Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2003 (28600 XIII);

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Fonds economische structuurversterking voor het jaar 2003 (28600 D).

De voorzitter:

Ik deel de Kamer mede dat de heer Jense mij heeft meegedeeld in verband met bijzondere omstandigheden niet bij de eerste termijn aanwezig te kunnen zijn. Ik heb hem toegezegd, bij uitzondering desgewenst in tweede termijn het woord te mogen voeren. Ik constateer dat dit uw instemming heeft.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Voorzitter. Ik vertel niets nieuws als ik stel dat het heel slecht gaat met de economie in Nederland. Wij volgen alle capriolen van het kabinet bij het Najaarsoverleg. Vandaag wil ik echter vooral praten over het beleid van het ministerie van Economische Zaken.

De minister en de staatssecretaris van Economische Zaken zouden als het ware beleid moeten voeren tegen de volgende achtergrond: alle seinen staan op rood en wij zullen laten zien waarvoor het departement van Economische Zaken dient. Mij valt het echter allemaal niet zo op. Er wordt vooral geroepen. Dat was vooral het geval in de periode dat er een andere minister van Economische Zaken was. In de stukken staat dat het gaat om daadkracht en duidelijkheid.

Toen ik het document van de begroting had gelezen, met alle plannen en bezuinigingen, zag ik vooral "management by speech" en dan nog het liefst in het Engels. Ik heb een lijstje laten maken van deze "newspeak" die het beleid interessant moet maken: Ik noem: "trusted third partiesbeleid","prototype carbon fundbeleid", "footloseinvesteringen" en "broad economic guidelines". Dat laatste is overigens gewoon een beleidsnota over innovatiebeleid. Dat nu vind ik niet zo indrukwekkend. In Brussel, in de Europese Unie, doen wij reuze ons best om de eigen taal te spreken en de taal te handhaven. Dat valt niet mee bij de uitbreiding van de Europese Unie. Wat doen wij in Nederland? Wij spreken in een taal waarbij de buitenwereld moet denk dat het dynamisch is en dat het goed gaat op het departement.

In twintig jaar tijd is het niet zo slecht gegaan en ook niet zo lang slecht gegaan in Nederland. Het kabinet is voor ten minste 0,5% minder economische groei verantwoordelijk door het gevoerde beleid. Het kabinet voert dan ook een cyclisch beleid, terwijl de vorige minister van Economische Zaken heeft gepleit voor een wat meer anticyclisch beleid. Ik vond dat een heel verstandige opmerking van die minister. Het kabinet kiest hier niet voor, zodat het hier slechter gaat dan in de omringende landen. Het gaat hier ook slechter dan feitelijk noodzakelijk. Per maand komen er zevenduizend werklozen bij. Het aantal startende bedrijven neemt drastisch af.

De verwachting is: een dynamisch departement, scherpe prioriteiten, vertrouwen wekken in binnen- en buitenland. Het gaat daarbij vooral om het buitenland, waar men immers niets snapt van de soap die al een tijdje gaande is in Nederland. Het betekent ook iets voor investeringen in Nederland. Het departement is als het ware de bron van nieuw vertrouwen. Dat is echter niet het geval. Dat spijt mij zeer.

Wat kan het departement doen? Ik nodig de minister uit om daarop te reageren. Het departement kent 65 subsidieregelingen, met een hoop ambtelijke drukte. Iedere regeling heeft immers een eigen toko. Een bedrijf dat een subsidie wil aanvragen, moet dan ook een subsidioloog in dienst nemen om het goed te doen. De minister bezuinigt vooral met de kaasschaaf. Er wordt overigens fors bezuinigd: zo'n 250 mln.

De minister heeft samen met de staatssecretaris de exportregeling vereenvoudigd. Dat vind ik verstandig, omdat de regeling nu in ieder geval begrepen kan worden. Ik nodig de minister toch uit om heel kritisch te kijken naar het aantal bestaande subsidies en om scherpere prioriteiten te stellen dan tot nu toe. Ik zou ook eens kijken naar alle loketten en kenniscentra, want daar zijn er heel veel van. Hij zou dat wat mij betreft kunnen bundelen. Ik nodig hem uit om daarover een beschouwing te houden. Indien nodig zal ik daarover in tweede termijn een motie indienen.

Het midden- en kleinbedrijf is voor de economie van dit land uiterst belangrijk. Er vallen een paar dingen op in de bedrijvenmonitor. Deze zijn gisteren ook aan de orde geweest op de bijeenkomst van het MKB hier in Den Haag. De klachten van kleine en startende bedrijven hebben vaak te maken met onveiligheid. Dat wordt door kleine bedrijven als een zeer belangrijk vraagstuk gezien. Vandalisme, beroving en geweld zijn helaas aan de orde van de dag. Bedrijven moeten daar zelf ook het een en ander aan doen, maar zij hebben hulp nodig. Gisteren zijn nieuwe cijfers gepresenteerd die aantonen dat 285.000 middelgrote en kleine bedrijven in de afgelopen vijf jaar slachtoffer zijn geweest van criminaliteit. Daar is veel onderzoek naar gedaan en daaruit blijkt dat de bedrijven lang niet altijd zelf in staat zijn om de nodige maatregelen te nemen. Zij moeten het natuurlijk vooral zelf doen, maar deels moeten zij daarbij geholpen worden. Het zou erg voor de hand liggen om naast meer blauw op straat – een belangrijk thema voor het hele beleid hier in Nederland, dat ook breed wordt gesteund – ook eens na te denken over stimuleringsmaatregelen. Bedrijven zouden daardoor bijvoorbeeld camera's kunnen installeren of gezamenlijk kunnen werken aan veiligheidsorganisaties of aan regelingen voor de eigen buurt, de eigen markt of winkelstraat. Je zou kunnen denken aan fiscale stimulering, maar het kan ook op andere manieren. Er zijn gemeenten die via een OZB-regeling iets willen doen, maar zij worden op de vingers getikt omdat dat niet mag. Ik nodig de minister en de staatssecretaris uit om daar een regeling voor uit te werken. Dat hoeven zij niet meteen te doen, maar het zou goed zijn wanneer zij dat toezeggen.

Het zou ook goed zijn om eens te kijken of er niet een aantal ongerijmdheden in onze regelingen zitten. Het is voor startende bedrijven vaak een enorme barrière om iemand in dienst te nemen, terwijl het voor de werkgelegenheid in Nederland uiterst belangrijk is dat mensen in dienst worden genomen. Als motor van de werkgelegenheid is het MKB zeer belangrijk en een aantal van de bestaande remmingen – dat komt ook goed naar voren in die monitor – kan wellicht geslecht worden. Ik nodig de bewindslieden uit om daar eens uitvoerig naar te kijken en een debat voor ons te organiseren.

Ik spring een beetje van de hak op de tak, maar dat komt omdat ik maar 17 minuten heb voor de eerste en tweede termijn. Ik ben het niet gewend om maar 17 minuten te hebben.

De voorzitter:

Nu nog negen.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Dank u. Bevordering van toerisme en recreatie is voor Nederland uiterst belangrijk. Dat hebben wij altijd gezegd en ik vind het daarom buitengewoon kortzichtig dat wij daar nu op gaan bezuinigen. Ik heb mij laten vertellen dat 1 mln aan voorlichting een omzet van 38 mln genereert. Dat is de wonderbaarlijke vermenigvuldiging van de omzet. Nu wil de minister daarop bezuinigen. Dat vind ik buitengewoon onlogisch en ik heb daarom ook een amendement ingediend dat beoogt om weer een loket te slechten. Ik haal het geld namelijk weg bij de buitenlandparagraaf, buitenlandse economische betrekkingen. Dat is op zichzelf wel belangrijk, maar ik las in de stukken dat de minister in Stuttgart iets wil optuigen. Ik ben van mening dat gewoon gebruik moet worden gemaakt van consulaat en ambassade, anders zijn er weer allerlei computers, secretarissen en secretaresses nodig. Dat is veel te duur. Wij hebben er reeds een structuur en ik weet uit eigen ervaring dat dit best kan functioneren.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Ik heb alle begrip voor het feit dat u beperkte spreektijd hebt, dus ik kan u misschien helpen om toch een nadere uiteenzetting te geven.

De voorzitter:

Zo gaan wij dat niet doen vanavond. U mag wel een vraag stellen.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Ik heb een vraag die mevrouw Netelenbos in de gelegenheid stelt uit te leggen wat zij precies bedoelt. Waarom is de toeristische en recreatieve sector dusdanig bijzonder dat het ministerie van Economische Zaken zich daar vooral mee bezig moet houden, meer dan met andere sectoren?

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Alle sectoren zijn uiteraard belangrijk, maar deze houdt zich bezig met het promoten van Nederland in de wereld. Er is heel veel concurrentie van omringende landen die al die toeristen ook graag willen hebben. Dan moet je oppassen dat je je positie niet verliest. Nederland verliest heel gemakkelijk zijn posities. Ik maak mij bijvoorbeeld grote zorgen over de havens, want gezien de cijfers doen wij het verhoudingsgewijs helemaal niet goed. Dat komt vaak door de houding "het ging toch altijd goed en waarom zou dat niet zo blijven". Dat geldt ook voor het toerisme. Zeker gezien de cijfers, 1 miljoen versus 38 miljoen, vind ik dat kortzichtig. Daarom moet je geen kantoortje neerzetten, maar zorgen dat het middenveld dat zelf doet. Het moet dit kabinet juist reuze aanspreken om zoiets door de organisatie zelf te laten doen.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Ik begrijp de redenering, maar dat betekent dat de overheid zich voor iedere sector waar wat druk op de ketel komt te staan, een verantwoordelijkheid moet weten om de druk van de ketel af te helpen nemen. Dat geldt dan voor de scheepsbouw, de haven, de vliegtuigindustrie enzovoort.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

De vliegtuigindustrie helpen wij behoorlijk door te investeren in gevechtsvliegtuigen. Ik kan dat niet anders zien dan als een vorm van industriepolitiek. Er gebeurt bovendien van alles om havens op te stoten in de vaart der volkeren. Ik weet uit ervaring dat het departement van Verkeer en Waterstaat daar erg veel aan doet. De heer Van Dijke zou mij moeten steunen, want wij moeten ervoor zorgen dat, juist als de economie terugloopt, de toeristenindustrie het goed blijft doen. Dat lijkt mij zeer belangrijk voor de werkgelegenheid.

Mijn fractie is een groot voorstander van de vermindering van het aantal regels. Ik heb begrepen dat de MDW-operatie nu Beter beheer voor burger en bedrijf heet. Volgens mij haalt de minister nu een truc uit, want hij zegt dat er 25% minder regels moeten zijn, maar houdt als ingangsjaar 1994 aan. Dat vind ik heel raar. Na twee paarse kabinetten zou dit kabinet het allemaal anders en beter gaan doen. Ik zou dan denken dat je in 2002 begint en zegt: wij vaardigen vanaf 2002 25% minder regels uit. Ik nodig de minister van harte uit om niet mee te liften op het beleid van oud-minister Jorritsma, maar het geheel op eigen kracht te doen en zijn eigen bewind als vertrekpunt te nemen. Ik heb de brief van 7 november gelezen en deze stelt mij zeer teleur, want hij bevat macrotermen en is vaag. Ik wil de minister, eventueel bij motie uitnodigen, om iets te doen aan het werkelijk verminderen van regels.

Mevrouw Giskes (D66):

Het is mevrouw Netelenbos toch wel bekend dat dit plan juist een uitvloeisel is van een motie van mijn voormalige collega, mevrouw Ravestein, waarin zij de regering opriep eindelijk te komen met een plan van aanpak en zich die vermindering met 25% ten doel te stellen. Dat lukt bij lange na nog niet en dan kun je wel nieuwe normen stellen, maar is het niet beter als die motie eerst goed wordt uitgevoerd?

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Een kabinet dat start met de mededeling dat het alles anders en beter gaat doen, moet eigenlijk beginnen in zijn eigen periode. Ik wil best praten over 25%, maar ik vind het heel oneigenlijk om acht jaar beleid van het paarse kabinet mee te nemen in je percentages, om vervolgens in 2007 – wanneer het resultaat volgens mij moet zijn geboekt – te zeggen "kijk eens hoe goed wij het hebben gedaan." Dat vind ik raar. In dat geval moet je zeggen: wij gaan in onze vier jaar het aantal regels met ongeveer 10% verminderen. Dat is helderder en dan weet je ook tegen wie je spreekt.

Mevrouw Giskes (D66):

Dat zou natuurlijk kunnen, maar ik ben van een andere school. Als het paarse kabinet in het verleden goede dingen op de rails heeft gezet, vind ik dat je die moet afmaken, want dan gebeurt er tenminste nog wat.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Ja, maar een kabinet dat een eigen procedure uitwerkt, moet ook de eigen resultaten laten beoordelen. Met termijnen van 25 jaar kun je natuurlijk altijd succes hebben, dus die termijnen spreken mij niet zo aan.

Wij hebben kennis genomen van het feit dat de ZBO-ontwikkeling van de mededingingsautoriteit tot stilstand is gekomen, omdat hierover discussie is ontstaan in de Eerste Kamer. Ik vind dat op zich een mooi moment om nog eens kritisch te kijken naar het voorliggende wetsvoorstel. Daarom nodig ik de minister uit om iets te zeggen over de vraag of het toch niet belangrijk is dat er in dat wetsvoorstel een aanwijzingsartikel wordt opgenomen voor de minister van Economische Zaken. Als minister moet je toch op zijn minst een aanwijzing kunnen geven aan de NMa. Dat betekent niet dat je daarvan gebruik moet maken, maar de mogelijkheid moet er in ieder geval zijn. Dat betekent voor de Tweede Kamer dat wij een ander soort debat over de NMa kunnen hebben. Een NMa die geheel op eigen kracht sectoren kan bekijken, lijkt mij in ons bestel toch wel zeer opmerkelijk.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Ik ben blij met deze opmerking, want toen het debat in deze Kamer speelde, heb ik mij daar buitengewoon sterk voor gemaakt. Ik herinner mij echter niet dat ik toen veel support van de PvdA-fractie kreeg. Getuigt uw denken op dit punt nu van voortschrijdend inzicht en zou u, als wij een hernieuwde discussie over dit punt zouden hebben, dan wel uw support kunnen geven?

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Ik spreek natuurlijk namens mijn gehele fractie. Ik heb mijn fractie daarvan kunnen overtuigen. Het kan belangrijk zijn dat er politiek geprioriteerd wordt en het is veel te gemakkelijk dat wij er soms kritiek hebben dat er wel naar de fietsenmaker wordt gekeken, maar niet naar de bouwwereld, zoals het in het debat hierover indertijd is genoemd. Als de minister of de Kamer zoiets constateert, moet er op z'n minst een politiek debat over gevoerd kunnen worden. Ik verwacht overigens – al weet ik er niets van – dat de enquêtecommissie bouw wel met zo'n aanbeveling zal komen. Nu het wetsvoorstel stokt in de Eerste Kamer, is er volgens mij alle gelegenheid om het debat hierover in deze Kamer te hervatten.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Ik constateer met dankbaarheid dat wij nu bij de PvdA support ontmoeten voor het punt dat ik indertijd wilde maken. Ik hoop dat wij in deze Kamer het debat terug kunnen krijgen.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Ik hoop dat ook. Ik zal zorgen dat dit geheugen georganiseerd wordt.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik spreek vanuit dezelfde inspiratie als de heer Van Dijke: ook ik herinner mij het debat over de verzelfstandiging van de NMa en de positiebepaling van de PvdA-fractie op dat moment, verwoord door de heer Bolhuis, heel goed. Maar goed: een nieuwe woordvoerder, een nieuwe herfst, een nieuw geluid. Ziet de nieuwe positie van de PvdA-fractie als het gaat om de NMa nu toe op een herleving van de individuele aanwijzingsbevoegdheid, of gaat het om een meer generieke politieke invloed op beleidsregels die de NMa bij de uitvoering van de Mededingingswet zou willen hanteren? Waar wilt u dus het herstel van het politieke primaat – mijn steun daarvoor hebt u – precies neerleggen?

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Zoals ik er nu tegenaan kijk – met de nadruk op "nu" – denk ik aan een aanwijzingsbevoegdheid. Dat is wel een ultimum remedium, want je moet ervoor zorgen dat mededingingsactiviteiten niet te veel onder het beslag van de waan van de dag komen te vallen. Ik vind in ieder geval dat het debat daarover gevoerd moet worden. Bij de manier zoals het nu is geregeld in het voorliggende wetsvoorstel, kan de politiek altijd met schone handen blijven staan, in de zin van: ja, wij kunnen het ook niet helpen, ze doen dat niet. Zeker wanneer iets op afstand wordt gezet, wat bij ZBO-vorming het geval is, moet de minister mijns inziens die aanwijzingsbevoegdheid hebben, uiteraard pas na een zwaarwegende afweging. Als de minister die bevoegdheid heeft, kan deze ook het debat met de Kamer voeren.

Ik zal graag zien dat dit wordt verkend. Hoe stelt de minister zich voor dat het verder gaat? Het wetsvoorstel ligt nu in de Eerste Kamer en wat gaat er mee gebeuren, terwijl wij ook nog de samenvoeging van OPTA en NMa krijgen? Worden die zaken in samenhang bezien, of blijven het twee afzonderlijke trajecten?

Wij hebben begrepen dat het gastgebruik van pinautomaten in gevaar komt. Wil de minister reageren op wat zich op dit vlak afspeelt en hoe zich dat verhoudt tot het schrappen van artikel 16 van de Mededingingswet? Op zichzelf is het een zeer zorgelijke ontwikkeling die zich hier dreigt af te tekenen.

Wij hebben er kennis van genomen dat het kabinet de kerncentrale in Borssele langer open wil houden. Wij zijn daar zeer bedroefd over. Wij vinden dit weinig creatief en het laat ook niet zien dat het kabinet zich zorgen maakt over het toch nog altijd zeer grote probleem van het opslaan van radioactief afval. De zorgen in Zeeland over de vraag hoe het met de werkgelegenheid kan gaan, zijn reële zorgen. Het zou dan ook zeer creatief en inventief zijn als het kabinet de kerncentrale zou sluiten en in Borssele nieuwe energieactiviteiten zou starten. Dan doet het kabinet iets dat toekomstvast is. Ik nodig de minister gaarne uit om eens mee te gaan in deze redenering. Indien nodig zal ik hem ook door middel van een motie aanmoedigen.

In de memorie van toelichting staat dat de reconstructie van bedrijventerreinen heel belangrijk is en dynamisch zal worden aangepakt. Er is echter geen geld. De nota van voormalig staatssecretaris Ybema over dit onderwerp ligt op de plank. Volgens mij betekent dit dat er eigenlijk niets gebeurt. Van de bedrijventerreinen is 17% oftewel 10.000 ha zeer verouderd. Iedereen kent de situatie van al die vreselijke schoenendozen langs onze snelwegen. Dat verschijnsel rukt maar op. Ik zou wel eens willen weten hoe de minister gemeenten als Bodegraven, Tilburg en Venlo denkt te kunnen helpen onder het dynamisch beslag van de tekst uit de memorie van toelichting zonder dat hij er budget voor heeft. Het is bijna tragisch dat wij als het zo doorgaat met het opslorpen van ruimte door bedrijventerreinen straks zullen moeten constateren dat bedrijven per persoon meer vierkante meters hebben dan bijvoorbeeld mensen die wonen in een Vinex-lokatie Het is echt slordig grondgebruik. Daaraan moet iets worden gedaan.

Ik hoor allerlei zorglijke berichten over hoe het gaat met het Kompas voor het Noorden. Ministers die voortkomen uit de VVD en nu in het kabinet zitten, zeggen dat de Zuiderzeelijn niet moet doorgaan, terwijl daarover afspraken zijn gemaakt met het Noorden en de economische situatie in het Noorden sowieso nog altijd kwetsbaar is. Ik nodig de minister en de staatssecretaris uit om eens iets meer te vertellen over regionaal structuurbeleid, want juist nu het slecht gaat, lijkt mij dat meer dan belangrijk.

Wij zijn blij met de subsidie voor de scheepsbouw. Mocht het subsidiebudget zijn uitgeput, terwijl Europees nog steeds subsidie is toegestaan en in andere Europese landen wordt gegeven, dan gaan wij ervan uit dat de regering doorgaat met subsidiëren

Tot slot vraag ik aandacht voor het FES. In mijn vorige functie heb ik heel veel plezier gehad van het FES, maar gegeven de armoede in de publieke sector en de investeringsbehoefte lijkt het mij eigenlijk niet voor de hand te liggen om dat FES te handhaven in zijn huidige vorm. Wij hebben vaak het zogenaamde bruggetje van de heer De Graaf moeten benutten om ervoor te zorgen dat er op een andere manier middelen konden worden toegesluisd naar niet-kapitaalintensieve sectoren. Ik ben van mening dat een kabinet moet beschikken over het totale budget dat er is en een uitgavenkader kan ordenen op basis van de hoogste prioritering. Ik nodig de minister uit mijn mening te delen dat maar eens moet worden gestopt met het FES.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Ik constateer dat u nu de redenering volgt die de ChristenUnie al jaren volgt, namelijk dat wij eigenlijk niet moeten geloven in fondsen, maar beter bredere afwegingen kunnen maken dan fondsen voor aparte dingen te gebruiken. Ik heb uw fractie horen pleiten voor het terugsluizen van het zogenaamde kwartje van Kok naar een fonds voor wegen. Dat betekent dus dat uw fractie pleit voor het in het leven roepen van een fonds. Wat is het nu? Moet het in de algemene middelen en moeten over het gebruik daarvan politieke, brede afwegingen worden gemaakt of niet?

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Er zijn wel meer fondsen. Er is bijvoorbeeld ook een Infrastructuurfonds. Ik pleit hier niet voor het opheffen van het Infrastructuurfonds, omdat een fonds het voordeel heeft dat het niet het uitgavenritme van een jaar kent, wat voor bepaalde investeringen, zoals voor wegen, erg belangrijk is. Het kwartje van Kok is daar natuurlijk ook goed voor te benutten, overigens ook voor openbaar vervoer. Dat neemt niet weg dat in de systematiek van het prioriteren van de uitgaven bepaalde beleidssectoren waren uitgezonderd van het FES. Niet dat wij dat altijd deden, want daarvoor hadden wij dan het bruggetje van De Graaf. Zo langzamerhand moet je vaststellen dat de publieke armoede met name te vinden is in sectoren als onderwijs, zorg en politie. Ik vind het dan erg voor de hand liggend om heel kritisch te kijken naar het fonds. Ik zeg dit nu niet voor het eerst. Ik heb het in het kabinet in de vorige periode ook al eens bepleit, hoewel ik zo belanghebbend was bij het fonds. Toen zat er evenwel niets meer in het fonds en vond niemand het meer nodig.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Toen was uw eigen fractie er ook tegen, maar nu is die kennelijk mee.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Wij hebben goed naar u geluisterd.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Aan de FES-systematiek zit nog een keerzijde. Ik herinner mij het nog heel goed. Minister Zalm had 3,3 mld gulden nodig om met de claimemissie van KPN mee te doen. Toen gold vanwege die systematiek van de FES een soort omgekeerde regel: dit kon ten laste van de staatsschuld worden gebracht. Als dat fonds er niet was geweest, dan had minister Zalm dat bedrag in één keer moeten vinden in de begroting, met als automatisch gevolg het probleem dat u terecht benoemt: waar zitten de grote publieke tekorten en heeft het fonds daaraan een bijdrage te leveren? Op dat moment was dit dus een heel fijne uitkomst van de structuur van het fonds, want anders hadden we nu 3,3 mld moeten vinden in de publieke sector en waren we nog verder van huis geweest.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Jawel, maar het had ook een omgekeerde dynamiek: als via het fonds wordt gepland, bepaalde verwachtingen worden gewekt en vervolgens de inkomsten tegenvallen, dan heb je weer een ander probleem. De aardgasbaten vallen nogal tegen de laatste tijd en dat maakt planningen die aan het fonds zijn gerelateerd, kwetsbaar. Een ander interval van verplichtingen lijkt mij gemakkelijker. Mijn hoofdpunt is echter dat het oneerlijke concurrentie tussen sectoren oplevert als je kapitaalintensieve investeringen altijd apart wilt behandelen.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Voorzitter. Het kabinet zei dat een krachtdadige aanpak nodig is tegen de achtergrond van de slechte economische tijden. Ik denk dat dit zo is. De nieuwe economie is net zo nieuw als de oude en de dreigende oorlog met Irak maakt een spoedig economisch herstel hoogst onzeker.

Er is een fundamentele vertrouwensbreuk ontstaan door de boekhoudschandalen in de Verenigde Staten: WorldCom, Emron. Door de bouwenquête en andere zaken die zich in Nederland hebben voorgedaan, doet de vraag zich voor hoe we in Nederland het vertrouwen kunnen herstellen. Ik vraag de minister welke initiatieven hij daartoe neemt.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Voorzitter. Ik wil hier niet een al te grote "eagerness" uitstralen, maar de heer Ten Hoopen legde een relatie tussen het moeizame economische herstel van dit moment en de dreigende oorlog in Irak. Dat is interessant, de heer Duisenberg benoemde dit probleem vorige maand ook al. Welke conclusie trekt het CDA hieruit? Als het economische herstel zo traag gaat, er een relatie is met de dreigende oorlog met Irak en wij zo gebaat zijn bij economisch herstel, wat is dan de beleidsmatige conclusie van het CDA?

De heer Ten Hoopen (CDA):

Ik bedoelde dat die dreiging een uitermate onzekere toestand met zich brengt. Wij hebben vanmiddag bepleit dat er een stevige rechtvaardiging als basis ligt onder het mogelijke ingrijpen in Irak. De beleidsconsequenties hebben wij vanmiddag en vanavond in deze zaal uitgesproken.

Helaas is de Nederlandse economie verzwakt de malaise ingegaan. Het CDA stond in de vorige kabinetsperiode een stevige specifieke lastenverlichting voor. In tegenstelling tot een specifieke lastenverlichting koos men voor een generieke lastenverlichting. Die joeg de koopkracht aan en wakkerde de inflatie aan. De opdrukkende werking van de loonkosten zorgt nu voor een versnelde uitstoot van mensen. De export loopt hard terug en we zijn onvoldoende concurrerend door hoge loonkosten per eenheid product. De lage productiviteit per medewerker zorgt er vervolgens voor dat we qua concurrentie nog meer uit de pas lopen. Dat vereist een innovatief beleid, dat ondernemers stimuleert. Mijn collega zal daarover straks zijn maidenspeech houden.

Het CDA gaat uit van een sociale markteconomie. Het particulier initiatief op regionaal en lokaal niveau speelt daarbij een belangrijke rol. Verantwoordelijkheid nemen en mensen in staat stellen om zich te ontplooien staat in die visie centraal. De ondernemer en de onderneming spelen, naast het gezin en de school, een belangrijke rol in de overdracht van normen en waarden ten opzichte van mens en natuur. Maatschappelijk verantwoord ondernemen staat centraal in die visie van het CDA. "Ik wil hulp en handel hand in hand laten gaan", zei de staatssecretaris onlangs in een intervies met Trouw. Dit is een goede gedachte. Kan de staatssecretaris precies aangeven welke afspraken hij heeft gemaakt of mogelijkerwijs gaat maken met VNO/NCW en MKB-Nederland om hulp, handel en partnership in het bedrijfsleven daar, maar ook hier in Nederland, concreet handen en voeten te geven?

Ik wil het met de minister ook graag hebben over de barrières waarmee ondernemers te maken krijgen in de dagelijkse praktijk. Wetgeving is natuurlijk noodzakelijk om onze samenleving goed te laten functioneren. Wat wij ons echter vaak niet realiseren, is dat wetten en regels het bedrijfsleven met enorme uitvoeringskosten opzadelen, die mede de concurrentiële positie van bedrijven bepalen. Kosten waarop wij uiteindelijk geen enkel zicht hebben. De CDA-fractie wil beter zicht krijgen op de kosten die bedrijven moeten maken in het kader van wet- en regelgeving en de wijze waarop die op bedrijfsniveau wordt geïmplementeerd. Door middel van – mevrouw Netelenbos doelde daar net al op – het project Beter bestuur voor burger en bedrijf ziet de CDA-fractie een regiefunctie voor de minister van Economische Zaken weggelegd.

De CDA-fractie stelt voor, in 2002 een nulmeting te doen van de verborgen lasten en deze als basis te gebruiken om de kosten van implementatie van wet- en regelgeving elk jaar met 1% te laten dalen. Tot en met 2006 betekent dat een daling van zo'n 4%.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Mag ik hieruit afleiden dat de heer Ten Hoopen het eigenlijk eens is met mijn redenering dat wij vanaf 2002 de daden van dit kabinet ook echt moeten volgen en niet moeten teruggaan tot 1994?

De heer Ten Hoopen (CDA):

Mevrouw Netelenbos haalt nu twee dingen door elkaar; op dat punt kom ik straks nog. Ik heb het nu over de investeringen die voortvloeien uit wet- en regelgeving. Zo hebben arbo- en milieuwetgeving voor het bedrijfsleven allerlei implicaties; men moet hoge kosten maken om aan die wet- en regelgeving te voldoen. Veel van die wetgeving komt uit Europa. Een van de suggesties die ik doe aan het kabinet om zichtbaar te maken wat die kosten zijn, is het benchmarken in samenwerking met onze Europese partners. Zo krijgen wij meer inzicht in de invloed die wet- en regelgeving heeft op de concurrentiële positie van het Nederlandse bedrijfsleven. Administratieve lasten zijn een ander punt, waar ik nu aan toe ben.

Het terugdringen van administratieve lasten heeft zo langzamerhand een boekenkast aan rapporten opgeleverd, waar wij nu genoeg van hebben. De bureaucratie moet een halt toe worden geroepen. Het kabinetsvoorstel zou op dit punt nog wel een stapje verder mogen gaan. In onbegrijpelijke, tegenstrijdige en onnodige wetgeving moet fors het mes worden gezet, want zij leidt tot ontduiking, ontwijking en een verminderd normbesef. Uiteindelijk mondt dit uit in oneerlijke concurrentie. Daar hoort natuurlijk ook een streng en actief handhavingsbeleid bij. De CDA-fractie vindt dat bij de vermindering van de administratieve lasten de bedrijfsvoering van de ondernemers centraal moet worden gesteld en niet – zoals nu het geval is – de informatieverplichting van de overheid. Nieuwe regels moeten duidelijk en uitvoerbaar zijn voor de bedrijven.

Wil de minister op korte termijn met een nulmeting komen om de administratieve lasten op ondernemingsniveau met als basisjaar 2002 vast te leggen? De CDA-fractie vindt dat de minister vervolgens jaarlijks een reductie van 5% van de totale administratieve lasten moet realiseren. Hij moet in dat verband elk jaar in zijn begroting verantwoording afleggen over hoever hij de administratieve lasten heeft teruggedrongen. Dat betekent voor de periode 2002-2006 een daadwerkelijke verlaging van de administratieve lasten met zo'n 20%.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Zolang ik woordvoerder economische zaken ben voor GroenLinks, hoor ik dit verhaal. Elk jaar wordt in deze Kamer breeduit gemekkerd over administratieve lasten: het is allemaal heel erg. Elk jaar constateren wij dan dat het terugdringen van de administratieve lasten niet verloopt zoals gewenst. En elk jaar roepen wij dat het toch gewenst is om de administratieve lasten terug te dringen. In dat licht vraag ik mij af: wordt het niet eens tijd voor een analyse? Hoe komt het dat die taakstelling, die ook het vorige kabinet had, niet is gehaald? Ook de ministers van dit kabinet lukt het maar heel moeizaam. Zou het iets te maken kunnen hebben met het feit dat die regels, die administratieve lasten, ergens over gaan? Kan het ermee te maken hebben dat het in de praktijk – the devil sits in the detail – erg moeilijk is om ten gunste van minder administratieve lasten zomaar regels te schrappen, omdat wij daarmee ook het voordeel van goede regels weggooien? Laat de CDA-fractie dan maar eens duidelijkheid geven. Welke regels en welke lasten moeten weg?

De heer Ten Hoopen (CDA):

Ik heb voorgesteld om die nulmeting te laten doen door het kabinet. Ik heb het dus aangegeven. Het gaat mij dan om de gehele trits. Ik sluit er niet één uit. Het gaat niet om meer wetgeving, maar om minder wetgeving. Het gaat dan om heldere wetgeving die ook te handhaven is. Op deze wijze zijn wij in staat om eerlijke concurrentieverhoudingen te handhaven. Ik bepleit een nulmeting om 2002 helder te maken, maar wel op ondernemingsniveau, en om dat vervolgens te vertalen. Dan heb je namelijk de instrumenten. De CDA-fractie bepleit dat de minister van Economische Zaken niet meer coördinerend is, maar daadwerkelijk verantwoordelijk is voor die administratieve lasten.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik wil een inhoudelijk antwoord op mijn vraag, want dit zegt mij niets meer. Minder administratieve lasten, eerlijke concurrentieverhoudingen, makkelijker ondernemen, minder regels; het is allemaal best. Toch gebeurt het niet of onvoldoende en wordt het probleem opnieuw aan de kaak gesteld, evenals wij dat vijf jaar geleden deden. Er moet een nulmeting komen. Dat wordt een kulmeting op deze manier. Laat de CDA-fractie maar eens aangeven welke regels moeten verdwijnen. Laat de CDA-fractie de prijs maar eens aangeven. Dat is de barre praktijk van minder administratieve lasten.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Ik heb aangegeven dat het mij om het gehele palet gaat. Evengoed als mevrouw Van Ravenstein dat de vorige keer heeft aangegeven, vraag ik het nu op ondernemingsniveau. Daar ligt namelijk het probleem. Het gaat er niet om of het tussen de ministeries beter gaat. Het gaat om het ondernemingsniveau.

Wat de prijs betreft gaat het mij erom dat een vermindering van de administratieve lasten en het bewust zijn dat deze administratieve lasten belemmerend zijn voor de concurrentiepositie, er daadwerkelijk toe leiden dat de kosten voor de onderneming worden verminderd en daardoor de concurrentiepositie versterkt.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Het werk dat al is gedaan, moeten wij niet over doen. De MDW-operatie is achter de rug, waardoor wij weten wat de vraagstukken zijn. Volgens mij is dat hetzelfde als een nulmeting. Aangezien er minder ambtenaren moeten komen, moeten wij oppassen dat wij niet voortdurend nieuwe opdrachten geven.

Mijn collega zal het met mij eens zijn dat als het Europese regels zijn, dit niet zoveel te maken heeft met concurrentie, want daar heeft iedereen mee te maken. De vraag is dus of wij in staat zijn om dat wat wij belangrijk vinden, zo te regelen dat het simpel is. Wij zullen dus moeten bekijken of wij meer zelfregulering willen of meer regulering door de overheid. Zo moeten wij het debat voeren. Anders wordt het niets. Als er een ramp is, willen wij meer regels en als er meer regels zijn, willen wij ze afschaffen. Ik wil van de CDA-fractie horen, wetende wat er allemaal al is gebeurd, hoe je die discussie zou moeten voeren zonder bezig te zijn met window-dressing.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Ik noem dit geen window-dressing, mevrouw Netelenbos. Uit elke meting in het bedrijfsleven komt als eerste naar voren dat administratieve lasten en alles wat daarmee samenhangt, een absolute belemmering zijn. De discussie kan worden gevoerd op basis van effectiviteit: hoe kunnen wij de instrumenten van elektronica erbij betrekken? Wij kunnen de discussie voeren aan de hand van de vraag wat het zelfregulerende vermogen van het bedrijfsleven zelf kan zijn in het kader van het nemen van de eigen verantwoordelijkheid. Die discussie wil ik absoluut aangaan. Daarnaast is het van belang dat je weet waarover je praat. Waar ik het over heb, is dat je weet wat die lastendruk is op ondernemingsniveau, zodat je die kunt vergelijken met andere landen. De Europese wetgeving moet ook in Nederland haar vertaling krijgen in de Nederlandse wetgeving. Daar zit een deel van de lastendruk.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Voor het verkrijgen van een goed level playing field worden we niet gehinderd door de Europese regels. Omdat we er allemaal last van hebben, is er ook geen concurrentievervalsing. U zult ook moeten toegeven dat het bedrijfsleven zelf om regels vraagt om op die manier de eigen positie te kunnen beschermen. Vervolgens gebeurt het dan dat men die regels lastig vindt. Dus het debat is complex. Misschien zou je het minder abstract moeten maken en eens per sector de regels in aanmerking moeten nemen. Dan zou je per sector kunnen nagaan wat er allemaal is geregeld en welke regels zouden kunnen worden afgeschaft. Als wij dit doen, zouden we nog wel eens raar kunnen opkijken.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Die discussie wil ik graag met u aangaan. Mogelijkerwijs kunnen wij inderdaad per sector nagaan wat er allemaal is geregeld. Dat is mij allemaal prima. Natuurlijk, het bedrijfsleven heeft in het kader van kwaliteitsborging zijn regels. Ik noem dat een vorm van zelfregulering, maar daarover heb ik het niet. Ik heb het sec over datgene wat aan wet- en regelgeving door de overheid wordt opgesteld.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Ik zou het op prijs stellen als de heer Ten Hoopen met een voorbeeld kwam van regels die wij zouden kunnen missen.

Hij vindt dat het ministerie van Economische Zaken een instrument moet krijgen om de gewenste situatie te kunnen realiseren, ook als het departement daarvoor buiten zijn taakveld of invloedssfeer moet opereren. Zou in zijn optiek het ministerie van Economische Zaken de regels van bijvoorbeeld het ministerie van VROM of van LNV moeten kunnen overrulen teneinde tot reductie van regelgeving te kunnen komen?

De heer Ten Hoopen (CDA):

In mijn tekst had ik staan: Heeft de minister voldoende bevoegdheden en instrumenten om andere ministeries daadwerkelijk te kunnen aansturen? Ik wil dus graag van de minister weten of hij echt wel wat kan doen. Als zijn antwoord nee is, wil ik graag de discussie hierover aangaan, ook om ons ervan bewust te worden wat de verhouding met de andere ministeries is.

Dan wil ik ingaan op uw eerste vraag. Er zijn nogal wat Europese regels in strijd met datgene wat bijvoorbeeld de brandweer voorschrijft. Er zijn nogal wat voorbeelden in het kader van de arbowetgeving die aantonen dat er strijdigheid is met datgene wat op gemeentelijk niveau wordt uitgevoerd. Er is dus vaak heel fijnmazige wetgeving die veel tegenstrijdigheden kent. Die willen wij wegnemen. Daarom wil ik de discussie hierover wel aangaan, ook al zou die gaan over de regels per sector. Die fijnmazigheid leidt namelijk uiteindelijk tot oneerlijke concurrentie en ook – en dat moet u aanspreken, mijnheer Van Dijke – tot een verminderd normbesef.

De voorzitter:

Ik zie dat de heer Van Dijke weer wil interrumperen, maar de heer Ten Hoopen kan zijn betoog vervolgen. Ik kijk ook even naar de klok. We moeten voortmaken. Ik vraag daarom om korte vragen te stellen en om kort te reageren op interrupties. De heer Ten Hoopen heeft nog 2 minuten spreektijd. Dan heeft zijn fractie er 12 gebruikt.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Voorzitter. Ik wil vervolgens iets zeggen over de herstructurering van het gasgebouw. In de gassector speelt een drietal publieke belangen een rol, namelijk een betrouwbare gasvoorziening voor de consument, een duurzaam gebruik van de gasbronnen en een belangrijk element is ook een goede marktwerking binnen de gassector zelf. Die belangen dienen wat ons betreft expliciet een uitwerking in de Gaswet te krijgen. De behartiging van deze publieke belangen geschiedt onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de minister door de inzet van de aan hem toegekende en aan de Gaswet ontleende bevoegdheden. Uitvoeringstechnische aspecten kunnen door de minister op basis van een helder wettelijk kader worden opgedragen aan Gastunietransport. Daarvan is de Staat voor 100% aandeelhouder. Gasunietransport moet, als het goed gaat, los van commerciële marktpartijen gaan functioneren. Daartoe dienen de wettelijke taken van Gasunietransport, die zich bij de uitvoering van deze publieke belangen moet ontwikkelen tot een soort systeembeheerder à la TenneT, in de Gaswet te worden opgenomen. Gasunietransport zal de taken moeten worden opgedragen die het publieke belang dienen en die binnen de wettelijke randvoorwaarden kunnen worden uitgevoerd. Graag verneem ik van de minister of hij deze visie deelt.

In deze moeilijke economische situatie vormen juist de familiebedrijven een belangrijke pijler onder de Nederlandse economie. Het CDA ziet graag een versterking van het familiebedrijf in beeld gebracht, waarop eigenlijk nog weinig zicht is. Wij vragen de staatssecretaris dan ook, een visie te ontwikkelen op de familiebedrijven, en daarbij concreet aandacht te besteden aan een drietal onderwerpen. Ten eerste noem ik het deeltijdontslag, ten tweede de vraag of er een fiscale voorziening kan worden gemaakt in het kader van ontslag en ten derde het daarbij betrekken van het successierecht van familiebedrijven. Mijn collega Nicolien van Vroonhoven heeft daaraan al aandacht besteed in het Belastingplan.

Toerisme is één van de snelst groeiende economische sectoren, wereldwijd gezien. De sector levert zo'n 5% van de werkgelegenheid op. Ik vraag de staatssecretaris, de voorgestelde bezuinigingen tegen het licht te houden. Misschien kan de positieve impuls voor 2003 worden behouden.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Hessels, die zijn maidenspeech zal houden.

De heer Hessels (CDA):

Voorzitter. Bij het voorbereiden van mijn maidenspeech gingen mijn gedachten herhaaldelijk naar het moment, nu al weer zo'n twintig jaar geleden, waarop ik aan mijn klasgenoten op 5 gym bèta vertelde dat ik politicologie zou gaan studeren. Hoongelach was mijn deel! Wat moet je met een bètaopleiding in de politiek? Mijn enige verweer bestond uit de opmerking dat ik, als ik ooit in de Tweede Kamer te spreken zou komen over onderwerpen die te maken zouden hebben met techniek, tenminste een idee zou hebben waar het over ging. Ik ben blij dat ik met mijn maidenspeech, die voornamelijk handelt over innovatie, na zoveel jaren mijn gelijk kan halen.

Aan de economische groei van Nederland in het afgelopen decennium heeft de jaarlijkse groei van de arbeidsproductiviteit slechts een beperkte bijdrage geleverd. De groei van de multifactor productiviteit, een indicator die aangeeft of de aanwezige productiemiddelen, met name arbeid en kapitaal, ook slim zijn ingezet, laat in Nederland een negatieve ontwikkeling zien. De economische groei in Nederland is dan ook met name voortgekomen uit een toegenomen inzet van kapitaal, investeringen en arbeid, de groei van de werkgelegenheid. Op termijn is een dergelijke productiefactorgedreven groei zorgwekkend. Innovatie van het arbeidsproces is noodzakelijk. Er is in Nederland nog onvoldoende sprake van een innovatiegedreven groei, met een meer efficiënte mix van arbeid en kapitaal. Nederland zal dus moeten inzetten op innovatie. Wij hebben ons daartoe ook verplicht. Tijdens de EU-top in Lissabon werd afgesproken, de EU voor 2010 om te vormen tot de meest dynamische, concurrerende en duurzame kenniseconomie van de wereld. Nederland heeft daar nog een schepje bovenop gedaan, door uit te spreken, te willen blijven behoren tot de Europese kopgroep. Er is dus werk aan de winkel.

De innovatieactiviteiten van de Nederlandse bedrijven zijn onvoldoende efficiënt en marktgericht. Ook in de richting van de universiteiten en onderzoeksinstellingen kan worden opgemerkt dat weinig marktgericht en marktconform wordt gedacht. De overheid moet erop sturen dat bedrijven resultaten van fundamenteel onderzoek eenvoudiger kunnen oppakken. Ik kan hierbij verwijzen naar de motie van mijn fractiegenote Joldersma, die vorige week bij de behandeling van de begroting van OCW is ingediend. Er is een herstructurering nodig van de Nederlandse innovatieactiviteiten, en de sturing die de overheid daaraan kan geven. Uitgangspunt hierbij moet zijn dat bedrijven zelf moeten innoveren. De overheid draagt bij aan een goed werkend innovatiesysteem. Daarin moet sprake zijn van het op efficiënte wijze uitvoeren van publieke R&D, van een goede balans tussen kennisbescherming en kennisontwikkeling en van een goede samenwerking tussen de met publiek geld gefinancierde onderzoekers en het bedrijfsleven. De overheid heeft dus een rol als initiator en katalysator en niet als financier of exploitant.

Innovatie wordt in Nederland nog steeds te veel één op één in verband gebracht met technologische ontwikkelingen. Natuurlijk is dat in veel sectoren, zeker in de industrie, de eerste prioriteit. Zonder innovatie van de organisatie blijkt technologische vernieuwing echter maar al te vaak een verloren investering. Voor de dienstensector, inmiddels de grootste sector van de Nederlandse economie, is de niet-technologiegedreven innovatie van groot belang. Innovatie is ook hier niet alleen de ontwikkeling van nieuwe technieken, maar ook van nieuwe producten, nieuwe marktfuncties. Dit alles leidt tot een heroriëntatie op de manier waarop het ministerie van Economische Zaken de innovatie stimuleert, dus tot een herijking van het uitgebreide subsidie-instrumentarium van EZ. De CDA-fractie stelt voor om het gehele instrumentarium te herbezien op basis van de volgende ijkpunten.

Ten eerste. Het innovatieve karakter van het te subsidiëren project. Met andere woorden, in hoeverre brengt het project ons dichter bij de Lissabondoelstellingen?

Ten tweede. De implementatiemogelijkheid in de gebruikelijke productiefaciliteiten. Luchtfietserij is leuk, maar leidt tot niets. Bij subsidieverstrekking moet vooraf de toepasbaarheid in het bedrijfsleven vaststaan.

Ten derde. De kosteneffectiviteit van het voorgestelde project. Is de gevraagde investering verantwoord ten opzichte van de verwachte spin off voor de Nederlandse economie?

Ten vierde. Samenwerking en clustering. Als voorwaarde voor publieke financiering moet gelden dat de op basis van deze financiering ontwikkelde kennis breed toepasbaar zal zijn. Clusters van bedrijven genieten de voorkeur bij het toekennen van subsidies. Binnen de kaders van de Mededingingswet moeten deze clusters optimaal ruimte krijgen voor het ontwikkelen van gezamenlijke kennis.

De CDA-fractie roept de regering op om het instrumentarium voor economische stimulering structureel en in zijn geheel opnieuw te bezien en op basis van de voorgestelde ijkpunten vorm te geven in een overzichtelijke regeling, gebaseerd op het gericht bereiken van de Lissabondoelstellingen en daarmee de versterking van de arbeidsproductiviteit van het Nederlandse bedrijfsleven.

Voorzitter. Nog een enkele opmerking over bedrijventerreinen. De revitalisering van bedrijventerreinen zal een van de hoofdaandachtspunten worden in de komende jaren. Voldoende en goed geoutilleerde bedrijventerreinen zijn met name voor de verdere groei van de regionale economie onmisbaar. Er zal een grote inzet van overheden en bedrijfsleven nodig zijn om vele bestaande en vaak verouderde bedrijventerreinen te saneren en opnieuw in te richten. Nog niet zo lang geleden heeft de uitvoerder van de regeling, de Novem een soort roadshow georganiseerd om de animo voor revitaliseringsprojecten te bevorderen. Dit heeft een groot aantal reacties en subsidieaanvragen opgeleverd. Ons bereiken nu echter berichten dat de beoordeling van deze projectaanvragen juist door het succes van de voorlichtingscampagne vertraging lijkt op te lopen. Is de staatssecretaris bereid maatregelen te nemen om de revitaliseringsprojecten binnen het bestaande budget zo spoedig mogelijk op te pakken?

Voorzitter. Ik sluit af. De CDA-fractie maakt zich al jaren sterk voor het in stand houden van kleinschalige voorzieningen. Ik wil hier een initiatief concreet belichten, namelijk het overeind houden van postkantoren en agentschappen, ook in de kleine kernen. Omdat wij tijdens een debat aan het begin van dit jaar over het nieuwe postvestigingsbesluit onvoldoende steun kregen van de paarse partijen, kon de toenmalige staatssecretaris vooruit met een voorstel dat voor de komende jaren een stevige inkrimping van het aantal postkantoren en agentschappen inhoudt. Tot onze vreugde maakte toenmalig PvdA-leider Melkert zich na dat debat publiekelijk ook sterk voor het overeind houden van deze voorzieningen. Toen wij vervolgens per motie voorstelden om te stoppen met de afbouw en een nieuw postvestigingsbesluit te laten opstellen dat uitging van het handhaven van het huidige aantal postagentschappen, gaf de PvdA wederom niet thuis waardoor ook toen een kamermeerderheid ontbrak. Na het vertrek van Melkert is de PvdA zich echter publiekelijk in deze richting blijven profileren. Onder het mom van beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald wil ik nogmaals het voorstel doen om te stoppen met het sluiten van postkantoren en agentschappen. Mochten wij nu wel op de steun van de PvdA kunnen rekenen, dan zal ik in tweede termijn een motie op dit punt aan de Kamer voorleggen.

Voorzitter. Ter afsluiting nog even terug naar de innovatieagenda. Heel Nederland leeft toe naar Lissabon. Misschien heeft een enkeling daarbij zijn gedachten eerder bij de zomer van 2004 dan bij 2010. De inzet moet minimaal gelijkwaardig zijn.

De voorzitter:

Mijnheer Hessels, ik feliciteer u met uw maidenspeech.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Voorzitter. Ik feliciteer de heer Hessels met zijn maidenspeech. Zijn speech bevatte een aantal uitdagende elementen, die mij bijzonder aanspraken. Ik begrijp dat hij het gymnasium heeft doorlopen en daarna politicologie heeft gestudeerd. Ik voel mij verwant met hem. Ik heb ook het gymnasium doorlopen. Ik dacht dat het natuurkunde zou worden, maar het is ook politicologie geworden. Al weer een aanwijzing dat het niet goed gaat met innovatief Nederland.

Ik heb een minuutje of acht spreektijd en ik verontschuldig mij bij voorbaat bij de toehoorders voor de snelheid van spreken en het feit dat ik namens GroenLinks veel onderwerpen niet kan behandelen. Aan de onderwerpen postkantoren, liberalisering energiesector, MEP, REB, terreinen waarop men nog veel van ons zal horen, maar vandaag even niet, GATTS, privatisering van het hoger onderwijs, scheepsbouw, boekhoudschandalen, bedrijventerreinen, telecom, kan ik niet de aandacht geven die deze verdienen. Men excuses, voorzitter, want u had natuurlijk meer van mij verwacht en ook de toehoorders op de tribune en thuis.

Ik val maar met de deur in huis: het najaarsoverleg. Wat zijn vandaag de koppen in de krant? De minister van Financiën, hier aanwezig als minister van Economische Zaken, zijnde niet ad interim, beticht de FNV-vakcentrale van een asociale looneis. Toe maar, voorzitter, vorige week gooide minister-president Balkenende al olie op het vuur door de vakbeweging openlijk te bruuskeren en nu krijgen wij dit weer. Het belastingplan is al geen investering in een sociaal akkoord, dus wij gaan maar door met dit kabinet. Het lijkt wel alsof er geen sociaal akkoord gewenst is. Hoe zit dat, minister van Economische Zaken en van Financiën? Legt u mij dat eens uit.

Het ministerie van Economische Zaken solliciteert wat mij betreft naar een zeer bescheiden toekomst. Het doet mij bijzonder veel pijn dat dit departement niet de omslag wil maken naar een ministerie van maatschappelijk verantwoord ondernemen. GroenLinks, men kent mijn opvatting ter zake, wil MVO juist zeer krachtig stimuleren, zeker nu de samenleving vol is van een debat over waarden en normen. Dat gaat niet alleen over slordige omgangsvormen op straat of in de tram, maar ook over wat bedrijven doen of wat zij zich menen te kunnen permitteren. Die bedrijfscultuur, voorzitter, is van ons allemaal. Paars heeft de "alles moet kunnencultuur" in het bedrijfsleven bepaald niet gecorrigeerd en dit kabinet zwijgt over de noodzaak van groen ondernemen, over de omslag van vrije handel naar eerlijke handel, over duurzame technologie en over sociale verhoudingen in bedrijven, waar de top zich weet te matigen. Heren, heren, heren, hier aanwezig, vertel het mij, wat zijn uw economische waarden en normen? Het wordt tijd, daar iets over te horen.

Onze waarde is een duurzame solidaire toekomst en onze norm voor het ministerie van Economische Zaken is maatschappelijk verantwoord ondernemen. Waarom lees ik daar bijna niets over? Ik moet met een vergrootglas in de begroting op zoek naar MVO. Misschien kan de staatssecretaris in een zeer uitgebreide reactie deze omissie eens goedmaken. Hoezeer MVO onderaan de pikorde staat van het economisch denken bij het ministerie van Economische Zaken blijkt ook wel uit het eenvoudigweg schrappen van de beleidsdoelstelling ter zake, nota bene nadat de Kamer vorig jaar via een motie van GroenLinks en de Partij van de Arbeid het kabinet opriep, zijn doelstelling op het gebied van maatschappelijk ondernemen te verscherpen. Nu wordt die doelstelling vervangen door een telefonische enquête met als vraag: doet u aan MVO? Natuurlijk, zegt 51% van het bedrijfsleven. Dat is het type beleid wat opschiet, voorzitter. Ik vraag om een uitleg en ik sta erop dat de vorig jaar aangenomen motie wordt uitgevoerd.

Ik zie ook een sterke onwil bij dit departement om ambitieuze, concrete en verifieerbare doelen te stellen op andere terreinen. Ik noem het consumentenbeleid en telecom. Een pikant detail is dat wij hier met een minister van Financiën zitten, zijnde chef VBTB, die even is uitgeleend als uitzendkracht aan het ministerie van EZ. Minister van Financiën, vertelt u eens, hoe beoordeelt u deze begroting eigenlijk vanuit het VBTB-perspectief? Uw job is om ervoor te zorgen dat dit rijksbreed wordt ingevoerd. Wat gebeurt er op het departement? Draagt dat uw goedkeuring weg? Graag duidelijkheid.

Onder één doelstelling kunnen de bewindslieden hier aanwezig niet uit, simpelweg omdat zij van hogerhand is opgelegd. Dit betreft de Lissabondoelstelling om in 2010 te behoren tot de wereldtop der kenniseconomieën. Met dit kabinetsbeleid lukt dat natuurlijk voor geen meter. Geloven de bewindslieden er eigenlijk zelf nog wel in? De AWT, de universiteiten, de grote kennisbedrijven, Philips, Akzo, Unilever, uw eigen Senter, niemand volgt u. Heren van de innovatie, waar bent u? Om de premier, vorige week in deze Kamer aanwezig, te parafraseren: als iedereen nou zegt dat het niet gaat lukken en het ministerie van EZ zegt dat het wel lukt, is iedereen dan gek of zijn de bewindslieden van Economische Zaken gek? Graag helderheid.

Hoe is het in vredesnaam mogelijk om met zo'n ambitieuze doelstelling in het achterhoof opnieuw en zo fors te snijden in het hoger onderwijs? Waarom zien de bewindslieden van Economische Zaken lijdzaam toe dat de minister van Financiën het echte fundament onder de kenniseconomie wegslaat en zo inhakt op de eigen innovatiegelden? Waar blijft het ministerie van Innovatie? Waar mogen wij het op afrekenen? Waar zijn die doelstellingen? Waar zijn die prioriteiten? Waar blijft nou eindelijk dat afscheid van het ontwikkelingsmodel Nederland distributieland? Wanneer worden wij echt een kennisland en gaan wij er wat mee doen? Ik hoor graag de reactie van de bewindslieden.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

U hebt het over Nederland distributieland. Zou het niet mogelijk zijn, hoogwaardige kennis via dat concept toe te passen?

De heer Vendrik (GroenLinks):

Er zijn wel enige overeenkomsten te verzinnen. Bij het investeringsgedrag van vele kabinetten gaat het om de vraag waar het geld aan wordt besteed en wat de prioriteiten zijn. Ik moet dan helaas vaststellen dat Nederland distributieland met een grote behoefte aan grootschalige publieke investeringen in asfalt en beton, het nog steeds wint van Nederland kennisland. Dat is de afgelopen jaren eigenlijk niet veranderd. Dit kabinet doet er nog een schepje bovenop door wel met een spoedwet voor wegverbreding te komen om er in het krappe begrotingsjaar 2003 nog een paar meter asfalt bij te leggen, maar vervolgens wel te bezuinigen op innovatiegelden, hoger onderwijs et cetera. Als er kruisverbindingen mogelijk zijn, vind ik het prima, maar het gaat mij om de fundamentele politieke keuze die ik hier bepleit. Het kabinet slaat naar mijn mening de richting in naar de ouderwetse economie, terwijl ik pleit voor een afslag naar een nieuwerwetse economie.

Voorzitter. Daartoe strekt mijn eerste voorstel Open software. Als eerste bied ik beide bewindslieden een stuk aan van GroenLinks dat een aanvalsplan bevat voor open software. Ik doe dat via u, voorzitter. Ik bied het tevens de collega's aan die er ongetwijfeld ook in geïnteresseerd zullen zijn.

De publieke sector is niet alleen de grootste afnemer van software, maar ook zeer gebaat bij veilige, stabiele en als het even kan goedkope software. Daarom wensen wij – in het plan wordt het nader geduid – dat de overheid uiterlijk in 2006 alleen nog softwarepakketten afneemt die voldoen aan open standaarden. Ik heb het niet alleen over de overheid in enge zin, maar over de hele publieke sector. Tegelijkertijd dient als een tweede activiteit de ontwikkeling van open source software, de meest vergevorderde vorm van open standaard, te worden gestimuleerd. Ons politieke doel is dat wij willen voorkomen dat de overheid zich meer en meer overlevert aan een handjevol zeer ouderwetse, oude economiemonopolies die prijs, tempo, richting en digitale innovaties dicteren en de toegankelijkheid en veiligheid beperken onder het motto: baas over eigen bits. Zie verder de nota.

Mijn tweede punt betreft duurzame energie. De instituten RIVM en ECN hebben zojuist becijferd dat de doelstelling voor het aandeel duurzame energie van 5% in 2010 niet gehaald wordt. Hoe zit dat nu? Waar blijven de noodzakelijke extra inspanningen om dat beleidsdoel te halen? Ik wacht op antwoord. Wij zijn een zeer, zeer groot voorstander van de ontwikkeling van windenergie op zee, maar nu waait de wind uit de verkeerde hoek. Het kabinet heeft een aantal voorkeursgebieden aangewezen voor windenergie op zee. Die term "voorkeursgebieden" is eigenlijk misleidend. De windturbines mogen alleen daar en nergens anders geplaatst worden. Het is dus geen voorkeur, maar een dictaat. Het is bovendien discriminerend ten opzichte van andere gebruiksfuncties. Windturbines hebben niet eens de voorkeur, want ook andere gebruiksfuncties in die voorkeursgebieden krijgen op dit moment aan de lopende band vergunningen in datzelfde gebied, terwijl investeerders in windparken de wacht wordt aangezegd, omdat het concessiestelsel nog in ontwikkeling is.

De keuze van de gebieden is voorts slordig verlopen. TNO heeft wat schetsen gemaakt van de plaats waar die windparken zouden kunnen komen. Die schetsen zijn in een klap definitief beleid geworden. Volgens ons moet dat anders. Ons voorstel is: houd de hele Noordzee vrij voor windturbines, te beginnen vanaf 12 mijl uit de kust, zodat er geen sprake is van zichthinder vanaf het land. Daarvoor geldt vervolgens de normale vergunningsprocedure. Wij stellen verder voor een aantal echte voorkeursgebieden aan te wijzen waar windenergie als lokatie echt voordeel bij heeft. Ik verwacht hierop een reactie van de bewindslieden. Ik overweeg op dit punt een motie in te dienen.

Voorzitter. Het derde punt waaraan wij ons in het kader van de duurzame kenniseconomie storen, is de forse bezuiniging op de duurzame technologieprogramma's in de begroting van Economische Zaken. De door mij ingediende amendementen op de stukken nrs. 15, 16 en 17 strekken ertoe om vooral de EET-regeling, de EINP-regeling en het programma voor duurzame energie te redden. Ik hoor graag commentaar van de bewindslieden daarop.

Het consumentenbeleid is ook al zo'n beleid dat in het luchtledige hangt. Het is het ministerie van proefballonnen. Er komt eigenlijk niets van de grond. De Consumen tenbond heeft terecht geconstateerd dat in de EZ-begroting de ondernemersbelangen nog steeds vooropstaan. Ik wil hierop een reactie van de bewindslieden horen. Ook wij zien dat het de bewindslieden eigenlijk ontbreekt aan enige ambitie en aan meetbare doelstellingen. Wij zijn in het bijzonder een rol voor het ministerie van Economische Zaken weggelegd bij het beschermen van gebonden consumenten in netwerksectoren. Dit betekent concreet dat wij willen dat in netwerksectoren prijzen alleen nog maar mogen stijgen als daar een duidelijk waarneembare verbetering van de dienstverlening tegenover staat. Ik wijs op het recente debat over de kabel. Ik vraag de bewindslieden dit als doelstelling in het consumentenbeleid op te nemen en hoor ook hierop graag een reactie. Op dit punt overweeg ik eveneens een motie in te dienen.

Een actueel voorbeeld van hoe het nu niet moet, is de prijs van de postzegels. Daar gaat het ministerie van EZ tegenwoordig ook al over. Die prijs wordt door het ministerie van EZ bevroren tot 2007, maar met ingang van 1 januari 2004. Nou, dat is heel dapper! TPG is natuurlijk not amused. Op de beurs vond men het echter een heel fijn bericht, want de koersen stegen. En men had gelijk. De NMa en de OPTA hebben nu juist berekend dat TPG op de postbezorging een overwinst boekt ter waarde van ongeveer 30% terwijl 9,5% als redelijk wordt gezien. Dus waarom kan die prijs gewoon niet naar beneden? Dat is toch de taak en rol van Economische Zaken, als marktmeester, als beschermer van de consument?

Ik kom te spreken over de optieregelingen. Ik kom dus terug bij waar ik mee begon: normen en waarden in het bedrijfsleven. Uit de beantwoording van schriftelijke vragen is gebleken dat de bewindslieden een Europese regelgeving willen, maar dat zij een Nederlandse Alleingang niet uitsluiten. Zij hebben zelfs beaamd dat Nederland relatief aantrekkelijk kan worden als land met betrouwbare bestuurders, met een duidelijke interventie van de overheid kennelijk die toeziet op het gematigd omgaan met optieregelingen. Het aanpakken van de graaiende topmannen zou ook wel eens de manier kunnen zijn om bij de werknemers die zogenaamde asociale looneisen van tafel te krijgen. Immers, waarom zou de vloer wel matigen en de top niet? Wanneer heeft minister Hoogervorst het daar een keer over? Dat zou nu een investering zijn in een klimaat waarin een najaarsoverleg tot een goed resultaat zou kunnen leiden. Kortom, waarom langer wachten? Waar blijft het aanvalsplan, wanneer worden optieregelingen in de strijd om een fatsoenlijk bedrijfsleven geworpen?

Voorzitter. Ik heb tot slot nog een kleine uitsmijter. Hoe zit het met de Nederlandse voetbalautoriteit? Ik bedoel natuurlijk de NMa die zich, gelijk de Europese collega's, steeds meer bemoeit met de voetbalmarkt. Dat is interessant. Volgens mij wordt hiermee aangehaakt aan het debat dat mevrouw Netelenbos zo-even heeft opgeworpen over de positie van de NMa. Hier gaat het natuurlijk ook om een soort publiek belang. Is voetbal niet van ons allemaal? De NMa gaat interveniëren. De consequenties van het besluit van de NMa ter zake van de televisierechten kunnen zeer verstrekkend zijn. Ik ben eigenlijk wel benieuwd naar een mooi stuk van dit kabinet over voetbal en mededinging. Dan wordt de begroting van EZ toch nog leuk!

De voorzitter:

De notitie "Software open u" zal als noot aan de Handelingen worden toegevoegd. Ik neem aan dat daartegen geen bezwaren bestaan.

(De noot is opgenomen aan het eind van deze editie.)2

De heer Van Hoof (VVD):

Voorzitter. Met mevrouw Netelenbos begin ik met de constatering dat het economisch in Nederland niet goed gaat. Voor het overige zal ik gewoon mijn eigen betoog houden. Met koppen in de kranten zoals "Nederland op rand van recessie" en "Nederlandse economie zit muurvast" wordt aangegeven dat er op dit terrein de nodige zorg is. Deze constatering is wellicht een open deur, maar het betekent tegelijkertijd dat er van beide bewindslieden, ook in een demissionaire toestand – zelfs in de richting van een waarnemende toestand zeg ik tegen de heer Hoogervorst – de komende tijd nog het nodige verwacht wordt. Als het niet van henzelf is, dan moet het in ieder geval gebeuren in voorbereiding op een nieuw kabinet, in de vorm van dossiers die klaarliggen voor nieuwe bewindslieden.

In de voorliggende begroting zijn daarvoor een aantal aangrijpingspunten te vinden. In deze begroting worden problemen gesignaleerd en nota's en plannen aangekondigd, maar er worden tegelijkertijd op een aantal punten wel wat algemeenheden gedebiteerd en er is zo nu en dan een tekort aan samenhang te zien. Er zijn een paar punten die ik eruit licht en waarvoor ik aan de bewindslieden extra aandacht vraag.

Het algemeen financieel-economisch beleid is in eerste instantie een zaak van het gehele kabinet. Ik kan niet ontkennen dat binnen het kabinet de minister van Financiën daarbij een belangrijke rol speelt. Die trekt immers aan de touwtjes. Ik voeg daaraan toe dat bij het algemeen-economisch beleid en de ontwikkeling van de Nederlandse economie ook de minister van Economische Zaken van belang is. Die moet niet alleen gericht zijn op het eigen departement. De minister van Economische Zaken heeft een rol te spelen op andere terreinen. Ik noem enkele zaken, zonder uitputtend te zijn.

Ik noem bereikbaarheid en vestigingsbeleid bij de ruimtelijke ordening. Ik noem vervoer, transport en mobiliteit bij de infrastructuur. Ik noem het grotestedenbeleid bij het economische klimaat van de gemeenten. Ik noem het milieu en alle milieueisen die aan het bedrijfsleven worden gesteld: de Habitat- en de Vogelrichtlijn en de EHS. Het ziekteverzuim en de wachtlijsten, punten op het vlak van de volksgezondheid, grijpen diep in bij de economische ontwikkeling en het bedrijfsleven. Dat geldt ook voor alle regelgeving op het gebied van sociale zaken. Ik noem ook onderwijs en het opleidingsniveau. Ik noem, "last but not least", de veiligheid voor met name het MKB, dat voor deze sector een nadeel oplevert. Ik noem ook de consequenties voor het Europese beleid en de belangrijke rol die de minister van Economische Zaken daarbij moet vervullen.

Bij deze elementen van beleidsterreinen moeten optimale randvoorwaarden gecreëerd worden voor economische ontwikkeling. Daarbij is de aanwezigheid van de minister en de staatssecretaris van Economische Zaken van belang. Het vraagt om een "state of mind" van bewindsperso nen en van toekomstige bewindspersonen. Het vraagt binnen het departement om een organisatie die daarmee om kan gaan, die daar aandacht voor heeft en die daarbij deskundig is. Ik nodig beide bewindslieden uit om binnen het departement, waar nodig, deze"mindset" te organiseren en een dergelijke aanpak te bevorderen.

Zeker op het terrein van regelgeving en administratieve lasten wordt een centrale rol van de minister van Economische zaken gevraagd. Het gaat om overbodige regelgeving, te veel regelgeving, dubbele en tegenstrijdige regelgeving. Het gaat ook om maatregelen die zo veel activiteit vragen en zo veel administratieve overlast en extra last met zich brengen, dat daar het nodige aan moet gebeuren.

Bij die aanpak hoort wat de VVD-fractie betreft urgentie en snelheid. Er moeten snel forse resultaten geboekt worden, zoals ook de heer Ten Hoopen heeft gesteld. Wij hebben van de minister een plan van aanpak mogen ontvangen. Ik hecht eraan om vast te stellen dat in dat plan een groot aantal goede en positieve elementen zitten. Ik wil desalniettemin enkele kanttekeningen plaatsen.

Het plan van aanpak richt zich puur op de administratieve lasten. Veel van de belasting en overbelasting binnen het bedrijfsleven heeft echter te maken met andere regelgeving en dubbele regelgeving. Wij kennen allemaal het voorbeeld waarin het ene beleidsterrein inhoudt dat een deur in een ruimte naar buiten open moet gaan en het andere beleidsterrein stelt dat die deur naar binnen moet opengaan. Dergelijke maatregelen zijn lastig voor de bedrijven. De ambitie van 25% is een doel op zichzelf. Het maakt niet zoveel uit of het de 20% van de heer Ten Hoopen is of de 25% van het plan van aanpak. Als het noodzakelijk is dat er meer wordt geschrapt, dan moeten wij niet stoppen bij dit streefgetal. Wat betekent het referentiepunt van 1994 precies? Waarom wordt niet gekozen voor 25% ten opzichte van 2002 of 2003?

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Er is zojuist al terecht opgemerkt dat eerdere kabinetten met vergelijkbare doelstellingen aan de slag gingen. In welk opzicht kan dit kabinet leren van de fouten van vorige kabinetten die met deze ambitie aan de slag gingen? In hoeverre kunnen zij het beter doen, waardoor het doel binnen bereik kan komen?

De heer Van Hoof (VVD):

Er zijn een paar omstandigheden die ons daarbij kunnen helpen. Al die kabinetten zijn begonnen met de nulmetingen waar de heer Ten Hoopen het over had. De inventarisaties waar iedereen het over heeft, liggen al op de plank. Het zijn enorme stapels geworden. Wij hoeven het niet meer uit te zoeken, want die gegevens hebben wij al. Als wij ze niet hebben, moeten wij heel snel een hoorzitting organiseren met mensen uit het midden- en kleinbedrijf en een gesprek aangaan met de mensen die werken in de grote bedrijven. Zij kunnen ons tot in detail laten zien wat er aan de hand is. Dat geldt niet alleen voor het bedrijfsleven, maar ook daarbuiten. U zou eens moeten gaan praten met iemand die probeert om kinderopvang te organiseren. Je moet ongeveer 5 centimeter papier produceren voordat het zover is. De vraag is of dat allemaal nodig is en of dat niet anders kan. Ik denk dat het met minder kan.

Als wij verlaging van de administratievelastendruk belangrijk vinden en als wij het kabinet daarop willen afrekenen, dan denk ik dat die stappen te maken zijn. Inmiddels staat het water de bedrijven echt tot aan de lippen als het gaat om regelgeving en administratieve lasten. Ik heb net al gesproken over de urgentie. Er moet wat gebeuren. Ik vind dat wij nu niet meer moeten inventariseren, maar dat wij moeten aanpakken. Wij als Kamer zullen daar bij het kabinet op moeten aandringen.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Wij zijn het allemaal eens over het doel. Mijn vraag was alleen in welk opzicht dit kabinet kan leren van het vorige kabinet. U hebt net geen voorbeelden gegeven waar dit kabinet van kan leren omdat het bij vorige kabinetten fout is gegaan. Nulmetingen waren er toen ook niet. Het gaat erom wat dit kabinet concreet kan doen waar het vorige kabinet heeft gefaald.

De heer Van Hoof (VVD):

Ik heb het net gehad over al die rapporten. Die moeten wij openslaan, dan moeten wij aanpakken en beginnen met schrappen. Alle departementen die nu nog niet klaar zijn met inventariseren, moeten wij aan het werk zetten. Zij mogen daarvoor niet de tijd hebben tot medio volgend jaar; de stukken moeten met een maand of twee op tafel liggen. Als je niet verder komt dan vaststellen dat je het met de doelstelling eens bent, maar vervolgens niet weet hoe en waar te beginnen, dan kom je er natuurlijk nooit. Wij zullen dus gewoon moeten beginnen.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Ik ben ook voor het schrappen van regels die niet nodig zijn, maar als ik u zo hoor praten, word ik ineens reuze bezorgd. Wij willen toch nog wel een paar dingen regelen in dit land?

De heer Van Hoof (VVD):

Ja, maar sommigen willen meer regelen dan anderen. Helaas behoort u tot de groepering die soms wat erg veel wil regelen.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Ik zei net al dat ik ervoor ben om overbodige regels te schrappen. Laat ik kinderopvang als voorbeeld nemen. Ik neem aan dat u ook wilt dat kinderen veilig, verantwoord en kwalitatief worden opgevangen. Dat daar regels voor nodig zijn, zult u ook met mij eens zijn.

De heer Van Hoof (VVD):

Dat ben ik met u eens, maar ik nodig u uit om net als wij eens te gaan praten met mensen die dat willen opzetten. U zou eens moeten inventariseren wat er van dat pak papier van 5 centi- meter echt nodig is om kinderopvang snel en op een veilige manier te organiseren. Als u met die mensen praat, zult u tot de ontdekking komen dat er op dat terrein heel veel onnodig en ingewikkeld papierwerk is.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Die uitdaging neem ik aan. Je moet wel bedenken dat je ook je eigen kinderen naar die opvang moet kunnen sturen.

De heer Van Hoof (VVD):

Dat wil niet zeggen dat je moet overreguleren.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Je moet ook regelen dat het hoofd nog intact is, als een kind ergens tegenaan valt. Dat gebeurt helaas met kinderen en dat vraagt om regels. Ik ben reuze voor het afschaffen van regels, maar u doet er net te simpel over. Ik denk dat het idee waarover de heer Ten Hoopen sprak om het heel systematisch langs te lopen voor één sector misschien nog wel het meest effectief is. Het mag hier niet het wilde Westen worden en ik neem aan dat u daar ook geen zin in hebt.

De heer Van Hoof (VVD):

Wat ik voorstel en wat mevrouw Netelenbos ook kan terugvinden in alle inventarisaties die er al liggen, heeft helemaal niets met wildwest te maken. Tegelijkertijd stel ik vast dat het bedrijfsleven op dit moment aan alle kanten vastgenageld zit aan overbodige regelgeving. Ik heb met MKB'ers gesproken die maandelijks centimeters formulieren moeten inleveren over activiteiten in het grensgebied. Die bellen dan naar het departement wat ze daarmee doen, en het antwoord is dat de formulieren in een la gaan omdat niemand er verder iets mee doet. Dat is dus absoluut overbodig.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Daar zijn wij het over eens. Iets dat in een la gaat, moet je niet doen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik heb voor de heer Van Hoof, die toch enigszins een wildwest betoog over regels staat te houden, twee vragen. De eerste is: is hij het met mij eens dat regels in het algemeen tot doel hebben om een mogelijk conflict te reguleren? Je kunt dan de regels wel afschaffen, maar daarmee schaf je de conflicten nog niet af. Mijn tweede vraag betreft de kinderopvang. De bewindslieden van Economische Zaken gaan daar niet over, maar de heer Van Hoof komt er zelf mee. Laat hij nu eens een regel in de kinderopvang noemen die wij morgen kunnen afschaffen. Laat hij eens komen met een voorbeeld.

De heer Van Hoof (VVD):

Waarom vraagt u dat aan mij?

De heer Vendrik (GroenLinks):

Omdat u zegt dat die regels afgeschaft kunnen worden. U moet dan maar eens met een voorbeeld komen van regels die wij zó kunnen afschaffen. Nu wil ik hom of kuit. Al dat algemene gezever over regels hebben wij nu wel gehad, wij moeten nu even concreet worden. Dan kunnen wij zaken doen.

De heer Van Hoof (VVD):

Ik begrijp best dat alleen al de gedáchte dat u met minder regels zou moeten leven, voor u heel moeilijk is. Ik heb aangegeven dat er in onze maatschappij boeken vol mee staan en ik heb een voorbeeld gegeven van tegenstrijdige regelgeving. Ik wil er nog wel een noemen: het ene departement schrijft voor dat de brandslang op 1,50 meter moet hangen en het andere departement schrijft voor dat die slang op een halve meter hoogte moet hangen. Dat soort flauwekul bedoel ik, of het nu om kinderopvang, om horeca, om een bedrijf, om een kantine of om een winkel gaat.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Het gaat om brandslangen, begrijp ik.

De heer Van Hoof (VVD):

Het gaat óók om brandslangen, en om deuren en om van alles en nog wat. Stopt u nu eens met dit soort vage gedachten en gaat u nu eens rustig rondkijken in de maatschappij. Gaat u eens met een ondernemer of een bedrijf praten, gaat u eens die rapporten doorbladeren en gaat u eens met MKB of VNO/NCW praten. Zij zullen u allemaal uitleggen hoeveel van die voorbeelden er zijn. Ik heb er een paar genoemd en ik zou niet nog meer van de tijd van deze avond willen verspillen met het noemen van dit soort voorbeelden. De heer Vendrik kan die zelf ook opzoeken, maar hij moet dat dan wel willen, hij moet er oog voor hebben en bereid zijn om te zeggen dat er regelingen zijn die echt overbodig zijn en onnodige administratieve lasten met zich brengen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik moet constateren dat de heer Van Hoof geen concrete regels weet te produceren die wij kunnen afschaffen. Dan zouden wij tenminste een debat hebben, maar nu gaat het ineens alleen over brandslangen. Dat is natuurlijk geen voorbeeld, alsof het hele Nederlandse bedrijfsleven zou lopen te kankeren op regels over brandslangen. Ik spreek ook ondernemers en ik hoor ze nóóit over brandslangen.

De heer Van Hoof (VVD):

Dat komt omdat u altijd over duurzame energie spreekt.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Kijk, daar hebben wij een punt te pakken. Als ik ondernemers vraag waar ze last van hebben, beginnen ze over gemeentelijke regels rond vestigingsaspecten en ruimtelijke ordening. Wanneer die regels gewoon overboord worden gezet, zijn de conflicten die je met die regels probeert te reguleren, nog niet de wereld uit. Wat zullen gemeenten voor een enorme berg ellende over zich heen halen...

De voorzitter:

Nee, u moet niet zelf al het antwoord gaan geven.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik probeer een casus voor te leggen. Dan wordt het concreet en kan de heer Van Hoof daarop reageren. Als gemeenten ondernemers in de stad maar hun gang laten gaan, gaan ze een enorme hoeveelheid overlast organiseren. Als ze zeggen "gaat u overal maar zitten met uw kinderopvang en uw cafés", zijn morgen de gemeenten in Nederland te klein. Die regels zijn nodig omdat ze conflicten reguleren. Daar zit de bulk van de regels in Nederland. Dan kan de heer Van Hoof zeggen dat ze moeten worden afgeschaft en dat klinkt heel mooi voor de tribune, met al die ondernemers, maar morgen hebben wij dan een probleem, want de conflicten blijven. Misschien kan hij daar eens op ingaan.

De heer Van Hoof (VVD):

Daar kan ik heel kort over zijn: ik denk dat u bij mevrouw Netelenbos moet gaan zitten. Het enige dat u ziet als er geen regels meer zijn, is een wildwest situatie, terwijl ik denk dat er in Nederland echt geen wildwest ontstaat als die regels er niet meer zijn. De ondernemers en alle anderen die daarbij een rol spelen, zijn er immers zelf bij.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Geef dan eens een voorbeeld.

De heer Van Hoof (VVD):

U hebt wel gelijk als u zegt dat het plan van aanpak dat door de minister naar de Kamer is gestuurd, te weinig is waar het gaat om de rol van allerlei medeoverheden. Wij moeten niet volstaan met die alleen maar aan te spreken. De minister zal ook in de richting van PBO's en lagere overheden activiteiten moeten ontplooien om ook op dat terrein de regelgeving te verminderen en op die manier de extra lasten voor het bedrijfsleven te beperken. Dat wij in dit land op dat bedrijfsleven draaien, weet de heer Vendrik ook wel. Het komt niet allemaal uit de lucht vallen. Het is niet allemaal gratis voor niks. Die euro moet eerst worden verdiend. Tegen die achtergrond denk ik dat het ook mogelijk moet worden gemaakt en dat die ruimte moet worden gecreëerd. Ik zeg in de richting van het kabinet dat wij als fractie van de VVD hier de nodige stappen willen en ongeduldig zijn. Ook dat nog, mevrouw Netelenbos. Ik zeg tevens dat wij het verstandig vinden om daarbij de representatieve ondernemers te betrekken, niet alleen institutionele vertegenwoordigers, ook al is het goed om die erbij te halen, maar ook mensen uit de praktijk die precies kunnen vertellen hoe de hitte van de dag aanvoelt als het om regelgeving en onnodige regels gaat.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

U moet hier niet een beeld schetsen als zouden progressieve partijen tegen het afschaffen van onnodige regels zijn.

De heer Van Hoof (VVD):

Dat is al winst voor vanavond.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

U hebt goed geluisterd naar mijn betoog, neem ik aan. Ik heb er zelfs voor gepleit dat het kabinet zijn eigen daden laat beoordelen en niet de daden van voorgaande kabinetten. Ik hoop wel dat ook de VVD-fractie vindt dat eerlijk moet worden gekeken naar bescherming van de bevolking, sociale regelingen en kwalitatieve kwesties; zaken die helaas niet vanzelf gaan. Er hoeft maar één keer weer een brand te zijn en de regels vliegen ons om de oren, ook in deze zaal. Dat moet u ook willen zien.

De heer Van Hoof (VVD):

Daarin heeft u gelijk, maar alles naar de maat. Inderdaad ben ik het met u eens dat niet in de waan van de dag onmogelijke dingen tot stand moeten worden gebracht. Regels mogen er zeer zeker zijn daar waar ze nodig zijn, maar wij moeten met elkaar goed bepalen dat er geen onnodige, geen tegenstrijdige regels tot stand moeten worden gebracht en vooral geen regels die alleen maar administratieve lasten met zich brengen. Als wij ons daarop kunnen vinden, zult u het niet met mij oneens zijn dat het hard nodig is dat er op dat terrein het een en ander gebeurt en dat er dan absoluut geen sprake is van een wildwestsituatie.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Dat is ook winst.

De voorzitter:

Dit punt is uitvoerig bediscussieerd. Wij snappen allemaal waarover het gaat en iedereen heeft zijn punt kunnen maken. Daarom wil ik dat er op dit punt niet meer wordt geïnterrumpeerd en dat de heer Van Hoof zijn betoog voortzet.

De heer Van Hoof (VVD):

Ik ben zeer verheugd over het feit dat in de brief van de minister staat dat er over het programma ICT en de administratieve lasten met het bedrijfsleven overeenstemming is. Ik heb de laatste maanden nogal eens horen klagen over bijvoorbeeld het niet totstandkomen van het digitale overheidsloket en dat soort maatregelen. Ik heb al gezegd dat als er een terrein is waarop de minister van Economische Zaken een centrale rol speelt, dit het is. Met andere woorden, ik vind de coördinerende en aanjagende rol zoals die is beschreven, eigenlijk onvoldoende. Ik zou op dit terrein een parallel willen trekken tussen de positie van de minister van Financiën ten aanzien van het financiële deel en die van de minister van Economische Zaken ten aanzien van regelgeving en administratieve lasten. Zoals de minister van Financiën vanuit zijn verantwoordelijkheid met andere departementen overleg voert, kan ingrijpen, hier en daar doelstellingen kan vastspijkeren en collega's kan aanspreken op resultaten, zou ook de minister van Economische Zaken meer de touwtjes in handen moeten krijgen inzake deregulerende administratieve lasten. Ik zou een structuur daarvoor gecreëerd willen zien.

Over de subsidies is al veel gesproken. In deze begroting is al een aantal maatregelen genomen om in subsidies te snijden. Dat doet natuurlijk pijn bij diegenen die het ondergaan, maar dat wil voor de VVD-fractie niet zeggen dat dergelijke subsidies hoe dan ook moeten worden teruggedraaid. Ik vind het veel belangrijker dat bij het snijden in het subsidie-oerwoud op allerlei terreinen, zoals ICT, innovatie en kennisontwikkeling, een lijn wordt aangehouden die consistent is met de beleidsmatige manier waarop Economische Zaken wil omgaan met die terreinen. Ik heb wat dat betreft dan ook niet zo'n behoefte om op dezelfde manier te werken als naar ik vrees in de begroting en in de nota van wijziging is gebeurd waarbij waarschijnlijk op allerlei plaatsen bedragen zijn gevonden. Zonder op dit moment wijziging te willen brengen in welke bezuiniging dan ook nodig ik de bewindslieden uit om structureler vanuit onverdachte uitgangspunten en criteria te kijken naar het huidige bestand aan subsidies, daar waar nodig subsidies bij elkaar te brengen, daar waar dat kan subsidies te wijzigen of te schrappen en dat allemaal tegen de achtergrond van een integrale visie en een andere mogelijke herprioritering. Daarbij komt nog dat R&D voor bijna 1% uit publieke middelen wordt bekostigd. Het wordt dan heel interessant om met het bedrijfsleven te spreken om de door Europa gewenste 3% te bereiken. Het bedrijfsleven –VNO/NCW, FME-CWM – levert terecht groeiagenda's en agenda's voor de toekomst aan. Het is een goede zaak dat het bedrijfsleven bij regelgeving wordt betrokken. Ik nodig de minister uit om die zaken mee te nemen en op basis daarvan de aangekondigde Innovatienota naar de Kamer te zenden.

Omwille van de tijd zal ik met betrekking tot ICT verwijzen naar deze Innovatienota. Dat gaat overigens verder dan ICT-ontwikkeling: het heeft alles te maken met een overheid en een burger die kunnen communiceren, met overheid en bedrijfsleven die kunnen communiceren, overheden onderling die kunnen communiceren. Het heeft ook alles te maken met productiviteitsverbetering, een onderwerp dat hoog op de agenda staat, waarvoor ook de nodige middelen beschikbaar moeten zijn. Ik ben heel benieuwd hoe de minister omgaat met de behoefte aan breedband.

Met de marktwerking is het nodige gebeurd. Het lijkt me goed als het departement zich richt op de sectorale situatie, de sectorale vraagstukken, en daarvoor ook sectorale oplossingen vindt. Verder lijkt het mij goed dat voor marktwerking niet alleen wordt gekeken naar NMa, OPTA of DTe, maar naar het toezicht in bredere zin. Bij toezichthouders en de mensen en instellingen waarop toezicht wordt gehouden, hoor je veel commentaar: de een vindt dat de grote spelers te veel worden beschermd, de ander vindt dat hij onevenredig wordt aangepakt. Verder moet adequaat met het instrumentarium worden omgegaan. Al die vragen zijn nu aan de orde. Ik matig mij geen uitspraken aan over het toezicht in het algemeen, maar het lijkt mij niet onverstandig om eens te bezien of het toezicht op dit moment wel plaatsvindt op de manier die wij allemaal hebben bedoeld.

Een enkele opmerking over energie en ontwikkelingen in de energiemarkt. Het lijkt mij goed om te herhalen dat voor de VVD-fractie een optimale marktwerking op dit terrein nog steeds van groot belang is. Wij kiezen voor een stabiele liberalisering en, waar mogelijk, privatisering om die te bereiken. Wij hebben begrip voor een tijdelijke bevriezing bij distributie en levering, maar wij vinden dat van uitstel geen afstel mag komen. Wel vind ik dat wij in deze periode van bevriezing moeten nadenken over de bestaande constructie binnen de holding, over de problemen met het distributienet van TenneT waarover wij morgen apart zullen spreken. De huidige situatie is niet optimaal en dus voor verbetering vatbaar. Ik vraag de staatssecretaris om bij dit dossier niet op zijn handen te gaan zitten.

Door de nadelen van fossiele brandstoffen en de beperkingen van alternatieven lijkt het mij goed als wij kernenergie niet tot taboe verklaren. In het regeerakkoord stond het voornemen om de kernenergiecentrale te Borssele open te houden. Een van de belangrijkste problemen bij kernenergie zijn de beelden die erover bestaan, het gevoel dat bestaat en de verhalen die rondgaan in de maatschappij. Deze zijn zo nu en dan heel aardig te weerspreken. Soms gebeurt dat zelfs uit onverdachte hoek. Met genoegen heb ik kennisgenomen van het artikel "De onvermijdelijke terugkeer van atoomstroom" van 18 oktober jl. in HP/De Tijd, waarin vijf hardnekkige vooroordelen over kernenergie worden weggenomen. Ik wil het kabinet niet zozeer vragen om de toepassing van kernenergie uit te breiden; de afspraak over Borssele is heel goed. Wel zou het kabinet moeten proberen om het draagvlak voor kernenergie te verstevigen door uit te leggen wat de nadelen zijn van fossiele energie. Wij maken ons terecht druk over de uitstoot die daardoor wordt veroorzaakt, die je met kernenergie in ieder geval niet hebt.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

De heer Van Hoof gebruikt het woord "gevoel"; het gevoel dat mensen hebben dat kernenergie niet veilig. Hoe moet er volgens hem worden omgegaan met de afvalstoffen van kernenergie? Dat is toch een enorm probleem, dat hij niet kan ontkennen? Het afval moet generaties lang worden opgeslagen, zonder dat wij weten wat op termijn de gevolgen zijn. Hij kan dat toch niet zomaar afdoen met: dat is een gevoel?

De heer Van Hoof (VVD):

De wijze waarop mevrouw Netelenbos er nu over spreekt, geeft het gevoel...

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Ik vraag de heer Van Hoof om te reageren op de inhoud.

De heer Van Hoof (VVD):

Daar kom ik nog op terug. Dat geeft echter het gevoel alsof het gaat om enorme hoeveelheden afval, die wij nauwelijks kwijt zouden kunnen in Nederland. Als mevrouw Netelenbos echter daadwerkelijk zou gaan praten met de kerncentrale en zou vragen hoe groot het afvalprobleem is...

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

De heer Van Hoof zou niet moeten praten met de kerncentrale; dat lijkt mij erg raar. Hij zou met wetenschappers moeten praten.

De voorzitter:

De heer Van Hoof maakt eerst zijn antwoord af, waarna mevrouw Netelenbos nader kan reageren.

De heer Van Hoof (VVD):

Ik vind het belangrijk om te weten waar ik het over heb als het gaat over afval. Het is dan gewoon het beste om te praten met de mensen die ermee bezig zijn; dat helpt vaak. Zij kunnen je dan uitleggen dat het gaat om relatief zeer overzichtelijke hoeveelheden. Ik spreek over het "gevoel" bij kernenergie, omdat niet het beeld moet ontstaan dat er per jaar enorme bergen kernafval tot stand komen bij het opwekken van deze energie. Verder moet ook niet het beeld ontstaan dat het probleem niet beheersbaar is, dat het gevaar bestaat dat straling door alle wanden heen gaat. Dit soort beelden moet worden vervangen door reële beelden. Ik ontken niet dat er een afvalprobleem is. Mevrouw Netelenbos ontkent echter toch niet dat het probleem bij traditionele energieopwekking minstens zo groot is? De heer Vendrik kan mevrouw Netelenbos heel goed uitleggen wat de risico's zijn van CO2-uitstoot voor ons en de kinderen na ons. Bij kernenergie is dat probleem in ieder geval niet aan de orde.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

De heer Van Hoof houdt een heel erg luchthartig betoog over een buitengewoon serieus probleem. Als hij zijn energie nu zou richten op alternatieve energie in plaats van op kernenergie, zou hij verantwoord bezig zijn. De CO2-uitstoot is inderdaad een probleem. Dat kan echter niet worden opgelost met kernenergie. Het gemak waarmee de heer Van Hoof zegt dat het afval niet zo erg is, is onverstandig. Het gaat om een heel groot probleem. Als de heer Van Hoof daadwerkelijk iets zou willen doen aan CO2-uitstoot, moet hij heel veel investeren in alternatieven. Dat schiet nog niet op.

De heer Van Hoof (VVD):

Mevrouw Netelenbos is het er dus mee eens dat het niet opschiet met de alternatieven. Zo heb je bij windenergie enorme velden met molens nodig, die het vervolgens niet doen zodra de windkracht lager dan 4 of hoger dan 7 of 8 is. De bijdrage van alternatieve energiebronnen is in dat licht relatief niet zo groot. Verder moet mevrouw Netelenbos het met mij eens zijn dat ook andere vormen van energieopwekking door verbranding uitstoot opleveren, die niet kan worden genegeerd. Ik ontken niet dat kernenergie nadelen heeft, maar het beeld dat andere vormen van energieopwekking geen nadelen hebben, moet worden weggenomen. Het probleem van kernenergie wordt groter voorgesteld dan het is. Dit heeft niets te maken met luchthartigheid, maar alles met de realiteit. De wijze waarop mevrouw Netelenbos haar argumenten brengt, onderstreept de noodzaak van mijn verzoek aan het kabinet om betere informatie beschikbaar te maken. Ik raad haar aan om het artikel in HP/De Tijd eens te lezen.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Wij hebben daarover een maatschappelijk debat gehad, mijnheer Van Hoof.

De heer Van Hoof (VVD):

Kennelijk is het resultaat daarvan niet geweest wat het zou moeten zijn.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Het is interessant hoe geringschattend de heer Van Hoof in dit debat spreekt over het onveiligheidsgevoel van mensen bij kernenergie. Ik heb de VVD-fractie in deze Kamer dat nooit horen doen over criminaliteit. Daarbij moesten wij het onveiligheidsgevoel van de burger zeer serieus nemen, maar hierbij dus niet.

De heer Van Hoof (VVD):

Maar wij moeten dat niet overdrijven.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Over consistentie gesproken!

Ik had mij kunnen voorstellen dat de VVD-fractie hier komt met een pleidooi voor de herintroductie, de uitbouw en de bevordering van kernenergie als het afvalprobleem is opgelost. In kwantiteit is het afvalprobleem in Nederland nooit groot geweest, maar in kwaliteit is het een gigantisch probleem. Het gaat om duizenden jaren met hoogbesmet afval. Tot op heden is daarvoor geen oplossing gevonden. Wat is dus de oplossing van de VVD-fractie voor het afvalprobleem? Als zij die oplossing niet heeft, is de consequentie dat de VVD-fractie blijft bij het besluit uit 1994 van een kabinet waar de VVD in zat, om de kernenergie in Nederland te stoppen.

De heer Van Hoof (VVD):

Ten eerste heeft u er evenals ik kennis van kunnen nemen, dat dit kabinet heeft besloten om te bezien in hoeverre er mogelijkheden zijn voor ondergrondse opslag. Het lijkt mij de moeite waard om daarnaar te kijken. Als ik ten tweede luister naar de wetenschappers van wie mevrouw Netelenbos vindt dat ik ernaar moet luisteren, hoor ik uit die hoek steeds vaker en nadrukkelijker geluiden dat hergebruik van kernafval mogelijk is, steeds meer mogelijk is en in de toekomst nog meer mogelijk zal zijn.

Daarmee heb ik het probleem niet geheel de wereld uit geholpen. Daarin heeft de heer Vendrik gelijk. Daarmee wordt het probleem echter wel steeds kleiner. Daarmee is niet gezegd dat het een probleem is dat wij niet aan kunnen, dat het een probleem is op grond waarvan wij dus maar moeten stoppen en moeten doorgaan met alternatieven die alle minstens zo nadelig zijn.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Het gaat over veiligheid, een belangrijk verkiezingsthema voor de VVD. Mag ik de heer Van Hoof zo verstaan dat deze kwestie voor de VVD-fractie van tafel is, als geen oplossing wordt gevonden voor het afvalprobleem waarbij de keiharde garantie bestaat dat de opslag van radioactief afval ondergronds of anderszins voor de volle 100% veilig is voor duizenden jaren? U vindt veiligheid zo belangrijk. U heeft nu de kans om u daarvoor uit te spreken. Dat zou de conditie zijn waaronder het kabinet een herstart van kernenergie zou moeten overwegen.

De heer Van Hoof (VVD):

U wekt de suggestie dat het nu niet veilig is opgeslagen. Ik begrijp überhaupt niet waarover u spreekt. U doet alsof hetgeen wij vandaag doen, onveilig is. Dat is ongeveer het laatste wat u kunt volhouden. Dat het niet de manier is waarop u het wilt en dat het niet in uw straatje past, begrijp ik ook best. U moet echter niet het beeld suggereren dat de opslag van kernopslag op dit moment onveilig is. Dat is niet zo.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Van Hoof schetst hier een beeld van de afvalproblematiek rond kernenergie dat door geen enkele wetenschapper in de wereld wordt bevestigd. Er is namelijk geen garantie te geven – daar ging het altijd over in het kernenergiedebat – dat de opslag van radioactief afval voor duizenden jaren 100% veilig is. Als wij dat niet zeker weten en als u veiligheid zo belangrijk vindt, mijnheer Van Hoof, moeten wij het misschien gewoon niet doen.

De heer Van Hoof (VVD):

Ik heb het al gezegd: ik vind het beeld dat u schetst, onjuist. Het draagt ook niet op de beste manier bij aan het draagvlak voor dit soort vormen van energie. Ik vind het ook zeer jammer dat u volledig voorbijgaat aan het onderwerp waarvoor u ook altijd vooraan staat, namelijk de CO2 -uitstoot en de problemen met fossiele energie, alsof dat alles niet telt. Waar ligt het evenwicht in uw beschouwing?

Mevrouw Gerkens (SP):

De heer Van Hoof suggereert dat er geen afvalprobleem is bij kernenergie.

De heer Van Hoof (VVD):

Nee, dat heeft u mij niet horen zeggen.

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik hoorde het u wel min of meer zeggen. U schermt met het artikel van HP/De Tijd, maar er zijn meer feiten dan die welke daarin staan. Die geven aan dat er nu al een probleem is met het afval. Misschien kunt u verder kijken en ook eens zien wat er over de grenzen gebeurt.

Wat ik winst vind van uw betoog, is de opmerkingen over de risico's van CO2. Die zijn er wel degelijk. Aan die risico's moeten wij zeker aandacht besteden. Er zijn kansen en mogelijkheden. De ontwikkelingen op het gebied van zonne-energie gaan bijvoorbeeld zeer snel. Ik hoop dat u...

De voorzitter:

Mevrouw Gerkens, een interruptie is bedoeld om een korte vraag te stellen, maar u houdt een betoog.

Mevrouw Gerkens (SP):

Dit is mijn eerste interruptie en ik interrumpeer niet veel.

De voorzitter:

Daar hebt u gelijk in. Ik vraag toch iedereen die aan dit debat deelneemt om korte interrupties te plegen en ook om kort te antwoorden. Dat is nodig als wij het debat voor twaalf uur willen beëindigen.

Mevrouw Gerkens (SP):

Is mijnheer Van Hoof bereid om na te gaan wat wij financieel kunnen doen om de ontwikkeling van zonne-energie meer te stimuleren, zodat de risico's van CO2 kunnen worden verminderd en een goede afweging kan worden gemaakt?

De heer Van Hoof (VVD):

U moet het mij maar niet kwalijk nemen, voorzitter, maar ik moet ineens weer denken aan de discussie die wij twee jaar geleden voerden bij de behandeling van de begroting van Defensie. Toen was de vraag vanuit de Kamer of wij de tanks niet op zonne-energie konden laten rijden. Wij hebben daarop geantwoord dat dat kon, maar dat er dan wel op die tanks een zonnescherm moest zo groot als drie voetbalvelden. Mevrouw Gerkens heeft wel gelijk dat zonne-energie een alternatief kan zijn, maar ik probeer nu uit te leggen dat je moet letten op de investeringen. Je moet je afvragen: wat is de investering en wat is de opbrengst? Hierover zijn wetenschappelijke artikelen verschenen en die wijzen erop dat er een toenemende energiebehoefte is. Daaruit blijkt ook dat zonne-energie, windenergie en waterenergie inderdaad vormen van energie zijn die een bijdrage kunnen leveren aan het voorzien in de behoefte. Het enige wat ik nu zeg, is dat er ook nog een vorm van energievoorziening is die daaraan eveneens een bijdrage kan leveren. Overigens heb ik nog niet gesproken over het feit dat veel van de energie in Nederland kernenergie is die wij importeren. We moeten niet zo struisvogelachtig zijn om dat te willen ontkennen, want kennelijk gebruiken we die wel. Alleen, op het moment dat de afweging dichterbij komt, wordt de discussie moeilijk. Wat ik nu zeg is dat naast al die vormen van energie, er een vorm is die één nadeel wel heeft, maar in ieder geval een aantal nadelen niet heeft. Die vorm van energievoorziening moet wat mij betreft bij de afweging op een reële manier in aanmerking worden genomen. Dat is wat u mij hoort zeggen, niets meer en niets minder.

Mevrouw Gerkens (SP):

Dat is geen antwoord op mijn vraag. Overigens, u zet een beeld neer van zonne-energie dat niet meer klopt en dat beeld wilt u bestrijden. Ik vraag u daarom wat meer in deze materie te duiken. Verder nogmaals de vraag: wilt u de ontwikkeling van deze vorm van energie financieel stimuleren, zodat wij met die zonne-energie zo ver komen dat kleine paneeltjes een hoog rendement opleveren?

De heer Van Hoof (VVD):

U weet dat alles vaak wordt bepaald aan de hand van kosten en baten, zeker bij de behandeling van een begroting van Economische Zaken. In dat licht zul je een afweging moeten maken. Er kunnen goede alternatieven zijn. Als je de kosten en baten in aanmerking neemt, kan blijken dat kernenergie een beter alternatief is. Vervolgens moet je een keus maken.

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik begrijp dat u zich gaat verdiepen in de mogelijkheden van zonne-energie.

De heer Van Hoof (VVD):

Ik gaf het voorbeeld van de tanks op zonne-energie. Daaruit mag u afleiden dat ik mij hierin al heb verdiept.

Mevrouw Gerkens (SP):

Dat was twee jaar geleden.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Ik heb er moeite mee dat u degenen die het niet met u eens zijn, beschuldigt van het feit dat zij standpunten innemen op basis van beelden die niet kloppen. Dat bevalt mij helemaal niet. Ik ben er namelijk van overtuigd dat mijn fractie op het gebied van kernenergie een zeer evenwichtig standpunt heeft. Dat heeft zij niet op grond van beelden, maar op grond van feiten. Het moet u toch zeer aannemelijk voorkomen dat je op basis van feiten tot besluitvorming komt. Feiten kun je echter anders wegen en zodoende tot een andere besluitvorming komen dan u.

De heer Van Hoof (VVD):

U hebt mij niet begrepen. Als u de afweging hebt gemaakt, die u aangeeft, zult u de activiteit die ik van het kabinet vraag, ondersteunen. Ik vraag om de juiste beelden, de juiste informatie, om de juiste kennis te verspreiden en om verkeerde beelden, die misschien niet via u, maar via andere wegen wel tot stand komen, weg te nemen.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

U zegt: misschien niet via u. Ik wijs erop dat wij de afgelopen jaren verschillende keren bij de behandeling van dit dossier de degens hebben gekruist. Ik wil nu het beeld wegnemen dat wij spreken aan de hand van beelden die niet corresponderen met de werkelijkheid. Wij wegen de belangen anders, maar wij hebben onze standpunten wel degelijk op basis van feiten ingenomen.

De heer Van Hoof (VVD):

U hoeft zich door mij niet aangesproken te voelen als u meent dat het bij u niet om een beeld gaat. Ik heb aangegeven wat ik hier en daar verneem, en niet alleen ik. Ik heb in dit verband aan publicaties herinnerd. Maar er zijn kennelijk bij de bespreking van dit dossier heel veel beelden, terwijl die niet overeenkomen met de realiteit. Wat ik het kabinet daarom vraag is: goede voorlichting en duidelijk aangeven wat wel en wat niet de mogelijkheden, onmogelijkheden en de problemen zijn. Die moet je niet wegstoppen. Dat mag duidelijk zijn. Je moet tegengaan dat een verkeerd beeld wordt geschetst.

Tegen het kabinet zeg ik heel nadrukkelijk dat de Kamer heeft gevraagd of de criteria die het kabinet zal hanteren bij de verdere verdeling van de radiofrequenties, aan de orde zullen komen. Een piketpaal alvast naar voren zettend, merk ik op dat wat de VVD-fractie betreft dit criteria moeten zijn die ingaan op de bedrijfsmatige aspecten. Het mogen geen criteria zijn waarbij een alles regelende overheid uitmaakt, wat de burger in dit land wel en niet mag horen.

Helaas moeten we vaststellen dat ook bij de export sprake is van achteruitgang, wat natuurlijk alles heeft te maken met de verslechterde prijsconcurrentie. Voor je het weet, bevind je je dan op het terrein van de hoge loonontwikkeling en de te lage productiviteitsontwikkeling, een probleem dat niet alleen door de overheid kan worden opgelost, ook niet met één maatregel. Daarvoor is meer nodig. Dat is één van de redenen, waarom het najaarsoverleg moet resulteren in een uitkomst die bijdraagt aan de Nederlandse economie en de exportontwikkeling. Ik zeg de minister van Financiën daarbij na dat looneisen van 3,5% daaraan geen bijdrage leveren.

Toerisme is een sector waarvan je je, tegen de achtergrond van wat ik heb gezegd over subsidiëring, moet afvragen of daar moet worden gesubsidieerd en zo ja, in welke mate. In hoeverre is het niet gewoon een bedrijfstak, waar overigens wel een omzet van 25 mld euro wordt gemaakt en waar 235.000 mensen werken? Tegen die achtergrond vraag ik de staatssecretaris, op welke basis hij heeft besloten tot een korting op deze sector. Over de toeristenbelasting hebben wij al vaker aangegeven dat het niet acceptabel is dat die wordt gebruikt om gaten in gemeentelijke begrotingen te dichten. In het Toeristisch-recreatief actieprogramma is daarnaar een onderzoek aangekondigd. Misschien kan de staatssecretaris aangeven, wat de stand van zaken is. Overigens ben ik ook benieuwd naar de resultaten van de EU-desk als het gaat om subsidies in deze sfeer.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Wilt u mijn amendement steunen? U maakt een opmerking over de toeristenbelasting. Ik zou het enigszins met u eens kunnen zijn, ware het niet dat u ook de gemeentelijke belastingruimte via de OZB om zeep wilt helpen. Hoe moeten die gemeenten nog iets kunnen? Zij voeren toch ook verstandig beleid voor hun burgers? Iedere keer krijgen zij een tik op de neus. Hoe moet dat gaan daar?

De heer Van Hoof (VVD):

Als het om beeldvorming gaat: het afschaffen van de OZB betekent niet dat de gemeenten ineens geen inkomsten meer krijgen. U weet net zo goed als ik – zo niet, dan vertel ik het u bij dezen – dat in de vorm van de uitkering uit het Gemeentefonds...

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Wel een beetje serieus antwoord, graag. U hoeft mij geen college te geven over hoe het bestel in elkaar zit.

De heer Van Hoof (VVD):

Dan had u, het spijt mij, de vraag anders moeten stellen.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

U wilt iets afschaffen en u wilt de autonomie van de gemeenten danig beperken op een onderdeel, en dan gaan ze...

De heer Van Hoof (VVD):

Dan moet u dat niet doen met een argumentatie, alsof de OZB wordt afgeschaft zonder dat er iets voor in de plaats komt. Dát is zo'n stukje beeldvorming, dat ik wil corrigeren. Natuurlijk weet u dat. Dan had u dat beter meteen kunnen vertellen, dan had ik het allemaal niet hoeven uit te leggen. Het gat waarover ik het heb, ontstaat in ieder geval niet door afschaffing van de OZB.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

U denkt: als ik nu eens even hard blaf, wordt er wel ingehouden. U zegt dat het gat in de begroting wordt gestopt uit de toeristenbelasting. Daar zit iets in, want we weten allemaal dat dat gebeurt. Maar als u het andere belastinggebied van de gemeente ook elimineert, is het logisch dat ze dat gaan doen.

De heer Van Hoof (VVD):

Nee, wat u zegt is niet juist. U zou gelijk hebben als er voor de afschaffing van de OZB niets in de plaats zou komen. Dat is niet waar. Dat past niet in de werkelijkheid.

Voorzitter. Ik rond af. Ik ben begonnen met te verwijzen naar de demissionaire status van het kabinet en de positie van de bewindspersonen in dit kabinet. Tegelijkertijd heeft het kabinet aangegeven waar mogelijk door te willen regeren. Dat zal voor de minister in zijn dubbelpositie niet gemakkelijk zijn en ik denk dat de staatssecretaris daar qua positie en belasting ook problemen mee zal kunnen hebben. Desalniettemin hoop ik dat zij beiden op de terreinen die ik heb genoemd met maatregelen, acties en beleid willen komen. Wij kunnen daar tegen de achtergrond van de economische situatie op dit moment niet buiten.

Mevrouw Gerkens (SP):

Voorzitter. Traditioneel is het ministerie van Economische Zaken een voorpost van het bedrijfsleven. Nu de overheid steeds meer macht aan de bedrijven weggeeft, zou EZ zijn functie moeten heroverwegen. De minister zou zich serieus de vraag moeten stellen of EZ nog wel een functie heeft. Toezichthouders van EZ kunnen gemakkelijk elders worden ondergebracht en de WGTP kan terug naar Verkeer en Waterstaat. De SP weet wel een nieuwe functie voor EZ. Niet het machtige bedrijfsleven maar juist de machteloze consument verdient nu bescherming. Op het terrein van consumentenbescherming laat EZ het steeds afweten. EZ zegt bijvoorbeeld te hechten aan het kunnen vergelijken van aanbieders door consumenten en het eenvoudig kunnen overstappen, maar vervolgens wordt hiervoor geen geld uitgetrokken. Wat wil Economische Zaken nu concreet gaan doen om de beschikbaarheid van informatie en de keuzevrijheid van consumenten te vergroten?

De minister stelt verder dat de consument mondiger is geworden. Dit klopt ten dele. Ik noem nu niet de groepen die vanwege hun leeftijd niet mondiger zijn geworden. Over het algemeen is de consument mondiger geworden. Vervolgens heeft de consument te weinig middelen om zich in het strijdgewoel te werpen. Slechts 10% van de bedrijven is bij geschillencommissies aangesloten. De bedrijven laten zich steeds minder aan deze commissies gelegen liggen en de juridische mogelijkheden worden steeds duurder en daardoor beperkt. In een aantal Europese landen bestaan consumentenkamers die niet zoals de NMa, de DTE en de OPTA alleen toezicht houden op bedrijfsniveau maar zich juist bezighouden met problemen waar de consument in de praktijk tegenaan loopt. Ik wil de minister verzoeken om een onderzoek in te stellen naar de instrumentatie en de effectiviteit van het privaatrechtelijke systeem van consumentenbescherming in Nederland in vergelijking met andere Europese lidstaten. Ik overweeg hierover een motie in te dienen, maar ik wil graag eerst de reactie van de minister horen.

Voorzitter. Wij hebben ons verder verbaasd over de uitspraak van de NMa die banken verplicht om minder geld in rekening te brengen bij concurrerende banken voor gastgebruik van de pinautomaten. De banken zullen hierdoor een deel van de kosten op de klant moeten verhalen. Deze beslissing zou wel eens het einde kunnen betekenen van de gratis pinautomaten. Dit is bepaald niet in het belang van de klant. Gaat de minister ervoor zorgen dat het pinnen gratis blijft?

Mijnheer de voorzitter. Op het terrein van de energiesector heeft oud-minister Heinsbroek volgens ons het licht gezien. De privatisering van de netwerken zal worden uitgesteld tot 1 januari 2004. Dit valt samen met de verdere liberalisering van de markt. De SP is hier blij mee, maar vraagt zich af waarom de hele privatiserings- en liberaliseringsoperatie niet afgeblazen wordt. De argumenten tegen privatisering waren ook volgens de afgetreden minister sterker dan voor privatisering. Ook de liberalisering is tot nu toe niet bepaald vlekkeloos verlopen. Als iemand van leverancier verandert, moet dit binnen vijf werkdagen zijn geregeld. De minister geeft toe dat dit niet altijd lukt. Dat dit betekent dat klanten tijdelijk helemaal geen contract hebben en dat de oude leverancier de leveringsvoorwaarden in de tussentijd naar eigen prijs en inzicht invult, is de minister kennelijk niet bekend. Dit is slechts een van de vele problemen die ons ter ore zijn gekomen. Graag hoor ik hierop een reactie van de minister.

Het is jammer dat de minister veel onrust heeft gezaaid onder gebruikers van groene stroom door veel te laat met een alternatief voor de huidige regeling te komen. Het wetsvoorstel MEP dat nu voorligt, is volgens ons niet meer dan een haastig in elkaar gezet niemendalletje. Iedereen die verstand heeft van duurzame energie hekelt de subsidieverdragen die worden voorgesteld. Vooral wind op land kunnen we vergeten met de huidige plannen en ook warmtekrachtkoppeling wordt onderbedeeld. Tot slot wordt er geld opgehaald bij de verbruikers van groene stroom, maar worden grootverbruikers van vuile stroom nog steeds vrijgesteld van ecotaks.

Zelfs een verbeterde MEP geeft geen garantie dat de doelstellingen voor duurzame energie worden gehaald. Daar kunnen wij alleen zeker van zijn als wij de energiedistributiebedrijven verplichten om die doelstellingen te halen. Zij moeten daarvoor een tot 9% in 2010 oplopend gedeelte van de stroommix uit duurzame bronnen halen. Graag een reactie van de minister op dit voorstel. De SP overweegt, een motie in te dienen op dit punt.

Er is een Europese richtlijn uitgevaardigd die het versturen van ongevraagde e-mail verbiedt. Deze richtlijn moet per 1 oktober 2003 in Nederlandse wetgeving zijn omgezet. Denkt de minister dat de benodigde wetgeving voor deze datum is afgerond? Zo ja, hoe denkt hij ervoor te zorgen dat deze wet tegen die tijd ook wordt nageleefd?

Met de bezuinigingsdoelstelling is EZ hier en daar wat ondoordacht omgegaan. Ten opzichte van andere landen in Noordwest-Europa kent Nederland al sinds 1999 een neerwaartse trend in het marktaandeel van het toerisme. Toch wordt 25% bezuinigd op subsidies, terwijl het voor 2003 slechts om 1,3 mln euro gaat, elke geïnvesteerde euro er 38 oplevert en elk miljoen ook nog eens goed is voor 380 banen. Behalve ons marktaandeel en onze presentatie in het buitenland, staat ook de toegankelijkheid van recreatie in Nederland ook voor Nederlanders op het spel. Wij moeten dus eigenlijk nu meer investeren om deze trend te keren. Wij zullen het amendement van de PvdA van harte steunen.

Als laatste kom ik op de ontwikkeling van internetvoorzieningen in ons land. Hoewel ook door Economische Zaken het belang van toegankelijkheid op het net erkend wordt, dreigt er toch een tweedeling te ontstaan op dit gebied. Op het platteland is het voor bedrijven minder interessant om te investeren in ADSL of in breedband. Hierdoor blijven veel Nederlanders verstoken van deze mogelijkheid. In de optiek van de SP behoort het tot de taak van de overheid om een goede infrastructuur te garanderen voor alle Nederlanders, ook op het gebied van snel en betaalbaar internetten. Ik wil graag weten wat de minister aan dit hiaat wil doen.

De heer Hoogendijk (LPF):

Mijnheer de voorzitter. Te veel wordt gedacht dat de politiek over de economie gaat en dat de politiek uitmaakt of het goed of slecht gaat in een land. Maar in slechte economische tijden moet de regering wel degelijk een belangrijke rol spelen. Het is opmerkelijk dat in deze tijd van conjuncturele zwakte de regering de indruk wekt, vleugellam te zijn om de economie te kunnen stimuleren. Ex-minister Heinsbroek heeft geprobeerd, via een lastenverlichting van 500 mln het bedrijfsleven te helpen. Maar de regering komt in haar beleid niet verder dan het uitspreken van de hoop op een loonmatiging en dat is in mijn opinie een veel te gemakkelijke redenering.

In feite zijn wij gehandicapt in Europa doordat de regeringen geen echte conjunctuurpolitiek meer kunnen voeren. Dat is heel vervelend, omdat de huidige crisis een echte conjunctuurcrisis is, gekenmerkt door een scheefgroei in vraag en aanbod van enkele bedrijfstakken en dan met name de ICT.

Mevrouw Giskes (D66):

Had de 500 mln voor andere dingen ingezet moeten worden dan voor verlaging van de WW-premies?

De heer Hoogendijk (LPF):

Het was een klein voorbeeld.

Mevrouw Giskes (D66):

Een voorbeeld van geld waar de minister van EZ iets mee had kunnen doen?

De heer Hoogendijk (LPF):

Ik hoor van de regering wel wat zij met dat bedrag gaat doen, maar dit is één element om de economie te stimuleren. Ik vraag in mijn betoog veel meer.

Mevrouw Giskes (D66):

U doet alsof er bij EZ nog grote vrijheid is in de aanwending van de 500 mln.

De heer Hoogendijk (LPF):

Dat weet ik niet. Ik betoog dat ik dat een leuke aanzet vind, maar te weinig. Als u mij laat uitspreken, hoort u de verdere inhoud van mijn betoog.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Hoogendijk sprak over de onmogelijkheid om in Europa een actieve conjunctuurpolitiek te voeren. Dat raakt de uitlatingen van de voormalige minister van Economische Zaken over het rigide begrotingsbeleid van dit kabinet en de wens om enigszins een trendmatig begrotingsbeleid te voeren, niet alleen in Nederland, maar ook in Europa. Moet de politiek zich daar hard voor maken?

De heer Hoogendijk (LPF):

Ik wil een duidelijk antwoord geven, maar dan moet u mij mijn betoog laten vervolgen.

Wij hebben na de Tweede Wereldoorlog verschillende economische inzinkingen gehad, maar die werden gekenmerkt door een tijdelijke problematiek. Die zaken liggen nu anders. Waarom kan er nu geen echte conjunctuurpolitiek door de regering worden gevoerd? Dat komt in de eerste plaats door het Stabiliteitspact. Dit pact is gesloten om de waarde van de euro zo goed mogelijk intact te laten. Prima. De tweede begrenzing ligt in het feit dat volgens een dichtgetimmerd regeerakkoord het begrotingstekort niet groter mag worden dan 0,5% in 2003. Hoezeer ik het Stabiliteitspact ook zou willen respecteren, toch meen ik dat de regering de moed behoort te hebben, daar niet alles aan op te hangen. Het is een te grote handicap om de economie weer gezond te maken.

De regering zou de ruimte van 3% – een begrotingstekort mag immers volgens het Stabiliteitspact niet groter zijn dan 3% – optimaal moeten benutten. Kan die mogelijkheid niet eens besproken worden in het kabinet? Wat zijn de consequenties als de regering met een beroep op de conjuncturele aspecten en niet op het structurele karakter van de gestegen uitgaven het pact zou willen oprekken? Ik zou in dit verband een vergelijking willen maken met Colijn. Hij hield ook vast aan de goudstandaard met alle vervelende gevolgen van dien. Hij heeft zodoende de depressie veel langer laten voortduren dan nodig was. Vergelijkingen met Engeland en de Verenigde Staten tonen dit aan. Het gevaar dreigt wederom dat de Nederlandse regering te zeer vasthoudt aan het Stabiliteitspact en de dichtgetimmerde begroting.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Het betoog van de heer Hoogendijk spreekt mij aan, in het bijzonder de vergelijking tussen de heer Hoogervorst en de heer Colijn. Wij hebben echter net de financiële beschouwingen gehad. Ferd Crone van de fractie van de PvdA en ikzelf hebben toen een motie ingediend die helemaal in de geest is van hetgeen de heer Hoogendijk nu zegt, namelijk dat het kabinet in 2003 het uitgavenkader wat hoger moet vaststellen en minder prioriteit moet geven aan verlaging van het financieringstekort. De fractie van de LPF heeft die motie echter niet gesteund. Waarom niet?

De heer Hoogendijk (LPF):

Er zijn verschillende woordvoerders binnen de LPF-fractie. In mijn economische betoog ben ik het voor een groot deel met u eens. De financiële specialist had misschien een andere mening. Ik ga in dit opzicht heel ver met u mee.

De heer Vendrik (GroenLinks):

U zegt toch wat de LPF denkt of zegt u wat u zelf denkt?

De heer Hoogendijk (LPF):

Met wat ik nu vertel, is de LPF het eens.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Wij kunnen die motie opnieuw indienen bij dit debat en dan hebben wij volgende week een meerderheid. Dat wordt interessant.

De heer Hoogendijk (LPF):

Wij kunnen kijken of het volgende week wel lukt.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik neem uw uitnodiging van harte aan, mijnheer Hoogendijk. Wij zullen hier verder over spreken.

De heer Hoogendijk (LPF):

Afgesproken.

Ik ga verder met het begrotingstekort. In de Verenigde Staten wordt wel conjunctuurpolitiek gevoerd. Daar wordt gewerkt met grote tekorten en grote lastenverlichtingen. Het ziet ernaar uit dat door die politiek de economie in de Verenigde Staten gaat verbeteren. In Europa bedrijft eigenlijk alleen Frankrijk conjunctuurpolitiek door de belastingen flink te verlagen. Ik pleit ervoor dat het kabinet het aandurft, het begrotingstekort iets te laten oplopen. Alleen op die manier komt er geld beschikbaar om de gehele economie misschien een forse steun in de rug te geven.

De conjuncturele verzwakking van onze economie gaat samen met een structurele. De regering zou nu vooral het voortouw moeten nemen om bedrijven te stimuleren veel meer te innoveren om de technologische concurrentie met het buitenland te kunnen volhouden. Wij weten het allemaal: de concurrentiepositie van de ondernemers is verslechterd. Onze arbeidsproductie per werkende man of vrouw is circa 10% lager in vergelijking met ander Europese landen en zelfs 16% lager dan in Duitsland.

De lonen zijn slechts een van de twee factoren die de Nederlandse arbeidskosten per eenheid product hebben doen oplopen. Factor 2 is de achterblijvende groei van de arbeidsproductiviteit. Ik ben van mening dat deze tweede factor te weinig aandacht krijgt. Concrete ideeën om de arbeidsproductiviteit te verhogen, heb ik nog niet van de regering gehoord. Een belangrijke maatstaf voor de technologische dynamiek in een land is de groei van de arbeidsproductiviteit. Deze is in Nederland sinds 1982 steeds verder gedaald tot de helft van het Europese gemiddelde. De regering zet nu in op een combinatie van loonmatiging en technologische hoogwaardigheid. Men hoopt dat de bedrijven geld dat wordt bespaard op lonen, zullen investeren in nieuwe producten. Uit een artikel in Het Financieele Dagblad van 25 september jl. blijkt echter dat het bedrijfsleven dat in de afgelopen twintig jaar niet heeft gedaan. Productiviteitsverhogende investeringen zijn juist achtergebleven. De auteurs betogen in dit artikel dat loonmatiging werkt zoals het subsidiebeleid. Het stelt bedrijven met een lage productiviteit in staat om te overleven met behulp van een subsidie, in dit geval een subsidie van de werknemer.

Staatssecretaris Wijn heeft laten weten zich grote zorgen te maken over de snel inzakkende export.

Mevrouw Giskes (D66):

De heer Hoogendijk heeft gesproken over innovatie. Is de strekking van zijn betoog op dat punt dat het begrotingstekort flink opgehoogd mag worden, om dan van overheidswege meer te doen aan innovatie?

De heer Hoogendijk (LPF):

Onder andere. Dat is aan de regering. Ik pleit voor een oplopend begrotingstekort, zodat meer geld beschikbaar komt voor de stimulering van de economie. Als dat via innovatie kan gaan, heel graag!

Mevrouw Giskes (D66):

Aan welk bedrag denkt u dan? Welk bedrag zou de overheid daarvoor moeten uittrekken?

De heer Hoogendijk (LPF):

Dat is niet aan mij. Ik zit niet in de regering.

Mevrouw Giskes (D66):

Maar u heeft daar ideeën over.

De heer Hoogendijk (LPF):

Jawel, maar ik ga geen bedragen noemen. Dat is mijn taak hier niet.

Mevrouw Giskes (D66):

Maar u keurt af wat er gebeurt, u vindt dat het meer moet zijn.

De heer Hoogendijk (LPF):

Veel meer!

Mevrouw Giskes (D66):

Hoeveel is dat dan? Een, twee, veel?

De heer Hoogendijk (LPF):

Nee, ik ga hier geen wildwestbedragen noemen.

Mevrouw Giskes (D66):

Stel dat een bedrijf wel oren heeft naar zo'n subsidie, dan moet zo'n bedrijf wel een beeld hebben van het mogelijke bedrag dat daarbij aan de orde is. U moet daar toch een beeld van hebben?

De heer Hoogendijk (LPF):

Dan moet u naar de minister van Economische Zaken gaan.

Mevrouw Giskes (D66):

De minister van Economische Zaken doet het niet. Daar had u commentaar op.

De heer Hoogendijk (LPF):

Ik pleit ervoor dat de minister van Economische Zaken inderdaad een geldbuidel klaar heeft staan.

Mevrouw Giskes (D66):

Dat heeft hij niet. Uw pleidooi is dus om er wel een geldbuidel voor te realiseren. Dan moet u toch een indicatie geven van het gevraagde bedrag! Anders kan de minister van Economische Zaken immers ook niet zeggen of hij het wel of niet doet.

De heer Hoogendijk (LPF):

Ik heb aangegeven dat ik het begrotingstekort flink wil laten oplopen. Dan kunnen wij toch wel over een behoorlijk aantal miljarden spreken. Daar kun je tenminste wat mee doen.

Mevrouw Netelenbos (PvdA):

Voorzitter. Ik hoorde ook nog iets interessants over loonmatiging. De heer Hoogendijk zei eigenlijk dat loonmatiging het laagwaardige bedrijven mogelijk maakt om te overleven. Pleit hij ervoor om die hele discussie over loonmatiging achterwege te laten en de wissel om te zetten richting innovatiebeleid?

De heer Hoogendijk (LPF):

Nee, je kunt niet alleen maar roepen "loonmatiging, loonmatiging", maar je moet vooral ook de arbeidsproductiviteit verhogen. Ik vind dat het een tweesporenbeleid moet zijn en dat er te veel nadruk wordt gelegd op loonmatiging. Dat is mijn betoog.

Voorzitter. De staatssecretaris van Economische Zaken wordt er niet vrolijker op als hij zegt: de situatie van de Nederlandse economie is al bar slecht, maar met de export gaat het pas echt desastreus. Ik vind het dan ook een goede zaak dat de staatssecretaris vooral inzet op een hogere kwaliteit van onze producten. Zo wil de staatssecretaris de kennisuitwisseling tussen bedrijven en universiteiten gaan verbeteren. Dat is prima! Voorts moeten universiteiten meer vrijheid krijgen op het punt van octrooi. Ook prima! Het ministerie van Economische Zaken zal daardoor een veel gerichter beleid gaan voeren in plaats van het sproeien, wat de laatste jaren is gebeurd. Dit beleid sluit aan bij wat de werkgevers in de industrie willen: gerichte innovatiesubsidies.

In de memorie van toelichting bij de begroting staat dat buitenlandse investeringen bijdragen aan de economische ontwikkeling van Nederland op nationaal en regionaal niveau. EZ rekent het stimuleren van buitenlandse investeringsprojecten tot zijn taak. Deze leveren immers direct en indirect nieuwe arbeidsplaatsen en investeringen op. Het belangrijkste instrument voor het aantrekken van buitenlandse investeringsprojecten is een netwerk van buitenlandse EZ-kantoren in de economische centra van de wereld. Ik vraag in dit verband aan de staatssecretaris of de economische afdelingen van de ambassades hiervoor optimaal worden ingezet. Ook wil ik graag horen hoe de samenwerking tussen de ambassades en de Nederlandse kamers van koophandel in het buitenland verloopt. Is het wellicht mogelijk om de medewerkers van de economische afdeling van de ambassade toe te voegen aan de kamer van koophandel, zodat zij midden in het centrum van het zakenleven kunnen opereren? Als de staatssecretaris het hiermee eens is, wil hij dan hierover contact opnemen met de minister van Buitenlandse Zaken? Over promotie in het buitenland gesproken: de toeristensector is vanavond vaak genoemd. Die hebben blijkbaar goed gelobbyd. Het is bewezen dat de toeristische sector een belangrijke bijdrage levert aan de werkgelegenheid. Ik steun dan ook de collega's die vanavond hebben gevraagd om de bezuinigingen op dit terrein te schrappen uit de begroting.

Tot slot vraag ik de aandacht voor de motor van de Nederlandse economie, namelijk het midden- en kleinbedrijf. Daar zit de grootste banengroei. De voorzitter van het MKB, de heer Hans de Boer, wijst erop dat de banengroei zal omslaan in een afname van banen als de economische groei dit jaar bijna nihil is. Op dit moment biedt het midden- en kleinbedrijf emplooi aan zo'n kleine drie miljoen werknemers. Het is daarmee goed voor 38% van de werkgelegenheid.

De Nederlandsche Bank heeft onlangs in een rapport becijferd dat het midden- en kleinbedrijf in Nederland in de afgelopen jaren per saldo meer banen heeft opgeleverd dan het grootbedrijf. Maar als het fout gaat, verdwijnen er meer banen in het midden- en kleinbedrijf omdat kleine werkgevers minder mogelijkheden hebben om de economische malaise op te vangen dan de grote bedrijven. In dit verband vraag ik de minister wat hij vindt van een verlaging van de vennootschapsbelasting voor bedrijven met minder dan 250 werknemers. Kleinere bedrijven hebben immers minder belastingvoordelen dan grote bedrijven. Ik denk hierbij aan een percentage tussen de 3 en 5.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Kan de heer Hoogendijk mij schetsen wat hij met de verlaging van de vennootschapsbelasting voor het MKB wil bereiken? Men betaalt immers pas vennootschapsbelasting als er winst wordt gemaakt. Wie winst maakt, heeft in het algemeen een bedrijf waarmee het redelijk goed gaat. Er zijn veel faciliteiten, ook voor kleine bedrijven, die de belastbare winst drukken. Wat wil de heer Hoogendijk bereiken?

De heer Hoogendijk (LPF):

Ik ga ervan uit dat de meeste bedrijven winst maken. Die winstgevendheid kan onder andere gehandhaafd worden door de belasting te verlagen. Ik ga niet uit van de allerslechtste bedrijven in dit verband.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik herinner mij dit debat van voorgaande jaren. Eerder kabinetten hebben de VPB voor met name kleine winsten verlaagd. Dat is de eerste schijf van 30% geworden. Het kost een bom duiten als het tarief nog eens met 3, 4 of 5 procentpunten wordt verlaagd. Waar denkt de LPF dit geld te vinden in het moeilijke jaar 2003, waarin lastenverzwaring het parool is om de schatkist te beschermen?

De heer Hoogendijk (LPF):

Ik heb in het begin van mijn betoog gezegd dat er een geldbuidel moet komen om dit mogelijk te maken.

De heer Vendrik (GroenLinks):

U wilt dus een extra lastenverlichting financieren uit een hoger tekort?

De heer Hoogendijk (LPF):

Wij begrijpen elkaar goed.

Er is veel gesproken over deregulering. Zo zijn er in de horeca honderd regelingen, die vanuit negen departementen worden aangestuurd. Ik pleit ervoor dat Economische Zaken hierbij de aansturing krijgt. Het is door verschillende woordvoerders betoogd dat het belangrijk is dat hiervoor één departement verantwoordelijk wordt.

Wij weten dat 60% van de regulering vanuit Brussel aan ons wordt opgelegd. Ziet de minister kans, zoals in de regeringsverklaring is toegezegd, om de deregulering in ons land gestalte te geven op deze manier? Kan het een beleidslijn worden om voor iedere regel vanuit Brussel een regel in eigen land te schrappen? In ieder geval staat vast dat de regeldruk en de administratieve lasten voor ondernemingen moeten worden gereduceerd. Het actieplan daarvoor is fantastisch. Ik ben het eens met een aantal woordvoerders dat 1994 als ijkpunt wat vreemd is. Er moet dan ook gekozen worden voor, bijvoorbeeld, het jaar 2002.

Ik roep de minister op om ook in Brussel aan te dringen op het screenen van de EU-regelgeving. Zo heeft 75% van de EZ-regelgeving die administratieve lasten veroorzaakt een internationaal karakter. Deregulering zal dus niet alleen in ons eigen land moeten worden aangepakt.

De heer Stuger (LPF):

Voorzitter. Met betrekking tot de energievoorziening heeft de overheid een belangrijke verantwoordelijkheid: betrouwbaarheid, duurzaamheid en een goede prijs-kwaliteitverhouding moeten gegarandeerd zijn. Ik begin bij het begin en dat is het gas. In Nederland begint de energievoorziening met gas. De herstructurering van het gasgebouw verloopt niet als gepland. De belofte dat de overheid op 1 januari 2003 met een overeenkomst zou komen, wordt zeer waarschijnlijk niet gehaald. Wij zijn reuze benieuwd naar de nieuwe deadline en naar het back-upplan van het ministerie. Wat te doen als er helemaal geen deal komt? Daarnaast zijn de partijen het erover eens dat een nieuwe structuur, het kleineveldenbeleid, verloren gaat. Als dat betekent dat een significante hoeveelheid gas nooit gewonnen zal kunnen worden, dan gaan wij ervan uit dat het ministerie van Financiën adequate maatregelen treft in de sfeer van afschrijvingsregelingen, zodat de waarde van wat er in de grond zit gemaximaliseerd wordt.

Vrijmaking van de markt voor elektriciteitsdistributie gebeurt in Europees perspectief. De markt voor energie is internationaal; onze kijk op de sector moet dat dus ook zijn. Dat betekent dat Nederlandse spelers op het energieveld het moeten gaan opnemen tegen Duitse, Franse en Engelse giganten. Op den duur zal dat betekenen dat wij ze de mogelijkheid moeten geven om steun te zoeken bij nationale dan wel internationale partners om de schaal te bereiken die nodig is om in het Europese geweld overeind te blijven. De distributiebedrijven moeten zich echter eerst bewijzen. Eind 2003 gaat de markt open voor de consumenten en dan zal de switchingsproblematiek, die nu nog aan de orde van de dag is, tot het verleden moeten behoren. Wij stellen voor om zo snel mogelijk een systeemtest te laten uitvoeren om de softwareproblemen in kaart te brengen, niet door de sector zelf, maar door een onafhankelijk bureau. Als de distributeurs hun zaken op orde hebben, kan er daarna geprivatiseerd worden. Wij hebben goede waarborgen nodig om misbruik van monopolieposities tegen te gaan. Dat betekent een sterke regulator.

Dan hebben wij nog Kyoto en alles wat daarmee samenhangt. Ik doe dit dossier nu ongeveer een halfjaar. Elke vorm van energieopwekking heeft zo zijn problemen. De windmolens leveren te weinig op en er moet een hoop geld bij. Bovendien zouden er veel vogels slachtoffer van worden. De fossiele brandstoffen zorgen voor CO2-uitstoot en kernenergie heeft ook bepaalde problemen. Toch zien wij daarvoor een goede mogelijkheid, met het openhouden van Borssele. Wij denken zelfs na over het openen van nieuwe kerncentrales. Dat is de enige mogelijkheid om de doelstellingen van Kyoto te halen en om te stimuleren dat er wordt geredeneerd vanuit de energieaanbodcurve. Dan heb ik het over alternatieven voor gas en kolen. Die duurzame energievoorziening moeten wij opvoeren van 4% tot 10%, maar dat wordt snel tenietgedaan als je je geen zorgen maakt over de kwaliteit van de overige 90%. Daarin moet het bewustzijn van de burger worden gestimuleerd. Wij zijn ervan overtuigd dat de bereidheid van de burger er is, getuige de snelle opmars van groene energie, maar de kennis is beperkt. Vandaag de dag is veel groen eigenlijk niet groen en ons Nederlandse grijs is veel groener dan Duits grijs. Dat moet je de consument laten zien. Over een aantal weken zullen wij gaan praten over het MEP en dan zal mijn fractie verder op deze problematiek ingaan.

Mevrouw Giskes (D66):

Voorzitter. Ik heb ook een originele eerste zin. Het gaat niet goed met de economie. De productiviteit in Nederland is in 2001 voor het eerst in veertien jaar dalende en de concurrentiekracht van Nederland is gezakt van de derde naar de vijftiende plaats. De fractie van D66 maakt zich hier grote zorgen over. Wat wij nu nodig hebben, is een duidelijke groeiagenda met aandacht voor innovatie, het stimuleren van het ondernemerschap en een echte visie op duurzame ontwikkeling. Dat besef spreekt niet uit het Strategisch akkoord en ook niet uit deze begroting van het ministerie voor Economische Zaken. Terwijl de sociale partners kibbelen over loonmatiging had de minister van EZ zich kunnen en moeten opwerpen als waakhond van de economische structuur op langere termijn, maar degene die daarvoor was aangesteld had het te druk met de eigen ultrakortetermijnagenda en speelde liever de hoofdrol in de fabel Herman in Wonderland. De minister van Financiën die hij zou gaan aftroeven, moet nu de honneurs waarnemen. Het kan verkeren. Waarom is er eigenlijk geen nieuwe, volwaardige minister van EZ benoemd? Bepaald niet sinds gisteren vraagt D66 aandacht voor het belang van kennis en innovatie voor onze productiviteit. Maar de bezuinigingstaakstelling die EZ kreeg opgelegd, 20% van de subsidiepot, wordt grotendeels ingevuld door te bezuinigen uitgerekend op technologiesubsidies.

De ontwikkeling van een kenniseconomie vereist dat bedrijven meer doen aan research and development, dat kennisinstellingen en bedrijven goed samenwerken en dat er voldoende durfkapitaal beschikbaar is voor startende technobedrijfjes. Stroomlijnen van het technologie-instrumentarium is goed voor de efficiency en effectiviteit van het totale technologiebeleid, dat is zeker, maar de aanbevelingen van het IBO-rapport moeten vervolgens niet worden misbruikt om bezuinigingen door te voeren. Nederland scoort al onder het Europese gemiddelde als het gaat om R&D-investeringen van bedrijven. Goedkoop zal duurkoop blijken te zijn, als Nederland niet in staat blijkt de productiviteit te verbeteren. In het kader van de innovatienota kondigt het kabinet een herziening aan van de prestatie-indicatoren en streefwaarden die kan leiden tot aanpassingen in de begroting 2004. Zullen de doelstellingen naar boven of naar beneden worden bijgesteld, zo vragen wij ons af.

Om in 2010 bij de Europese kopgroep te behoren moeten de R&D-uitgaven groeien van 2% naar 3% van het BBP, in rato eenderde overheid, tweederde bedrijfsleven. Om dit te bereiken, zal het private gebruik van de publieke kennis behoorlijk moeten toenemen. De fractie van D66 kan zich dan ook vinden in de aanbeveling van het IBO-rapport om het instrumentarium meer te richten op het bevorderen van samenwerking tussen bedrijfsleven en publieke kennisinstellingen, maar het kabinet grijpt deze aanbeveling vervolgens wel heel makkelijk aan om te bezuinigen op R&D-stimulering binnen bedrijven. De TOP wordt afgeschaft, maar het vrijkomende geld komt vervolgens niet ten goede aan de WBSO of het verbeteren van de technologische samenwerking. Sterker nog: ook op de WBSO wordt stapsgewijs bezuinigd naar 50 mln euro in 2006. De WBSO staat bekend als heel effectief én goed gebruikt door het midden- en kleinbedrijf. Kan de minister overigens uitleggen waarom plantenveredelingsactiviteiten worden uitgesloten van de WBSO-regeling, terwijl die in deze sector juist goed wordt gebruikt? Hoe verhouden deze bezuinigingen zich tot het streven van Nederland om in 2010 tot de technologische kopgroep van de Europese Unie te behoren en in 2005 wat de R&D-uitgaven van bedrijven betreft tot de Europese middengroep?

Natuurlijk is er altijd de keuze tussen fiscale stimulansen en subsidies. De WBSO wordt hét instrument om R&D binnen bedrijven te stimuleren. Maar is een fiscale regeling wel de juiste keuze nu het economisch slechter gaat? Zeker als de winsten teruglopen, is de vraag of een subsidieregeling niet beter is. Kan de minister hierop reageren?

Het kabinet zegt te willen inzetten op technologische samenwerking. Maar als dat zo is, waarom wordt er dan ook 16 mln bezuinigd op de EET, terwijl de intensivering op de subsidieregeling Technologische samenwerking van 5 mln dit bij lange na niet compenseert? De fractie van D66 heeft dan ook een amendement ingediend om het verschil aan te vullen. De fractie van GroenLinks heeft dat ook gedaan. Wij bekijken nog hoe wij dat het beste kunnen regelen.

Ook worden efficiencykortingen doorgevoerd op technologische instituten waarbinnen samenwerking juist centraal staat, zoals de STW. De fractie van D66 vindt dit onterecht en heeft een amendement ingediend om deze bezuiniging in ieder geval terug te draaien. De begrote subsidies aan de technologische topinstituten lijken niet overeen te komen met de subsidievraag op basis van de verdeling 50-25-25. Kan de minister uitleggen waarom dit is?

Sprekend over technologie vraag ik mij af of het denkbaar is dat EZ op enige wijze een rol speelt bij het toch nog aanwenden van de knowhow van voormalige Fokkermedewerkers.

Zonder goed onderwijs geen kenniseconomie. Er is vooral behoefte aan goede technici. Welke invloed heeft EZ als het gaat om de problematiek rondom het tekort aan technisch geschoolden en de financieringsdiscussie van universiteiten? Kan de minister ingaan op de nieuwe criteria die gebruikt gaan worden voor de eerste geldstroom?

Het zal duidelijk zijn dat de fractie van D66 zich zorgen maakt over het gebrek aan visie en overkoepelend beleid als het gaat om de kenniseconomie. De fractie heeft niet voor niets een motie hierover ingediend bij de algemene politieke beschouwingen. De initiatieven op het gebied van kennis en innovatie zijn erg versnipperd over diverse departementen. Wie coördineert al deze inspanningen nu? Wat is de exacte rol van de nieuwe CWTI?

EZ kan een belangrijke coördinerende rol spelen inzake technologie- en industriebeleid, maar heeft en neemt EZ dat mandaat ook? Het is de fractie van D66 niet helemaal helder of de innovatienota alleen gericht is op het eigen instrumentarium of dat de instrumenten van de andere departementen hierin ook worden meegenomen. Wij krijgen graag een toelichting van de minister. In moeilijke economische tijden is het meer dan ooit noodzakelijk om te zorgen voor een goed ondernemingsklimaat. D66 is tevreden over de aandacht die gegeven wordt aan het terugdringen van de administratieve lasten naar aanleiding van de motie-Ravestein c.s. D66 vraagt zich wel af waarom er voor Actal na 2003 in de begroting geen middelen zijn opgenomen. Is er voor Actal geen blijvende rol weggelegd als "hoeder van de administratievelastendruk"?

D66 draagt een warm hart toe aan de individuele kleine ondernemer. Niet voor niets kwamen naast het administratievelastenproject ook het winkelgarantiefonds, het uitbreiden van de fiscale mogelijkheden voor bedrijfsovername door niet-familieleden en het aanpassen van de urenregeling voor zwangere ondernemers uit de koker van D66. Wij komen op voor het individu, individuele keuzevrijheid, individueel ondernemerschap, maar wél met een sociaal gezicht. Dat houdt in dat er zeker ook een rol is weggelegd voor de werkgever in de WAO-problematiek, maar natuurlijk niet ten koste van zijn eigen bedrijf. Wij missen een visie van het kabinet op het stimuleren van de kleinere bedrijvigheid, waar de groei nu juist vandaan moet komen. Welke problemen zijn er bij het MKB te verwachten in het verslechterende economische klimaat en wat stelt EZ daar tegenover? Graag krijgen wij hierbij ook inzicht in de voortgang op het dossier van herstructurering van bedrijfsterreinen en de subsidieregeling daaromtrent.

Ondernemerschap is in Nederland nog altijd niet vanzelfsprekend. De angst om te falen en de hang naar zekerheid en veiligheid weerhouden mensen nog te vaak om een eigen onderneming te starten. In het onderwijs zou aan ondernemerschap meer aandacht moeten worden gegeven. D66 zou graag zien dat scholieren op de middelbare school standaard kennis opdoen over het starten van een onderneming. Nu de commissie-Teulings toch concludeert dat het huidige economieonderwijs verouderd is, te theoretisch is en te weinig aansluit bij de praktijk, doet zich onzes inziens een prima gelegenheid voor om hierin verandering te brengen. Is de minister van EZ betrokken bij de discussie over de herziening van het economieonderwijs? En ziet hij, met ons, aanleiding om hierin meer aandacht te besteden aan het ondernemerschap als zodanig? Eventueel zullen wij hierover een motie indienen.

Het ondernemerschap is ook aantrekkelijker te maken door de faillissementswetgeving aan te passen. Daarvoor heb ik bij de algemene financiële beschouwingen al aandacht gevraagd. Ik vraag de minister nu, met een EZ-pet op, om nog eens in te gaan op dit onderwerp, en dan met name op onze suggestie om de afwikkeling van betalingsproblemen meer inéén hand te leggen en de preferente positie van de belastingdienst en de uitvoeringsinstanties voor de sociale zekerheid op te heffen.

De toerisme- en recreatiebranche is een duidelijk voorbeeld van individueel ondernemerschap Ik sluit me aan bij de vragen van de PvdA op dit vlak.

Wil de minister nog eens duidelijk aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot de scheepsbouw en hoe de bezuinigingen op de CV-regeling zich verhouden met de moeilijke tijden waarin de sector zich nu bevindt en wat op dit front kan worden verwacht?

D66 staat voor vooruitstrevend en liberaal, voor een duurzaam Nederland waarin economische groei en milieu niet tegenover elkaar, maar naast elkaar staan. Technologische innovaties spelen een sleutelrol bij duurzame economische ontwikkeling. Duurzaamheid zal meegenomen worden in de Innovatienota, zo moeten wij maar hopen. Wij krijgen graag bevestigd dat dit het leidend beginsel zal zijn! En wij zullen in die nota graag bijvoorbeeld serieuze aandacht voor zonne-energie terugvinden.

Tot slot is D66 een groot voorstander van breedband voor iedereen. D66 pleit voor een standaard breedbandaansluiting in elke nieuwbouwwoning. Hiervoor is een plan van aanpak nodig. Kan de staatssecretaris hier op ingaan?

D66 wil de verspreiding van ongewenste e-mail bestrijden. Mensen worden nog altijd ongevraagd lastiggevallen door zogenaamde spam-mail.

De heer Vendrik (GroenLinks):

U wilt breedband in alle nieuwbouw. Hoe denkt u dat te realiseren? Moet zoiets geregeld worden via de aanpassing van het bouwbesluit? En wie moet dit betalen? Moet het uit de grote som van zo'n bouwproject komen? Wie is de financierende partij?

Mevrouw Giskes (D66):

In principe moet zoiets binnen de markt zelf worden geregeld. Ik vind niet dat dit per definitie allemaal van overheidswege moet worden gefinancierd. Wel zullen er, net als bij andere soorten aansluitingen, altijd aansluitingen zijn die moeilijk financieel rond zijn te krijgen. De overheid moet in dat geval een aanvullende rol spelen op het bedrijfsleven, dat natuurlijk primair met dit soort voorzieningen bezig is. Ik laat het graag aan de creativiteit van Economische Zaken over om te bedenken hoe dit het beste kan worden geregeld, via het bouwbesluit of anderszins. Dat het er moet zijn, is voor ons duidelijk.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik had gehoopt, de creativiteit van mevrouw Giskes op dit punt te prikkelen. Dit lijken mij namelijk de kernvragen in het debat over breedband. Wie betaalt en bepaalt (dan meestal ook)? Hoe regel je het precies? Zeker ten aanzien van nieuwbouwprojecten is de vraag van belang: wie draagt de kosten van de financiering? Investeerders zullen het niet doen als er niet een zekere vraag is. Die is er nog niet bij een nieuwbouwproject, want er zijn nog geen bewoners. Het probleem is dat iedereen op iedereen wacht. Wie verbreekt als eerste die vicieuze cirkel? Wellicht heeft mevrouw Giskes daar nog gedachten over.

Mevrouw Giskes (D66):

Niet zo concreet dat ik hier een prachtig plan kan ontvouwen. In het verleden werd echter de telefoonaansluiting geregeld, ook al waren de nieuwe bewoners er nog niet. In dat licht moet het mogelijk zijn om ook bij breedband tot een goede voorziening te komen. De heer Vendrik vraagt mij echter te veel als ik hier een uitgewerkt plan op tafel moet leggen. Ik doe echter wel een ernstig beroep het ministerie van Economische Zaken als de aangewezen "hoek" van waaruit moet worden gestimuleerd dat het ervan komt. Wellicht dat wij morgen in de beantwoording een eerste aanzet daartoe vernemen. Vervolgens kunnen wij daarop nog doorgaan. De staatssecretaris knikt heel bemoedigend; dat belooft nog wat.

De D66-fractie wil de verspreiding van ongewenst e-mail bestrijden. Mensen worden nog altijd ongevraagd lastig gevallen met "spam-mail". Op Europees niveau is inmiddels wetgeving aangenomen om dit te bestrijden. De D66-fractie wil dat deze wetgeving snel in Nederland wordt geïmplementeerd. Wanneer neemt het kabinet hierbij concreet actie, zodat de termijnen die ervoor staan, worden gehaald?

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Voorzitter. Onder paarse kabinetten hadden wij zorg over de toenemende economisering en commercialisering van het leven. Daaronder versta ik dat economische waarden andere waarden, zoals sociale, culturele, en godsdienstige, gaan overheersen. Een schoolvoorbeeld van die economisering is de verruimde Winkeltijdenwet.

Dit kabinet vindt normen en waarden belangrijk. Alleen al daarom zou de genoemde economisering tot kritische bezinning moeten leiden. De Winkeltijdenwet is geëvalueerd, maar louter op zijn economische effecten. Zo komen wij niet verder; dat bleek al in 1999. Het CDA diende toen, bij monde van de huidige staatssecretaris, een motie in om het aantal koopzondagen terug te dringen. In dat licht heb ik wel verwachtingen van dít kabinet als het gaat om het beperken van het aantal koopzondagen en de duur van de avondopenstelling. Ik overweeg in de tweede termijn de Kamer daarover een uitspraak te vragen. Ik hoop echter dat dit niet nodig is en dat de staatssecretaris dit gewoon toezegt.

De zondagsopenstelling leidt tot overlast en ongewenste schaalvergroting. De onvrede in kleinere gemeenten hierover is groot: er verdwijnen allerlei voorzieningen, ook de kleine zelfstandigen. De economische voordelen vallen zwaar tegen en mensen staan relatief onverschillig tegenover de koopzondagen. Belangrijker is echter dat het kabinet met het terugdringen van het aantal koopzondagen metterdaad kan aantonen, ook andere dan louter economische waarden hoog in het vaandel te hebben.

De heer Van Hoof (VVD):

Ik ga maar even voorbij aan al die andere activiteiten die er op zondag zijn, waarvan de heer Van Dijke weet dat die maatschappelijk gewenst zijn. Ik begrijp niet dat hij hier een betoog houdt dat die winkelmogelijkheden op zondag heel verschrikkelijk zijn; alsof hij de wijsheid in pacht heeft. Toen ik het zonet had over kernenergie, verweet hij mij dat ik geen rekening hield met zijn afweging. Ik zou hem in dit licht willen vragen om nu ook wat terughoudender en genuanceerder te zijn in zijn beoordeling.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Ik begrijp niet waarover de heer Van Hoof het heeft. Ik signaleer een aantal verschijnselen die samenhangen met winkelopenstelling op zondag. Ik vind dat wij van die openstelling af moeten. Het grote voorrecht van een collectieve rustdag wordt er onnodig geweld mee aangedaan.

De heer Van Hoof (VVD):

Ik probeer de heer Van Dijke uit te leggen dat ik, net zoals hij zojuist bij dat andere dossier, ook deze afweging heb gemaakt. Daarbij heb ik gekeken naar wat er op zondag sowieso al gebeurt; dat willen wij ook met zijn allen. Mensen hebben daar behoefte aan. Nogmaals, dan begrijp ik niet dat de heer Van Dijke hier nu uitlegt dat heel Nederland moet vinden en moet doen wat hij heeft bedacht. Dat gaat echt te ver. Wat hij mij net verweet, krijgt hij nu echt terug.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Dit is een rare interruptie. Ik doe niet anders dan de nadelen die ook in de evaluatie naar voren kwamen, hier breed over het voetlicht brengen en niet meer dan dat. Mijn politieke overtuiging brengt mij ertoe dat ik grote waarde hecht aan een collectieve rustdag. In uw politieke overtuiging is economisch gewin erg belangrijk. Die twee zaken staan op sommige momenten tegenover elkaar en dan moet je een keuze maken.

De heer Van Hoof (VVD):

U respecteert dus mijn standpunt over kernenergie. Dan zal ik uw standpunt over de zondagsrust respecteren.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Er kan geen enkel misverstand over bestaan dat ik de politieke opvatting van de heer Van Hoof over kernenergie respecteer. Ik maak alleen een andere afweging wanneer ik de feiten tot mij neem. Waar ik mij in het interruptiedebat met de heer Van Hoof aan stoorde, was dat hij de suggestie liet bestaan dat ik, wanneer ik mijn afwegingen maak, dat doe aan de hand van beelden die niet corresponderen met de feiten. Dat heb ik bestreden.

Voorzitter. Het is teleurstellend dat onder verantwoordelijkheid van deze minister opnieuw zal worden gewerkt aan verruiming van het kansspelbeleid. Zelfs commerciële casino's worden mogelijk. Wat is hiervan de achterliggende hogere doelstelling? Hoe is deze stap te rijmen met het pleidooi voor normen en waarden, een pleidooi dat ook bij deze minister een warm onthaal kreeg?

De kritische bezinning die de minister wil over liberalisering en privatisering van nutssectoren, zoals de energiesector, spreekt de ChristenUniefractie zeer aan. Het moratorium op privatisering van regionale energiebedrijven tot 2004 juichen wij toe. Terecht wordt daarmee het adagium "eerst liberaliseren, dan privatiseren" in ere hersteld. Ook ben ik erg tevreden dat de datum van 1 oktober 2003 voor de liberalisering van de energiemarkt voor consumenten is losgelaten. Nog steeds kan dit te optimistisch zijn, als wij kijken naar de gigantische overstapproblemen die optraden in de eerdere fasen, maar vooral ook bij de opening van de groenestroommarkt. De minister bezweert, ook in antwoord op vragen van mijn kant, dat hij goed in de gaten gaat houden of de energiebedrijven er klaar voor zijn. Maar hoe? Gaat hij af op de blauwe ogen van de directeur of laat hij inspecties verrichten op de bedrijfsvloer? Garandeert de minister dat de stroomconsumenten er voor 100% van op aan kunnen, dat het licht ook na 1 januari 2004 blijft branden en dat zij geen hinder zullen ondervinden van vastgelopen computersystemen en administratieve overbelasting? De frustratie bij veel burgers hierover is groot. Ik wijs er bovendien op dat Nederland met de opening van de energiemarkt voor consumenten echt vooruitloopt in EU-verband. Ik vraag mij echt af waarom dit moet. Dit kabinet wil toch met Europa in de pas blijven en niet langer het spreekwoordelijk braafste jongetje van de klas zijn?

De discussie over liberalisering raakt ook de posterijen. Wijst het feit dat het kabinet het Directoraat-Generaal Telecommunicatie en post heeft ondergebracht bij de minister van Economische Zaken, op versnelling van de liberalisering van de Nederlandse postsector, terwijl Europa zelf aarzelt? Hoe zal dat in de toekomst gaan met de aanwezigheid van postagentschappen in kleine dorpen, en de kwaliteit van de postbezorging enzovoort? Duidelijk is dat TPG zich klem gezet voelt tussen enerzijds de stellige uitspraken van de OPTA over snelle liberalisering en anderzijds onzekerheid over de lijn en de visie van het kabinet. Een snelle uitspraak over de tarieven van postbezorging zonder zich uit te laten over het totale dienstenpakket van TPG is wel erg gemakkelijk. Wil de minister op dit punt zijn visie eens geven? Het getuigt misschien wel van behoorlijk bestuur, gelet op de overgangsfase waarin het bedrijf verkeert, om voordat je tot ingrijpen komt, ordentelijk te overleggen met het bedrijf waar het om gaat.

In een ANP-interview werd het nieuwe devies van staatssecretaris Wijn gepresenteerd: ondernemen tegen armoede. In hoeverre is hier sprake van nieuw beleid? Kan de staatssecretaris de reikwijdte, de consequenties en de financiële implicaties van zijn visie uiteenzetten of de Kamer doen toekomen?

De laatste tijd worden wij benaderd door ex-werknemers van Fokker, die met vele argumenten aangeven dat een herstart van Fokker een reële optie zou zijn. Kent de minister deze argumenten? Als dat niet zo is, wil ik de op schrift gestelde argumenten wel aan hem doen toekomen. Mij interesseert namelijk de visie van de minister op dit punt. Kan hij de Kamer, al dan niet schriftelijk, zijn opvatting over deze kwestie geven?

De heer Vendrik (GroenLinks):

De Kamer heeft zich de afgelopen jaren veel zorgen gemaakt over de postkantoren in de kleine kernen. De heer Van Dijke heeft dat gedaan en wij ook. De heer Van Dijke zei echter ook dat wij bij de verandering in de postmarkt ook rekening moeten houden met de positie van TPG. Op het punt van de postkantoren is er een evaluatie van de OPTA, waarin staat dat TPG behoorlijk voldoet aan de regels die zijn gesteld in het BARP. Kortom, als wij iets willen doen voor de postkantoren in de kleine kernen, zouden wij beleidsmatig in moeten grijpen in de regels van het BARP. Ik zou daar voorstander van zijn. Wij zouden de regels van het BARP dus moeten aanscherpen, zodat men wordt verplicht om meer postkantoren open te houden. Wat is de mening van de heer Van Dijke hierover? Van hem begrijp ik dat wij heel voorzichtig moeten zijn met deze staatsmonopolist.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Ik pleit niet voor voorzichtigheid, maar voor zorgvuldigheid. Er worden nu grote stappen gezet, terwijl het hierbij gaat om een bedrijf dat te maken heeft met de overgang naar een open markt. Men gaat zo ver dat men ingrijpt in de prijsvorming. Dat is overigens terecht, want het betreft hier een monopolist. Het lijkt mij echter op zijn minst fatsoenlijk dat je met zo'n bedrijf gaat praten over de stap die je wilt zetten. Naar mij is geworden heeft nog nietéén bewindspersoon ooit met deze toch tamelijk grote speler op het veld gesproken. Mij dunkt dat je met zo'n bedrijf spreekt, al was het alleen maar vanwege het fatsoen. Dan heb ik het nog niet eens over de uitkomst van het gesprek. Misschien krijgen we wat er nu is.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Hopelijk voelt u zich net zo vrij als ik om straks in het algemeen overleg over de postkantoren te vragen voor TPG extra regels te stellen, zodat meer postkantoren worden opengehouden. Dat AO gaat er namelijk komen.

De heer Van Dijke (ChristenUnie):

Ik voel mij in dit debat ontzettend vrij. Ik zeg alleen: als je in deze overgangssituatie tot zulke maatregelen komt, spreek dan eerst met het bedrijf dat het betreft. Maak je eisen bekend, zeg wat je van het bedrijf verlangt en kijk dan welke implicaties dat heeft voor de kostprijs die voor dit soort diensten geldt. Zo eenvoudig is het leven soms.

De heer Van der Vlies (SGP):

Mijnheer de voorzitter. Op dit late uur een korte bijdrage van de SGP-fractie aan het debat over de begroting van EZ. Wij prijzen ons overigens gelukkig dat, zoals altijd, de samenleving aan onze lippen hangt!

In het blad Ondernemen van november 2002 stond dat wij volgens de staatssecretaris af moeten van de doorgeschoten marktwerking van de afgelopen jaren. Dat is de SGP-fractie uit het hart gegrepen. Graag zouden wij zien dat dit in daden werd omgezet. De economie is er immers niet ten koste, maar ten dienste van de samenleving. We vragen daarom de regering in een notitie helder uiteen te zetten welke randvoorwaarden zij stelt aan marktwerking, liberalisering en privatisering om ongewenste neveneffecten te voorkomen. De SGP-fractie denkt onder meer aan ethische aspecten, zoals het hanteren van het voorzorgsbeginsel en aan het tegengaan van roofbouw op de schepping, de grote nadruk op efficiency en de verhoging van de arbeidsproductiviteit met de hierdoor optredende gevolgen als hoge werkdruk en burn-out. Ook zou er aandacht moeten zijn voor betrouwbaarheid, waarbij ik denk aan de boekhoudschandalen. Verder moet er aandacht zijn voor zorgvuldigheid, innovatie en de prijseffecten van liberalisering. Kan deze notitie worden toegezegd?

Mevrouw Giskes (D66):

Om te bewijzen dat wij echt aan uw lippen hangen: vindt u echt dat deze vraag nog aan dit kabinet moet worden gesteld?

De heer Van der Vlies (SGP):

Dat heb ik me afgevraagd. Je zou kunnen zeggen: adresseer dat maar aan het komende kabinet. Wij hebben een afweging gemaakt. Ik wijs erop dat wij er met open ogen voor hebben gekozen om deze begroting te behandelen. Dan nemen wij die behandeling ook serieus. Ik verwacht dan dat deze bewindslieden in staat zijn om een opdracht van de Kamer door te geleiden naar de ambtsopvolgers. Dat is onze redenering.

Mevrouw Giskes (D66):

Daar hebt u gelijk in, maar dit is toch een redelijk politiek beladen onderwerp.

De heer Van der Vlies (SGP):

En zo belangrijk dat wij dit elk moment willen zeggen. Als datgene wat wij vragen niet gebeurt, gaan wij de vraag bij het nieuwe kabinet herhalen. Op voorhand verblijd ik mij in uw warme steun en belangstelling.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik wil uw verzoek krachtig ondersteunen, hoewel ik dezelfde aarzelingen had als mevrouw Giskes.

De heer Van der Vlies (SGP):

Dat is begrijpelijk

De heer Vendrik (GroenLinks):

Betekent uw verzoek dat u meer wilt weten dan staat in de verschillende stukken die wij van het vorige kabinet hebben gekregen? Ik noem de kabinetsreactie op het WRR-rapport Borgen van publiek belang. Er is een apart stuk verschenen van mevrouw Jorritsma, destijds minister van Economische Zaken, waarin staat hoe de liberalisering van netwerksectoren gestalte zou moeten krijgen en op welke manier de publieke belangen dan wel of niet geborgd zouden moeten worden. Wat ontbreekt in uw visie aan de stukken die voorliggen en die dit kabinet van het vorige heeft overgenomen? Welk punt is volgens u het meest urgent?

De heer Van der Vlies (SGP):

Ik was even bang dat u mij ging overhoren. Dan kijk ik even snel, hoe ik hieronder kan terechtkomen! Maar het valt mee, het is gewoon een beleidsvraag, te weten wat de toegevoegde waarde is ten opzichte van de stukken die er al liggen. Het antwoord: de integratie, heel belangrijk. Dan is er dit, dan is er dat, sectoraal, prima, maar integratie lijkt mij de toegevoegde waarde. Zo heb ik dat althans willen zeggen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik wil dat absoluut niet bestrijden.

De heer Van der Vlies (SGP):

Kijk an!

Dat de regering de administratieve lasten fors wil terugdringen, is positief. In het plan van aanpak lijkt de regering vooral te willen aansluiten bij de ergernisfactoren voor ondernemers. Dat is logisch. Maar daarbij mogen de publieke belangen uiteraard niet uit het oog worden verloren. Het kan niet de bedoeling van de regering zijn, ongenormeerd volgend te zijn, en de eigen verantwoordelijkheid van de overheid op dit punt buiten spel te zetten, het gaat altijd om een balans. Ik neem aan dat dat bevestigd kan worden.

Een van de belangrijkste punten uit de MDW-operatie en de BBBB(Beter bestuur voor burger en bedrijf)-operatie was de Winkeltijdenwet. Juist dit is zo'n onderwerp waar de SGP-fractie van de regering een heldere normstellende lijn verwacht. We constateren dat de vorige minister stelde niets te willen veranderen aan deze wet. Ook wij willen op dit terrein beslist geen verdergaande liberalisering. Integendeel, wij zullen op grond van – ik zeg het ronduit – godsdienstige en sociale overwegingen ervoor blijven strijden de mogelijkheid 's zondags winkels open te stellen, ongedaan te maken.

Welke regels stelt de regering om stuntverkopen met alcohol, vaak nachtelijk, tegen te gaan? Daarover zijn door mij kamervragen gesteld, waarover ik een toezegging heb gekregen: er zou aan worden gewerkt. Stilte daarna! Hoe staat het met dit dossier? Wanneer krijgen we operationele voorstellen? Het is toch te gek voor woorden dat er 's nachts stuntverkopen alcohol plaatsvinden! Alcoholmatiging, dat was het thema! Dit is contrair. Afschaffen die handel.

De SGP-fractie is een groot voorstander van de gedachte dat bedrijven meer moeten en kunnen doen dan alleen het verhogen van de winstcijfers. Bewustwording van de verantwoordelijkheid van mensen en bedrijven is van nog groter belang dan publieke verantwoording. Op dit moment lijken vooral de grote en internationaal opererende ondernemingen de aandacht te krijgen, en natuurlijk niet ten onrechte. Wat is de concrete inzet van het kenniscentrum MVO bij het stimuleren van initiatieven op lokaal en provinciaal/regionaal niveau?

De SGP-fractie is positief over het initiatief, een garantiefonds detailhandel MKB in te stellen dat erop is gericht, goede kansen te bieden aan de detailhandel. In dit kader benadrukken we, onder andere met collega Hessels, met klem het belang van goede voorzieningen, zoals winkels en postagentschappen in de kleine kernen. Een kaalslag moet ten enenmale worden voorkomen. Het raakt de burgers direct in de kwaliteit van hun woonomgeving.

Mevrouw Giskes (D66):

Is dat garantiefonds iets anders dan het Winkelgarantiefonds van collega Van Walsem in de vorige periode?

De heer Van der Vlies (SGP):

Dat heb ik even – ik zeg dat in alle oprechtheid – niet scherp. Ik kwam tegen in de stukken dat er een initiatief is om een garantiefonds te gaan instellen. Dat vind ik positief. Wie de vader daarvan is, ben ik even kwijt.

Mevrouw Giskes (D66):

Dan heb ik een blijde boodschap voor u: het is er bij mijn weten zelfs al. Dat zou helemaal mooi zijn!

De heer Van der Vlies (SGP):

Mag ik daar even naar kijken? Die draad ben ik even kwijt.

Met verschillende regio's zijn regioconvenanten gesloten. Kloppen de berichten, bijvoorbeeld uit landsdeel oost, dat deze convenanten niet worden uitgevoerd? Wat is het beleid van deze regering op het terrein van de ontwikkeling van de regio's?

De regering wil Nederland economisch een koppositie geven. Innovatief ondernemen is van groot belang om de concurrentiepositie te bevorderen. De regering stelt "Excelleren in innovatie" als een hoofddoelstelling, maar kort wel stevig op de subsidies. Een innovatieve houding over innovatiesubsidies is positief, maar het is ongewenst te korten zonder er iets tegenover te stellen of naast te leggen.

Nederland heeft een eeuwenlange traditie als zeevarende natie. De SGP-fractie wil graag de hoogwaardige technologie en kennis voor Nederland in deze sfeer behouden. Wil de minister zich op Europees niveau er sterk voor maken om scheepswerven in gelijke posities gelijke mogelijkheden te geven en de in sommige landen voorkomende indirecte staatssteun anders dan de 6%-regeling tegen te gaan?

Is de regering bereid een haalbaarheidsonderzoek te starten naar een herstart van Fokker, zoals uit de hoek van oud-Fokkermanagers wordt bepleit?

De SGP-fractie zet kanttekeningen bij de volledige liberalisering van de energiemarkt. De begroting spreekt over een doelmatige en duurzame energievoorziening. Wat zijn de precieze risico's en gevolgen voor consumenten als de liberalisering per 1 oktober 2003 doorgaat? Kunnen zij blijvende kwaliteit en betrouwbaarheid verwachten?

Wat ziet de regering als haar taak in het stimuleren van duurzame energieprojecten door energiemaatschappijen? Als het gaat over verantwoord ondernemen, ligt hier een duidelijke taak voor deze bedrijven.

We zijn positief over de intentie die uit dit wetsvoorstel spreekt om groene energie te bevorderen en een weglek naar het buitenland te voorkomen. Wij krijgen binnenkort de MEP-discussie. Wij vragen uw aandacht voor de windmolenparken. Zijn de berichten dat er door Essent gedreigd is te stoppen met de bouw van windmolenparken juist? Hoe gaat de regering hiermee om in het licht van de doelstelling het aandeel duurzame energie te verhogen?

Voorzitter. Een klein maar belangrijk vraagstuk voor veel ouderen in de samenleving is een betaalbare kerktelefoon. Wanneer kunnen we de eerste resultaten van het onderzoek naar alternatieven naar aanleiding van de motie-Van den Berg/Wagenaar (27400 XII, stuknr. 47) tegemoet zien?

Voorzitter. Ik sluit af. De verruiming die is voorgenomen bij het kansspelbeleid, stuit op grote weerstand in mijn fractie.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Wij zijn hiermee gekomen aan het eind van de eerste termijn van de Kamer. Morgen zal het antwoord van de regering volgen en waarschijnlijk ook de tweede termijn van de Kamer en de regering.

Sluiting 23.45 uur

Naar boven