Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 15, pagina 736-749

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Vaststelling van een nieuwe Mediawet (Mediawet 20..) (31356).

De voorzitter:

Ik heet de minister van OCW van harte welkom in dit huis.

De beraadslaging wordt geopend.

Voorzitter: Dupuis

De heer Asscher (VVD):

Voorzitter. Laat ik vanaf deze plaats nu eens u verwelkomen op deze bijzondere dag. Chapeau voor het feit dat u vanochtend terugkwam uit de West en nu al hier aanwezig bent.

Het doet mij deugd dat wij deze minister binnen een maand voor de tweede maal mogen verwelkomen in deze Kamer, en dan nog wel over een onderwerp betreffende de cultuur. De nieuwe Mediawet is ontegenzeggelijk een belangrijk onderwerp, ook al is er brede twijfel of deze wetswijziging wel nodig is. De Raad van State betwijfelt de noodzaak van deze wet, een eenvoudige wetswijziging had kunnen volstaan. Inhoudelijk deugt de wet ook al niet, al was het maar omdat er onvoldoende waarborgen zijn tegen concurrentievervalsing tussen publieke omroep en commerciële omroep en tegen overtreding van de Europese regels voor staatssteun. Ik kom hier later op terug.

Vanwege mijn positieve doch kritische levenshouding wil ik toch enkele punten noemen die wij positief achten. In de eerste plaats behelst de nieuwe wet voor de publieke omroep onder andere de invoering van prestatieovereenkomsten in plaats van de programmavoorschriften waarin werd vastgelegd welk aandeel zendtijd aan welk genre moest worden besteed. De programmavoorschriften voor onder andere educatie, cultuur en informatie bleken in de praktijk moeilijk hanteerbaar en even slecht controleerbaar.

De overheid houdt door goedkeuring van het totale aanbod eens in de vijf jaar invloed op de programmering. Deze overeenkomst is flexibeler dan de percentages voor categorieën programma's en sluit beter aan op de multimediale taak van de omroepen. Een prestatieovereenkomst is bovendien transparanter en zorgt voor minder administratieve lasten. De definitie van de publieke mediaopdracht is verruimd, waarbij de hoofdgedachte is dat de publieke omroep zijn taak op multimediale wijze moet kunnen vervullen.

Ten tweede leidt de verruiming van de hoofdtaak van de publieke omroeporganisatie tot een meer realistische benadering van de huidige praktijk, waarin omroepcontent meervoudig – van oorspronkelijke uitzending tot en met www.uitzendinggemist.nl – en multimediaal – radio, televisie en internet of combinaties hiervan – wordt uitgezonden.

Ten derde zorgt deze nieuwe wet ervoor dat de publieke omroeporganisaties niet langer een van tevoren vastgelegde hoeveelheid zendtijd op één specifiek thuisnet hoeven uit te zenden, waardoor ook publieke omroeporganisaties marktgerichter kunnen opereren.

Ten vierde maakt het wetsvoorstel de aanpak van haat zaaiende of tot geweld oproepende zenders beter mogelijk. Het Commissariaat voor de Media kan namelijk deze zenders tijdelijk of blijvend uit de lucht halen, mits de zender daarvoor in Nederland daadwerkelijk strafrechtelijk veroordeeld is.

Ten vijfde komt er een verdere versoepeling van de reclameregels voor commerciële omroeporganisaties. Deze groep van omroeporganisaties krijgt meer vrijheid om naar eigen inzicht reclamecontent in omroepcontent te integreren. Hierdoor wordt ook op dit niveau een level playing field van Nederlandse commerciële omroeporganisaties zoals SBS versus formeel Luxemburgse commerciële omroeporganisaties zoals RTL gecreëerd en kan de onderlinge concurrentie in deze groep verder worden bevorderd.

Naast een moderner begrippenkader hebben wij daarmee dan meteen alle voordelen van de nieuwe Mediawet kort samengevat. Er speelt hier ook een principiële kant van de Mediawet, namelijk de vraag hoe de politieke partijen aankijken tegen nut en noodzaak van de publieke omroep. In de VVD wordt en werd daar verschillend over gedacht. Indien ik kijk naar de Handelingen uit de Tweede Kamer over dit onderwerp, valt het volgende op. Ik citeer mijn collega Remkes: "Ik ben een warme voorstander van de publieke omroep. Ik zie het nut van de publieke omroep voor de komende jaren ook voor de volle honderd procent in. Ik vind echter niet dat het ongelimiteerd is. Onze fractie heeft iets warmere gevoelens bij de publieke omroep dan de vorige fractie. Bedroeg de temperatuur 50 à 60 graden, nu is dat ongeveer 70 à 80 graden." Einde citaat.

Wel, het lijkt erop dat de temperatuur bij het oversteken van het Binnenhof weer gedaald is naar die 50 graden. Wij zijn een voorstander van de publieke omroep, mits aan tal van voorwaarden wordt voldaan. De onafhankelijkheid van overheidsinmenging in de programmering is daar wel een van de belangrijkste van. De regering kiest voor de volgende publieke doeleinden: informatie, cultuur, educatie en verstrooiing. Volgens onze fractie is het nog maar de vraag of het element verstrooiing een opdracht aan de publieke omroep moet zijn. De huidige status quo wordt gehandhaafd, terwijl naar onze mening twee publieke tv-netten en vier radiozenders voldoende zouden moeten zijn. Is de minister bereid om bij de toekomstige herziening van de Mediawet en bij de introductie van de Erkenningswet de huidige status quo wat betreft het aantal tv- en radiozenders opnieuw kritisch te bezien? Is de minister bereid, de discussie aan te gaan over de vraag of verstrooiing wel een taak moet zijn van de publieke omroep? Dit mede in het licht van de negatieve adviezen hierover van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en het commentaar van de Raad van State. Bovendien kan men zich afvragen of de keuze voor drie algemene televisiekanalen en vijf algemene radiozenders wettelijk moet worden vastgelegd of dat het beter en zuiverder zou zijn uit een oogpunt van wetsystematiek om die keuze over te laten aan het bestuur van de publieke omroep.

Eigenlijk kunnen wij nog een stap verder gaan. Wij hebben immers drie soorten omroepen: de publieke, de commerciële en de verenigingsomroepen. Hadden wij vroeger te veel aanbieders en te weinig kanalen, tegenwoordig is er een onbeperkt aantal digitale kanalen. De verenigingomroepen zijn vrijwel niet meer te herkennen, maar moeten voor hun voortbestaan wel leden blijven werven. Is het niet tijd om het gehele omroepstelsel opnieuw te bezien en de door de overheid betaalde publieke omroep te beperken tot informatie, educatie en cultuur? Is de minister bereid het gehele omroepbestel opnieuw ter discussie te stellen? Volgens de VVD-fractie is dat in ieder geval hard nodig.

Wat betreft de hoofd- en neventaken is er een mistig gebied. Er is geen heldere afbakening tussen de taken. Hoe denkt de minister die dan wel te definiëren en te handhaven? Juist hier moet scherp aan de wind worden gevaren om te bevorderen dat er een level playing field is ten opzichte van andere spelers in het veld. Er moet geen sprake zijn van directe of verborgen staatssteun via de publieke middelen van de publieke omroep. Enerzijds mag er geen concurrentievervalsing komen met de commerciële omroepen, anderzijds mag er geen publiek geld in private projecten vloeien. Dan wordt immers de kans dat wederom geld terug moet worden gevorderd wegens onrechtmatig verleende staatssteun groter. Hoe wil de minister voorkomen dat de publieke omroep in dezelfde problemen komt door feitelijk of schijnbaar publiek geld privaat aan te wenden? Hoe wil hij bevorderen dat er werkelijk een level playing field is ten opzichte van de commerciële omroepen?

Hetzelfde geldt voor de verstoring van de concurrentieverhoudingen tussen de publieke omroepen en de uitgevers. Ook uitgevers bieden nieuwe diensten aan en moeten daarvoor investeringen doen. Ook daarvoor is een level playing field nodig. Daarnaast speelt een rol dat de publieke omroepen lagere tarieven mogen en kunnen hanteren waardoor concurrentievervalsing optreedt ten opzichte van de commerciële omroepen, de dagbladen en tijdschriften van commerciële uitgevers. Het feit dat de minister hun een sigaar uit eigen doos aanreikt uit de STER-pot doet daar niet aan af. Is de minister bereid de concurrentievervalsing te bestrijden en de uitgevers van dagbladen en tijdschriften werkelijk een level playing field te verschaffen?

Dan het hoofdstuk van de technologische neutraliteit. Hier klopt er weinig van deze Mediawet en is juist zichtbaar dat die eigenlijk een tussenwet is waar een wijziging meer op zijn plaats zou zijn geweest. De minister zegt in de memorie van antwoord dat de regering niet is afgestapt van het standpunt dat alle regelgeving rond de omroepen technologieneutraal moet worden gemaakt. Er gelden echter verschillende voorschriften voor de kabelbedrijven met vaste infrastructuren en de draadloze infrastructuren. De regering wijst erop dat kabelbedrijven een dominante positie hebben in de aanlevering van televisiesignalen, dat etherfrequenties door de overheid worden verdeeld en dat de publieke omroep eigen frequenties heeft. De logica waarom dit zou moeten leiden tot verplichte doorgifte van de vaste infrastructuren ontgaat ons. Als de wetgever inderdaad technologieneutraal wil zijn, geldt de doorgifteverplichting of voor alle infrastructuren of voor geen enkele. Anders is er geen sprake van technologische neutraliteit.

Het feit dat juist de overheid een frequentie uitgeeft, is hierbij niet significant, om eens een term uit de wet te gebruiken waar ik nog op terugkom. Wil de minister nog eens uiteenzetten waarom hij vindt dat deze wet wel technologieneutraal is, terwijl deze dat in feite niet is, zoals eerder geschetst? Is hij bereid om bij de herziening van deze wet en de volgende wetten de omroepen betreffende, de technologische neutraliteit nog eens tegen het licht te houden, bijvoorbeeld door de must-carryverplichting in zijn geheel af te schaffen of voor iedereen verplicht te stellen? Deze wet heeft de pretentie om een modern begrippenkader te hanteren, maar gaat gepaard met ouderwetse doorgifteverplichtingen die eenzijdig worden opgelegd. In het kader van de herziening van de Europese Telecommunicatierichtlijn pleit het Europees Parlement ook voor een uitbreiding van de must-carryverplichting tot alle digitale aanbieders. Pas als dat het geval is, wordt er echt multimediaal gehandeld.

Daarmee komen we bij artikel 31 van de personele universele dienstenrichtlijn. Volgens dit artikel kunnen redelijke doorgifteverplichtingen worden opgelegd aan bepaalde radio- en televisieomroepnetten en diensten als deze netten voor een significant aantal eindgebruikers het belangrijkste middel zijn om radio- en televisieprogramma's te ontvangen. In de praktijk voldoen de kabelnetwerken aan dat criterium. Dat mag feitelijk vaak juist zijn voor televisiekanalen, maar voor radioprogramma's is dat nog maar te bezien. Het doet af aan de eerdergenoemde technologische neutraliteit.

Over het begrip "significant aantal" is de minister niet erg duidelijk. In de memorie van antwoord blijkt sprake te zijn van een significant aantal wanneer minimaal de helft van de op een netwerk aangesloten huishoudens analoog dan wel digitaal ontvangt. Daaronder wordt de bepaling van wat significant is overgelaten aan het Commissariaat voor de Media. Het delegeren van de verantwoordelijkheid voor een dergelijk besluit, onder het motto dat het Commissariaat voor de Media samen met de OPTA beschikt over informatie over de aantallen aangesloten huishoudens, is een typisch Haagse oplossing. Het ware beter en helderder geweest indien de minister klip en klaar percentages had opgenomen in een AMvB met zware voorhangverplichting. Is de minister bereid om het wetsvoorstel op dit punt te herzien?

Dan is er het hoofdstuk van het uitzendverbod wegens haatzaaiende programma's. Laat er geen misverstand over bestaan dat ook de VVD-fractie van mening is dat het goed is dat hiervoor een artikel in de wet is opgenomen. Een strafrechtelijke veroordeling kan nodig zijn en leiden tot een uitzendverbod en intrekking van de zendmachtiging. Het is positief dat dit gekoppeld wordt aan een objectiveerbaar feit.

De heer Thissen (GroenLinks):

Ik hoor de heer Asscher zeggen dat de vernieuwde Mediawet de mogelijkheid biedt om haatzaaiende programma's te weren. Volgens mij gaat het om zenders. Daar zit wellicht een klein verschil in. Begrijp ik goed dat hij ook pleit voor een eventueel verbod op haatzaaiende programma's?

De heer Asscher (VVD):

Ja, dat klopt. Ik zat net midden in mijn stukje over dit onderwerp. Ik hoop dat de heer Thissen mij toestaat dit even af te ronden, zodat duidelijk is hoe wij erover denken.

De heer Thissen (GroenLinks):

Ik zal nog even luisteren.

De heer Asscher (VVD):

Ik zei al dat het positief is dat dit wordt gekoppeld aan een objectiveerbaar feit, namelijk de strafrechtelijke veroordeling op grond van artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht. Deze wijze van grenzen stellen aan en objectiveerbaar maken wat wel of niet haatzaaiend is, verwelkomen wij, temeer daar dit slechts achteraf kan gebeuren en daarmee de vrijheid van meningsuiting beschermd wordt. De jurisprudentie zal op den duur de scheidslijn trekken tussen wat toelaatbaar is en wat strafbaar is. Een bezwaar tegen deze weg is wel dat het strafrecht weliswaar in Nederland goed werkt, maar in vele gevallen langzaam kan zijn, mede indien de justitiabelen het proces rekken. Juist in het geval van een vermoeden van haatzaaiende uitzendingen is een snelle reactie geboden. Dit temeer gezien de grote maatschappelijke onrust die dergelijke uitzendingen met zich kunnen brengen. Hoe denkt de minister dit probleem op te lossen?

Dan is er nog het onderwerp erkenning van de omroepen en de advisering door de Raad voor Cultuur bij het verlenen van een voorlopige erkenning van omroepverenigingen. Het is duidelijk dat dit opnieuw aan de orde komt zodra wij de Erkenningswet gaan behandelen. De VVD-fractie vraagt aandacht voor de problematiek van het intrekken van een erkenning. Tot dusverre is er bij de erkenning van omroepgemachtigden sprake van een voordeur in plaats van een draaideur. Er komen wel gemachtigden bij, maar er gaan er nooit af. Is de minister bereid hiervoor duidelijk beleid te formuleren? Het instellen van een visitatiecommissie lijkt onvoldoende en niet erg objectief. Hoe gaat de minister dit aanpakken? Wij kijken ook met belangstelling uit naar het verslag van de visitatiecommissie in april 2009.

Dan is er nog de onzinnige benadering van de topinkomens bij de publieke omroep. Voor zover de normering van de topinkomens bij de publieke omroep betrekking heeft op functionarissen in de semipublieke sector kan onze fractie zich ten dele vinden in die normering. Immers, er is niets verkeerd aan het verhoogde salaris van een minister. Indien iemand een publieke of semipublieke functie ambieert, is dat veelal een adequaat salaris. Echter, de overheid wijkt hier zelf veelal vanaf indien blijkt dat de markt zich niet wenst te houden aan de door sommigen gewenste aftopping. Dit is niet de plek voor een discussie over die beloningscode anders dan bij de publieke omroep.

Vooral is het absurd een maximumbedrag op te nemen voor de andere functionarissen werkzaam bij de omroep, zoals presentatoren, deejays en andere artiesten. Dat heeft dezelfde onlogische onderbouwing als het maximeren van de honorering van een topartiest die optreedt bij het gesubsidieerde Concertgebouworkest. En we horen niemand klagen over de topinkomens van voetballers in de vrije sector, mits die presteren natuurlijk.

Kortom, de VVD-fractie kan zich niet vinden in het maximeren van de beloning in de vrije sector, tenzij het voortbestaan van organisaties in de vrije sector uitsluitend te danken is aan het feit dat de overheid er partner in is geworden en er sprake is van overgang naar de semipublieke sector. Maar het jongste verleden heeft al aangetoond dat de overheid dan ook maar al te graag afwijkt van die maximering. De markt bepaalt uiteindelijk en niet de overheid.

Het laatste onderwerp is dat van de beperking van de alcoholreclame tot uitzendingen vanaf 21.00 uur, met daarbij ook nog eens de strenge waarschuwing van de minister dat niet alle reclame vlak na 21.00 uur moet vallen. De vraag is of er uit het oogpunt van volksgezondheid argumenten zijn om die reclame zo in te perken. Dat is een kwestie van afweging en proportionaliteit. In veel gevallen blijkt dat alcohol een groter probleem vormt dan het verantwoorde gebruik van softdrugs, zie de opmerking daarover van de burgemeester van Amsterdam. De vraag die zich voordoet, is tweeledig: moet de overheid de reclame voor genotsmiddelen aan banden leggen en waar ligt dan de grens? Bij de volksgezondheid of bij de politiek ingegeven grenzen? Voor de een is alcohol gebruik normaal, voor de ander verwerpelijk. Er is dus een afweging nodig tussen de overheid als zedenmeester en de volksgezondheid. De VVD-fractie is geen voorstander van drastisch ingrijpen van de overheid in het private domein. De betutteling komt al gauw om de hoek kijken, zeker bij dit kabinet.

Principieel ligt hier toch wel een heel ander en veel groter probleem, omdat de vrijheid van meningsuiting wordt aangetast. Wel free speech maar geen commercial free speech. Juist hier ligt de principiële afweging van de vrijheid van meningsuiting tegenover een door de regering gewenste beperking van die vrijheid van meningsuiting in de reclame-uiting.

Kortom, die vrijheid van meningsuiting wordt ingeperkt, niet door de grenzen te bepalen waar de vrijheid van de ander begint en waar zij met elkaar botsen, niet door de rechter vast te stellen grenzen rond belediging en/of haatzaaiende opmerkingen, nee, doordat de regering een gewenst beleid voorstaat om iets te doen of na te laten. Kortom, de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt door wat de heersende meerderheid gewenst gedrag acht. Dat is voor de VVD-fractie onaanvaardbaar en een inbreuk op de Grondwet. En de bescherming van de Grondwet hoort nu juist bij uitstek in dit huis plaats te vinden, zoals onze collega Duthler ook bepleitte bij de behandeling van de constitutionele toetsing.

De heer Dölle (CDA):

Het is toch wel zo dat artikel 7 van onze Grondwet reclame nu juist uitsluit?

De heer Asscher (VVD):

Ik zei al: hier is een afweging nodig tussen de vrijheid van meningsuiting en datgene wat de overheid wenst. Wij moeten als politieke partij de keuzes daarin maken. Voor ons is het duidelijk dat de vrijheid van meningsuiting juist op dit terrein voorrang verdient boven inperking. Wij kunnen die beperking van de vrijheid van meningsuiting in dezen dan ook niet aanvaarden.

Afgezien van het principiële aspect, zoals hiervoor omstandig uiteengezet, is de bedachte regel niet effectief, gezien de reclames die uit het buitenland komen. Gaat de minister die uitzendingen dan ook verbieden? Wij moeten daar toch maar niet aan denken.

De VVD-fractie ziet zeker wel de noodzaak om te komen tot een nieuwe Mediawet. Maar de vraag is of dat déze Mediawet moet zijn. Deze wet is een broddellap van vernieuwingen, die ten dele nodig zijn door de digitalisering van de samenleving en door wat we voortschrijdend inzicht noemen, waardoor wordt afgestapt van programmavoorschriften en deze door prestatieovereenkomsten worden vervangen. Het stuk over haatzaaiende uitzendingen zien wij als een vooruitgang, mits sterk ondersteund door Justitie. Het voorkomt censuur vooraf. Het onderdeel over technologische neutraliteit schiet tekort. Het thema van het verbod van de alcoholreclame stelt ons voor onoverkomelijke bezwaren.

Onze fractie ziet de beantwoording door de minister dan ook met zeer gemengde gevoelens tegemoet.

De heer Slager (SP):

Voorzitter. De media bevinden zich in een turbulente tijd, maar daarvan is in deze Mediawet eigenlijk nog maar weinig te merken. De minister wil voorlopig het liefst zo veel mogelijk bij het oude laten en dat kan volgens hem ook best, want het gaat weer goed met de publieke omroep. Er is rust in Hilversum en Nederland 1 is marktleider.

Nu mag het waar zijn dat de publieke omroep veel kijkers trekt, maar of dat voldoende reden is om dan maar tevreden op de winkel te passen, is nog maar de vraag. Want kijkers trekken is natuurlijk wel belangrijk, maar nog belangrijker is het als de publieke omroep zijn primaire taken goed uitvoert. Wij vinden dat door de publieke omroep goede en onderhoudende programma's worden uitgezonden. De nieuwe indeling van de drie televisienetten heeft ervoor gezorgd dat mensen met verschillende interessen beter bediend worden. Dat is absoluut winst.

Maar de publieke omroep moet meer zijn dan alleen maar onderhoudend en amusant. Een van zijn primaire taken is om naast een onafhankelijke nieuwsvoorziening te zorgen voor goede, pluriforme achtergrondinformatie die het maatschappelijk debat stimuleert. Op dat terrein zijn wij toch wat minder enthousiast. Natuurlijk, ook wij zijn onder de indruk van zo'n prachtige serie als In Europa en wij zijn heel enthousiast over de manier waarop een programma als Tegenlicht de kijkers via een serie documentaires probeert te betrekken bij belangrijke vragen over de toekomst. Maar als je kijkt naar de totale hoeveelheid zendtijd die wordt ingeruimd voor maatschappelijk relevante documentaires, dan is dat toch mager voor een omroep met een publieke taak.

Dat geldt voor de televisie, maar dat geldt eigenlijk nog veel meer voor de radio. Decennialang heeft de radio het wel goed gedaan, maar de laatste jaren wordt de serieuze achtergrondinformatie steeds meer verwaarloosd, vind ik. Ik durf dat te stellen omdat ik de omslag van dichtbij heb meegemaakt. Het is 35 jaar geleden dat ik overstapte van de krantenjournalistiek naar de publieke omroep. Ik kwam toen terecht op de redactie van het bekende radioprogramma ZI, waarvan Wim Kayser de bevlogen voorman was. Z.I. zond elke week documentaires uit over maatschappelijk relevante zaken, die vaak de volle twee uren van het programma in beslag namen. Dat was toen de vanzelfsprekende manier waarop de publieke omroep zijn taak vervulde. De achtergronden van het nieuws kwamen ruimschoots aan bod en de mensen thuis moesten worden voorzien van informatie die niet in het nieuwsbulletin en de actualiteitenrubriek paste. Niet alleen Z.I. maakte zo wekelijks documentaires, maar bijna elke omroep deed dat in de jaren zeventig. Zij bleven dat ook doen in de decennia daarna.

Maar wat hoor ik nu tijdens de uren die vroeger bestemd waren voor serieuze achtergrondprogramma's? Ik hoor geen documentaires, want die duren te lang en kunnen niet onderbroken worden voor het wereldnieuws. Het wereldnieuws is nu prioriteit nummer een, ook al blijkt het "breaking news" soms niet meer te zijn dan het laatste doelpunt dat onze hockeyvrouwen zojuist hebben gescoord tijdens een worldcupwedstrijd te Kuala Lumpur. Dat is historisch, hoor!

De documentaires en andere serieuze journalistieke achtergrondprogramma's zijn verbannen naar tijden en zenders die garant staan voor weinig luisteraars. Wat brengt Radio 1, de nieuwszender, dan nu wel tussen de nieuwsblokken door? Verleden week heb ik een steekproef genomen. Ik heb om twee uur de radio aangezet en na de aankondiging de knop weer omgedraaid. De publieke radio beloofde mij namelijk het verhaal over een 70-jarige vrouw die toch nog zwanger was geraakt en het hoe en waarom daarvan. Verder werd een gesprek met Erica Terpstra aangekondigd over het feit dat ze 40 kilo was afgevallen. Ten slotte volgde de aankondiging dat Paul de Leeuw zijn cd met kerstliedjes kwam promoten.

Ooit was het woord "vertrossing" een vloek voor serieuze programmamakers, en niet alleen voor serieuze programmamakers, maar nu lijkt het wel de standaard te zijn. De nieuwszender is buiten prime time te vaak veranderd in een soort babbelbox. Alles staat in dienst van de heilige luistercijfers. Die mogen echter niet heilig zijn bij een serieuze publieke omroep, want de kerntaken behoren heilig te zijn.

De SP is geen tegenstander van de publieke omroep. Integendeel, wij zijn er uitgesproken voorstanders van, maar dan wel van een omroep die kwalitatief goede en zinnige programma's maakt. De nu voorliggende wet biedt maar één handvat waarbij de kwaliteit aan de orde is. Dat is de prestatieafspraak waar de collega van de VVD al over heeft gesproken. De prestatieafspraak wordt door de minister en de vertegenwoordiger van de publieke omroep voortaan elke vijf jaar ondertekend. Daar wil ik het over hebben. Op zichzelf is zo'n afspraak prima, want het kan een garantie voor kwaliteit betekenen. Maar er moeten dan wel echte prestaties worden afgesproken. Ik heb de nu al sinds een jaar geldende prestatieafspraak doorgenomen en ik ben niet onder de indruk geraakt van de ambities die ervan afstralen.

Laten wij bijvoorbeeld het genre documentaire nog eens bekijken. Ik heb net verteld hoeveel uren daarmee sinds de jaren zeventig op de radio werden gevuld. Anno nu heeft de publieke omroep zich verplicht om in totaal 80 radiodocumentaires per jaar te maken. Let wel, deze 80 documentaires zijn verdeeld over alle zenders. Dit deed een C-omroepje als de VPRO in de jaren zeventig in zijn eentje.

Ik kom te spreken over de televisie. Die heeft zich verplicht om aan onderzoeksjournalistieke reportages en documentaires 50 nieuwe uitzendingen per jaar te maken. Dat is minder dan een per drie weken per zender. Ik vind dat eigenlijk geen prestatie. Het feit dat de televisie dit aantal het eerste jaar meteen heeft overschreden, bewijst wel dat de lat veel te laag is gelegd. Ik citeer wat er wordt gesteld in de prestatieovereenkomst: "De documentaire is een prominent genre in het aanbod van de publieke omroep." Er wordt tevens op gewezen dat de Nederlandse documentaire internationaal hoog staat aangeschreven. Dat is inderdaad zo. Niet voor niets organiseren wij hier jaarlijks het internationale documentairefestival Idfa. Maar dit soort adel verplicht, en met zulke marginale afspraken onderstreep je het grote belang van het fenomeen documentaire niet. Het omroepvakblad Broadcast Magazine vroeg terecht: "Wat is de toegevoegde waarde van deze overeenkomst?" Ik wil die vraag hier graag doorspelen naar de man wiens handtekening onder de overeenkomst staat.

Ik weet dat de minister erg beducht is voor het verwijt uit Hilversum dat de politiek zich wil bemoeien met de inhoud van programma's. Daar ben ik ook zeer hartgrondig tegen. Wat kun je anders verwachten van iemand die meer dan een kwart eeuw programmamaker bij dezelfde publieke omroep is geweest? Het gaat niet om de inhoud, maar het gaat om het soort programma's. Het gaat erom dat de kwaliteitsjournalistiek terrein terug verovert. Dit soort programma's vormt immers precies het onderscheid tussen de commerciële en de publieke omroep. Tevens vormt het de legitimatie om de samenleving ervoor te laten betalen.

De tegenprestatie van de publieke omroep behoort daarom in elk geval te bestaan uit serieuze informatie die het blikveld van de burgers verruimt, die hun algemene ontwikkeling bevordert en die hen aanmoedigt om met kennis van zaken aan het publieke debat deel te nemen. Bovendien fungeert de onderzoeksjournalistiek vaak als waakhond tegen misbruik van macht.

Mijn pleidooi om deze vorm van journalistiek meer ruimte te geven, is vandaag de dag nog extra dringend. Wij hebben immers te maken met krantenconcerns die drastisch bezuinigen. Er gaat bijna geen week voorbij of er vallen ontslagen bij de kranten en daar is de onderzoeksjournalistiek als eerste de dupe van. Op de meeste redacties, zeker bij de regionale kranten, is de laatste onderzoeksjournalist inmiddels al verdwenen. Onderzoek kost immers tijd en is dus duur. De moderne kranteneigenaren vinden een hoog winstpercentage helaas veel belangrijker dan de democratische rol van hun krant. Daarom ligt er nu meer dan ooit een taak voor de publieke omroep om dat gat te vullen, in naam van de democratie. Dit klinkt misschien hoogdravend, maar het is wel zo.

Voorzitter: Timmerman-Buck

De heer Slager (SP):

Voorzitter. De minister heeft in antwoord op onze schriftelijke vragen gezegd dat hij helemaal niet van plan is, in een volgende prestatieovereenkomst hogere eisen te stellen aan de omroep op het terrein van de achtergrondinformatie. Hij wil sowieso geen eisen stellen, omdat de onafhankelijkheid van de omroep daardoor in het geding zou komen. Wij zijn het daar dus niet mee eens. Van de inhoud moeten wij afblijven. Een linkse of een rechtse inhoud of een positieve of een negatieve inhoud is onze zaak niet. Wij hebben evenwel het recht om aan te geven welke publieke belangen wij gewaarborgd willen zien bij de publieke omroep. Het gaat dan om het soort programma's.

Dit jaar is de 50 mln. die de publieke omroep extra krijgt, voor een flink deel gebruikt voor Nederlands drama op de televisie. De minister zegt dat de publieke omroep dit zelf heeft beslist. Men wist in Hilversum echter heel goed dat deze minister dit ook belangrijk vond. Zo kan de minister ook laten merken dat hij het belangrijk vindt dat er van de komende 50 mln. die dit jaar weer door de regering aan de publieke omroep is beloofd, een substantieel deel gaat naar documentaires en onderzoeksjournalistieke programma's. Nieuws en actualiteiten zijn er meer dan genoeg, maar een hoogopgeleide bevolking wil ook de nuance van de achtergrond kennen. Wij vinden dit de primaire taak van de publieke omroep. Daarom vraag ik de minister om zijn nogal afwijzende houding toch te heroverwegen.

In dit verband is het omroeprapport "Focus op functies" van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid interessant. Daarin staan immers de taken van de publieke omroep van de toekomst omschreven. Volgens het rapport zijn die taken: een onafhankelijke, pluriforme en kwalitatief goede nieuwsvoorziening, opinievorming en maatschappelijk debat, evenals (in mindere mate) kunst en cultuur. Volgens de opstellers vormt vermaak geen kerntaak. Zij constateren dat er juist sprake is van een verschuiving richting amusement ten koste van het aanbod dat tot de primaire taak behoort. Het zal niet verbazen dat de SP dat oordeel deelt. Het is opvallend dat ook de minister schrijft dat hij dit oordeel deelt. Maar de daarbij behorende adviezen van de raad volgt hij niet op in deze wet. In zijn antwoord op onze schriftelijke vraag naar de reden daarvan, doet de minister alsof de SP pleit voor het afschaffen van amusement op de publieke omroep. Daar is hij tegen. Ja, zo maakt hij er zich wel erg gemakkelijk van af. De SP heeft hier helemaal niet voor gepleit. Onze vraag was: "als de minister de conclusies deelt van het WRR-rapport, waarom heeft hij de Mediawet dan niet aangegrepen voor een duidelijke koerswijziging die de WRR voorstaat?" Op die vraag naar de koerswijziging, waarbinnen wat ons betreft amusement wel degelijk goed kan passen, maar dan minder dominant, hebben wij geen antwoord gekregen. Dat antwoord willen wij vandaag toch wel graag horen. Waarom komt er eigenlijk een nieuwe wet, die alles bij het oude laat, terwijl de minister onlangs in een interview zei dat de wet waarschijnlijk niet langer houdbaar is dan vijf jaar? In de loop van de periode zou er volgens de minister "een nieuwe werkelijkheid ontstaan". Heeft de minister serieuze plannen om tussen nu en vijf jaar die nieuwe werkelijkheid om te zetten in een koers die veel beter past bij het WRR-advies? Ik hoor dit graag. Tot zover onze kanttekeningen over wat volgens ons de kerntaken en -kwaliteiten van de publieke omroep zijn.

Ik heb nog een opmerking over de bemoeienis van de politiek met de inhoud van programma's. Op één punt is de minister wel degelijk voorstander van zo'n bemoeienis. In deze wet is immers het al eerder genoemde verbod op haat zaaien opgenomen. Straks kan dit bestraft worden met intrekking van de zendvergunningen. In een juridisch commentaar op het nu voorliggende verbod las ik een voorbeeld. Stel nou dat de EO straks een programma uitzendt dat als beledigend wordt ervaren voor homo's. Stel dat de EO daarom door de strafrechter wordt bestraft, al is het maar met een symbolische boete van € 1. Dan verliest de omroep automatisch zijn zendtijd voor een jaar. Ik kan mij niet voorstellen dat dit de bedoeling van de wetgever is. Hoewel de minister tijdens de behandeling in de Tweede Kamer heeft verklaard dat het gaat om "oproepen om mensen van de kaart te vegen en andere totaal onacceptabele uitingen", vraag ik hem, in te gaan op de casus van de EO. Misschien kan hij ook nog wat concreter maken wat hij nou eigenlijk bedoelt met "andere totaal onacceptabele uitingen". Dat is tamelijk vaag.

De heer Thissen (GroenLinks):

Ik ben blij dat de heer Slager dezelfde kwestie aanroert als de heer Asscher. De laatste begreep mij volgens mij niet in mijn vraag naar de nuance. Ik sluit mij van harte aan bij de vraag van de heer Slager. Er staat namelijk in het wetsvoorstel dat haatzaaiende zenders worden geweerd. De EO, de VARA of de NPS kunnen er niet van beticht worden dat zij als zodanig haatzaaiend zijn. Haat zaaiende zenders worden geweerd, maar een enkel programma zou wel door de EO, de VARA of een andere omroep uitgezonden kunnen worden. Wat doen wij als een rechter zich uitspreekt en hij een programma verbiedt? Heeft dit alleen implicaties voor het programma of ook voor de zender of de zendgemachtigde?

De heer Slager (SP):

Die vraag stel ik ook aan de minister. Volgens de wettekst vloeit uit een veroordeling door de strafrechter automatisch voort dat niet alleen de zendtijd, maar ook het geld wordt ingenomen. Ik ben benieuwd wat de minister daarover gaat zeggen.

De SP is zoals bekend geen voorstander van reclame op de publieke omroep. In de Tweede Kamer heeft mijn partijgenoot Jasper van Dijk de suggestie gedaan om tot een geleidelijke afschaffing van de STER te komen. De minister is daar toen niet op ingegaan. Daarom doe ik een nieuwe poging. De suggestie lijkt mij namelijk zinnig, zeker nu de STER-inkomsten zo onder vuur liggen bij de krantenbedrijven. Wij zijn ook niet helemaal ongevoelig voor de kritiek dat de lage reclametarieven die de publieke omroep zich kan permitteren te vragen, concurrentievervalsend werken voor de toch al noodlijdende kranten. De minister schudt zijn hoofd, maar ik hoor graag zijn commentaar.

De minister heeft verleden week aangekondigd dat hij de kranten wil steunen met 8 mln. uit de STER-gelden. Wij waarderen dit zeer. Het is in elk geval meer dan het bedrag van 1 mln. dat in eerste instantie was toegezegd, door middel van het Fonds voor de Pers. Wij vinden steun aan de kranten noodzakelijk, omdat een pluriforme pers een onmisbare factor is in onze democratie. Maar is het niet heel omslachtig om eerst via de publieke omroep reclamegeld te innen en vervolgens een deel daarvan terug te geven aan de kranten omdat zij ten gevolge van de concurrentie met de publieke omroep reclamegelden mislopen? Kun je kranten niet beter de kans geven om zelf de advertentie-inkomsten te genereren? Is nu niet het moment om te beginnen met het terugschroeven van de reclame bij de publieke omroep? Dit moet natuurlijk meer zijn dan een verbod op alcoholreclame voor negen uur 's avonds. Wij vinden dit prima, hoewel elf uur beter zou zijn. Wij willen echter meer. Laat de minister nou eens een strategie uitstippelen waarmee wij stapsgewijs worden verlost van Loeki de Leeuw. De minister spreekt donderdag met de Tweede Kamer over steun aan dagbladen. Misschien kan dit idee daarbij betrokken worden.

Dit waren onze op- en aanmerkingen. De SP-fractie is niet tegen deze wet, maar is wel een beetje teleurgesteld over de geringe ambitie die eruit spreekt om de publieke omroep te maken tot een bron van inspiratie en informatie voor de zo noodzakelijke discussie over onze samenleving en haar toekomst. Wij kijken natuurlijk vol verwachting uit naar de eerste wijziging van deze wet, de Erkenningswet. Deze wet gaat binnenkort naar de Tweede Kamer. Die wet is minstens zo interessant als deze wet. Daarin gaat het immers niet alleen over de kwaliteit, maar ook over de zo belangrijke pluriformiteit van de publieke omroep. Wie weet worden wij dan wel verrast door een nieuwe visie en een gedurfd voorstel van deze minister.

De heer Dölle (CDA):

Voorzitter. De nieuwe Mediawet is een voorstel dat vooral codificeert, meer dan dat het modificeert. De CDA-fractie hecht eraan, juist bij deze gelegenheid nog eens te benadrukken dat zij een kritische fan is van het Nederlandse omroepbestel. Kritisch, omdat bij instituten met een lange geschiedenis zoals het publieke omroepbestel nu eenmaal disfunctionele effecten kunnen ontstaan. Daarover zal ik later meer zeggen. Fan zijn wij omdat het unieke Nederlandse bestel, zo leert ook de geschiedenis van de crisistijd, de Wereldoorlog, de Wederopbouw en de culturele revolutie van de jaren zeventig en de decennia daarna, ook heden ten dage stem geeft aan een levens- en wereldbeschouwelijk geïnspireerd permanent debat in de Nederlandse samenleving. Het toont de culturele en levensbeschouwelijke diversiteit van de samenleving ook. Het Program van Uitgangspunten van het CDA (art. 83) wil die ruimte waarborgen en wil waken tegen te vergaande commercialisering in het medialandschap.

Onze fractie herkent zich dus in de opstelling van de regering. Zo beklemtoonde Minister Plasterk, ongetwijfeld namens de regering sprekend, op 25 juni in de Tweede Kamer dat Nederland een waardevol systeem heeft van omroepverenigingen, waarvan het merendeel van de huishoudens lid is. Het gaat ook in algemene zin goed met de publieke omroep. De kijk- en luistercijfers zijn redelijk tot goed. Het publiek waardeert over het algemeen het aanbod. Het financieel beleid is behoorlijk, zij het uiteraard voor verbetering vatbaar. Dit mogen wij aannemen op gezag van de Algemene Rekenkamer. De minister relativeerde tijdens die vergadering ook de reeks voortdurende doemaanzeggingen dat het bestel spoedig ineen zal zijgen. De druk van nieuwe technologische ontwikkelingen en van de deels daarmee samenhangende maatschappelijke ontwikkelingen, zoals individualisering en globalisering zou deze implosie veroorzaken. Steeds weer werden die voorspellingen gelogenstraft. Natuurlijk is de CDA-fractie er niet blind voor dat desondanks op enig moment wel degelijk zwaar weer kan opsteken. Maar het is beter om in dat geval, na een verstandige analyse van de dan werkzame krachten en factoren het overheidsbeleid zo nodig structureel te herzien.

Onze benadering is, het zij herhaald, niet kritiekloos, maar leidt tot steun aan de hoofdpunten van dit wetsvoorstel. Een van de hoofdpunten is de multimediale taakopdracht en de daarmee samenhangende opheffing van de scheiding tussen hoofd- en neventaken. Een ander hoofdpunt is de vervanging van de programvoorschriften door de prestatieovereenkomsten. Een derde hoofdpunt is het meerjarige concessieplan, opgesteld door de publieke omroep en na instemming van de minister bijgelicht door adviezen van het Commissariaat voor de Media en de Raad voor Cultuur.

Andere punten waar wij ons achter kunnen scharen zijn het beginsel van de evenwichtige plaatsing onder verlating van het stelsel van de minimumzendtijden en de thuisnetten; de handhaving van de doorgifteverplichting, waarover de heer Asscher sprak; de versoepeling van het reclameregime voor de commerciële omroepen en de handhaving van het strakkere regime bij de publieke omroep; de handhaving van de brede formulering van de publieke mediaopdracht en de maximering van de reserve bij de publieke omroep.

Het spreekt dan ook vanzelf dat onze fractie daarom de geharnaste opstelling van de regering tegenover Brussel kan billijken. Het Nederlandse mediabeleid moge voor de Europese communautaire autoriteiten wellicht wat merkwaardig lijken, het is wel geworteld in de Nederlandse geschiedenis en werd en wordt breed gedragen. Het reflecteert onze pluriformiteit en is als het ware zelf een element van de Nederlandse cultuur. Wij willen met de regering en achttien andere lidstaten schouder aan schouder staan tegen regelgeving die – ik citeer het Verdrag van Lissabon – de "rijke verscheidenheid van cultuur" doorbreekt en uit het lood haalt door een te stringent doorgevoerde economisch-instrumentalistische benadering, natuurlijk wel op grondslag van de Europese verdragen en daarnaast vanuit het besef dat het publieke bestel niet alleen op papier, maar ook in het "echie", zoals voetbaltrainers dat noemen, aan zijn opdracht moet voldoen. Dat betekent in essentie dat de publieke omroep wel degelijk dient te waken tegen de altijd aanwezige krachtige verleiding om in de jacht op kijkcijfers en in de ledenwerving, die op 1 april volgend jaar eindigt, te veel concessies te doen aan zijn opdracht.

De CDA-fractie heeft naast deze instemming en ondanks de vruchtbare schriftelijke voorbereiding toch een aantal vragen over en bedenkingen bij dit wetsvoorstel. Zij legt deze graag aan de regering voor.

Om te beginnen is de eerste spanning die altijd aan de orde treedt bij mediabeleid door de overheid, die met de in de Grondwet en verdragen geproclameerde uitingsvrijheid. Zoals commerciële media in hun actieradius materieel worden beïnvloed door zaken als kijkcijfers, advertentie-inkomsten en het bedrijfsbeleid van de holding, zo wordt ook de publieke omroep, zij het op andere wijze, beïnvloed. De overheid betaalt immers en wil dus deels bepalen en kijken of de waar wordt geleverd. Er vindt indirecte sturing plaats via de instemmingsvereiste voor het concessiebeleidsplan en de prestatieovereenkomst en via de erkenning of voorlopige erkenningsprocedure van omroepen, maar ook door de formulering en bewaking van de publieke mediaopdracht, door de grote invloed op de rechtspositie van de raad van bestuur van de NOS en natuurlijk via het budgetrecht. Daarbij mag, zo wordt alom terecht bezworen, de overheid niet in strijd komen met de grondwettelijk en verdragsrechtelijk gewaarborgde uitingsvrijheid.

Het lijkt erop dat de regering die uitingsvrijheid vrij strikt definieert, namelijk als slechts betrekking hebbend op de inhoud van de programma's en de programmatische autonomie. Voor het overige wijst de regering op de terughoudende opstelling die zij kiest, bijvoorbeeld in de redactie van dit wetsvoorstel. Dat laatste is echter een keuze die andere regeringen en wetgevers weer anders kunnen maken. Kan de regering daarom duidelijker worden en uitleggen of naast de inhoud van programma's en de programmatische autonomie er nog andere aspecten zijn die in haar ogen, gelet op Grondwet – de interpretatie daarvan doen wij nog altijd – en verdrag, onaantastbaar zijn voor de wetgever zelf, dus ook voor de Mediawet, en mutatis mutandis voor de lagere regelgeving? Onze eerste vraag is dus wat volgens de regering het kerndomein is, waar ook de wetgever niet mag komen als het gaat om de uitingsvrijheid.

Het tweede punt heeft met het voorgaande te maken, maar dan bijna andersom. Ziet de regering geen mogelijkheid om grenzen te stellen aan het fenomeen hoax – daar hebben wij in de schriftelijke voorbereiding over gecorrespondeerd – en andere schijnvertoningen, zonder het recht op vrijheid van meningsuiting met voeten te treden? Ik zeg het wat verkeerd, maar de regering zegt dat zij daar niets aan kan doen, omdat zij de vrijheid van meningsuiting in dat geval met voeten treedt. Betekent dit dat de regering van opvatting is dat het principieel onjuist is om sommige vormen van valse en bewust manipulatieve informatieverstrekking en andere uitbundige vormen van nieuwsgaring, zoals chequeboekjournalistiek, uit de mediaopdracht te bannen? Vindt de regering dat dit kan of juist niet? Zo niet, is dat dan omdat de wetgever dat, gelet op de Grondwet en de verdragen – dit is het verband met het vorige punt – niet toekomt, omdat daarover regels stellen, zou raken aan een element van de programmatische autonomie?

De CDA-fractie is huiverig voor een aanmatigende journalistiek die bewust schijnvertoningen opvoert als zij de uitzending gerechtvaardigd acht vanuit agogisch-pedagogische of andere motieven. Als een overheidsorgaan, kerk of vereniging zulks zou doen, dan zou het land terecht te klein zijn. Is de journalistiek hier hors concours? Wat vindt de regering daarvan? Is dit iets voor de gedragscode, waarover ook door de regering al langer wordt gepraat en gedacht? Ons tweede punt betreft dus de hoax en de bewuste schijnvertoningen. Ik wijs op de Franstalige Belgische televisie, die een staatsgreep in Vlaanderen suggereerde teneinde een aantal effecten van zo'n uitzending te bestuderen.

Een derde kwestie is die van de versplintering in omroepland. Het is een feit dat er wel omroepverenigingen bijkomen, maar dat er geen omroepverenigingen verdwijnen. De pluriformiteit neemt dan natuurlijk wel toe, maar van een evenwichtige plaatsing, één van de beginselen van dit wetsvoorstel, zal veel moeilijker sprake kunnen zijn, want de spoeling wordt te dun. Dit spanningsveld komt later bij de Erkenningswet en haar glijdende schalen ongetwijfeld ter sprake, maar de CDA-fractie zou het waarderen indien de minister nu reeds voorlopig zijn licht over deze kwestie wil laten schijnen.

De regering, en dat is ons vierde punt, kiest ervoor om de vaststelling die in verband met de must-carryverplichting nodig is van "een significant aantal" aangeslotenen op een analoog respectievelijk digitaal omroepnetwerk, binnen grenzen – dat betreft 50% – over te laten aan het Commissariaat voor de Media. De heer Asscher wees daarop. De motieven zijn dat het technisch moeilijk is om het aantal aangesloten huishoudingen vast te stellen. Daar moet de OPTA bij komen. Onze fractie wil dit best geloven, maar begrijpt nog steeds niet waarom de regering geen percentage wil noemen en dat, weliswaar onder de 50%, wil overlaten aan een zelfstandig bestuursorgaan zoals het commissariaat. Is de politieke lading van zo'n vaststelling daarvoor niet te groot?

Het vijfde punt betreft het haatzaaien, dat ook meerdere malen is genoemd. Het wetsvoorstel introduceert een soort principe van "two strikes, you're out". Indien een zendgemachtigde twee keer onherroepelijk is veroordeeld wegens haatzaaien, wordt deze definitief uit de lucht gehaald. Het commissariaat speelt daarbij een mechanische rol, want de Grondwet verbiedt een andere rol.

Christendemocraten zullen nooit voorstander zijn van een radicaal opgevatte uitingsvrijheid, zoals die soms luidruchtig wordt uitgevent op internet of vanuit sectoren van de zogeheten "nieuwe politiek". Iedere ware vrijheid is altijd ook een verantwoordelijke vrijheid, waaraan de Grondwet en de formele wetgever vanouds grenzen stellen die worden bewaakt door de onafhankelijke rechter. De vraag die ons bij dit voorstel bekruipt, is dan ook niet de vraag of haatzaaien geweerd mag worden, maar of dat in dit wetsvoorstel niet wat te ruig gebeurt. Wat is bijvoorbeeld de positie als de veroordeelde rechtspersoon zich wendt tot Straatsburg? Deze plaatsnaam viel hier recentelijk vaak. Blijft de erkenning gedurende al die jaren bestaan?

In dit wetsvoorstel is het verder zo dat de context waarbinnen het delict plaatsvond geen rol speelt. Dat is jammer, want zo wordt er geabstraheerd van de concrete gevallen. Zijn er bijvoorbeeld intern maatregelen genomen tegen de betrokken presentatoren en journalisten door de omroep? Is het bestuur opgestapt? Is er spijt betuigd? Ging het om een enkel programma enzovoorts? Is daarom de sanctie van het algehele uitzendverbod in alle media, inclusief het ontslag van alle personeel onder omstandigheden, niet te ongepolijst?

Wij hadden ons met sommige rechtsgeleerde auteurs goed kunnen voorstellen dat het de rechter zou zijn geweest die sancties toegesneden op de context waarbinnen een en ander plaatsvindt als bijkomende maatregel of sanctie, zou hebben kunnen voegen bij de straf. Dat kan soms een algeheel uitzendverbod zijn, maar minder drastische varianten blijven dan mogelijk.

Mijn zesde punt. Kan de regering ons zeggen of en, zo ja, hoe na het recente Tweede Kamerdebat, waarbij namens het CDA de heer Atsma het woord voerde, mede op basis van een initiatiefnota over de regionale omroep van onze geestverwanten aldaar, de regering ter zake vervolgstappen met betrekking tot de regionale en lokale omroepen overweegt? Dit uiteraard binnen het kader van de gescheiden verantwoordelijkheden voor de nationale, de regionale en de lokale omroepen.

Mijn zevende punt is wat dramatisch. De CDA-fractie stelt vast dat de regering op vragen van haar kant antwoordt dat collectief ontslag van de leden van de raad van toezicht van de NOS mogelijk is. Wel meent de regering dat in dat geval ernstige nalatigheid of grove fouten aan ieder lid van de raad afzonderlijk moeten zijn toe te rekenen. Ontslag of schorsing wordt aldus begrepen een sanctie op ernstige fouten of nalatigheden van iedere geschorste of ontslagen bestuurder afzonderlijk. Dat zal dan overigens ook in de verschillende eventuele rechtsgedingen moeten worden bewezen. Ware het niet zinvoller om de mogelijkheid open te houden dat in geval de raad van toezicht als orgaan faalde eventueel het gehele college ontslagen kan worden, dus ook degene die het falen niet persoonlijk valt aan te rekenen? Zo wordt dan de weg vrij gemaakt voor een geheel nieuw bestuur. Graag vernemen wij het antwoord van de regering op deze kwestie.

Mijn achtste punt. Aandacht voor de Nederlandse identiteit zoals de regering in het wetsvoorstel aanvankelijk had opgenomen, is daaruit weggevallen tijdens de behandeling in de Tweede Kamer. Nu is een van de kenmerken van die Nederlandse identiteit dat wij het niet eens zijn over die identiteit. Dat was al zo in de 19de eeuw en dat blijkt nog steeds het geval in eindeloze polemieken over dit onderwerp. De CDA-fractie wil die polemiek dan ook hier niet voeren. Het moge duidelijk zijn dat de christendemocratie en haar erflaters met sleutelbeginselen als soevereiniteit in eigen kring, subsidiariteit en gespreide verantwoordelijkheid, historisch sterk, ook in de mediapolitiek, opkomen voor zelfbepaling en zelforganisatie van de maatschappelijke kringen en voor de erkenning van de levensbeschouwelijke en culturele diversiteit van ons vaderland. Maar dat betekent niet dat voor ons de Nederlandse identiteit een leeg begrip is. Taal, monumentaal erfgoed, vaderlandse geschiedenis, specifieke kunstvormen, de Grondwet en de Nederlandse Staat zelf als in de geschiedenis ontworsteld cultuurgoed, vormen van die identiteit onomstreden elementen. Wij zouden toch menen dat aandacht daarvoor, aandacht dus voor deze samenbindende, de samenleving schragende grootste gemene deler in ieder geval deel uitmaakt van de publieke mediaopdracht. Gaat de regering daar ook op sturen met het instrumentarium dat deze wet biedt? En zo ja, op welke wijze?

Punt 9. Een opmerkelijke passage in de memorie van antwoord is die waar de regering vaststelt dat de afwijzing van een aanvraag voor erkenning van een omroepvereniging materieel kan worden gedragen door het advies van de Raad voor Cultuur. Hoe moet de CDA-fractie zich dat voorstellen? Betekent dit dat een vereniging die voorlopige erkenning vraagt en die voldoet aan de getalsmatige financiële en andere organisatorische voorwaarden en representatief is voor een stroming uit de samenleving, vanwege het enkele feit dat haar programmatische voornemens niet vernieuwend worden geacht of anderszins de culturele toets niet doorstaan, kan worden geweerd?

Mijn tiende punt. De regering blijft vasthouden aan het beginsel dat een boven de Europese eis uitgaande uitbestedingsverplichting voor de publieke omroepen alleszins gewettigd blijft. Bij de Erkenningswet wordt duidelijker hoe veel. Het is kennelijk zo dat het oude Calimeromotief van "let op de kleintjes want zij zijn zielig" wordt vervangen door een ander motief. Nu wordt gewezen op het belang van deze sector – van Endemol en andere – voor onze economie en het feit dat deze opstelling een prikkel vormt voor de efficiëntie en het benutten – ik citeer – van de creativiteit van buiten de eigen organisatie. Houdt dit standpunt in dat de regering meent dat ook buiten de mediaopdracht gelegen nationaal-economische doelen een rechtvaardiging kunnen bieden voor een inperking van de programmatische autonomie van de publieke omroep? En kan de regering daarnaast haar prikkeltheorie nader toelichten?

Mijn voorlaatste punt. De CDA-fractie is het eens met de opvatting van de regering anders dan de WRR in "Focus op functies", dat amusement en sport onmisbare ingrediënten kunnen zijn in de programma's van de publieke omroep. Bij afwezigheid daarvan wordt dat al gauw een nicheomroep. De regering lijkt zich te baseren op de opvatting dat anders onvoldoende bereik kan worden gevonden voor de publieke opdracht. Maar er klinkt ook een ander motief in door, waarop de heer Slager indirect ook wees, namelijk dat amuserende programma's zich op relevante aspecten onderscheiden van die welke buiten de publieke omroep worden verzorgd. Wij stellen hier een nadere uiteenzetting op hoge prijs want het verwijt dat dikwijls wordt gehoord dat in dit opzicht publieke en andere omroepen in elkaar overvloeien, is te ernstig en wordt te vaak gehoord om onweersproken te blijven.

De heer Slager (SP):

Ik had even willen vragen of u daarmee zegt dat u vindt dat vermaak tot de primaire taken van de publieke omroep behoort. Daarover heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid het namelijk.

De heer Dölle (CDA):

De CDA-fractie is het eens met de opvatting van de regering dat ook amuserende programma's tot de kerntaken behoren. Doe je dat niet, dan loopt de publieke omroep, net als in Amerika, de kans om een marginaal verschijnsel, een randverschijnsel te worden. Die vrees delen wij. Het mag echter niet te gek worden. De regering is van mening dat dit programma's moeten zijn die zich onderscheiden van die van de commerciële zenders.

Mijn laatste punt komt nog terug bij de Erkenningswet. De minister kan erkenning weigeren van een omroepvereniging en een verleende erkenning niet verlengen indien hem blijkt dat de identiteit en de missie van de aanvragende instelling onvoldoende tot uitdrukking komen in haar programmatische plannen. Ik verwijs naar artikel 2.32. Vertegenwoordig je, zo lijkt de minister te zeggen, wel wie en wat je zegt, te representeren? Dat wordt dan de kernvraag. Als de minister een negatief oordeel daarover heeft ontwikkeld, kan dat oordeel de besturen en andere organen uit de verenigingsdemocratie – van de VARA, de KRO, BNN en andere clubs – overrulen? Zo ja, in welke gevallen naar het oordeel van de regering?

De heer Thissen (GroenLinks):

Ik was even benieuwd of ik het juiste mapje bij mij had, want ik moet ook nog de Inburgeringswet doen, maar op dit tijdstip gaat het over de Mediawet. Hoewel ik denk dat ik ook wel de degens met deze minister zou kunnen kruisen over zijn opvattingen over integratie en inburgering. Maar goed, dat is een andere portefeuille, bovendien met een nieuwe minister, een nieuwe collega van deze minister. Ik verheug mij op het debat met hem later op deze dag.

Mevrouw de voorzitter. Voor ons ligt een nieuwe, een vernieuwde wet, eigenlijk een wijziging van de bestaande wet. Volgens mij is dit de kern van waar het in advies van de Raad van State over gaat, maar daarover zo meteen iets meer.

De fractie van GroenLinks, zeker in deze Kamer, heeft enorm veel behoefte, staat eigenlijk te trappelen van ongeduld, om met deze minister een heleboel onderwerpen te bespreken, samenhangende met cultuur en in het bijzonder de mediapolitiek. Zo zouden wij best graag een debat willen voeren over het WRR-rapport Focus op functies. Ik zou best een debat willen voeren met de minister over zijn brief over het persbeleid, over de toekomst van de geschreven media en ook, en vooral, want die is zeker van belang, over de toekomst van de publieke omroep en wellicht ook een keer over het anachronisme van de zuilaire indeling van de publieke omroep. Wij willen ook wel een debat over de financiering van de omroep, de functie en de positie van de publieke netten, tv en radio, de mogelijkheid, een hartgrondige wens van GroenLinks, van reclamevrije netten, de rol van reclame in de wereld van de media, het onderscheid tussen de publieke en de commerciële omroep, de kwaliteit en de kijkcijfers en de invloed van de kijkcijfers op nuttige en kwalitatief hoogwaardige programma's en de verschraling die daar mogelijkerwijs het gevolg van is, de invloed van de Haagse politiek dan wel de overheid op de media en de inhoud ervan. Maar ook over kleinere puntjes zoals de vraag of het nu werkelijk aan de publieke omroep is om vele tientallen miljoenen op tafel te leggen om het voetbalspelletje op zondagavond uit te zenden, daar waar men datzelfde bedrag ook kan benutten aan het laten zien van hoogwaardige documentaires die door vrije programmamakers worden gemaakt. Het functioneren van de programmaraden is ook zo'n discussieonderwerp dat met name de lokale en de regionale omroepen aangaat.

Maar goed, eigenlijk gaat het daar vandaag wel over, maar ook weer niet. Het is voor mijn fractie wel wenselijk om daarover verder met de minister van gedachten te wisselen. Dat is misschien mogelijk, zoals de minister zelf heeft aangekondigd, bij de behandeling van het voorstel voor de Erkenningswet dat hij inmiddels aan de Tweede Kamer heeft aangeboden. Wellicht is het mogelijk, maar dat is aan onszelf, om in onze commissie een beleidsdebat over cultuur en in het bijzonder over de media en de mediapolitiek te programmeren. Er is nu voor zijn departement, voor zijn portefeuille, een beleidsdebat geagendeerd over onderwijs. Het zou wellicht zeer wenselijk zijn om dit in het voorjaar ook met de minister te voeren over cultuur, inclusief de mediapolitiek.

Vandaar dat ik mij in eerste instantie namens de GroenLinksfractie had ingeschreven voor dit debat met twintig minuten in eerste termijn, maar ik kan u geruststellen, die twintig minuten zal ik niet nodig hebben. Wellicht dat ik vandaag later wat van die minuten extra zal kunnen benutten als het gaat over inburgering, maar daarover ga ik niet, maar de voorzitter.

De voorzitter:

De voorzitter zegt nu al nee.

De heer Thissen (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter, u bent tenminste helder. Ik zal dus korter zijn. Wij zijn het eens met het commentaar of het advies van de Raad van State. Wij vinden het wat mager zoals de minister namens het kabinet dit advies heeft gepareerd. Dit geldt zowel voor de opmerkingen die de Raad van State heeft gemaakt over de opportuniteit als voor de vorm van dit wetsvoorstel: een geheel nieuwe Mediawet, terwijl het eigenlijk enkele kleinere aanpassingen betreft. Bovendien, zo zei de heer Slager ook al, is het eigenlijk een wet die wellicht een korte levensduur zal hebben, omdat wij in de komende jaren wellicht wat fundamentelere aanpassingen zullen moeten doorvoeren als wij die inhoudelijke discussie hebben gevoerd. Wat is daarop de visie van de minister?

Wij gaan akkoord met de wijzigingen die de minister heeft voorgesteld, zij het dat wij ons enige zorgen maken over de invloed die de Haagse overheid of de politiek moet hebben op de omroepen. Dit is zo'n fundamenteel discussiepunt met de minister. Dit geldt ook voor het verbod op de alcoholreclame. Er zijn meerdere reclame-uitingen te bedenken die schadelijk zijn voor bepaalde groepen mensen, dan wel voor kinderen, terwijl wij daarvan gedurende de hele dag worden vergeven. De minister zegt bovendien dat RTL een Luxemburgse zendgemachtigde is die zich vrijwillig aan dit verbod heeft verbonden. In hoeverre is die vrijwilligheid houdbaar? Wat voor acties kan de minister inzetten wanneer RTL – ook daarvoor is het hemd nader dan de rok – door teruglopende inkomsten een markt voor zich ziet die het bedrijf alleen overdag en aan het begin van de avond kan bespelen, waardoor het toch weer ruim de alcoholreclames gaat uitzenden of mogelijk maken op de tijdstippen die voor andere, Nederlandse, zendgemachtigden niet gelden?

Wij zijn heel blij met de verhoging van de rijksbijdragen aan de omroepen. In dat kader: past het dat de NOS tientallen miljoenen euro's aan voetbal besteedt, althans aan de uitzendrechten, om zo dat bord bami op zondagavond 19.00 uur voor de meeste gezinnen weer mogelijk te maken? Hoewel dat niet meer het aantal gezinnen is uit de tijd toen het nog door de natuur gegeven was dat de NOS dit uitzond. Wij zijn het ook heel sterk eens met de maximering van de reservevorming bij de omroep, hoewel wij ons kunnen voorstellen dat er een ontsnappingsclausule mogelijk is wanneer men spaart om nuttige programma's te kunnen blijven uitzenden, misschien vooral de documentaires van die onafhankelijke programmamakers.

De vraag over haatzaaiende zenders, of dat ene programma, en de disproportionaliteit van de maatregelen is al gesteld door de heer Asscher, de heer Dölle en de heer Slager. Daarbij sluit ik mij aan.

Daarbij kunnen wij het laten. Wij zullen dit voorstel steunen. Wij zien uit naar een wat groter en inhoudelijker debat in een van de komende maanden.

De heer De Boer (ChristenUnie):

Voorzitter. Deze bijdrage lever ik mede namens de SGP-fractie. Onze fracties danken de minister voor de uitvoerige beantwoording van de door ons gestelde vragen. In het algemeen gesproken is het goed dat als gevolg van de zich snel ontwikkelende digitale mogelijkheden de spelregels voor de omroepen, zowel de publieke als de commerciële, daarop worden aangepast. En gezien de snelle ontwikkelingen zal verdere aanpassing op termijn ook niet moeten worden uitgesloten. Wij willen reeds nu zeggen dat onze fracties deze nieuwe Mediawet zullen steunen, inclusief, en zeer zeker ook in verband met, de stevige positie die de publieke omroepen blijven innemen.

Onze fracties willen toch nog enkele punten aansnijden en de minister vragen daarop nader in te gaan. Dat betreft allereerst de prestatieovereenkomst. De minister geeft aan dat hij absoluut niet van plan is te treden in de verantwoordelijkheden van de publieke omroepen. Die zijn en blijven binnen afgesproken spelregels verantwoordelijk en onafhankelijk. Wij geloven de minister op dit punt voor honderd procent. De vraag is echter of dit verantwoordingsinstrument de mogelijkheid in zich bergt om vanuit de overheid invloed op de publieke omroepen uit te oefenen. In dat verband is het interessant te lezen wat de minister op pagina 14 van zijn brief van 10 november 2008, ten behoeve van de behandeling van de onderwijsbegroting, zegt over culturele programmering. De minister schrijft dat hij de concrete samenwerking tussen culturele instellingen en de omroep van harte aanmoedigt en dat hij, en daarom gaat het nu, het Commissariaat voor de Media heeft gevraagd om te bekijken hoe praktische knelpunten in de samenwerking, die het gevolg zijn van regels over de onafhankelijkheid van de omroep, kunnen worden weggenomen. Dat bedoelen wij nu: een prima idee van samenwerking met slechts praktische problemen. Bekijk dan de onafhankelijkheid van de omroep. Als een prestatieovereenkomst dit mogelijk maakt, dan kan dat ook op andere, wellicht inhoudelijke terreinen. Of lezen wij verkeerd? Wij horen graag een klip en klaar antwoord van de minister.

Wij willen ook graag en nader antwoord op onze vraag in het kader van de must carryverplichting wat het begrip "significant" inhoudt. Anderen hebben hierover ook gesproken. De minister stelt dat dit wordt bepaald door het Commissariaat voor de Media en dat "significant" in ieder geval de situatie is waarbij 50% van de aangesloten huishoudens op een netwerk analoog dan wel digitaal ontvangt. Niet uitgesloten is, stelt de minister, dat het Commissariaat een lager percentage dan 50 in bepaalde situaties significant vindt. Naar de mening van onze fracties is dat toch onbevredigend. Dat zou betekenen dat in het ene geval pakweg 25%, dan weer, zeg maar, 40% en dan weer 50% de kwalificatie "significant" krijgt. Onze vraag is dan ook welke objectieve criteria het Commissariaat volgens de minister moet gebruiken om de vraag naar significantie objectief te beantwoorden. In dit verband hebben onze fracties ook gevraagd waarom de must carry alleen voor de kabelbedrijven geldt. De minister antwoordt dat uitbreiding van de verplichte doorgifte naar alle netwerken niet nodig is. Waarom dan niet? Wil hij dat nader motiveren?

Als gevolg van de discussie op 24 november jongstleden in de Tweede Kamer, tijdens het wetgevingsoverleg over de onderwijsbegroting, is de discussie over haatzaaiende sites weer onderwerp van gesprek geweest. In de memorie van antwoord bij het onderhavige wetsvoorstel zegt de minister in dit verband dat digitale verspreiding van haatzaaiende programma's op grond van artikel 6.10 van dit wetsvoorstel kan worden aangepakt, maar verspreiding via websites niet. In het licht van de zich razendsnel ontwikkelende mogelijkheden en gebruik van het web, heeft dat wat onbevredigends. Is de minister van mening dat programma's die haat zaaien en die via websites worden verspreid, wel op andere wijze grondig kunnen worden aangepakt? Moet in een volgende mediawet de aanpak ervan eigenlijk ook niet worden geregeld? Hoe denkt de minister hierover?

Op 24 november jongstleden voerde de minister dus een wetgevingsoverleg met de Tweede Kamer. Een boeiend, toch wel nieuw punt in dat overleg was de discussie die gevoerd werd naar aanleiding van de recente nota "Stemmen uit de regio, over de regionale publieke omroep". Tijdens dat overleg zegde de minister een overleg met de regionale omroepen toe. De minister wees er ook terecht op dat deze omroepen meer kijkers trekken dan was verwacht. Wij zijn daar overigens niet verbaasd over. Deze omroepen lukt het programma's uit te zenden die heel dicht bij de leefwereld van de mensen staan. Wij willen in dit verband aansluiten bij een vraag die wij al schriftelijk stelden, namelijk die over de positie van het Limburgs en het Nedersaksisch, waarover het Committee of Experts of the European Charter for Regional and Minority Languages recent rapporteerde. In de beantwoording van onze vraag noemde de minister terecht de verantwoordelijkheid van provincies voor deze talen, alsook voor het Fries. Het rapport van de Europese Commissie schrijft echter ook duidelijk, dat de nationale regering stimulerend en aansporend dient op te treden. Onze vraag is dan ook of de minister wil toezeggen bij het gesprek met de regionale omroepen stimulerend en aansporend te willen spreken over het gebruik van regionale erkende talen door deze omroepen.

Een laatste punt dat wij aan de orde willen stellen betreft het uitzenden op de televisie van alcoholreclame. De minister wil het tijdstip van 21.00 uur niet veranderen, ondanks het feit dat onder andere grote sportevenementen grotendeels na dat tijdstip uitgezonden worden, met de daarbij verbonden reclames. Wij betreuren dat. Naar onze overtuiging zijn er voldoende pedagogische overwegingen die een verder uitstel van het tijdstip rechtvaardigen. En dat heeft niets met betutteling te maken. De minister wil het tijdstip wel monitoren. Graag vernemen wij welke concretisering de minister zich daarbij voorstelt.

Mevrouw de voorzitter, onze fracties wachten de antwoorden van de minister met belangstelling af.

De heer Schouw (D66):

Voorzitter. Dit wetsvoorstel regelt een aantal moderniseringen: digitalisering, taakopdracht van de publieke omroep en onder andere een versoepeling van reclameregels van commerciële omroepen. Een moderne publieke omroep is een multimediaal bedrijf. De omroepen moeten maximaal gebruik kunnen maken van deze nieuwe technologie. Op die manier ontwikkelt de publieke omroep zich als een sterk merk met een geheel eigen identiteit. Een krachtig merk: net 1, net 2 en net 3.

Nu is natuurlijk de merkwaardige dubbelheid – sommigen spreken over het unieke karakter – in het Nederlandse omroepbestel dat zowel de netten áls sterk merk een plek bij de kijkers moeten zien te verwerven áls ook de omroepverenigingen. Die dubbelheid, die gespletenheid, blijft ook in dit voorstel bestaan. Vroeger noemden wij dit verzuiling. Vraag blijft toch wanneer die omroepverzuiling een beetje wordt opgeruimd zodat gekomen kan worden tot een BBC-achtig model. Wat dat betreft is dit debat ook wel interessant. De heer Dölle zei dat dit wetsvoorstel gaat over codificering in plaats van modernisering. Ik wil dan wel constateren dat bijna alle sprekers tot nu toe een oproep hebben gedaan om te komen tot modernisering. Mag ik daaruit wellicht concluderen dat de heer Dölle en zijn partij de blokkade vormen om te komen tot een verdere modernisering? Het zou wel eens zo kunnen zijn dat als deze minister zijn gang had mogen gaan – volgens mij heeft hij daar in het begin van zijn periode ook even over gedacht – er hier een heel ander voorstel had gelegen dan nu het geval is.

De heer Dölle (CDA):

Even voor de goede orde: ik sprak niet over modernisering maar over modificering. Van dat laatste is vrij weinig sprake omdat wij wachten op de Erkenningswet, de Europese richtlijn ter zake en nog een aantal ontwikkelingen. Het was gewoon een feitelijke constatering.

De heer Schouw (D66):

Het is fijn dat u nog even deze interruptie pleegt. Het belang van mijn inleiding is eigenlijk dat er een groot politiek draagvlak is om echt te komen tot een verandering van het huidige stelsel. Die zit er nu dus niet in.

Genoemde dubbelheid komt onder andere tot uitdrukking in de prestatieovereenkomst tussen de minister en de publieke omroep. Die overeenkomst zou geen dwangmiddel van de overheid zijn en is daarom "globaal". Het is geen overheidsboodschappenlijstje, maar, zo lezen we in de memorie van antwoord, de minister zet "na overleg" een handtekening onder zo'n document. Na overleg is toch heel wat anders dan in overleg? Waarom dit verschil en wat voor extra bevoegdheden geeft die kleine woordverandering aan de minister? Kan hij in beginsel een voorgedragen prestatieovereenkomst weigeren te tekenen en zo ja, op welke gronden? Heeft hij het laatste woord? En hoe sluit dit aan bij de programmatische autonomie, zoals in de artikelen 2.1 en 2.88 van deze wet is vastgelegd? Graag een reactie.

Het blijft natuurlijk toch bijzonder, wanneer je er van een afstandje naar kijkt, dat de belastingbetaler wel flink betaalt voor iets wat hij krijgt voorgeschoteld, maar waarover diezelfde betaler weinig of niets te zeggen heeft. Dan gaat het natuurlijk niet om de inhoud, zo zeg ik de heer Slager na, maar om de vorm. Wie wel wat te zeggen hebben, zijn de leden van omroepverenigingen. Hun stem verbonden met het lidmaatschap is veel meer waard dan het lidmaatschapsgeld doet vermoeden. Dat geld wordt misschien wel vertienvoudigd door de bijdrage die wij vanuit het belastingheffingssysteem geven aan de omroepen. Ik zie de heer Slager nu bij de interruptiemicrofoon staan. Dat verlevendigt het debat. Daar ben ik wel blij mee. Ik vond het al een beetje saai worden.

De heer Slager (SP):

Bent u lid van een omroepvereniging?

De heer Schouw (D66):

Nee.

De heer Slager (SP):

Ai, zie je wel. Bent u ooit wel eens uitgenodigd om mee te praten over het programmabeleid van die omroep?

De heer Schouw (D66):

Ik heb laatst een heel gepassioneerd gesprek met iemand gehad over hoe dat gaat. Het zijn net politieke partijen.

De voorzitter:

Wilt u uw vraag stellen, mijnheer Slager?

De heer Slager (SP):

Waar de heer Schouw zegt dat de leden van de omroepverenigingen hartstikke veel invloed hebben, is dat volgens mij bezijden de werkelijkheid.

De heer Schouw (D66):

Ik ga natuurlijk niet over uitnodigingen voor dat soort bijeenkomsten, maar u zou er toch eens moeten gaan kijken. Bij bepaalde omroepverenigingen wordt toch heel serieus rekening gehouden met wat de leden willen zien. Dat heeft te maken met identiteit. Ik zou zeggen: proef het verhaal van de heer Dölle nog even. En laat u zich eens uitnodigen. Ik spreek er trouwens geen kwaad woord over, want ik denk dat het heel erg goed is. Ik wil slechts aantonen dat er toch een soort dubbelheid in zit. Zonder hier zelf een panklaar ander systeem te willen presenteren blijft het vreemd en onlogisch. Het valt vooral slechts te verklaren uit de geschiedenis van ons omroepbestel. Het zou van meer ambitie en lef getuigen als wij met elkaar open konden discussiëren over een BBC-achtig model: twee zenders, geen reclame en focus op kwaliteit. Dan doen wij weer eens wat met elkaar. Overigens hebben wij zo'n zelfde type debat vier jaar geleden in deze Kamer gevoerd. Ik heb dat debat toen ook mogen voeren. Ik mag constateren dat er de afgelopen jaren wel veel ten goede is gekeerd. De samenwerking tussen omroepen is fors toegenomen. De identiteit van de netten waar toen iedereen nog grote twijfels over had, is heel duidelijk zichtbaar. Er is ook een sterk gevoel voor kwaliteit en kwaliteitsprogramma's ten opzichte van een aantal jaren geleden. Dus zowel programmatisch als qua bedrijfsvoering zijn er uitstekende stappen in de goede richting gezet met herkenbare netten voor de publieke omroep.

In de schriftelijke voorbereiding is veel aandacht gegeven aan de Europese aspecten. In de kern komt het erop neer of de herziening van de omroepmededeling een aantal publieke vormen van "omroepdienstverlening" zal gaan verbieden. Want wat is publiek en wat is commercieel? En hoe voorkom je kruissubsidiëring? De beantwoording van de minister lijkt geruststellend, maar zekerheid kan óók hij niet geven. Mijn fractie en die van de OSF vragen zich af of het niet verstandig zou zijn dat de minister zelf een soort preventieve markttoets uitvoert bij de omroepen en het nieuwe productaanbod. Graag een reactie.

De Grondwet verbiedt voorafgaand toezicht op de inhoud van radio of televisie-uitzendingen. En dat is maar goed ook. Geen censuur vooraf door politici. Wat wel opvalt, is dat dezelfde politici vaak voor of na zo'n uitzending, en dan ook nog vooral via het instrument van het hoogste woord, daarover een opvatting hebben. Zij verafschuwen vaak iets, geven aan dat iets niet door de beugel kan of maken duidelijk dat volgens hun normen de regels van fatsoen met voeten worden getreden. In goed Nederlands heet dat volgens mij "Atsmatisering", maar helemaal precies weet ik dat niet. Al die incidentenpolitiek is vooral ketelmuziek, want de wet beperkt het ingrijpen van de minister. Ik noem bijvoorbeeld het punt "haat zaaien", dat net ook al een aantal keren is genoemd. De minister grijpt pas in na strafrechtelijke veroordeling en dat is verstandig. In dit verband vraag ik mij af of het niet ex post mogelijk is om een omroepseizoen systematisch tegen het licht te houden. Dan moet men zich afvragen wat er inhoudelijk terechtgekomen is van voornemens als culturele activiteit, het verbod op haat zaaien of de 50%-eis om een televisieprogrammakanaal te vullen met oorspronkelijke Nederlands- of Friestalige producties. Zo'n ex-postrapport zou – met inbegrip van het rapport van de nieuw aangestelde NOS-ombudsman – in het parlement met enige voorzichtigheid besproken kunnen worden en als input kunnen dienen voor het gesprek tussen de minister en de publieke omroep. Het is niet de bedoeling om op inhoud te sturen, maar wel om als parlement achteraf een opvatting te hebben over het soort programma's.

Ik heb nog twee punten. Ik ontkom er niet aan om iets te zeggen over de topinkomens. Als de publieke omroep echt van en voor het publiek wil zijn, is het aanbrengen van financiële plafonds noodzakelijk. Dat heeft met de publieke legitimatie te maken. Het is niet uit te leggen waarom zoveel wordt verdiend door de bestuurders in die semipublieke sector; alle hulde dus voor deze minister, die dit aan banden legt. Het is goed dat het kabinet hier in de breedte aan werkt. Begrijp ik het goed dat de minister in de memorie van antwoord stelt dat bestuurders nooit meer mogen verdienen dan de verhoogde premiernorm en dat hij voor artiesten en presentatoren die daarbovenuit komen, per geval zijn goed- of afkeuring laten blijken? Ik zie de minister "nee" schudden, maar ik hoor dat straks graag preciezer.

Tot slot kom ik op de visitatie en de evaluatie. De concessiewet verplicht tot een vijfjaarlijkse evaluatie. Daarbij vallen twee bijzondere dingen op. Ten eerste is vijf jaar een rijkelijk lange periode. Dat maak je niet zo heel vaak mee. Ten tweede is de opdrachtgever van die visitatie de raad van toezicht van de publieke omroep: de slager die zijn eigen vlees keurt. Ook dat maak je niet vaak mee. De redenering waarom niet de minister, in overleg met het parlement, opdrachtgever is, overtuigt ons vooralsnog niet. Het argument dat dit ook niet in het hoger onderwijs gebruikelijk is, lijkt weinig valide. Daar heeft de inspectie namelijk ook een rol en zijn voortdurend allerlei evaluaties. Dat het vorige rapport met de conclusie "minder dan de som der delen" stevig was, garandeert nog niet dat het volgende rapport in het voorjaar van 2009 dat ook is. Kortom, is het niet veel logischer en verstandiger als zo'n evaluatieopzet en evaluatievragen na overleg met de minister worden opgesteld? Dat doet recht aan degene die het meest aan de publieke omroep betaalt, want dat is, namens het parlement, de minister. Wij zien de beantwoording met genoegen tegemoet.

Mevrouw Tan (PvdA):

Voorzitter. Het is de hoogste tijd dat de diensten op het gebied van de nieuwe media bij de publieke omroep inderdaad wettelijke regulering krijgen. In het voorlopig verslag heeft de PvdA-fractie reeds kenbaar gemaakt met instemming kennis te hebben genomen van dit wetsvoorstel, ondanks het kritische advies van de Raad van State. De PvdA heeft, ook na de memorie van antwoord, nog wel enkele vragen. Wij proberen ons te beperken tot dit wetsvoorstel en niet vooruit te lopen op het voorstel voor de Erkenningswet. Onze vragen betreffen vier onderwerpen: de prestatieovereenkomst, de Europese aspecten, het verbod op haat zaaien en mediawijsheid.

Verschillende leden hebben al gesproken over de prestatieovereenkomst en er vragen over gesteld. Ik meen dat de invalshoek van de PvdA net een slagje anders is dan die van andere sprekers, bijvoorbeeld de heer De Boer van de ChristenUniefractie. Het gaat ons inderdaad om de spanning die kan optreden tussen de prestatieovereenkomst en de vrijheid van meningsuiting, zoals vastgelegd in de Grondwet en het EVRM. Wij hebben met andere fracties hierover vragen gesteld in het voorlopig verslag. De minister erkent in de memorie van antwoord dat tussen de onafhankelijkheid van de publieke omroep en de verantwoordingsplicht aan de overheid en de belastingbetaler spanning kan optreden. Hij betoogt echter ook in de memorie van antwoord dat deze hanteerbaar is "doordat de prestatieafspraken slechts globaal de variatie van het publieke aanbod beschrijven en niet de vorm en inhoud van programma's". Vervolgens stelt de minister, dat de prestatieovereenkomst "immers geen instrument is van de overheid om programmatische keuzes af te dwingen, maar een instrument van de publieke omroep om concrete ambities te formuleren en daarover publieke verantwoording af te leggen".

Kunnen de woorden "doordat" in het eerste en "immers" in het tweede citaat vervangen worden door "indien" en "voor zover"? Bovendien is dit kennelijk een beschrijving van de ontwikkelde praktijk tot dusver. Het is interessant dat de voorzitter van de raad van bestuur van de publieke omroep, de heer Hagoort, naar wettelijke waarborgen vraagt in zijn brief van 28 oktober 2008 aan de Eerste Kamercommissie voor OCW. Het is zijn verwachting dat de huidige regering gepaste rekening zal blijven houden met de onafhankelijkheid van de publieke omroep, maar welke garanties zijn er zonder wettelijke waarborgen, dat in de toekomst voor kabinetten van andere signatuur de verleiding niet te groot zou kunnen worden om via prestatieovereenkomsten juist wel tot nadrukkelijker bemoeienis met de programma-inhoud te komen? Zou codificatie van de best practices in de tot nu toe ontwikkelde werkwijzen met de prestatiecontracten die garantie kunnen bieden? Wat is het standpunt van de minister hierover? Kunnen de beide citaten mogelijk fungeren als eerste aanzetten voor wettelijk gewaarborgde criteria? De huidige praktijk zou dan bouwstenen kunnen leveren, bijvoorbeeld:

1. Prestatieafspraken dienen slechts globaal de variatie van het publieke aanbod te beschrijven en niet de vorm en inhoud van programma's, zoals in het eerste citaat.

2. De prestatieovereenkomst is een instrument voor de publieke omroep om de ambities te concretiseren ten behoeve van de publieke verantwoording en dient niet te fungeren als instrument voor de overheid om programmatische keuzes af te dwingen.

3. Het voortouw bij op te stellen prestatiecontracten ligt bij de publieke omroep.

4. De overeenkomst is niet in rechte afdwingbaar. Een stelsel van te hanteren sancties bij niet nakomen zal in overleg nader ontwikkeld worden, waarbij terughoudendheid met financiële sancties uitgangspunt is.

Graag een reactie van de minister op deze gedachte.

Nu de Europese aspecten. Bij brief van 10 oktober 2008 heeft de minister de Tweede Kamer ingelicht over het door negentien lidstaten onderschreven gemeenschappelijk standpunt over de herziening van de Omroepmededeling, zoals die op 24 september 2008 aan Commissaris Kroes is verstuurd. In de memorie van antwoord deelt de minister ons mee minder tevreden te zijn over de voorgestelde goedkeuringsprocedure, waarbij een onafhankelijke toets naar markteffecten van nieuwe diensten verplicht wordt gesteld. Het betreft twee ex-antetoetsen: een zogenoemde "public value"-test en een test naar de gevolgen van de nieuwe dienst voor de markt. Dit wordt ook door de publieke omroep gekwalificeerd als te verplichtend en gedetailleerd.

Op onze vraag naar de inschatting van de slaagkansen antwoordt de minister in de memorie van antwoord van drie weken terug, mogelijkheden te zien om tot een bevredigende oplossing te komen. Geldt die optimistische inschatting nog onverkort?

Geen expliciet antwoord kregen wij op onze vraag naar een zogenaamd worstcasescenario. Na een toelichting dat vanwege de bijzondere positie van de publieke omroep in het Protocol van Amsterdam van 1999 gekozen is voor de sectorspecifieke insteek, noemt de minister het protocol over diensten van algemeen belang dat op 13 december vorig jaar in Lissabon tot stand kwam. Onduidelijk blijft of ook langs deze bredere insteek, naast de sector specifieke, de beoogde resultaten te behalen zijn. Kan de minister daar meer duidelijkheid over verschaffen? Overweegt hij om naast die sectorspecifieke benadering breder in te steken in de samenwerking met collega's in het kabinet die ook te maken hebben met publieke dienstverlening?

Op de vraag naar het toekomstperspectief van de publieke omroep indien onverhoopt de nieuwe diensten uiteindelijk toch dergelijke markttoetsen opgelegd krijgen, antwoordt de regering de oorspronkelijke uitgangspunten te willen handhaven. Deze betreffen het beschouwen van oude en nieuwe mediadiensten als één geheel, met ruimte voor experimenteren, en het voorkomen dat het publieke aanbod een afgeleide wordt van hetgeen commerciële media al dan niet bieden. Maar is nu juist niet het bezwaar van de markttoets dat deze moeilijk verenigbaar is met de genoemde uitgangspunten? Kortom, wat zijn de plannen van de minister als het position paper niet, of niet geheel, het gewenste effect heeft en in het bijzonder als de publieke omroep, net als in Duitsland, een markttoets opgelegd krijgt voor nieuwe diensten op het gebied van nieuwe media?

Ik kom bij het verbod op haat zaaien. Kan de minister zich indenken dat er zich onverhoopt situaties kunnen voordoen waarin sprake is van dermate opruiende uitzendingen dat onmiddellijk ingrijpen geboden is en waarbij de lange procedures via het strafrecht en het Commissariaat voor de Media tot een maatschappelijk ontoelaatbare situatie kunnen leiden? Wat zijn in dergelijke gevallen de mogelijkheden tot onmiddellijk ingrijpen? In de memorie van antwoord geeft de regering aan welke alternatieven, zoals de schorsingsmogelijkheid van erkenning of aanwijzing, de revue hebben gepasseerd bij het verbod tot haat zaaien. De uiteindelijke keuze was dus het tijdelijk verbod aan publieke en commerciële omroepen na onherroepelijke veroordeling krachtens artikel 137d Wetboek van Strafrecht. Wij weten allemaal dat dit lang kan duren. Welke analogie kan bestaan met de mogelijkheden van de overheid om in noodgevallen op te treden in het belang van de openbare orde, als het betreft het onmiddellijk halt toeroepen aan opruiende uitzendingen? Welke instantie is bevoegd en eindverantwoordelijk voor ingrijpen tegen uitingen bij landelijke, regionale en lokale omroepen? Welke criteria gelden voor ingrijpen vooraf, tijdens of na afloop van reeds bekende of nog onbekende uitingen?

Mijn laatste onderwerp is Mediawijsheid. In de brief van 18 april 2008 over het media-expertisecentrum heeft de regering als beleidsdoel aangegeven dat burgers tot een veilig mediagebruik komen en meewerken aan een veilig media-aanbod via onder andere een klachtensysteem. Op onze vragen naar de publieke traceerbaarheid van degenen die direct aanspreekbaar zijn op de inhoud van programma's, verwijst de memorie van antwoord naar een logo op het tv-scherm, met een daaraan gekoppelde internetsite. Vervolgens wordt verwezen naar hetgeen via het Commissariaat voor de Media is te achterhalen, en naar toekomstige verplichtingen voor aanbieders om hun contactgegevens publiek beschikbaar te maken, met inbegrip van de nationale regulerende of toezichthoudende instanties. Dat bedoelden wij niet helemaal, dus ik zal onze vraag klip-en-klaar stellen: waarom is het niet mogelijk om bij de uitzending van elk programma bij de aftiteling en op teletekst een colofon aan te treffen, zoals dat bij schrijvende media gebruikelijk is, waardoor een burger desgewenst onmiddellijk de betreffende redacteur kan benaderen? Dit kan immers een belangrijke stimulans zijn voor het activeren van het publiek bij het stimuleren van de kwaliteit van het media-aanbod.

Wij zien met belangstelling de antwoorden van de minister tegemoet op de volgende gestelde vragen:

1. Hoe denkt de minister over wettelijke waarborgen bij het hanteren van de prestatieovereenkomst?

2. Wat is zijn worstcasescenario als het position paper onvoldoende effectief is en de publieke omroep bijvoorbeeld een markttoets wordt opgelegd voor nieuwe diensten op het gebied van nieuwe media?

3. Welke mogelijkheden zijn er om onmiddellijk te kunnen optreden tegen onverhoopt opruiende uitingen, indien nodig en gewenst?

4. Kunnen burgers meteen na de uitzending van programma's bij de aftiteling en op teletekst colofongegevens aantreffen van degene aan wie commentaar rechtstreeks te richten is?

De beraadslaging wordt geschorst.