Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 89, item 6

6 Europees Minstbedeeldenprogramma

Aan de orde is de behandeling van:

De beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Sterk (CDA):

Voorzitter. Als je naar buiten kijkt, waar de zon zijn best doet om de dag te verwarmen, zou je het misschien niet denken, maar op dit moment is er een economische crisis gaande in Nederland. Die crisis is ook merkbaar bij de voedselbanken. De voedselbanken komen op dit moment echt producten tekort, met name gezonde producten.

In Europa is er het PEAD, het programma voor de minstbedeelden. Dat programma kost ons niets, want het wordt gefinancierd uit de algemene middelen. 20 van de 27 landen in de EU maken aanspraak op die gelden, voor het kopen van voedsel voor de voedselbanken. Landen als Luxemburg, Frankrijk en België, voor ons toch niet de vreemdste landen, maken gebruik van wat daar is te halen.

Het kabinet voert eigenlijk twee argumenten aan om dit niet te willen. Wij hebben hierover eerder al een aantal keren een debat gevoerd. Een van die argumenten is dat we hiervoor te laat zouden zijn: de datum is gesloten, het is 1 februari geweest, dus we kunnen eigenlijk helemaal geen aanspraak meer maken op dat geld. De reden waarom wij nu dit VSO houden, is dat is gebleken dat twee andere landen, Tsjechië en Slowakije, zich wel na 1 februari hebben gemeld en een aanvraag hebben ingediend, en nu ook geld gaan krijgen uit dat budget. In eerdere overleggen heb ik minister Donner al aangehaald, de illustere voorganger van deze bewindspersoon, die altijd zei: "Jede Konsequenz führt zum Teufel". Als katholiek zou ik misschien zeggen dat je niet roomser moet zijn dan de paus. Volgens mij begrijpt het kabinet dit prima, want het heeft zelf ingestemd met een overgangsregeling. Die overgangsregeling houdt in dat het, op de manier waarop het op dit moment is georganiseerd, uiteindelijk in 2014 stopt. Wij staan daar ook achter, maar op dit moment is er dus een overgangsregel waarmee ook het kabinet heeft ingestemd. Het lijkt dan zo simpel om te zeggen dat we er ook gebruik van moeten maken. Het kabinet zegt dat het akkoord gaat met de overgangsregeling, daar is geld te halen, dus laten we ervoor zorgen dat dit geld er ook uit wordt gehaald.

De voorzitter:

Mevrouw Sterk, mag ik u erop wijzen dat uw tijd nu om is? Ik stel u voor om uw vraag nu te stellen.

Mevrouw Sterk (CDA):

Mijn laatste zin voorzitter, dan dien ik mijn motie in.

Het andere argument van het kabinet is dat het geld terug wil hebben uit Europa, en wel 1 mld. Wij moeten constateren dat dit tot op de dag van vandaag nog niet is gebeurd, maar wellicht zou dit wel kunnen lukken voor 15 mln., als wij gewoon alle handen aan de ploeg slaan en vóór 31 mei alsnog die aanvraag indienen. Dat geld kan dan uiteindelijk op een zinvolle manier worden besteed.

Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de regering zou inspelen op de overgangsregeling voor minstbedeelden als bij het voorstel een voorwaarde zou gesteld worden dat het minstbedeeldenprogramma in zijn huidige vorm na 2013 gaat vervallen;

overwegende dat de overgangsregeling voor minstbedeelden communautair gefinancierd wordt en Nederland hieraan bijdraagt;

overwegende dat er in het verleden lidstaten zijn geweest die de deadline zoals genoemd in Uitvoeringsverordening 807/2010 (artikel 1, lid 1) van 1 februari misten, maar wel voor 31 mei alle gegevens hebben verstrekt en uiteindelijk ook communautaire financiering hebben ontvangen;

overwegende dat Nederland met een geslaagd beroep op de regeling naar schatting 15 mln. zou krijgen om in te zetten voor voedzame producten voor voedselbanken;

verzoekt de regering om in te spelen op de overgangsregeling voor minstbedeelden door alsnog deel te nemen en in overleg met betrokkenen de benodigde gegevens aan te leveren op 31 mei bij de Europese Commissie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Sterk, Hamer en Karabulut. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 237 (24515).

De heer Azmani (VVD):

De termijnen zijn inmiddels verstreken en dan vraag ik mij toch af waarom de CDA-fractie juist nu gebruik wil maken van deze regeling. Het voedselprogramma loopt al sinds 1987 en de Kamer heeft nog op 30 november 2010 een subsidiariteitstoets laten uitvoeren in het kader van de gelekaartprocedure. Bovendien heeft de CDA-fractie samen met de GroenLinks-fracties moties ingediend waarin alleen wordt gevraagd om een regeling tot stand te laten komen. En nu de termijn verstreken is, dient mevrouw Sterk een motie in! Waarom toch?

Mevrouw Sterk (CDA):

De heer Azmani vergeet een motie te noemen en wel de motie-Van Hijum. Hij vroeg de regering in december in zijn motie om gebruik te gaan maken van de overgangsregeling. Dat is tot op heden niet gedaan door het kabinet met het argument dat de datum van 1 februari is verstreken. Uit informatie van het Europees Parlement is ons echter gebleken dat twee landen na 1 februari een aanvraag hebben ingediend, namelijk Tsjechië en Slowakije. Dat betekent dus dat het mogelijk is om na 1 februari alsnog gebruik te maken van de overgangsregeling. Mijn fractie was geen tegenstander van deze overgangsregeling en het kabinet was zelfs een voorstander. Met het oog daarop lijkt het mij niet meer dan logisch, zeker nu de nood zo hoog is bij heel veel mensen, om niet roomser dan de paus te zijn en om ons geld daar te gaan halen en het hier als een tijdelijke maatregel aan de voedselbanken te geven.

De heer Azmani (VVD):

Mevrouw Sterk verwijst naar een motie van de heer Van Hijum. Ik kan mij het debatje daarover nog goed herinneren. Ik heb toen namelijk via de staatssecretaris de heer Van Hijum moeten interrumperen, omdat ik niet in de gelegenheid werd gesteld om de heer Van Hijum rechtstreeks te interrumperen. In dat debatje werd het echter niet duidelijk of de CDA-fractie wel of niet gebruik wilde maken van de regeling. Er werd toen gesproken in termen als "inspelen op", maar of de CDA-fractie ook daadwerkelijk gebruik wilde maken van deze regeling, werd in het midden gelaten.

Ik begrijp nog steeds echt niet waarom een regeling die in 1987 tot stand is gekomen, wordt aangegrepen om aan het einde van de overgangsregeling te zeggen dat Nederland er toch gebruik van wil gaan maken. Bovendien hebben wij altijd gezegd "sociaal beleid is nationaal beleid" en hoort sociaal beleid zeker ook niet thuis bij de begroting van Landbouw.

Mevrouw Sterk (CDA):

Voorzitter, ik ga mijzelf nu herhalen. De economische crisis hakt er, of wij dat nu leuk vinden of niet, behoorlijk in bij de voedselbanken. Dan moet je niet roomser zijn dan de paus, zeker als je geld terug kunt krijgen dat je aan Brussel hebt gegeven. De VVD is overigens ook een partij die vindt dat er te veel geld naar Europa gaat en dat er een miljard terug moet komen. Dat is tot op heden niet gelukt en dit zou een manier kunnen zijn om wel iets van ons geld terug te halen en een goede bestemming te geven. Het is een overgangsregeling en dat betekent dat het een tijdelijke regeling is. Dit kabinet heeft ook ingestemd met de overgangsregeling en dan moeten wij echt niet roomser willen zijn dan de paus en ervoor zorgen dat dit geld via een tijdelijke regeling bij het kabinet terugkomt. Volgens mij zit daar geen woord Spaans bij.

Mevrouw Karabulut (SP):

Mevrouw Sterk weet ook dat ik de afgelopen maanden tal van voorstellen heb gedaan om het nationaal op te lossen als het via Brussel niet lukt. Ik ben blij dat mevrouw Sterk nu ook erkent dat voedselnood een echt probleem is. Als het haar onverhoopt niet lukt, zal zij dan in Nederland met de voedselbanken naar alternatieven gaan zoeken?

Mevrouw Sterk (CDA):

Het is wel een probleem dat mevrouw Karabulut en ik vaak van mening verschillen over de vraag waar het geld vandaan zou moeten komen. Er ligt inmiddels een Kunduzakkoord waarin een heleboel geld is gevonden voor andere zaken. Als mevrouw Karabulut komt met een redelijke suggestie om het geld ergens anders vandaan te halen, dan zal ik daar zeker naar kijken, maar in het verleden is gebleken dat dit vaak redelijk ingewikkeld is. Wij hebben nu wel een mogelijkheid en daar koers ik vandaag op aan. Ik hoop dat het kabinet inderdaad zijn hand uitsteekt en zegt: wij gaan er inderdaad voor zorgen dat het geld weer onze kant uit komt.

Mevrouw Karabulut (SP):

Het is jammer dat mevrouw Sterk en het CDA altijd mijn alternatieven hebben afgewezen, maar wie weet ligt dat in de toekomst anders. Het geldt ook voor mijn alternatief voor het geld, namelijk om dat eerlijker te verdelen, zodat wij echt iets aan armoedebestrijding doen. Mijn vraag op dit moment aan mevrouw Sterk gaat niet over het geld; het gaat om het principe. Ook mevrouw Sterk erkent dat het schandelijk is dat er in een rijk land als Nederland wachtlijsten zijn voor voedselbanken. De regering zou dan toch op zijn minst het gesprek moeten aangaan om te zoeken naar een mogelijkheid om dit op te lossen? Dat kost in elk geval geen geld.

Mevrouw Sterk (CDA):

Dat waag ik te betwijfelen. Maar goed, het gesprek kun je natuurlijk altijd aangaan, dus dat zou ik ook adviseren. Wij doen dat zelf ook met de voedselbanken. Maar wij hebben ook tegen de voedselbanken gezegd dat het wat ons betreft een tijdelijke maatregel is. De crisis is heel hard aangekomen. Heel veel mensen hebben die niet zien aankomen. Voedselbanken zijn van oudsher een maatschappelijk initiatief. Dat is goed en dat moet het wat mij betreft zo blijven. Wij hebben ook tegen de voedselbanken gezegd: bereid je erop voor dat jullie het weer zelf met elkaar zullen moeten opbrengen, als deze tijdelijke maatregel is opgeheven. Zo eerlijk zijn wij ook geweest tegenover de voedselbanken. Je zou het niet zeggen als je naar buiten kijkt, maar op dit moment is het een hard gelag in Nederland. Juist omdat dit hard is en je dat op dit moment ook ziet bij de voedselbanken, willen wij aanspraak maken op het geld dat nu eigenlijk op de plank blijft liggen in Europa, terwijl wij het hier goed kunnen gebruiken.

De voorzitter:

Is het nodig, mevrouw Karabulut, dat u nog verder interrumpeert? U hebt straks ook nog een mogelijkheid.

Mevrouw Karabulut (SP):

Tot slot, voorzitter. Ik wil dat ook, zeg ik tegen mevrouw Sterk, maar als het niet lukt, zou het een beetje raar zijn om te zeggen: dan zoekt u het maar uit.

De heer Azmani (VVD):

Voorzitter. Ik houd het kort. Ik stel wel een vraag aan de staatssecretaris. Allereerst stel ik echter vast dat een voedselhulpprogramma binnen Europa het terrein is van de nationale lidstaten. Europa speelt daar absoluut geen rol. Als er een meerderheid voor de motie is, begrijp ik niet welk signaal men aan Europa wil geven door hiermee door te gaan. Wij gaan voor een kleiner Europa, en dat betekent dat wij ons moeten richten op datgene waarop de verdragen zijn gericht. Voedselhulpprogramma's vallen daar niet onder, zeker niet als die op de begroting van Landbouw staan.

Ik constateer dat in elk geval één partij in de Kamer kennelijk aan het schuiven is. Ik vind het erg jammer om dat te moeten constateren. Volgens mij zijn de termijnen verstreken en kan er geen toepassing aan een en ander worden gegeven. Het had eerder gekund, maar nu wordt, wellicht op het laatste moment voor de Kamer, alsnog even een motie ingediend. De vraag aan de staatssecretaris luidt als volgt: Ik vraag mij af, kijkend naar de overgangsregeling, of die niet juist bedoeld is voor de lidstaten die er vanuit het verleden ook daadwerkelijk aanspraak hebben gemaakt. Is de overgangsregeling niet juist bedoeld om een zachte landing mogelijk te maken voor de liefdadigheidsorganisaties die er sinds jaar en dag gebruik van hebben gemaakt? Is het dan niet zo dat, nu Nederland er sinds 1987 geen gebruik van heeft gemaakt, de kans nihil is dat Nederland er alsnog gebruik van zou kunnen maken, als uitvloeisel van de motie die door mevrouw Sterk is ingediend?

Mevrouw Karabulut (SP):

Heeft de heer Azmani een alternatief? Ik denk dat ook – of zelfs – de heer Azmani erkent dat er een probleem is. De wachtlijsten bij de voedselbanken groeien. Er zijn mensen die soms honger lijden. Heeft de heer Azmani dan een alternatief en is hij het in ieder geval met mij eens dat de regering het gesprek zou moeten aangaan met de voedselbanken, om te bezien hoe wij dit probleem kunnen oplossen zonder dat dit direct geld kost?

De heer Azmani (VVD):

Volgens mij voeren wij vandaag het debat met de staatssecretaris van EL&I. Volgens mij staat vandaag het onderwerp de Europese minstbedeeldenregeling op de agenda, en de vraag of Nederland daar nu wel of geen gebruik van moet maken. Dat is een andere vraag dan die naar de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en die naar de manier waarop we moeten omgaan met de voedselbanken hier in Nederland.

Mevrouw Karabulut (SP):

Volgens mij is de heer Azmani niet de staatssecretaris van Landbouw en ook niet de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Mijn vraag was gericht aan de afgevaardigde van de VVD, maar ik begrijp dat de heer Azmani duikt.

De heer Azmani (VVD):

Dat heeft absoluut niets te maken met duiken. We hebben eerder debatten gevoerd over de vraag hoe om te gaan met voedselbanken in Nederland en over de tekorten en de discussie daarover. Ik moet constateren dat we hier vandaag een VSO houden over de minstbedeeldenregeling in Europa. Volgens mij heeft de SP daar ook altijd een heel helder standpunt over gehad: het is in principe ook aan de nationale lidstaten. Het bevreemdt mij dan ook om de handtekening van mevrouw Karabulut te zien staan onder de motie van mevrouw Sterk.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Voorzitter. Ik geloof dat het mooie weer er weinig mee te maken heeft, maar wij hebben hier in de Kamer de afgelopen tijd zeer regelmatig gesproken over het feit dat de armoede aan het toenemen is, dat veel mensen schulden hebben en dat, hoewel we het liever allemaal niet zouden hebben, voedselbanken ongelofelijk hard nodig zijn op dit moment en de hulp daaraan dus ook. Vandaar dat mijn fractie alle mogelijkheden zal aangrijpen om ze te ondersteunen. Daarom staat mijn naam ook onder de motie van mevrouw Sterk. Het is inderdaad een beetje werk op het laatste moment, maar we moeten alle kansen pakken. Aan de andere kant zien wij natuurlijk ook dat dit het laatste moment is en dat de wens mogelijk niet gehonoreerd zal worden. Daarom zal ik eveneens een motie ondersteunen van mevrouw Karabulut, zodat er, in het geval dat het niet meer lukt, al het mogelijke wordt gedaan om alternatieven te vinden. Dit is buitengewoon belangrijk en de armoedeproblematiek vraagt om een snelle en daadkrachtige aanpak.

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter. Helaas spreken we nu al voor de derde of vierde keer in een paar maanden tijd over het probleem van de armoede in Nederland en over het nog altijd onopgeloste probleem van de voedselbanken. Het aantal mensen dat een beroep doet op de voedselbanken groeit en vanwege de crisis zijn er wachtlijsten ontstaan. Er is een tekort aan voedsel in Nederland voor alle kinderen en voor alle inwoners van Nederland. Dat is beschamend en ik denk dat wij daar zeker oplossingen voor kunnen vinden, die te maken moeten hebben met anders verdelen en eerlijk delen. Er ligt inderdaad ook een mogelijkheid bij de Europese Commissie. Ik ben daar geen voorstander van, maar in deze crisistijden grijp ik alle mogelijkheden. Ik heb ook om alternatieven gevraagd. Ik ben erg benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris op de motie die wij samen met mevrouw Sterk hebben ingediend. Ik vraag de staatssecretaris en het kabinet echter ook om nu eindelijk het gesprek aan te gaan met de voedselbanken om te zoeken naar alternatieven. Dat doet de regering ook met andere banken en met bedrijven. Dat zijn eveneens particuliere initiatieven, dus dat lijkt mij geen argument om het niet te doen.

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering onvoldoende heeft ingespeeld op de overgangsregeling van de Europese Commissie voor de minstbedeelden;

constaterende dat de regering de ondersteuning van de voedselbanken geen zaak van de Europese Unie vindt en van mening is dat lidstaten zelf dienen te bepalen hoe in het levensonderhoud van behoeftigen wordt voorzien;

overwegende dat vanwege de crisis wachtlijsten bij de voedselbanken groeien;

verzoekt de regering, in overleg te treden met de voedselbanken om te zoeken naar alternatieven teneinde de wachtlijsten voor voedselhulp op te lossen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Karabulut en Hamer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 238 (24515).

Staatssecretaris Bleker:

Voorzitter. Het lijkt erop dat zowel het kabinet als een deel van de Kamer op dit terrein uiterst consequent en volhardend is en dat zij tot nu toe ook steeds een identieke uitkomst hebben bereikt in hun onderlinge beraad.

Er is destijds een motie ingediend om de overgangsregeling bij beëindiging van de minstbedeeldenregeling op Europees niveau mogelijk te maken. Nederland heeft ook de blokkerende minderheid die in de Raad van landbouwministers aanwezig was mede opgeheven. Die overgangsregeling is er gekomen. Daarover hebben wij de Kamer op 22 december een brief geschreven. Daarin hebben wij aangegeven dat lidstaten deelname aan het programma voor 1 februari, voorafgaand aan het jaar van deelname, dienden te melden.

In die brief heb ik ook, samen met collega De Krom, aangegeven dat de Nederlandse regering niet voornemens is zich te melden voor het jaar 2013. Dat is de tekst die wij op 22 december aan de Kamer hebben doen toekomen. Daarop is van de zijde van uw Kamer niet gereageerd; niet op 18 januari, de eerste gelegenheid daarvoor in een algemeen overleg over de Landbouwraad die in december had plaatsgevonden. Daar is het onderwerp niet aan de orde gesteld, hoewel de termijn van 1 februari aanstaande was.

Op 3 februari zijn door mevrouw Karabulut vragen gesteld. Ook toen is door staatssecretaris De Krom verwezen naar diezelfde brief van 22 december. Op 10 april is er vervolgens een VAO armoede en schuldenbeleid geweest met collega De Krom. Daar is een motie ingediend waarin de regering werd verzocht, in overleg te treden met de voedselbanken om de hoogste voedselnood in Nederland tegen te gaan. Daar is ook verwezen naar het standpunt, zoals in de brief van 22 december vermeld. Die motie heeft geen meerderheid in de Kamer gehaald.

Dat is de situatie van dit moment. Dus zowel een deel van de Kamer als het kabinet is heel duidelijk en consequent geweest waar het gaat om de vraag of Nederland, nadat het heeft meegewerkt aan de op Europees niveau tot stand te brengen afbouwregeling, daarvan als lidstaat ook gebruik moet maken. Vanaf 22 december tot nu hebben wij daarvan gezegd: nee, dat is de Nederlandse regering niet van plan. Daarop hebben wij ook niet op het geëigende moment van u enig weerwerk gekregen.

Dan is het vervolgens de vraag of dat nu nog zou kunnen. Ons is ook bekend dat er, naar ik meen in het jaar 2010, in ieder geval één geval een lidstaat is geweest die na de datum van 1 februari een aanvrage heeft ingediend. Daarover, maar ook over de afwikkeling, de toekenning enzovoorts, vindt nog overleg plaats tussen de Europese Commissie en de desbetreffende lidstaat. Ik ben niet gerechtigd om er verdere informatie over te geven hoe dat gaat lopen.

Was het voor Nederland mogelijk geweest om bijvoorbeeld enkele dagen na 1 februari een gerechtvaardigde aanvrage te doen? Dat was mogelijk geweest. Wij hebben wel geïnformeerd, ook bij de Europese Commissie en ook deze week nog, of het ook nog een kans van slagen had gehad wanneer wij nu, vlak voor 31 mei, nog een aanvraag zouden indienen. Het antwoord daarop – de heer Azmani duidde daar al op – is dat de kans daarop nul is, als wij dit al zouden hebben gewild.

Dat is de situatie zoals wij die de afgelopen maanden hebben gezien. De Nederlandse regering wenste het niet. Zij heeft aan deze overgangsregeling meegewerkt om lidstaten waarvan sommige al 20 jaar lang gebruik maken van deze regeling het gebruik daarvan toe te staan. Wij vinden het niet gerechtvaardigd, noch inhoudelijk, noch gelet op de afgelopen 20 jaar – wij hebben nimmer een aanvraag ingediend – om nu, in het laatste jaar van de overgangsregeling die niet primair voor nieuwe landen bedoeld is, daarin deel te nemen, of bestaande landen daarvan alsnog gebruik te laten maken. Dat is het beeld.

Dat geeft ook mijn oordeel over de motie weer, ingediend door mevrouw Sterk. Die motie zal ik om deze reden ontraden. De motie gaat over hernieuwd overleg met de voedselbanken. In feite is deze motie al eerder in de Kamer aan de orde geweest, zij het in iets andere bewoordingen, en is toen door de regering ontraden. Dat doe ik nu opnieuw.

De voorzitter:

De staatssecretaris ontraadt beide moties. Mevrouw Sterk wil hem daarover een vraag stellen.

Mevrouw Sterk (CDA):

In zijn beargumentering vergeet de staatssecretaris één belangrijke motie. Hij doet net of de Kamer nooit zou hebben gezegd dat Nederland aan het programma zou moeten deelnemen. Hij vergeet de motie-Van Hijum (24515, nr. 224). Die is in de Kamer aangenomen. Daarin staat dat wij gewoon moeten deelnemen aan het programma. Die motie heeft de staatssecretaris overgeslagen. Mijn fractie vindt dat de situatie in Nederland nog steeds zodanig is dat het raar zou zijn als wij geen aanvraag zouden indienen terwijl wij wel ja zeggen tegen deze overgangsregeling. Daarom heb ik deze motie ingediend. Ik zal haar dadelijk zeker in stemming laten brengen.

Staatssecretaris Bleker:

Inderdaad is de motie-Van Hijum op stuk nr. 224 op 13 december door de Kamer aangenomen. Het kabinet is daarmee aan de slag gegaan. Wij hebben in de Landbouwraad inderdaad onze medewerking verleend aan de overgangsregeling. Wij hebben op 22 december gezegd dat Nederland als lidstaat niet van de overgangsregeling gebruik wil maken. Sindsdien is het op dat punt stil gebleven, ook van de zijde van de Kamer. Dat is consequent, want de Kamer heeft gevraagd om mee te werken aan de totstandkoming van een overgangsregeling. Dat moest ook gebeuren op grond van overwegingen van solidariteit met bijvoorbeeld zuidelijke lidstaten, waar al sinds jaar en dag uitgebreid van deze regeling gebruik wordt gemaakt.

Mevrouw Sterk (CDA):

Ik moet toch even het dictum van deze motie op stuk nr. 224 voorlezen. Het dictum luidt: verzoekt de regering, indien de Europese Commissie met een aangepast voorstel komt, in te spelen op deze overgangsregeling, De Europese Commissie is inderdaad met een aangepast voorstel gekomen. Staatssecretaris, hier is geen woord Spaans bij. Inspelen op de overgangsregeling betekent gewoon dat je inderdaad gebruik gaat maken van die overgangsregeling. Daarover heeft de Kamer een uitspraak gedaan.

Staatssecretaris Bleker:

Er was toen sprake van een blokkerende minderheid tegen een overgangsregeling. Dat hebben wij in het debat ook gezegd. Op dat punt hebben wij ons standpunt aangepast. Op pagina 8 van de brief van 22 december hebben wij een terugkoppeling gegeven over wat wij met de motie hebben gedaan in de Landbouwraad. Daar hebben wij helder en duidelijk geschreven dat de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Economie, Landbouw en Innovatie niet van plan zijn om bij de Europese Commissie een aanvraag te doen voor deelname aan deze overgangsregeling. Punt.

Mevrouw Sterk (CDA):

Ik constateer in elk geval dat de staatssecretaris nu toch wel toegeeft dat er in die motie stond dat de Kamer gewoon een aanvraag wilde laten indienen. Wij hebben inderdaad kunnen lezen dat het kabinet geen uitvoering heeft gegeven aan die wens van de Kamer. Er ligt hierover echt een duidelijke Kameruitspraak.

Staatssecretaris Bleker:

Wij hebben de motie echt op zo'n manier opgevat, dat de blokkerende minderheid moest worden opgeheven. Die blokkerende minderheid om überhaupt tot een overgangsregeling te komen, was aanwezig en wij hebben die opgeheven. Dat hebben wij overigens samen met enkele andere landen gedaan. Daarna heeft de Kamer op 22 december een brief gekregen. Daarin stond ook geen woord Frans, of Spaans.

Mevrouw Karabulut (SP):

De staatssecretaris heeft inderdaad altijd gezegd dat de voedselhulp aan de minstbedeelden een nationale aangelegenheid is. Dat is de oplossing waar ook ik voor koos en nog steeds voor kies. Waarom ontraadt de staatssecretaris dan het overnemen van ons voorstel om in gesprek te gaan met de voedselbanken om te zoeken naar alternatieven? Ik begrijp dat niet.

Staatssecretaris Bleker:

Volgens mij is staatssecretaris De Krom daarop destijds uitgebreid ingegaan, ook naar aanleiding van de motie die mevrouw Karabulut eerder heeft ingediend. Het argument daarbij is, dat de voedselbanken een particulier initiatief zijn. Volgens het kabinet is dit geen verantwoordelijkheid van de nationale overheid.

Mevrouw Karabulut (SP):

Kom op, zeg. Ik ben dit zo zat! Ik ben dit ongelooflijk beu! De regering spreekt met banken. De staatssecretaris spreekt met boerenbedrijven. Premier Rutte heeft kaartjes van de grootste multinationals in zijn zak zitten. Maar de staatssecretaris wil niet in gesprek gaan met de voedselbanken, omdat het daarbij gaat om een particulier initiatief? Dit is volstrekt lariekoek. Laat de staatssecretaris dan gewoon eerlijk zeggen: het kan ons niet schelen en ze zoeken het maar uit. Laat hem dan gewoon eerlijk zijn!

Staatssecretaris Bleker:

De mensen die gebruik moeten maken van voedselbanken kunnen ons heel veel schelen. Zij zijn ook een zorg voor de nationale overheid. Het initiatief met betrekking tot de voedselbanken is echter een particulier initiatief. Vaak zijn ze ook lokaal regionaal georganiseerd. Daar moet het vooral gebeuren. Wij zien wat dat betreft geen verantwoordelijkheid voor de regering om daarin te treden. Dat is het argument dat de heer De Krom eerder al heeft gemeld, ook naar aanleiding van de eerdere motie.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik kan niet anders dan concluderen dat dit kabinet, deze staatssecretaris en de staatssecretaris van Sociale Zaken geld blijven rondpompen via Europa en dat ze wel in staat zijn om 40 mld. bij elkaar te schrapen voor de bank, maar dat ze het fatsoen niet hebben om één gesprek aan te gaan met de voedselbanken in Nederland, terwijl de wachtlijsten groeien en er in een rijk land als Nederland steeds meer mensen zijn die niet elke dag te eten hebben. Beschamend, beschamend!

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik heb nog een vraag aan de staatssecretaris. Hij geeft over de laatste motie aan dat die niet zou kunnen, omdat het om een particulier initiatief zou gaan. Dat is in die zin een beetje wonderlijk, want het kabinet voor dit kabinet – toen stonden minister Donner en staatssecretaris Klijnsma aan het roer – heeft wel degelijk met de voedselbanken gesproken. Zij zagen daar geen bezwaar in. Ik wil dus weten waarom dit kabinet dat wel een probleem vindt.

Staatssecretaris Bleker:

Dit kabinet vindt het geen zaak van de nationale overheid om deze problematiek aan te kaarten met de voedselbanken, want het gaat hierbij primair om een particulier initiatief dat regionaal en lokaal is georganiseerd. Dat is de overweging.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Dat is geen antwoord op mijn vragen. We weten inmiddels dat de voedselbanken ook landelijk zijn georganiseerd en contactpersonen hebben. Ik heb gevraagd waarom het vorige kabinet dit wel kon doen en dit kabinet niet.

Staatssecretaris Bleker:

Dit kabinet heeft als leidmotief: hou je bezig met de zaken waar je echt over gaat en laat anderen zich bezighouden met de zaken waarvoor zij primair verantwoordelijk zijn. Dat zijn bijvoorbeeld de gemeenten.

Mevrouw Hamer (PvdA):

De staatssecretaris verwijst steeds naar het feit dat sprake is van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de armoede- en schuldenproblematiek. Ik heb recentelijk nog met hem gedebatteerd tijdens het vragenuur. Dat kan de reden dus niet zijn. Wat is de reden van de trendbreuk? Waarom kan er nu niet worden gesproken met de voedselbanken en destijds wel?

Staatssecretaris Bleker:

Er is bij dit kabinet geen sprake van een trendbreuk. De heer De Krom heeft namens het kabinet op meerdere momenten dezelfde stellingname betrokken die ik zojuist heb verwoord.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoord. We gaan binnen enkele momenten stemmen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Voorzitter: Verbeet