Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatsblad 2011, 412AMvB

Besluit van 29 augustus 2011, houdende aanpassing van het Besluit politiegegevens met het oog op de verstrekking van politiegegevens aan personen of instanties ten behoeve van een zwaarwegend algemeen belang

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 23 juni 2011, nr. 5699506/11/6;

Gelet op de artikelen 17, zesde lid, en 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 juli 2011, nr. W03.11.0237/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, mede namens Onze Minister van Defensie van 23 augustus 2011, nr. 5707443/11/6

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit politiegegevens wordt als volgt gewijzigd:

A

In het opschrift van paragraaf 3 wordt «Themaverwerking ernstige misdrijven» vervangen door: Gegevensverwerking ernstige misdrijven.

B

Artikel 4:2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel g komt te luiden:

  • g. reclasseringswerkers als bedoeld in artikel 6 van de Reclasseringsregeling 1995, ten behoeve van het uitvoeren van de werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 3 van die Regeling en de indicatiestelling ten behoeve van de forensische zorg.

2. Onderdeel i komt te luiden:

  • i. de stichting, bedoeld in artikel 1, van de Wet op de jeugdzorg, ten behoeve van de uitvoering van één van de taken als bedoeld in artikel 5, eerste lid, en artikel 10, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van die wet of een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aanvaarde rechtspersoon, bedoeld in de artikelen 254, tweede lid, en 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, ten behoeve van de uitvoering van één van de taken als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op de jeugdzorg.

3. In onderdeel r wordt de punt aan het slot vervangen door een puntkomma.

4. Er worden zes onderdelen toegevoegd, luidende:

  • s. een verzekeringsmaatschappij of de Minister van Defensie, ten behoeve van de beoordeling van de wettelijke aansprakelijkheid van het desbetreffende politiekorps of van de Minister van Defensie en de vaststelling van een verplichting tot schadeloosstelling van derden;

  • t. het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, ten behoeve van het opstellen van de rapportages pro justitia en de indicatieadvisering;

  • u. de leden van een commissie als bedoeld in artikel 61, tweede lid, onderdeel a, van de Politiewet 1993, die zijn belast met de behandeling van, en advisering over, klachten over gedragingen van ambtenaren van politie, en de personen die zijn belast met de ondersteuning van de leden van die commissie;

  • v. het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, ten behoeve van de huisvesting van een vreemdeling en de handhaving van de orde en veiligheid in het aanmeldcentrum;

  • w. het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, voor wat betreft gegevens over de verblijfplaats van een persoon, ten behoeve van de inning van bijdragen of uitkeringen, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen;

  • x. de Minister van Defensie, ten behoeve van het nemen van een beslissing over de ongeldigverklaring van een door die minister afgegeven militair rijbewijs of rijmachtiging.

C

Artikel 4:3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan onderdeel a wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • de tenuitvoerlegging van een maatregel als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, door het Centraal Justitieel Incassobureau.

b. Onderdeel i komt te luiden:

  • i. de burgemeester en de commissaris van de Koning, ten behoeve van hun adviserende taak, bedoeld in het Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau en Onze Minister van Defensie met het oog op de toekenning van bij koninklijk besluit te verlenen onderscheidingen;

c. Er wordt een nieuw onderdeel k ingevoegd, luidende:

  • k. Onze Minister van Defensie en de onder hem ressorterende bevelvoerende militairen van een oorlogsschip, inrichting van de zeemacht, compagnie, eskadron, batterij of squadron of een hogere eenheid, voor zover het betreft gegevens omtrent:

    • 1°. de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen jegens een militair, ten behoeve van het nemen van maatregelen met betrekking tot de operationele gereedheid van de eenheid; of

    • 2°. de betrokkenheid van een militair bij de verdenking van een overtreding van de Opiumwet of een misdrijf, ten behoeve van het nemen van besluiten inzake schorsing of ontslag van militaire ambtenaren, als bedoeld in artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931.

2. Het tweede, derde en vierde lid komen te luiden:

  • 2. Politiegegevens, als bedoeld in het eerste lid kunnen, door tussenkomst van het openbaar ministerie, worden verstrekt aan de hierna te noemen personen of instanties:

    • a. De Nederlandsche Bank N.V., ten behoeve van:

      • 1°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 5 van het Besluit prudentiële regels Wft, ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in de artikelen 3:9, eerste lid, en 3:99, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht en ter beoordeling van de integere bedrijfsuitoefening onderscheidenlijk de integere bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 3:10, eerste lid, en 3:17, eerste lid, van die wet;

      • 2°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel inzake de betrouwbaarheid van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers van en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen (Stcrt. 2005, 20), ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Wet toezicht trustkantoren en ter beoordeling van de integere bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, onderdeel f, en 10, eerste lid, van die wet;

      • 3°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 31 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 105, vijfde lid, van de Pensioenwet en artikel 110, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en ter beoordeling van de beheerste en integere bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 143, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 138, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

    • b. Onze Minister van Financiën, ten behoeve van het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 2 van de Beleidsregel inzake de betrouwbaarheid van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers van en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen (Stcrt. 2005, 20), ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikelen 2, tweede lid, onderdelen a, b, c of d, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren en ter beoordeling van de integere bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 2, eerste en tweede lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, en 9, eerste lid, van die wet;

    • c. de Stichting Autoriteit Financiële Markten, te behoeve van:

      • 1°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 12 van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:10, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht en ter beoordeling van de integere bedrijfsuitoefening onderscheidenlijk de integere bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 4:11, eerste lid, 4:14, eerste lid, en 4:15, eerste lid, van die wet;

      • 2°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel 06-01 betrouwbaarheid personen ex Wet toezicht accountantsorganisaties en Besluit toezicht accountantsorganisaties (Stcrt. 2006, 190), ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties en artikelen 5 van het Besluit toezicht accountantsorganisaties en ter beoordeling van de integere bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van die wet.

  • 3. De politiegegevens, bedoeld in het tweede lid, worden door leden van het openbaar ministerie beoordeeld in het kader van de adviserende taak voor de uitvoering van de bovenbedoelde wetten en kunnen, in het kader van vorenbedoelde taak, worden verstrekt aan de personen en instanties, genoemd in het tweede lid. Aan de verstrekking van de politiegegevens kunnen door de leden van het openbaar ministerie nadere voorwaarden worden gesteld. Die voorwaarden kunnen onder meer betreffen het ter beschikking stellen of doorgeven van die gegevens of inlichtingen aan derden.

  • 4. De politiegegevens, bedoeld in het tweede en derde lid, die zijn verstrekt aan de personen en instanties, bedoeld in het tweede lid, worden niet langer dan gedurende een termijn van twaalf maanden na de datum van verkrijgen bewaard. De gegevens kunnen langer worden bewaard met bijzondere toestemming van het openbaar ministerie. Daarbij kunnen nadere voorwaarden worden gesteld.

D

Artikel 4:6, onderdelen a en b, komen te luiden:

  • a. de ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 4:1, eerste lid, onderdeel a;

  • b. de ambtenaren van Onze Minister van Buitenlandse Zaken, ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 4:1, eerste lid, onderdeel c;

E

In artikel 5:2 wordt, onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid, een nieuw derde lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Aan personen of instanties in een andere lidstaat, als bedoeld in het eerste lid, worden politiegegevens verstrekt, voor zover zij deze behoeven ter voorkoming van strafbare feiten en ter handhaving van de openbare orde in verband met grootschalige evenementen. De politiegegevens kunnen uitsluitend worden verstrekt indien definitieve veroordelingen of andere feiten het vermoeden rechtvaardigen dat de desbetreffende personen tijdens de evenementen strafbare feiten zullen plegen of dat zij een gevaar voor de openbare orde en veiligheid vormen. De politiegegevens worden verstrekt onder de voorwaarde dat deze worden vernietigd zodra de doeleinden zijn verwezenlijkt, in elk geval uiterlijk na één jaar.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 29 augustus 2011

Beatrix

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

De Minister van Defensie,

J. S. J. Hillen

Uitgegeven de twintigste september 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Inleiding

Deze algemene maatregel van bestuur beoogt het Besluit politiegegevens aan te passen voor de verstrekking van politiegegevens aan derden en aan andere lidstaten. Mede namens mijn ambtgenoot van Defensie licht ik de wijzigingen hieronder nader toe. Met dit besluit wordt voorzien in de mogelijkheid tot verstrekking van politiegegevens aan een aantal personen en instanties.

De mogelijkheid tot verstrekking van politiegegevens aan reclasseringswerkers en het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) is noodzakelijk vanwege de uitvoering van de stelselwijziging in de forensische zorg. Deze stelselwijziging vormt onderdeel van het wetsvoorstel forensische zorg. In het nieuwe stelsel van forensische zorg worden de rapportages pro justitia en een deel van de indicatieadviezen opgesteld door het NIFP. Voor deze rapportages en indicatiestellingen zijn politiegegevens nodig, zodat alle feiten en omstandigheden in de beoordeling kunnen worden betrokken.

De mogelijkheid tot verstrekking van politiegegevens aan een stichting die is belast met taken op het gebied van de jeugdzorg behoeft aanvulling in verband met de taak van de stichting NIDOS, die zich specifiek richt op alleenstaande minderjarige vluchtelingen en asielzoekers. Verstrekking van politiegegevens kan nodig zijn om de voogdij goed te kunnen uitvoeren of hulp en steun aan de minderjarige te bieden.

De mogelijkheid tot verstrekking van politiegegevens aan de verzekeringsmaatschappij van de politie is noodzakelijk omdat gebleken is dat de politie door derden wordt aangesproken op aansprakelijkheid voor schade, bijvoorbeeld tengevolge van een aanrijding van een politievoertuig met een ander voertuig. Op grond van de verzekeringsovereenkomst is de politie verplicht de nodige gegevens aan de verzekeringsmaatschappij te verstrekken ten behoeve van de beoordeling van de wettelijke aansprakelijkheid, dit kunnen ook politiegegevens zijn. Anders dan de politie heeft de Koninklijke marechaussee geen verzekeraar. De Koninklijke marechaussee dient voor dit doel dergelijke gegevens aan het ministerie van Defensie te kunnen verstrekken.

De mogelijkheid tot verstrekking van politiegegevens ten behoeve van politieklachtencommissies betreft het herstel van een omissie. In de Politiewet 1993 wordt de mogelijkheid geboden tot oprichting van een politieklachtencommissie, die is belast met de beoordeling van vermeende misdragingen van ambtenaren van de politie of van de Koninklijke marechaussee. Inmiddels heeft een aantal regionale politiekorpsen een dergelijke commissie ingesteld. Tot nu toe is echter niet voorzien in de mogelijkheid om politiegegevens te verstrekken aan de leden van een commissie en de personen die zijn belast met de ondersteuning van de leden van die commissie. De verstrekking van politiegegevens kan nodig zijn voor de beoordeling van een klacht over het politieoptreden.

De mogelijkheid tot verstrekking van politiegegevens aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is nodig ten behoeve van de huisvesting van vluchtelingen en asielzoekers gedurende de toelatingsprocedure en de handhaving van de orde en veiligheid in de aanmeldcentra.

De verstrekking van politiegegevens over de verblijfplaats van een alimentatieplichtige persoon aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen dient ter ondersteuning van de inning van onderhoudsbijdragen of ouderbijdragen.

De mogelijkheid tot verstrekking van politiegegevens aan de Minister van Defensie is noodzakelijk vanwege de mogelijkheid om, in die gevallen waarin een bestuurder over een militair rijbewijs of een rijmachtiging beschikt, een beslissing te nemen over de ongeldigverklaring van een militair rijbewijs of een rijmachtiging.

Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van het ministerie van Justitie is, in opdracht van het openbaar ministerie, belast met de inning van opgelegde maatregelen tot vergoeding van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ten behoeve van een effectieve tenuitvoerlegging van een opgelegde ontnemingsmaatregel is het van belang dat alle informatie over vermogensbestanddelen van de veroordeelde ter kennis wordt gebracht van het CJIB. Het kan voorkomen dat bij de criminele inlichtingeneenheid van de politie inlichtingen bekend zijn over de vermogenspositie van de veroordeelde. Dit kan ook aan de orde zijn als de strafzaak en de ontnemingszaak zijn afgesloten. Voorgesteld wordt te voorzien in een rechtsgrondslag voor de verstrekking van de betreffende categorieën van politiegegevens in een dergelijke situatie.

De mogelijkheid tot verstrekking van politiegegevens ten behoeve van het advies over de verlening van een Koninklijke onderscheiding dient als waarborg voor een zorgvuldige toetsing van het gedrag van de te decoreren persoon. Tot nu toe bestaat de mogelijkheid tot verstrekking van politiegegevens aan de commissaris van de Koning en de burgemeester, ten behoeve van het dienen van advies inzake de verlening van een Koninklijke onderscheiding op grond van het reglement op de orde van de Nederlandsche Leeuw en de orde van Oranje-Nassau. Een dergelijke mogelijkheid ontbreekt echter voor de verlening van onderscheidingen door de minister van Defensie. Voorgesteld wordt om de verstrekking van de betreffende categorieën van politiegegevens ook aan de minister van Defensie mogelijk te maken met het oog op de toekenning van bij Koninklijk besluit te verlenen onderscheidingen.

Voor de operationele inzet van de Nederlandse krijgsmacht is het van groot belang dat commandanten op de hoogte zijn van de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen jegens een militair of de verdenking van de betrokkenheid van een militair bij een strafbaar feit. Dit is van groot belang voor het nemen van beslissingen over de inzet van militaire eenheden of het treffen van rechtspositionele maatregelen jegens de betrokkene. Het is daarom noodzakelijk dat politiegegevens aan de commandanten verstrekt kunnen worden.

De regeling van de verstrekking van bijzondere politiegegevens aan het openbaar ministerie, ten behoeve van de advisering over de betrouwbaarheid van personen die als (mede)beleidsbepaler of lid van de raad van commissarissen betrokken zijn bij een financiële instelling alsmede kandidaten voor dergelijke functies, blijkt niet volledig tegemoet te komen aan de behoeften van de praktijk. De screening vindt plaats door het functioneel parket, ten behoeve van de toetsing van de betrouwbaarheid van de betrokken personen door de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank N.V. (DNB). Het criterium voor de verstrekking van politiegegevens behoeft echter verruiming, omdat de politie over informatie beschikt die niet alleen betrekking heeft op het gedrag van beleidsbepalende personen, maar ook op de bedrijfsvoering van de betreffende financiële instelling. Deze informatie kan voor de toezichthouder van belang zijn om maatregelen te kunnen treffen tegen de betrokken instelling. Voorgesteld wordt om de mogelijkheid te bieden tot verstrekking van de betreffende categorieën van politiegegevens ten behoeve van de integere en beheerste bedrijfsvoering, zoals genoemd in een aantal financiële wetten en pensioenwetten.

Tenslotte wordt voorgesteld in het Besluit politiegegevens een verplichting op te nemen tot verstrekking van politiegegevens aan personen en instanties in een andere lidstaat van de Europese Unie, ter voorkoming van strafbare feiten en handhaving van de openbare orde in verband met grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie. Hiermee wordt het Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (Pb EU L 210/1), volledig geïmplementeerd.

De uitgebrachte adviezen

Het ontwerpbesluit is ter consultatie toegezonden aan het College bescherming persoonsgegevens, het College van procureurs-generaal, het Korpsbeheerdersberaad, de Raad van Hoofdcommissarissen en de Koninklijke marechaussee. Over het ontwerpbesluit is advies uitgebracht door het College bescherming persoonsgegevens, het College van procureurs-generaal, door het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Korpschefs in een gezamenlijk advies en door de Koninklijke marechaussee.

De in het ontwerpbesluit voorgestelde wijzigingen geven het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) aanleiding tot een aantal op- en aanmerkingen. Met betrekking tot de verstrekking in het kader van de uitvoering van de stelselwijziging in de forensische zorg (artikel 4:2, eerste lid, onderdelen g en i) acht het Cbp de onderbouwing van het zwaarwegend algemeen belang voor de verstrekking in verband met de indicatiestelling onvoldoende onderbouwd. Het College adviseert het zwaarwegend algemeen belang alsnog afdoende toe te lichten. Aan dit advies is gevolg gegeven, in de toelichting bij artikel 4:2, eerste lid, onderdeel t, is dit belang nader onderbouwd. Verder acht het Cbp de verstrekking van de zogenaamde CIE- en RID-gegevens aan het CJIB ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel onderhevig aan risico’s die in de toelichting niet worden benoemd. Naar aanleiding van dit advies is in de toelichting op deze risico’s ingegaan. Ten slotte wijst het Cbp erop dat, vanwege de plaatsing van deze bepaling, voor de verstrekking van persoonsgegevens aan andere lidstaten in het kader van grootschalige evenementen niet de voorwaarden van toepassing zijn die wel voor het eerste lid gelden. Het College adviseert tot vernummering of het van overeenkomstige toepassing verklaren van het tweede en derde lid op het vierde lid. Naar aanleiding van dit advies wordt voorgesteld, onder vernummering van het huidige derde lid tot het vierde lid, om deze bepaling op te nemen als een nieuw derde lid. Daarmee is het bepaalde in artikel 5:1, tweede, derde, vierde, vijfde en zevende lid van overeenkomstige toepassing. Verder is de term «gewist» vervangen door «vernietigd».

Het College van procureurs-generaal heeft met instemming van het ontwerpbesluit kennis genomen maar heeft een enkele opmerking. Deze betreft de formulering van het derde lid van artikel 4:3 van het ontwerpbesluit. Het College merkt op dat in dit lid slechts wordt gerefereerd aan de gegevens inzake de betrouwbaarheid van personen die als beleidsbepaler betrokken zijn bij een financiële instelling, terwijl het tevens de bedoeling is dat het openbaar ministerie adviseert over de verstrekking van gegevens ten behoeve van de beoordeling van een integere bedrijfsvoering. Het College adviseert in het derde lid een verwijzing op te nemen naar het tweede lid. Dit advies is overgenomen. Voorts meent het College dat het de leesbaarheid van deze bepaling ten goede komt indien de woorden «verder» en «verdere» worden geschrapt. Aan dit advies is eveneens gevolg gegeven.

Het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Korpschefs wijzen erop dat het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) geen deel meer uitmaakt van de Reclassering waardoor er geen rechtsgrondslag meer is voor de melding aan het LBIO van het feit dat een onderhoudsplichtige persoon door de politie is getraceerd. De politie adviseert daarom het LBIO toe te voegen aan artikel 4:2, eerste lid, van het Besluit politiegegevens genoemde instanties. Aan dit advies is gevolg gegeven, voorgesteld wordt in artikel 4:2 van het Besluit politiegegevens een nieuw onderdeel w in te voegen. Verder hebben het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Korpschefs een opmerking ingebracht over de regeling van de verstrekking van bijzondere politiegegevens aan het openbaar ministerie, ten behoeve van de advisering over de betrouwbaarheid van personen die als beleidsbepaler zijn betrokken bij een financiële instelling. In de procedure dient boven iedere twijfel te staan dat de relevante politiegegevens door tussenkomst van het Nationaal Informatie Knooppunt (NIK) aan het openbaar ministerie worden geleid. Naar aanleiding van dit advies is in de toelichting ingegaan op de positie van het NIK bij de coördinatie van de gegevensstroom in de richting van het openbaar ministerie. Ten slotte wijzen de beraden op de administratieve lasten die aan de rol van het NIK zijn verbonden in verband met de beoordeling van de politiegegevens en de coördinatie van de gegevensstroom naar het openbaar ministerie. De financiële consequenties daarvan kunnen niet alleen bij de politie worden neergelegd. De politie acht het van belang over twee jaar de personele implicaties van de aanpassing van het Besluit politiegegevens te evalueren. Afhankelijk van de toekomstige ontwikkelingen kunnen de financiële en personele implicaties van de wijziging van artikel 4:3, tweede en derde lid, worden geëvalueerd. Dit is betreft beleidsmatige afweging.

De Koninklijke marechaussee (Kmar) geeft in overweging een aantal aanvullende wijzigingsvoorstellen in het ontwerpbesluit mee te nemen die pas recent aan het licht zijn gekomen. Dit betreft in de eerste plaats de verstrekking van politiegegevens aan de sectie Claims van het ministerie van Defensie, ten behoeve van de beoordeling van de wettelijke aansprakelijkheid van de Kmar en de vaststelling van een verplichting tot schadeloosstelling van derden. Anders dan de politie heeft de Kmar geen wettelijke aansprakelijkheidsverzekeraar. In geval van aansprakelijkstelling van de Koninklijke marechaussee moeten de benodigde politiegegevens aan de sectie Claims van het ministerie van Defensie verstrekt kunnen worden. Naar aanleiding van dit advies is de tekst van het voorgestelde artikel 4:2, eerste lid, onderdeel s, aangepast en is de nota van toelichting op dit punt aangevuld. Dit betreft in de tweede plaats de verstrekking van politiegegevens aan de secretaris en de coördinator van de klachtencommissie, omdat deze personen in de praktijk zijn belast met de voorbereiding van de behandeling van klachten over het optreden ter uitvoering van de politietaak. Naar aanleiding van dit advies wordt voorgesteld een nieuw onderdeel u. in te voegen, waarin deze verstrekkingsmogelijkheid wordt geregeld. Dit betreft in de derde plaats de verstrekking van politiegegevens aan de Commandant van het Opleidings- en Trainingscommando Rijden, ten behoeve van het onderzoek naar de geschiktheid en bekwaamheid voor het besturen van militaire voertuigen door militairen. In het huidige artikel 4:2, eerste lid, onderdeel e, is de verstrekking van politiegegevens aan de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) geregeld, ten behoeve van onderzoeken in het kader van de vorderingsprocedure rond de rijvaardigheid of geschiktheid van rijbewijshouders. Naar aanleiding van dit advies wordt voorgesteld in artikel 4:2 een nieuw onderdeel x in te voegen, waarin deze verstrekkingsmogelijkheid wordt geregeld. Dit betreft in de vierde plaats de verstrekking van politiegegevens aan de stichting NIDOS, die is belast met taken op het gebied van de jeudzorg. Naar aanleiding van dit advies wordt voorgesteld artikel 4:2, onderdeel i, dat voorziet in de verstrekking van politiegegevens ten behoeve van bepaalde taken van de Wet op de jeugdzorg, aan te vullen. Tenslotte betreft dit de verstrekking van politiegegevens aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers ten behoeve van de uitvoering van de krachtens de Vreemdelingenwet aan de Kmar opgedragen taken. Naar aanleiding van dit advies wordt voorgesteld een nieuw onderdeel v toe te voegen, waarin deze verstrekkingsmogelijkheid wordt geregeld.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de verstrekking van politiegegevens aan Onze Minister van Defensie en de onder hem ressorterende commandanten te regelen, ten behoeve van het nemen van maatregelen omtrent de operationele gereedheid van de eenheid en het nemen van besluiten inzake schorsing of ontslag van militairen. Naar aanleiding van de evaluatie van het rapport van de Commissie «Evaluatie toepassing militair strafprocesrecht bij uitzendingen» (Commissie Borghouts) is gebleken dat hiervoor een aanvullende voorziening in het Besluit politiegegevens noodzakelijk is.

Tenslotte zijn enkele redactionele aanpassingen gepleegd in de tekst van artikel 4:3, eerste lid en in de toelichting op die bepaling.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A (opschrift paragraaf 3)

Dit betreft het herstel van een verschrijving. Paragraaf 3 van het Besluit politiegegevens behandelt de gegevensverwerking rond ernstige misdrijven. In artikel 3:1 van het besluit is de verwerking van gegevens over de zware en georganiseerde criminaliteit geregeld. Deze vindt traditioneel plaats bij de criminele inlichtingeneenheden van de politie. In artikel 3:2 van het besluit is de zogenaamde themaverwerking geregeld, die betrekking heeft op zwaarwegende thema’s als terrorisme en mensenhandel. Met de aanduiding gegevensverwerking ernstige misdrijven stemt de aanhef van de paragraaf overeen met de inhoud van de artikelen.

Artikel I, onderdeel B (artikel 4:2, eerste lid)

Onderdeel g

In dit onderdeel wordt de verstrekking van politiegegevens aan reclasseringswerkers geregeld, ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 3 van de Reclasseringsregeling. Voor de toelichting op dit onderdeel kan worden verwezen naar artikel I, onderdeel B, bij de toelichting op artikel 4:2, onderdeel t.

Onderdeel i

In zijn advies heeft de Kmar erop gewezen dat artikel 4:2, eerste lid, van het Besluit politiegegevens de verstrekking van politiegegevens aan een stichting als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de jeugdzorg regelt. Dit betreft een stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt. De stichting NIDOS is een (gezins)voogdij instelling die zich specifiek richt op alleenstaande minderjarige vluchtelingen en asielzoekers en jongeren die in Nederland verblijven zonder asielaanvraag en voor wie terugkeer naar het land van herkomst een reële optie is. De stichting NIDOS is een door de Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon, die kan worden belast met de uitvoering van de voogdij of de uitoefening van de ondertoezichtstelling met betrekking tot minderjarigen die in een opvangcentrum van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers verblijven. Dit is geregeld in de artikelen 254, tweede lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 302, tweede lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De gegevensverstrekking aan de stichting NIDOS is noodzakelijk ten behoeve van een goede uitvoering van de voogdij en het bieden van hulp en steun aan de minderjarige. Dit betreft een zwaarwegend algemeen belang, dat tot verstrekking noodzaakt. Om de verstrekking ten behoeve van de uitvoering van de voogdij mogelijk te maken is de verstrekking aan de stichting NIDOS mogelijk ten behoeve van de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, onderdeel a, van de Wet op de jeugdzorg. Daarnaast is de verstrekking mogelijk ten behoeve van het houden van toezicht op en bieden van hulp en steun aan de minderjarige. Dit betreft de taak, bedoeld in artikel 10, onderdeel b, van die wet. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een onjuiste verwijzing te corrigeren. Dit betrof de verwijzing naar artikel 1, onderdeel f, van de Wet op de jeugdzorg.

Onderdeel s

Op dezelfde wijze als lagere overheden, zoals gemeenten en waterschappen, is ook de politie verplicht tot het afsluiten van een verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid jegens derden. Als gevolg hiervan draagt de verzekeringsmaatschappij het risico van aansprakelijkheid van een politiekorps jegens een derde. Dit kan ook een werknemer van het betreffende politiekorps zijn. Voor de meeste regionale korpsen en politie-instellingen geldt dat zij hun algemene aansprakelijkheidsverzekering hebben onder gebracht bij Onderlinge Verzekeringen Overheid (OVO).

De aansprakelijkheidsverzekering biedt dekking tegen personen-, zaaks- en vermogensschade. Uitgangspunt is dat de door de politie (vermeend) gepleegde onrechtmatige daad, door de verzekering is gedekt. Ook schade als gevolg van rechtmatig politieoptreden, zoals het binnentreden in panden en het aanhouden van personen op straat, is verzekerd. Laatstgenoemde voorbeelden komen regelmatig voor. Andere frequent voorkomende situaties zijn werkgeversaansprakelijkheid (de politie wordt als werkgever civielrechtelijk aansprakelijk gesteld), letselschaden bij derden door dieren (politiepaarden of -honden) en inbeslagname van roerende zaken (zoals motorrijtuigen).

Wanneer een derde stelt schade te hebben geleden ten gevolge van het handelen of nalaten van de leden dan wel dieren van een politiekorps, stuurt de politie de door haar ontvangen aansprakelijkstelling op naar de verzekeraar, die vervolgens de behandeling overneemt en namens de politie het verweer voert. Dit kan resulteren in de toekenning van schadevergoeding.

Ingeval van een beroep op dekking op grond van de verzekeringsovereenkomst is de verzekerde verplicht alle medewerking te verlenen aan de vaststelling van de feiten die van belang zijn voor de beoordeling van de aansprakelijkheid en de omvang van de schade en eventueel toe te kennen schadeloosstelling. Daartoe dienen alle gegevens die daarvoor van belang kunnen zijn, aan de verzekeraar te worden verstrekt. Wanneer de verzekeringsnemer niet aan deze verplichting voldoet, is de verzekeraar gerechtigd de verzekeringsovereenkomst te beëindigen. De gegevens betreffen doorgaans processen-verbaal, mutaties en beeldmateriaal die een weergave van het incident geven ten gevolge waarvan schade is ontstaan. Ook kan een verklaring worden gevraagd van de betrokken ambtenaren van politie.

De gegevens worden doorgaans tenminste tot vijf jaar na de sluiting van het dossier door de verzekeraar bewaard. Daarna worden de gegevens vernietigd.

In zijn advies heeft de Kmar aangegeven dat de behoefte tot verstrekking van politiegegevens in verband met de aansprakelijkheidsstelling zich ook bij de Koninklijke marechaussee voordoet. Anders dan de politie heeft de Kmar echter geen wettelijke aansprakelijkheidsverzekeraar. Ingeval van aansprakelijkheidsstelling van de Kmar dienen de gegevens aan de sectie Claims van het ministerie van Defensie te worden verstrekt, vanwege de aansprakelijkheid van de Staat der Nederlanden. Naar aanleiding van dit advies is de tekst van dit onderdeel aangepast, zodat deze verstrekking mogelijk is.

Onderdeel t

In dit onderdeel wordt de verstrekking van politiegegevens aan het NIFP voor het opstellen van de pro justitia rapportages in verband met de advisering en indicatiestelling bij zeer ernstige strafbare feiten geregeld. In het nieuwe stelsel van forensische zorg worden de rapportages pro justitia en de indicatiestellingen voor de tenuitvoerlegging verricht door de Reclassering en het NIFP. De personen die naar verwachting ambulante zorg behoeven, volgen de route via de Reclassering. De procedure voor de rapportages pro justitia en de indicatiestellingen voor personen die klinische zorg nodig hebben verloopt via het NIFP. Op grond van artikel 196 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de rechter-commissaris of de officier van justitie bepalen dat een verdachte van een zeer ernstig strafbaar feit in voorlopige hechtenis naar een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting tot klinische observatie wordt overgebracht. Op basis van deze observatie wordt een pro justitia rapportage opgesteld op grond waarvan de rechter zich zal beraden over de strafbaarheid van de verdachte. Een onderdeel van deze pro justitia rapportage betreft een milieuonderzoek. Dit houdt een onderzoek in naar het verleden van de verdachte aan de hand van informatie van derden. In het daaruit voortvloeiende milieurapport wordt de levensloop van de verdachte beschreven. In samenhang met de beschrijving van het huidige gedrag en het functioneren op de leefgroep binnen de inrichting kan de diagnose van de gedragsdeskundigen door het milieurapport beter worden onderbouwd. De informatie van derden bestaat niet alleen uit informatie van bijvoorbeeld familie, vrienden en werkgevers. Ook wordt bij verschillende instanties informatie opgevraagd, zoals bij de politie.

Voor een zorgvuldige analyse zijn politiegegevens noodzakelijk, zoals het proces-verbaal van het betreffende ernstige strafbare feit, teneinde alle feiten en omstandigheden te kunnen beoordelen waaronder het gepleegde delict is begaan. Voor een zorgvuldige analyse zijn echter ook andere relevante politiegegevens, zoals mutaties of processen-verbaal, van groot belang omdat er voorafgaand aan een ernstig delict dikwijls eerdere meldingen van strafbare feiten, zoals huiselijk geweld, of overlast bij de politie zijn binnengekomen. Ook in een later stadium, als reeds een vonnis is gewezen, kan nader onderzoek nodig zijn ten behoeve van de indicatieadvisering bij de tenuitvoerlegging. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als wel een maatregel tot ter beschikkingstelling van de regering (tbs) is opgelegd, maar niet eerder observatie werd verricht. Ten behoeve van een adequate behandeling kan het dan aangewezen zijn alsnog uitgebreid onderzoek te verrichten naar de omstandigheden die destijds het delict hebben geleid. Het is in het belang van de veiligheid van de samenleving dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat personen die worden verdacht van het plegen van ernstige strafbare feiten, of voor die feiten zijn veroordeeld, later in herhaling vervallen. Dit vormt een zwaarwegend algemeen belang dat strekt tot opneming van de mogelijkheid tot verstrekking van de relevante politiegegevens aan het NIFP, ten behoeve van het opstellen van de rapportages pro justitia en de indicatieadvisering. De regering bereidt thans een wetsvoorstel voor, waarin de procedure voor de indicatiestelling in de forensische zorg wordt opgenomen. De opgevraagde politiegegevens maken dan deel uit van het onderzoek of het rapport.

Onderdeel u

In Hoofdstuk X van de Politiewet 1993 (artikelen 61–66 Pw 1993) is een regeling opgenomen inzake de behandeling van klachten bij vermeende misdragingen van politieambtenaren of militairen van de Koninklijke marechaussee. De beslissing omtrent de afdoening van een klacht is een zaak van de korpsbeheerder, respectievelijk de minister, onder wie de politieambtenaar ressorteert. Op voorstel van de korpsbeheerder stelt het regionaal college nadere regels vast over de behandeling van klachten over gedragingen van ambtenaren van politie van het regionale politiekorps. Deze regels voorzien in de instelling van een commissie, bestaande uit onafhankelijke leden, die is belast met de behandeling van en advisering over de in de regeling aangewezen categorieën van klachten. De commissie wordt ondersteund door een secretaris en door klachtencoördinatoren. Voor de ambtenaren van het Korps landelijke politiediensten en ambtenaren van de rijksrecherche worden de regels vastgesteld door de minister van Veiligheid en Justitie, voor de militairen van de Koninklijke marechaussee worden de regels vastgesteld door de minister van Defensie.

Om een goed inzicht te kunnen verkrijgen in de achtergrond van een klacht kan het noodzakelijk zijn om een politieambtenaar te horen of een proces-verbaal te raadplegen. In dergelijke gevallen kan sprake zijn van verstrekking van politiegegevens. Met de voorgestelde wijziging wordt een dergelijke verstrekking mogelijk gemaakt. In geval van verstrekking van schriftelijke informatie dienen de verstrekte gegevens onmiddellijk te worden vernietigd zodra de klacht is afgehandeld. Op grond van de wet geldt hiervoor een termijn van veertien weken (artikel 66 Pw 1993).

Onderdeel v

De ambtenaren van de Kmar zijn belast met de grensbewaking en met het toezicht op de naleving van de Vreemdelingenwet 2000 (artikelen 46, eerste lid, onderdeel a, en 47, eerste lid, onderdeel b, Vw 2000). De gegevensverwerking voor dit doel valt onder de reikwijdte van de Wet politiegegevens (artikel 1, onderdelen a en b, Wpg). In afwachting van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning dient de uitzetting van een aanvrager achterwege te blijven totdat op de aanvraag is beslist (artikel 8, onderdeel f, Vw 2000). Het COA is door de Minister van Veiligheid en Justitie belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers (art. 3, eerste lid, onderdeel a, Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers). Dit omvat de huisvesting aan, en de ondersteuning van, vluchtelingen en asielzoekers gedurende de procedure van toelating. Met het oog op de huisvesting van de vreemdeling verstrekt de Kmar een afschrift van het zogenaamde M117 formulier aan het COA. Dit formulier is opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000 en bevat een aanwijzing aan de vreemdeling om zich beschikbaar te houden in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning (artikel 55 Vw 2000). Naast de gegevens van dit formulier bestaat er een behoefte om aanvullend gegevens aan het COA te verstrekken in het belang van een goede orde en veiligheid in het aanmeldcentrum. Dit betreft onder meer gegevens over het land van herkomst, de etniciteit, de religie en de gezinssamenstelling die van belang zijn voor de huisvesting en plaatsing van de vreemdeling in het aanmeldcentrum.

In de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald dat Onze Minister en de korpschef andere bestuursorganen de gegevens verstrekken betreffende de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling welke zij behoeven ter uitvoering van hun taak (art. 107, eerste lid, Vw 200). Deze bepaling voorziet echter niet in de verstrekking van gegevens door de ambtenaren van de Kmar aan het COA. Met de verstrekking van politiegegevens aan het COA, ten behoeve van de huisvesting van vreemdelingen en de handhaving van de orde en veiligheid in het aanmeldcentrum, is een zwaarwegend algemeen belang gediend.

Onderdeel w

Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) is in 1993 opgericht als onderdeel van het ministerie van Justitie. Inmiddels is het LBIO een zelfstandig bestuursorgaan. De taken van het LBIO zijn vastgelegd in de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. Het LBIO is een incassobureau dat is belast met de inning van onderhoudsbijdragen voor minderjarigen en meerderjarigen die de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt, de inning van uitkeringen van levensonderhoud ten behoeve van een echtgenoot of geregistreerd partner en de inning van ouderbijdragen (artikel 3 Wet LBIO). Voor een goede uitvoering van die taken heeft het bureau behoefte aan gegevens over de verblijfplaats van een persoon, ten behoeve van de inning van die bijdragen of uitkeringen. Als de politie de onderhoudsplichtige persoon heeft getraceerd ten behoeve van de goede uitvoering van de politietaak, dan worden gegevens over de verblijfplaats van de betrokkene vastgelegd in het opsporingsregister (OPS). Met de mogelijkheid van de verstrekking van de gegevens aan het LBIO wordt een zwaarwegend algemeen belang gediend, omdat hiermee het LBIO hiermee in de gelegenheid wordt gesteld de bijdragen of uitkeringen te innen bij degene die wettelijk verplicht is die bijdragen of uitkeringen te voldoen.

Onderdeel x

In onderdeel e is de mogelijkheid opgenomen van verstrekking van politiegegevens ten behoeve van de beoordeling van de rijvaardigheid van de houder van een rijbewijs, of van diens geschiktheid om motorrijtuig te besturen, ingeval van overtreding van bepaalde strafbare feiten van de Wegenverkeerswet. Het CBR kan besluiten tot ongeldigverklaring van een rijbewijs, als de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Met dit onderdeel wordt die regeling aangevuld voor houders van een militair rijbewijs. Het is namelijk van belang dat ook de instantie binnen het ministerie van Defensie, die is belast met de afgifte van militaire rijbewijzen of rijmachtigingen, op de hoogte komt van de betreffende politiegegevens zodat voorkomen kan worden dat een militair een militair voertuig kan besturen terwijl zijn civiele rijbewijs ongeldig is. Het gaat dan om politiegegevens over militairen met betrekking tot onverantwoordelijk verkeersgedrag, het ontbreken van de vereiste geestelijke of lichamelijke gesteldheid voor het besturen van een motorrijtuig en de invordering van het rijbewijs. Op voordracht van de Commandant van het Opleidings- en Trainingscentrum Rijden kan het militaire rijbewijs of de rijmachtiging ongeldig worden verklaard indien de houder niet meer aan de gestelde eisen voldoet (artikel 35, eerste lid, Verkeersregeling Defensie). Het militair rijbewijs of de rijmachtiging wordt ongeldig verklaard als de houder niet meer voldoet aan de eisen rond de militaire rijopleiding of de door de Directeur Militaire Gezondheidzorg gestelde geestelijke of lichamelijke eisen voor het besturen van motorrijtuigen (artikel 31, onderdelen b en c, Verkeersregeling Defensie). Daarnaast moet een militair rijbewijs of een rijmachtiging door de houder worden ingeleverd als een beslissing rond het burgerrijbewijs daartoe aanleiding geeft. Dit betreft de onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op grond van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak dan wel de invordering, ongeldigverklaring of schorsing van een burgerrijbewijs (artikel 36, eerste lid, Verkeersregeling Defensie). Met dit onderdeel wordt, aanvullend op de regeling voor rijbewijzen in onderdeel e, voorzien in de mogelijkheid van gegevensverstrekking ten behoeve van een beslissing over de geldigheid van een militair rijbewijs of een rijmachtiging.

Artikel I, onderdeel C (artikel 4:3)

1. Eerste lid
Onderdeel a

Met het voorstel tot aanpassing van dit onderdeel wordt gevolg gegeven aan een toezegging aan de Tweede Kamer om bij algemene maatregel van bestuur te regelen dat het CJIB gerechtigd is tot het ontvangen van politiegegevens (Kamerstukken II, 15 april 2010, 77-6579 en -6584). Het CJIB vormt onderdeel van het ministerie van Justitie en is in 1991 opgericht ten behoeve van de ondersteuning van het openbaar ministerie bij de inning van sancties die zijn opgelegd op grond van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Sedertdien is het takenpakket van het CJIB uitgebreid, onder meer met de inning van opgelegde geldboetes en geldbedragen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in opdracht van het openbaar ministerie. De taken van het CJIB worden vastgelegd in een ministeriële regeling. Bij afzonderlijke rechterlijke beslissing kan aan degene die veroordeeld is wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldboete aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 36e van het Wetboek van Strafrecht). Zodra de rechterlijke beslissing tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel onherroepelijk is zal het openbaar ministerie overgaan tot de executie van de opgelegde ontnemingsmaatregel (art. 577b Sv). Indien de veroordeelde niet voldoet aan het vonnis of arrest waarbij de verplichting is opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat dan kan conservatoir beslag worden gelegd op waardevolle voorwerpen, zoals auto’s, boten of sieraden (art. 574 Sv). Ook kan verhaal worden genomen op vermogensbestanddelen, zoals banktegoeden (art. 576 Sv).

Voor het daadwerkelijk uitwinnen van crimineel vermogen is het van cruciaal belang dat bij het CJIB voldoende wetenschap bestaat over de omvang en vindplaats van vermogensbestanddelen. Doorgaans zal gedurende het opsporingsonderzoek, dat ten grondslag ligt aan de strafzaak, inzicht ontstaan in het vermogen van de te veroordelen persoon. Niet uitgesloten is echter dat de politie langs andere weg op de hoogte is van belangrijke informatie over het vermogen van de veroordeelde persoon. Informanten kunnen hierover inlichtingen verstrekken. Binnen de politie zijn de criminele inlichtingeneenheden belast met het analyseren van dergelijke inlichtingen, de Wet politiegegevens geeft een bijzonder regime voor de verwerking van deze gegevens (art. 10 Wpg). De wet biedt de mogelijkheid om deze gegevens in het opsporingsonderzoek te brengen. Het is echter niet uitgesloten dat het opsporingsonderzoek en de ontnemingszaak zijn afgesloten zodra bij de politie informatie binnenkomt over de financiële situatie van de veroordeelde persoon, die van belang is voor het verhaal op vermogensbestanddelen door het CJIB. Met de voorgestelde aanpassing van dit onderdeel wordt de mogelijkheid geboden om ook in dergelijke gevallen deze gegevens ter kennis te brengen van het CJIB, zodat daarmee rekening kan worden gehouden bij de executie van de opgelegde ontnemingsmaatregel. Dit betreft een zwaarwegend algemeen belang, als bedoeld in artikel 18 van de Wpg. Daarbij moet wel worden benadrukt dat het hierbij om «zachte» gegevens gaat, het gaat om informatie over de mogelijke betrokkenheid van personen bij ernstige strafbare feiten of schendingen van de rechtsorde, ten aanzien waarvan de betrouwbaarheid niet is vastgesteld. Voor de verwerking van dergelijke gegevens geldt binnen de politie een strikt regime. Het ligt dan ook in de rede dat de verstrekking beperkt is tot de CIE-gegevens die operationeel gebruikt kunnen worden. Dit betreft gegevens met de afhandelingscodes 11 (operationeel te gebruiken) of 01 (alleen te gebruiken na overleg met de afzender), als bedoeld in bijlage I bij de Regeling criminele inlichtingen eenheden (Stcrt. 2003, 124). De verstrekking vindt plaats door middel van een proces-verbaal; het modelformulier dat is opgenomen in de eerdergenoemde bijlage is uitsluitend te gebruiken voor de uitwisseling van informatie tussen de criminele inlichtingen eenheden (artikel 6, eerste lid, Regeling criminele inlichtingen eenheden). Zoals in de nota van toelichting bij het Besluit politiegegevens is aangegeven (Stb. 2007, 550, blz. 70/71), is verstrekking van dergelijke gegevens aan derden in beginsel niet goed verenigbaar met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de afscherming van bronnen door de politie. Er dient altijd een afweging plaats te vinden waarbij rekening wordt gehouden met de te verstrekken gegevens en de taak waarvoor het CJIB die gegevens nodig heeft, rekening houdend met de beginselen van proportionaliteit, evenredigheid en subsidiariteit. Om de risico’s voor de opsporing te verminderen is het hoofd van de criminele inlichtingeneenheid in afzonderlijke gevallen betrokken bij de afweging tot verstrekking van de gegevens en de wijze waarop de gegevens worden verstrekt.

Onderdeel i

Met het oog op het voorstellen tot het verlenen van Koninklijke onderscheidingen is het noodzakelijk dat tijdens het toetsingsproces wordt vastgesteld dat de te decoreren persoon van onbesproken levenswandel is. In het Reglement op de Orde van de Nederlandsche Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau is de procedure neergelegd die moet worden gevolgd bij het verlenen van Koninklijke onderscheidingen. Een voorstel tot verlening van een onderscheiding moet worden gericht aan de burgemeester van de woonplaats van de te onderscheiden persoon. De burgemeester heeft hierbij een adviserende taak (artikel 9, tweede lid, van het Reglement). Daarnaast brengt de commissaris van de Koning advies uit over een bij hem ingediend decoratievoorstel voor een burgemeester. De mogelijkheid tot verstrekking van politiegegevens voor dit doel is opgenomen in artikel 4:3, eerste lid, onderdeel i, van het Besluit politiegegevens.

Op grond van artikel 12 van het Reglement kan een voorstel tot verlening van een onderscheiding aan een actief dienende Nederlandse militair aan de Minister van Defensie worden gericht. Met toevoeging van dit onderdeel wordt voorzien in het verstrekken van politiegegevens aan de Minister van Defensie met het oog op de verlening van de betreffende onderscheiding. De voorgestelde tekst van dit onderdeel is gelijk aan die van het Besluit justitiële gegevens (artikel 30, eerste lid, onderdeel f, Bjg)

Onderdeel k

De verstrekking van politiegegevens over de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen jegens een militair aan de commandant is van groot belang voor de vaststelling van de (ongeoorloofde) afwezigheid van een militair. Wanneer een militair door de politie of Kmar rechtens van zijn vrijheid is beroofd, tengevolge van aanhouding, inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis, kan dit van directe en grote invloed zijn op de inzetbaarheid van de militaire eenheid waar hij deel van uitmaakt, en is het noodzakelijk dat de commandant daarvan op de hoogte wordt gebracht. Dit omdat militaire eenheden veelal op zeer korte termijn, nationaal of internationaal, ingezet moeten kunnen worden. De precieze strafrechtelijke verdenking jegens de militair is hierbij niet doorslaggevend. Zijn enkele afwezigheid maakt dat Defensie geïnformeerd moet kunnen worden. De gegevensvertrekking betreft een zwaarwegend algemeen belang. Daarnaast is het vanwege de aard van de Defensietaak van zwaarwegend algemeen belang dat de commandant op de hoogte is van de verdenking van de betrokkenheid van een militair bij bepaalde strafbare feiten. Dit omdat aan militairen hoge betrouwbaarheidseisen worden gesteld. Voor deze categorie kunnen slechts politiegegevens worden verstrekt wanneer er sprake is van (verdenking van) een misdrijf, of wanneer er sprake is van (verdenking van) een overtreding van de Opiumwet. Na ontvangst van dergelijke politiegegevens kunnen de gegevens door de commandanten worden benut voor het treffen van noodzakelijke ordemaatregelen, zoals in voorkomend geval het schorsen van de militair ingevolge artikel 34 van het Algemeen militair ambtenaren reglement of het niet-belasten van de militair met bepaalde werkzaamheden. Mede gezien het vertrouwenskarakter van door de militairen vervulde functies kan uiteindelijk worden besloten tot ontslag van de militair.

2. Tweede, derde en vierde lid

In aanvulling op de bestaande grondslag is verstrekking van politiegegevens wenselijk ten behoeve van de beoordeling van de integere en beheerste bedrijfsvoering of integere bedrijfsuitoefening als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht (Wft), de Wet toezicht trustkantoren (Wtt), de Pensioenwet (Pw), de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb), de Wet inzake de geldtransactiekantoren (Wgt) en de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) (hierna: de financiële wetten en pensioenwetten). Deze beoordeling houdt verband met het gegeven dat van de vergunninghouder wordt verwacht dat de bedrijfsvoering of bedrijfsuitoefening op maatschappelijk betamelijke wijze plaatsvindt. Dit vereiste kan in het geding zijn als de instelling en haar werknemers betrokken zijn bij strafbare feiten. Ingeval van een dergelijke betrokkenheid dient de betreffende instelling dit direct te melden aan de toezichthouder. Door de verstrekking van politiegegevens mogelijk te maken in het kader van het toezicht op de integere en beheerste bedrijfsvoering of bedrijfsuitoefening kunnen de toezichthouders beter toezicht houden op de naleving van dit vereiste.

Voorheen bood dit lid een regeling voor het verstrekken van politiegegevens ten behoeve van de advisering van de Minister van Financiën, DNB en de AFM (hierna ook te noemen: de toezichthouders), ten behoeve van de beoordeling van de betrouwbaarheid van (mede) beleidsbepalers van instellingen waarop de toezichthouders toezicht houden. DNB houdt toezicht op delen van de Wft, de Wtt, de Pw en de Wvb en de op die wetten gebaseerde uitvoeringswetgeving. Onze Minister van Financiën is belast met het toezicht op de Wgt en de daarmee verband houdende uitvoeringswetgeving. Onze Minister van Financiën heeft DNB belast met het toezicht op de naleving van de Wgt. De AFM houdt eveneens toezicht op delen van de Wft, alsmede op de Wta en de daarmee verband houdende uitvoeringswetgeving.

Ten behoeve van de beoordeling van de betrouwbaarheid van personen die als (mede)beleidsbepaler of lid van de raad van commissarissen betrokken zijn bij een financiële instelling die in aanmerking willen komen voor een vergunning of een registratie op grond van de vorengenoemde financiële wetten, kunnen politiegegevens worden verstrekt. Voordat een vergunning op grond van de financiële wetten en pensioenwetten wordt verleend of een registratie plaatsvindt, dient de betrouwbaarheid van de betrokken personen buiten twijfel te staan. De toetsing van de betrouwbaarheid van die personen wordt niet periodiek herhaald. Niettemin kunnen er aanwijzingen beschikbaar komen dat een persoon niet meer aan dit vereiste voldoet. Dit kan uitermate relevant zijn voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de financiële wetten en pensioenwetten. Verstrekking van politiegegevens is dan ook van belang zowel voordat een vergunning is verleend, bij de beoordeling van de aanvraag, als daarna, ten behoeve van de toetsing van de naleving van de vergunningvoorwaarden. Denkbaar is bijvoorbeeld dat in een opsporingsonderzoek naar valsheid in geschrifte, waarin informatie wordt verzameld over het opstellen van valse documenten door beleidsbepalende personen binnen een instelling, dergelijke aanwijzingen oplevert. Indien dergelijke gegevens aan de toezichthouder verstrekt worden, kan de toezichthouder tot het oordeel komen dat moet worden teruggekomen op een eerder oordeel over de betrouwbaarheid van de betrokkene. Deze kan dan worden geweerd als beleidsbepaler. De screening vindt plaats door tussenkomst van het functioneel parket van het openbaar ministerie. Dit houdt verband met de adviserende taak van het openbaar ministerie in het kader van de uitvoering van deze wetten.

Gelet op het voorgaande behoeft het huidige criterium voor verstrekking verruiming, omdat het voorkomt dat in het opsporingsonderzoek van de politie informatie wordt verzameld die niet zozeer betrekking heeft op het gedrag van individuele personen als wel op de bedrijfsvoering en de bedrijfsuitoefening van de betreffende financiële instelling waarop het opsporingsonderzoek zich richt. Dit kan aan de orde zijn in gevallen waarbij op grond van opsporingsonderzoek informatie wordt verzameld over strafbare feiten van werknemers van een financiële instelling, die geen beleidsbepalende rol vervullen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een opsporingsonderzoek naar hypotheekfraude, waarbij uit de verhoren van werknemers van een hypotheekinstelling informatie naar voren kan komen die licht werpt op de bedrijfsvoering en bedrijfsuitoefening van de vergunninghouder. Dergelijke informatie kan voor de toezichthouder van belang zijn om een goed beeld te kunnen vormen van de betrouwbaarheid van personen en de integriteit van de bedrijfsvoering en de bedrijfsuitoefening en kan aanleiding vormen om, op grond van de bevoegdheden die in de betreffende financiële wetten aan de toezichthouder zijn toegedeeld, maatregelen te treffen jegens de betrokken instelling dan wel de betrokken personen. Daardoor kan de integriteit van de financiële markten worden bewaakt.

In aanvulling op de bestaande grondslag is verstrekking van politiegegevens dan ook wenselijk ten behoeve van de beoordeling van de integere en beheerste bedrijfsvoering (zoals genoemd in de artikelen 3:17, eerste lid, 4:14, eerste lid, en 4:15, eerste lid, Wft) of de integere bedrijfsuitoefening respectievelijk de beheerste en integere bedrijfsuitoefening (zoals genoemd in de artikelen 3, eerste lid, en 10, eerste lid, Wtt en de artikelen 2, eerste lid, onderdeel a, 2, tweede lid, onderdeel f, 4, tweede lid, onderdeel b, 5, tweede lid, onderdeel c, onder 2°, en 9, eerste lid, Wgt). Dit criterium wordt in de verschillende financiële wetten gehanteerd, soms in iets andere bewoordingen, en brengt tot uitdrukking dat van de vergunninghouder wordt verwacht dat hij zijn bedrijf op een integere wijze uitoefent. Dit vereiste kan onder meer in het geding zijn als de instelling of haar werknemers betrokken zijn bij strafbare feiten. Door ook de verstrekking van politiegegevens voor de integere en beheerste bedrijfsvoering of bedrijfsuitoefening expliciet te regelen in dit artikel kunnen de toezichthouders hun taak beter uitvoeren. Dit past ook in de beoogde samenwerking tussen de partners in het Financieel Expertisecentrum (FEC) bij de handhaving van de integriteit van de financiële sector.

De politiegegevens die verstrekt kunnen worden, kunnen betrekking hebben op het handelen van personen of van een instelling zonder vergunning, het handelen in strijd met een verbod, het handelen in strijd met de voor een vrijstelling geldende beperkingen of voorwaarden dan wel het handelen in strijd met de geldende ontheffings- of vergunningsvoorwaarden. Dit handelen houdt nauw verband met de beoordeling van de beheerste en integere bedrijfsvoering en integere bedrijfsuitoefening, zoals dat criterium in de verschillende financiële wetten is terug te vinden. Met het oog op dit doel kunnen de politiegegevens worden verstrekt. De betreffende politiegegevens kunnen onderdeel vormen van een aangifte tegen een instelling of een bestuurder, een proces-verbaal van het verhoor van een verdachte of een getuige, of een verslag van communicatie die door de politie is afgeluisterd en opgenomen. Kennisneming van deze gegevens door de toezichthoudende instanties, die met het toezicht op de naleving van de financiële wetgeving zijn belast, kan aanleiding geven tot intensivering van het toezicht op deelterreinen of ten aanzien van bepaalde natuurlijke personen of rechtspersonen. Tevens kan dit relevant zijn voor het nemen van een beslissing over een verstrekte vergunning, zoals intrekking van de vergunning of aanpassing van de gestelde voorwaarden. De betreffende financiële wetten en pensioenwetten bieden daartoe de bevoegdheid.

De politiegegevens kunnen worden verstrekt op initiatief van de politie. Dit veronderstelt een zekere mate van bewustwording aan de kant van de politie over de vraag in welke gevallen en onder welke omstandigheden de gegevensverstrekking vanuit het oogpunt van de taakuitvoering van de toezichthoudende instanties aangewezen is. Het overleg tussen de politie en de toezichthoudende instanties, in het kader van het FEC, kan in belangrijke mate aan die bewustwording bijdragen. Voor een effectieve uitvoering is het tevens van belang dat binnen de politie één enkel aanspreekpunt wordt gecreëerd voor de beoordeling van de gevallen waarin de verstrekking van politiegegevens omtrent de integere bedrijfsuitoefening aan de toezichthouders aan de orde is. Daarmee kan de nodige eenduidigheid worden gecreëerd voor de beoordeling van die verzoeken. Bovendien wordt hiermee aan de toezichthoudende autoriteiten helderheid geboden over de vraag aan wie een verzoek tot verstrekking van politiegegevens voor dit doel kan worden gericht (één loket-functie).

De gegevensverstrekking vindt eveneens plaats door tussenkomst van het functioneel parket van het openbaar ministerie. Het functioneel parket vormt onderdeel van het openbaar ministerie (artikel 134 Wet op de Rechterlijke Organisatie) en is partner in het FEC. Het functioneel parket vervult een coördinerende rol bij de verstrekking van politiegegevens aan de betreffende FEC partners. Dit geldt ook voor de gevallen waarin het initiatief voor de verstrekking uitgaat van de politie. De tussenkomst van het openbaar ministerie houdt verband met de ruime verstrekkingsgrondslag. Vrijwel alle gegevens die door de politie of de Koninklijke marechaussee worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de politietaak, bedoeld in de artikelen 2 en 6 van de Politiewet 1993, kunnen in aanmerking komen voor verstrekking. Dit betreft politiegegevens die worden verwerkt op grond van de artikelen 8 (dagelijkse uitvoering politietaak), 9 (onderzoek naar de schending van de rechtsorde in een bepaald geval), 10 (inzicht in de betrokkenheid van personen bij bepaalde ernstige schendingen van de rechtsorde) en 13 (ondersteunende taken) van de Wpg. De verstrekking kan politiegegevens omvatten die worden verwerkt in het kader van een opsporingsonderzoek naar ernstige strafbare feiten of gegevens die worden verwerkt door de criminele inlichtingeneenheid. Dergelijke politiegegevens zijn ook binnen de politie zeer beperkt toegankelijk. De toetsing van de officier van justitie vloeit voort uit het gezag over de opsporing en doet niet af aan de verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder voor de beslissing tot de verstrekking van de politiegegevens. Hierbij wordt rekening gehouden met de Aanwijzing Wet politiegegevens. Binnen het openbaar ministerie kan de landelijk officier van justitie inzake MOT-aangelegenheden, worden belast met de toetsing van de gegevensverstrekking. Het meldpunt ongebruikelijke transacties (MOT), als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, is bij besluit van 13 december 2006 onderdeel geworden van de Financial Intelligence Unit Nederland. De landelijk officier van justitie inzake MOT-aangelegenheden is verbonden aan het eerdergenoemde functioneel parket, dat ook een adviesrol vervult bij de verstrekking van politiegegevens ten behoeve van de beoordeling van de betrouwbaarheid van personen die als beleidsbepaler betrokken zijn bij een financiële instelling die in aanmerking wil komen voor een vergunning.

De voorgestelde verruiming van de mogelijkheid tot gegevensverstrekking zal naar verwachting gevolgen hebben voor de werklast van politie en openbaar ministerie. Ten tijde van de invoering van de Wft zijn alle beleidsbepalers, die nog niet eerder op betrouwbaarheid zijn getoetst, alsnog op betrouwbaarheid beoordeeld. Daarbij is tevens gebruik gemaakt van politiegegevens. Voor de toekomst zal de verstrekking van politiegegevens vooral aan de orde zijn bij het nemen van een beslissing over een aanvraag voor een vergunning of bij de incidentele verstrekking van gegevens door de politie, naar aanleiding van een concreet geval. Dit zal waarschijnlijk enkele tientallen verzoeken per jaar betreffen. Het is thans niet goed in te schatten in welke mate aanvullend extra personele middelen zijn vereist. Indien dit wel het geval mocht zijn dan zal dit aanleiding kunnen geven tot nader overleg tussen de betrokken partijen.

De verstrekking van politiegegevens aan de toezichthoudende instanties, op grond van dit lid, laat de mogelijkheid voor het openbaar ministerie tot verstrekking van strafvorderlijke gegevens onverlet. De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) biedt het College van procureurs-generaal de mogelijkheid tot verstrekking van strafvorderlijke gegevens aan personen en instanties ten behoeve van – onder meer – het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving (artikel 39f, eerste lid, Wjsg). Strafvorderlijke gegevens zijn persoonsgegevens die het openbaar ministerie in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg verwerkt (artikel 1, onderdeel b, Wjsg). Vereist is een zwaarwegend algemeen belang. Een verzoek tot verstrekking van gegevens uit een strafdossier wordt beoordeeld conform de Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Stb 2010, 11804).

Het derde lid betreft een technische aanpassing in verband met de aanvulling van het tweede lid. Het tweede lid heeft betrekking op de verstrekking van politiegegevens ten behoeve van de beoordeling van de betrouwbaarheid van personen die een beleidsbepalende rol vervullen bij een financiële instelling dan wel lid van de raad van commissarissen van die instelling zijn. Daarnaast is verstrekking mogelijk ten behoeve van de beoordeling van de integere bedrijfsuitoefening en integere bedrijfsvoering.

In het eerste geval verloopt de verstrekking door tussenkomst van het functioneel parket van het openbaar ministerie ter advisering omtrent de betrouwbaarheid en integriteit van personen. Vanwege de gevoeligheid van de gegevens en de mogelijkheid dat deze in een gerechtelijke procedure worden gebruikt ter onderbouwing van de genomen beslissing, kunnen nadere voorwaarden worden gesteld over de verdere verstrekking of doorgifte van de gegevens aan derden. De bewaartermijn is ten hoogste twaalf maanden, met de mogelijkheid van verlenging.

In het tweede geval worden de gegevens verstrekt door de verantwoordelijke, waarbij de landelijk officier van justitie, verbonden aan het meldpunt ongebruikelijke transacties, een toetsende rol vervult. De gegevens kunnen door de betreffende toezichthouder verder worden verwerkt voor zover dat noodzakelijk is voor het doel met het oog waarop de gegevens zijn verstrekt. Daarna dienen de gegevens te worden vernietigd. Dit is in het vierde lid vastgelegd.

Artikel I, Onderdeel D (artikel 4:6)

Dit betreft een technische wijziging. In artikel 4:6 van het besluit wordt de rechtstreekse verstrekking van politiegegevens geregeld. In de onderdelen a en b van dat artikel wordt verwezen naar artikel 4:1, onderdeel a en c, van het besluit. Dit moet echter zijn: artikel 4:1, eerste lid, onderdelen a en c, van het besluit.

Artikel I, onderdeel E (artikel 5:2, derde lid)

Op 23 juni 2008 heeft de Raad het eerdergenoemde Besluit 2008/615 JBZ, inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit, vastgesteld. Door middel van dit Raadsbesluit is het Verdrag van Prüm omgezet in het wettelijk kader van de Europese Unie. Het Verdrag van Prüm is reeds geïmplementeerd in het Besluit politiegegevens. Deze implementatie is echter niet volledig. Net als het eerdere Verdrag van Prüm bevat het Raadbesluit van 23 juni 2008 de verplichting voor de lidstaten om elkaar zowel op verzoek als op eigen initiatief persoonsgegevens te verstrekken ter voorkoming van strafbare feiten en ter handhaving van de openbare orde en veiligheid, in samenhang met grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie, in het bijzonder sportmanifestaties of bijeenkomsten van de Europese Raad (artikel 14, eerste lid). Deze verplichting is aan de orde indien definitieve veroordelingen of andere feiten het vermoeden rechtvaardigen dat de desbetreffende personen tijdens de evenementen strafbare feiten zullen plegen of dat zij een gevaar voor de openbare orde vormen, voor zover de verstrekking van deze gegevens overeenkomstig het nationale recht van de verstrekkende lidstaat is toegestaan.

De Schengenuitvoeringsovereenkomst (SUO) bevat reeds de mogelijkheid voor de Overeenkomstsluitende Partijen om in individuele gevallen zonder voorafgaand verzoek – dus spontaan – de andere partijen gegevens te verstrekken die voor de ontvangende partij van belang kunnen zijn ter voorkoming van strafbare feiten of ter afwending van gevaar voor de openbare orde en veiligheid (art. 46, eerste lid, SUO). Dit betreft echter geen verplichting.

Het Besluit politiegegevens (Bpg) bevat weliswaar reeds een verplichting tot verstrekking van politiegegevens aan personen en instanties in een andere lidstaat van de Europese Unie, maar deze is gebonden aan de voorkoming en opsporing van strafbare feiten in de betreffende lidstaat (artikel 5:2, eerste lid, Bpg). Aanvullend op de thans geldende regels van dit besluit wordt met dit lid de verplichte gegevensverstrekking rond grootschalige manifestaties mede met het oog op de handhaving van de openbare orde en veiligheid, als voorzien in het Raadsbesluit, geïmplementeerd. Een belangrijke voorwaarde is dat onherroepelijke veroordelingen of andere feiten het vermoeden rechtvaardigen dat de betreffende personen tijdens het evenement strafbare feiten zullen begaan of een gevaar voor de openbare veiligheid zullen vormen. In de memorie van toelichting bij de goedkeuringswet (Kamerstukken II, 2006/07, 30881, nr. 3) is reeds aangegeven dat voor de feiten die een dergelijk vermoeden rechtvaardigen kan worden gedacht aan opgelegde stadionverboden of aan lijsten van risicosupporters, ten aanzien van wie gegronde vermoedens bestaan dat zij tijdens het evenement strafbare feiten zullen plegen of de openbare orde zullen verstoren.

Het Raadsbesluit bevat tevens een strikte doelbinding (artikel 14, tweede lid). De gegevens dienen onverwijld te worden vernietigd zodra de bovenbedoelde doeleinden zijn verwezenlijkt of niet meer verwezenlijkt kunnen worden. De verstrekte gegevens dienen in elk geval uiterlijk na één jaar te worden vernietigd. Met deze termijn wordt nadere invulling gegeven aan het algemene beginsel van gegevensbescherming, dat persoonsgegevens worden verwijderd of gewist zodra het doel van de verwerking verwezenlijkt is. Dit is eveneens in dit lid geregeld.

Met opneming van deze bepaling in een nieuw derde lid, onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid, is het bepaalde in artikel 5:1, tweede, derde, vierde, vijfde en zevende lid Bpg van overeenkomstige toepassing. Hiermee wordt gevolg gegeven aan het advies van het Cbp.

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.