6 Biobrandstoffen

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 18 december 2012 over biobrandstoffen.

De voorzitter:

Ik geef als eerste het woord aan de heer De Graaf van de PVV. Er geldt een spreektijd van twee minuten en dat is inclusief het voorlezen van moties.

De heer De Graaf (PVV):

Voorzitter. Laten we dan maar snel van start gaan. Het hele AO over het biobrandstoffenbeleid was een uiting van groensocialisme zoals we nog niet eerder in dit huis hebben gezien. Het leek wel een slecht soort cabaret. Ik heb er heel mooie, voor sommige mensen heel lelijke, dingen over gezegd. Als dit duurzaamheidsbeleid van dit kabinet doorgaat, als we het duurzaamheidsbeleid dat leidt tot dit biobrandstoffenbeleid tot wetenschap verheffen, dan moeten we misschien wel achteraf ook de ontwikkelingen rond de Biostabiel, alsook Jomanda, Lou de Palingboer en nog een aantal anderen de Nobelprijs voor de Geneeskunde geven. Om een einde aan die onzin te maken, dien ik twee moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de productie van eerstegeneratiebiobrandstoffen ten koste gaat van landbouwgrond en leidt tot landjepik door grote bedrijven bij lokale boeren;

overwegende dat biobrandstoffen niet bijdragen aan verwoede pogingen om de thermostaat van de aarde een paar graden lager te zetten;

verzoekt de regering, acuut een einde te maken aan het verplicht bijmengen van biobrandstoffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid De Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 24 (32813).

De heer De Graaf (PVV):

Barry Madlener was de eerste van de PVV die, ook namens de Kamer, de eerstegeneratiebiobrandstoffen ter discussie heeft gesteld. Gelukkig heeft hij daarin nu veel partijen meegekregen. Ik ben hem, de Kamer en de regering zeer dankbaar dat daar goed naar wordt gekeken. Laten we meteen maar het volgende zetje geven. Dat doe ik graag in de komende 33 seconden.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de ontwikkeling en het gebruik van de eerstegeneratiebiobrandstoffen tot ellende en honger heeft geleid;

overwegende dat biobrandstoffen niet bijdragen aan verwoede pogingen om de thermostaat van de aarde een paar graden lager te zetten;

verzoekt de regering, een einde te maken aan de subsidiëring van (onderzoek naar gebruik en effecten van) tweede- en derdegeneratiebiobrandstoffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid De Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 25 (32813).

De heer Van Gerven (SP):

Voorzitter. Ik heb een drietal moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat biomassa een steeds belangrijkere bijdrage levert aan onze economie;

constaterende dat biomassa met name wordt ingezet als brandstof in elektriciteitscentrales en in de transportsector, wat niet altijd de meest milieubewuste en duurzame toepassing is;

overwegende dat voor een zo groot mogelijk milieuvoordeel de biomassa zo hoogwaardig mogelijk moet worden benut en toepassing van biomassa in de chemische industrie inmiddels aantoonbaar meer milieuvoordeel oplevert dan biomassa als brandstof;

van mening dat er daarom, analoog aan de Ladder van Lansink bij afval, voor biomassa het volgende afwegingskader moet komen: 1. voedsel voor mensen; 2. voedsel voor dieren; 3. meststof; 4. groene bouwstof; 5. brandstof;

verzoekt de regering, nog dit jaar dit toetsingskader uit te werken met minimumstandaarden op basis van milieuvoordeel in de hele levenscyclus voor de toepassing en verwerking van biomassa,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 26 (32813).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het SOMO-rapport duidelijk de lobby rond biobrandstoffen in kaart heeft gebracht;

van mening dat de lobby in de Tweede Kamer transparant en openbaar moet zijn om belangverstrengeling uit te sluiten;

verzoekt de regering, naar voorbeeld van het Europees Parlement een verplicht en openbaar lobbyregister op te stellen voor de Eerste en Tweede Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 27 (32813).

De heer Van Gerven (SP):

Voor de resterende twintig seconden heb ik de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er is voorgesteld ten minste 5% eerstegeneratiebiomassa toe te staan voor bijmenging in biobrandstoffen;

van mening dat er gestreefd moet worden naar het afbouwen van de eerstegeneratiebiomassa vanwege concurrentie met de voedselvoorziening;

verzoekt de regering, het percentage eerstegeneratiebiomassa te maximeren op 3 en met een voorstel te komen voor afbouw naar 0% bijmenging van eerstegeneratiebiomassa in 2020,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 28 (32813).

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland in Europa altijd heeft gepleit voor het meetellen van Indirect Land Use Change (ILUC) factoren in de CO2-prestatie van biobrandstoffen vanaf 2014;

constaterende dat in het BNC-fiche betreffende de richtlijn Hernieuwbare Energie en de richtlijn Brandstofkwaliteit geen implementatiedatum voor de invoering van ILUC-factoren staat;

verzoekt de regering, te zorgen dat Nederland zich in Europees verband expliciet blijft inzetten voor het meewegen van ILUC-factoren per 1 januari 2014 en dat Nederland daarbij nauwe samenwerking zoekt met eensgezinde lidstaten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Tongeren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 29 (32813).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat biobrandstoffen uit landbouwgewassen omstreden zijn vanwege de negatieve impact op landrechten, voedselzekerheid en milieu;

constaterende dat de Europese Commissie om die reden heeft besloten geen ODA-middelen aan biobrandstofproductie voor export toe te kennen en te komen met een voorstel voor herziening van de Renewable Energy Directive;

constaterende dat de Nederlandse overheid en organisaties die geld ontvangen van de overheid in de afgelopen jaren middelen hebben ingezet om investeringen in grootschalige productie van biobrandstoffen uit landbouwgewassen te faciliteren;

verzoekt de regering, financiering van grootschalige productie van biobrandstoffen uit landbouwgewassen door de overheid of organisaties die geld ontvangen van de overheid aan banden te leggen en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Tongeren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 30 (32813).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik heb drie nogal technische moties, met veel procenten, maar het kan niet anders, als we een duurzame wereld willen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het bijmengen van conventionele biobrandstoffen op gespannen voet staat met het recht op voedsel en ten koste kan gaan van biodiversiteit en het klimaat;

overwegende dat het verhogen van de bijmengplicht van biobrandstoffen naar 10% in 2020 zal leiden tot een nog grotere inzet van conventionele biobrandstoffen, zowel in Nederland als in andere Europese landen, omdat het aanbod van geavanceerde biobrandstoffen nog zeer laag is;

verzoekt de regering, het ophogen van de bijmengplicht van biobrandstoffen naar 10% in 2020 ongedaan te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 31 (32813).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in Nederland momenteel 2,6% aan conventionele biobrandstoffen wordt bijgemengd;

constaterende dat de Europese Commissie wil voorkomen dat er door het bijmengen van conventionele biobrandstoffen indirecte veranderingen in het landgebruik optreden, en dat zij daarom een Europees standstill heeft afgesproken tot 2020;

van mening dat het in dit licht niet de bedoeling kan zijn dat het gebruik van conventionele biobrandstoffen in Nederland nog groeit;

verzoekt de regering, verdere groei van conventionele biobrandstoffen uit te sluiten en het huidige percentage van 2,6 aan conventionele biobrandstoffen als wettelijk maximum te hanteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 32 (32813).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in Nederland momenteel 2,6% aan conventionele biobrandstoffen wordt bijgemengd en dat er in 2015 maximaal 5% aan conventionele biobrandstoffen mag worden bijgemengd;

overwegende dat doelstellingen met betrekking tot duurzame energie niet mogen leiden tot een hogere prijs voor voedsel en geen bijdrage mogen leveren aan ontbossing;

overwegende dat het toestaan van een groei van het gebruik van conventionele biobrandstoffen bovendien werkelijk duurzame investeringen op een achterstand zet;

verzoekt de regering, wettelijk te regelen dat het percentage aan conventionele biobrandstoffen in 2017 0 bedraagt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 33 (32813).

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb drie moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in Nederland momenteel 3% conventionele biobrandstoffen (eerste generatie) wordt bijgemengd;

constaterende dat binnen de huidige Europese normen voor heel Europa maximaal 5% bijmenging van conventionele biobrandstoffen tot 2020 mogelijk is;

overwegende dat het volgens de Europese Commissie lidstaten vrij staat om een lager plafond dan 5% te hanteren;

overwegende dat uitbreiding van de productiecapaciteit in Nederland onwenselijk is gezien het einddoel van 0% bijmenging van conventionele biobrandstoffen;

overwegende dat veel biobrandstoffen uit voedselgewassen niet bijdragen aan het bereiken van de klimaatdoelen en netto zelfs meer CO2 uitstoten dan fossiele diesel;

verzoekt de regering, in overleg te gaan met biobrandstofproducenten en milieuorganisaties over de mogelijkheid van het verlagen van het plafond voor het aandeel biobrandstoffen uit voedselgewassen tot het huidige niveau van 3% en de Kamer hierover binnen drie maanden te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dik-Faber. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 34 (32813).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat binnen de huidige Europese normen maximaal 5% bijmenging van conventionele biobrandstoffen tot 2020 mogelijk is waarbij de intentie is de verdere groei van deze eerstegeneratiebiobrandstoffen te stoppen;

overwegende dat de staatssecretaris de wens heeft uitgesproken uiteindelijk 0% te bereiken;

overwegende dat de staatssecretaris medio 2013 een routekaart klimaat zal opstellen;

verzoekt de regering, in de routekaart klimaat te komen met een stappenplan voor het zo spoedig mogelijk afbouwen van het bijmengpercentage voor conventionele biobrandstoffen en hiertoe in 2013 concrete voorstellen te doen in de Europese Milieuraad,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dik-Faber. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 35 (32813).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat versnelling van de ophoging van het bijmengpercentage van biobrandstoffen zal leiden tot grootschalige import van reststromen vanuit de EU naar Nederland waardoor de kans groot is dat andere lidstaten meer onduurzame biobrandstoffen uit voedselgewassen bijmengen;

verzoekt de regering, het bijmengpercentage van biobrandstoffen niet versneld op te hogen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dik-Faber. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 36 (32813).

De heer Jan Vos (PvdA):

Voorzitter. Biobrandstoffen leveren een belangrijke bijdrage aan de transitie naar duurzame energie. Deze innovatieve brandstoffen hebben belangrijke voordelen, zoals minder CO2-uitstoot, duurzame grondstoffen en een zekere geopolitieke onafhankelijkheid. Maar de winning van biobrandstoffen levert soms schadelijke effecten op voor mens en natuur. Mijn fractie steunt de staatssecretaris, die de EU-norm van 5% bijmenging in 2020 wil aanhouden wat betreft de eerste generatie of conventionele biobrandstoffen. Daarbij stellen wij echter wel een voorwaarde, namelijk dat er in de EU wordt afgesproken dat er in elk land maximaal 5% wordt bijgemengd of dat er onderling gedifferentieerd wordt waarbij het gemiddelde op 5% uitkomt. Ik krijg daarover graag een toezegging van de staatssecretaris.

Verder willen we aan die steun graag de voorwaarde verbinden dat het groeipad duurzaam is. Het is goed dat de staatssecretaris de potentie van biobrandstoffen gaat onderzoeken. We willen graag een lijst met daarop een selectie van de meest duurzame biobrandstoffen. We willen ook graag van de staatssecretaris weten of zij de versnelling juridisch aandurft.

Conform de motie-Leegte kan ophoging pas plaatsvinden als de criteria voor duurzaamheid duidelijk zijn. Hoe eerder we die duidelijkheid hebben, hoe beter dat is. Dan weet ook de sector zelf waar die aan toe is. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het percentage bijmenging biobrandstoffen pas kan worden opgehoogd als er duurzaamheidscriteria zijn waaraan wordt voldaan;

overwegende dat het voor de Kamer en het bedrijfsleven van belang is zo snel mogelijk duidelijkheid te verkrijgen over welke duurzaamheidscriteria er gehanteerd zullen worden voor geavanceerde biobrandstoffen;

overwegende dat het doel van het brandstoffenbeleid is om broeikasgassen te verminderen en het gebruik van voedingsgewassen onwenselijk is;

verzoekt de regering, zich in EU-verband in te spannen voor het zo snel mogelijk vaststellen van duurzaamheidscriteria op het gebied van ILUC en broeikasgasefficiency van geavanceerde biobrandstoffen en de Kamer over de voortgang hiervan regelmatig te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jan Vos. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 37 (32813).

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in 2011 van de jaarverplichting van 4,25% voor 2,6% werd ingevuld met conventionele biobrandstoffen en de rest met geavanceerde biobrandstoffen;

constaterende dat de Europese Commissie in haar nieuwe voorstel voor het behalen van de Europese doelstelling van 10% hernieuwbare energie in het vervoer in 2020 de bijdrage van conventionele biobrandstoffen limiteert tot 5%;

constaterende dat per saldo het Commissievoorstel neerkomt op een standstill op Europees niveau van de inzet van conventionele biobrandstoffen;

overwegende dat het telen van gewassen die enkel dienen als biobrandstof geen wenselijke bijdrage is en daarom op geen enkele wijze dient te worden gestimuleerd;

overwegende dat investeringen die door de sector reeds zijn gedaan, worden gerespecteerd;

verzoekt de regering, ook op nationaal niveau een standstill van de inzet van conventionele biobrandstoffen te realiseren door het aandeel conventionele biobrandstoffen vast te zetten op het huidige percentage en op Europees niveau in overleg te treden over de afbouw op termijn van dit percentage naar 0,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Agnes Mulder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 38 (32813).

De heer Remco Dijkstra (VVD):

Voorzitter. Gehoord de beraadslaging heeft de VVD besloten om in dezen geen moties in te dienen.

Bij biobrandstoffen gaan milieu en economie hand in hand. Enerzijds worden wij hierdoor minder afhankelijk van oliesjeiks uit het Midden-Oosten. Anderzijds kunnen we gaan werken zonder subsidies. De basisinfrastructuur die wij nodig hebben om biobrandstoffen te realiseren, is er klaar voor en op een relatief eenvoudige manier haal je de doelstellingen op het gebied van duurzame energie. We hebben 16% met elkaar afgesproken. Biobrandstoffen kunnen daar een groot deel van invullen. Vergelijk dat eens met het gedoe rondom windmolens, waarvoor grote subsidies nodig zijn. Vergeet ook niet de weerstand tegen windmolens. Welke weerstand is er eigenlijk onder de bevolking tegen biobrandstof? Met een slimme invulling, biobrandstoffen in normale diesel en normale benzine, rijden we zo meteen net zoals in Duitsland, Frankrijk of Amerika in onze auto's voor vrijwel dezelfde prijs per liter. Zeker als wij dat op een slimme manier doen, voorkomen wij voor een tweede generatie dat wij voedsel in onze tank hebben. Dan hebben wij een totaal van 10% met iets anders, terwijl we prima kunnen rijden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik nodig de VVD uit om aan de bevolking die wordt weggejaagd van haar land en wordt geconfronteerd met de gevolgen van onze vraag naar biobrandstoffen, eens te vragen of zij misschien een beetje weerstand heeft tegen ons beleid. Daardoor kunnen wij ons in Nederland lekker wentelen in het gebruik van brandstoffen, terwijl dat wel degelijk ten koste gaat van andere mensen. Alleen, die mensen wonen niet hier, maar er is echt wel weerstand. Die mensen hebben daar letterlijk met lijf en leden last van.

De heer Remco Dijkstra (VVD):

Ja. Wil mevrouw Ouwehand dat ik naar Afrika ga?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Zullen we voor Brazilië, Indonesië en Maleisië kiezen? Daar is de ellende groot genoeg.

De heer Remco Dijkstra (VVD):

Ik ben blij dat mevrouw Ouwehand Brazilië noemt. In Brazilië worden biobrandstoffen met bio-ethanol ingevuld. 85% van de auto's rijdt daar op bio-ethanol. Dat gaat op zichzelf prima, maar je moet het wel op een slimme manier doen. Dat ben ik met mevrouw Ouwehand eens. Je moet voorkomen dat kostbaar voedsel in de tank verdwijnt. We hebben niet voor niks de motie-Leegte/Samsom; die is er om dat op een slimme manier te doen. Het gaat om grote volumes en met die volumes leggen wij dan ook de basis voor een consistent milieu- en duurzaamheidsbeleid. Belangrijk voor de VVD is: geen gedraal, geen wisselingen, maar gewoon een zichtbaar, effectief en consistent beleid.

Daarnaast zijn er kansen voor meer innovatie door de samenwerking tussen het bedrijfsleven en kennisinstellingen. Dat willen wij allemaal. Voor de VVD is ook belangrijk dat gedane investeringen kunnen worden omgebouwd naar de nieuwste toepassingen en de nieuwste generaties. De bescherming van deze kapitaalintensieve installaties is ook belangrijk. Die hoort ook bij een betrouwbare overheid. De bijmenging is nu ongeveer 2,6%. Wij vinden het dan ook onverstandig om die te verlagen, want er moet wel enige flexibiliteit zijn. Je moet wel je investering kunnen terugverdienen. Gelet op de nieuwe aanstaande eisen en gelet op hetgeen de staatssecretaris op Europees niveau gaat doen, heeft de VVD er het volste vertrouwen in dat dit op een goede manier wordt uitgewerkt. Vandaar dat wij in dezen geen moties indienen.

De voorzitter:

Ik dank u voor uw inbreng. Het woord is tot slot aan mevrouw Van Veldhoven van D66.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik zie dat mijn tijd ingaat. Ik wil niet over mijn tijd heen gaan.

Voorzitter. De overheid moet zich een betrouwbare partner tonen. Dat zit hem in investeringszekerheid, maar ook in een heel helder signaal. Voor D66 is dat heldere signaal dat conventionele biobrandstoffen eruit gaan. Daarom stel ik één vraag en dien ik één motie in.

Mijn vraag aan de staatssecretaris luidt: deelt zij dit signaal en deelt zij het belang van het geven van dit heldere signaal aan de markt?

Ik dien de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering inzet op een hoger groeipad voor biobrandstoffen, waarbij gerekend wordt op 5% conventionele biobrandstoffen tussen 2015 en 2020;

overwegende dat uit nationale en internationale studies naar de eerstegeneratiebiobrandstoffen blijkt dat deze een hoge indirecte uitstoot van CO2 veroorzaken;

van mening dat voor een verduurzaming van de brandstofmix, de afbouw van deze biobrandstoffen noodzakelijk is;

verzoekt de regering, in te zetten op het afbouwen van het maximale percentage voor de bijmenging van conventionele (eerste generatie) biobrandstoffen vanaf 2017, en daar bij het Nederlandse beleid van uit te gaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Veldhoven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 39 (32813).

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik wijs de collega's erop dat ik eerder een motie heb aangehouden die beoogt de duurzaamheideisen voor vaste biomassa in overeenstemming te brengen met die voor vloeibare massa. Ik zal die motie in stemming brengen bij de stemming over de moties die vandaag worden ingediend.

De voorzitter:

Dank voor uw inbreng.

Hiermee is een einde gekomen aan de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Er zijn zestien moties ingediend. De staatssecretaris heeft gevraagd of zij zich even mag voorbereiden op de beantwoording daarvan.

De vergadering wordt van 15.39 uur tot 15.50 uur geschorst.

Staatssecretaris Mansveld:

Voorzitter. Wanneer ik een oordeel geef over de motie op stuk nr. 28 van de heer Van Gerven, zal ik de algemene lijn van mijn beleid uiteenzetten. Ik doe het zo, omdat er in een aantal moties, moties die op elkaar lijken, allerlei percentages worden genoemd.

Ik begin met de eerste motie en dat is de motie van de heer De Graaf op stuk nr. 24. Ik ontraad deze motie over de EU-verplichting om bij te dragen aan duurzaam energiebeleid. Ik ondersteun namelijk, zoals de heer De Graaf weet, dit duurzame energiebeleid. Datzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 25, de tweede motie van de heer De Graaf. Onderzoek naar tweede- en derdegeneratiebiobrandstoffen is nodig om de doelstellingen van het kabinet te kunnen halen.

Het oordeel over de motie op stuk nr. 26 van de heer Van Gerven laat ik aan de Kamer. Nog net voor het kerstreces in het algemeen overleg van 18 december heb ik namelijk toegezegd deze ladder mee te zullen meenemen in de duurzaamheidsagenda. In deze agenda zal ik mijn visie geven op het gebruik van biomassa. De heer Van Gerven weet verder dat deze agenda medio dit jaar naar de Kamer zal komen. De motie is dus ondersteuning van mijn beleid.

Over de motie van de heer Van Gerven op stuk nr. 27 moest ik even nadenken. Hij verzoekt de regering daarin om naar voorbeeld van het Europees Parlement een verplicht openbaar lobbyregister op te stellen voor de Eerste en Tweede Kamer. Het Europees Parlement gaat daar net zoals de Eerste en Tweede Kamer zelf over. Wat in de motie wordt verzocht, is dus niet aan de regering. Met het oog daarop ontraad ik de motie. De heer van Gerven zal zelf de Eerste en Tweede Kamer en het Europees Parlement hiervoor moeten mobiliseren.

De heer Van Gerven (SP):

Het is uiteraard aan de Kamer om een lobbyregister in het leven te roepen, maar misschien heeft het kabinet hierover ook zelf een opvatting. In ieder geval lijkt ontraden mij niet aan de orde.

De motie is opgesteld naar aanleiding van het SOMO-rapport. De staatssecretaris heeft toegezegd daarop te zullen reageren, maar in de wandelgangen bestaat desondanks onduidelijkheid over de vraag of die reactie er nu wel of niet komt.

De voorzitter:

Mijnheer Van Gerven, voordat ik de staatssecretaris het woord geef, wijs ik u er toch maar op dat de Kamer al een lobbyregister heeft. De Tweede Kamer heeft het dus al geregeld!

Staatssecretaris Mansveld:

Als ik toezeg dat ik zal reageren op het SOMO-rapport, dan doe ik dat natuurlijk ook.

Wat kan ik verder nog toevoegen aan wat de voorzitter zei over het lobbyregister? De Kamer gaat daar echt zelf over. In ons duale stelsel is het natuurlijk heel belangrijk dat wij vasthouden aan: als de Kamer erover gaat, dan gaat de Kamer er ook over. Ik wil me er hiermee echt niet van afmaken, maar het gaat nu eenmaal wel om een principieel punt.

De heer Van Gerven (SP):

Ik zal nagaan hoe het lobbyregister is geregeld en of ik dat voldoende vind.

Komt er nog een reactie van de staatssecretaris op het SOMO-rapport?

Staatssecretaris Mansveld:

Ik zei zojuist al: als ik in het algemeen overleg heb toegezegd dat ik met een reactie zal komen, dan komt die reactie er ook.

Voorzitter. In een aantal moties staan frases als "zo snel mogelijk naar 0%", "zo lang mogelijk 10%" en "wij hebben nu 2,6%, we willen dat het 3% wordt". Er zijn een heleboel percentages genoemd en daarom lijkt het mij goed om mijn algemene lijn uiteen te zetten. Ik doe dat om mij niet bij elke motie te hoeven herhalen. Ik heb overigens al eerder tegen de Kamer gezegd dat ik inzet op het gebruik van de meest duurzame biobrandstoffen voor een duurzaam energiebeleid. Daarom zal ik geavanceerde biobrandstoffen stimuleren. Als ik dat stimuleer, leidt dat tot innovatie en dat is de manier om een stap vooruit te zetten. Mevrouw Dik-Faber noemde 2015. Dat is te snel, maar ik zal in de EU nadrukkelijk pleiten voor beleid dat het mogelijk maakt om zo snel mogelijk af te komen van conventionele brandstoffen. De EU streeft naar 5% bijmenging van conventionele brandstoffen nog in 2025. Dit betreft de hele EU. De heer Vos vroeg of dit per land is of dat het een gemiddelde is. Het is een gemiddelde, maar er zijn landen die daar waarschijnlijk boven zitten. Nederland zit in de kopgroep en zal er zeer zeker onder zitten. Ik vind het belangrijk om in EU-verband ervoor te pleiten dat alle landen zo snel mogelijk op 5% zitten en uiteindelijk zo snel mogelijk naar 0% gaan, en de ambitie van Nederland daarbij verwoorden.

De heer Jan Vos (PvdA):

Als ik de staatssecretaris goed begrijp, zitten wij daar nu onder, maar groeien wij de komende jaren toe naar 5%. Als andere landen dan ook 5% hebben of zelfs al meer dan 5%, komt de EU in haar geheel boven de 5% uit. Of zie ik dat verkeerd?

Staatssecretaris Mansveld:

U ziet dat verkeerd. Ik zal mijn korte betoog vervolgen. De werkelijkheid op dit moment is 2,6%. De mogelijkheid op dit moment in EU-verband, waaraan Nederland zich conformeert, is 10%. Dat gaat terug naar 5%. Dit betekent dat de mogelijke groei die er in Nederland zou kunnen zijn, niet meer is van 2,6% naar 10%, maar van 2,6% naar 5%. Ik zal mij in EU-verband conformeren aan die 5%, want er zijn bedrijven die inmiddels hebben geïnvesteerd. Ik denk dat wij een consistent beleid ten opzichte van het innoverende bedrijfsleven moeten volgen. Ik verwacht niet dat wij de 5% conventionele bijmenging gaan halen, maar de mogelijkheid zou er wel zijn. Als ik dit nu op korte termijn zou zetten op 3% of 2,6%, terwijl het bedrijfsleven tot op heden denkt dat het 10% is en recentelijk heeft geïnvesteerd, kan een en ander niet worden uitgefaseerd. Ik denk dat het niet goed is dat de overheid dat beleid voert. Wij zetten dus in op 5%, evenals Europa, maar wij willen het groeipad daar naartoe versnellen. Dat heb ik de Kamer ook laten weten in de brief die deze week is verzonden. Dat beleid willen wij per 1 januari 2015 laten ingaan, om ervoor te zorgen dat wij in de geest van de motie-Leegte in 2017 reeds de 10% bijmenging behalen in de vorm van 5% conventioneel en 5% geavanceerd. Ik denk dat deze lijn van de overheid aan het bedrijfsleven aangeeft wat de ambities zijn en wat er in wetgeving wordt vastgelegd. Ik zal nadrukkelijk in EU-verband pleiten voor zo snel mogelijke afbouw.

De heer Jan Vos (PvdA):

Het is mij nog niet helemaal helder, misschien komt dat door mijn beperkte begripsvermogen. Bepaalde landen in de Europese Unie zitten nu al boven 5%. Nederland groeit toe naar 5% en andere landen doen dat ook. Dan komen wij gemiddeld in de EU uit boven 5%. Ik heb nu juist gevraagd of de EU in haar geheel onder die 5%-grens blijft. Kan de staatssecretaris garanderen dat dit ook inderdaad zal gebeuren?

Staatssecretaris Mansveld:

De intentie is dat die 5%-grens Europa-breed wordt gehaald.

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik concludeer dat een intentie iets anders is dan een garantie.

Staatssecretaris Mansveld:

Wij gaan in EU-verband vastleggen dat dit per 2020 het geval is. Ik ga ervan uit dat Nederland die 5% überhaupt niet gaat halen, gezien de koppositie die ons land nu al heeft met 2,6%.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik heb een punt van orde. Ik zou aan de staatssecretaris willen vragen of zij de vragen die ik eventueel zou willen stellen bij de bespreking van mijn motie, die een stukje verderop komt, nu graag wil horen, of dat zij de moties toch liever apart behandelt.

Staatssecretaris Mansveld:

Wat mij betreft kan de vraag nu worden gesteld.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Heb ik van de staatssecretaris zojuist goed begrepen dat zij zegt dat het gaat om het uitnutten van al gedane investeringen, maar dat er geen nieuwe investeringen bij komen wat betreft de conventionele biobrandstoffen? De vraag die op mijn motie betrekking heeft, is de volgende. Ik leg het moment van omschakeling in 2017. Dan staan wij op 5% conventioneel en 5% onconventioneel. Geavanceerd blijft in de tabel van de staatssecretaris vervolgens op 5% voor de jaren daarna. Dat zou eigenlijk zonde zijn, want dan remmen wij de innovatie. Is de staatssecretaris het met mij eens dat de innovatie moet blijven doorgroeien naar 2020 en dat een hoger quotum binnen die 10% daaraan zou kunnen bijdragen?

Staatssecretaris Mansveld:

Wat ik net al zei: dit sluit natuurlijk aan bij de ambitie die ik net aangaf. Dit is het pad dat wij nu uitzetten. Wij zullen ook tegenover Brussel aangeven dat het onze ambitie is om de afgesproken percentages sneller te halen. Ik zal er alles aan doen – al leg ik het niet als richtlijn vast – dat er innovatie plaatsvindt en dat er meer geavanceerde biobrandstoffen worden bijgemengd. Dat is wat ik alsmaar betoog tegenover de Kamer: we moeten van conventionele biobrandstoffen zo snel mogelijk over naar geavanceerde biobrandstoffen, maar dat gaat niet in één dag en ook niet in één jaar. Er zijn bedrijven die geïnvesteerd hebben en die nu geconfronteerd worden met deze nieuwe doelstellingen. Daar moet het bedrijfsleven zich op kunnen instellen. Wij zullen proberen het tempo te verhogen.

De heer Van Gerven (SP):

Ik wil over het percentage nog een vraag stellen. Een heleboel fracties hebben eigenlijk vrijwel eensluidende moties ingediend, allemaal in dezelfde richting. Er is brede overeenstemming over om maximaal 3% of 2,6% te nemen, de huidige stand, bij de conventionele biobrandstoffen. Waarom neemt de staatssecretaris die nadrukkelijke wens niet over? Dat stimuleert de innovatie immers alleen maar, toch?

Staatssecretaris Mansveld:

Daar zijn twee argumenten voor. Het eerste argument is dat het in Europees verband juridisch niet houdbaar is als wij het percentage hoger stellen. Dat we het tijdpad versnellen, is wel juridisch houdbaar en dat is ook waar ik naar streef. Dat is argument één. Het tweede argument is dat we niet consistent en consequent zijn tegenover het bedrijfsleven als we nu op 2,6% blijven. Dan kan de uitfasering van gedane investeringen niet plaatsvinden. Daarmee ontraad ik de motie op stuk nr. 28 van de heer Van Gerven.

De motie-Van Tongeren op stuk nr. 29 zie ik als ondersteuning van beleid. Nederland zet erop in, de ILUC-factoren in duurzaamheidscriteria op te nemen en zal daarvoor ook lobbyen in Brussel, zoals ook in de BNC-fiche staat.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 30 van mevrouw Van Tongeren. Ik heb net uitgelegd dat mijn lijn is dat we maximaal inzetten op geavanceerde biobrandstoffen. Ik ga er niet over om dat direct te koppelen aan de ODA-middelen. Dat is de portefeuille van mevrouw Ploumen. Mevrouw Ploumen en ik hebben natuurlijk over ODA en een aantal onderwerpen nauw contact en overleg, maar in dat kader ontraad ik deze motie.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik begrijp dat er geen inhoudelijk bezwaar is, maar een procedureel bezwaar en dat deze motie niet hier ingediend moet worden. Waar dan wel? Ik ben best bereid om de motie aan te houden en haar elders in te dienen, maar dan moet ik een hint hebben bij welk overleg dat dan moet gebeuren. Ik wil daar niet weer te horen krijgen: het gaat om biobrandstoffen en dat hoort bij staatssecretaris Mansveld.

Staatssecretaris Mansveld:

Ik denk dat u in dit geval een terechte vraag stelt. ODA-middelen vallen natuurlijk onder mevrouw Ploumen en biobrandstoffen onder mij. Ik kan hier niets zeggen over de financiering van grootschalige productie vanuit ODA-middelen. Dat is niet mijn bevoegdheid. Ik kan u wel vragen of u de motie aanhoudt en ik kan proberen om met mevrouw Ploumen een antwoord te formuleren. Mijn lijn blijft maximale inzet van geavanceerde biobrandstoffen.

De voorzitter:

U spreekt wel namens de regering en dus ook namens uw collega. Als u dat nu niet kunt doen, is het goed dat u een brief stuurt. Kan dat voor de stemmingen over de moties gebeuren? Hebben we die brief dinsdag aanstaande om twaalf uur?

Staatssecretaris Mansveld:

Ik doe mijn uiterste best.

De voorzitter:

Dat was een ja? Fijn. Dan kan mevrouw Van Tongeren altijd nog besluiten of zij de motie wel of niet aanhoudt.

Staatssecretaris Mansveld:

Dan ben ik bij de motie op stuk nr. 31 van mevrouw Ouwehand. Ik heb in het algemeen gezegd hoe ik tegenover de percentages sta en wat de lijn is die wij voorstaan. Ik ontraad de motie op stuk nr. 31. In dat kader ontraad ik ook de motie op stuk nr. 32. Over de motie van mevrouw Ouwehand heb ik al gezegd dat ik 2017 te snel vind. Er is ambitie, maar daar moet wel een realistisch tijdpad aan vastzitten. Ik ontraad deze motie dan ook.

Dan kom ik op de motie op stuk nr. 33 van mevrouw Dik-Faber. Ik heb de Kamer toegezegd dat ik haar voor het meireces zal informeren over de potentie van geavanceerde biobrandstoffen. Vervolgens zullen we aan de slag gaan met de sector en de ngo's om de maximale potentie in Nederland te behalen. Als de Kamer die stappen ook op die manier van mij verwacht en het daarmee eens is, dan lees ik deze motie als ondersteuning van beleid.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik neem aan dat de staatssecretaris nu spreekt over de motie op stuk nr. 34. Op die manier mag zij de motie lezen. Wij vragen haar nadrukkelijk om in overleg te treden met de biobrandstofproducenten en de milieuorganisaties over de mogelijkheid om het plafond te verlagen voor het aandeel biobrandstoffen. Als zij ons daarover wil informeren, zijn wij dik tevreden.

De voorzitter:

Volgens mij heeft de staatssecretaris dat zojuist toegezegd.

Staatssecretaris Mansveld:

In haar motie op stuk nr. 35 vraagt mevrouw Dik-Faber de regering om een stappenplan. In het schema dat is opgenomen in de brief die ik de Kamer deze week heb gezonden, is een stappenplan opgenomen. Wat betreft concrete voorstellen in de Europese Milieuraad, heb ik al toegezegd dat onze ambitie niet alleen het tijdpad, dat wij zullen versnellen, betreft, maar ook het percentage waaraan wij ons conformeren. Wij denken dat daar ambitie in mag blijven. Wij zullen dat gesprek steeds opnieuw aangaan. In dat kader ontraad ik de motie. Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 36.

De motie van de heer Vos op stuk nr. 37 ondersteun ik. In het BMC-fiche heb ik aangegeven dat ik mij in Brussel zal inzetten voor de opname van gewasspecifieke ILUC-factoren. Dit is een uitbreiding van de bestaande duurzaamheidscriteria die gelden voor zowel conventionele als geavanceerde brandstoffen. Ik beschouw deze motie als ondersteuning van mijn beleid.

De motie op stuk nr. 38 sluit aan op mijn algemene betoog. Ik ontraad haar, net als de motie op stuk nr. 39.

De heer Vos heeft gevraagd om een lijst van en een plan van aanpak voor geavanceerde biobrandstoffen. Ik streef naar de inzet van de meest duurzame biobrandstoffen, zoals ik al meermalen heb gezegd. Om die ambitie te realiseren, zal er meer productiecapaciteit voor deze biobrandstoffen moeten komen, bij voorkeur in Nederland. Om duidelijk te maken welke biobrandstoffen dat zijn, werken wij op dit moment aan een lijst van afvalproducten, residuen en coproducten waarmee het technisch mogelijk is om biobrandstof te produceren die niet concurreert met voedselproductie. Zodra ik deze lijst gereed heb, zal ik die toesturen aan de Kamer. Aansluitend wil ik met de sector aan de slag – ik heb dat al gezegd in reactie op de motie van mevrouw Dik-Faber – om te komen tot een plan van aanpak om de productiecapaciteit voor de meest duurzame biobrandstoffen daadwerkelijk te gaan realiseren. Het moet duidelijk worden welke stappen wij moeten zetten en welke eventuele belemmeringen wij weg moeten nemen om die innovatiekracht, die zo belangrijk is, en investeringsbereidheid te versterken zodat er meer productiecapaciteit kan komen voor geavanceerde biobrandstoffen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

De staatssecretaris zei in een eerder debatje dat zij van plan is om de innovatie te blijven stimuleren. Daarmee ga je uiteindelijk naar een vermindering van de eerste generatie. Ik zie de staatssecretaris nu knikken. Daar ben ik heel blij mee, want dat staat precies in mijn motie. Waar zit dan voor de staatssecretaris het pijnpunt in het verzoek in mijn motie?

Staatssecretaris Mansveld:

Wij conformeren ons tot 2020 wel aan wat Europees is afgesproken. Ik hoop dat wij, in overleg met alle andere lidstaten, nieuwe spannende en uitdagende ambities voor na 2020 neer kunnen zetten. Ik ga hier bij het Nederlandse beleid dus wel van uit, maar ik zal niet de huidige percentages wijzigen.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de ingediende moties wordt op dinsdag 22 februari 2012 gestemd.

Naar boven