Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 93, item 29

29 Landelijke onderwijsondersteunende activiteiten

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Regels voor subsidiëring van landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (20..)) (33558).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs en andere zaken van harte welkom. Hij was hier vandaag al een paar keer eerder. Welkom ook aan de mensen op de publieke tribune en de mensen die het debat op een andere manier volgen.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Het is toch bijzonder dat we het op deze dag, waarop het onderwijs zich met wat andere dingen bezighoudt, gaan hebben over het genoemde onderwerp. Het is uiteraard allemaal belangrijk, maar ik wil toch beginnen met de staatssecretaris te bedanken voor zijn uitgebreide reactie en voor de verstrekte informatie in het vragenuur. Ik denk dat dat in ieder geval voor een deel veel onzekerheid heeft weggenomen. Ik wens hem veel sterkte en wijsheid toe in de uren die nog zullen volgen. We zullen er ongetwijfeld nog over spreken, maar het allerbelangrijkste is dat het uiteindelijk goed komt met de kinderen in Nederland die examen hebben gedaan. Dat er morgen maar veel vlaggen écht uit mogen!

Ik kom nu op het wetsvoorstel inzake de herziening van de Wet SLOA. Deze ingewikkelde afkorting staat voor: subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten. We hebben het vandaag over het wetsvoorstel waarmee regels worden gesteld voor de subsidiëring van landelijke onderwijsondersteunende activiteiten, SLOA. Ik wil namens D66 graag twee punten aanstippen. In het bijzonder ga ik in op de rol van Cito en andere aanbieders. Daarna heb ik het kort nog even over het humanistisch vormingsonderwijs.

Het eerste onderwerp is dus de positie van Cito en van de andere aanbieders. Aan een belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel wordt eigenlijk nog gewerkt. Immers, niet alleen Cito maar ook andere aanbieders van de eindtoets moeten worden opgenomen in de Wet SLOA. Of niet? Allemaal, of allemaal niet? De staatssecretaris heeft aangegeven ons rond de jaarwisseling te informeren over de Algemene Maatregel van Bestuur met voorwaarden voor de toelating als eindtoets. Hierover heb ik een aantal vragen aan de staatssecretaris. Waarom is ervoor gekozen om de Stichting Cito in de wet te verankeren, maar de voorwaarden voor andere aanbieders in een Algemene Maatregel van Bestuur vast te leggen? Moet Cito ook voldoen aan die voorwaarden uit de Algemene Maatregel van Bestuur? Gaat het hier alleen om voorwaarden om te kunnen dienen als eindtoets, of gaat het ook om voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidie in het kader van de Wet SLOA? Zo ja, wat zijn hiervan dan de financiële consequenties voor de schatkist en voor Cito? Ik lees hierover in de nota naar aanleiding van het verslag dat de staatssecretaris weg wil blijven van termen als "toetsconcurrentie" en "ongelijk speelveld". Het is toch bijzonder om uit de mond van een VVD-staatssecretaris te vernemen: we willen geen concurrentie. Zo lijkt het tenminste. Blijkbaar is toch nog niet voldoende doorgedrongen dat de uitkomst van het Cito-debat was dat meerdere aanbieders mogelijk zijn, al moeten ze uiteraard aan voorwaarden voldoen. Ik schets het graag als volgt: er worden strikte voorwaarden gesteld aan verschillende aanbieders om toegelaten te kunnen worden en het eindproduct moet dezelfde waarde hebben, namelijk een geldigheid als centrale eindtoets. Dan kan het volgens mij niet dat slechts één van die aanbieders subsidie krijgt. Is de staatssecretaris het met mij eens?

Ten slotte, wat dit punt betreft, het volgende. De Wet SLOA moet op 1 januari 2014 in werking treden, maar de staatssecretaris informeert ons pas rond de komende jaarwisseling over de uitwerking van de voorwaarden voor andere aanbieders. Zoals net gezegd, de uitwerking van de voorwaarden voor de andere eindtoetsaanbieders is onlosmakelijk met dit wetsvoorstel verbonden. Een inwerkingtreding op 1 januari terwijl nog niet duidelijk is wat de consequenties voor andere aanbieders zijn, lijkt me dan ook onwenselijk. Mijn fractie overweegt op dit punt een amendement, maar wacht graag eerst de reactie van de staatssecretaris af. Is de staatssecretaris het met mij eens? Kan hij schetsen wat de gevolgen zouden zijn van een jaar uitstel van deze wet?

Ik kom op het tweede onderwerp, het humanistisch vormingsonderwijs. De staatssecretaris noemt in de beantwoording van de feitelijke vragen een aantal redenen om het humanistisch vormingsonderwijs niet in de Wet SLOA op te nemen, maar de Stichting Leerplanontwikkeling, SLO, wel. Zijn redenatie in dezen vind ik niet geheel consistent. Het door SLO uitgevoerde onderzoek is gericht op gebruik door het onderwijs zelf. Dat geldt ook voor het humanistisch vormingsonderwijs. De een houdt zich bezig met leerplankaders en de ander begeleidt en ondersteunt docenten en dat is niet hetzelfde, schrijft de staatssecretaris. Gelukkig maar, zou ik haast zeggen, anders hadden we jarenlang twee organisaties gehad die hetzelfde deden. Toch vind ik de scheiding tussen wanneer iets een kernonderdeel van het onderwijsstelsel is en wanneer niet, wat aan de dunne kant. D66 zou juist graag het humanistisch vormingsonderwijs transparant en structureel beleggen, om zo continuïteit in de uitvoering van deze taken, het andere vereiste, te garanderen.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. De overheid heeft een bijzondere zorgplicht voor het aanbod van openbaar onderwijs. Er moet voldoende openbaar onderwijs beschikbaar zijn voor wie daaraan behoefte heeft. Die zorg heeft de overheid niet voor het bijzonder onderwijs. Er is geen plicht om te voorzien in voldoende bijzonder onderwijs. Wanneer echter een bijzondere school aan de stichtingsnormen voldoet, is de overheid verplicht tot financiering. Deze dwingende basis voor de financiering ligt in het verlengde van de Grondwet vast in een formele wet. Die situatie moet volgens de SGP leidend zijn bij de herziening van de Wet subsidiering landelijke onderwijsondersteunende activiteiten, zodat de mogelijkheid om alternatieve toetsen te kiezen, ook in financiële zin stevig verankerd is. Ik wil kort stilstaan bij de grondwettelijke positie en de grondslag die hieronder ligt, en vervolgens wat uitvoeriger stilstaan bij het toetsaanbod. Daaronder vallen ook de diversiteit en de termijn van invoering.

Ik begin met de grondwettelijke positie. De SGP dankt de regering voor de verheldering die in de schriftelijke voorbereiding is ontstaan. Wij hebben daarvoor waardering. In de memorie van toelichting was nog te lezen dat het ontwikkelen van centrale toetsen en examens kernonderdeel is van de grondwettelijke taak van de overheid om zorg te dragen voor het onderwijs. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt verduidelijkt dat een centralistisch toetsmodel niet noodzakelijkerwijs volgt uit de Grondwet, maar dat de Grondwet die zorg alleen verplicht wanneer de wetgever voor zo'n model kiest. Het kan geen kwaad om dat nog eens expliciet te noemen.

Uit de Grondwet volgt dat de keuzevrijheid in het onderwijs daadwerkelijk mogelijk moet worden gemaakt, door financiële gelijke behandeling. Die gelijke behandeling moet in een formele wet verankerd zijn. Kan de staatssecretaris uitleggen waarom hij deze gelijke behandeling op dit kernonderdeel niet nodig vindt, terwijl hij bij het wetsvoorstel over de eindtoets juist expliciet de keuzevrijheid van scholen heeft benoemd? Ik heb op dit punt een amendement ingediend, zodat daarover geen misverstand kan blijven bestaan.

Het volgende onderdeel van mijn betoog betreft het toetsaanbod. Bij de invoering van een eindtoets is zorgvuldigheid van cruciaal belang, om de betrouwbaarheid van de overheid te versterken. Wijzigingen die grote gevolgen hebben voor het onderwijsproces kunnen niet van het ene op het andere jaar worden ingevoerd. Het is in dat licht al te ambitieus om in mei 2015 de centrale eindtoets in te voeren terwijl de eisen voor alternatieve toetsen pas in mei 2014 bekend zijn. Nog afgezien van de benodigde voorbereidingstijd voor het ontwikkelen van een toets, vraagt de SGP zich ook af hoe van scholen kan worden verwacht dat zij in één jaar overstappen op een nieuwe toets terwijl de gevolgen van de overstap voor het onderwijsproces groot zijn. Waarom wordt bovendien gezegd dat het niet reëel is om te verwachten dat er op korte termijn een betrouwbare eindtoets voorhanden is? Is dan toch al bekend dat de criteria zo zwaar zullen zijn dat de bestaande toetsen niet voldoen? Ik krijg hierop graag een toelichting.

Als de keuzevrijheid van scholen werkelijk uit de verf wil komen, verdienen bestaande aanbieders van toetsen een eerlijke kans bij invoering van de eindtoets. Is het de inzet van de staatssecretaris om bestaande aanbieders direct bij de start voldoende kans te geven om mee te dingen? In de toelichting wordt de bal wel erg eenzijdig bij de aanbieders neergelegd. De overheid heeft wel degelijk de verantwoordelijkheid om de eindtoets niet zodanig en zodanig snel in te voeren dat bestaande aanbieders feitelijk geen reële kans meer hebben. Wanneer er namelijk geen realistisch tijdpad ligt, zijn scholen gedwongen om voor de zekerheid dan maar over te stappen op de Cito-toets en komt de keuzevrijheid onder druk te staan. De SGP pleit daarom voor een realistisch invoeringstraject. Het meest voor de hand liggende moment voor invoering is 2016 omdat ook de centrale eindtoets dan pas volledig naar behoren zal functioneren. Graag krijg ik hierop een reactie.

De SGP heeft vraagtekens bij de dominante rol van Cito in de markt, zonder overigens iets af te willen doen aan de waardering voor Cito, want het doet ontzettend veel goed werk. De dominante marktpositie – ook als gevolg van deze wet als die zou worden aangenomen – verheugt ons echter niet, maar roept vragen op. Weliswaar worden organisatorische maatregelen genomen om Stichting Cito en Cito B.V. uit elkaar te houden en eerlijke concurrentie te bevorderen, maar er blijft naar ons idee ongewenste bevoordeling bestaan. Zo kan niet uitgewist worden dat Cito B.V. bij het verkopen van haar leerlingvolgsysteem op voorsprong staat door de centrale eindtoets van Stichting Cito. Ook bestaat het risico dat Stichting Cito gegevens niet openbaar zal maken wanneer zij vermoedt dat dit voor Cito B.V. nadelig uitpakt. Gelijke concurrentie bestaat dus alleen waar Cito het aandurft. Graag krijg ik een reactie van de staatssecretaris op deze situaties.

Ik heb nog een afzonderlijke vraag over de service die het Cito aan andere aanbieders wil bieden. Waarom is het gezien de wettelijke plicht die eraan komt eigenlijk niet logisch dat het Cito zijn opgaven gratis of vrijwel om niet beschikbaar stelt aan andere aanbieders die de opgaven gebruiken voor een alternatieve eindtoets? Er staat toch subsidie tegenover? Er is toch een dekking voor? Zo'n oplossing bevordert toch juist de eenduidigheid tussen de centrale eindtoets en de alternatieve eindtoetsen? Is de staatssecretaris het met de SGP eens dat de kosten in verband met de inkoop van opgaven bij het Cito geen belemmering mogen zijn om van die opgaven gebruik te maken ten behoeve van de ontwikkeling van alternatieve eindtoetsen? Ik verwijs naar het voorbeeld van de bestaande schooleindtoets die te duur zou worden als de opgaven jaarlijks in plaats van vierjaarlijks ingekocht zouden moeten worden. Daar liggen nogal wat scheve concurrentiekansen.

De SGP steunt de insteek van de voorgestelde wet om zich te richten op functies die voor ons onderwijssysteem van cruciaal belang zijn. Naast kernachtig moet de wet echter ook evenwichtig zijn. Momenteel heeft de wet naar ons oordeel een te monopolistische uitstraling. De financiële ondersteuning van alternatieve eindtoetsen verdient hier een volwaardige plaats in samenhang met een goed invoeringstraject. Voor de SGP zal de uitkomst op deze punten van wezenlijk belang zijn bij de beoordeling van het wetsvoorstel.

De heer Rog (CDA):

Voorzitter. We hebben het vandaag over de subsidiering van landelijke onderwijsondersteunende activiteiten en daar hoort het Cito bij. Dat is de reden dat ik mij vandaag zal concentreren op het amendement-Rog/Schouten dat de mogelijkheid vastlegt dat scholen naast die Cito-eindtoets ook voor meerdere eindtoetsaanbieders kunnen kiezen. Het amendement sloot ook aan op de kritiek van de Raad van State met betrekking tot de keuzevrijheid van scholen enerzijds en de monopoliepositie van Cito anderzijds. Anders dan de staatssecretaris schrijft in zijn nota naar aanleiding van het verslag meent het CDA dat het wetsvoorstel over de eindtoetsen en het wetsvoorstel-SLOA dat we vanavond bespreken wel degelijk van elkaar afhankelijk zijn. Als dit wetsvoorstel door beide Kamers zou worden aangenomen zonder de positie van andere eindtoetsaanbieders te borgen, is de Cito-eindtoets een feit, maar is het onzeker of scholen conform het amendement-Rog/Schouten een vrije keuze hebben tussen Cito en andere eindtoetsen.

De staatssecretaris reageert op vragen van onder andere de CDA-fractie met de opmerking dat dit wetgevingstraject niet de geëigende plek is om de bekostiging of de positie van de andere eindtoetsaanbieders dan de Stichting Cito, die de wettelijke taak uitvoert, te regelen. Mijn fractie betwijfelt dit. Kan hij nog eens uitleggen waarom niet in deze wet kan worden beschreven dat andere eindtoetsaanbieders op eenzelfde wijze als Cito worden gefinancierd?

Voor de CDA-fractie staat voorop dat een werkelijk gelijk speelveld moet worden gecreëerd. Dit geldt zowel voor de ontwikkelingsmogelijkheden in financiële zin en in de tijd als voor de latere beschikbaarheid en financiering van de alternatieve eindtoetsen van de marktpartijen. Ik had nu ook een kwinkslag willen maken over het liberale hart van deze staatssecretaris, maar dat is al gebeurd.

Ik wijs erop dat een belangrijke overweging voor het amendement-Rog/Schouten was dat scholen bij één staatseindtoets van Cito ook bijna aan gedwongen winkelnering zouden doen voor wat betreft de commerciële producten van Cito zoals het leerlingvolgsysteem. Ook de Raad van State heeft op dit gevaar gewezen. Om die monopoliepositie tegen te gaan en om een werkelijk gelijk speelveld te garanderen voor alternatieve aanbieders, wil het CDA of de positie van alternatieve aanbieders in de voorliggende wet regelen, of een antwoord van de staatssecretaris op de vraag hoe hij de andere aanbieders in de gelegenheid zal stellen één of meerdere alternatieve eindtoetsen te ontwikkelen, de financiering te regelen en scholen in staat te stellen een werkelijke keuze te maken tussen Cito en een andere eindtoets. Ik vraag met nadruk om hierbij ook rekening te houden met de tijd. Ook in de gesprekken die ik heb gevoerd met alternatieve toetsaanbieders, kwam naar voren dat zij het niet realistisch achten dat zij voor 2016 een alternatief op de markt kunnen brengen. Wij willen graag dat de scholen een werkelijke keuze kunnen maken als de eindtoets een feit is.

Ik wacht de reactie van de staatssecretaris met belangstelling af.

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Ik sluit aan bij de woorden van de heer Van Meenen aan het adres van de staatssecretaris. Het is een beetje vervreemdend om hier nu over dit onderwerp te spreken, terwijl een crisis is ontstaan zoals die zich nog niet heeft voorgedaan. Ik maak van de gelegenheid gebruik om de staatssecretaris alle sterkte en wijsheid toe te wensen.

Nu over het wetsvoorstel-SLOA. Ik kan er kort over zijn. De PVV onderschrijft het wetsvoorstel. Wij steunen het advies van de Onderwijsraad en de Commissie Nationaal Plan Toekomst Onderwijswetenschappen. Het wetsvoorstel is in lijn met het beleid van het kabinet-Rutte I dat erop was gericht om de drukte rond het onderwijs te verminderen. Wij hebben er vertrouwen in dat dit op deze manier gebeurt.

Nu wordt het subsidiegeld voor onderwijsonderzoek gebundeld. Er wordt een open competitie mogelijk gemaakt. Voorheen ging de subsidie naar zeven grote kenniscentra die toch vaak een overlap vertoonden en soms hetzelfde deden. Met dit wetsvoorstel gaat het subsidiegeld alleen nog maar naar het SLO, het Cito en het NRO in plaats van naar die toch min of meer verzuilde onderzoekscentra apart. Wij kennen ze allemaal nog: het APS, CPS, KPC en CINOP.

De PVV verbaast zich er wel over dat het beschikbare budget voor SLO, Cito en NRO gelijk blijft aan het budget dat voorheen beschikbaar was voor zeven centra. Bestaat hier niet het gevaar dat er een situatie ontstaat waarin het geld op moet? Dat gebeurt natuurlijk weleens in onderwijsland. Zijn er nog mogelijkheden voor een taakstelling of een besparing op dat subsidiebudget? Ik hoor hierop graag een reactie van de staatssecretaris, als dat kan.

In dit wetsvoorstel is ook opgenomen dat alleen de Stichting Cito zal worden gesubsidieerd als het gaat om de eindtoets in het basisonderwijs. Cito krijgt een extra taak om de eindtoetsen van eventuele aanbieders op de markt in samenhang te brengen met de Citotoets, conform het amendement van het CDA en de ChristenUnie. De christelijke partijen willen nu eenmaal de mogelijkheid inbouwen om toetsen in eigen kring te ontwikkelen; christelijk toetsen, zal ik maar zeggen. Dat brengt kosten met zich mee. De PVV wil wel graag weten wat dit aan extra kosten met zich meebrengt. Die vraag leg ik ook aan de staatssecretaris voor. Kan hij bij benadering aangeven wat deze keuzevrijheid in het toetsen gaat kosten aan de belastingbetaler?

De heer Van Meenen (D66):

De heer Beertema benadrukt dat hij blij is dat er een open competitie komt op een aantal terreinen. Tegelijkertijd prijst hij de staatssecretaris dat alleen Cito subsidie krijgt voor de eindtoets. Ik weet dat het de heer Beertema niet bevalt, maar de uitkomst van het Citodebat was wel dat er meerdere aanbieders zouden kunnen zijn. Hoe kijkt hij in dat geval naar open competitie? Of is dat alleen maar daar waar het de PVV goed uitkomt?

De heer Beertema (PVV):

Bij die open competitie kunnen al die bestaande instituten daarop inschrijven per project. Dat lijkt mij een heel gezonde situatie. De heer Van Meenen weet ook dat de PVV erg hecht aan eenduidigheid als het gaat om toetsen. Wij hechten in nog belangrijkere mate aan geheimhouding en aan eenvoudige, centrale structuren, als het gaat om die toetsing. Als PVV hebben wij er minder moeite mee dan D66 om dat te centraliseren in één instituut, dat onder strikte aanwijzingen werkt van de overheid. Het is een van de weinige instrumenten die wij als parlement, als Kamercommissie, nog in handen hebben om invloed uit te oefenen en om de kwaliteit te bewaken van het onderwijs, dus wij hechten daar zeer aan.

De heer Van Meenen (D66):

Dat begrijp ik, want dat was ook de insteek van de PVV bij het Citodebat; één aanbieder die dat examen ging maken. Maar dat was niet de uitkomst. De uitkomst was dat er meerdere aanbieders zullen zijn. Het kan weleens vaker anders lopen dan je wilt. Dan ontstaat er toch een situatie waarin meerdere aanbieders die kans moeten krijgen. Hoe verhoudt dat zich tot de gedachte van de PVV dat er maar één gesubsidieerde instelling kan zijn bij die aanbieders?

De heer Beertema (PVV):

De oplossing die er nu is, lijkt mij het beste van twee werelden en het goedkoopste. Ik ben het met de heer Van Meenen eens dat deze een enigszins gekunstelde indruk maakt. Dat klopt, dat onderschrijf ik ook wel. Maar goed, het is zoals het is. Wij hebben hier niet voor gekozen. Wij gaan kijken hoe dat uitpakt.

De voorzitter:

Dank voor uw bijdrage, mijnheer Beertema.

Mevrouw Straus (VVD):

Voorzitter. In 2007 heeft de commissie-Dijsselbloem heel concreet aangegeven waar de politiek zich wel of niet mee moet bemoeien. Het onderwerp dat vandaag voorligt, valt in de categorie van iets waar wij ons wel mee moeten bemoeien. Het gaat namelijk over de vraag wat er geleerd moet worden en hoe de aansluiting tussen de verschillende schoolniveaus is geregeld.

We spreken vandaag over de wettelijke verankering van de taken van de Stichting Cito en SLO, waarbij wij een systeem inrichten voor de kennis en informatie die nodig zijn om centrale toetsen en examens te maken en een eenduidige en doorlopende toets- en examenlijn mogelijk te maken.

Dat is goed nieuws voor alle leerlingen en ouders in Nederland. Voor de VVD is het van belang dat elke leerling in Nederland recht heeft op de eenduidige en objectieve vaststelling van zijn of haar kennis. Bij de wetsbehandeling over de invoering van de centrale eindtoets is afgesproken dat er ruimte moet blijven voor meerdere toetsaanbieders. Daarom moeten Stichting Cito en Stichting SLO de kennis en informatie die met deze publieke taak samenhangen, delen met andere toetsaanbieders, zodat ook zij op basis van deze informatie toetsen kunnen ontwikkelen. De VVD vindt dit een heel mooi voorstel van de staatssecretaris. Voor de VVD is het echter cruciaal dat er vergelijkbaarheid blijft tussen die toetsen en examens en dat die vergelijkbaarheid is gegarandeerd. Ook bij meerdere toetsaanbieders is het belangrijk dat wij eenduidig zijn jegens leerlingen en hun ouders over wat er moet worden geleerd. Wij vragen de staatssecretaris om hierop in te gaan.

Voor de VVD is het ook van belang dat SLO bij het ontwikkelen van de leerplankaders gebruikmaakt van kennis en informatie van externe partijen. Onderwijs staat midden in de samenleving en is dus per definitie voortdurend in ontwikkeling. Hoe zorgen we ervoor dat deze ontwikkelingen ook regelmatig en voldoende in de leerplankaders worden vertaald? Graag ook hierop een reactie van de staatssecretaris.

Bij de doorlopende leerlijnen is het zeer gewenst dat de leerplankaders voor het vmbo aansluiten op de kwalificatiedossiers van het mbo. De staatssecretaris heeft al antwoord op onze vragen gegeven in het verslag. De VVD miste hierin de rol van de SBB, die momenteel bezig is met het opstellen van de nieuwe kwalificatiedossiers voor het mbo. Graag ook op dit punt een reactie van de staatssecretaris.

De staatssecretaris is verantwoordelijk voor het toezicht op deze publieke taak van Stichting Cito en Stichting SLO. Zo wordt geregeld dat SLO en Cito zich jaarlijks moeten verantwoorden door middel van een jaarverslag en een jaarrekening. In hoeverre denkt de staatssecretaris dat deze regel voldoende waarborgen biedt om de kwaliteit van de werkzaamheden van Stichting Cito en Stichting SLO daadwerkelijk te garanderen?

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Even een vraag over de positie van het Cito. Mevrouw Straus zei dat dit een mooi voorstel is van de staatssecretaris: subsidieer Cito, zodat het zijn kennis kan delen met andere aanbieders. Die andere aanbieders zouden kunnen komen, want dat hebben we zo vastgelegd in de wetgeving rond de eindtoets. In het voorstel zelf staat echter dat die subsidie en die taken niet alleen gelden voor kennis delen, maar ook voor de ontwikkeling van de toetsen en de examens. Hoe verhoudt het feit dat een van de aanbieders subsidie krijgt voor het ontwikkelen van toetsen, zich in de ogen van de VVD met een open markt waarin meerdere aanbieders kunnen opereren?

Mevrouw Straus (VVD):

Wij hebben het zo begrepen, dat Stichting Cito dat geld krijgt voor de basisinformatie die nodig is om die toetsen te kunnen ontwikkelen. Dat is wat wij ervan hebben begrepen. Het is dus prima als die informatie vervolgens ook ter beschikking wordt gesteld aan andere toetsaanbieders. Dat is zoals wij dit hebben begrepen. Op basis van een dergelijke interpretatie hebben wij ook het amendement aangenomen bij de behandeling van de wet over de centrale eindtoetsen.

De heer Van Meenen (D66):

Mag ik daaruit opmaken dat mevrouw Straus ertegen zou zijn als het Cito subsidie zou ontvangen voor het ontwikkelen van toetsen, dus zeg maar voor het gewoon maken van toetsen, als het niet de aangewezen partij zou zijn in die aanbesteding? Ik stel mij dat zo voor.

Mevrouw Straus (VVD):

Uit de beantwoording van de staatssecretaris heb ik ook opgemaakt dat we er in ieder geval voor moeten zorgen dat er één toets ter beschikking wordt gesteld, want dan voldoen we aan het desbetreffende artikel in de Wet op het primair onderwijs. Volgens mij is dat de reden waarom hij dit op deze manier zegt te willen vormgeven.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Dank u wel, voorzitter, het is sinds drie weken zelfs Ypma-Vierstra, en daar ben ik heel trots op.

De voorzitter:

Hartelijk gefeliciteerd.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Dank u wel.

De regeling inzake de Wet SLOA beoogt het wettelijk verankeren van de taken van de Stichting Leerplanontwikkeling en de Stichting Cito en het samenvoegen van de subsidiëring van de algemene begeleidings- en ontwikkelingsactiviteiten en kortlopend veldonderzoek met ander onderwijsonderzoek. De PvdA steunt de invoering van deze wet. Voor ons staat centraal dat onderwijs kinderen kansen moet bieden. Zowel de Stichting Cito die zorgt voor objectieve, kwalitatief hoogstaande toetsen als de SLO die een schakel is tussen de landelijke kaders en de vakgebieden die vanuit de behoefte van scholen en de samenleving zorgdragen voor lesmateriaal en leermiddelen ontwikkelen, draagt hieraan bij. Samen met het Leerlingonderwijsvolgsysteem zorgen ze ervoor dat elk kind de mogelijkheid krijgt om zijn of haar kansen te benutten. De PvdA vindt het uitermate belangrijk dat de overheid zorg draagt voor wat de leerling moet leren.

Het ontwikkelen van leerplankaders, centrale toetsen en examens zijn kernonderdelen van de grondwettelijke taak van de overheid. We vinden het goed dat er nu stappen worden gezet om deze taken te verankeren in de wet. Dit sluit goed aan bij de aanbevelingen van de commissie-Dijsselbloem. Ik citeer: "Wanneer de overheid helderheid biedt over de onderwijsdoelen, effectief toeziet op resultaten en zekerheid biedt over de adequate faciliteiten, worden scholen een duidelijk kader geboden waarbinnen zij het onderwijs in grote vrijheid verder vorm kunnen geven". Dit wetsvoorstel brengt dit doel, geschetst door de commissie-Dijsselbloem, een stap dichterbij. Het zeker stellen van de kwaliteit van het onderwijs is een kerntaak van de overheid. De PvdA vindt het dus belangrijk dat de overheid zorg draagt voor het ontwikkelen van de eindtoets. Het wettelijk toekennen van deze taak zorgt ervoor dat er kwalitatief hoogstaande toetsen beschikbaar zijn die door scholen naast het Leerlingonderwijsvolgsysteem gebruikt kunnen worden voor een objectieve beoordeling.

Wij hebben nog een aantal vragen gesteld in de schriftelijke ronde over het amendement van de collega's Rog en Schouten. Zij pleiten voor meerdere aanbieders. Er zijn al heel veel vragen over gesteld waar ik mij nu kortheidshalve bij kan aansluiten. Ik wacht de beantwoording door de staatssecretaris daarop af.

De heer Van Meenen (D66):

Mij bekruipt het gevoel dat we langzaam maar zeker stappen terug aan het zetten zijn om geen andere aanbieders meer mogelijk te maken. In de woorden van mevrouw Ypma-Fierstra krijgt de Stichting Cito namelijk een positie die bijna nog sterker is dan in het wetsvoorstel is omschreven. Er wordt iets gezegd in de trant van: door het aan de Stichting Cito toe te wijzen, krijgen we gegarandeerd goede toetsen et cetera. In het voorstel rond de eindtoets is wel degelijk sprake van meerdere aanbieders. Ook aan mevrouw Ypma-Fierstra dus de vraag hoe die andere aanbieders zich volgens haar verhouden tot de Stichting Cito? Zijn het eerlijke concurrenten?

Mevrouw Ypma (PvdA):

Uit de beantwoording van de staatssecretaris hebben we begrepen dat het bij AMvB geregeld gaat worden en dat we na de jaarwisseling hierover geïnformeerd worden. We hebben ook vragen gesteld over het precieze tijdpad. We wachten de beantwoording door de staatssecretaris daarop graag af. De bestaande situatie is dat de Stichting Cito bijna de enige aanbieder is. We zouden wel graag serieuze concurrentie willen hebben – we hebben ook ingestemd met het amendement – maar tegelijkertijd moeten we erkennen dat dit best wel lastig wordt. Dan kan je als overheid ervoor zorgen dat je alles helemaal in de greep houdt en dat de Stichting Cito een soort uitvoeringsorganisatie wordt van de overheid, maar we vinden ook dat er ruimte moet zijn voor concurrentie om de Stichting Cito kritisch te houden. Dat draagt bij aan de kwaliteit van de toetsen en draagt vervolgens ook bij aan de kwaliteit van het onderwijs, en daar is het ons om te doen.

De heer Van Meenen (D66):

Daar is het ons natuurlijk allemaal om te doen, maar zo gemakkelijk komt mevrouw Ypma daar natuurlijk niet mee weg. Het gaat er in dit voorstel om of die andere concurrenten, welke dat dan ook maar mogen zijn, echt in de positie worden gebracht om ook hoogwaardige toetsen te ontwikkelen. Is mevrouw Ypma het nu wel of niet mij eens – en waarom wel of niet – dat Cito, door ook subsidie te krijgen voor het ontwikkelen van toetsen, in een bevoorrechte positie wordt gesteld ten opzichte van andere?

Mevrouw Ypma (PvdA):

In de schriftelijke ronde hebben wij gevraagd of andere toekomstige aanbieders van de eindtoets hierdoor vertraging kunnen oplopen, waardoor er een ongelijk speelveld ontstaat, en of scholen worden geïnformeerd over de mogelijkheid van het afnemen van de andere eindtoets. Daaruit kan de heer Van Meenen opmaken dat ook wij graag een gelijkwaardig speelveld willen voor andere aanbieders. Wij willen echter ook geen vertraging. Wij vinden het dus een uitstekende oplossing om dit bij AMvB te regelen.

De heer Rog (CDA):

Het is mooi om te horen dat ook de Partij van de Arbeid een gelijk speelveld nastreeft. Betekent dit ook dat de Partij van de Arbeid-fractie, als alternatieve eindtoetsaanbieders er niet in zouden slagen om met een eindtoets te komen binnen de termijn waarbinnen Cito, vanuit de Staat georganiseerd, met een eindtoets komt, met de CDA-fractie van mening is dat we dan het hele eindtoetscircus in de tijd moeten opschuiven?

Mevrouw Ypma (PvdA):

Nee, daar ben ik het niet mee eens, want ik wil geen vertraging oplopen. Volgens mij heb ik die vraag net ook al beantwoord.

De heer Rog (CDA):

Mevrouw Ypma was daar diffuus in, want zij wil wel een gelijk speelveld maar tegelijkertijd geen vertraging. Dan heeft zij het over een AMvB. Dat is allemaal prima, maar het gaat erom wat vervolgens wordt geregeld over het moment waarop de eindtoets daadwerkelijk wordt ingesteld. Als aanbieders er bij wijze van spreken niet in zouden slagen om voor 2016 een alternatief op de markt te brengen en Cito slaagt daar wel in, kunnen we toch niet meer spreken van een gelijk speelveld? Is mevrouw Ypma dat met mij eens?

Mevrouw Ypma (PvdA):

Op dit moment zien we al dat Cito op het grote merendeel van de scholen de aanbieder is. Als mijnheer Rog bedoelt dat het gelijke speelveld 50/50 wordt of iets dergelijks, is dat voor mij een onmogelijke situatie. Volgens mij heb ik net al heel helder gezegd dat wij voorstander zijn van nu akkoord gaan met dit wetsvoorstel en bij AMvB regelen dat er ook voor andere aanbieders mogelijkheden komen om aan te bieden.

De heer Bisschop (SGP):

Het lijkt nu alsof snelheid boven zorgvuldigheid moet gaan. Ik ben er eigenlijk van overtuigd dat mevrouw Ypma dat helemaal niet bedoelt, maar de vragen spitsen zich daar wel een beetje op toe. Waarom zou je de positie van andere aanbieders bij AMvB moeten regelen terwijl je die van Cito bij wet regelt? Wil je alle aanbieders van centrale eindtoetsen scherp houden, inclusief Cito, dan zul je ze in eenzelfde wettelijke positie moeten geven. Wat zou de PvdA ertegen hebben om ook de positie van de andere aanbieders in de wet te verankeren in plaats van in een AMvB?

Mevrouw Ypma (PvdA):

Ik dank de heer Bisschop voor deze vraag. Naar aanleiding van de evaluatie van de Wet SLOA in 2007 is er een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over de afbouw van het oude systeem van verdeling van middelen voor praktijkgericht onderwijsonderzoek. Die vaststellingsovereenkomst loopt af op 31 december 2013. Dat maakt het noodzakelijk om nu de structuur van onderwijsonderzoek te wijzigen, om na 2013 nieuw beleid te kunnen uitvoeren. Dat is de reden waarom wij nu willen instemmen met dit wetsvoorstel en bij AMvB graag tegemoet willen komen aan het amendement van de heer Rog en mevrouw Schouten om dat uit te breiden.

De heer Bisschop (SGP):

Met alle respect, maar dit is toch geen antwoord op mijn vraag. Die tijdsdruk is oplosbaar door nu bij AMvB te regelen dat de oude wet nog een jaar geldig blijft, om even een voorbeeld te noemen, zodat je meer tijd creëert om te komen tot een zorgvuldig wetgevingstraject en om de positie van de alternatieve aanbieders te verankeren. Als wij kwaliteit willen borgen, is een zekere competitie tussen gelijkwaardige partners nodig. Anders organiseer je een monopoliepositie en dat moet zelfs de monopolist niet willen. Daarom mijn vraag: zou u nog eens willen overwegen om dit zodanig te regelen dat het wetgevingstraject de kracht van zorgvuldigheid kan krijgen in plaats van snelheid? Die snelheid is niet nodig als je het via de bypass zou oplossen. Ik geef het u graag in overweging. Ik denk dat u het hele onderwijsveld, van welke denominatie dan ook, daar buitengewoon mee zou dienen.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Ik heb geen vraag meer gehoord, mevrouw de voorzitter.

De heer Bisschop (SGP):

Ik deed een eerbiedig verzoek of u nog eens zou willen overwegen om meer in te zetten op zorgvuldigheid dan op snelheid.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Net als de SGP-fractie wacht ik de beantwoording van de staatssecretaris af. Ik zal zo meteen nog even ingaan op uw vraag.

De vergadering wordt van 20.15 uur tot 20.20 uur geschorst.

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. Dank voor de vriendelijke woorden die een aantal leden uitspraken. Het is inderdaad wat onwezenlijk om op een dag dat er heel veel te doen is over examens, te spreken over een wet die betrekking heeft op een van de instellingen die examens maakt. Ik heb overigens de indruk dat wat wij vanmiddag in het vragenuurtje bespraken, op veel meer belangstelling kon rekenen dan wat wij vanavond bespreken. Dat maakt dit onderwerp echter niet minder belangrijk. Ook dit moet namelijk goed geregeld worden.

Eigenlijk regelen we met het wetsvoorstel grofweg twee grote dingen. Ten eerste regelen wij waar de heer Beertema op doelde, namelijk of je kunt komen tot een forse stroomlijning van alles wat met kenniscentra te maken heeft. Dan wordt het veel meer gericht op een soort vraagsturing. Er heeft eerder al een debat plaatsgevonden over de manier waarop bijvoorbeeld met onderwijsbegeleidingsteams wordt omgegaan en de vraag hoe zich dit verhoudt tot de kenniscentra die aanbodgestuurd werken. Dat wordt nu veel meer onder één regime gebracht via het NRO, ondergebracht bij de NWO. We hebben heel goede ervaringen met de systematiek van de NWO waarmee aanvragen op kwaliteit en vernieuwing worden getoetst. In dit geval gebeurt dat ook. De bestaande kenniscentra kunnen daarop intekenen. Degene die met de meest vooruitstrevende en kwalitatief goed onderbouwde ideeën komt, kan de meeste aanspraak en kans maken.

Ten tweede worden twee wezenlijke stelseltaken bij wet geregeld en wordt daarvoor een subsidiegrondslag geboden. Dan gaat het aan de ene kant om de ontwikkeling van curricula, leerlijnen, als stelseltaak. Het betreft de schakel tussen de vaak vrij algemeen benoemde kerndoelen en de methodes van uitgeverijen. Er moet een soort leerplanontwikkeling zijn. Daar heeft het SLO heel veel ervaring mee en daar doen we al jarenlang met veel tevredenheid zaken mee. Dat geldt overigens ook voor het onderwijsveld. Aan de andere kant gaat het om alles wat met toetsen en examens te maken heeft. Cito maakt al jarenlang eindexamens en dat is ook de partij waarmee wij naar de toetsen in het voortgezet onderwijs kijken, via de referentietoetsen. Ook die lijn kun je eigenlijk voor heel het onderwijs doortrekken. Dat zijn de twee grote dingen die wij met dit wetsvoorstel regelen.

Daarmee kom ik direct op een vraag van mevrouw Straus: hoe komen leerplankaders tot stand? Het gaat om een heel proces van ontwerpen, produceren en valideren. Daarbij wordt overigens door de SLO niet alleen maar gewerkt met eigen mensen, maar ook met partijen van buiten. Dat gebeurt op een vrij transparante manier. Betaalde werkzaamheden worden aanbesteed. Er wordt hierbij dus ook externe kennis ingehuurd.

Hetzelfde geldt bij het opstellen van de kwalificatiedossiers. Het is belangrijk dat bij het ontwikkelen van leerlijnen ook rekening wordt gehouden met de leerlijnen in de volgende onderwijssector waarin leerlingen terecht kunnen komen. Daarbij worden bijvoorbeeld ook de kenniscentra betrokken. De SBB doet het iets meer op afstand. Daar richt men zich met name op de vernieuwing van de kwalificatiedossiers. Maar ook met de SBB wordt wel degelijk contact gehouden.

Goed naar de inbreng van de diverse woordvoerders luisterend, kan ik concluderen dat de discussie vooral gaat over de centrale eindtoets. Wij hebben gezegd dat het belangrijk is dat er een centrale eindtoets komt, maar wij willen geen mogelijkheden voor andere toetsaanbieders uitsluiten. Sterker nog, wij vinden dat er mogelijkheden moeten zijn voor andere toetsaanbieders. De heer Van Meenen en de heer Rog stelden dat die mogelijkheden ook fair moeten zijn. Dat ben ik met hen eens. Ik meen dat zelfs de heer Bisschop op dit punt wijst, terwijl hij destijds tegen het wetsvoorstel was, inclusief de aanpassing naar aanleiding van het amendement-Rog/Schouten. Het is volgens mij belangrijk om even aan te duiden langs welke lijnen de stelselverantwoordelijkheid loopt. Ik meen ook dat dit in het advies van de Onderwijsraad over de centrale eindtoets heel goed wordt benoemd. Daarin staat dat je kunt kiezen voor de optie dat er een centrale eindtoets komt terwijl het voor scholen ook mogelijk moet zijn om voor andere toetsaanbieders te kiezen, als die voldoen aan bepaalde criteria. Ook over die criteria hebben wij het natuurlijk gehad. Mevrouw Straus zei dat een van die criteria vergelijkbaarheid is. Daarin heeft zij helemaal gelijk. Er zullen echter ook een aantal kwaliteitscriteria moeten worden opgesteld. Je kunt voor die optie dus kiezen, staat in het advies van de Onderwijsraad, maar dat ontslaat de nationale wetgever niet van de plicht, er zorg voor te dragen dat er altijd een kwalitatief goede centrale eindtoets beschikbaar is. In de wet die in de Kamer is aangenomen, staat ook dat er een centrale eindtoets moet komen, met daarbij de mogelijkheid om ook voor andere toetsaanbieders te kiezen. De zorg voor de beschikbaarheid van een goede toets valt onder de stelselverantwoordelijkheid. Het valt echter niet onder de stelselverantwoordelijkheid om te garanderen dat er daadwerkelijk meerdere aanbieders zijn. We hebben het ook niet over het aantal toetsaanbieders gehad. Dat aantal hebben wij opengelaten, en dat is niet gek want dit moet worden opgepakt door die andere aanbieders.

Dat gezegd hebbend, zeg ik in de eerste plaats dat het wel wenselijk is dat er meerdere aanbieders zijn. Het zou goed zijn als de handschoen wordt opgepakt door andere toetsontwikkelaars. Het zou goed zijn als zij alternatieven zouden aanbieden. Dat ben ik met de woordvoerders eens. In de tweede plaats zeg ik dat ik daarvan serieus werk wil maken. Ik hoor immers dat een aantal woordvoerders zich zorgen maakt over het tempo. Zij vragen zich af of het wel reëel is dat toetsaanbieders zulke toetsen gaan maken. Ik zou hierover een paar dingen willen zeggen. In een eerdere beantwoording heb ik tegen de Kamer gezegd dat ik de AMvB waarin de kwalitatief-inhoudelijke eisen en de financiering voor alternatieve toetsaanbieders zijn geregeld, zo veel mogelijk naar voren probeer te halen. Dat kan in mijn ogen ook. Na het zomerreces, in september, oktober, kunnen wij nog niet komen tot een volledig afgeronde AMvB, want ik hecht aan een zorgvuldige inspraakprocedure, maar dan zouden de contouren al wel helder moeten zijn. Dat is punt één.

Dan kom ik bij punt twee. Het is niet formeel bij wet geregeld maar ik zeg de Kamer toe om die AMvB hier netjes te bespreken. Ik hoef die niet per se voor te hangen, maar ik zal dat wel doen.

Punt drie is het volgende. Het helpt als wij bij het opstellen van die AMvB ook alternatieve toetsaanbieders betrekken. Overigens ben ik daar al mee begonnen. Een aantal vereisten moet natuurlijk buiten kijf staan, maar het helpt heel erg als je in de ontwerp-AMvB korte lijnen houdt met andere toetsaanbieders. Dat maakt het mogelijk om tot iets te komen.

Punt vier is nog even een puzzelwerkje. Ik wil er zorg voor dragen dat het straks voor scholen in financiële zin niet uitmaakt of zij gebruikmaken van de centrale eindtoets, die direct onder mijn verantwoordelijkheid wordt aangeboden – het wetsvoorstel zoals het nu in de Eerste Kamer ligt, geeft mij ook die wettelijke taak – of van een toets van een alternatieve aanbieder. Het kan echter niet zo zijn dat de Cito-toets heel goedkoop is en andere toetsen heel erg duur, waardoor je wel kunt kiezen maar er een enorme financiële barrière is om dat feitelijk te doen.

Hoe wij dat gaan regelen, is nog best even een puzzel. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door een deel van de bekostiging via de bekostiging van scholen zelf te laten lopen. Dan moet je met Cito bezien hoe hoog de subsidie zal zijn en wat je eventueel verwacht terug te verdienen door de betaling die plaats moet vinden voor de centrale eindtoets. Op zo'n manier zou je tot een gelijke positie kunnen komen. Je kunt echter ook bezien of andere toetsaanbieders die eenmaal zijn toegelaten of voldoen aan de criteria, weliswaar op een andere grondslag dan de Wet SLOA, ook een subsidie zouden kunnen ontvangen. Ik wil dat regelen in die AMvB. Daar kan ik in het vroege najaar, september, oktober, mee naar de Kamer komen. Dat is dan nog geen definitieve versie, maar dan hebben wij wel de contouren. Die zou ik hier dan graag uitgebreid bespreken.

Daarmee heb ik al heel veel vragen over de systematiek beantwoord, alsook vragen zoals waar ik stelselverantwoordelijkheid voel en waar niet. Ik kan natuurlijk niet garanderen dat er een x-aantal alternatieve toetsaanbieders is. Dat hebben wij destijds ook niet beoogd. Wij hebben wel gezegd dat die aanbieders aan bepaalde criteria moeten voldoen. Dan is het aan hen om te laten zien dat zij daaraan voldoen.

Daarmee raken wij ook een beetje aan het tijdsaspect. Ik ben op dit moment absoluut nog niet bereid om te schuiven met die datum. Aangezien wij het proces nu wat proberen te versnellen, moeten alternatieve toetsaanbieders maar heel erg hard hun best doen om op tijd klaar te zijn. Als wij nu namelijk gaan schuiven, komen wij in het scenario: kennelijk gaat de Kamer ermee aan de slag als … Dan is de vraag hoeveel tempo er dan op zit en houden wij de druk niet op de ketel. Dan krijgen wij misschien op enig moment weer de discussie: er is maar één alternatieve aanbieder; is dat voldoende? Dan wordt het echt ingewikkeld. Ik wil dus vasthouden aan de invoeringsdatum die wij destijds in het debat hebben aangehouden. Dat zou betekenen dat de centrale eindtoets voor het eerst over een krappe twee jaar wordt afgenomen: in het voorjaar van 2015.

De heer Rog (CDA):

Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording tot zover van de vragen die gesteld zijn. Ik wil zijn laatste punt rond het tijdpad eens vergelijken met een opmerking die hij zelf heeft gemaakt: het is "illusoir om te veronderstellen dat andere aanbieders op zeer korte termijn een betrouwbare eindtoets kunnen ontwikkelen, ook al zouden alle eisen bij wijze van spreken morgen duidelijk zijn. Dit vergt nu eenmaal een aanzienlijke ontwikkelingstijd." Hoe verhoudt deze tekst op schrift zich tot wat de staatssecretaris nu zegt in dit huis?

Staatssecretaris Dekker:

Wat ik daar heb opgeschreven klopt. Als wij dat bij wijze van spreken vandaag eisen, is het niet zo dat ze overmorgen klaar zijn. Dat kost echt even tijd, maar wij hebben natuurlijk ook nog wel enige tijd tot de beoogde invoeringsdatum van de eindtoets. Wij zijn er steeds van uitgegaan dat die voor het eerst zou worden afgenomen in het voorjaar van 2015. Dan hebben wij het over twee jaar. Als na de zomer de contouren van de financiering aan de ene kant en de inhoudelijke eisen aan de andere kant bekend zijn, kan men natuurlijk starten. Ook dingen die het Cito ontwikkelt, staan dan ter beschikking aan andere toetsontwikkelaars. Daar heb ik in de beantwoording al het een en ander over gezegd.

Er moet natuurlijk een commissie komen die uiteindelijk toetst wie voldoet aan de eisen. Ik kan mij voorstellen dat wij zorgen voor een brede invulling van de commissie en dat wij die niet alleen vragen om een toetsende rol te vervullen, maar dat wij die zeer snel in het leven roepen, zodat zij ook een ondersteunende rol kan vervullen voor de verschillende aanbieders.

De heer Rog (CDA):

Mijn vraag blijft of de staatssecretaris van mening is dat er werkelijk sprake is van een gelijk speelveld als de toetsaanbieders er niet in slagen om de toets te realiseren in de pak hem beet anderhalf jaar tussen het moment dat bekend is waaraan een toets moet voldoen en het moment dat de eerste eindtoets wordt afgenomen. Is er dan nog sprake van een gelijk speelveld?

Staatssecretaris Dekker:

Ja, in mijn ogen wel, om een aantal redenen. Het is voor ons allemaal natuurlijk niet nieuw dat het ingewikkeld is om toetsen te ontwikkelen. Dat kan voor de heer Rog ook niet nieuw zijn, want deze opmerkingen komen ongeveer een-op-een uit het rapport van de Onderwijsraad, die advies gegeven heeft. Eigenlijk regelen wij het langs de lijnen van dat advies. De stelselverantwoordelijkheid gaat via de Wet SLOA, maar tegelijkertijd bieden wij wel opening voor alternatieve toetsaanbieders. Dat is niet eenvoudig, maar het is ook niet onmogelijk.

De heer Van Meenen (D66):

Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden. Die zijn echt geruststellend op het punt van de concurrentie. Anders dan in het debat zo-even heeft hij heel duidelijk geschetst wat de positie van andere aanbieders is en gezegd dat hij hen optimaal de kans wil geven. Dat is geruststellend. Wij wachten de voorwaarden en de AMvB af. Wij zijn blij dat die hier in de Kamer besproken kan worden.

Wij hebben in het Cito-debat, om het maar even zo te noemen, gesproken over de adaptieve toets. Even voor de talloze luisteraars thuis: dat is een toets die zich aanpast aan het niveau van de leerling. Dat klonk nog ver weg, maar ik vroeg mij af of de staatssecretaris van plan is om die als voorwaarde te gaan stellen, zij het dat die in 2015 wellicht niet meteen optimaal is. Gaan wij die kant al op? Met andere woorden, proberen wij om het in één keer goed te doen of voorziet de staatssecretaris een soort scenario in meerdere stappen daarnaartoe?

Staatssecretaris Dekker:

Het is interessant dat de heer Van Meenen vraagt of wij dat als voorwaarde gaan stellen, maar volgens mij bepaalt de wet dat het op enig moment een adaptieve toets moet zijn. Ik kan mij voorstellen dat het wellicht voor nieuwe toetsaanbieders heel interessant kan zijn. Als zij toch gaan ontwikkelen en daarin investeren, kan ik mij voorstellen dat zij het direct goed willen doen. Ik sluit dat dus helemaal niet uit.

De heer Bisschop (SGP):

De staatssecretaris is duidelijk over de positionering van de alternatieve toetsaanbieders. Hij focust op een AMvB en is bereid om het via een voorhangprocedure met de Kamer af te stemmen. Dat is allemaal te waarderen, maar – het kan zijn dat ik het even heb gemist – mij is nog niet helemaal duidelijk waarom de positie van de alternatieve aanbieders niet in de wet verankerd wordt. Dat is eenvoudig op te lossen met een toevoeging van een artikel 3a, zoals is te zien in het amendement dat we inmiddels hebben ingediend. Dan is het toch veel beter geborgd? Ik hoor dus graag wat de reden is om dat niet in de wet zelf te verankeren.

Staatssecretaris Dekker:

Ik kan dit onderwerp heel goed afronden door een reactie te geven op het amendement van de heer Bisschop. Het heeft ermee te maken dat er uiteindelijk één centrale eindtoets is waarvoor wij een stelselverantwoordelijkheid hebben. Dat geldt niet voor de mogelijke eindtoetsen die door alternatieve aanbieders worden ontwikkeld. We bieden die mogelijkheid wel, maar het is per definitie niet zo dat die nodig zijn om onze stelselverantwoordelijkheid in te vullen. Je krijgt best een ingewikkelde discussie als je dat zou moeten doen, als je op voorhand zou moeten kiezen welke andere toetsontwikkelaars dan nu al subsidie zouden moeten krijgen. Er zijn dus twee dingen. Eén: de stelselverantwoordelijkheid, die we regelen met de Wet SLOA. Twee: ik vind het ook van belang dat toetsontwikkelaars, alternatieve toetsontwikkelaars, laten zien dat ze kunnen voldoen aan de criteria die we opstellen. We gaan het op een zorgvuldige manier doen. Ik heb dat net, denk ik, uitgebreid besproken. We gaan de criteria ook niet onnodig hoog leggen om maar allerlei partijen buiten te sluiten. Ik wil het goed doen. Ik wil een goede balans tussen enerzijds kwaliteit, vergelijkbaarheid die geborgd moet zijn, en anderzijds goede financiële randvoorwaarden. Het is echter uiteindelijk aan de toetsontwikkelaars om te laten zien dat ze in staat zijn om daaraan te voldoen. Dat vind ik, heel nadrukkelijk, wel de verantwoordelijkheid van de toetsontwikkelaars en niet die van mij.

De heer Bisschop (SGP):

Ik denk niet dat dit een punt van discussie is. Die verantwoordelijkheid moet ook vooral bij hen worden neergelegd. Door een verwijzing naar te borgen referentieniveaus kunnen er behoorlijk goed en eenvoudig waarborgen in worden opgenomen. Het antwoord schiet echter toch een beetje langs mijn vraag heen. Ik ben het eens met wat de staatssecretaris zegt: de stelselverantwoordelijkheid is dat er een eindtoets moet komen. Daar hebben we ja tegen gezegd. Maar de vraag is hoe die eindtoets dan vorm krijgt en of het via Cito moet of dat we ruimte bieden aan anderen. We zijn het erover eens dat we ook ruimte willen bieden aan anderen. Dan kunnen we toch als een optie in de wet opnemen dat anderen, onder bepaalde, nader vast te stellen voorwaarden, ook een eindtoets leveren? Dat is eigenlijk mijn vraag. Het gaat er niet om om in detail te regelen wie welke subsidie krijgt enzovoorts. Het gaat erom dat je de optie van een alternatieve eindtoets in de wet verankert, juist om iedereen scherp te houden, juist om de kwaliteit zo goed mogelijk te borgen. Dat is de intentie van ons amendement.

Staatssecretaris Dekker:

Als het uiteindelijk gaat om faire kansen, ook voor alternatieve aanbieders om mee te doen, en als het erom gaat om dan ook op een nette manier te regelen dat er zeker ook financieel voor scholen een reële mogelijkheid ontstaat om een keuze te maken die niet wordt belemmerd door grote prijsverschillen, dan ben ik het helemaal met de heer Bisschop eens. Dat gaan we ook regelen. Maar dat regel je niet met deze wet. Met deze wet wordt invulling gegeven aan de wettelijke basis voor de subsidiëring, die nodig is om mijn stelselverantwoordelijkheid in te vullen. Die stelselverantwoordelijkheid beperkt zich tot één toets, namelijk de centrale eindtoets. Dat sluit echter niet uit dat er alternatieven zijn. Ik denk echt dat dat de duidelijke knip is. Daarom ben ik ook geen voorstander van het amendement van de heer Bisschop. Met het overnemen van het amendement van de heer Bisschop en het daarmee opnemen van de subsidiebasis voor alternatieve toetsaanbieders, krijg ik daarvoor namelijk ook de wettelijke verantwoordelijkheid, en die wens ik niet te dragen. Ik wil dus de mogelijkheid bieden voor anderen om toegelaten te worden als zij aan bepaalde niveaus voldoen. Daar gaan wij hen bij helpen en dat gaan wij ook financieel op een nette manier doen. Daarover komen we in het najaar nog te praten. Dat vind ik echter echt iets anders dan een stelselverantwoordelijkheid.

De voorzitter:

Mijnheer Bisschop, omdat het een amendement betreft, geef ik u nog een volgende vraag. Ga uw gang.

De heer Bisschop (SGP):

Dank voor deze welwillendheid, voorzitter.

Dat de details niet in de wet worden geregeld, daar kan de SGP zich op zich nog prima in vinden, maar het borgen dat er ruimte blijft voor alternatieve aanbieders lijkt mij een wezenlijk aspect van de discussie zoals die is gevoerd, ook in een eerder stadium al. Ik denk toch dat we daar nog eens goed naar moeten kijken en we het gewoon goed moeten vastleggen. Dat belast de staatssecretaris niet met overmatige ministeriële verantwoordelijkheid voor een stelseltoets of wat dan ook, maar het garandeert wel dat je op die manier kwaliteit afdwingt. Nu ja, "dwingen" is een lelijk woord, maar op die manier daag je aanbieders wel uit om kwaliteit te leveren. Dat geeft de staatssecretaris als verantwoordelijk bewindspersoon een instrument in handen om te zeggen: wacht even, ik wil wel dat de kwaliteit geborgd wordt; laat in samenspraak met elkaar of in competitie met elkaar maar zien dat u het kunt.

Staatssecretaris Dekker:

Ik denk dat de heer Bisschop en ik het hier heel snel over eens zijn. De kwaliteit is heel belangrijk, daarom moeten we straks ook goed kijken naar de AMvB. We moeten goede kwaliteitscriteria opstellen. Ik vind dan ook dat we ook de mogelijkheid moeten hebben om tegen toetsaanbieders die deze kwaliteit niet bieden, te zeggen dat ze niet worden toegelaten. Dat is het grote verschil met de centrale eindtoets. Daarbij kunnen we ons dat niet veroorloven, want de wet schrijft voor dat de overheid de verantwoordelijkheid heeft om een centrale eindtoets van een bepaalde kwaliteit te leveren. Dat is precies de reden waarom we dat via deze wet regelen en straks via een AMvB komen te spreken over de inhoudelijke kwaliteitscriteria voor alternatieve aanbieders. Dan bekijken we ook hoe we zorgen voor een fair en gelijk financieel speelveld.

De voorzitter:

Dank u wel. Gaat u verder.

Staatssecretaris Dekker:

Ik heb hiermee dit onderdeel voor het overgrote deel behandeld. Een laatste punt is nog de scheiding tussen de Stichting Cito en de Cito B.V. De heer Bisschop vroeg daarnaar. Ik denk dat we ons daarover geen zorgen hoeven te maken. Ook nu zien we dat scholen soms gebruikmaken van de Cito-eindtoets maar een leerlingvolgsysteem van een andere aanbieder hebben, en andersom. Sommige scholen hebben een leerlingvolgsysteem van Cito maar maken gebruik van een andere eindtoets. Die twee staan ook niet noodzakelijk met elkaar in verband. Dat is het interessante van de centrale eindtoets. Dat is een methodeonafhankelijke toets. Als een school dus zou wisselen en voor een andere eindtoets zou kiezen, betekent dat niet dat die school zijn hele onderwijs op zijn kop moet zetten. Het is een methodeonafhankelijke toets en die vraagt dus geen enorm lange voorbereidingstijd. Hij toetst op dat moment waartoe de leerlingen in staat zijn.

De heer Beertema (PVV):

Ik begrijp dat de staatssecretaris is gekomen aan het eind van zijn betoog, maar volgens mij ligt er nog een vraag van mij over de extra kosten, bij benadering, van de openstelling voor andere toetsaanbieders. Het hoeft niet tot op de cent nauwkeurig, maar een schatting zou mooi zijn.

Staatssecretaris Dekker:

Ik kan die op dit moment nog niet geven. Ik heb destijds in het debat gezegd dat ik vind dat het bedrag dat ervoor is uitgetrokken, taakstellend is. Daar moeten we het voor doen. Het hangt ook een beetje af van de financieringsconstructie die we kiezen. We moeten uiteindelijk ook nog met Cito onderhandelen over de hoogte van het bedrag dat is gemoeid met de ontwikkeling van een centrale eindtoets als we deze wet invoeren. Deze wet bevat niet de bedragen die daarmee zijn gemoeid; hij biedt alleen het wettelijk kader daarvoor. In mijn ogen moet het mogelijk zijn om beide te doen. Ik denk dat het wat gecompliceerder is, en misschien ook wat kostbaarder, als je uitgaat van verschillende ontwikkelaars, maar ik zie niet dat dit onmiddellijk tot kostenoverschrijdingen zou leiden. We gaan dit echt goed bekijken en het is natuurlijk ook een beetje onderhandelen. Dat moeten we volgens mij niet via de Kamer doen, maar met de partijen om tafel, zodat het binnen het bedrag kan dat we er destijds voor uit hebben getrokken en dat ook in de memorie van toelichting staat van het wetsvoorstel centrale eindtoets. Ik denk dat ik hiermee het hete hangijzer van dit debat, het grote punt, heb behandeld en kan afronden.

De heer Rog (CDA):

Ik zou daar nog een vraag over willen stellen. De staatssecretaris heeft de CDA-fractie op een aantal punten gerustgesteld, maar op een aantal ook nog niet. Ik zoek de staatssecretaris in de tijd. We hebben het namelijk over commerciële partijen, niet over een staatsonderneming, die zo'n avontuur pas ingaan als ze weten aan welke precieze eisen zij moeten voldoen. Ik zou de staatssecretaris willen vragen of hij mij nog eens duidelijk kan maken wanneer alle eisen helder zijn in zijn timetable en wanneer de commerciële aanbieders aan de slag kunnen met het ontwikkelen van deze toetsen.

Staatssecretaris Dekker:

Als we het hele proces doorlopen en aanbieders definitief gaan wachten tot alles vaststaat – dat is dus ook nadat de AMvB in de Kamer is besproken en vastgesteld – dan zitten we denk ik rond de jaarwisseling. Voor die tijd komen er natuurlijk wel dingen beschikbaar. In juli verwachten we bijvoorbeeld de referentieniveaus. Ik vermoed, en ik denk dat iedereen daarvan uitgaat, dat dit een onderdeel gaat worden van de centrale eindtoets en dat we ook alle alternatieve eindtoetsaanbieders vragen daarmee aan de slag te gaan. Als die in juli beschikbaar komen, dan kunnen de toetsaanbieders, of het nu gaat om het Cito dat een wettelijke taak heeft of om alternatieve eindtoetsaanbieders, daar alvast mee aan de slag. Nadere invulling van de AMvB waarin een aantal kwaliteitscriteria zullen worden meegenomen inclusief de financiering, verwacht ik in september of oktober in concept. Daarmee is het nog niet in beton gegoten, want dan moet ik er nog met de Kamer over praten. Sterker nog, dan wil ik er de consultatie mee in, ook formeel. Bij het opstellen van de AMvB zullen we ook korte lijnen houden met andere toetsaanbieders. Het zal dus niet als een totale verrassing komen. Ik vind desalniettemin dat we de formele consultatie door moeten. Ook dan al bestaat er een indruk van welke kant het op gaat. We lopen natuurlijk altijd het risico dat het nog enigszins verandert als de Kamer er wat van vindt. We weten echter ook dat er soms op onderdelen wat wordt veranderd, maar dat het wel heel raar moet lopen als het helemaal op zijn kop gaat. Maar dat is natuurlijk niet uitgesloten en ik ga ook geen garanties geven, maar zo heeft de heer Rog in ieder geval een idee van hoe het traject eruit kan gaan zien.

Dan kom ik nu op een paar losse eindjes. De heer Van Meenen vroeg naar het HVO. Hij vroeg waarom het SLO een stelseltaak vervult en het HVO niet. Die twee organisaties doen heel andere dingen. Het SLO ontwikkelt leerlijnen en leerplannen en vult curricula in. Het HVO doet aan opleidingen voor docenten op basis van humanistische vorming, met name voor- en nascholing. Ook in de discussies die zijn gevoerd in zowel de Subsidiehoofdlijnenbrief als het rapport van de Onderwijsraad, worden die taken niet als een wettelijkstelseltaak gezien. Sterker nog, wij zijn bezig om alles wat te maken heeft met verkorte lerarenopleidingen en cursussen veel meer vraaggestuurd in te vullen. Om die reden zit HVO ook niet in het SLOA. Daar ligt de lat heel hoog en moet het gaan om harde stelseltaken. Bij HVO gaat het om activiteiten die wij in de toekomst meer vraaggestuurd doen. Het moet natuurlijk netjes worden afgebouwd. Daarover zijn wij met HVO in gesprek, maar opname in het SLOA lijkt mij niet aan de orde.

Mevrouw Straus heeft een vraag gesteld over het toezicht op de SLO en de Stichting Cito. Als dit een stelselverantwoordelijkheid is, moet het ook goed op orde zijn. De vraag is of wij dan voldoende hebben aan de jaarverslagen en de jaarrekeningen. Die bieden overigens wel heel goed inzicht, want door alle wettelijke taken die wij bij deze organisaties beleggen, wordt in die jaarverslagen en jaarrekeningen ook op wat meer detailniveau verslag gedaan. Dit is echter niet het enige. Wij zitten regelmatig met deze organisaties aan tafel. Wij horen ook van scholen terug wat zij vinden van de kwaliteit. Dat is ook een soort check. Als wij gealarmeerd worden, kunnen wij direct het gesprek aangaan. Bovendien bestaat eer ook altijd nog de mogelijkheid om in een subsidiebeschikking aanvullende eisen te stellen aan tussentijdse verslaglegging als daaraan behoefte zou bestaan. Ik denk dat wij hier goed bovenop zitten en dat wij voldoende mogelijkheden hebben om hierop toe te zien.

Dan resteert nog een financiële vraag. De heer Beertema stelde de vraag of het wat oplevert als die kenniscentra meer vraaggestuurd gaan werken. Het is goed dat hij uit financiële degelijkheid dat soort vragen stelt, zeker in een tijd waarin het ministerie van Onderwijs voor ingewikkelde keuzes staat en ook kritisch kijkt naar andere subsidies. Ik denk dat wij daar binnenkort over komen te spreken. Dat is hier ook gebeurd. Bij de taken van de kenniscentra die nu worden ondergebracht in het NRO, hoort wel degelijk een taakstelling, want er wordt ook een aantal andere taken ondergebracht. Dat alles wordt dus gebundeld en ik denk dat dit een groot voordeel is. Om precies te zijn, is die taakstelling 3,8 miljoen. Dat is op het totale bedrag best fors.

Voorzitter. Ik ben hiermee aan het einde van mijn betoog gekomen.

De voorzitter:

Hiermee is een einde gekomen aan de eerste termijn van de zijde van de regering. Ik vraag aan de leden of zij behoefte hebben aan een tweede termijn. Dat is het geval. Ik geef het woord aan de heer Bisschop van de SGP.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Ik wil nog even kort reageren. Ik heb in een interruptie al wat punten van zorg benoemd. Ik ben niet helemaal gerustgesteld. Ik geef eerst een toelichting op de wijze waarop de SGP in dit dossier opereert. Wij hebben ons gekeerd tegen de invoering van de centrale toetsing. Wij hebben daarover een stevige discussie gevoerd. Op een gegeven moment is er een stap gezet en dan is het je verantwoordelijkheid als SGP'er dat je blijft meedenken over de vraag hoe je dit goed kunt vormgeven. Zo moet men ook onze bijdrage interpreteren. Dat station is gepasseerd, hoe geven we dat dan op een verantwoorde manier vorm? We moeten bestuurlijk meedenken. De SGP kiest heel bewust en principieel voor een bestuurlijke insteek. Dat brengt ons ertoe om nadrukkelijk een lans te breken voor het opnemen van de alternatieve toetsaanbieders in de wet zelf. Daar dient ons amendement ook toe.

Natuurlijk is een bewindspersoon stelselverantwoordelijk. Het moet die bewindspersoon eigenlijk niet zoveel uitmaken of de taak waarvoor hij stelselverantwoordelijkheid draagt, door een, twee, drie of vijf instanties wordt uitgevoerd. Daar is ook een inspectie voor, die daar uitstekend toezicht op kan houden. De bewindspersoon is er verantwoordelijk voor dat die taak adequaat wordt uitgevoerd.

Dan de wijze waarop. Ik zou het een verschraling vinden in het Nederlandse duale bestel als er heel bewust op één leverancier zou worden ingezoomd, althans qua wettelijke verankering. Ik waardeer het dat de staatssecretaris zegt dat hij via een AMvB aan dat bezwaar tegemoet kan komen, maar dan hebben we het toch over een ander wetgevingsinstrument dan wanneer we het wettelijk verankeren.

Ik denk dat het amendement dat wij hebben ingediend, ook voldoende ruimte biedt aan de bewindspersonen om daar op een adequate manier mee om te gaan. Het dwingt niet tot het versnipperen van subsidiebijdragen, maar het geeft de staatssecretaris de mogelijkheid om toetsaanbieders die aan de kwaliteitseisen en de referentieniveaus voldoen, daarin te laten delen, als zij er zijn. Dat kan naar onze overtuiging vast en zeker alleen maar de kwaliteit bevorderen.

De staatssecretaris zegt dat hij niet zal schuiven met de invoeringsdatum. Ik snap de overwegingen, maar wij vrezen dat je in de uitvoering toch tegen zoveel dingen aanloopt dat je alsnog wordt genoodzaakt om het een jaar uit te stellen. Dan zeggen wij: laten we nu zelf de regie nemen en zorgen dat wij een tijdpad hebben waarin iedereen zijn plek kan krijgen. Dan vallen ook een paar momenten samen en dat is in 2016.

Ik heb dat amendement al even toegelicht en ik laat het daarbij, behalve dan het onderscheid tussen de Stichting Cito en Cito BV. Dat betreft de dienstverlenende en de meer commerciële tak. De SGP zou het niet betreuren als die scheiding wat strikter en nadrukkelijker zou zijn. Dat zou voor de zuiverheid van het speelveld ook de zaak kunnen dienen. Dat is meer een verzoek om daar nog eens naar te kijken en dat te bevorderen, want uiteindelijk moet de stichting daar zelf keuzes in maken.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Rog van het CDA voor zijn tweede termijn.

De heer Bisschop (SGP):

Ik ben bang dat ik nu ook een paar moties moet indienen. Of niet?

De voorzitter:

Dat mag, maar dat moet niet. Het moet zeker niet, maar als u die behoefte hebt, dan geef ik u daar alsnog de gelegenheid voor.

De heer Bisschop (SGP):

Ik heb daar zelf een dringende behoefte aan, maar ik heb de moties op mijn tafel laten liggen.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering voor enkele ogenblikken, zodat u ze even kunt gaan halen.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter, u bent geweldig!

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik geef opnieuw het woord aan de heer Bisschop.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Ik wil u van harte uitnodigen om samen eens een goed glas wijn te drinken op deze goede afloop. Ik heb een tweetal moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat aanbieders van bestaande eindtoetsen met het oog op de keuzevrijheid van scholen een eerlijke kans moeten krijgen bij de invoering van de verplichte eindtoets;

constaterende dat de centrale eindtoets pas in 2016 naar wens zal functioneren, door volledige aanpassing aan de referentieniveaus;

verzoekt de regering, de eisen bij de toelating van alternatieve eindtoetsen pas van kracht te laten zijn bij de afname van de eindtoets in 2016 en tot die tijd te volstaan met de procedure die op dit moment voor de erkenning van andere toetsen dan de Citotoets wordt gehanteerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bisschop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11 (33558).

De heer Bisschop (SGP):

De volgende motie heeft betrekking op het gebruik van de opgaven.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er momenteel aanbieders zijn die eindtoetsen ontwikkelen waarin geselecteerd wordt uit een bij het Cito ingekochte database van opgaven;

overwegende dat het gezien het wetsvoorstel om een eindtoets wettelijk te verplichten, in de rede ligt dat de opgaven die Stichting Cito als enige ontwikkelaar van de centrale eindtoets maakt zo veel mogelijk aan andere aanbieders ter beschikking worden gesteld, aangezien hierdoor ook eenduidigheid tussen toetsen vergroot wordt;

verzoekt de regering, te onderzoeken hoe kan worden voorzien in het gemeenschappelijk gebruik van opgaven van Stichting Cito door aanbieders en ernaar te streven dat de kosten van de inkoop van opgaven bij het Cito voor aanbieders die daarvan gebruik willen maken geen wezenlijke belemmering vormen die de ontwikkeling van een alternatieve eindtoets zou kunnen verhinderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bisschop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12 (33558).

De heer Bisschop (SGP):

Zeer bedankt, voorzitter.

De voorzitter:

Heel graag gedaan, meneer Bisschop. En ik ga graag een keer met u een glaasje bisschopswijn drinken.

De heer Rog (CDA):

Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris bedanken voor zijn constructieve houding in zijn beantwoording in eerste termijn. De staatssecretaris maakte duidelijk dat hij ook alternatieve aanbieders een faire mogelijkheid wil geven op de markt. Dat is precies wat het CDA eerder met het amendement heeft beoogd. De staatssecretaris heeft ook aangegeven dat hij de Kamer zou betrekken bij de AMvB en dat hij in overleg zou gaan met het veld van de commerciële aanbieders. Dat waarderen wij zeer. De staatssecretaris heeft comfort gegeven met betrekking tot de financiën voor scholen die kiezen voor een alternatieve eindtoets, dus niet van het Cito.

De staatssecretaris heeft gezegd dat hij op dit moment niet bereid is om met de datum te schuiven. Hij heeft ook aangegeven met de Kamer in gesprek te willen over die Algemene Maatregel van Bestuur. Als ik de staatssecretaris goed heb begrepen, spreken wij eerst in september of oktober hier in de Kamer over de contouren en de financiering, en zullen we later – als ik de staatssecretaris goed citeer – rond de jaarwisseling hier weer spreken over de nadere invulling en de eisen, en dus ook over de kansen voor die alternatieve eindtoetsaanbieders. Ik vraag de staatssecretaris of dat het moment is in de behandeling hier in dit huis waarop de Kamer een uitdrukkelijk "go/no go" kan betrekken bij de vraag of de ingangsdatum van de Cito-eindtoets nog steeds het beste moment is, omdat juist dan valt te voorzien dat ook alternatieve aanbieders reëel in staat zijn om hun producten als alternatief op de markt aan te bieden. Die vraag wilde ik de staatssecretaris nog stellen. Als ik hierop een toezegging krijg, verlaat ik vanavond blij dit pand.

De voorzitter:

Dat gunnen we u van harte.

Ik zie dat de leden Beertema, Straus en Ypma geen behoefte hebben aan een tweede termijn. De staatssecretaris heeft vijf minuten nodig om zich voor te bereiden op de beantwoording van de vragen. Ik schors de vergadering daarom voor vijf minuten.

De vergadering wordt van 21.05 uur tot 21.10 uur geschorst.

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. Ik waardeer het bestuurlijk meedenken van de heer Bisschop. Op een gegeven moment is er sprake van een democratisch besluit en gaan we een nieuwe fase in. Ik kan een deel van zijn redenering ook goed volgen. Hij redeneert natuurlijk erg vanuit de Grondwet; hij heeft in eerste termijn ook gerefereerd aan de gelijke bekostiging, ongeacht de denominatie en richting van het onderwijs. Ik ben overigens wel van mening dat dit niet voor alles opgaat, wel voor de bekostiging van scholen maar bijvoorbeeld niet voor de bekostiging van leerlijnen, toetsen en dat soort dingen.

De heer Bisschop heeft een vraag gesteld over de scheiding tussen de Stichting Cito en de bv. Ik ben het op dit punt wel met hem eens. In de wet hebben we nu geregeld dat er sprake moet zijn van een juridische en een financiële scheiding. Dat biedt wel waarborgen. In aanvulling daarop en in de aanloop naar dit wetsvoorstel hebben we bestuurlijke afspraken gemaakt met Cito dat die scheiding ook inhoudelijk zal zijn. Dat is dus in aanvulling op de wettelijke vereisten. Dat komt volgens mij ook tegemoet aan de zorg die de heer Bisschop op dit punt heeft.

De eerste motie van de heer Bisschop gaat over het moment van ingaan van de centrale eindtoets. Dat raakt ook een beetje aan de vraag die de heer Rog daarover stelde. Ik vind het nu onverstandig om de druk van de ketel te halen. Ik zie ook niet in waarom het onmogelijk zou zijn om in het voorjaar van 2015 te beginnen met een centrale eindtoets en de mogelijkheid voor een aantal alternatieve toetsaanbieders. Als we er in de Kamer onduidelijkheid over laten bestaan dat we vasthouden aan de ingangsdatum, lopen we natuurlijk ook het risico dat heel veel andere aanbieders gaan zeggen dat ze wat meer tijd nodig hebben. Ik begrijp wel dat meer tijd het leven makkelijker maakt, maar ik vind ook dat we helderheid moeten bieden richting scholen en dat we de druk op de ketel moeten houden. Er wordt straks gewerkt aan de ontwikkeling van een toets. Als Cito in staat is om dat binnen een bepaalde tijd te doen, waarom zouden andere toetsaanbieders dat dan niet zijn? Overigens, wat voor Cito geldt, namelijk dat pas in 2016 de toets volledig aangepast moet zijn aan de referentieniveaus, geldt wat mij betreft ook een-op-een voor alternatieve toetsaanbieders. Het zou natuurlijk raar zijn om de tijd die we Cito gunnen om daaraan te voldoen tot 2016, niet ook aan andere toetsaanbieders te gunnen. Dus daar kan ik een heel eind in meegaan. Ik vind echter niet dat we het nu boven de markt moeten laten hangen, in de zin dat we deze discussie over de ingangsdatum van de toets en over de AMvB aan het eind van het jaar weer gaan voeren. In feite is ieder moment een mogelijkheid om te heroverwegen. Dat is nu, dat is over een maand, dat is dan en dat is over een jaar. Dat doen we steeds, maar ik wil wel koers houden naar 2015. Anders krijg je wellicht dat anderen achterover gaan leunen en op hun handen gaan zitten. Met andere woorden: ik zou deze motie willen ontraden. Ik hoop dat ik in antwoord op de vraag van de heer Rog iets van mijn motivatie heb kunnen geven dat het belangrijk is om nu tempo te maken.

De heer Rog (CDA):

Het siert de staatssecretaris dat hij tempo wil houden, maar het een doen wil niet zeggen dat je het ander moet laten. Voor de CDA-fractie is het van belang dat de Kamer betrokken is bij dit traject. Voor de CDA-fractie is het van belang dat we, als alternatieve aanbieders er onverhoopt niet in slagen om hun producten op de markt te brengen en er dus wat ons betreft geen level playing field is, vroegtijdig kunnen ingrijpen. "Vroegtijdig" zou in dit geval zijn "rond de komende jaarwisseling". Dat lijkt ons een fair moment om die druk erop te houden, om andere aanbieders dus te motiveren om hun zaakjes op orde te hebben. Hebben enkele aanbieders dat wel, of eentje wel en de andere niet, dan zou je kunnen redeneren dat dit een argument is om door te gaan. Ik wil niet de druk van de ketel, maar ik wil wel een moment hebben om als Tweede Kamer inspraak te hebben en stop te kunnen zeggen wanneer dat door ons gewenst is. Het door het in ruime meerderheid aangenomen amendement-Rog/Schouten gewenste level playing field moet inderdaad werkelijkheid worden. Daarom vraag ik de staatssecretaris om de mogelijkheid open te houden om het daar rond de jaarwisseling met elkaar over te hebben.

Staatssecretaris Dekker:

Het staat de heer Rog natuurlijk altijd vrij om dat debat aan te snijden en het erover te hebben. Ik ben ook altijd bereid om met een open vizier de discussie aan te gaan. Ik waarschuw de heer Rog wel dat de indruk ontstaat, ook in contacten die er zijn – er wordt vanavond natuurlijk ook weer meegekeken – dat als heel veel alternatieve aanbieders maar roepen dat het echt niet mogelijk is, wij dan wel gaan schuiven met de datum. Ik ben daar vooralsnog echt niet toe bereid. Ik zie ook echt geen inhoudelijke reden waarom het allemaal niet zou kunnen. Dat is de balans die ik nu probeer te bewaren.

De heer Rog (CDA):

Ik heb in mijn tweede termijn beoogd, de Kamer de mogelijkheid te bieden om aan de noodrem te trekken wat betreft de implementatie van de staatseindtoets. Daarvan zal ik alleen gebruikmaken als de nood aan de man is. Die nood is aan de man als er geen alternatieven kunnen worden gemaakt. Daar moeten we kritisch naar kijken. De staatssecretaris heeft een heel traject in gang gezet. Hij is daar voortvarend in; dat waardeer ik. Ik vraag hem dan wel om ons de mogelijkheid te geven om aan de noodrem te trekken als het niet kan. Anders is die faire kans die hij zegt te willen geven een wassen neus, net zoals het level playing field. Dat wil ik voorkomen. Ik wil voorkomen dat we straks weggaan en niet kunnen uitsluiten dat we doorgaan met de Cito-eindtoets terwijl de alternatieven niet geborgd zijn.

Staatssecretaris Dekker:

We gaan dit debat nog een keer voeren. Het is weliswaar een bevoegdheid van mij om op een gegeven moment te bepalen wanneer de wet ingaat, of in ieder geval per wanneer de centrale eindtoets verplicht wordt, met mogelijkheden voor andere aanbieders, maar de heer Rog kan natuurlijk altijd een motie indienen. Als daarvoor dan een meerderheid is, zou ik natuurlijk ook wel gek zijn als ik daarmee geen rekening hield. Voor nu wil ik echter het volgende meegeven. Laten we de druk erop houden en tegen alternatieve aanbieders zeggen dat ze aan de slag moeten, omdat we echt van plan zijn om in 2015 hiermee te komen. Daar wordt natuurlijk ook onderling gepraat. Er wordt dan ook wel eens gezegd dat het allemaal heel erg moeilijk, zo niet onmogelijk wordt. Ik ben er op dit moment nog niet van overtuigd, maar als er gedebatteerd wordt, kan er natuurlijk altijd een moment aanbreken waarop je zegt: wij krabben ons nog even achter de oren. Volgens mij staan alle partijen hier open voor goede argumenten. Voor heel veel wetgeving geldt dat wij strak vasthouden aan ingangsdata, waarbij de Kamer altijd de vinger aan de pols wil houden of het allemaal soepel verloopt.

De heer Bisschop (SGP):

Nu die stap gezet is, denk ik dat niemand er bezwaar tegen heeft om enige druk op de ketel te houden. Onderwijsvernieuwingen en veranderingen in het onderwijs gingen in het verleden nog wel eens mank aan een te grote tijdsdruk. Dat is precies de vrees die collega Rog en ik hebben geprobeerd te verwoorden. Wil je een goede toets maken, dan heb je ontwikkeltijd nodig. Je hebt proeven nodig. Je hebt pilots nodig. Je doet dat niet zomaar eventjes in een jaar. Er is gewoon veel meer tijd voor nodig. Een ervaren toetsinstituut als Cito zou dit mogelijk kunnen opbrengen, maar alternatieve toetsaanbieders niet. Dat is de grote zorg. Er is volgens mij geen man overboord als wij een reëel tijdpad uitzetten en op 2016 koersen. Er zijn geen dwingende redenen om het per se in 2015 te willen doen. Natuurlijk heeft dit de voorkeur, maar als je uit zorgvuldigheidsoverwegingen zou concluderen dat het beter is om er iets meer tijd voor te nemen, houd je wel degelijk de druk op de ketel, maar bied je tegelijkertijd de ontwikkelaars de ruimte om een kwalitatief goed product te leveren. Laten wij ons niet vergissen: het hele proces moet eigenlijk nog beginnen met de vaststelling van de referentieniveaus. Pas dan kun je echt aan het werk. Dat is erg laat. Ik denk dat de onderwijservaring leert dat je hiervoor beter even de tijd kunt nemen en dan iets goeds neerzetten, dan overhaast iets invoeren. Kwaliteit gaat voor snelheid, zou ik willen zeggen.

Staatssecretaris Dekker:

Het klopt dat er nog veel werk moet worden verricht om te komen tot goede toetsen. Ik ben het eens met het punt van kwaliteit. Het is echt belangrijk. Als het gaat om de referentieniveaus en de incorporatie daarvan in uiteindelijke toetsen, geldt dat voor Cito net zo goed als voor al die alternatieve toetsaanbieders. Op dit punt komen wij tot de kern van de stelselverantwoordelijkheid. Ik heb de verantwoordelijkheid voor een goede centrale eindtoets, onder aansturing van het College voor Toetsen en Examens. Ik ben niet verantwoordelijkheid voor de snelheid of de professionaliteit van andere toetsaanbieders. Het is dan ook aan hen om te laten zien dat zij, net als Cito, in staat zijn om op tijd tot iets te komen. Ik vind dat wij de druk erop moeten houden. In theorie is het zo dat wij met een centrale eindtoets kunnen beginnen op een moment dat een aantal andere toetsontwikkelaars nog niet helemaal klaar zijn. Ik zou dat onwenselijk en jammer vinden. Als wij nu al gaan schuiven met data, weet ik een ding zeker: dan gaan die partijen die tijd ook nemen en volledig benutten. Ik sluit dan ook niet uit dat wij straks in 2014 of 2015 weer op een moment komen waarop zij zeggen: wij zijn nog niet klaar en wij hebben nog een jaar nodig. Dan gaat dezelfde redenering op en blijven wij schuiven. Dat vind ik geen goede zaak. Ik hecht zeer aan die centrale eindtoets. Die vervult een functie, en ik denk dat deze uiteindelijk een belangrijke bijdrage kan leveren aan de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs. Ik vind het veel te voorbarig om dan op voorhand te zeggen: wij schuiven het nog een jaartje naar achteren.

De heer Bisschop (SGP):

Enkele collega's refereerden aan de commissie-Dijsselbloem. Die heeft echt bestaan en is tot een aantal aanbevelingen gekomen. U moet het mij niet kwalijk nemen, maar het is alsof ik opnieuw bepaalde punten van kritiek hoor voorbijkomen uit dat rapport over de wijze waarop onderwijsvernieuwingen werden doorgevoerd. Het lijkt alsof uit dat rapport wordt geciteerd. Ik heb alle waardering voor de bevlogenheid van de staatssecretaris – dat moet hij van mij aannemen – maar altijd is geroepen: ik wil vaart maken en het moet wel gebeuren. Ja, maar wacht even: de toetsaanbieders willen niet op hun lauweren rusten of op hun handen gaan zitten, maar zij willen gewoon een goed product leveren. Daar heb je tijd voor nodig. Je kunt pas aan het einde van het jaar een proeftoets afnemen, een pilot uitvoeren. Dan heb je eigenlijk nog een jaar nodig om nog een keer een pilot uit te voeren. Zo simpel is het. Pas in het derde jaar kun je dus zeggen: oké, nu is de toets van zodanige kwaliteit dat we hem kunnen afnemen. Het gaat gewoon om de detaillering, de praktische uitwerking. Als wij de staatssecretaris niet de toezegging kunnen ontlokken dat hij serieus gaat bekijken of het 2016 moet worden, lijkt het mij heel verstandig om als next best de suggestie van collega Rog over te nemen om aan het einde van het jaar te bekijken of wij het halen. Als er twijfels zijn, kies dan voor zekerheid en kwaliteit en neem dan een beslissing. Ik zou me nu niet zo massief willen vastleggen. Ik begrijp de wens van de staatssecretaris om de druk erop te houden, maar die druk staat er toch wel op. Daar heeft de staatssecretaris het jaartal 2015 echt niet voor nodig.

Staatssecretaris Dekker:

Ik ben het helemaal eens met het belang van kwaliteit. Daarom is het ook zo belangrijk dat er een goede toets op kwaliteit plaatsvindt. Als er op een gegeven moment alarmbellen afgaan dat het allemaal niet kan – Cito kan bijvoorbeeld iets niet halen – dan moeten we opnieuw met goed verstand over dit onderwerp praten. Ik wil me er echter niet op vastleggen dat dit per se in november/december moet gebeuren, of drie maanden of een halfjaar later. In de aanloop naar wetgeving die op een goed moment ingaat, speelt heel vaak de discussie of het verantwoord is om met iets te beginnen. Ik zal dan ook bekijken of kwaliteit voorhanden is, maar ik wil niet op voorhand de teugels laten vieren. Alternatieve toetsaanbieders beginnen ook niet helemaal vanaf nul. Ook nu worden er al toetsen gemaakt en aangeboden. Zij hebben dus ook al enige ervaring. Ik ben er dus niet van overtuigd dat het niet haalbaar is.

De heer Van Meenen (D66):

Ik kom nog heel even terug op het humanistisch vormingsonderwijs. Ik moest nog iets opzoeken daarover. Ik citeer kerndoel 38 voor het primair onderwijs: "De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen …" De staatssecretaris zei dat hij meer vraaggestuurd wil werken, maar ik vraag hem of hij het met mij eens is dat dit niet vraaggestuurd werken is. Dit is gewoon een opdracht voor scholen om daar aandacht aan te besteden. Tot nu toe wordt dit verzorgd op kosten van de overheid. Deelt de staatssecretaris die mening en acht hij in dit geval het vraaggestuurd werken waar hij, mijns inziens terecht, op uit is, ook van toepassing?

De voorzitter:

Dit lijkt op een U-bochtconstructie. Volgens mij valt dit een beetje buiten de orde van het debat, maar met uw laatste vraag bent u min of meer in de richting van het onderwerp gekomen.

Staatssecretaris Dekker:

We hebben genoeg heen en weer gediscussieerd over invoeringsdata en momenten waarop wij daarover komen te spreken. We willen de druk niet van de ketel halen, altijd ons verstand erbij houden en geen gekke dingen doen. Volgens mij hebben wij een goede balans gevonden. Ik hoop dat ik de heren Rog en Bisschop daarmee enigszins kan geruststellen.

De heer Van Meenen heeft gesproken over het humanistisch vormend onderwijs. Hierbij zijn twee punten van belang. We hebben het vandaag over de Wet SLOA. Stichting HVO is eigenlijk ondergebracht onder APS. APS was de hoofdaannemer en HVO zat daaronder. Het ging om de taken die HVO had of heeft bij de voor- en nascholing van docenten. Die worden nu op een andere manier vormgegeven. Dezelfde Stichting HVO krijgt via een andere subsidiëring ook geld voor het onderwijs dat die stichting verzorgt. Daarover komen wij zeer binnenkort nog te spreken, maar dat gaat niet over wat wij vandaag via de Wet SLOA beogen te veranderen. Dat gaat echt om een andere taak van HVO. Wij zullen nog de discussie voeren over de enorme taakstelling. Daarbij moeten wij kritisch kijken naar subsidies. Die moeten meer in het primair proces worden ingezet. Ik vermoed dat wij hierover stevig zullen doordiscussiëren als wij samen met de minister over die brief zullen spreken. Volgens mij hoeven we daarover nu echter niet te spreken.

De voorzitter:

Het algemeen overleg daarover is ook al gepland, dus dit onderwerp kunnen wij nu laten rusten.

Staatssecretaris Dekker:

Ik moet nog reageren op de motie van de heer Bisschop op stuk nr. 12. Die motie gaat over de mogelijkheid voor andere toetsaanbieders om de opgaven van Stichting Cito te verwerven. Het gaat daarbij ook om de eenduidigheid van toetsen. Ik kan een redelijk eind in de strekking van die motie meegaan. Ik vraag de heer Bisschop echter om aan het dictum van de motie iets toe te voegen. Ik vraag hem om in het dictum de regering niet te verzoeken "te onderzoeken hoe kan worden voorzien", maar om de regering te verzoeken "te onderzoeken of, en hoe kan worden voorzien". Op die manier is de vraagstelling meer open. Verder is in het kader van de financiële vergoeding die hier tegenover zou moeten staan, in de motie sprake van "geen belemmering". Het kan best dat er iets van een kostprijs in rekening moet worden gebracht. Die kan vervolgens doorberekend worden in de prijs van de toets. Ik hoop dus dat de heer Bisschop hiermee niet bedoelt dat dit gratis moet kunnen worden verworven. Als hij dat kan toezeggen, als het wat hem betreft ook een open onderzoek kan zijn en als hij het woordje "of" kan toevoegen, dan kan ik het oordeel over deze motie overlaten aan de Kamer. Als dit niet wordt gewijzigd, moet ik de motie ontraden.

De heer Bisschop (SGP):

Ik kan mij heel goed een concept voorstellen waarbij er wordt toegewerkt naar een enorme databank waar de verschillende toetsaanbieders gegevens aan kunnen ontlenen zonder dat daaraan kosten verbonden hoeven te zijn. Toch wordt dat niet per se beoogd met deze motie. Er is inderdaad ruimte om daar nog eens goed naar te kijken.

De eerste suggestie die de staatssecretaris deed, vind ik eigenlijk een heel goede suggestie. Met "of, en hoe" wordt precies uitgedrukt wat ik met mij motie beoog, namelijk gewoon het zorgvuldig in kaart brengen van de mogelijkheden. Dat zou ons verder kunnen helpen.

Staatssecretaris Dekker:

Als de heer Bisschop zijn motie in die zin wijzigt en zij wordt aangenomen, dan zullen wij hierop vermoedelijk terug kunnen komen als wij hierover in het najaar verder spreken.

De voorzitter:

We zullen vanzelf merken of de heer Bisschop dit gaat doen.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij stemmen komende dinsdag over de wet, en over de ingediende amendementen en moties.

Sluiting 21.36 uur.