6 Maritiem

Aan de orde is het VAO Maritiem (AO d.d. 06/12).

De voorzitter:

Aan de orde is het VAO Maritiem met als eerste spreker de heer Laçin van de SP. Hij staat al klaar.

De heer Laçin (SP):

Dank, voorzitter. Goedemorgen. We hebben een goed AO gehad en veel gewisseld. Ik heb drie moties over varend ontgassen en het probleem dat is ontstaan op het water met bergers, de kustwacht en de KNRM. Die ga ik nu voorlezen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat door het varend ontgassen chemische stoffen vrijkomen die gezondheidsrisico's kunnen opleveren en het milieu vervuilen;

constaterende dat het varend ontgassen op zijn vroegst in 2020 landelijk wordt verboden;

overwegende dat het wenselijk is dat het varend ontgassen zo snel mogelijk verboden wordt;

verzoekt de regering zich maximaal in te spannen om het landelijk verbod op het varend ontgassen in te laten gaan op 1 januari 2020 en indien mogelijk eerder en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 205 (31409).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat verschillende provincies een verbod hebben op het varend ontgassen;

constaterende dat er geen handhaving plaatsvindt van dit verbod;

overwegende dat de minister samen met provincies in een taskforce zit;

verzoekt de regering te onderzoeken hoe een provinciaal verbod gehandhaafd kan worden tot het landelijk verbod op varend ontgassen ingaat,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Laçin en Teunissen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 206 (31409).

De heer Laçin (SP):

Tot slot, voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er geen heldere afspraken zijn tussen de kustwacht, KNRM en bergers over afhandelingen van meldingen;

constaterende dat bergers hierdoor in financiële problemen komen;

constaterende dat Nederland hierdoor zijn verplichting om hulp en bijstand te bieden op onze wateren aan schepen mogelijk niet kan nakomen;

overwegende dat dit een ongewenste situatie is gezien het belang en de omvang van onze havens;

overwegende dat er onder andere op de weg afspraken zijn gemaakt tussen Rijkswaterstaat en bergers over de afhandeling van problemen op de weg;

verzoekt de regering voor de situatie op het water te kijken naar plekken waar goede triage plaatsvindt en mogelijke oplossingen terug te koppelen naar de Kamer voor het eerstvolgende algemeen overleg Maritiem,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 207 (31409).

De heer Laçin (SP):

Dan heb ik nog een slotopmerking, voordat de heer Dijkstra zijn vraag kan stellen.

De voorzitter:

Ik ben blij dat u over de orde gaat, maar dat is goed.

De heer Laçin (SP):

Sorry. Excuses. Ik weet dat de minister de afgelopen weken veel brieven van bergers heeft gekregen. Ik zou de minister dus ook vooral willen uitnodigen om op die brieven in te gaan en op bezoek te gaan bij de bergers.

De voorzitter:

De heer Dijkstra heeft een vraag.

De heer Remco Dijkstra (VVD):

Even ter verduidelijking: gaat het om het verdienmodel van de bergers, zwart-wit gezegd, of gaat het om de veiligheid van de mensen die in nood zijn op zee?

De heer Laçin (SP):

Het tweede. En we hebben de bergers wel nodig om als land onze verplichting om hulp en bijstand te bieden op het water na te kunnen komen. Daarom hebben we de bergers ook heel hard nodig. Het gaat mij niet per se om de financiële huishouding van bergers, maar we hebben die bergers wel keihard nodig.

De voorzitter:

Goed. Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Teunissen van de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Voorzitter, goedemorgen. Ik heb twee moties, één over het varend ontgassen en één over zeezwaaien. Die ga ik nu voorlezen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het varend ontgassen van vervluchtigende gevaarlijke stoffen in de nabijheid van sluizen en voorhavens, onder bruggen en in dichtbevolkte gebieden per 1 januari 2019 verboden is;

constaterende dat de termen "nabijheid" en "dichtbevolkte gebieden" niet in de wet gedefinieerd zijn;

constaterende dat ook de minister aangeeft versneld van het varend ontgassen af te willen;

constaterende dat varend ontgassen in een rapport van de Erasmus Universiteit gekwalificeerd wordt als een van de grootste milieuproblemen van Nederland en dat deskundigen zich grote zorgen maken om de volksgezondheid;

verzoekt de minister de termen "nabijheid" en "dichtbevolkte gebieden" zo breed mogelijk te interpreteren en daarmee het verbod op varend ontgassen zo ruim mogelijk geldig te maken;

verzoekt de minister tevens deze interpretatie zo snel mogelijk, maar uiterlijk 1 februari, in een kaart te verwerken en deze kaart te delen met de Kamer, de sector en de handhavers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Teunissen, Kröger en Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 208 (31409).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat zeezwaaien, een praktijk waarbij zeeschepen kort de haven verlaten om vlak voor de kust met zeewater de (chemische) resten uit hun tanks te spoelen, door Nederland wordt toegestaan;

constaterende dat dit zeezwaaien schadelijke effecten heeft op het (mariene) milieu en het zeeleven;

constaterende dat ook de minister aangeeft van deze praktijk af te willen;

constaterende dat Duitsland dit zeezwaaien, binnen de internationale IMO/MARPOL-regelgeving, onmogelijk maakt;

verzoekt de regering zeezwaaien naar Duits voorbeeld onmogelijk te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Teunissen, Laçin en Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 209 (31409).

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank. De heer Dijkstra. Nee, eerst mevrouw Kröger; excuus.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Voorzitter. Er is veel onrust bij ideële organisaties over de definitie die gehanteerd gaat worden bij het proces over vlagregistratie. Ik ben benieuwd of de minister de brief van het Zeekadetkorps heeft gezien en hoe ze daarnaar kijkt. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister van Infrastructuur en Waterstaat in haar brief van 26 september jongstleden aan de Kamer aankondigde per direct een beleidswijziging door te voeren voor het verlenen van vlagregistratie van zeeschepen van organisaties met ideële doelstellingen;

constaterende dat betrokken organisaties niet voorafgaand aan de beleidswijziging van de registratie en certificering van zeeschepen zijn geïnformeerd dan wel geconsulteerd over de impact van het nieuwe beleid;

constaterende dat grote onduidelijkheid heerst over welke organisaties en schepen onder het nieuwe beleid vallen en op basis van welk criterium;

overwegende dat de beleidswijziging leidt tot nieuwe eisen voor schepen van onder andere museumschepen, de KNRM, Women on Waves en organisaties zoals de scoutinggroepen in Nederland;

overwegende dat de minister geen duidelijkheid creëert over welke urgente problemen momenteel aan boord van dergelijke schepen plaatsvinden waardoor er per direct stappen ondernomen moeten worden;

verzoekt de regering de beleidswijziging uit te stellen totdat in kaart is gebracht wat de reikwijdte en impact zijn van het nieuwe beleid en de betrokkenen door middel van een publieke consultatie de mogelijkheid hebben gehad om op een concreet voorstel te reageren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 210 (31409).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de zeescheepvaart een significante bijdrage levert aan de mondiale CO2-uitstoot;

overwegende dat Nederland de ambitie heeft om volledig circulair te zijn in 2050;

overwegende dat de Nederlandse havens een belangrijke rol spelen in zowel de energietransitie als de transitie naar een circulaire economie;

verzoekt de regering een visie te ontwikkelen op de rol van de havens in zowel de klimaat- als de circulaire transitie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 211 (31409).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het nu volgens nationale en internationale regels schepen is toegestaan om op zee hun tanks te spoelen en zo stoffen in zee te lozen die niet in zee thuishoren;

verzoekt de regering om in internationaal verband het initiatief te nemen om tot regelgeving te komen die ervoor zorgt dat schepen in de haven van bestemming hun tanks en ruimen (laten) reinigen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 212 (31409).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank. Dan is het woord nu aan de heer Dijkstra van de VVD.

De heer Remco Dijkstra (VVD):

Voorzitter. We hebben een heel goed algemeen overleg Maritiem gehad; dank daarvoor. We hebben heel veel punten behandeld die op de agenda stonden en die we zelf hebben ingebracht. Ik heb geen behoefte om daar moties over in te dienen. Ik wil benadrukken dat we stappen zetten op het punt van het varend ontgassen. Ik zie uit naar het wetsvoorstel, zodat we dat spoedig in de Kamer kunnen behandelen.

Ik heb één opmerking over de bergers. Het is natuurlijk altijd al mediation geweest om te kijken of de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij en de bergers op één lijn kunnen komen. Dat is niet gelukt. Het is ook erg ingewikkeld, want aan de ene kant wil je op zee geen cowboytaferelen en aan de andere kant wil je gewoon dat slachtoffers gered worden. Op het moment dat we dit in protocollen gaan vatten, moet de veiligheid wel vooropstaan. Dan moet je kanaal 16 — dat is het volgens mij — van de marifoon gewoon kunnen uitluisteren en dan moeten er mensen op af om mensen te redden. De ruimte daarvoor moet je volgens mij niet inperken; dat mag niet het gevolg zijn.

De heer Van Aalst (PVV):

Mijn vraag sluit een beetje aan op de vraag die de heer Dijkstra aan de SP stelde. Gaat het de VVD om de hobby en de vrijwilligers van de KNRM of om de waterveiligheid en het ondernemerschap van zowel de bergers als de KNRM?

De heer Remco Dijkstra (VVD):

Het gaat de VVD erom dat mensen die in nood zijn op zee, op de Waddenzee of op de Noordzee, zo snel mogelijk worden geholpen. Ik heb er niet zo'n probleem mee als er dan mogelijk meerdere partijen uitrukken. Je zou maar zelf op zo'n bootje zitten. Dan wil je gewoon dat er iemand is. En dat hele gedoe met verzekeraars of verdienmodellen is van later zorg. De mensen moeten eerst in veiligheid worden gebracht.

De heer Laçin (SP):

Ik ben het er helemaal mee eens dat mensen in veiligheid moeten worden gebracht. Maar is de heer Dijkstra het dan ook met mij eens dat we die bergers ook echt nodig hebben om in sommige situaties die veiligheid te kunnen waarborgen?

De heer Remco Dijkstra (VVD):

Beide zijn nodig. Je moet op een gegeven moment natuurlijk ook een schip wegslepen en dergelijke. Nu is het een soort ratrace van wie er het eerst is. Dat leidt tot allerlei conflicten. Er zijn geen verkeersborden op zee om aan te geven wie voorrang heeft. Als iemand in nood is en hij kanaal 16 indrukt en zegt "help mij", dan moet er iemand op af. Wie er dan het eerst is, moet dat kunnen doen, wat ons betreft. Ik ben heel benieuwd hoe we dit gaan oplossen, want we hebben gezien dat mediation in dezen geen oplossing heeft geboden. Ik ben dus benieuwd naar de antwoorden van de minister op dit punt.

De heer Laçin (SP):

Is de VVD het dan met mij eens dat wij daar heldere afspraken voor nodig hebben, juist om ervoor te zorgen dat het geen race wordt, dus dat we heldere kaders nodig hebben voor wie wanneer wat kan doen?

De heer Remco Dijkstra (VVD):

Als regels ervoor zorgen dat een slachtoffer later geholpen wordt, omdat er twijfel over is of wat dan ook, dan is dat geen goede zaak. Het gaat erom dat men geholpen wordt. Soms gaat het om mensenlevens, maar niet altijd. Maar als dat wel het geval is — dat weet je niet van tevoren — dan wil je gewoon dat je geholpen wordt. Daar moet dus iemand bij zijn. Wie dat is, maakt mij niet uit. Het gaat erom dat we de veiligheid vooropzetten.

De heer Van Aalst (PVV):

Over de veiligheid zijn we het eens. Alleen, we constateren dat de problemen en het rumoer die op het water ontstaan, juist niet gaan over die spoedeisende hulp. Daar zijn we het met elkaar over eens. Daarbij werken de bergers en de KNRM prima samen. De problemen ontstaan bij niet-spoedeisende hulp. Wie is er dan verantwoordelijk? En wie moet dan de problemen op gaan lossen? Volgens mijn zijn daar heel duidelijke protocollen en regels voor. Alleen, wat mij betreft vraagt het gewoon daadkracht van de minister om helder aan de markt, zowel de KNRM als de bergers, uit te leggen: die doet dit, die doet dat en zo moet het gaan. Volgens mij zijn we dan ook het rumoer kwijt. Is de VVD dat met ons eens?

De heer Remco Dijkstra (VVD):

Ik denk dat we hetzelfde doel hebben, namelijk dat we mensen moeten redden en dat ze op een goede manier geholpen moeten worden. Ik constateer wel dat het in de afgelopen vijf jaar niet is gelukt om daarover overeenstemming te vinden. Dus als het de minister wel gaat lukken, dan verdient ze een compliment.

De voorzitter:

Dan gaan wij naar de heer Van Aalst van de PVV.

De heer Van Aalst (PVV):

Dank u wel, voorzitter. We hebben inderdaad een goed AO gehad. Daarin kwam met name de discussie voorbij over de bergers en de KNRM en de triage. Daarover dien ik een motie in, die als volgt luidt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er door onduidelijkheid in de triage sprake is van onnodig rumoer op het water;

verzoekt de regering voorstellen te doen om te komen tot een helder protocol binnen het kader "de reddingsmaatschappij redt, de bergers slepen en bergen" en daarbij in ieder geval in te gaan op een duidelijke triage,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Aalst, Von Martels en Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 213 (31409).

De heer Van Aalst (PVV):

In de motie heb ik bewust nog geen termijn gezet, omdat ik wat ruimte wil bieden aan de minister. Het is een langslepend conflict waar men uit moet komen. Ik wil de minister daar wel wat ruimte voor geven, maar ik wil toch graag van haar een toezegging over de termijn waarbinnen zij dat dan wel kan gaan organiseren, zonder haar daar helemaal op vast te pinnen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank. Tot slot is het woord aan de heer Schonis van D66.

De heer Schonis (D66):

Dank, voorzitter. We hebben inderdaad een goed AO gehad. Ik heb nog maar één vraag en een motie. De vraag sluit een beetje aan op de motie die mevrouw Kröger zojuist heeft ingediend. Ngo's willen snel duidelijkheid over de eisen die worden gesteld aan hun schepen. De minister heeft aangegeven dat ze in gesprek gaat. We zijn daar blij mee. Ik vraag de minister of ze bereid is om in dat gesprek aan te geven of ze met een goede overgangsregeling wil komen om te voorkomen dat schepen uit de vaart genomen moeten worden omdat ze niet aan de nieuwe eisen kunnen voldoen.

Mijn motie gaat over verduurzaming van de zeescheepvaart. De minister heeft aangegeven dat ze bezig is met een green deal. Ze heeft ook aangegeven dat haar verjaardag op 12 juni is. Dat komt in deze motie mooi samen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat internationaal transport, zoals zeescheepvaart, een significante bijdrage levert aan de uitstoot en vervuiling van onze zee;

constaterende dat de Nederlandse zeescheepvaart een belangrijke schakel is in de logistieke keten en in april dit jaar bij de IMO in Londen zijn ambitie heeft uitgesproken om verder te verduurzamen;

overwegende dat zeeschepen een lange levensduur hebben en versneld verduurzamen betekent dat de sector extra moet investeren in nieuwe aandrijfsystemen en technologie;

overwegende dat Nederland streeft naar minder emissies van broeikasgassen, ook in internationaal transport;

verzoekt de regering om voor 12 juni 2019 een green deal met de scheepvaartsector af te sluiten over verduurzamingsmaatregelen en openstellen van InvestNL en de klimaatenvelop voor deze sector,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Schonis. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 214 (31409).

Dank u wel. De minister heeft aangegeven tien minuten nodig te hebben voor de voorbereiding van haar beantwoording.

De vergadering wordt van 11.35 uur tot 11.46 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef de minister het woord.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Dank u wel, voorzitter. Er zijn nog een paar vragen gesteld en er is een tiental moties ingediend. Ik begin met de vragen die gesteld zijn.

De heer Laçin had gevraagd of ik op werkbezoek wil gaan bij de bergers. Ik ben nooit vies van een keer een stukje varen. Wat dat betreft kunnen we dat misschien wel regelen. Dat zeg ik graag toe. Ik vind het niet meer dan normaal dat ik met die bergers in gesprek zal gaan. Dat ga ik doen.

De heer Schonis heeft gevraagd naar een overgangstermijn voor de ngo-schepen. Die zeg ik ook graag toe. Ik ga graag met hen in gesprek. Het is van begin af aan nooit de bedoeling geweest om huidige schepen in de problemen te brengen. Vandaar dat we ook meteen hebben gezegd dat we graag met hen in gesprek gaan. Het enige doel dat we willen bereiken, is dat er voldoende aandacht voor de veiligheid is van zowel de schepen als de bemanning. Daar moet op een normale manier naar gekeken worden. We gaan dus met hen in gesprek en we zullen echt niet opeens schepen uit de vaart gaan halen of dat soort dingen. Dat is absoluut niet aan de orde.

Dan kom ik bij de moties. De motie op stuk nr. 205 van de heer Laçin verzoekt de regering zich maximaal in te spannen om het landelijk verbod op het varend ontgassen in te laten gaan op 1 januari 2020. Ik ben het zeer met hem eens wat betreft het zo snel mogelijk laten ingaan, maar de informatie uit de andere landen laat zien dat voor het officiële ingaan alle collega-lidstaten die ook partner zijn in het verdrag, dit ook geratificeerd moeten hebben. Dan is 1 januari 2020 gewoon niet realistisch. Wij zijn daar al klaar mee, maar het gaat bij de andere landen nog wel wat langer duren, hoewel zij van goede wil zijn. Als u de motie zou kunnen veranderen in een verzoek om er bij hen maximaal de druk op te houden om het zo snel mogelijk voor elkaar te krijgen, dan zou ik de motie oordeel Kamer kunnen geven. Ik wil me echt graag inspannen in de richting van die andere landen om hen aan te sporen het zo snel mogelijk te ratificeren. Maar als je het op 1 januari vastpint is het gewoon niet realistisch.

De voorzitter:

Daarmee wordt de motie op stuk nr. 205 dus ontraden.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Ja. De motie op stuk nr. 206 is ook van de heer Laçin. Hij verzoekt de regering te onderzoeken hoe een provinciaal verbod gehandhaafd kan worden tot het landelijk verbod op varend ontgassen ingaat. Dan kom ik echt op het beleidsterrein van de provincies. Het zijn hun verboden, dus daar ga ik me niet in mengen. Om die reden wil ik die motie ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 206 wordt ook ontraden. De heer Laçin.

De heer Laçin (SP):

We hebben hierover gewisseld in het debat. De vraag komt voort uit het feit dat de minister in het debat heeft gezegd dat dat een juridische kwestie is. De minister zit met de provincies in een taskforce. De vraag is of zij middels juristen en die taskforce kan kijken hoe het dan wel kan. Want er is een verbod, maar de handhaving is onduidelijk. Ik zou graag willen dat de Kamer geïnformeerd wordt over hoe het dan wel kan.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

De onduidelijkheid is volgens mij ontstaan, omdat provincies dit wel over hun eigen wateren in kunnen stellen en daar dan ook op hun eigen wijze de handhaving kunnen regelen. Als het gaat om rijkswateren zoals de Rijn, waarbij je aan internationale afspraken gebonden bent, kunnen zij hun provinciale verbod daar niet op laten gelden. En wij kunnen dan alleen maar het internationale traject met die andere lidstaten bewandelen. Dat is een beetje het probleem.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 207.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

De motie op stuk nr. 207 is ook van de hand van de heer Laçin. Die gaat over de bergers versus de KNRM, de kustwacht et cetera. Die motie verzoekt de regering om voor de situatie op het water te kijken naar plekken waar goede triage plaatsvindt en mogelijke oplossingen terug te koppelen naar de Kamer voor het eerstvolgende algemeen overleg Maritiem. Ik kan niet beloven dat ik heel snel met een oplossing kom, maar ik kan deze motie oordeel Kamer geven, want ik wil wel mijn best daarvoor gaan doen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 207 krijgt oordeel Kamer. Meneer Laçin, heel kort!

De heer Laçin (SP):

Ja, heel kort. Ik ga een opmerking maken over mijn moties. Er staat op alle drie de moties 20 december 2019. Dat is een jaar vooruit, dus dat ga ik aanpassen.

De voorzitter:

Met dank. Dat klopt.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Het is wel fijn dat u nu al weet wat u dan gaat vinden.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 208 van de hand van mevrouw Teunissen. Die verzoekt de minister onder andere om de termen "nabijheid" en "dichtbevolkt" zo breed mogelijk te interpreteren en dat uiterlijk per 1 februari in een kaart te verwerken. Dat is echt niet realistisch. Het is totaal niet haalbaar om dat op die manier — op zo'n korte termijn en zo gedetailleerd — te gaan verwerken. Dus die motie moet ik ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 208 wordt ontraden. Mevrouw Teunissen.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Ik heb hier een verduidelijkende vraag hierover. De wet treedt wel per 1 januari 2019 in werking. Daarmee wordt ook het verbod op varend ontgassen in dichtbevolkte gebieden van kracht. Het is nu onduidelijk waar dat verbod dan precies geldt. Voor mij is de vraag wat dan wel realistisch is, want als die wet in werking treedt, verwacht je ook dat het duidelijk is wat de reikwijdte van die wet is.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Ik stel mevrouw Teunissen voor dat ik haar schriftelijk laat weten hoe die handhaving dan precies in zijn werk gaat. Maar een gedetailleerde verwerking met definities gaat gewoon niet lukken in een maand. Dat kan gewoon niet.

De voorzitter:

En daarmee krijgt de motie dus het oordeel ontraden.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Ja, ontraden. Maar ik ben wel bereid om inzicht te geven in waar mevrouw Teunissen naar op zoek is: als de wet op 1 januari ingaat, hoe gaat dat dan precies in zijn werk?

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Ik heb nog een heel korte vraag. Wanneer worden we daar dan van op de hoogte gesteld?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Laten we dat ergens in Q1 doen in ieder geval, want dan moet het ook ingaan.

De voorzitter:

Dat is kwartaal een.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Ja, excuus.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 209.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

De motie op stuk nr. 209 van de hand van mevrouw Teunissen verzoekt de regering om zeezwaaien naar Duits voorbeeld onmogelijk te maken. Daar moet ik twee dingen over zeggen. Het is in Duitsland niet onmogelijk. Het is alleen zo dat de Duitsers het alleen toestaan als je van Duitsland naar een andere bestemming gaat. Dus ze doen het ook wel. De Nederlandse rechter staat een andere interpretatie gewoon niet toe. Daarom moet ik deze motie ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 209 wordt ontraden.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

We hebben het hier uitgebreid over gehad tijdens het debat. Dat zeezwaaien betekent dat een schip uitvaart en terugvaart naar dezelfde haven. Duitsland maakt het mogelijk dat alleen maar van haven A naar haven B wordt gevaren. Dat bedoel ik met het "onmogelijk maken", want zeezwaaien is dus van A naar A, in plaats van van A naar B. Daarmee maakt Duitsland wel degelijk het zeezwaaien onmogelijk. Het is nog steeds mogelijk om naar een andere haven te gaan. De vraag aan de minister is of het mogelijk is om dit op dezelfde manier in Nederland te regelen. We zien namelijk dat daarmee het zeezwaaien, het lozen van resten in zee, wordt ontmoedigd.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Het is niet per definitie alleen zeezwaaien als je van de haven naar buiten vaart en terug. Het gaat er natuurlijk om dat je loost, of je dat nu doet onderweg van A naar B, of terwijl je de zee opvaart en teruggaat. Je maakt het zeezwaaien dus niet onmogelijk. Maar de beperking zit hem ook in het feit dat de Nederlandse rechter hier al een uitspraak over heeft gedaan. De Nederlandse rechter heeft er een andere interpretatie aan gegeven, zoals ik die u net heb aangegeven. Ik kan de rechter niet dwingen tot een andere interpretatie hiervan. Daar hebben we ons dus aan te houden.

De voorzitter:

Goed. De motie op stuk nr. 210.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

De motie op stuk nr. 210 gaat over de schepen die onder de pleziervaart vallen en verzoekt om de beleidswijziging uit te stellen tot in kaart is gebracht wat de reikwijdte en de impact ervan zijn. Dan wil ik verwijzen naar de toezegging die ik al aan de heer Schonis heb gedaan, naar aanleiding van zijn vraag. We gaan goed in gesprek. Daarom verzoek ik u om de motie aan te houden tot u kunt beoordelen of dit allemaal naar uw idee tot een goede oplossing is gekomen.

De voorzitter:

De suggestie is om de motie aan te houden. Mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Ik heb er wel een vraag over. Er wordt met een deel van de organisaties gesproken, namelijk de organisaties die zelf aan de bel hebben getrokken. Tijdens het AO bleek dat een hele groep organisaties überhaupt niet wist dat deze regel voor hen van toepassing zou zijn. Ik zag het aan de reacties op de publieke tribune. Zij hoorden dit ter plekke. Deze organisaties hebben tot nu toe ook nog niks gehoord. Ik refereerde bijvoorbeeld aan de Zeekadetten. Ik wil de motie wel aanhouden, maar ik wil wel horen van de minister of zij een publieke consultatie gaat doen. Die zit ook expliciet in de motie. Gaat zij breder consulteren en sonderen bij alle organisaties die, om de minister te citeren, "wel geregistreerd zijn als pleziervaartuig maar niet voor het plezier varen"? Dat is op zijn minst gezegd een vrij vage definitie.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

We hebben bewust voor deze aanpak gekozen. We hebben van het begin af aan gezegd dat we mensen die nu al zo geregistreerd zijn, niet in de problemen gaan brengen. Daar gaan we mee in overleg. Zij hebben ook allemaal niet de bedoeling om onveilig rond te varen met een niet goed geschoolde bemanning of met onveilige schepen. Dat wil niemand. Daar gaan we met elkaar over in gesprek. Maar we voorkomen hiermee wel dat nieuwe schepen weer onder deze regeling gaan vallen. Er heeft zich nog niemand gemeld, maar als dat gebeurt, gaan we daar van begin af aan het gesprek mee aan. Niemand komt hier dus door in de problemen. We gaan met iedereen in redelijkheid het gesprek aan. We voorkomen alleen wel dat het zich steeds uitbreidt. We gaan van tevoren het gesprek aan over de veiligheid van het schip en de bemanning.

De voorzitter:

Het is aan mevrouw Kröger om te besluiten of ze de motie aanhoudt. Als ze dat niet doet, krijgt de motie het oordeel ontraden. Dan de motie op stuk nr. 211.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Ja, dat klopt. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 211, ook van de hand van mevrouw Kröger. Zij verzoekt de regering om een visie te ontwikkelen op de rol van de havens in zowel de klimaattransitie als de circulaire transitie. Als ik mevrouw Kröger goed versta, lijkt mij dat dit een heel mooie plek kan krijgen in de Havenvisie, want dit is een integraal onderdeel. Dus als ik het zo mag zien dat het niet gaat om een apart traject maar dat we het in de Havenvisie meenemen, kan ik de motie oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Met deze interpretatie krijgt de motie op stuk nr. 211 oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 212.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Die is ook van de hand van mevrouw Kröger en verzoekt de regering om in internationaal verband het initiatief te nemen om tot regelgeving te komen die ervoor zorgt dat schepen in de haven van bestemming hun tanks en ruimen laten reinigen. Het lozen van stoffen die schade aan het milieu toebrengen is al verboden. Daarvoor geldt een verplichte voorwas. Het waswater moet aan wal worden afgegeven. Als u bedoelt dat voortaan ook onschadelijke ladingrestanten in de haven moeten worden afgegeven, moet ik de motie ontraden. Daar is internationaal ook geen draagvlak voor. Het zou leiden tot ongelofelijk lange wachttijden in zeehavens en tot hoge kosten, waar nauwelijks baten voor het mariene milieu tegenover staan. Ik ontraad deze motie dus.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 212 wordt ontraden. Dan de motie op stuk nr. 213 ... Nee, eerst mevrouw Kröger nog over de vorige motie. Mag ik u vragen daar nog kort een aanvullende vraag over te stellen?

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Ja, een korte vraag. De minister geeft aan dat er al regelgeving is voor specifieke stoffen. Alleen, er is bijvoorbeeld een discussie over paraffine. Er worden toch stoffen geloosd bij de reiniging op zee buiten de 12 mijlszone, wat slecht is voor het milieu. De motie spitst zich erop toe ...

De voorzitter:

Een korte vraag, mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

... dat we toch strengere regelgeving nodig hebben dan we nu hebben.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Maar dat kan ik zo niet uit de motie halen. U zegt dat schepen in de haven van bestemming hun tanks en ruimen überhaupt moeten laten reinigen. Dan zou de motie echt moeten inzoomen op een bepaald soort stoffen of iets dergelijks. Er zijn allerlei totaal onschuldige organisch afbreekbare stoffen. Daarvan wil je niet dat ze altijd in havens worden gereinigd. Dat gaat echt problemen geven.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 213.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Die motie is van de hand van de heer Van Aalst. In het algemeen overleg Maritiem heb ik al toegezegd dat ik er schriftelijk op zal terugkomen. Ik heb net ook al de motie van de heer Laçin besproken. U vraagt ook nog, een beetje bedekt, om een termijn. Laten we het voor het volgende AO Maritiem doen, zoals in de motie van de heer Laçin ook naar voren kwam. Van iets met zo'n lange voorgeschiedenis kan ik me voorstellen dat ik er enige tijd voor nodig heb. Als u daarmee zou kunnen leven, zou ik ook over deze motie oordeel Kamer kunnen geven.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 213 krijgt oordeel Kamer, met een toezegging over een termijn. De heer Van Aalst.

De heer Van Aalst (PVV):

Daar ben ik op zich blij mee, maar ik wil de minister wel meegeven of ze toch nog een klein beetje extra wil doen. Ze gaat waarschijnlijk op werkbezoek. Dan zal ze ook horen dat het seizoen voor de bergers en de KNRM over het algemeen op 1 april begint; dan begint de drukke periode. Het zou mooi zijn als we in de buurt van 1 april zouden kunnen uitkomen om wat duidelijkheid te scheppen voor iedereen, zodat we geen onveilige situaties krijgen.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Ik begrijp de behoefte van niet alleen de heer Van Aalst maar Kamerbreed. Ik zal mijn uiterste best doen, maar soms is het voor je het weet alweer 1 april. De tijd vliegt. Ik ga mijn best doen, maar ik kan het echt niet beloven.

De voorzitter:

De minister doet een inspanningsverplichting.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Zoiets, ja. Ik ga mijn best doen om het zo snel mogelijk te doen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 214.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:

Die motie is van de hand van de heer Schonis. De datum van 12 juni kwam me bekend voor. Ook daarvoor ga ik mijn uiterste best doen. Ik kan de motie oordeel Kamer geven.

Ik ben erdoorheen, voorzitter.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 214 krijgt oordeel Kamer. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit VAO.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de moties zal vandaag nog worden gestemd. Ik dank de minister voor haar komst naar de Kamer.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Naar boven