoog.

  • De staatssecretaris zal de Kamer voor het zomerreces infomeren over de gedragscode en gesprekken die daaromtrent zijn gevoerd.

Verder heeft de SP een VAO aangekondigd.

De overige toezeggingen zijn terug te vinden in het verslag.

De heer Voordewind (ChristenUnie): De staatssecretaris zou de Kamer ook informeren over de voortgang van de werkgroep India-Nederland over kinderarbeid.

De voorzitter: Dat wordt dan bij dezen opgenomen in het verslag.

Mevrouw Smeets (PvdA): Hoe belangrijk ik het ook vind om vrouwen aan de top te hebben, maar mijn punt was dat de transparantiebenchmark en de criteria ter zake zouden gaan over de positie van vrouwen in de ontwikkelingslanden en opkomende markten.

De voorzitter: Dan voegen we dat toe aan dat punt, hetgeen ook is terug te lezen in het verslag.

De heer Koppejan (CDA): Even voor de duidelijkheid rond de transparantiebenchmark: we kennen natuurlijk de bedrijven die op die lijst staan, maar het gaat ons specifiek om de 54 bedrijven die geen dochteronderneming van een buitenlands bedrijf zijn en ook niet tegen betaling hun maatschappelijk verslag beschikbaar stellen.

De voorzitter: Ook dit wordt in het verslag opgenomen.

Onder dankzegging aan u allen, sluit ik dit algemeen overleg.

Naar boven