Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-1998nr. 74, pagina 5487-5522

Aan de orde is het debat over de derde fase EMU.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Mijnheer de voorzitter! Op dinsdag 17 december 1996 in het debat over de Eurotop in Dublin stelde VVD-leider Bolkestein: "Ik zal deze woorden in goud graveren en boven mijn bed hangen." Met deze woorden doelde hij op de uitspraak van de premier dat de EMU-criteria met name die over het overheidstekort en de schuld strikt moeten worden toegepast. Er zou niet gesjoemeld worden met de toelatingscriteria. Vorige week donderdag 9 april 1998 erkende minister Zalm in de Kamer dat een striktere toepassing van de voorschriften in het Verdrag van Maastricht mogelijk zou zijn geweest. "Maar zo'n striktere lijn zou nooit een meerderheid in de EU gekregen hebben. Zoals mijn oma al zei: lieverkoekjes worden niet gebakken." Hangt dat bordje met de in goud gegraveerde woorden van de minister-president nog steeds boven het bed van de heer Bolkestein? Of heeft hij het misschien vandaag meegenomen en zal dat inzet worden van het debat? Erkent hij met minister Zalm, dat de criteria versoepeld zijn? Welke consequenties trekt hij uit deze erkenning? Hoe consistent is de VVD derhalve?

Van de minister-president wil ik weten hoe zijn woorden uit december 1996 zich verhouden tot het standpunt van het kabinet van nu. Los van de vraag of er twijfels blijven over de financiële soliditeit van verschillende landen, vindt mijn fractie dat Europa nog niet klaar is voor de EMU. Europa gaat volgens Groenlinks te veel over markt en munt en te weinig over mens en milieu. Deze EMU is niet onze EMU. De EMU is een project waarvan de politieke en economische risico's groot zijn. Waar op terreinen als democratie, sociaal beleid en milieubeleid Europa nagenoeg stilstaat, dendert de monetaire trein voort. Natuurlijk heeft een muntunie economische voordelen. Als Europa daar klaar voor is, is ook mijn partij voor die ene gemeenschappelijke munt. Maar zover is het nog niet. De conflicten die ingebakken zitten in de huidige muntunie, zijn alleen beheersbaar binnen een democratische en solidaire Unie. Daaraan werken verdient voorrang. Pas daarna kan het startsein voor de euro gegeven worden. Volgens GroenLinks zijn de volgende stappen noodzakelijk. De Europese Unie zal een gemeenschappelijk buitenlands beleid moeten gaan voeren om haar verantwoordelijkheid voor mondiale stabiliteit en duurzame ontwikkeling ook echt waar te maken. Eén munt zonder één Europese afstemming bijvoorbeeld de G-7 en het IMF, leidt tot brokken op het wereldtoneel. De Europese Unie moet in staat gesteld worden om op democratische wijze sociale en ecologische minimumnormen in te voeren. Sociale dumping en fiscale concurrentiestrijd moeten effectief bestreden kunnen worden. Er moeten Europese minimumnormen komen voor de belasting op kapitaal. Het werkgelegenheidsbeleid mag niet blijven steken in mooie woorden. Dit beleid moet een verschuiving van belastingen van arbeid naar milieuverbruik en kapitaal bewerkstelligen. Waar blijft toch die Europese ecotaks? Voor lidstaten die kampen met achterstand of tegenslag in hun economische ontwikkeling dient doelmatige steun georganiseerd te worden. Het Europees Parlement en de Raad van ministers van de Europese Unie dienen het recht te krijgen om de Europese Centrale Bank ter verantwoording te roepen en zo nodig te corrigeren. De definitieve beslissing om mee te doen aan de EMU dient aan een referendum onderworpen te worden.

Met ons pleidooi voor uitstel, om een stevige politieke inbedding van de EMU veilig te stellen, voorzitter, staan wij hier vrijwel alleen. In het eerste weekend van mei stort Europa zich in een avontuur, terwijl er grote consensus bestaat over het feit dat de totstandkoming van de EMU grote economische en politieke risico's met zich brengt. Ik noem er enkele. Wat gaat het beleid van die ene bank inhouden? Moet, vanwege de geloofwaardigheid van die bank en om voor een harde euro te zorgen, de rente de eerste jaren onnodig omhoog, met de negatieve werkgelegenheidsgevolgen van dien? Moeten landen die te maken krijgen met economische tegenspoed, extra bezuinigen vanwege een te strikt Stabiliteitspact, zeker nu de meeste landen nog een tekort van tegen de 3% kennen? Hoe voorkomen wij dat een harde beleidsconcurrentie op fiscaal en sociaal terrein leidt tot sociale dumping en uitholling van de sociale zekerheid? Hoe gaat de Europese Centrale Bank om met de zogenaamde asymmetrische economische schokken?

De conjuncturele ontwikkelingen van de Europese landen lopen niet gelijk. Landen hebben dus verschillende belangen bij het monetaire beleid van de centrale bank. Het ene land zal een lagere rente willen dan het andere. Wie en wat geeft hier de doorslag? Naar ons idee is hier een solidair-budgettair mechanisme dé oplossing, maar daarmee is veel geld gemoeid. Tegenover de strafbepalingen van het Stabiliteitspact staat geen Europese steun. Dit brengt mij tot belangrijke vragen die ik voorleg aan de minister-president en aan de grotere fracties.

Het is vooral voor de zwakkere economieën binnen de EMU van belang te weten in welke mate zij in tijden van nood kunnen rekenen op hun EMU-partners. Hoe reageren deze landen op het signaal, dat Nederland al vóór de start van de EMU eenzijdig wil bezuinigen op de uitgaven voor de EU? Alsof verdere integratie en uitbreiding ons niet per saldo veel méér opleveren dan ze kosten, bezuinigen de grotere partijen in hun verkiezingsprogramma's fors op de EU: D66 voor 800 mln., de PvdA voor 1 mld., het CDA en de VVD voor 1,5 mld. Graag verneem ik van mijn collega-fractievoorzitters hoe zij deze onsolidaire houding willen uitleggen in Europa. Zien zij niet in dat een dergelijke Nederlandse opstelling op gespannen voet staat met de huidige verdragsverplichtingen en dat die opstelling een tijdbom kan zijn onder de ook door hen zo gewenste verdere Europese integratie?

Voorzitter! GroenLinks weigert zich rijk te rekenen met Europa. Volgens ons is de bezuiniging op de EU-contributie slecht onderbouwd, onhaalbaar en ongewenst. Wat vindt de minister-president van deze kwestie? Hoe verhoudt dit zich tot zijn uitspraak, gedaan tijdens een rede op de Rijksuniversiteit van Leiden op 9 maart 1998: "dat de EMU zich kan ontwikkelen tot een hoeksteen voor de verdere politieke integratie van Europa."?

De EMU komt te vroeg. Gangbaar is de gedachte dat als de EMU er eenmaal is, het ook wel goed komt met het sociale en het milieubeleid. Ook de minister-president huldigt die opvatting; ik verwijs naar zijn rede, gehouden in Leiden. Voorzitter! Dat is een gemakzuchtige redenering, zeker als je je vooral druk lijkt te maken over de nettobetalingen. Hiermee roep je euroscepticisme over je af. Voor de neoliberalen is Europa af, met de EMU. Voor ons begint het dan pas. De strategie om eerst vooruitgang te boeken op sociaal en milieuterrein alvorens de EMU te laten beginnen, is veel verstandiger. Een werkelijke integratie zal helaas na de invoering van de EMU niet gemakkelijker worden. Terwijl de beleidsruimte voor nationale staten afneemt, mag werkgelegenheidsbeleid geen geld kosten, komt het milieubeleid niet of nauwelijks van de grond en is er geen solidair mechanisme dat de asymmetrische economische schokken kan opvangen.

Na de totstandkoming van de EMU zal er nog heel veel moeten gebeuren om te komen tot een écht integratieproces in Europa. Daarom kom ik met een laatste oproep aan het adres van het kabinet: pleit voor het uitstel van de EMU op korte termijn, zorg voor Europese stabiliteit op de lange termijn.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Voorzitter! Zelden heeft in een debat de vertrouwensvraag zo centraal gestaan als vandaag. Is er vertrouwen in de noodzaak of wenselijkheid van toetreding van een elftal landen tot de derde fase EMU? Is er vertrouwen in de soliditeit van het financieel boekhouden in landen als Italië, Frankrijk, België? Is er vertrouwen in de kracht van de argumenten van de regering op grond waarvan zij onze instemming vraagt met het voornemen per 1 januari 1999 de finale monetaire stap te nemen, leidend tot de definitieve teloorgang van de gulden?

De vraag is evenwel of we nog de ruimte hebben om deze wezenlijke vraag in alle rust te beantwoorden. Ik maak mij weinig illusies. Het is slikken of stikken en er zal worden geslikt. Want de EMU is eerst en vooral een politiek project, waaraan zo ongeveer de hele leidende Europese klasse haar prestige en lot heeft verbonden. Op de EMU rust derhalve een zware politieke hypotheek. De vraag is of dit debat nog meer zal kunnen zijn dan een verplicht ritueel.

Voorzitter! Toen ik in november 1992 met de toenmalige minister van Financiën, de heer Kok, debatteerde over het Verdrag van Maastricht, waarin de EMU zoals wij weten is opgenomen, stelde ik hem de vraag of monetaire integratie denkbaar was zonder de verdergaande stappen van europeanisering van het macro-economisch beleid, het begrotingsbeleid, enz. enz. Hij antwoordde toen dat hij zich dat goed kon voorstellen, als de landen tenminste maar bereid waren tot coördinatie op hoofdlijnen. Ik herinner mij nog mijn scepsis bij dat antwoord.

Een en ander kwam weer in gedachten toen ik de tekst las van een openbaar college over de EMU van inmiddels minister-president Kok, gepubliceerd in de Staatscourant van 10 maart jl., waaraan ook collega Rosenmöller refereerde. Daarin zei hij onder meer dat de EMU niet slechts het sluitstuk is van de interne markt, maar ook het fundament voor verdere politieke beleidsintegratie in Europees verband. De marges van het nationale begrotingsbeleid, het economische en werkgelegenheidsbeleid zijn derhalve uiterst smal, zo vat ik de minister-president samen. Dat is dus een stuk meer en verder dan in 1992. Enerzijds zie ik nu mijn scepsis van destijds bewaarheid, anderzijds heb ik nauwelijks nog verweer tegen diegenen die Nederland een deelstaat van Europa noemen. Dat verwarmt het politieke hart niet, integendeel.

Goed, maar als dan de EMU allereerst een politiek doel dient, welk is dat dan? Ik hoor daar zelden iets over. Mag ik dat in dit debat eens vernemen, van wie van de heren dan ook? Ik kijk eerst naar de minister van Buitenlandse Zaken, maar natuurlijk ook naar de minister-president. Op dit moment constateer ik slechts dat in het Verdrag van Amsterdam de institutionele voorwaarden voor een politieke unie niet zijn gesteld. En gelukkig maar, zo zeg ik om tal van andere redenen. De politieke energie van de Unie wordt de komende jaren geheel gestoken in de uitbreiding en niet in de verdieping. Ook daar ben ik het mee eens, maar dat brengt mij alweer tot de conclusie dat de EMU een bedenkelijke integratiestap te ver is.

De heer Szász, wiens monetaire integriteit boven twijfel is verheven, schreef in de laatste Internationale Spectator: "Het publiek kan alleen worden overtuigd dat het opgeven van de eigen solide munt voor de euro uiteindelijk een goede zaak is, als het begrijpt waarom het gebeurt en wat het betekent. Het doet geen van beide, en dat ligt niet alleen aan het publiek."

Ik nodig de minister van Financiën, of welke van zijn collega's dan ook, uit in dit debat deze vragen van een geloofwaardig antwoord te voorzien. Want daar gaat het in monetaire zaken allereerst om, om geloofwaardigheid. Ik heb kennisgenomen van de cijfers die ons van bevoegde zijde zijn gegeven. Welnu, zij overtuigen niet.

Een aantal landen heeft zich in de gekste bochten gewrongen om dit jaar met bevredigende cijfers te komen. Natuurlijk is dat gelukt, maar een bewijs van soliditeit is het nog niet. Zou de beslissing om over te gaan tot de derde fase EMU niet veel meer verantwoord zijn, als deze landen eerst een aantal jaren aan de eisen van het Stabiliteitspact hebben voldaan? Wat is erop tegen om alsnog die beslissing te nemen, ook als dit enkele jaren uitstel betekent? Als de Nederlandse regering dat om politieke redenen niet aandurft, zal zij, en de regeringen van andere financieel sterke landen, dan wel de sancties durven opleggen, als over een aantal jaren de financieel zwakke landen de teugels toch weer laten vieren? Ik geloof er weinig van.

Natuurlijk heb ik het dan vooral ook over Italië. Je hoeft geen last van spaghettifobie te hebben om ernstig te twijfelen aan de duurzaamheid van het Italiaanse rapport. Ze kunnen daar net zo knap boekhouden als voetballen, dat laatste overigens wel met Nederlandse inbreng. En daar komt dus nu onze gulden bij. De Italiaanse staatsschuld is gewoon nog veel te groot. Ieder procent rentestijging leidt tot een tekortvergroting daar van een procent. En dat tekort is nu met 2,7% nog veel te hoog om de Italiaanse staatsschuld geloofwaardig terug te brengen. Italië convergeert wel, maar misschien alleen in 1997, dankzij creatief boekhouden. Daar moet een land als Nederland het monetaire lot niet aan verbinden. Hoe belangrijk is het overigens voor minister Zalm dat de Italiaanse regering nog voor het eerste weekeinde in mei een begroting voor drie jaar presenteert en parlementair krijgt goedgekeurd? Is de instemming van Nederland, neergelegd in een brief van 28 maart, thans nog een voorwaardelijke? Graag een duidelijk antwoord.

Nog een opmerking over de president van de Europese Centrale Bank. Of dat de heer Duisenberg wordt of niet, is ondergeschikt aan de onverkorte handhaving van de in het verdrag voorgeschreven duur van de ambtstermijn. Als daar om puur nationaal-politieke redenen al mee gesjoemeld kan worden, wat mag dan ons vertrouwen nog zijn in de bank en dus in de EMU? Dat vertrouwen is er dus niet. Daarom geldt nu: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter! Uit onderzoek van het Nipo in opdracht van mijn partij blijkt dat een meerderheid van de Nederlanders tegen de invoering van de euro is en dat was verleden jaar ook al het geval. Dat moet dit kabinet, en ook een meerderheid van de Kamer, te denken geven, zeker wanneer je in aanmerking neemt dat we hier spreken over een buitengewoon belangrijk punt, te weten het verder inleveren van je nationale soevereiniteit. Dat deze weerzin tegen de euro niet gebaseerd is op nostalgie en folklore, blijkt uit een andere uitkomst van dezelfde enquête van het Nipo. Maar liefst vier van de vijf Nederlanders is ertegen wanneer nog meer bevoegdheden worden overgedragen aan de EU. Er zijn mensen binnen en buiten deze Kamer die zeggen dat deze slechte score vooral te wijten valt aan de slechte voorlichtingscampagne van de overheid. Dat lijkt me het toppunt van arrogantie. Misschien komen deze mensen tot deze mening op grond van goede argumenten. Ik noem er een paar.

De totstandkoming van de EMU en de euro is een politiek project. Het is, zoals de minister-president bij een lezing in Leiden onlangs zei, een economisch noodzakelijk sluitstuk op de interne markt en tevens het fundament voor verdere politieke en beleidsintegratie in Europees verband. De verdere gelijkschakeling en federalisering wordt niet gesteund door de meerderheid van de mensen. Zij wantrouwen het ondemocratische en spilzieke Europa. Zij wantrouwen de bureaucratie, zij zijn geen aanhanger van de gedachte "big is beautiful", zij beschouwen het geconstrueerde Europa niet als een plaats waar zij begrepen worden. Zij kunnen zich er niet mee identificeren, zij hebben er gewoon niets mee. Zij beseffen dat de democratie op nationaal niveau is bevochten en dat dit ook geldt voor de sociale zekerheid en de rechtszekerheid. Op al die punten heeft Europa weinig tot niets te bieden en, voorzover het iets te bieden heeft, is dat meestal een verslechtering. Zij zijn het er niet mee eens dat al deze zaken worden geofferd op het hakblok van de geo-economische belangen van het internationale bedrijfsleven en de geopolitieke doelen van degenen die vinden dat Europa een leidende rol in de wereld moet gaan vervullen.

Te veel en te vaak zijn verslechteringen verkocht met een verwijzing naar de toelatingscriteria voor de EMU, niet alleen in Nederland maar in heel Europa. De Zuid-Europese landen hebben zich met uitzondering van Griekenland weten te kwalificeren, maar vraag niet ten koste van wat allemaal. En hier raken we aan een ander bezwaar tegen de EMU, zijn monomane karakter, mooie woorden over werkgelegenheidsbeleid op de top in Luxemburg ten spijt. Mensen begrijpen heel goed dat het bij de EMU niet gaat over werk en werkgelegenheid, niet over sociaal beleid en niet over het op peil houden van de zorg, het onderwijs en het openbaar vervoer, en niet over de belangen van natuur en milieu. Bij de euro gaat het alleen om de belangen van de grote industriëlen in Europa en om hetgeen hen behaagt, namelijk één munt die hen in staat stelt nog flexibeler te opereren. Zoals de interne markt hun wens was, is ook de totstandkoming van een munt de eis geweest van het semi-geheime genootschap van the European round table.

Het Europa dat nu vorm krijgt, is primair een neoliberaal Europa, geheel en al geschapen naar de wensen en inzichten van die multinationals. Zelfs op het punt van de verdere politieke integratie lopen zij wederom voorop.

Het volgende punt betreft het gemarchandeer met de criteria. Keer op keer is in deze Kamer door de minister-president en vooral ook door de VVD-fractie gezegd: de criteria zijn keihard en politiek geïnspireerde interpretaties wijzen wij af. Creatief boekhouden zal niet worden getolereerd. En wat zien we? Ik verwijs naar Italië, maar omdat ik maar vijf minuten spreektijd heb, ga ik daar nu niet op in.

Mijnheer de voorzitter! Een ander element betreft de dominantie van de grote landen. Het is mijn stelling dat het EMU-project een project is, uitgevonden door Frankrijk en Duitsland vóór Frankrijk en Duitsland. De grote landen bepalen en de kleine zijn alleen goed om te betalen. Mijn vraag aan de minister is dan ook: hoe zit het met de macht van de kleine landen binnen de Europese Centrale Bank? Is de minister bereid zich hard te maken voor het door hemzelf gesuggereerde zogenaamde roulatiesysteem, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt tussen de grote en kleine landen?

Tot slot, mijnheer de voorzitter. Tijdens het algemeen overleg, vorige week, kenschetste de heer Ybema van D66 deze beslissing in de volgende termen, waarbij hij volgens mij een eerdere uitspraak van de minister-president of de minister van Financiën citeerde: deze beslissing is ingrijpend, verstrekkend, uniek en historisch. Dat is natuurlijk ook zo, want Nederland gaat met de gulden een deel van zijn soevereiniteit inleveren. De oud-president van De Nederlandsche Bank Holtrop zei eens: als een land zijn munt opgeeft, heft het zichzelf een beetje op. Sommigen spreken over de belangrijkste beslissing sinds de afscheiding van België; anderen plaatsen deze beslissing op gelijke hoogte met de grondwetswijziging van 150 jaar geleden. Des te opmerkelijker, mijnheer de voorzitter, dat de bevolking zich nooit over deze belangrijke kwestie heeft mogen uitspreken, in ieder geval niet expliciet en zelfs niet, zo vind ik, impliciet bij verkiezingen. De bevolking wil dit nadrukkelijk wel, zoals uit het laatste Nipo-onderzoek, in opdracht van de SP, is gebleken. Drie van de vier Nederlanders – om precies te zijn: 73% – zijn van mening dat de bevolking zich in een referendum moet kunnen uitspreken over de vervanging van de gulden door de euro. En zeg nu niet dat het te laat is, want je kunt niet te laat zijn als je nooit de kans hebt gehad. Ik stel voor dat we een raadgevend referendum houden, voordat we de beslissing nemen al dan niet toe te treden tot de EMU. En dat kan, want niemand kan ons dwingen. Het bewijs daarvoor is Zweden, dat geen opt-out heeft bedongen en toch niet meedoet, omdat de regering dáár zegt te hechten aan de gevoelens van het volk.

Mijnheer de voorzitter! Ik vraag graag het commentaar van de regering op deze suggestie.

De heer Van der Vlies (SGP):

Mijnheer de voorzitter! De laatste maanden heeft het proces van monetaire eenwording een frappante wending genomen. De stagnatie in de aanloop naar de derde fase van de EMU lijkt geheel verdwenen. De politieke consensus op het hoogste Europese niveau heeft zijn werk gedaan. Een meerderheid van de lidstaten zal tot de derde fase toegelaten worden, hoe dan ook. Regeringsleiders hebben hun volle gewicht in de schaal gelegd. Ook de geldmarkt heeft het begrepen: de rust op de wisselmarkten laat zich niet anders verklaren.

Dat aan de voltooiing van de monetaire unie niet financiële, maar politieke motieven ten grondslag liggen, is de laatste weken steeds duidelijker geworden, althans voor degenen die dit willen zien. Minister Zalm heeft dat vorige week donderdag ook toegegeven. Ik noem enkele feiten. België en Italië hebben een staatsschuld die twee keer zo groot is als volgens de EMU-criteria is toegestaan. Het Nederlandse parlement heeft echter getekend voor een economische euro en niet voor een politieke. Onze conclusie kan dan ook niet anders zijn dan dat in ieder geval Italië zich niet kwalificeert voor de derde fase van de EMU. Ik citeer de heer Szász, oud-directeur van De Nederlandsche Bank en onverdachte bron: "Mocht de regering akkoord gaan met deelneming van Italië, dan is dat niet omdat Italië aan de eisen van het verdrag voldoet, maar omdat het van plan is daar later alsnog aan te gaan voldoen."

Om politieke redenen is het ondenkbaar dat Italië, dat aan de bakermat heeft gestaan van de Europese Unie, niet mee zou doen aan de derde fase van de EMU. Maar als politieke motieven doorslaggevend zijn en niet de EMU-criteria, waar praten we hier dan eigenlijk nog over? Wie in Europa maakt zich nog hard voor een reële toetsing aan de EMU-criteria? Tot voor kort liepen alleen Duitsland en Nederland daarvoor warm, de landen met een echte harde munt. Het tij lijkt echter gekeerd. De Duitsers hebben fors aan moreel gezag ingeboet, sinds zij betrapt zijn op een ordinaire truc om hun overheidstekort te reduceren. De Bondsrepubliek moet zelf alle zeilen bijzetten en zit dus niet langer in een positie om als monetaire waakhond op te treden; resteert Nederland.

Wat maakt de regering waar, gezien alle in het recente verleden gedane uitspraken, dat alleen een euro acceptabel is die net zo hard is als onze gulden nu? Wat er op Europees niveau in de achterkamertjes allemaal bedisseld wordt, is mij onbekend, maar het zou mij niet verbazen als de grote lidstaten een deal hebben gesloten, in de trant van: Nederland levert de eerste voorzitter van de Europese Centrale Bank als Nederland geen roet meer in het eten gooit in mei op de top. Het is voor mij een compleet raadsel hoe het mogelijk is dat de regering positief heeft kunnen reageren op het veel te optimistische advies van de Europese Commissie. Hier valt toch het een en ander uit te leggen. Dat zal vandaag vast wel gebeuren.

In het ochtendjournaal van 10 februari jl. gebruikte de heer Bolkestein de volgende, nogal boude bewoordingen: ik kom op voor de hardheid van de gulden en ik ben zelf niet van plan door de knieën te gaan. Met alle respect: mijnheer Bolkestein kan toch niet meer staande houden dat hij althans niet op het punt staat door de knieën te gaan. Ik doel op de bocht die zijn financieel woordvoerder al donderdag jongstleden in het algemeen overleg heeft gemaakt.

Naast de VVD heeft ook de Partij van de Arbeid een fors probleem, zo komt het ons voor. Als de heren Wallage en Bolkestein vandaag in dit debat hun steun uitspreken voor het regeringsbeleid inzake de EMU, wil ik hun vragen of zij hun eigen verkiezingsprogramma nog wel serieus nemen. Volgens de doorrekening van het CPB levert het VVD-programma in 2002 een tekort op van 0,9% en dat van de PvdA een van 1,4%. Willen zij beweren dat zij én aan hun verkiezingsprogramma zullen vasthouden én dat zij zich zullen inzetten voor een harde euro?

De heer Bolkestein heeft eens gezegd dat hij de uitspraak van de heer Kok – 3% is 3% – ingelijst boven zijn bed zou hangen. Gelet op wat ik in de media heb gelezen, ben ik ernstig teleurgesteld over wat vandaag zal gaan geschieden, maar ik moet natuurlijk nog afwachten wat de heer Bolkestein zal zeggen en of hij standvastig is. Overmacht heet het nu. Maar mijn vraag is: was dit niet in rede te voorzien toen werd ingestemd met het Verdrag van Maastricht? Daar werd de wissel omgezet. Een weg terug zou er niet gemakkelijk zijn. We hebben dat toen gezegd en nu staan wij oog in oog met de feiten. Nu gebeurt waarvoor wij toen vreesden.

Teleurstelling spreek ik, weliswaar met tegenzin, uit aan het adres van onze minister van Financiën. Ik hoor hem nog zeggen: we gooien onze gulden niet in de Hofvijver. De enige strohalm is nu de eis van Nederland dat Italië harde toezeggingen doet voor de beslissende top van begin mei in verband met de vraag hoe het Italiaanse staathuishoudboekje verder op orde zal worden gebracht en hoe verdere saneringen zullen worden doorgevoerd. Het papier is geduldig en de sociale prijs hoog.

Voorzitter! Ik rond af. Indien Italië om politieke redenen niet buiten de deur van de EMU gehouden kan worden, laat Nederland er dan maar uitstappen. Onze gulden is ons daarvoor lief genoeg.

De heer Wallage (PvdA):

Mijnheer de voorzitter! De Partij van de Arbeid beoordeelt de start van de EMU met elf landen positief, maar is tegelijk waakzaam. Gelet op ons bestel waarin de regering regeert en het parlement controleert, beleven wij vandaag een bijzondere dag. Voordat onze regering zich uitspreekt over de toetsing van de zogenaamde convergentiecriteria, moet zij op grond van artikel 5 van de Rijkswet ter goedkeuring van het Verdrag van Maastricht de instemming van de Staten-Generaal verwerven. Het feitelijk tot stand brengen van een muntunie is dan ook historisch en economisch een vergaand besluit. Om dat besluit goed te kunnen nemen, moeten niet alleen de cijfers voor inflatie, overheidsfinanciën, wisselkoersen en renteontwikkeling aan vastgestelde eisen voldoen, maar er moet ook gelet worden op hetgeen die cijfers weergeven: er moet sprake zijn van een duurzaam naar elkaar toegroeien. Het is, zoals de regering zegt, een zwaarwegende beslissing, die niet mag worden gereduceerd tot een eendimensionale, rekenkundige oefening. Per saldo wordt aan de hand van cijfermatige controles beoordeeld of een lidstaat in voldoende mate bijdraagt en zal bijdragen aan de stabiliteit van de muntunie. Dat houdt het eigenlijke besluit in.

Allereerst mag worden vastgesteld dat het werken aan een muntunie en het stap voor stap vormgeven aan die muntunie binnen de Unie disciplinerend heeft gewerkt. De voordelen van een gezamenlijke munt zijn voor handel en werkgelegenheid zo aantrekkelijk, dat bijna alle regeringen in de Unie ingrijpende maatregelen hebben kunnen verdedigen om aan de toetredingscriteria van de muntunie te voldoen. Wie de positie van Europa in de wereld beziet, kan niet om de conclusie heen dat een gezamenlijke munt die positie versterkt. Wij spreken vandaag natuurlijk over kansen én risico's van zo'n gezamenlijke munt. Onze invalshoek is dat de kansen van zo grote betekenis zijn, dat het echt de moeite loont om de risico's beheersbaar te maken.

Uit de beoordeling per land blijkt hoezeer getallen alleen onvoldoende zeggen. Wie bijvoorbeeld naar Duitsland kijkt, moet wel de consequenties van de Duitse eenwording in de beschouwingen betrekken. De regering doet dat ook. Een lichte overschrijding van de schuldquote moet worden afgezet tegen het feit dat men ondanks dat toch nog aanzienlijk lager zit dan het Europees gemiddelde. Ik vind het terecht dat minister Zalm die nuance aanbrengt. Het cijfermatige alleen telt daar onvoldoende.

Het is bij de beoordeling van de situatie in Italië duidelijk een gemengd beeld. Enerzijds zijn er grote vorderingen gemaakt, groter dan menige waarnemer in andere delen van Europa voor mogelijk hield. Anderzijds zijn de aanvullende toezeggingen die de Italiaanse regering heeft gedaan, een noodzakelijke aanscherping van het tot dusver ontwikkelde beleid. De PvdA-fractie deelt de opstelling van het kabinet en hecht dan ook evenzeer aan de politieke steun die voor dit aangescherpte beleid in Italië op het moment van besluitvorming zichtbaar moet zijn.

Minister Zalm spreekt in zijn brief met betrekking tot Frankrijk van een houdbare situatie van de overheidsfinanciën. Ook hier blijkt, zij het op een andere manier dan bij Duitsland, de noodzaak om een beetje door de cijfers heen te kijken. De Franse kengetallen zien er dan wel mooi uit, maar met name de tekortreductie is wat geflatteerd door ten dele eenmalige maatregelen.

Dat brengt mij tot een meer algemene vraag. In hoeverre vormen de instrumenten voor het binnen de touwen houden van de kengetallen in de toekomst tegen dit soort gedrag een voldoende garantie? Anders gezegd, als eenmalige maatregelen nu in zekere zin slechts tot een kritische kanttekening leiden, maar niet tot een negatief oordeel, zal het Stabiliteitspact voor de toekomst dan wél het goede gedrag uitlokken? Welke andere maatregelen heeft de gemeenschappelijkheid eigenlijk voorradig op het moment dat zo'n situatie zich voordoet? Het lijkt mij nuttig om ook in dit debat van de regering hiervan een inschatting te horen.

De heer Marijnissen (SP):

De heer Wallage vraagt of onder het regime van het Stabiliteitspact misschien wél het goede gedrag bij Frankrijk kan worden uitgelokt. Moet ik daaruit afleiden dat hij van mening is dat Frankrijk nu níét het goede gedrag laat zien? Wat hebben die cijfermatige criteria eigenlijk te betekenen als de heer Wallage zegt dat veel meer naar de achtergrond moet worden gekeken? Wat bedoelt hij precies met dat goede gedrag?

De heer Wallage (PvdA):

De analyse van de Franse cijfers laat zien dat de kengetallen op zichzelf in redelijke mate voldoen aan de eisen. Als je puur naar de cijfers kijkt, kun je zeggen dat de criteria redelijk worden gehaald. De regering en de Europese Commissie kijken door de cijfers heen. Sommige cijfers zijn namelijk tot stand gekomen door eenmalige maatregelen. Je weet dus niet of over twee of drie jaar nog wel datzelfde fatsoenlijke kengetal kan worden gepresenteerd. Als het met eenmalige maatregelen bereiken van het goede resultaat slechts met een kritische kanttekening wordt gehonoreerd, hoe zwaar is dan het instrumentarium dat wij later ter beschikking hebben? Ik denk dat het Stabiliteitspact een blijvende invloed zal hebben, maar ik hoor daarover graag de mening van de minister van Financiën.

De heer Marijnissen (SP):

Het gaat mij erom hoe de heer Wallage de toelatingscriteria waardeert. Hij zegt: wij kijken niet alleen naar de cijfermatige analyse, maar ook naar de werkelijkheid daarachter. Als ik hem echter hoor over Italië en Frankrijk, denk ik dat hij de werkelijkheid achter de cijfers ook niet helemaal vertrouwt. Immers, hij wijst erop dat onder het Stabiliteitspact gezorgd moet worden voor een goed, respectievelijk beter gedrag dan nu.

De heer Wallage (PvdA):

Wij komen hiermee op de manier waarop je met de criteria moet omgaan. Daarvoor moeten wij terug naar het Verdrag van Maastricht. Vanaf dat moment heb ik steeds hetzelfde gezegd. De cijfermatige criteria, de getallen, zijn hulpmiddelen om te beoordelen of de ontwikkeling over een langere periode heen een duurzame bijdrage aan de stabiliteit van de Europese munt levert. Ik vind het begrijpelijk dat in het overleg tussen de ministers op een gegeven moment aan Italië is gevraagd wat men overigens van plan is om nog te doen. Kunt u ons daar inzicht in geven? De Italianen hebben dat gedaan. Vervolgens vind ik het dan ook redelijk om te zeggen: dat zegt u nu, maar is er ook perspectief dat dat politiek gezien in voldoende mate wordt gesteund? In het stadium waarin wij nu verkeren, zijn dat vragen op de grens, want het gaat natuurlijk om autonome beslissingen van lidstaten, waarin je niet veel verder kunt gaan dan de Nederlandse regering heeft gedaan. Toch zijn het reële vragen, want bijvoorbeeld de in het vooruitzicht gestelde reductie van de staatsschuld in Italië heeft ook consequenties voor de hardheid van de gezamenlijke munt. In dat opzicht moet je kijken naar de vraag of het duurzaam is wat men nu doet. Om uw vraag precies te beantwoorden: als je alleen maar de getalscriteria zou gebruiken en verder nergens naar zou kijken, kun je in positieve en negatieve zin verkeerd geïnformeerd worden. In positieve zin zouden die cijfers niet de reële werkelijkheid kunnen dekken. Verder zouden achter die cijfers ontwikkelingen schuil kunnen gaan die bedreigend zijn. Dus – terug bij het begin! – wie het zo heeft voorgesteld dat de criteria uit het Verdrag van Maastricht rekenkundige criteria worden, waarvoor geen politieke, maatschappelijke, doorlichtende analyse meer nodig zou zijn, heeft een verkeerde voorstelling van zaken gegeven van de essentie van dit onderdeel van het Verdrag van Maastricht.

De heer Van der Vlies (SGP):

Maar de heer Wallage heeft terecht herinnerd aan de discussie over het Verdrag van Maastricht. Geen kruideniersmentaliteit, geen blinddoek voor. Akkoord! Ik herinner mij dat. Maar criteria zouden wel criteria zijn. De marges rond die criteria zijn uiterst smal. Wij herinneren ons allemaal de legendarische uitspraak van de minister-president: 3% is 3%. Daarmee heeft hij toen bepaalde fracties mee proberen te krijgen, wat zijn goed recht was. Als dat ook lukt, is dat vakmanschap. Maar nu staan wij wel oog in oog met de werkelijkheid, en nu blijken die marges toch wel fors te zijn opgerekt ten aanzien van enkele posities.

De heer Wallage (PvdA):

Als het gaat om feitelijke kengetallen, valt het reuze mee. De discussie gaat minder om de vraag of op ieder van die kengetallen wel het goede getalletje in het goede hokje staat dan over de vraag of een aantal landen voor de wat langere termijn in voldoende mate aan de stabiliteit van de gezamenlijke munt zullen bijdragen. Dat is nu juist het ingewikkelde afwegingsproces dat alle landen in Europa moeten doorlopen, en waarom de PvdA-fractie waardering heeft voor de wijze waarop het Nederlandse kabinet zich daarin heeft opgesteld. Dat heeft zich namelijk niet met een gunstig cijfer laten afschepen. Het heeft, ook bij een gunstig cijfer, achter dat cijfer naar de meerjarige ontwikkeling gekeken. De vraag is dus helemaal niet of 3 3 is, want 3 is echt 3. De vraag is of de achter het geheel van cijfers waarin men heeft gescoord liggende economische ontwikkeling, voldoende garanties geeft voor een bijdrage aan de stabiliteit van de Europese munt.

De heer Van der Vlies (SGP):

Uiteraard heeft de heer Wallage volstrekt recht op zijn eigen opvatting. Het is alleen jammer dat de directeuren van de centrale banken een andere visie hebben op de toepassing van de criteria ten aanzien van Italië en België. Dat is nog onlangs gerapporteerd, iets wat de heer Wallage niet zal zijn ontgaan.

De heer Wallage (PvdA):

Ook de centrale bankiers hebben naast het geven van het cijfer een analyse gegeven van huiselijk geformuleerd de betrouwbaarheid op middellange termijn van de ontwikkeling van de economieën. Dat heeft tot een gematigd positief oordeel geleid.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

De heer Wallage heeft zich aangesloten bij het oordeel van de Nederlandse regering, dat in ieder geval de voorwaarde moet worden gesteld dat de toezeggingen van de Italiaanse regering met betrekking tot tekort en schuld nog voorzien moeten worden van voldoende politieke steun in Italië, lees het parlement aldaar. Is dat op zich geen merkwaardige inmenging in Italiaanse aangelegenheden? Sinds wanneer doen wij het niet meer met toezeggingen van een regering?

De heer Wallage (PvdA):

Dat is ook op het randje, maar het was wel nodig. Het is op het randje, omdat je op moet passen dat je je niet vanuit Den Haag over de schouders van de Italiaanse regering in de Italiaanse politiek mengt. Dat moet niet. Als je zorgen hebt over de middellangetermijnbijdrage van Italië aan de stabiliteit van de Europese munt – je praat over een zeer grote schuldpositie, die uiteindelijk de kracht van de euro kan beïnvloeden – is het toch niet zo raar dat je zegt: we zitten in dit stadium, wij nemen straks een besluit en op het moment dat wij dat besluit nemen, zouden wij graag toch iets meer inzicht hebben in hoe dat bij jullie ligt en werkt. Je mag alles vragen, maar je krijgt niet op alles antwoord. Maar de regering heeft dit terecht gevraagd en krijgt, naar het zich laat aanzien, ook een antwoord.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Is het niet over het randje dat de PvdA-fractie, die steun aan de regering geeft, dit uitspreekt? Uit het verkiezingsprogramma van de PvdA blijkt dat het financieringstekort in het jaar 2002 boven de 1% uitkomt. Dat geldt overigens ook voor het verkiezingsprogramma van mijn fractie. De Italiaanse regering zegt dat het financieringstekort in 2001 1% zal bedragen. Wie is dan de Nederlandse regering – ik spreek u daarop als fractieleider van een coalitiepartij aan – om Italië daarnaast nog om voldoende politieke steun te vragen?

De heer Wallage (PvdA):

Het ingewikkelde van een muntunie is dat ook de stabiliteit van de deelnemende landen in het geding is. Het gaat niet alleen om de economische prestaties op enig moment, maar ook om het vertrouwen dan men over en weer moet kunnen hebben in de politieke stabiliteit op langere termijn. Sommige landen in Europa, waaronder Italië, hebben de grote handicap dat hun politieke stabiliteit door de jaren heen kwetsbaar is gebleken. De laatste jaren doen zich zeer positieve ontwikkelingen voor. Italië heeft enorme sprongen voorwaarts gemaakt, ook qua stabiliteit. In het collegiale verkeer tussen ministers is de wijze waarop de Nederlandse regering die vraag heeft gesteld, kennelijk ook door Italië, niet als beledigend of inmengend ervaren. Deze vragen hebben geleid tot belangrijke en constructieve antwoorden.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Heeft u de steun die u aan de Nederlandse regering geeft – u heeft zelf gezegd dat dit op het randje is – afgewogen tegen de mogelijkheid dat Italië niet meedoet aan de EMU en hetgeen dat voor de Italiaanse economie betekent?

De heer Wallage (PvdA):

De PvdA hoopte dat zeer veel landen meteen in de EMU zouden kunnen participeren. In die hoop is mijn partij bevestigd. Hoe meer landen er meedoen, hoe groter het draagvlak en hoe sterker de werking ten opzichte van landen buiten Europa. Wij zijn blij met dit brede draagvlak.

Voorzitter! Het proces van voorbereiding van de gezamenlijke munt heeft nog eens aan het licht gebracht dat het niet eenvoudig is een land met een hoge werkloosheid en een groot tekort met voldoende steun van de bevolking tot ingrijpende aanpassingen in de verzorgingsstaat te brengen. Uit de landenbeoordeling blijkt dat consensusvorming bij zulke veranderingen wezenlijk is. Werkgevers, werknemers en de overheid zullen gedurende een aantal jaren hun inzet op elkaar moeten afstemmen. Daar is een moeizame balans bij nodig tussen gezondmaking van de financiën en voldoende koopkracht en investeringen om werk te genereren. Modernisering van de arbeidsmarkt moet wel hand in hand gaan met de sociale zekerheid. Mensen moeten op de sociale zekerheid kunnen rekenen.

In ons land hebben wij door die consensusvorming van een gunstig economisch getij gebruik kunnen maken, zowel voor een stevige reductie van het financieringstekort als voor groeiende uitgaven voor armoedebestrijding, voor de koppeling tussen lonen en uitkeringen en voor overheidsinvesteringen. Mede omdat pijnlijke ingrepen daarvoor niet waren geschuwd, is dat gelukt. In andere landen, bijvoorbeeld in Duitsland, hapert de consensus, waardoor de overlegeconomie daar nauwelijks meer bestaat. In dat geval blijkt het ook moeilijk om meerderheden te vinden voor belastinghervorming en andere maatregelen die nodig zijn voor groei en werk.

Een sterke euro – dus een euro zo solide als Duisenberg – dwingt onherroepelijk tot meer afstemming op sociaal, economisch en ecologisch terrein. Niet alleen voor de partners van Europa vormt de euro het tastbare bewijs van de eenheid van dit continent, zoals minister Zalm schreef, maar ook voor de lidstaten zelf vraagt de euro om meer eenheid op andere beleidsterreinen. Eén munt en één markt bundelt krachten. Dit zal tot meer politieke gemeenschappelijkheid leiden, simpelweg omdat burgers de oorzaken willen weten van prijsverschillen en concurrentieverhoudingen. Belastingwetten en spelregels rond het milieu zullen evenzeer een onderdeel van de agenda van Europa vormen als regels voor minimumloon en arbeidsomstandigheden. Als Europa de interne concurrentie wil bevorderen, ontkomt het er niet aan om naast die ene markt en die ene munt ook op die andere terreinen intensiever samen te werken.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Voorzitter! Met dat laatste ben ik het volstrekt eens. Dat zal collega Wallage niet verrassen. Maar hoe denkt hij dat te realiseren, terwijl de dominante krachten in Europa op dit moment zeggen dat met het sluitstuk van de interne markt, de EMU, Europa af is? Hoe denkt hij dat hier in Nederland met de heer Bolkestein te regelen, die vindt dat Europa af is met de euro?

De heer Wallage (PvdA):

Ik weet niet wat u een dominante kracht noemt, mijnheer Rosenmöller. De sociaal-democratie is een dominante kracht in Europa. Het is de grootste politieke beweging in Europa. De meeste minister-presidenten zijn sociaal-democraten. Hoe kunt u dus die dominante kracht over het hoofd zien in uw analyse?

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Daar valt veel over te zeggen. We zouden dan een beoordeling moeten maken van de ontwikkeling van de sociaal-democratie de afgelopen tien jaar. Die heeft waarschijnlijk geleid tot de situatie dat er inderdaad meer prioriteit is gegeven aan het financieel-monetaire Europa dan aan het sociaal-ecologische Europa. Het gaat om de vraag hoe u dat zou willen bereiken in een situatie waarin velen in en buiten Nederland zeggen dat met de euro als sluitstuk van de interne markt het Europa af is. We zien toch ook – u moet het daar toch mee eens zijn – dat de monetaire trein veel harder rijdt dan de afspraken op het terrein van werk, milieu en bestrijding van sociale dumping.

De heer Wallage (PvdA):

De kernvraag is wie het beste in staat is om modernisering van de economieën in een open wereldeconomie te combineren met een fatsoenlijk niveau van sociale zekerheid en werkgelegenheid. In dat politieke debat moet je niet uit zwakte argumenteren, maar vanuit kracht. Kijkend naar ons eigen land en hoe we het hier met elkaar doen, vind ik dat er wel enige aanleiding is voor die kracht, want het Nederlandse recept is voor vele landen in Europa een aantrekkelijk recept aan het worden. Het is kennelijk mogelijk om je financiële huishouding op orde te brengen, stevig te investeren in werkgelegenheid en ruimte te maken voor armoedebestrijding en sociale zekerheid. In die balans laat ik me door geen enkele andere kracht in het defensief drukken, maar ga ik uit van eigen kracht.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Dat is geen antwoord op mijn vraag. Ik stel dat er een behoorlijke mate van discrepantie is tussen de aandacht in Europa voor het financieel-economische beleid aan de ene kant en het sociaal-ecologische aan de andere kant. Dat zou u toch moeten onderkennen.

De heer Wallage (PvdA):

Veel van de Europese eenwording – ik kom daar straks in andere zin nog even op terug – is natuurlijk vanuit internationalisering in de economie gestimuleerd. Ik beschouw het feit dat bedrijven over de grens gaan en fuseren niet per definitie als een bedreiging. Als dat werk en meer groei genereert, is het ook een bijdrage aan de economische ontwikkeling van landen. Uw hele benadering is mij te zwart-wit.

Voorzitter! Het is van groot belang vanwege de samenhang met het sociale en het ecologische, het project van de ene munt niet te isoleren van de rest van de agenda van Europa. Ik leg dit met name aan de minister-president voor, omdat ik enige zorg heb over het feit dat de verschillende onderdelen als gescheiden agenda's hun eigen leven gaan leiden. Betere besluitvorming, kritische doorlichting van de geldstromen en krachtige inzet van de uitbreiding naar Midden- en Oost-Europa, is evenzeer een onderdeel van het Europese project als het tot stand brengen van de ene munt. Dat moet niet los van elkaar worden gezien. Die munt markeert een definitieve keuze voor het samen sterk staan in de wereld vanuit Europa. Die gezamenlijke munt zal gezien de omvang en de kracht van de Unie een begeerde munt zijn in de wereld. Zie de recente analyse van het Internationaal Monetair Fonds.

Maar dan klemt des temeer dat wij ons ook in ons eigen belang moeten inzetten voor een Unie waarin ook de nieuwe democratieën hun plek krijgen. Een verschil in snelheid is nu onvermijdelijk, maar over de richting mag geen verschil van mening bestaan. Natuurlijk maakt een gezamenlijke munt ons niet alleen sterker, maar ook afhankelijker van de binnenlandse sociaal-economische politiek van de andere lidstaten. We waren al afhankelijk van Duitsland, toen wij feitelijk onze gulden aan de mark koppelden. We tillen als Partij van de Arbeid aan die groeiende afhankelijkheid niet licht. Wij weten uit eigen ervaring hoe moeilijk het is de verzorgingsstaat te moderniseren en meer werk en inkomen mogelijk te maken. Niet in elk land zijn werkgevers-werknemers en de overheid in staat zo'n proces gezamenlijk vorm te geven. Er zal in Italië, Frankrijk, Duitsland net als bij ons een blijvende krachtsinspanning nodig zijn om de balans te vinden en te behouden. Zonder dus risico's te willen kleineren, overheersen bij ons vandaag de kansen op groei, werk en een stevige positie voor producent en consument in een groeiend Europa. Zeker, wij verdienen onze kost in Europa en hebben dus baat bij die ene munt, maar voor ons markeert de overgang naar een gezamenlijke munt ook een nieuwe fase in de eenwording van Europa. Het Europa dat wij onze kinderen zullen nalaten, zal fundamenteel verschillen van het Europa dat wij van onze ouders hebben geërfd. Mijn vader was 13 toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak; hij was een volwassen man toen de economische crisis kwam in de jaren twintig en toen zijn generatie daarna een bestaan kon opbouwen, sloeg de Tweede Wereldoorlog toe. Wie, zoals ik, in 1946 is geboren, weet hoezeer onveiligheid en instabiliteit het leven van onze ouders hebben gekleurd. Ik heb het grootste respect voor hun generatie, want zij hebben op de puinhopen van die oorlog geprobeerd opnieuw te beginnen en niet alleen in eigen land, maar ook in Europa.

De Europapolitiek kan nooit los gezien worden van die oorsprong. Alleen wie weet waar hij vandaan komt, weet waar hij naartoe wil. Er zijn geen garanties voor een veilig, welvarend, stabiel Europa; het gaat niet vanzelf. Maar zonder het proces van eenwording zouden oude tegenstellingen nooit zijn overbrugd. Als Duitsers hun D-mark en Fransen hun franc inwisselen voor een euro, dan doen zij dat niet alleen omdat zij daar beter van worden, maar ook omdat zij Europa daar beter mee willen maken. Achter de cijfers, de kansen en de risico's ligt het besef dat wij het, ondanks grote verschillen in geschiedenis, in taal en in cultuur, uiteindelijk in Europa gezamenlijk zullen moeten doen.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Mijnheer de voorzitter! Voor- en tegenstanders van de Economische en Monetaire Unie zullen erkennen dat wij ook hier vandaag aan de vooravond staan van een van de belangrijkste Europese gebeurtenissen van deze eeuw: invoering van een Europese munt. Wij praten hier terecht over cijfers en over convergentiecriteria, over wie wel en wie niet. Praktische vragen die bij veel burgers leven, hebben met name betrekking op de gevolgen die invoering van de euro zal hebben op de waardevastheid van hun pensioen, hun hypotheek, hun geld in de oude sok; vragen waar de overheidscampagne, die binnenkort naar ik hoop en verwacht los zal barsten, een afdoende antwoord op zal moeten geven. Dat is een zware verantwoordelijkheid van de regering.

Vandaag zijn wij op grond van het amendement-Melkert/Van Iersel inzake artikel 5 van het Verdrag van Maastricht, bijeen om ons politieke oordeel te geven. In genoemd amendement is immers vastgelegd dat het standpunt dat de regering inneemt bij de toetsing van de convergentiecriteria vooraf de instemming van de Staten-Generaal moet hebben verworven. Besluitvorming vindt, zoals wij weten, plaats bij gekwalificeerde meerderheid door de Raad in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders. Nederland kan in theorie dus worden overstemd.

Ik plaats toch enkele kanttekeningen. Op Kamervragen van het CDA over de positie van Zweden schreef minister Zalm immers niet voor niets het volgende: "Meer in het algemeen geldt dat een gedwongen deelname aan de muntunie niet in het belang zou zijn van de EMU: de EMU is gebaat bij zoveel mogelijk gelijkgestemde lidstaten". Dat uitgangspunt geldt natuurlijk ook voor Nederland. Kortom, het is geen pro-formadebat hier vandaag, het is een debat van groot belang.

Voorzitter! De laatste tijd is veel gesproken over het Stabiliteitspact, zijnde de afspraken die zijn gemaakt om gezonde overheidsfinanciën te waarborgen na de inwerkingtreding van de derde fase van de EMU. De werking van dat pact zal nog moeten blijken. Ik kom daar later op terug. Maar er is nog een ander stabiliteitspact en dat pact heeft zich reeds lang bewezen. Daarmee doel ik op het Verdrag van Rome, waarmee de Europese Gemeenschap is opgericht. De verschrikkingen van oorlogen op het Europese continent mochten nooit weer plaatsvinden. Op basis van die gedachte – collega Wallage sprak er zojuist ook over – is Europa opgebouwd. Christen-democraten zoals Adenauer, De Gasperi, bondskanselier Kohl, premier Lubbers – onder wiens leiding het Verdrag van Maastricht tot stand kwam – hebben in die geschiedenis van Europa een belangrijke rol gespeeld. Ten aanzien van een van de belangrijkste aspecten van dat verdrag – de EMU-bepalingen – heeft ook de huidige minister-president, de toenmalige minister van Financiën Kok, een belangrijke rol vervuld. Vrede, veiligheid, welvaart en stabiliteit; de Europese Unie biedt dat nu veertig jaar. Mijn retorische vraag is dan ook: is een hogere vorm van nationaal belang denkbaar?

Voorzitter! De positie van Duitsland loopt als een rode draad door de geschiedenis van Europa heen. Verankering van Duitsland in Europa is nog steeds het centrale Europese vraagstuk. Niet alleen de partners van Duitsland, die na de hereniging met een machtiger land in het hart van Europa te maken hebben, maar vooral Duitsland zelf benadrukt keer op keer: geen Duits Europa maar een Europees Duitsland.

De EMU is economisch gezien van groot belang, want zij vormt het logische sluitstuk op de interne markt. De verworvenheden van die interne markt zullen naar verwachting verwateren indien het niet tot een EMU komt. Voorts vormt die EMU de uitdrukking van de kracht van Europa naar buiten toe. De euro kan naast de Amerikaanse dollar en de Japanse yen een van belangrijke reservevaluta worden. Dat hopen wij. Voor Nederland geldt dan natuurlijk bovendien dat wij voor een groot deel van ons nationaal product afhankelijk zijn van export en dus veel baat hebben bij het wegvallen van wisselkoersrisico's. Rond 80% van onze export gaat naar de landen van de Europese Unie. De euro betekent dus ook een afscheid van het wisselkoersrisico binnen die unie en het in ere herstellen van het principe van ondernemersrisico.

De voordelen van de euro zullen de nadelen naar verwachting in ruime mate overtreffen. Het georganiseerde bedrijfsleven is dan ook een warm voorstander van de invoering van de euro. De Nederlandsche Bank schat in dat de EMU het Nederlandse bedrijfsleven, exclusief de bankensector, met een eenmalige kostenpost van 6 mld. confronteert, terwijl de jaarlijkse baten tot circa 10 mld. zullen oplopen. Ik haal dit uit het kwartaalbericht van De Nederlandsche Bank van december 1997.

Voorzitter! De EMU is dus ook in economische zin in het nationaal belang van Nederland. Niet iedereen zal gelijkelijk profiteren van de euro. Daarom heeft het CDA zich met het oog op het niet exporterende deel van het bedrijfsleven – ik denk met name aan het midden- en kleinbedrijf – ingezet voor een tegemoetkoming in kosten die samenhangen met de introductie van de euro. Immers, de bakker om de hoek zal niet direct van de euro profiteren. Het stemt tot vreugde dat de regering na lang aandringen ook bereid is gevonden om hier serieus naar te kijken. Wij denken dat voor het draagvlak van de euro in Nederland dit soort maatregelen van groot belang is.

Het valt niet te ontkennen dat de EMU een groot project is, waaraan naast kansen ook risico's en gevaren kleven. Dat ontkennen zou onredelijk zijn, en ook onvoorzichtig. De totstandbrenging van de EMU is een monetaire operatie die zijn weerga niet kent. Bij grote projecten kan altijd het nodige misgaan. In 1957, bij de totstandkoming van de Europese Gemeenschap, was de situatie overigens niet anders. Ook toen waren er risico's. Als wij terugblikken, kunnen wij toch zeggen dat dat een zeer geslaagde stap is geweest.

Ik geef voorbeelden van het succes van de EG. Zelfs Engeland, dat ook in 1957 al eurosceptisch was, heeft in 1973 aangehaakt, nadat het de Franse generaal De Gaulle tot tweemaal toe gelukt was hen buiten de deur te houden. Het feit dat de Europese Unie nu wordt overstelpt met aanvragen tot lidmaatschap, is een weerspiegeling van het succes van de Europese Gemeenschappen. De enorme inspanningen die de meeste EU-landen zich hebben willen getroosten om mee te doen aan de EMU, is een ander voorbeeld. De risico's waarover ik sprak, moeten uiteraard wel zoveel mogelijk worden geminimaliseerd en beheersbaar worden gemaakt. Niet voor niets zijn de bepalingen waarin de convergentiecriteria zijn opgenomen, het meest uitgewerkte deel van het Verdrag van Maastricht.

Nadien is voorts als nadere uitwerking van het begrotingstekortcriterium het reeds genoemde Stabiliteitspact tot stand gebracht, zodat ook na de start van de derde fase de voortzetting plaatsvindt van verantwoord begrotingsbeleid. Lidstaten hebben zich verplicht binnen het 3% BBP-financieringstekort te blijven en te streven naar een begroting "close to balance or in surplus". Het is natuurlijk duidelijk dat het Stabiliteitspact het beste werkt als het niet daadwerkelijk in werking hoeft te treden. Immers, hoe reëel is het als een land reeds in grote financiële problemen verkeert? Die vraag is legitiem. Toch denkt de CDA-fractie dat het pact belangrijk is, want er is al een zeer belangrijke disciplinerende werking van uitgegaan. Wij moeten immers niet vergeten dat ook de EMU-criteria een zeer disciplinerende werking hebben gehad op het terugbrengen van begrotingstekorten. Bovendien, ook zonder EMU blijft gezondmaking van de overheidsfinanciën noodzakelijk, al was het alleen maar met het oog op de vergrijzing. De 30 mld. rente op de staatsschuld die Nederland jaarlijks betaalt, kan voor betere zaken worden ingezet. Een gezond financieel-economisch beleid is de beste vorm van sociaal beleid.

Voorts zal de EMU een onafhankelijke centrale bank kennen met als enige doelstelling het waarborgen van prijsstabiliteit. Een betere waarborg voor lage inflatie is er niet. Bovendien durf ik de stelling te verdedigen dat Nederland met de komst van de Europese Centrale Bank meer invloed zal hebben op het monetaire beleid in Europa dan nu het geval is. Wel vraag ik de regering in hoeverre zij hier nog beren op de weg ziet. Immers, sommige economieën kunnen gebaat zijn bij een laag renteniveau, bijvoorbeeld Italië met een grotendeels kort gefinancierde hoge staatsschuld, terwijl andere landen, zoals Nederland, baat kunnen hebben bij een hoge rente om dreigende inflatie te voorkomen. Ik hoor daar dus graag de regering over.

Tijdens de komende Europese Raad, of in ieder geval in de wandelgangen, zal ook gesproken worden over de benoeming van de president van de Europese Centrale Bank. Gelukkig heeft bondskanselier Kohl laten weten dat een splitsing van de termijn geen optie is, omdat zij in strijd is met het Verdrag van Maastricht. De eerste nog te benoemen president van de Europese Centrale Bank zal uiteraard een belangrijke rol kunnen spelen in het uitzetten van beleid en daarom is het van groot belang dat er iemand zit die een dergelijke rol aankan. Nederland heeft een degelijke centralebanktraditie en een degelijke kandidaat. De CDA-fractie heeft er vertrouwen in dat het gezag van zowel minister-president Kok als dat van de Nederlandse kandidaat garant staat voor een goede afloop.

Voorzitter! De EMU staat voor de CDA-fractie nog steeds voor een duurzame Economische en Monetaire Unie. Het CDA heeft alleen hart voor een harde euro. Een gezonde EMU zal een politieke impuls geven aan het integratieproces. In die zin is het, zo zeg ik ook tegen de critici, natuurlijk deel van een politiek proces. Stellen wij ons eens voor wat de uitstraling zou zijn op de verdere politieke integratie van Europa, indien onverhoopt dit project niet door zou gaan. Die kant van de medaille zul je toch ook moeten bekijken. Politieke overwegingen moeten bij de beoordeling van de convergentiecriteria uiteraard buitenspel staan, want dan zal een zwakke EMU eerder de rol van splijtzwam dan van katalysator spelen in het proces van verdere integratie.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter! Nu herken ik weer een beetje de De Hoop Scheffer van 15 januari jl. en ook de De Hoop Scheffer van juni vorig jaar, toen hij een motie indiende waarin hij pleitte voor strikte naleving van de criteria. Hij heeft dat 15 januari jl. klip en klaar herhaald. Het was mij al langer bekend dat hij een van de grote aanhangers van een verder integrerend Europa is. Maar nu wil ik graag zijn mening horen over de strikte naleving van de criteria. Hoe hebben de regering en anderen daarover geoordeeld en wat is zijn eigen oordeel?

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Zoals uit het tot nu toe uitgesproken deel van mijn tekst mag blijken, heeft de CDA-fractie in grote lijnen haar steun uitgesproken en zij zal haar steun uitspreken voor de koers die de Nederlandse regering tot nu toe heeft gevaren. Wij spreken onze steun uit voor hetgeen ons aan adviezen heeft bereikt, ook van de Europese Commissie, van het Europees Monetair Instituut en van De Nederlandsche Bank. Ik kom daar later nog op terug. Derhalve is mijn stelling dat hetgeen door mij in het verleden namens de CDA-fractie is gezegd geen geweld wordt aangedaan door de beslissingen van de regering die nu voorliggen.

Je kunt hier natuurlijk uitgebreid een debat over voeren. Ik neem aan dat de SP-fractie ook tegen de EMU zou zijn, indien de criteria in de visie van de heer Marijnissen wel strikt zouden zijn toegepast. Dat moet je in het debat betrekken, want dat verheldert de positie die de heer Marijnissen inneemt. Zijn stelling is dat de criteria niet strikt zijn toegepast. Het is uiteraard zijn goed recht om dat te vinden. Maar ik heb dan wel een wedervraag. Neem ik terecht aan dat de SP onder alle omstandigheden tegen de EMU zou zijn? Dat relativeert de kritiek van de heer Marijnissen ten opzichte van anderen namelijk wel enigszins.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter! In dit tijdsgewricht zouden wij absoluut tegen een monetaire unie zijn, maar dat wil niet zeggen dat het voor altijd zou zijn. Ik wil de tijd alleen niet gebruiken om bespiegelingen te houden over hoe Europa er naar mijn inzicht zou moeten uitzien en waar de prioriteiten zouden moeten liggen. Ik heb dat trouwens in mijn verhaal ook wel enigszins aangegeven. Het gaat er nu om dat de heer De Hoop Scheffer meer dan eens in deze Kamer heeft gezegd dat hij voor een strikte naleving van de criteria is. Laat ik de vraag nader preciseren. Is de heer De Hoop Scheffer van mening dat Italië voldoet aan de criteria en is hij voldoende gerustgesteld over de duurzaamheid van het naleven van de criteria?

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Ik kom daar nog op terug met een indringende vraag aan het adres van de regering. Overigens blijkt uit haar brief dat ook de regering zichzelf vragen over Italië stelt. Mijn fractie meent dat er met betrekking tot dit land nog een stap moet worden gezet voordat zij de vraag die u mij nu stelt, met een volmondig "ja" kan beantwoorden.

Voorzitter! Ik had het over die duurzame economische en monetaire unie en de harde euro. Met de heer Marijnissen sprak ik zojuist over de motie van 18 juni 1997, door mijn fractie ingediend. Die motie werd aangenomen met de steun van de VVD, maar zonder de steun van PvdA en D66. Wij hebben altijd een duidelijke lijn gevolgd, onder het motto "goed beleid begint bij jezelf". Ook ten aanzien van de tekortreductie heb ik namens mijn fractie bij de algemene beschouwingen een snellere vermindering van de staatsschuld voorgesteld, via een extra storting in het AOW-fonds. Tot onze spijt kon hiervoor geen meerderheid worden verkregen via de Paarse partijen. Met andere woorden: wordt er over tekortreductiedoelstellingen gesproken, dan dient er sprake te zijn van Paarse bescheidenheid.

Dit gezegd zijnde, wil ik de fractie van de VVD graag van harte complimenteren met haar Europese optreden. Immers, Italië heeft, na het optreden van deze fractie, ijlings eieren voor haar geld gekozen. Ik denk dat men erg geschrokken is en de goede weg is opgegaan.

De heer Bolkestein (VVD):

Dit is onzin, voorzitter. Ik zal straks uitleggen wat ik heb ondernomen om de acties van het kabinet, in het bijzonder van de minister van Financiën, te ondersteunen, maar het is een persiflage wanneer gezegd wordt dat het Italiaanse pakket van aanvullende maatregelen is ontstaan onder druk van mijn fractie. Zeker, wij hebben de minister-president en de minister van Financiën ondersteund, maar het is hun verdienste en pas in zeer afgeleide zin die van mijn fractie. Wat de heer De Hoop Scheffer nu zegt, voorzitter, is totaal overdreven.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Nou déél je eens een compliment uit en dan is het wéér niet goed...

Voorzitter! Laat ik hierop serieus reageren. Rome heeft kennelijk eieren voor zijn geld gekozen vanwege de debatten die hier zijn gevoerd, aangezwengeld door de fractie van de VVD. Dat bedoel ik in complimenteuze zin. De heer Hoogervorst heeft de vorige week, tijdens het AO met de minister van Financiën, langs dezelfde lijnen gesproken. Ik wilde dat nu eens omzetten in een compliment.

De heer Bolkestein (VVD):

Voorzitter! De Nederlandse regering is de enige Europese regering geweest die aanvullende eisen heeft gesteld in de richting van Italië. Dat is gebeurd als gevolg van de inspanningen van ons kabinet; ik noem hierbij nogmaals de heer Zalm als eerste. Zeker, mijn fractie heeft dit streven steeds krachtig ondersteund. Wij hebben in dezen politieke steun verleend aan het kabinet omdat het om een buitengewoon belangrijke zaak gaat. Echter, u moet hiervan geen overdreven voorstelling van zaken geven. Dat doen wij zelf ook niet, ook al heb ik wél met Italianen gesproken. Ik heb daar mijn standpunt uiteengezet en allicht heeft dat geholpen. Het is echter onzin om te zeggen dat het Italiaanse standpunt is veroorzaakt door het optreden van mijn fractie.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Ik trek mijn compliment niet in, maar als ik het zou moeten relativeren, dan zou ik erop kunnen wijzen dat de signalen die men in Rome heeft gekregen, niet altijd even helder zijn geweest. Op 26 maart las ik 's ochtends in het blad Forum van VNO-NCW dat collega Bolkestein alsnog inzette op uitstel van de EMU. Dezelfde dag luisterde ik 's middags naar de minister-president en deze vermeldde dat de heer Bolkestein zich had neergelegd bij de realiteit. Tegen die achtergrond vraag ik mij af of die signalen altijd wel zo duidelijk waren. In elk geval waren ze dat niet voor de fractie van het CDA.

De heer Bolkestein (VVD):

Het zou mijn voorkeur gehad hebben dat het hele proces een paar jaar was uitgesteld. De minister van Financiën heeft overigens hetzelfde gezegd. Maar er is in Europa totaal geen steun voor uitstel te bekennen. Wij staan dus voor een voldongen feit. Ook de juristen vertellen mij dat het tijdperk waarin uitstel mogelijk zou zijn geweest, op 1 januari van dit jaar ten einde is gekomen. Mijn voorkeur zou nog steeds naar een paar jaar uitstel zijn uitgegaan, maar het is helaas onmogelijk. Wij staan voor een voldongen feit. Dat heb ik willen zeggen in het interview met Forum.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Als u dit weet – het is ook juist – blijft het de vraag waarom u op 26 maart nog zo'n optie van uitstel uitgebreid aan de orde stelde.

De heer Bolkestein (VVD):

Ik stelde die niet uitgebreid aan de orde. Ik gaf mijn voorkeur aan. Dat is nog steeds mijn voorkeur. Alleen is het onmogelijk. Wij staan met dit dossier voor voldongen feiten, die noch u noch ik kunnen wijzigen.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Ik vind het politiek nooit zo verschrikkelijk sterk om zoiets te zeggen. Wij zijn nu op een vergelijkbaar punt aangekomen met de tunnel onder het Groene Hart. U kunt zeggen dat u die tunnel eigenlijk niet wilt, maar dat u zich erbij neerlegt omdat u kennelijk geen steun voor uw standpunt krijgt. Wat is daarvan de waarde? Wat is wat de EMU betreft de waarde van het prominent bepleiten, in een prominent tijdschrift, dat van VNO-NCW, op 26 maart, van uitstel, als de minister-president dezelfde middag de woorden gebruikt die ik zojuist heb geciteerd? Welk signaal moet uitgaan van uw pleidooi voor uitstel? Dat is het begin van een bocht, maar waarom neemt u die bocht niet meteen?

De heer Bolkestein (VVD):

Het signaal dat moet uitgaan van deze en van andere uitspraken die ik heb gedaan, is een ondersteuning van de positie van het kabinet. Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in een aanvullend pakket van maatregelen, te nemen door de Italiaanse regering. Dat ligt heel duidelijk in het regeringsstandpunt besloten. Onze regering is de enige regering in Europa die daarop aandringt. Alles wat ik heb gezegd, is bestemd en bedoeld om dat standpunt te ondersteunen. Ik wilde eenieder die de moeite neemt om kennis te nemen van mijn woorden of die van collega Hans Hoogervorst het begrip inscherpen, dat het ons menens is, dat het om een buitengewoon belangrijke zaak gaat, dat twee jaar uitstel beter zou zijn geweest, maar dat dit niet kan en dat wij daarom met kracht van argumenten aandringen op een betere vervulling van de voorwaarden. De verdienste van het kabinet is dat dit uiteindelijk heeft geresulteerd in het aanvullende pakket van maatregelen.

De heer Wallage (PvdA):

Blijft de vraag of op het moment dat de door de heer De Hoop Scheffer geciteerde woorden van de heer Bolkestein over het uitstel werden uitgesproken, hij zich ervan bewust was dat hij iets uitsprak dat niet kon.

De heer Bolkestein (VVD):

Het is om te beginnen belangrijk dat men markeert waar men staat. Ook al was de mogelijkheid van uitstel vervlogen, de minister van Financiën heeft daar ook op gedoeld, zelfs in januari van dit jaar, als ik het wel heb. Mijn woorden zijn bestemd om hem te ondersteunen, zodat zij die kennis zouden nemen van wat ik daar heb gezegd, ervan doordrongen zouden zijn dat inderdaad in het geval van Italië een pakket van aanvullende maatregelen zou moeten worden genomen.

De heer Wallage (PvdA):

Maar op het moment dat u pleitte voor uitstel, wist u dat het niet kon.

De heer Bolkestein (VVD):

Zeker!

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Met alle respect, maar het verhaal klopt in de tijd ook niet. Wij zijn het volstrekt eens over het aanvullende pakket maatregelen. Ik zal er zo nog iets over zeggen. Wij zijn het erover eens dat daarvoor in Italië ook politieke steun moet zijn. Als de heer Bolkestein het kabinet werkelijk met zijn opmerkingen in Forum, op die dag, had willen steunen, dan had hij toen tegen het kabinet moeten zeggen en zou hij ook vandaag nog kunnen zeggen dat hij voor uitstel pleit. Hij zegt nu dat het formeel niet kan. Ook daar heeft hij gelijk in, maar mijn vraagt blijft wat de waarde van zo'n uitspraak dat hij voor uitstel is, dan is.

De heer Bolkestein (VVD):

De waarde van die uitspraak is, dat zij duidelijk maakt dat de criteria niet zo strikt zijn toegepast als zij behoren te worden toegepast. Ik herhaal mijzelf nu, dat het natuurlijk niet mogelijk is om dat uitstel te verwerkelijken. Ik heb door die uitspraak te doen, willen zeggen dat wij vinden dat die criteria strikter hadden moeten worden toegepast, zoals de minister van Financiën de vorige week zelf ook heeft erkend. Mijn uitspraken gaan allemaal in dezelfde richting, van het opbouwen van politieke druk ter ondersteuning van het kabinet.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Ik vrees dat wij het hierover oneens blijven. Nogmaals, ik zag op dezelfde dag de U-bocht voltooid worden door de woorden van de minister-president.

In het advies van De Nederlandsche Bank staan waarschuwende woorden en die zijn niet alleen gericht tot Italië en België, maar ook tot Nederland. Men schrijft: "Een tekortdoelstelling van 1 à 1,5% BBP, of hoger, die veel lidstaten thans in hun convergentieprogramma hebben opgenomen voor de middellange termijn, is niet te kwalificeren als 'dicht bij evenwicht' of als 'een overschot'." Ik verwijs naar bladzijde 32 van het DNB-advies. Dit heeft consequenties. In de verkiezingsprogramma's komen CDA, VVD en D66 uit op 1% BBP in 2002 en dat is, zoals bekend, ook de lijn die de SER heeft gekozen. De PvdA, de partij van premier Kok, blijkt echter een andere, en in onze ogen verkeerde, kant op te gaan. Immers, de PvdA koerst af op een tekort van 1,4% in 2002 bij een behoedzaam scenario. Hoe zit dat?

De regering schrijft in haar brief aan de Kamer terecht: "De onomkeerbaarheid van de inwisseling van onze sterke gulden voor de euro vergt een zorgvuldige afweging van de hieraan verbonden kansen en risico's." Dank voor de rapportages die wij hebben ontvangen. Daarin is sprake van de mate waarin voldaan is aan de convergentiecriteria van het Verdrag van Maastricht. Ik doel dan op de rente, het inflatieniveau, de wisselkoersstabiliteit, het begrotingstekort en de staatsschuld. Ook de onafhankelijkheid van de wetgeving in verband met de nationale centrale bank is onder de loep genomen.

De financiële woordvoerders zijn hierover verleden week uitgebreid met minister Zalm in debat gegaan en daarom beperk ik mij nu tot een paar opmerkingen over de waarde die wij toekennen aan elk van deze rapporten. De CDA-fractie heeft haar eindoordeel niet gebaseerd op de rapportage van de Europese Commissie. De Commissie, als een van de architecten van de EMU, vinden wij namelijk wat al te enthousiast. Ik geef een voorbeeld. In de zeer lezenswaardige euronotes schrijft de ING-bank, zelf zeer pro-EMU: het zonder meer betitelen als "duurzame neerwaartse trend van de beperkte schulddaling in Italië was niet nodig geweest". En zo is het.

Het EMU-rapport is kritischer van toon, maar blijkens de berichten in de pers is onder meer de gouverneur van de Belgische centrale bank nogal actief geweest om de toonzetting van het rapport ten aanzien van België te matigen. En wie verzekert ons dat hij de enige was?

Rest het advies van De Nederlandsche Bank. Dat is streng en objectief als altijd. De CDA-fractie kan zich hierin goed vinden. Het rapport is duidelijk en wij willen ons dan ook aansluiten bij hetgeen daarin wordt opgemerkt. Allereerst stellen wij met De Nederlandsche Bank vast dat de convergentie in Europa op de goede weg is, met als grote uitzondering de ontwikkeling van de werkloosheid die nog steeds veel te hoog is. Hoe denkt de regering in dit kader over de invoering van een 35-urige werkweek in Frankrijk?

De convergentie is ook nog "pril" en mede daarom beveelt De Nederlandsche Bank aan om het Stabiliteitspact naar voren te halen, opdat lidstaten hun stabiliteits- en convergentieprogramma's niet uiterlijk 1 maart 1999, maar reeds in de loop van 1998 indienen. Wij vragen de regering alles op alles te zetten om dit te bewerkstelligen en wij zien daar in een passage uit de brief van de regering tot onze vreugde enige aanzetten voor.

Alles afwegende, gaat de CDA-fractie akkoord met de in de brief van de regering uitgezette lijn. In het algemeen overleg van verleden week zei minister Zalm dat striktere interpretatie van de criteria denkbaar was geweest: "Lieverkoekjes worden echter niet gebakken". De start van de EMU is volgens hem verantwoord.

Deze goedkeuring door het CDA geschiedt wel onder een voorbehoud. Voor de beslissende top moet namelijk duidelijkheid bestaan over de vraag of er in Italië voldoende politieke steun aanwezig is voor de nodig door de regering Prodi aan te kondigen plannen – de aanvullende voorwaarden – ten aanzien van het Italiaanse begrotingsbeleid. Het CDA is er tevens groot voorstander van om het Stabiliteitspact naar voren te halen. Ik roep de Nederlandse regering op om in samenspraak met onder meer Duitsland hiervoor de nodige politieke steun te mobiliseren.

Het CDA wil stabiel op weg. Het wil een duurzame EMU. Voor het CDA stopt Europa niet bij de EMU. De samenwerking op de gebieden van politiek en justitie zal een impuls krijgen door een succesvolle EMU. En dat is de andere kant van de medaille. Het CDA-verkiezingsprogramma verwoordt dit als volgt: "De Europese integratie moet het, naast de gemeenschappelijke markt, de komende jaren met name hebben van een Europese civiele samenleving die recht doet aan de sociale verantwoordelijkheid van burgers en beleving van waarden... Daarom dient de Europese Unie de pluriformiteit van de Europese samenlevingen te beschermen en de ontwikkelingskansen voor het maatschappelijke middenveld op Europees niveau te ondersteunen. Het eigen karakter van sectoren als cultuur, onderwijs, media en religie verdient bescherming tegenover de economische overwegingen die gelden binnen de gemeenschappelijke markt." Ik zeg anderen na: de natiestaat vindt niet zijn einde bij een succesvolle Economische en Monetaire Unie, ook niet de soevereiniteit, maar het is een Europees belang en het is een nationaal Nederlands belang dat de EMU, met de kanttekeningen die ik erbij heb gemaakt, op een succesvolle wijze van start gaat.

De heer De Graaf (D66):

Voorzitter! De totstandkoming van de Economische en Monetaire Unie is een stap in de Europese geschiedenis die de afgelopen decennia zijn weerga niet heeft gekend. Voor de meeste mensen is de Europese integratie tot dusver een stille evolutie geweest, waarin men langzaam is meegevoerd. Maar de afschaffing van de gulden, van de rijksdaalder en van het geeltje – hoewel dit allang niet geel meer is – is voor onze generaties niet minder dan een revolutie: een omwenteling in gewoonte, in handelen en in cultuur zelfs. Nog even en de marktkoopman kan niet meer roepen dat de gulden een daalder waard is. De euro is zeker een daalder waard, méér dan dat, maar hoe vertel je dat je klanten?

Zo'n revolutie kan zich niet stilzwijgend afspelen, kan niet uitbreken, terwijl niemand dit merkt. En toch lijkt dat een beetje het geval te zijn geweest. Een publiek debat kun je niet afdwingen per decreet, want het kenmerk van zo'n debat is nu juist dat het publiek er vrijwillig en betrokken aan deelneemt. Dat is nauwelijks gebeurd, hoezeer velen van ons, ook de fractie van D66, daartoe hebben opgeroepen.

Voorzitter! Dat was misschien anders geweest als het correctief wetgevingsreferendum in Nederland al was ingevoerd. Deze wens van D66 is weliswaar zeer nabij gekomen, maar tot op heden nog niet gerealiseerd. Als dat referendumrecht er toen was geweest, hadden mensen bijvoorbeeld over de goedkeuring van het Verdrag van Maastricht een beslissend, doorslaggevend referendum kunnen uitlokken. D66 zou dat dan hebben toegejuicht, omdat zo de democratische legitimatie van ingrijpende, vergaande beslissingen over de nationale soevereiniteit alleen maar zou zijn versterkt. Nu nog surrogaatmiddelen propageren, zoals een adviserende volksstemming, is, in onze opinie, pure verlakkerij: zo'n raadpleging heeft geen grondwettelijke betekenis en bovendien zijn de beslissingen over de eigen Nederlandse toetreding al onomkeerbaar vastgelegd in datzelfde Verdrag van Maastricht.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter! Ik wist niet dat D66 al die lokale referenda surrogaatmiddelen noemde.

De heer De Graaf (D66):

Dat heeft u dan fout begrepen, want wij hebben altijd gezegd dat wij vinden dat zowel op lokaal niveau als op landelijk niveau een decisief, beslissend referendum moet worden ingevoerd, niet uitgelokt door de regering of door de colleges van burgemeester en wethouders, maar gevraagd en uitgelokt door de mensen zelf. Dát willen wij, en was het er geweest, dan had ik er geen enkel bezwaar tegen gehad als dat was uitgelokt, was toegepast bij het Verdrag van Maastricht of misschien bij het Verdrag van Amsterdam.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter! Dat was mijn vraag niet. Mijn vraag aan de heer De Graaf was: waarom noemt u al die lokale referenda surrogaatmiddelen, surrogaatreferenda?

De heer De Graaf (D66):

Omdat het uiteindelijk geen beslissende referenda zijn. Natuurlijk is het mooi als gemeenteraden zich houden aan wat de bevolking in zo'n raadplegend referendum zegt, maar het is geen wet van Meden en Perzen en het is niet afdwingbaar. Wij vinden dat je de mensen het volle recht moet geven om als dat nodig is aan de noodrem te kunnen trekken en om dan daadwerkelijk een besluit te kunnen terugdraaien, ongeacht wat regering en parlement daarvan zouden vinden.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter! Wat D66 van referenda vindt, met name als het om een correctief referendum gaat, is wel bekend. Alleen, het verbaast mij dat de heer De Graaf de lokale initiatieven voor het scheppen van de mogelijkheid om de bevolking te raadplegen aan de hand van een raadgevend referendum, waaraan ook de lokale afdelingen en gemeenteraadsfracties van D66 meewerken, als surrogaat afdoet.

Ik heb in dit verband een second-bestvraag. Dat voorstel voor een correctief referendum van D66 moet nog een tweede lezing krijgen. Er zijn voor de heer De Graaf twee mogelijkheden. Ofwel hij steunt mijn fractie en andere fracties die pleiten voor uitstel, zodat we eerst de tweede lezing kunnen hebben en alsnog een correctief referendum kunnen houden in Nederland over het al dan niet toetreden tot de muntunie, ofwel hij stemt in met het voorstel dat ik aan het eind van mijn eerste termijn heb gedaan, namelijk het houden van een raadgevend referendum nu, zodat de bevolking in ieder geval de kans krijgt om zich uit te spreken. Of de Kamerfracties zich vervolgens zullen schikken naar de uitkomst van dat referendum, is iets anders. Echter, als wij zo tewerk zouden gaan, heeft de bevolking in ieder geval de gelegenheid gehad om en over de gehele zaak te debatteren en zich er vervolgens over uit te spreken.

De heer De Graaf (D66):

Het heeft buitengewoon weinig zin, mijnheer Marijnissen, om de bevolking achteraf een dergelijk pseudo-recht te geven. De beslissingen zijn namelijk onomkeerbaar. Uitstel kan niet meer. Dat heeft u zojuist in het interruptiedebatje tussen de heren De Hoop Scheffer en Bolkestein kunnen horen. Uitstel is ook in juridisch opzicht onmogelijk. Nu te pleiten voor uitstel en voor het vervolgens houden van een referendum over iets wat al in het Verdrag van Maastricht is vastgelegd en waaraan wij gebonden zijn, is pure verlakkerij.

De voorzitter:

Ik zie dat de heer Marijnissen weer wil interrumperen, maar ik wijs hem erop dat hij hiervoor in dit verband voor de laatste keer de gelegenheid krijgt. De discussie verbreedt zich nu namelijk tot een algemeen debat over de rol van een referendum, maar dat kan de bedoeling niet zijn.

De heer Marijnissen (SP):

Wij zijn nu al een stap verder, voorzitter! We hebben het nu over de vraag in hoeverre uitstel mogelijk of onmogelijk is. Ik wil de heer De Graaf nog om een reactie vragen in verband met de positie van Zweden. Daar had men geen opt-out geregeld. Zweden is pas later toegetreden tot de Europese Unie. Het gehele acquis hebben ze overgenomen en op een bepaald moment heeft de premier gezegd: nee, wij doen niet mee, de bevolking ziet het niet zitten; wij zien ervan af. Wie kan Nederland tot iets anders dwingen als het ten halve keert in plaats van ten hele te dwalen? Toch niemand.

De heer De Graaf (D66):

Voorzitter! Ik ben zo gebakken dat ik afspraken die zijn gemaakt, zeker als zij internationaal-rechtelijk vastliggen, wil nakomen. Het lijkt mij onjuist te zeggen: we kunnen onder het verdrag uit. Als wij gebonden zijn, mijnheer Marijnissen, dan zijn we gehouden ons daarnaar te gedragen. Bovendien ben ik, zoals u zou kunnen bedenken, ervoor dat Nederland tot de EMU toetreedt.

Voorzitter! Op het democratisch gehalte van de besluitvorming over de toetreding tot de EMU is als zodanig weinig aan te merken. De nieuwe vereniging voor een democratisch Europa schrijft in haar manifest: Europa is te belangrijk om beslissingen daarover alleen aan de regeringsleiders, technocraten en zakenlieden over te laten. Dat is op zichzelf een terechte opmerking. Daarom is in de afgelopen zes jaar in de Tweede Kamer herhaaldelijk en zeer intensief over de Europese integratie en over de komst van de euro gesproken. Dat heeft niet altijd de kolommen van de kranten of de opening van het journaal gehaald, maar daarom was het debat nog niet minder democratisch.

Toch kan ik mij iets voorstellen bij de opmerking, dat de euro bijna stiekem en als het ware midden in de nacht wordt binnengevaren. Dat heeft vermoedelijk te maken met de tijdskloof tussen het onomkeerbare besluit van 1991, goedkeuring in 1992, en het moment van nu, het tijdstip waarop de meetlat wordt gehanteerd om na te gaan welke landen zich kwalificeren.

Bij de directbetrokkenen uit de kring van de overheid, het bedrijfsleven en de bankwereld is de urgentie en de kennis alleen maar groter geworden, maar voor heel veel anderen, is het natuurlijk een ver-van-mijn-bedshow geweest. Totdat het er echt om ging. Immers, nu pas komt het moment naderbij waarop de pensioenen in euro's worden opgebouwd, dat de huren in euro's worden afgeschreven en dat het loon in euro's wordt uitbetaald.

Het draagvlak onder de bevolking voor de muntunie is weliswaar aanwezig, maar zou groter kunnen zijn. Dat heeft onder meer te maken met gebrek aan kennis. Uit onderzoek van de Europese Commissie bleek vorige maand dat slechts vier op de tien Nederlanders zegt te weten waar het hierbij eigenlijk om gaat. Daarom vindt de fractie van D66 het te betreuren dat de voorlichting zo smalletjes en zo laat op gang is gekomen. Minister Zalm heeft, zo lijkt het wel, erg getalmd. Waarom eigenlijk? Vond hij dat zijn eigen scepsis in verband met de positie van sommige Zuid-Europese landen maatstaf moest zijn voor het begrip van Nederlandse burgers of voor de twijfel in zijn eigen partij? Dat Nederland zich zou kwalificeren voor de kopgroep, was het afgelopen jaar toch nauwelijks een openstaande vraag? Daarop hoefde een grote publiekscampagne toch niet te wachten? In ieder geval zal er nu alles aan moeten worden gedaan om het inzicht en het begrip onder alle mensen te vergroten. Ook wat onvermijdelijk is, behoeft draagvlak. Iedereen krijgt er immers mee te maken.

De monetaire unie betekent de vervolmaking van de interne markt. Jean Monnet heeft gezegd dat de gemeenschappelijke markt een proces is en geen product. Dat betekent dat wij het proces nu vormgeven, maar het product ervan zullen moeten afwachten. In dat product ziet D66 een belangrijk Europees ideaal verscholen liggen, namelijk een Europees burgerschap dat zich baseert op democratische waarden, op vrije handel, op vrije wandel van personen en goederen, zonder onnodige belemmeringen, en op het gezag van de Europese overheid in de aanpak van grote, staatoverschrijdende problemen. Een economisch sterk geïntegreerd Europa, met de muntunie als kroon, zal naar onze vaste overtuiging een belangrijke impuls betekenen voor het ideaal van een politieke unie en voor verdere versterking van de democratie in Europa. De nu gerealiseerde economische vervlechting vormt de beste basis voor verdere politieke samenwerking.

Men beweert wel dat toetreding tot de EMU landen zou dwingen tot draconische maatregelen, die het sociaal aangezicht van Europa bekrassen. De recente Nederlandse geschiedenis leert anders. Wij zijn in staat geweest om orde in de overheidsfinanciën te brengen, een strak rente- en inflatiebeleid te voeren, en tegelijkertijd onze economische prestaties te verbeteren. Dat heeft veel werkgelegenheid opgeleverd, maar ook een toegenomen ruimte om het sociale stelsel betaalbaar en overeind te houden. Ik noem de koppeling en het AOW-fonds. Dat beleid was nodig, ook zonder de naderende EMU. Een gezonde financieel-economische politiek is geen garantie voor een goed sociaal beleid, maar wel een noodzakelijke voorwaarde.

D66 is er ten diepste van overtuigd dat de EMU aanzienlijk zal bijdragen aan de welvaart in Europa en daarmee aan de werkgelegenheid en aan het sociale gehalte van de Europese Unie. Wie het nationale belang wat enger wil zien en alleen maar kijkt naar het Nederlandse handelsbelang, moet tot de conclusie komen dat invoering van de EMU voor ons land van cruciaal gewicht is. Juist een land dat driekwart van zijn export afzet in de EU, juist een land dat zijn economische positie dankt aan zijn ligging ten opzichte van het Europese achterland, juist dat land heeft als eerste baat bij het wegnemen van elke handelsbelemmering.

Natuurlijk heeft ook D66 de risico's gewogen die kunnen optreden bij een zwakke of een zachte euro. De bezorgdheid voor die risico's is niet zomaar weg te redeneren, maar is ook niet erg groot. Zowel de afspraken van het Stabiliteitspact als de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank vormt een belangrijke waarborg om inflatie en hoge rente tegen te gaan. Angst is hier een slechte raadgever. Het feit dat de euro als reservevaluta een directe concurrent van de dollar zal vormen, maakt de muntunie alleen maar profijtelijker en de euro dus harder.

Dat brengt mij op de beoordeling die het kabinet heeft gegeven van de mogelijke toetreders. Wij onderschrijven het heldere oordeel, dat gebaseerd is op onder meer de adviezen van De Nederlandsche Bank en het EMI. De discussie heeft zich toegespitst op Italië. De prestaties van de regering-Prodi zijn indrukwekkend, zo indrukwekkend dat zij vragen hebben opgeroepen naar het duurzame karakter ervan. Het kabinet, minister Zalm voorop, heeft vertrouwen uitgesproken in de duurzaamheid van het Italiaanse financieel-economische beleid. Gelet op de berichten over de voorgenomen meerjarenbegroting lijkt dat ook terecht. De toepassing van de convergentiecriteria vereist, hoe strikt ook, mede een kwalitatieve beoordeling. Daarin spelen verwachting en vertrouwen een belangrijke rol. De fractie van de VVD heeft op dit punt tot op heden geen heldere positie ingenomen, wat wel nodig is. De partij die alleen met Maastricht wilde instemmen vanwege de EMU, heeft daarna voortdurend twijfel en scepsis gezaaid over haalbaarheid en wenselijkheid. Dan eens Italië voor de laatste maal waarschuwen, dan weer uitstel van de hele EMU suggereren – dat is pleiten voor het onmogelijke – en dan weer openlijk de Italianen wantrouwen. Dat is een weinig constructieve houding. Duidelijkheid is nu geboden, want het gaat vandaag om invulling van ons parlementair instemmingsvereiste. D66 vindt dat het kabinetsstandpunt onverkort kan worden gesteund, inclusief de verwachting dat de meerjarenraming van de regering-Prodi op voldoende steun in eigen land zal kunnen rekenen. Daarover hoeven wij op zichzelf niet nog eens een debat te hebben. Als het anders zou zijn, gaan wij ervan uit dat het kabinet dan ook tot een ander oordeel zou komen. Het kabinetsoordeel is ook voorzien van een "indien", en dat oordeel wordt door ons ondersteund. Wij hebben er geen behoefte aan de besluitvorming als zodanig verder op te houden, omdat anderen moeite zouden hebben met kiezen.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

De D66-fractie steunt de regering dus, waar deze in ieder geval op dit moment geen genoegen neemt met de toezegging van de Italiaanse regering omtrent de reductie van het overheidstekort en de schuldpositie.

De heer De Graaf (D66):

Ik verwijs de heer Rosenmöller naar het kabinetsstandpunt: "indien naar het oordeel van de regering op het moment van de besluitvorming is gebleken dat de aan de Commissie meegedeelde voornemens op voldoende steun in Italië kunnen rekenen", waarbij ik mij aansluit. Dit kabinetsstandpunt, inclusief het "indien", krijgt van ons de instemming, zoals in artikel 5 van de goedkeuringswet is voorzien. Die instemming geven wij thans, gebaseerd op dat oordeel. Als de regering in de volgende weken tot de overtuiging komt dat aan dat "indien" niet is voldaan, zal zij haar oordeel bijstellen, en zullen wij opnieuw ons instemmingsvereiste moeten geven. Dat is de formele situatie. Thans stem ik in met datgene wat het kabinet hier heeft geschreven.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Deelt u de kwalificatie van collega Wallage, dat die nadere vraag om politieke steun na de toezegging van de Italiaanse regering op het randje is?

De heer De Graaf (D66):

Nee, ik zou het over het randje vinden, als wij een formeel stempel van goedkeuring van het Italiaanse parlement vragen in een brief aan het Nederlandse parlement, dat men akkoord gaat met dat wat de eigen regering voornemens is. Ik vind het op zichzelf logisch dat het kabinet zelf een oordeel vormt over de vraag of de voornemens die in Italië worden geuit, op voldoende politiek draagvlak kunnen rekenen. Ik laat dat oordeel graag aan de regering over. Als men tot het tegenovergestelde oordeel zou komen, gebaseerd op berichten die de regering heeft, hoor ik dat wel.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Vindt u, tegen de achtergrond van wat u nu zegt, dat ook het Nederlandse parlement naar de ons omringende landen, de toekomstige EMU-partners, duidelijkheid zou moeten verschaffen over de hoogte van bijvoorbeeld het financieringstekort in 2002?

De heer De Graaf (D66):

Dat vind ik helemaal niet. Het is de vraag in hoeverre andere landen bij hun beoordeling van de vraag of Nederland kan toetreden tot de EMU, nadere informatie willen hebben over de politieke positie en het draagvlak in Nederland. Volgens mij zijn de andere partners in Europa ervan overtuigd dat de Nederlandse regering volledig wordt gesteund door de overgrote meerderheid van het Nederlandse parlement.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

En dat hoeft niet nog eens bekrachtigd te worden met een uitspraak van deze Kamer om bijvoorbeeld in 2002 het financieringstekort terug te brengen tot 1%?

De heer De Graaf (D66):

Ik ben er sterk voor dat het financieringstekort wordt teruggedrongen tot 1%; dat staat in mijn verkiezingsprogramma. Ik heb niet per se een uitspraak van de Kamer nodig om dat programma uit te voeren.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Met enige verbazing heb ik naar het verhaal van collega De Graaf geluisterd, want hij heeft het over heel veel gehad, behalve over het onderwerp waarover het vandaag in feite zou moeten gaan, uitgezonderd één alinea.

De heer De Graaf (D66):

Ik was nog niet klaar!

De heer Van Middelkoop (GPV):

U was met de VVD bezig, dus ik dacht dat u toe was aan een soort politieke afronding. Ik heb een vraagje hierover, en niet over het referendum, het draagvlak, de voorlichting of allerlei andere zaken die niet zo wezenlijk zijn. Na het Verdrag van Maastricht waren wij het erover eens dat de criteria strikt moesten worden toegepast. Onder "strikt" verstonden wij: "financieel-economisch strikt". Inmiddels horen wij iedereen zeggen dat er sprake is van een politiek project en dat je op grond daarvan anders naar de criteria kunt kijken. Wat is het oordeel van de heer De Graaf daarover?

De heer De Graaf (D66):

Voorzitter! Ik heb al iets over de criteria gezegd. Ik heb aangegeven dat daar een kwalitatieve beoordeling bij hoort. Dat zegt de fractie van D66 niet voor het eerst. Collega Ybema heeft bij de behandeling van de goedkeuringswet van het Verdrag van Maastricht al soortgelijke woorden uitgesproken. Behalve dat het om de kille cijfers gaat – in dit geval 3% en 60% wat betreft het financieringstekort en de schuldquote – staat ook nadrukkelijk vermeld dat het moet gaan om een duurzame ontwikkeling van de economische en financiële positie. Dat leidt tot een beoordeling met een element van vertrouwen en verwachting. Dat heb ik zojuist aangegeven. Ik vind dat de criteria strikt moeten worden toegepast, maar er zit ook een beoordeling van de toekomst in. Zoals de heer Van Middelkoop weet, is die alleen achteraf te voorspellen.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Vindt de heer De Graaf het dan niet merkwaardig dat wij nu ten principale een beslissing moeten nemen over het overgaan op de derde fase van de EMU, maar dat het Stabiliteitspact pas daarna gaat werken? Alleen op grond daarvan kun je een conclusie over de duurzaamheid trekken! Moet dat niet worden omgedraaid?

De heer De Graaf (D66):

Neen, wij geven nu een oordeel, gebaseerd op het verleden, op de feiten en op de voornemens van de regering, over de vraag of de regeringen van die landen in staat zullen zijn om hun monetaire politiek duurzaam te ontplooien in de richting zoals wij dat wensen. Ik zie niet in waarom die afspraken eerst moeten worden uitgevoerd, voordat wij dat oordeel kunnen vellen.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Het is toch volstrekt normaal, als je je lot op een dergelijke manier aan elkaar verbindt en als je je monetaire soevereiniteit opgeeft, dat je dat pas doet als je weet dat je een garantie hebt voor de toekomst! De afspraken die je maakt en het gedrag dat daarbij hoort, moeten echt duurzaam zijn. Als je kijkt naar de Italiaanse cijfers – de heer De Graaf verwijst naar het verleden – dan kun je concluderen dat de Italiaanse prestatie alleen maar uit 1997 stamt. Op basis van het verleden kan de heer De Graaf nooit tot die conclusie over de duurzaamheid komen als het om Italië gaat. Vandaar mijn vraag.

De heer De Graaf (D66):

Dat is de reden geweest dat ook van de zijde van de Nederlandse regering aan de Italiaanse regering is gevraagd om een doorkijkje van datgene wat men voornemens is om in de volgende jaren te doen, zodat er een op diepere gronden gebaseerd oordeel kan worden geveld over de vraag waar de Italiaanse economie naartoe gaat. Dat beeld van de regering-Prodi, een forse terugdringing van het financieringstekort, privatiseringsoperaties en datgene wat in de afgelopen twee, drie jaar is gerealiseerd, levert deze regering voldoende vertrouwen op om ook Italië toe te laten tot de EMU. Bij dat oordeel sluit ik mij aan.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Zelfs datgene wat wij nog verlangen van de Italianen de komende weken, is voor de heer De Graaf niet meer doorslaggevend ten aanzien van het finale oordeel.

De heer De Graaf (D66):

De heer Van Middelkoop heeft mij niet goed beluisterd, of mij niet goed begrepen, of ik heb mij niet goed uitgedrukt. Ik laat al die mogelijkheden open.

Ik heb uitdrukkelijk gezegd dat datgene wat de Italiaanse regering zich deze week zal voornemen – daarover hebben wij de afgelopen weken al een en ander kunnen horen – ons enig vertrouwen geeft in die duurzame ontwikkeling van de Italiaanse financiële en economische positie.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Maar de heer De Graaf houdt het niet voor onmogelijk dat wij over een paar weken weer bijeenkomen en dan tot de conclusie komen dat wij teleurgesteld zijn in datgene wat de Italianen zich hadden voorgenomen, maar wat niet bewaarheid is geworden, en dat het zo niet kan?

De heer De Graaf (D66):

Ik acht dat praktisch onmogelijk, gelet op het vertrouwen dat ik uitspreek in het oordeel van de Nederlandse regering. De regering heeft juist vertrouwen uitgesproken in de maatregelen die de Italiaanse regering voornemens is te nemen.

De heer Van Middelkoop (GPV):

De heer De Graaf komt aardig in de buurt van iemand die blanco cheques uitdeelt.

De heer De Graaf (D66):

Neen, ik heb geen behoefte aan een blanco cheque. Wij geven een op inhoud gebaseerd oordeel, ook als het gaat over de toekomstige voornemens van de Italiaanse regering.

Voorzitter! Ook andere landen dan Italië zullen na de EMU-ingang te zijn gepasseerd, nog het nodige moeten doen om hun financieel-economische huishouding verder op orde te brengen. België bijvoorbeeld, dat evenzeer als Italië zijn schuldquote versneld zal moeten verlagen. Of Frankrijk, dat weliswaar aan de criteria voldoet, maar last blijft houden van een sterk dirigistische, centralistische en daarmee inflexibele economie met een verstarde arbeidsmarkt. De regering-Jospin zou een paarse injectie en een minister à la Wijers goed kunnen gebruiken.

Maar ook Nederland heeft nog een opdracht te vervullen. Die opdracht is wat D66 betreft: een evenwichtig beleid dat financieel-economische degelijkheid – en dus verdere reductie van ons tekort – paart aan verantwoord investeren in mens en milieu. Ik wil de minister-president in dit kader vragen of hij de stelling deelt dat uit de EMU-afspraken voortvloeit dat wij in de volgende kabinetsperiode ons financieringstekort verder moeten terugbrengen tot 1% of daaronder – close to balance – en dat dit dan ook de inzet moet zijn van het volgende kabinet.

De EMU wordt door D66 positief gewaardeerd. Europa staat aan de vooravond van een nieuwe era; een sterke interne markt met een sterke munt die ook mondiaal voor economische en politieke kracht kan zorgen; een sterk Europa, democratisch, economisch, sociaal en politiek, daar zet D66 zich voor in.

De heer Janmaat (CD):

Voorzitter! De Tweede Kamer heeft zichzelf de mogelijkheid toegekend om voor de besluitvorming inzake de verschillende fases van de vorming EMU daarover met de regering te spreken. Steeds meer is duidelijk geworden dat die mogelijkheid van geen enkele praktische waarde is. Niet alleen zijn de grote politieke partijen ervoor, maar bovendien kan de besluitvorming terzake niet meer teruggedraaid worden. Het point of no return is al gepasseerd. Dus waar praten wij eigenlijk over?

Voorzitter! Wij praten over de politieke en financiële kanten van de vorming van de EMU, het opgeven van de nationale munt en de risico's die daaraan verbonden zijn. De criteria zijn volgens het Verdrag van Amsterdam vastgesteld, maar zoals toen al is gebleken en nu nog blijkt, zijn ze arbitrair. Het is de CD nooit duidelijk geworden waarom het in alle landen goed zou gaan als het financieringstekort onder de 3% daalt en slecht als het daarboven blijft. Het is de CD nog minder duidelijk geworden op welke wijze de gezamenlijke staten hun tekorten wegwerken en ten laste van wie. Het is nog maar de vraag of dat lukt. Mogelijkerwijs worden de tekorten en de hoge staatsschulden – waar ook een arbitrair percentage van het BNP is vastgesteld – alleen via de inflatie weggewerkt.

Voorzitter! Ik heb de regering meermalen gevraagd naar de risico's maar ik heb daar nooit antwoord op gekregen. Ik stel deze vraag vandaag opnieuw. Een zeer brave partij zoals D66 praat zelfs over een financiële revolutie. Ik weet niet of het zo erg is. Met betrekking tot die term wil ik de voormalige Amerikaanse president Kennedy aanhalen. Hij heeft gezegd dat "geen enkele democraat met succes de tijger van de revolutie kan berijden". Dat lijkt ons nu het geval. Feit is dat de democratische controle internationaal sterk achterloopt.

Voorzitter! Ondanks alles heb ik een praktische vraag aan de minister van Financiën. De euro wordt graag vergeleken met de Amerikaanse dollar; een munt met grote invloed in de wereld. De euro moet eenzelfde positie krijgen. De samenstellende staten van de VS leveren diverse bijdragen, afhankelijk van hun economische en monetaire kracht, aan de stabiliteit van de dollar. Wordt de bijdrage die Nederland moet leveren aan de ondersteuning van de stabiliteit van de euro groter dan de huidige bijdrage of denkt de minister van Financiën dat de nu geminimaliseerd kan worden? Er worden termen losgelaten over toenemende welvaart en grote kansen. De heer De Hoop Scheffer spreekt over "de bakker om de hoek" die er niet onmiddellijk van zal profiteren. We kunnen de heer De Hoop Scheffer geruststellen. De bakker om de hoek is al verdwenen, dus daar hoeft hij niet meer voor op te komen.

Mijnheer de voorzitter! Zoals gezegd, besluit het Nederlandse parlement hier een beetje achteraf. We staan voor een voldongen feit. Je verzetten tegen de euro is zoiets als vechten tegen windmolens. Je bent dan verkeerd politiek bezig. De euro komt er. Het Nederlandse parlement en de Nederlandse regering zijn er felle voorstanders van. Of de welvaart zo groot wordt als nu gedacht, is de vraag. De vraag is: voor wie? Misschien wordt de welvaart wel vergroot, maar dan van de zwakkere Europese landen. Zoals zonet aan de minister van Financiën gevraagd: hoe groot wordt de Nederlandse bijdrage daaraan?

Mijnheer de voorzitter! De EMU wordt een politiek project genoemd. Dat politieke project kan op het niveau waar de CD zit – en dat is internationaal niet hoog – niets anders betekenen dan dat sommige Europese landen – Frankrijk voorop en daarachter stilzwijgend Duitsland – onder de Amerikaanse overheersing uit willen. De Partij van de Arbeid heeft gezegd dat de Europese stabiliteit na de Tweede Wereldoorlog is ontstaan door het Verdrag van Rome. Die papieren tijger heeft natuurlijk niets voorgesteld, mijnheer de voorzitter. De Europese stabiliteit is ontstaan door de aanwezigheid van de Amerikaanse atoomparaplu tegen de dreiging van het communisme in de Sovjet-Unie. Dat en niets anders heeft Europese stabiliteit opgeleverd. De Sovjet-Unie is verdwenen. Of het huidige Rusland een macht gaat vormen die evenwicht kan geven aan de Verenigde Staten is zeer de vraag. Als Europa dat wil gaan doen, mijnheer de voorzitter, dan stevenen we niet af op Europese stabiliteit, maar grote internationale strubbelingen.

De heer Bolkestein (VVD):

Mijnheer de voorzitter! De Economische en Monetaire Unie is voor de VVD- fractie de belangrijkste reden geweest om in 1992 in te stemmen met het Verdrag van Maastricht. Wij zagen de EMU als een bekroning van de interne markt, die de vruchten van de Europese economische integratie tot rijping zou brengen. Als potentiële economische voordelen van een Europese munt zagen wij, en zien wij nog steeds: een zone van monetaire stabiliteit in Europa; toename van de economische convergentie dankzij de Maastrichtcriteria; het wegvallen van transactiekosten voor burgers en bedrijven; het ontstaan van een transparante financiële markt die de concurrentie zal bevorderen en ten slotte verminderde afhankelijkheid van de grillige dollar.

Maar tegenover de winstpunten van de euro staan ook grote risico's. Wij hebben een ijzersterke en goudgerande gulden, geschraagd door een eeuwenlange traditie van monetaire stabiliteit. Wij hebben veel aan die sterke gulden te danken. Voor Nederland is het dus veel minder duidelijk dan voor Spanje of Italië dat de euro beter of zelfs even goed zal zijn als de gulden.

Het Verdrag van Maastricht bevat een aantal belangrijke waarborgen voor de hardheid van de Europese munt. Ten eerste de onafhankelijkheid en stabiliteitsdoelstelling van de Europese Centrale Bank. Op papier zijn die voorwaarden meer dan voortreffelijk geregeld. Ten tweede zijn er de convergentiecriteria die moeten waarborgen dat alleen landen meedoen die hun zaakjes op orde hebben. Die criteria zijn aanmerkelijk minder nauwkeurig geregeld en bevatten de nodige interpretatieruimte. Vandaar dat onze regering steeds de stelling heeft betrokken dat de EMU-criteria strikt moeten worden toegepast. Het woord "strikt" stond centraal in alle regeringsuitspraken, van de memorie van toelichting van het Verdrag van Maastricht, tot en met de laatste Miljoenennota van dit kabinet, want het kernbegrip van het Verdrag van Maastricht is "duurzame convergentie". Zonder duurzame convergentie geen succesvolle EMU. Bij zijn strikte optreden, heeft het kabinet altijd 100% steun gekregen van de VVD-fractie. Toen premier Kok op 26 maart 1996 in de Kamer zijn voorkeur uitsprak voor uitstel van de EMU boven verslapping van de criteria, had hij onze steun. Wij ondersteunden de minister-president ook in zijn afwijzende reactie toen onze voormalige collega Wolffensperger op 25 februari 1997 in deze Kamer zei, een overschrijding van de 3%-tekortnorm door Frankrijk te kunnen billijken; 3% was immers 3%. De VVD-fractie was het van harte met minister Zalm eens toen hij bij de laatste financiële beschouwingen in oktober 1997 de mogelijkheid van uitstel uitdrukkelijk openhield. En ook deelden wij zijn mening toen hij op 13 januari 1998 zei: "Nederland zal niet worden gedwongen om deel te nemen aan een muntunie die niet volgens het Verdrag van Maastricht tot stand komt". Hoewel iedereen op dat moment al kon zien dat zowel uitstel van de EMU als een Nederlandse Alleingang vrijwel uitgesloten was, wisten wij dat de mentale houding van minister Zalm bitter noodzakelijk was. Het was immers duidelijk dat Duitsland niet van plan was Italië en Frankrijk los te laten. Wie in dit krachtenveld nog iets wilde bereiken, moest bereid zijn het hard te spelen.

Wij komen nu toe aan de vraag hoe het staat met de naleving van de criteria. De grootste vooruitgang is geboekt bij de convergentie van de nominale criteria, dat wil zeggen de rente en de inflatie. Bij de overheidsfinanciën is het beeld minder overtuigend. Aan de ene kant is opmerkelijk dat sommige lidstaten die een paar jaar terug nog volstrekt kansloos werden geacht, nu toch aan de criteria voldoen. Aan de andere kant geldt voor maar liefst tien landen dat zij pas in 1997 voor het eerst een tekort van 3% of minder behalen. Wij delen de mening van De Nederlandsche Bank dat de problemen zich concentreren bij vier landen, te weten Duitsland, Frankrijk, België en Italië.

Duitsland wist zijn tekort met veel moeite onder de 3% te krijgen. De Duitse staatsschuld is echter stijgend en bevindt zich net boven de 60%. Maar het is zonder meer waar dat Duitsland gezien de enorme kosten van de Duitse eenwording, op zich een knappe prestatie heeft geleverd. Des te erger is het dat Duitsland nodeloos zijn morele gezag heeft verspeeld door de mislukte greep in de goudvoorraad van de Bundesbank.

Frankrijk heeft grotere problemen. Alle fracties hebben dat verleden week erkend. Het land wist in 1997 de 3%-grens slechts te bereiken door omvangrijke eenmalige maatregelen. Ongedekte pensioenlasten en de onzalige invoering van de 35-urige werkweek zullen de Franse samenleving en de Franse overheidsfinanciën nog zwaar op de proef stellen. De Fransen zullen dan ook niet nalaten maximale politieke druk op de Europese Centrale Bank uit te oefenen.

In Italië heeft zich een klein wonder voltrokken. Wie drie jaar geleden had voorspeld dat Italië in 1997 een tekort van 2,7% zou bereiken, was voor gek versleten. Wij nemen dus ons petje af voor de Italianen. Maar deze lof neemt niet weg dat de Italiaanse overheidsfinanciën de grootste bedreiging voor de stabiliteit van de muntunie vormen. Het tekort is weliswaar tot 2,7% teruggedrongen maar daarbij is voor 1,1% gebruik gemaakt van eenmalige maatregelen. Daarbij speelt ook nog de erfenis van de zogenaamde residui passivi. De Italiaanse staatsschuld bedraagt met 122% van het BBP een kwart van de totale publieke schuld in Europa. Bovendien daalt de staatsschuld nauwelijks en kan dus niet worden volgehouden dat die schuld de 60%-norm in bevredigend tempo benadert. Daarnaast is de schuld overwegend kort gefinancierd en dus zeer rentegevoelig. De Italiaanse vertegenwoordiger in de Europese Centrale Bank weet dat elke procent renteverhoging het financieringstekort van zijn land omhoog jaagt.

Het kabinet schrijft pas in te kunnen stemmen met toetreding van Italië tot de EMU, indien de Italiaanse regering een aanvullend begrotingspakket presenteert dat op voldoende steun in het Italiaanse parlement kan rekenen. Dat pakket moet nog worden gepresenteerd. Maar wat wij daarvan tot nu toe weten, spreekt ons aan. Een tekort van 1% BBP in 2001 of zelfs al in 2000 is een scherpere prestatie dan het verkiezingsprogramma van de Partij van de Arbeid. Wij verwachten wel van onze regering dat het de Italiaanse plannen met een scherpe blik zal beoordelen. Mocht bovendien de voorziene steun in het parlement uitblijven, dan gaan wij ervan uit dat Nederland alsnog tegen Italië zal stemmen. Ook al is deze situatie onwaarschijnlijk, wij krijgen hierop graag een duidelijk antwoord van de regering.

De heer De Graaf (D66):

Voorzitter! Hoe verhouden de vandaag gedane uitspraken van collega Bolkestein zich met de uitspraken van zijn financieel woordvoerder de heer Hoogervorst, die in NRC Handelsblad van 26 maart zegt: ik voorzie dat Italië de teugels laat vieren wanneer zij eenmaal hun ticket voor de EMU binnen hebben? Hij zei voorts: maar wij kunnen in ons eentje Italië niet tegenhouden, noch enig ander land, want niemand heeft vetorecht. De heer Bolkestein heeft overigens op diezelfde 26 maart ook uitspraken gedaan in Forum. Uit de woorden van de heer Hoogervorst spreekt toch een geheel andere houding? Dat is geen bewondering, verwachting of vertrouwen, maar dat is wantrouwen.

De heer Bolkestein (VVD):

Voorzitter! Dat Nederland in z'n eentje Italië buiten de muntunie zou kunnen houden, is natuurlijk een illusie. Dat kan niet. Wij hebben ons de mogelijkheid daartoe niet voorbehouden. Wat de uitspraak van mijn collega Hoogervorst betreft, wil ik wijzen op een uitspraak van de tweede man van de Banca d'Italia, de heer Schioppa. Hij heeft in een Italiaanse krant gezegd: de Italianen mogen na decennia van wanbeleid niet verwachten dat de rest van Europa hen zomaar vertrouwt. Dat is de tweede man van de Banca d'Italia die uitspreekt dat het voor de hand ligt dat anderen in Europa niet zomaar hun vertrouwen uitspreken in de Italiaanse overheidsfinanciën. Het is heel natuurlijk dat mijn collega Hoogervorst dat onder woorden heeft gebracht.

De heer De Graaf (D66):

Er is een groot verschil tussen "niet bij voorbaat erop kunnen vertrouwen na al die jaren van wanbeleid" en het uitspreken van wantrouwen. En dat heeft de heer Hoogervorst gedaan. Hij heeft gezegd, ongeacht datgene wat de regering-Prodi aan voornemens laat blijken: ik voorzie dat Italië de teugels laat vieren zodra zij binnen zijn bij de EMU. Dat is wantrouwen en dat zou, als je consequent bent, moeten leiden tot een afwijzend standpunt in plaats van een positief standpunt.

De heer Bolkestein (VVD):

Voorzitter! Ik ben dat niet met de heer De Graaf eens. Ik wil hem confronteren met een citaat van de Italiaanse politieke leider Giorgio La Malfa, die leider was van de Partido Repubblicano, die op 7 maart in Le Monde heeft geschreven dat, wanneer Italië lid is geworden van de muntunie, over het Stabiliteitspact opnieuw moet worden onderhandeld. Dat zijn allemaal uitspraken die onderbouwen dat de heer Hoogervorst met recht en reden zijn twijfel tot uiting heeft gebracht en die aangeven waarom ik dat zelf ook doe.

De heer De Graaf (D66):

Het is nu het moment om hom of kuit te geven, om ja of nee te zeggen, om wel of niet vertrouwen in Italië uit te spreken. Uit alles wat de heer Bolkestein citeert, inclusief de door mij aangehaalde woorden van de heer Hoogervorst, blijkt dat de keuze op "nee" valt, op wantrouwen en niet op vertrouwen. Mijn vraag is dus: hoe komt het dat de heer Bolkestein, ondanks al die citaten, toch zegt: ik heb vertrouwen in Italië?

De heer Bolkestein (VVD):

Ons vertrouwen is geclausuleerd en de clausule staat in het standpunt van de regering.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Voorzitter! In het eerdere interruptiedebat met collega De Hoop Scheffer zei de heer Bolkestein dat de criteria niet zo strikt zijn toegepast als ze behoren te worden toegepast. Geldt dat alleen voor Italië?

De heer Bolkestein (VVD):

Dat geldt in overwegende mate voor Italië. Dat geldt ook voor Duitsland, waarbij ik wijs op de verzachtende omstandigheid vanwege de kosten van de eenwording. Dat geldt in mindere mate voor België. Het geldt eigenlijk ook voor Frankrijk, waar de situatie op langere termijn misschien nog wel ernstiger is dan in Italië. De criteria zijn dus niet zo strikt toegepast als mijn fractie had gewild en dat is ook erkend door de minister van Financiën.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Voorzitter! De heer Bolkestein heeft de afgelopen jaren namens de VVD-fractie met grote regelmaat gepleit voor het strikt – met een dikke streep onder het woord "strikt" – naleven van de criteria. Hoe kan hij dan nu instemmen met het besluit van de Nederlandse regering? Ik begrijp daar helemaal niets van.

De heer Bolkestein (VVD):

Ik ben veel verdergegaan dan de heer Rosenmöller denkt. Ik heb namelijk mijn mening niet beperkt tot Nederland. Ik ben in maart vorig jaar met mijn collega Hoogervorst naar Bonn gegaan. Ik heb daar gesproken met de heer Tietmeyer, president van de Bundesbank, met staatssecretaris Starck, die over dit onderwerp gaat en met de naaste adviseur van de heer Helmut Kohl, Bitterlich. Ik ben in oktober vorig jaar naar München gegaan om te spreken met de minister-president van dat land, de heer Stoiber. Ik heb hier in Den Haag gesproken met Karl Lamers, de buitenlandwoordvoerder van de CDU. Ik heb in Brussel gesproken met de toenmalige voorzitter van het Franse parlement Philippe Séguin. Ik heb in Rome gesproken met de heer Lambsdorff, oud-minister van economische zaken van de Bondsrepubliek. Ik ben in Luxemburg geweest om met minister-president Juncker over dit punt te spreken. In al die gesprekken heb ik hetzelfde gedaan als in Nederland, namelijk aandringen op strikte toepassing van de criteria. Ik heb net in het interruptiedebat tegen de heer De Hoop Scheffer al gezegd dat ik dat heb gedaan om politieke steun te verwerven voor het standpunt van het Nederlandse kabinet. Ik heb mij dus geen seconde en geen millimeter verwijderd van het standpunt van het Nederlandse kabinet. Ik heb in binnen- en buitenland mijn uiterste best gedaan om politieke steun daarvoor te verwerven.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Voorzitter! Ik ben zeer onder de indruk van de grondige voorbereiding van de heer Bolkestein.

De heer Bolkestein (VVD):

Dat is meer dan anderen hebben gedaan ter verdediging van de hardheid van de euro.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Dat mag de heer Bolkestein zeggen, maar de vraag is natuurlijk welke consequentie hij trekt. Hij heeft voortdurend de nadruk gelegd op strikte handhaving van de criteria. Nu blijkt dat die criteria niet zo strikt zijn toegepast als zij hadden moeten worden toegepast. Welke conclusie trekt hij daar nu uit?

De heer Bolkestein (VVD):

Ik kom nog te spreken over het standpunt van de regering, maar ik wil het de heer Rosenmöller reeds nu zeggen. Wij trekken dezelfde conclusie als de regering. Dit kabinet, de minister-president voorop, heeft steeds gezegd dat er sprake moet zijn van een strikte toepassing van de criteria. Dat staat ook in de memorie van toelichting over het Verdrag van Maastricht. Ik heb precies hetzelfde gezegd. Ik heb mij dus geen millimeter verwijderd van het kabinet. Het woord "strikt" komt nu niet meer voor in het regeringsstandpunt. De regering staat voor een voldongen feit en ik sta voor hetzelfde voldongen feit. Er is namelijk geen alternatief.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Het is buitengewoon merkwaardig dat de heer Bolkestein voor voldongen feiten komt te staan. Dat gebeurt niet zo vaak. De heer Bolkestein vindt dat de criteria niet of onvoldoende zijn toegepast. Hij heeft hier de stelling verdedigd dat uitstel op formele gronden niet meer kan. Het is geen multiple choice meer: ja, nee, geen mening. Het is vandaag "ja" of "nee". Waarom zou hij niet de allerlaatste troef uitspelen en tegen de Nederlandse regering zeggen dat zij niet akkoord zou moeten gaan met dit of dat land dat zich niet volgens de criteria van het Verdrag van Maastricht heeft aangepast? Waarom zou dat niet kunnen?

De heer Bolkestein (VVD):

In het geval van Italië heeft de regering het zelf al gezegd. De regering geeft geen ongeclausuleerde toestemming voor toetreding van Italië, maar heeft er een voorwaarde aan verbonden. En die voorwaarde vind ik redelijk. Ik ondersteun die voorwaarde en ik verwacht dat daaraan tegemoet wordt gekomen.

De heer Rosenmöller vraagt waarom ik mij neerleg bij wat er in Europa gebeurt. Ik mag hem er misschien aan herinneren dat Nederland een van de vijftien lidstaten is en dat alle andere lidstaten willen dat Italië toetreedt tot de muntunie.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Dat is niet nieuw.

De heer Bolkestein (VVD):

Dat is in de loop der tijd ontstaan. Er is dus geen deugdelijk alternatief en ik houd mij aan de werkelijkheid. Dat neemt niet weg dat ik mij de afgelopen jaren de benen uit het lijf heb gelopen om her en der politieke steun te verwerven voor een strikte toepassing van de criteria. Ik verbeeld mij dat dit althans heeft bijgedragen aan het succes van dit kabinet met betrekking tot het aanvullende pakket van maatregelen in Italië.

De heer Wallage (PvdA):

Voorzitter! Ik luister met belangstelling naar de buitenlandse excursies van collega Bolkestein. Dat verklaart misschien ook enigszins waarom minister Zalm, als hij in het buitenland voor de televisiecamera's staat, af en toe wat schichtig om zich heenkijkt. Hij vraagt zich natuurlijk af: is Bolkestein al geweest of komt hij nog? Ik vraag de collega of nog steeds geldt dat de Nederlandse regering ons land in het buitenland vertegenwoordigt en of ook nog steeds geldt dat die regering daarbij geen hulp nodig heeft, omdat zij haar werk gewoon goed doet.

De heer Bolkestein (VVD):

Ik beschouw dat als een te smalle opvatting van mijn taak. Ik ben per slot van rekening als lid van dit parlement mede verantwoordelijk voor de totstandkoming van de muntunie. Ik beperk mijn activiteiten inderdaad niet tot Nederland. Ik zou gewild hebben dat u dat ook niet deed. Mag ik u misschien confronteren met een paar uitspraken van uw woordvoerder?

De heer Wallage (PvdA):

Voordat u dat doet, wil ik nog graag even reageren op uw opmerking. Ieder van ons komt af en toe wel eens in het buitenland en voert daar gesprekken. Niet iedereen rapporteert dat overigens met veel aplomb in deze zaal. De kern van de zaak is dat ons land in het buitenland wordt gerepresenteerd door de regering. Als de opvattingen van Nederland kenbaar moeten worden gemaakt, hebben wij daarvoor een capabele minister van Financiën.

De heer Bolkestein (VVD):

Allicht.

De heer Wallage (PvdA):

Dat de leider van de liberalen zijn geestverwanten in het buitenland iets meldt, kan ik mij voorstellen, maar de opsomming die u gaf, moet op mij en, naar ik mij kan indenken, ook op de dienstdoende minister de indruk maken alsof hij het niet alleen af kan. Als fractievoorzitters in het buitenland op ambtsterreinen van ministers de buitenlandse regeringen moeten gaan overtuigen van het gelijk van die ministers, of als fractievoorzitters een soort postillon d'amour moeten zijn om de ontvangst van ministers wat te vergemakkelijken, waar blijven wij dan? U kunt reizen en communiceren wat u wilt, maar ik geef u in overweging om, behalve voor binnenlandspolitiek gebruik, eens na te denken over het effect dat uw handelen heeft op ministers van de Kroon die ons land in het buitenland representeren en daar geen hulp van een Nederlandse politicus bij nodig hebben.

De heer Bolkestein (VVD):

Natuurlijk wordt Nederland in het buitenland vertegenwoordigd door het kabinet of door een minister. Ik vind echter dat mij dit niet ontslaat van de verplichting om overal ter wereld of in ieder geval overal in Europa op te komen voor de gedachten van mijn partij. Die gedachten komen erop neer dat een strikte toepassing van de criteria gewenst is. Ik citeer uit Het Parool van 22 mei 1996 de heer Van der Ploeg: "Let wel, onze minister-president zegt: liever uitstel dan morrelen aan de criteria. Ik kijk er zelf een ietsje anders tegenaan." Een tweede citaat van de heer Van der Ploeg, uit een artikel van zijn hand van 17 juni 1997. Daarin staat: "Landen die hun tekort in stappen terugbrengen van bijvoorbeeld 8 naar 6 naar 3,5%, voldoen aan de eis." Als ik dat soort geluiden hoor, ben ik toch zo vrij om in binnen- en buitenland te zeggen waar naar de mening van mijn fractie de waarheid op neerkomt. Dat is een strikte toepassing van de criteria.

De heer Wallage (PvdA):

Ik begrijp alle opwinding niet zo goed, voorzitter. Ik ben blij wanneer collega Bolkestein nuttige artikelen van mijn collega Van der Ploeg leest; dat is altijd welkom. De discussie ging echter over wat anders, namelijk over de stelling van de heer Bolkestein dat hij niet alleen de Nederlandse regering in het binnenland heeft gesteund, maar dat ook in het buitenland heeft gedaan. Ik heb gevraagd of een parlementariër daar niet een tikje bescheiden in moet zijn, omdat ons land toch gerepresenteerd wordt door de regering. Zijn reactie daarop was dat hij in de hele wereld, maar vooral in Europa uitlegt wat zijn partij vindt. Dat laatste vind ik zuiver.

De heer Bolkestein (VVD):

Dat is alles dat ik heb gedaan.

De heer Wallage (PvdA):

De vraag die u oproept, is waarom uitgerekend de leider van de VVD het nodig vindt om, waar een VVD-minister van Financiën ons land representeert, een kleine kruistocht tegen andere landen in Europa te gaan houden. Die vraag hebt u niet echt beantwoord. De bijwerking van uw mededeling moet toch wel zijn dat de VVD het met minister Zalm alleen op dit onderwerp niet af kon. Dat is een onterechte conclusie. Die had u zo nooit mogen trekken.

De heer Bolkestein (VVD):

Dat is absoluut niet waar. Nogmaals, het spreekt vanzelf dat Nederland in het buitenland wordt vertegenwoordigd door het kabinet. Ik heb mij absoluut nooit aangematigd dat ik bijvoorbeeld namens het kabinet sprak. Ik heb de minister-president, de heer Kok, ook altijd verteld wat ik her en der in het buitenland heb gehoord. Ik heb hem gezegd wat de heer Stoiber mij heeft verteld en wat andere mensen in Bonn tegen mij hebben gezegd. Ik heb gezegd wat de mening van de Italianen was. Ik heb altijd open kaart gespeeld met het kabinet en verteld wat mijn bevindingen waren. Ik vind het een bekrompen opvatting van onze taak als wij zouden zeggen dat wij in deze zaal met het kabinet praten en buiten deze zaal onze mond houden. Ik zou degenen die mij langs dezelfde lijn als de heer Wallage willen bekritiseren, willen vragen wat zij dan hebben gedaan om de hardheid van de euro veilig te stellen.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

De heer Bolkestein kijkt mij nu aan, maar ik wilde hem wederom een compliment maken. Net mocht het niet, nu hopelijk wel. Ik vind het namelijk volstrekt terecht dat een fractievoorzitter en anderen zich ook oriënteren en hun opvattingen in het buitenland weergeven. Ik maak daarvoor een compliment. Ik ben natuurlijk de laatste die zou willen stoken tussen fracties van de regeringscoalitie. Dat is men ook van mij niet gewend. Ik wil wel even, als de voorzitter dat goedvindt, proberen terug te gaan naar de kern.

Ik constateer dat, net als ik dat in mijn bijdrage namens het CDA heb gedaan, de fractie van de VVD onderschrijft wat de regering op de laatste pagina van de brief die zij de Kamer heeft gestuurd, over Italië heeft geschreven. Er is voldoende politieke steun. De VVD is daar niet in een unieke positie, want die lijn wordt, zoals ik ook van de collegae heb begrepen, breed gesteund. Dat zo zijnde blijft mijn vraag wat er bij de VVD-fractie is gebeurd tussen het interview in Forum van 26 maart en heden 15 april. Ik heb daarop zojuist in het interruptiedebat een onvoldoende duidelijk antwoord gekregen. Wat is er gebeurd sinds het toch vrij krachtig bepleiten van de uitstelvariant? Dat is een opvatting waartoe de heer Bolkestein uiteraard het volste recht heeft. Nu, op 15 april, praten wij met elkaar en met de regering. Wat is er nu anders dan het op 26 maart was?

De heer Bolkestein (VVD):

Ik heb herhaald dat de uitstelvariant niet mogelijk is. De minister van Financiën heeft daarop gedoeld in januari. Wat de minister van Financiën zegt, mag ik toch ook wel zeggen? Wij hebben ons nooit een millimeter verwijderd van het kabinet. Ik blijf nog steeds van mening dat een uitstel met bijvoorbeeld twee jaar wenselijk zou zijn geweest. Alleen is het niet mogelijk. Ook hier staan wij voor voldongen feiten. De mogelijkheid was in theorie open in het najaar van 1997, maar er was onvoldoende steun binnen Europa. Niemand wilde uitstel en dan sta je ten slotte met lege handen. Dat neemt niet weg dat ik nog steeds vind dat uitstel het beste zou zijn geweest.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

U hebt recht op die opvatting, maar mijn verbazing blijft dat u dat op 26 maart nog met zoveel aplomb uitdraagt. Ik zie de verklaring voor de U-bocht niet.

De heer Bolkestein (VVD):

De heer De Hoop Scheffer blaft tegen de verkeerde boom.

De heer De Graaf (D66):

Zolang hij alleen maar tegen de boom blaft, is het nog niet zo erg.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Nou zeg!

De heer De Graaf (D66):

Ik geloof dat collega Bolkestein gelijk heeft, dat alle leden van de Kamer zichzelf in het buitenland moeten oriënteren. Dat doen wij dan ook. Niet iedereen heeft de behoefte om zich vervolgens op te stellen als schaduwminister; ik in ieder geval niet. Maar nu hij zoveel gesprekken heeft gevoerd, onder meer veel gesprekken in Duitsland, zou ik graag weten wat de resultaten daarvan zijn geweest. Opnieuw zijn collega Hoogervorst heeft op dezelfde 26ste maart in de krant gezegd verbolgen te zijn over de positie van Duitsland en diep teleurgesteld te zijn. Zijn letterlijke woorden zijn: de Duitsers hebben de zaak verkwanseld. Ik begrijp dat al die gesprekken met de heer Tietmeyer en anderen niet echt veel hebben opgeleverd.

De heer Bolkestein (VVD):

Ik vind het moeilijk om hier te vertellen wat mijn gesprekspartners tegen mij hebben gezegd, want daar heb ik de toestemming niet voor. Ik heb wel de vrijheid om te zeggen wat ik heb gezegd. Dat heb ik net uiteengezet. In twee van de drie gesprekken die ik in Bonn heb gevoerd, en zeker ook in het gesprek dat ik in München heb gevoerd met de minister-president van Beieren, de heer Stoiber, heb ik eenzelfde zorg ontdekt als wij hebben. Die hebben wij allemaal, op welke wijze die zorg ook naar voren wordt gebracht. Maar in Duitsland is maar één man de baas en dus volgt men diens spoor. U kunt wel zeggen dat dit niet goed is, maar we hebben rekening te houden met dit feit. En het kabinet houdt daar ook rekening mee. De minister van financiën heeft in de tweede helft van verleden jaar geprobeerd uitstel van een paar jaar te bedingen, maar hij stond alleen. Wij hebben dan geen instrumenten meer, wij staan dan voor voldongen feiten, zoals dat nu eenmaal bij dit dossier gebeurt.

De heer De Graaf (D66):

Begrijp ik uit de opmerking van de heer Bolkestein dat in Duitsland maar één man de baas is en dat ook de heer Tietmeyer hierin geen onafhankelijk oordeel heeft?

De heer Bolkestein (VVD):

De heer Tietmeyer heeft zeker een onafhankelijk oordeel, maar zoals ik het analyseer – maar ik kan me vergissen – staat de mening van de Bundesbank toch zwaar onder druk van het Bundeskanzleramt.

De heer Marijnissen (SP):

Alles gehoord hebbend, is de zaak terug te brengen tot de volgende vraag. Hoe staat het met de geloofwaardigheid van de heer Bolkestein? Waarom gebruik ik dat woord? Afgelopen zaterdag in het programma Karel werd hij ondervraagd over de euro en de standpunten van de VVD. Het kwam erop neer dat hij zei: het heeft geen zin dat Nederland tegen toetreding van Italië stemt, want we moeten onze geloofwaardigheid in de gaten houden. Daarom gebruik ik dat woord. De heer Bolkestein noemde terecht tal van punten van kritiek over de beoordeling van Italië, Frankrijk en Duitsland. Hoe staan die landen ervoor en hoe zit het met de toetsing van de criteria? Ik wil graag het volgende duidelijk hebben. De VVD zegt dat zij instemt met het beleid van de regering. Doet zij dit omdat zij meent dat Italië het goed doet? Is de VVD ervan overtuigd dat dit een goed plan is van de regering? Of is de VVD het niet eens met de regering en zegt deze partij om opportunistische redenen: regering, ga uw gang, wij kunnen niet anders want wij staan voor voldongen feiten.

De voorzitter:

Deze vraag is meerdere malen op tafel geweest. Ik vraag de heer Bolkestein om hierop kort in te gaan en daarna komen de andere interrumpanten aan het woord.

De heer Bolkestein (VVD):

Ik kom nog op de mogelijkheid van een stem tegen Italië verderop in mijn betoog. Ik zeg echter nu het volgende. De regering zegt niet dat zij voor toetreding van Italië zal stemmen. Zij zegt dat zij dat doet, indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Dat is het belangrijkste. Stel, dat wij een motie indienen die gericht is tegen toetreding van Italië, dan moeten wij er op zijn minst rekening mee houden dat deze motie een meerderheid behaalt. Dan is de regering, krachtens artikel 5 van de goedkeuringswet van het Verdrag van Maastricht, verplicht die uit te voeren. Welnu, wat gebeurt er indien het kabinet op 2 of 3 mei een stem tegen Italië uitbrengt? Om te beginnen zou Nederland alleen staan. Geen van de landen heeft voorgesteld dan mee te doen. Het Nederlandse kabinet zou totaal geïsoleerd zijn. Belangrijker is dat met een tegenstem het pakket van aanvullende maatregelen voor Italië in de waagschaal worden gesteld. Dat pakket wordt in Italië voorgesteld als een overwinning van de heer Zalm. Ik zeg dat niet, dat zegt de Italiaanse pers. Als Nederland nu tegen Italië zou stemmen, dan zeggen de Italianen: waar doen we het eigenlijk voor? Als we toch tegenstemmen gaat het hele pakket maatregelen eraan en ik wil dat niet riskeren, omdat dit in mijn visie essentieel is voor de toetreding van Italië.

De heer Marijnissen (SP):

Het is natuurlijk legitiem dat de heer Bolkestein al dit soort overwegingen erbij betrekt. Maar op het moment waarop hij herhaalt wat hij ook in 1992 zei, namelijk dat alleen maar met Maastricht wordt ingestemd vanwege de euro en dat de strikte criteria alleen maar randvoorwaarden zijn, is het niet erg geloofwaardig wanneer hij als het erop aankomt zijn eigen eerlijke opvatting inlevert voor het opportunistische argument dat Nederland wel eens internationaal in verlegenheid zou kunnen worden gebracht. Dit is een ongeloofwaardige stelling.

De heer Bolkestein (VVD):

Dat is geen opportunistisch argument; het is een zeer reëel argument.

De heer Wallage (PvdA):

Voorzitter! Ik kom nog even terug op een tussenzinnetje dat de heer Bolkestein zo-even uitsprak, omdat hij zijn buitenlandse activiteiten nu wat toelicht en ik er dus rekening mee moet houden dat hij dit misschien ook de komende jaren op die wijze wil doen; het gaat dan misschien ook om betrekkingen tussen ons land en buurlanden. Ik vraag de heer Bolkestein nog eens na te willen denken over het zinnetje waarin hij zei: in Duitsland is één man de baas, en na te gaan wat voor indruk dit zinnetje moet maken op onze collega's in de Bondsdag en wat voor indruk het eigenlijk moet geven van de Duitse democratie. Ik moet eerlijk zeggen dat ik hoop dat, als een van ons dan wat vaker in het buitenland is om het een beetje mee te helpen uitleggen, hij dit wel doet op een manier die de betrekkingen tussen Duitsland en Nederland niet op die manier belast. Immers, dat zijn zinnetjes die verkeerd kunnen blijven hangen, zo garandeer ik hem.

De heer Bolkestein (VVD):

Bent u het soms niet met mij eens?

De heer Wallage (PvdA):

Ik ben het niet met u eens, omdat ik ervan uitga dat ook in Duitsland een parlementaire democratie de macht van eenieder in de regeringsbank beperkt en in evenwicht houdt. U kunt aan de hele gang van zaken in Duitsland zien dat druk en tegendruk, macht en verantwoordelijkheid, elkaar daar net zo in balans houden als in ons land. Het is een lelijke karikatuur van een land dat zich tot een volwaardige democratie heeft ontwikkeld, om op deze wijze te spreken over de voorzitter van de ministerraad, de bondskanselier van Duitsland.

De heer Bolkestein (VVD):

Op andere punten heeft u misschien gelijk, maar op dit punt niet.

De heer Wallage (PvdA):

Aan argumentatie gaat u uzelf niet erg te buiten op dit moment.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter! Eén ding houdt me nog bezig. De heer Bolkestein beroept zich bij herhaling op voldongen feiten en mijn vraag is nu: had hij dit niet zien aankomen? Hij is toch niet een eend die in vrijheid de eendenkooi in zwemt en ineens tot de constatering komt in de fuik te zitten? Hij is toch een wakker politicus – ik zeg dit in alle respect – en hij heeft het toch aan zien komen? Ik herinner mij heel goed zijn worsteling bij het Verdrag van Maastricht en de criteria. Toen is van de zijde van vak K gezegd: dat is een onomkeerbaar proces, onder één voorwaarde, namelijk dat aan de criteria zal zijn voldaan. En nu zijn het ineens voldongen feiten? Dat begrijp ik niet.

De heer Bolkestein (VVD):

Voorzitter! Ik ben afgegaan op een passage in de memorie van toelichting bij het Verdrag van Maastricht. Het is een korte passage, die ik nu even voorlees: "De regering hecht er sterk aan dat de beslissing over de overgang naar de derde fase zal zijn gebaseerd op een aantal duurzame criteria. Als men de EMU op een solide basis wenst te bouwen, is het essentieel dat de criteria niet verwateren. Dit betekent dat bij de beslissing geen politieke overwegingen worden betrokken. Het betekent ook dat de criteria niet moeten worden versoepeld, als zou blijken dat slechts een gering aantal lidstaten zich kwalificeert voor de vastkoppeling van de onderlinge wisselkoersen." Dat staat in de memorie van toelichting bij het Verdrag van Maastricht en ik ben daarop afgegaan.

De heer Van der Vlies (SGP):

Daar heb ik u toen in gesteund en nu moet u dus vaststellen dat u erin gelopen bent.

De heer Bolkestein (VVD):

Als ik erin gelopen ben, ben ik erin gelopen in commissie, want dan volgt het kabinet mij. Immers, dit is wat het kabinet bij de memorie van toelichting bij het Verdrag van Maastricht heeft gezegd.

De voorzitter:

Misschien is dit een mooi moment om uw betoog weer op te pakken.

De heer Bolkestein (VVD):

Voorzitter! Wie het totaalbeeld aanschouwt, kan tot geen andere conclusie komen dan dat de Europese Commissie door elf landen toe te laten die criteria niet strikt heeft toegepast. De regering concludeert dat ook, want zij stelt aanvullende voorwaarden aan Italië. Ook De Nederlandsche Bank zegt dat met zoveel woorden in haar rapport. Ten aanzien van zowel België, als Italië spreekt De Nederlandsche Bank zorg uit "over de vraag of de schuldquote voldoende zal dalen en de referentiewaarde in een bevredigend tempo zal benaderen, alsmede over de bereikte resultaten". Voor Italië voegt De Nederlandsche Bank hier nog aan toe dat "de thans bereikte tekort- en schuldniveaus zeer kwetsbaar zijn". De Bank zegt in haar totaaloordeel dat de bereikte mate van convergentie nog pril is. Dat is heel wat anders dan het centrale begrip in het Verdrag van Maastricht, namelijk duurzame convergentie. Voor centrale bankiers is dit een hard oordeel en wij prijzen De Nederlandsche Bank voor haar eerlijkheid en openheid.

Het EMU-standpunt van de regering is het eerste regeringsstuk sinds 1991 waarin het woord "strikt" niet meer voorkomt. Dat is eerlijk, maar ook veelzeggend. Minister Zalm heeft verleden week op vragen van mijn fractie toegegeven dat het allemaal strikter had gekund. Hij heeft ook gezegd dat aan de eis van "duurzame convergentie" alleen kan worden voldaan door ook plannen voor de toekomst mee te nemen. Dat is natuurlijk aanzienlijk riskanter dan bouwen op duurzaamheid die al in het verleden is bewezen. We beginnen de EMU niet met een afgeloste schuld, maar met een forse hypotheek op de toekomst. Het is duidelijk dat strikte toepassing van de criteria heeft moeten wijken voor het politieke feit dat Frankrijk en Duitsland niet van plan waren Italië uit de eerste koets te houden.

Mijn fractie wil uitdrukkelijk stellen dat het niet aan de Nederlandse regering heeft gelegen dat het zo is gelopen. Integendeel! Wij hebben onze overheidsfinanciën op orde gekregen, zodat wij in ieder geval een onderhandelingspositie hadden. En die onderhandelingspositie heeft onze regering, in het bijzonder minister Zalm, maximaal uitgebuit. De eindspurt die vele landen nog hebben ingezet, is mede onder druk van Nederland tot stand gekomen. En zonder het robuuste optreden van "il perfido Zalm" was van een aanvullend Italiaans pakket niets terechtgekomen. Dat zegt niet mijn partij, maar de gerenommeerde Italiaanse krant La Republica, waarin het pakket als "de overwinning van Zalm" wordt gekenschetst. Ook nu is Nederland het enige land dat slechts voorwaardelijk instemt met de toetreding van Italië. Bij de verwoording van het Duitse regeringsstandpunt bijvoorbeeld zwijgt men als het graf over het aanvullend pakket.

Het feit dat de Nederlandse regering erkent dat de toepassing van de criteria onvolkomen is geweest, betekent dat wij als een gewaarschuwd mens tot de EMU toetreden en dat is in ieder geval een goede zaak, want er zijn aanzienlijke risico's. Ten eerste beginnen wij met een grote, heterogene EMU waarin de landen met een lange traditie van degelijk en onafhankelijk monetair beleid een minderheid vormen. Dat betekent dat het voor de Europese Centrale Bank nog een hele klus zal worden een homogene stabiliteitscultuur te vestigen. Landen als Frankrijk, Italië en Spanje zijn uitgesproken voorstanders van een politieke tegenvoeter van de Europese Centrale Bank. Het Franse gechicaneer ten opzichte van de heer Duisenberg is daarvan een uitvloeisel. Overigens, het lijkt ons goed dat deze Kamer zich uitspreekt over de dringende wenselijkheid van een beslissing op 3 mei, omdat de organisatie van de Europese Centrale Bank daarom schreeuwt. Wij overwegen op dit punt in tweede termijn een motie in te dienen. Wat is trouwens, zo vraag ik het kabinet, de stand van zaken rondom de zetelverdeling tussen grote en kleine landen in het bestuur van de Europese Centrale Bank en waar zet de regering zich voor in?

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Voorzitter! Wil collega Bolkestein een tipje van de sluier oplichten en zeggen hoe de dictum van de motie over de kandidatuur van de heer Duisenberg zou moeten luiden?

De heer Bolkestein (VVD):

Daarop kom ik in tweede termijn terug en ik zal dan natuurlijk mijn inbreng bepalen aan de hand van het antwoord van het kabinet.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Voorzitter! Desalniettemin vind ik mijn vraag terecht. De heer Bolkestein overweegt op dit punt een motie in te dienen. Wil hij aandringen op besluitvorming over die kandidatuur?

De heer Bolkestein (VVD):

Ik wacht het antwoord van de regering af en vervolgens hoort u wat ik in tweede termijn zal zeggen.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Ik ga ervan uit en hoop dat ook.

De heer Bolkestein (VVD):

Voorzitter! Ten tweede zal het een zeer moeilijke klus worden het Stabiliteitspact uit te voeren. Daarover is vanochtend al eerder gesproken. Oud-directeur van De Nederlandsche Bank André Szász stelt dat het zelfs hoogst onzeker is dat Duitsland en Frankrijk het financieringstekort duidelijk onder de 3% kunnen brengen, terwijl het pact vereist dat het tekort dicht bij een evenwicht of een overschot wordt gebracht. De heer Szász vreest dat het Stabiliteitspact van meet af aan zijn geloofwaardigheid zal verliezen. Hoe moeten wij de discipline dan handhaven? Ik vraag het kabinet uitvoerig op het vraagstuk van de handhaving van het Stabiliteitspact in te gaan.

In de derde plaats lijkt het wenselijk de afspraak te herbevestigen dat de monetaire unie niet mag leiden tot inkomensoverdrachten binnen de Unie. Het lijkt overbodig dit te zeggen, omdat het verdrag al een no-bail-outclausule bevat, maar het blijkt heel moeilijk te zijn van het zogenaamde cohesiefonds af te komen. Dat is ingesteld om landen in staat te stellen lid van de muntunie te worden. Ook op dit punt overweeg ik in tweede termijn een motie in te dienen.

Ik doe trouwens een dringend beroep op de Partij van de Arbeid om zich, net als alle andere grote partijen, vast te leggen op een tekort van 1% in de volgende kabinetsperiode onder de veronderstelling van een economische groei van 2%. Een tekort van 1,4% in het jaar 2002 dat daarna verder oploopt – nog steeds onder de veronderstelling van 2% groei – is echt niet te rijmen met het gestelde in het Stabiliteitspact waarvoor de heer Kok heeft getekend. Hoe kunnen wij anderen bij de les houden als wij zelf onze afspraken niet nakomen.

De VVD-fractie is tot de conclusie gekomen dat zij het regeringsstandpunt inzake de muntunie kan steunen, zoals zij dat altijd heeft gedaan. Wij hebben daarvoor de volgende redenen. Ten eerste hebben wij te maken met een internationaal krachtenveld dat ons weinig speelruimte laat. Ten tweede heeft het kabinet zich tot het uiterste ingespannen om het onderste uit de kan te halen. Ten derde is de regering als enige in Europa bereid aanvullende voorwaarden aan de toetreding van Italië te stellen. Ten vierde geeft het kabinet blijk van realiteitszin door toe te geven dat de criteria niet optimaal zijn toegepast. Dit betekent dat het kabinet bereid is de risico's onder ogen te zien. Die houding zullen wij nodig hebben. De komende jaren zal nog hard voor de begrotingsdiscipline en de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank moeten worden geknokt. Als wij nu pretenderen dat er geen vuiltje aan de lucht is, dan onderschatten wij de problemen die nog op ons kunnen afkomen. Het volgende kabinet zal er nog een zware dobber aan krijgen. Dat moet het huidige kabinet erkennen.

Veel mensen in ons land zijn bezorgd over de gevolgen van de euro voor hun spaargeld, hun pensioen en hun hypotheek. Het is de taak van de regering de risico's tot een minimum te beperken. Wij horen graag van het kabinet hoe dit de komende jaren moet gebeuren.

De heer De Graaf (D66):

Het is altijd gevaarlijk om kwalificaties te gebruiken waar je later op moet terugkomen. De heer Bolkestein omschreef twee jaar geleden "het niet zo nauw nemen met de criteria" als een politieke doodzonde. Kennelijk wil hij daar geen consequenties aan verbinden. Zijn collega Hoogervorst heeft vorige week donderdag gezinspeeld op een nieuw debat vlak tegen 2 mei aan. In mijn bijdrage heb ik gezegd daar helemaal geen behoefte aan te hebben. Wij hebben vertrouwen in het kabinet. Van de heer Bolkestein hoor ik graag of hij meent dat aan een dergelijk debat wél behoefte bestaat.

De heer Bolkestein (VVD):

Die mogelijkheid bestaat in theorie, maar in de praktijk verwacht ik dat het kabinet, dat een stem voor Italië heeft geclausuleerd afhankelijk van het pakket aanvullende maatregelen en van afdoende politieke steun vanuit het Italiaanse parlement, zal tegenstemmen indien aan deze voorwaarden niet wordt voldaan.

De heer Wallage (PvdA):

Collega Bolkestein maakte melding van zorgen van mensen over hun pensioen en over wat zij voor een euro zullen kunnen kopen, om het maar huiselijk te zeggen. Een verwijzing naar die zorgen kan op twee manieren benaderd worden. Als de zorgen kloppen, moeten wij er dus niet aan beginnen. Het is ook mogelijk dat wij voldoende reden hebben om aan te nemen dat de zorgen niet uit zullen komen. In dat geval kunnen wij beginnen. Ik vind dat een verantwoordelijk politicus die zorgen niet moet noemen zonder er achteraan te zeggen of hij meent dat die zorgen terecht zijn. Nogmaals, als de zorgen terecht zijn, moeten wij er niet aan beginnen. Als wij voldoende redenen hebben om aan te nemen dat wij de zorgen in de praktijk overbodig kunnen maken, moeten wij met de EMU van start.

De heer Bolkestein (VVD):

De zorgen zijn zeer reëel. Wie de pers in Frankrijk, Italië en Duitsland een klein beetje volgt, kan niet anders dan tot de conclusie komen dat de toekomst inderdaad zorgelijk is. De Italiaanse communistische partij is essentieel voor het voortbestaan van de Italiaanse regering. Namens die partij wordt gezegd: als wij eenmaal in de muntunie zitten, dan gaan wij over dit en dat onderhandelen. Door zeer verantwoordelijke politici als Giorgio La Malfa wordt dit erkend. In Frankrijk wijst de teneur van het sociaal-economische beleid niet in de richting die Nederland heeft gekozen. Wie dat in beschouwing neemt, kan alleen maar de grootst mogelijke zorgen hebben. De heer Wallage spreekt over wat een verantwoordelijk politicus zou moeten doen. Ik zou niet voldoen aan mijn taak als ik deze zorgen niet ter bestemder plekke, hier, tegenover het kabinet zou uiten.

De heer Wallage (PvdA):

Er zit een enorme spanning tussen het begin van het betoog van de heer Bolkestein, waarin hij de balans opmaakte van de betekenis van de gezamenlijke munt en waarin hij tot de conclusie kwam dat wij er meer mee te winnen dan te verliezen hebben, en het slot van zijn betoog, waarin hij zich tot tolk maakt van zorgen die er leven en die ik overigens begrijp en deel. Er is geen misverstand over dat heel veel mensen het nog moeten zien. Maar wij hebben hier wel de taak te beoordelen of al het huiswerk van de lidstaten bij elkaar opgeteld in voldoende mate de start van die gezamenlijke munt rechtvaardigt. Aan het begin van uw betoog leek u te zeggen dat Nederland er groot belang bij heeft dat die munt er komt. Maar aan het eind van uw betoog praat u alleen nog maar over zorgen. Ik vraag u om een heldere politieke conclusie: doen of niet doen.

De heer Bolkestein (VVD):

Voorzitter! Wij hebben voor het Verdrag van Maastricht gestemd, evenals de fractie van de heer Wallage. Wij hebben dat gedaan om de evidente voordelen die een gemeenschappelijke munt met zich meebrengt. Ik heb die voordelen aan het begin van mijn betoog uiteengezet. Ik herhaal nu dat die voordelen zeer reëel zijn, zeker voor een handelsland als Nederland, dat totaal verweven is met de rest van het continent, in het bijzonder met Duitsland. Maar dan moet het Stabiliteitspact wel worden uitgevoerd. Dat is een vraag die de toekomst betreft. Zoals de minister van Financiën heeft gezegd: afgezien van de clausule betreffende Italië kunnen wij instemmen met de toetreding van al die landen, op voorwaarde dat de belofte voor toekomstig gedrag wordt nagekomen.

De heer Wallage (PvdA):

Uw standpunt is dus: het is van groot belang dat wij het doen, maar het is niet zonder risico's. Wij moeten ons er permanent voor inzetten dat die risico's zo klein mogelijk worden. Maar burger met zorgen: ook de VVD vindt dat wij het wel moeten doen.

De heer Bolkestein (VVD):

Zeker. Het is nu een tijd voor kiezen of delen. Wij kiezen voor het standpunt van het kabinet, niet in het minst omdat het alternatief niet bestaat.

De vergadering wordt van 11.45 uur tot 11.55 uur geschorst.

Minister Zalm:

Mijnheer de voorzitter! Ik dank de Kamer voor haar inbreng. Na de eerste vier sprekers dacht ik dat het helemaal misging, want zij waren allemaal negatief. Daarna knapte het gelukkig op. De vier grootste partijen blijken in ieder geval ruime steun te geven aan het regeringsstandpunt. Er moet natuurlijk een zeer belangrijke beslissing worden genomen op 1, 2 en 3 mei a.s. Deze beslissing zal het aanzicht van Europa en ook van Nederland de komende tijd zeer sterk bepalen.

Alle sprekers zijn ingegaan op de toepassing van de criteria. Het misverstand mag niet ontstaan dat de criteria niet correct worden toegepast. In het Verdrag van Maastricht was bewust enige flexibiliteit in de formuleringen van de criteria aangebracht. Er zijn allerlei gradaties aan te brengen. Men kan spreken van strikt, strikter en strikst en van flexibel, flexibeler en flexibelst. Wij kunnen er echter van uitgaan dat deze criteria op correcte wijze worden toegepast.

Voorzitter! Niet alleen de realisaties over het jaar 1997 moeten in de beschouwing worden betrokken. De bekende uitspraak "3 is 3" levert geen enkel probleem op. Alle landen hebben inmiddels het tekort teruggebracht tot 3% of zelfs lager. Juist met het oog op de duurzaamheid moeten wij ons een oordeel vormen over de vraag of het cijfer over 1997 ook in de jaren erna zal gelden respectievelijk dat er verbeteringen zullen optreden. Naast de cijfermatige exercities moeten ook andere factoren in aanmerking worden genomen, met inbegrip van de economische en budgettaire vooruitzichten van de lidstaten op middellange termijn.

De vraag naar het vertrouwen is pregnant naar voren gebracht door de heer Van Middelkoop. Waarop moeten wij ons vertrouwen baseren en voor welke punten moet het meest gevreesd worden? Is deze euro wel zo hard als onze gulden? In feite wordt er naar de inflatie gevraagd. Er wordt een aantal garanties ingebouwd. Er is een onafhankelijke centrale bank. Er is een Stabiliteitspact dat ook na de toetreding tot de EMU landen bindt aan budgettaire discipline. Minstens zo belangrijk zijn echter ook de feitelijke ontwikkelingen in de elf lidstaten die in aanmerking komen om mee te doen. Er is overigens nog één lidstaat ten aanzien waarvan een kanttekening moet worden gemaakt. De inflatie in alle lidstaten is beneden de 2%. Italië heeft eenzelfde prestatie weten te realiseren als Nederland en dat is ongekend. Er zijn lidstaten met een dubieuzere reputatie dan Nederland die zelfs een lagere inflatie hebben gerealiseerd. Alle betrokken landen kennen een inflatie die schommelt tussen 1,1% tot 1,8%. Nederland bevindt zich met 1,8% aan de bovenkant van de range. Voorzitter! Dit schept een goede basis voor vertrouwen. Op dit punt is de convergentie veel scherper voortgeschreden dan men enkele jaren geleden ooit had kunnen denken.

De budgettaire situatie is uiteraard zorgelijker. Italië heeft in 1997 het tekort teruggebracht tot 2,7%. Dit is onder andere bereikt door eenmalige maatregelen. Het is daarom van belang dat we, hoewel Italië voldoet aan het criterium 3% is 3%, de duurzaamheid van de Italiaanse begrotingsontwikkeling verzekerd achten. Het is belangrijk dat de Italiaanse regering met een aanvullend programma komt. De regering heeft de doelstelling al geformuleerd: een begrotingstekort van ten hoogste 1% in 2001 en een aanvullend privatiseringsprogramma waardoor die schuldquote in een fors tempo naar beneden zou kunnen, zodat men in 2003 in ieder geval uit de dubbele cijfers zal geraken.

Voorzitter! Over de Italiaanse begrotingsprestaties is ook nog wel het een en ander op te merken in positieve zin. Dat is misschien wat onderbelicht gebleven. Het Italiaanse begrotingstekort was in 1991 nog boven de 10%. Inmiddels is het onder de 3% met de kanttekening die ik net maakte ten aanzien van eenmalige maatregelen. Er is ook nog een andere kanttekening te maken, namelijk dat de jaren 1996 en 1997, de laatste twee jaren die een rol spelen bij de realisatie, conjunctureel bepaald niet gunstig waren voor Italië. Wij hebben een soort permanente hoogconjunctuur achter de rug in de afgelopen jaren, maar dat was in Italië bepaald niet het geval. Daar had men in 1996 een groeivoet van nog geen 0,75% en in 1997 van 1,4%. De Europese Commissie becijferde dan ook dat het Italiaanse tekort voor zo'n 0,7% BBP opwaarts is beïnvloed door de ongunstige conjuncturele omstandigheden. Dit is dus een andere kanttekening bij het tekortcijfer van Italië.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Voorzitter! De Nederlandse regering heeft een kanttekening gemaakt bij de toetreding van Italië tot de EMU. Beschikt de Nederlandse regering over informatie dat er voor 1, 2 en 3 mei parlementaire goedkeuring kan of zal plaatsvinden van het aanvullende pakket dat de Italiaanse regering zal presenteren?

Minister Zalm:

Het voornemen is dat de Italiaanse regering op 17 april het complete programma bij het parlement zal deponeren. Dan wordt het besproken in allerlei commissies van het Italiaanse parlement, omdat het nogal concreet is op allerlei deelterreinen van budgettair beleid. De finale goedkeuring van het driejarenprogramma zal vervolgens medio mei plaatsvinden. Niettemin gaan wij ervan uit dat er voor die tijd, dus voor de beslissing die in Brussel op 1, 2 en 3 mei moet worden genomen, een duidelijk signaal komt dat dit programma van de Italiaanse regering op voldoende politieke steun kan rekenen. Dat is vereist. Je kunt aan de ene kant vragen wat voor bemoeizucht van de Nederlandse regering dat is ten aanzien van interne Italiaanse zaken. De EMU maakt echter van de Italiaanse zaken ook Nederlandse zaken. In die zin is het budgettaire beleid van andere lidstaten ook een interne Nederlandse aangelegenheid. Als je met elkaar een onverbrekelijk verbond aangaat om die monetaire unie te vormen, mag je ook vragen om garanties dat die budgettaire voornemens niet alleen mooi op papier gezet worden door de regering, maar dat zij ook daadwerkelijk worden doorgevoerd respectievelijk er voldoende politieke steun voor blijkt.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Dat betekent dus geen parlementaire goedkeuring voor de plannen van de Italiaanse regering voor het weekend van 1, 2 en 3 mei, maar politieke signalen dat het wel goed zit? Over rekbaarheid gesproken!

Minister Zalm:

We hebben de formulering gebruikt dat voldoende politieke steun moet blijken.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

En wat zijn daarvoor in dit geval voor u dan de criteria?

Minister Zalm:

Dat laten wij primair aan Italië, maar ik vind wel dat wij het recht hebben om te beoordelen of voldoende politieke steun gebleken is. De manier waarop die voldoende politieke steun blijkt, is wat mij betreft een Italiaanse zaak. De collega van de heer Kok, de heer Prodi en mijn collega de heer Ciampi moeten op hun wijze zien te regelen dat die voldoende politieke steun blijkt. Daar laat ik ze vrij in. Ik vind dat ook correct, maar we moeten dat wel weten.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Voorzitter! Dit is wel een zeer verwaterde definiëring van voldoende politieke steun. Misschien is dat maar goed ook. Stel dat de kanttekening die Nederland maakt bij toetreding van Italië niet door de Italiaanse regering of door de parlementariërs die dat signaal moeten afgeven – dat naar nu blijkt materieel niets omvat – wordt waargemaakt, zegt de Nederlandse regering dan met de heer Bolkestein dat Nederland tegen de toetreding van Italië zal stemmen? Mag die kanttekening zo worden geïnterpreteerd?

Minister Zalm:

Als er geen voldoende politieke steun blijkt voor het Italiaanse regeringsprogramma, voldoet Italië niet aan de criteria die zijn voorgeschreven in het Verdrag van Maastricht. De duurzaamheid van de begrotingssanering van Italië is dan onvoldoende gegarandeerd.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Dan stemt Nederland dus tegen?

Minister Zalm:

Dan kunnen wij Italië niet per 1 januari 1999 toelaten tot de EMU. Dat is glashelder.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Dan is er dus het zeer mistige criterium geïntroduceerd van voldoende politieke steun. Er is dus geen stemming in het parlement of wat dan ook. Een en ander is ter beoordeling aan de minister-president van Italië, om vervolgens de vraag te kunnen beoordelen of Nederland instemt met Italië als toekomstig land in de EMU. Dat staat dan nog los van de vraag wat er in Italië gebeurt als het land buiten de EMU blijft. Wij kiezen in ieder geval voor een bredere in plaats van een smallere EMU.

Minister Zalm:

Of er voldoende politieke steun is, is ter beoordeling van de Nederlandse regering. De vormgeving is aan de Italiaanse regering. De beoordeling van de vraag of wij politieke steun aanwezig achten, is aan de Nederlandse regering.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Zo'n debat op 3 mei komt nu wel met rasse schreden dichterbij!

De heer De Graaf (D66):

De minister van Financiën zegt dat de vormgeving geheel wordt overgelaten aan de Italiaanse regering. Als er een telefoontje komt van minister-president Prodi aan de heer Kok dat het wel snor zit, kan de Nederlandse regering daarmee dan volstaan? Zo niet, wat is naar de waarneming van de minister een duidelijk politiek signaal?

Minister Zalm:

Telefoontjes van de heer Prodi dat het wel snor zit, heb ik natuurlijk al voldoende gehad. Ik heb die ook van mijn collega Ciampi voldoende gehad. Het gaat erom dat wij zodanige signalen uit het parlement krijgen dat wij erop kunnen rekenen dat het programma van de Italiaanse regering voldoende politieke steun heeft om geïmplementeerd te worden.

De heer De Graaf (D66):

Dit wordt een vicieuze cirkel. Mijn vraag is wanneer u vindt dat een dergelijk signaal voldoende is afgegeven. Leest u dat uit de kranten? Komt er een kabinetsstandpunt? Moeten wij dat van de ambassade in Rome horen? Hoe moet ik mij dat voorstellen? ZalmU hebt zich daar toch wel een idee over gevormd?

Minister Zalm:

Je kunt daar allerlei ideeën over hebben. De ultieme toets is dat wij zodanige signalen krijgen uit het Italiaanse parlement dat wij erop kunnen vertrouwen dat het programma, dat is opgesteld namens de Italiaanse regering, ook door het parlement gesteund zal worden.

De heer De Graaf (D66):

Voorzitter! De minister praat er toch enigszins omheen. Dit punt is niet onbelangrijk voor ons, want als hij tot de conclusie komt dat dit signaal niet is afgegeven, wijzigt zijn standpunt en vervalt de voorwaarde. Het parlement heeft dan de vraag te beantwoorden of dit standpunt onderschreven kan worden. Er geldt namelijk een instemmingsvereiste. Ik wil dan ook concreet weten op welk moment en in welke vorm het signaal afgegeven moet worden. Als dit in het duister blijft, geldt dat ook volgende week voor ons en is de vraag aan de orde of er nog iets van het parlement wordt gevraagd.

Minister Zalm:

Een signaal is bijvoorbeeld dat de fractievoorzitters van een meerderheid van het parlement kunnen instemmen met de voornemens van de Italiaanse regering ten aanzien van tekort en schuld.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Heeft de school-Zalm navolgers gekregen? Is Nederland het enige land – ik begreep dat enigszins uit het betoog van de heer Bolkestein – dat over deze aanvullende voorwaarde praat of zijn er meer landen – dat helpt wellicht bij de politieke beoordeling – die zich op dit moment in dezelfde fase bevinden? Ik stel deze vraag omdat ook Italië aan de Commissie zal moeten rapporten over hetgeen het denkt te doen om duurzaamheid op lange termijn te bereiken.

Minister Zalm:

Voorzitter! Ik denk dat er veel support is voor een benadering waarin er een aangesterkt Italiaans programma komt dat politieke steun verdient. Niet iedereen formuleert dat als voorwaarde. In die zin is de Nederlandse positie afwijkend. Nederland profileert zich wat meer dan de andere landen. Wij hebben uitdrukkelijk de indien-formule in het regeringsstandpunt staan. Wij wensen dat dus echt met zekerheid te weten. Ik vermoed – en dat is dan weer het andere extreme – dat als bijvoorbeeld het Italiaanse parlement de voornemens van de regering zou afschieten, dan ook in andere landen de vraag gesteld gaat worden of Italië wel op die basis zou kunnen toetreden, omdat er dan vraagtekens gezet kunnen worden bij de duurzaamheid. Maar er is natuurlijk ook een positie denkbaar dat je helemaal niets hoort. En dat is het middengebied. Niets horen is voor de Nederlandse regering dus onvoldoende. Wij moeten een duidelijk signaal hebben dat er voldoende politieke steun is voor deze regeringsvoornemens.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Als ik het goed begrijp, dan geldt dat laatste dus in afgeleide vorm ook voor andere landen. Indien in het onverhoopte geval het Prodipakket zou worden afgeschoten en Nederland zou daaraan de eventuele consequentie willen verbinden van een tegenstem op de top, dan zou Nederland zich dus op die gronden in het gezelschap van andere landen kunnen bevinden.

Minister Zalm:

Dat vermoed ik wel. Maar er is een verschil tussen het afschieten van een plan of het steun verwerven voor een plan. Er zit ook nog iets tussenin, namelijk dat je helemaal niet weet hoe het met het plan gaat.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Ik zeg met collega De Graaf dat dit laatste mij een situatie lijkt waarin er ook voor ons als controlerend parlement te veel mist zou bestaan. Het ging mij echter even om de positie van andere landen.

Minister Zalm:

In het oordeel van de Commissie staat dat zij kennisneemt van de voornemens van de Italiaanse regering. Die worden in het positieve oordeel over Italië betrokken en maken daar dus onderdeel van uit. Daarin wordt geen conditie genoemd ten aanzien van de parlementaire steun of de politieke steun van de achterban.

De heer Wallage (PvdA):

Voorzitter! Ik wil een woord van de minister van Financiën eruit lichten. Dat is het woord "bijvoorbeeld". De minister zei: ik heb bijvoorbeeld van de fractievoorzitters uit dat parlement een indicatie nodig. Ik mag inderdaad hopen dat dit een voorbeeld is. De minister is in gesprek met zijn Italiaanse collega's en wil meer zekerheid hebben dat dit pakket ook werkelijk uitgevoerd wordt. Dat geldt trouwens ook voor ons. Uiteraard moet je dan die politieke steun verkennen. Dat staat derhalve ook in het standpunt van de Nederlandse regering. De manier waarop de minister dat doet, lijkt mij toch in de eerste plaats een zaak tussen hem en zijn collega's. Ik zou ook niet toe willen naar een situatie waarin, bij een beoordeling door ons in de richting van de minister en een beoordeling door de minister in de richting van zijn collega's, de vorm waarin de minister de meerjarigheid toetst, een onderdeel van de besluitvorming zou zijn. Dat zou mij echt te ver gaan, nog los van het feit dat ik dan misschien al die Italiaanse collega's hier op bezoek krijg in reactie op de bezoeken van collega Bolkestein. Dat woordje "bijvoorbeeld" is dus echt een voorbeeld.

Minister Zalm:

Dat ben ik helemaal met de heer Wallage eens. Ik heb tot drie keer toe geprobeerd om geen voorbeeld te noemen. Maar de heer De Graaf wil per se een voorbeeld horen en dan kan hij een voorbeeld krijgen. Het is echter niet meer dan een voorbeeld. Waar het ons om gaat, en dat is ook de verantwoording van de Nederlandse regering, is dat wij hier aan het parlement moeten kunnen uitleggen op grond waarvan wij tot de conclusie zijn gekomen dat er voldoende politieke steun is. Dat is de verantwoordingsplicht die wij hebben. Over de vormgeving heb ik van meet af aan gezegd, ook in een interview in La Republica, dat ik daar niet in ga treden. Het is al heel wat dat wij niet alleen een regeringsvoornemen maar ook nog voldoende politieke steun willen. Het gaat wel erg ver om vanuit Nederland uitspraken over de vormgeving te doen, zo in de trant van: wij willen dat die steun precies in die en die vorm blijkt. Het is niettemin de verantwoordelijkheid van de Nederlandse regering om zich ervan te vergewissen dat er voldoende politieke steun is, zodat wij erop kunnen vertrouwen dat die voortgezette begrotingssanering daadwerkelijk gerealiseerd wordt.

Voorzitter! Dit was het meest pregnante punt in het debat en in het regeringsstandpunt. Wij hebben onderling in de ministerraad vrij langdurig gesproken over juist deze passage en deze formulering. Ik kan nu rustig een aantal vragen langslopen.

De heer Rosenmöller zegt dat er nog te weinig groei is op het punt van de werkgelegenheid en het milieu. De EMU draagt daar inderdaad niet rechtstreeks aan bij. Dat is natuurlijk zo. Je kunt niet met één instrument alle doeleinden bewerkstelligen. Het is wel zo dat één markt en één munt betere voorwaarden creëren voor de groei van de werkgelegenheid en het milieu. De activiteiten op het punt van de werkgelegenheid zijn sinds Amsterdam geïntensiveerd. Naast het pact voor stabiliteit en groei is er nu ook het pact voor groei en werkgelegenheid. Wij hebben de top in Luxemburg gehad.

Ik geef toe dat het op het gebied van het belastingbeleid moeizaam is binnen Europa. De Europese ecotaks is er niet en mijn taxatie is dat die er ook moeilijk zal komen. Met enige regelmaat hebben wij de energieheffingen op de agenda gezet, maar er is bij een aantal landen grote weerstand om die daadwerkelijk te realiseren.

Dan kom ik bij de kwestie van de risico's. De vraag is of de centrale bank fors de rente gaat verhogen om de inflatie te bestrijden. Dat verwacht ik niet, want de inflatie is laag. Het is dus nu een kwestie van de inflatie in de hand houden. Er is geen enkel signaal dat wij met drastische renteverhogingen te maken zullen krijgen, integendeel. Ik kijk even naar de situatie in Europa en Nederland. De kapitaalmarktrente is in 25 jaar niet zo laag geweest. Dat zegt twee dingen: a. dat de rente historisch zeer laag is en b. dat de financiële markten – het gaat over tienjaarsrente, wat de eurorente straks zal zijn – er blijkbaar ook vertrouwen in hebben dat de inflatie op langere termijn laag blijft. Anders zou geen enkele belegger een 30-jarige lening opnemen tegen een rentepercentage tussen de 5 en de 5,5. Ook op dertigjaarstermijn is de rente extreem laag. Het geeft in ieder geval weer dat de financiële markten voldoende vertrouwen hebben in lage inflatie in de toekomst, ook als de euro er komt. Nu kunnen financiële markten het wel mis hebben. Wij moeten vanuit de politiek de ontwikkelingen natuurlijk ook scherp bewaken, voorzover het om de begrotingen gaat en de Europese centrale bank voorzover het om de inflatie gaat.

De doelstelling van de Europese Centrale Bank is overigens heel simpel in vergelijking met doelstellingen die in vroegere bankwetten van andere landen beschreven waren. Er is namelijk maar één doelstelling en dat is prijsstabiliteit. In veel bankwetgeving werden nog andere zaken genoemd waarmee in het monetaire beleid rekening moest worden gehouden, zoals werkgelegenheid en groei. Vaak stonden er allerlei toeters en bellen in. Dit is een glasheldere, eenvoudige doelstelling. Het monetaire beleid is er om de waarde van de euro te stabiliseren.

Dan is er gevraagd of er bij tegenspoed extra bezuinigingen nodig zijn. Dat hangt ervan af hoe behoedzaam je het budgettaire beleid opzet en hoe snel je tegen de 3%-grens aanloopt. Als je een behoedzaam uitgangspunt hebt en er ook in je planning een behoorlijk stuk onder zit, dan is het risico dat je door economische tegenwind tot grote bezuinigingen over moet gaan minder groot dan in de afgelopen twintig jaar het geval was. In de afgelopen twintig jaar hebben wij er wel bij iedere tegenspoed bezuinigingsoperaties op los moeten laten. Dit systeem van het Stabiliteitspact met een zekere bandbreedte ten opzichte van het maximum is een garantie voor een veel stabieler begrotingsbeleid. Je zou kunnen zeggen dat het trekjes heeft van het trendmatige begrotingsbeleid dat wij in Nederland kennen.

Asymmetrische schokken kunnen zich voordoen. Daar is veel over geschreven in de literatuur. Ook hiervoor is de bandbreedte tussen het plafond en de doelstelling voor de middellange termijn een belangrijke buffer. Ik zie er niets in om allerlei nieuwe financiële overdrachtsmechanismen te creëren. Het thema van solidariteit, rechtvaardigheid en de EU-uitgaven inspireert de Nederlandse regering juist om te pleiten voor een andere Nederlandse bijdrage voor de financiering van de EU. Het kan namelijk niet zo zijn dat gelijke schouders verschillende lasten dragen. Op dit moment betaalt Nederland extreem veel in vergelijking met andere EU-lidstaten met eenzelfde welvaartsniveau. Het past, denk ik, helemaal in die lijn van denken dat wij dit als een belangrijk punt naar voren brengen. Dat betekent dat wij ons zeer gesteund achten door de opmerkingen om op de weg voort te gaan van een wijziging van de Nederlandse financiële bijdrage aan de Europese Unie.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Voorzitter! Ik krijg de indruk dat de minister van Financiën mijn bijdrage in eerste termijn op dat punt niet helemaal goed begrepen heeft. Maar laat ik hem een vraag stellen, want dat is de functie die ik hier mag vervullen. Denkt hij niet dat dit minder binnen bereik komt als die ene munt er is dan wanneer je het andersom zou doen en dat zich dat ook slecht verhoudt tot een situatie waarin Nederland eenzijdig de EU-afdracht ter discussie zou willen stellen? Wij hebben namelijk nog een geweldige opgave te maken in Europa.

Minister Zalm:

Ik meen dat dit er niets mee te maken heeft, voorzitter. Ik denk dat juist een Europese Unie waarin de financiering op een meer gerechtvaardigde wijze geregeld is, meer kansen heeft om voortgang te boeken dan een Europese Unie waarin de financiering evident scheef geregeld is en waarin niet de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Het mislukken van de EMU zou natuurlijk een zeer negatieve uitwerking hebben op pogingen om voortgang te maken op bijvoorbeeld het gebied van belastingheffing. Dat wil niet zeggen dat als de EMU er eenmaal is, bepaalde noodzakelijke afspraken op bijvoorbeeld het gebied van een energieheffing plotseling gemakkelijk tot stand zullen komen, maar omgekeerd geldt bepaald niet dat uitstel of afstel van de EMU plotseling een groen Europa binnen bereik zou brengen. Het tegendeel is het geval. Als wij ooit iets groens in Europa willen realiseren, zullen wij eerst de EMU moeten hebben, want het mislukken van de EMU zou het bewijs zijn dat wij op geen enkel punt meer voortgang boeken, zelfs als wij daar verdragen over zouden hebben gesloten.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Ten tijde van het Verdrag van Maastricht werd vaak gezegd dat de EMU het sluitstuk van de interne markt was. Inmiddels zijn wij een stuk verder. Wij hebben onder andere de uitspraak van de minister-president, dat de EMU ook het fundament legt voor verdergaande politieke beleidsintegratie. De minister van Financiën weet dat daarover in de Kamer verschillend wordt gedacht. Mag ik zijn oordeel hierover vernemen?

Minister Zalm:

Over de uitspraak inzake het sluitstuk van de interne markt is er geen verschil van mening, denk ik. Het is de kroon op het werk: eerst de opheffing van de invoerrechten, daarna het wegvallen van de fysieke binnengrenzen voor transport en ten slotte de ene munt. Dat is een prachtig pakket en ook vanuit economische overwegingen is het zeer te prefereren. De grote stabiliteitszone in Europa door één munt is economisch zonder meer goed. Over de politieke dimensies van verdere integratie wordt in de Kamer inderdaad verschillend gedacht. Op een aantal punten is er wel overeenstemming dat wij verdere voortgang moeten boeken, zoals bijvoorbeeld op het gebied van grensoverschrijdende problemen in de sfeer van criminaliteit, een gezamenlijke aanpak van het asielvraagstuk en milieuproblemen die de grenzen overschrijden. Voor het overige lopen de aspiraties naar mijn indruk nogal uiteen.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Misschien mag ik de vraag dan wetenschappelijk stellen, voorzitter. Ook de minister zal weten dat deze EMU-stap vaak neofunctionalistisch wordt aangeduid als een vliegwielfunctie voor verdergaande politieke integratie. Ik heb het dan niet zozeer over het verderreikende politieke ideaal van een Europese federatie, maar over heel vitale beslissingen op het punt van de sociale politiek, het werkgelegenheidsbeleid en het fiscaal beleid. Naar mijn waarneming zit er een logica in deze EMU-stap, waar volgende stappen bijna noodzakelijkerwijs uit zullen moeten voortvloeien. Ik meen dat wij daar in dit debat duidelijk over moeten zijn en deze beslissing niet geïsoleerd kunnen en mogen zien.

Minister Zalm:

Ik zie het persoonlijk niet als een stap op weg naar een Europese regering of wat daar ook voor moge doorgaan. Er is echter nog wel een aantal kwesties waarbij het verstandig en ook noodzakelijk is om te proberen die op Europese schaal te regelen. Voor de Nederlandse regering staat daarbij steeds het subsidiariteitsprincipe voorop, dat wil zeggen dat een Europese regeling een meerwaarde moet hebben. Op bijvoorbeeld het vlak van het energiebeleid en de wijze waarop belasting op energie wordt geheven, geldt dat toch vrijwel alle fracties in deze Kamer vinden dat wij op dat pad verdere stappen zouden moeten zetten. Hetzelfde geldt, zo begrijp ik, voor zaken als grensoverschrijdende criminaliteit of een gemeenschappelijke aanpak van het asiel- en vluchtelingenvraagstuk. Dat zijn dus betrekkelijk onbetwiste zaken. Daarnaast zijn er verdergaande fantasieën die uiteenlopen. Ik denk dat wij daar in de verkiezingscampagne nog wel eens een leuke boom over kunnen opzetten. Als lid van de regering kan ik niet verdergaan dan de uitgangspunten van de regering uiteenzetten. De verdeeldheid die er binnen de Kamer is, kan ik door mijn optreden niet wegnemen, zo vrees ik.

De heer Marijnissen meldt dat zijn enquête uitgevoerd door het Nipo een meerderheid van anti-euro-Nederlanders laat zien. Inmiddels is er een enquête die door RTL is gepubliceerd die geruststellender is: 53% van de Nederlanders is pro-euro en 32% tegen. Het is nu zaak om die 32% ervan te overtuigen dat dit een goed project is dat met vertrouwen tegemoet kan worden gezien.

De heer Marijnissen (SP):

Wij zullen maar niet te lang stilstaan bij de enquêtes. Ik weet dat die van het Nipo erg betrouwbaar is. Die van RTL heb ik niet gezien.

Ik heb een vraag gesteld over het bestuur van de Europese Centrale Bank en de claim van de grote landen om daarin een vaste zetel te hebben. Ik heb een vraag gesteld over de suggestie van de minister over het roulatiesysteem en hoe hard hij zich hiervoor wil maken.

Minister Zalm:

Wij hebben twee kwesties. Wij hebben de directie van de bank, waarin zes managing directors terechtkomen, met een president. Verder hebben wij de board. Het aardige van de board is dat daarin alle vijftien presidenten van de bank zitting hebben. Ieder land heeft één stem. In de board zit een oververtegenwoordiging van de kleine landen. De stem van Luxemburg weegt net zo zwaar als die van Duitsland. Bij de directie is geprobeerd een soort van rotatieschema af te spreken in het kader van de verhouding kleine landen en grote landen. Dat is op niks uitgelopen. Wij komen nu terecht in de sfeer van de ad-hocbenoeming, als het om de eerste directie gaat.

De heer Marijnissen (SP):

Betekent dit dat wij met betrekking tot die benoemingen iedere keer dezelfde toestand krijgen als die rond Duisenberg?

Minister Zalm:

Zo eens in de vier jaar krijg je een toestand. Het geldt voor bijna alle benoemingen.

De heer Marijnissen (SP):

Worden de leden van de directie door de board aangewezen?

Minister Zalm:

Nee, die worden benoemd door de Europese Raad.

De heer Marijnissen (SP):

Ik heb uit krantenberichten begrepen dat de minister zich in York sterk heeft gemaakt voor het roulatiesysteem. Kan hij dit bevestigen en, zo ja, hoe heeft hij dat gedaan? Kan hij uitleggen waarom het er toch niet van gekomen is?

Minister Zalm:

Ik heb mij in York vooral sterk gemaakt tegen een vaste stoel voor de grote landen. Dat wil niet zeggen dat je geen soort verdeelschema moet hebben tussen kleine en grote landen qua rotatie en stoelen. Er is gesproken over een verhouding van 3 op 3: drie grote landen, drie middelgrote en kleine landen. Daarmee zouden de kleine landen zwaar oververtegenwoordigd zijn in verhouding tot de bevolkingsaantallen. De verhouding 4 op 2 spoort beter met het economisch gewicht van de grote landen, maar geeft erg weinig plaats aan de kleintjes. Wij hebben in Europa een zekere traditie om de kleinere lidstaten een zekere oververtegenwoordiging te geven. Dat geldt voor het Europees Parlement en voor het stemmengewicht in de Raad. Wij zijn daar niet uitgekomen. In de Ecofin-raad is geen overeenstemming bereikt over een verdeling en een rotatieschema tussen groot en klein. Dat hoeft ook niet per se. Het is wel van belang dat wij uitspreken dat wij geen vaste plek voor grote landen wensen in de board. Daar is meer steun voor te verkrijgen. Er moet natuurlijk wel een board worden benoemd.

De heer Marijnissen (SP):

U zegt board, maar u bedoelt de directie?

Minister Zalm:

Inderdaad.

De heer Marijnissen (SP):

Wat is dan de positie van Nederland geweest bij de besprekingen in de Ecofin-raad over de samenstelling van de directie?

Minister Zalm:

Ik zou de verhouding 3 op 3 willen: drie stoelen voor grote landen en drie voor kleinere landen. Dat zou een zekere oververtegenwoordiging van de kleine landen geven, maar dat past in een goede Europese traditie. Primair is mijn positie geweest: geen vaste stoelen voor individuele landen.

De heer Marijnissen (SP):

Dat is bereikt?

Minister Zalm:

Iedereen behoudt zich zijn positie voor. Wij hebben geen vaste afspraken over de vraag hoe in de komende 50 jaar met de benoemingen van de directie wordt omgegaan. Er moet een directie worden benoemd. Na vier jaar treedt er dan iemand af en moet weer een ander directielid worden benoemd.

De heer Marijnissen (SP):

Het gaat mij er natuurlijk om of de Frans-Duitse as beslag weet te leggen op wat daar gebeurt. Met andere woorden, worden Frankrijk en Duitsland vaste leden, zodat zij ook binnen de directie van de Europese Centrale Bank de dienst kunnen uitmaken? Zullen de beslissingen die daar genomen worden, ook weer vooral beslissingen van de grote landen zijn? Ziet de minister met mij dat gevaar? Zo ja, wat is hij dan van plan daaraan te doen?

Minister Zalm:

Het gevaar dat grote landen grote macht willen hebben, bestaat natuurlijk altijd. Dat is een klassiek probleem, binnen de Europese Unie en trouwens ook binnen andere organisaties. De Amerikanen hebben door hun positie binnen het IMF daar ook nogal eens veel in de melk te brokken. Dat geldt natuurlijk op meer terreinen. Als Duitsland en Frankrijk nu in de directie komen, is er zeker geen garantie dat zij permanent een stoel hebben. Het is evident dat de andere lidstaten zo'n garantie niet geven. Als zij een lid daar hebben, zullen zij als dat lid moet worden opgevolgd, er gelet op hun gewicht binnen de Europese economie waarschijnlijk naar streven weer een andere man op dezelfde stoel te krijgen. Die discussie wordt voor het eerst over vier jaar gehouden, daarna over acht jaar enz.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Voor mijn goede begrip stel ik nog een vraag over de president van de directie. In artikel 50 van het statuut van de Europese Centrale Bank staat nu dat de president van de directie voor acht jaar wordt benoemd. Mag ik ervan uitgaan dat in het eerste weekend van mei aan deze verdragsrechtelijke verplichting niet tekort wordt gedaan?

Minister Zalm:

Uiteraard, verdrag is verdrag. Het zou niet kunnen.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Hebben ook de andere landen, zoals Frankrijk, dat met andere gedachten heeft gespeeld, dat de afgelopen maanden geweten?

Minister Zalm:

In het verdrag staat dat de president voor acht jaar wordt benoemd. Dan wordt de president dus voor acht jaar benoemd.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Is de Nederlandse regering bereid op dit punt onverkort aan het verdrag vast te houden als er in het eerste weekend van mei wellicht compromissen over de andere leden van de directie en de president moeten worden gesloten, wie er dan ook wordt genomineerd?

Minister Zalm:

Er kan alleen maar een president worden benoemd voor acht jaar.

De heer Wallage vroeg of wij straks voldoende instrumenten hebben om wangedrag te voorkomen. Ik meen dat dit vrijwel zijn letterlijke uitdrukking was. Om te beginnen hebben wij natuurlijk het Stabiliteitspact, dat eigenlijk twee elementen heeft, namelijk de oriëntatie op "close to balance or in surplus" voor de middellange termijn. In het Nederlands vertaald betekent dit dat het tekort vrijwel in evenwicht is of dat er een overschot is. Daarnaast hebben wij de sanctieprocedure, met de begrenzing van het 3% financieringstekort. Ik meen dat iemand anders al zei dat beoogd wordt de sanctie als het even kan niet toe te passen. Het Stabiliteitspact moet een preventieve werking hebben. Voorafgaand daaraan hebben wij de zogenaamde multilaterale surveillance. Zowel de Commissie als de Ecofin-raad volgt de budgettaire ontwikkeling in de lidstaten op de voet. De lidstaten moeten stabiliteitsprogramma's indienen, die ook worden besproken. Wij zullen de implementatie volgen. De Ecofin-raad kan dan ook een officiële en openbare aanbeveling geven. Nog even los van de meer informele stijl waarin wij graag werken, is dat een mogelijkheid. Je zou kunnen zeggen dat een land de gele kaart, een waarschuwing krijgt als het de verkeerde kant op dreigt te gaan. Daarnaast is er de rode kaart. Als men ondanks de geboden mogelijkheid tot correctie persisteert in het handhaven van een tekort boven 3%, is er de sanctieprocedure, die begint met het financieel blokkeren van een bedrag en gaat tot het vervallen van dat bedrag.

De heer Wallage (PvdA):

Ik stelde de vraag ook omdat wij mee moeten beoordelen de opmerking die collega Bolkestein maakte, dat in de Italiaanse politiek sommigen zeggen: wij doen nu maar even braaf, maar als de EMU straks feitelijk van start gaat, kunnen wij weer doen wat wij willen. Ik vertaal het heel vrij, maar het was de strekking van het citaat door de heer Bolkestein. Het antwoord erop heeft kennelijk te maken met uw beoordeling van het instrumentarium. Het moet kennelijk zijn dat de mensen dat wel kunnen zeggen, maar dan toch aanlopen tegen een aantal afgesproken mechanismen, die hen die ruimte feitelijk zal ontnemen. Ik neem aan dat dit ook het oordeel van de Nederlandse regering is.

Minister Zalm:

Dat is juist. Het is natuurlijk wel duidelijk geworden dat de positie van de ministers van financiën in de diverse lidstaten, met name die met budgettaire situaties die niet deugden, enorm is versterkt dankzij de convergentiecriteria en dankzij de EMU. In Nederland heeft dat niet zo'n rol gespeeld. Ik heb mij bij geen enkel voorstel hoeven beroepen op de EMU: wij hebben op eigenstandige merites ons eigen begrotingsbeleid gevoerd en dat paste heel wel binnen de EMU-normen. Gelukkig heb ik de EMU nooit als steun in de rug hoeven hebben om in het kabinet tot een goed begrotingsbeleid te komen. Ook bij het regeerakkoord was dat niet de doorslaggevende factor. In andere landen is de enorme vordering die is gemaakt bij de begrotingssanering alleen maar te verklaren uit de EMU en de versterkte positie van de minister van financiën die daaruit voortvloeit. Om dit ook in de toekomst te continueren, moet het Stabiliteitspact een vergelijkbaar effect hebben.

Ik vermoed dat ook in de landen die nu eindelijk uit de situatie zijn gekomen van grote budgettaire problemen waarin zij jarenlang hebben verkeerd en die nu een budgettaire beheersbaarheid kennen, het brede politieke gevoel bestaat: "nooit meer terug naar het verleden". Er is geen enkel land dat met veel genoegen terugkijkt naar tekorten en schulden met een omvang die in het verleden wel voorkwam. Dus niet alleen in Nederland is de financiële soliditeit een breder gespreid en gesteund begrip dan vroeger, maar ook in andere landen. En de politici die zeggen "laten wij er weer eens een potje van maken", zie ik niet snel terugkomen, ook niet in zuidelijke lidstaten.

De heer De Hoop Scheffer vroeg zich af of het niet te gek is om een land een boete op te leggen als het budgettair door de bocht gaat. Bij dit soort dingen is dat altijd een paradox. Het IMF stopt ook met het geven van geld als een land financieel uit de bocht gaat. Het is een zeer geaccepteerde praktijk dat een land alleen maar financiële ondersteuning wordt gegeven als het de begroting op orde heeft gebracht. Als dat niet is gebeurd, krijgt het de financiële ondersteuning van het IMF niet. Een dergelijke analogie is te zien bij het Stabiliteitspact: landen krijgen een boete opgelegd omdat zij zich financieel ongedisciplineerd gedragen. Ook dit past bij het feit dat wij bij een gemeenschappelijke munt ook een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid hebben waar iedereen zich aan moet houden.

De heer De Hoop Scheffer heeft gewezen op mogelijke conflicten die bij het monetaire beleid kunnen ontstaan omdat sommige landen bijvoorbeeld in een economische vertraging zitten en andere landen juist in een economische hoogconjunctuur. Het ene land zou dan een lage rente willen en het andere juist een hoge. De Europese Centrale Bank zal de totale gemiddelde ontwikkeling in Europa moeten bezien. Mijn verwachting is overigens ook dat er, mede door de totstandkoming van de Economische en Monetaire Unie, minder uiteenlopende conjunctuurcycli dan in het verleden zullen zijn. Dit komt niet alleen doordat op monetair terrein sprake is van een uniform beleid; ook op budgettair terrein zijn de begrenzingen aan de tekortpolitiek tamelijk smal geworden. In het verleden konden conjunctuurcycli binnen Europa uiteenlopen doordat het tekort van het ene land omhoogging en dat van het andere omlaag, maar het ligt nu minder voor de hand dat daarvan nog sterke impulsen zullen uitgaan. Daarnaast zal het monetaire beleid in elk geval uniform zijn. Daarmee zal het verschijnsel van asynchrone ontwikkelingen tussen landen minder voorkomen dan in het verleden – er is nu al een vrij sterke gemeenschappelijke beweging binnen Europa te zien – en de verschillen zullen eerder kleiner worden dan groter.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Ook dan blijft de mogelijkheid bestaan dat een land kan kiezen voor korte of lange financiering van een staatsschuld. Dat element verdwijnt toch niet? De minister zegt wel dat er een dempende werking zal uitgaan van de EMU, maar blijft die keuze in theorie mogelijk?

Minister Zalm:

In theorie is het mogelijk dat de ene lidstaat zich in een hoogconjunctuur bevindt en de andere in een laagconjunctuur. Dan is er sprake van een "conflict of interests" en zal de algemene inflatieontwikkeling binnen de EMU doorslaggevend zijn. Dat is de doelstelling van de centrale bank. Andere boodschappen heeft die niet; de bank is er niet om de conjunctuur te stabiliseren, maar om de waarde van de euro te bewaken. Voorzover er enige verruimingsmogelijkheid zou zijn op grond van het feit dat de inflatie in Europa erg laag is, zal men iets meer relaxed kunnen zijn. Zodra de inflatie aantrekt, zal men echter, ongeacht het feit dat de conjunctuur in een ander land daalt, toch moeten aanscherpen.

Voorzitter! Met de kwestie rond het Stabiliteitspact en de verkiezingsprogramma's begeef ik mij op wat gevoelig terrein. Hierover zijn in deze vergaderzaal enkele opmerkingen gemaakt die naar mijn mening voor onderling gebruik zijn en niet zozeer bestemd zijn voor de regering. Zij schrijft immers geen verkiezingsprogramma's en legt daarover ook geen verantwoording af. De heer De Hoop Scheffer citeerde terzake het advies van De Nederlandsche Bank. Ik heb het gecheckt en hetgeen hij aandroeg staat inderdaad op bladzijde 32.

De heer De Hoop Scheffer steunde het naar voren halen van het Stabiliteitspact. Het lijkt ons ook een goede zaak dat wij al dit jaar starten met het indienen van stabiliteitsprogramma's. Ik kan het eens zijn met de kwalificatie die de heer De Hoop Scheffer gaf aan de diverse rapporten die zijn verschenen. Dat van de Europese Commissie was het meest relaxed, dat van het EMI wat kritischer maar daarin was de invloed van de diverse nationaliteiten enigszins zichtbaar, en bij het rapport van De Nederlandsche Bank gaat het om "ons eigen clubje", waar wij veel vertrouwen in hebben.

De heer Marijnissen (SP):

Mijnheer de voorzitter! De minister zei zojuist tegen de heer De Hoop Scheffer dat de regering en het CDA blijkbaar van mening zijn dat in mei, in het bewuste weekend, gesproken moet worden over het naar voren halen van de convergentieprogramma's en het Stabiliteitspact. Op pagina 13 staat echter dat lidstaten in het bijzonder concrete invulling dienen te geven aan het vereiste in het pact, dat op middellange termijn de overheidsbegroting vrijwel in evenwicht is, dan wel een overschot vertoont. Staat dit dan niet op gespannen voet met de verkiezingsprogramma's van de vier grote partijen? Wat betekent hierbij "middellange termijn"? Wat voor consequenties zal dit hebben voor de begroting van bijvoorbeeld volgend jaar?

Minister Zalm:

De begroting voor volgend jaar betreft in elk geval geen middellange termijn, want daarbij gaat het meestal om een periode van vier à vijf jaar. Ik geef toe dat "vrijwel in evenwicht" een wat diffuus begrip is, waarover verschillende partijen verschillende opvattingen te berde kunnen brengen. Het plannen op middellange termijn van een begrotingspositie is natuurlijk wel interessant, maar het is minstens zo interessant welke veronderstellingen voor de economische ontwikkeling daarbij worden gehanteerd. Ik heb liever de planning van een tekort van 1% bij 2% groei dan een planning van een sluitende begroting bij 3% groei. Het is heel belangrijk welke groeiveronderstellingen gehanteerd worden, want bij een hoge economische groei is het niet erg moeilijk om snel een overschot op de begroting te plannen – of die er ooit komt, is weer wat anders – terwijl het veel lastiger is om bij een betrekkelijk lage groeiveronderstelling tot een voldoende begrotingsresultaat te komen.

De heer Marijnissen (SP):

Ik vraag dit niet zozeer in het licht van de verkiezingsprogramma's als wel gezien hetgeen in het Stabiliteitspact wordt voorgeschreven. Als expliciet "vrijwel in evenwicht" wordt gesteld, dan gaat het volgens mij om 0% dan wel om een overschot, in elk geval om plus en niet om min. Met name met het oog op de beschikbare collectieve middelen voor zaken als bijvoorbeeld zorg, vraag ik de minister wat dit betekent als hierover in mei al het een en ander wordt beklonken.

Minister Zalm:

Wat in mei beklonken zou moeten worden, is dat alle landen volgens het huidige Stabiliteitspact vóór 1 maart 1999 hun programma indienen. De gedachte is om dit wat naar voren te halen en de programma's vóór 1 januari 1999 te laten indienen. Dat lijkt mij een goede zaak, zodat wij in een vroegtijdig stadium de programma's van de verschillende landen kunnen beoordelen. Dan zal wel blijken wat de verschillende landen verstaan onder "close to balance" of "in surplus", om de Engelse termen maar even te hanteren. "Close to balance" stond in de originele tekst en kan vertaald worden als "dicht bij evenwicht" of als "vrijwel in evenwicht". De Vlaams-Nederlandse vertaler van de Unie heeft volgens mij voor "vrijwel in evenwicht" gekozen.

De heer Marijnissen (SP):

Begrijp ik goed van de minister dat bij 2% economische groei 1% tekort beschouwd moet worden als "vrijwel in evenwicht"?

Minister Zalm:

Ja, volgens mij is dat verdedigbaar, maar een ander zou 1,4% ook verdedigbaar vinden. Dit is voor mij wat lastig. Ik heb hier wel opvattingen over en straks zal ik, buiten dit huis, in een ander kader, wel laten horen wat ik hier allemaal van vind. Maar als lid van de regering moet ik erkennen en constateren dat er verschillende interpretaties mogelijk zijn, zoals blijkt uit de partijprogramma's. Ik neem althans aan dat niet bewust het Stabiliteitspact terzijde wordt geschoven in de programma's van de grote partijen; er is blijkbaar een bepaalde interpretatie aan gegeven.

Voorzitter! De heer De Graaf sprak over de voorlichting. Ik vind dat wij wel behoorlijk aan voorlichting hebben gedaan, maar tijdens andere bijeenkomsten heb ik deze klacht eerder gehoord. Toen heb ik uiteengezet wat wij op dit vlak hebben gedaan: er zijn spotjes op de radio en op de tv, er staan regelmatig advertenties in de kranten, er is een gratis telefoonnummer, er is een website, wij hebben een informatiebrochure en twee keer zijn er brochures op alle postkantoren neergelegd. De voorlichting voor de mensen die hiervan kennis willen nemen, is dus in voldoende mate geschied. Overigens heeft deze voorlichting in nauw overleg met het forum plaatsgevonden. Daarin hebben alle partijen zitting die maar iets te maken hebben met consumenten, zoals vakbeweging, werkgevers, banken en verzekeraars. Het voorlichtingstraject is ook nauw afgestemd met de parallelle voorlichtingsclub van dat forum. Er is maar één club die zich distantieert van de uiteengezette strategie en dat is VNO-NCW.

De heer Wallage (PvdA):

Voorzitter! Mocht uit onderzoek blijken dat de kennis bij burgers van de euro en de komst daarvan nog sterk te wensen overlaat, mag ik er dan van uitgaan dat de regering deze campagne intensiveert?

Minister Zalm:

Er staat nu een massale campagne op stal en die start medio mei. Deze campagne spreekt het publiek rechtstreeks aan, ook al wil het deze informatie liever niet hebben. Momenteel wordt men erop geattendeerd waar de informatie verkrijgbaar is indien men er iets over wil weten. Het publiek wordt dus niet ongevraagd met boodschappen bestookt, behalve die waaruit men kan opmaken waar men informatie kan verkrijgen. Wij komen nu in een stadium waarin geen sprake meer is van een keuze, maar van iets wat onvermijdelijk is. Dan wordt de burger ook wanneer deze het niet wil, bestookt met informatie.

De heer Wallage (PvdA):

Daarvoor geldt ook dat resultaat telt. Het is dus een inspanningsverplichting van de minister om alles te doen om de informatiestroom te versterken wanneer na een paar maanden blijkt dat de mensen onvoldoende weten?

Minister Zalm:

Dat wordt regelmatig bijgehouden. Bovendien steken de budgetten die Nederland heeft uitgetrokken voor voorlichting heel gunstig af bij die van andere landen. "Gunstig" is voor een minister van Financiën natuurlijk een wat vreemd woord als wordt gesproken over grote bedragen: het budget van Nederland is hoger dan dat van andere landen. Voor dit jaar is 30 à 40 mln. beschikbaar voor voorlichting, dus wij gaan er stevig tegenaan.

De heer De Graaf (D66):

Gegeven het feit dat slechts vier van de tien Nederlanders die hierover zijn ondervraagd, zegt zich te realiseren waar het over gaat, was mijn vraag in eerste termijn juist waarom de grote publiekscampagne die de minister pas half mei wil starten, niet veel eerder is gehouden. De vraag of Nederland deel zou nemen aan de EMU is immers geen vraag waarover vandaag nog moet worden nagedacht.

Minister Zalm:

Dat hoeft vandaag inderdaad niet meer te gebeuren, maar er waren wel situaties denkbaar waarin Nederland gezegd zou hebben: als het op deze manier moet, gaat het niet. Een grote publiekscampagne kan pas worden gestart als dat publiek met zekerheid bijvoorbeeld kan worden aangegeven welke landen deelnemen of hoe het er allemaal uitziet.

De heer De Graaf (D66):

Met alle respect, maar de grote publiekscampagne die over vier weken start, behandelt toch niet de vraag hoe de Italiaanse burgers met de EMU omgaan, maar de vraag hoe Nederlandse burgers meer kunnen weten van de EMU? De vraag is dan toch niet relevant welke landen deelnemen?

Minister Zalm:

De ultieme zekerheid dat de euro in Nederland wordt geïntroduceerd, hebben wij pas op 3 mei en niet eerder. Dat is ook het moment voor de regeringen om een echte campagne te starten om aan te geven dat de euro eraan komt en dat deze van ons allemaal is. Dat is het moment en niet eerder.

Voorzitter! Ik vind het een buitengewoon goede suggestie om een minister à la Wijers toe te voegen aan de heer Jospin. Bovendien past het ook altijd in een strategie om, als de thuismarkt het niet meer zo goed doet, naar de export te gaan.

De heer Janmaat heeft gevraagd of de introductie van de euro tot extra financiële lasten voor Nederland zal leiden. Dat is niet het geval.

De meeste punten die de heer Bolkestein aanvoerde, heb ik al besproken. Hij vroeg wat de positie van de Nederlandse regering is als geen politieke steun door Italië wordt gegeven. Dat ligt volgens mij besloten in de formulering van het regeringsstandpunt. Ik heb goede verwachtingen dat deze situatie zich niet voordoet. Het gaat dus om een hypothetische vraag. Het is wel van belang dat het antwoord daarop helder is, maar ik houd het toch op een hypothetische kwestie. Ik heb er vertrouwen in en er zijn ook voldoende indicaties voor dat er voldoende politieke steun zal zijn in Italië.

Een van de sprekers sprak over "Bolkestein als schaduwminister van Financiën". In het buitenland ben ik nog nooit beschuldigd van een te timide optreden; dat heb ik althans nog nooit gehoord. Het feit dat de geachte afgevaardigde Bolkestein zo zijn eigen gesprekken heeft en zijn eigen positie duidelijk maakt, heeft mij zeker niet voor de voeten gelopen. Verder ben ik de heer Wallage erkentelijk voor de waardering die hij uitspreekt over mijn vaardigheden in het buitenland.

Voorzitter! Over financiële overdrachten en de EMU staat in het verdrag expliciet de no-bail-out-clausule. Het kan ook zeker geen kwaad om geen koppeling te maken tussen de EMU en allerlei financiële overdrachten. De begroting van de Europese Unie moet op eigen merites worden bekeken. De positie van de Nederlandse regering is op dat vlak glashelder en is laatst nog besproken in de gezamenlijke commissies voor Financiën en voor Europese Zaken, naar aanleiding van een brief van de minister van Buitenlandse Zaken. Ik mocht die brief verdedigen en dat heb ik met groot genoegen gedaan. Bij de positie van de Nederlandse regering hoort niet dat zij allerlei financiële overdrachten wenselijk acht, al dan niet in het kader van de EMU.

Voorzitter! Ik sluit mijn bijdrage af door de Kamer te bedanken voor het vertrouwen dat is geschonken aan de Nederlandse regering als het gaat om het standpunt over de EMU. Dat is in verschillende bewoordingen gebeurd, maar iedere vogel en iedere partij zingt zoals deze gebekt is. Het gaat erom dat wij van vier grote partijen in deze Kamer, waaronder drie coalitiepartijen, steun hebben voor het regeringsstandpunt. Dat acht ik van groot gewicht.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter! De minister kondigde aan dat hij aan mijn bijdrage zou toekomen, maar werd toen geïnterrumpeerd. Zo kan een debat gaan, dus dat neem ik hem niet kwalijk. Als redelijk ondeskundige op dit terrein leg ik de minister de vraag voor die ik regelmatig in de huiskamers hoor en maar even tot de mijne maak. Hoe zit het nu eigenlijk met de harde gulden? Gaan wij koopkracht inleveren, ja of neen? Is de euro straks net zo hard als de gulden nu? Deze cruciale vraag houdt veel burgers bezig en heb ik nog niet klip en klaar beantwoord gehoord. Het is aan deze minister om daar antwoord op te geven.

Minister Zalm:

Voorzitter! Ik heb er vertrouwen in dat de euro net zo hard is als de gulden. De gemiddelde inflatie in de tien andere landen die meedoen met de EMU, zou ik liever hebben dan ons eigen inflatiepercentage, want het gemiddelde ligt inmiddels lager dan het onze. De uitgangspositie is dus goed. Daarnaast hebben wij een onafhankelijke Europese Centrale Bank die maar één doel heeft, namelijk een stabiele euro. Dat is ook een verbetering ten opzichte van de situatie van zelfs De Nederlandsche Bank: die had meerdere doelen en kon bovendien politiek worden aangestuurd. Dat is bij de Europese Centrale Bank niet mogelijk door zowel de feitelijke situatie als de onafhankelijkheid van de bank, met daarbij garanties op budgettair terrein voor het begrotingsbeleid. In het verleden waren die garanties er niet, ook niet voor Nederland: wij hebben immers ook tekorten gehad van tegen de 10, alsmede loon- en prijsstijgingspercentages met dubbele cijfers. Dat is dus een verbetering. Ook de inperking van de budgettaire beleidsvrijheid van de lidstaten en dus ook van de Nederlandse regering acht ik een verbetering en een betere garantie voor een harde munt dan de Nederlandse institutionele structuur ooit heeft kunnen bewerkstelligen. Ik ben dan ook vol vertrouwen over de hardheid van de euro.

De heer Van der Vlies (SGP):

De vrees die wij regelmatig tegenkomen, is dus ongegrond. De situatie wordt zelfs beter.

Minister Zalm:

Veel beter dan nu kan natuurlijk niet, maar het wordt zeker niet slechter.

De heer Van der Vlies (SGP):

Ik heb de minister diverse malen horen zeggen dat het beter zou worden. Wij hopen elkaar nog eens tegen te komen, bij gezondheid, en dan hecht ik aan dit soort duidelijke uitspraken.

Minister Van Mierlo:

Voorzitter! Aan mij het bescheiden aandeel om twee opmerkingen te maken.

De eerste gaat over een vraag die door verschillende sprekers aan de orde is gesteld, onder anderen door de heren Van Middelkoop en Wallage. Het gaat om de vraag hoe de EMU zal uitwerken op het proces van integratie in Europa. Deze vraag hoeft vandaag niet beantwoord te worden, maar is wel aan de orde gesteld. De minister van Financiën heeft terzake al een prudente positie ingenomen. Dit punt is in discussie en die zal groter en dieper worden naarmate het moment nadert waarop de EMU als realiteit dichterbij komt. De vraag hangt een beetje tussen twee mogelijke en extreme polen van beantwoording in. De ene is dat de EMU een sluitstuk is van de interne markt. De andere is dat de EMU het begin is van de weg naar de Europese regering. De heer Zalm zei al dat hij dat laatste niet zag zitten en ik ben het met hem eens dat dit niet meteen zo zal zijn.

Naar mijn mening is de EMU het sluitstuk van de interne markt, in die zin dat de interne markt incompleet zou zijn als de EMU daar niet op zou komen. Naar mijn gevoel is de EMU echter niet het sluitstuk van de Europese integratie. Ik denk dat wij er verstandig aan doen ermee rekening te houden dat de EMU zeker extra politieke samenwerking zal oproepen die op dit moment nog niet te overzien is, en het zou heel dom zijn om die bij voorbaat uit te sluiten. De heer Wallage heeft erop gewezen dat wij een dusdanige afhankelijkheid hebben gekregen van elkaars binnenlands beleid, dat waarschijnlijk alleen het af en toe geven van een Europees antwoord onszelf kan beschermen tegen binnenlands beleid dat gevoerd wordt door anderen. Het is nog niet duidelijk waar en in welke mate en op welke terreinen dat zal gebeuren, maar dat het zal gebeuren en dat wij er rekening mee moeten houden, lijkt mij vanzelfsprekend. Een tweede punt is dat het buitenland het monetaire blok dat zal ontstaan, steeds meer op dat fenomeen zal aanspreken. Dit zal gevolgen hebben voor ons als monetair blok. Met andere woorden: de waarheid voorlopig in het midden latend, moeten wij er naar mijn mening van uitgaan dat er een proces van maatregelen getriggerd wordt, niet eens zozeer als een beleidsoptie waar men voor of tegen kan zijn, maar als iets onontkoombaars wat voor ons ligt.

De heer Marijnissen (SP):

Mijnheer de voorzitter! Juist over die onontkoombaarheid maak ik mij ernstige zorgen en dat zeg ik niet voor de eerste keer. Uit onderzoek blijkt dat 80% van de Nederlanders op het standpunt staat dat men, om tal van redenen die ik niet zal opsommen, niet wil dat er meer soevereiniteit wordt overgedragen aan Europa, en dat zo'n driekwart van de Nederlanders hier een referendum over wil. Hoe ziet de minister dit in het perspectief dat hij schetst?

Minister Van Mierlo:

Eerlijk gezegd zie ik dat als een momentopname, waarbij via een bepaalde poll een uitspraak wordt gedaan over zoiets onoverzichtelijks als dit. Daar kan ik niet zoveel waarde aan hechten. Ik zie dit dan ook los van elkaar.

Ik kwam eigenlijk aan mijn tweede opmerking toe en dat betreft de vraag van de heer Marijnissen over het referendum. Naar mijn gevoel heeft die hiermee te maken.

De heer Marijnissen (SP):

Ik vind het oké dat de minister ingaat op het referendum, want dan kunnen wij daar direct de degens over kruisen, maar ik wil eerst ingaan op het perspectief dat de minister schetst. Hij laat het nu verder in het midden, maar het is onmiskenbaar dat deze kroon op de interne markt, de euro, zal bijdragen aan een soort autonoom proces naar verdere politieke integratie. Als blijkt dat de Nederlandse bevolking dat doel niet deelt, dan is dat toch voor iemand van D66 een teken, aan de hand waarvan hij zich moet afvragen of het niet te snel gaat en of mensen niet voor voldongen feiten worden gesteld? Vandaag hebben wij gehoord dat zelfs de heer Bolkestein zich voor voldongen feiten gesteld voelt. Vindt de minister dan niet dat hij hiermee te ver gaat?

Minister Van Mierlo:

Neen, integendeel. Als wij de bevolking van het begin af aan gevraagd zouden hebben naar haar mening over het integratieproces, zou er volgens mij bij haar een nog grotere weerstand zijn geweest. De heer Marijnissen is hier geen groot voorstander van en daarom trekt hij zo'n uitslag in zijn straatje. Maar als de volksraadpleging van het begin af aan zou worden gebruikt bij alle te starten processen, zou er volgens mij geen enkel proces beginnen.

De heer Marijnissen (SP):

Dit vind ik zowat het summum van paternalisme. Dit betekent eigenlijk dat de minister de mensen onder curatele stelt en zegt dat wij het beste weten wat goed voor hen is. Hun mening doet niet terzake, want als wij die vragen, komt er nooit iets nieuws tot stand.

Minister Van Mierlo:

Een mening ex post is wel degelijk relevant, maar de heer Marijnissen wil een mening ex ante. Hij wil dat eerst aan het volk wordt gevraagd of er behoefte is aan een bepaald proces, waarna de politiek daar wel of niet aan zal beginnen. Welnu, de heer Marijnissen zit hier dankzij het besluit dat wij met elkaar hebben genomen om via de afvaardiging te komen tot besluiten die volgens ons ten faveure zijn van het Nederlandse volk. Dat is de grondregel hier. Daar kunnen wij overheen gaan door daarop, zoals in de meeste landen mogelijk is, een correctie ex post aan te brengen, maar niet ex ante.

De heer Marijnissen (SP):

Dan zullen wij nu maar het bruggetje naar het referendum maken, want ex post of ex ante, geen van beide is er. "Ante" heb ik geïntroduceerd in de vorm van een Nipo-enquête en bij "post" heeft het volk ook geen recht van spreken. Is de minister niet met mij van mening dat het hier niet zomaar een kwestie betreft, maar een kwalitatief andere kwestie, omdat het aan existentiële zaken raakt, te weten de soevereiniteit van Nederland: de minister van Financiën sprak al over het aanwijsrecht en daarnaast raken wij de vrijheid op het terrein van monetair beleid in belangrijke mate kwijt. Rechtvaardigt zoiets niet een referendum? Dan moet toch aan de bevolking gevraagd worden of zij het goedvindt? Dit is een parlementaire, vertegenwoordigende democratie, waarbij wij het meestal voor de bevolking uitmaken, waarna zij ons bij verkiezingen kan belonen of straffen. In dit bijzondere geval, waarin nooit expliciet de mening van de bevolking is gevraagd, kunnen wij toch een volksraadpleging organiseren?

Minister Van Mierlo:

Ik verschil fundamenteel met de heer Marijnissen van mening over "wij organiseren een volksraadpleging". Ik kom hiermee aan de redenen waarom de Nederlandse regering geen behoefte heeft aan de bevordering van een vorm van raadpleging. In de eerste plaats gaat het hier over een uitvoering van een verdragsverplichting die wij reeds op ons genomen hebben. Daarvoor geldt in elk geval niet wat de heer Marijnissen aanvoerde. In de tweede plaats is de regering er geen voorstander van om van bovenaf referenda te organiseren. In andere democratieën is dat wel gebruikelijk, zoals de Franse, waarbij dit in het systeem zit. De Nederlandse regering is daar absoluut geen voorstander van. Een werkelijk referendum komt op gereglementeerde wijze van onderop, als een wens van de kiezer om aan de noodrem te trekken, en een dergelijk referendum moet dan ook beslissend zijn. Naar mijn gevoel is het een onjuiste opvatting over de positie van de kiezer om deze alleen te raadplegen. Dat doe je in polls en je doet dat niet als instituut. In de verhouding tussen de regering, het parlement en de burgerij hanteer je de kiezer als persoon die het laatste woord heeft en niet als iemand die zijn mening mag geven waarna bezien wordt wat daarmee gedaan wordt.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter!...

De voorzitter:

U hebt al zo vaak over dit punt geïnterrumpeerd. Er komt nog een tweede termijn.

Minister Kok:

Voorzitter! De minister van Financiën en de minister van Buitenlandse Zaken zijn erin geslaagd om buitengewoon weinig voor mij over te laten. Dit belangrijke debat over een cruciale beslissing die op 1, 2 en 3 mei moet worden genomen, geeft aan – en ik ben daar erkentelijk voor – dat er een ruime mate van steun bestaat voor het kabinetsstandpunt. Dat is van grote betekenis omdat wij kunnen bijdragen aan het zetten van een nieuwe onomkeerbare stap in het proces van Europese eenwording. Dit brengt niet alleen idealen van de oprichters van de Europese Gemeenschap dichterbij, het betekent ook een versterking van de plaats van Europa in de wereld. Tegelijkertijd bestaat er een betere realisatiemogelijkheid voor een aantal van onze belangrijke ambities. Collega Zalm gaf terecht aan dat in de Kamer en in het brede politieke spectrum van politieke partijen verschillende ideeën bestaan over de voortgang van de Europese samenwerking. Het heeft weinig zin om dit debat daarvoor uitgebreid te benutten, maar ik wil zeggen dat aan de ene kant de EMU een sluitstuk is met het oog op het optimale gebruik van de interne markt en aan de andere kant een zekere basis biedt waar naar smaak uiteenlopend gebruik van kan worden gemaakt voor een versterkte politieke samenwerking. Ik doel bijvoorbeeld op samenwerking op het punt van de activiteiten van de politieke unie. Terecht werd vanmorgen opgemerkt dat niet alle institutionele elementen die daarvoor nodig zijn thans in het verdrag staan. Het Verdrag van Amsterdam spreekt op dat punt zeker niet het laatste woord.

Tegelijkertijd is sprake van beleidsintegratie. Nu moeten we oppassen met de begrippen "beleidsintegratie en -coördinatie". Waar praten we dan over in relatie met de soevereiniteit van de lidstaten en het subsidiariteitsbeginsel? Als er straks in de muntunie gewerkt wordt, zal dit op een aantal terreinen verband houden met de coördinatie van beleid ten aanzien van de reële economie, de bestrijding van de werkloosheid, verbetering van de werkgelegenheid of aspecten van fiscaal beleid. De behoefte aan samenspraak op die terreinen groeit. Ik neem aan dat dit de komende jaren zal voortgaan.

Aan het proces van monetaire samenwerking als onderdeel van Europese integratie zijn grote voordelen verbonden. Het is echter onjuist om de risico's en zorgpunten over het hoofd te zien. We moeten die niet onderschatten. Het Stabiliteitspact biedt ons een belangrijk instrument om een goed antwoord te geven op de risico's die daaraan verbonden zijn. Het is goed om met de gevoelens van velen rekening te houden die nog in een zekere onwetendheid verkeren over de vraag wat dit alles zal betekenen. Uitleg, informatie, zorgvuldigheid en gedegenheid in het te voeren beleid zijn van groot belang.

De heer Zalm nam op zijn onnavolgbare wijze afstand van het innemen van een standpunt namens de regering in reactie op de vraag wat Nederland in de komende periode moet doen om naar letter en geest van het Stabiliteitspact aan de slag te gaan. In zijn spoor zal ik iets vergelijkbaars zeggen. Aan het Stabiliteitspact zijn geen mathematische wetmatigheden verbonden. Met alle respect voor de Nederlandse vertaler: close is dichtbij. Nu is echter het één dichterbij dan het ander en je kunt interessante discussies voeren binnen de smalle marges van de politiek over de vraag wat op enig moment te prefereren is als het gaat om een middellangetermijntarget. In elk geval staat voor mij vast dat het van groot belang is om in het eventuele geval van een matige, zeer matige economische groei, ook even rekening te houden in een land als Nederland met gecreëerde ruimte. Heel veel lidstaten in Europa zijn nu "close to balance" bij de 3%; zij balanceren net onder de 3%, in de afronding vaak. Wij zijn zo'n beetje halverwege gekomen tussen 3 en 0, en als je dan praat over goede keuzes maken in de afwegingen, pleit ik ervoor in ieder geval dat element niet buiten beschouwing te laten. Voor het overige wil ik even terughoudend zijn als de heer Zalm.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Voorzitter! Dat siert de minister-president. Ik heb één vraag. Ik hoorde de minister van Financiën net zeggen, als minister van de kroon: ik heb liever 1% tekort bij een behoedzaam scenario van 2% groei, dan 0% bij 3%. Die uitspraak deelt de minister-president, zo neem ik aan.

Minister Kok:

De heer Zalm zei erbij dat hij dit persoonlijk zo vond.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Nee, hij maakte een duidelijk onderscheid, in die zin dat hij, terecht, niet sprak over verkiezingsprogramma's. Ik hoorde hem toen zeggen: liever 1% tekort bij 2% economische groei, dan 0% bij 3%. Ik neem aan dat, gezien de eenheid van het regeringsbeleid, de minister-president die uitspraak zo kan overnemen.

Minister Kok:

Gezien de verscheidenheid van verkiezingsprogramma's zult u wel begrijpen dat er inderdaad enige differentiatie bestaat als het gaat om de lijnen voor de toekomst; die maken we namelijk na 6 mei, zoals u weet.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Maar niet in het kabinet; daar gaat het nu even om.

Minister Kok:

Nee, het kabinet heeft over de verkiezingsprogramma's geen zeggenschap gehad en heeft ook geen gezamenlijke positie ingenomen ten aanzien van die programma's. Op dat punt moeten we echt zorgen dat we niet over ons graf heen regeren.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Nee, dat is volstrekt helder; ik zou de laatste zijn om dat te willen bepleiten.

De minister-president, voorzitter, maakt evenwel – met alle respect – even een bochtje, omdat minister Zalm die uitspraak natuurlijk niet heeft gedaan als bewindsman van een bepaalde politieke partij.

Minister Zalm:

Wat ik beoogde te zeggen, is dat een tekortcijfer niet alléén van belang is, maar dat het heel belangrijk is om te kijken welke groeiveronderstelling daarbij zit. Wat betreft tekortcijfers vind ik een presentatie van 0 bij 5% groei minder imposant dan 1,5% bij 1,75% groei.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Dat is waar, maar u bakte een lieverkoekje, om in de terminologie van deze morgen te blijven. Dat lieverkoekje was: liever 1% bij 2% groei dan, enz.

Ik neem kennis van de antwoorden die gegeven zijn, voorzitter. Wij komen daar te zijner tijd wel op terug.

Minister Kok:

Voorzitter! Ik kom bij een laatste onderwerp, de Europese Centrale Bank en de verkiezing van de president. Ik meende uit de bijdrage van de heer Bolkestein te verstaan, dat hij aankondigde een Kameruitspraak te zullen vragen over het moment waarop die besluitvorming moet plaatsvinden. Ik kan me dat ongeduld goed voorstellen; ik heb dat zelf natuurlijk ook. Ik heb al bij eerdere gelegenheden gezegd dat hoe eerder die kogel door de kerk zou gaan, hoe beter het zou zijn. Er staat ook heel veel op het spel de komende tijd; er moeten ook allerlei andere topfuncties in die bank worden vervuld. Hoe eerder die verkiezing derhalve, hoe beter.

De gang van zaken zal de volgende zijn, op weg naar begin mei. Op enig moment zal de Ecofin-raad moeten nagaan of er een basis is in die raad om met een voordracht te komen naar de Europese Raad. Het begint dus bij de Ecofin-raad. De Europese Raad zal dat onderwerp dan uiteraard kunnen bespreken, rekening houdende met de verplichtingen die ook gelden voor wat betreft onder andere het horen van het Europees Parlement. Ik meen dat er ook een procedure bij het Europees Parlement is voorzien.

Als de heer Bolkestein eventueel zou overwegen straks een Kameruitspraak voor te leggen – men begrijpe mij niet verkeerd: ook ik heb voorkeur voor een zo snel mogelijke beslissing – dan zou daar wel even de afweging bij moeten worden gemaakt, wat dit zou kunnen betekenen in zijn consequenties. Ik neem aan dat we niet alleen de tijdige beslissing, maar ook, vanuit de Nederlandse optiek, de goede beslissing wensen. Ik ben er niet op uit om te vertragen, helemaal niet. Echter, als de Kameruitspraak met de bekrachtigde opvatting dat de hamer op een bepaalde dag moet vallen, zou kunnen betekenen dat het risico van wederzijdse blokkades ontstaat en dat daarmee onverhoopt de situatie ontstaat dat een totaal andere kandidaat, een derde kandidaat, het moet worden, zouden we lelijk in het zand bijten. Daarom leg ik op voorhand de Kamer de vraag voor of het met een Kameruitspraak aandringen op het vereiste tempo wijsheid is. Zij mag in ieder geval van mij, van collega Zalm, van collega Van Mierlo, eigenlijk van het hele kabinet, aannemen dat wij alles zullen doen en niets onbenut zullen laten om het daarheen te leiden dat niet alleen het goede besluit maar ook tot het meest tijdige besluit wordt gekomen.

De voorzitter:

Hiermee zijn wij aan het eind van de eerste termijn. Wij hebben er nu ruim vier uur vergaderen op zitten. We zouden een halfuurtje kunnen pauzeren om een hapje te eten. Ik zie iedereen knikken. Ik stel daarom voor, te schorsen tot kwart voor twee. Dan hebben wij de regeling van werkzaamheden. Die zal niet zo lang duren en dan kunnen wij omstreeks tien voor twee aan de slag met de tweede termijn.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 13.15 uur tot 13.45 uur geschorst.

De voorzitter:

De ingekomen stukken staan op een lijst die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.