Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 5, item 2

2 Algemene politieke beschouwingen

Aan de orde zijn de algemene politieke beschouwingen naar aanleiding van de Miljoenennota voor het jaar 2014 (33750).

De voorzitter:

Ik heet de minister-president en alle overige bewindspersonen van harte welkom. Wij zijn toe aan de eerste termijn van de Kamer.

De heer Brinkman (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Onze fractie wenst staatssecretaris Dekker bijzonder snel herstel toe.

Computervakman Wim en Annie, zijn vrouw, de ervaren verpleegster, stonden met hun twee kinderen op Prinsjesdag uitbundig te zwaaien naar ons fonkelnieuwe koningspaar. Door de luidsprekers buiten klonken de caleidoscopische commentaren over de troonrede binnen. "Hoor je dat, Wim", zei Annie, "wij mogen voortaan ook al topbelasting gaan betalen!" Wim fluisterde zuur: "ze rekenen ons rijk, maar ze maken ons arm." Hun kinderen vroegen toch om een ijsje. Elders waren mensen gewoon aan het werk, 92 van elke 100 die aan het werk hadden kunnen zijn. Aan het werk in een snel veranderende, multipolaire wereld met steeds weer nieuwe producten en met technologische innovaties alom. Met andere, kleinere, steeds wisselende klantengroepen met verscheiden wensen. Bezig om hun logistieke processen aan te passen, in hun keten van samenwerking de boel te reorganiseren. Aan de slag om hun productiviteit en hun competitiviteit te verhogen. In de weer om excellenter te worden en om verschil in plaats van gelijkheid van het gebodene na te streven. Kansen genoeg voor ons land, al moet je tegenwoordig veel beter je best doen om overeind te blijven.

Ondertussen lichtte binnen de minister-president toe hoe wij ons moeten transformeren naar meer participatie. Voor het CDA niks nieuws onder de zon, want gemeenschapszin en vanuit het vroegste familieverband samen verantwoordelijkheid dragen zitten ons in de genen. Enfin, mooi plagiaat is niet lelijk!

Het CDA wil niet dat de gaten in de overheidsboekhouding steeds maar met extra belastingen worden gedicht. Met minder overheidsuitgaven valt een betere samenleving te bouwen. Elke scholier zou dat in een maatschappelijke stage van jongs af aan moeten ondervinden. Het toezicht op uitdijende uitgaven voor sociale zekerheid en zorg laat te wensen over. Onze wetgeving is broos aan het worden. Dat zijn wat het CDA betreft kernpunten in het aanpassingsvermogen waar ons collectieve systeem nu voor staat. De MEV en de Miljoenennota schrijven er informatief en uitnodigend over: ons collectieve systeem is te groot, te traag en te complex geworden. Dat is niet een kwestie van ideologie, van meningen, maar domweg van feiten. 50% en meer van wat dit land verdient vloeit door de collectieve kas. Het heeft geen zin wie dan ook daarvan de schuld te geven, want velen van ons hier dragen ervoor wel enige medeverantwoordelijkheid. Waar het nu om gaat is ons tijdig, nee, tijdiger aan te passen. Onze fractie spreekt, constructief als wij zijn, echt van ONS, want onze landgenoten hebben het nog steeds niet zo slecht als her en der wel wordt beweerd. Uitzonderingen daargelaten, en die moeten dan ook krachtig worden gesteund. De kabinetsvoornemens met betrekking tot bezuinigingen in de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten staan daar in hun huidige vorm haaks op. Als het tegenzit, worden we overigens gelukkig nog steeds goed verzorgd. Immers, sinds 2008 gaven we 20% meer uit aan zorg en 20% meer aan sociale zekerheid en dat is echt niet alleen omdat we ouder worden of zonder werk komen te zitten. Er zit dik 1 biljoen euro in de tweede pijler van ons pensioensysteem, 1 biljoen zijn onze in prijs gedaalde woningen nog altijd waard en vele honderden miljarden euro's staan er op onze spaarrekeningen. Maar naar verhouding doen we te veel met vreemd en te weinig met eigen vermogen. Onze overheid ook. Die verhouding aanpassen doet pijn, maar mag niet te lang op zich laten wachten, want zachte heelmeesters maken stinkende wonden.

Intussen loopt de staatsschuld verder op. Wij verwijten het kabinet de crisis niet, maar weten uit vaak bittere ervaring dat hopen op groeiende wereldhandel te weinig is. Bovendien is het niet overal in de wereld groei en bloei. De dramatische beelden van Lampedusa spreken boekdelen. Laat het kabinet nu Brussel daarom aansporen betere handelsakkoorden in plaats van onhoudbare immigratieakkoorden met Afrikaanse landen te sluiten.

Sprekend over de noodzakelijke beperking van de collectieve uitgaven stopte het kabinet te snel bij de eerste horde, die het zelf al aan het begin van de rit op zijn pad had geplaatst. Het zei dat veranderen, onder meer bij zorg en sociale zekerheid, tijd kost, dat vooral werkgevers en werknemers nu eerst maar extra moeten inleveren. Om de gaten te dichten moeten vermogens voor later nu worden opgesoupeerd en de lasten dan maar weer extra verhoogd worden. Water, afval, de auto. Roept u maar! Dat is geen eerlijk delen en dus paste het CDA. Deze lastige en weinig inschikkelijke omweg is door het kabinet zelf gekozen en niet aan het CDA te wijten. Daarom zit het kabinet steeds in tijdnood. De invoering van de goedbedoelde, dichter bij huis uit te voeren Jeugdwet wordt onnodig gecompliceerd, omdat het kabinet een besluit verlangt nog voordat het de wirwar van tegenstrijdige regels en financieringsvormen met perverse prikkels heeft ontknoopt. Gelukkig gaat het goed met 95% van alle kinderen, maar die andere 5% en hun ouders krijgen meer dan de kriebels van zulke wirwar. Wetgeven is meer dan over intenties, cijferbladen en symbolen laten stemmen!

Wij beseffen heel goed dat beperking van collectieve uitgaven en daarmee een andere verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en samenleving pijn doet, omdat te lang de overheid toch wel voor elk risico leek klaar te staan. Dat wist het kabinet al bij zijn aantreden en toch ging het automatisch en beleidsmatig staan voor miljarden extra uitgaven. En zo worden gewone mensen, zoals het gezin van Annie en Wim – en dat van Youssef en Jasmin – die door stevig aanpoten pakweg € 40.000 verdienen, nu ook al ongeveer als topverdieners van onze samenleving belast. En zelfs wie minder verdient ziet zijn marginale druk nog stijgen. Dat kunnen ze niet begrijpen. Dat willen ze met het CDA niet begrijpen. En toch moeten ze dat, intussen ook van de nieuwe ondersteuners van dit kabinetsbeleid. De kinderbijslag voor hun kinderen wordt wel minder gekort, maar kortingen blijven er, niet in het minst trouwens bij alleenstaande ouders. In onze in allerlei opzichten gescheiden samenleving dreigen kinderen toch al te veel de dupe te worden. Het kabinet stelt terecht voor, de alimentatieregels aan te scherpen. Hoe gaat het dat doen? Moet het echtscheidingsrisico bij de Nationale Hypotheek Garantie dan nog wel bij de Staat blijven? Het CDA deelt overigens de opvatting dat familievermogen dat kinderen en kleinkinderen aan een huis helpt beter besteed is dan aan dekking van de staatsschuld.

Het is goed dat er een akkoord is, want nieuwe verkiezingen brengen geen economische groei. Maar wat voor akkoord? Iedereen is eigenlijk op zoek naar banen. Niet maòana, in 2040, maar vandaag. Waarom moeten ondernemers dan extra pijn lijden en investeringen in verstopte infrastructuur worden beperkt? Hoe rechtvaardig is het eigenlijk om steeds maar bij Annie en Wim en hun lotgenoten aan te kloppen? Extravagante bonussen zijn inderdaad niet meer van deze tijd. Maar denkt het kabinet nu echt door steeds maar aan een beperkt deel van de samenleving de grootste rekening te blijven presenteren dat de animo om hier te investeren en te blijven zal toenemen? Dat niet indexeren van belastingtarieven als iets van landsbelang wordt ervaren? Het lijkt er wel op dat de nivellerende heren Spekman en Samsom ereleden van de partij van de heer Zijlstra gaan worden.

Maar laat ik mij beperken tot onze bescheiden maar precieze wetgevingstaak hier. De plukze-acties van Justitie brengen slechts enkele tientallen miljoenen euro's per jaar op en tegelijkertijd verhoogt het kabinet de belastingramingen komend jaar voor gewone, eerlijke mensen en bedrijven nog eens met miljarden, terwijl de belastingrekening de laatste jaren meestal miljarden minder aan opbrengsten dan geraamd toont. In 2013 komen er zo 9 miljard euro extra lasten en in 2014 nog eens 8,5 miljard. Dan is een paar honderd miljoen minder in het mistige Herfstakkoord een druppel op een oververhitte plaat. Zo'n dolgedraaide belastingschroef biedt geen houvast voor toekomstbestendig beleid. Minder uitgeven, omdat er te weinig binnenkomt wel. Degelijke huisouders met een beetje gezond verstand, zoals Annie en Wim, kunnen dat zo voorrekenen. Mogen we aannemen dat nu al te verwachten belastingtegenvallers, bijvoorbeeld doordat shoppen over de grens weer meer gaat lonen, niet zullen worden gedekt in 2015, 2016 en 2017 met nog meer belastingverhogingen? Er bleven immers al ruim 3,5 miljard euro extra verhogingen voor die jaren nu nog verborgen achter het black magic-gordijn van tovenaar Pechtold en zijn liefkozende assistent, de minister van Financiën!

Ook ik heb de striemen van bezuinigingsbeleid nog vers in het geheugen, hoe oud ik ook al ben. Ik zal dus de laatste zijn om de minister-president te bekritiseren om zijn wanhopige pogingen om alsnog steun voor zijn beleid te vinden. De vraag is wel of de "roept u maar"-route van de afgelopen weken het zo nodige consumentenvertrouwen herstelt. Zo rooskleurig zijn de woningmarkt en de pensioenen immers nu ook nog niet. Ik beperk me nu tot de waarneming dat de grondverf wel op de nadere dekking van de plannen zit, maar het wegplamuren van gaten daarin nog moet plaatsvinden. Er lijkt meer te worden geïnvesteerd in een pensioenafbouwakkoord dan in een pensioeninvesteringsakkoord dat pensioengeld goed renderend voor pensioenrechthebbenden hier belegt. Wat gaat het kabinet nu doen na zijn terugtocht hier enkele weken geleden? Het kabinet zou met pensioenfondsen en banken afspraken maken over een betere woningfinanciering, maar blijft stilstaan bij zijn ontmoedigende verhuurderheffing voor particuliere investeerders. Er zijn veel wensdromen omtrent opbrengsten in het pakket opgenomen. Kennelijk zijn de normen losser geworden, zoals helaas ook elders in de samenleving. Ik mocht dat in mijn vroegere rol in de Trêveszaal nooit doen. Het is bepaald geen goed voorbeeld van het kabinet dat terecht de CDA-oproep echoot om verantwoorder te participeren en minder te lenen. Wat zijn nu precies de nieuwe begrotingsregels over inverdieneffecten of mogen we de rekening pas beoordelen na de eerstvolgende verkiezingen? Toen de bouwmarkt al op instorten stond, was het kabinet tegen zulke effecten. Herinnert het kabinet zich dat nog, nu daar zo veel mensen zonder werk zitten?

Er is nog een bestuurlijke, zo u wilt, minder politieke invalshoek die naadloos past bij onze toetsende rol. De president van de Algemene Rekenkamer zei dat "om te beginnen de ministers zelf maar beschikken over beperkte informatie of hun geld met het beoogde effect besteed is … en mede daardoor kunnen de parlementarirs zich geen afgewogen oordeel vormen over het succes van het beleid". De Rekenkamer is op zoek naar een nieuw en beter "informatiearrangement dat zo goed mogelijk de waarheid over de werkelijkheid kan vertellen. De behoefte om die te achterhalen is al eeuwenoud. Maar de manier waarop die achterhaald kan worden is door de mogelijkheden van de digitale snelweg drastisch gewijzigd en biedt volop kansen om het open, slim en slank te doen …"

Inderdaad, mevrouw Stuiveling heeft gelijk. Eén huishoudtoets voor allerlei toeslagen – inclusief de fraudegevoelige huurtoeslag – is in dit licht prijzenswaardig. Het kabinet moet niet selectief en lang winkelen in de adviezen van de commissie-Van Dijkhuizen, want dan raakt een eenvoudig tweeschijventarief alleen maar verder achterop. Komt deze ene toets, die koppelingen tussen allerlei bestanden nodig maakt – inclusief die van bijvoorbeeld geregistreerde voer- en vaartuigen, naar wij aannemen – er nu met instemming van alle huidige politieke vrienden van het kabinet, nu het kabinet structureel 1 miljard aan bezuinigingsopbrengst eruit raamt? Het kabinet gaat die huishoudtoets toch wel uitvoeren voor ouders plus kinderen, nu staatssecretaris Van Rijn terecht niet alle zorg meer in overheidshanden wil laten? Ons land prijst zich gelukkig met een zeer hoge plek in het World Happiness Report. Hopelijk niet omdat er jaarlijks 12 miljard euro via negen miljoen toeslagen langs zeven miljoen gezinnen wordt rondgepompt. Laat het kabinet daarom de weg opgaan die mevrouw Stuiveling wijst en die in het bedrijfsleven al zo eenvoudig toepasbaar blijkt wanneer we doperwtjes, een blouse, een tank benzine en een tripje her en der op onze bonuskaart boeken. Wanneer werkt de ICT-structuur waarop mevrouw Stuiveling duidt nu wel? Laat zij toezicht mogen houden op de effectiviteit van uitdijende geldstromen in zorg en sociale zekerheid! Zorg in de particuliere setting waarin wij geleidelijk geraakt zijn; sociale zekerheid in de publieke setting waarin de sociale zekerheid geraakt is.

Wil de minister-president toezeggen dat Annie en Wim minder last gaan krijgen van de nieuwe, ook al weer genivelleerde huishoudtoets dan degenen die passende arbeid weigeren of anderszins ten onrechte denken op de gemeenschap te kunnen blijven leunen. En laten we in ieder geval niet de Polen of andere buitenlanders de schuld geven dat zij hier werk komen doen dat anders blijft liggen.

De weg van de werkvloer van onze samenleving naar het debat hier met de kameleontische minister-president zou je kunnen vergelijken met een hackathon. Dat is in de meer ICT-gestuurde wereld een langdurig, intensief, decomplicerend, informeel en multidisciplinair, oplossingsgericht overleg over bruikbare leefregels voor een minder sombere toekomst dan de heer Rutte ons onlangs in zijn Schoo-lezing voorspelde. Velen spannen zich gelukkig elk op hun eigen plek buiten het Binnenhof in om daar het beste voor de toekomst nu al van te maken. Een zoveelste begrotingsakkoord, sociaal akkoord of belastingplan zijn toch geen documenten die hier zondermeer kunnen passeren. Bijbehorende wetgeving is nog altijd beslissender dan de handtekening van steeds wisselende coalitiepartners onder oneliners op enkele A4'tjes. De rol van sociale partners of gemeentebesturen in de nieuwe participatiewet, de verdeling van bevoegdheden tussen verzekeraars en gemeentebesturen bij nieuwe zorgarrangementen, vereenvoudiging van toeslagregelingen en zo veel meer moeten zorgvuldig worden bezien, omdat oude, nieuwe of verloren rechten van burgers daarbij direct in het geding zijn. Omdat leven nog altijd meer is dan geld uitgeven, heeft dit huis erop toe te zien dat zulke regelingen goed doortimmerd zijn om ze in het land te kunnen gebruiken en niet of zij volgens het klokje van de heren Zijlstra en Samsom tijdig door het parlement worden geduwd.

Ons bestuursrecht is in de loop der jaren steeds meer leeg procesrecht geworden, omdat de materile rechtsnorm steeds meer slordig is weggedelegeerd uit de wet. De eigen inhoudelijke afweging van bevoegde bestuursorganen ten opzichte van zeer uiteenlopende belangen en omstandigheden is daardoor steeds meer een kluif voor de rechter aan het worden. Zulk soort regels hebben in ons Rijndoorstroomde land helaas de plek ingenomen van te toetsen principes, waarvoor wij elkaar altijd met succes ruimte lieten. Dit is een doodlopende weg. Alleen een percentage of getal in regels wijzigen omdat dit budgettair nu beter uitkomt, lost het achterliggende fundamentele vraagstuk niet op. Verschillende mensen, dingen en omstandigheden vragen nu eenmaal om een heldere normstelling en een duidelijke bevoegdhedenverdeling en waar nodig ruimte voor verschillend oordeel en praktische oplossingen op basis van goed per beslissing te motiveren "Freies Ermessen" voor het bevoegde gezag: in de zorg, voor de jeugd, in het onderwijs. Overal en voor iedereen. Deze Kamer moet daarom ook blijven toetsen of de wetgeving leidt tot een meer daadkrachtige bestuurspraktijk, omdat voortgaande vertrouwenserosie dit land nu eenmaal niet echt verder helpt. De nieuwe participatiewet gaat terecht voorstellen om naar één uitkeringssysteem voor oude en nieuwe gevallen over te gaan tegen een gemiddeld lager bedrag. Wij zullen wel moeten weten hoe dat gaat werken voordat hier de hamer valt! Jammer voor wie popelt om de Eerste Kamer op te heffen, maar gelukkig een waarborg voor wie in dit land met het CDA meer blijft hechten aan degelijkheid dan aan een opgestoken middelvinger. Nu het kabinet terecht meer ruimte aan bedrijven, personen en instellingen wil geven, vragen wij de minister-president nadrukkelijk hierop in te gaan. Dit is geen rechtstheoretische vraag om hem van het werk te houden, maar ons inziens succesvoorwaarde voor allerlei voorgenomen vereenvoudigingen en hervormingen en het is ook nodig voor snellere realisering van broodnodige investeringen.

Wie met mij niet in revoluties gelooft, heeft al langer het katholieke gevoel dat hervorming lang kan duren. En toch zagen werkgevers en werknemers gelukkig in dat flexibilisering van de arbeid nieuwe arrangementen vergt. Neemt het kabinet dat akkoord nu verder ongewijzigd over? Subsidies hoeven in de nieuwe wereld geen eeuwigheidswaarde meer te hebben, maar kunnen voortaan ook tijdelijk en op afbetaling worden verleend. Ik leg deze nieuwe kaart op de door paalrot aangevreten speeltafel van het kabinet, nu de minister-president – wat wij op prijs stellen – ons zijn vragende hand blijft toesteken. Deze suggestie over "sunsetwetgeving" is al vaak gedaan, maar altijd in de Haagse prullenbak gestopt. Wil het kabinet serieus overwegen subsidies inclusief die voor windmolens na vijf jaar automatisch te stoppen? Zo'n suggestie past vast niet in het nogal binaire beeld van "het CDA zit in het kabinet of het zit ernaast", maar wel in het beeld van onze constructieve, medewetgevende taak in dit huis.

Het CDA does not rule this country en dat is te merken ook! Maar we hebben wel een visie op hoe het landsbelang ook, en in een aantal gevallen beter, gediend zou kunnen worden. Wij zijn immers geen tegenpartij. Onze consistente visie zullen we daarom fair en verantwoordelijk blijven uitdragen. Wil de minister-president onze suggestie omtrent eindigheid van subsidies daarom in overweging nemen, nu hij nog wat gaten in zijn ambtskostuum weg moet mazen? Laat het kabinet maar memory gaan spelen, voordat een sombere Voorjaarsnota 2014 op tafel komt! De voorgenomen verkoopopbrengst van ING's Alt-A-beleggingen is immers ter delging van de staatsschuld en niet voor extra uitgaven bedoeld.

Bij de gelukkig eerste glimpjes van herstel in Europa en de wereld, waarvan ons handelsland zo afhankelijk is, moet het nu pimpelpaarse kabinet oppassen niet met macro-economische, door de SER al vaker gesignaleerde homemade-problemen rond woningen en pensioen te blijven zitten. Consumenten willen hun vertrouwen juist opgekrikt zien door maatregelen die investeringen aanwakkeren en hun oudedagsvoorziening niet zien verschrompelen. Uiteraard hopen ook wij dat een weer aantrekkende economie spoedig niet alleen in de verrekijker van de heer Knot te zien is, maar ook met onze eigen ogen van alle dag valt te beleven. Hulde voor ieder die zich daarvoor inzet.

Er zitten intussen heel wat aan op papier naar voren gehaalde inkomsten in de nu voorliggende voorstellen, wat hoe dan ook betekent dat die ruim veronderstelde inkomsten er later niet meer zijn. Het kabinet gaat te verwachten gaten daarin, te beginnen bij de Voorjaarsnota 2014, toch wel dekken met verdere uitgavenbeperkingen?

Het kabinet moet de krimpscheuren in zijn beleid niet blijven dicht pleisteren, maar de bouwkundige oorzaken ervan aanpakken! Optimisme is heus een goede levenshouding, maar de werkelijkheid blijft meer dan een raming op basis van een model of management by excellent speech. Erkent de minister-president dat Duitsland, waarmee we ons mogen en kunnen vergelijken, het op veel terreinen beter doet dan wij? Akkoord, misschien wordt hij niet afgeluisterd, maar daar wordt werken aangemoedigd in plaats van door het kabinet hier met 2,5 miljard euro extra belasting op arbeid ontmoedigd. Daar beginnen Annie en Wim pas een toptarief aan belasting te betalen als ze € 250.000 elk verdienen. Daar groeit de maakindustrie als kool. Daar wordt men rap meer energiezuinig. Daar is ruimte om voor een eigen huis te sparen. Hier beloofde de minister-president wel belastingverlaging toen de hypotheekrenteaftrek werd beperkt, maar wat merken Annie en Wim en zo veel anderen daarvan nu en niet in 2018 en veel later?

Toegegeven, als je een heel goed salaris hebt, is er minder reden tot bekommernis dan wanneer je rond de armoedegrens leeft. Maar wat wint die laatste bij een verlengde crisisheffing voor de eerste nu echt? Loopt juist degene die stilzwijgend prijkt in de Quiet niet meer risico dan de ruim betaalde, die in deze vrije wereld na Prinsjesdag steeds gemakkelijker "nou, doei!" zegt en gaat uitvlaggen na weer een door het kabinet verbroken belofte? Dat probleem van verlies aan kennis, ervaring en investeringscapaciteit steekt heus dieper dan de vraag hoeveel boodschappen er over de grens worden gedaan als men er toch al veel goedkoper gaat tanken. Symboolpolitiek slecht de armoedegrens niet! Zeker, in Duitsland is geen aanvullend pensioensysteem zoals wij dat kennen noch een minimumloon. Maar nu lenen van de toekomst door de pensioenkassen te legen, betekent wel dat de nieuwe collectieve pensioenrealiteit lager wordt, terwijl die gemiddeld de 50% van het laatstverdiende loon allang niet meer haalt en aftoppen in dat pensioensysteem de solidariteit onder druk zet. Moeten Annie en Wim dat ook nog op hun bordje krijgen, nu het kabinet nieuwe kaartvrienden heeft gevonden? De aangepaste heffingskortingen helpen vooral de laagverdieners en vier keer modaal, maar Annie en Wim zien hun marginale druk met 7% stijgen. Mijnheer de minister-president, is dat eerlijk? Komt dat elders in Europa voor? Schept dat banen? Schept dat draagvlak? Zo resteert voor werkend Nederland alleen nog maar een spelletje mens! erger je wél.

De heer Van Boxtel (D66):

Zijn de nieuwe kaartvrienden van Annie en Wim toevallig Henk en Ingrid?

De heer Brinkman (CDA):

Ik heb bij de partijen die aansluiting hebben gezocht bij het spel de partij waar de heer Van Boxtel op duidt niet aangetroffen.

Het is hoog spel om net te doen alsof het probleem waar het kabinet op stuit slechts 6 miljard euro groot is. In januari 2014 zullen Annie en Wim heus wel zien dat dan door tariefverlaging in de eerste schijf iedereen behalve mensen met alleen AOW er een tientje per maand bij krijgt. Maar dat douceurtje is in 2015 al weer achter de horizon verdwenen. En ze zullen beseffen dat de begrotingen voor 2014 tot 2017 voor hen na het vallen van alle herfstbladeren nog steeds met dikke minnen geschreven staan. Heeft het kabinet nu met D66, CU en SGP alleen overeenstemming bereikt over 2014, zodat de vaak nivellerende lastenverzwaringen de komende maanden kunnen worden uitgevent, terwijl de structurele ombuigingen pas volgend jaar weer in een hackathon als herfstbladeren moeten worden bijeengeharkt? Welke wetsontwerpen wil het kabinet hier nog voor 19 maart 2014 behandeld zien? Wij kunnen ons dan tijdig voorbereiden op onze redelijk inzet voor goede wetgeving in het landsbelang, waarvoor deze Kamer niet gemist kan worden.

Zolang ons land zo verdeeld en wisselend blijft stemmen als het de laatste jaren doet, zijn wij het met de minister-president eens dat we maar moeten leren leven met minderheidskabinetten die nu eens voor een wetsvoorstel bij de een en dan weer voor een ander voorstel bij de ander steun ophalen. Het echte probleem zit hem niet in dit huis, maar in het feit dat ons land een verdeeld huis is als het gaat over de vraag hoeveel overheid er nodig is. Minder, is ons antwoord. Niet inbesteden, maar overlaten. Niet schoonmaken, maar opruimen. Is de minister-president dit met ons eens en is hij het ermee eens dat hij dus geen energie behoeft te besteden aan opheffing van deze Kamer, omdat hij zeker daar geen plezier meer aan zal beleven? Intussen wensen wij het kabinet oprecht sterkte bij de uitoefening van zijn zware taak. Want, mijnheer de minister-president, u zult zich in een slapeloze nacht na de late avondvoorstelling van spreekbuis Pechtold toch wel eens afvragen waaraan u eigenlijk met twee geloven op één kussen bent begonnen ? Minister Plasterk zegt dat Zwarte Piet rood moet worden, terwijl de minister-president zegt dat hij zwart blijft. Wie moeten we nu nog geloven?

De heer Thissen (GroenLinks):

Voorzitter. Voordat u denkt dat ik ga interrumperen op deze laatste twee zinnen, dat is niet het geval. Ik ga een stukje terug. De heer Brinkman zegt dat de overheid niet moet schoonmaken maar opruimen. Wat bedoelt hij daar nu precies mee?

De heer Brinkman (CDA):

Ik refereer aan de benadering die een van de ministers heeft gekozen om de schoonmaakdiensten in eigen huis te nemen, terwijl het beter is om een opruiming te houden aan taken bij de overheid.

De heer Thissen (GroenLinks):

Noemt u eens taken die de overheid zou moeten opruimen, die zij dus niet meer doet. Taken die de overheid gaat overlaten aan individuen of aan groepen mensen. Welke taken zijn dat?

De heer Brinkman (CDA):

Er zijn voorbeelden die ik eerder heb genoemd rondom de participatiewet, de huishoudtoets. Zo zijn er vele voorbeelden te noemen, maar er zijn ook kleine voorbeelden te vinden.

De heer Thissen (GroenLinks):

Volgens mijn fractie zou het bijzonder slecht zijn als de overheid juist opruiming houdt onder slagkracht, onder aanwezigheid daar waar mensen de overheid nodig hebben als een collectiviteit die zij zelf niet kunnen organiseren. Misschien minder overheid, regeldrift en bemoeizucht in de beleidscapaciteit hier in Den Haag. Zou u daar eens op in kunnen gaan?

De heer Brinkman (CDA):

Er zijn genoeg markpartijen die de parlementsgebouwen zeker zo goed zouden kunnen onderhouden.

De heer Thissen (GroenLinks):

U gaat nog steeds niet in op mijn verzoek om een visie neer te leggen over wat u dan wel aan overheid nodig acht en wat u niet meer aan overheid nodig acht.

De heer Brinkman (CDA):

Leest u rustig nog eens een keer na wat ik gezegd heb, collega.

De heer Thissen (GroenLinks):

Dan nodig ik u uit om goed naar mij te luisteren vanmiddag.

De heer Brinkman (CDA):

Dat zal ik absoluut doen, want wij zijn, geloof ik, tegenwoordig collega's in dit huis.

De voorzitter:

Mag ik de heren vragen wel via de voorzitter te spreken. Misschien komt er dan meer helderheid.

De heer Kox (SP):

Voorzitter. Ik hoor collega Brinkman tegen collega Thissen zeggen dat wij tegenwoordig collega's zijn. Hij bedoelt waarschijnlijk collega's in de oppositie. Dat maakt het altijd een beetje riskant om elkaar te interrumperen, zou je kunnen denken, maar toch vind ik het nodig dat de heer Brinkman behalve dat hij duidelijk maakt dat zijn en mijn partij dit kabinet niet helemaal zo zien zitten, ook duidelijk maakt waar hij zelf staat. Hij gaf een nogal opmerkelijke lofzang op Duitsland. Nu zeggen de Duitsers altijd "bei uns ist alles besser" maar ik hoor de heer Brinkman bijna zeggen "bei Ihr ist alles besser". Je ziet daar natuurlijk mooie economische prestaties, maar hij weet ook dat wij daar sinds Hartz IV enorme bezuinigingen hebben gekregen op de sociale zekerheid. De heer Brinkman weet ook dat daar Ein-Euro-banen bestaan. Hij weet ook dat er geen flächen-deckenden Mindestlohn bestaat.

De heer Brinkman (CDA):

Dat heb ik net erkend.

De heer Kox (SP):

Dat is daar ook allemaal aan de hand. Dus waar positioneert het CDA zich nu? Bent u nu de nieuwe CSU van Nederland aan het worden; rechts van dit kabinet met nog minder overheid, met nog minder sociale zekerheid, met nog minder investeringen in de samenleving? Dan hebben we wel een probleem. Dan kunnen we hier wel bondgenoten in de oppositie zijn, maar dan zit u echt daar en dan zitten wij echt aan de andere kant.

De heer Brinkman (CDA):

Ik sluit niet uit dat wij nog niet helemaal dezelfde opvattingen hebben, collega's via de voorzitter. Dat is ook niet primair de bedoeling van het CDA. Wij proberen gewoon evenwichtig te blijven en ons eigen verhaal te laten doorklinken, zoals wij dat de afgelopen periode ook hebben gedaan. Wij laten ons niet ergens indelen op de manier zoals u dat zo graag zou horen.

De heer Kox (SP):

Voor iedereen die dit debat volgt – en wij staan tegenwoordig in de publiciteit – krijg ik graag duidelijkheid. Als er voorstellen komen van een deel van de oppositie om het toch al te harde beleid van het kabinet wat socialer, wat milder en wat vriendelijker te maken, bijvoorbeeld voor de mensen die het het slechtste getroffen hebben in dit land, is het CDA dan bondgenoot of staat het CDA dan juist aan de andere kant en zegt het tegen het kabinet: je moet nog harder de knoet hanteren, want zachte heelmeesters maken stinkende wonden, om u te citeren?

De heer Brinkman (CDA):

Als u de tekst zo herleest, zult u merken dat wij heel evenwichtig in het midden zijn gaan zitten. Het woord "midden" heb ik bewust niet te vaak gebruikt, want dan vraagt iedereen weer: waar hebt u het eigenlijk over? Als je bijvoorbeeld € 40.000 verdient of als je bijvoorbeeld op Lampedusa gestrand bent, kun je niet zeggen dat je een bevoorrecht mens bent. Daar zijn wij voor opgekomen via deze tekst.

De heer Kox (SP):

Ik zal uw beschouwing zeker nog een keer lezen. Op zichzelf is het eigenlijk beter als je bij de eerste lezing al kunt horen waar u staat. Dat is mij nog niet duidelijk geworden.

De heer Brinkman (CDA):

Voor een protestant was het altijd heel moeilijk om voor alle heiligen een kaarsje te branden.

De heer Kox (SP):

Voor katholieken is dat geen enkel probleem, zoals u weet. Maar ik denk dat u het ook aan het kabinet verplicht bent om echt duidelijk te maken waar u staat, want het kabinet moet voortdurend bondgenoten zoeken. Bent u dan een bondgenoot op rechts of bent u een bondgenoot in het midden, wat mij veel aangenamer zou zijn? Maar ik lees uw tekst er nog een keer op na.

De heer Brinkman (CDA):

Jazeker, en dat zal het kabinet ook stellig doen.

Ik heb afsluitend nog een vraag aan het kabinet. Niet alleen Wim en Annie en hun kinderen maar velen wachten met smart op het eerlijke antwoord van het kabinet nadat ze hun Prinsjesdagvlaggetjes in de prullenbak van het Binnenhof hadden gedaan. Thuis leggen ze nu een spelletje memory met vergane verkiezingsbeloften op de speelkaartjes. En ik denk: zij niet alleen!

De heer Thissen (GroenLinks):

Mevrouw de voorzitter. Via u heb ik een vraag aan collega Brinkman. Wij zijn overigens al veel langer collega's dan sinds het grabbeltonakkoord van dit kabinet met drie andere collega-partijen hier. Maar daar gaat mijn vraag niet over. De heer Brinkman heeft nu tot twee keer toe iets over Lampedusa gezegd. Wat is de opvatting van het CDA over de vraag hoe we dit immense probleem voor mensen kunnen oplossen? Wat is de visie van de heer Brinkman daarop?

De heer Brinkman (CDA):

Het achterliggende probleem moet worden opgelost, namelijk dat er een beter economisch perspectief voor de Afrikanen moet komen. Dat kan als de Europese Unie haast maakt met betere handelsakkoorden. Vorig jaar hebben we daar ook al naar gevraagd. Toen is er niet op gereageerd. Vandaar dat ik het herhaal. Elke avond wordt op het journaal zichtbaarder hoe urgent het probleem is.

De heer Thissen (GroenLinks):

Maar voor het nijpende probleem dat mensen geen thuis meer hebben, geen land meer hebben en hier letterlijk en figuurlijk aanspoelen?

De heer Brinkman (CDA):

Daar zijn vele opmerkingen over te maken. Een belangrijke is dat in ieder geval de zwarte mensenhandel die daar plaatsvindt, ook moet worden aangepakt. Daar willen wij uitvoerig in de Kamer op terugkomen als daar behoefte aan is. Ons kernpunt is dat je de oorzaken niet alleen moet opsporen – want die zijn wel bekend – maar ook aan moet pakken en dat Europa daar niet voldoende vaart mee maakt in onze waarneming.

De heer Thissen (GroenLinks):

Tot slot, mevrouw de voorzitter, hoe ziet de heer Brinkman dit in relatie tot ontwikkelingssamenwerking, waar dit kabinet voortdurend op beknibbelt?

De heer Brinkman (CDA):

U springt over naar een ander onderwerp. Ik heb het over betere handelsakkoorden. U vroeg wat de overheid kan doen en wat de markt kan doen. Er zijn heel veel mogelijkheden om handel over en weer met de Afrikaanse landen en Europa te verbeteren als de overheid haar best maar doet om de tolmuren daarvoor op te heffen.

De voorzitter:

Dan is nu het woord aan de heer Hermans. Ik wil geen protocolfetisjist zijn, maar het zou wel heel handig zijn als men bij interrupties en antwoorden op interrupties via de voorzitter spreekt.

De heer Hermans (VVD):

Voorzitter. Ik zal mij daaraan houden.

Wij Nederlanders zijn van oudsher polderaars. Dat polderen heeft natuurlijk ook een aantal nadelen. Een soms oeverloos debat over onbenulligheden. De bekende bestuurlijke drukte. Vijftig jaar discussie en debat over zeven kilometer autoweg waarvan het onderbed al sinds de jaren zeventig in Midden-Delfland klaarligt.

Maar er is ook een positieve kant aan die typisch Nederlandse overlegmentaliteit. In tijden van crisis als het er echt om spant, op momenten van maken of breken, dan staan wij er, samen, schouder aan schouder zandzakken te slepen bij hoogwater. Dat was zo bij de wederopbouw; dat was ook zo bij het akkoord van Wassenaar en dat was ook zo bij het begrotingsakkoord van het vorig jaar. En het is nu weer zo, nu het kabinet de handen ineen heeft geslagen met ChristenUnie, SGP en D66. Ik prijs die partijen die hun nek uit hebben durven steken voor pijnlijke maatregelen; pijnlijk, maar noodzakelijk om de welvaart van ons land veilig te stellen. De grootste winst van het akkoord schuilt wat de VVD-fractie betreft in het brede draagvlak voor een solide begrotingsbeleid. Het kabinet kan door met zijn hervormingsagenda. Dat komt de stabiliteit van ons land en de politiek ten goede.

De VVD is ook te spreken over de verbeteringen ten opzichte van de voorstellen die daarvoor voorlagen. Minder lastenverzwaring, meer banen en dat gefinancierd met meer bezuinigingen op de overheid, sociale zekerheid en de zorg. Wij erkennen natuurlijk dat wij ook een prijs hebben moeten betalen voor die verbeteringen. Een taks op leidingwater, een hogere belasting op personenauto's en motorrijwielen en geen verlaging van de motorrijtuigenbelasting. Wij erkennen ook dat er na het akkoord veel zuurs in het vat zit voor de mensen in Nederland.

De heer Kox (SP):

Collega Hermans begint meteen met een lofzang op het nieuwe akkoord. Terecht, ik zou misschien hetzelfde doen. Maar het klinkt toch wat vreemd uit de mond van degene die hier een jaar terug bij de algemene beschouwingen zei: we gaan toch niet meemaken dat dingen die langs politieke lijnen in de Tweede Kamer worden afgesproken hier meteen doorgevoerd worden? Dus bent u zich niet wat al te snel rijk aan het rekenen door een akkoord dat aan de overkant gesloten is? Hebt u niet gelezen dat collega Holdijk en collega Kuiper gezegd hebben dat zij zich wel verbonden voelen aan dit akkoord maar dat zij zich daaraan niet gebonden voelen. Dus bent u niet iets te vroeg met uw mededeling dat het kabinet nu verder kan? Had het kabinet zonder dit akkoord niet verder gekund?

De heer Hermans (VVD):

Dat zal moeten blijken, maar ik ga ervan uit dat er een veel bredere basis ligt voor het beleid van het kabinet op een paar heel belangrijke onderdelen. Dat betekent dat het kabinet zijn hervormingsagenda op dat punt kan voortzetten. Dat zal moeten blijken in de komende periode maar het is een verwachting die ik uitspreek namens de VVD-fractie.

De heer Kox (SP):

Mogen we dan vaststellen dat dit uw hoop is – en hoop doet leven – maar dat het eerst aan drie andere fracties is om te zeggen dat zij het akkoord dat aan de overkant is gesloten een-op-een naar hier vertalen en de door u gedroomde steun aan het regeerakkoord en de begroting geven? Zijn we het daarover eens? U mag hopen en dromen maar zij gaan over hun stemgedrag.

De heer Hermans (VVD):

Ik spreek namens de VVD-fractie in dit huis en niet namens andere fracties.

De heer Kox (SP):

Dat is goed om te horen. Dan denk ik dat het beter is als u de positie van deze Kamer, waar u vorig jaar zo op hamerde, ook overeind houdt. Fracties in deze Kamer hebben een eigen verantwoordelijkheid.

De heer Hermans (VVD):

Ik doe niet meer dan uitspreken wat de VVD-fractie ziet wat er bereikt is. Ik spreek daarbij de verwachting uit dat dit de lijn zal zijn. Dus ik denk dat wij daar de komende uren vandaag en de komende maanden mee te maken zullen krijgen.

Ik had het voorrecht op te groeien in een land waar de economie gemiddeld met 6% per jaar groeide. Met de economische crisis van 1973 halveerde dat en werd alles anders. De kentering kwam met het Akkoord van Wassenaar. Toen ontstond er breed draagvlak voor de pijnlijke maatregelen die noodzakelijk waren om de welvaart van ons land veilig te stellen. Onder leiding van premier Lubbers brachten opeenvolgende kabinetten van CDA en VVD het land op orde door te snijden in de uitdijende uitgaven van de overheid. De Dutch disease werd het Dutch miracle. Maar de groei halveerde naar 3% per jaar. En vandaag staan we weer voor een omslag. Mijn generatie verlaat mondjesmaat het arbeidsproces en de komende decennia neemt de beroepsbevolking naar verwachting af. We krijgen in het beste geval te maken met een groei van 1,5% per jaar.

Eigenlijk neem ik geen genoegen met die 1,5%. We moeten hoger willen reiken. Maar we moeten ook reëel zijn. En dat betekent dat we onze uitgaven, de uitgaven van de overheid, aan die 1,5% groei per jaar zullen moeten aanpassen. Als we dat niet doen, leggen we een tophypotheek op de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. Want dat doen we als de overheid elk jaar ruim 20 miljard euro meer uitgeeft dan zij binnenkrijgt. Dat is niet alleen onfatsoenlijk, het is ook onhoudbaar. Een hoge staatsschuld zadelt toekomstige generaties op met veel te zware lasten.

De rente is nu historisch laag. Maar stel dat die stijgt naar het niveau van pakweg 2007. Dan zijn we opeens niet 9 miljard euro per jaar aan rente kwijt, maar ruim 20 miljard. Dan moet er dus 20 miljard op de begroting gevonden worden, en dat is zonde van het geld en het getuigt zeker niet van goed rentemeesterschap.

De heer Koffeman (PvdD):

Collega Hermans doet terecht een appel op ons om geen schulden door te schuiven naar toekomstige generaties. Hij beperkt dit echter tot geld. Wij hebben een begrotingstekort van om en nabij 3% en een ecologisch begrotingstekort van 30%. De aarde biedt dus 30% minder dan wij op dit moment opmaken. Is dat iets wat u zorgen baart, mijnheer Hermans? Ziet u dat ook terug in het kabinetsbeleid? Of zegt u: geld vind ik eigenlijk belangrijker, die 3%, dan dat tekort van 30% elders?

De heer Hermans (VVD):

Nee. Dit is een heel ander onderwerp waarover ik het vandaag veel minder zal hebben. Ik heb in mijn verhaal wel een belangrijke opmerking staan ten aanzien van het topgebiedenbeleid. De overheid investeert samen met het bedrijfsleven en kennisinstellingen nadrukkelijk in een duurzame ontwikkeling van de Nederlandse samenleving. Daar ligt een geweldig grote toekomst en het biedt de Nederlandse industrie nieuwe mogelijkheden.

De heer Koffeman (PvdD):

Dat begrijp ik, maar vindt de heer Hermans dat de energie die gestoken wordt in het houden van het begrotingstekort op 3% in verhouding staat tot het verkleinen van het ecologisch begrotingstekort dat 30% is, tien keer zo groot dus?

De heer Hermans (VVD):

Als wij de financiën niet op orde hebben, hebben wij straks onvoldoende ruimte en mogelijkheden om de ecologische discussie die ongetwijfeld nog verder op ons af zal komen, goed te pareren.

De heer Koffeman (PvdD):

Er is een Indiaans spreekwoord dat als volgt luidt: als wij de laatste boom hebben gekapt en de laatste rivier vergiftigd, zullen wij erachter komen dat wij geld niet kunnen eten. Denken dat je eerst geld moet verdienen om daarna je leefomstandigheden te kunnen verbeteren, is een verkeerd uitgangspunt.

De heer Hermans (VVD):

U maakt een karikatuur van mijn opmerking, dus laat ik die maar even voor wat zij is. Ik heb dat immers niet gezegd.

Ik was gebleven bij de rente. Als de rente gaat stijgen naar het niveau van 2007 – waarom zou dat niet gebeuren? – zijn wij niet 9 miljard maar 20 miljard per jaar kwijt aan rente. Het financieren daarvan moet ook uit de samenleving komen. De opdracht voor de politiek is duidelijk, namelijk het nemen van verantwoordelijkheid voor de maatregelen die nodig zijn om onze welvaart ook in de toekomst veilig te stellen.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Ik hoor de heer Hermans spreken over de mogelijkheid van een rentestijging. Heeft hij concrete aanwijzingen dat de rente tussen nu en twee jaar significant omhoog gaat, naar het niveau dat hij noemde?

De heer Hermans (VVD):

Als ik in een glazen bol kon kijken, zou ik willen overwegen om dit huis te verlaten en een ander vak te kiezen. Ik denk dat er dan veel mogelijkheden in het verschiet zouden liggen. Ik heb geen glazen bol, ik geef alleen maar aan dat we ervoor moeten zorgen dat we onze inkomsten en uitgaven met elkaar in balans brengen. Als we dat niet doen, houden we onszelf voor de gek.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Ik hoor de heer Hermans duidelijk spreken over een toekomstperspectief met rentestanden zoals in 2007. Nu ontkracht hij dat weer. Betekent dit dat zijn uitspraak alleen maar bangmakerij is? Ik hoor graag een verklaring.

De heer Hermans (VVD):

De rente is nu historisch laag. Dat weten we. Het is dan heel reëel om in je pakket van maatregelen uit te gaan van een balans tussen inkomsten en uitgaven. Inmiddels hebben we een staatsschuld van meer dan 400 miljard. Daarover moeten we rente betalen. We weten dat we iedere keer stukken van die staatsschuld moeten herfinancieren met nieuwe staatsobligaties. Als de rente gaat stijgen, zullen er meer miljarden opgaan aan rente. Ik vind dat je daarmee rekening moet houden. Je kunt niet zeggen: het zal gebeuren. Ik denk dat het vroeg of laat wel een keer zal gebeuren, maar wanneer precies kan ik u helaas niet zeggen.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Dan laat de heer Hermans mij toch in verwarring achter. Eerst prijst hij het gesloten Herfstakkoord de hemel in. Vervolgens komt hij met een pleidooi dat de overheidsuitgaven duidelijk in balans moeten worden gebracht. Met andere woorden: ze moeten naar beneden. Ik zie hierin een tegenspraak. Met het Herfstakkoord wordt bijvoorbeeld niet zo ver in de uitgaven voor ontwikkelingshulp gesneden als zou kunnen. Dat zou een eerste goede stap kunnen zijn om inkomsten en uitgaven met elkaar in balans te brengen. Spreekt de heer Hermans zichzelf niet tegen?

De heer Hermans (VVD):

Nee. Dit kabinet heeft een aantal keuzes gemaakt. Het heeft voor de begroting voor 2014 gekozen voor een aanpak waarin een balans wordt gezocht tussen de verschillende partijen die het akkoord steunen. Er worden stappen gezet naar een begrotingsevenwicht. Dat is van heel groot belang. Wij moeten daarna nog verder, namelijk naar het afbouwen van onze staatsschuld. Die kant zullen wij uit moeten. Doen wij dat niet, dan zullen wij straks veel meer geld kwijt zijn aan rente – die rente gaat immers een keer stijgen – dan wij zouden willen.

De politiek moet dus de verantwoordelijkheid nemen voor maatregelen die nodig zijn om onze welvaart ook in de toekomst veilig te stellen. Ik refereer hierbij aan de uitspraken van president Knot van de Nederlandsche Bank, die zei: het woord is nu aan de politiek. Als geboren polderaars moeten we daarin kunnen slagen. Maar het wordt niet makkelijk en garanties op succes zijn er absoluut niet. Iedereen in Nederland zal de gevolgen merken in de eigen portemonnee. Dat is pijnlijk, maar het is nodig om uit de grootste crisis in bijna 100 jaar te kunnen komen. Het is nodig om ons land klaar te stomen voor de toekomst en het is nodig om al die honderdduizenden Nederlanders die werkloos thuis zitten perspectief te kunnen bieden op werk en een inkomen, maar ook op meedoen. Want een baan is meer dan een inkomen. Een mens leeft niet bij brood alleen.

Ons aanpassen aan een snel veranderende wereld gaat verder dan het beteugelen van de snel groeiende uitgaven van de overheid. De overheid moet niet meer uitgeven dan zij binnenkrijgt, geen cent. Het doel is en blijft een structureel begrotingsevenwicht. Dat is niet alleen een boekhoudkundige kwestie. De overheid moet ook een stapje terug doen: niet alles wat we wenselijk vinden is ook een nood waarvoor steun van de overheid nodig is. Het aandeel dat de overheid afroomt van het geld dat we met zijn allen verdienen, moet wat de VVD betreft verder omlaag. Want hoe meer de overheid van hardwerkend en ondernemend Nederland afroomt, hoe minder ruimte er overblijft voor hen die onze welvaart maken. En hoe meer ruimte we bieden aan alle ondernemende Nederlanders, in loondienst of niet, des te groter de kans dat we overeind zullen blijven in een steeds feller wordende economische concurrentiestrijd. Ik heb geen glazen bol, maar hoe meer ruimte er voor de samenleving komt, hoe beter af wij zullen zijn. Dat weet ik zeker. Onze welvaart komt immers niet van de Staat. Onze welvaart komt van hardwerkende en ondernemende Nederlanders, van mensen die risico's durven nemen, die nieuwe producten ontwikkelen, markten veroveren en welvaart en werkgelegenheid scheppen.

Om de energie en de kracht van Nederland en van de Nederlanders vrij te maken, is het nodig dat de overheid een stapje terug doet.

De heer Kox (SP):

Collega Hermans poneert weer een stelling. Willen wij vooruitgaan, dan moeten wij minder overheid hebben en meer samenleving. Vandaag publiceert Alan Greenspan een boek waarin hij schrijft dat hij het in het verleden helemaal verkeerd gezien heeft. Hij geeft aan hoe moeilijk voorspellen is. Heeft de crisis die ons overkomen is en die heeft bijgedragen aan het permanente begrotingstekort, aan de oplopende staatsschuld, aan de enorme werkloosheid, aan het totale verval van grote delen van Europa, niet alles te maken met het feit dat wij te veel aan de samenleving – lees: aan het bedrijfsleven; lees: aan het financiële kapitaal – hebben overgelaten? Was dat niet de les die zelfs iemand als Greenspan getrokken heeft? Mijnheer Hermans, is uw pleidooi voor minder overheid en meer samenleving een pleidooi om weer terug te gaan naar de tijd waarin de samenleving/het bedrijfsleven/het financiële kapitaal kon doen en laten wat men wilde? Wij hebben daarvan toch de schade ondervonden? Of hebt u een andere voorstelling van wat de samenleving gaat doen? Gaan wij wel reguleren wat het bedrijfsleven en het financiële kapitaal doen?

De heer Hermans (VVD):

De heer Kox zal het antwoord op zijn eerste vraag ongetwijfeld kennen. Natuurlijk willen wij niet terug naar de situatie waarin er ongebreideld op de financiële markten kon gebeuren wat er gebeurd is. Er zijn dingen fout gegaan, absoluut waar. "Een overheid die terugtreedt" heeft te maken met de ruimte die de overheid geeft aan mensen om zelf te ondernemen. Natuurlijk moet daarop goed worden toegezien: marktmeesterschap. Dat betekent niet dat de overheid alle wensen die er zijn meteen als noden moet definiëren en ook zelf moet gaan uitvoeren. Die balans moet terugkomen in Nederland.

De heer Kox (SP):

Het is nog maar vijf jaar geleden dat het kapitalisme implodeerde, zoals destijds op de voorpagina van de Volkskrant stond. Nu houdt u alweer een pleidooi om meer vrijheid te geven aan de samenleving, aan het bedrijfsleven, aan het financiële kapitaal. De overheid zou alleen moeten zorgen voor marktmeesters. Is dat niet heel kort van memorie? Vijf jaar terug moest u hier eigenlijk met een grote zak over uw hoofd zitten en u schamen voor uw al te vrijgevochten liberalisme. Vijf jaar later houdt u echter weer ongeveer hetzelfde pleidooi. Dat duidt niet op een lerend vermogen.

De heer Hermans (VVD):

Ik denk dat de heer Kox vanuit een heel andere maatschappijvisie naar deze samenleving kijkt. Wij bouwen op de zelfstandige kracht van mensen. Wij bouwen op mensen die talenten gebruiken. Daar drijft de samenleving op, niet op een overheid die dingen regelt. De samenleving drijft op die mensen. We zijn het erover eens dat er correcties moeten plaatsvinden en dat er controle moet zijn. Laten wij echter wel van die visie uitgaan, en niet vanuit de opvatting dat het allemaal niets is en dat de overheid het moet regelen.

De heer Kox (SP):

Ik zei niet dat het allemaal niets is. Ik constateer dat er vijf jaar geleden een enorme crisis is uitgebroken doordat de overheid, dat ene deel van de samenleving, te weinig te zeggen had over dat andere deel van de samenleving, namelijk het bedrijfsleven en het financiële kapitalisme. U pleit ervoor dat de overheid weer gas terugneemt. Dat duidt volgens mij niet op een lerend vermogen bij de VVD. U valt terug in oude fouten en dat is recidive.

De heer Hermans (VVD):

Kijkend naar de discussies in Europa over de bankenunie, geloof ik niet dat de heer Kox zijn stelling kan handhaven. De VVD is er een groot voorstander van dat de banken onder controle komen. Dat is van grote betekenis, ook voor de politieke en maatschappelijke stabiliteit in de wereld.

De heer De Lange (OSF):

Collega Hermans spreekt over een deel van de samenleving: de ondernemende Nederlander. De VVD heeft het daar altijd graag over. Ik wil benadrukken dat voor een evenwichtige samenleving ook een heel ander soort mensen van eminent belang is. Ik denk aan rechters, aan hoogleraren, aan onderwijzers en aan al die mensen die in de zorg werken. Dat zijn niet de ondernemende Nederlanders van de heer Hermans, maar dat zijn wel de mensen die de kern van deze samenleving vormen en die deze samenleving maken tot wat zij is. Daar wil ik de heer Hermans ook eens over horen. Die ondernemende Nederlander? Die riedel kennen wij nu wel.

De heer Hermans (VVD):

Dat is geen riedel. Daarop bouwt Nederland, daarop bouwen wij met zijn allen. De visie van de heer De Lange is heel anders dan onze visie. Uiteindelijk zal het moeten komen van de inzet van mensen zelf, van hun talenten en capaciteiten, van hun ondernemerszin, van het zoeken naar nieuwe markten, nieuwe producten en de duurzaamheid van producten. Al die ontwikkelingen zie je volop in Nederland, ondanks de crisis. Daar moeten wij het uiteindelijk van hebben. We moeten ervoor zorgen dat de overheid zich alleen richt op noden en niet op dingen die we politiek wenselijk achten.

De heer Thissen (GroenLinks):

Ik hoorde u de loftrompet steken over de kabinetten-Lubbers en het Akkoord van Wassenaar. We zouden het allemaal verschrikkelijk goed hebben gedaan. Dat speelde zich af in het begin van de jaren tachtig. Als ik goed reken, is dat 33 jaar geleden. In die 33 jaar heeft de VVD op 4 jaar na regeringsverantwoordelijkheid gedragen voor dit land. En toch zegt u dat er veel minder overheid moet zijn en veel meer ruimte voor de samenleving. Uw invloed is dus eigenlijk maar heel beperkt. U hebt blijkbaar last van andere partijen. U krijgt uw visie er niet door. Wat bedoelt u met "minder overheid en meer samenleving"? U zegt: wij willen bouwen op mensen met talenten. Ik ken heel veel mensen met talenten die verschrikkelijk graag willen meebouwen aan de samenleving, maar wie de toegang tot meedoen is ontzegd door slagbomen. Minister Dijsselbloem heeft het over een miljoen mensen die graag willen werken. Wat hebt u in uw visie aan hen te bieden? Of hebt u hen al financieel en sociaal afgeschreven?

De heer Hermans (VVD):

Ik beantwoord de vragen maar even in volgorde, want de heer Thissen kaart vier of vijf onderwerpen aan. Laat ik beginnen met de economische ontwikkeling. De VVD heeft vier jaar niet in het kabinet gezeten, zegt de heer Thissen. Ik heb dat niet helder voor de geest. Ik heb gezegd dat we in Nederland tot de zeventiger jaren ongeveer 6% economische groei hadden. Daarna zakte het door een internationale wereld die totaal veranderde terug naar 3%. De groei zakt nu verder terug. Namens de VVD betoog ik: zorg ervoor dat de overheidsuitgaven worden aangepast aan die realiteit. Alle activiteiten in de komende periode moeten we baseren op het feit dat we wellicht te maken krijgen met een veel lagere economische groei, een groei van om en nabij 1% à 1,5%. Dat is de kern. Wat het andere punt betreft: ieder mens heeft een talent en ieder talent moet benut kunnen worden. Dan moet er wel werk zijn en moet de Nederlandse economie concurrentiekracht hebben. Mensen moeten ruimte krijgen en dat gaat helaas niet van de ene op de andere dag. Het gaat om veranderingen in de wereldeconomie. Met dat probleem hebben we te maken. Daar moeten we aan werken, als het kan zo snel mogelijk.

De heer Thissen (GroenLinks):

Nee, dat gaat niet van de ene op de andere dag: 1.200 banen volgend jaar als gevolg van het grabbeltonakkoord en 50.000 in 2040; fantastisch, hartstikke mooi. Troostrijke woorden voor een miljoen mensen die graag willen werken, zoals de minister van Financiën dat noemt. Vanaf 1973 heeft de VVD 40 jaar in opeenvolgende coalities gezeten en invloed kunnen aanwenden. Toch heeft zij niet kunnen voorkomen dat de overheid is gegroeid, dat de crisis heeft toegeslagen en dat de overheidstekorten zijn opgelopen. Wat is uw rol eigenlijk? Waar zit uw doorzettingsmacht? Waar zit uw creativiteit? Waar zit uw kracht om te doen wat u altijd zegt te willen doen? Blijkbaar is het niet voldoende. De tekorten lopen immers op, de schulden lopen op, de crisis slaat toe en veel mensen die graag een hardwerkende Nederlander willen zijn staan aan de kant. Reflecteer eens op uw eigen rol in de afgelopen 40 jaar.

De heer Hermans (VVD):

In 2007, voor deze crisis, waren de overheidsfinanciën in balans. We hebben zelf afgelost op onze staatsschuld, onder leiding van minister Zalm. Daarna hebben wij de crisis gekregen. Naar onze mening is er te laat ingegrepen door het toenmalige kabinet. We hebben er niets aan om achteraf verwijten te maken, maar dat is de situatie waarmee we te maken hebben. Sinds 2007 hebben we 110 miljard meer uitgegeven dan er binnenkwam. Daar heb ik het over. Daar moeten we mee ophouden. Dat kunnen we niet volhouden. Stimuleren lijkt prachtig, maar het werkt niet. Veel lekt gewoon weg. We moeten voor de overheidsfinanciën uitgaan van de economische realiteit dat de groei 1% à 1,5% is en niet veel meer. Als we daarop onze begroting baseren, moeten we nu naar 1% naar 1,5% toegaan, net zoals we destijds van 6% naar 3% gingen. Doen we dat niet, dan leggen we een tophypotheek op toekomstige generaties.

Ik had het over de kracht van Nederland zelf. Je ziet dat ook in de ontwikkeling van onze samenleving. Mensen nemen steeds meer het heft in eigen hand. Ze redden in het Noord-Hollandse Limmen een zwembad dat met sluiting werd bedreigd. Maar ook in de grote steden weten mensen elkaar even goed te vinden als in een dorpsgemeenschap. In het Amsterdamse IJburg richtten bewoners samen een kringloopbibliotheek op, de FlexBieb. Ook bedrijven kijken voor financiering niet langer uitsluitend naar Staat of bank. Via crowdfunding halen ze geld op, net als muziekverenigingen, theatergezelschappen en kunstenaars. Het begon bescheiden met 13 miljoen aan crowdfunding vorig jaar. Dat bedrag hadden we dit jaar in juni al bereikt. Het ministerie van Economische Zaken verwacht dat de teller in 2015 een kwart miljard bereikt. Ook kennis wordt steeds meer samen gemaakt. Ik wijs op het voorbeeld van de land- en tuinbouw waarin het bedrijfsleven samen met de overheid en kennisinstellingen de afgelopen jaren een enorme internationale positie heeft weten op te bouwen. Neem de High Tech Campus van Eindhoven. Dat is een mooi voorbeeld van samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheid. Of neem het internet. Mensen beleven er intrinsiek plezier aan om hun kennis op deze manier met anderen te delen. De minister-president heeft volkomen gelijk als hij stelt dat de burger al een stap verder is en de overheid een inhaalslag moet maken.

Ik prijs het kabinet voor de ambitie om de uitgaven aan zorg, toelages en sociale zekerheid onder controle te brengen door van mensen te vragen wat ze zelf kunnen bijdragen, in plaats van ze te zien als automatisch hulpbehoevend. Ik prijs eveneens de ambitie van het kabinet om achterstallig onderhoud te plegen aan de arbeidsmarkt, aan de woningmarkt, aan de pensioenen en aan het onderwijs. Op elke hervorming valt kritiek te leveren. Het gaat niet ver genoeg of het schiet juist door. Het komt te laat of juist te vroeg. Maar het zijn wel stuk voor stuk hervormingen waarover decennialang eindeloos is gepalaverd, gesoebat en gepraat. Het zijn stuk voor stuk hervormingen die nodig zijn om ons land klaar te stomen voor de toekomst. Stuk voor stuk hervormingen ook die de eindeloze energie zullen losmaken die in onze samenleving schuilt. De VVD-fractie ziet de wetsvoorstellen van het kabinet dan ook met meer dan grote belangstelling tegemoet.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik kan een heel eind meegaan met het betoog van collega Hermans. Vindt hij dat de hervormingen waar hij op doelt ook hard genoeg gaan?

De heer Hermans (VVD):

Je kunt zeggen dat ze niet snel genoeg of niet ver genoeg gaan. Maar ze komen eraan! Er is jarenlang gesproken over flexibilisering van de arbeidsmarkt. Dat kwam nooit van de grond. Het kabinet heeft een sociaal akkoord gesloten waarin dat staat! Werkgevers en werknemers hebben elkaar gevonden. Je kunt zeggen: haal het nog een jaar naar voren toe. De balans tussen werkgevers en werknemers voor dat draagvlak vinden ook wij van groot belang. Het kabinet heeft een sociaal akkoord bereikt en een aantal hervormingen naar voren weten te halen. Van ons had het allemaal veel eerder gemogen, maar we moeten wel bezien of we daarvoor politiek en maatschappelijk draagvlak hebben. Draagvlak is niet alleen blijven praten, maar nadrukkelijk ook keuzes maken. Ik vind dat het kabinet dat nadrukkelijk doet.

De VVD-fractie voelt enig gezond ongeduld. Er is al de nodige tijd verloren gegaan. Nederland snakt naar duidelijkheid. De mensen hebben er recht op te weten waar ze aan toe zijn. Nederland wil vooruit. En Nederland gaat ook steeds meer vooruit. De eerste tekenen van herstel dienen zich aan. De wereldhandel en onze export trekken aan. De industriële productie vertoont de sterkste groei in zeven jaar. De woningmarkt krabbelt overeind. Het vertrouwen van de consument stijgt. De AEX sloot onlangs op het hoogste punt in een jaar. Het aantal openstaande vacatures neemt volgens het UWV de komende jaren sterk toe. Vanmorgen kwam het bericht dat het ondernemersklimaat is verbeterd. Dat zijn allemaal punten die laten zien dat langzaamaan een omdraai gemaakt wordt. Het is wellicht te vroeg om te zeggen dat de zeven magere jaren nu achter ons liggen. Maar er is grond voor de hoop en het optimisme waar dit land zo naar verlangt.

Er wordt wel eens beweerd dat het kabinet een fout heeft gemaakt door te gaan regeren zonder een meerderheid in deze Kamer. Die kritiek doet echter geen recht aan de conduitestaat van dit huis. Waar de Tweede Kamer de politieke overwegingen op de eerste plaats zet en de wetstechnische op de tweede, ligt in dit huis het primaat bij wetgeving en kwaliteit van wetgeving. De kritiek op het kabinet gaat ook geheel voorbij aan het snel veranderende politieke landschap. De verkiezingen voor de Tweede Kamer en die voor de Provinciale Staten lopen bijna nooit parallel. Dat was natuurlijk in 1980 ook al zo, maar Nederlanders wisselen sneller dan ooit van politieke voorkeur. In 1963 wisselden 9 zetels van kleur bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer. In 1977, toen ik in de Kamer kwam, waren dat er 19. En nu, in 2012 waren het er maar liefst 46. Dat leidt bijna automatisch tot grote complexiteit in besluitvorming, wie er ook aan het roer staat. De meerderheid van vandaag kan morgen de minderheid zijn. Dat is weliswaar geen zekerheid, maar wel een scenario waarmee we de komende jaren serieus rekening moeten houden.

Is dat een probleem voor dit huis? De Eerste Kamer heeft van de bijna 300 wetten van het afgelopen jaar er slechts 3 afgewezen. Bewijst het akkoord over de begroting van 2014 niet dat met die complexiteit goed te leven valt? En is het zoeken naar meerderheden niet de kern van het werk van een politici? Maakt die complexiteit niet het beste in ons wakker? De wil er samen de schouders onder te zetten, om zakken door te geven bij hoog water?

De heer Kox (SP):

Voor mij, afkomstig van de Brabantse zandgrond, blijven polders wat ingewikkeld. Voor ons is dat een enigszins vreemd verschijnsel.

De heer Hermans (VVD):

Nederland is iets groter dan Brabant. Dat weet u, toch?

De heer Kox (SP):

Ja, maar Nederland is ook iets groter dan Holland en dat vergeet u wel eens.

De heer Hermans (VVD):

Friesland ook, dat klopt.

De heer Kox (SP):

Op het gevaar af dat u net als collega Brinkman zegt dat ik uw tekst moet lezen, stel ik u de volgende vraag. U zei zo-even: dankzij drie oppositiepartijen in de Tweede Kamer kan dit kabinet voort. Ik vroeg al of het kabinet zonder dat akkoord had moeten stoppen. Nu zegt u echter: eigenlijk was er helemaal geen probleem. Drie zinnen daarvoor zei u: er is al te lang gewacht, we hebben te weinig gedaan. Een creatieve inbreng is goed, maar jezelf in een speech drie keer tegenspreken begint een beetje problematisch te worden. Had het kabinet voort gekund zonder dat akkoord van de overkant? Of zegt u, in tegenstelling tot wat u een jaar geleden zei, dat een minderheid in de Eerste Kamer eigenlijk toch een probleem is? U moet wel ergens kiezen, mijnheer Hermans.

De heer Hermans (VVD):

Ik heb aangegeven dat we in Nederland gewend zijn om te polderen en met elkaar tot akkoorden te komen. Als het echt heel moeilijk wordt, zetten we er samen de schouders onder. En het is heel moeilijk. Hoe meer schouders eronder, hoe meer handen die zakken kunnen doorgeven, des te beter de polder kan worden beschermd tegen het hoge water.

Dat heb ik betoogd. Ik wil nu ingaan op de positie van de Eerste Kamer en het feit dat de complexiteit van ons politieke systeem enorm is toegenomen door de heel snel wisselende meerderheden in de Nederlandse samenleving. Ook door de verschillende tijdstippen van verkiezingen kunnen zich extra problemen voordoen. Het vinden van werkbare meerderheden in de Tweede en in de Eerste Kamer om te komen tot een politieke opstelling van het kabinet wordt hierdoor lastiger. Dat loopt als een "blauwe draad" door mijn betoog.

De heer Kox (SP):

De vraag was: had het kabinet voort gekund met een minderheid in deze Kamer, of niet? Vorig jaar beweerde u het tegenovergestelde. Ik ben niet van de polder, zei ik al. Het beeld dat de polder bij hoogwater beschermd moet worden met zandzakken op de dijken, getuigt van een beperkte visie. In principe moet je ervoor zorgen dat de dijken goed genoeg zijn. Het is de vraag of het kabinet niet juist bezig is om de dijken structureel te ondermijnen. Nog eens: is het een probleem dat uw kabinet geen meerderheid heeft in deze Kamer of niet? U moet kiezen voor het een of het ander.

De heer Hermans (VVD):

Dat is net zo'n multiplechoicevraag uit een televisiequiz. Ik ga daar niet op in. Ik geef in mijn betoog aan hoe het naar de mening van de VVD-fractie in elkaar zit. Ik leg uit hoe we daarop insteken, hoe we die zaken aanpakken. Ik heb het niet over de vraag of het kabinet al dan niet had door gekund. Ik heb het over de situatie op dit moment. Ik zie een breed draagvlak. Het kabinet heeft gezocht naar draagvlak buiten de politiek en het zoekt naar draagvlak binnen de politiek. Dat lijkt mij in een situatie van economisch hoogwater heel verstandig.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik heb collega Hermans horen zeggen dat hij het spannend vindt. Kiezers wisselen en meerderheden wisselen. Over de rol van de Eerste Kamer zegt hij: die is zoals die is. Mijnheer Hermans, wat vindt u dan van de uitspraken van uw fractiegenoot Frank de Grave, die iedere keer in de media doet voorkomen alsof we met een onwerkbare constructie in de Eerste Kamer zitten?

De heer Hermans (VVD):

Interrupties halen vaak de lijn uit je verhaal. Ik kom straks op de rol van de Eerste Kamer en de manier waarop de VVD-fractie daar tegenaan kijkt.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

U bent een groot voorstander van polderen. Dat ben ik ook. Het is een groot goed dat we goed overleg hebben in ons land. Was het dan niet beter geweest om bij de formatie van dit kabinet te overwegen om een vijfpartijencoalitie te maken?

De heer Hermans (VVD):

Bij de formatie en de verkenning is nadrukkelijk naar voren gekomen dat de twee partijen die nu de coalitie vormen, het zouden moeten gaan doen. Voor die lijn is gekozen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

U geeft nu een formeel antwoord.

De heer Hermans (VVD):

Dat is niet formeel, dat is de realiteit.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Dat hebben we al heel vaak gehoord, maar de akkoorden die nu telkens gesloten worden, stellen u eigenlijk in het ongelijk. Achteraf was het wellicht toch beter geweest om bij de formatie van het kabinet meer te letten op de verhoudingen in beide Kamers en om effort te steken in een vijfpartijencoalitie.

De heer Hermans (VVD):

Ik heb al gezegd dat ik zo kom te spreken over de positie van de Eerste en de Tweede Kamer. Het kabinet zoekt naar een zo breed mogelijk draagvlak. Dat is de opgave waarvoor het zich gesteld ziet, zowel binnen als buiten het parlement. Ik vind dat een goede zaak. Ik wil iets zeggen over de verhouding Tweede versus Eerste Kamer.

Ons snel veranderende politieke landschap, en de daarmee gepaard gaande complexiteit, dwingen ons om stil te staan bij de vraag hoe de Eerste en de Tweede Kamer zich tot elkaar verhouden. Want het is geen aantrekkelijk vooruitzicht voor de regeerbaarheid van ons land als alleen kabinetten met brede meerderheden in beide Kamers levensvatbaar kunnen zijn. Het doubleren van de rol van de Tweede Kamer in de politieke afweging heeft in mijn ogen sowieso geen enkele toegevoegde waarde. En, erger nog, het leidt in het ergste geval tot een blokkade van de besluiten van de Tweede Kamer, een Kamer met leden die, anders dan wij, rechtstreeks gekozen zijn.

De discussie hierover is 30 jaar geleden ook al gevoerd in dit huis. In oktober 1980 bogen onze voorgangers zich over de herziening van onze Grondwet. Ere wie ere toekomt: senator en staatsrechtsgeleerde Jan Vis van D66 sprak destijds profetische woorden uit over de rol van de senaat. Vis stelde dat de nieuwe Grondwet een fundamentele weeffout bevatte op het punt van de verkiezing van haar leden. Voor de grondwetswijziging werd eens per drie jaar de helft van de senaat vervangen. Daardoor was er een vertraging en een schokdempend effect in het doorgeven van politieke verschuivingen. Op grond van de nieuwe Grondwet echter wordt de Eerste Kamer eens per vier jaar gekozen, in haar totaliteit. Hierdoor loopt de Eerste Kamer geregeld voor op de Tweede in het weerspiegelen van de actuele publieke opinie. Een politisering van de Eerste Kamer ligt dan op de loer, zo stelde Vis. Een politisering die verergerd zou worden door de snel wisselende kiezersvoorkeuren en de daaruit voortvloeiende politieke krachtsverhoudingen.

Wat de VVD betreft, is het de hoogste tijd om die oude onafgemaakte discussie weer op te pakken. Want de afgelopen maanden is er volop gediscussieerd over de rol van de Eerste Kamer: in talloze columns, analyses en beschouwingen in de media en ook aan de overkant. Het kabinet heeft de Tweede Kamer immers een notitie toegezegd over de verhouding tussen die Kamer en de onze. Maar hier, in dit huis, hebben we ons er niet over gebogen. Althans, niet recentelijk. Dat vind ik toch vreemd. Er staat een olifant in huis en we zeggen dat hij er niet is. Wij moeten die discussie hier zelf ook voeren. Artikel 51, lid 1, van de Grondwet is kraakhelder: het politieke primaat ligt bij de Tweede Kamer; niet in dit huis, maar aan de overkant. Wij hebben deze bepaling van oudsher vertaald in een rol als toetser van wetten op rechtmatigheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid. Het is aan het kabinet om met deugdelijke wetgeving te komen of om wetgeving die in de Tweede Kamer "kapot is geamendeerd" alsnog in te trekken of te herzien.

De heer Nagel (50PLUS):

Laten wij er even van uitgaan dat de wetgeving goed is verwoord en dat er om die reden niet tegengestemd hoeft te worden. Dan is het toch logisch dat men stemt conform de opvattingen van de overzijde, juist als de Eerste Kamerfracties geen eigen politieke mening hebben? Of pleit de heer Hermans ervoor dat sommige fracties dan maar moeten ingaan tegen het standpunt van hun eigen fracties in de Tweede Kamer, die rechtstreeks gekozen zijn, om zo het kabinet aan een meerderheid te helpen?

De heer Hermans (VVD):

Ik probeer in mijn betoog aan te geven dat we die discussie met elkaar moeten voeren. In de Tweede Kamer staat de politieke afweging voorop. In de Eerste Kamer staat de kwaliteit van de wetgeving voorop en pas daarna komt de politieke afweging. Het kan goed zijn dat er hetzelfde gestemd wordt, maar er kan ook verschillend gestemd worden. In een aantal gevallen gebeurt dat ook. Ik probeer aan te geven dat we die discussie met elkaar moeten voeren. Als ik nu al een mening zou hebben, zou ik die wel naar voren brengen. Het is ook aan het kabinet om te bekijken of wetgeving voldoende consistent en voldoende ingebed is en of er door amenderingen in de Tweede Kamer geen wetssystematiek is ontstaan die het voor ons moeilijk maakt om de wet te accepteren.

De heer Kox (SP):

In een debat mag je van mening verschillen, maar je mag ook tot overeenstemming komen. Ik ben erg blij met de woorden van collega Hermans dat behalve het kabinet ook deze Kamer de taak heeft te discussiëren over de vraag wat onze rol en wat de rol van het parlement als zodanig in de toekomst moeten zijn. Dat is een stuk beter dan de "losse flodder"-politiek die we de afgelopen tijd van met name uw collega aan de overkant hebben gehoord. Hij riep: als ze vervelend zijn, schaffen we ze gewoon af. Dat doen ze in bananenrepublieken, maar in ons land …

De heer Hermans (VVD):

Zo heeft hij het niet gezegd, maar goed.

De heer Kox (SP):

Zo werd het wel opgepikt: Zijlstra wilde de Kamer afschaffen omdat zij dwarslag. Ik wil concreet van u horen hoe u het ziet. Gaan wij een commissie instellen die hierover serieus gaat nadenken? Als u die stap zet, moeten wij dat ook echt doen. Ik vind dat wij het aan onze stand verplicht zijn om niet op de regering te wachten. De Eerste Kamer moet vooral ook zelf nadenken over haar toekomst. Als wij het daarover eens kunnen zijn, is dat de winst van dit debat.

De heer Hermans (VVD):

Ik breng dit punt nu op omdat er veel meer buiten dit huis dan in dit huis over dit onderwerp gesproken wordt. Ik vind het niet meer dan logisch dat we hierover spreken. Ik ben zondermeer bereid om in het Seniorenoverleg met andere fractievoorzitters te bezien op welke wijze we er het beste inhoud aan kunnen geven.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik weet waar u naartoe wilt. Een paar maanden geleden hebben wij een groot debat gehad over het functioneren van de Eerste Kamer. Collega Thom de Graaf heeft er het woord over gevoerd, net als andere woordvoerders. Bij die gelegenheid heb ik deze bespiegelingen niet gehoord. De afgelopen tijd kregen wij in de opmaat naar besluitvorming stemmingmakerij over wat de Eerste Kamer wel of niet vermag. U citeerde net de heer Vis, een oud-partijgenoot van mij. Mag ik uw partijgenoot, de heer Wiegel, citeren? De Eerste Kamer moet te allen tijde haar politieke tanden houden, want het is ook een politiek huis. Dat zei Wiegel. Er wordt nu veel gepraat, maar de afgelopen periode is er nauwelijks aanleiding geweest voor de veronderstelling dat de Eerste Kamer buiten haar boekje is gegaan en dingen heeft nagelaten die zij moest doen. Nu worden er allemaal zalvende woorden gesproken, in de trant van "we moeten weer eens goed met elkaar in overleg". Bent u nu aanhanger van de Vis-leer of van de Wiegel-leer? Bent u het eens met uw collega-senator De Grave die in kranteninterviews steeds beweerde dat de Kamer ver buiten haar boekje dreigde te gaan?

De heer Hermans (VVD):

Mag ik eens een tegenvraag stellen? Is de heer Van Boxtel nog steeds voorstander van zijn eigen verkiezingsprogramma? Ik doel dan op het afschaffen van de Eerste Kamer.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik geef daar meteen antwoord op: ja. Nu graag uw antwoord.

De heer Hermans (VVD):

Wij zullen met elkaar moeten spreken over de verschillende mogelijkheden op dat terrein en niet de anderen over ons laten spreken. Wij moeten fundamenteel kijken naar de verschillende varianten; niet in een los debat. Het kabinet komt met een notitie, maar wij moeten zelf ook kijken.

De heer Van Boxtel (D66):

Afgelopen week las ik een mooi stuk over de verschillende opvattingen binnen de PvdA-fractie in dit huis. Ik vraag het u nog een keer, heel concreet. Uw fractiegenoot De Grave heeft bij nacht en ontij steeds geroepen: de Eerste Kamer moet niet buiten haar boekje gaan. De heer Noten had het over allerlei fenomenen. Deelt u de opvatting van de heer De Grave of zegt u: nee, dat hebben wij helemaal nog niet meegemaakt? Ik maak het concreet. De behandeling van de Pensioenwet is buitengewoon secuur in dit huis verlopen, wat stemverheffingen daargelaten. In het FD van afgelopen zaterdag zegt De Grave hierover in een interview: dit was weer een prototype van oplopende politiserende verhoudingen. Ik heb daar helemaal niets van gemerkt. Het ging echt om de toetsing van de kwaliteit van de wetgeving.

De heer Hermans (VVD):

Er zijn verschillende interpretaties en verschillende standpunten, in en buiten dit huis. Als het over onszelf gaat, lijkt het mij niet meer dan logisch om hierover te spreken met elkaar.

De discussie met betrekking tot de interpretatie van onze Grondwet over de exacte rol van ons huis maakt dat er geen juridische obstakels zijn die een politisering van de Eerste Kamer kunnen voorkomen. En dat terwijl het voor de Eerste Kamer wel kiezen of delen is. Willen wij onze rol behouden als toetser van wetgeving, dan moeten we niet op de stoel van de Tweede Kamer gaan zitten. We kunnen inhoudelijk van alles vinden van een wet, maar als die juridisch deugt, kunnen we niet met goed fatsoen tegenstemmen, ook al hebben we een eigen politieke afweging. Dan doen we in feite onszelf tekort. Want onze toegevoegde waarde is vaak groot. Denk aan de door ons sterk verbeterde Politiewet. Of aan het tegenhouden van de door amendering onuitvoerbare wetgeving over de rituele slacht. Deze Kamer zei daarover: op deze manier is het wetsvoorstel verslechterd.

Het debat over het functioneren van ons parlementaire stelsel en over de verhouding tussen de Eerste en de Tweede Kamer heeft al vele suggesties en opvattingen opgeleverd. Sommigen pleiten voor de afschaffing van de Eerste Kamer. Een constitutioneel hof zou beter toegerust zijn om wetten juridisch te toetsen. Dat is het Duitse model. Anderen breken een lans voor een terughoudendheidsnorm voor de Eerste Kamer. Echter, zonder nadere invulling heeft zo'n norm weinig tot geen betekenis.

Veel voorstellen zien wij in de richting gaan van een terugzendrecht, waarbij de Tweede Kamer het laatste woord houdt over een wetsvoorstel. Er is bovendien nog het voorstel om de Eerste Kamer zelfs een uitbreiding van bevoegdheden te geven, namelijk het amendementsrecht. Naar analogie met het Britse tweekamerstelsel wordt dan de finale beslissing bij de Tweede Kamer gelegd.

Een ander voorstel is om de wetten die in de Eerste Kamer zijn afgewezen, opnieuw in stemming te brengen in de Tweede Kamer, ze nogmaals naar de senaat te sturen en daarbij duidelijk aan te geven dat de Tweede Kamer de wet wel aangenomen wil zien. Voortbordurend op de analyse van Vis, is er dan nog een optie. Misschien kan een herstel van het eens per drie jaar kiezen van de helft van de senaat een dempend effect hebben op de politieke complexiteit en op de aanvechting om op de stoel van de Tweede Kamer te gaan zitten.

Last but not least, is het parlementaire systeem van Nederland in de wereld vrijwel uniek met het budgetrecht van de Eerste Kamer. Dat kom je weinig tegen bij een senaat. Ik vind toch dat wij die punten eens op een rij moeten zetten en daarnaar moeten gaan kijken.

De heer Brinkman (CDA):

Het laatste punt interesseert mij in het bijzonder omdat collega Hermans aan het slot van zijn interventie op het punt van de positie van de Eerste Kamer geleidelijk aan de stelling lijkt te gaan betrekken dat er echt iets moet veranderen omdat het budgetrecht hier toch verkeerd wordt geïnterpreteerd. Laten wij ons nu eens voorstellen dat er de volgende keer verkiezingen worden gehouden met als uitkomst dat de VVD niet participeert in een dan te vormen kabinet en dat dat nieuw te vormen kabinet bijvoorbeeld een belastingwet zou maken waarin de hypotheekrenteaftrek helemaal van tafel gaat, terwijl er conform het voorstel van president Hollande, een toptarief in de belastingen van 60% komt. Ik noem dit hier om een zekere casus te bespreken. Zou collega Hermans dan nog steeds voor een grondwetswijziging zijn zoals hij die hier op het laatste punt initieert?

De heer Hermans (VVD):

Ik hoop dat de collega's luisteren. Ik heb niet gezegd dat dit is wat er zou moeten gebeuren. Wij zien allerlei verschillende voorstellen de revue passeren. Over alles wordt door iedereen gesproken. Mijn voorstel is om hierover met elkaar te spreken en te bekijken wat zou kunnen, wat zou moeten, wat wij wenselijk zouden vinden. Is het noodzakelijk om tot wijzigingen te komen? Hebben wij nu niet te maken met de enorm wisselende en complexe kiezersvoorkeuren, die in feite de besluitvorming extra moeilijk maken in Nederland? Dat soort elementen wil ik er een keer uithalen. Ik zal niet zeggen dat ik mij erger, maar ik lees wel met stijgende verbazing dat overal commentaren worden gegeven over wat de Eerste Kamer wel en niet zou moeten doen, wat de Eerste Kamer wel en niet verkeerd doet. Tegelijkertijd houdt de Eerste Kamer zelf ten principale, met de verschillende mogelijkheden die er zijn, de zaak niet eens goed tegen het licht om te kijken wat het best zou kunnen.

De heer Brinkman (CDA):

Bent u het niet met mij eens dat, een beetje in aansluiting op wat collega Van Boxtel zei, toch op zijn minst de indruk bestaat dat er nu om opportunistische redenen wordt gezocht naar een heropening van de discussie? Het is toch evident – dat was in ieder geval de aanleiding voor mij om erover te beginnen – dat een begrotingswet aanvaarden of niet uiteindelijk slechts een machtiging is tot het doen van uitgaven binnen wettelijke kaders, die dan meestal in een andere wet moeten worden aangegeven? Dus je kunt niet zonder meer dat budgetrecht splitsen van de organieke wetgeving. Zo is er naar mijn mening nog heel veel te bestuderen. Waar ik dus bezwaar tegen maak is dat nu weer ineens de Grondwet zou moeten worden aangepast, een beetje omdat het allemaal zo moeilijk wordt om de begroting op tijd door het parlement te krijgen. We hebben hier vandaag wel belangrijker dingen te bespreken, bijvoorbeeld het hele uitgavenpakket, de organieke wetten die daarmee verbonden zijn en zo nog wat meer. Dus ik wacht graag het antwoord van de minister-president af, maar ik vind dit een beetje opportunistisch, collega!

De heer Hermans (VVD):

Voorzitter. Nogmaals, u hebt mij horen zeggen dat er vele voorstellen en ideeën op tafel worden gelegd. Ik vind het noodzakelijk dat deze Kamer daar zelf over spreekt. Je kunt niet zeggen: er staat geen olifant in deze Kamer, want die staat er wel en daarover moeten wij dus een keer praten. Dat is wat ik heb willen aangeven. Er zijn verschillende variaties en de belangrijkste is, zoals wij ertegenaan kijken, hoe belangrijk de Eerste Kamer in haar rol als kwaliteitsbewaker van de wetgeving behoort te zijn.

De heer Thissen (GroenLinks):

Ik ben nu vanaf oktober 2004 lid van dit nobele gezelschap, van de Staten-Generaal. Ik heb in al die negen jaar gezien dat deze Kamer gewoon zijn werk doet, door te toetsen op kwaliteit, op consensus, op innerlijke consistentie, op uitvoerbaarheid en op handhaafbaarheid van wetten. Uiteindelijk maken wij, want wij zijn met ons vijfenzeventigen ook gewoon allemaal politici, onze politieke afweging of wij iets gewenst vinden of niet. Dat doet u, dat doen wij ook. Ik hoor u hier eigenlijk staan praten als een soort commentator, alsof u er zelf niet bij hoort. Ik zou nu graag eens van u willen horen, in aansluiting op wat mijn goede collega Roger van Boxtel daarover vroeg, waar u nu zelf staat in uw opvatting over de Eerste Kamer. Wat vindt u nu, als u al die commentaren van buiten tot u laat komen? Wat is uw opvatting over hoe wij ons werk hier doen?

De heer Hermans (VVD):

Als je de discussie wilt aangaan met een open mind, dan betekent dat dat je zegt: mijn idee is dat deze Kamer goed werk levert. Mijn idee is ook dat de complexiteit van de politieke verhoudingen in Nederland vereist dat we daar goed naar kijken met elkaar. Dat is de insteek. Een aantal ideeën heb ik op een rijtje gezet, en dan zeg je: we zouden daarover eens met elkaar moeten praten. Hebben we een van die punten nodig om het systeem sterker te maken? Dat is het enige wat ik hier voorleg. Iedereen die probeert om ons in de mond te leggen dat wij voor of tegen afschaffing zouden zijn, zeg ik dat dat niet aan de orde is. Ik heb hier nadrukkelijk aangegeven dat wat ons betreft die discussie moet worden gevoerd. Als je die discussie aangaat terwijl je al weet wat de uitkomst is, hoef je die net zo goed niet te voeren.

De voorzitter:

Kort, mijnheer Thissen.

De heer Thissen (GroenLinks):

Voorzitter, mag ik collega Hermans dan voorstellen dat wij gewoon doorgaan met ons goede werk hier?

De heer Hermans (VVD):

Voorzitter, de heer Thissen ziet de olifant schijnbaar niet staan!

De heer De Lange (OSF):

Ik heb de laatste tien minuten naar collega Hermans geluisterd. Hij geeft mij toch het gevoel dat ik bij de verkeerde bijeenkomst zit. Ik dacht dat wij hier vandaag waren om het debat te voeren met de regering over het beleid, in de algemene politieke beschouwingen. Ik dacht niet dat het doel van dit debat was om als Eerste Kamer naar de eigen navel te staren. Dat is waar wij de afgelopen tien minuten wel mee bezig zijn.

De voorzitter:

Is dat een vraag aan de heer Hermans? Nee, dit is een opmerking van uw kant.

De heer Hermans (VVD):

Voorzitter. Wat al die voorstellen met elkaar gemeen hebben, is dat zij een wijziging van de Grondwet zouden vereisen. Dat is een proces waar al snel een jaar of zeven mee is gemoeid. Dat is naar onze mening niet een reden om het onderwerp te laten rusten. Het is wel een reden om de discussie nu een keer echt goed te voeren met elkaar. Want de politieke realiteit van de afgelopen maanden is geen anomalie. Het is waarschijnlijk het nieuwe normaal.

Dat brengt mij op een vraag aan de minister-president waarover in de Tweede Kamer ook is gesproken. Toen is toegezegd om te komen met een onderzoek of een notitie aan de Tweede Kamer over de Eerste Kamer. Naar onze mening zou dat een notitie moeten zijn over de verhouding tussen de Eerste en de Tweede Kamer en hoe die verhouding eruit ziet. Die voorstellen acht ik van groot belang om te kijken hoe wij daar ook in dit huis over discussiëren en hoe daar van de kant van het kabinet tegenaan wordt gekeken.

Ik kom tot een slot. Als liberaal ben ik een optimist over de toekomst die ons land te wachten staat. Ik ben trots op wat mijn ouders en grootouders hebben opgebouwd. Ik heb een rotsvast vertrouwen in de kracht, in de kennis en in de kunde van de generatie van onze kinderen. Minister Bussemaker schreef onlangs dat van alle kinderen die nu op de basisschool zitten, 65% een baan krijgt die nu nog niet bestaat. Dat is een mooie illustratie van de onkenbaarheid van de toekomst. Dat is aan de ene kant eng, maar aan de andere kant ook mooi en spannend. Die wetenschap – of liever gezegd: het gebrek daaraan – geeft mij goede hoop. Hoop op de nieuwe generatie en haar talenten. Zij is het die Nederland straks gaat maken. Zij is het die de zandzakken onderling zal doorgeven als het water stijgt.

Nederland heeft een stevig fundament, een fundament waardoor we de toekomst met vertrouwen tegemoet kunnen zien. We zijn nog steeds een van de meest welvarende landen van de wereld. Maar dat fundament spreekt niet vanzelf. Het fundament van ons land vergt werk, inspanning en onderhoud. Het vergt investeringen in onderwijs dat het beste uit de talenten van leerlingen haalt en dat hen klaarstoomt voor een waardevolle bijdrage aan de samenleving. Het vergt dat we onze uitgaven in evenwicht brengen met onze inkomsten. Het vergt dat we ons stelsel van sociale zekerheid aanpassen aan een samenleving die steeds meer het heft in eigen hand neemt. Het vergt van de politiek vooral oog voor de lange termijn, een gevoel van verantwoordelijkheid en bewustzijn van de beperkingen van wat een overheid eigenlijk vermag. Het vergt van ons ook een bereidheid om de werking van onze democratie en van onze politieke instituties van tijd tot tijd kritisch te bezien. Wij zijn daar als geboren polderaars heel goed toe in staat. Juist als het water hoog staat, weten we elkaar te vinden.

Vorig jaar, demissionair kabinet of niet, verkiezingen in aantocht of niet, onder stoom en kokend water, kwam er ondanks alles een begrotingsakkoord tot stand. Ik zat die week, zoals wel vaker, in de auto en ik hoorde het commentaar van een Londense bankier waar ik nu mee afsluit: "That's how we know the Dutch".

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Voorzitter. Wellicht herinneren een aantal leden van deze Kamer zich dat ik tijdens de vorige algemene politieke beschouwingen al direct in de eerste termijn een motie van wantrouwen heb ingediend tegen dit kabinet. Tot mijn spijt heeft die motie het toen niet gehaald. Ik kan u echter verzekeren dat de leden van mijn fractie nog steeds geen enkel vertrouwen hebben in dit kabinet, en wel om een aantal redenen.

Ik begin met de verslechterende economie. De situatie van Nederlandse gezinnen is in vergelijking met een jaar geleden alleen maar slechter geworden. Toen wij in december 2012 met elkaar spraken, was de werkloosheid opgelopen tot zo'n 7%. Inmiddels ligt dit percentage boven de 8,5. Bijna 700.000 mensen zijn op dit moment werkloos. Iedere dag verliezen honderden mensen hun baan. Iedere dag gaan tientallen bedrijven failliet. Het kabinet trekt een spoor van ellende en verdriet door de samenleving. Het kabinet-Rutte II is niet alleen ziende blind voor de cijfers die er niet om liegen, maar is ook onbetrouwbaar. Belofte na belofte wordt door deze premier gebroken en één ding is iedereen wel duidelijk: dit kabinet zit er niet voor de mensen thuis, dit kabinet zit hier voor zichzelf, voor het pluche dat zo lekker plakt, terwijl het ondertussen zonder slag of stoot de orders vanuit Brussel opvolgt. Het heeft mij werkelijk geschokt dat onze premier zonder enige schaamte verklaarde dat hij zelf niet hoeft te bezuinigen, want hij heeft een goed betaalde baan. Dat is onbeschaamd als je bedenkt dat aan het einde van deze dag, aan het einde van dit debat, weer honderden mensen in Nederland hun baan hebben verloren. Misschien wel de Annie en Wim van de heer Brinkman.

Inmiddels ligt er naast de miljarden aan lasterverzwaringen uit eerdere begrotingen sinds 11 oktober een pakket van 6 miljard dat nog eens miljarden aan lastenverzwaringen hier bovenop gooit. Dat is een intensivering van het afbraakbeleid dat dit kabinet sinds zijn aantreden heeft ingezet. Ik ben verbijsterd dat de minister van Financiën in zijn brief van 11 oktober durft te reppen van een positief effect op de werkgelegenheid. Het ingezette beleid heeft het afgelopen jaar de werkloosheid met 100.000 mensen omhoog gejaagd. Het kabinet verwachtte een positief effect van 0,8% op de werkgelegenheid. Bij nader inzien bleek dat wij tot 2040 moeten wachten om daarvan iets te zien.

Ik kan tot geen andere conclusie komen dan dat het allemaal "gebakken lucht"-beleid is, gevat in een "gebakken lucht"-akkoord. Dit kabinet mikt op het sociaal akkoord en fixeert zich op de linkse illusie van een maakbare samenleving. De VVD zou toch moeten weten dat het midden- en kleinbedrijf de banenmotor van de economie is. In de eerste helft van 2013 gingen er nagenoeg 5.000 bedrijven failliet. Per dag komen daar nog eens tientallen bij, een triest record dat de premier op zijn conto kan schrijven.

De zorg wordt opnieuw voor jaarlijks 400 miljoen getroffen, de sociale zekerheid voor een half miljard, de eerder geplande accijnsverhoging op brandstof gaat door en dan wil het kabinet ook nog eens 205 miljoen euro belasting op drinkwater inboeken. Maar natuurlijk wil het wel de publieke omroep extra geld geven, zodat deze kan doorgaan met het verspreiden van de eurofilie en de klimaatkolder, en daarbovenop wil het de miljarden richting Brussel en Afrika laten stromen. Drinkwater is een eerste levensbehoefte. Niemand kan zonder water. Mag ik de regering erop wijzen dat een drinkwaterbedrijf als Vitens diverse ontwikkelingsprojecten heeft, bijvoorbeeld in Cambodja en Kenia, en dat het doet aan een vorm van ontwikkelingshulp, betaald door de onwetende Nederlandse consument via de waterrekening?

Of je nu Mark Rutte heet en geld als water hebt of dankzij Rutte je baan bent kwijtgeraakt en aan de bedelstaf zit, water heb je nodig. Hoe diep gezonken moet je zijn om als kabinet juist water extra te belasten? What's next? Belasting op frisse lucht of op zonnestralen? Drie partijen – D66, ChristenUnie en SGP – houden dit rampkabinet in het zadel. Ze zorgen voor wat kleine doekjes tegen het bloeden, maar laten de afbraak van ons mooie Nederland gewoon doorgaan. Ze nemen verantwoordelijkheid voor het verder afbreken van onze zorg, onze sociale zekerheid, onze werkgelegenheid, voor het uitmelken van de burger op alle mogelijke fronten.

Dit kabinet is nog erger dan de Raad van Beroerten. Het spijt me om dat te moeten zeggen. Het perst de bevolking de laatste centen uit de portemonnee. Ook spaarcenten en pensioenpotjes zijn voor dit kabinet niet veilig. Het draait maar om één ding: het redden van de banken met hun vette bonusgraaiende bestuurders en het redden van de euro, een economisch onding dat als een molensteen om onze nek hangt. Daarmee gaat het ook om het redden van de EU, het nieuwe – ook dat zeg ik zonder schroom – socialistische Sovjetimperium dat haar burgers monddood en straatarm maakt. Terwijl de apparatsjiks in Brussel hun eigen salarissen weer eens lekker verhogen met 2%, maar ondertussen wél van de Nederlandse bevolking offers vragen, zogenaamd uit solidariteit met de zuidelijke lidstaten. Solidariteit is, zoals we nu weten, een ander woord voor het uitpersen van ouderen en hardwerkende mensen. In plaats van het steeds verder uithollen van de koopkracht moet deze regering gaan zorgen voor economische groei, voor meer werkgelegenheid, voor meer koopkracht. De pijn wordt voor Henk en Ingrid – of moet ik tegenwoordig zeggen Annie en Wim? – dankzij dit kabinet steeds zwaarder om te dragen. Ik zeg erbij: achter elk individu dat werkloos wordt, gaat een familiedrama schuil.

Door te morrelen aan de hypotheekrenteaftrek zijn de huizenprijzen als een plumpudding in elkaar gezakt. Zo is het aantal gedwongen woningverkopen met 34% gestegen ten opzichte van vorig jaar. We praten in totaal over meer dan 3.000 gedwongen woningverkopen. Ook op dat punt wil ik niet in de schoenen staan van degenen die het treft, zo erg is het dat zij in de problemen zitten. Velen zitten op dit moment tot over hun oren in de schulden en kunnen hun inmiddels onbetaalbare hypotheeklasten niet meer opbrengen, met achterstanden van meer dan vier maanden. Maar hun woning is overkoopbaar, want door de waardedaling blijven zij met een wanhopig makende restschuld zitten.

Laat deze regering maatregelen nemen die de burger weer uitzicht geven op een toekomst, waarin de lasten niet boven het hoofd groeien. Laat deze regering eindelijk eens stoppen met het pompen van belastinggeld in stinkmolens die op subsidie draaien, in Zuid-Afrika, Zuid-Europa en Afrika. Hier mensen hun geld afpakken om het daar als Sinterklaas – een populair onderwerp in deze dagen – rond te strooien en dan nog verbaasd zijn dat het hier in Nederland economisch maar niet beter wil worden.

Deze regering draagt verantwoordelijkheid voor de crisis en zeker niet de burger. Het is met een riant ministerssalaris makkelijk roepen dat de burger meer moet uitgeven, terwijl dit kabinet ondertussen diezelfde portemonnee leeggraait. Alle lastenverzwaringen van dit kabinet resulteren in meer werkloosheid, in een verdere daling van de koopkracht en in meer ellende voor hardwerkend Nederland. Laat de regering eindelijk eens maatregelen nemen die zorgen voor meer geld in de beurs van Henk en Ingrid, die zorgen dat mensen hun baan niet kwijtraken maar dat ze juist een baan krijgen. Verlaag de lasten en verlaag de belastingen. Op die manier kunnen mensen inderdaad een huis kopen, kunnen zij hun hypotheek betalen en kunnen zij in een auto blijven rijden.

Laat deze regering eindelijk eens werkgevers aanpakken die Nederlanders buitensluiten van banen en dat nota bene – hoe kun je het bedenken! – ook nog op internet zetten. In de zorg, in het transport, in de tuinbouw, overal vindt verdringing plaats. De Nederlandse werkloosheid schiet naar recordhoogte, maar de grenzen worden door deze regering per 1 januari wagenwijd opengezet voor hordes Bulgaren en Roemenen. Is de minister-president zich ervan bewust dat – ik noem een willekeurig voorbeeld – op het gemeentehuis van Rotterdam de informatiefolders voor hoe je een uitkering kunt aanvragen al in het Bulgaars klaarliggen? Hoe kan dat? Zelfs de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft zijn zorgen geuit over deze broodroof door Oost-Europeanen. Maar in plaats van het Verdrag van Schengen op te zeggen, gaat hij praten. Praten met de bende van Brussel, waar hij zelf, zoals blijkt, een verlengstuk van is. Ik dien bij dezen een motie in waarin ik de regering verzoek om dit verdrag op te zeggen.

Motie

De voorzitter: Door de leden Marcel de Graaff, Sörensen, Reynaers, Frijters-Klijnen, Van Dijk, Kok, Van Beek, Popken, Faber-van de Klashorst en Van Strien wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Verdrag van Schengen leidt tot de vrije instroom van burgers uit Oost-Europese landen;

overwegende dat dit zeer nadelige gevolgen heeft voor de welvaart en werkgelegenheid voor met name de lager opgeleiden;

overwegende dat de kosten van de sociale voorzieningen onbeheersbaar toenemen door diezelfde oorzaak;

verzoekt de regering, het Verdrag van Schengen op te zeggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter A (33750).

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Voorzitter. Ik laat de economie even voor wat zij is, daarover is voldoende gezegd, en kom bij de verslechterende zorg.

Nergens komt de onbetrouwbaarheid van dit kabinet duidelijker tot uitdrukking dan in het gebruik van het woord "participatiemaatschappij" waarop wij in de laatste troonrede werden getrakteerd. Meer zorg voor je naaste, meer zorg voor je medemens, het klinkt zo mooi. Maar de werkelijkheid is anders. Nederland is al Europees kampioen als het gaat om onbetaalde zorg voor de medemens. Wij hebben 3,5 miljoen mantelzorgers en 6,3 miljoen vrijwilligers. Daarbij – ik noem het toch maar even als voorbeeldje – worden dingen als boodschappen doen voor je zieke moeder door het SCP niet eens meegeteld als mantelzorg. Met andere woorden, er gebeurt nog veel meer waarin Nederlanders zorgen voor hun medemens, meer dan deze kille cijfers wellicht zeggen.

Dit kabinet is het zicht op de dagelijkse realiteit kwijtgeraakt. Het kabinet bezuinigt ruim 600 miljoen op de verzorgingshuizen, ook in de categorieën zorgbehoevenden waarbij het gezin het gewoon niet meer trekt, waarbij het die zorg niet meer kan opbrengen omdat het te zwaar wordt. Ook daar zet dit kabinet het mes in. Het kabinet verwacht dat er nog meer zorg door familie en buren wordt verleend, maar maakt het vervolgens financieel extra moeilijk door het schrappen van toeslagen voor chronisch zieken en gehandicapten, door het invoeren van de huishoudtoets, door het sluiten van verzorgingshuizen, door maar liefst 25% te snoeien in de dagbestedingen en 50% op de thuiszorg. Het laat dan vervolgens de gemeenten opdraaien voor de schade. Uit gegevens van het CAK blijkt dat 70 tot 80% van de mensen die huishoudelijke hulp krijgen een laag inkomen heeft. Volgens Abvakabo verliezen 70.000 mensen in de thuiszorg hun baan. Zelfs bejaarden die thuiszorg nodig hebben, wordt nog gevraagd om iets terug te doen voor de maatschappij, terwijl juist deze mensen hun leven lang hebben bijgedragen aan ons land. Maar wanneer vraagt dit kabinet nu eens aan al die gelukszoekers die naar Nederland komen om eens wat terug te doen voor de maatschappij, in plaats van een uitkeringsformulier klaar te leggen?

De heer Van Boxtel (D66):

In zijn hele litanie van doemdenken en sombere wolken die zich boven dit land samenpakken noemde collega De Graaff ook chronisch zieken die worden gekort. Heeft hij ook gewoon de stukken bestudeerd? In het Herfstakkoord komt, zoals ik heb begrepen, een fiscale toeslag voor chronisch zieken en gehandicapten. Dat is gewoon weer teruggeorganiseerd. Dus de heer De Graaff moet in het lijstje niet alles meenemen wat niet waar blijkt te zijn.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Ik heb dat gelezen. Ja, het is waar wat de heer Van Boxtel zegt. Ik beschouw dat gewoon als een doekje voor het bloeden, zoals ik al eerder in mijn betoog heb aangegeven.

Ik ga door met mijn betoog en ik kom terug op het woord "participatiemaatschappij". De participatiesamenleving zoals dit kabinet die voor ogen heeft – ik kan er niets anders van maken – betekent niet meer en niet minder dan "zoek het lekker zelf uit". Bij dezen dien ik daarom ook een motie in waarin ik de regering verzoek, de maatregelen ten aanzien van verzorgingshuizen terug te draaien.

Motie

De voorzitter: Door de leden Marcel de Graaff, Sörensen, Reynaers, Van Dijk, Frijters-Klijnen, Kok, Van Strien, Van Beek, Popken en Faber-van de Klashorst wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet voornemens is 600 miljoen te bezuinigen op verzorgingshuizen;

constaterende dat er geen kerngegevens voorhanden zijn ten aanzien van de gevolgen;

overwegende dat de bezuiniging zal neerslaan op een kwetsbare groep;

spreekt uit dat het maatschappelijk onverantwoord is om een kwetsbare groep te treffen;

verzoekt de regering, de plannen met betrekking tot de bezuiniging op de verzorgingshuizen stop te zetten,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter B (33750).

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Voorzitter. In het kader van de litanie en het doemdenken heb ik nog een derde onderwerp, dat wellicht ook de heer Van Boxtel na aan het hart ligt, namelijk het Europa van vandaag.

Voor het eerst in de parlementaire geschiedenis stuurt de regering eerst haar begroting naar het buitenland voor goedkeuring alvorens daarom in het parlement te vragen. Dit buitenland heeft het recht om op elk punt de regering te dwingen maatregelen te nemen, of het nu gaat om de pensioenleeftijd, het ontslagrecht of de hypotheekrenteaftrek, zodra de begroting niet aan de huidige norm van 3% voldoet.

Het kabinet wikt, Brussel beschikt. Dat is de dictatuur waarin dit kabinet ons dieper vastketent. Het gaat nog veel verder. Er komt een Europees openbaar ministerie dat de bevoegdheid krijgt om eurocritici te vervolgen en monddood te maken. De vrijheid van meningsuiting in de Europese Unie krijgt Sovjet-Russische kenmerken. De Europese Commissie streeft naar de macht om te bepalen of nationale banken failliet gaan of met ons belastinggeld worden gered. De Europese Commissie streeft naar een Europese geheime dienst. Is dat de KGB in wording, zo vraag ik mij in gemoede af. De Europese Commissie streeft naar een Europees leger. Nederland wordt onder dit allesverslindende monster tot een leeggezogen provincie, tot een wingewest. Ik dien bij dezen een motie in waarin ik dit kabinet verzoek, een exit uit de Europese Unie in gang te zetten.

Motie

De voorzitter: Door de leden Marcel de Graaff, Sörensen, Reynaers, Frijters-Klijnen, Van Dijk, Kok, Faber-van de Klashorst, Van Beek, Van Strien en Popken wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Unie leidt tot verlies van de Nederlandse soevereiniteit;

overwegende dat dit leidt tot aantasting van de democratie van het zelfbeschikkingsrecht van het Nederlandse volk;

verzoekt de regering, de Europese Akte, het Verdrag van Maastricht, het Verdrag van Amsterdam, het Verdrag van Nice en het Verdrag van Lissabon op te zeggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter C (33750).

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Voorzitter. De nieuwe armoede is begonnen. Zelfs in de jaren dertig van de vorige eeuw had Nederland geen voedselbanken, maar dankzij de EU is het er toch van gekomen en de EU wil die nog subsidiëren ook. De EU verarmt ons door massa-immigratie, de euro en de geldverslindende energievergroeningsgekte, maar het allerergste is nog het verlies aan vrijheid en soevereiniteit. Deze regering is daarvoor verantwoordelijk, het zelfbenoemde beste kabinet sinds de Tweede Wereldoorlog. Misschien wordt het eens tijd dat de minister-president wat beter leert rekenen, want dat is niet de sterkste kant van het onderwijs in Nederland. Dan kan hij namelijk kennis nemen van de peilingen naar het vertrouwen dat dit kabinet nog bij de kiezers geniet, namelijk geen vertrouwen.

Ik verzoek dit kabinet, deze keer niet via een motie, de eer aan zichzelf te houden en het ontslag aan te bieden aan de Koning.

De heer Kox (SP):

Collega De Graaff begon met iets wat mij erg aansprak, door te zeggen: of je nu een goed verdienende minister-president bent of iemand die door de minister-president zijn baan heeft verloren en in armoede verkeert – ik vat zijn woorden samen – je hebt allebei water nodig. Daar mag je niet aankomen. Daar moet je geen belasting op heffen. Ik ben het op dat punt erg met de fractie van de PVV eens. Nu wacht ik in wat hij zelf "litanie" noemde op zijn vaste onderdeel ontwikkelingssamenwerking. Dat heeft hij niet genoemd. Dat zou een goed teken kunnen zijn, ware het niet dat hij het bij interruptie al noemde en zei dat daarop veel kan worden bezuinigd. Het goede nieuws is dat sinds vorig jaar 90% van de wereldbevolking toegang heeft tot schoon drinkwater. Het slechte nieuws is dat 10% dat niet heeft.

Ik zeg tegen collega De Graaff: u weet hoeveel kinderen dagelijks doodgaan ten gevolge van dat gebrek aan schoon drinkwater. Natuurlijk weet u dat, want u spreekt veel over ontwikkelingssamenwerking. Elke dag gaan er 3.000 kinderen dood doordat hun de toegang tot schoon drinkwater wordt ontzegd. Het goede nieuws is dat een hele hoop kinderen niet meer sterven omdat wij dat via wereldwijde ontwikkelingssamenwerking in ieder geval voor een deel hebben kunnen regelen. U moet wel kiezen. Of u zegt: schoon drinkwater moet er voor iedereen zijn, maar dan ook voor 10% van de wereldbevolking die daarmee nu niet alleen problemen heeft maar er ook elke dag kinderen aan dood ziet gaan. Zouden wij het erover eens kunnen worden dat dat in ieder geval het doel zou kunnen en moeten zijn van ontwikkelingssamenwerking?

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Dat is een voorstelling van zaken van de heer Kox waarin ik een element mis, namelijk dat de verantwoording van ontwikkelingsgelden schromelijk tekortschiet. Van de ontwikkelingsgelden die de Europese Unie heeft uitgegeven, is bij meer dan 1 miljard niet terug te vinden waar dat geld nu precies terecht is gekomen. Dus hoe aantrekkelijk de boodschap van de heer Kox ook is, ik heb mijn ernstige twijfels of je op deze manier de mensen die het het meest nodig hebben in deze wereld moet ondersteunen.

De heer Kox (SP):

Fijn dat u mijn voorstel aantrekkelijk vindt en ja, ik heb ook mijn twijfels over hoe gelden voor ontwikkelingssamenwerking wereldwijd worden uitgegeven, maar kunnen we het er dan in ieder geval over eens zijn dat als ontwikkelingshulp zou bijdragen aan schoon drinkwater voor 10% van de wereldbevolking, wat 3.000 kinderen per dag het leven zou kunnen reden, de PVV, misschien bij wijze van uitzondering, voor dat deel van die ontwikkelingssamenwerking zou kunnen zijn? Of zegt u gewoon: over alles over de grens praat ik niet, mij gaat het alleen maar om de mensen hier? Dan is dat toch wel een vorm van opportunisme.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Ontwikkelingsgelden storten in buitenlandse kassen – niet de kassen zoals die in het Westland maar in de geldla – is niet de wijze waarop wij denken dat mensen van over de grens kunnen worden geholpen.

De heer Kox (SP):

Het was een millenniumdoel om in 2012 meer mensen toegang tot schoon drinkwater te geven. Dat is gehaald, dus niet al het geld wordt in een putje gegooid. Soms werkt het. Nu is er nog 10% van de wereldbevolking die ook schoon drinkwater wil. U noemde dat als een elementair recht voor iedereen, voor de minister-president en voor iedereen die door de minister-president zijn baan verloren heeft. Daarom vroeg ik het ook. Ontzegt u dat elementaire recht aan de 10% van de wereldbevolking? Of zegt u: als het geld daar naartoe gaat, dan kan de PVV daar enthousiast voor zijn? Als u dat niet wilt zeggen, was het een praatje voor de vaak waar u uw verhaal mee begon. Dan doet u het voorkomen alsof sommige mensen erg zielig zijn, maar vergeet u de allerzieligsten.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Ik betreur de voorstelling van zaken die senator Kox geeft. Het is absoluut waar dat mensen die geen schoon drinkwater tot hun beschikking hebben, in nood zijn. Het is een prachtig streven om deze mensen wel die toegang te geven. De discussie die wij hier voeren, gaat over de wijze waarop dat gebeurt. Het gaat er niet om of wij verschil van inzicht hebben over de vraag of mensen wel of geen toegang moeten hebben tot schoon drinkwater. Natuurlijk moet dat zo zijn. De vraag is of Nederland aan iedere burger geld gaat vragen om vervolgens de rest van de wereld te redden. Is dat de manier om dat te realiseren? Of blijkt dit al meer dan 50 jaar toch niet optimaal te werken en worden de gewenste effecten er niet mee bereikt? De volgende vraag is wat de verantwoordelijkheid van de overheden in die landen is. Met andere woorden: ja het is een prachtig doel en nee wij gaan niet mee met de wijze waarop senator Kox dat denkt te bereiken.

De heer Kox (SP):

Een twijfelende PVV'er op het terrein van ontwikkelingssamenwerking, dat is op zichzelf al winst. Wij zullen hier nog op terugkomen.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Dat zijn de woorden van de heer Kox. Daar ga ik natuurlijk niet in mee.

Mevrouw Barth (PvdA):

Voorzitter. "Zeker in een hoogontwikkelde industriële samenleving zijn abrupte beleidsveranderingen niet mogelijk. Maar daarom zijn de kleine veranderingen niet onbelangrijk. De verlegging van het beleid met tien graden kan uiteindelijk het verschil zijn tussen oorlog en vrede. (…) Marges gebruiken is soms het verschil tussen een spiraal naar beneden of naar omhoog. Het verschil tussen uitzichtloosheid en perspectief, tussen hoop en wanhoop."

Aan het woord is Joop den Uyl in misschien wel zijn beroemdste essay "De smalle marge van democratische politiek". Wie het herleest, wordt verrast door de wijsheid en actuele waarde van dit 43 jaar oude verhaal. Nederland is een land van minderheden waarin het sluiten van politieke compromissen onontkoombaar is. Naast Luxemburg en Zwitserland is Nederland bovendien het enige Europese land waar nog nooit een volledige kabinetswissel heeft plaatsgevonden. Een nieuw kabinet neemt altijd beleid van het vorige mee. De marge van het kabinet-Rutte/Asscher wordt ook nog eens zeer beperkt door de diepe internationale economische crisis waarmee ons land in 2014 voor het zesde achtereenvolgende jaar geconfronteerd wordt. Het kabinet ziet zich gesteld voor de bijkans onmogelijke opgave om de overheidsfinanciën op orde te brengen en tegelijkertijd te investeren in werkgelegenheid; om te voldoen aan Europese eisen van begrotingsdiscipline en tegelijkertijd de concurrentiepositie van ons land te versterken; om de triple-A-status, die Nederland op de financiële markten nog steeds heeft, te beschermen en zo de rente laag te houden, en om tegelijkertijd te investeren in een solide, sociale en duurzame toekomst van ons land. Dat lukt alleen maar met zorgvuldigheid, wijsheid en bedachtzaamheid. Geen hippe begrippen, maar ze zijn broodnodig. Onze ingewikkelde maatschappij is een porseleinkast en zoals bekend richten te dikke, te onbeheerste of te snelle dieren daarin al snel een grote puinhoop aan. Vanuit deze barre werkelijkheid heeft onze fractie het kabinet vorig jaar opgeroepen, op zoek te gaan naar een zo breed mogelijk draagvlak voor zijn beleid. We zien dat het kabinet dat met verve heeft gedaan. Zowel politiek als maatschappelijk heeft het kabinet verbindingen gelegd, met als meest recente resultaat de afspraken met de Tweede Kamerfracties van VVD, PvdA, D66, ChristenUnie en SGP. Onze fractie acht het aan de hand daarvan bijgestelde pakket voor 2014 evenwichtig en waardeert de verantwoordelijkheid die de drie oppositiefracties aan de overkant van het Binnenhof hebben willen nemen. Voor niemand in Nederland biedt de begroting een jubelverhaal; dat zit er in de huidige omstandigheden simpelweg niet in, maar het kabinet heeft veel creativiteit aan de dag gelegd bij het zoeken naar draagvlak, het vormgeven van noodzakelijke bezuinigingen en het creëren van ruimte voor investeringen. En dat binnen, nogmaals, zeer beperkte bewegingsruimte.

Er zijn mensen die stellen dat deze crisis niet alleen een economische, maar ook of misschien wel juist een politieke crisis is. Nederland is in 2012 in een triple dip beland omdat burgers de hand op de knip gingen houden. Dat deden zij omdat ze zeer onzeker waren geworden: van wangedrag van bankiers, van opeenvolgende kabinetscrises, van politieke pogingen om de smalle marge te ontkennen en radicale breuken te veroorzaken, en van een te lang vertoon van onmacht in Nederland en Europa om tot gezamenlijk gedragen maatregelen en oplossingen te komen.

De heer Kox (SP):

Hoor ik u nu zeggen dat wij nog in de crisis zitten omdat de burgers de hand op de knip houden? Hebben de burgers het gedaan? Was het niet zo dat wij in 2008 nog samen van mening waren dat "hullie" de grote schuldigen waren, het financiële kapitalisme, het roofdierkapitalisme? Dat laatste is geen term van de SP maar van sociaaldemocraten. Hebben de burgers het nu gedaan? Vorig jaar zei u dat de belangrijkste taak van dit kabinet het herstel van het vertrouwen is en het aan de burgers tonen dat er licht aan het eind van de tunnel is. We mochten niemand achterlaten. Hebben wij een andere dader gevonden voor de crisis? Hoe tevreden denkt u dat de burgers op dit moment zijn over het herstel van het vertrouwen waar het kabinet aan werkt?

Mevrouw Barth (PvdA):

Nee, de burgers hebben de crisis niet veroorzaakt. Als u mijn tekst goed beluistert …

De heer Kox (SP):

Ik heb grote oren. U zei dat wij in 2012 in triple dip zijn beland omdat de burgers de hand op de knip hielden. Dat deden ze omdat zij geen vertrouwen meer hadden in de politiek. Dat laatste is geparafraseerd, maar de rest is volgens mij vrij letterlijk. Het kan natuurlijk dat u dat niet wilde zeggen. Dan zegt u tegen de stenograaf: schrap maar, dat heb ik niet zo bedoeld, ik bedoelde eigenlijk iets anders. Ik wil dat nu wel van u weten.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik begrijp het ongeduld van de heer Kox om antwoord te krijgen op zijn vraag, maar ik wil die vraag wel graag kunnen beantwoorden. Als hij mij de kans geeft om iets meer dan anderhalve zin uit te spreken, dan zal ik dat ook doen. Hij heeft mij horen zeggen dat Nederland in 2012 in een triple dip is beland. De voornaamste oorzaak daarvan is het sterk gedaalde consumentenvertrouwen. Daarmee zeg ik helemaal niets nieuws. Dat is een feit dat heel veel economen mij voorgezegd hebben. Als wij willen dat Nederland uit deze crisis komt, is het belangrijk dat het consumentenvertrouwen wordt hersteld. Wat ik heb aangegeven als eerste oorzaak van dat gedaalde consumentenvertrouwen is het wangedrag van bankiers. Volgens mij vinden de heer Kox en ik elkaar nog steeds heel goed op de oorzaken van deze crisis. Ik zal een groot gedeelte van mijn inbreng wijden aan het herstel van het vertrouwen van consumenten.

De heer Kox (SP):

Dat kan ik begrijpen, want op dat punt hebt u iets uit te leggen. Vorig jaar was uw opdracht aan het kabinet om het vertrouwen te herwinnen.

Mevrouw Barth (PvdA):

Dat is best goed gelukt.

De heer Kox (SP):

Dat gaat u straks uitleggen. Ik zie wel eens opiniepeilingen. Over het eerste punt zijn wij het dus weer eens. Het zijn niet de burgers die de crisis hebben veroorzaakt, maar dat heeft het financiële kapitalisme gedaan. Dat heeft in 2008 de wereld laten ontsporen en moet in eerste en grootste instantie verantwoordelijk worden gehouden voor alle trammelant waar wij nu in zitten. Dat vindt u nog steeds.

Mevrouw Barth (PvdA):

Dat vind ik nog steeds.

De heer Kox (SP):

Kunt u dat dan ook u even uitleggen aan collega Hermans? Dank u wel.

Mevrouw Barth (PvdA):

Volgens mij verstaat collega Hermans prima Nederlands. Hij heeft ons wel gehoord, mijnheer Kox.

De burgers zijn dus onzeker geworden door een scala van factoren. De paradox van onze huidige situatie is dat mensen onzekerheid alleen aandurven als ze een beetje weten waar ze aan toe zijn. Onze economie zal alleen maar weer op gang komen als mensen in ons land weer risico durven nemen: verhuizen, een andere baan zoeken, in een onderneming investeren, kinderen krijgen. Allemaal besluiten waarbij gewone Nederlanders veel verder moeten kijken dan de paar jaar die hier op het Binnenhof al snel doorgaat voor "lange termijn".

Om ons land uit deze crisis te halen, is daarom boven alles – mijnheer Kox – politiek-bestuurlijke samenwerking en vertrouwen nodig. Wat mensen willen ervaren van de politiek is ruimte en stabiliteit. Dat is de opgave waar wij als volksvertegenwoordigers ook hier in de Eerste Kamer voor staan. Terecht heeft het kabinet dat ook gezocht in de dialoog met maatschappelijke organisaties. In een jaar tijd verschenen het sociaal akkoord, maar liefst vier akkoorden in de zorg, een natuurakkoord, onderwijsakkoord, energieakkoord en een woonakkoord. Die akkoorden brengen ons land veel goeds. Sociale rust, zo essentieel om de internationale concurrentiepositie van onze open economie hoog te houden. Vrijwillige loonmatiging in de zorg, die het mogelijk maakt om tienduizenden banen in de langdurige zorg te behouden. Maar liefst 40.000 banen extra in natuuronderhoud en -aanleg. Hervatting van investeringen door woningbouwcorporaties. Ambitieuze doelstellingen om duurzaamheid te verbeteren door investeringen in niet-fossiele energie. Investeringen in de kwaliteit van leraren, cruciaal voor onze kenniseconomie. En, last but not least, voor het eerst lukt het een kabinet om de onstuimige groei van de curatieve zorg te beperken tot een aanvaardbaar niveau, met draagvlak onder aanbieders, professionals en patiënten. Dankzij de oproep van minister Schippers in Buitenhof en de daarop volgende zorgakkoorden kon de geplande, diep ingrijpende korting op het basispakket – nog een erfenis van het vorige kabinet – grotendeels ongedaan worden gemaakt, waarmee de solidariteit in de curatieve zorg gewaarborgd blijft. Allemaal resultaten van overleg met het maatschappelijk middenveld.

Geen misverstand: onze fractie steekt niet de vlag uit bij elk concreet resultaat van de akkoorden. We zullen de wetsvoorstellen die eruit voortvloeien, in loyaliteit én onafhankelijkheid beoordelen, zoals het de Eerste Kamer betaamt. Maar de akkoorden bewijzen dat tientallen maatschappelijke organisaties met honderdduizenden mensen achter zich bereid zijn om hun steentje bij te dragen om Nederland uit deze crisis te helpen. Dat is van onschatbare waarde om burgers weer perspectief te geven.

Joop den Uyl heeft onze fractie ook geleerd dat smalle marges geen rem hoeven zijn op grote dromen. Door nu de juiste beslissingen te nemen, kunnen we de toekomst van onze samenleving ten goede veranderen. De PvdA-fractie wil blijven bouwen aan een rechtvaardig, solidair en duurzaam Nederland in een rechtvaardige, solidaire en duurzame wereld. Ook, of misschien wel juist, in deze crisis.

De heer Koffeman (PvdD):

Collega Barth zegt dat smalle marges geen belemmering zouden moeten vormen voor grote dromen. Ik deel die opvatting, maar die zie ik niet terug in het kabinetsbeleid. Er is een akkoord gesloten om 50.000 nieuwe banen in 27 jaar te creëren. Dat kan je geen grote droom noemen. Mevrouw Barth spreekt over vrijwillige loonmatiging. Heel veel mensen in de zorg en de vakbond zullen zeggen dat zij die vrijwilligheid toch ietsje anders voelen. Hoe kunnen die grote dromen gestalte krijgen voor de 700.000 mensen die gedwongen aan de kant staan, heel graag aan het werk willen, maar door het kabinet blij gemaakt worden met een dooie mus? 50.000 nieuwe banen in 2040. Dan zijn wij op zijn minst zes kabinetten verder.

Mevrouw Barth (PvdA):

Als dat het enige was wat het kabinet deed om de werkgelegenheid te stimuleren, zou ik het met u eens zijn. Ik neem aan dat uw opmerking terugslaat op het natuurakkoord. Ik zie een scala aan pogingen van het kabinet om de economie op gang te brengen en de werkgelegenheid weer aan te jagen. Ik zal de laatste zijn om te zeggen dat dit een gemakkelijke klus is. Nederland is een open economie. We zitten in een internationale realiteit en die valt niet mee. Tegelijkertijd zien wij gelukkig ook de eerste lichtpuntjes weer ontstaan. Ik ben ervan overtuigd dat dit kabinet veel grotere dromen heeft over het stimuleren van de werkgelegenheid dan alleen het ene akkoord dat u nu noemt. U sprak over vrijwillige loonmatiging. De vakbonden hebben toch echt aan tafel gezeten bij de onderhandelingen daarover in de zorg. Zij hebben ook hun handtekening gezet. Zij zijn het eens met de vrijwillige loonmatiging, ook omdat zij hebben gezien dat dit geleid heeft tot het behoud van tienduizenden banen in de langdurige zorg. Ook dat is een manier waarop het kabinet probeert om de werkgelegenheid in Nederland te waarborgen.

De heer Koffeman (PvdD):

Ik sprak niet over het natuurakkoord, maar over het Herfstakkoord dat 50.000 nieuwe banen in 2040 in het vooruitzicht stelt. Met een enorme vertraging wordt er geen werkgelegenheid gecreëerd. Daar komt het eigenlijk op neer. Je kunt niet volhouden dat je met duizend banen per jaar de economie vlot trekt.

U sprak over de vrijwillige loonmatiging in de zorg. Inmiddels denken de vakbonden daar heel anders over. Op 30 november gaat u dat zien als zij gaan demonstreren tegen loonmatiging. Zij zullen dan eisen dat de lonen omhoog gaan. Ik denk dat wij goed bij moeten houden hoe de vakbonden er nu over denken. Er zijn weinig mensen die denken dat loonmatiging tot een betere werkgelegenheid zal leiden. Dat blijkt uit niets.

Mevrouw Barth (PvdA):

Het kabinet heeft in elk geval met de akkoorden in de zorg voor elkaar gekregen dat tienduizenden banen behouden konden blijven door loonmatiging. Als je dat optelt bij het Herfstakkoord en bij het natuurakkoord dat 40.000 extra banen oplevert, dan begint de teller behoorlijk te lopen. Heel veel mensen onderschrijven van harte het uitgangspunt van werk boven inkomen. Mensen hechten echt veel meer waarde aan het behoud van hun baan dan aan het snel omhoog gaan van hun loon.

De ambities van de PvdA voor de rechtvaardige, solidaire en duurzame wereld zijn ondenkbaar zonder Europese samenwerking. Het heeft er alle schijn van dat na jaren van voortmodderen de eurocrisis bedwongen is. "De manier waarop" zal de schoonheidsprijs nooit krijgen. Maar "het feit dat" versterkt de veerkracht van ons continent. In 2014 zijn er zoals bekend Europese verkiezingen. De inzet bij die verkiezingen moet wat ons betreft de vraag zijn hoe Europa eraan gaat bijdragen dat haar burgers weer vertrouwen in de toekomst krijgen. Dat betekent investeren in welvaart en werkgelegenheid. En dat we onze Europese traditie van sociale rechtvaardigheid en sociale cohesie weerbaar maken tegen de keiharde "winner take all"-mentaliteit die tegenwoordig niet alleen uit Amerika, maar ook uit Azië op ons afkomt. In tijden van Europese crisis lijkt dat een succesverhaal, maar de keerzijde is armoede, uitsluiting en wanhoop voor honderden miljoenen mensen, gebaseerd op de meest fundamentele denkfout: dat er redenen zouden kunnen bestaan die legitimeren dat een mens zich meer waard mag wanen dan zijn medemensen.

Onze fractie heeft daarom waardering voor de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie …

De heer Thissen (GroenLinks):

Voorzitter.

Mevrouw Barth (PvdA):

Wat jammer nou dat u een compliment onderbreekt.

De heer Thissen (GroenLinks):

Ik wil u een compliment maken, maar ook een scherpe vraag stellen. Ik hoor met grote vreugde dat de fractievoorzitter van de PvdA in de senaat de loftrompet steekt over Europa. Ik ben er heel blij mee dat hier toch door een aantal fracties bij voortduring wordt gezegd dat wij het niet zonder Europese samenwerking kunnen.

Mevrouw Barth (PvdA):

Verrast u dat?

De heer Thissen (GroenLinks):

Ik ben wat somberder geworden door de ambivalentie die ik af en toe zie in de PvdA. Durft u de consequentie te trekken dat u wat meer sociaaleconomische bevoegdheden gezamenlijk in Europa moet vormgeven? Dat betekent dat u ook wat sociaaleconomische bevoegdheden moet overdragen aan de gezamenlijkheid en niet aan Brussel.

Mevrouw Barth (PvdA):

Toevallig is vandaag het verkiezingsprogramma van de PvdA voor de Europese verkiezingen gepresenteerd. Daarin maakt onze partij zich sterk voor een socialer Europa. Dat kan alleen maar als er op Europees vlak intensiever wordt samengewerkt op dit terrein.

De heer Kox (SP):

Ik ben een optimist voor de toekomst en daarom een realist in het heden. Ik ben dus iets minder eurofiel dan collega Thissen. Hoorde ik nu collega Barth zeggen dat het er de schijn van heeft dat de eurocrisis nu bedwongen is? Dat zou heel goed nieuws zijn. Ik zou dan ook graag horen welke econoom het daarmee eens is. Ik kom alleen maar economen tegen die zeggen dat nog steeds dezelfde constructiefouten aanwezig zijn. Er blijft onbalans in Europa: 25% werklozen in Spanje, 40% jeugdwerkloosheid in Griekenland. Er is een totale onbalans tussen productie en consumptie. Waar hebt u het goede nieuws gelezen dat de eurocrisis nu bedwongen lijkt? Als dat waar is, moeten wij dat breed uitdragen in de hele wereld, want dat is erg verrassend. Ik heb het niet kunnen vinden.

Mevrouw Barth (PvdA):

Het is moeilijk om te zeggen dat zo'n crisis vandaag of morgen voorbij is. Ik constateer dat er veel meer rust op de financiële markten is rond de euro dan pakweg twee jaar geleden. Dat is heel goed nieuws. De euro wordt ook harder. Dat is aan de ene kant goed nieuws, maar aan de andere kant ook weer slecht nieuws, want het is slecht voor onze export. Je ziet wel dat de stabiliteit aan het terugkeren is. Ik ben het helemaal met u eens dat daarmee het verhaal nog niet af is. Ook wij vinden dat wij pas echt weer op dit continent goed met elkaar bezig zijn als de werkgelegenheid drastisch gaat groeien en Europeanen allemaal de kans krijgen om hun talenten in te zetten in een betaalde baan. Wij zijn er nog lang niet en het evenwicht is wankel, maar ik denk dat er voldoende aanwijzingen zijn om te zeggen dat wij het ergste en het diepste inmiddels achter de rug hebben.

De heer Kox (SP):

Je mag alles zeggen, maar daarmee creëer je wel een perspectief en dat is gevaarlijk. Begrijp ik goed dat de fractievoorzitter van de PvdA zegt dat haar meetlat voor de vraag of het goed of slecht gaat met de euro de hardheid van deze munt is? Nu de euro harder is, kunnen Amerikanen, Japanners en Chinezen nog makkelijker naar ons land exporteren en wij moeilijker naar hen. Ook het feit dat de koers van de euro niet op en neer gaat, is kennelijk een graadmeter? Volgens mij had het probleem van de eurocrisis – minister Dijsselbloem weet daar natuurlijk veel meer van – helemaal niets te maken met het op en neer gaan van de wisselkoers. Dat is niet relevant. Wel relevant is de vraag of één munt in een zo divers gebied met zulke diverse economieën overeind kan blijven. Hebt u aanwijzingen daar iets in veranderd is?

Mevrouw Barth (PvdA):

Volgens mij staat de euro nog steeds overeind. Er is geen land uit de eurozone getreden. Ik debatteer heel graag met u, mijnheer Kox, maar ik vind het altijd jammer dat u eerst een net te scherpe en korte samenvatting van mijn woorden geeft en vervolgens die karikatuur gaat aanvallen. Ik heb niet gezegd dat dit mijn enige aanwijzing is dat de eurocrisis bedwongen lijkt. Ik zei dat wij meer rust op de financiële markten zien. Dat is goed nieuws. Het in elkaar storten van de euro zou nog veel meer werkloosheid en nog veel meer ellende hebben veroorzaakt. Het is goed dat de euro er nog is en dat alle betrokken landen nog steeds binnen de eurozone zitten.

De heer Kox (SP):

Ik ben het er helemaal mee eens …

De voorzitter:

Mevrouw Barth was nog niet uitgesproken.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik geef meteen toe dat het evenwicht wankel is. Er is nog geen enkele reden om vlaggen uit te steken of te roepen: jongens, dit hebben wij gehad. Ik zie wel dat er licht aan het eind van de tunnel gloort. Wij hebben de bodem bereikt en zijn weer op de weg omhoog.

De heer Kox (SP):

U zegt dat ik een karikatuur van uw verhaal maak, maar ik citeerde u. De eurocrisis lijkt bedwongen. Op mijn vraag waar u dat vandaan haalt, zei u dat de euro weer harder, sterker is geworden en dat de koers minder op en neer gaat. Mijn vraag aan u was: denkt de PvdA, denkt u dat dit de graadmeters waren of was de structurele onbalans in Europa de oorzaak? Is er enige reden om aan te nemen dat daar iets aan veranderd is? Dan hebt u goed nieuws. Daar heb ik u niets over horen vertellen. Noemt u mij drie, twee economen die uw verhaal steunen of zelfs maar één econoom. Dan kunnen wij ergens over praten.

Mevrouw Barth (PvdA):

We zien dat in alle landen in de eurozone maatregelen genomen zijn om de overheidsfinanciën beheersbaarder te maken en om de bubbels in sommige landen eruit te halen. Dat is een buitengewoon pijnlijk, moeilijk en zwaar proces geweest. Met name in Zuid-Europa lijden heel veel mensen daar verschrikkelijk onder. Daarom geef ik u het volgende mee. Wij zien meer stabiliteit op de financiële markten rond de euro. Dat is goed nieuws. Het is belangrijk dat die stabiliteit er komt. Eerder in mijn verhaal heb ik gezegd dat zonder de stabiliteit er überhaupt geen kans is dat de economie in de eurozone weer gaat groeien. Het simpele feit dat er stabiliteit aan het ontstaan is, is goed nieuws. We zijn er echter nog lang niet. Wij laten deze crisis pas achter ons als die tientallen procenten werklozen in Zuid-Europa en de honderdduizenden werklozen in Nederland weer aan het werk zijn.

De heer Kox (SP):

Dus de crisis is nog lang niet bedwongen. Dan zijn wij het daarover eens.

Mevrouw Barth (PvdA):

Dat heb ik ook niet gezegd.

De voorzitter:

Mijnheer Kox, u moet het hier even mee doen.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Voorzitter. Ik hoor mevrouw Barth zeggen dat zij zich afzet tegen de harde "winner take all"-mentaliteit. Zij streeft naar een socialer Europa. Ik hoor dat en vervolgens denk ik aan de versoepeling van het ontslagrecht van dit kabinet. Is dat de boodschap van mevrouw Barth aan de burger van Europa: het wordt socialer, maar u vliegt er makkelijker uit?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik denk dat de heer De Graaff verwijst naar het sociaal akkoord dat met de vakbonden is gesloten. Daarin zijn afspraken gemaakt over wat wij met het ontslagrecht gaan doen. Met die voorstellen willen wij ervoor zorgen dat de kloof tussen mensen met een vaste baan, die een muurvaste positie hebben, en mensen met een flexbaan die bijna geen poot hebben om op te staan, wat kleiner wordt. U vestigt nu de aandacht op de ene helft van het akkoord, maar u hebt kennelijk niet in de gaten dat ook de andere helft van dat akkoord wordt uitgevoerd.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Ik hoor de reactie van mevrouw Barth en volgens mij draait zij om het punt heen. Flexwerkers, zzp'ers kiezen daar over het algemeen zelf voor. Dat zijn kleine zelfstandigen. Mevrouw Barth had het over de bikkelharde "winner take all"-mentaliteit. Ik ken de PvdA als een partij die opkomt voor de zwakkeren in deze samenleving en voor de arbeiders, zoals de naam van de partij al zegt. Vervolgens kunnen die mensen nu makkelijker op straat gezet worden. Is dat de nieuwe positie van de PvdA op dit punt?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik vind het apart dat de heer De Graaff veronderstelt dat elke zzp'er in Nederland daar zelf voor gekozen heeft. Wij weten allemaal dat veel zzp'ers niet voor die constructie hebben gekozen. Zij hebben weinig ruimte om hun leven op een andere manier in te vullen. Het is heel belangrijk dat er voor die mensen meer rechtszekerheid en meer soliditeit komt. Zij moeten meer mogelijkheden hebben om een hypotheek af te sluiten en er moet een betere sociale zekerheid zijn om op terug te vallen. Er moet ruimte zijn om pensioen te kunnen opbouwen. Dat zijn allemaal thema's waarover afspraken met de vakbonden zijn gemaakt. Tegelijkertijd zien wij mensen met heel stevige rechtsposities die het onmogelijk maken om beweging te krijgen in sectoren waar dat nodig is. Wij schrikken er niet voor terug om te proberen om de kloof tussen mensen met een vaste baan en mensen met een los contract, die steeds groter dreigt te worden, te dichten. Dat wil helemaal niet zeggen dat je zo maar op straat gegooid kan worden. Dat kan nu niet. Dat kan na de hervorming van het ontslagrecht niet. Wat ons betreft kan dat in Nederland nooit.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Mevrouw Barth geeft geen antwoord op een heel duidelijke vraag. Gaat zij in Europees verband pleiten voor de versoepeling van het ontslagrecht en daarmee de rechten van werknemers in Europa aantasten?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik heb volgens mij niet gezegd dat ik dat van plan was.

Ik werd onderbroken in een compliment. Ik zal dat nog een keer uitspreken. Onze fractie heeft waardering voor de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie die een Nederlandse inbreng in het handhaven van de internationale rechtsorde vanzelfsprekend vinden. We zien hun collega voor Hulp en Handel – die vandaag op missie is – zich inzetten voor duurzame internationale economische groei die ook de allerarmsten op onze aarde bereikt. Alle drie bewindslieden tonen dat misschien wel het belangrijkste exportproduct dat Nederland heeft, ons voorbeeld van een solidaire, vrije, rechtvaardige "high trust"-maatschappij is. Soms wordt het beeld geschapen dat Nederland vooral veel te verliezen heeft. Maar we hebben juist letterlijk een wereld te winnen. Onze fractie gelooft dat er maar weinig echt slechte mensen bestaan. Maar er bestaan veel slechte menselijke eigenschappen: hebzucht, vraatzucht, luiheid, ijdelheid, jaloezie. Deze crisis heeft ons maar weer eens met de neus op de feiten gedrukt en getoond hoe belangrijk het is dat overheden wereldwijd hun burgers stimuleren tot goed gedrag om te voorkomen dat opgeklopte, onverantwoorde bubbels kunnen doorgaan voor duurzame economische groei, om te voorkomen dat schaarse grondstoffen worden verspild en de aarde uitgeput raakt en om te voorkomen dat de zwaksten in de samenleving de dupe worden: zij die niet snel, slim of mondig zijn; zij die geen stem hebben omdat ze onwetend, ziek of net geboren zijn, zij die getroffen worden door honger, geweld, ziekte of natuurrampen. Na de val van de Berlijnse muur is lang uitgestraald dat hebzucht de belangrijkste motor van economische groei zou zijn: "greed is good". Deze economische crisis bewijst hoe pervers die veronderstelling is. Niet hebzucht, maar vertrouwen is de belangrijkste aanjager van een gezonde economie en welvaart. Dat vraagt om het terugdringen van uitbuiting en corruptie, het stevig aanpakken van mensen die anderen gebruiken of misbruiken voor eigen gewin, en een rechtvaardige toegang voor ieder mens tot natuurlijke rijkdommen. Dat lukt alleen met sterke overheden die intensief internationaal samenwerken. Onze fractie ziet graag een kabinet dat bouwt aan een Nederland dat als klein maar sterk land een voorbeeld voor de wereld kan zijn. Is de minister-president dat met ons eens?

Onze fractie heeft een aantal voorstellen die kunnen bijdragen aan een meer duurzame, rechtvaardige en solidaire toekomst, bijvoorbeeld voor de vraag hoe we omgaan met aandelenkapitaal. Dit is een Nederlandse uitvinding, ooit bedoeld als een vorm van betrokkenheid waarmee rendement kon worden behaald. Nu flitst het kapitaal computergestuurd de wereld over. Een directeur van een grote multinational vertelde me deze zomer dat de aandelen van zijn bedrijf gemiddeld drie minuten in dezelfde handen blijven. Wat zegt dat over de sociale kant van ondernemen? Er zijn enkele jaren geleden voorstellen ontwikkeld om aandeelhouders die kiezen voor een langdurige relatie met een bedrijf daarvoor te belonen: het loyaliteitsaandeel. Die voorstellen zijn helaas in een la beland. Wij vragen het kabinet, deze voorstellen af te stoffen en tot uitvoering te brengen. Dat beloont aandeelhouders die kiezen voor duurzame groei. Is het kabinet bereid daartoe met voorstellen te komen?

Een ander voorstel betreft de enorme sociale en economische gevolgen van internet. Internet verandert onze economie, onze veiligheid, de manier waarop we met elkaar omgaan, de internationale verhoudingen en onze privéruimte. Het mooie van het internet is de ruimte die het biedt voor verbinding, ondernemingszin en creativiteit. Maar zonder goede regelgeving ontaardt internet in een vrijplaats voor de eerder genoemde slechte menselijke eigenschappen. We zien daar de tekenen al van: bedreigingen, berovingen, het volledig uit de hand gelopen spioneren van burgers en doorgeslagen commercialisering. De virtuele ruimte is inmiddels net zo werkelijk als de fysieke ruimte. Dan kan de overheid toch niet achterover leunen? Als het internet volwassen wordt, moeten wij bereid zijn de grote dilemma's die de virtuele revolutie veroorzaakt onder ogen te zien en van een passend antwoord te voorzien.

Willen we wel dat bedrijven vrijwel ongehinderd diep en actief ons privéleven kunnen binnendringen om ons gedrag en onze voorkeuren te verkopen? Willen we wel dat we straks met een mogelijk massale opkomst van Google Glass elkaar de hele dag kunnen filmen zonder dat we merken dat dat gebeurt? We willen dat ons bankverkeer veilig is: chaos en destructie zullen ons deel zijn als het betalingsverkeer ooit langer dan een paar dagen uitvalt. Maar als we sluizen rond het betalingsverkeer op internet plaatsen, kunnen NSA en GCHQ daar ook in; na alle berichten van de afgelopen weken zal niemand meer betwijfelen dat NSA en GCHQ dat willen. Voor we het weten, zijn we onze privacy dan ook daar kwijt. De PvdA-fractie vindt dat de overheid actief moet bevorderen dat er een publieke ruimte op internet bestaat, waar de commercie geen greep op kan krijgen. En net als in de fysieke wereld moet de overheid ook virtueel burgerrechten en veiligheid bewaken. Wij zouden het verstandig vinden als het kabinet een groep deskundige mensen bij elkaar brengt die met voorstellen komt voor nationale en internationale regelgeving die de vrijheid van goedwillende burgers op internet beschermt. En dat moet snel. De ontwikkelingen gaan zo razendsnel dat afwachten betekent dat wij te laat zijn. Is het kabinet daartoe bereid?

Ook rond de ontwikkeling van de opbouw van onze bevolking verwacht onze fractie een actievere opstelling van het kabinet. Demografische ontwikkelingen zijn meebepalend voor onze sociaaleconomische toekomst. Die kunnen bijvoorbeeld nieuwe ongelijkheid in ons land veroorzaken, namelijk tussen de Randstad, waar de bevolking volgens alle prognoses blijft groeien en waar een groeiend deel van het bruto nationaal product verdiend zal worden, en de rest van het land, waar krimp de nieuwe werkelijkheid zal worden. Deze vooruitzichten vragen om verstandige keuzes en sturing, bijvoorbeeld van de ruimtelijke ordening, die zo belangrijk is voor de leefbaarheid van ons drukbevolkte land. Maar wij horen ook al van banken die hogere hypotheekrentes willen vragen in krimpgebieden. Is het kabinet bereid om met een nota te komen over de gevolgen van bevolkingskrimp en -groei en de keuzes die daarvan het gevolg zullen, en waarschijnlijk moeten, zijn?

In de troonrede introduceerde de regering het interessante maar helaas te vluchtig uitgewerkte begrip "participatiesamenleving". Wij hebben daar met spijt in ons hart misverstanden over zien ontstaan. Laten we als PvdA vandaag daarom maar eens beginnen met het intrappen van een open deur: er kan en zal geen sprake van zijn dat een participatiesamenleving een einde maakt aan de verzorgingsstaat. Volgend jaar besteedt de overheid ruim de helft van al haar uitgaven aan twee doelen: zorg en sociale zekerheid. Die uitgaven zullen de komende jaren alleen maar verder stijgen. Juist deze crisis laat zien hoe groot de waarde van de verzorgingsstaat is: bij moeilijke omstandigheden willen wij zorgen voor elkaar. De verzorgingsstaat is de diepste erkenning van het simpele feit dat met al onze kennis en technologische verworvenheden één ding nog steeds onveranderd is: narigheid van mensen wordt meestal veroorzaakt door botte pech en succes is maar al te vaak een kwestie van geluk. Wij moderne, Westerse mensen denken graag dat we ons lot zelf in handen hebben, maar ook hier zijn de marges vaak zo klein. Pech, ziekte, verlies, verdriet; we maken het allemaal mee. De verzorgingsstaat is deels welbegrepen eigenbelang: samen verzekeren we elkaar en onszelf tegen het lot dat iedereen een keer treft. Maar we hebben ook voorzieningen geschapen voor mensen die langdurig niet of nooit voor zichzelf kunnen zorgen. Beide elementen hebben onze samenleving veerkrachtiger gemaakt: we zijn met zijn allen veel beter in staat om tegenslagen op te vangen. Dat is van blijvende waarde.

De heer Van Boxtel (D66):

Mevrouw Barth zet de participatiesamenleving naast de verzorgingsstaat en zegt dat zij de een niet wil inruilen voor de ander. Zij kan toch echter niet ontkennen dat het begrip "verzorgingsstaat" in de afgelopen 30 jaar echt is gaan staan voor "het doet er niet toe wat er met u aan de hand is, de overheid zorgt wel voor u"? Er is toch echt een kentering nodig, niet om mensen die echt hulp nodig hebben in de kou te laten staan, maar om andere mensen meer dan in het verleden te activeren? Als zij zegt dat ze het begrip "verzorgingsstaat" niet weg wil doen, waarom noemt zij het dan niet gewoon "waarborgsamenleving"? Dat doelt er dan op dat we zorgen voor degenen die het echt moeilijk hebben maar dat we niet langer de luie leunstoel van de verzorgingsstaat hebben waarbij iedereen dacht dat de overheid alles voor iedereen zou oplossen.

Mevrouw Barth (PvdA):

De heer Van Boxtel is net iets te vroeg. Als hij de rest van mijn betoog hoort, denk ik dat hij zich minder zorgen zal maken. Als dat niet zo mocht zijn, zie ik hem graag aan de interruptiemicrofoon terug zodat ik een en ander kan toelichten.

Voorzitter. Tegelijkertijd, namelijk, zien we onmiskenbaar dat de verzorgingsstaat de veerkracht van mensen en de samenleving ook juist kleiner dreigt te maken. Als de verzorgingsstaat niet goed werkt, maakt ze mensen passief. Dat geldt voor mensen die er een beroep op doen; lang niet elke cliënt wordt ondersteund om te komen tot een zo normaal mogelijk vervuld leven als vrij burger, met ziekte of handicap en al. Maar ook mensen die betalen voor de verzorgingsstaat geven nu hun solidariteit vooral passief vorm, met de verplichte premieafdracht op de loonstrook. Dat kan de bedoeling niet zijn. Om solidariteit levend te houden, is meer nodig. Als de participatiesamenleving die het kabinet voor ogen staat er een is waarin iedereen de kans krijgt om mee te doen en om erbij te horen, waarin zorgen voor elkaar vaker letterlijk precies dat is: zorgen voor elkaar, waarin mensen met pech niet alleen vis krijgen, maar ook een hengel, waarin het doel is een samenleving te hebben van vrije mensen die zo veel mogelijk ruimte krijgen om hun leven naar hun dromen in te vullen ook als dat op eigen kracht (even) niet lukt, dan kan onze fractie prima meegaan met de idee van de participatiesamenleving. Nogmaals, die gaat heel goed samen en hoort samen te gaan met de verzorgingsstaat, want de overheid blijft steunen en herverdelen. Is de minister-president dit met ons eens?

De heer Kox (SP):

Ik heb een vraag ter verduidelijking. Mevrouw Barth zegt dat zij de verzorgingsstaat niet inlevert voor de participatiemaatschappij. Zij verwees naar de troonrede. Echter, onze nieuwe koning zei toch echt dat de verzorgingsstaat verandert in een participatiesamenleving. Kan mevrouw Barth kiezen? Is zij het eens met de koning en de regering of blijft zij bij haar eigen punt: wij, de PvdA, staan nog steeds voor de verzorgingsstaat, ook in aangepaste vorm en die leveren wij niet in voor de participatiemaatschappij? Dat is toch van belang.

Mevrouw Barth (PvdA):

Mijnheer Kox, u hebt mij horen zeggen dat ik vind dat in de troonrede het begrip te vluchtig langskwam. Het was één zinnetje en dat ene zinnetje heeft heel veel misverstanden en discussie veroorzaakt. Vandaar dat wij er vandaag aan hechten om er wat langer en dieper op in te gaan. Wij denken inderdaad dat de verzorgingsstaat er is, er hoort te zijn en er hoort te blijven. In de cijfers van de begroting en de ontwikkeling van de uitgaven aan zorg en sociale zekerheid, ook voor de komende jaren, zien wij geen enkele reden om te veronderstellen dat het einde van de verzorgingsstaat nabij is. We zeggen echter wel dat je die anders moet invullen. We moeten er anders mee omgaan. Er wordt bijvoorbeeld in de gezondheidszorg wat afgeredderd. Zodra je iets mankeert, hebben professionals de neiging om het allemaal van je over te nemen. Dat is de bedoeling niet; ook mensen met een handicap moeten als vrij burger in onze samenleving voluit kunnen meedoen. Zij moeten gewoon in de wijk kunnen leven en als vrij burger van dit land kunnen participeren. Als je een uitkering nodig hebt omdat je geen werk hebt, is het heel goed dat die uitkering er is. Alle prikkels moeten er echter wel op zijn gericht om ervoor te zorgen dat je zo snel mogelijk weer aan de slag kunt. Een participatiesamenleving is een samenleving waarin burgers er op een actieve manier voor elkaar willen zijn. Dat doen we door de premieafdracht op de loonstrook, die is heel belangrijk maar niet genoeg. We moeten ervoor zorgen dat het geld dat we daarmee ophalen vooral ook wordt gebruikt om mensen als vrije, onafhankelijke, trotse burgers in de samenleving te kunnen laten meedoen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik wil graag nog even op dit punt doorgaan, voorzitter. Ik vind het heel interessant dat mevrouw Barth zegt dat we dit debat moeten voeren en dat het zinnetje in de troonrede te kort was. Ik ben dat met haar eens. Maar wat gaan we er dan vervolgens aan doen? Hoe moeten we er verder invulling aan geven? Ik heb niet heel veel documenten gezien, ook niet van de kant van de regering, die dit verder invulling geven. Het is een buitengewoon interessant concept, dat ben ik eens met mevrouw Barth eens. Ik heb ook het idee dat het begrotingsakkoord het een stukje dichterbij brengt door de steun een gezinnen en door meer positie te geven aan chronisch zieken en gehandicapten in de samenleving. Maar heeft mevrouw Barth er verder ideeën bij? Zouden we een voorstel moeten ontwikkelen zodat die gedachte verder wordt gebracht? Wat denkt mevrouw Barth?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik denk dat het heel belangrijk is dat wij deze discussie verder brengen, want ik zou het echt heel jammer vinden als door de aanvankelijke vluchtigheid dit begrip zo besmet raakt dat we het er niet meer over hebben, juist omdat het zo belangrijk is dat de verzorgingsstaat er niet voor zorgt dat we mensen langs de kant schuiven. Dat kan de bedoeling immers niet zijn. Het is juist belangrijk dat we een samenleving hebben waarin iedere burger ondanks handicap, ziekte of tegenslagen kan meedoen. Dat is de reden dat wij de discussie toch in elk geval vandaag willen aangaan en de minister-president ook graag willen uitdagen om er in zijn antwoord op in te gaan. We zien natuurlijk ook al een aantal concrete voorstellen van het kabinet in het regeerakkoord staan die bedoeld zijn om de participatiemaatschappij dichterbij te brengen en concreter handen en voeten te geven. Ik ga daar straks nog iets over zeggen. Ik denk dat bij de concrete behandeling van die wetsvoorstellen, wij dit debat zeker zullen voortzetten.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Wat vraagt mevrouw Barth precies van het kabinet nu? Wil zij een voorstel zien of een document of een …

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik wil heel graag van de minister-president horen dat hij het met ons eens is dat de participatiesamenleving en de verzorgingsstaat heel goed samen kunnen gaan, en dat de een niet in de plaats komt van de ander maar dat de een betekent dat we de ander herdefiniëren en actiever maken alsmede meer betrokken op elkaar. Laten we daar eens mee beginnen, want als de minister-president daar positief op reageert, neemt dat heel veel onrust onder de Nederlandse bevolking weg. Hopelijk creëert dat dan ook een klimaat waarin we met elkaar op een open manier dit gesprek verder kunnen voeren, want wij zijn ervan overtuigd dat heel veel mensen die een beroep doen op de verzorgingsstaat niets liever willen dan als een volwaardig burger aan de samenleving te kunnen meedoen.

Wij zijn wel benieuwd naar de concrete uitwerking van de voorstellen van het kabinet in de grote decentralisatiewetten die op stapel staan. In reactie op de heer Kuiper zeg ik dat ik verwacht dat we over deze wetten het debat zeker verder zullen voeren. Onze fractie zal bij de beoordeling van die voorstellen met name letten op de vraag of burgers daardoor beter tot hun recht kunnen komen. Wij verwachten ook lokaal een dienstbare overheid die niet bureaucratisch en niet verkokerd is, en die niet bezig is met de eigen agenda of belangen, maar oprecht de vraag van kwetsbare burgers als uitgangspunt neemt en de organisatie daar maximaal op neerzet.

Wie een participatiesamenleving wil realiseren, zal aan drie dingen prioriteit moeten geven: aan werk, werk en werk. De bestrijding van de werkloosheid moet wat de PvdA betreft op nummer één staan van de agenda van dit kabinet. De grootste inspanning moet aan de voorkant van de verzorgingsstaat plaatsvinden. Eerst een baan, dan zien wat er nodig is om die te houden. Deelt het kabinet die topprioriteit? Kan het ons een overzicht leveren van de verwachte resultaten van alle initiatieven en projecten die zijn gestart? Wij willen namelijk geen dure praatclubs, maar banen. Wat vindt het kabinet van het voorstel van de dienstencheque, dat drie weken geleden weer eens tevoorschijn is gehaald door PWC? Is het kabinet bereid een serieuze studie te wijden aan deze optie, die wellicht tienduizenden banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt oplevert en zwartwerken terugdringt?

Ik kom tot een afronding, voorzitter. Ik ben mijn bijdrage begonnen met de smalle marge van democratische politiek. De PvdA is en blijft een partij die, zoals Den Uyl in zijn essay schrijft, "medeverantwoordelijkheid aanvaardt voor gegroeide structuren en bereid is vanuit deze verantwoordelijkheid die structuren te hervormen. Voor velen heeft dit stellig de smaak van de politiek van compromissen en de haalbare kaart. Zij smalen op schroefjesverdraaiers en marginale veranderingen".

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Mevrouw Barth spreekt over "banen, banen, banen". Tegelijkertijd zegt minister Asscher dat de werkgelegenheid voor de lager opgeleiden in Nederland wordt bedreigd door Oost-Europeanen die lid zijn van de Europese Unie. Ik blijf me daarom verbazen over dit betoog van mevrouw Barth en over allerlei facetten daarin. Is zij nou Europeaan en verwelkomt zij deze Oost-Europeanen die de door haar genoemde "banen, banen, banen" innemen? Of heeft zij het over banen voor Nederlandse burgers die hier op dit moment wonen?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik voel als lid van de PvdA een speciale verantwoordelijkheid voor en betrokkenheid bij iedereen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Volgens mij geldt hetzelfde voor de minister van Sociale Zaken. Hij heeft met veel passie willen waarschuwen voor de uitbuiting die vaak plaatsvindt aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Anders dan de PVV willen wij ons niet alleen inspannen voor mensen die De Vries of Jansen van hun achternaam heten, maar voor alle mensen die dreigen te worden uitgebuit door andere mensen. Dat houdt niet op bij de grenzen.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Ik zie ook aan het gezicht van de voorzitter dat dit duidelijk geen antwoord is op de vraag die ik stelde. Mijn vraag was namelijk of deze banen worden geschapen voor Europeanen of voor mensen in Nederland. Mevrouw Barth roept "banen, banen, banen". Gaan we daar als Nederlandse samenleving profijt van hebben of betekent dit alleen maar dat Bulgarije en Roemenië daar profijt van hebben?

Mevrouw Barth (PvdA):

Mijn excuses als de heer De Graaff vindt dat ik zijn vraag niet goed beantwoordde. Ik zal het nog een keer proberen. Een open economie als de Nederlandse profiteert geweldig van internationale samenwerking en open grenzen. Daarom is het ook zo belangrijk dat we Europese samenwerking hebben en dat Nederland open grenzen heeft. Ons land leeft van de export. Als er te veel barrières bestaan voor de export dan kost ons dat banen en economische groei. De keerzijde van die open grenzen kan zijn dat er uitbuiting ontstaat aan de onderkant van de arbeidsmarkt, zowel voor mensen die in Nederland geboren zijn als voor mensen die de grenzen zijn overgestoken om hier te werken. Dat is een punt van grote zorg dat aangepakt moet worden. Ook daar kiest mijn partij heel duidelijk voor een internationaal perspectief. Wij voelen ons niet alleen verantwoordelijk voor mensen die in Nederland aan de onderkant van de arbeidsmarkt worden uitgebuit of het moeilijk hebben, maar voor alle mensen in Europa. Sterker nog, wij voelen dat voor alle mensen in de wereld. De partij van de heer De Graaff kiest een andere richting. Zij sluit zich op achter de dijken en binnen de grenzen en vindt dat genoeg. Dat is haar goed recht. Dat mag, maar de PvdA is een internationale partij die ook altijd het internationale perspectief zal kiezen bij de bescherming van mensen aan de onderkant.

De voorzitter:

Mijnheer De Graaff, ik denk dat u het hiermee moet doen.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik zie de heer De Graaff schudden met zijn hoofd, maar gelukkig knikt mijn woordvoerder voor buitenlandse zaken instemmend. Ik doe dus iets goed, geloof ik.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Mevrouw Barth betoogt dat de PVV zich achter de dijken opsluit. Voorzitter, u begrijpt dat ik die suggestie in ieder geval verre van mij werp.

De heer Thissen (GroenLinks):

In het laatste staartje van het debat vallen mij twee dingen op waar ik mij aan stoor. Ten eerste is dat het woordgebruik van mevrouw Barth. Zij spreekt over "de onderkant van de arbeidsmarkt". Ik zou echt willen afspreken dat wij het daar niet meer op die manier over hebben. Het gaat volgens mij over leden van de beroepsbevolking die het zeker in crisistijd, maar ook anderszins, lastig hebben om deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Het gaat niet om de onderkant van de arbeidsmarkt. Ik zou niet graag willen werken aan de onderkant van de arbeidsmarkt en als ik dat zou doen, zou ik niet willen dat de politici in Den Haag zeggen: u werkt aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Ik ben dan iemand die het eventueel lastiger heeft om deel te nemen aan de arbeidsmarkt en ik hoop dan dat de politici de slagbomen een beetje kunnen openduwen, zodat ik mee kan doen.

Ten tweede viel mij in het interruptiedebatje tussen collega Van Boxtel en mevrouw Barth op dat mevrouw Barth sprak over de "luie leunstoel van de verzorgingsstaat". Ik wil daar echt afstand van nemen. De verzorgingsstaat is geen luie leunstoel.

Mevrouw Barth (PvdA):

De opmerking van de heer Thissen over het begrip "onderkant van de arbeidsmarkt" neem ik graag voor mijn rekening. Ik was misschien iets te snel. Dat begrip is in elk geval niet diskwalificerend, maar analyserend bedoeld. Verder heb ik volgens mij niet gezegd dat er sprake is van een luie leunstoel in de verzorgingsstaat. Ik heb wel aangegeven dat ik het belangrijk vind dat de verzorgingsstaat er altijd op gericht moet zijn dat mensen kunnen meedoen in de samenleving. Daar is meer voor nodig dan wat wij in Nederland op dit moment met zijn allen doen.

De heer Kox (SP):

Ik ben het eens met de reactie van mevrouw Barth op de woorden van collega De Graaff. Het heeft weinig zin om te zeggen dat het alleen om Nederland gaat en dat wij ons achter de dijken opsluiten. De PVV doet dat ook niet meer, hebben wij net gehoord. Frankrijk, Vlaanderen en Hongarije zijn allemaal heel interessante gesprekspartners. Mevrouw Barth wil zich in internationaal verband sterk maken tegen misbruik van arbeiders elders en misbruik van arbeiders hier. Daar zijn wij het over eens. De vraag is wel hoe de PvdA dat gaat doen. De situatie is nu eenmaal zo dat de grenzen op 1 januari opengaan voor arbeidskrachten uit Bulgarije en Roemenië. Niemand minder dan de minister van Sociale Zaken heeft erop gewezen dat dit problematisch gaat worden. Dat ligt niet aan de mensen daar. Dat ligt niet aan de mensen hier. Dat ligt aan het feit dat er in Europa een enorme discrepantie is. De minister van Sociale Zaken is het erover eens dat uitbuiting op het punt staat te gebeuren. Wat vraagt de PvdA aan dit kabinet om te doen tegen die op stapel staande uitbuiting? Anders is het een beetje een internationalistisch praatje voor de bühne. De arbeiders, waar de Partij van de Arbeid en mijn partij voor staan, hebben er recht op om van de Partij van de Arbeid te horen wat zij gaat doen om die uitbuiting te voorkomen. Kan mevrouw Barth daar iets concreter over worden?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik hoef volgens mij niet te antwoorden voor de minister van Sociale Zaken. Dat kan de minister-president vanmiddag prima doen. Volgens mij heeft de minister van Sociale Zaken met name aandacht gevraagd voor de uitbuiting van kwetsbare mensen op de arbeidsmarkt die vaak met flexcontracten werken, dikwijls onder heel moeilijke omstandigheden moeten wonen en onder het minimumloon betaald worden door kwaadwillende werkgevers. De minister heeft aangegeven dat de open grenzen er niet toe mogen leiden dat dit probleem groter wordt en dat de uitbuiting sterker wordt. Ik ben het helemaal eens met de minister van Sociale Zaken dat de oplossing van dat verschijnsel alleen maar mogelijk is in Europees verband. Nederland moet zich daar sterker voor maken. Dit is nu precies een van de thema's waar het straks bij de Europese verkiezingen over moet gaan. Wordt Europa een continent van alleen rust op financiële markten of wordt het ook een sociaal Europa waar voor deze groepen voldoende bescherming wordt georganiseerd?

De heer Kox (SP):

Mijn vraag was alleen: hoe? Dit zijn de algemene beschouwingen in dit huis van ons allemaal. Ik hoop dat wij straks een geweldig antwoord van de minister-president krijgen. Hoe denkt de PvdA dit probleem te kunnen aanpakken? Het is onvoldoende om te zeggen: dat doen wij internationaal. Wát doen wij dan internationaal?

Mevrouw Barth (PvdA):

Dat betekent dat de rechtsposities binnen de Unie goed op elkaar afgestemd moeten zijn. Dit betekent dat de afspraken die wij daar in Europees verband over maken, sluitend moeten zijn. Mijnheer Kox, dat betekent in elk geval dat de Europese verkiezingen in juni echt ergens over gaan en dat het helpt als de partijen aan de linkerzijde in Europa straks een stuk sterker worden. Daar gaan u en ik vast allebei heel actief campagne voor voeren in juni.

Voordat ik onderbroken werd, citeerde ik opnieuw Joop den Uyl. Hij inspireert ons tot op de dag van vandaag om ons niet te laten ontmoedigen door beperkingen en om niet voor moeilijke tijden weg te lopen. Wij verwachten daarom van dit kabinet dat het binnen de smalle marge blijft werken aan grote idealen.

De voorzitter:

Ik dank mevrouw Barth voor haar inbreng.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 13.15 uur tot 13.45 uur geschorst.

De voorzitter:

De ingekomen stukken staan op een lijst die in de zaal ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

(Deze lijst is, met de lijst van besluiten, opgenomen aan het einde van deze editie.)