Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Justitie en VeiligheidStaatsblad 2018, 496AMvB

Besluit van 6 december 2018 tot wijziging van het Besluit politiegegevens, het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens en het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten ter implementatie van Europese regelgeving over de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (Besluit implementatie richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie, van 6 juli 2018, nr.2309389, directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 4a, zesde lid, 6, zesde lid, 6c, tweede lid, 11, derde lid, 15a, tweede lid, 17a, vijfde en zevende lid, 18, eerste lid, 23, derde lid, van de Wet politiegegevens en de artikelen 7, zesde lid, 7d, tweede lid, 16a, tweede lid, 16b, vierde en zevende lid, 39ga, 40, derde lid, 42a, 51b en 51f van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 september 2018, nr. W16.18.0186/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming, mede namens Onze Minister van Defensie, van 3 december 2018, nr.2386316, directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit politiegegevens wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2:4, tweede lid, wordt «verantwoordelijke» vervangen door «verwerkingsverantwoordelijke».

B

In artikel 2:7, tweede lid, wordt «verantwoordelijke» vervangen door «verwerkingsverantwoordelijke».

C

In artikel 2:9 wordt «verantwoordelijke» vervangen door «verwerkingsverantwoordelijke».

D

In artikel 2:13, tweede lid, wordt «het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties» vervangen door «de Financiële inlichtingen eenheid» en wordt «artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van de wet» vervangen door «artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de wet».

E

Artikel 4:2 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid, onderdeel b, sub 2°, wordt «slachtoffer in beeld» vervangen door «Perspectief Herstelbemiddeling».

b. In het eerste lid, onderdelen f, k, en p, wordt «Onze Minister van Veiligheid en Justitie» vervangen door «Onze Minister van Justitie en Veiligheid».

c. Het eerste lid, onderdeel r, komt als volgt te luiden:

  • r. de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, ten behoeve van het uitvoeren van de taak, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB;

d. In het tweede lid wordt «verantwoordelijke» telkens vervangen door «verwerkingsverantwoordelijke».

F

Artikel 4:3 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt in onderdeel a «Onze Minister van Veiligheid en Justitie» vervangen door «Onze Minister van Justitie en Veiligheid en «het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties» vervangen door de «Financiële inlichtingen eenheid», en wordt in onderdeel c «het Ministerie van Veiligheid en Justitie» vervangen door «het Ministerie van Justitie en Veiligheid».

b. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c, en 13, eerste lid, van de wet, kunnen worden verstrekt aan de volgende personen en instanties, voor zover zij deze behoeven voor het nemen van de besluiten waarmee zij zijn belast op grond van de hiernavolgende wetten:

    • Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van:

      • a. het nemen van een beslissing op grond van de Wet wapens en munitie;

      • b. het nemen van een beslissing op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;

      • c. een onderzoek naar de betrouwbaarheid van een buitengewoon opsporingsambtenaar en het nemen van een beslissing hieromtrent op grond van de artikelen 17 en 35 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.

    • Onze Minister van Defensie, ten behoeve van:

      • a. het houden van toezicht op de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;

      • b. het houden van toezicht op de naleving van de Wet wapens en munitie;

      • c. het houden van toezicht op de naleving van de Wet explosieven voor civiel gebruik;

      • d. de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken.

    • de korpschef, ten behoeve van:

      • a. het nemen van beschikkingen omtrent het verlenen of intrekken van jachtakten op grond van de Wet natuurbescherming;

      • b. het nemen van een beslissing op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;

      • c. het nemen van beschikkingen omtrent het verlenen of intrekken van een erkenning op grond van de Wet explosieven voor civiel gebruik;

      • d. het nemen van een beslissing omtrent de Wet wapens en munitie;

      • e. de hem bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken.

    • de burgemeester, ten behoeve van het nemen van een beslissing omtrent:

      • a. de verlening, weigering of intrekking van een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet;

      • b. het nemen van een beslissing omtrent een vergunning op grond van de Wet op de kansspelen.

Fa

In artikel 4:4 wordt «Onze Minister van Veiligheid en Justitie» telkens vervangen door «Onze Minister van Justitie en Veiligheid».

G

Artikel 4:5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «verantwoordelijke» vervangen door «verwerkingsverantwoordelijke».

2. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de verwerkingsverantwoordelijke beslissen tot verstrekking van politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig artikel 9 of 10, eerste lid, onderdelen a en c van de wet, indien dit strikt noodzakelijk is voor het doel van de verstrekking, na overleg met een functionaris die is aangewezen op grond van artikel 2:10.

H

Artikel 4:6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «artikel 23, tweede lid» vervangen door «artikel 23, tweede en derde lid».

2. Na het opschrift wordt voor de tekst de aanduiding «1.» geplaatst.

3. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties» vervangen door «de Financiële inlichtingen eenheid».

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. De op grond van artikel 4:3, vijfde lid, te verstrekken politiegegevens aan de korpschef kunnen op grond van artikel 23, derde lid, van de wet rechtstreeks worden verstrekt.

I

Artikel 4:7 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «Onze Minister van Veiligheid en Justitie» vervangen door «Onze Minister van Justitie en Veiligheid».

b. In het vierde lid, wordt «verantwoordelijke» vervangen door «verwerkingsverantwoordelijke».

J

In artikel 4:8 wordt «verantwoordelijke» vervangen door «verwerkingsverantwoordelijke».

K

Het opschrift van paragraaf 5 komt te luiden:

Paragraaf 5. Ter beschikking stelling binnen Europese Unie en doorgiften aan derde landen (artikelen 15a en 17a)

L

Artikel 5:1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 5:1. Doorgiften aan derde landen (artikel 17a)

2. Het eerste lid vervalt onder vernummering van het tweede lid en derde lid tot het eerste lid en tweede lid.

3. In het eerste lid wordt «De gegevens worden verstrekt» vervangen door «Aan de bevoegde autoriteiten in een derde land of aan internationale organisaties kunnen politiegegevens worden doorgegeven», wordt «verantwoordelijke» vervangen door «verwerkingsverantwoordelijke», wordt «verstrekt» en «verstrekte» telkens vervangen door «doorgegeven» en vervalt «of de openbare lichamen».

4. In het tweede lid wordt «De verstrekking» telkens vervangen door «De doorgifte», wordt «in het buitenland» vervangen door «in het derde land of met de betrokken internationale organisatie», en wordt «Onze Minister van Veiligheid en Justitie» vervangen door «Onze Minister van Justitie en Veiligheid».

5. Het vierde lid vervalt onder vernummering van het vijfde lid en zesde lid tot het derde lid en vierde lid.

6. In het derde lid wordt «verstrekt» vervangen door «doorgegeven».

7. Het vierde lid komt te luiden:

Politiegegevens die worden verwerkt op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet worden niet doorgegeven. Doorgifte van gegevens die worden verwerkt op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel a of onderdeel c, van de wet vindt slechts plaats na instemming van de betrokken officier van justitie, respectievelijk de betrokken burgemeester.

8. Het zevende lid wordt vernummerd tot het vijfde lid, dat als volgt komt te luiden:

  • 5. De gegevens worden verstrekt onder de voorwaarde dat deze door de ontvangende autoriteit worden vernietigd zodra de doeleinden zijn verwezenlijkt. Indien dit uit de wet voortvloeit, kunnen bij de verstrekking termijnen worden gesteld, na afloop waarvan de verstrekte gegevens door de ontvangende autoriteit moeten worden vernietigd, behoudens wanneer verdere verwerking noodzakelijk is voor een lopend onderzoek, de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen.

9. Onder vernummering van het negende lid tot het zesde lid, wordt in het zesde lid «het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties» vervangen door «de Financiële inlichtingen eenheid», wordt « verstrekt» vervangen door «doorgegeven», wordt «de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of in een land binnen het Koninkrijk of in een ander land» vervangen door «derde landen» en wordt in de tweede volzin «derde lid» vervangen door «tweede lid».

M

Artikel 5:2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van artikel 5:2 wordt «buitenland» vervangen door «derde landen».

2. In het eerste lid wordt «verstrekking» vervangen door «doorgifte», wordt «ander land» vervangen door «derde land», wordt «internationaal orgaan» vervangen door «internationale organisatie» en wordt «verstrekt» vervangen door «doorgegeven».

3. In het tweede lid wordt «andere land» vervangen door «derde land» en wordt «verstrekkende» vervangen door «doorgevende».

4. In het derde lid wordt «ander land» vervangen door «derde land», wordt «verstrekkende instantie» vervangen door «doorgevende instantie» en wordt «verstrekte gegevens» vervangen door «doorgegeven gegevens».

N

Na artikel 5.2 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 5a. Doorzending aan en ontvangst van andere lidstaten

O

Artikel 5:3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 5:3 Doorzending politiegegevens aan andere lidstaten van de EU ten behoeve van strafrechtelijke handhaving rechtsorde (artikel 15a, tweede lid)

2. In het eerste lid wordt «politiegegevens verstrekt» vervangen door «politiegegevens doorgezonden».

3. In het tweede lid wordt «verstrekking» telkens vervangen door «doorzending» en wordt «verstrekt» vervangen door «doorgezonden».

4. In het derde lid wordt «verstrekt» telkens vervangen door «doorgezonden».

5. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. De gegevens worden doorgezonden onder de voorwaarde dat deze slechts kunnen worden verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn doorgezonden.

6. In het vijfde lid wordt «verstrekt» vervangen door «doorgezonden».

7. In het zesde lid wordt «verstrekking» vervangen door «doorzending» en wordt «verstrekte» vervangen door «doorgezonden».

8. In het zevende lid wordt «verstrekkende» vervangen door «doorzendende» en wordt «verstrekte» vervangen door «doorgezonden».

9. In het achtste lid wordt «derde, vierde en zevende lid» vervangen door «derde en vierde lid».

10. Na het achtste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 9. In de grensgebieden kan de doorzending in verband met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde of de handhaving van de openbare orde zonder tussenkomst van de landelijke eenheid, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012, plaatsvinden voor zover dit voortvloeit uit een verdrag waarbij ook België of Duitsland als verdragsluitende partij betrokken zijn of uit een besluit, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Op doorzending in de grensgebieden waarvoor geen tussenkomst van de landelijke eenheid, bedoeld in de vorige volzin, vereist is, is het tweede lid niet van toepassing.

P

Artikel 5:4 komt te luiden:

Artikel 5:4 Ontvangst politiegegevens binnen de EU ten behoeve van strafrechtelijke handhaving rechtsorde

Indien politiegegevens worden ontvangen van een andere lidstaat van de Europese Unie ten aanzien van de verwerking waarvan door de bevoegde autoriteit van de doorzendende lidstaat op grond van het nationale recht specifieke voorwaarden zijn gesteld en de ontvangende autoriteit daarvan in kennis is gesteld, ziet de ontvangende bevoegde autoriteit in Nederland toe op de naleving van die voorwaarden.

Q

Artikel 5:5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «verstrekking» vervangen door «doorzending» en wordt «artikel 17, zesde lid» vervangen door «artikel 15a, tweede lid».

2. In het eerste lid, wordt «Verstrekking van politiegegevens» vervangen door «Doorzending van politiegegevens».

3. In het derde lid worden «verstrekt» en «verstrekte» vervangen door «doorgezonden», en wordt «verstrekking» vervangen door «doorzending».

4. In het vierde lid wordt «verstrekking» vervangen door «doorzending», en wordt «het College bescherming persoonsgegevens» vervangen door «de Autoriteit persoonsgegevens».

5. In het vijfde lid wordt «derde» vervangen door «vierde».

6. Het zesde lid wordt geschrapt.

R

Artikel 5:6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Doorzending politiegegevens aan gemeenschappelijke teams binnen de EU (artikel 15a, tweede lid).

2. In het eerste lid en tweede lid wordt «verstrekt» telkens vervangen door «doorgezonden».

S

Artikel 5:7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «Verstrekking» vervangen door «Doorzending».

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De doorzending van politiegegevens aan Europol vindt plaats door tussenkomst van de landelijke eenheid, bedoeld in artikel 5:1, tweede lid.

3. In het tweede lid wordt «verstrekking van gegevens» vervangen door «doorzending van politiegegevens».

T

Artikel 5:8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «Verstrekking» vervangen door «Doorzending».

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De doorzending van politiegegevens aan Eurojust vindt plaats door tussenkomst van het nationale lid van Eurojust.

3. In het tweede lid worden «verstrekking» vervangen door «doorzending», en wordt «een persoon» vervangen door «personen».

4. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Politiegegevens worden doorgezonden aan het nationale lid van Eurojust, voor zover hij deze behoeft in verband met de uit een rechtsinstrument op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voortkomende doelstelling en taken van deze organisatie. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

U

De artikelen 5.9 en 5:10 vervallen.

V

Na artikel 6:1 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 6:1a: Beveiliging van politiegegevens (artikel 4a, zesde lid)

  • 1. De verwerkingsverantwoordelijke evalueert en actualiseert de maatregelen, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, onderdeel a, van de wet.

  • 2. Wanneer zulks in verhouding staat tot de verwerkingsactiviteiten omvatten de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, de uitvoering van een passend gegevensbeschermingsbeleid door de verwerkingsverantwoordelijke.

  • 3. De verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker treft, na beoordeling van de risico’s, maatregelen om:

    • a. te verhinderen dat onbevoegden toegang krijgen tot apparatuur voor de verwerking van persoonsgegevens;

    • b. te verhinderen dat onbevoegden gegevensdragers lezen, kopiëren, wijzigen of verwijderen;

    • c. te verhinderen dat onbevoegden gegevens invoeren of opgeslagen persoonsgegevens inzien, wijzigen of verwijderen;

    • d. te verhinderen dat onbevoegden systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking gebruiken met behulp van datatransmissieapparatuur;

    • e. ervoor te zorgen dat personen die geautoriseerd zijn om een systeem voor geautomatiseerde gegevensverwerking te gebruiken, uitsluitend toegang hebben tot de gegevens waarop hun autorisatie betrekking heeft;

    • f. ervoor te zorgen dat kan worden nagegaan en vastgesteld aan welke organen persoonsgegevens zijn of kunnen worden verstrekt of beschikbaar gesteld met behulp van datatransmissieapparatuur;

    • g. ervoor te zorgen dat later kan worden nagegaan en vastgesteld welke persoonsgegevens wanneer en door wie in een systeem voor geautomatiseerde gegevensverwerking zijn ingevoerd;

    • h. te verhinderen dat onbevoegden persoonsgegevens lezen, kopiëren, wijzigen of verwijderen tijdens de doorgifte van persoonsgegevens of het vervoer van gegevensdragers;

    • i. ervoor te zorgen dat de geïnstalleerde systemen in geval van storing opnieuw kunnen worden ingezet;

    • j. ervoor te zorgen dat de functies van het systeem werken, dat eventuele functionele storingen worden gesignaleerd en dat opgeslagen persoonsgegevens niet kunnen worden beschadigd door het verkeerd functioneren van het systeem.

Artikel 6:1b. Inhoud overeenkomst met verwerker (artikel 6c, tweede lid)

De inhoud van de overeenkomst of rechtshandeling, bedoeld in artikel 6c, tweede lid, van de wet bevat het onderwerp en de duur van de verwerking, de aard en het doel van de verwerking, het soort gegevens waarop de wet van toepassing is, de categorieën van betrokkenen en de verplichtingen en de rechten van de verwerkingsverantwoordelijke, en met name wordt daarin bepaald dat de verwerker:

  • a. uitsluitend volgens de instructies van de verwerkingsverantwoordelijke handelt;

  • b. er zorg voor draagt dat de tot het verwerken van politiegegevens gemachtigde personen zich ertoe hebben verplicht vertrouwelijkheid in acht te nemen of door een passende wettelijke verplichting daaraan gebonden zijn;

  • c. de verwerkingsverantwoordelijke met passende middelen bijstaat om naleving van de bepalingen betreffende de rechten van de betrokkene te verzekeren;

  • d. na afloop van de gegevensverwerkingsdiensten, naargelang de keuze van de verwerkingsverantwoordelijke, alle gegevens wist of hem deze ter beschikking stelt, en bestaande kopieën verwijdert, tenzij opslag van die gegevens verplicht is;

  • e. de verwerkingsverantwoordelijke alle informatie ter beschikking stelt die nodig is om nakoming van in dit artikel gestelde voorschriften aan te tonen;

  • f. aan de in dit artikel gestelde voorschriften voldoet bij de inschakeling van een andere verwerker en bij die inschakeling overeenkomstig artikel 6c, vierde lid, van de wet, handelt.

W

Artikel 6:2 wordt als volgt gewijzgid:

1. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde lid tot het tweede lid.

2. In het tweede lid wordt «eerste en tweede lid» vervangen door «eerste lid».

X

Artikel 6:3 vervalt.

Y

Het opschrift van artikel 6:4 komt te luiden:

Documentatieplicht (artikel 32, vijfde lid)

Z

In artikel 6:5, eerste lid, wordt «verantwoordelijke» vervangen door «verwerkingsverantwoordelijke».

AA

In artikel 6:6 wordt «het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties» telkens vervangen door «de Financiële inlichtingen eenheid».

AB

Artikel 6a:2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdelen a, b, c, e en f, wordt «verantwoordelijke» telkens vervangen door «verwerkingsverantwoordelijke».

2. In het eerste lid, onderdeel k, wordt «artikel 16, eerste lid, onderdeel c» vervangen door «artikel 16, eerste lid, onderdeel a».

3. In het eerste lid vervallen de onderdelen o en q onder verlettering van onderdeel p tot onderdeel o en onderdeel r tot onderdeel p.

4. In het eerste lid, onderdeel p, wordt «artikel 5:1, derde lid» vervangen door «artikel 5:1, tweede lid».

5. In het eerste lid wordt onderdeel s verletterd tot onderdeel q en wordt in dat onderdeel q «artikel 5:1, zesde lid» vervangen door «artikel 5:1, vierde lid».

6. In het eerste lid vervallen de onderdelen t, u en v, en worden de onderdelen w, x en y geletterd tot de onderdelen r, s en t.

7. In het tweede lid wordt «4:6, onderdeel d» vervangen door «4:6, eerste lid, onderdeel d».

AC

In artikel 6a:5, eerste lid, onderdeel g, wordt «Onze Minister van Veiligheid en Justitie» vervangen door «Onze Minister van Justitie en Veiligheid».

AD

Artikel 6a:6 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid, onderdelen a en h, en het vijfde lid, wordt «Onze Minister van Veiligheid en Justitie» vervangen door «Onze Minister van Justitie en Veiligheid» en wordt «het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties» vervangen door «de Financiële inlichtingen eenheid».

b. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «Ministerie van Veiligheid en Justitie» vervangen door «Ministerie van Justitie en Veiligheid».

ARTIKEL II

Het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 1 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 1a. Beveiliging en inschakeling van een verwerker

Artikel 1a

Dit hoofdstuk is van toepassing op de verwerking van justitiële en strafvorderlijke gegevens, persoonsgegevens in persoonsdossiers, tenuitvoerleggingsgegevens en gerechtelijke strafgegevens.

Artikel 1b
  • 1. De verwerkingsverantwoordelijke toetst en actualiseert de passende technische en organisatorische maatregelen die bij en krachtens de wet zijn getroffen.

  • 2. Wanneer zulks in verhouding staat tot de verwerkingsactiviteiten omvatten de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, de uitvoering van een passend gegevensbeschermingsbeleid door de verwerkingsverantwoordelijke.

  • 3. De verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker treft, na beoordeling van de risico’s, maatregelen om:

    • a. te verhinderen dat onbevoegden toegang krijgen tot apparatuur voor de verwerking van gegevens;

    • b. te verhinderen dat onbevoegden gegevensdragers lezen, kopiëren, wijzigen of verwijderen;

    • c. te verhinderen dat onbevoegden gegevens invoeren of opgeslagen gegevens inzien, wijzigen of verwijderen;

    • d. te verhinderen dat onbevoegden systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking gebruiken met behulp van datatransmissieapparatuur;

    • e. ervoor te zorgen dat personen die geautoriseerd zijn om een systeem voor geautomatiseerde gegevensverwerking te gebruiken, uitsluitend toegang hebben tot de gegevens waarop hun autorisatie betrekking heeft;

    • f. ervoor te zorgen dat kan worden nagegaan en vastgesteld aan welke organen gegevens zijn of kunnen worden verstrekt of beschikbaar gesteld met behulp van datatransmissieapparatuur;

    • g. ervoor te zorgen dat later kan worden nagegaan en vastgesteld welke gegevens wanneer en door wie in een systeem voor geautomatiseerde gegevensverwerking zijn ingevoerd;

    • h. te verhinderen dat onbevoegden gegevens lezen, kopiëren, wijzigen of verwijderen tijdens de doorgifte van die gegevens of het vervoer van gegevensdragers;

    • i. ervoor te zorgen dat de geïnstalleerde systemen in geval van storing opnieuw kunnen worden ingezet;

    • j. ervoor te zorgen dat de functies van het systeem werken, dat eventuele functionele storingen worden gesignaleerd en dat opgeslagen gegevens niet kunnen worden beschadigd door het verkeerd functioneren van het systeem.

Artikel 1c

De inhoud van een overeenkomst of andere rechtshandeling die de verwerker aan een verwerkingsverantwoordelijke bindt, bevat het onderwerp en de duur van de verwerking, de aard en het doel van de verwerking, het soort gegevens waarop de wet van toepassing is, de categorieën van betrokkenen en de verplichtingen en de rechten van de verwerkingsverantwoordelijke, en met name wordt daarin bepaald dat de verwerker:

  • a. uitsluitend volgens de instructies van de verwerkingsverantwoordelijke handelt;

  • b. er zorg voor draagt dat de tot het verwerken van gegevens gemachtigde personen zich ertoe hebben verplicht vertrouwelijkheid in acht te nemen of door een passende wettelijke verplichting daaraan gebonden zijn;

  • c. de verwerkingsverantwoordelijke met passende middelen bijstaat om naleving van de bepalingen betreffende de rechten van de betrokkene te verzekeren;

  • d. na afloop van de gegevensverwerkingsdiensten, naargelang de keuze van de verwerkingsverantwoordelijke, alle gegevens wist of hem deze ter beschikking stelt, en bestaande kopieën verwijdert, tenzij opslag van die gegevens verplicht is;

  • e. de verwerkingsverantwoordelijke alle informatie ter beschikking stelt die nodig is om nakoming van dit artikel aan te tonen;

  • f. aan de in dit artikel gestelde voorschriften voldoet bij de inschakeling van een andere verwerker en bij die inschakeling in overeenstemming met artikel 7d, vierde lid, van de wet, handelt.

B

In het opschrift van hoofdstuk 3 wordt na «strafvorderlijke gegevens» toegevoegd: «, tenuitvoerleggingsgegevens en gerechtelijke strafgegevens».

C

In artikel 11b, eerste en tweede lid, wordt «verantwoordelijke» telkens vervangen door «verwerkingsverantwoordelijke».

D

Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «Justitiële of strafvorderlijke gegevens» vervangen door «Justitiële gegevens, strafvorderlijke gegevens of tenuitvoerleggingsgegevens», en wordt «Onze Minister van Veiligheid en Justitie» vervangen door «Onze Minister van Justitie en Veiligheid».

2. Onder vernummering van het tweede lid tot en met vijfde lid tot het derde lid tot en met zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Gerechtelijke strafgegevens kunnen slechts worden verstrekt ten behoeve van beleidsinformatie, wetenschappelijk onderzoek en statistiek nadat aan de betrokken onderzoeker daartoe schriftelijk toestemming is verleend door tussenkomst van het bestuur van een gerecht, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie, dat voor die gegevens verwerkingsverantwoordelijke is.

3. In het derde en vierde lid wordt «bedoeld in het eerste lid» telkens vervangen door «bedoeld in het eerste of tweede lid».

4. In het vijfde lid wordt «verantwoordelijke» vervangen door «verwerkingsverantwoordelijke».

5. In het zesde lid wordt «justitiële of strafvorderlijke gegevens» vervangen door «justitiële gegevens, strafvorderlijke gegevens, tenuitvoerleggingsgegevens of gerechtelijke strafgegevens» en wordt «ingevolge het eerste lid» vervangen door «ingevolge het eerste of tweede lid».

E

Het opschrift van paragraaf 5 komt te luiden:

Paragraaf 5. Doorgifte aan en ontvangst uit derde landen

F

Artikel 32 komt te luiden:

Artikel 32

  • 1. Justitiële en strafvorderlijke gegevens kunnen door tussenkomst van de officier van justitie, en tenuitvoerleggingsgegevens kunnen door tussenkomst van Onze Minister van Justitie en Veiligheid daartoe aangewezen personen die onder hem ressorteren, desgevraagd worden doorgegeven aan de bevoegde autoriteit in een derde land of aan een internationale organisatie, onder de voorwaarde dat deze slechts kunnen worden verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn doorgegeven.

  • 2. Gerechtelijke strafgegevens kunnen desgevraagd door het bestuur van een gerecht, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie, dat voor die gegevens verwerkingsverantwoordelijke is, worden doorgegeven aan een bevoegde autoriteit van een derde land of aan een internationale organisatie, onder de voorwaarde dat deze slechts kunnen worden verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn doorgegeven.

  • 3. De gegevens worden verstrekt onder de voorwaarde dat deze door de ontvangende autoriteit worden vernietigd zodra de doeleinden zijn verwezenlijkt. Indien dit uit de wet voortvloeit kunnen bij de verstrekking termijnen worden gesteld, na afloop waarvan de verstrekte gegevens door de ontvangende autoriteit moeten worden vernietigd, behoudens wanneer verdere verwerking noodzakelijk is voor een lopend onderzoek, de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen.

G

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «justitiële of strafvorderlijke gegevens» vervangen door «justitiële gegevens, strafvorderlijke gegevens of tenuitvoerleggingsgegevens» en wordt «verstrekking worden ontvangen van een ander land of van een internationaal orgaan» vervangen door «doorgifte worden ontvangen van een derde land of van een internationale organisatie».

2. In het tweede lid wordt «het andere land» vervangen door «het derde land» en wordt «justitiële of strafvorderlijke gegevens» vervangen door «de gegevens, bedoeld in het eerste lid,».

3. In het derde lid wordt «justitiële of strafvorderlijke gegevens» vervangen door «gegevens als bedoeld in het eerste lid,» en wordt «een ander land» vervangen door «een derde land».

H

Het opschrift van paragraaf 6 komt te luiden:

Paragraaf 6. Doorzending aan en ontvangst uit een lidstaat

I

Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «onverwijld verstrekt» vervangen door «onverwijld doorgezonden».

2. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde lid tot het tweede lid.

J

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste tot en met derde lid wordt «verstrekt» telkens vervangen door «doorgezonden».

2. In het vierde lid wordt in de eerste volzin «verstrekte informatie» vervangen door «doorgezonden informatie» en wordt in de tweede volzin «verstrekt» vervangen door «doorgezonden».

3. In het zesde lid wordt «verstrekking» vervangen door «doorzending en «verstrekte» vervangen door «doorgezonden».

K

Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Justitiële gegevens, strafvorderlijke gegevens, tenuitvoerleggingsgegevens en gerechtelijke strafgegevens kunnen door de verwerkingsverantwoordelijke desgevraagd worden doorgezonden aan een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, onder de voorwaarde dat deze slechts kunnen worden verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn doorgezonden en, indien aanleiding bestaat tot het stellen van grenzen aan de verdere verwerking, binnen die grenzen.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot het derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Doorzending van strafvorderlijke gegevens kan uitsluitend met de tussenkomst van de officier van justitie, van tenuitvoerleggingsgegevens met tussenkomst van de door Onze Minister van Justitie en Veiligheid dan wel het College van procureurs-generaal daartoe aangewezen personen die onder hem ressorteren, en van gerechtelijke strafgegevens door het bestuur van een gerecht, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie, dat voor die gegevens verwerkingsverantwoordelijke is.

3. Het vierde lid vervalt, onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot het vierde en vijfde lid.

4. In het vierde lid wordt «het eerste en tweede lid, worden verstrekt» vervangen door «het eerste lid, worden doorgezonden», wordt «gewist» vervangen door «vernietigd» en wordt «zijn verstrekt» vervangen door «zijn doorgezonden».

5. In het vijfde lid wordt «verstrekking» vervangen door «doorzending» en wordt «gewist» vervangen door «vernietigd».

L

Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het eerste lid tot en met derde lid tot het tweede lid tot en met vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1. Indien justitiële gegevens, strafvorderlijke gegevens, tenuitvoerleggingsgegevens of gerechtelijke strafgegevens worden ontvangen van een andere lidstaat van de Europese Unie ten aanzien van de verwerking waarvan door de bevoegde autoriteit van die lidstaat op grond van het nationale recht specifieke voorwaarden zijn gesteld en de ontvangende autoriteit daarvan in kennis is gesteld, ziet de ontvangende autoriteit in Nederland toe op de naleving van die voorwaarden.

2. In het tweede lid wordt «Justitiële en strafvorderlijke gegevens» vervangen door «Gegevens, bedoeld in het eerste lid» en «artikel 36, derde lid» door «artikel 36, vierde lid».

3. In het derde lid wordt «verstrekkende» vervangen door «doorzendende».

4. In het vierde lid wordt «Het tweede lid» vervangen door «Het derde lid».

M

De artikelen 39 en 40 vervallen.

N

De artikelen 41 en 42 komen te luiden:

Artikel 41

  • 1. De doorzending van justitiële en strafvorderlijke gegevens aan Eurojust vindt plaats door tussenkomst van het nationale lid van Eurojust.

  • 2. De doorzending van justitiële en strafvorderlijke gegevens aan Eurojust kan worden geweigerd indien wezenlijke nationale veiligheidsbelangen worden geschaad of de veiligheid van een persoon in gevaar wordt gebracht.

  • 3. Justitiële en strafvorderlijke gegevens worden doorgezonden aan het nationale lid van Eurojust, voor zover hij deze behoeft in verband met de uit een rechtsinstrument op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voortkomende doelstelling en taken van deze organisatie. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 42

  • 1. De doorzending van justitiële en strafvorderlijke gegevens aan Europol vindt plaats door tussenkomst van een landelijke eenheid als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b, van de Politiewet 2012.

  • 2. De doorzending van gegevens aan Europol kan worden geweigerd indien:

    • a. wezenlijke nationale veiligheidsbelangen worden geschaad,

    • b. het welslagen van lopende onderzoeken of de veiligheid van personen in gevaar wordt gebracht, of

    • c. informatie wordt bekend gemaakt die betrekking heeft op specifieke inlichtingendiensten of -activiteiten op het gebied van de staatsveiligheid.

  • 3. Justitiële en strafvorderlijke gegevens worden doorgezonden aan de nationale verbindingsofficieren bij Europol, voor zover zij deze behoeven in verband met de uit een rechtsinstrument op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voortkomende doelstelling en taken van deze organisatie. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

O

Na artikel 47 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 47a

De artikelen 32, eerste lid, 33, 35, 36, eerste, vierde en vijfde lid, en 38, eerste lid, eerste volzin en tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de verstrekking van persoonsgegevens die in een persoonsdossier zijn verwerkt.

P

Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt, onder vernummering van het tweede lid en derde lid tot het eerste lid en tweede lid.

2. In het tweede lid (nieuw) wordt «30bis» vervangen door «31».

ARTIKEL III

Het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, onderdeel c, wordt als volgt gewijzigd:

1. «verantwoordelijke» wordt vervangen door «verwerkingsverantwoordelijke».

2. De onderdelen 1° tot en met 4° komen als volgt te luiden:

  • de Belastingdienst/Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst: Onze Minister van Financiën;

  • de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

  • de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

  • de Directie Opsporing van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikelen 37» vervangen door «artikelen 36a».

2. In het tweede lid wordt «a, c, d, f, i, j, k, o, q» vervangen door «a, c, d, f, j, k, o, q».

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de eerste volzin wordt toegevoegd «1.».

2. Er worden twee nieuwe leden ingevoegd, luidende:

  • 2. De verwerkingsverantwoordelijke kan voor specifieke vormen van de verwerking van politiegegevens een beroep doen op een persoon die onder zijn beheer valt en die geen opsporingsambtenaar is.

  • 3. In de autorisatie worden vastgelegd het onderwerp en de duur van de verwerking, de aard en het doel van de verwerking, het soort persoonsgegevens en de categorieën van betrokkenen.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

ARTIKEL V

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit implementatie richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 6 december 2018

Willem-Alexander

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker

De Minister van Defensie, A.Th.B. Bijleveld-Schouten

Uitgegeven de vierentwintigste december 2018

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

I. Inleiding

Dit besluit geeft nadere regels ter uitwerking van het voorstel tot wijziging van de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) ter implementatie van Europese regelgeving over de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (Kamerstukken 34 889). Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan de Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PbEU 2016, L119). Deze richtlijn wordt in de Kamerstukken aangeduid als de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (hierna ook: de richtlijn). De implementatie van de richtlijn is niet beperkt tot de Wpg en de Wjsg maar heeft ook consequenties voor de algemene maatregelen van bestuur, die zijn vastgesteld op basis van de Wpg en de Wjsg. Dit betreft het Besluit politiegegevens (Bpg), het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten (BpgBod’en) en het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens (Bjsg). Deze consequenties zijn deels van inhoudelijk aard, zoals de maatregelen ter beveiliging van persoonsgegevens, als meer technisch van aard, zoals de aanpassing van de terminologie in het Bpg, het BpgBod’en en het Bjsg aan die van de richtlijn.

Mede namens de Minister van Defensie licht ik het voorstel tot wijziging van het Bpg, het Bjsg en het BppgBod’en in deze nota van toelichting toe.

II. De belangrijkste wijzigingen van het Besluit politiegegevens

De belangrijkste wijzigingen hebben betrekking op het volgende. In de eerste plaats wordt voorgesteld enkele bepalingen in het Bpg aan te passen vanwege de aanpassing van het werkingsgebied van de Wpg. Dit betreft de zogenoemde taken ten dienste van de justitie als onderdeel van de politietaak, bedoeld in artikel 3 en 4 van de Politiewet 2012 en de uitoefening van de bij of krachtens de Vreemdelingenwet opgedragen taken. De gegevensverwerking ten behoeve van deze taken valt voortaan onder de reikwijdte van de verordening, hiervoor wordt verwezen naar de toelichting op de wet (paragraaf 5.2.1.). Daarmee valt de verwerking van persoonsgegevens voor deze doelen voortaan buiten de reikwijdte van de Wpg. In het licht hiervan wordt voorgesteld enkele bepalingen in het Bpg op te nemen die de verstrekking van politiegegevens regelen aan de korpschef, te weten de taken ten dienste van de justitie en vreemdelingentoezicht, en aan de Minister van Defensie, te weten vreemdelingentoezicht en grensbewaking (artikelen 4:3 en 4:6 Bpg).

In de tweede plaats strekt het onderscheid in de richtlijn tussen de verwerking van politiegegevens door de bevoegde autoriteiten in de lidstaten van de Europese Unie en de verstrekking van persoonsgegevens aan de bevoegde autoriteiten in derde landen tot aanpassing van de bepalingen in het Bpg met betrekking tot de verstrekking van politiegegevens aan het buitenland. Dit betreft paragraaf 5 van het Bpg. De bestaande indeling van die paragraaf, bestaande uit een gedeelte rond de verstrekking of ontvangst van politiegegevens aan respectievelijk uit het buitenland, met daarbinnen een nader onderscheid tussen de verstrekking of ontvangst van politiegegevens aan respectievelijk uit de Europese Unie, komt te vervallen. In plaats daarvan wordt onderscheid gemaakt tussen de doorgifte of ontvangst van politiegegevens aan respectievelijk uit derde landen en de doorzending of ontvangst van politiegegevens aan respectievelijk uit andere lidstaten van de Europese Unie.

In de derde plaats worden enkele onderwerpen, die in de Wpg op hoofdlijnen worden geregeld, in het voorliggende besluit uitgewerkt. Dit betreft de regels over beveiliging van de politiegegevens en de inhoud van de overeenkomst met een verwerker (artikelen 6:1a en 6:1b Bpg).

III. De belangrijkste wijzigingen van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens

In de eerste plaats hebben de wijzigingen betrekking op dezelfde onderdelen als die hierboven, bij de weergave van de belangrijkste wijzigingen van het Bpg, aan de orde zijn gekomen. Het onderscheid in de richtlijn tussen de verwerking van politiegegevens door de bevoegde autoriteiten in de lidstaten van de Europese Unie en de verstrekking van persoonsgegevens aan de bevoegde autoriteiten in derde landen strekt tot aanpassing van de paragrafen 5 en 6 van het Bjsg. Tevens worden de regels over beveiliging van de justitiële gegevens en de inhoud van de overeenkomst met een verwerker nader uitgewerkt (artikelen 1b en 1c Bjsg).

In de tweede plaats is het toepassingsbereik van de Wjsg uitgebreid met twee nieuwe categorieën van persoonsgegevens, met het oog op een volledige implementatie van de richtlijn. Dit betreffen de tenuitvoerleggingsgegevens en de gerechtelijke strafgegevens. De uitbreiding van de Wjsg werkt door in het Bjsg, voor zover met de betreffende bepalingen uitvoering wordt gegeven aan de richtlijn. Dit strekt tot aanpassing van een aantal bepalingen van het Bjsg (artikelen 1a, 31, 32, 33, 36, 38 en 47a Bjsg).

IV. De belangrijkste wijzigingen van het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten

Met het BpgBod’en zijn de artikelen van de Wpg van overeenkomstige toepassing verklaard op de verwerking van persoonsgegevens door de Bod’en, behoudens enkele uitzonderingen (artikel 2, eerste lid, BpgBod’en). Vanwege de implementatie van de richtlijn zijn sommige artikelen in de Wpg gewijzigd en zijn nieuwe artikelen in de Wpg ingevoegd. De aanpassingen hebben betrekking op de verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke, de rechten van de betrokkene en het toezicht. Voor wat betreft de verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke gaat het om het bijhouden van een register van de verwerkingsactiviteiten, op de geautomatiseerde vastlegging van gegevens over de gegevensverwerking (logging), de beveiliging van de verwerkte persoonsgegevens, het melden van datalekken, het opstellen van gegevensbeschermingseffectbeoordelingen en het aanwijzen van een functionaris voor gegevensbescherming. Voor een meer uitgebreide toelichting kan worden verwezen naar de memorie van toelichting bij de wet (paragraaf 7). De gewijzigde en ingevoegde artikelen zijn aldus van rechtswege van toepassing op verwerking van persoonsgegevens door de Bod’en. Daarmee voldoet ook de gegevensverwerking door de Bod’en aan de richtlijn. Tevens worden in het BpgBod’en de artikelen van het Bpg van overeenkomstige toepassing verklaard, behoudens enkele uitzonderingen. De uitzonderingen houden verband met het verschil tussen de taken van de politie en die van de Bod’en, en behoeven niet te worden aangepast vanwege de richtlijn.

V. Het advies van de Autoriteit persoonsgegevens

In beginsel wordt over het ontwerp van een implementatieregeling geen advies gevraagd. De uitvoeringsinstanties zijn betrokken bij de voorbereiding van het ontwerpbesluit. De Autoriteit persoonsgegevens (AP) is wel om advies gevraagd. Bij brief van 8 mei 2018 heeft de AP advies uitgebracht. De AP stelt vast dat de voorliggende wijzigingen van het ontwerpbesluit hoofdzakelijk technische wijzigingen betreffen naar aanleiding van de gewijzigde terminologie als gevolg van de implementatie van de richtlijn. Ten aanzien hiervan heeft de AP dan ook geen opmerkingen. Wel vraagt de AP aandacht voor de vervanging van het criterium van de «dringende noodzaak voor een goede uitvoering van de politietaak», in artikel 4:5 van het Bpg.

VI. Uitvoeringsgevolgen

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is reeds ingegaan op de impact van het wetsvoorstel en de financiële gevolgen van de implementatie van de richtlijn voor de organisaties die onder de reikwijdte van de richtlijn vallen en die persoonsgegevens verwerken onder het regime van de Wpg en de Wjsg: de politie, de rijksrecherche, de Koninklijke marechaussee, het openbaar ministerie, de rechtspraak en de Minister van Justitie en Veiligheid (Justid, CJIB en DJI). Daarbij is aangegeven dat, hoewel de richtlijn ook van toepassing is op de Bod’en, niet in dat wetsvoorstel maar in een algemene maatregel van bestuur is geregeld aan welke verplichtingen zij moeten voldoen en dat in de toelichting bij deze algemene maatregel van bestuur de impact van de richtlijn op de Bod’en zal worden beschreven.

De BOD-en verwachten dat de kosten voor de implementatie van de richtlijn in hun organisatie, beperkt zullen zijn. Bepaalde kosten zijn vooraf moeilijk in te schatten. Zo kan het aantal verzoeken om inzage, rectificatie of vernietiging stijgen als gevolg van de actieve informatieplicht. Het klachtrecht bij de AP kan ook extra personele kosten tot gevolg hebben en indien klachten gegrond worden verklaard tot aanpassing van de technische en organisatorische maatregelen leiden. Deze kosten zijn vooraf moeilijk in te schatten omdat deze afhangen van de mate waarin een beroep wordt gedaan op deze rechten. De kosten die voortvloeien uit de meldplicht datalekken zijn ook moeilijk vooraf in te schatten. De BOD-en geven aan dat bepaalde verplichtingen uit de richtlijn goed aansluiten bij de huidige werkwijze waardoor de kosten voor implementatie beperkt zullen zijn. Hierbij valt te denken aan het kosteloos verstrekken van informatie, het onderscheid tussen categorieën van betrokkenen, de doorgifte van gegevens aan andere EU-lidstaten en derde landen, de controle van de kwaliteit van de gegevens, het inschakelen van een verwerker en geautomatiseerde individuele besluitvorming. De systemen en applicaties die de BOD-en op dit moment gebruiken, zijn over het algemeen reeds voorzien van loggingsmogelijkheden. Bij de ontwikkeling van nieuwe systemen en applicaties zal privacy by design en privacy door standaardinstellingen als uitgangspunt worden meegenomen. De BOD-en verwachten deze nieuw verplichtingen geen extra kosten met zich mee zullen brengen. De FIOD verwacht wel incidentele kosten en verhoging van structurele kosten als gevolg van de aanscherping van de verplichting tot het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen. Deze kosten blijven beperkt tot € 50.000 incidentele kosten en € 10.000 extra structurele kosten. Gelet op de omvang van de BOD-en lijkt het voor de hand te liggen dat de functionaris voor de gegevensbescherming, die belast is met het toezicht op de naleving van de AVG, eveneens wordt belast met het toezicht op de naleving van het BpgBOD-en. Hierdoor blijven de kosten beperkt. De omvang van de organisatie heeft mede tot gevolg dat de registratie van gegevensverwerkingen overzichtelijk is. Ook hier worden weinig extra kosten verwacht. Tot slot verwacht de FIOD dat het aantal gegevensbeschermingseffectbeoordelingen (GEB) zal toenemen als gevolg van technische ontwikkelingen en de daarmee gepaard gaande nieuwe mogelijkheden. Zij ramen de incidentele kosten voor het opleiden van een aantal medewerkers voor het uitvoeren van een GEB op € 20.000,–.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is aangegeven dat de kosten voor de organisaties die worden geraakt door dit wetsvoorstel, uit de bedrijfsvoeringsbudgetten van de betreffende organisaties dienen te worden gedekt.

Artikelen

Artikel I (Besluit politiegegevens)

Onderdelen A tot en met C

Dit betreft een technische wijziging. De richtlijn hanteert het begrip «verwerkingsverantwoordelijke» (art. 3, onder 8, Rl), in plaats van het huidige begrip «verantwoordelijke».

Onderdeel D

De aanpassing in artikel 2:13, tweede lid, heeft in de eerste plaats betrekking op het corrigeren van een onjuiste aanduiding. Met de Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES in verband met de implementatie van aanbevelingen van de Financial Action Task Force (Stb. 2012, 686) is het voormalige Meldpunt Ongebruikelijke Transacties vervangen door de Financiële inlichtingen eenheid (artikel 1, onderdeel q, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme). Dit betreft voorts een technische wijziging vanwege de vernummering van de verschillende onderdelen in artikel 16 Wpg. De richtlijn strekt ertoe dat de buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) onder de reikwijdte van de Wpg worden gebracht. De regeling van de verstrekking van politiegegevens door een ambtenaar van politie aan een boa is daardoor komen te vervallen (voorheen artikel 16, onderdeel b, Wpg).

Onderdeel E

Het eerste lid betreft een technische wijziging. Onderdeel b, subonderdeel 2, wordt aangepast vanwege de wijziging van de naam van de stichting Slachtoffer in Beeld. De stichting heeft in 2017 haar naam gewijzigd in Perspectief Herstelbemiddeling. Onderdeel r behoeft aanpassing vanwege de wijziging van de naam van de belanghebbende inspectiedienst en van de betrokken regeling. Voor de vervanging van het begrip «verantwoordelijke» door «verwerkingsverantwoordelijke» in het tweede lid wordt verwezen naar de toelichting op de onderdelen A tot en met C.

Onderdeel F (artikel 4:3)
Eerste lid

Dit betreft een technische wijziging. De verwijzing naar de Financiële inlichtingen eenheid is toegelicht bij onderdeel D.

Vijfde lid

De korpschef, bedoeld in artikel 27, van de Politiewet 2012, vervult enkele politietaken die niet tot opsporing en vervolging als bedoeld in de richtlijn worden gerekend. Dit zijn taken ter uitvoering van de Wet wapens en munitie, de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, de Wet natuurbescherming en de Wet explosieven voor civiel gebruik. Deze taken zijn onderdeel van taken ten dienste van justitie, zoals genoemd in artikel 1, onderdeel i, van de Politiewet 2012, die als onderdeel van de handhaving van de rechtsorde onder de politietaak vallen (als bedoeld in artikel 3 Politiewet 2012). De korpschef heeft voor het gebruik van zijn bevoegdheden ter uitoefening van deze politietaken politiegegevens nodig om afgewogen beslissingen te kunnen nemen. Op de verwerking van deze politiegegevens door de korpschef voor buiten de opsporing en vervolging vallende taken van de politie is niet de richtlijn maar de verordening van toepassing. Daarmee is de verstrekking van politiegegevens aan de korpschef ten behoeve van de uitvoering van deze taken niet langer onderdeel van de in de Wpg geregelde vrije uitwisseling van gegevens met het oog op politietaken die deel uitmaken van opsporing en vervolging («free flow of information»). Teneinde de bestaande mogelijkheden voor gegevensuitwisseling ook bij toepasselijkheid van de verordening op buiten opsporing en vervolging vallende taken van politie te behouden, wordt in dit onderdeel voorzien in de mogelijkheid tot verstrekking van politiegegevens aan de korpschef voor het vervullen van bevoegdheden voor die taken van de politie die niet worden gerekend tot opsporing en vervolging. Dit betreft specifiek de volgende bevoegdheden:

De korpschef is op grond van de Wet wapens en munitie bevoegd te besluiten tot het in bewaring nemen van een wapen of munitie, als bedoeld in artikel 8, het verlenen en intrekken van een erkenning, alsmede het verlengen van de geldigheidsduur daarvan, als bedoeld in artikel 9, tweede lid, het verlenen van een verlof tot vervoer, als bedoeld in artikel 24, eerste lid, het verlenen van een verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, de afgifte van de Europese vuurwapenpas, bedoeld in artikel 28a, derde lid, en het verlenen van verlof tot verkrijging van wapens, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Daarnaast beschikt de korpschef, op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, over bevoegdheden die tot beslissingen van uiteenlopende aard leiden. Dit betreft het verlenen van toestemming voor de tewerkstelling van personen, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, het uitoefenen van de bevoegdheden, als bedoeld in artikel 9, zevende lid, het afgeven van een verklaring van betrouwbaarheid, als bedoeld in artikel 10, vijfde lid en het geven van aanwijzingen aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.

Verder is de korpschef, op grond van de Wet natuurbescherming, bevoegd een jachtakte te verlenen, bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, en het nemen van beschikkingen tot intrekking van jachtakten, als bedoeld in artikel 5.4, zevende lid, van de Wet Natuurbescherming. Abusievelijk wordt in het Besluit politiegegevens voor verstrekking van politiegegevens aan de korpschef nog verwezen naar de Flora- en Faunawet, zodat dit door middel van deze wijziging wordt verbeterd.

Voorts is de korpschef, op grond van de Wet explosieven voor civiel gebruik, bevoegd tot het verlenen en intrekken van een erkenning, alsmede het verlengen van de geldigheidsduur daarvan, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Wet explosieven voor civiel gebruik.

Tenslotte is de korpschef belast met het bij en krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen vreemdelingentoezicht.

De Minister van Defensie is conform artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering belast met het houden van toezicht op de naleving van de Wet Wapens Munitie (art. 45), de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (art. 11) en de Wet explosieven voor civiel gebruik (art. 22). Het toezicht wordt uitgevoerd door de Koninklijke marechaussee.

De Minister van Defensie is tevens belast met vreemdelingentoezicht en grensbewaking (artikelen 46 en 47 Vreemdelingenwet 2000). Deze taak wordt eveneens uitgevoerd door de Koninklijke marechaussee. In het kader van de uitvoering van deze taken kan het nodig zijn om de van of omtrent de vreemdelingen verkregen gegevens, zoals identiteitspapieren, te vergelijken met politiegegevens. De aanpassing van dit artikel strekt daartoe.

Onderdeel Fa

Dit betreft een technische wijziging.

Onderdeel G (artikel 4:5)
Eerste lid

Verwezen wordt naar de toelichting op de onderdelen A tot en met C.

Tweede lid

Op grond van de artikelen 19 en 20 Wpg kunnen ook politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig artikel 9 of artikel 10 Wpg aan derden worden verstrekt. Om te voorkomen dat deze mogelijkheid in de praktijk zou kunnen worden gebruikt om de regeling van artikel 4:3 van het Bpg te omzeilen is destijds, bij de totstandkoming van het Bpg aangegeven dat dergelijke gegevens in beginsel niet in aanmerking komen voor de verstrekking aan derden wanneer de verantwoordelijke zou beslissen tot verstrekking van politiegegevens in incidentele gevallen of ten behoeve van samenwerkingsverbanden. Niettemin kan het voor een goede uitvoering van de politietaak noodzakelijk zijn dergelijke gegevens in incidentele gevallen of ten behoeve van samenwerkingsverbanden aan derden te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan situaties waarbij op grond van de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden, zoals het aftappen van telecommunicatie, blijkt van ernstig gevaar voor de gezondheid of het leven van bepaalde personen. (Stb 2007, 550, blz. 81). Deze interpretatie van het criterium van de dringende noodzaak in de nota van toelichting van destijds blijkt in de praktijk echter ernstig te knellen. Gebleken is dat op regionaal of lokaal niveau de noodzaak tot verstrekking van artikel 9 of artikel 10-gegevens noodzakelijk is, zonder dat er direct sprake is van ernstig gevaar voor de gezondheid of het leven van bepaalde personen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij de verstrekking van personalia van een pleger van zorgfraude aan een zorgverzekeraar of zorgkantoor. Een ander voorbeeld is de verstrekking van gegevens over terrorismeverdachten aan banken om zo terrorismefinanciering beter te kunnen ontdekken.

Gedurende de afgelopen jaren is de politie nauwer gaan samenwerken met andere partners bij de aanpak van maatschappelijke misstanden die nauwe raakvlakken hebben met de rechtshandhaving. Dit heeft tevens geleid tot een intensivering van de gegevensuitwisseling. Daarbij geldt dat aan de verstrekking van politiegegevens die worden verwerkt op grond van de artikelen 9 en 10 Wpg extra risico’s zijn verbonden vanwege de mogelijke inbreuk op de privacy en het afbreukrisico. Verstrekking van dergelijke gegevens aan derden kan ernstige consequenties hebben voor de betrokkene en daarnaast risico’s met zich meebrengen voor het betreffende opsporingsonderzoek. Dit strekt tot een zorgvuldige afweging tussen de betrokken belangen. Daarbij dient ieder individueel geval afzonderlijk te worden beoordeeld. De extra risico’s rond een dergelijke verstrekking zijn namelijk in hoge mate afhankelijk van de aard en inhoud van de in het concrete geval te verstrekken politiegegevens. In dit licht maakt het bijvoorbeeld verschil voor de afweging of het gaat om de verstrekking van personalia of om de inhoud van verklaringen in het opsporingsonderzoek. Met het criterium van de strikte noodzaak wordt tot uitdrukking gebracht dat een zorgvuldige afweging door de verwerkingsverantwoordelijke van essentieel belang is, in overleg met de leider van het betreffende onderzoek of zijn plaatsvervanger. Dit betreft een toetsing van de noodzaak van de verstrekking mede aan de hand van de beginselen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit, in het licht van enerzijds de aard van de betreffende politiegegevens, en de daarmee samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, en anderzijds het belang van de verstrekking voor de taak waarvoor de betreffende belanghebbende persoon of instantie de gegevens nodig heeft. Daarbij is het van belang dat de informatieverstrekking, bijvoorbeeld in de vorm van een advies of rapportage, op zodanige wijze plaatsvindt dat de risico’s voor de opsporing of de bescherming van persoonsgegevens worden verminderd. Landelijke richtsnoeren hierover kunnen bijdragen aan eenduidige toepassing op lokaal en regionaal niveau. Op grond van de artikelen 19 en 20 Wpg geldt dat de gegevensverstrekking slechts plaatsvindt in overeenstemming met het bevoegd gezag, op grond van de Politiewet 2012. Met dit criterium wordt tot uitdrukking gebracht dat de officier van justitie, op basis van zijn gezag over de opsporing van strafbare feiten, wordt betrokken en in de gelegenheid is zeggenschap uit te oefenen over de gegevensverstrekking met het oog op de opsporing van strafbare feiten, de afstemming tussen de strafrechtelijke en de bestuurlijke afdoening en de afstemming met de verstrekking van strafvorderlijke gegevens, op basis van de Wjsg. Dit betekent niet bij voorbaat dat de officier van justitie in iedere afzonderlijke verstrekking op basis van dit lid moet worden betrokken, het is aan het Openbaar Ministerie zelf om hierin beleid te ontwikkelen en nadere kaders te stellen. Het College van procureurs-generaal kan hierover richtlijnen geven door middel van een OM-Aanwijzing.

Onderdeel H (artikel 4:6)

Artikel 4:6 Bpg regelt de rechtstreekse verstrekking van politiegegevens. Vanwege de risico's op het gebied van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de afscherming van gevoelige opsporingsinformatie is het rechtstreeks langs geautomatiseerde weg verstrekken van politiegegevens aan personen of instanties buiten de politieorganisatie gebonden aan strikte regels. Dit omvat ook de verstrekking van politiegegevens ten behoeve van door de korpschef te vervullen politietaken waarvan de verwerking onder de reikwijdte van de verordening valt. Omwille van de efficiency en een zorgvuldige besluitvorming is het van essentieel belang dat de korpschef, die bovendien zelf deel uitmaakt van de politieorganisatie, ook onder de verordening rechtstreeks langs geautomatiseerde weg toegang blijft houden tot alle beschikbare politiegegevens die relevant zijn voor een goede uitvoering van deze taken ten dienste van de justitie. De huidige werkwijze kan dan worden voortgezet zodat extra uitvoeringslasten worden voorkomen. Met dit doel biedt het (nieuwe) artikel 23, derde lid, Wpg de mogelijkheid tot rechtstreekse verstrekking voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen wettelijke taken van de korpschef. Door middel van dit besluit worden de wettelijke taken van de korpschef waarvoor rechtstreekse verstrekking is toegestaan, aangewezen. In het (nieuwe) artikel 4:6, tweede lid, Bpg is bepaald dat uitsluitend de op grond van 4:3, vijfde lid, Bpg aan de korpschef te verstrekken politiegegevens rechtstreeks aan hem verstrekt mogen worden. Dit betreft politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c, en 13, eerste lid, Wpg en die de korpschef behoeft voor het nemen van besluiten waarmee hij is belast op grond van de Wet wapens en munitie, de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, de Wet natuurbescherming en de Wet explosieven voor civiel gebruik. Passende maatregelen dienen te waarborgen dat uitsluitend politiegegevens rechtstreeks kunnen worden verstrekt aan de korpschef voor zover dit noodzakelijk is voor het doel waarvoor die gegevens worden verstrekt.

Onderdeel I

Het eerste lid betreft een technische wijzing. De verwijzing naar de Financiële inlichtingen eenheid is toegelicht bij onderdeel D. Voor het tweede lid wordt verwezen naar de toelichting op de onderdelen A tot en met C.

Onderdeel J

Verwezen wordt naar de toelichting op de onderdelen A tot en met C.

Onderdeel K (opschrift paragraaf 5)

De voorschriften in de richtlijn maken onderscheid tussen het doorzenden van persoonsgegevens aan lidstaten van de Europese Unie en organen en instanties die zijn opgericht krachtens de hoofdstukken 4 en 5 van Titel V van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen en internationale organisaties. De verwerking van persoonsgegevens binnen de Europese Unie, met het oog op de doelen van artikel 1 van de richtlijn, valt onder de reikwijdte van de richtlijn. De richtlijn bevat specifieke regels voor de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen, met het oog op de richtlijndoelen. Dit onderscheid heeft consequenties voor paragraaf van dit besluit, die voorheen regels gaf voor de verstrekking van politiegegevens aan andere landen. Deze paragraaf is voortaan van toepassing op de doorgifte van persoonsgegevens aan landen buiten de Europese Unie, de zogenoemde derde landen. Het opschrift van paragraaf 5 is op dit onderscheid aangepast. Deze paragraaf beperkt zich voortaan tot de doorgifte aan en ontvangst van politiegegevens uit derde landen en internationale organisaties. De bepalingen in het Bpg over doorgifte aan en ontvangst van politiegegevens uit lidstaten en instanties als Europol en Eurojust zijn voortaan onderdeel van een nieuw ingevoegde paragraaf. De bestaande indeling, die is gebaseerd op de verstrekking en ontvangst van politiegegevens aan respectievelijk uit het buitenland met daarbinnen een nader onderscheid tussen verstrekking en ontvangst van politiegegevens uit de Europese Unie, verdwijnt. Ook wordt het begrip derde landen niet langer uitsluitend gekoppeld aan doorgifte van politiegegevens die door tussenkomst een andere lidstaat zijn ontvangen.

Onderdeel L (artikel 5:1)

Het voormalige eerste lid vervalt vanwege het voorstel tot het invoegen van een nieuw artikel (17a) in de wet, ter implementatie van de artikelen 36 tot en met 38 van de richtlijn. Het nieuwe artikel 17a Wpg regelt de doorgifte van politiegegevens aan derde landen en internationale organisaties. Het begrip derde land betreft de landen die geen lidstaat zijn van de Europse Unie, dit begrip omvat ook het Caribische deel van het Koninkrijk. Het regime voor doorgifte aan derde landen is gebaseerd op het uitgangspunt dat het betrokken derde land of de internationale organisatie een toereikend beschermingsniveau voor de voorgenomen gegevensverwerking verzekert. Dit vereist een besluit van de Europese Commissie, een zogenaamd een adequaatheidsbesluit. Bij ontstentenis van een dergelijk besluit kan de doorgifte van persoonsgegevens plaatsvinden op basis van passende waarborgen voor een zorgvuldige gegevensverwerking door het derde land of de internationale organisatie. Is hieraan niet voldaan dan is in afzonderlijke, in artikel 17a, derde lid, Wpg omschreven gevallen doorgifte aan derde landen of een internationale organisatie mogelijk. Dit getrapte regime heeft betrekking op doorgifte van politiegegevens voor de doeleinden, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, Wpg. Deze doelen wijken af van die van het bestaande eerste lid, zodat dit lid vervalt. Daarmee kan doorgifte zich voortaan ook uitstrekken tot minder ernstige misdrijven, op strafrechtelijke overtredingen of op andere dan ernstige gevaren voor de openbare orde.

Het eerste lid maakt duidelijk dat het beginsel van doelbinding zoals dat in dit lid is uitgewerkt betrekking heeft op doorgifte aan autoriteiten in een derde land of aan internationale organisaties. Als de doorgifte van politiegegevens voldoet aan het wettelijk regime van de Wpg, dan geldt dat die doorgifte met inachtneming van de doelbinding, zoals uitgewerkt in dit lid, dient plaats te vinden. Inhoudelijk blijft deze uitwerking ongewijzigd.

Het tweede lid betreft het voormalige derde lid en bevat uitsluitend enkele meer technische aanpassingen.

Het bestaande vierde lid heeft betrekking op verstrekking van politiegegevens in de grensgebieden met andere lidstaten, en wordt verplaatst naar de nieuw in te voegen paragraaf die betrekking heeft op de doorzending aan en ontvangst van politiegegevens van andere lidstaten.

Het derde en vierde lid betreffen vernummering van voorheen het vijfde lid en zesde lid en bevatten enkele meer redactionele wijzigingen.

Het vijfde lid regelt dat de gegevens worden verstrekt onder de voorwaarde dat deze door de ontvangende autoriteit worden vernietigd zodra de doeleinden zijn verwezenlijkt. Deze voorwaarde geldt reeds voor doorgiften aan andere lidstaten (art. 5:3, vijfde en zesde lid, Bpg). Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is deze voorwaarde ook van toepassing op doorgiften aan derde landen.

Het bestaande zevende en achtste lid vervallen. Met de implementatie van de richtlijn zijn deze verplichtingen in de wet opgenomen (art. 4 Wpg).

Tot slot betreft het zesde lid vernummering van voorheen het negende lid. Dit lid is redactioneel aangepast op de terminologie over «doorgifte» en «derde landen». De verwijzing naar de Financiële inlichtingen eenheid is toegelicht bij onderdeel D.

Onderdeel M (artikel 5:2)

De regeling in de richtlijn over de ontvangst van politiegegevens uit het buitenland is zoveel mogelijk beleidsneutraal geïmplementeerd. Voorgesteld wordt in het Bpg enkele wijzigingen aan te brengen zodat beter wordt aangesloten bij de terminologie van de (gewijzigde) Wpg. Het tweede en derde lid van dit artikel vinden hun oorsprong in de implementatie van enkele voorschriften uit het voormalige kaderbesluit dataprotectie. Op grond van het tweede lid van dit artikel moet de ontvangende autoriteit in Nederland specifieke beperkingen op de verwerking van politiegegevens respecteren die door de verstrekkende autoriteit zijn vermeld. Op grond van het derde lid van dit artikel geldt voor de ontvangende autoriteit desgevraagd een informatieverplichting over de verwerking en het daarmee behaalde resultaat. Door handhaving van het tweede en derde lid wordt rekening gehouden met de wederkerigheid in relaties met derde landen waarmee politiegegevens worden uitgewisseld.

Onderdeel N

Voorgesteld wordt een afzonderlijke paragraaf in te voegen die voorziet in regels voor de verstrekking van politiegegevens aan andere lidstaten. Dit wordt hieronder nader toegelicht.

Onderdeel O (artikel 5:3)

Er zijn naast de richtlijn ook andere rechtsinstrumenten van de Europese Unie van kracht die de lidstaten binden en die betrekking hebben op de uitwisseling van persoonsgegevens tussen de lidstaten. Die regels blijven onverminderd gelden (overweging 94 Rl). De richtlijn bevat geen zelfstandige bevoegdheden of verplichtingen voor de uitwisseling van persoonsgegevens tussen de lidstaten, zodat de EU-rechtsinstrumenten die betrekking hebben op dergelijke bevoegdheden of verplichtingen van kracht blijven. Dit is niet anders dan onder het voormalige kaderbesluit dataprotectie (Kamerstukken II, 2010/11, 32 554, nr. 3, blz. 2). Dit artikel blijft daardoor ongewijzigd, behoudens enkele technische aanpassingen.

Eerste en tweede lid

Deze leden blijven vrijwel ongewijzigd om de implementatie te waarborgen van het Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad van 18 december 2006 betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie (PbEU 2006, L 386), dat naar de initiatiefnemende lidstaat ook wordt aangeduid als het «Zweeds kaderbesluit». Deze leden vinden hun oorsprong in het Besluit van 14 december 2007, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wpg in het Bpg (Stb. 2007, 550). Het eerste lid betreft implementatie van artikel 3, derde lid, van het Zweeds kaderbesluit en heeft een meer imperatief karakter tot doorzending. Het tweede lid, onderdeel a, verwijst naar de weigeringsgronden die op nationaal niveau gelden, ter uitvoering van artikel 15, tweede lid, Wpg. Deze weigeringsgronden zijn uitgewerkt in artikel 2:13 van het Bpg. De weigeringsgronden in de onderdelen b tot en met f, zijn te herleiden tot artikel 11, eerste en tweede lid, van het Zweeds kaderbesluit en de weigeringsgrond uit onderdeel g, tot artikel 4, vijfde lid, van datzelfde kaderbesluit. De wijzigingen in deze leden beperken zich dan ook tot een terminologische wijziging om het onderscheid met de doorgifte van politiegegevens aan derde landen te verduidelijken.

Derde lid

Dit lid bevat de verplichting tot verstrekking van politiegegevens aan personen en instanties in een andere lidstaat van de Europese Unie ter voorkoming van strafbare feiten en handhaving van de openbare orde in verband met grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie. Deze verplichting is in 2011 in het Bpg ingevoegd om de implementatie van het Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit te vervolledigen (Pb EU L 210/1) (Stb. 2011, 412). Dit lid blijft dientengevolge vrijwel ongewijzigd en bevat uitsluitend een technische wijziging.

Vierde tot en met zevende lid

Deze leden hebben betrekking op de verstrekking van politiegegevens aan andere lidstaten onder de voorwaarde dat die slechts kunnen worden verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn verstrekt, op de mogelijkheden tot verdere verwerking door de bevoegde autoriteit in de ontvangende lidstaat, op de vernietiging van ontvangen politiegegevens en op specifieke beperkingen aan de verdere verwerking van verstrekte politiegegevens. Deze leden zijn onderdeel van de implementatie van voorschriften uit het voormalige kaderbesluit dataprotectie. De richtlijn is minder dwingend en specifiek. De richtlijn biedt de mogelijkheid specifieke voorwaarden te stellen aan de verwerking van politiegegevens bij doorzending daarvan aan andere lidstaten of EU-organen. De voorwaarden kunnen bijvoorbeeld voorzien in een verbod om de persoonsgegevens aan anderen door te zenden, een verbod om deze gegevens voor andere doeleinden te gebruiken dan die waarvoor zij aan de ontvanger werden doorgezonden of een verbod de betrokkene zonder de voorafgaande instemming van de doorzendende autoriteit in kennis te stellen van de verwerking (overweging 36 Rl). Het is daarmee in beginsel aan de lidstaten om te bepalen welke voorwaarden aan doorzending worden verbonden, maar die mogen niet afwijken van de voorwaarden voor een vergelijkbare doorzending van persoonsgegevens binnen die lidstaat (art. 9, vierde lid, Rl).

Negende lid

Dit lid is vanwege het onderscheid tussen lidstaten en derde landen verplaatst van artikel 5:1 naar artikel 5:3, over de doorzending van politiegegevens aan andere lidstaten van de Europese Unie. Op de doorzending van politiegegevens in de grensgebieden, voortvloeiend uit een verdrag waar ook België of Duitsland als verdragsluitende partij bij betrokken zijn, zijn in beginsel de voorschriften van toepassing die gelden voor doorzending van politiegegevens aan de andere lidstaten. Dit betreft in het bijzonder het Verdrag tussen Nederland, België en Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden, dat op 8 juni 2004 te Luxemburg tot stand is gekomen (Trb. 2005, 35), dat de rechtstreekse verstrekking van gegevens uit politieregisters mogelijk maakt, alsmede het Verdrag tussen Nederland en Duitsland inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden, van 2 maart 2005 (Trb. 2005, 86 en 241), dat voorziet in de mogelijkheid van spontane gegevensverstrekking ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten. Een overeenkomstige regeling geldt voor de voorkoming van strafbare feiten of de handhaving van de openbare orde en veiligheid.

Onderdeel P (artikel 5:4)

De richtlijn bepaalt dat wanneer het recht van de lidstaat van de doorzendende bevoegde autoriteit specifieke verwerkingsvoorwaarden stelt, de ontvanger van die persoonsgegevens van de verwerkingsvoorwaarden en van de noodzaak tot eerbiediging daarvan in kennis wordt gesteld (art. 9, derde lid, Rl). In dit voorschrift ligt besloten dat de ontvanger die van specifieke verwerkingsvoorwaarden in kennis is gesteld, wordt geacht die voorwaarden ook te zullen eerbiedigen. Dit artikel bevat de voorschriften die de ontvanger van politiegegevens die uit een andere lidstaat afkomstig is dient na te leven. Specifieke verwerkingsvoorwaarden van het recht van de lidstaat van de doorzendende bevoegde autoriteit kunnen betrekking hebben op doelen en op vernietigingstermijnen, maar kunnen ook andere voorwaarden bevatten. Het is de lidstaat van ontvangst die de inhoud daarvan vaststelt. Ook de verplichting uit de richtlijn dat de ontvanger van specifieke verwerkingsvoorwaarden in kennis moet worden gesteld, vormt onderdeel van de wijzigingen.

Onderdeel Q (artikel 5.5)

De inhoud van dit artikel, over rechtstreeks geautomatiseerde verstrekking van politiegegevens binnen de EU, blijft onveranderd behoudens een technische wijziging. Politiegegevens worden niet langer «verstrekt» maar «doorgezonden» aan andere lidstaten.

Onderdeel R (artikel 5:6)

De wijzigingen in dit artikel zijn uitsluitend van technische aard. De doorzending van politiegegevens aan leden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam, als bedoeld in artikel 552qa van het Wetboek van Strafvordering, is nodig met het oog op de uitvoering van de op 29 mei 2000 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (Kamerstukken 28 351). Het EU-rechtshulpverdrag geeft in artikel 13, negende en tiende lid, een regeling voor het verkrijgen en gebruiken van gegevens uit politieregisters. Met dit artikel wordt aan die regeling uitvoering gegeven. Dit artikel blijft onveranderd gelden, met dien verstande dat de doorzending van politiegegevens aan een politieambtenaar uit een andere lidstaat, die aan een gemeenschappelijk EU-team is toegevoegd, is toegestaan als dat voor Nederlandse politieambtenaren eveneens en op gelijke voet is toegestaan. Onder doorzending op gelijke voet dient te worden verstaan dat bij verstrekking aan Nederlandse politieambtenaren geen andere voorwaarden worden gesteld dan bij doorzending aan politieambtenaar uit een andere lidstaat die aan een EU-team is toegevoegd. Hiermee wordt voldaan aan artikel 9, vierde lid, van de richtlijn, dat geen afwijkingen toelaat in de voorwaarden voor de ontvangers van persoonsgegevens in een andere lidstaat ten opzichte van die voor vergelijkbare doorzendingen binnen de betreffende lidstaat.

Onderdeel S (artikel 5:7)

Dit artikel heeft betrekking op de verstrekking van politiegegevens aan Europol. Het artikel dient mede ter implementatie van het Besluit 2009/371/JBZ van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese politiedienst (PbEU L 121/37, verder: Europolbesluit). Ook onder de richtlijn blijft het Europolbesluit van kracht, zodat de implementatie daarvan gewaarborgd dient te blijven. De directe rechtsbasis voor het ter beschikking stellen van politiegegevens aan Europol is gelegen in artikel 15a Wpg.

Onderdeel T (artikel 5:8)

Dit artikel heeft betrekking op de verstrekking van politiegegevens aan Eurojust. Het artikel dient mede ter implementatie van het Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken (PbEG L 63/1, verder: Eurojustbesluit). Nadien zijn enkele wijzigingen in het Eurojustbesluit aangebracht in Besluit 2009/426/JBZ van de Raad van 16 december 2008 inzake het versterken van Eurojust en tot wijziging van Besluit 2002/187/JBZ betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken (PbEG L 138/14). Ook onder de richtlijn blijft het Eurojustbesluit van kracht, zodat de implementatie daarvan gewaarborgd dient te blijven. Voor de wijzigingen in het eerste lid geldt hetgeen is opgemerkt ter toelichting op het vervallen van artikel 5:7, eerste lid, eerste volzin, Bpg.

Onderdeel U (artikelen 5:9 en 5:10)
Artikel 5:9

Het voormalige kaderbesluit dataprotectie bevatte een regeling voor de doorgifte van politiegegevens, die van een andere lidstaat zijn verkregen, aan een derde land (een derde EU-lidstaat of een land buiten de EU) of een internationaal orgaan. Deze regeling was in dit artikel geïmplementeerd. Ter implemtatie van de richtlijn is deregeling voor doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen of internationale organisaties in de wet opgenomen (art. 17a Wpg). Daarmee komt dit artikel te vervallen.

Artikel 5:10

Dit artikel komt eveneens te vervallen. In tegenstelling tot het voormalige kaderbesluit dataprotectie bevat de richtlijn geen voorschriften die specifiek betrekking hebben op de verstrekking van persoonsgegevens, die van een andere lidstaat zijn ontvangen, aan personen of instanties met een particuliere taak. Persoonsgegevens die door bevoegde autoriteiten voor de in artikel 1, lid 1 van de richtlijn omschreven doeleinden worden verzameld, worden niet verwerkt voor andere doeleinden, tenzij die verwerking krachtens het Unierecht of het lidstatelijke recht is toegestaan. Wanneer persoonsgegevens voor zulke andere doeleinden worden verwerkt, is Verordening (EU) 2016/679 van toepassing (art. 9, eerste lid, Rl). Hierbij is ook van belang of bij vergelijkbare binnenlandse verstrekking van persoonsgegevens verdere verwerking van die gegevens door personen of instanties met een particuliere taak is toegestaan. Indien dat bij binnenlandse verstrekking wordt toegestaan, dan zal bij het stellen van voorwaarden aan doorzending aan een andere lidstaat dit eveneens betrokken dienen te worden (art. 9, vierde lid, Rl).

Onderdeel V (artikelen 6:1a en 6:1b)
Artikel 6:1a

De verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker zijn op grond van de Wpg gehouden passende technische en organisatorische maatregelen te treffen (art. 4a, eerste lid, Wpg). Die maatregelen dienen een beveiligingsniveau te waarborgen dat op het risico is afgestemd, met name met betrekking tot de verwerking van de bijzondere categorieën van politiegegevens, bedoeld in artikel 5 Wpg (art. 4a, tweede lid, Wpg). Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen (art. 4a, zesde lid, Wpg). Met dit (nieuwe) artikel wordt hieraan uitvoering gegeven. Uit het eerste lid volgt dat de verantwoordelijke getroffen maatregelen evalueert en actualiseert die waarborgen en kunnen aantonen dat de verwerking van politiegegevens wordt verricht in overeenstemming met hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald. Hiermee wordt periodiek vastgesteld of getroffen beveiligingsmaatregelen in de praktijk nog steeds passen bij de risico’s die de verwerking en de aard van de te verwerken gegevens met zich meebrengen, daarbij tevens rekening houdend met de stand van de techniek. Wanneer zulks in verhouding staat tot de verwerkingsactiviteiten omvatten de te treffen maatregelen de uitvoering van een passend gegevensbeschermingsbeleid door de verwerkingsverantwoordelijke. Deze verplichting volgt uit artikel 19, tweede lid, van de richtlijn. Het derde lid bevat een samenstel aan door de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker te treffen maatregelen met het oog op de beveiliging bij geautomatiseerde verwerking. Die maatregelen worden in artikel 29, tweede lid, van de richtlijn opgesomd. De in de onderdelen a tot en met j opgesomde maatregelen hebben betrekking op het volgende: controle op de toegang tot de apparatuur, controle op de gegevensdragers, opslagcontrole, gebruikerscontrole, controle op de toegang tot de gegevens, transmissiecontrole, invoercontrole, transportcontrole, herstel, betrouwbaarheid en integriteit. Bij het treffen van de maatregelen dienen de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker rekening te houden met de aard, de reikwijdte, de context en de doeleinden van de verwerking, alsmede met de qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico’s voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen (art. 4a, derde lid, Wpg). Door middel van een risicoanalyse kan inzicht worden gekregen in wat passende beveiligingsmaatregelen zijn. De toepassing van beveiligingsstandaarden vormt veelal de basis voor de uitvoering van deze maatregelen. Voor de rijksoverheid vervult de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst (BIR) hierin een belangrijke rol. De BIR bevat een basisset aan normen, eisen en maatregelen aangaande de digitale informatiehuishouding van de rijksdienst. De BIR is gestructureerd volgens de Code voor Informatiebeveiliging (nen-iso/iec 27002:2007 nl) die, samen met een andere daarmee verband houdende standaard (nen-iso/iec 27001:2005 nl), onderdeel is van een lijst met open standaarden van het College en Forum Standaardisatie. Voor de op die lijst geplaatste open standaarden geldt een «pas-toe-of-leg-uit- regime», zodat de rijksdiensten in beginsel gehouden zijn deze standaarden toe te passen in het kader van informatiebeveiliging.

Artikel 6:1b

De verwerkingsverantwoordelijke kan voor de verwerking van persoonsgegevens een verwerker inschakelen. In dat geval mag de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitend gebruik te maken van een verwerker die afdoende garandeert dat de passende maatregelen en procedures zodanig worden geïmplementeerd dat bij de verwerking wordt voldaan aan het bij of krachtens Wpg bepaalde en de rechten van de betrokkene worden gewaarborgd (art. 6c, eerste lid, Wpg). De uitvoering van verwerkingen door een verwerker wordt in een schriftelijke overeenkomst of rechtshandeling geregeld die de verwerker aan de verantwoordelijke bindt. In veruit de meeste gevallen zal die inhoud worden vastgelegd door middel van een wederzijds bindende overeenkomst tussen verwerkingsverantwoordelijke en verwerker. De richtlijn onderscheidt daarnaast ook andere bindende rechtshandelingen, waarbij mogelijk gedacht kan worden aan de verlening van een volmacht. De verwerkingsverantwoordelijke heeft geen volledige vrijheid om de inhoud van een overeenkomst of bindende rechtshandeling te bepalen. Op grond van artikel 22, derde lid, van de richtlijn dient daarin het onderwerp en de duur van de verwerking, de aard en het doel van de verwerking, het soort gegevens waarop de wet van toepassing is, de categorieën van betrokkenen (niet te verwarren met de verplichting tot het, in voorkomend geval en voor zover mogelijk, maken van een duidelijk onderscheid tussen politiegegevens betreffende verschillende categorieën van betrokkenen, op grond van artikel 6b van de wet) en de verplichtingen en de rechten van de verwerkingsverantwoordelijke te worden vastgesteld. Deze omschrijving van de inhoud is in dit (nieuwe) artikel geïmplementeerd en overeenkomstig het bepaalde in de richtlijn nader uitgewerkt in de onderdelen a tot en met f. Deze onderdelen hebben betrekking op de instructiebevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijke, de vertrouwelijkheid door gemachtigde personen, de bijstand door de verwerker, de afdoening van gegevens door de verwerker na afloop van dienstverlening, de informatiedeling door de verwerker aan de verwerkingsverantwoordelijke en de inschakeling door de verwerker van een andere verwerker. Onderdeel b heeft betrekking op de in de overeenkomst of rechtshandeling op te nemen zorgplicht van de verwerker dat de tot het verwerken van gegevens gemachtigde personen zich verplichten vertrouwelijkheid in acht te nemen. Artikel 7, eerste lid, Wpg bepaalt dat de ambtenaar van politie of de persoon aan wie politiegegevens ter beschikking zijn gesteld verplicht is tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift tot verstrekking verplicht, de bepalingen van paragraaf 3 verstrekking toelaten of de politietaak in bijzondere gevallen tot verstrekking noodzaakt. Daarmee bevat de Wpg een wettelijke verplichting inzake geheimhouding waarvan in een overeenkomst met een verwerker van politiegegevens niet kan worden afgeweken.

Onder voorwaarden is het een verwerker toegestaan zelf een andere verwerker in te schakelen, bijvoorbeeld voor een specifiek deel van de werkzaamheden die op de verwerking van politiegegevens betrekking hebben (onderdeel f). Dit is niet mogelijk zonder de voorafgaande specifieke of algemene schriftelijke toestemming van de verwerkingsverantwoordelijke waarbij ingeval van een algemene toestemming aanvullend een specifieke informatieverplichting geldt, met de mogelijkheid van bezwaar door de verwerkingsverantwoordelijke (art. 6c, vierde lid, Wpg). Daarnaast geldt het vereiste dat in de overeenkomst of andere rechtshandeling tussen de beide verwerkers de verplicht voorgeschreven inhoud van dit artikel wordt vastgelegd.

Onderdeel W (artikel 6:2)

In het tweede lid is geregeld dat over de verwerkingen bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, tevoren schriftelijk wordt vastgelegd welke van de betreffende gegevens voor de politie rechtstreeks raadpleegbaar worden gesteld en welke aan de politie ter beschikking worden gesteld voor zover zij deze nodig heeft voor de uitvoering van de politietaak. Dit onderscheid heeft betrekking op het bijhouden van de centrale administratie met betrekking tot vergunningen. Gelet op het specialistische karakter van de vergunninggegevens brengen de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid mee dat deze gegevens niet landelijk raadpleegbaar worden gesteld maar ter beschikking worden gesteld aan geautoriseerde personen voor zover zij deze behoeven voor de uitvoering van de politietaak (Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, blz. 61). Het verlenen van vergunningen op basis van de betreffende bijzondere wetten (Wet wapens en munitie, de Wet natuurbescherming, de Wet particuliere beveiligings- en recherchebureaus en de Wet explosieven voor civiel gebruik) behoort echter tot de taken ten dienste van de justitie, zodat de gegevensverwerking door dit doel voortaan onder het toepassingsgebied van de AVG valt. Dit betekent dat het onderscheid tussen het raadpleegbaar en ter beschikking stellen van politiegegevens achterhaald is zodat deze bepaling komt te vervallen. Dit strekt tevens tot aanpassing van de verwijzing in het derde lid.

Onderdeel X (artikel 6:3)

De richtlijn verplicht tot kosteloze verstrekking van bepaalde informatie, met inbegrip van informatie die met een beroep op het inzagerecht kan worden verkregen (art. 12, vierde lid, Rl). Op grond van de richtlijn is het niet langer mogelijk een kostenvergoeding in rekening te brengen voor het op verzoek mededeling doen aan een betrokkene over de verwerking van politiegegevens over hem. Als gevolg daarvan is artikel 31 Wpg vervallen, dat voorzag in de mogelijkheid een vergoeding van de kosten te verlangen die niet hoger is dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag. Het vervallen van de grondslag in de Wpg voor het vaststellen van een vergoeding van de kosten heeft tot gevolg dat ook dit artikel vervalt, waarin die vergoeding voor het doen van mededelingen in verband met verwerking van politiegegevens is vastgesteld.

Onderdeel Y

Dit betreft een technische wijziging, in verband met de aanpassing van het opschrift van artikel 32 Wpg.

Onderdeel Z

Verwezen wordt naar de toelichting op de onderdelen A tot en met C.

Onderdeel AA

In artikel 6:6 wordt verwezen naar het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties. De vervanging van deze verwijzing door een verwijzing naar de Financiële inlichtingen eenheid is toegelicht bij onderdeel D.

Onderdeel AB (artikel 6a:2)

Dit betreffen technische wijzigingen, in verband met de vervanging van het begrip «verantwoordelijke» door «verwerkingsverantwoordelijke» en de vernummering in enkele artikelen van de Wpg.

Onderdeel AC

Dit betreft een technische wijziging.

Onderdeel AD

Dit betreffen technische wijzigingen. De verwijzing naar de Financiële inlichtingen eenheid is toegelicht bij onderdeel D.

Artikel II (Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens)

Onderdeel A (artikelen 1a tot en met 1c)

In de Wjsg zijn verplichtingen vastgelegd tot het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen en van de voorwaarden waaronder een verwerkingsverantwoordelijke een verwerker kan inschakelen. Voorgesteld wordt de uitwerking van deze verplichtingen op te nemen in een afzonderlijk hoofdstuk van het Bjsg omdat de bestaande hoofdstukken geheel andere onderwerpen betreffen, zoals de inhoud van justitiële gegevens, de verstrekking van gegevens, de verklaring omtrent gedrag, de afkomst van de rapporten die persoonsdossiers vormen en kosten.

Voorgesteld wordt het nieuw in te voegen hoofdstuk aan het begin van het Bsjg op te nemen omdat dit van toepassing is op alle in de Wjsg te onderscheiden categorieën van persoonsgegevens: justitiële gegevens, strafvorderlijke gegevens, persoonsgegevens in persoonsdossiers, tenuitvoerleggingsgegevens en gerechtelijke strafgegevens. Dit is vastgelegd in artikel 1a Bjsg.

Artikel 1b Bjsg bevat een uitwerking van de verplichting in de Wjsg voor de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker tot het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen die een beveiligingsniveau waarborgen dat op het risico is afgestemd. Deze verplichting is voor justitiële gegevens vastgelegd in artikel 7, eerste en tweede lid, Wjsg en van overeenkomstige toepassing verklaard op de in de artikelen 39c, eerste lid, 40, derde lid, 51b, eerste lid en 51f, eerste lid, Wjsg, bedoelde gegevens. De inhoud van het ingevoegde artikel komt overeen met artikel 6:1a Bpg, zodat kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting op dat artikel.

Artikel 1c Bjsg bepaalt de inhoud van een overeenkomst of andere rechtshandeling die de verwerker aan een verwerkingsverantwoordelijke bindt. Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de toelichting op artikel 6:1b Bpg. De wettelijke geheimhoudingsplicht waaraan in die toelichting wordt gerefereerd is voor onder de Wjsg vallende gegevens vastgelegd in artikel 52 Wjsg.

Onderdeel B (opschrift hoofdstuk 3)

De wijzigingen in hoofdstuk 3 van het Bjsg over verstrekking van gegevens beperken zich niet tot justitiële en strafvorderlijke gegevens en rapporten in persoonsdossiers, maar hebben deels ook betrekking op tenuitvoerleggingsgegevens en gerechtelijke strafgegevens. De verruiming van het toepassingsbereik is in de titel van hoofdstuk 3 tot uitdrukking gebracht.

Onderdeel C (artikel 11b)

Dit betreft een technische wijziging. De richtlijn hanteert het begrip «verwerkingsverantwoordelijke» (art. 3, onder 8, Rl), in plaats van het huidige begrip «verantwoordelijke».

Onderdeel D (artikel 31)

Zoals in het algemeen deel aan de orde is gekomen, is de reikwijdte van de Wjsg verruimd met de verwerking van de tenuitvoerleggingsgegevens en de gerechtelijke strafgegevens door de verwerkingsverantwoordelijke. In het licht van de richtlijn heeft de verruimde reikwijdte van de Wjsg ook betrekking op de verstrekking van deze gegevens ten behoeve van beleidsinformatie, wetenschappelijk onderzoek en statistiek. Op grond van de Wjsg worden daarover nadere regels gesteld (art. 15 jo. 39, 51b respectievelijk 51f Wjsg). Met de wijziging van dit artikel wordt de mogelijkheid van verstrekking van tenuitvoerleggingsgegevens en gerechtelijke strafgegevens voor die doeleinden gerealiseerd.

Eerste lid

De op grond van dit lid vereiste schriftelijke toestemming door Onze Minister van Justitie en Veiligheid onderscheidenlijk het College van procureurs-generaal voor verstrekking van justitiële en strafvorderlijke gegevens blijft onverminderd gelden, met dien verstande dat die toestemming zich door de wijziging in dit lid ook uitstrekt tot de verstrekking van tenuitvoerleggingsgegevens.

Tweede lid

In het tweede lid wordt bepaald dat die toestemming voor gerechtelijke strafgegevens eveneens is vereist, maar in dat geval van het bestuur van een gerecht, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie, dat voor die gegevens verwerkingsverantwoordelijke is. Deze bepaling waarborgt dat deze toestemming niet buiten de rechtspraak om gegeven kan worden.

Derde tot en met vijfde lid

De tot het derde tot en met vijfde lid vernummerde leden bevatten uitsluitend redactionele wijzigingen. Inhoudelijk blijven die leden aldus ongewijzigd, waaronder ook de gronden voor het verlenen van toestemming tot verstrekking.

Onderdeel E (opschrift paragraaf 5)

Voor een toelichting op dit onderdeel wordt verwezen naar de toelichting bij de wijziging van het opschrift van paragraaf 5 van het Bpg.

Onderdeel F (artikel 32)

Het gewijzigde artikel heeft betrekking op de doorgifte aan de bevoegde autoriteit in een derde land of aan een internationale organisatie. Het begrip derde land en lidstaat sluiten elkaar uit, zodat de voorschriften zich niet uitstrekken tot doorzending van persoonsgegevens aan andere lidstaten. De voorschriften in dit artikel over de controle van de kwaliteit van justitiële en strafvorderlijke gegevens en de verstrekking van informatie over de juistheid, volledigheid, actualiteit en betrouwbaarheid daarvan, keren niet terug. Dit is voor de verschillende categorieën aan gegevens reeds geregeld in de Wjsg (art. 3, vijfde lid, 39c, eerste lid, 40, derde lid, 51b, eerste lid en 51f, Wjsg). Ook het voorschrift over de verstrekking van onjuiste gegevens komt te vervallen. Dit is voor de verschillende categorieën van gegevens eveneens reeds geregeld in de Wjsg (art. 22, vijfde lid, 24, eerste lid, 39m, vijfde lid, 39o, 48, 46, vijfde lid, 51b, eerste lid en 51f, Wjsg).

Eerste lid

Dit lid heeft betrekking op de uitwerking van het beginsel van doelbinding voor de doorgifte van de onderscheidenlijke categorieën gegevens aan derde landen en internationale organisaties. Het toepassingsbereik van dit lid is uitgebreid met tenuitvoerleggingsgegevens. Voor zover voor die gegevens de verwerkingsverantwoordelijkheid bij de Minister van Justitie en Veiligheid berust, voorziet dit lid in de tussenkomst van een onder de Minister ressorterende aangewezen persoon bij de doorgifte.

Tweede lid

Het tweede lid heeft specifiek betrekking op de doorgifte van gerechtelijke strafgegevens. De verwerkingsverantwoordelijkheid voor die gegevens berust bij de gerechten. In het licht van de onafhankelijkheid van de rechtspraak is de doorgifte van die gegevens niet afhankelijk gesteld van de tussenkomst door de officier van justitie onderscheidenlijk de Minister van Justitie en Veiligheid.

Derde lid

Het derde lid regelt dat de gegevens worden verstrekt onder de voorwaarde dat deze door de ontvangende autoriteit worden vernietigd zodra de doeleinden zijn verwezenlijkt. Deze voorwaarde geldt reeds voor doorgiften aan andere lidstaten (art. 38, tweede lid, Bjsg). Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is deze voorwaarde ook van toepassing op doorgiften aan derde landen.

Onderdeel G (artikel 33)
Eerste lid

Dit lid voorziet in een verplichting tot onmiddellijke beoordeling of gegevens, die zonder voorafgaand verzoek worden ontvangen van een ander land of van een internationaal orgaan, noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt. Voorgesteld wordt het toepassingsbereik van dit lid uit te breiden met de tenuitvoerleggingsgegevens, waarbij de verplichting van toepassing is op de persoonsgegevens die zijn ontvangen van derde landen.

Tweede en derde lid

Voorgesteld wordt de verplichtingen tot het toezien op het in acht nemen van specifieke beperkingen op de verwerking van de van een derde land ontvangen persoonsgegevens en tot het informeren van de verstrekkende instantie over de verwerking van de verstrekte gegevens en het daardoor behaalde resultaat ook van toepassing te doen zijn op tenuitvoerleggingsgegevens. Voor de ontvangst van persoonsgegevens van andere lidstaten wordt in eenzelfde verplichting voorzien, daarvoor wordt verwezen naar artikel 38 Bjsg.

Onderdeel H (opschrift paragraaf 6)

Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5:2 van het Bpg.

Onderdeel I (artikel 34)
Eerste lid

De wijziging in dit lid is van redactionele aard. Dit lid heeft betrekking op het op eigen initiatief onverwijld doorzenden van justitiële gegevens die betrekking hebben op een onherroepelijke veroordeling of een onherroepelijke strafbeschikking van een onderdaan van een andere lidstaat aan de centrale autoriteit van die lidstaat, voor zover deze onherroepelijke beslissingen zien op misdrijven of op overtredingen indien daarbij een vrijheidsstraf is opgelegd. Deze bepaling strekt tot implementatie van artikel 4, tweede lid, van het kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 26 februari 2009 inzake de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten (PbEU L 93/23, verder: kaderbesluit uitwisseling gegevens uit het strafregister). Het begrip centrale autoriteit is gedefinieerd in artikel 1, onderdeel c, van het Bjsg en is te onderscheiden van het begrip bevoegde autoriteit als bedoeld in de richtlijn. Een centrale autoriteit dient door een lidstaat ter uitvoering van het kaderbesluit uitwisseling gegevens uit het strafregister te worden aangewezen. In Nederland is dit de Justitiële Informatiedienst.

Tweede lid

Dit lid komt te vervallen. De Justitiële Informatiedienst als centrale autoriteit voor Nederland valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 24, eerste lid, van de Wjsg bepaalt dat indien de Minister van Justitie en Veiligheid heeft vastgesteld dat onjuiste justitiële gegevens zijn verstrekt, of dat de justitiële gegevens onrechtmatig zijn verstrekt hij de ontvangers onverwijld hiervan in kennis stelt. In dat geval dienen de gegevens te worden gerectificeerd, vernietigd of te worden afgeschermd. Daarmee is dit lid overbodig. Een centrale autoriteit die de gegevens heeft ontvangen is een ontvanger in de zin van de Wjsg.

Onderdeel J (artikel 35)

De wijzigingen in dit artikel zijn van redactionele aard. Het artikel is inhoudelijk ongewijzigd om een volledige en juiste implementatie van bepalingen uit verscheidene EU-besluiten te waarborgen. Dit betreft het kaderbesluit uitwisseling gegevens uit het strafregister alsmede het Besluit 2009/316/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 6 april 2009 betreffende de oprichting van het Europees Strafregister Informatiesysteem overeenkomstig artikel 11 van het kaderbesluit (PbEU L 93/33, verder: ECRIS-besluit). Het European Criminal Record Information System, ECRIS, heeft als doel te voorzien in een geautomatiseerd systeem voor de gestandaardiseerde uitwisseling van gegevens uit de nationale strafregisters. Het tweede lid strekt tot implementatie van artikel 10, derde lid, van de richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PbEU L 335), en wordt vanwege de implementatie van de richtlijn redactioneel gewijzigd.

Onderdeel K (artikel 36)
Eerste lid

De wijzigingen in dit artikel betreffen het doorzenden van gegevens, die onder het toepassingsbereik van de richtlijn vallen, aan bevoegde autoriteiten uit andere lidstaten en de voorwaarden die daarbij in acht genomen dienen te worden. De voorafgaande artikelen uit paragraaf 6 van het Bjsg hebben specifiek betrekking op de doorzending van justitiële gegevens aan een centrale autoriteit van een andere lidstaat (uit eigener beweging of verplicht op verzoek), ter implementatie van het ECRIS-besluit. Dit lid omvat ook de doorzending van andere categorieën gegevens, dit betreft uitsluitend het op verzoek kunnen doorgeven van gegevens, en is gericht op doorzending aan de bevoegde autoriteiten in andere lidstaten. Uit dit lid volgt verder dat de doorzending van gegevens uitsluitend mogelijk is onder voorwaarde dat deze slechts kunnen worden verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn doorgezonden en, indien aanleiding bestaat tot het stellen van grenzen aan de verdere verwerking, binnen die grenzen. Waar in dit lid wordt gesproken over «het doel waarvoor ze zijn doorgezonden» slaat dit voor de justitiële gegevens terug op de doelen uit artikel 35, eerste en tweede lid, Bjsg. Dit is niet anders dan voorheen.

Tweede lid

Met dit lid wordt voor strafvorderlijke, tenuitvoerleggingsgegevens en gerechtelijke strafgegevens bepaald dat de tussenkomst van bepaalde autoriteiten is vereist voordat mag worden overgegaan tot doorzending aan bevoegde autoriteiten in andere lidstaten. Voor justitiële gegevens is geen tussenkomst van een andere autoriteit vereist, op grond van het ECRIS-besluit zijn de lidstaten verplicht justitiële gegevens over onherroepelijke veroordelingen te verstrekken in geval van een verzoek ten behoeve van een strafrechtelijke procedure.

Derde lid

Dit lid betreft vernummering van voorheen het tweede lid en regelt dat justitiële gegevens tevens verder kunnen worden verwerkt ten behoeve van de voorkoming van een onmiddellijke en ernstige bedreiging van de openbare veiligheid. Deze mogelijkheid vloeit voort uit artikel 9, derde lid, van het ECRIS-besluit. Voor een toelichting op het vierde en vijfde lid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5:3, vierde tot en met zevende lid, Bpg.

Onderdeel L (artikel 38)

Vanwege de implementatie van de richtlijn zijn de verplichtingen tot het toezien op het in acht nemen van specifieke beperkingen op de verwerking van de van een derde land ontvangen gegevens eveneens van toepassing op tenuitvoerleggingsgegevens. Daartoe wordt voorgesteld een nieuw (eerste) lid in te voegen. Ditzelfde geldt voor de verplichting de ontvangen gegevens te vernietigen zodra het doel, bedoeld in het eerste lid, is vervuld of, indien door de verstrekkende lidstaat op grond van het nationale recht termijnen zijn gesteld na afloop waarvan de verstrekte gegevens moeten worden vernietigd, na afloop van die termijn. Verder wordt de terminologie in overeenstemming gebracht met die van de richtlijn.

Onderdeel M (artikelen 39 en 40)

Voor een toelichting op het vervallen van artikel 39 over de doorgifte van justitiële en strafvorderlijke gegevens, die van een andere lidstaat zijn verkregen, aan een derde land (een derde EU-lidstaat of een land buiten de EU) wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5:9 Bpg. Uitgangspunt bij doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen of internationale organisaties is dat die doorgifte niet ten koste mag gaan van het beschermingsniveau voor natuurlijke personen waarin met de richtlijn wordt voorzien (overweging 64 Rl). Het regime van de richtlijn ter bescherming van dit niveau is geïmplementeerd in de wet, dit betreft de artikelen 16b, 39ga, tweede lid, 42a, tweede lid, 51b, eerste lid en 51f, eerste lid, Wjsg. Voor een toelichting op het vervallen van artikel 40, over de doorgifte aan een instantie met een particuliere taak, wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5:10 Bpg.

Onderdeel N (artikelen 41 en 42)

Voor een toelichting op de wijzigingen in de artikelen over verstrekking van gegevens aan Europol en Eurojust wordt verwezen naar de toelichting op de artikelen 5:7 en 5:8 Bpg.

Onderdeel O (artikel 47a)

Met dit artikel zijn de verplichtingen die betrekking hebben op justitiële gegevens, strafvorderlijke gegevens en tenuitvoerleggingsgegevens en die voortvloeien uit de richtlijn, van overeenkomstige toepassing op de persoonsgegevens die in een persoonsdossier zijn verwerkt. Dit betreft de doelbinding van de doorzending van justitiële en strafvorderlijke gegevens aan een derde land (art. 32, eerste lid, Bjsg), de verplichtingen tot onmiddellijke beoordeling of justitiële gegevens, strafvorderlijke gegevens en tenuitvoerleggingsgevens die zonder voorafgaand verzoek worden ontvangen van een derde land, noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt, tot het toezien op het in acht nemen van specifieke beperkingen op de verwerking van de van een derde land ontvangen gegevens en tot het informeren van de verstrekkende instantie over de verwerking van de verstrekte gegevens en het daardoor behaalde resultaat (art. 33 Bjsg), de doorzending van justitiële gegevens aan de centrale autoriteit van een andere lidstaat ten behoeve van een strafrechtelijke procedure (art. 35 Bjsg), de doelbinding en het stellen van nadere voorwaarden rond de doorzending van justitiële gegevens, strafvorderlijke gegevens, tenuitvoerleggingsgevens en gerechtelijke strafgegevens aan een andere lidstaat (art. 36 Bjsg) en de doelbinding en verplichting tot vernietiging met betrekking tot dergelijke gegevens die zijn ontvangen van een andere lidstaat (art. 38 Bjsg).

Onderdeel P (artikel 48)

Voor een toelichting op het vervallen van het voormalige eerste lid van dit artikel (kostenvergoeding voor het mededeling doen aan een betrokkene over de verwerking van bepaalde gegevens) wordt verwezen naar de toelichting op artikel 6:3 Bpg.

De wijziging in het tweede lid betreft het herstel van een onjuiste verwijzing. Met het Besluit van 23 maart 2012, tot implementatie van het voormalige kaderbesluit gegevensbescherming opsporing en vervolging1 is artikel 30bis van het voormalige Besluit justitiële gegevens vernummerd tot artikel 31 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens (Artikel II, onderdeel E).

Artikel III (Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten)

Onderdeel A (artikel 1, onderdeel c)

Dit betreft een technische wijziging en een correctie van de aanwijzing van de verwerkingsverantwoordelijke. De technische wijziging vloeit er uit voort dat de richtlijn het begrip «verwerkingsverantwoordelijke» hanteert (art. 3, onder 8, Rl), in plaats van het huidige begrip «verantwoordelijke». De correctie van de aanwijzing van de verwerkingsverantwoordelijke betreft de actualisering vanwege de herindeling van de ministeries en de wijziging van de benaming van enkele bijzondere opsporingsdiensten.

Onderdeel B (artikel 2)

Dit betreft in de eerste plaats een wijziging van meer technische aard. De huidige tekst van artikel 2, eerste lid, BpgBod’en impliceert dat paragraaf 5a Wpg met betrekking tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba (art. 36a tot en met 36g Wpg) ook van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens door de Bod’en. Dit is uiteraard niet het geval. Met de wijziging wordt dit verhelderd.

Dit betreft in de tweede plaats een aanpassing van de uitzondering op de lijst van personen en instanties die in aanmerking kunnen komen voor de verstrekking van politiegegevens, op grond van artikel 4:2 Bpg. Dit betreffen politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8 en 13, eerste lid, Bpg. Inmiddels is de Directie Opsporing van de Inspectie SZW belast met de bestrijding van mensenhandel. In dat kader komt deze Bod in aanraking met minderjarigen die mogelijk zorg behoeven. Op grond van artikel 4:2, eerste lid, onderdeel i, Bpg kan de politie in een dergelijk geval hiervan melding doen bij het college van burgemeester en wethouders, het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK) en gecertificeerde instellingen die kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering uitvoeren, zoals het bureau NIDOS (Stb. 2014, 441). Met de aanpassing is deze verstrekkingsgrond ook van toepassing op de Bod’en, zodat de verstrekking van politiegegevens mogelijk is voor de Directie opsporing van de Inspectie SZW.

Onderdeel C (artikel 3)
Tweede en derde lid

Op grond van artikel 46 van de Wpg is de verwerking van de politiegegevens beperkt tot een opsporingsambtenaar die werkzaam is bij een Bod. Deze beperking is echter niet goed werkbaar, omdat het voor sommige verwerkingen noodzakelijk is te kunnen beschikken over de ondersteuning door personen die eveneens onder het beheer van de verwerkingsverantwoordelijke als werkgever vallen, maar die niet beschikken over opsporingsbevoegdheid. Voor dergelijke vormen van gegevensverwerking kan worden gedacht aan het afhandelen van verzoeken om inzage door de betrokkene, het behandelen van bezwaar- of beroepschriften, het verrichten van administratieve werkzaamheden met betrekking tot processen-verbaal of het verrichten van analyses op opsporingsgegevens. Met de regeling wordt aangesloten bij de regeling voor de boa’s, in het Besluit politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaren (art. 3 BpgBoa’s). Voor de nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3 van dat besluit.

Artikel IV

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Gelet op de uiterste implementatiedatum van de richtlijn op 6 mei 2018 kan het beleid inzake vaste verandermomenten niet worden gevolgd, zowel ten aanzien van het moment van inwerkingtreding als het moment van publicatie (Ar. 4.17, vijfde lid, onderdeel d).

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Besluit van 23 maart 2012, houdende aanpassing van het Besluit politiegegevens en het Besluit justitiële gegevens in verband met implementatie van het kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (PbEU L 350), het Besluit 2009/371/JBZ van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese politiedienst (Europol) (PbEu L 121), het kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten (PbEU L 93/23) en het Besluit 2009/316/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 6 april 2009 betreffende de oprichting van het Europees Strafregister Informatiesysteem (ECRIS) overeenkomstig artikel 11 van het kaderbesluit 2009/315/JBZ (PbEU L 93/33) (Stb. 2012, 130).

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbij behorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.