Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201121501-34 nr. 169

21 501-34 Raad voor Onderwijs, Jeugd, Cultuur en Sport

Nr. 169 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 14 juni 2011

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 hebben een aantal fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in verband met het overleg in Brussel over:

  • De geannoteerde agenda OJCS-raad over de onderdelen Onderwijs, Cultuur en Audiovisueel, d.d. 19-20 mei 2011 (Kamerstuk 21 501-34, nr. 166);

  • Geannoteerde agenda OJCS-raad over de onderdelen Jeugd en Sport, d.d. 19-20 mei 2011 (Kamerstuk 21 501-34, nr. 167);

  • Verslag informele EU bijeenkomst cultuur- en onderwijsministers 28-29 maart, Gödöllö (Kamerstuk 21 501-34, nr. 165);

  • Verslag van een schriftelijk overleg inzake geannoteerde agenda informele OJCS-raad 27-29 maart 2011 (Kamerstuk 21 501-34, nr. 164);

  • Fiche inzake Mededeling Opvang en onderwijs voor jonge kinderen (Kamerstuk 22 112, nr. 1152);

  • Fiche: Mededeling Voortijdig schoolverlaten aanpakken (Kamerstuk 22 112, nr. 1146).

Bij brief van 14 juni 2011 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van Bochove

Adjunct-griffier van de commissie,

Janssen

Inhoudsopgave

I

VRAGEN EN OPMERKINGEN UIT DE FRACTIES

2

 

1.

Algemeen

2

 

2.

Geannoteerde agenda Onderwijs, Cultuur en Audiovisueel

2

   

– Leermobiliteit voor jongeren

2

   

– Voortijdig schoolverlaten en het fiche hierover

4

   

– Onderwijs en opleiding voor jonge kinderen

4

   

– Europese Erfgoed Label en het fiche hierover

5

   

– Informatiediensten mobiliteit voor beoefenaars culturele beroepen

5

   

– Lunchdiscussie toekomstig Cultuur- en Mediaprogramma

5

 

3.

Geannoteerde agenda (Jeugd en) Sport

5

   

– EU-werkplan voor Sport

5

   

– Discussie over online gokken

6

 

4.

Verslag informele EU bijeenkomst cultuur- en onderwijsministers 28 en 29 maart

6

   

– Actief burgerschap, ondernemerschap en financiële geletterdheid in het onderwijs

6

       

II

REACTIE VAN DE MINISTER

7

I VRAGEN EN OPMERKINGEN UIT DE FRACTIES

1. Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de verschillende documenten geagendeerd voor het schriftelijk overleg ten behoeve van de OJCS-raad van 19 en 20 mei 2011. Deze leden zien aanleiding tot het stellen van enkele vragen. In de geannoteerde agenda voor de OJCS-Raad van 19 en 20 mei 2011 schrijft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat de meeste onderwerpen die voor deze OJCS-raad geagendeerd staan niet omstreden zijn. Graag vernemen de leden welke onderwerpen wel en welke onderwerpen niet omstreden zijn. Daarnaast vragen deze leden of de onderwerpen omstreden zijn voor Nederland of een andere lidstaat of groep van lidstaten.

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de aanstaande Onderwijs-, Jeugd-, en Cultuur-, en Sportraad van 19 en 20 mei 2011.

De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda OJCS-raad van 19-20 mei 2011.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de OJCS-raad van 19 en 20 mei a.s. Zij stellen hierbij enkele vragen.

2. Geannoteerde agenda Onderwijs, Cultuur en Audiovisueel

Leermobiliteit voor jongeren

De leden van de VVD-fractie stellen dat in de voorbereidende onderhandelingen overeenstemming is bereikt over de tekst van de aanbeveling van de Raad om de leermobiliteit van jongeren te bevorderen. De verwachting is dat de tekst tijdens de vergadering van de OJCS-Raad op 19 en 20 mei zal worden vastgesteld. Uit de geannoteerde agenda blijkt dat het aan de lidstaten zal zijn om te bepalen hoe belemmeringen voor leermobiliteit zullen worden weggenomen. Graag vernemen de leden of de minister een bi- of multilaterale samenwerking voorziet om de doelen uit de aanbeveling te verwezenlijken. En zo ja, op welke landen de samenwerking gericht zal zijn? De leden van deze fractie kunnen zich, gezien de Internationaliseringsmonitor van het onderwijs in Nederland, 2009 2 van het Nuffic, zeer goed voorstellen dat een eventuele samenwerking zich richt op België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het Voorstel voor een Aanbeveling Leermobiliteit van jongeren bevorderen. Een van de pijlers is het bevorderen van leermobiliteit van jongeren. De leden hebben een vraag inzake de omschrijving van leermobiliteit als transnationale mobiliteit. Is deze aanbeveling een aanvulling op bestaand nationaal beleid? En zo ja, kan de minister aangeven welk beleid het hier betreft, zo vragen de leden.

De leden van de CDA-fractie kunnen zich vinden in de inzet van de Nederlandse regering op het gebied van leermobiliteit van jongeren. Zij willen het belang van de follow-up en het periodiek inzicht in de vorderingen van de lidstaten benadrukken.

De leden van SP-fractie stellen dat de minister de leermobiliteit van jongeren wil bevorderen, en hierover afspraken met lidstaten wil maken. Betekent dit een toename van buitenlandse studenten in het Nederlands hoger onderwijs, zo vragen deze leden. Er zijn nu al studierichtingen speciaal voor Duitse studenten, Engelse studenten, en speciaal aangestelde «ambassadeurs» die buitenlandse studenten ronselen voor Nederlandse universiteiten. Wat betekent dit voor de toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor Nederlandse studenten in deze tijd van ingrijpende bezuinigings-maatregelen zoals de afschaffing van studiefinanciering in de masterfase en de langstudeerboete? Is het niet zo dat door deze plannen tot bevordering van mobiliteit, het Nederlandse hoger onderwijs toegankelijker wordt gemaakt voor buitenlandse studenten, terwijl de toegankelijkheid voor Nederlandse studenten steeds meer in geding komt?

De leden stellen dat in de fiche: mededeling en voorstel Jeugd in beweging 3 wordt gesproken over ontwikkelen van moderne onderwijs- en opleidingssystemen voor sleutelvaardigheden en excellentie. Wat wordt verstaan onder excellentie en hoe moet dit in Europees verband gezien worden? Er staan hervormingen en modernisering van het hoger onderwijs gepland, wat gaat dat voor individuele lidstaten betekenen? Betekent dit voor de rest van Europa net zo’n kaalslag als nu in Nederland in gang is gezet, zo vragen de leden. Of gaat er juist meer geïnvesteerd worden in onderwijs en innovatie? Hoe passen de bezuinigen op projecten en subsidies zoals onder andere de Huygens-scholarship in dit plan, zo vragen de leden. De Europese Commissie wil een initiatief ontwikkelen om jongeren te helpen een baan te vinden in het buitenland. Hoe kijkt de Commissie aan tegen het gevaar dat dit leidt tot een braindrain van bijvoorbeeld «armere» lidstaten naar de «rijkere»? Met andere woorden: wat is het economisch risico voor landen zoals Ierland, Griekenland, Spanje, Portugal? En hoe beïnvloedt dit de kansen op de arbeidsmarkt voor jonge werklozen in Nederland, zo vragen zij. Wat wordt bedoeld met de voorstellen voor «jeugdgarantie» op werk, in het bijzonder het aanbieden van een zogenaamde activeringsmaatregel? Classificatie van Europese universiteiten kan leiden tot ongewenste prikkels om een hogere positie op de ranglijst te verkrijgen. De leden vragen hoe tegen dit risico wordt aangekeken. Hoe wordt geclassificeerd, wat zijn de criteria? Er is sprake van het voornemen om te voorzien in een Europese studiefinancieringsfaciliteit, heeft dit alleen betrekking tot meenemen van studiefinanciering naar buitenland, of worden hierin ook afspraken opgenomen over voorwaarden en hoogte van studiefinanciering, zo vragen de leden.

Voortijdig schoolverlaten en het fiche hierover

De leden van de VVD-fractie stellen dat de Europese Commissie in haar mededeling Voortijdig schoolverlaten aanpakken: een essentiële bijdrage aan de Europa 2020-agenda 4 een strategie aangekondigd heeft om voortijdig schoolverlaten binnen de Europese Unie te verminderen tot 10%. Graag vernemen deze leden of dit percentage een gemiddelde voor de gehele Europese Unie betreft of een doelstelling per individuele lidstaat? Uit de VSV-brief 2011 blijkt dat Nederland in het schooljaar 2009–2010 een landelijk gemiddelde van 3% nieuwe voortijdig schoolverlaters behaalde. Graag vernemen de leden waarom de EU-doelstelling niet strikter wordt gesteld en welke EU-lidstaten momenteel te maken hebben met meer dan 10% voortijd schoolverlaters? In de genoemde mededeling geeft de Europese Commissie drie accenten aan: preventie, interventie en compensatie. Graag vernemen de leden hoe de genoemde drie accenten zijn opgenomen in de Nederlandse aanpak Aanval op de schooluitval? Graag vernemen de leden of samenwerking inzake voortijdig schoolverlaten niet beter kan plaatsvinden in OESO verband? OESO onderzoekt momenteel beleid om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan en bracht daarvoor onder andere een bezoek aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op 26 april 2011. De leden vragen de minister of kennisdeling en het uitwisselen van best practices goed zou kunnen plaatsvinden in OESO-verband.

De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel Bestrijding voortijdig schoolverlaters. Deze leden onderschrijven het belang van bestrijding van het percentage voortijdig schoolverlaters. Nationaal beleid moet leidend zijn, de Europese Unie mag slechts een aanvullende rol spelen als het gaat om aanbevelingen, zo menen de leden.

De leden van de CDA-fractie kunnen zich ook bij onderwerp van voortijdig schoolverlaten vinden in de inzet van de Nederlandse minister. Immers, dit is vooraleerst iets dat de lidstaten zelf moeten oppakken. In Nederland heeft het plan van aanpak goede resultaten opgeleverd en is het aantal voortijdig schoolverlaters flink gedaald. Daarom is het uitwisselen van best practices tussen de lidstaten van belang: wat kunnen wij leren van elkaar, wat werkt goed bij de aanpak van voortijdig schoolverlaten en wat werkt niet? De leden vragen hoe Nederland het qua aantallen voortijdig schoolverlaters doet in Europees verband. Doen we het in Europees verband goed, of juist niet? Doet voortijdig schoolverlaten zich in andere EU-landen zich ook vooral bij de lagere opleidingen voor of zijn er verschillen, zo vragen de leden van de eerder genoemde fractie.

Onderwijs en opleiding voor jonge kinderen en het fiche hierover

De leden van de VVD-fractie zijn verheugd over de toezegging van de minister in ondermeer het fiche voor de Mededeling Opvang en onderwijs aan jonge kinderen 5 dat Nederland zal blijven benadrukken dat de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel een nationale bevoegdheid is.

De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de fiche Mededeling Opvang en onderwijs voor jonge kinderen. Voor de leden is het van belang dat de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel een nationale bevoegdheid is en blijft. De leden onderschrijven dan ook de opmerking dat Nederland hierop scherp zal blijven toezien.

De leden van de CDA-fractie zijn het zeer eens met het oordeel van de minister over de subsidiariteit. Beleid op dit terrein is het domein van de individuele lidstaten, zo menen de leden.

Europese Erfgoed Label

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het besluit van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een actie van de Europese Unie voor het Europees Erfgoedlabel. De leden hebben een vraag over deelname van «derde landen». De wenselijkheid van een dergelijke deelname zal bij de eerste evaluatie na zes jaar worden onderzocht. De leden vragen of er reeds overeenstemming is bereikt welke landen onder deze noemer vallen. Gaat het slechts om landen die tot het Europese continent behoren, zoals kandidaat-leden en niet-leden zoals Zwitserland? Of betreft ook het ook landen buiten het Europese continent, zo vragen zij.

De leden van de SP-fractie vragen hoe dit initiatief gezien moet worden tegen de achtergronden van bezuinigingen in de Nederlandse cultuursector? Hoeveel overheidsbudget wordt aan dit initiatief besteed, zo vragen zij. Hierover staat weinig tot geen informatie in het fiche onder kopje 5.b, financiële consequenties rijksoverheid.6 Wil dat zeggen dat er geen kosten voor de regering zijn, zo vragen de leden.

Informatiediensten mobiliteit voor beoefenaars culturele beroepen

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de raadsconclusies inzake Informatiediensten mobiliteit voor beoefenaars culturele beroepen.

Lunchdiscussie toekomstig Cultuur- en Mediaprogramma

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de lunchdiscussie Toekomstig Cultuur- en Mediaprogramma. De minister stelt dat de voorstellen in geen geval mogen leiden tot verhoging van de EU-begroting. Deze leden ondersteunen dit standpunt.

3. Geannoteerde agenda (Jeugd en) Sport

EU-werkplan voor Sport

De leden van de VVD-fractie vragen de minister de inhoud van het nieuwe EU-werkplan voor Sport toe te lichten.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het Hongaars voornemen om een EU-werkplan voor Sport te agenderen. De leden vinden het belangrijk dat er aandacht is voor sport, maar willen graag meer en meer concrete informatie over de inhoud van dit voorstel. Is het nieuwe Europese (concept) werkplan al in het bezit van het kabinet? Zo ja, kan zij dit plan inclusief bijlagen per ommegaande aan de Kamer zenden? Kan de minister het nieuwe Europese Werkplan toelichten? Welke prioritaire thema's worden er door de initiatiefnemers voorgesteld? Wat wordt de inzet van de minister, zo vragen de leden. En welke uitkomsten streeft zij na? Op welke wijze worden de expertgroepen samengesteld? Welke uitkomsten streeft het kabinet hierbij na, zo vragen de leden. In de brief geeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan dat zij – mede op basis van de gesprekken die zij met de Kamer en de sportsector gevoerd heeft – zich heeft ingespannen om goed bestuur en de compatibiliteit van de anti-dopingregels met de privacyregels actiepunten benoemd te krijgen die voor eind 2012 uitgevoerd moeten worden. Kan het kabinet toelichten welke sportonderwerpen er onder «goed bestuur» vallen? Op welke wijze kan de expertgroep «anti-doping» en een expertgroep «integriteit van sport» worden ingesteld? Wie nemen hier zitting in, zo vragen de leden. En wat wordt de inzet van Nederland? Wordt bijvoorbeeld de problematiek rondom de handel in jonge spelers nog aan de orde gesteld? Graag ontvangen deze leden een uitgebreide toelichting op deze punten.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de inhoud van het nieuwe EU-werkplan voor Sport is en verzoeken het kabinet om het Europese werkplan naar de Kamer te sturen, nadat de minister het ontvangen heeft. Het is een goede zaak dat één van de drie Europese prioriteiten op het gebied van sport de integriteit van sport is, zo menen de leden. Zij vragen of hieronder ook het voorkomen van handel in te jonge voetballers valt.

De leden van de SP-fractie kunnen de prioriteiten van het EU-werkplan voor Sport kunnen onderschrijven. Goed bestuur, goede perspectieven voor de breedtesport en de strijd tegen dopinggebruik zijn voor deze leden uitgangspunten voor het sportbeleid. De inzet van het kabinet dat de strijd tegen doping wel in overeenstemming moet zijn met de privacyregels wordt ook door de leden van de fractie ondersteund. Wel vragen deze leden aandacht voor het subsidiariteitsbeginsel met betrekking tot het sportbeleid. Kan het kabinet een toelichting geven op de inhoud van het EU-werkplan voor Sport, dat door het Hongaarse voorzitterschap wordt gepresenteerd, zo vragen de leden.

Discussie over online gokken

De leden van de SP-fractie zijn geen voorstander van een pilot tot legalisering van online gokken. De leden zien het bestaan van het illegaal online gokken op sportwedstrijden, maar zien beperkte legalisatie niet als oplossing hiervan. Het in Europees verband aanpakken van het illegaal online gokken in combinatie met een Europees sponsorverbod voor online-gokbedrijven zoals o.a. Bwin zouden zij als een betere stap zien. Het aanpakken van grensoverschrijdende criminaliteit is volgens de leden een belangrijk onderdeel van Europese samenwerking. De leden stellen de volgende vragen. Wat gaat de regering concreet doen om het illegale gokaanbod te bestrijden, welke initiatieven neemt Nederland hierin? Gaat er steun worden gezocht bij andere lidstaten in die aanpak, zo vragen zij. Worden de landen waar de illegale websites zijn gevestigd hierop ook aangesproken? Worden ook financiële instellingen die zaken blijven doen met illegale aanbieders aangepakt, zo vragen de leden.

4. Verslag informele EU bijeenkomst voor cultuur- en onderwijsministers 28 en 29 maart

Actief burgerschap, ondernemerschap en financiële geletterdheid in het onderwijs

De leden van de VVD-fractie stellen dat uit het verslag van de informele bijeenkomst van de ministers van Onderwijs op 29 maart 20117 blijkt dat tijdens de gedachtewisseling over het belang van burgerschapsvaardigheden de rol van scholen als cruciaal is bestempeld. Hoe beoordeelt de minister de cruciale rol van scholen en hoe ziet de minister de rol van de ouders en de omgeving in het ontwikkelen van burgerschapsvaardigheden, zo vragen de leden. In het verslag van de informele bijeenkomst van de ministers van Onderwijs op 29 maart 2011 wordt een samenvatting gegeven van een presentatie van Prof. Dr. Kerr van de International Civil and Citizenship Education Study. In het verslag staat vermeld: «een meerderheid van leerlingen ziet veel in de toenemende harmonisatie van Europees beleid, met de sterkste overeenstemming op de thema’s milieu, onderwijs, buitenlandse zaken en recht.» Is de minister met deze leden van mening dat deze conclusie niet als zodanig in het rapport vermeld wordt? Graag vernemen de leden van de minister hoe zij de uitkomst uit het onderzoek, dat 79% van de leerlingen een harmonisatie van het onderwijs in de Europese Unie wil, zal betrekken bij de internationalisering van het onderwijs in Nederland? Tot slot vragen de leden hoe de minister de conclusies van het genoemde rapport toepast op de Nederlandse situatie, gegeven het feit dat de Nederlandse data niet voldeden aan de minimumeisen van dataverzameling.

De leden van de PvdA-fractie hebben behoefte aan een nadere toelichting n aar aanleiding van het verslag van de vorige OJCS-raad op 28 en 29 maart in Hongarije7, waarbij er in de ochtendsessie gesproken is over actief burgerschap in onderwijsprogramma’s. De leden constateren tot hun tevredenheid dat de regering het belang en de positionering van actief burgerschap in het onderwijs naar voren heeft gebracht. De conclusie dat er veel overeenstemming is over het belang van actief burgerschap onder de lidstaten is dan ook een mooie ondersteuning van het burgerschapsonderwijs en -competenties onder scholieren. De leden Çelik en Heijnen hebben dit belang eerder naar voren gebracht in schriftelijke vragen aan de regering.9 Zij willen graag weten wat het uitgesproken belang van burgerschapsonderwijs nu concreet betekent voor de wijze waarop er in Nederland aan versterking / verankering van actief burgerschap wordt gewerkt. De leden wijzen hierbij naar eerdere onderzoeken die aangaven dat Nederlandse scholieren op het vlak van burgerschapscompetenties lager scoren dan Europese leeftijdsgenoten. Hoe kijkt u op dit moment aan tegen noodzakelijke versterking van het burgerschapsonderwijs, ook in het licht van de wettelijke vastlegging hiervan? Kan de minister verder aangeven wat dit eventueel betekent voor de Nederlandse positie bij toekomstige agendering van dit onderwerp binnen de raad, zo vragen de leden.

II REACTIE VAN DE MINISTER

1. Algemeen

De staatssecretaris dankt de leden van de fracties van de VVD, de PvdA, de PVV, het CDA en de SP voor hun inbreng en hun betrokkenheid bij de onderhavige EU-dossiers.

De leden van de VVD-fractie vragen welke onderwerpen voor de OJCS-Raad – zoals beschreven in de geannoteerde agenda – niet omstreden zijn, en voor welke onderwerpen dat wel van toepassing is. De minister licht toe dat voor alle geagendeerde onderwerpen geldt dat deze voor Nederland niet omstreden zijn. Voor twee onderwerpen is door andere lidstaten een voorbehoud aangetekend. Het Verenigd Koninkrijk heeft aangegeven – ondanks het belang wat ze naar eigen zeggen hechten aan het bestrijden van voortijdig schoolverlaten – (nog) niet akkoord te kunnen gaan met de aanbeveling van de Raad over de bestrijding van voortijdig schoolverlaten. De reden van dit voorbehoud heeft te maken met de methodologie van de aanpak van voortijdig schoolverlaten. Onduidelijk is waar voor het Verenigd Koninkrijk specifiek bezwaar tegen maakt aangaande de methodologie, aldus de minister. Voorts heeft Italië een voorbehoud bij de aanbeveling van de Raad inzake het bevorderen van leermobiliteit voor jongeren. In de onderhavige tekst wordt het «Mobility scoreboard» genoemd als een mogelijk instrument om de leermobiliteit te kunnen monitoren. De minister geeft aan dat dit voorbeeld eveneens staat vermeld in de mededeling van de Commissie over Jeugd in Beweging. Italië is echter van mening dat voorbeelden pas genoemd moeten worden als ze precies gedefinieerd kunnen worden. De minister benadrukt dat het voorbehoud van Italië niet gesteund zal worden, aangezien Nederland voorstander is van het inzichtelijk maken van de voortgang omtrent mobiliteit, zoals uiteengezet is in de geannoteerde agenda van de OJCS-Raad.

Tot slot zegt de minister dat indien beide lidstaten zullen vasthouden aan hun voorbehoud, dit de besluitvorming tijdens de Raad niet zal beïnvloeden, aangezien beide aanbevelingen van de Raad worden aangenomen volgens de procedure van gekwalificeerde meerderheid.

2. Geannoteerde agenda Onderwijs, Cultuur en Audiovisueel

Leermobiliteit voor jongeren

Op de vraag van de leden van de VVD-fractie of de minister bi- en multilaterale samenwerking voorziet om de doelen uit de aanbeveling over leermobiliteit te verwezenlijken, reageert de minister dat het -tegen de achtergrond van huidige financiële situatie en de besparingen die voorzien zijn- niet in de lijn der verwachting ligt om nieuwe regelingen met specifieke landen in het leven te roepen. Met de buurlanden wordt uiteraard zeer nauw samengewerkt, ook op het terrein van onderwijs en mobiliteit. De minister wijst in dit verband bijvoorbeeld op het Bilateraal Austausch Programma Nederland-Duitsland (BAND), dat zich richt op de mbo-sector.

De leden van de PVV-fractie vragen in hoeverre de aanbeveling een aanvulling vormt op bestaand nationaal beleid. De minister geeft aan dat de aanbeveling lidstaten moet aansporen om mobiliteit te bevorderen en barrières voor mobiliteit in eigen land weg te nemen. Het is staand Nederlands beleid om internationalisering in het onderwijs te bevorderen. De instellingen voeren daartoe hun eigen beleid en de overheid zal dat beleid faciliteren waar dat nodig en mogelijk is. Het kabinet hecht hieraan, aangezien het eraan bijdraagt dat jongeren optimaal worden voorbereid op de alsmaar internationaler wordende arbeidsmarkt. Als concreet voorbeeld noemt de minister de «infrastructuur» voor internationalisering zoals het ministerie van OCW die (mede)financiert: organisaties als Nuffic, Cinop en het Europees Platform ondersteunen instellingen en helpen jongeren om mobiel te worden. Als ander voorbeeld is de wereldwijd meeneembare studiefinanciering voor studenten.

De minister is het geheel eens met de leden van de CDA-fractie dat een adequate follow-up van de aanbeveling van groot belang is en zal daar ook op aandringen bij de Europese Commissie.

In reactie op de vragen van de SP-fractie of het bevorderen van leermobiliteit een toename van buitenlandse studenten betekent en of de toegankelijkheid voor Nederlandse studenten in het geding zou kunnen komen, wijst de minister er in de eerste plaats op dat het reeds jaren staand beleid is om internationalisering – en daarmee mobiliteit van studenten – te bevorderen. Het is wenselijk dat het hoger onderwijs in Nederland internationaal aantrekkelijk is. Internationalisering kan zo juist bijdragen aan de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs en daar profiteert iedereen van. Van capaciteitsproblemen bij universiteiten ten gevolge van de instroom van buitenlandse studenten zijn bij de minister geen voorbeelden bekend en discriminatie op grond van nationaliteit is niet toegestaan. De toegankelijkheid van het Nederlandse onderwijs is daarmee afdoende geborgd. Daarnaast wijst de minister op de positieve effecten van inspanningen van andere landen om mobiliteitsbelemmeringen in eigen land weg te nemen: dat maakt dat Nederlandse studenten nog meer mogelijkheden en kansen krijgen om de studie van hun keuze te volgen aan een universiteit of hogeschool waar deze zich ook bevindt binnen de Europese Unie.

De leden van de SP-fractie vragen naar wat onder excellentie moet worden verstaan. Naast het bevorderen van gelijkheid – in kansen, door het openstellen van mogelijkheden en het wegnemen van belemmeringen – is het ook van groot belang het potentieel excellente jonge mensen tot bloei te laten komen. Dit is zowel voor de individuele leerling en student van belang als voor de doelstellingen binnen het Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei.

In reactie op de vragen van de leden van de SP-fractie naar de mogelijke gevolgen van de aangekondigde Europese moderniseringsvoorstellen voor het hoger onderwijs, wil de minister in de eerste plaats verduidelijken dat het hier een mededeling betreft, een niet-verplichtende beleidsnotitie van de Commissie met suggesties aan de lidstaten voor de modernisering van het hoger onderwijs in Europa. De mededeling wordt na de zomer verwacht en de minister zal deze dan beoordelen en de Kamer van haar oordeel op de hoogte stellen middels een BNC-fiche. Overigens wil de minister deze leden wijzen op de brief die de staatssecretaris van OCW in maart over dit onderwerp aan de Commissie heeft gestuurd en waarvan de Kamer een afschrift heeft ontvangen (Kamerstuk 31 288, nr. 162). In deze brief wordt ook ingegaan op de uitdaging waarmee het hoger onderwijs in veel landen te maken heeft, namelijk het binnen sobere financiële kaders verbeteren van de onderwijskwaliteit voor een groeiende studentenpopulatie.

De SP-fractie brengt een initiatief van de Europese Commissie naar voren om jongeren te helpen een baan te vinden in het buitenland. De fractie spreekt haar zorg uit over het gevaar van braindrain uit arme lidstaten en vraagt zich af hoe dit initiatief de kansen op de arbeidsmarkt voor jonge werklozen in Nederland beïnvloedt.

De minister geeft aan dat het initiatief waar de leden van de SP-fractie op doelen – «Je eerste Eures-baan» – als uitgangspunt heeft dat ondanks relatief hoge werkloosheidscijfers er nog steeds onvervulde vacatures zijn in Europa. Volgens de Europese Commissie is werken in het buitenland vooral voor jongeren aantrekkelijk. Met dit proefproject, dat plaats vindt onder voorbehoud van financiële steun van de begrotingsautoriteit, wil de Europese Commissie jongeren helpen een baan te vinden in en te verhuizen naar één van de lidstaten van de Europese Unie. Beoogd uitvoerder is EURES (Europese netwerk van openbare diensten voor de arbeidsvoorziening). De minister wijst erop dat dit initiatief moet aansluiten bij de mogelijkheden die EURES reeds biedt. Of dit initiatief, als het al plaats vindt, enig effect heeft op de arbeidsmarkten van landen zoals Ierland, Griekenland, Spanje, Portugal of Nederland, is gezien de vermoedelijke schaal, maar zeer de vraag.

Vervolgens licht de minister de voorstellen voor «jeugdgarantie» op werk toe, in het bijzonder het aanbieden van een zogenaamde activeringsmaatregelen. Jongeren zijn belangrijk voor de toekomstige welvaart van Europa. Zij maken 20% van de EU-bevolking uit en hun vaardigheden en talenten zijn van doorslaggevend belang om de doelstelling van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken. Momenteel kunnen niet alle jongeren hun potentieel op het gebied van onderwijs en opleiding ten volle benutten. Door de financiële en economische crisis is ook de jeugdwerkloosheid in Europa fors gestegen. Een doelstelling is om het aantal voortijdige schoolverlaters te verminderen en jonge mensen het mogelijk te maken hun potentieel ten volle te kunnen ontplooien. Een jeugdgarantieregeling verzekert jongeren uiterlijk zes maanden na het behalen van hun diploma van een baan, een extra opleiding of een stage. Om te voorkomen dat jongeren in een vroeg stadium langs de zijlijn komen te staan moeten belemmeringen die de toegang van die jongeren tot activeringsmaatregelen blokkeren worden opgeheven, aldus de minister. Binnen vier maanden na het verlaten van school zouden jongeren door een jeugdgarantie werk, een vervolgopleiding of een activeringsmaatregel aan moeten worden geboden.

De minister geeft in antwoord op de vragen van de leden van de SP-fractie over de classificatie van universiteiten aan dat de haalbaarheid van een multidimensionale internationale ranglijst van universiteiten op dit moment wordt onderzocht in het kader van het U-Multirank-project (zie ook: www.u-multirank.eu). De minister wijst erop dat aan bestaande rankings belangrijke nadelen kleven, bijvoorbeeld doordat de onderwijskwaliteit niet of onvoldoende wordt meegewogen of doordat niet wordt gekeken op het niveau van disciplines maar slechts op geaggregeerd instellingsniveau. Deze multidimensionale ranking zou een nuttige bijdrage kunnen leveren aan de transparantie en inzichtelijkheid van het totale hogeronderwijsaanbod in Europa. De minister ziet de uitkomsten van de haalbaarheidsstudie dan ook met belangstelling tegemoet. Uiteraard zal de minister de Kamer betrekken bij het vervolgtraject zodra dat leidt tot formele Commissievoorstellen en/of op de agenda van de Raad verschijnt.

In reactie op de vragen over de studiefinancieringsfaciliteit licht de minister toe dat het ook hier om een haalbaarheidsstudie gaat waarvan de resultaten binnen afzienbare tijd worden verwacht. Zoals de Commissie het in haar mededeling over «Jeugd in beweging» beschrijft zou het moeten gaan om een leenfaciliteit waarmee de mobiele student (een deel van) de meerkosten die samenhangen met een leerverblijf in het buitenland kan opvangen. De Europese Investeringsbank (EIB) zou daarbij een rol kunnen spelen. De uitkomsten van de haalbaarheidsstudie zullen moeten worden afgewacht om te zien wat precies de modaliteiten zijn waaraan gedacht wordt. Ook hiervoor geldt dat de minister de Kamer zal betrekken bij het vervolgtraject zodra dat leidt tot formele Commissievoorstellen en/of op de agenda van de Raad verschijnt.

Voortijdig schoolverlaten

De leden van de VVD-fractie informeren naar de doelstelling om voortijdig schoolverlaten binnen de Europese Unie te verminderen tot 10%. De vraag is of dit een gemiddelde is voor de Europese Unie, of dat deze doelstelling wordt overgenomen door iedere lidstaat. De minister verwijst in haar reactie naar de overkoepelende EU2020-strategie, waarbij de regeringsleiders zich onder meer gecommitteerd hebben aan de doelstelling dat het percentage voortijdige schoolverlaters van 18 tot en met 24 jaar onder de 10% moet komen te liggen. Deze doelstelling moet door de lidstaten vertaald worden in een nationaal doel. Nederland heeft deze Europese doelstelling vertaald in een percentage van 8%. Deze 8% volgt uit de oorspronkelijke halveringsdoelstelling van de EU in 2000. Nederland kende toen een uitval van bijna 16%.

Voorts willen VVD-fractieleden weten hoe de doelstelling van minder dan 10% voortijdig schoolverlaters zich verhoudt tot het landelijk gemiddelde van 3% nieuwe voortijdig schoolverlaters in het schooljaar 2009–2010 (zoals is vermeld in de VSV-brief 2011). De minister licht toe dat in de EU-doelstelling wordt uit gegaan van een percentage voor alle jongeren in het leeftijdscohort 18 tot en met 24 jaar. Maximaal 10% mag straks hiervan een voortijdig schoolverlater zijn. Dit zijn zowel jongeren die nog op school zitten als jongeren die werken. Het Nederlandse percentage van 3% is gebaseerd op het aantal naar schoolgaande jongeren tussen de 12 en 23 jaar. Hiervan heeft gedurende het schooljaar 3% de school verlaten zonder startkwalificatie. Als we naar de EU-doelstelling kijken, dan zien we dat in 2010 10,1% van alle jongeren van 18 tot en met 24 jaar geen startkwalificatie heeft en daarmee een voortijdig schoolverlater is.

De minister wijst erop dat voor een groot aantal landen de doelstelling van 10% nog niet gehaald is. De gegevens van Eurostat uit 2010 laten zien dat de volgende landen een percentage boven de 10% hebben (zowel 27 EU-lidstaten als een aantal andere Europese landen):

Finland, Ierland, Hongarije, Denemarken, Estland, België, Duitsland, Cyprus, Frankrijk, Letland, Griekenland, Bulgarije, Verenigd Koninkrijk, Voormalig Joegoslavische Republiek Macedonië, Noorwegen, Roemenie, Italië, IJsland, Spanje, Portugal, Malta.

Het EU-gemiddelde in 2010 ligt op een percentage van 14,1%. Er is dus nog wel een weg te gaan om de doelstelling van 10% te halen en er lijkt uit de cijfers geen directe aanleiding om de doelstelling strikter te formuleren. De doelstelling van maximaal 10% voortijdig schoolverlaters is juist onlangs verschoven van 2010 naar 2020 omdat de meeste landen ondanks de vooruitgang niet in de buurt kwamen van die 10%. Voor de Europese Unie als geheel is maximaal 10% voortijdig schoolverlaten derhalve een ambitieus doel, aldus de minister.

Wat betreft de drie genoemde accenten in de mededeling over voortijdig schoolverlaten – preventie, interventie en compensatie – geeft de minister aan dat de Nederlandse aanpak «Aanval op schooluitval» vooral is gericht op het voorkomen van voortijdig schoolverlaten en bedient hiermee vooral de eerste twee accenten die de Europese Commissie aangeeft. Stevig inzetten op een preventieve aanpak heeft als voordeel dat als de preventieve aanpak slaagt, er ook minder compensatiemaatregelen nodig zijn. Daarnaast vallen de kosten voor preventief beleid vaak vele malen lager uit dan duurdere, compensatie maatregelen. De afgelopen jaren laat de aanpak «Aanval op schooluitval» een stevige daling zien in het aantal nieuwe vsv’ers. Zo waren er in 2002 nog 70 500 nieuwe vsv’ers, in het schooljaar 2009–2010 is het aantal nieuwe vsv’ers gedaald naar 39 600. De preventieve aanpak werkt volgens de minister.

In reactie op de laatste vraag van de VVD-fractie, of samenwerking inzake voortijdig schoolverlaten niet beter kan plaatsvinden in OESO verband, geeft de minister aan zij mogelijkheden ziet voor samenwerking in het verband van de EU én in OESO verband. Deze samenwerking richt zich dan met name op het uitwisselen van best practices en kennis tussen de lidstaten. Nederland neemt in dit kader deel aan het onderzoek «school failure: policies that work», een onderzoek van de OESO dat, breder dan alleen het voorkomen van voortijdig schoolverlaten, kijkt naar het functioneren van schoolsystemen.

De fractieleden van het CDA vragen de minister of ze kan aangeven hoe Nederland het doet in Europees verband qua aantallen voortijdig schoolverlaten. De minister geeft aan dat het lastig is om in absolute zin (in aantallen) de afzonderlijke lidstaten te vergelijken op voortijdig schoolverlaten, aangezien de omvang van de bevolking erg verschilt. Kijken we naar de percentages, dan scoort Nederland goed. Met een percentage van 10,1% in 2010 ligt de Europese doelstelling binnen handbereik. Het EU gemiddelde ligt voor 2010 op 14,1%. Nederland behoort daarnaast tot de grootste dalers in de afgelopen jaren. Nederland heeft in de periode 2000–2010 grote progressie geboekt door het percentage van 15,4% in 2000 terug te dringen naar een percentage van 10,1% in 2010.

De minister zegt niet te beschikken over gegevens over achtergrondkenmerken van schooluitvallers in andere lidstaten. Het informatiesysteem in Nederland rondom voortijdig schoolverlaten is beter ontwikkeld dan in veel andere landen.

Onderwijs en opleiding voor jonge kinderen

De minister geeft aan verheugd te zijn over het feit dat de leden van de fracties van de VVD, de PVV en het CDA instemmen met de gekozen lijn in het fiche Onderwijs en opleiding voor jonge kinderen dat het beleid op dit terrein het domein is van de individuele lidstaten.

Europees Erfgoed Label

De leden van de SP-fractie vragen hoe het initiatief van het Europees Erfgoedlabel gezien moet worden tegen de achtergrond van de bezuinigingen in de Nederlandse cultuursector. Zij willen weten hoeveel overheidsbudget voor de Nederlandse implementatie zal worden gebruikt.

Met het besluit voor een actie voor het Europees Erfgoedlabel zijn de Europese regels voor het label vastgelegd. Nu komt het moment om een afweging te maken of Nederland deel zal nemen aan deze actie en, als het antwoord daarop positief is, hoe dat moet gebeuren. Deelnemende lidstaten worden in het Europees Erfgoedlabel besluit aangemoedigd te streven naar een zo licht en flexibel mogelijke administratieve organisatie. De minister geeft aan dat de staatssecretaris voor Cultuur deze efficiënte organisatievorm in zijn overweging zal betrekken. Er wordt gestreefd naar een zo beperkt mogelijk budget, vanzelfsprekend ook in relatie tot de toekomstige cultuurbegroting.

De leden van de PVV-fractie hebben een vraag over de deelname van «derde landen» aan het Europees Erfgoedlabel. De minster wijst erop dat in de actie van de Europese Unie voor het Europees Erfgoedlabel is vastgelegd dat bij de evaluatie van de actie na zes jaar de geografische reikwijdte kan worden onderzocht. De Europese Commissie zal zorgen voor een externe en onafhankelijke evaluatie, die elke zes jaar wordt herhaald. Alle elementen van de actie worden daarbij onder de loep genomen, inclusief de efficiëntie van het proces, het aantal sites, de impact van de actie, uitbreiding van de geografische reikwijdte, verbeterpunten en mogelijke voortzetting van de actie. De resultaten van de evaluatie en eventuele aanbevelingen worden gepresenteerd aan het Europees Parlement, de Raad en het Comité van de regio’s.

Deze procedure sluit aan bij de Nederlandse positie: beginnen met de 27 EU landen en na zes jaar bij de evaluatie de mogelijkheid onderzoeken of ook andere Europese landen kunnen deelnemen. Het cultuurcomité had aanvankelijk voorstellen van onder meer EU lidstaten aan de oostgrens van de EU om met hun oosterburen grensoverschrijdende nominaties te kunnen voorbereiden, aangenomen. In de onderhandeling met het Europees Parlement is dit echter komen te vervallen.

De minster wil niet vooruitlopen op de externe en onafhankelijke evaluatie van de actie voor een Europees Erfgoedlabel die waarschijnlijk in 2018 plaats vindt.

3. Geannoteerde agenda (Jeugd en) Sport

EU werkplan voor sport

In reactie op de vragen van de leden van de VVD, PvdA het CDA en de SP, geeft de minister een toelichting op de inhoud van het EU-werkplan voor sport en de manier waarop de actiepunten in dit werkplan uitgewerkt worden in EU-expertgroepen.

In de Raad van 20 mei aanstaande zal de Raad een werkplan aannemen, aldus de minister, waarin wordt aangegeven dat de lidstaten en de Europese Commissie tot medio 2014 voorrang geven aan drie prioriteiten. Ten eerste noemt de minister de integriteit van de sport, in het bijzonder de bestrijding van doping en van wedstrijdvervalsing, en de bevordering van goed bestuur. Vervolgens benoemt de minister de sociale waarden van de sport, in het bijzonder gezondheid, sociale insluiting, onderwijs en vrijwilligerswerk. De laatste prioriteit is het economisch aspect van de sport, in het bijzonder duurzame financiering van breedtesport en empirisch onderbouwde beleidsvorming. Deze prioritaire thema’s kunnen door ieder voorzitterschap aan de hand van actualiteiten worden aangevuld.

De minister verwijst naar de bijvoegde bijlage: de ontwerp-resolutie van de Raad over een werkplan voor sport. In de bijlage van deze ontwerp-resolutie wordt inzichtelijk gemaakt welke deskundigengroepen worden ingericht in het kader van de prioritaire thema’s, welke acties door deze groepen ondernomen worden en wat de uiterste opleverdata zijn.

De minister benadrukt dat het kabinet de genoemde acties, de voorziene resultaten en de genoemde streefdata onderschrijft. Deelname aan deze expertgroepen is optioneel. De minister geeft aan dat Nederland aan alle expertgroepen een bijdrage wil leveren. Nederlandse afvaardiging is afhankelijk van de agenda en de op dat moment gewenste expertise. Het advies van de expertgroepen wordt vervolgens voorgelegd aan de vertegenwoordigers van de lidstaten en de Europese Commissie in de Raadswerkgroep sport. Deze groep beziet vervolgens de mogelijke vervolgstappen en bereidt deze in het kader van de Sportraad voor. Hierbij is bijzondere aandacht voor het subsidiariteitsbeginsel en de autonomie van de bestuursstructuren in de sportwereld.

De Europese Commissie zal vóór eind 2013 dit werkplan evalueren. Aan de hand daarvan zal in het eerste halfjaar van 2014 een nieuw werkplan van de Raad worden opgesteld, aldus de minister.

Discussie online gokken

De leden van de SP-fractie zijn geen voorstander van een pilot tot legalisering van online gokken. In reactie op de bezwaren van deze leden, wijst de minister op de brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 maart 201110 waarin de visie op het kansspelbeleid wordt uiteengezet. In de betreffende brief wordt door de staatssecretaris een tweesporenbeleid aangekondigd, namelijk door enerzijds online kansspelen (in brede zin) via een vergunningstelsel te reguleren, en anderzijds de aanpak van illegaal kansspelaanbod via internet te intensiveren.

De staatssecretaris heeft aangegeven het vergunningstelsel voor kansspelaanbod via internet op korte termijn tot stand te willen brengen. Hij heeft de verwachting uitgesproken een voorstel tot wijziging van de Wet op de kansspelen uiterlijk eind 2011 ter advies voor te leggen aan de Raad van State, aldus de minister.

De intensivering van de aanpak van illegaal kansspelaanbod wordt door verschillende maatregelen bereikt. In de eerste plaats wordt een nieuwe, onafhankelijke toezichthouder op het gebied van kansspelen in het leven geroepen: de kansspelautoriteit (Ksa). De Ksa gaat over een effectief, bestuursrechtelijk handhavinginstrumentarium beschikken. Verwacht wordt dat de Ksa per 1 januari 2012 van start kan gaan, als de Kamer bereid is dit wetsvoorstel spoedig te agenderen.

In de tweede plaats richt de aanpak zich niet alleen tot de – vaak (fysiek) in het buitenland gevestigde – operators, maar ook tot personen en instanties die het illegale aanbod in Nederland faciliteren, zoals financiële instellingen en Internet Service Providers. Aan de Nederlandse Vereniging van Banken zal een zwarte lijst worden overlegd waarop aanbieders van illegale internetkansspelen staan vermeld, met het verzoek deze lijst onder haar leden te verspreiden. Bij de aangekondigde wijziging van de Wet op de kansspelen zullen zonodig additionele handhavingsaatregelen worden opgenomen.

Verder licht de minister toe dat de staatssecretaris heeft aangegeven dat hij bij de verdere uitwerking van het aangekondigde beleid met verschillende stakeholders – waaronder operators die (nu nog) geen legale status hebben – in overleg treedt. Mede hierom wil hij de aangekondigde intensivering van de handhaving pas volledig doorvoeren op het moment dat het nieuwe vergunningstelsel voor online kansspelaanbod een feit is.

Tegelijk met de realisatie van de aangekondigde beleidsmaatregelen, zet de Nederlandse overheid de dialoog met de andere EU-lidstaten voort, onder andere in de Raadswerk-groep kansspelen. De minister rond haar toelichting af met de opmerking dat hoewel vrijwel alle lidstaten willen vasthouden aan hun bevoegdheid online kansspelen op nationaal niveau te reguleren, er (enige) bereidheid bestaat tot «best practices» op het gebied van online kansspelen en tot een betere informatie-uitwisseling te komen.

4. Verslag informele EU bijeenkomst voor cultuur- en onderwijsministers 28 en 29 maart

Actief burgerschap, ondernemerschap en financiële geletterdheid in het onderwijs

De leden van de VVD-fractie hebben de minister gevraagd hoe zij de rol van scholen, ouders en de omgeving beoordeelt aangaande het ontwikkelen van burgerschapsvaardigheden. De minister geeft aan dat scholen de verantwoordelijkheid hebben om actief burgerschap van hun leerlingen te bevorderen. Het gaat hier zowel om kennis als om attitudes. Dit laat natuurlijk onverlet dat de ouders/verzorgers een zeer grote en onvervangbare rol spelen bij het verwerven van burgerschapsvaardigheden. Ook de omgeving van de leerlingen is van belang. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in de maatschappelijke stage in het voortgezet onderwijs, waarin een verbinding wordt gelegd tussen de school en de omgeving.

Voorts verwijzen de fractieleden van de VDD naar de presentatie die door Prof. Dr. Kerr tijdens de informele bijeenkomst is gegeven, waarbij naar voren is gebracht dat «een meerderheid van leerlingen veel ziet in de toenemende harmonisatie van Europees beleid, met de sterkste overeenstemming op de thema’s milieu, onderwijs, buitenlandse zaken en recht». De minister licht toe dat Prof. Dr. Kerr zich baseert op het rapport «ICCS 2009, European Report Civic knowledge attitudes and engagement among lower secundary students in 24 European countries». In dit rapport staat bovengenoemde conclusie als volgt vermeld: «The pattern of responses to the harmonization items suggest that students in the ICCS target grade generally support greater policy harmonization within Europe in a range of areas» (p. 78).

In reactie op de vraag van de VVD-fractie hoe de minister de uitkomst van het onderzoeksrapport, dat 79% van de leerlingen een harmonisatie van het onderwijs in de Europese Unie wil, gaat betrekken bij de internationalisering van het onderwijs in Nederland, benadrukt de minister dat zij geen inhoudelijke rol heeft bij de vormgeving van de internationalisering van het onderwijs. Het voortouw ligt in dit geval bij de scholen, vult de minister aan. De overheid heeft een ondersteunende en faciliterende rol wat betreft het European Qualification Framework (EQF).

Aangaande de toepassing van de onderzoeksconclusies op de Nederlandse situatie – gegeven het feit dat de Nederlandse data niet voldeden aan de minimumeisen van dataverzameling – is de minister van mening dat de Nederlandse uitkomsten met een grotere onzekerheidsmarge geïnterpreteerd moeten worden en dat de conclusies van het rapport voor de Nederlandse situatie terughoudend gehanteerd moeten worden.

Door de leden van de PvdA-fractie is de vraag naar voren gebracht wat het uitgesproken belang van burgerschapsonderwijs nu concreet betekent voor de wijze waarop er in Nederland aan versterking en verankering van actief burgerschap wordt gewerkt. De minister wijst erop dat de verantwoordelijkheid van scholen voor primair en voortgezet onderwijs om actief burgerschap te bevorderen sinds februari 2006 is vastgelegd in de Wet Primair Onderwijs en de Wet Voortgezet Onderwijs. De bevordering van actief burgerschap en sociale integratie dient praktisch en actief uitdrukking te krijgen in het onderwijs. Het ondersteunen van scholen is volgens de minister van belang, juist gelet op de beleidsvrijheid die scholen volgens de wet hebben. De Onderwijsinspectie heeft geconstateerd dat er meer samenhang mogelijk is in het burgerschapsaanbod van scholen. Vijf jaar na de inwerkingtreding van de wettelijke bepaling lijkt de tijd rijp voor het opmaken van de balans. In dat kader geeft de minister aan dat de Onderwijsraad is gevraagd te adviseren over de wijze waarop scholen in brede zin ondersteund zouden kunnen worden in hun vormgeving van burgerschap en hoe burgerschapsonderwijs in het verlengde daarvan van bruikbare instrumenten kan worden voorzien. De minister verwacht dit advies in het eerste kwartaal van 2012 te ontvangen. De minister zegt toe dat ze de Nederlandse uitkomsten van het internationale ICCS-onderzoek naar burgerschapscompetenties onder de aandacht van de Onderwijsraad in Den Haag zal brengen. De Nederlandse positie bij toekomstige agendering van dit onderwerp zal zijn dat we Europese samenwerking op dit terrein – met name het leren van elkaar – zullen verwelkomen, waarbij we zullen benadrukken dat in Nederland scholen verantwoordelijk zijn voor invulling van hun onderwijsprogramma’s, met inbegrip van actief burgerschap.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Ham, B. van der (D66), Bochove, B.J. van (CDA), voorzitter, Haverkamp, M.C. (CDA), Miltenburg, A. van (VVD), Ortega-Martijn, C.A. (CU), Bosma, M. (PVV), Dijk, J.J. van (SP), Ouwehand, E. (PvdD), Dibi, T. (GL), Wolbert, A.G. (PvdA), ondervoorzitter, Biskop, J.J.G.M. (CDA), Smits, M. (SP), Elias, T.M.Ch. (VVD), Beertema, H.J. (PVV), Dijkstra, P.A. (D66), Jadnanansing, T.M. (PvdA), Dekken, T.R. van (PvdA), Dijkgraaf, E. (SGP), Çelik, M. (PvdA), Lucas-Smeerdijk, A.W. (VVD), Klaveren, J.J. van (PVV), Klaver, J.F. (GL) en Liefde, B.C. de (VVD).

Plv. leden: Koşer Kaya, F. (D66), Ferrier, K.G. (CDA), Werf, M.C.I. van der (CDA), Burg, B.I. van der (VVD), Schouten, C.J. (CU), Dille, W.R. (PVV), Kooiman, C.J.E. (SP), Thieme, M.L. (PvdD), Peters, M. (GL), Dam, M.H.P. van (PvdA), Toorenburg, M.M. van (CDA), Wit, J.M.A.M. de (SP), Hennis-Plasschaert, J.A. (VVD), Mos, R. de (PVV), Pechtold, A. (D66), Dijsselbloem, J.R.V.A. (PvdA), Klijnsma, J. (PvdA), Staaij, C.G. van der (SGP), Hamer, M.I. (PvdA), Harbers, M.G.J. (VVD), Gerbrands, K. (PVV), Sap, J.C.M. (GL) en Lodders, W.J.H. (VVD).

X Noot
2

Kamerstuk 32 123-VIII, nr. 150.

X Noot
3

Kamerstuk 22 112, nr. 1065.

X Noot
4

Kamerstuk 22 112, nr. 146.

X Noot
5

Kamerstuk 22 112, nr. 1152.

X Noot
6

Kamerstuk 22 112, nr. 1008.

X Noot
7

Kamerstuk 21 501-34, nr. 164.

X Noot
9

Aanhangsel Handelingen II, 2009–2010, nr. 3239.

X Noot
10

Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 24 557, nr. 124.