Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 38, item 2

2 Wet inburgering

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige ( 33086 ).

De voorzitter:

Ik heet de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Meurs (PvdA):

Voorzitter. Vandaag behandelen we de wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige. Het wordt de zevende inhoudelijke wijziging van de Wet inburgering sinds deze in 2007 van kracht werd. Dat is gemiddeld meer dan één wijziging per jaar! De effecten van de vorige wijziging worden niet afgewacht, laat staan onderzocht alvorens weer een volgende stap wordt gezet. Deze opeenvolgende wijzigingen vertonen een opmerkelijke consistentie: er worden steeds hogere eisen gesteld aan het niveau en aan het tempo van de integratie van migranten en de nadruk komt steeds meer te liggen op dwang en sancties. De vraag dient zich aan of met de wetswijziging die nu voorligt nog wel van inburgering kan worden gesproken! Het is eerder weer de zoveelste maatregel om de inburgeringsmogelijkheden te verkleinen en de kans op succesvolle integratie te beperken. Het beleid kenmerkt zich door het opwerpen van zo veel mogelijk barrières. Integreren is een soort hordeloop geworden en het inburgeringsexamen is een van die hordes. Nu moet de inburgeraar het ook allemaal zelf gaan betalen.

Het moge duidelijk zijn dat de fractie van de Partij van de Arbeid zeer weinig sympathie kan opbrengen voor dit wetsvoorstel. Het niet langer betalen van de inburgeringscursussen door de overheid leidt tot een wrange situatie: geen minimuminkomen maar wel de verplichting om op eigen kosten Nederlands te leren. In plaats van aangepaste steun bij het verkrijgen van de vereiste taalkennis worden ingrijpende financiële sancties opgelegd. Naar het oordeel van mijn fractie hebben deze voorstellen niets meer met inburgering of integratie te maken en kunnen zij uitsluitend begrepen worden als een bezuinigingsmaatregel en als ontmoedigings- in plaats van integratiebeleid.

In mijn bijdrage van vandaag geef ik een korte opsomming van de verschillende elementen uit dit wetsvoorstel en koppel daar nog enkele vragen aan voor de minister.

Immigranten moeten straks, als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, de inburgeringscursussen volledig zelf betalen. Gezinsmigranten kunnen maximaal € 5000 en asielzoekers maximaal € 10.000 lenen. Zij moeten die lening wel volledig afbetalen. Het is inmiddels bekend dat een cursus van een beetje niveau meer dan € 5000 kost. Wellicht ten overvloede: dit is vier tot acht keer het nettomaandinkomen van iemand die het minimumloon verdient. Het is op z'n minst de vraag of dit wel een "sociaal leenstelsel" genoemd mag worden. Wat ons betreft niet, maar wellicht kan de minister ons uitleggen wat er sociaal is aan dit voorgestelde leenstelsel.

De termijn waarbinnen aan de eisen moet worden voldaan wordt ingekort: maximaal drie jaar mag een immigrant erover doen. De sancties op het niet behalen van het examen worden hoger en frequenter: elk jaar een boete van maximaal € 1200 en zij die niet tijdig slagen voor het examen worden met uitzetting bedreigd. Wat dit laatste betreft, heeft de Raad van State duidelijk gemaakt dat deze uitzetting op basis van het niet tijdig halen van het examen in strijd is met artikel 8 EVRM en met artikel 16 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De dreiging met uitzetting zal dus in de praktijk zelden of nooit kunnen worden uitgevoerd. Waarom houdt de minister in het voorstel dan toch vast aan deze dreiging? Het feit dat de dreiging in het voorstel is opgenomen, zal niet bijdragen aan de integratie van migranten. Immers, het is goed voorstelbaar dat lang niet iedereen op tijd het examen zal halen. Verwacht mag worden dat inburgeraars laat zullen starten met hun inburgering, omdat zij eerst aan andere zaken voorrang geven, zoals huisvesting, school voor de kinderen enzovoorts. Dit kan gevolgen hebben voor het halen van de termijnen. Wat betekent dat dan feitelijk? Een permanente dreiging met uitzetting? Dat lijkt ons weinig bevorderlijk voor integratie. Erbij kunnen horen is toch niet uitsluitend afhankelijk van een examen?

In de schriftelijke voorbereiding hebben wij al gewezen op het feit dat in dit voorstel voor het gemak wordt uitgegaan van een opleidingsmarkt en een kiezende consument. Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel is zelfs een onderzoek gedaan naar de effecten van deze maatregel, waaruit blijkt dat ROC's zich uit deze markt zullen terug trekken. Het zal vooral de private sector zijn die cursussen aanbiedt. De verwachting is dat vooral prijsvechters in de markt zullen komen met alle gevolgen voor de kwaliteit van het aanbod, in het bijzonder het binnen termijn halen van het examen. De verwachting is dat er wel voldoende aanbieders overblijven voor de hoger opgeleiden, maar het aanbod voor laag opgeleiden is kwetsbaar. Het aantal locaties en de spreiding ervan zal afnemen. Verwacht wordt een concentratie in de Randstad. Is de minister nog voornemens enig toezicht uit te oefenen op deze markt en te waarborgen dat er voldoende aanbod blijft van goede kwaliteit? En wat als de kwaliteit volstrekt onvoldoende is? Afwentelen op de inburgeraars? Dat kan toch niet de bedoeling zijn. Wij hebben ook begrepen dat vrijwilligersorganisaties die taalondersteuning geven, verwachten dat een groter beroep op hen zal worden gedaan, terwijl zij geen enkele financiële ondersteuning meer ontvangen. Het wegvallen van de nationale en locale financiering bedreigt het voortbestaan van deze laagdrempelige en kosteneffectieve informele taalondersteuning. Mijn fractie kan het niet anders zien als een voorstel om inburgeraars, onder het mom van eigen verantwoordelijkheid, het maar zelf te laten uitzoeken. Mijn fractie vindt het een slechte zaak dat straks, indien deze wet wordt aangenomen, de gemeente geen rol meer speelt. In dit verband is het opmerkelijk dat dit voorstel niet eens voorziet in overgangsmaatregelen, opdat gemeenten tenminste voor een bepaalde periode een budget krijgen om afspraken met de opleidingen te maken. Waarom is hier niet in voorzien?

Met dit voorstel wordt het niet tijdig behalen van het inburgeringsexamen als een nieuwe intrekkingsgrond opgenomen in artikel 18 van de Vreemdelingenwet. Immigranten kunnen dus hun verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kwijtraken. Reeds bij de vorige wetswijziging van de Wet inburgering heeft mijn fractie zich uitgesproken tegen de koppeling tussen het behouden van de verblijfsvergunning en het slagen voor het examen, omdat deze koppeling geen enkele bijdrage levert aan integratie en juist van immigranten tweederangs burgers maakt. Ze komen niet in aanmerking voor een permanente verblijfsvergunning en nu gaat de minister een stap verder door zelfs het niet halen van het examen als een intrekkingsgrond van een tijdelijke verblijfsvergunning. Kan de minister nog eens toelichten welk doel hiermee gediend is, anders dan zo min mogelijk mensen voorzien van een verblijfsvergunning?

Dit voorstel betreft immigranten die na de inwerkingtreding van deze wet in Nederland worden toegelaten. De zogenaamde oudkomers zijn niet meer inburgeringsplichtig. De ondersteuning van de vrijwillige inburgering verdwijnt uit de wet. Betekent dit dat de overheid helemaal geen enkele rol meer vervult bij de vrijwillige inburgering? Hoe ziet de minister het proces van integratie van deze groep mensen? Is overigens bekend om hoeveel mensen het eigenlijk nog gaat? In het eerste nummer in 2012 van het tijdschrift Asiel & Migratierecht schrijft professor Groenendijk een bijdrage getiteld "kroniek inburgering 2010–2011". Met hem stelt mijn fractie vast dat reeds in 2006 werd gekozen voor marktwerking en zelfredzaamheid van migranten. Zij moesten de kosten van de inburgering grotendeels zelf dragen en konden een lening sluiten bij de overheid. Die lening werd toen kwijtgescholden als het examen tijdig werd gehaald. We hebben toen gezien dat dat systeem, dat gunstiger was voor de migrant dan dit voorstel, totaal niet heeft gewerkt met een zeer aanzienlijke daling van het aantal deelnemers aan inburgeringscursussen en een gebrekkige start in de Nederlandse samenleving tot gevolg. Met professor Groenendijk stel ik de vraag aan de minister: waarom zou het nu dan wel goed gaan? Waarom zouden een kariger leenstelsel en hogere boetes wel het gewenste effect hebben?

Tot slot zouden wij van de minister graag een nadere uiteenzetting horen over hoe dit voorstel zich verhoudt tot internationale richtlijnen. In de schriftelijke voorbereiding hebben we daar ook al vragen over gesteld. Zowel de Raad van State als de ACVZ heeft aangegeven dat deze voorstellen op gespannen voet staan met het internationaal recht en afspraken waar Nederland zich aan heeft verbonden. Zo staat in het Vluchtelingenverdrag dat lidstaten de naturalisatie van vluchtelingen bespoedigen en de kosten zo veel mogelijk verminderen. In de Kwalificatierichtlijn wordt aangegeven dat landen de integratie moeten bevorderen en dat de toegankelijkheid van programma's moet zijn gewaarborgd. Ik noemde hiervoor al het punt van het verliezen van het verblijfsrecht op grond van het niet halen van het examen en de strijdigheid met artikel 8 EVRM. Naar ons oordeel is het voorstel dat nu voorligt in strijd met deze internationale richtlijnen; de schriftelijke beantwoording heeft ons niet overtuigd van het tegendeel. Dus ik hoop dat de minister nog verder wil uiteenzetten waarom het naar zijn oordeel wel in overeenstemming is met die internationale richtlijnen.

Mijn fractie is zeer bezorgd over de gevolgen van de beoogde wijziging van de Wet inburgering en wij vinden de voorgestelde maatregelen onverantwoord. De Nederlandse taal is een belangrijke sleutel tot participatie in onze samenleving. Kunnen meedoen is een essentiële voorwaarde voor integratie. De Nederlandse overheid zou het leren van de Nederlandse taal juist moeten bevorderen, maar met dit voorstel gebeurt het tegendeel.

Wij wachten de antwoorden van de minister met belangstelling af.

De heer Swagerman (VVD):

Voorzitter. Het zal uw Kamer niet verbazen dat ik uitgekeken heb naar de behandeling van dit wetsvoorstel. Het versterken van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtigen is naar de mening van mijn fractie een goede zaak en zet een flinke eerste stap in de richting van een succesvolle integratie. Voordat ik echter inhoudelijk inga op het wetsvoorstel, hecht ik er belang aan om enkele woorden te wijden aan de procedure die is voorafgegaan aan de behandeling ervan. Vóór het reces heeft de commissie Immigratie en Asiel maar liefst vijf weken lang gesproken over de vraag of dit voorstel tot wijziging van de Wet inburgering al dan niet controversieel verklaard moest worden. Ik vraag me nog steeds af of dat nodig was, vooral ook gezien het feit dat dit wetsvoorstel door een vorig kabinet is voorbereid. De behandeling van dit wetsvoorstel werd zelfs, procedureel gezien, gekoppeld aan de zorg over het functioneren van de Eerste Kamer. Laat ik hier helder over zijn: de meerderheid van deze Kamer heeft uiteindelijk, na stemming, besloten het wetsvoorstel te behandelen en de toets aan rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid zal nu uitgevoerd worden. Daarmee is het functioneren van deze Kamer op geen enkele manier in het geding.

De plenaire behandeling zou aanvankelijk ook voor het zomerreces plaatsvinden, maar we weten hoe het verderging. Uiteindelijk ketste de behandeling af op een overvolle Kameragenda. Toen ik op 10 juli van dit jaar om kwart over een 's nachts naar huis reed, wist ik dat uitstel terecht was. Maar nu is het dan zover.

Zoals ik al zei, steunen de leden van de VVD-fractie de hoofdlijnen van dit wetsvoorstel. Het initiatief bij de inburgeringsplichtige leggen is naar onze mening geheel in lijn met het liberale beginsel van eigen verantwoordelijkheid en uitgaan van de kracht van het individu. Alleen zo creëren we een situatie waarin burgers niet volledig afhankelijk zijn van een overheid die alles voor ze regelt, maar in zichzelf investeren en bouwen aan een zelfstandig bestaan. Zoals het kabinet al schreef in zijn integratievisie: "Het integratiebeleid in Nederland moet gericht zijn op onderlinge betrokkenheid en continuïteit in de Nederlandse samenleving en de waarden waarop deze berust: vrijheid, gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid en solidariteit."

Al vele malen is aangetoond dat door de taal te leren en de samenleving te bestuderen het voor vreemdelingen makkelijker is om contacten te leggen en zich zelfstandig in het maatschappelijk verkeer te kunnen bewegen. Wat ons betreft is een belangrijke eerste stap hierin dat inburgeringsplichtigen zelf hun inburgeringscursus gaan kiezen en zelf de kosten betalen. Wat de VVD-fractie hierbij in het bijzonder aanspreekt is de marktwerking die zal plaatsvinden in het aanbod van cursussen. Nu lopen de prijzen gigantisch uiteen, maar in de nieuwe situatie kunnen inburgeringsplichtigen uit het grote aanbod een cursus kiezen die bij hen past waardoor instellingen gaan concurreren. Door het ontwikkelen van e-learning modules zal de toegankelijkheid verder kunnen worden vergroot.

Toch zijn ook enkele kanttekeningen te plaatsen, allereerst over de koppeling tussen inburgering en verblijfsrecht. In de memorie van toelichting staat dat het niet slagen voor het inburgeringsexamen, behoudens uitzonderingen, leidt tot intrekking van de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. In lagere regelgeving zal worden uitgewerkt dat de verblijfsvergunning niet wordt ingetrokken indien dit in strijd komt met de gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 8 van het EVRM. Indien de inburgeringsplichtige, gezinshereniger of niet, niet slaagt voor het examen, moet hij verwijtbaar hebben gehandeld wil het verblijfsrecht mogelijk worden ingetrokken. Het gaat dus om een kan-bepaling en dat lijkt mij overigens ook een juiste invulling. Mijn fractie vindt het namelijk belangrijk dat de wet ruimte laat om gevallen individueel te kunnen beoordelen.

Tegelijkertijd rijst wel de vraag in welke gevallen precies verwijtbaar in de hier bedoelde zin wordt gehandeld. Onder dankzegging aan de minister voor de beantwoording van onze vragen, mist mijn fractie hier toch nog wel duidelijkheid. Kan de minister enkele heldere voorbeelden geven waarin invulling wordt gegeven aan die verwijtbaarheid? Anders gezegd: welke mate van verwijtbaarheid is vereist om tot intrekking over te gaan, nu ook voor de boeteoplegging geldt – dat lijkt mij vanzelfsprekend – dat daartoe pas kan worden overgegaan als betrokkene verwijtbaar heeft gehandeld? Dient daarnaast de overheid aan te tonen dat de inburgeringsplichtige verwijtbaar heeft gehandeld of dient de inburgeringsplichtige zelf het tegendeel aan te tonen? Ofwel: waar ligt de bewijslast?

Een tweede punt van zorg betreft de positie van asielgerechtigden. Deze kwetsbare groep kiest vaak niet vrijwillig voor een verblijf in ons land. Hoewel de inburgeringstermijn voor deze groep kan worden verlengd, wordt tegelijkertijd de maatschappelijke begeleiding, volgend uit de systematiek van het wetsvoorstel, beëindigd. Weliswaar heeft de minister aangegeven dat de regering bereid is om middelen te blijven verstrekken aan gemeenten ten behoeve van maatschappelijke begeleiding van asielgerechtigden, maar mijn fractie zou graag een toelichting ontvangen op hoe deze begeleiding er de facto uit gaat zien.

Dan de kosten voor asielgerechtigden. Natuurlijk is mijn fractie content met de invoering van een sociaal leenstelsel om zo de inburgeringsplichtigen die over onvoldoende middelen beschikken, tegemoet te treden. Door de marktwerking kunnen de kosten al gedrukt worden en het geleende bedrag kan in termijnen worden terugbetaald. Zou echter ook hier niet een extra tegemoetkoming voor deze specifieke groep gerechtvaardigd zijn? Graag krijg ik hierop een antwoord van de minister.

Over de wijze waarop het examen wordt afgenomen, merk ik graag het volgende op. Hoewel uit de Monitor Inburgeringsexamen Buitenland 2010 blijkt dat in dat jaar geen meldingen van fraude zijn gerapporteerd, gaat het om het afnemen van examens per telefoon, toch ook een fraudegevoelig instrument. Hoe betrouwbaar acht de minister deze uitkomst? Zodra in de nieuwe situatie mogelijk wordt ingezet op het afnemen van examens per computer, zowel in binnen- als buitenland, is de kans op fraude natuurlijk groter. Kan de minister aangeven of en op welke termijn ingezet gaat worden op het digitaal afnemen van examens? Zo ja, welke maatregelen neemt de minister dan om fraude tegen te gaan?

Ook heeft mijn fractie nog een vraag over de instantie die verantwoordelijk is voor het verstrekken van de leningen, de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Omdat het hier gaat om een uitvoeringsorganisatie die beschikt over een grote pot met geld, dient het toezicht op deze organisatie strak en helder te zijn geregeld. Sinds de verandering van IB-Groep naar DUO is de raad van toezicht echter ontbonden en is een raad van advies ingesteld. De minister moet het met mij eens zijn dat een raad van advies geen toezicht houdt op een organisatie en dat dit op een andere manier geregeld moet zijn. Ik hoor graag van de minister voor welke structuur is gekozen. Waaruit bestaat het toezicht precies en wie is ermee belast?

Ik moest bij de voorbereiding van deze plenaire behandeling denken aan de discussie over de geschiedeniscanon. Wat daar wel of niet in thuis zou horen, leidde tot een heftig debat. Daar kwamen we toen niet uit. Over de vragen waarop de inburgeringscursus geacht wordt voor te bereiden, is nauwelijks gesproken. Hoe kan dat? Zou dat komen doordat het bij de canon over iets inhoudelijks ging, over onze identiteit, ons historisch erfgoed en onze cultuur, en bij de inburgering over iets heel anders? Ik denk dat het als volgt zit. We doen iets aan inburgering omdat we vinden dat er iets moet gebeuren aan een immigrantenstroom waaruit te weinig mensen daadwerkelijk integreren. We werpen een drempel op door van de personen die binnenkomen een inspanning te vragen.

Mijn fractie begrijpt dat, sterker nog, zij vindt het een goede zaak, omdat zelfredzaamheid de integratie bevordert. De last van het doen van examen, welke inhoudelijke eisen we daaraan ook stellen, moet genuanceerd worden benaderd. Immers iemand die van buiten komt en in staat blijkt zelf uit een groot aanbod een cursus te selecteren en op te gaan voor het examen, heeft daarmee op zichzelf al een heel grote stap richting inburgering gezet. Dan komt het met het examen ook wel goed.

Ik wacht de antwoorden van de minister met belangstelling af.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Voorzitter. Allereerst breng ik bij dezen de excuses over van mevrouw Popken. Zij werd hier verwacht om haar maidenspeech te houden. Naar ik heb begrepen, hadden de medewerkers van de Kamer zich daarop voorbereid om het allemaal in goede banen te leiden. Er komt ongetwijfeld een tweede gelegenheid. Ik hoop dat zij dan daadwerkelijk haar maidenspeech zal houden. Aan mij is nu de schone taak om vanuit de fractie van de PVV nog het een en ander te vragen aan de minister over dit wetsvoorstel inzake versterking eigen verantwoordelijkheid inburgeringsplichtigen.

Ik begin met een klein stukje geschiedenis; ik heb maar vijf minuten, dus het is echt klein. Op 7 juni 1975 hebben 2000 leden van de Parlementaire Associatie voor Euro-Arabische samenwerking unaniem een resolutie ondertekend. De landen van de toenmalige EG werden daarin opgeroepen om de islam bij hun bevolking populair te maken en de immigranten uit mohammedaanse landen dezelfde rechten te geven als de eigen bevolking. De geschiedenis heeft ons geleerd dat de Partij van de Arbeid dit vervolgens voortvarend ter hand heeft genomen. We hebben gezien waartoe dit heeft geleid. Immigranten uit moslimlanden zijn zwaar oververtegenwoordigd in straatterreur, roofovervallen en verkrachting. Immigranten uit deze landen zijn oververtegenwoordigd onder uitkeringsfraudeurs. Immigranten uit moslimmanden zijn overwegend niet geïntegreerd, geassimileerd of – daar gaat dit wetsvoorstel over – ingeburgerd.

In mei 2007 verschijnt een studie van het Europees Parlement, Islam in the European Union: what's at stake in the future? Afgezien van de gebruikelijke wollige blabla die we van dit instituut gewend zijn, staat er in de samenvatting een opmerkelijke aanbeveling: "To promote, with great caution and prudence, the development of tolerant and open Islam through activities of elaboration and circulation of ideas (translations and communication)."

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Mijnheer De Graaff, u citeert nu netjes uit een rapport. Daarvoor noemde u allerlei wangedrag van islamitische mensen. Kunt u adstrueren waarop u dat baseert?

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Ik heb niet gezegd: het zijn moslims die dit soort gedrag vertonen. Ik heb gesproken over mensen uit moslimlanden. Ik zou een hele lijst van rapporten kunnen opsommen waaruit de oververtegenwoordiging van niet-westerse allochtonen in deze categorieën blijkt, maar dat zal ik niet doen. Als u daarop prijs stelt, kan ik u die buiten deze vergadering doen toekomen.

Voorzitter, ik ga door met mijn betoog, want ik heb maar vijf minuten. Deze studie beveelt dus aan om heel voorzichtig, "with great caution and prudence", te werken aan een open en tolerante islam. Waarom is dat een opmerkelijke aanbeveling? Omdat er impliciet staat dat een open en transparante islam op dat moment niet bestaat. Er moet immers gewerkt worden aan de ontwikkeling ervan. Waarom moet dat dan voorzichtig gebeuren? Het antwoord zit in deze vraag verborgen: omdat de islam intrinsiek gewelddadig is en de ontwikkeling van een open en tolerante islam gemakkelijk tot gewelddadige mohammedaanse tegenacties kan leiden. Dat is de islam. De PVV is mordicus tegen elke ideologie die uit is op onderwerping van andersdenkenden door geweld. Dat betekent, en zo kom ik bij het wetsvoorstel: grenzen dicht voor de islam en dus voor mensen die dragers zijn van deze moorddadige ideologie. Hebben wij dan dus nu een wetsvoorstel voor ons waarmee het gewelddadige ideologische conflict, waar het bij de islam uiteindelijk altijd op uitdraait, in de kiem gesmoord kan worden? Hebben wij nu een wetsvoorstel waarmee de eindeloze toestroom uit mohammedaanse landen aan banden wordt gelegd? Met andere woorden, is dit een wetsvoorstel dat in alle opzichten tegemoetkomt aan de doelstellingen van de PVV?

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Ik moet mij inhouden. Ik vraag aan de heer De Graaff wat het verschil is tussen de ideologie van de Koran en sommige Bijbelteksten. Ook sommige christelijke culturen zijn niet erg open. Met name in het Oude Testament kun je schitterende "moorddadige passages" vinden, zoals u ze noemt. Wij nemen dat allemaal niet letterlijk, maar zien het als een soort symbool. Wat is het verschil tussen de manier waarop wij omgaan met christelijke geschriften en de manier waarop moslims omgaan met de Koran?

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Ik ga natuurlijk graag op een dergelijke theologische vraag in, omdat dit mijn achtergrond is. Met veel plezier heb ik destijds de geschiedenis van kerk en theologie bestudeerd. Ik kan daarop een heel uitgebreid antwoord laten volgen, maar ik zie de voorzitter meteen al zeer bedenkelijk kijken, in te trant van: er gaat toch niet een college van een uur volgen? Ik denk echter dat in de opmerkingen het antwoord eigenlijk al verscholen ligt. In het christendom hebben wij in de loop der eeuwen geleerd om de oudtestamentische strakke passages die gewelddadig zijn, te interpreteren als iets uit het verleden, waaraan wij zeker geen letterlijk gevolg zouden moeten geven. Het is door tijd en plaats bepaald. Als wij daarentegen kijken naar de ideologie van de islam, dan zien wij dat tot op de dag van vandaag die gewelddadigheid in praktijk wordt gebracht. Er zijn natuurlijk minuscuul kleine stromingen in de islam, zoals de soefi-beweging, waarvan de aanhangers door de mainstream-islam zelf worden beschouwd als ketters en afvalligen, die een symbolische interpretatie voorstaan. De hoofdstromen in de islam nemen al die gewelddadige oproepen echter letterlijk, hetgeen blijkt uit het feit dat elke vijf minuten een christen door een moslim wordt vermoord om zijn geloof. Dat is precies de vijf minuten die ik als spreektekst heb. Ik vind dat uiterst triest.

Ik vervolg mijn betoog. Is dit een wetsvoorstel dat tegemoetkomt aan de doelstellingen van de PVV? Nou, zeker niet! Zijn wij tevreden met dit wetsvoorstel? Nou, zeker niet. Gaat dit wetsvoorstel ver genoeg? Zeker niet. Zoals wij ertegen aankijken, is dit wetsvoorstel vooral een signaal, namelijk dat de deuren die dankzij linkse partijen in het verleden wagenwijd zijn opengezet, nu een fractie meer gesloten zijn. Ik hoorde mevrouw Meurs hiervoor opnieuw pleiten. De weg naar het uitkeringsloket wordt in ieder geval van één obstakel voorzien, namelijk het zelf betalen van de inburgering. Het is tevens een signaal aan Henk en Ingrid dat van de 7,4 mld. die de massa-immigratie kost en die elk jaar door deze regering uit de zakken van Henk en Ingrid wordt gehaald, in elk geval een fractie door de immigrant zelf betaald gaat worden. Daarenboven is het ook een mooie les voor de immigrant over deze cultuur, namelijk: voor niets gaat de zon op.

Mevrouw Meurs (PvdA):

De heer De Graaff citeert mij, maar ik wil hem graag corrigeren, want ik heb op geen enkele wijze iets gezegd over het wagenwijd openzetten van deuren of het dichtdoen van deuren. Het enige waarvoor ik pleit, is dat mensen die hier graag willen meedoen en willen integreren, de Nederlandse taal machtig worden. Het is dan ook heel prettig als zij daarin enigszins worden ondersteund. Dat is mijn pleidooi en ik ben bijzonder verbaasd over het feit dat de PVV vindt dat dit wetsvoorstel niet ver genoeg gaat, want de PVV pleit er juist heel erg voor dat men de Nederlandse taal beter beheerst en dat men ervoor zorgt meer in Nederland mee te doen. U zou juist een groot voorstander moeten zijn van goede inburgeringscursussen, zodat mensen uit andere landen hier ook daadwerkelijk kunnen meedoen.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Mevrouw Meurs vraagt of wij niet meer zouden moeten denken in de richting van de Partij van de Arbeid. Als mevrouw Meurs zich haar middelbareschooltijd herinnert, dan zal zij ongetwijfeld nog weten hoe moeilijk het was om de discipline op te brengen en te handhaven om een vreemde taal onder de knie te krijgen. Toen waren er altijd proefwerken en een docent met huiswerk, en er was altijd de stok achter de deur dat je, als je je best niet deed, dat diploma niet ging halen. Met andere woorden: wij denken dat het niet werkt als er geen stok achter de deur is, in de trant van gij zult niet binnenkomen als gij niet de wil en de discipline hebt om deze taal te leren. Dat heeft het verleden ook bewezen. Zolang wij aan het uitkeringsloket de immigrant te woord staan in het Arabisch, is er geen noodzaak om de Nederlandse taal te leren.

Mevrouw Meurs (PvdA):

Ik heb nog één opmerking, omdat de heer De Graaff mij vraagt naar mijn middelbareschooltijd. Dat treft, want ik heb mijn hele lagere- en middelbareschooltijd in het buitenland doorgebracht en heb pas op mijn negentiende Nederlands geleerd. Dat heb ik geleerd zonder stok achter de deur.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Wij hebben in ieder geval meegekregen dat mevrouw Meurs de Nederlandse taal uitstekend machtig is geworden, waarvoor mijn complimenten.

Ik sluit af, want ik heb eigenlijk geen tijd meer. Ik rond af met een vraag aan de minister. Zal hij nog enige substantie geven aan dit wetsvoorstel? Zal hij immigranten daadwerkelijk de kosten van hun eigen inburgering laten betalen? Of kunnen we een ongelimiteerd aantal uitzonderingen tegemoet zien, waardoor dit wetsvoorstel feitelijk een wassen neus zal blijken?

De heer Thom de Graaf (D66):

Vindt mijn naamgenoot van de fractie van de PVV het niet met mij een tikje bizar dat hij eigenlijk helemaal niet over het wetsvoorstel heeft gesproken? Hij heeft het wetsvoorstel niet behandeld. Het had net zo goed over de wet op de kinderspeelplaatsen kunnen gaan, want hij zegt er toch wel bij waarom wij iets tegen de islam moeten hebben. Hij zei dat hij deze wet niet ver genoeg vindt gaan. Kan hij in dit debat precies aangeven waarom dat zo is? Daar gaat dit debat immers over. Waarom gaat dit wetsvoorstel niet ver genoeg? Wat moet er veranderen? Wat wil hij aan de minister vragen ter verbetering?

De heer Marcel de Graaff (PVV):

U vraagt mij om hier de hoofdlijnen te schetsen van een initiatiefwetsvoorstel dat in de Tweede Kamer ingediend zal worden. Dat zal ik niet doen. Ik wil er wel het volgende over zeggen. Volgens dit wetsvoorstel kunnen zelfs laagopgeleiden erg makkelijk Nederland binnenkomen. Naar onze mening kunnen de eisen die aan het opleidingsniveau van immigranten worden gesteld nog wel een slag strakker worden gemaakt. Er mag ook geëist worden dat ze de Nederlandse taal al machtig zijn voordat zij überhaupt naar Nederland komen. Daar wil ik het op dit moment bij laten.

De heer Thom de Graaf (D66):

Moet ik concluderen dat de PVV-fractie dit een slecht wetsvoorstel vindt, maar toch voor gaat stemmen? Heb ik dat goed? Of gaat de heer De Graaff doen wat zijn hart hem kennelijk ingeeft, namelijk het wetsvoorstel afwijzen omdat het een slecht wetsvoorstel zou zijn?

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Ik had die vraag verwacht. Dit wetsvoorstel is een stap vooruit en wij juichen elke stap vooruit, hoe klein ook, toe. Er leeft echter een zorg bij de PVV. Is dit wetsvoorstel niet pure symboolpolitiek? Gaan de regeringspartijen dit wetsvoorstel nog substantie geven? Daar ging ook mijn vraag aan de minister over. Is dit nu werkelijk die ene stap vooruit, of blijkt het naderhand toch weer een wassen neus te zijn?

De voorzitter:

Dan geeft deze De Graaf nu het woord aan mevrouw Strik van de fractie van GroenLinks.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter. Staat u mij toe om te beginnen met een slokje water zodat ik de nare smaak van het kwaadaardige verhaal van mijn voorganger even kan wegspoelen. O, het glas waar ik net een slok uit nam, was van mijn voorganger, zie ik nu mij een nieuw glas water wordt aangereikt. Dan zal ik toch nog een slokje moeten nemen.

Voorzitter. Integratie was een belangrijk thema van dit kabinet. Het coalitieakkoord van twee jaar geleden stond bol van deze term, meestal als argument voor plannen om de migratie terug te dringen. Zoals alom verwacht, hield het kabinet het niet lang uit: het opereerde eendrachtig op de anti-immigratieagenda, maar viel uit elkaar bij economische tegenwind. Vandaag staan we aan de vooravond van politieke verandering. Mensen in het land snakken naar een kabinet dat wél de juiste prioriteiten stelt én mensen niet langer uit elkaar speelt. Het kan haast niet anders of de toon van een nieuw kabinet zal migrantvriendelijker zijn. Desondanks behandelen we vandaag toch nog een kroonjuweel van de oude coalitie: het intrekken van overheidssteun voor de inburgering van migranten.

Mijn fractie heeft moeite gedaan om de onderbouwing te begrijpen van dit wetsvoorstel. Het is ons niet gelukt. De regering benadrukt de eigen verantwoordelijkheid van de migrant. Meent zij dat migranten nu hun eigen verantwoordelijk niet of onvoldoende nemen? Meent zij dat de vorige kabinetten te weinig verantwoordelijkheid bij de migranten legden? Ook de introductie van de Wet inburgering in het buitenland en de Wet inburgering zelf werden beargumenteerd met een verwijzing naar de eigen verantwoordelijkheid van migranten. Het begint te lijken op een containerbegrip, waarmee onduidelijk blijft wat de visie nu precies is op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en migranten voor een geslaagde integratie in de samenleving. Onderschrijft het kabinet nog wel dat integratie een wederzijds proces is en, zo ja, hoe kan het dan zijn dat de verantwoordelijkheid steeds maar verder verschuift naar één van de twee partners, in casu de migrant? Ik krijg graag een toelichting op wat volgens het kabinet dan de ideale verdeling is van die verantwoordelijkheid.

De houding van het kabinet wekt de indruk of integratie slechts in het belang is van migranten. Het tegendeel is natuurlijk waar: geïntegreerde migranten die zich welkom en verbonden met Nederland voelen, leveren een positieve bijdrage aan onze samenleving. De Nederlandse taal vormt de sleutel tot participatie in onze maatschappij. Het niet spreken van de Nederlandse taal of het niet meedoen vergroot de kans op individueel leed, want uitsluiting, maar ook op maatschappelijke problemen. De kosten van het niet investeren in inburgering van migranten zijn daarom onaanvaardbaar hoog. Toch straalt de regering met dit wetsvoorstel uit dat het uitblijven van integratie vooral een probleem van de migrant is. Als die wil integreren, moet hij maar investeren. Zelf weten.

Het belangrijkste argument van de regering is dat de inhaalslag met betrekking tot de oudkomers is afgerond. Volgens de evaluatie van eind 2009 hadden 100.000 oudkomers nog geen inburgeringsexamen gehaald. De regering noemt nu een restant van 38.000 oudkomers. Is zij er nu zeker van dat alle overige oudkomers hun inburgeringsexamen hebben gehaald? Die conclusie is namelijk moeilijk te rijmen met de evaluatie van juni 2010 waarin wordt gesteld dat het op dat moment gaat om 220.000 inburgeringsplichtige oudkomers en dat 20% van die gehandhaafden geslaagd was voor het examen. Mijn fractie wil graag een overzicht. Hoeveel oudkomers moeten nu nog steeds hun examen halen?

Wij weten wel dat er in gemeenten nog volop aan alfabetisering wordt gewerkt. Die cursisten zijn nog lang niet toe aan een examen. Als ze ook nog hoge bedragen voor een cursus moeten gaan betalen, zullen veel van de oudkomers uiteindelijk niet aan de criteria voor een inburgeringsexamen gaan voldoen. Het gevolg voor hen is dat ze blijvend met een verlengbare vergunning voor bepaalde tijd hier wonen. Acht de regering dat bevorderlijk voor hun integratie? Kan de regering aangeven hoeveel vrijwillige inburgeraars nog bezig zijn aan hun traject en het examen nog niet hebben gehaald? De regering heeft voor volgend jaar nog 100 mln. beschikbaar voor 78.000 inburgeringsplichtigen. Als men uitgaat van een bedrag van € 5000 per traject, dan kunnen hiermee maar hooguit 10.000 niet-asielgerechtigden worden geholpen. Een aantal van hen zal al gevorderd zijn in een traject, maar een ander deel zal juist nog aan het begin staan van een traject of bezig zijn met alfabetisering. Er lijkt dus een groot gat te gapen tussen enerzijds het budget dat nodig is om al deze mensen het traject te laten voltooien, en anderzijds het budget dat beschikbaar is. Kan de regering toezeggen dat zij instaat voor de financiële dekking van het afronden van deze trajecten tot en met een geslaagd inburgeringsexamen?

Mijn fractie is er ook niet gerust op dat op het individuele niveau iedere inburgeringsplichtige voldoende kan lenen. Het bedrag voor een reguliere migrant is immers maximaal € 5000, terwijl voor een cursus inclusief alfabetisering € 8000 wordt beraamd. Kan de regering toezeggen dat migranten voor wie € 5000 aantoonbaar niet toereikend is, een aanvullende lening kunnen krijgen?

Onze fractie blijft uiterst bezorgd over de kwaliteit van het inburgeringsonderwijs nu de overheid zich daaruit terugtrekt en geen financiering meer waarborgt. De opgebouwde expertise van de afgelopen vier jaar dreigt verloren te gaan. Een dergelijke kapitaalvernietiging vindt mijn fractie onbegrijpelijk, zeker voor een kabinet dat integratie tot speerpunt heeft verheven. De terugval die het taalonderwijs zal krijgen, levert kostbaar tijdsverlies op in individuele trajecten. Bij inburgeringsbeleid hoort langetermijndenken, geen jojobeleid. Wat heeft de regering nu precies geleerd van de eerste fase van de Wet inburgering? Daarbij mondde de marktwerking uit in lege klassen.

De regering laat het ontwikkelen van inburgeringsonderwijs over aan de markt, maar zegt toe een regierol te zullen vervullen. Over die rol bestaan veel vragen. De overheid monitort op kwaliteit en kwantiteit. Voor de kwaliteit verlaat zij zich op het keurmerk. Impliceert dit dat zij de kwaliteitscriteria volledig overlaat aan de markt? Wie draagt verder verantwoordelijkheid voor de monitoring? Is er een waarborg van onafhankelijkheid? Wat betreft de kwantiteit gaat de overheid uit van landelijke dekking. Kan zij iets preciezer zijn over de normen die zij stelt ten aanzien van die toegankelijkheid? De regering rept van onderwijs via internet. Beschouwt zij dit onderwijs werkelijk als gelijkwaardig aan klassikale en persoonlijke begeleiding? Volgens mijn fractie zal voor een groot deel van de inburgeringsplichtigen dit onvoldoende zijn. Ik hoor graag een reactie. Ik hoor ook graag de toezegging dat de Kamer de uitkomsten van de monitoring krijgt toegestuurd.

De regering wenst vast te houden aan de introductie van het niet voldoen aan de inburgeringsplicht als intrekkingsgrond. Een verblijfsrecht intrekken omdat een examen niet is gehaald, is een ingrijpende sanctie die het leven van mensen compleet op zijn kop zet. Zo'n vergaande consequentie is daarom ook in praktisch alle gevallen in strijd met de mensenrechten, zoals het recht op gezinsleven en het vluchtelingenrecht. Dit geldt zeker omdat de inburgeringsplichtigen nu eenmaal een verblijfsvergunning hebben met een permanent doel. De Raad van State heeft dit benadrukt en zelfs de regering erkent dit. Dat impliceert dat de waarde van de intrekkingsgrond in hoge mate symbolisch is. Dit onderdeel kan dan ook niet de toets van goede wetgevingskwaliteit doorstaan en zou in elk geval voor de Eerste Kamer reden moeten zijn om hieraan geen steun te verlenen. Hoewel de intrekkingsgrond dus een lege huls is, is ze verre van onschuldig. Het bestaan van de grond betekent dat intrekking als een zwaard van Damocles boven het hoofd komt te hangen van mensen die hun best doen de inburgeringsplicht te vervullen, maar daar om een of andere reden veel moeite mee hebben. Misschien zijn ze analfabeet, misschien hebben ze geen ervaring met scholing of zijn ze getraumatiseerd. De minister kan de Kamer nog zo beloven dat de overheid hiermee rekening houdt, maar de angst om te worden teruggestuurd wordt er niet minder van. Onzekerheid over het verblijfsperspectief kan het integratieproces danig ondermijnen. Andersom leidt de zekerheid dat je kunt blijven tot veel motivatie om te integreren. Waarom vervangt de regering een stimulans door een rem? Het is een rem die wel schade aanricht, maar als het eropaan komt toch niet bruikbaar is. Daarmee ontneemt ze ook de Nederlandse samenleving iets. Want uit angst is nog nooit iemand geïntegreerd. Is de regering bereid om af te zien van het in werking laten treden van deze intrekkingsgrond?

Een van de groepen van mensen van wie de vergunning in elk geval niet kan worden ingetrokken vanwege het niet halen van het examen, zijn de asielgerechtigden. Niettemin hebben juist zij er een groot belang bij, omdat ze het nodig hebben bij het halen van het examen; ze hebben het nodig voor de verkrijging van een vergunning voor onbepaalde tijd. Pas dan is hun verblijfsrecht in Nederland niet langer afhankelijk van de ontwikkelingen in hun herkomstland en kunnen ze zich volledig concentreren op de opbouw van een nieuw bestaan.

De heer Swagerman (VVD):

Wat bedoelt mevrouw Strik precies met "de stimulans" en "de rem"? Ik ben daar met name nieuwsgierig naar omdat ik me afvraag of het niet juist zo is dat het een extra stimulans is om in deze samenleving te integreren als je de eisen haalt die men aan de voorkant stelt en die naar de mening van mijn fractie redelijk zijn. Als mevrouw Strik vindt dat er geen rem moet worden gesteld, maar dat het binnenkomen zelf de stimulans is, hoever moet de overheid dan volgens haar met dat stimuleren gaan?

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik heb uitgelegd wat een rem is: de dreiging dat het verblijfsrecht komt te ontvallen. Dat is een rem – ik heb dat uitgelegd – omdat het mensen juist bang maakt in plaats van dat het hen motiveert om volop mee te doen. Ze zijn dan meer bezig met de vraag of ze mogen blijven, en dat is uiteindelijk niet gunstig voor de integratie. Een stimulans is: als mensen die verblijfspositie wel hebben en geprikkeld worden om aan inburgeringsonderwijs deel te nemen en er voor hen een goed aanbod is van kwalitatief goed en op het individuele niveau toegesneden onderwijs.

De heer Swagerman (VVD):

Neem kinderen die onderwijs volgen en angst hebben om het examen niet te halen? Is dat eenzelfde soort angst?

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Nee, want het gaat hier om het verblijfsrecht. Ik bedoel dat het verblijfsrecht nu wordt gebruikt als een sanctie om mensen te laten meedoen aan een integratieproces. Dat heeft juist dat averechtse effect, dat ik probeer duidelijk te maken, op de manier waarop ze hier in de samenleving staan, zich welkom voelen en zich verbonden kunnen voelen.

De moeilijkheden die de asielgerechtigden ondervinden bij de voorbereiding op het examen, zijn vaak groot. Zij ontberen, anders dan reguliere migranten, een sociaal netwerk dat hen helpt bij de inburgering. Onder hen bevinden zich verhoudingsgewijs meer laagopgeleiden en getraumatiseerden. Het taalonderwijs dat ze na de statusverlening in azc's al krijgen aangeboden, is van korte duur, mede dankzij het succes van het uitplaatsingsbeleid van deze minister.

Mevrouw Meurs heeft er terecht al op gewezen dat het niet een kwestie van beleidskeuze is, maar dat we ook de Kwalificatierichtlijn en het Vluchtelingenverdrag hebben, die ons verplichten om asielgerechtigden in voldoende mate te ondersteunen bij hun inburgering. De regering erkent dit deels en voorziet daarom in een financiële tegemoetkoming aan gemeenten van € 1000 per traject. We hebben gevraagd of dat wel afdoende is. Het antwoord dat Vluchtelingenwerk ook nu al geld krijgt voor het trainen van vrijwilligers, is niet bevredigend. De druk op informele begeleiding zal immers enorm toenemen als gevolg van het onthouden van financiële steun. Ik val wat dit betreft graag de heer Swagerman bij, die vroeg of de regering bereid is om asielgerechtigden financieel meer tegemoet te komen bij hun inburgeringsonderwijs. Zo ja, welk concreet budget is hiervoor in te zetten?

Ook reguliere migranten zullen een toenemende behoefte hebben om steun te zoeken in de informele sectoren. Stichting LNT en Gilde SamenSpraak verwachten daarom dat er steeds meer een beroep zal worden gedaan op vrijwilligersorganisaties die taalondersteuning geven. Is de regering bereid om ook hier te voorzien in financiële compensatie om zo toch enige vorm van laagdrempelige, effectieve en efficiënte informele taalondersteuning in stand te houden? Naar verwachting zal ook de druk op de gemeentelijke educatieve middelen toenemen. Destijds heeft de regering besloten om dit budget te verminderen ten gunste van de financiering van het inburgeringsonderwijs. De regering waarborgt nu echter niet dat de educatiemiddelen straks weer toereikend zullen zijn. In de beantwoording rept ze van overheveling van budgetten, maar een uitbreiding van het beschikbare budget lees ik daar niet in. Gelet op de decentralisatiegedachte, die juist ook op heel veel andere terreinen heeft postgevat, is het vreemd om gemeenten nu meer op afstand van het inburgeringsonderwijs te zetten, met name omdat het integratiebeleid zo verweven is met tal van andere gemeentelijke taken. Mijn fractie kan het niet-beschikbaar stellen van voldoende educatiemiddelen niet rijmen met de ambitie van het kabinet om te investeren in de kennis van mensen. Het motto "een leven lang leren" is geen luxe of hobby, maar een bittere noodzaak om onze beroepsbevolking op peil te houden, mensen weerbaar te maken op de flexibele arbeidsmarkt en om klaar te zijn voor de eisen van een kenniseconomie. Het laten waaien, het niet gericht investeren in het wegwerken van taal- en onderwijsachterstanden, betekent dat we de arbeidsparticipatie bemoeilijken en daarmee snijden we in feite in ons eigen vlees.

Onlangs is Nederland gekapitteld over de veel te hoge leges die het heft voor de verkrijging van de status van langdurig ingezetene. Het Hof benadrukt dat integratie van langdurig ingezetenen het doel van de richtlijn is, en dat lidstaten geen financiële drempels mogen opwerpen. Als het legesbedrag al een te hoge financiële drempel is, hoe denkt de regering dan dat het Hof zal oordelen over een maximaal bedrag van € 10.000? Dat dit geleend kan worden, stelt niet gerust. Mensen zullen het hoe dan ook moeten betalen en zich hiertoe in de schulden moeten steken. Het aangaan van een dergelijke schuld in een kwetsbare financiële situatie kan zo afschrikwekkend zijn, dat mensen besluiten om geen status van langdurig ingezetene aan te vragen. Dit probleem klemt temeer nu de cijfers laten zien dat het aantal verleende vergunningen voor onbepaalde tijd fors is gedaald en dat een aanzienlijk percentage voor het examen zakt.

Kortom, de lijn doortrekkend van het Hof, kan mijn fractie tot geen andere conclusie komen dan dat het voorgestelde overheidsbeleid – inburgeringsonderwijs aan de markt overlaten en migranten financiële steun onthouden – de richtlijn voor langdurig ingezetenen zijn nuttige effect ontneemt en daarmee in strijd is met deze richtlijn. Graag een reactie.

Wat is de stand van zaken van de implementatie van de wijziging van de richtlijn voor langdurig ingezetenen? Zoals men weet, dient deze in mei volgend jaar omgezet te zijn. Wanneer wordt het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd? Wij hebben niet zo heel veel tijd meer.

Minister Leers heeft hier diverse malen aangegeven dat Nederland een gidsfunctie vervult als het gaat om integratie en immigratie in Europa. Als de minister bedoelt vooruit te lopen op de andere landen door de financiële steun aan inburgering in te trekken, dan verschillen wij fundamenteel van mening over de betekenis van "gidsfunctie".

Ik hoop dat de minister zijn tournee door Europa ook heeft benut door goed te luisteren en te kijken naar anderen. Hij had ook kunnen horen waarom in die andere landen consequent wel wordt vastgehouden aan het in stand houden van kwalitatief goed onderwijs en waarom de financiële bijdrage van migranten heel bescheiden is, en vaak gekoppeld aan de studieresultaten. Daarmee brengt men de eigen verantwoordelijkheid tot uiting en bouwt men prikkels in voor een voortvarende inburgering.

Wellicht is dit ons laatste debat met deze minister. In dat geval wil ik hem bedanken voor de samenwerking. Ik ben het meestal niet eens met zijn uitgangspunten, maar ik heb wel zijn motivatie en betrokkenheid gezien. Ik hoop dat hij ook na het ministerschap die twee waardevolle eigenschappen nog kan inzetten voor onze samenleving.

De heer Thom de Graaf (D66):

Voorzitter. Net als mevrouw Strik ben ik een groot voorstander van een heel snelle formatie, maar ik houd serieus rekening met de mogelijkheid dat wij de komende maanden nog te maken hebben met het zittende kabinet en dat dus ook minister Leers, die hiervan deel uitmaakt, nog in deze Kamer zal verschijnen. Ik vind het dus nog iets te vroeg om afscheid te nemen. Ik heb het overigens niet over mijn eigen wensen en verlangens op dit punt.

Sinds 1998 bestaat er in Nederland een inburgeringsplicht, die in de jaren daarna verder is uitgewerkt, aangevuld en van sancties voorzien. Sinds 2006/2007 vallen niet alleen nieuwkomers maar ook zogenaamde oudkomers, overigens een in zichzelf strijdig begrip, onder deze verplichting. Deze wetgeving heeft, zoals wij ons allemaal kunnen herinneren, nogal wat voeten in de aarde gehad en veel maatschappelijke discussie opgeleverd. Op onderdelen heeft de huidige wetgeving resultaten opgeleverd, zoals de regering in de schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel overigens zelf niet nalaat te benadrukken: er is een enorme inhaalslag gemaakt, een inburgeringsachterstand is goedgemaakt. Je zou dus kunnen zeggen dat het systeem dat is opgezet om zowel nieuwe immigranten als mensen die al jaren in Nederland verblijven de goede mogelijkheden en ondersteuning te bieden voor een succesvolle integratie, nu goed ingeregeld is en ook in de toekomst positieve resultaten kan opleveren. Nieuwe ingezetenen verhogen hun participatiekansen door een goede taalbeheersing en er is een adequate rol voor gemeenten die de begeleiding en ondersteuning dicht bij de nieuwe burgers kunnen organiseren. Sinds 1 januari 2007 is ongeveer 80% van de inburgeringsplichtigen voor het examen geslaagd. Je zou soms willen dat dit soort cijfers in het reguliere onderwijs bestonden. Er is dus een goede infrastructuur, een opgebouwd sociaal kapitaal en een enorme ervaring die we in de toekomst met een gerust hart kunnen inzetten. Ik zou me kunnen voorstellen dat ook het kabinet zou denken: if it ain't broken, don't fix it.

Hier lijkt zich een eerste verschil van inzicht met minister Leers te openbaren. De minister meent dat dit actieve inburgeringsbeleid eigenlijk niet meer nodig is en dat er nu meer ruimte kan ontstaan voor de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige. Risico's in de afbreuk van de bestaande infrastructuur ziet hij in het geheel niet en risico's voor een minder geslaagde inburgering evenmin. De regering kiest met veel omhaal van woorden voor een stelsel waarin de vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd eigenlijk nagenoeg geheel aan hun lot worden overgelaten. Zij worden op hun verplichtingen gewezen bij binnenkomst en krijgen toegang tot een website die hen informatie geeft over de markt van aanbieders van inburgeringscursussen. Ironisch genoeg kent deze website vooralsnog alleen een Nederlandstalige versie; dat is erg behulpzaam van de minister.

De simpele vraag is dus waarom we eigenlijk een wijziging van het huidige beleid willen. Levert de nieuwe wet meer en betere resultaten op? Daar is geen spoor van bewijs voor. Zelfs een begin van een redelijk onderbouwde verwachting ontbreekt. Denken we dat we uiteindelijk een betere en meer betrokken integratie van de nieuwelingen bereiken door meer van hen te vragen en een groter beroep te doen op hun eigen verantwoordelijkheid? Uit de schriftelijke behandeling leid ik af dat dit een belangrijke doelstelling van de minister is. Als de minister dat denkt – dat zou natuurlijk kunnen – betekent dat dan niet dat hij eigenlijk meent dat overheidshulp, een uitgestoken hand van ondersteuning in de zoektocht naar een eigen plek in de nieuwe samenleving, contraproductief werkt? Als hij dat echt vindt, zou dat dan ook niet moeten gelden voor asielgerechtigden die juist nog wel extra steun en voorzieningen krijgen aangeboden? Moeten we dan eigenlijk ook asielgerechtigden aan hun lot overlaten omdat we daarmee hun kansen in Nederland vergroten? Zo moet die redenering dan kennelijk luiden.

Of is deze nieuwe wetgeving gewoon – u raad al het antwoord op deze retorische vraag – een simpele bezuinigingsmaatregel om een, zij het kleine en bescheiden, bijdrage te leveren aan de bestrijding van het overheidstekort? De minister ontkent dit niet in de schriftelijke behandeling, zij het dat hij deze budgettaire doelstelling vooral voorstelt als een bijkomend voordeel. De werkelijkheid is natuurlijk dat er actief gezocht is naar bezuinigingsmogelijkheden en deze beleidswijziging daar het directe gevolg van is. De besparing wordt overigens weer deels tenietgedaan door de middelen die de minister aan de gemeenten wil verstrekken voor de begeleiding van asielgerechtigden. Ik meen dat het om minstens 5 mln. per jaar gaat voor actieve begeleiding en ondersteuning, zij het dat dit geld niet aan taalcursussen mag worden besteed.

De D66-fractie vindt de bezuinigingsdoelstelling op zichzelf overigens legitiem; laat daar geen misverstand over bestaan. De komende maanden moet er nog wel meer geld gezocht worden in Nederland. Wij vragen ons echter af of de schade die wordt aangebracht niet groter is dan de opbrengst die we nu zoeken. Een redelijk lopend stelsel, wat je daar in het verleden dan ook van hebt gedacht, wordt ingewisseld voor een "free for all"-systeem waarin vreemdelingen wel erg op zichzelf worden aangewezen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten noemt het teloorgaan van de infrastructuur die we de afgelopen jaren hebben opgebouwd zelfs kapitaalvernietiging. Ik sluit me in dit verband aan bij de vragen van mevrouw Meurs over de kwaliteit van het marktaanbod en het toezicht van de overheid daarop.

Natuurlijk kan ook mijn fractie het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van migranten onderschrijven, maar zij moeten wel in redelijkheid in staat worden gesteld om die verantwoordelijkheid waar te kunnen maken. Niet voor niets gaan de internationale verdragen en regelingen uit van een overheidsverantwoordelijkheid om daaraan bij te dragen in termen van bespoedigen van de integratie, toegankelijkheid borgen en bijdragen aan vermindering van de kosten. Mijn fractie is er niet van overtuigd dat het nieuwe eigenverantwoordelijkheidsstelsel in alle opzichten aan deze condities voldoet. Sterker nog, er kunnen gerede vragen worden gesteld naar de maatschappelijke en economische effecten op de lange termijn. Migranten én asielgerechtigden worden bij hun start in Nederland opgezadeld met stevige schulden, variërend van € 5000 tot € 10.000, die bij succesvolle integratie in de zin van werk moeten worden afgelost. Is dat echt een incentive voor een succesvolle aansluiting op de samenleving en de arbeidsmarkt?

Het moge duidelijk zijn dat mijn fractie zelf meer denkt aan een stelsel van gedeelde verantwoordelijkheid. Succesvolle inburgering is natuurlijk een eerste verantwoordelijkheid van de inburgeraar, maar de samenleving heeft ook zelf een belang. Integratie is nooit eenzijdig. Daar komt bij dat een actieve ondersteuning en begeleiding van de overheid aan vermindering van spanning tussen bevolkingsgroepen bijdraagt aan actief burgerschap en aan een snelle beschikbaarheid van nieuwkomers voor de arbeidsmarkt. Met de Raad van State meent mijn fractie dat het huidige wetsvoorstel onevenwichtig is in de toedeling van verantwoordelijkheden. De verantwoordelijkheid van de overheid wordt teruggebracht tot het beschikbaar stellen van leenfaciliteiten – alsof het hogeronderwijsstudenten betreft die later allemaal mooi zouden kunnen verdienen – en een website waar ik al eerder over sprak. De medeverantwoordelijkheid voor de integratie van asielgerechtigden wordt beperkt tot € 1000 per persoon, die door gemeenten kan worden besteed. Ik sluit mij aan bij de opmerkingen van de heer Swagerman en mevrouw Strik over de ruimte die de minister nog ziet om asielgerechtigden beter te kunnen ondersteunen, ook in financiële zin.

Kortom, de verantwoordelijkheid van de overheid wordt wel erg schamel opgevat. Ik vraag mij af of de minister, als hij niet was aangesproken door zijn collega van Financiën op de budgettaire situatie, zelf met dit voorstel was gekomen. Ik geloof er eerlijk gezegd weinig van. Het is kwetsbaar in zijn uitwerking, het is onvoldoende doordacht waar het de werking van de cursusmarkt betreft, het loopt vooruit op evaluaties die nog moeten komen en het brengt nieuwkomers eerder in een moeilijkere dan in een makkelijkere positie om actief deel te nemen aan onze samenleving.

De inburgeringsverplichting omvat ook een stelsel van sancties voor wie zich niet inspant en verwijtbaar zich aan zijn verantwoordelijkheid onttrekt. De fractie van D66 vindt dat een logische consequentie van het recht op toegang dat aan de migranten en asielzoekers is gegeven. Aanspraak op voorzieningen mag omgekeerd leiden tot aanspraak op medewerking en inzet. In het wetsvoorstel zit echter naar ons oordeel een te vergaande sanctie. Het is echt disproportioneel om de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken als een inburgeringsplichtige de inburgeringscursus niet succesvol afrondt. Niet alleen gelden hier evenredigheidsmaatstaven die de overheid altijd moet aanleggen bij sancties: past een verregaande sanctie bij op zichzelf verwijtbaar gedrag; is die niet onevenredig en te absoluut in het geval dat iemand wordt uitgezet? De fractie van D66 vindt dat dit het geval is en vraagt zich bovendien af of het ten principale wel juist is om maatregelen uit het vreemdelingenrecht in te zetten om de integratie van mensen die een recht om hier te zijn in beginsel verworven hebben, af te dwingen. Evenzeer moet echter in de afweging worden betrokken over wie het hier eigenlijk gaat.

Als ik de minister goed heb begrepen, worden asielgerechtigden, alleen al vanwege de internationale verdragen, van deze sanctie uitgesloten, evenals mensen die onder het Associatieverdrag met Turkije vallen en alle vreemdelingen met een verblijfsrecht voor onbepaalde tijd. Maar ook iedereen met een voorlopige verblijfsvergunning die niet verwijtbaar handelen kan worden verweten, wordt van deze sanctie uitgesloten. Wie blijft er dan over? Over welke getallen praten we? Heeft de minister maar een enkeling op het oog, een enkele dwarsligger, een wederspannige imam bijvoorbeeld? Kortom, wordt hiermee niet eigenlijk wetgeving gemaakt voor de enkele uitzondering? Einzelfallgezetsgebung wordt dat in het Duits genoemd. Dat zijn wetten die we eigenlijk niet zouden moeten willen in ons stelsel van regelgeving. Ik vraag de minister nadrukkelijk om in zijn antwoord de kring waarop deze vergaande sanctie van toepassing kan zijn nader aan te duiden.

Het mag duidelijk zijn dat mijn fractie kritisch tegenover dit wetsvoorstel staat. Wij wachten niettemin het antwoord van de minister met belangstelling af.

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Voorzitter. Het belang van een goede inburgering wordt inmiddels alom erkend. Je weg weten te vinden in de samenleving is essentieel voor het kunnen deelnemen aan die samenleving. Het belang van het beheersen van de Nederlandse taal op een aanvaardbaar niveau, het hebben van inzicht in de organisatie van het maatschappelijke leven en daarmee praktisch overweg kunnen en het hebben van gevoel voor de cultuur en de omgangsvormen kunnen niet worden overschat. Niet alleen voor de inburgeraar zelf, maar ook voor de Nederlandse samenleving is dit alles van onschatbare waarde. Langdurig verblijf in Nederland is namelijk meer dan paspoorten en vergunningen.

De hoofddoelstelling van het voorliggende wetsvoorstel is om de inburgering meer de eigen verantwoordelijkheid te maken van de inburgeraar en niet meer vooral als een taak van de overheid te beschouwen. De CDA-fractie staat achter deze doelstelling. Het is goed dat de inburgering vooral iets van de inburgeraar zelf is.

De verschuiving van de verantwoordelijkheid van inburgering van de overheid naar de inburgeraar brengt ook een verandering in de uitvoeringslasten van de gemeentelijke overheden met zich. De CDA-fractie staat daar positief tegenover. Dat betreft ook de vereenvoudigingen in het stelsel zelf: er komt één eenduidig centraal examen voor eenieder. De manier waarop en de intensiteit waarmee de voorbereiding van dat examen plaatsvindt, hangt af van de persoonlijke omstandigheden van de inburgeraar zelf: langduriger en intensiever als dat nodig is, maar minder als dat óók volstaat.

Bij de versterking van de eigen verantwoordelijkheid horen ook de kosten. Dat ziet de CDA-fractie niet alleen in het licht van het doorvoeren van bezuinigingen door de overheid. Het zelf verantwoordelijk zijn voor de kosten maakt ook het eigen persoonlijk belang van de inburgering door de inburgeraar duidelijker. Van de inburgeringsplichtigen, degenen die van plan zijn om een langdurig bestaan in Nederland op te bouwen, mag dat ook zeker gevraagd worden. Dit financiële offer hoort er zogezegd bij.

De CDA-fractie vindt het wel belangrijk dat de kosten binnen redelijke grenzen blijven en dat die geen barrière mogen vormen om de inburgering te laten slagen. Daarom staat het CDA achter het leenstelsel met een terugbetalingsmogelijkheid van 10 jaar die inkomensafhankelijk is en afgestemd op de leefsituatie van de betrokkene. Wat binnen 10 jaar niet is afbetaald, wordt kwijtgescholden, ook als de inburgeraar pas na 9,5 jaar begint met terugbetalen. De vele uitzonderingmogelijkheden op de inburgeringsplicht, waar wij nu niet op ingaan, vindt de fractie van het CDA ook redelijk.

Tijdens de schriftelijke behandeling zijn al veel vragen opgehelderd die de CDA-fractie nog wel had over het wetsvoorstel. Daarom beperk ik mij nu tot twee zaken: de positie van asielgerechtigden en de sanctionering bij niet-nakoming van de wettelijke verplichtingen.

Ten eerste vindt de kwijtschelding van het geleende bedrag dat niet is terugbetaald na 10 jaar plaats. Kan de minister specifiek ingaan op de positie van asielgerechtigden? Is het gelet op de ervaringen met inburgering van asielgerechtigden realistisch dat zij de kosten zullen kunnen terugbetalen binnen de gestelde termijn, zeker als zij ook nog een alfabetiseringscursus moeten doorlopen? Zijn er in het wetsvoorstel in termen van de te maken kosten en dus ook voor een geslaagde inburgering barrières te vinden voor asielgerechtigden? Graag ontvang ik een reactie van de minister.

Ten tweede ga ik in op de koppeling van dit voorstel aan het Vreemdelingenrecht. Bij moedwillige verwijtbare niet-nakoming kan als ultieme sanctie de verblijfsvergunning worden ingetrokken. De CDA-fractie kan dit billijken. Hiervan kan namelijk slechts sprake zijn als internationaal recht dit toelaat. Hiervoor zijn met name artikel 8 EVRM en EU-regelingen op het terrein van gezinshereniging van belang. Bovendien vindt er altijd een toetsing in het individuele geval plaats. Kan de minister een nadere toelichting geven over de gevallen en de soort van gevallen, de situatie en de kring van personen om wie het gaat dus, waarvoor de intrekking van de verblijfsvergunning überhaupt aan de orde kan zijn? De sanctie van de boete heeft betekenis voor gevallen waarvoor intrekking van de verblijfsvergunning niet aan de orde is. De CDA-fractie gaat ervan uit dat daarop niet vaak een beroep gedaan hoeft te worden. Is de invordering van de boete echter wel reëel, als daarvan sprake mocht zijn? Met andere woorden: verwacht de minister dat dit zal werken als een stok achter de deur?

De CDA-fractie kijkt uit naar de reactie van de minister. Ik ben overigens vergeten om aan het begin van mijn bijdrage te zeggen dat ik deze inbreng mede namens de SGP-fractie uitspreek.

De heer De Lange (OSF):

Voorzitter. Vandaag ligt de behandeling van het voorstel ter wijziging van de Wet inburgering voor. Deze behandeling, nog vóór de verkiezingen, is ondanks de demissionaire status van het kabinet afgedwongen door de kleinst mogelijke meerderheid in de Eerste Kamer. Dat de uitgesproken mening van de grootst mogelijke minderheid hierbij welbewust genegeerd wordt, zou eigenlijk uitsluitend gemotiveerd kunnen worden vanuit een enorme urgentie. Dat van een dergelijke urgentie in de verste verte geen sprake is, zal ik later in mijn betoog aan de orde stellen, maar allereerst wil ik in enig detail ingaan op een heel ander aspect van de Wet inburgering. De door de regering gesignaleerde problemen met inburgering en de vermeende oplossingen voor die problemen, zoals neergelegd in dit wetsvoorstel, zijn namelijk het directe gevolg van de immigratiepolitiek die Nederland traditioneel hanteert. Wellicht is het zinvol om de voorliggende wetgeving ook vanuit die invalshoek nader te bezien.

Het is verstandig om op het gebied van immigratie te kijken naar echte immigratielanden zoals Canada en Australië. Immigratie is voor deze landen van enorme grootte, met relatief kleine bevolkingen, van zeer groot belang. Echter, immigratie kent ook veel bijverschijnselen die potentieel problematisch zijn. Welk evenwicht tussen enerzijds de noodzaak van immigratie en anderzijds het voorkomen of beteugelen van voorspelbare problemen dient nagestreefd te worden? Allereerst is het goed om meteen vast te stellen dat in deze landen immigratie uitsluitend bezien en benaderd wordt vanuit het belang van het ontvangende land. Potentiële immigranten worden uitsluitend beoordeeld vanuit het perspectief van de vaardigheden die zij meebrengen die van belang zijn voor het ontvangende land. Slechts die vaardigheden waaraan het ontvangende land daadwerkelijk behoefte heeft, tellen hierbij mee. Daarbij spelen ook beheersing van de relevante landstaal of landstalen, werkervaring en leeftijd een doorslaggevende rol. Voorts hanteert men specifieke quota voor diverse etnische groeperingen teneinde al te grote en al te snelle veranderingen en verstoringen in de bevolkingssamenstelling te voorkomen. Via een strikt puntensysteem wordt beslist of een potentiële immigrant al dan niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking komt.

In concreto maakt het immigratiebeleid van Canada het mogelijk om in het kader van gezinshereniging of op basis van werkervaring of het runnen van een bedrijf te emigreren. De huidige immigratiewetgeving, die dateert uit juni 2002, kent drie hoofdcategorieën voor visa. "Family class" is bedoeld voor mensen die gesponsord worden door een direct familielid in Canada. "Skilled workers" geldt voor mensen die beschikken over specifieke werkervaring. "Business migration" is bestemd voor ondernemers die in Canada een eigen bedrijf willen beginnen of voor mensen die via de Canadese overheid willen investeren. Voor elke categorie moeten immigranten in spe aan diverse criteria voldoen. De wet- en regelgeving voor immigratie is zeer restrictief: van elke tien personen die naar Canada willen emigreren, maakt er slechts één kans op een permanent visum. Bovendien kunnen de Canadese autoriteiten de huidige indeling in visumcategorieën en het bijbehorende puntensysteem op elk moment wijzigen al naar gelang de behoefte van het ontvangende land. Van deze flexibiliteit wordt ook daadwerkelijk gebruik gemaakt. Het opwerpen van relatief hoge barrières voor immigratie voorkomt dat er achteraf allerlei vermijdbare problemen met inburgering ontstaan. Opvallend is dat in grote Canadese steden als Vancouver en Toronto maar zeer beperkt sprake is van gettovorming en etnische spanningen. Kennelijk is het Canadese systeem redelijk succesvol.

Zouden we in Nederland iets kunnen leren van de Canadese of Australische aanpak? In Nederland hanteren we een instroombeleid waarbij relatief lage eisen aan potentiële immigranten worden gesteld. De voorspelbare problemen op het gebied van beheersing van de Nederlandse taal en broodnodige kennis van de Nederlandse samenleving komen pas daarna aan de orde. Zou een selectiever instroombeleid, waarbij slechts mensen worden toegelaten met vaardigheden die voor Nederland van belang zijn, niet veel ellende voorkomen? Dat geldt met name ook voor immigranten zelf, die hier grotendeels onvoorbereid en met verwaarloosbare kansen op de arbeidsmarkt binnenkomen. Zou een verantwoordelijke overheid niet daarop moeten inzetten en toezien? Zouden de voortdurende problemen met inburgering, die vervolgens met steeds nieuwe wetgevingstrajecten aangepakt moeten worden, niet het onmiddellijke en onlosmakelijke gevolg zijn van het huidige Nederlandse immigratiebeleid? Graag hoor ik de visie van de minister op dit naar mijn mening erg belangrijke punt.

Dan ga ik toch maar naar het nu voorliggende wetsvoorstel. Bij nauwkeurige bestudering ervan heb ik niet kunnen ontdekken dat de behandeling vandaag noodzakelijk is en dat een aantal weken uitstel tot onoverkomelijke problemen zou hebben geleid. Het vermoeden rijst dat een voorbije coalitie, die toch al niet kon bogen op een lange lijst van successen, middels politieke dwingelandij een ideologisch hobbypaard, het favoriete CDA-dier, van stal heeft gehaald. Dat hobbypaard mag dan nog even zijn rondjes in de politieke arena draven, zo net voor de verkiezingen. Het zou wel eens een paard van Troje kunnen blijken te zijn.

Nu kom ik bij het wetsvoorstel zelf. De principiële en praktische bezwaren zijn legio, en mijn fractie vindt het eigenlijk verbijsterend dat de regering met deze proeve – ja, van wat eigenlijk? – naar de volksvertegenwoordiging komt. Ik noem kort zes bezwaren van mijn fractie. Ik verzoek de minister om ook op die bezwaren in te gaan.

1. De verantwoordelijkheid voor inburgering wordt uitsluitend op het bord van de immigrant gedeponeerd. Inderdaad is persoonlijke verantwoordelijkheid ook naar de mening van mijn fractie een groot goed, maar bij de voorliggende problematiek is toch duidelijk sprake van een gedeeld belang en dus van een gedeelde verantwoordelijkheid.

2. De overheid die haar verantwoordelijkheid niet neemt maar wel een bezuiniging inboekt, stelt zich bloot aan het verwijt dat kostenbesparing de overheersende overweging bij dit voorstel is. Knakenjagerij zonder visie dus.

3. Het vermoeden van financieel opportunisme wordt verder versterkt door het feit dat recente eerdere wetgeving nog niet eens geëvalueerd is. Je hoeft niet in dit land ingeburgerd te zijn om te beseffen dat haastige spoed zelden goed is, en dat geldt zeker als het om wetgeving gaat. Bovendien is er op deze manier sprake van ernstige kapitaalvernietiging, die in feite afgezet zou moeten worden tegen de begrote besparingen. Een overheid die zich opportunistisch gedraagt verliest respect, en uiteindelijk leidt dit opnieuw tot grote immateriële kosten.

4. Doordat de overheid terugtreedt en haar verantwoordelijkheid niet neemt, zullen immigranten met weinig ervaring in de Nederlandse samenleving op de vrije markt de nodige ondersteuning moeten inkopen. Om aldus deze kwetsbare groep mensen over te leveren aan de vrije jongens en meisjes van onze markteconomie zal niet in alle opzichten een zegen blijken.

5. Zoals ook in het advies van de Raad van State nadrukkelijk gesteld wordt, is strijdigheid van het wetsvoorstel met de Europese regelgeving op dit gebied bepaald geen onwaarschijnlijk scenario. De disproportionele sancties van hoge boetes en het eventueel niet verlengen van de verblijfsvergunning worden in dit verband nadrukkelijk genoemd. De kritiek van de Raad van State op diverse andere punten zal ik niet herhalen. Dat betekent niet dat mijn fractie het negeren van deze kritiek door de regering van veel politiek benul en zorgvuldigheid vindt getuigen.

6. Men hoeft geen visionair te zijn om, mocht de voorgestelde wetgeving onverhoopt ingevoerd worden, een grote reeks van problemen van velerlei aard te voorzien. Nog afgezien van de te verwachten geringe acceptatie van de regeling zullen er grote uitvoeringsproblemen ontstaan. Te denken valt aan aanzienlijke moeilijkheden bij het opleggen van sancties en het innen van boetes, en de wildgroei in het aantal beroepsprocedures. En dan laten we de immateriële kosten nog maar buiten beschouwing. Het zou wel eens kunnen zijn dat de begrote besparingen weg zullen vallen tegen de hoge uitvoeringskosten. "Penny wise, pound foolish", zoals onze Engelse vrienden zeggen. Graag verneem ik in enig detail hoe de minister tegen deze punten aankijkt.

Samenvattend, de bezwaren van mijn fractie tegen deze wetgeving zijn in wezen onoverkomelijk, hoewel ik uiteraard bereid ben om naar het commentaar van de minister te luisteren. Overhaast, ondoordacht, illusoir zijn zo maar wat adjectieven die bij het bestuderen van het wetsvoorstel onweerstaanbaar naar voren komen. Naar de mening van mijn fractie loopt de regering met dit wetsvoorstel steeds verder een tunnel in die als maar nauwer wordt. In plaats van het spreekwoordelijke licht aan het eind van de tunnel, wacht hier slechts duisternis. Het wordt de hoogste tijd om het hele immigratiebeleid van ons land weer eens opnieuw onder de loep te nemen, in detail door te denken, en te leren van de intellectuele inspanning en ervaring van anderen op dit belangrijke maar gecompliceerde beleidsterrein. Tenzij men natuurlijk door wil gaan met het spreekwoordelijke dweilen met de kraan open. Hier ligt een schone taak, met name voor een nieuw kabinet.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Voorzitter. De SP vindt migranten een verrijking van onze samenleving als zij in die samenleving kunnen participeren. Toen het in de vorige eeuw nog politiek incorrect was om het leren van de Nederlandse taal voor hen verplicht te stellen, stelde de SP zich al op het standpunt dat migranten welkom zijn als zij zich inspannen om daadwerkelijk aan ons samen leven mee te doen. Voorwaarde daarvoor is een basale beheersing van onze taal. De SP werd toen racisme verweten, maar nu is iedereen het met ons eens: inburgeren is van belang om te kunnen participeren. Inburgeren is iets meer dan alleen de taal leren. Het gaat ook om enige kennis van de cultuur van onze samenleving. Participeren is niet alleen voor de samenleving belangrijk, maar zeker ook voor het welbevinden van de migrant zelf, voor zijn mogelijkheden om zich te ontplooien en voor de opvoeding van zijn kinderen.

Ik zal drie punten bespreken: de eigen verantwoordelijkheid, de sociale leenfaciliteit en de sanctie van uitzetting.

De basisgedachte achter dit wetsvoorstel is de eigen verantwoordelijkheid. Het is de SP duidelijk dat de migrant uiteindelijk zelf de inspanning moet leveren die nodig is om ingeburgerd te raken. Onzes inziens heeft de overheid echter ook een verantwoordelijkheid. Ten aanzien van asielgerechtigden volgt die uit verdragen en EU-wetgeving, maar de overheid heeft daarnaast een aanvullende verantwoordelijkheid voor iedere individuele burger daar waar deze een levensopdracht niet op eigen kracht kan vervullen. Solidariteit noemen wij dat. De eigen verantwoordelijkheid lag ook ten grondslag aan de wet van 2007. Die wet is echter tot twaalf keer toe gewijzigd en aangevuld om tot een werkbaar systeem te komen. Mevrouw Meurs sprak overigens van zeven wijzigingen, maar ik heb er twaalf gevonden. De overheid nam toen de verantwoordelijkheid op zich om ervoor te zorgen dat de migrant daadwerkelijk in staat is om zijn inburgeringsopdracht te vervullen. Uit de moeizame manier waarop het stelsel tot stand is gekomen, kan worden afgeleid dat de migrant dit klusje nooit op eigen houtje zal kunnen klaren. Uiteindelijk is er, met inspanning van de gemeenten, een werkbaar systeem ontstaan, en nu wordt dat weer afgebroken. Kapitaalvernietiging noemt de VNG dat. De SP sluit zich daar volmondig bij aan. Dit kabinet doet aan wishful thinking door te denken dat inburgering op basis van eigen verantwoordelijkheid, zonder ondersteuning van gemeenten, nu ineens wel zal lukken. Kan de minister dat standpunt nog eens onderbouwen? Of gaat het eigenlijk om een platte bezuiniging, waarbij het kabinet zich niet bekommert om de positie van de gemeenten die met de gebakken peren blijven zitten. Want wie heeft er last van als ingezetenen van een gemeente niet meedoen? Niet dit kabinet; dat is tegen die tijd vertrokken. Een volgend kabinet heeft er evenmin last van, want de problemen komen op het bord van de gemeente. Naar de VNG wordt echter niet geluisterd en al evenmin naar de G-4, die gemotiveerd een compromisvoorstel hebben uitgewerkt. Graag wil ik een reactie op dit voorstel: De nieuwe Wet inburgering, risico's en knelpunten vanuit het perspectief van de G-4. Daarin stellen zij onder andere voor om de taak van de gemeenten toch voor een deel te behouden.

Wat betreft die eigen verantwoordelijkheid zien wij een aantal problemen. Een asielzoeker is veelal getraumatiseerd en heeft hier over het algemeen geen familie. Deze combinatie van factoren maakt dat hij slechts zeer beperkt in staat zal zijn de eigen verantwoordelijkheid waar te maken. De regering geeft dan ook terecht toe dat de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor deze mensen die er niet vrijwillig voor gekozen hebben om huis en haard te verlaten om zich in een ver, vreemd en koud land te vestigen. Een gemeente krijgt € 1000 om hen wegwijs te maken in onze samenleving en om hen te begeleiden in het zoeken naar de juiste cursus. De gemeente kan het voor dat bedrag echter niet doen, ook niet met behulp van alle vrijwilligers die zich voor deze groep intensief inzetten, aldus de VNG en VluchtelingenWerk Nederland. De gemeente zoekt het maar uit, zegt de minister.

Weet de migrant dat hij op cursus moet als hij het land binnenkomt? De minister zegt: voorlichting genoeg, in het land van herkomst al, voor zover er een inburgeringsexamen buitenland heeft plaatsgevonden. Wie verhuist maakt echter een stressvolle periode mee. Onderzoek heeft aangetoond dat in Nederland het overlijden van een partner stressoorzaak nummer 1 is, echtscheiding stressoorzaak nummer 2 is en dat verhuizen stressoorzaak nummer 3 is. Verhuizen naar een onbekend land waarvan je de taal niet verstaat, is ongetwijfeld stressvoller dan een gewone verhuizing binnen het eigen land. Wie gestrest is, kan dingen lezen en weten zonder dat het tot hem doordringt, omdat het een natuurlijk overlevingsmechanisme is om je te concentreren op de eerste noodzakelijkheden. First things first. Dat het zo werkt is ook gebleken toen de wet van 2007 gebrekkig bleek te werken. Het feit dat de gemeente de touwtjes stevig in handen heeft genomen, heeft de inburgering vlot getrokken. Met dit wetsvoorstel moeten we maar weer afwachten wanneer de migrant voldoende tot rust is gekomen om na te denken over cursussen. Eerst moet huisvesting worden geregeld, kinderen op school doem, noem maar op, voordat hij aan inburgering toekomt. Kostbare tijd verloren. En dat blijkt pas na 3 jaar. Daarom stelt de G-4 voor om het intakegesprek in stand te houden. Hoe eerder ingeburgerd hoe beter toch?

Zowel voor de asielzoeker als voor de overige migranten is het zeer de vraag of de meesten van hen, als ze zover zijn, in staat zullen blijken op eigen kracht de juiste cursus te vinden. Hoe doe je dat als je de taal niet beheerst en nog nooit van internet hebt gehoord?. Dan schakel je maar familie in, aldus de minister. Om de juiste, bij jou passende cursus te vinden moet deze er wel zijn. Dat laten we aan de markt over, aldus de minister. Gelooft de minister echt nog steeds dat alles beter en goedkoper wordt als je het aan de markt overlaat? We hebben net het debacle met de tandartsen gehad: die werden alleen maar duurder. Hopelijk bleef bij hen de kwaliteit op peil. Maar wie garandeert dat de kwaliteit van die cursussen ook op peil blijft? Aanbieders zullen met elkaar moeten concurreren. Om de prijs laag te houden zal worden beknibbeld op de kwaliteit. En wie merkt dat? Als de migrant zakt voor zijn examen is het toch zijn eigen verantwoordelijkheid! Op deze drie problemen met betrekking tot het op eigen kracht snel starten met inburgeren en onmiddellijk de juiste cursus vinden, krijg ik graag een reactie.

Ik kom toe aan de sociale leenfaciliteit. Asielzoekers hebben vrijwel nooit geld bij binnenkomst en de gemiddelde migrant ook niet. Het mooie sociale leenstelsel dat dit kabinet bedacht heeft, zadelt de migrant meteen bij binnenkomst op met een forse schuld. Schulden maken is in de ogen van de SP geen goede start in een nieuw land van vestiging. Hoewel ons belastingstelsel tot op heden ook het maken van schulden aanmoedigt, zijn wij ook in Nederland langzamerhand zover dat we onze kinderen leren: eerst sparen, dan kopen. Het is dus een verkeerd signaal. Daarenboven vraagt de SP zich af welk recht de overheid heeft om aan iemand die het recht heeft om in ons land te wonen de plicht op te leggen een cursus te volgen die hij geheel zelf moet betalen. Nederland steekt daarbij schril af bij ons omringende landen. Frankrijk: gratis, al vóór Hollande, Duitsland: € 1 per uur met een maximum van € 1245, waarvan de helft wordt vergoed na slagen voor het examen, in Oostenrijk krijgen asielgerechtigden het hele cursusbedrag vergoed als zij op tijd slagen voor het examen, Denemarken gratis. Nee, dan Nederland: alles zelf betalen, wat kan oplopen tot € 10.000, anders krijgen wij ons huishoudboekje niet op orde. Ooit waren wij een gastvrij land! Weet de minister zeker dat dit systeem niet meer gaat kosten dan het op zou moeten leveren?

Ik kom toe aan de sanctie: intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Nog afgezien van alle gevallen waarin dit niet mogelijk zal zijn op grond van artikel 8 EVRM of op grond van Europees recht, is er nog het algemene unierechtsbeginsel dat een sanctie proportioneel moet zijn. Het lijkt onwaarschijnlijk dat het Europese Hof deze sanctie proportioneel zal vinden. Bovendien vragen wij ons af hoe het kabinet zich de praktijk voorstelt: de termijn is verstreken en de migrant is nog niet geslaagd voor zijn examen. Hij moet binnen 28 dagen het land hebben verlaten. Hij kan evenwel meteen een nieuwe verblijfsvergunning aanvragen. Kan hij dat doen binnen de 28 dagen dat hij nog in Nederland mag zijn? En als hij binnen die 28 dagen alsnog slaagt voor het examen, krijgt hij dan opnieuw een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, zonder dat hij het land heeft hoeven te verlaten? Als hij niet binnen die 28 dagen slaagt, moet hij dan het land uit en in den vreemde afwachten of hij een nieuwe verblijfsvergunning krijgt? Op grond waarvan wordt dan beoordeeld of hij opnieuw welkom is? Zijn daar criteria voor? Heeft hij dan opnieuw drie jaar de tijd om te slagen voor het inburgeringsexamen? Stel dat hij het land niet verlaat en in de illegaliteit verdwijnt. Wordt hij dan, als hij aangehouden wordt voor het fietsen zonder licht, rechtstreeks het land uitgezet dan wel in detentie geplaatst als hij niet uitzetbaar blijkt? Hierover gaarne duidelijkheid.

Het zal niet verbazen dat de SP-fractie niet enthousiast is over dit wetsvoorstel, en dan druk ik het nog zacht uit. Wij wachten evenwel de beantwoording van de vragen af alvorens een definitief standpunt in te nemen.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 12.35 uur tot 13.30 uur geschorst.