30 Politieonderwerpen

Aan de orde is het VAO Politieonderwerpen (AO d.d. 30/01).

De voorzitter:

Ik heet de minister van Veiligheid en Justitie van harte welkom. Het woord is aan de eerste spreker, mevrouw Helder.

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. In het algemeen overleg Politieonderwerpen heb ik aangegeven dat het vreemd is dat het voorhanden hebben van professionele inbrekerswerktuigen niet strafbaar is gesteld in onze strafwetgeving. Vanaf de werkvloer bereiken mij vele geluiden dat dit tot problemen leidt. Er moet namelijk bewezen worden dat er sprake is van een voorbereidingshandeling, ofwel voorbereiding van diefstal. Een dergelijk onderzoek kost veel capaciteit en wordt dan ook zelden gestart, tot frustratie van de politie.

Laat ik iets citeren uit de berichten die ik heb ontvangen: "Zo waren er laatst twee bekende inbrekers aangehouden. Zij waren in het bezit van inbrekerswerktuigen. Dan bedoel ik niet een doorsneeschroevendraaier of een koevoet, maar echt professioneel inbrekerswerktuig. Daarnaast waren ze in het bezit van een uitschuifbare antenne met daaraan een sterke magneet om naar sleutels te hengelen door een brievenbus."

Het antwoord van de minister was ontluisterend: aparte strafbaarstelling is niet nodig, want het valt onder de noemer van voorbereidingshandelingen. Maar dat wisten wij al. In de praktijk stuit het dus op problemen. Dat een aparte strafbaarstelling wel degelijk nodig is, blijkt ook uit een citaat van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid: "De inventiviteit van de inbrekers is bijna indrukwekkend te noemen." Een apart wetsartikel is dus wel degelijk nodig, vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het voorhanden hebben van professionele inbrekerswerktuigen zoals een slotentrekker, lockpick of kopsleutels niet strafbaar is gesteld in onze strafwetgeving;

overwegende dat indien een gemeente dit niet strafbaar heeft gesteld in een algemene plaatselijke verordening, de politie vaak weinig kan ondernemen tegen de drager van dergelijke werktuigen, aangezien in dat geval bewezen moet worden dat sprake is van voorbereidingshandelingen en een dergelijk onderzoek veel capaciteit bij politie en het Openbaar Ministerie kost;

overwegende dat een dergelijk onderzoek dan ook zelden wordt gestart, vaak tot frustratie van de politie;

van mening dat het voorhanden hebben van professionele inbrekerswerktuigen derhalve niet alleen bestuursrechtelijk moet kunnen worden aangepakt, maar ook strafrechtelijk eenvoudig(er) moet kunnen worden aangepakt;

verzoekt de regering derhalve, het voorhanden hebben van professionele inbrekerswerktuigen strafbaar te stellen en daarbij rekening te houden met personen die dergelijke werktuigen nodig hebben voor een rechtmatige taakuitoefening, zoals slotenmakers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 438 (29628).

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dien de volgende twee moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat door een storing in het tapsysteem mogelijk waardevolle opsporingsinformatie verloren is gegaan;

overwegende dat de onderste steen boven moet komen om de oorzaak van deze storing te achterhalen en dat daarvoor de onderzoekers de beschikking moeten hebben over alle gegevens, waaronder bijvoorbeeld de computerlogs;

verzoekt de regering om alle informatie die direct of indirect te maken heeft met de storing in het tapsysteem onafhankelijk zeker te laten stellen ten behoeve van onderzoek;

verzoekt de regering voorts om de Kamer voor 1 juli 2014 het onderzoeksrapport toe te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Tongeren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 439 (29628).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de spoorwegpolitie een belangrijke bijdrage levert aan de veiligheid van de NS-stations;

overwegende dat de spoorwegpolitieteams binnen afzienbare termijn hun vaste plaats zullen verliezen en van de NS-stations verdwijnen;

overwegende dat door het verdwijnen van de spoorwegpolitie het risico ontstaat op toenemende criminaliteit op en rond de NS-stations, waardoor de noodzaak herleeft om de spoorwegpolitie snel te laten terugkeren op de NS-stations;

verzoekt de regering om erin te voorzien dat op de grotere NS-stations ruimte gereserveerd blijft voor de eventuele herintroductie van de spoorwegpolitie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Tongeren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 440 (29628).

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Voorzitter. In het algemeen overleg hebben we met de minister gewisseld dat het ambitieniveau van de minister af en toe te hoog is, gelet op het realiteitsgehalte qua uitvoering. De inspectierapporten waren dan ook bijzonder kritisch. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een vertraging van de personele reorganisatie en een vertraging in de verbetering van de informatievoorzieningen als risico's zijn geïdentificeerd in het realisatieplan van de Nationale Politie;

constaterende dat de Inspectie Veiligheid en Justitie aangeeft dat de vertraging van de personele reorganisatie tot interne gerichtheid leidt en gevolgen voor de politieprestaties heeft;

constaterende dat de Review Board van het Aanvalsprogramma Informatievoorziening belangrijke zorgpunten heeft over de governance en de financiën van het programma en suggereert de werkingsperiode van het programma met een jaar te vertragen;

constaterende dat de Algemene Rekenkamer aangeeft dat de vertraging van de personele organisatie en de uitvoering van het Bijgestelde Aanvalsprogramma ICT mogelijk zal leiden tot maatregelen om binnen de budgettaire kaders te kunnen blijven;

verzoekt de regering, de Kamer in de reguliere voortgangsbrief Nationale Politie van mei te informeren over de organisatorische en financiële gevolgen van deze vertragingen voor 2014, 2015, 2016 en 2017 en, als het nodig blijkt, de veranderagenda van de Nationale Politie dan te heroverwegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Berndsen-Jansen, Kooiman, Oskam en Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 441 (29628).

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

PTSS is een belangrijk onderwerp met betrekking tot de gezondheid van politieagenten en voormalige politieagenten. Omdat mijn fractie samen met de PvdA-fractie vindt dat wij niet afhankelijk zouden moeten zijn van de inzet van de minister — wij zijn van mening dat deze minister zich hier absoluut voor inzet — dienen wij de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat politiemensen met PTSS goede zorg en nazorg verdienen;

verzoekt de regering, (voormalige) politiemensen met PTSS, analoog aan defensiemedewerkers, een vergelijkbare status te geven wat betreft zorg, nazorg en rechtspositie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Berndsen-Jansen en Marcouch. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 442 (29628).

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Het is dus de bedoeling om PTSS te verankeren in de Politiewet.

De heer Van Oosten (VVD):

Natuurlijk trekt ook de VVD zich het lot aan van politieagenten die lijden aan dat syndroom, maar wil mevrouw Berndsen de Kamer uitleggen wat de toegevoegde waarde is van wettelijke verankering van dit probleem, mede gelet op het feit dat wij recent van de minister een brief hebben ontvangen waarin de nodige concrete instrumenten worden benoemd die op dit punt worden ingezet?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik gaf al aan dat ik niet afhankelijk wil zijn van de minister die op dat moment verantwoordelijk is voor de politieorganisatie. Net zoals de Veteranenwet, waarin de rechtspositie van mensen bij wie PTSS wordt geconstateerd, wettelijk goed geregeld is, breed door deze Kamer en de Eerste Kamer is aangenomen, zou ik wensen dat eenzelfde wettelijke regeling plaatsvindt voor politiemensen.

De heer Van Oosten (VVD):

Hoe verhoudt dit zich dan tot de vorming van de Nationale Politie? Er komen regelmatig onderwerpen voorbij, zoals dit onderwerp, die wij ook bespreken in de algemene overleggen over de politie. Vindt mevrouw Berndsen niet, ondanks al haar goede bedoelingen — die deel ik met haar — dat we eerst die Nationale Politie en dus ook de zorglijn ten aanzien van dit syndroom moeten laten vormen, voordat wij als Kamer weer gaan interveniëren?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

De zorglijn als zodanig staat hier los van. Dit heeft niet te maken met hoe je de zorg organiseert. Dit heeft te maken met hoe je de rechtspositie van politiemensen organiseert. Daarvoor vraag ik de aandacht van deze minister.

De heer Bontes (Bontes):

Voorzitter. Veelvoorkomende criminaliteit neemt een hoge vlucht. Veel mensen hebben last van deze vorm van criminaliteit. Het gaat om zakkenrollerij, de normale, eenvoudige inbraken en winkeldiefstal. Om dat een halt toe te roepen, dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat op veel plaatsen in ons land het aantal gevallen van winkeldiefstal, zakkenrollerij en inbraak toeneemt;

constaterende dat deze misdrijven een grote impact hebben op de burger;

verzoekt de regering, de lokale autoriteiten maximaal te ondersteunen bij de bestrijding van deze vormen van misdaad,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bontes. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 443 (29628).

Mevrouw Kooiman (SP):

Voorzitter. Ik heb twee moties naar aanleiding van het debat over de politie. Ik lees ze voor. Ik denk dat het vanzelf wel duidelijk is.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er nog veel klachten zijn onder agenten over falende ICT;

constaterende dat de minister beterschap beloofd heeft en met een aanvalsplan de ICT-problemen wil aanpakken;

van mening dat agenten als gebruikers de ervaringsdeskundigen zijn en de ICT-voorzieningen op hen moeten aansluiten en niet andersom;

verzoekt de regering, de ICT-wensen van het politiepersoneel duidelijk in kaart te brengen en te betrekken bij het vinden van oplossingen voor de ICT-problemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kooiman en Berndsen-Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 444 (29628).

Mevrouw Kooiman (SP):

De volgende motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de politie geworteld moet zijn in gemeenten, wijken en buurten, en dat het hiervoor belangrijk is dat de politie beschikt over voldoende politiebureaus en politieposten;

constaterende dat er door de reorganisatie van de Nationale Politie en de vorming van robuuste teams veel onduidelijkheid onder agenten is over welke bureaus en posten er in de toekomst geopend blijven;

constaterende dat het wenselijk is dat hier snel duidelijkheid over komt;

verzoekt de regering, binnen een halfjaar aan te geven welke politiebureaus en politieposten er open blijven en welke gaan sluiten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 445 (29628).

De voorzitter:

Ik kijk even of de minister meteen kan antwoorden. De minister moet de laatste motie nog krijgen. Ik schors de vergadering voor twee minuten.

De vergadering wordt van 17.32 uur tot 17.34 uur geschorst.

Minister Opstelten:

Voorzitter. Ik dank de geachte afgevaardigden voor de afrondende moties met betrekking tot ons overleg over de politie.

De eerste motie, op stuk nr. 438, is van mevrouw Helder. Ik kan zeggen dat voortschrijdend inzicht bij mij zijn werk heeft gedaan. De consistentie van de geachte afgevaardigde brengt mij op de gedachte om hier nog eens naar te kijken. De aanpak van de high-impact crimes heeft voor mij een hoge prioriteit. Ik hecht er daarom aan dat de politie over voldoende mogelijkheden beschikt om de daders effectief aan te pakken. Thans is het mogelijk om inbrekers te straffen voor voorbereidingshandelingen. Mevrouw Helder verwees naar mijn eerdere antwoord. De denkrichting om niet alleen in de nachtelijke uren, maar ook overdag tegen voorbereidende handelingen te kunnen optreden, spreekt mij aan. Als ik zou meedenken over de aanpassing van de wetgeving, ligt een afzonderlijke bepaling nog het meest voor de hand. Dit wordt thans ook toegepast bij de voorbereidende handelingen in het kader van de Opiumwet. Ik vind het van belang om dit voorstel zowel in het licht van de effectiviteit als van de rechtsstatelijkheid te beoordelen. In de wetsgeschiedenis is de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen nadrukkelijk gereserveerd voor de ernstigste vormen van criminaliteit; dat is de historie en de traditie. Om mee te kunnen gaan in de wens tot verruiming is het noodzakelijk om nut en noodzaak onomstotelijk aan te tonen. Wat dat betreft kan ik het oordeel over deze motie wellicht aan de Kamer laten. Ik ben echter bereid om toe te zeggen dat ik onderzoek laat verrichten naar de onderbouwing en de mogelijkheden van de motie. Ik zal de Kamer zo snel mogelijk over de uitkomst hiervan informeren. Misschien is deze toezegging voor mevrouw Helder aanleiding om haar motie in te trekken.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik wil het voortschrijdende inzicht van de minister niet verstoren. Ik vind dit positief, maar intrekken gaat mij net iets te ver. Ik wil de motie wel aanhouden. De minister zegt dat hij de Kamer zo snel mogelijk zal informeren, dus ik houd de motie liever aan.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Helder stel ik voor, haar motie (29628, nr. 438) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Opstelten:

Ik kom bij de tweede motie, die op stuk nr. 439 van mevrouw Van Tongeren. We hebben in het AO uitvoerig gesproken over het tapsysteem. Op dit moment worden door de ADR de voorbereidingen van de uitvoering van de audit getroffen. Bij deze audit worden de vragen betrokken van mevrouw Van Tongeren en anderen in het AO van 30 januari. In de audit zal nadrukkelijk ook worden gekeken naar het opvolgen van de aanbevelingen uit eerdere audits. De ADR zal onderzoek doen naar de storing in het tapsysteem op 20 september 2012. De genoemde tijden van de storing zijn gelogd en dus traceerbaar. De loggegevens die zijn gebruikt voor de analyse van deze storing, zijn opgeslagen en beschikbaar voor de ADR. Conform mijn toezegging in de brief van 17 december jongstleden zal de audit in de eerste helft van 2014 worden uitgevoerd. Volgens mij is dit wat mevrouw Van Tongeren in haar motie vraagt. Deze motie is dus eigenlijk overbodig, maar het is aan mevrouw Van Tongeren of zij haar intrekt of niet. Ik ga het in ieder geval doen zoals ik toen heb aangegeven.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik twijfel een beetje. Ik hoor de goede intentie van de minister, maar ik zou hem toch een steuntje in de rug willen geven door echt vast te leggen dat we dit zo hebben afgesproken. Als de minister daarmee kan leven, zou ik het zo willen doen.

Minister Opstelten:

Als ik er niet mee zou kunnen leven, zou mevrouw Van Tongeren het ook zo doen. Maar ik kan ermee leven, want mij gaat het om het onderzoek. Ik wil alleen een voorbehoud maken voor 1 juli 2014. Dat is aan degenen die het onderzoek doen, en zij moeten dit goed doen. Wat mij betreft, komt het zo snel mogelijk, maar het moet ook zo goed mogelijk. Dat is de kanttekening die ik hierbij maak.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

De minister mag het zo lezen dat het bij voorkeur voor 1 juli en zo snel mogelijk gebeurt in plaats van strak voor 1 juli.

Minister Opstelten:

Dan kom ik op de motie van mevrouw Van Tongeren op stuk nr. 440. Over de spoorwegpolitie heb ik al een duidelijke brief geschreven. De motie is overbodig en moet ik dan ook ontraden. Ik heb aangegeven dat de bureaus op de stations die nog open zijn, openblijven tot het einde van 2015. Ik heb het dan over Amsterdam, mogelijk Rotterdam en Utrecht dat thans verbouwd wordt. Het komt in het strategisch huisvestingsplan medio 2014.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik begrijp de intentie van de minister, maar mijn veronderstelling is dat we op niet al te lange termijn die ruimtes weer nodig hebben. De minister regeert en bestuurt, dus hij kan deze besluiten nemen. Mijn enige vraag is om die ruimtes nog even in de achterzak te houden, want mijn inschatting is dat de regering ze op enige termijn weer nodig zal hebben. Het wordt heel veel duurder als die ruimtes nu afgestoten worden en we ze over twee jaar weer nodig hebben.

Minister Opstelten:

Dat vind ik altijd jammer; dan hebben we het ergens over en dan zeg ik precies wat mevrouw Van Tongeren vraagt, maar dan is het net alsof we dat niet hebben gedaan. Ik heb gezegd dat Amsterdam nu nog functioneert en openblijft totdat er besluiten worden genomen over de huisvesting. Voor Rotterdam is een voorziening getroffen. Utrecht is even in de verbouwing; ik zou zeggen: gaat u daar eens kijken. Dat alles past helemaal in het huisvestingsplan waar we medio 2014 op terugkomen. De motie is dan ook overbodig.

Dan kom ik op de motie van mevrouw Berndsen op stuk nr. 441. De motie is sympathiek maar is wat mij betreft echt overbodig. In de realisatie van de Nationale Politie liggen we nog volop op koers. Zo zullen het basisteam en de districtsrecherche voor 1 januari 2015 in werking worden gebracht, geheel volgens schema. Uiteraard zullen we een mogelijke herijking op verschillende punten laten zien in de voortgangsrapportage die, uit mijn hoofd gezegd, in mei 2014 naar de Kamer gaat. Dan wordt trouwens alles besproken en bekeken.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

De minister zegt wel erg gemakkelijk dat alles op schema ligt, want de inspectie heeft wat anders geconstateerd evenals de Review Board als het gaat om het aanvalsprogramma. Dat ligt duidelijk achter op schema. Als er ergens veel geld in omgaat, dan is dat wel in ICT. Dus ik zou toch de minister willen vragen of hij ons in zijn reguliere voortgangsbrief hierover wil informeren, inclusief de punten die ik heb genoemd in de motie.

Minister Opstelten:

Jazeker. Ik heb gezegd dat ik de Kamer — zo zit ik ook in elkaar — over alles zal informeren en haar niets zal onthouden. Dat is ook mijn plicht en dat doe ik ook graag. Daarom zeg ik dat de motie in de kern misschien wel sympathiek is maar dat die eigenlijk overbodig is omdat ik doe wat mevrouw Berndsen en anderen vragen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Er staat nog één zinnetje achteraan, en dat betreft die rust en ruimte zoals ik dat in het algemeen overleg heb genoemd, namelijk dat de veranderagenda eventueel aangepast zou moeten worden. Als de minister dat nu ook nog toezegt, dan trek ik mijn motie in.

Minister Opstelten:

Nee, dat is niet nodig. Als ik in mei met het voortgangsprogramma kom, zal precies aangegeven worden waar we op schema zitten, waar we vooruitlopen en waar we achterlopen. U krijgt dan een totaalinzicht. Alle onderwerpen die daarbij aan de orde zijn, worden daarin meegenomen. Mei is nog maar even wachten. Ik heb dus geen zetje nodig. Als ik mevrouw Berndsen zo nu en dan hoor, vindt zij het wel prettig dat zij mij geen zetje geeft, omdat zij zegt dat ik te ambitieus ben.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Dit noem ik uitlokking.

Minister Opstelten:

Het is gelukt.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Mooi, dan krijg ik nog een derde mogelijkheid. Ik vind het belangrijk om de rust en de ruimte voor de organisatie in de voortgang te behouden. Daarom zal ik mijn motie gewoon wel indienen.

Minister Opstelten:

En ik vind dat overbodig, want ik doe het al.

Ik kom op de motie op stuk nr. 442. Met de inrichting van de zorglijn, de PTSS-aanpak en de rechtspositionele borging wordt voor de politie een vergelijkbare zorg geregeld als voor defensie, maar het is toch anders. Hierbij noem ik het 24/7 Loket Politie, het registratiepunt voor suïcides, de Circulaire PTSS Politie, het Protocol PTSS Politie, de adviescommissie PTSS Politie, het coulancebeleid, het zorgloket en het zorgteam per eenheid, de fte's psychologen per eenheid, de bedrijfsmaatschappelijk werker op korpsniveau, de coördinator op korpsniveau, de 57 arbeidsdeskundigen, de inrichting van een digitaal Gezondheidsplein, het registratiesysteem voor psychosociale klachten, de bewustwordingscampagne om meldingen en klachten te stimuleren, de expertmeetings en de ervaringsdagen voor lotgenoten. Ik vind dit echt heel belangrijk en ik ga er ook voor. Materieel en immaterieel is het al grotendeels volgens dezelfde lijn als bij defensie in gang gezet. Ik vind het een ondersteuning van beleid. Ik begrijp dat mevrouw Berndsen werkt aan een initiatiefwet, die ik met belangstelling afwacht. Ik wil de politieorganisatie nu graag even rust gunnen voor de implementatie van de Nationale Politie. Het is een momentum. Wij gaan evalueren onder leiding van de heer Rinnooy Kan. Dat lijkt mij een mooi moment om te bekijken of wij hier en daar de Politiewet moeten wijzigen. Op dit moment is dat denk ik niet nodig.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Er gebeurt ontzettend veel. Dat heb ik ook gezegd. Maar het ontbreekt nou nog net aan die wettelijke verankering. Als de minister het niet wil doen, dan zetten wij ons initiatiefvoorstel wel door, maar wat is er nou simpeler dan dat de minister zegt: die Politiewet pas ik op dit punt aan? Ik kan één ding zeggen. De minister maakt zich binnen de politieorganisatie onsterfelijk als hij dit wil regelen.

Minister Opstelten:

Dat gun ik dan graag aan een ander. Het is ook een kwestie van timing. Ik wil voorkomen dat wij telkens ad hoc wetswijzigingetjes aanbrengen, zeker als ze op zichzelf voor dit moment geen toegevoegde waarde hebben. Nogmaals, de evaluatie loopt in feite al. Laat die grote commissie hier gewoon naar kijken. Het zal zeker leiden tot wijzigingen en aanpassingen van de Politiewet. Als mevrouw Berndsen nou gewoon even die ruimte geeft …

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Als de minister zegt dat wij dan maar moeten doorgaan met ons initiatiefvoorstel, dan vraag ik hem of hij er positief naar wil kijken als wij daarmee komen.

Minister Opstelten:

U weet hoe het gaat met initiatiefvoorstellen: die wachten wij af. Met alle adviezen et cetera komen ze op tafel bij het kabinet. Wij zullen daar op dat moment een oordeel over geven. Maar laten wij nu verstandig zijn. Binnen de politie is er niemand die er op dit moment naar vraagt. Materieel doet men wat noodzakelijk is. Ik ondersteun dat graag en verwijs naar het evaluatieproces.

Dan kom ik bij de motie-Bontes op stuk nr. 443. Ik zie deze motie in de kern als een ondersteuning van staand beleid. Daarom is zij overbodig. Ik verwijs naar mijn brief van april 2013, waarin ik aangeef wat ik al doe op het terrein van deze high-impact crimes. Ik denk niet dat ik dat in dit VAO moet herhalen. In de kern is deze motie een ondersteuning van het beleid. Daarmee is zij overbodig.

Dan kom ik bij de motie-Kooiman/Berndsen-Jansen op stuk nr. 444, waarin wordt uitgesproken dat de ICT moet aanduiden wat de politie moet doen en wat de politie wil. Ook deze motie is ondersteuning van beleid. Vermindering van de administratieve lasten is de kern van de gehele programmering. De voortgangsrapportage komt in mei. Wat dat betreft is deze motie ondersteuning van beleid en daarmee ook overbodig.

Tot slot kom ik bij de motie-Kooiman op stuk nr. 445. Ook deze motie is ondersteuning van beleid, wat dat betreft is het prettig, maar ze is echter wel te snel. Om de rust in het veld vast te houden, zowel bij de burgemeesters als bij de politie, hebben we gezegd dat we in 2014 en 2015 geen politiebureaus sluiten. We gaan gewoon rustig en goed kijken, langs de lijnen van het dienstverleningsscenario, wat er nodig is. Daarna gaan we rustig en goed, gehoord alle partijen, met name natuurlijk het lokaal gezag, onze besluiten nemen. Ik denk daarom dat deze motie ondersteuning van beleid is, maar dat het genoemde halfjaar te snel is. Zo'n periode vind ik niet verantwoord. Ik denk dus dat mevrouw Kooiman en ik elkaar tegemoetkomen. Alleen wat de tijd betreft, wil ik haar vragen om mij te volgen.

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik geloof dat de minister mijn motie niet helemaal goed begrepen heeft. Ik zeg daarin namelijk niet dat er posten gesloten moeten worden. De minister kent mijn opvatting daarover; ik vind het juist prettig als ze open blijven. Er komt echter een plan aan. Ik vraag in mijn motie om binnen dat halfjaar dat plan naar de Kamer te sturen, omdat er binnen de politie-eenheden behoorlijk wat onrust is over de vraag welke posten wel of niet dicht moeten.

Minister Opstelten:

Dan moet ik de motie echt ten stelligste ontraden, want het gevraagde zou tot onrust leiden. Ik heb een- en andermaal, ook in AO's, gezegd dat we 2014 en 2015 juist gebruiken om er ordelijk en goed over te spreken, in overleg met iedereen. Dat is de goede volgorde. In 2015 zullen we er besluiten over nemen en tot die tijd niet. Dan moet ik de motie dus ontraden.

Dat is het, voorzitter.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn wij aan het einde gekomen van dit VAO. De stemmingen over de ingediende moties zullen volgende week dinsdag plaatsvinden. De minister blijft nog even zitten, omdat hij ook bij het volgende VAO aanwezig is.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Naar boven