Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van de wetsvoorstellen:

Tijdelijke wet voor de penitentiaire noodcapaciteit ten behoeve van drugskoeriers (Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers) (28201);

Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in verband met het verblijf van in bewaring gestelde verdachten alsmede arrestanten in een politiecel (verblijf in politiecellen) (28202).

De algemene beraadslaging wordt hervat.

Minister Korthals:

Voorzitter. Het gezegde luidt "nood breekt wet". Uit dit gezegde blijkt wel dat het maken van wetgeving voor noodsituaties een moeilijke aangelegenheid is. Het lijkt er zelfs van uit te gaan dat het om twee onverenigbare zaken gaat. Toch spreken wij vandaag over twee maatregelen op het gebied van wetgeving die moeten bijdragen aan een oplossing voor de problematiek van de drugskoeriers.

Een van de doelstellingen van het plan van aanpak is dat aangehouden drugskoeriers niet meer behoeven te worden heengezonden wegens een tekort aan celcapaciteit, zelfs niet met een dagvaarding. Tot ver in 2001 zijn wij er vrijwel steeds in geslaagd om met de toepassing van het reguliere beleidsinstrumentarium de groeiende stroom aangehouden drugskoeriers op te vangen. Eind 2001 dreigde de situatie te ontstaan dat wel zou moeten worden heengezonden. De brieven van de hoofdofficier te Haarlem daarover zijn u bekend.

Helaas is de situatie ten opzichte van enkele weken geleden niet gewijzigd. De meest recente informatie over de ontwikkelingen op Schiphol wijst op een nog groeiend probleem. Om die ontwikkelingen het hoofd te kunnen bieden, is de thans voorliggende wetgeving noodzakelijk. Die maakt het mogelijk dat wij op korte voorzieningen treffen die het capaciteitsprobleem in de verschillende schakels van de keten oplossen. Bovendien krijgen wij tijd om meer structurele maatregelen te nemen. Momenteel zijn maatregelen van verschillende orde noodzakelijk, ook op het terrein van wetgeving. Daarbij moeten ook maatregelen worden genomen die beogen te voorkomen dat elders problemen ontstaan.

De drugshandel moet niet worden onderschat in de mate waarin zij snel in staat is om in te spelen op de maatregelen die wij hier nemen. Het gaat om buitengewoon cynische en op winst beluste organisaties waarvoor alleen het nettoresultaat telt. De opbrengst moet maximaal zijn en wordt gerealiseerd zonder aanziens des persoons. De aanpak van de drugskoeriers moet ook daarop anticiperen.

De aanleiding van deze noodwetten is voor mij geweest het ambtsbericht van het college van procureurs-generaal begin januari waarin de nood werd geschetst en de verschillende scenario's aan mij werden voorgelegd. Ik heb toen besloten om met noodwetgeving te komen. Duidelijk was toen dat het grote aantal drugskoeriers met geen mogelijkheid in het reguliere gevangeniswezen binnen de bestaande wettelijke kaders kon worden opgevangen. Het alternatief zou zijn om deze mensen door te laten dan wel heen te zenden nadat de drugs zijn afgepakt. Inmiddels heeft de Kamer duidelijk aangegeven dat dit geen alternatieven zijn. Ik ben het daarmee eens.

De noodwetgeving is wel een alternatief. Het eerste wetsvoorstel is de tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers. In deze wet wordt een zelfstandige regeling gegeven voor de insluiting van drugskoeriers in de noodcapaciteit waar momenteel druk naar wordt gezocht en onderhandelingen over worden gevoerd. De tijdelijke wet heeft een beperkte werkingsduur van een jaar. Het tweede wetsvoorstel dat vandaag op de agenda staat is een regeling voor verblijf in politiecellen. Uit de verschillende bijdragen van de fracties merk ik dat ik de Kamer heb weten te verrassen met het voorstel van de tijdelijke wet. Alhoewel de fracties erkennen dat maatregelen nodig zijn, stellen zij kritische vragen over de wijze waarop de rechtspositie zal worden ingevuld van de gedetineerden die in de noodcapaciteit zullen worden opgesloten.

Laat ik vooropstellen dat ook ik voorstander ben van een goede rechtspositieregeling, juist voor personen in onze samenleving die door het feit dat zij gedetineerd zijn daarin al worden beperkt. Met het oog daarop wordt de tijdelijke wet voorgesteld voor een in de tijd beperkte duur en voor een beperkte groep van gedetineerden, te weten de drugskoeriers. Op deze wijze probeer ik de standaard die wij in Nederland gewend zijn, zo min mogelijk te beïnvloeden. Ik moet daarbij evenwel concessies doen. De gebouwen waar drugskoeriers ingesloten zullen worden, zullen weliswaar fatsoenlijk zijn, doch niet de mogelijkheden bieden die de reguliere inrichtingen wel hebben. Ook het personeel zal beperkingen opleggen. Alhoewel thans hard gewerkt wordt om voldoende personeel te werven en op te leiden, zal ook hier het niveau lager liggen dan wij gewoon zijn. Beide vormen de achtergrond voor de beperkte rechten die gegeven zijn. Wat ik niet kan garanderen, heb ik niet in de wet opgenomen. In antwoord op de vragen die de leden van de fracties op die onderdelen hebben gesteld, zal ik dit nog eens specifiek toelichten. Ik hecht eraan, op te merken dat ook dit wetsvoorstel voldoet aan alle verplichtingen die Nederland internationaal is aangegaan. Ook de Raad van State heeft het daaraan getoetst. Het wetsvoorstel is naar aanleiding van die toetsing nog op verschillende punten aangepast.

Ik wil de Kamer op voorhand informeren over een wijziging in de voorzieningen die ik momenteel voorzie. Het gaat dan om de plaatsing van drugssmokkelaars die nog drugs in hun lichaam hebben. In de nota naar aanleiding van het verslag zei ik in antwoord op een vraag van de leden van de ChristenUnie nog dat deze personen niet in de voorzieningen als bedoeld in de tijdelijke wet zouden worden geplaatst, omdat hiervoor voorzieningen nodig zijn met extra medisch personeel. Bij de realisatie van de voorzieningen ga ik er evenwel voor zorgen dat daar ook speciale afdelingen zullen komen waar deze slikkers met drugs in hun lichaam kunnen worden geplaatst. Bij die afdelingen zal dan extra medisch personeel beschikbaar zijn om in de daarbij behorende zorg te kunnen voorzien.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Mag ik aannemen dat voor deze voorziening in de noodcapaciteit dezelfde normen en vereisten gelden als voor de reguliere slikkerscellen op Schiphol?

Minister Korthals:

Het antwoord daarop is volmondig ja.

De aanleiding voor het wetsvoorstel inzake verblijf in politiecellen is gelegen in een gewijzigde opvatting van de rechter, onder meer in Rotterdam, over de plaats waar de voorlopige hechtenis ten uitvoer mag worden gelegd. De Penitentiaire beginselenwet gaat ervan uit dat de voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd in een huis van bewaring. De rechter gaf aanvankelijk in overmachtsituaties in verband met plaatsingsproblemen in een huis van bewaring of logistieke problemen in verband met het regelen van vervoer naar een huis van bewaring de mogelijkheid tot het gedogen van voortgezet verblijf in een politiecel. Zoals gezegd, is de rechter in een aantal arrondissementen teruggekomen op dit gedoogbeleid. De dienst Justitiële inrichtingen heeft de politiecellen nodig als buffercapaciteit. Wij hebben daar al vaker over gepraat. Het is niet altijd mogelijk om direct na het afgeven van het bevel tot bewaring de gehechte te plaatsen op een daarvoor geschikte plaats. Ook is het in verband met logistieke problemen niet altijd mogelijk om het vervoer terstond geregeld te hebben. Daarnaast kan in tijden van piekbelasting, bijvoorbeeld veroorzaakt door een toenemend aantal drugskoeriers, voortgezet verblijf in een politiecel een bijdrage leveren aan het flexibel gebruik van de beschikbare celcapaciteit. In mijn brieven van 5 september 2001 en 10 december 2001 heb ik dan ook een wettelijke regeling aangekondigd voor voortgezet verblijf in een politiecel. Het voornemen voor deze wettelijke regeling was al aanwezig los van de problematiek van de drugskoeriers, maar is door de mede daardoor ontstane capaciteitsproblemen wel in een stroomversnelling geraakt.

Ik kom nu toe aan de beantwoording van de gestelde vragen. Ik ga eerst in volgorde van de sprekers in op de vragen over de noodwet en vervolgens op de vragen over de andere wet. De heer Rouvoet heeft gevraagd of de beperkingen van grondrechten verder gaan dan nodig is en of een en ander wel goed verantwoord is. Misschien is deze vraag een goede aanleiding om nog eens het karakter van de noodwet aan te geven. De noodwet is vormgegeven volgens het minimum dat ik kan garanderen en dat aan de internationale normen voldoet. Omdat ik de exacte omstandigheden van de locaties nog niet ken, kan ik niet tot in detail regelen wat wel en wat niet kan. Ik had de wet kunnen aanvullen met bepalingen waarin nog meer met "zoveel mogelijk" gewerkt zou zijn, maar ik neem aan dat de Kamer dat niet zou hebben gewaardeerd, omdat daar in feite weinig mee zou worden gezegd. De beperkingen van de grondrechten in de inrichtingen gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is. Artikel 7 geeft dat ook aan. Daarin is het beginsel van minimale beperkingen geregeld. Dat de voorzieningen en het programma-aanbod beperkt zijn, vloeit voort uit de beperkte mogelijkheden die de gebouwen en het personeel zullen opleggen. Ik zal bij de uitvoering trachten zoveel mogelijk voor de gedetineerden te regelen, maar ik ga dat niet nu al garanderen. Daarom heb ik dit ook niet in de wet opgenomen.

De heer Rouvoet vraagt of de toepassing van deze wet op alleen drugskoeriers niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Dat is naar mijn mening niet het geval. De problematiek waar ik thans voor sta, wordt direct veroorzaakt door de enorme toename van het aantal drugskoeriers dat Nederland probeert in te komen. De noodwet is een reactie daarop en is daarom ook tot die groep beperkt. Overigens wordt ook in het reguliere gevangeniswezen onderscheid gemaakt tussen verschillende gedetineerden, soms ook naar delicten, bijvoorbeeld naar zedendelicten. Daar gebeurt het dan doorgaans ten gunste van de veroordeelde, doch een omgekeerde benadering is daarmee niet per se uitgesloten. Ik zou het niet juist vinden als alle andere gedetineerden beperkingen zouden krijgen opgelegd om de problematiek van een kleinere groep op te lossen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter. Volgens mij raakte de minister zojuist aan een kern toen hij zei dat het gelijkheidsbeginsel wel eens in het gedrang kan komen daar waar er voor verschillende gedetineerden en verschillende delicten verschillende regimes worden gehanteerd, maar nooit ten nadele van de veroordeelde of de verdachte. Het gelijkheidsbeginsel dwingt toch om enkel en alleen in het voordeel van de verdachte of de veroordeelde maatregelen te treffen? Dat mag toch niet ten nadele van de veroordeelde of de verdachte zijn? Dat is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Minister Korthals:

Daarom heb ik gezegd dat het niet goed zou zijn als degenen die nu een betere positie hebben, doordat wij te maken hebben met de problematiek van de drugskoeriers, een zwaarder regime zouden krijgen opgelegd. Op die manier zou je ook voldoen aan het gelijkheidsbeginsel, maar dat is iets waar wij niet naar streven.

Ik probeer het huidige regime voor het gevangeniswezen zoveel mogelijk hetzelfde te houden. Alleen de specifieke groep die dit probleem momenteel veroorzaakt, behandel ik apart en dan nog het liefst zo kort mogelijk. Daar kom ik later nog op terug.

Verschillende sprekers hebben gesteld dat het samen plaatsen van onveroordeelden en veroordeelden in strijd zou zijn met de geest van het BuPo-verdrag. Het is juist dat het samen plaatsen van onveroordeelden en veroordeelden in het BuPo-verdrag wordt verboden. Er is echter ook opgemerkt dat Nederland een voorbehoud heeft gemaakt bij deze bepaling. Wat is nog de zin van het maken van voorbehouden als wij daar, zelfs in noodsituaties, geen gebruik van zouden mogen maken? Zelfs in de normale situatie maken wij van dit voorbehoud gebruik. In de PBW is geregeld dat veroordeelden tot een straf van drie maanden in een huis van bewaring, dus samen met onveroordeelden, kunnen en mogen verblijven.

Waarom is de vrijheid van godsdienst niet in de wet opgenomen? De voornaamste reden is dat dit al in de Grondwet staat.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Voorzitter. Het was mij bekend dat de vrijheid van godsdienst is verankerd in de Grondwet, maar dat is een mededeling.

Ik kwam op die vraag, omdat ik, bezig zijnde met de uitingen van die godsdienstvrijheid, de geestelijke verzorging en dergelijke, in de Penitentiaire beginselenwet artikel 41, lid 1 tegenkwam. Dat begint met het stipuleren van de vrijheid van godsdienst voor gedetineerden. Als niet is bedoeld om dit in deze noodwet anders te doen zijn, dan wekt dat wel de indruk als het wordt weggelaten. Of vindt de minister dat dit ook in de Penitentiaire beginselenwet overbodig is?

Minister Korthals:

Ik heb die tekst niet bij de hand. Ik weet dat dit in de Penitentiaire beginselenwet in soortgelijke bewoordingen is herhaald. Ik meen overigens dat het daarbij vooral ging om het recht op geestelijke verzorging.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Artikel 41 van de Penitentiaire beginselenwet begint met: "De gedetineerde heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden en te beleven." Uit het overzicht in de memorie van toelichting blijkt dat dit bij deze noodwet niet anders is bedoeld. Daarom vraag ik waarom het in deze wet niet wordt vermeld.

Minister Korthals:

Dit leek overbodig, maar dit geldt ook voor de Penitentiaire beginselenwet. Ik wil daar snel nog wel even naar kijken.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

In de Grondwet is het omschreven als een negatief vrijheidsbeginsel. Dat wil zeggen dat de overheid niet mag treden in de godsdienstvrijheid van anderen. Gedetineerden zijn echter per definitie onvrij. In de Penitentiaire beginselenwet is dit dan ook omschreven als een positief vrijheidsbeginsel, namelijk dat de overheid de vrijheid van godsdienst heeft te faciliteren. Hier klemt het met de tijdelijke noodwet. Met de formulering "indien mogelijk", faciliteert de regering niet meer de godsdienstvrijheid waar zij op grond van de Penitentiaire beginselenwet toe gedwongen was.

Minister Korthals:

Ik kom hierop terug in het kader van de geestelijke verzorging.

De heer Rouvoet vroeg naar het verschil tussen de formulering "indien mogelijk" bij de regel over de voedselverstrekking in artikel 26 en het voorstel van de fractie van de ChristenUnie om dit te wijzigen in "zoveel mogelijk". Ik vind dat "zoveel mogelijk" sterker is dan "indien mogelijk". Zoals ik al heb aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag wordt de term "zoveel mogelijk" ook in de jurisprudentie sterk beoordeeld. Men moet zich echt tot het uiterste inspannen om dit te regelen. Het ligt vlak naast een resultaatsverplichting. Bij de noodvoorzieningen moet ik keuzes maken. Ik zal mijn best doen, maar ik moet bij het regelen van zaken ook prioriteiten stellen. "Indien mogelijk" geeft mij meer ruimte, waardoor er bijvoorbeeld meer gelegenheid is om iets op het punt van activiteiten te regelen. Speciaal eten kan ergens besteld worden, maar voor het voorzien in geestelijke verzorging is personeel nodig. Bij geestelijke verzorging moeten er banden buiten de voorziening worden gelegd, zodat deze verzorging, indien gewenst, te allen tijde geboden kan worden.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

U behandelt nu twee van mijn vragen gecombineerd. Ik wil ze echter uit elkaar houden. Mijn eerste vraag was waarom niet de formulering van de Penitentiaire beginselenwet werd gevolgd op het punt van de voedselverstrekking. Ik kan mij iets voorstellen bij uw reactie. In het verlengde hiervan heb ik gevraagd waarom dezelfde formulering niet wordt gebruikt bij de geestelijke verzorging. Het is mij wel iets waard als de geestelijke verzorging een plek krijgt in deze wet, met de toevoeging "indien mogelijk".

Minister Korthals:

Ik kom daarop terug bij de behandeling van het amendement terzake.

Waarom worden er geen regels gesteld waarin eisen staan waaraan de voorzieningen moeten voldoen? Voor de normale penitentiaire inrichtingen gelden er geen specifieke wettelijke regels waarin eisen worden gesteld aan het gebouw of aan de beveiliging. Wel worden in de praktijk bepaalde normen gehanteerd. Deze normen vloeien voort uit de eisen die gesteld worden doordat de wetgeving bepaalde rechten geeft aan gedetineerden. Zo impliceert bijvoorbeeld het recht op sport dat er een sportzaal of een sportveld aanwezig is in de inrichting. Een bepaalde norm voor de beveiliging stelt ook eisen aan gebouw- en complexbeveiliging.

In de tijdelijke wet is dat op gelijke wijze geregeld. Niet de wet zelf geeft bepaalde vereisten aan, doch zij vloeien voort uit datgene waartoe de wet verplicht. Voorts zijn er algemene regels waaraan gebouwen waarin mensen leven en werken moeten voldoen. Aan deze vereisten zullen ook de voorzieningen als bedoeld in deze tijdelijke wet moeten voldoen.

Ten aanzien van de cellen in de reguliere penitentiaire inrichtingen zijn wel specifieke eisen gesteld in de regeling eisen verblijfsruimte penitentiaire inrichtingen. Van het geven van deze regels heb ik afgezien, omdat op dit moment nog niet duidelijk is aan welke vereisten die in deze regeling zijn gegeven werkelijk voldaan kan worden. Ik verzeker de Kamer overigens dat de verblijfsruimten zullen voldoen aan de regels van fatsoen en humane bejegening.

Een punt dat door vrijwel alle sprekers is genoemd, betreft de groepsopsluiting. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk meer dan een persoon in te sluiten in een ruimte van voldoende grootte. Toegelicht is dat het streven daarbij gericht is op een groepsgrootte van maximaal vier personen. Op dit moment staat echter niet vast dat de uiteindelijke locatie die wordt aangewezen daartoe bouwkundig geschikt zal zijn. Met het oog op flexibiliteit moet het mogelijk zijn, de groepsgrootte aan de feitelijke omstandigheden aan te kunnen passen. Om die reden is het niet raadzaam in de tijdelijke wet een maximum te verbinden aan de groepsgrootte.

Gevraagd is of al bekend is wie de directeur zal worden van de voorziening en wie de minister verantwoordelijk zal stellen ex artikel 4 van de wet. Voor de functies van directeur en plaatsvervangend directeur van de voorziening zijn ervaren directeuren uit het gevangeniswezen beschikbaar. Ik zal een functionaris binnen mijn ministerie verantwoordelijk stellen ex artikel 4 van de wet.

De heer Dittrich (D66):

De minister zegt dat het streven is niet meer dan maximaal vier mensen in een ruimte. Wat nu als gedurende deze actie het aantal drugskoeriers vermindert? Als er dan al vier mensen in een ruimte opgesloten zijn en er komt meer ruimte in zo'n voorziening is de minister het dan met mij eens dat zoveel mogelijk geprobeerd moet worden terug te keren naar het reguliere systeem van een persoon in een cel? Wil hij de groepsgrootte dan steeds verder verkleinen?

Minister Korthals:

Op zichzelf heb ik daar geen bezwaar tegen. Ik heb er echter ook geen bezwaar tegen die groepsgrootte te handhaven. Ik ken de praktijk niet zo erg goed. Ik ben een keer in de Verenigde Staten geweest om de boot die ik ooit in Nederland wilde hebben te bezoeken. In Nederland zouden wij met een persoon in een cel genoegen nemen. In Amerika zat men met ten minste twee in een cel. Ik heb die mensen gevraagd of zij niet liever alleen in een cel zouden zitten. Daar was echter geen sprake van, want dan kon men niet meer leuk met elkaar praten. Het is dus geen wet van Meden en Perzen dat twee in een cel of vier in een verblijfsruimte zoveel minder waard is en zoveel vervelender is voor betrokkenen. Daarvan hangt het een beetje af of in deze toch wat geforceerde situatie aan dat aantal van vier zal worden vastgehouden, al was het alleen maar ten behoeve van de betrokkenen.

De heer Dittrich (D66):

Het gaat mij om de bouwkundige voorzieningen die voor de fractie van D66 altijd al de invalshoek waren. In de reguliere detentie is een cel echt alleen geschikt voor een persoon. Wij hebben het nu over een nieuwe situatie met nieuwe voorzieningen. Het is goed mogelijk dat die voorzieningen niet echt geschikt zijn voor vier of drie mensen. Is de minister in die situatie, afhankelijk van de instroom van drugskoeriers, bereid te bezien of het mogelijk is zo min mogelijk mensen in een verblijfsruimte te plaatsen?

Minister Korthals:

Dat hangt af van de aard van de verblijfsruimte. Als de aard van de verblijfsruimte eigenlijk niet zo geweldig geschikt is voor vier mensen in een cel, dan zullen bij verminderde instroom de mensen naar ruimtes gaan met minder mensen in een verblijfsruimte.

De heer Dittrich (D66):

Dat bedoelde ik.

Minister Korthals:

Daarover zijn wij het dus eens.

Voorzitter: Rehwinkel

Mevrouw Duijkers (PvdA):

Mag ik daaruit afleiden dat de minister voornemens is om gedetineerden die vallen onder de noodwet, zo snel mogelijk door te plaatsen naar een inrichting met een regulier regime?

Minister Korthals:

Daar moet je weer allerlei soorten onderscheid in maken. U hebt aangegeven dat u begrip hebt voor de nu al enorme druk op het gevangeniswezen. De vraag of dat kan, kan ik nu dus niet beantwoorden. Als er werkelijk mogelijkheden zijn en als er verschillende categorieën zijn, met name Nederlanders die in Nederland moeten terugkeren in de maatschappij, zullen zij bij voorrang doorgeplaatst worden naar de reguliere inrichtingen. Dat is echter afhankelijk van de op dat moment bestaande druk op de reguliere inrichtingen, want in enkele gevallen zitten wij nu op 103%.

De heer De Wit (SP):

Ik heb een vraag over de gedwongen confrontatie met meer dan één persoon in één cel. De minister benadert dat vanuit bouwkundig oogpunt en hij heeft in de VS een aantal vrolijke mensen aangetroffen die daar kennelijk geen probleem mee hadden. Uit heel andere verhalen weten wij echter hoe het in er de Amerikaanse cellen ook aan toe kan gaan: intimidatie, verkrachtingen en andere verschrikkelijke dingen. Dat is natuurlijk veel belangrijker dan de vraag of iets bouwkundig geschikt is voor meer mensen. Het gaat erom dat mensen gedwongen met iemand opgesloten worden die de meest afschuwelijke karaktereigenschappen kan hebben. Daar laat het ik nu even bij, maar het punt is dat je daarmee inbreuk maakt op de privacy van mensen, die je ook in een "gedwongen situatie" moet respecteren.

Minister Korthals:

Dat begrijp ik allemaal wel. Het is ook niet zo dat iedereen lukraak bij elkaar gezet zal worden. Dat zal natuurlijk bekeken worden en op een gegeven moment zal worden vastgesteld dat er één groep bijzonder lastige mensen is en dat andere mensen socialer zijn en de aanwezigheid van anderen prettiger vinden. Daar wordt natuurlijk rekening mee gehouden.

De heer De Wit (SP):

De vraag is natuurlijk in hoeverre die selectie er al bij voorbaat toe leidt dat er geen problemen ontstaan. Ik kan mij voorstellen dat mensen gescreend worden en dat met mensen wordt gesproken, maar ook als het gaat om mensen die helemaal geen agressie ten opzichte van elkaar vertonen, dwing je twee of zelfs vier mensen om dag en nacht in één ruimte bij elkaar te verblijven. Daar gaat het natuurlijk om.

Minister Korthals:

Dat is inderdaad een van de dingen waar wij nu voor zijn en waarvan wij vinden dat die mogelijk moeten zijn. Sommige mensen zullen dat prettig vinden en sommige mensen zullen dat vervelend vinden; sommige mensen zullen dat zeer vervelend vinden en zullen dat ongetwijfeld aan de directeur melden; dan kan de directeur bekijken wat hij met die informatie doet. Dat hangt af van de vraag of elders ruimte beschikbaar is voor de plaatsing van zo'n persoon.

Moet het luchten gescheiden gebeuren? In ieder geval zullen er afzonderlijke verblijfsruimten zijn. Met "verblijfsruimten" bedoel ik de cel dan wel de zaal waar de gedetineerden verblijven als er geen activiteiten plaatsvinden. Ook het luchten zal in ieder geval gescheiden plaatsvinden.

De heer Niederer vroeg nogal pregnant waarom de minister niet meer gedetineerden met twee op één cel wil plaatsen. Mijn bezwaren tegen twee personen op één cel in het reguliere gevangeniswezen zijn de Kamer bekend. Die bezwaren zijn ingegeven door de huidige feitelijke omstandigheden in ons gevangeniswezen. Alle eenpersoonscellen waarover wij beschikken, zijn niet geschikt, bijvoorbeeld omdat niet in voldoende luchttoevoer kan worden voorzien. Verandering daarvan zou tot aanzienlijke verbouwingen en kosten leiden. Bovendien is niet iedere gedetineerde geschikt voor verblijf met een andere gedetineerde en kan samenplaatsing forse gevolgen hebben voor de personeelsbezetting. Het is de Kamer bekend dat wij die personeelsconsequenties nu niet kunnen opbrengen.

Ik wil de Kamer toezeggen dat ik dit aspect nauwgezet zal volgen bij de samenplaatsing van de drugskoeriers die vanaf 1 maart in de bijzondere noodvoorzieningen geplaatst zullen worden. Ik sluit niet uit dat wij hier nieuwe ervaringen opdoen, die wij kunnen betrekken bij deze kwestie. Tevens zal worden bezien in hoeverre het noodzakelijk is, de PBW hiervoor aan te passen. Deze wet biedt nu reeds mogelijkheden om meer gedetineerden samen in een verblijfsruimte te plaatsen, doch alleen als het om gedetineerden gaat die in een regime van algehele gemeenschap kunnen verblijven.

De heer Niederer (VVD):

Dank voor deze toezegging. Ik heb daar goede nota van genomen. Ter precisering het volgende. Ik heb in mijn eerste termijn niet gepleit voor twee in een cel. Dat kan niet in de huidige structuur. Men kan immers niet zomaar een veldbedje plaatsen. Het gaat om het plaatsen van meerdere gevangen in een cel waar dat "gebouwelijk" kan. Een precedent vormt daarbij het geval van de drugskoeriers. Ook in de vreemdelingenbewaring kennen wij die systematiek. Ik ben echter blij met de toezegging.

Minister Korthals:

Door mevrouw Duijkers is gevraagd om de situatie na een jaar te evalueren. Dan komt ook de vraag naar voren of de situatie van vier in een cel iets is dat wij nooit meer moeten doen of iets is dat wij best kunnen hebben. In die zin bedoelde ik mijn opmerking.

De heer Dittrich (D66):

Ik hoor de heer Niederer de minister danken voor een toezegging. Ik heb toch goed begrepen dat de minister niet heeft gesproken over wenselijkheid of iets dergelijks? Hij heeft gezegd dat op een gegeven moment bekeken gaat worden, aan de hand van de ervaringen die nu worden opgedaan, of er aanleiding toe bestaat om de huidige maatstaven, neergelegd in de beginselenwet, eventueel te veranderen.

Minister Korthals:

Precies. Dat beschouwt de heer Niederer als een toezegging.

De heer Dittrich (D66):

Ik mag dat toch zo begrijpen dat wij ons niet op een glijdende schaal begeven richting twee in een cel, zonder dat de voorzieningen daarvoor zijn aangepast en zonder dat daarover met het personeel is gesproken?

Minister Korthals:

Uiteraard zal daarvan geen sprake zijn.

Wat vind ik van de brongerichte maatregelen waarop het CDA aandringt en wat is de inhoud van het protocol met de Antillen? Met deze vraag blijkt zich een enorm misverstand aan te dienen. Ik dacht dat wij op 23 januari reeds gesproken hadden over het plan van aanpak. Toen bleek het CDA zich echter uitsluitend te richten op mijn verantwoording. Dat overleg is geëindigd met een motie. Bij die gelegenheid heb ik echter als een van de belangrijkste zaken genoemd dat wij zeer brongericht zouden moeten gaan werken. Ik ben het dus helemaal eens met de heer Rietkerk.

De heer Rietkerk (CDA):

Ik hoop dat de minister het ook met mij eens is dat de CDA-fractie toen op hoofdlijnen heeft gereageerd op het plan van aanpak. Hij kan daarop de Handelingen nalezen. Vanwege de tijd hebben wij het accent toen gelegd op een verantwoordingsdebat. Ik wil dat even rechtzetten. Tijdens dit debat "zoom" ik in op de brongerichte maatregelen, waarover wij het eens zijn.

Minister Korthals:

Wij zijn het daarover eens. Hierover zijn afspraken gemaakt, die vastgelegd zijn in het protocol, getekend door de minister van Justitie van de Nederlandse Antillen en mijzelf. Die afspraken maken ook onderdeel uit van het plan van aanpak. Het protocol zal uiteindelijk ook aan de Kamer toegezonden worden. Daarin staan maatregelen aangegeven die ook op de Antillen worden genomen. Daarin staat ook aangegeven wat Nederland zal doen om de Antillen behulpzaam te zijn om de drugskoeriers te bestrijden en de criminele organisaties daarachter aan te pakken.

De heer Rietkerk (CDA):

Ik vraag de minister om naast het protocol ook de afspraken die dit weekend zijn gemaakt met minister Martha, en die in de krant genaamd Amigo staan, aan de Kamer mee te delen. Daar staan aardige zaken in over "scans", medeverantwoordelijkheid en meefinancieren. Kunnen wij dit via een ordentelijk stuk van de minister te zien krijgen?

Minister Korthals:

De Kamer krijgt het protocol toegezonden. Daar staat dit allemaal in. Men is zo snel op de Nederlandse Antillen dat wij het nauwelijks bij kunnen houden in Nederland!

Wat betekent het beleidsplan 2002 van de kustwachtcommissie concreet voor de inzet van de minister van Justitie? Mijn inzet is dat de kustwacht zich een maximale inspanning getroost voor het onderscheppen van drugs. Daarom heb ik gevraagd, nog eens goed naar het jaarplan 2002 te kijken en hieraan uiteraard onverminderd aandacht te besteden in de toekomst. Ik wijs erop dat de vaststelling van het beleidsplan een gedeelde verantwoordelijkheid van Nederland en de Antillen is. Ten overvloede wijs ik erop dat de kustwacht zeer zinvol werk doet bij het tegenhouden van drugsstromen in de richting van de Nederlandse Antillen.

De heer Rietkerk vroeg hoe ik ga anticiperen op het feit dat de drugshandel via bolletjesslikkers zich verplaatst. Wij houden hierover contact met Rotterdam, want het is heel goed mogelijk dat het probleem zich verplaatst naar andere luchthavens in Nederland. Daarvan zijn wij ons bewust en daarover worden de nodige afspraken gemaakt. Bovendien worden er met Rotterdam afspraken gemaakt om erop bedacht te zijn dat er misschien toch weer meer cocaïne via Rotterdam binnenkomt. Verder heb ik het plan van aanpak naar mijn collega's van de JBZ-raad gestuurd. Ik heb hen erop gewezen dat het heel goed mogelijk is dat deze vorm van drugshandel uitwijkt naar andere luchthavens. Ik zal hierover graag overleg plegen tijdens de eerstkomende JBZ-raad.

Voorzitter. Het was niet echt aan de orde, maar toch is er weer gesproken over heenzendingen De heer Rietkerk kwam in dit verband met een totaal onbegrijpelijke berekening. Hij telde van alles bij elkaar op en kwam uit op een enorm aantal. Vervolgens toonde hij zich zeer verbaasd, zoals hij wel vaker is bij dit soort debatten. Het lijkt mij beter dat hij wacht op de brief die hij hierover gaat krijgen. Wel wil ik hem er nog even op wijzen dat hijzelf niet heeft gevraagd naar het aantal heenzendingen in het jaar 2001, maar dat hij nu ineens de vraag opwerpt hoeveel mensen niet in verzekering zijn gesteld vanwege capaciteitsproblemen. Dat is een totaal nieuwe vraag. Bij heenzendingen in de oude betekenis van het woord heeft de rechter voorlopige hechtenis in enigerlei vorm bevolen maar werden de betreffende mensen wegens plaatsgebrek uit voorlopige hechtenis ontslagen. Wij hebben het heenzendingenbeleid al verruimd, maar als je het nog verder verruimt, kom je tot heel andere categorieën.

De heer Rietkerk (CDA):

Voor alle duidelijkheid: tijdens het interpellatiedebat heb ik de minister een aantal vragen voorgelegd, waarvan er enkele betrekking hadden op dit onderwerp. Er is dus geen sprake van een verbreding. Het antwoord op die vragen, die pas op 13 februari 2002 zullen worden beantwoord, zie ik met belangstelling tegemoet. De vragen zijn dus al vanaf 12 december aan de minister bekend.

Minister Korthals:

Een vraag is vaak gemakkelijker gesteld dan beantwoord. Misschien is het de heer Rietkerk nog eens gegeven aan mijn kant te staan en dan zal hij dat zeker beamen.

De heer Rietkerk (CDA):

Ik zou dan niet suggereren dat de vraag voor het eerst gesteld wordt en veel breder geïnterpreteerd kan worden. De vraag is gewoon 12 december 2001 gesteld. Die suggestie wil ik in ieder geval van tafel hebben.

Minister Korthals:

U rangschikt dit onder de categorie heenzendingen en dat is dus niet het geval.

De heer Rietkerk (CDA):

Uit de laatste brief blijkt dat het een definitiekwestie is. Ik kijk dan ook met belangstelling uit naar de antwoorden op mijn vragen. Het ging mij erom dat de minister de suggestie wekt dat mijn vragen naar aanleiding van dit wetsontwerp nieuw zijn. Dat is niet het geval, want het zijn de letterlijke vragen van 12 december en 23 januari.

Minister Korthals:

De vragen zullen worden beantwoord.

Gevraagd is waarom de noodcapaciteit alleen voor bolletjesslikkers wordt ingezet en niet voor andere criminelen die ook voor een tekort aan cellen zorgen. Ik heb de wet beperkt tot de in- en uitvoer van harddrugs. Dat gaat dus om meer dan alleen de bolletjesslikkers. Ook andere drugskoeriers vallen hieronder. Het gaat mij te ver om ook andere criminelen hieronder te laten vallen. Het concrete probleem ligt bij de drugs, dus daar wil ik de wet toe beperken. Vanuit rechtspositioneel oogpunt heb ik de wet beperkt tot drugskoeriers die vanaf het moment van de inwerkingtreding van de wet voor zo'n delict worden opgepakt. Als de Kamer een ruimere toepassing voorstaat, zou eerder kunnen worden gedacht aan de drugskoeriers die sinds de indiening van het wetsvoorstel zijn aangehouden. Zij zijn tot op heden in het reguliere circuit geplaatst en dat kan ook niet anders. Ik moet u zeggen dat dit het reguliere circuit onder enorme druk heeft gezet. Als ik deze gedetineerden per inwerkingtreding van de wet zou kunnen overplaatsen naar de noodvoorzieningen zou ik daarmee lucht in het systeem krijgen die ik hard nodig heb.

Wie bewaakt het calamiteitenhospitaal in Utrecht. Omdat het politiecellen zijn, is de bewaking in dit geval in handen van de Koninklijke marechaussee die tijdelijk wordt aangevuld met functionarissen van de Landelijke bijzondere bijstandseenheid van de Dienst justitiële inrichtingen.

Wat betreft Ossendrecht en Woensdrecht gaat het om 500 plaatsen. Het complex valt onder het ministerie van Defensie, maar de gemeente Woensdrecht is toegezegd dat van deze gelegenheid in uiterste nood gebruik zal worden gemaakt en dan ook nog tijdelijk. Op dit moment vinden nog onderhandelingen plaats over een meer geschikte locatie voor 350 plaatsen.

De heer Dittrich (D66):

Ik begreep dat de minister de Kamer eigenlijk uitnodigde om hem wat meer ruimte te geven in die zin dat degenen die vanaf 1 januari al in de reguliere detentie zitten volgens de noodcapaciteitsregeling in dat soort voorzieningen kunnen worden ondergebracht.

Minister Korthals:

Ik heb het zelf niet willen voorstellen, omdat mij dat wellicht te veel van het goede gevraagd leek. Als er in de Kamer veel begrip voor zou bestaan, zou het mij niet onwelkom zijn als zij zich in die zin zou uitlaten dat mensen die vanaf het moment van indiening van het wetsvoorstel, dus niet vanaf 1 januari, in de reguliere detentie zitten kunnen worden overgeplaatst naar de noodvoorziening.

De heer Dittrich (D66):

Is daar wetswijziging voor nodig?

Minister Korthals:

In ieder geval aanpassing van dit voorstel.

De heer Dittrich (D66):

Een nota van wijziging!

Minister Korthals:

Of een amendement.

Mevrouw Duijkers (PvdA):

Heeft dat ertoe geleid dat hierdoor bepaalde mensen niet in de reguliere detentie konden worden opgenomen? Is er dus sprake van verdringing voor verdachten van andere delicten?

Minister Korthals:

U hebt zelf al heel goed aangegeven dat er van dag tot dag door allerlei mensen wordt gezocht naar plaatsen. Vanaf nu tot het moment van inwerkingtreding is mijn grote probleem om ervoor te zorgen dat iedereen kan worden vastgehouden omdat ik immers tegen de Kamer heb gezegd dat er niemand heen wordt gezonden, tenzij er sprake is van een overmachtsituatie. En ik moet u zeggen dat dit voor veel hoofdbrekens zorgt. Volgens de wettelijke regeling kan het pas vanaf het moment dat de wet in werking is getreden en kunnen degenen die in de reguliere detentie zitten niet worden overgeplaatst tenzij wij op dat punt het wetsvoorstel zouden aanpassen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Waarom is dat nu dan nog niet in de wet geregeld? Dat is toch niet achterwege gebleven omdat men aarzelingen had over de juridische houdbaarheid daarvan? De gedachte op zich vind ik wel redelijk en sympathiek, maar het probleem is volgens mij wel dat je mensen als gevolg van dit wetsvoorstel overbrengt naar een slechtere situatie dan waarin ze tot op dan verkeren. Ik vraag mij af of dat in juridische zin wel houdbaar is.

Minister Korthals:

Niet als je het met terugwerkende kracht doet, maar wel kan de redenering worden gevolgd van "het moment waarop het voorzienbaar is". Daarom heb ik ook de datum van indiening van het wetsvoorstel genoemd.

De heer De Wit (SP):

Aan beide zijden van het Binnenhof is, met het oog op het beginsel van de eerbiedigende werking, vaak over het toepassen van terugwerkende kracht gediscussieerd. Alleen in heel uitzonderlijke situaties mag inbreuk worden gemaakt op het beginsel dat een wet alleen toekomstige werking en geen terugwerkende kracht heeft. Wij moeten niet toestaan dat mensen die onder een bestaand systeem recht hebben op bepaalde aanspraken, worden benadeeld. Dat uitgangspunt is herhaaldelijk in de Kamer bevestigd. Daarom maak ik bezwaar tegen dit balletje dat de minister opgooit. Wat vindt hij van het uitgangspunt dat dit niet moet worden gedaan?

Minister Korthals:

In beginsel steun ik dit uitgangspunt. Dit betreft echter een zeer bijzondere noodsituatie. In de maand januari zijn 246 mensen aangehouden die uiteindelijk vrijwel allemaal zullen worden veroordeeld. Die mensen worden vastgehouden. Datzelfde patroon zet zich voort en dan gaat het dus over enorme aantallen. Waarschijnlijk wordt het aantal zelfs nog groter, want de bolletjesslikkers die nu worden aangehouden, hebben minder bolletjes in de maag dan een maand geleden. De kans dat het aantal toeneemt, groeit derhalve. Kunt u zich voorstellen wat 250 aanhoudingen per maand betekent? Op jaarbasis zijn dat 3000 mensen, ofwel een kwart van de huidige gevangeniscapaciteit. Kortom, het gaat over enorme aantallen. Wellicht kunt u zich voorstellen dat dit een enorme druk geeft op de celcapaciteit. Intussen word ik geconfronteerd met een Kamer die zegt dat ik ervoor moet zorgen dat mensen niet worden heengezonden. Ik heb daar begrip voor, want ik heb daar zelf ook altijd voor gepleit, maar ergens gaat de rek eruit.

De heer De Wit (SP):

Ik snap wat het probleem is, maar ik vraag mij af of wij onder druk van dat soort problemen steeds moeten blijven opschuiven. Met de noodwet begeven wij ons op een hellend vlak, want daarin worden rechten aangetast van mensen die worden opgesloten. Dat wordt nog erger als ermee wordt ingestemd om, gelet op de noodsituatie, ook nog eens terugwerkende kracht aan de wet te verlenen. Als wij dat toelaten, krijgen wij een volgende keer dezelfde argumenten voorgeschoteld. Op basis van het principe dat een wet niet met terugwerkende kracht kan worden ingevoerd, moet de Kamer – hoezeer er ook begrip is voor de situatie – vooral de rechten van mensen bewaken.

Minister Korthals:

Op zich ben ik het daarmee eens, maar de Kamer moet zich wel realiseren dat niet alles kan. Er kan niet worden gezegd: wij willen hoe dan ook geen heenzendingen, wij willen IVO's aan criteria binden en daarnaast willen wij dat recht wordt gedaan aan de eerbiedigende werking van wetsvoorstellen. Op een gegeven moment kunnen wij door een noodsituatie zozeer klem komen te zitten dat onorthodoxe maatregelen moeten worden genomen. Dat doen wij al met de noodwet. Dit zou een extra maatregel zijn. Ik heb het overigens alleen maar even opgeworpen als mogelijkheid.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

De noodwet is naar het idee van de minister nodig om de instroom tegen te gaan. Tot vanmiddag was hij ervan overtuigd dat het dan niet noodzakelijk zou zijn om veroordeelden terug te zenden naar de noodvoorziening. Wat is er intussen gebeurd? Ik krijg de indruk dat de minister iets anders gaat doen. De noodvoorziening is in het leven geroepen om de detentie van verdachte drugskoeriers niet te laten drukken op de reguliere gevangenisvoorzieningen. Nu wil de minister de gevangenisvoorzieningen, die in het algemeen met problemen hebben te kampen, ontlasten door mensen over te hevelen naar de noodvoorzieningen. Dat is iets volstrekt anders dan wat hij tot nu toe heeft verdedigd.

Minister Korthals:

De algemene problematiek in het gevangeniswezen is veroorzaakt door de bolletjesslikkers en de drugskoeriers. Dat heb ik alleen maar willen aangeven. Ik heb nog geen nota van wijziging ingediend en mevrouw Halsema heeft nog geen amendement ingediend.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Maar gaat u nu een nota van wijziging indienen of niet?

Minister Korthals:

Dat hangt van de reacties van de woordvoerders af; die zal ik in tweede termijn horen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

U stelt uw eigen opvattingen dus geheel afhankelijk van het oordeel van de Kamer? U kunt natuurlijk ook gewoon afwachten of er een amendement wordt ingediend en de Kamer aanvaarding daarvan ontraden, als het inderdaad wordt ingediend. Dat ben ik ook van u gewend.

Minister Korthals:

Soms ben ik als was in handen van de Kamer. Ik dacht dat u dat alleen maar zou toejuichen...

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Was u maar als was in míjn handen...

Minister Korthals:

Nu hadden wij net zo'n goede verhouding...

Voorzitter. De heer Rietkerk ging nog in op een artikel in Het Parool over dagvaardingen die door vormfouten nietig zijn verklaard. Hij sprak van veel dagvaardingen, maar het waren er maar twee. Het is waar, in twee gevallen zat de akte van uitreiking niet in het dossier, wat nietigheid met zich mee heeft gebracht. Dit moet voortaan zeker voorkomen worden.

De heer Rietkerk (CDA):

Ik bedoelde inderdaad dat dit in twee gevallen is gebeurd, maar het gaat mij erom of u er meer verwacht, omdat er wellicht meer verdachten volgens dezelfde systematiek met een dagvaarding zijn heengezonden. Of zijn het gewoon twee incidenten?

Minister Korthals:

Dit lijken mij twee incidenten, want er ligt natuurlijk ook een kopie van de akte van uitreiking bij het openbaar ministerie. Men weet daar nu heel goed dat men die aan het dossier moet toevoegen. Overigens kon men dit ook al weten, maar het is dus in twee gevallen niet gebeurd. Ik vermeld hier nog bij dat de nietigverklaring niet betekent dat deze twee mensen niet opnieuw gedagvaard zullen worden.

Voorzitter. Verder vroeg de heer Rietkerk nog om meer geld voor personeelsbeleid. Ik ben het op dit punt met hem eens. Ik heb hierover ook een nota geschreven, namelijk "Investeren in personele zorg DJI". Over de financiering van de vele daarin genoemde maatregelen wordt op verschillende plaatsen overleg gevoerd.

De heer Rietkerk heeft ook om structurele maatregelen gevraagd. Ik heb nog een flink pakket voor uitbreiding van de reguliere capaciteit op stapel staan. Voorzitter. Het lijkt mij beter om het overzicht hiervan schriftelijk aan de Kamer te doen toekomen, maar het is in ieder geval tamelijk imposant.

Een vraag van de heer Rietkerk was verder nog sinds wanneer de minister ervan op de hoogte is dat de maatregelen op de Antillen en Aruba niet voldoende zijn. Nu word ik geacht, van vele feiten en omstandigheden op de hoogte te zijn, maar daartoe behoren niet de ontwikkelingen bij de douane op Sint-Maarten. Dit is primair een aangelegenheid van collega's van mij, naar wie ik dan ook verwijs. Het zou toch wel ver gaan als ik alles wat er op de Antillen voorvalt, precies moest weten. Bovendien moet men zich realiseren dat de Antillen autonoom zijn.

De heer Rietkerk (CDA):

Daarom heb ik zelfs het woord "chantage" in de mond genomen, maar dan tussen aanhalingstekens. Mijn vraag was gericht op de scans en op de voorfinanciering en de afspraken. Wil je bolletjesslikkers bij de bron tegenhouden, dan heb je die middelen nodig. Zijn die nu effectief? Kennelijk zijn er al 240 bolletjesslikkers aangehouden en in de procedure terechtgekomen. Dit zegt heel wat, maar wérken die scans op de Antillen nu ook, waarover u met minister Martha afspraken hebt gemaakt?

Minister Korthals:

Er is wel detectieapparatuur, maar die willen wij nog verbeteren en die willen wij zowel voor de bagage als voor de reizigers gebruiken. De planning is dat die apparatuur binnen een week naar de Antillen zal gaan. Men leent deze spullen en wij krijgen ze uiteindelijk terug. Wij zouden ze ook kunnen geven, maar dan zouden ze betaald worden via begrotingshoofdstuk IV, wat de Antillen niet zo graag willen. Wij volgen dus het systeem dat wij de apparatuur kopen, terwijl men die op de Antillen gebruikt zolang dat nodig is.

Mevrouw Duijkers vroeg naar de resocialisatie. Resocialisatie vindt uiteraard plaats met betrekking tot gedetineerden die na het uitzitten van de straf, in Nederland mogen blijven. Vooropgesteld wordt dat daar waar de capaciteit het mogelijk maakt, gedetineerden worden doorgeplaatst vanuit een noodvoorziening naar een reguliere inrichting. De resocialisatie van deze gedetineerden zal dan op reguliere wijze plaatsvinden.

Verder vroeg mevrouw Duijkers om zoveel mogelijk aan dagbesteding te doen. Wij trachten ook daar zoveel mogelijk invulling aan te geven; een en ander is uiteraard afhankelijk van de bouwkundige indeling en de personele situatie. Er worden ook televisietoestellen beschikbaar gesteld; er is een mogelijkheid voor basiseducatie, zowel in het Nederlands als in het Engels; er zijn contacten gelegd met bibliotheken om te voorzien in leesmateriaal; er zal gelucht worden en zo zijn er allemaal zaken die daadwerkelijk gebeuren.

Mevrouw Duijkers (PvdA):

Mag ik de minister zo begrijpen dat hij met zijn verwijzing naar de afhankelijkheid van gebouwelijke elementen bedoelt aan te geven dat het daarbij veel meer gaat om de vraag wat voor soort dagbesteding er plaatsvindt, maar dat er altijd wel een vorm van dagbesteding plaatsvindt?

Minister Korthals:

Ja, want wij vinden het zelf zo nuttig als het maar zijn kan dat er dagbesteding plaatsvindt, omdat je bij gebrek aan dagbesteding altijd ziet dat er agressiviteit plaatsvindt. Hoe dan ook proberen wij te voorzien in zoveel mogelijk en nuttige dagbesteding.

Is er 's nachts toezicht in de voorzieningen, zo is gevraagd. Het antwoord luidt bevestigend; dit toezicht zal er in voldoende mate zijn.

In antwoord op de vraag of er een capaciteitsprobleem in jeugdinrichtingen is, moet ik verwijzen naar de antwoorden op de schriftelijke vragen over de capaciteit in de justitiële jeugdinrichtingen. Daarin heb ik aangegeven dat de opvangcapaciteit weer bijna op sterkte is en dat aan het eind van het eerste kwartaal van 2002 alle tijdelijk buiten gebruik gestelde plaatsen weer in gebruik zullen zijn. De verwachting is dat alle strafrechtelijk aangemelde jongeren dezelfde dag geplaatst kunnen worden; een acuut probleem is er dus nu niet. Dit neemt niet weg dat in de prognose voor de komende jaren nog een aanzienlijk capaciteitsprobleem wordt voorzien.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Als er op dit moment geen acuut probleem is bij de opname in justitiële jeugdinrichtingen, is er de vraag waarom de minister jongeren niet uitsluit van de tijdelijke noodvoorziening, want in dat opzicht is er geen nood.

Minister Korthals:

Er zijn verschillende redenen voor. In de eerste plaats voorzien wij dat er wel problemen gaan komen, op basis van de prognoses. In de tweede plaats hebben wij nu juist een wet voor de drugskoeriers willen creëren. Waar wij erg bang voor zijn – dat moet men zich goed realiseren; ik zou dit bij de beantwoording van een andere vraag zeker gezegd hebben – is dat wanneer je de ene categorie echt gaat pakken, zij vervolgens zullen investeren in andere categorieën mensen en dat moeten wij ten enenmale zien te voorkomen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dit vind ik een levensgevaarlijke redenering, want voordat je het weet, moet je dan kinderen vanaf 10 jaar in die noodvoorziening gaan hechten. Het neemt niet weg dat ook volgens de prognoses van de minister zelf er pas tekorten gaan ontstaan in de justitiële inrichtingen, als deze wet alweer buiten werking is gesteld, zo mag ik hopen.

Minister Korthals:

Dat hoop ik uiteraard ook – als u ook con amore zult instemmen met deze wet en wij er gezamenlijk tegenaan gaan om dit probleem op te lossen; dat zal ook met grote kracht moeten gebeuren. Dan denk ik dat het probleem van de drugskoeriers op Schiphol des te eerder zal zijn opgelost.

Voorzitter. De heer Dittrich vroeg of ik verwacht dat de controles op de Antillen voldoende zullen zijn. Welnu, dat is moeilijk te beoordelen, zo zeg ik eerlijk. Ik stel de inspanningen die de Antillen zich op het ogenblik getroosten, zeer op prijs. Ik zal ook voortdurend contact onderhouden over het verloop daarvan. Het gaat echter om een zeer complexe problematiek in een complex gebied, waarbij ik benadruk dat de regering van de Antillen zelf verantwoordelijk is voor de uitvoering van het pakket maatregelen dat wij beiden zijn overeengekomen. De regering van de Antillen heeft zelf erg veel vertrouwen in de scanapparatuur die zij zal ontvangen. Zij verwacht dat van het hebben van die apparatuur grote preventieve werking zal uitgaan. Bovendien werkt men aan uitbreiding van de capaciteit van de gevangenis en men verwacht over vier à zes maanden daarover te beschikken. Die uitbreiding zal tijdelijk zijn, want deze voorziening zal uiteindelijk gebruikt worden voor de vreemdelingenbewaring aldaar. Zij was voorzien in het jaar 2003 en deze capaciteitsuitbreiding wordt met financiële steun van Nederland in de tijd naar voren gehaald.

Kunnen met het oog op de resocialisatie zoveel mogelijk faciliteiten in de noodopvang worden gerealiseerd? Er zijn uiteraard beperkingen, maar wij proberen zoveel mogelijk activiteiten te bieden. Daar moet u van uitgaan. Ik ben voornemens te zijner tijd de woordvoerders in de Kamer uit te nodigen om zelf een keer in de noodopvang te gaan kijken. Dat bezoek zal niet de eerste maand moeten plaatsvinden, maar wanneer alles daar een beetje loopt. Dan kan men daar zelf zien wat de resultaten zijn.

Mevrouw Duijkers (PvdA):

Voorzitter. Heeft de minister in overweging genomen de medewerkers in de noodvoorzieningen samen te laten werken met de medewerkers van de justitiële inrichtingen in de omgeving om zodoende de voorzieningenniveaus op peil te krijgen?

Minister Korthals:

Nee, want ik probeer juist de justitiële inrichtingen daar volledig buiten te houden. Het gevaar is namelijk dat zij op deze manier meer werkdruk krijgen. Wat mij de laatste tijd duidelijk is geworden, is dat daaraan ook een eind komt. Ik wil dus echt twee totaal gescheiden trajecten.

Met een particulier beveiligingsbedrijf is een afspraak gemaakt over door het bedrijf te leveren personeel, zowel mannelijk als vrouwelijk. Deze personeelsleden krijgen de volledige verkorte basisopleiding PIW'er. Deze opleiding bevat alle elementen van de basisopleiding. Dit personeel zal worden aangevuld met ervaren gevangenbewaarders, bijvoorbeeld uit Engeland, die als teamleiders zullen opereren, dat alles onder het management van ervaren Nederlandse gevangenisdirecteuren.

Mevrouw Duijkers (PvdA):

Voorzitter. Zullen deze mensen ook gescreend worden op hun antecedenten, zodat zij op zijn minst aan de normen voldoen voor een PIW'er?

Minister Korthals:

Ja, zij zullen gescreend worden.

De voorzitter:

Ik wijs erop dat dit soort aanvullende vragen ook in de tweede termijn kan worden gesteld. Er is gelegenheid voor het houden van een tweede termijn en daarvan zullen de woordvoerders vast en zeker gebruik willen maken. Ik vraag ze dan daarin dit soort opmerkingen te maken.

Minister Korthals:

De heer Dittrich wil graag weten hoe lang het duurt voordat de bolletjes uit het lichaam zijn. Dat hangt er een beetje van af. Het duurt maximaal zes dagen.

Mevrouw Halsema vroeg of de problematiek rond de drugskoeriers deze ingrijpende maatregelen rechtvaardigt. In antwoord op deze vraag roep ik het debat over het plan van aanpak drugskoeriers in herinnering. Tijdens dat debat heb ik van de Kamer in niet mis te verstane bewoordingen te horen gekregen dat ik maatregelen moet nemen. Heenzendingen worden niet getolereerd en doorlaten met een dagvaarding is ook geen alternatief. De noodwet en de noodvoorzieningen zijn mijn antwoord op de situatie. Ik benadruk dat er ook in de noodvoorzieningen een humane bejegening zal zijn. Omdat de problematiek thans wordt veroorzaakt door de drugskoeriers heb ik de maatregelen tot die groep beperkt en dat vind ik een logische en verantwoorde keus. Mevrouw Halsema heeft overigens destijds zelf bij motie aangedrongen op maatregelen van mijn kant tot bestrijding van de problematiek op Schiphol.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Nu vergist de minister zich. Ik heb de motie waarin werd geconstateerd dat de minister te kort is geschoten bij de bestrijding van drugssmokkel via Schiphol, meeondertekend. Een deel van mijn redenering was juist dat als de minister niet te kort was geschoten, hij deze noodmaatregelen niet nodig had gehad. De vraag die ik wil stellen betreft echter iets anders.

De minister zegt dat de maatregelen gerechtvaardigd zijn vanwege de druk vanuit de Kamer. Ik heb de minister gevraagd ze te toetsen aan de beginselen van proportionaliteit en rechtvaardigheid. Het EVRM zegt bijvoorbeeld dat inbreuken op de mensenrechten, inbreuken die nu met de wet worden voorgesteld, pas mogen als sprake is van bedreiging van de democratische samenleving. Zou de minister voor mij aannemelijk kunnen maken dat daarvan sprake is? Overigens, ik zie de minister zoeken, maar ik ken de motie uit mijn hoofd.

Minister Korthals:

Ik ken de motie ook uit mijn hoofd. In de eerste overweging staat wel degelijk dat u vindt dat ik tekortgeschoten ben in de bestrijding van de problematiek aldaar.

Voorzitter. Ik wil ingaan op de wijze waarop wij de tijdelijke wet hebben gelegd naast het EVRM en de daarbij geldende aanvullende protocollen. Naar ons heel duidelijke oordeel wordt voldaan aan hetgeen in het EVRM is bepaald. Het betreft de artikelen 3, 8, 9 10, 13 en andere. Ik zou het kunnen voorlezen, maar dat lijkt mij wat overdreven.

Mevrouw Halsema wil dat de jongeren worden uitgesloten van de noodwetten. Ik heb in de nota naar aanleiding van het verslag al aangegeven dat het niet mijn bedoeling is om jeugdige drugskoeriers die nu Nederland binnenkomen per 1 maart a.s. in de voorzieningen onder te brengen. Ik heb de mogelijkheid in de wet opgenomen om een verschuiving van de problematiek tegen te gaan. U moet niet onderschatten wat de drugskoeriers doen om door de mazen van de wet te glippen. Als zij zien dat wij volwassenen kunnen opsluiten, zullen zij er geen enkel probleem mee hebben om jeugdigen in te zetten. Wanneer dit zich voordoet, zullen wij over enkele weken weer hier staan om iets voor de jeugdigen te regelen. Ik wil niet alleen dat voor zijn, doch ook de verschuiving voorkomen. Ik doe dat door in de wet op te nemen dat de categorie 16 tot 18 jaar ook kan worden opgenomen, als zich eenzelfde noodsituatie voordoet. Het alternatief is heenzenden, wat de Kamer ook niet acceptabel vindt. Ik heb de toepassing van de wet nu reeds beperkt tot de categorie 16 tot 18 jaar.

De heer Van der Staaij vraagt naar het systeem van een pre-flightcontrol. Dit punt is in het plan van aanpak opgenomen. Onlangs heb ik dat met mijn collega van de Nederlandse Antillen besproken. Thans vindt de uitwerking daarvan plaats. Zoals het er op het ogenblik naar uitziet, zal dat ook gebeuren.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter. Ik wil graag even weten ...

De voorzitter:

Mevrouw Halsema, u komt nu nog in de benen naar aanleiding van een vorig punt, begrijp ik.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik wil graag weten of de minister enkel een uitstapje maakt naar de heer Van der Staaij dan wel of hij hiermee is gekomen aan het einde van de beantwoording van mijn vragen.

Minister Korthals:

Ja.

De heer Van der Staaij heeft gevraagd of het mogelijk is om de noodvoorzieningen in maart van start te laten gaan en om hoeveel plaatsen het gaat. Met de noodvoorziening zal worden gestart zodra de noodwet in werking is getreden. Op het ogenblik is het schema als volgt. Het wetsvoorstel wordt vandaag helemaal behandeld in de Tweede Kamer en onmiddellijk doorgezonden naar de Eerste Kamer. Voorzien is dat er een verslag zal komen per 19 februari. Dan komt er een onmiddellijke reactie van de regering daarop. Naar wij hopen zal op 26 februari de mondelinge behandeling plaatsvinden in de Eerste Kamer. Uitgaande van de inwerkingtreding van de noodwet op 1 maart zal worden gestart met ruim 200 plaatsen, oplopend tot 350 plaatsen voor de zomer. Indien nodig zal verdere uitbreiding mogelijk zijn.

De heer De Wit vraagt wat het doel is van de vrijheidsbeneming zoals genoemd in artikel 7. Het doel is de personen ten aanzien van wie door de rechter is bevolen dat zij gedetineerd zullen zijn een humane bejegening te bieden. Waar mogelijk zal worden getracht de gedetineerde op een fatsoenlijke manier te laten terugkeren naar de samenleving. Voorts zullen de rechten van de gedetineerde niet verder worden beperkt dan door de vrijheidsbeneming nodig is.

De heer De Wit heeft ook nog gevraagd om een vergelijking van de wet met de European prison rules. In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik in antwoord op een vergelijkbare vraag van de heer Dittrich aangegeven dat ik daar op korte termijn niet aan kan voldoen. De rules geven voornamelijk richtlijnen en uitgangspunten. Bij de opstelling van de noodwet hebben wij hier nadrukkelijk naar gekeken. Voorts zullen wij hier bij de uitvoering de nodige aandacht aan besteden.

Ik kom op de amendementen. Daarna kom ik nog over het andere wetsvoorstel te spreken, maar dat zal niet zo lang duren. Zowel de amendementen op het wetsvoorstel inzake de bewaring in politiecellen als die op het wetsvoorstel Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers lijken de flexibiliteit die met deze wetgeving beoogd wordt, te beperken. Dat maakt mij in het algemeen niet blij met de amendementen. Ik krijg daardoor minder ruimte om maatregelen uit te voeren die de Kamer toch van mij wenst. Ik zal nu per amendement een reactie geven.

Ik kom eerst op het amendement van de heer Rietkerk, dat mij overigens meer flexibiliteit beoogt te geven. Na het daartoe strekkende advies van de Raad van State heb ik de aanvankelijk in het wetsvoorstel opgenomen mogelijkheid om de werkingsduur van de wet te verlengen, laten vervallen. Het zal de heer Rietkerk verbazen dat ik niet geheel onwelwillend tegenover zijn amendement sta. Ik sta echter wel achter de beperking van de werkingsduur van de wet tot een jaar. Ik wil voor die tijd de toestroom van drugskoeriers hebben ingedamd en de capaciteit zodanig op orde hebben dat ik geen gebruik meer behoef te maken van deze wet. Mocht het zich om onvoorziene redenen laten aanzien dat verlenging toch nodig is, dan zal een wetswijzi ging worden ingediend om de werkingsduur van de tijdelijke wet te verlengen.

Het amendement op stuk nr. 8 van de dames Halsema en Duijkers en de heer Dittrich strekt tot het aanstellen van een commissie van toezicht bij de voorzieningen, net zoals dat het geval is bij de inrichtingen. Ik heb begrip voor de achterliggende redenen van dit amendement, maar kan het niet steunen. In de eerste plaats is het aantrekken van leden voor een commissie van toezicht, helaas, geen eenvoudige aangelegenheid. Dat lijkt een kinderachtig argument, maar het is wel zo. De leden van een commissie van toezicht doen de werkzaamheden die aan deze functie verbonden zijn, in hun vrije tijd en doorgaans naast een volledige baan, terwijl de vergoeding voor de werkzaamheden niet hoog is. Met name mensen met de beroepen die volgens de regels verplicht vertegenwoordigd moeten zijn in een commissie van toezicht, zijn doorgaans niet eenvoudig te vinden. Het gaat dan om rechters, advocaten, artsen en maatschappelijk werkers. Juist deze beroepen zijn zo tijdsintensief dat het lastig is om kandidaten te vinden. De wet heeft een tijdelijk karakter, terwijl de inspanningen die verricht moeten worden om een voltallige commissie van toezicht samen te stellen, aanzienlijk zijn. Een commissie bestaat doorgaans uit tien tot twaalf leden.

In de tweede plaats vermoed ik dat de indieners van het amendement een te rooskleurig beeld hebben van de mate waarin de commissie toezicht kan houden. Ook bij de reguliere inrichtingen wordt niet dagelijks toezicht gehouden. De commissie van toezicht vergadert eenmaal per maand met de directie. De maandcommissaris komt eenmaal per maand de gedetineerden die een verzoekbriefje hebben ingevuld, bezoeken. Wanneer er veel verzoekbriefjes liggen, kan hij nog eens extra langskomen, doch van dagelijks toezicht is geen sprake. Ik meen dat met de regeling van de beklagcommissie een goed evenwicht is gevonden tussen wat haalbaar is, en de rechtspositie van de gedetineerden. Natuurlijk zullen de leden van de beklagcommissie ook de zaken in de inrichting kunnen bekijken en beoordelen, wanneer zij daar aanleiding toe zien.

De heer Dittrich (D66):

Wat is het politieke oordeel van de minister over het amendement?

Minister Korthals:

Ik ontraad de aanneming ervan.

Ik ben niet voor het amendement op stuk nr. 10. De wet is al beperkt tot de groep 16- tot 18-jarigen. Een afwijkende regeling voor die groep is voor het personeel niet werkbaar. Bovendien gaat het om ordemaatregelen die niet langer mogen duren dan noodzakelijk. Een beperking van de termijnen voegt daar weinig aan toe. Ik ontraad de aanneming van het amendement op stuk nr. 10.

Het amendement op stuk nr. 11 van mevrouw Halsema strekt ertoe de een-in-eencel als uitgangspunt in de wet op te nemen. Zoals ik zojuist al heb aangegeven, ben ik tegen de aanneming van dit amendement. Het gaat er bovendien van uit dat de selectiefunctionaris de gedetineerde een cel- of slaapzaal toewijst, terwijl dat in het wetsvoorstel een bevoegdheid van de directeur is. Ik vind dat ook meer een taak van de directeur, omdat hij bij problemen de gedetineerde eventueel ook een andere verblijfsruimte moet kunnen toewijzen. Ook om die reden ben ik geen voorstander van het amendement op stuk nr. 11.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter. Het laatste kan ik mij voorstellen, maar dan is er gewoon een fout ingeslopen. Dat is echter niet de kern van het amendement. Het amendement is een rechtstreekse overname van het advies van de Raad van State om het beginsel van een gevangene in een cel vast te houden. Dat wil niet zeggen dat de minister er niet van kan afwijken. Ik ken de strekking van dit wetsvoorstel ook. Het geeft alleen wel richting aan het algemene beleid. Juist omdat VVD en CDA graag zien dat dit beginsel wordt losgelaten, lijkt het mij van groot belang dat de minister het vastlegt.

Minister Korthals:

Dat beginsel ligt in feite ten grondslag aan de Penitentiaire beginselenwet. Die wet verklaren wij echter niet van toepassing. Om dat beginsel dan wel van toepassing te verklaren op deze noodwet, op basis waarvan in de verblijfsruimte meer mensen moeten worden toegelaten, lijkt mij onverstandig.

Het amendement op stuk nr. 12 strekt ertoe drie zaken te regelen. Ik noem eerst het recht op bezoek en telefoneren, conform de bepalingen van de Penitentiaire beginselenwet. Ik heb hiertegen bezwaar, omdat ik dit niet kan garanderen. Ik heb aangegeven dat ik zal proberen dit zoveel mogelijk te realiseren, maar het gestelde in het amendement is een resultaatsverplichting. Dat gaat mij te ver. Tegen het derde aspect, namelijk dat de directeur zorgdraagt voor een dagbesteding van de gedetineerde, heb ik minder bezwaar. Ik heb dat evenwel al toegezegd. Dit vloeit voort uit artikel 7, dus heeft het weinig toegevoegde waarde. Dat is ook geen reden dit amendement over te nemen.

Het amendement op stuk nr. 13 regelt dat minderjarige gedetineerden in de verblijfsruimte gescheiden worden ondergebracht van volwassenen. Dat heb ik al in het wetsvoorstel opgenomen. Dat amendement is dus overbodig. Dat geldt ook voor het amendement om vrouwelijke en mannelijke gedetineerden niet gezamenlijk in een verblijfsruimte op te nemen. Mijn bezwaren tegen een verplichte scheiding van onveroordeelden en veroordeelden heb ik al eerder uiteengezet. Dat brengt namelijk te veel werk met zich. Daarvoor heb ik personeel nodig, maar dat heb ik in dit stadium niet. Mannen en vrouwen worden ook in mijn wetsvoorstel gescheiden ondergebracht. Ik vind de formulering overigens niet helderder dan ik al heb aangegeven.

Het amendement op stuk nr. 14 regelt dat de aanwending van mechanische middelen ten aanzien van jeugdigen volgens de regels van de BJJ plaatsvindt. Deze wet is alleen van toepassing op de groep 16- tot 18-jarigen, voorzover die groep massaal drugs gaat invoeren. Ik heb al aangegeven dat het voor het in beperkte mate aanwezige personeel moeilijk werken is met verschillende regels voor verschillende groepen gedetineerden. Sowieso geldt dat zo'n maatregel zo kort mogelijk moet duren. Deze regel voegt daar naar mijn gevoel weinig aan toe.

Mevrouw Halsema stelt in een ander amendement dat er geen particulier bewakingspersoneel mag worden ingezet. Voorzitter. Dit zou desastreus zijn voor de noodvoorzieningen.

Mevrouw Halsema (Groenlinks):

U kunt waarschijnlijk gedachten lezen. Ik heb dit overwogen, maar ik heb een dergelijk amendement uiteindelijk niet ingediend.

Minister Korthals:

Dat ik uw gedachten kan lezen, is voor mij wel een hoogtepunt van deze avond.

Voorzitter. Ik meen dat ik alle amendementen op dit wetsvoorstel heb behandeld.

De heer Dittrich (D66):

Ik hoor nog graag uw oordeel over het amendement op stuk nr. 9.

Minister Korthals:

In dit amendement wordt voorgesteld om ervoor te zorgen dat er zoveel mogelijk geestelijke verzorging aanwezig is.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Daar staat bij "indien mogelijk" en dat is essentieel.

Minister Korthals:

U heeft gelijk. Ik heb moeite met dit amendement. Ik wil mijn best doen, maar ik heb al eerder mijn zorgen geuit over de realiseerbaarheid daarvan. Hoewel het streven erop gericht is, moet ik aanneming van het amendement ontraden.

Voorzitter. Vervolgens kom ik te spreken over het wetsvoorstel inzake de politiecellen. De heer Rietkerk heeft gevraagd waarom het wetsvoorstel uit 1994 is ingetrokken. Dit wetsvoorstel had een andere opzet. Daarin werd een aantal politiecellen als huis van bewaring aangewezen. Deze cellen moesten worden "opgeplust" om aan het gunstiger regime voor de huizen van bewaring te voldoen. Dat "opplussen" bleek echter veel duurder te zijn dan verwacht en bovendien was er geen capaciteitsgebrek. Dit heeft geleid tot intrekking van het wetsvoorstel. Het onderhavige wetsvoorstel heeft een andere opzet.

De heer Rietkerk vroeg verder of door het gebruik van politiecellen het capaciteitsprobleem niet verschoven wordt van de huizen van bewaring naar de politiecellen met gevolgen voor de opsporingscapaciteit van de politie. Er worden altijd afspraken met de korpsbeheerder gemaakt. Als er grote evenementen zijn, reserveert de korpsbeheerder een aantal politiecellen voor het geval er sprake is van vernielingen of ordeverstoringen.

Mevrouw Halsema wijst erop dat jongeren die als gevolg van ondertoezichtstelling in een politiecel terechtkomen, speciale zorg behoeven.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dit is wellicht het gevolg van het feit dat ik de minister mijn tekst tevoren heb doen toekomen. Ik heb deze passage niet uitgesproken omdat ik zelf de fout al had ontdekt.

Minister Korthals:

Ik merk dat ik slecht naar u heb geluisterd.

Mevrouw Halsema vroeg wel naar de termijn van tien dagen die is gesteld als maximum voor het voortgezet verblijf in de politiecel. Met de genoemde tien dagen en tweemaal de mogelijkheid van inverzekeringstelling kan deze termijn oplopen tot zestien dagen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Misschien mag ik u even uit uw lijden verlossen. Het misverstand is dat u het amendement op stuk nr. 10 heeft behandeld als een amendement voor de tijdelijke noodvoorziening. Amendement nr. 10 handelt over de politiecellen en de redactionele fout in het wetsvoorstel. Naar mijn idee maakt het wetsvoorstel het namelijk mogelijk dat mensen gedurende de volledige voorlopige hechtenisperiode in een politiecel worden ingesloten. Dat is niet terecht en daarover gaan mijn vragen.

Minister Korthals:

Ik heb ook vrij grondig naar juist dit amendement gekeken, omdat ik niet begreep wat u met uw amendement bedoelde. Ik dacht dat u dacht dat het mogelijk zou worden, mensen gedurende de hele voorlopige hechtenis in de politiecel op te sluiten. Dat is bepaald niet het geval. Ik zeg u toe, dat wij voor alle zekerheid dit punt nog eens goed zullen bekijken. Als wat u zegt waar is, wordt dat uiteraard gecorrigeerd.

De heren Rouvoet en De Wit vragen naar de relatie tussen het wetsvoorstel en het plan van aanpak, omdat de toelichting daarop niet ingaat. Het wetsvoorstel is primair opgesteld met het oog op de wijziging van het gedoogbeleid van de rechter. In het arrondissement Rotterdam en in een aantal andere arrondissementen hanteert de rechter niet langer het gedoogbeleid dat het verblijf van een voorlopige hechtenis in een politiecel voor de korte duur kan worden voortgezet. Om die reden hebben wij gemeend met dit wetsvoorstel te moeten komen. Te uwer informatie deel ik mee dat dit wetsvoorstel al in de ministerraad was behandeld. Het was ook al onderweg naar de Raad van State op het moment dat het plan van aanpak werd opgesteld.

Bij de vraag of de selectiefunctionaris rekening kan houden met de conditie van de gedetineerde dient onderscheid gemaakt te worden tussen personen die in een politiecel verblijven op basis van een regulier dossier, dat wil zeggen geen verdenking op basis van de Opiumwet als bedoeld in de noodwet en de bolletjesslikkers die op Schiphol worden aangehouden. De eerste categorie zit in een politiecel onder verantwoordelijkheid van de politie. Indien iemands conditie opsluiting in een politiecel niet toestaat, is het de verantwoordelijkheid van de politie om voor medische voorzieningen zorg te dragen. Bij de bolletjesslikkers ligt dit anders. Zij worden onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie door de Koninklijke marechaussee altijd eerst in een medische voorziening geplaatst, gelet op het medische risico. Pas als er geen medisch risico meer is, wordt iemand in een andere voorziening ondergebracht.

De heer Dittrich heeft een amendement ingediend onder stuk nr. 7 dat ertoe strekt de rechter weer de bevoegdheid te geven, de plaats aan te geven waar de voorlopige hechtenis wordt ondergaan. In het wetsvoorstel is de beslissing tot voortgezet verblijf in een politiecel toegekend aan de selectiefunctionaris. Dit is de persoon binnen het gevangeniswezen die alle beslissingen tot plaatsing en overplaatsing neemt. Hij is ook degene die het meeste zicht heeft op de actuele capaciteitssituatie en een overzicht heeft over de beschikbare plaatsen. De bevoegdheid van de rechter om de plaats aan te wijzen, is geschrapt om een overlap in bevoegdheden te voorkomen.

In de bestaande praktijk wordt door de rechter doorgaans volstaan met een standaardformulering die ruimte biedt voor verscheidene mogelijkheden tot plaatsing. Gehandhaafd is wel de bevoegdheid van de rechter en de officier van justitie om aanwijzingen te kunnen geven omtrent de wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf of vrijheidsbeperkende maatregel. Ook een eventueel verblijf in een politiecel kan deel uitmaken van die aanwijzingen. Het is gebruik dat de selectiefunctionaris die aanwijzingen doorgaans overneemt. Op deze wijze kunnen de rechter en het openbaar ministerie wel invloed uitoefenen op de plaats van tenuitvoerlegging.

In de toelichting op het amendement wordt gemeld dat de rechter de bevoegdheid spaarzaam toepast en wel in die gevallen dat de jeugdige verdachte te ver van de woonplaats wordt gedetineerd. Bij de jeugdige verdachte wijs ik op artikel 493 van het Wetboek van Strafvordering. Op grond van dat artikel heeft de rechter voor jeugdige verdachten de mogelijkheid om de plaats van de voorlopige hechtenis te bepalen. Op grond hiervan kom ik dan ook tot de conclusie dat ik de aanneming van dit amendement moet ontraden.

Mevrouw Duijkers (PvdA):

Kan de rechter, gelet op de persoonlijke omstandigheden of de psychische gesteldheid van een vrouw, een man of een jongere, beslissen dat een verblijf van vijf of tien dagen in een politiecel wel mogelijk is?

Minister Korthals:

Hij kan daarover adviseren. In mijn voorstel is de selectiefunctionaris degene die dat bepaalt. De heer Dittrich wil in zijn amendement dat ook de rechter dat kan bepalen, maar daaraan voegt hij toe dat de rechter daarvan spaarzaam gebruik zal maken.

De heer Dittrich (D66):

Dat is op basis van het advies van de Nederlandse vereniging voor rechtspraak, maar mijn amendement heeft eigenlijk op iets anders betrekking. De selectiefunctionaris komt pas aan de orde na het bevel tot voorlopige hechtenis. Ontraadt u de aanneming van dit amendement dus niet te snel? Er moet immers eerst een door de rechter gegeven bevel zijn; pas daarna gaat de selectiefunctionaris aan de slag.

Minister Korthals:

Bij plaatsing, waar dan ook, zal de beslissing in het nieuwe systeem te allen tijde worden genomen door de selectiefunctionaris, want die heeft het totale overzicht. Dat doorkruist u met uw amendement door de rechter, als hij dat wil, die bevoegdheid te geven.

De heer Dittrich (D66):

De selectiefunctionaris kan gaan plaatsen als er een bevel is tot voorlopige hechtenis. Dit amendement geeft in dat bevel tot voorlopige hechtenis de rechter, in gevallen waarin dat echt noodzakelijk is, de bevoegdheid om de plaats aan te wijzen. Om die bevoegdheid hebben de rechters in hun spoedadvies over deze wetsvoorstellen gevraagd; daar bent u nog niet op ingegaan.

Minister Korthals:

Daar ben ik wel op ingegaan. De rechter kan zeggen dat hij vindt dat de betrokkene op een bepaalde plaats geplaatst zou moeten worden. In de praktijk zal de selectiefunctionaris daar rekening mee houden.

De heer Dittrich (D66):

Dan is er toch geen probleem?

Minister Korthals:

Jawel, het probleem is dat u vindt dat de rechter de uiteindelijke beslissing moet nemen, terwijl ik zeg dat de selectiefunctionaris de beslissing moet nemen.

Tot slot mijn reactie op het amendement van mevrouw Duijkers c.s. op stuk nr. 8, dat beoogt om het verblijf in politiecellen te beperken tot de categorie van 16- tot 18-jarigen. Dit amendement heeft qua inhoud mijn sympathie, maar stuit op praktische problemen. Het punt is namelijk dat het ook voor deze groep niet altijd mogelijk is om terstond vervoer naar een inrichting te regelen, zodat verblijf voor enige tijd in een politiecel soms onvermijdelijk is. Pas wanneer het bevel tot bewaring wordt gegeven, wordt bekend dat er een jeugdige vanuit een politiecel naar een opvanginrichting moet worden overgebracht. Hoewel het vervoer doorgaans snel kan worden geregeld, is het zeker indien een bevel tot bewaring op vrijdagmiddag wordt gegeven, toch niet mogelijk om terstond voor te komen rijden. Het kan dan toch gebeuren dat een jeugdige even in een politiecel moet verblijven. Ik ben eventueel bereid om deels aan de bezwaren van mevrouw Duijkers tegemoet te komen door bij nota van wijziging voor te stellen dat het verblijf voor de categorie van 12- tot 16-jarigen beperkt blijft tot twee of drie dagen.

Mevrouw Duijkers (PvdA):

De vraag is dan of het in totaal om twee of drie dagen gaat, dus inclusief de inverzekeringstelling

Minister Korthals:

Nee, dat komt bovenop de inverzekeringstelling want het gaat er juist om dat er op het moment van het bevel tot bewaring niet onmiddellijk vervoer is.

De voorzitter:

Wij zijn toe aan de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik zou graag willen dat u daarbij voor zichzelf als regel hanteert dat u in deze termijn eenderde van uw spreektijd in eerste termijn gebruikt. Die tijd hoeft u overigens niet helemaal te gebruiken.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de gegeven antwoorden. Hij heeft gelijk dat een noodwet zo zijn nadelen en beperkingen kent. De voorbereidingstijd is kort en de vragen en antwoorden in het debat sluiten ook niet altijd op elkaar aan. Door de bank genomen zijn de meeste van mijn vragen echter aan de orde gekomen. Over het eerste wetsvoorstel heb ik geen vragen meer. Ik beperk mij in tweede termijn tot het wetsvoorstel over de noodcapaciteit.

Ik spits mijn betoog toe op de kwestie van de beperking van rechten en grondrechten en enkele verschillen met de Penitentiaire beginselenwet. De minister zegt in zijn termijn dat de Kamer het niet prettig zou vinden als de minister voortdurend bij deze noodwetgeving met een apart regime zou werken met de formulering "zo veel mogelijk proberen om". In zijn algemeenheid heeft de minister een punt omdat daarmee de duidelijkheid van de wet niet toeneemt. Ik stel echter vast dat er nogal wat bepalingen zijn – mevrouw Halsema noemt er drie in een van haar amendementen – waarbij wordt aangegeven dat de beperkingen zijn gelegen in de gebouwelijke voorzieningen en het personeel. Het verschijnsel van de formulering "zo veel mogelijk" is dus niet onbekend in het wetsvoorstel. Ik snap dat er geen waslijst van gemaakt moet worden. Ik zie ook niet in dat gesteld kan worden dat het bij deze drie voorbeelden moet blijven en dat het verder geen begaanbare route is. Dat lijkt mij geen consis tente redering van de regering. Ik hoor hierop graag een reactie.

Dit brengt mij als vanzelfsprekend bij het onderwerp waarop ik een amendement heb ingediend, de geestelijke verzorging. Ik doel meer in het algemeen op de kwestie van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en wat daarmee samenhangt. Over dat complex van punten maak ik enkele opmerkingen. Ik heb nog een opmerking van de minister tegoed in tweede termijn over de bepaling in artikel 41, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet. Daarin wordt de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging expliciet gestipuleerd. Waarom ontbreekt die in deze noodwetgeving? Ik heb uit de mond van de minister genoteerd dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging zoals die in de Grondwet en in de Penitentiaire beginselenwet staat – zij het dat het om een positieve versus een negatieve formulering gaat – hier van toepassing is. Dat lijkt mij belangrijk. De vraag is of het dan niet verstandig is om dit in de wet op te nemen. Door het expliciet weg te laten, terwijl in het overzicht in de memorie van toelichting staat dat het recht gehandhaafd blijft, wordt de indruk gewekt dat ook hier een ander regime geldt dan in de Penitentiaire beginselenwet. Dat lijkt mij hier bij uitstek buitengewoon onwenselijk. Ik vraag dus om dit alsnog in de wet op te nemen. Dat moet allemaal heel snel gebeuren. Het lijkt mij echter niet onbelangrijk bij een fundamenteel grondrecht.

Over de voedselverstrekking kan ik kort zijn. Ik accepteer de redenering van de minister waar het gaat om de woorden "indien mogelijk" of "zo veel mogelijk". Ik zal niet aandringen op het vervangen van "indien mogelijk", zoals het in de Penitentiaire beginselenwet staat, door "zo veel mogelijk" in artikel 26 van dit wetsvoorstel. Ik leg mij daarbij neer. Dat bekent ook dat ik geen aanleiding zie om in mijn amendement over de geestelijke verzorging de woorden "indien mogelijk" te vervangen door "zo veel mogelijk": Ik handhaaf dat amendement in de redactie zoals ik die aan de Kamer heb voorgelegd. Ik hecht zeer aan dit amendement. Door er niets over te zeggen, wordt ook hier de schijn gewekt dat van geestelijke verzorging in de noodvoorzieningen geen sprake kan zijn. Dat lijkt mij niet acceptabel in het licht van de internationale standaarden. Ik ben ermee akkoord dat het niet ongeclausuleerd kan. De term "indien mogelijk" lijkt mij echter niet te veel gevraagd.

Ik herhaal mijn vraag naar de verantwoording door de minister in het licht van artikel 18 van het BuPo-verdrag, waar het gaat om beperkingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Wellicht heb ik dat antwoord gemist.

Aan het adres van mevrouw Halsema merk ik op dat de reden dat ik hierop een amendement heb ingediend en niet op zaken als briefgeheim en telefoneren, daarin is gelegen dat over deze rechten in ieder geval iets is opgenomen in dit wetsvoorstel, zij het met beperkingen. De geestelijke verzorging is echter geschrapt. Het lijkt mij niet gewenst dat die tussen wal en schip geraakt. Daarom heb ik het amendement ingediend, waarbij ik de beperking "indien mogelijk" aangeef. Dan moet het echter wel in het rijtje staan dat nu in het wetsvoorstel is opgenomen.

Voorzitter. De Kamer heeft aangegeven dat minderjarigen eigenlijk niet in de noodcapaciteit mogen worden opgenomen. Mijn fractie heeft er niet voor niets sterk op aangedrongen om in ieder geval tot daadwerkelijk gescheiden huisvesting te komen. Ik ben er overigens niet voor om geheel uit te sluiten dat minderjarigen in de noodcapaciteit worden geplaatst, maar ik ga er wel vanuit dat de selectiefunctionaris er alleen toe overgaat als het echt niet anders kan.

Ten slotte merk ik op dat wat mij betreft dit debat niet een opstapje is naar de discussie over twee in een cel. Ik hecht eraan dit op te merken omdat dat hier en daar zo is opgevat. Ik was dan ook weinig gelukkig met het feit dat de minister wel zelf het lijntje legde met de discussie over twee in een cel. Hij zei dat wij nu nieuwe ervaringen opdoen waarvan het nodige kan worden geleerd. Ik vind dat de minister die verbinding niet moet leggen, vooral ook niet omdat wij hier te maken hebben met noodwetgeving. Het doet bijna afbreuk aan het uitzonderlijke karakter van deze noodwetgeving als wij nu al zeggen dat wij er wellicht lessen uit kunnen trekken voor de discussie over twee in een cel. Mijn fractie is daar in ieder geval nog niet aan toe. Die discussie mag niet worden gevoerd op basis van deze noodwetgeving.

De heer De Wit (SP):

Voorzitter. De minister is niet ingegaan op mijn vraag of het regime van een politiecel geschikt is om mensen langdurig vast te houden. Ik verwijs nog een keer naar de uitspraak van de Raad voor de Rechtspraak dat kritisch gekeken moet worden naar de staat waarin de politiecellen verkeren. Mijn verhaal op dit punt snijdt dus hout. Ik vind het overigens per definitie een ongeschikte ruimte om mensen in op te sluiten.

Wat betreft de noodcapaciteit blijf ik van mening dat toetsing aan het gelijkheidsbeginsel zal leiden tot een moeilijke situatie. Er wordt immers een aparte groep gecreëerd van mensen die een strafbaar feit begaan hebben of verdacht worden van een strafbaar feit. Die mensen worden geconfronteerd met een apart regime waarbij dan ook nog eens in aanzienlijke mate inbreuk wordt gemaakt op de rechten die gevangenen en verdachten normaal gesproken in ons land hebben. Dat vind ik onaanvaardbaar. Ik ben het eens met de heer Rouvoet dat het middel van de noodwetgeving niet mag worden gebruikt om de reguliere opvang in gevangenissen onder druk te zetten door de discussie over twee in een cel aan de orde te stellen. Dat kan niet en dat mag niet.

Voorzitter. De SP-fractie heeft grote bezwaren tegen beide wetsvoorstellen, vooral om ze te veel inbreuk maken op de rechten van veroordeelden en verdachten.

De heer Niederer (VVD):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn uitvoerige beantwoording in eerste termijn. De VVD-fractie is er juist zeer wel mee ingenomen dat er nu een lijntje is gelegd met het concept van insluiting van meer gedetineerden in groepsruimten. Als dat besproken moet worden, is het wel in het kader hiervan en als wij dit concept hebben geëvalueerd – wij kennen overigens al een precedent bij de vreemdelingenbewaring waar zes tot acht mensen in een cel verblijven – dan is het wat ons betreft zeker aan de orde en blijft het op de politieke agenda staan om daarover te spreken omwille van het oplossen van capaciteitstekorten. Het gaat er bij de VVD-fractie niet in dat mensen met lichte straffen of degenen die vervangende hechtenis moeten ondergaan omdat zij hun geldboete niet betalen niet met anderen in één ruimte zouden kunnen worden ingesloten. In tegenstelling tot de andere sprekers tot nu toe is de VVD-fractie dus buitengewoon ingenomen met dit lijntje dat ook door de minister van Justitie is gelegd.

Inperking van de grondrechten lijkt ons in dit kader volstrekt gerechtvaardigd. Nood breekt wet en daarvoor hebben wij ook een noodwetgeving.

De amendementen en de moties die wellicht nog zullen komen, zullen wij beoordelen naar de mate waarin zij het karakter, de slagkracht van de noodwet versterken dan wel daaraan afbreuk doen. Wat ik tot dusver heb gezien, doen de amendementen eerder afbreuk aan de kracht van het wetsvoorstel dan dat ze het een duwtje in de goede richting geven. Ik denk dat ik mijn fractie dus over het algemeen in overweging zal geven om tegen die amendementen te stemmen.

Wat betreft de nota van wijziging die de minister heeft voorgesteld in zijn eerste termijn om de insluitingen in de noodvoorziening met terugwerkende kracht van start te laten gaan, vanaf de datum van indiening van dit wetsvoorstel, heeft het onze instemming om dat zo juridisch en wetstechnisch te verankeren. Dat scheelt inderdaad massa's cellen.

Die instemming geldt, maar dat zal men wel begrepen hebben, ook het wetsvoorstel inzake bewaring in politiecellen.

De heer Rietkerk (CDA):

Mijnheer de voorzitter. Ik dank de minister voor de uitgebreide beantwoording van zeer veel van mijn vragen en in tweede termijn blijft mij dan ook nog een gering aantal vragen over.

In zijn algemene inleiding zei de minister dat er nog een groeiend probleem op Schiphol was. Wat betekent dat? Verwacht hij in de toekomst grotere problemen, betekent dit iets voor het beleid van het OM of voor het aanhoudbeleid? Als dat zo is, lijkt het mij goed om dat nu ook duidelijk van de minister te vernemen.

De minister zei dat er structurele maatregelen in het kader van de reguliere celcapaciteit nodig zijn en dat hij daar ook aan werkt: Dat sprak mij aan, maar toch wil ik in verband met die structurele maatregelen een motie indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat momenteel sprake is van een acuut cellentekort;

overwegende dat het in dit licht onjuist is besluiten te nemen die leiden tot een vermindering van celcapaciteit;

verzoekt de regering, het besluit tot sluiting van het huis van bewaring de Blokhuispoort in Leeuwarden terug te draaien,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Rietkerk. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 15(28201,28202).

De heer Rietkerk (CDA):

Wat betreft de brongerichte maatregelen heeft de minister toegezegd dat zowel het protocol als de afspraken die het afgelopen weekend met minister Marta zijn gemaakt ordentelijk in een brief zullen worden weergegeven. Wij zien die graag tegemoet. Datzelfde geldt voor de structurele maatregelen die vanwege de tijd niet konden worden voorgelezen. Daar komen wij te zijner tijd – wellicht ook wanneer de heer Bomhoff met zijn planning is gekomen – wel op terug in het kader van de totale planningsystematiek. In verband met medeverantwoordelijkheid voor brongerichte maatregelen heb ik de scans al genoemd. Is het zo dat er op een vliegveld een gebruiksklare scanner staat die door financieel gedoe niet wordt gebruikt? Graag krijg ik nog een reactie op opmerkingen over het effectiever uitwisselen van persoonsgegevens. Naar mijn idee is dat mogelijk, want de minister heeft daar een rol in. Naar ik heb begrepen in De Hoop al voor eigen risico op de eilanden aan het werk is. Als de minister hierop zelf niet kan antwoorden, kan wellicht haar collega Borst iets zeggen over het mede financieren van dit initiatief.

Het verheugt mij dat de minister Rietkerkheeft aangegeven dat de noodwet voldoet aan internationale normen. Wat de geestelijke verzorging betreft sluit ik mij, ook na de uitleg van de minister, aan bij opmerkingen van de heer Rouvoet. Ik zal mijn fractie adviseren dit amendement te steunen. Tevreden ben ik over het onderzoek dat de minister over ongeveer een jaar laat verrichten naar de systematiek van het plaatsen van meer gedetineerden in één cel.

Positief denk ik over het idee van de minister om drugskoeriers niet vanaf 1 maart, maar al vanaf het moment van het indienen van de wet onder de werking ervan te laten vallen. Ik verwacht een nota van wijziging van hem als een meerderheid zich hiervoor uitspreekt.

Wij hebben geen antwoord gehad op een vraag over lijst II van de Opiumwet. Die is geschrapt naar aanleiding van opmerkingen van de fractie van GroenLinks. Dat is echter niet gemotiveerd, maar als ik kijk naar de laatste stof op die lijst – vinylbital – vraag ik mij af of dat niet door middel van bolletjes kan worden binnengesmokkeld. Als dit zo is, is het toch niet logisch om die lijst te schrappen? Graag krijg ik hierover duidelijkheid, zodat ik op dit punt eventueel later nog een amendement kan indienen.

Mevrouw Duijkers (PvdA):

Voorzitter. De discussie van hedenavond gaat over capaciteitsplanning, maar heel veel debatten over doorstroming, verruiming van de mogelijkheden om reeds opgepakte drugskoeriers in noodvoorzieningen te brengen, hangen samen met de capaciteit die in de komende maanden beschikbaar komt. Er wordt gesuggereerd dat er noodvoorzieningen komen. Ook zijn er reguliere gevangenissen en is er een plan om portakabins te plaatsen en reserve-inrichtingen te heropenen om zo extra reguliere capaciteit beschikbaar te krijgen. Dat alles hoor ik echter niet meer in het verhaal. Betekent dit dat dit onderdeel van het plan van aanpak niet meer wordt uitgevoerd, of wordt het wel uitgevoerd? Als dat zo is, wil ik van de minister horen of hij bij het doorstromen naar reguliere capaciteit het uitgangspunt "first in, first out" wil hanteren.

Het zou de minister een lief ding waard zijn als hij koeriers die zijn opgepakt in de maanden januari en februari, alsnog in noodvoorzieningen kon onderbrengen. Alvorens daarover definitief te oordelen, vernemen wij graag hoe hij wil voorkomen dat met deze mensen naar weer een andere plek moet worden gezeuld als de toestroom nog verder toeneemt.

De minister zegt er vooral belang bij te hebben Nederlandse gedetineerden een aanbod tot resocialisatie te doen. Buitenlandse gedetineerden worden immers het land uit gezet. Begrijp ik daaruit dat hij er voorkeur voor heeft om Nederlandse gedetineerden zo snel mogelijk door te plaatsen naar een reguliere inrichting? Er komt dagbesteding, maar de invulling daarvan is afhankelijk van de gebouwelijke voorzieningen. Die toezegging zien wij met plezier tegemoet, maar wij hopen dat bij die dagbesteding behalve een boek lezen en televisie kijken ook enige vorm van lichamelijke beweging mogelijk is, al zou het maar pingpongen, basketballen of een balletje trappen zijn.

De commissie van toezicht is een wat zwaarder punt. Ik moet eerlijk zeggen dat mijn fractie er toch wel wat moeite mee heeft dat er zoveel bezwaren hiertegen worden opgeworpen. Het principe heb ik zojuist uitgelegd, wij gaan naar een heel laag niveau voor het regime. Het is weliswaar tijdelijk, maar het toezicht staat veel verder weg. En het gaat hierbij ook om handhaving van een correcte toepassing van de noodwet die nu waarschijnlijk zal worden aangenomen. Wij zijn het erover eens dat handhaving van belang is; wel, dan moeten wij ook bereid zijn om een instrument in te zetten om daar daadwerkelijk vorm en inhoud aan te geven. De minister zegt dat een commissie van toezicht uit tien of twaalf personen zou moeten bestaan, maar die van de Bijlmer telt er zes of zeven, meen ik. Het gaat om minimaal zes personen en ik heb al een collega horen zeggen dat die met alle plezier van zo'n commissie deel uit zou maken. Er zijn er velen, ook in de Kamer, die bereid zouden zijn om een commissie van toezicht te vullen, als dat ertoe kan bijdragen dat die commissies tot stand komen. Ik pleit hier dus nogmaals voor, omdat je wetgeving moet handhaven. Ik heb overigens gisterenavond bij een telefoonrondje langs diverse leden van commissies van toezicht heel andere verhalen gehoord dan dat men slechts eenmaal per maand langs zou komen. Ik krijg te horen dat men wekelijks langskomt en in een gevangenis als de Bijlmerbajes komt men soms zelfs dagelijks langs. Ik pleit dus voor een positieve opstelling van de minister op dit punt.

Ik had ook nog gevraagd, de wetgeving rondom de politiecellen na een jaar te evalueren, omdat wij deze procedure nu erg snel doorlopen hebben. Normaal hebben wij meer tijd om informatie in te winnen en een mening te vormen. Dit is toch wel erg snel gegaan, dus vraag ik de minister om ermee in te stemmen, na een jaar een aantal zaken op een rijtje te zetten.

Naar aanleiding van het amendement-Duijkers c.s. om jongeren in de leeftijd van 12 tot 16 jaar uit te sluiten van de mogelijkheid tot onderbrenging in een politiecel heeft de minister gezegd dat hij geneigd is, een nota van wijziging te maken. Wij wachten graag af hoe die zich tot ons amendement zal verhouden, als de minister dit inderdaad doet. Ik teken er wel bij aan dat wij praktische problemen zoveel mogelijk willen uitsluiten, dus het mag wat ons betreft niet voorkomen dat men bij een inrichting zegt dat er alleen op woensdag en op vrijdag nieuwe instroom mogelijk is. Wij vinden dat het ook mogelijk moet zijn om mensen die in hechtenis genomen zijn, in het weekend te verplaatsen. Kinderen mogen er niet de dupe van worden als personeelsleden in het weekend vrij willen zijn. Ik pleit er dus voor, hiervoor passende voorzieningen te treffen.

De heer Dittrich (D66):

Voorzitter. Ik begin met het wetsvoorstel over de politiecellen. Ik had een aantal vragen gesteld over de kwaliteit van de bewaking van arrestanten. Ik begrijp best dat het misschien te lastig is om deze vragen vanavond nog te beantwoorden, dus het mag wat mij betreft ook schriftelijk.

De minister heeft naar aanleiding van het amendement op stuk nr. 7 gezegd dat daarmee de zaak geheel in handen van de selectiefunctionaris wordt gelegd. Ik denk dat er sprake is van een misverstand. Een rechter of een rechter-commissaris spreekt ook echt met de persoon zelf, als een verdachte in het kader van voorlopige hechtenis wordt voorgeleid. Die geeft het bevel, dat wordt aan de selectiefunctionaris overgebracht en die gaat vervolgens aan de slag. Nu is het in sommige situaties belangrijk dat de rechter, omdat die de verdachte gesproken heeft, kan aangeven dat hij een verdachte op grond van persoonlijke omstandigheden op een bepaalde plaats terecht wil laten komen. De selectiefunctionaris gaat gewoon op basis van een aantal criteria te werk, die spreekt de betrokkene helemaal niet. Nu heb ik goed naar de minister geluisterd en ik heb naar aanleiding daarvan mijn amendement iets aangepast, in de hoop dat het daarmee wel acceptabel is. Het luidt nu: "Het bevel kan voorts in verband met persoonlijke omstandigheden van de verdachte de plaats vermelden."

Ten aanzien van het wetsvoorstel over de noodcapaciteit, dat voor een jaar zal gelden, zou ik graag willen dat de minister de Kamer periodiek informeert over de stand van zaken. Ik hoop dat de minister dit kan toezeggen.

Voorzitter. Met betrekking tot respectievelijk de gescheiden opvang in de verblijfsruimten en het onderbrengen van minderjarigen in de noodcapaciteit wil ik graag de volgende moties indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers het mogelijk maakt dat voorlopig gehechten en afgestraften gezamenlijk in verblijfsruimten kunnen worden vastgehouden;

overwegende dat in het internationale recht de regel geldt dat deze groepen van elkaar gescheiden worden gehouden;

verzoekt de regering, te bewerkstelligen dat de selectiefunctionaris en de directeur van de voorziening waar beide groepen worden geplaatst, zoveel mogelijk proberen beide groepen gescheiden van elkaar in verblijfsruimten te plaatsen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dittrich, Duijkers, De Wit, Halsema en Rouvoet.

Zij krijgt nr. 16(28201,28202).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

spreekt als haar mening uit dat minderjarigen in de leeftijd van zestien tot achttien jaar niet in de voorzieningen zoals bedoeld in de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers thuishoren, en zoveel mogelijk elders geplaatst moeten worden;

verzoekt de regering, de Kamer tijdig te informeren indien als gevolg van ontwikkelingen in drugszaken deze groep van minderjarigen toch in deze voorzieningen worden geplaatst,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dittrich, Duijkers, De Wit en Halsema. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 17(28201,28202).

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Ik begrijp deze laatste motie niet helemaal. De heer Dittrich wil het niet uitsluiten, want anders zou hij een amendement hebben ingediend, zo neem ik aan. Minderjarigen kunnen dus, als deze wet van kracht wordt, in de noodcapaciteit worden geplaatst, maar hij wil het nog wel even weten. Wat is de reden dat hij dit wil weten op het moment dat datgene gebeurt wat hij nu toestaat?

De heer Dittrich (D66):

Wij zeggen dat zij daar niet thuishoren. De minister heeft een argument waar wij niet omheen kunnen. Stel namelijk dat drugsorganisaties andere methoden gaan hanteren en juist die leeftijdscategorie gaan inzetten; dan zal er een situatie kunnen ontstaan dat er een druk is op de capaciteit. Welnu, dan willen wij dat de Kamer tijdig wordt geïnformeerd. Dan zullen wij een debat vragen en daarbij bezien of wij het noodzakelijk vinden dat op dat moment, gelet op de stand van zaken, die noodcapaciteit daarvoor bestemd wordt.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

U acht het denkbaar dat als zich in de praktijk voor zal doen waar u nu uw goedkeuring aan geeft, u er dan tegen bent?

De heer Dittrich (D66):

Wij zullen dan naar bevind van zaken handelen. Het kan dan zo zijn dat wij liever willen dat die categorie in de reguliere opvang wordt geplaatst, wellicht ten koste van een categorie die daar op dat moment zit.

De heer Rietkerk (CDA):

Deze wet geldt, zoals hij nu voorligt, voor een jaar. Kunt u daarom nu die inschatting niet maken? Immers, dan kunt u beter met een amendement komen.

Wat is voorts de meerwaarde ten opzichte van datgene wat de minister in de nota naar aanleiding van het verslag uitstraalt en ook heeft toegelicht, namelijk dat hij ook liever niet heeft dat minderjarigen daar komen, maar dat hij dit vanwege de noodsituatie toch in een wet formuleert? Het betreft hier toch een zaak waar u principieel niet tegen bent.

De heer Dittrich (D66):

Op de eerste vraag moet het antwoord ontkennend luiden. Dat kunnen wij niet voorzien, want net zoals de vormen van drugstoevoer kunnen verschillen – via containers, koffers of wat dan ook, dan wel via bolletjes – kan het ook zijn dat andere personen worden ingezet. Dat is niet echt te voorzien; dat kan heel snel gaan.

In antwoord op de tweede vraag wijs ik erop dat de meerwaarde is dat je als Kamer de uitspraak doet en dat je als Kamer zegt: wij willen de vinger aan de pols houden; wij willen geïnformeerd worden als deze vreselijke situatie zich zal voordoen.

Mijnheer de voorzitter. De minister heeft een balletje opgeworpen in de Kamer en heeft gezegd dat hij eigenlijk zou willen dat het wetsvoorstel voor al die drugskoeriers gaat gelden met ingang van de datum van indiening van het wetsvoorstel, zoals het vorige week is voorgelegd. Ik heb de fractie van D66 daarover nog niet kunnen raadplegen. Ik zal ze positief adviseren, want ik vind dat de minister een punt heeft. Daarbij ga ik af op zijn woorden dat het voorstel juridisch in orde is. Op grond hiervan zal ik mijn fractie Dittrichpositief adviseren.

Tot slot: ik heb lang nagedacht over het amendement van de heer Rietkerk betreffende de duur van de werking van de wet. Ik vind toch dat de Raad van State gelijk heeft en dat het beter is te zeggen:één jaar, punt, uit. De minister heeft gezegd dat, mocht dat tegen die tijd nodig zijn, een voorstel voor wetswijziging kan worden ingediend. Dat zouden wij een betere oplossing vinden.

Mijn conclusie, mijnheer de voorzitter, is dat thans wetgeving wordt voorgesteld die echt noodwetgeving is en dat zij absoluut niet gezien kan worden als een opmaat naar twee in één cel. Ik vind dat de heer Niederer toch te ver gaat met zijn interpretatie van de woorden van de minister. Wij zien deze wetgeving los van andere regelgeving. Twee in één cel zal wat D66 betreft in de toekomst alleen maar bespreekbaar kunnen zijn als de voorzieningen worden aangepast, als het personeel daar goed mee overweg kan en als aan andere randvoorwaarden is voldaan.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter. De minister begon zijn eerste termijn met de stelling: nood breekt wet. Ik wil hieraan toevoegen: nood breekt niet elke wet. Hier wordt wat ons betreft een wet gebroken die niet gebroken had mogen worden. De minister verwoordt twee ambities om tot aanvaarding van zijn noodwet te komen. De eerste is dat deze wet bijdraagt aan vermindering van de problematiek van de drugskoeriers. Wij vinden dat hij dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Wij zien niet dat door deze wetgeving sprake zal zijn van verandering in de aanwas van drugskoeriers.

In zijn eerste termijn verwoordde de minister een tweede ambitie: de voorgestelde aanpak van drugskoeriers anticipeert op de bestrijding van de cynische en de op winst gerichte organisaties. Ook daar ben ik niet van overtuigd. Sterker, ik heb de indruk dat de voorgestelde wet wel eens averechts zou kunnen werken. Als de bestrijding van de drugshandel wordt geïntensiveerd en met rigide maatregelen wordt omkleed, zal de straatwaarde van drugs stijgen. Dat weten wij allemaal, want zo werkt het marktmechanisme bij drugs. Dit betekent dat de organisaties die betrokken zijn bij drugshandel de lachende derden op de achtergrond zijn. Daar word ik niet gelukkig van.

Voorzitter. De noodwet is voor ons een moeilijke wet. Dat er een aparte voorziening verblijfsruimten word gecreëerd, is één ding, maar dat je daarbij ook aparte regimes introduceert een ander. Dat laatste vinden wij namelijk niet vanzelfsprekend gerechtvaardigd. Juist omdat de voorziening te wensen overlaat – de minister heeft het over: fatsoenlijke gebouwen, maar ook niet meer dan dat – dienen de regimes die daar zullen gelden mild en humaan te zijn. Voor ons is het eerste bezwaar dat verdachten en veroordeelden door elkaar worden geplaatst. Wij blijven van mening dat op dit punt sprake is van strijdigheid met het verdrag inzake de burgerlijke en politieke rechten. Dat de regering bij de aanneming van dat verdrag een voorbehoud heeft gemaakt, maakt niet dat wij de betekenis ervan willen relativeren. Desalniettemin moet ik vaststellen dat ik weinig steun in de Kamer vind voor mijn amendement. Ik ben dan ook bereid het in te trekken. Inmiddels heb ik de motie van de heer Dittrich die ziet op het zoveel mogelijk scheiden van verdachten en veroordeelden gesteund. Ik meld de voorzitter bij dezen dat ik het amendement op stuk nr. 13 intrek.

De voorzitter:

Het amendement-Halsema (28201, nr. 13) is ingetrokken.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter. Het regime dat voor jeugdigen wordt geïntroduceerd, vinden wij niet acceptabel. De kracht van de afzonderingsregels die in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen zijn opgenomen voor jeugdigen, wordt vertienvoudigd. In de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen geldt een maximale isoleertermijn van twee dagen. In deze wet wordt die termijn twintig dagen. Het gebruik van mechanische middelen, waarvoor een maximum van 24 uur geldt voor jongeren, mag in deze wet eindeloos worden verlengd. Het argument van de minister voor de verharding van het regime voor jongeren is dat het in stand houden van de eisen die de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen stelt een te zwaar appel zou doen op het personeel. Ik vind dat een redenering a contrario. Het langer laten duren van de afzondering en het vaker toepassen van mechanische middelen is uitermate arbeidsintensief. Als de minister nog ergens op het personeel zou willen besparen, zou hij dat kunnen doen door de afzondering en het gebruik van mechanische middelen, zeker voor jongeren, minimaal te houden. De amendementen die hierop toezien op de stukken nrs. 10 en 14 houd ik zeker in stand, niet alleen uit een humaan oogpunt, maar ook omdat wij denken dat wij de minister er ongewild mee helpen.

Ik kom bij de verblijfsruimte: vier in een cel. Wij zijn het met de minister eens dat, zoals ook door sociaal-wetenschappelijk onderzoek wordt ondersteund, dit in de meeste gevallen beter zal zijn dan twee in een cel. Desalniettemin zijn wij er niet blij mee, omdat wij het beginsel van een in een cel willen handhaven. Wij hebben kunnen vaststellen dat de heer Niederer al een lijntje naar de toekomst heeft gelegd. Des te belangrijker vinden wij het dat ook in deze wet het beginsel van een in een cel wordt vergrendeld, zij het niet omdat wij een destructief amendement willen indienen waarmee wij de wet willen ondermijnen. Wanneer je een uitzonderlijke maatregel introduceert, moet je het onderliggende beginsel dat je intact wilt laten expliciet benoemen. Vooralsnog wil ik dit amendement in stand houden, ook al realiseer ik mij dat er tot dusverre geen overdreven steun in de Kamer is ontstaan. Ik wil een appel doen op die partijen die weliswaar een uitzondering willen maken in deze wet, maar die niet twee of meer in een cel als algemeen principe willen introduceren.

De toekenning van grondrechten wordt in deze wet afhankelijk gesteld van de gebouwelijke en personele omstandigheden. Wij vinden dat de zorgplicht hierboven verheven moet zijn. Mijn amendementen die hierop toezien houd ik dan ook in stand.

Voor ons is de wet een stap te ver. Moeilijker te verteren is dat een van de weinige principiële grenzen die de minister tot de behandeling van de wet in stand liet, namelijk om al veroordeelden niet alsnog te plaatsen in de tijdelijke noodvoorziening, nu ook door hem is losgelaten. Wij zien hier strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel. Wij beschouwen dit als terugwerkende kracht en zouden het dan ook zeer betreuren, als de minister alsnog met een nota van wijziging komt. Ik verzoek hem dringend om, als partijen in de Kamer deze terugwerkende kracht wel willen, het te laten aan die partijen en ze niet van dienst te zijn. Desalniettemin, wel of geen nota van wijziging, zal mijn fractie tegen deze wet stemmen.

Bij het wetsvoorstel verblijf in politiecellen is de situatie voor ons minder zwart-wit. Wij realiseren ons dat het gaat om het legaliseren van een gedoogde praktijk. Daartegenover staat dat wij zestien dagen in een politiecel, zoals de heer De Wit beeldend heeft omschreven, beschouwen als een zeer zware belasting voor het fysieke en geestelijke welzijn van gevangenen. Wij hechten er dan ook aan dat de maatregel nauwkeurig wordt gevolgd en beoordeeld en dat er op korte termijn een mogelijkheid is om te bekijken in hoeverre deze maatregel de gewenste effecten heeft en geen onbedoelde ongewenste effecten sorteert. Wij hebben hierover een motie voorbereid. Alvorens wij ons definitieve politieke oordeel over dit wetsvoorstel geven, wil ik het oordeel van de minister over deze motie afwachten.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat met het wetsvoorstel Verblijf in politiecellen wordt voorzien in de mogelijkheid, personen voor maximaal zestien dagen vast te houden in een politiecel;

overwegende dat een politiecel doorgaans onvoldoende is toegerust om personen op humane wijze voor langere tijd te detineren en dat een dergelijke detentie voorts mogelijkerwijs aanzienlijk beslag kan leggen op zowel de beschikbare celcapaciteit op politiebureaus als de personele inzet aldaar;

verzoekt de regering, vanaf de inwerkingtreding de wet te (laten) onderzoeken op haar humanitaire, personele en logistieke effecten en een eerste evaluatie een jaar na inwerkingtreding naar de Kamer te zenden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Halsema, Dittrich en De Wit. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 19(28201,28202).

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter. Met mijn amendement op stuk nr. 10 op het wetsvoorstel inzake het verblijf in politiecellen beoog ik een redactionele wijziging aan te brengen. Ik heb de vrijheid genomen om daar even over van gedachten te wisselen met de ambtenaren. Het lijkt erop dat het misverstand hierover kan worden opgelost. Alvorens ik evenwel kan besluiten om dit amendement in te trekken, wil ik dat de minister nog toelicht waarom het van belang is om de huidige wettekst te handhaven, al is het maar voor de duidelijkheid van de wetsgeschiedenis.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Ik heb in eerste termijn naar voren gebracht dat wij de wetsvoorstellen waarover wij nu spreken, natuurlijk in een ruimer kader moeten zien. Bij de maatregelen die in het plan van aanpak zijn vervat, staat de bestrijding aan de bron, het voorkomen dat de drugs het land worden binnengesmokkeld, voorop. De minister heeft een aantal vragen hierover beantwoord, zoals die over de samenwerking met de Antillen. Het zal duidelijk zijn dat daar bepaald nog geen optimale situatie is bereikt en dat dit bijzondere aandacht vraagt. Het is nu niet het moment om daar uitvoerig op in te gaan, maar ik wil nog wel onderstrepen dat mijn fractie het een goede zaak acht dat er nu met de Antillen wordt gesproken over pre-flightcontrols.

De minister zei: nood breekt wet. Vandaag is "nood brengt wet" echter ook werkelijkheid geworden. Over het wetsvoorstel inzake de politiecellen zal ik geen nadere opmerkingen maken. Mijn fractie kan dit voorstel steunen.

Over het wetsvoorstel inzake de noodcapaciteit maak ik nog een enkele opmerking. De SGP-fractie zal dit wetsvoorstel ondersteunen, maar dan wel uitdrukkelijk als een noodmaatregel in de gegeven situatie. Ik heb trouwens goed geluisterd naar de inbreng van de andere fracties, maar ik heb niet de conclusie gehoord dat door deze wetgeving internationale normen doorkruist kunnen worden. De minister maakt dus waar wat is aangegeven in de wetgeving. Voor ons is dat een belangrijk punt.

Ik heb de minister in eerste termijn gevraagd of de termijn van een jaar wel voldoende is om tot structurele maatregelen te komen. Ik hoor hier graag nog iets meer over, met name in het licht van amendement van collega Rietkerk. Ik heb in eerste termijn aangegeven dat wij het liefst zouden zien dat die termijn van een jaar inderdaad voldoende is en dat dan met structurele maatregelen kan worden volstaan. Als er echter ernstige twijfel bestaat over de vraag of die termijn van een jaar wel voldoende is, dan overwegen wij het amendement van collega Rietkerk te steunen.

Ook hoor ik graag nog van de minister hoe het gaat met de personeelswerving en wat de verwachtingen op dat punt zijn. Dit is namelijk van belang om de veiligheid in de onderhavige bijzondere voorzieningen te kunnen garanderen.

Het niveau van rechten en voorzieningen wordt met het wetsvoorstel op een groot aantal punten behoorlijk ingeperkt. Vraag is of die inperking niet verder gaat dan nodig is. Er zijn in dit verband heel wat onderwerpen aan de orde gesteld. Ik wil nog kort over een paar punten een opmerking maken of een vraag stellen. Ik ben niet overtuigd van de reden waarom de geestelijke verzorging niet meer als uitgangspunt wordt genomen in het wetsvoorstel. Wij zullen het amendement van collega Rouvoet dan ook steunen. Ik denk dat de formulering "indien mogelijk", die daarin is vervat, voldoende ruimte biedt om met de personeelstekorten om te gaan.

Dan nog iets over de commissie van toezicht. Ik kan mij de praktische bezwaren van de minister daartegen voorstellen, maar is de beklagcommissie van de minister wel een goed alternatief? Komt met name het toezicht dan voldoende uit de verf? Ik vind de behoefte aan voldoende toezicht op de manier waarop dit regime wordt uitgevoerd heel reëel. Kan de minister daar nog wat over zeggen?

Ik heb op zichzelf enige sympathie voor het amendement van collega Halsema op stuk nr. 10, met name waar het gaat om de positie van jeugdigen en de termijn waarbij de afzonderlijke bewaring verder wordt beperkt, de bijzondere afzondering. Zijn de praktische bezwaren daartegen werkelijk onoverkomelijk? Ik hoor daar graag nog wat meer over voor ons definitieve stemgedrag.

De minister heeft de suggestie gedaan de reikwijdte van de wet bij nota van wijziging te verruimen tot drugskoeriers die sinds de indiening zijn opgepakt. Die uitbreiding stuit bij ons niet op onoverkomelijke problemen, als wij ervan kunnen uitgaan dat het juridisch houdbaar is dat dit in bepaalde gevallen tot een concrete achteruitgang in regime kan leiden.

Minister Korthals:

Voorzitter. De heer Rouvoet vroeg nogmaals waarom de bepaling uit artikel 41 ontbreekt in de huidige wet. Ik kom voor de duidelijkheid ook nog even terug op de geestelijke zorg. Ik heb een nota van wijziging ingediend – ik weet niet of de Kamer die al heeft – waarin de godsdienstvrijheid conform de PBW wordt geregeld. Ik heb geen bezwaar tegen de aanneming van het amendement op stuk nr. 9, nu de formulering luidt: "indien mogelijk". Ik begrijp dit zo dat ik in ieder geval mijn best moet doen, maar de Kamer weet dat dit zijn grenzen heeft.

Dan nog een enkel woord over het BuPo-verdrag en artikel 18 van dat verdrag. Ik heb in eerste instantie gezegd dat Nederland op dat punt een voorbehoud heeft gemaakt en dat dit niet voor niets is gebeurd. Ik blijf bij die opvatting.

De heer De Wit zei dat het regime van de politiecellen eigenlijk niet geschikt is om mensen langdurig vast te houden. Ik ben het daar op zichzelf mee eens. Daarom zijn daar beperkingen aan gesteld. Het mag maximaal tien dagen. De cellen moeten voorts voldoen aan de geldende regels voor het politiecellencomplex. Wij proberen de mensen overigens zo min mogelijk in de politiecellen te laten zitten. Ik heb indertijd in mijn brief over de cellencapaciteit aangegeven dat politiecellen een middel waren voor flexibilisering. Zodra er voldoende cellen zijn, wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van politiecellen.

De heer Rietkerk heeft een motie ingediend inzake de Blokhuispoort. Voorzitter. Deze motie heeft niets te maken met dit onderwerp. Het gaat om een oud gebouw dat vervangen moet worden. Er zijn overigens al afspraken over gemaakt. Bovendien speelt dit pas in 2005. Ik ontraad dan ook aanneming van deze motie.

De nieuwe prognoses verschijnen in februari/maart. De heer Bomhoff beziet of er nog verbeteringen in de werkwijze aangebracht kunnen worden. Hij zal omstreeks eind februari advies uitbrengen.

De heer Rietkerk heeft uitvoerig gesproken over de noodzaak om de problematiek bij de bron aan te pakken. De marine heeft douane op Curaçao een scan ter beschikking gesteld. Daarvan is nog weinig gebruikgemaakt. Men heeft vooral op andere manieren getracht, bolletjesslikkers en drugskoeriers tegen te gaan. Dit heeft ook tot veel arrestaties geleid. De scans die nog verzonden zullen worden, zijn veel verfijnder dan het apparaat waarover men nu beschikt.

De heer Rietkerk (CDA):

Waarom wordt de scan die men heeft niet gebruikt?

Minister Korthals:

Men kan op basis van waarnemingen bolletjesslikkers en drugskoeriers achterhalen. Op dit moment streeft men nog niet naar 100% controle, maar men zal dit in de toekomst wel gaan proberen. Dan zal ook meer gebruikgemaakt worden van technische apparatuur. Ik moet zeggen dat de apparatuur waarover men nu beschikt niet geweldig is.

De verdachten en veroordeelden inzake de lijst II-stoffen zijn bij nota van wijziging uit het wetsvoorstel gehaald omdat drugskoeriers in de praktijk deze stoffen niet smokkelen. Dit betreft softdrugs, antidepressiva en slaapmiddelen. De organisaties waarop deze wet betrekking heeft, laten deze stoffen niet via koeriers smokkelen. In theorie is dit wel mogelijk, maar wij zien dit niet als een groot probleem.

De heer Rietkerk (CDA):

De stoffen van lijst II van de Opiumwet komen dus niet via bolletjesslikkers op Schiphol binnen?

Minister Korthals:

In theorie kan het wel, maar in de praktijk komt het niet of nauwelijks voor. Het gaat nu om een noodwet waarmee een ernstig probleem getackeld moet worden. Daarom is ervoor gekozen, haar alleen van toepassing te verklaren op de stoffen van lijst I van de Opiumwet.

De heer Rietkerk (CDA):

Ik heb op dit punt een amendement laten voorbereiden. Ik zal daar straks een beslissing over nemen.

Minister Korthals:

De heer Dittrich heeft zijn amendement over artikel 78, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering aangepast. Ik kan sympathie opbrengen voor die aanpassing, maar ik wijs hem erop dat de rechter nu ook al kan adviseren. Meestal houdt de selectiefunctionaris daar rekening mee. Ik laat het oordeel over dit amendement nu aan de Kamer over.

Mevrouw Duijkers heeft het meeste gevoel getoond bij de huidige problemen met de cellen. Zij wil dat degenen die in de noodvoorziening zitten als er ruimte komt, worden overgeplaatst naar de reguliere gevangenissen. Ik heb haar gezegd dat ik dat voornemens ben, als de capaciteit zich daarvoor leent. Op een gegeven moment zegt zij ook dat daarbij het systeem gehanteerd moet worden van first in, first out. Ik wil dat nog eens overdenken, want ik weet niet of dat handig is. Als mensen een gevangenisstraf hebben gekregen van bijvoorbeeld zeven maanden en zij zitten al zes maanden in de noodvoorziening, dan is het misschien verstandiger, degenen die net binnenkomen in de reguliere inrichting te plaatsen. Ik moet daar nog eens goed over nadenken.

Over haar amendement zijn wij het niet geheel eens. Ik heb aangegeven dat via het beklagrecht veel gedaan kan worden. Ik weet niet of het verenigbaar is dat leden van de Kamer in de commissies van toezicht zitting nemen, maar als het mag, moet het zoveel mogelijk gebeuren. Het moeten vooral leden zijn van de vaste commissie voor Justitie, opdat de minister zijn werkzaamheden gewoon kan vervolgen.

Ik was mevrouw Duijkers nog een antwoord schuldig op haar vraag over de evaluatie en de rapportage. Ik zal beide gaarne uitvoeren.

Er komt een nota van wijziging over de 12- tot 16-jarigen. De aanpassing komt overeen met wat ik eerder heb gezegd. Er wordt aan gewerkt. Zodra ik de twee nota's van wijziging heb getekend, zullen zij worden rondgedeeld.

De heer Dittrich heeft mij gevraagd de Kamer periodiek te informeren. Ik zal dat doen, want ik vind het belangrijk dat de Kamer op de hoogte blijft van de situatie in de noodvoorzieningen. Ik ben het eens met het verzoek in de motie, te rapporteren over het wetsvoorstel inzake de politiecellen. In dat verband vind ik de periode van een jaar erg kort. Daarvoor kan beter een termijn van drie jaar gekozen worden.

In beginsel ben ik het eens met de motie op stuk nr. 17 waar staat: spreekt als haar mening uit dat minderjarigen in de leeftijd van 16 tot 18 jaar niet in de voorzieningen, zoals bedoeld in de wet noodcapaciteit drugskoeriers thuishoren en zoveel mogelijk elders geplaatst moeten worden. Ik ben het er ook mee eens dat wij de Kamer daarover moeten informeren. Ik kan overigens niet garanderen dat ik dat kan melden voordat het is gebeurd, maar ik zal daar wel mijn best voor doen. Ik zal de Kamer in ieder geval zo snel mogelijk informeren, mocht het zich voordoen.

De heer Dittrich vraagt in zijn motie op stuk nr. 16 om zoveel mogelijk veroordeelden en voorlopig gehechten gescheiden van elkaar in verblijfsruimten te plaatsen. Dat vind ik echt moeilijk. In de noodvoorziening kan dat "zoveel mogelijk" echt niet gerealiseerd worden. Zoveel mogelijk impliceert dat veroordeelden en onveroordeelden gescheiden moeten worden geplaatst. Dat valt niet te doen.

Dan de motie van mevrouw Halsema over de evaluatie van de verblijven in de politiecellen. De eerste evaluatie zou op basis van die motie één jaar na de inwerkingtreding dienen plaats te vinden. Ik heb zojuist al gezegd dat ik dat eigenlijk te kort vind. Ik zou de voorkeur geven aan drie jaar, maar laat ik vriendelijk zijn: mag ik dat lezen als twee jaar?

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Oké.

Minister Korthals:

Zelfs mevrouw Halsema begint nu soepele trekjes te vertonen.

Ik begrijp nu wat mevrouw Halsema bedoelt met haar amendement op stuk nr. 10. De verwarring is ontstaan naar aanleiding van de gebruikte formulering "ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel is gelast". Ik heb die formulering gebruikt omdat deze ook elders in de PBW is toegepast. Voor de duidelijkheid herhaal ik dat het enerzijds gaat om een verblijf van maximaal tien dagen van arrestanten, dus van veroordeelden die zich niet hebben gemeld na een oproep, en anderzijds om eveneens maximaal tien dagen na afgifte van het bevel tot bewaring. Daarover kan nu geen misverstand meer bestaan.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dan trek ik het amendement op stuk nr. 10 in. Van de gelegenheid maak ik gebruik om ook het amendement op stuk nr. 11, waarmee het beginsel van één gevangene op één cel in de tijdelijke noodwet zou worden gebracht, in te trekken. Dat doe ik, om met de minister te spreken, "con amore". Verwerping van het amendement – ik ben bang dat dat zou gebeuren – zou een averechts effect hebben.

De voorzitter:

Het amendement-Halsema (28202, nr. 10) en het amendement-Halsema (28201, nr. 11) zijn ingetrokken.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Om vergissingen te voorkomen, heb ik een technische opmerking: als ik het goed heb, heeft het ingetrokken amendement op stuk nr. 10 betrekking op wetsvoorstel 28202 en hoort het ingetrokken amendement op stuk nr. 11 bij wetsvoorstel 28201. Bij beide wetsvoorstellen zijn immers dezelfde nummers in omloop.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dat klopt.

Minister Korthals:

Ik heb inmiddels twee nota's van wijziging getekend. Een derde nota van wijziging gaat niet zozeer over de terugwerkende kracht, maar over het feit dat het wetsvoorstel in werking treedt vanaf het moment van indiening ervan. Op dat punt bestaan grote verschillen in de Kamer, maar ik kan nu vaststellen dat een meerderheid van de Kamer daarvoor is. Ik vind het zelf eleganter als daarvoor een amendement wordt ingediend, maar dat zou ons wellicht in tijdnood brengen.

De voorzitter:

Het is altijd aan de Kamer zelf om dat te beoordelen, maar zij zal zich realiseren dat het wel snel moet, want als de minister zijn betoog heeft afgerond, hopen wij binnen een kwartier te gaan stemmen.

Minister Korthals:

De heer Van der Staaij heeft gevraagd of de beklagcommissie een voldoende alternatief is voor de commissie van toezicht. Naast de beklagcommissie is er het toezicht door de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming. Dat is in het kader van deze noodwetgeving voldoende. De maatregelen die ik in het plan van aanpak heb opgenomen en die vandaag aan de orde zijn geweest, zouden het mogelijk moeten maken om de capaciteit voor 1 maart 2003 op orde te hebben. Dat staat ook in het plan van aanpak; het gaat om een uitbreiding met 600 plaatsen.

De voorzitter:

Ik stel voor om de beraadslaging te sluiten.

De heer Rietkerk (CDA):

Ik heb nog een vraag aan de minister. Ik ga ervan uit dat de minister, gelet op de tweede termijn, met een nota van wijziging komt zodat ook drugskoeriers op het moment van indiening van de wet onder het regime kunnen vallen. De minister vindt het eleganter als de Kamer met een amendement komt. Ik kijk echter toch even naar de minister. Komt er een nota van wijziging? In het geval er sprake is van een misverstand, zou er immers wel eens helemaal niets kunnen gebeuren. Dat zou ik jammer vinden.

Minister Korthals:

Ik laat het over aan de Kamer omdat het de gewoonte is dat een minister ... Nee, ik ben in de war. Dat slaat op het overnemen van een amendement. Een minister kan inderdaad met een nota van wijziging komen. Dan zie ik wel wat er gebeurt.

De voorzitter:

Het is misschien goed om te weten, zeker omdat wij over een kwartier stemmingen hebben, of de minister met een nota van wijziging komt. Anders moet de Kamer de gelegenheid hebben om het recht van amendement uit te oefenen. Misschien moet de minister dat dus aangeven.

Minister Korthals:

Ik geef aan dat ik met een nota van wijziging kom.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik teken bezwaar aan tegen het late stadium waarin de minister met een nota van wijziging komt. Die wordt niet door de gehele Kamer gedeeld. Er is ook geen schriftelijke correspondentie over mogelijk geweest. De nota heeft tevens nauwelijks deel uitgemaakt van het debat. Ik zou dus zeggen dat als er nu een vrij ingrijpende wijziging plaatsvindt op de wet, dit per amendement moet gebeuren. Ik vind het bezwaarlijk dat de minister, om vijf voor twaalf, de wet op een ingrijpende wijze wijzigt zonder dat de Kamer daarover heeft gesproken.

De voorzitter:

Ik merk op dat de minister over de nota's van wijziging gaat. Mevrouw Halsema kan altijd het recht van amendement hanteren.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Om kwart over negen zal gestemd worden over de amendementen, wetsvoorstellen en de ingediende moties.

De vergadering wordt van 21.03 uur tot 21.20 uur geschorst.

Voorzitter: Van Nieuwenhoven

De voorzitter:

Ik deel de Kamer mee dat de enquêtecommissie Bouwnijverheid tot haar voorzitter heeft gekozen het lid M.B. Vos.

(applaus)

Naar boven