Wet van 5 november 2014 tot het wijzigen van een aantal wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Jeugdwet (Invoeringswet Jeugdwet)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de inwerkingtreding van de Jeugdwet wenselijk is een aantal wetten te wijzigen teneinde deze in overeenstemming te brengen met de Jeugdwet alsmede een aantal verbeteringen aan te brengen in de Jeugdwet;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. WIJZIGING VAN DIVERSE WETTEN

Artikel 1.1

In artikel 3, achtste lid, van de Algemene nabestaandenwet wordt «waarvoor» vervangen door «voor wie» en wordt na «Wet op de jeugdzorg» ingevoegd: of de Jeugdwet,.

Artikel 1.2

In artikel 1, negende lid, van de Algemene Ouderdomswet wordt «waarvoor» vervangen door «voor wie» en wordt na «Wet op de jeugdzorg» ingevoegd: of de Jeugdwet,.

Artikel 1.3

Bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet op de jeugdzorg en wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:

Jeugdwet:
  • a. artikel 2.3, eerste lid, voor zover in het besluit wordt bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is, als bedoeld in artikel 6.1.2, vijfde lid

  • b. artikel 3.5, eerste lid

  • c. de artikelen 6.1.5, 6.1.6, tweede en derde lid, 6.1.12, vijfde lid, 6.3.1 tot en met 6.3.5, 6.3.7 en 6.4.1

B

Artikel 8, zevende lid, komt te luiden:

  • 7. Tegen een besluit op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet kan beroep worden ingesteld bij de kinderrechter binnen wiens rechtsgebied de betrokken gemeente is gelegen.

C

In artikel 10 vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet op de jeugdzorg en wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:

Jeugdwet:

artikel 2.3 en paragraaf 8.1.

Artikel 1.3a

In de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten worden na artikel 77 twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 78
  • 1. Tot 1 januari 2018 kan de zorgautoriteit subsidies verstrekken voor de voortzetting van projecten die tot doel hebben om de zorginfrastructuur te ontwikkelen of uit te breiden ten aanzien van zorg waarop aanspraak bestaat op grond van een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet, aanspraken op grond van deze wet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet en die wordt geleverd aan cliënten die niet in een instelling verblijven.

  • 2. Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden slechts verstrekt voor projecten waarvan de zorgautoriteit voor 1 juli 2013 heeft vastgesteld dat zij in aanmerking komen voor een vergoeding als bedoeld in haar Beleidsregel CA-300-578 (Stcrt. 8 juli 2013, nr. 18614) inzake de zorginfrastructuur.

  • 3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald aan wie de subsidies kunnen worden verstrekt, worden regels omtrent de hoogte van de subsidies gesteld en kunnen nadere voorschriften worden gesteld waaronder de subsidies worden verstrekt.

  • 4. In aanvulling op artikel 90, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekering, komen de subsidies, bedoeld in het eerste lid, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.

Artikel 78a
  • 1. Tot de intrekking van deze wet maar uiterlijk tot 1 januari 2018 kan de zorgautoriteit:

    • a. een bijdrage in de kapitaallasten verstrekken aan bij ministeriële regeling aan te wijzen rechtspersonen die voor 1 januari 2012 zorg of diensten, niet zijnde zorg of diensten in het kader van de geestelijke gezondheidszorg, leverden die op grond van deze wet verzekerd waren en ten aanzien waarvan de zorgautoriteit voor laatstgenoemde datum heeft vastgesteld dat zij dan wel hun rechtsopvolgers in aanmerking komen voor een vergoeding van kapitaallasten als bedoeld in haar Beleidsregel CA-300-473 (Stcrt. 11 juli 2011, nr. 12384) inzake kapitaallasten,

    • b. een bijdrage voor vaste activa verstrekken aan bij ministeriële regeling aan te wijzen rechtspersonen die voor 1 januari 2012 zorg of diensten, niet zijnde zorg of diensten in het kader van de geestelijke gezondheidszorg, leverden die op grond van deze wet verzekerd waren en waaraan de zorgautoriteit voor laatstgenoemde datum op grond van de Beleidsregel CA-300-493 (Stcrt. 16 augustus 2011, nr. 14267) een vergoeding heeft toegekend, dan wel aan hun rechtsopvolgers.

  • 2. Tot de intrekking van deze wet maar uiterlijk tot 1 januari 2018 kan de zorgautoriteit:

    • a. een bijdrage in de kapitaallasten verstrekken aan bij ministeriële regeling aan te wijzen rechtspersonen die voor 1 januari 2008 zorg of diensten in het kader van de geestelijke gezondheidszorg leverden die op grond van deze wet verzekerd waren en waaraan de zorgautoriteit voor laatstgenoemde datum op grond van de Beleidsregel CA-300-473 (Stcrt. 11 juli 2011, nr. 12384) inzake kapitaallasten een budget kapitaallasten heeft toegekend, dan wel aan hun rechtsopvolgers,

    • b. een bijdrage voor vaste activa verstrekken aan bij ministeriële regeling aan te wijzen rechtspersonen die voor 1 januari 2008 zorg of diensten in het kader van de geestelijke gezondheidszorg leverden die op grond van deze wet verzekerd waren en ten aanzien waarvan de zorgautoriteit voor laatstgenoemde datum heeft vastgesteld dat zij dan wel hun rechtsopvolgers in aanmerking komen voor een vergoeding als bedoeld in haar Beleidsregel CA-300-493 (Stcrt. 16 augustus 2011, nr. 14267) inzake compensatie vaste activa AWBZ en GGZ in verband met invoering normatieve huisvestingscomponent.

  • 3. De bijdragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen slechts worden verstrekt aan rechtspersonen die onmiddellijk voorafgaande aan 1 januari 2015 verblijf met daarmee gepaard gaande zorg als bedoeld in deze wet verleenden en de desbetreffende zorg vanaf die datum in opdracht van een of meer colleges van burgemeester en wethouders als maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of als jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet verlenen.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de hoogte en de berekening van de bijdragen en worden nadere voorschriften gesteld waaronder de bijdragen worden verstrekt.

  • 5. In aanvulling op artikel 90, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekering komen de bijdragen, bedoeld in dit het eerste en tweede lid, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.

Artikel 1.4

De Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 1, onderdeel q, 3a, eerste lid, 8, eerste lid, onderdeel f, 27, tweede lid, en 29, eerste lid, wordt «artikel 29k, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg» telkens vervangen door: artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet.

B

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel o komt te luiden:

o. inspectie jeugdzorg:

inspectie, bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, van de Jeugdwet;

2. Onderdeel dd komt te luiden:

dd. gecertificeerde instelling:

gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;.

C

Artikel 3b, tweede lid, laatste volzin, komt te luiden:

Hetgeen bij en krachtens de artikelen 4.1.1, tweede lid, eerste volzin, juncto 4.1.5, eerste lid, van de Jeugdwet is bepaald ten aanzien van jeugdhulpaanbieders, is voor wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling van overeenkomstige toepassing op particuliere inrichtingen.

D

In artikel 5a, derde lid, wordt «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

E

In artikel 7, vierde lid, wordt «artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

F

In de artikelen 12, vijfde lid, 17a, derde lid, 27, tweede lid, 42, eerste lid, onderdeel j, 51c, onderdelen b en c, 51e, vierde lid, 58, derde lid, en 63, tweede lid, wordt «de stichting» telkens vervangen door: de gecertificeerde instelling.

G

In artikel 14, eerste lid, wordt:

a. «artikel 29k, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet;

b. «de stichting, die werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft,» vervangen door: de betrokken gecertificeerde instelling.

H

In artikel 17a wordt:

a. in het eerste lid «artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 6.1.2 van de Jeugdwet;

b. in het tweede lid, «de betrokken stichting» vervangen door: de betrokken gecertificeerde instelling.

I

In de artikelen 25, zesde lid, 26, vijfde lid, en 27, vijfde lid, wordt «pleegouders, de stichting,» telkens vervangen door: pleegouders dan wel de gecertificeerde instelling.

J

In artikel 48, tweede lid, wordt «stichtingen» vervangen door: gecertificeerde instellingen.

Artikel 1.5

In artikel 7b, derde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden wordt «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.6

Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 47, tweede lid, 283 en 304, eerste lid, wordt «de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» telkens vervangen door: de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

B

In de artikelen 241, tweede lid, 241a, 254, eerste en vijfde lid, 271, vierde lid, 272, eerste lid, 302, eerste lid, 305, tweede lid, 306, eerste lid, 328, 331, vierde lid, en 332 wordt «een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» telkens vervangen door: een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

C

In de artikelen 254, vijfde lid, 256, tweede, derde en vierde lid, 258, derde lid, 259, tweede lid, 260, eerste en vierde lid, 261, eerste lid, 262, eerste en tweede lid, 263, eerste en tweede lid, 263a, eerste en tweede lid, 263b, eerste en tweede lid, 264, 265, vierde lid, 269, eerste lid, onderdeel d, en 327, eerste lid, onderdeel g, wordt «de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg» telkens vervangen door: de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

D

In de artikelen 257, eerste en vierde lid, 258, eerste lid, 260, tweede lid, 263, eerste en derde lid, 265, tweede lid, en 305, eerste lid, wordt «De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg» telkens vervangen door: De gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

E

In artikel 238, vijfde lid, vervalt de zinsnede «de werkwijze, voor zover het de samenwerking met de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, betreft».

F

In artikel 241, derde lid, wordt aan het slot toegevoegd:

Onder pleegkind wordt in dit verband verstaan: een minderjarige die bij anderen dan zijn ouders, voogd of bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad wordt verzorgd en opgevoed, met dien verstande, dat daaronder niet is begrepen:

  • a. een minderjarige, op wiens verzorging en opvoeding krachtens de bepalingen van een andere wet toezicht wordt uitgeoefend door anderen dan zijn ouders of voogd;

  • b. een minderjarige, die verzorgd en opgevoed wordt in een inrichting, welke, wat betreft de verzorging en opvoeding van de daarin verblijvende minderjarigen, aan toezicht krachtens de bepalingen van een andere wet is onderworpen.

G

Artikel 254 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vijfde lid, eerste volzin, wordt vervangen door: Op verzoek van de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, dan wel op verzoek van de met gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling.

2. Het zesde lid, laatste volzin, wordt vervangen door: In geval van vervanging op de voet van het vijfde lid van de in het tweede lid bedoelde rechtspersoon, wordt de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet benoemd.

H

Artikel 261 komt te luiden:

Artikel 261
  • 1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

  • 2. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of op verzoek van het openbaar ministerie. De raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie legt bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, het besluit van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet over.

  • 3. De kinderrechter kan in afwijking van het tweede lid een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zonder dat het college van burgemeester en wethouders een daartoe strekkend besluit heeft genomen, indien het belang van het kind dit vergt.

  • 4. Voor opneming en verblijf als bedoeld in artikel 6.1.2, eerste lid, of 6.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet is geen machtiging als bedoeld in het eerste lid vereist, doch een machtiging als bedoeld in genoemde artikelleden. Deze machtiging geldt voor de toepassing van de artikelen 258, derde lid, 268, tweede lid, 269, eerste lid, onder d, en 327, eerste lid, onder g, als een machtiging als bedoeld in het eerste lid.

I

Artikel 265, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet die een verzoek indient of wordt opgeroepen, zendt bij het verzoekschrift of onverwijld na de oproep, het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling aan de kinderrechter.

J

In artikel 282, zesde lid, wordt «artikel 28b van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 5.2, eerste lid, van de Jeugdwet.

K

In artikel 303 wordt «de met voogdij belaste stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: de met voogdij belaste gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

L

In artikel 305, derde lid, vervalt de tweede volzin.

M

Artikel 395b, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Hetzelfde geldt, indien met toepassing van paragraaf 8.2 van de Jeugdwet een ouderbijdrage is vastgesteld.

Artikel 1.7

Bijlage I, bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan onderdeel D wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 4. Jeugdwet.

2. Aan onderdeel G wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 2. Jeugdwet.

Artikel 1.8

In artikel 15, eerste lid, van de Gratiewet wordt «een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.9

De Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel d, wordt «artikel 29b en 29c van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: de artikelen 6.1.2 en 6.1.3 van de Jeugdwet.

B

In artikel 5, derde lid, komen de onderdelen d en e te luiden:

  • d. bestuursleden, leden van een raad van toezicht, medewerkers of personeelsleden van een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, bij de uitvoering van de jeugdreclassering, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

  • e. personen die werkzaam zijn bij of deel uitmaken van een instantie die toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende straffen of maatregelen of op de uitvoering van de jeugdreclassering, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

Artikel 1.10

In artikel 3a, derde lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen wordt «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.11

In artikel 16, zevende lid, van de Leerplichtwet 1969 wordt «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.12

In artikel 5b, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet wordt «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.13

In artikel 1, negende lid, van de Toeslagenwet wordt «waarvoor» vervangen door «voor wie» en wordt na «Wet op de jeugdzorg» ingevoegd: of de Jeugdwet,.

Artikel 1.14

Artikel 11 van de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

2. In het derde lid wordt de tweede volzin vervangen door: De artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.7 van de Jeugdwet zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.15

In artikel 13, vierde en vijfde lid, van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering wordt «een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» twee maal vervangen door: een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.16

In artikel 5:1, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg komt onderdeel d te luiden:

  • d. een pleegkind dat blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als de werknemer en dat hij als pleegouder als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet verzorgt;.

Artikel 1.17

In artikel 1, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt «waarvoor» vervangen door «voor wie» en wordt na «Wet op de jeugdzorg» ingevoegd: of de Jeugdwet,.

Artikel 1.18

In artikel 1, negende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt «waarvoor» vervangen door «voor wie» en wordt na «Wet op de jeugdzorg» ingevoegd: of de Jeugdwet,.

Artikel 1.19

In artikel 21, eerste lid, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens wordt «de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.20

De Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt aan het slot van onderdeel a toegevoegd: en.

2. In het derde lid vervalt onderdeel b.

3. In het derde lid wordt onderdeel c geletterd: b.

4. In het zesde lid vervalt de tweede volzin.

B

In artikel 4, tweede lid, vervalt «in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport».

C

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verstrekken» vervangen door: «Onze Minister verstrekt».

2. Het vijfde lid komt te luiden:

Onze Minister geeft jaarlijks voor 1 september, nadat hij daarover met het Bureau heeft overlegd, het bedrag van de subsidie aan dat in het daarop volgende kalenderjaar aan het Bureau zal worden verstrekt en neemt dit bedrag op in het voorstel van wet tot vaststelling van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

D

In artikel 19, eerste lid, vervalt «en aan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Sport».

E

In artikel 20 vervalt «die deze niet verleent dan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport».

Artikel 1.21

In de artikelen 800, derde lid, en 809, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt «de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.22

In artikel 493, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt «een stichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.23

In artikel 9a, derde lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers wordt «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.24

In artikel 1.3.9, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs wordt «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.25

Artikel 1, onderdeel d, van de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg komt te luiden:

d. indicatieorgaan:

indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

Artikel 1.26

In artikel 3, achtste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt «waarvoor» vervangen door «voor wie» en wordt na «Wet op de jeugdzorg» ingevoegd: of de Jeugdwet,.

Artikel 1.27

In artikel 3, achtste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt «waarvoor» vervangen door «voor wie» en wordt na «Wet op de jeugdzorg» ingevoegd: of de Jeugdwet,.

Artikel 1.28

In artikel 2, achtste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen wordt «waarvoor» vervangen door «voor wie» en wordt na «Wet op de jeugdzorg» ingevoegd: of de Jeugdwet,.

Artikel 1.29

In artikel 3.13, eerste lid, onderdeel j, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt «artikel 23 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 5.3 van de Jeugdwet.

Artikel 1.30

De Wet Justitie-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel aan artikel 48g wordt een lid toegevoegd luidende:

  • 6. Hetgeen bij en krachtens de artikelen 4.1.1, tweede lid, eerste volzin, juncto 4.1.5, eerste lid, van de Jeugdwet is bepaald ten aanzien van jeugdhulpaanbieders, is voor wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling van overeenkomstige toepassing op Halt-bureaus.

B

Na hoofdstuk 4F wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 4G. ONDERTOEZICHTSTELLING EN (VOORLOPIGE) VOOGDIJ MINDERJARIGE VREEMDELINGEN
Artikel 48v
  • 1. Onze Minister kan aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 254, tweede lid, en aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, subsidie verstrekken ten behoeve van de kosten van de uitoefening van de in die bepalingen en in artikel 241, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde taken, bijzondere door Onze Minister aan te geven kosten daaronder begrepen.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het verlenen van deze subsidie.

Artikel 1.31

De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt in de begripsbepaling van «ouder» «een subsidie op grond van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: een vergoeding op grond van de Jeugdwet.

2. In het tweede lid, onderdeel c, wordt «Wet op de jeugdzorg» vervangen door: Jeugdwet.

B

In artikel 1.3, tweede lid, onderdeel a, wordt «een subsidie ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: een vergoeding ontvangt op grond van de Jeugdwet»

C

In de artikelen 1.51a, derde lid, en 2.9a, derde lid, wordt «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» telkens vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

D

In artikel 2.1, eerste lid, wordt in de begripsbepaling van «ouder» «een subsidie op grond van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: een vergoeding op grond van de Jeugdwet.

Artikel 1.32

De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1.1, eerste lid, wordt de begripsbepaling van «vertegenwoordiger» overeenkomstig de alfabetische rangschikking geplaatst voor de begripsbepaling van «vertrouwenspersoon».

B

In artikel 1.2, eerste lid, onderdeel b, komt «, met uitzondering van een voorziening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die de jeugdige in staat stelt dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daarover regie te voeren» te vervallen.

C

In artikel 2.1.2, zesde lid, wordt «outcomecriteria» vervangen door: prestatie-indicatoren.

D

In artikel 2.1.3, tweede lid, worden de aanduidingen van de onderdelen e en f vervangen door: d onderscheidenlijk e.

E

Artikel 2.3.5, vijfde lid, onderdeel g, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Participatiewet.

F

In artikel 2.5.3 wordt «in het betreffende jaar» vervangen door «in het voorafgaande jaar» en wordt «outcomecriteria» vervangen door: prestatie-indicatoren.

G

In artikel 3.2, eerste lid, wordt «onderdelen e en f» vervangen door: onderdelen d en e.

H

In artikel 4.2.5, eerste lid, komen de onderdelen a en b te luiden:

  • a. iedere calamiteit die bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede en derde lid, heeft plaatsgevonden, en

  • b. geweld bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede en derde lid.

I

Het tweede lid van artikel 4.2.6 komt te luiden:

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de taken en bevoegdheden van vertrouwenspersonen en de verplichtingen van het AMHK.

J

In artikel 4.2.7, tweede lid, onderdeel a, wordt «de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling» vervangen door: het AMHK.

K

Artikel 4.3.2, zevende lid, vervalt.

L

In artikel 5.1.5, eerste lid, komt de zinsnede «een voorziening en huiselijk geweld, voor zover deze zijn verkregen bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in artikel 6.1 of 6.2,» te luiden: een voorziening, huiselijk geweld of kindermishandeling, voor zover deze zijn verkregen bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in artikel 4.3.1, 6.1 of 6.2,.

M

Artikel 5.1.6 komt te luiden:

Artikel 5.1.6
  • 1. Het AMHK is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens ten behoeve van de goede vervulling van de taken, bedoeld in 4.1.1, tweede en derde lid. Het AMHK is de verantwoordelijke voor deze verwerking.

  • 2. Het AMHK is bevoegd zonder toestemming van degene die het betreft persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid, huiselijk geweld of kindermishandeling, te verwerken van personen die betrokken zijn bij huiselijk geweld of kindermishandeling, indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling kan worden afgeleid en de verwerking noodzakelijk is te achten voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede lid.

N

In artikel 5.2.6 komt de zinsnede «een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling» te luiden: een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan.

O

In artikel 5.3.1, tweede, derde en vierde lid, wordt na «huiselijk geweld» telkens ingevoegd: of kindermishandeling.

P

In artikel 5.3.2, vierde lid, wordt na «huiselijk geweld» ingevoegd: of kindermishandeling.

Q

In artikel 7.19, onderdeel 2, wordt voor de zinsnede «als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015» ingevoegd: huiselijk geweld.

R

In artikel 7.29 wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Participatiewet.

S

Artikel 7.32 vervalt.

T

Artikel 8.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het zevende lid wordt «artikel 3.2» vervangen door «artikel 3.1.2» en wordt na «Zorginstituut» ingevoegd: Nederland, bedoeld in artikel 58 van de Zorgverzekeringswet.

2. Na het zevende lid worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 8. Het eerste tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een persoon die in het buitenland woont of verblijft en die in geval van behoefte aan zorg hetzij krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, hetzij met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel met toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid aanspraak heeft op zorg als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onderdelen a, b, d of e, of vergoeding van de kosten daarvan, met dien verstande dat:

    • a. voor de overeenkomstige toepassing van het eerste, derde en vierde lid in plaats van «verzekerde» telkens wordt gelezen: persoon;

    • b. voor de overeenkomstige toepassing van het eerste tot en met vierde lid in plaats van «het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is» telkens wordt gelezen: het Zorginstituut Nederland; en

    • c. voor de overeenkomstige toepassing van het vijfde en zesde lid in plaats van «het college» telkens wordt gelezen: het Zorginstituut Nederland.

  • 9. De vergoedingen en uitkeringen, bedoeld in het zesde en zevende lid, komen ten laste van het Algemene Fonds Bijzondere Ziektekosten.

U

Na artikel 8.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.6a

Artikel 2.3.5, zesde lid, geldt in 2015 niet voor daar bedoelde cliënten:

  • a. die thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd;

  • b. die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd.

Artikel 1.33

In artikel 11c, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wet Nationale ombudsman wordt «de jeugdzorg» vervangen door: de jeugdhulp.

Artikel 1.34

Bijlage 1 bij artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector wordt als volgt gewijzigd:

1. In het onderdeel betreffende het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden onder vernummering van de onderdelen 6 tot en met 15 tot 4 tot en met 13 de onderdelen 1 tot en met 5 vervangen door:

  • 1. Gecertificeerde instellingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

  • 2. De in Nederland gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende jeugdhulpaanbieders, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, behoudens de instellingen die tevens zijn toegelaten op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen.

  • 3. De rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, van de Jeugdwet die de vertrouwenspersoon, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, beschikbaar stellen, behoudens de instellingen die tevens zijn toegelaten op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen.

2. In het onderdeel betreffende het Ministerie van Veiligheid en Justitie wordt in onderdeel 1 «een rechtspersoonlijkheid bezittende zorgaanbieder als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: een rechtspersoonlijkheid bezittende jeugdhulpverlener als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.35

In artikel 40a, derde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg wordt «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.36

In artikel 5, derde lid, van de Wet op de expertisecentra wordt «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.37

In artikel 1.21, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.38

In artikel 4b, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs wordt «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.39

In artikel 3a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.40

Artikel 10 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

2. In het derde lid wordt de tweede volzin vervangen door: De artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.7 van de Jeugdwet zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.41

In artikel 15a, derde lid, van de Wet publieke gezondheid wordt «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 1.41a

Aan het slot van artikel 54, derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel n door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • o. het CAK, bedoeld in artikel 48 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

Artikel 1.42

In artikel 2.17, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000, wordt «hoofdstuk IVB, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.

Artikel 1.43

De Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, eerste lid, onderdeel b, vervalt «of vierde».

B

In artikel 4, eerste lid, derde volzin, vervalt «of stichtingen als bedoeld in artikel 9b, vierde lid,».

C

Artikel 5, tweede lid, vervalt.

D

In artikel 6 vervallen het derde en vierde lid.

Artikel 1.44

In artikel 2.22a, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt «hoofdstuk IVB, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.

Artikel 1.45

In de artikelen 2, derde lid, en 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet tijdelijk huisverbod wordt «de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» twee maal vervangen door: het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling, bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Artikel 1.46

In artikel 1:1, negende lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten wordt «waarvoor» vervangen door: «voor wie» en wordt na «Wet op de jeugdzorg» ingevoegd: of de Jeugdwet,.

Artikel 1.47

In artikel 3, achtste lid, van de Wet werk en bijstand wordt «waarvoor» vervangen door: «voor wie» en wordt na «Wet op de jeugdzorg» ingevoegd: of de Jeugdwet,.

Artikel 1.48

In artikel 2, achtste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt «waarvoor» vervangen door: «voor wie» en wordt na «Wet op de jeugdzorg» ingevoegd: of de Jeugdwet,.

Artikel 1.49

In artikel 1, negende lid, van de Ziektewet wordt «waarvoor» vervangen door: «voor wie» en wordt na «Wet op de jeugdzorg» ingevoegd: of de Jeugdwet,.

HOOFDSTUK 2. WIJZIGING VAN DE JEUGDWET

Artikel 2

De Jeugdwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het begrip en de begripsomschrijving van «begeleiding» vervallen.

2. In de begripsomschrijving van «gesloten jeugdhulp» wordt «een machtiging als bedoeld in artikel 6.1.2» vervangen door: een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2, 6.1.3 of 6.1.4.

3. In de begripsomschrijving van «jeugdige» komt onderdeel 3° als volgt te luiden:

  • 3°. de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van deze wet:

    • is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is;

    • vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of

    • is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is;

4. In de begripsomschrijving van «jeugdreclassering» wordt «het begeleiding» vervangen door: het begeleiden.

5. Het begrip en de begripsomschrijving van «machtiging gesloten jeugdhulp» worden vervangen door:

machtiging:

machtiging, bedoeld in artikel 6.1.2;.

6. De begripsomschrijving van «woonplaats» wordt als volgt gewijzigd:

a. in onderdeel 1° wordt «artikel 12 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: titel 3 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

b. in onderdeel 2° wordt «een instelling als bedoeld in artikel 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: een gecertificeerde instelling.

c. onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel 3° door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • ingeval de jeugdige de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt: de woonplaats van de jeugdige, bedoeld in artikel 10 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

B

Artikel 1.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «een voorziening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die de jeugdige in staat stelt dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daarover regie te voeren» vervangen door: een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

2. In het derde lid wordt «indien jeugdhulp voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing» vervangen door: indien het jeugdhulp betreft als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b.

C

In artikel 1.3, derde lid, wordt voor «bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur aan te geven categorieën» ingevoegd: voor.

D

In artikel 2.1, aanhef, wordt «kinderbeschermingmaatregelen» vervangen door: kinderbeschermingsmaatregelen.

E

In artikel 2.2, eerste lid, vervalt «telkens».

F

Artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. de jeugdhulp inzet die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of die noodzakelijk is in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de jeugdhulp inzet die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.

G

Aan artikel 2.6 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Hetgeen in artikel 4.1.6, eerste, tweede, derde lid en vijfde lid, is bepaald ten aanzien van de jeugdhulpaanbieder is van overeenkomstige toepassing op het college, voor zover het betreft personen die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden verrichten met betrekking tot de toeleiding naar, advisering over, de bepaling en het inzetten van de aangewezen voorziening.

H

Artikel 2.15 vervalt.

I

In artikel 3.1, tweede lid, wordt in onderdeel a «ernstige» vervangen door: ernstig.

J

Artikel 3.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid wordt «vijf jaar» vervangen door: drie jaar.

2. In het zesde lid, onderdeel a, wordt «Onze Minister van Veiligheid» vervangen door: Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

3. In het zesde lid komt onderdeel d te luiden:

  • d. de vergoeding die is verschuldigd in verband met de kosten voor de behandeling van een aanvraag van een certificaat of voorlopig certificaat;.

4. Aan het zesde lid worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • e. de controle door de certificerende instelling van de gecertificeerde instellingen, en

  • f. de vergoeding die de gecertificeerde instelling is verschuldigd in verband met de kosten voor de controle door de certificerende instelling.

K

Artikel 3.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «in het kader van de uitvoering van» vervangen door: bij de uitvoering van.

2. In het vierde lid wordt «uit een strafbeschikking of een rechterlijke beslissing waarbij in jeugdreclassering is voorzien» vervangen door: uit een strafrechtelijke beslissing.

L

Artikel 3.6 vervalt.

M

Artikel 4.1.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de tweede volzin wordt «de ouders ontheven of ontzet zijn uit het ouderlijk gezag» vervangen door: het gezag van de ouders is beëindigd.

2. Aan het slot wordt «hier vanaf zien» vervangen door: hiervan afzien.

N

In artikel 4.1.6, eerste lid, wordt «kinderbeschermingmaatregel» vervangen door: kinderbeschermingsmaatregel.

Na

Artikel 4.2.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en vierde lid wordt «een jeugdige, ouder of pleegouder» telkens vervangen door: een jeugdige, ouder, ouder zonder gezag, voogd, degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de jeugdige uitoefent of een pleegouder.

2. In het tweede lid, onderdeel a, en vierde lid, onderdelen a en b, wordt «de jeugdige, ouder of pleegouder» vervangen door: de jeugdige, ouder, ouder zonder gezag, voogd, degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de jeugdige uitoefent of de pleegouder.

3. In het eerste lid wordt «onder de aandacht van de jeugdigen, ouders en pleegouders» vervangen door: onder hun aandacht.

4. Een lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 6. Titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op klachten als bedoeld in dit artikel.

O

In de artikelen 4.1.6, vierde lid, en 4.1.7, derde lid, wordt «artikel 1, eerste lid,» vervangen door: artikel 1.1.

P

In artikel 4.1.9, tweede lid, wordt voor «jeugdhulpaanbieders» ingevoegd: het college, voor zover het betreft de toeleiding naar, advisering over, de bepaling en het inzetten van de aangewezen voorziening,.

Q

Aan artikel 4.2.4 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Deze paragraaf is niet van toepassing op een gecertificeerde instelling die tevens een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aanvaarde rechtspersoon is als bedoeld in de artikelen 254, tweede lid, en 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

R

In artikel 4.2.5, derde lid, wordt «De in het derde lid bedoelde regeling» vervangen door: De in het tweede lid bedoelde regeling.

S

In artikel 4.2.7, tweede lid, wordt na «onderwerpen» een komma ingevoegd.

Sa

Artikel 4.3.1, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verslag en kan worden bepaald dat het eerste lid, dan wel onderdelen van het tweede lid, niet van toepassing zijn op jeugdhulpaanbieders als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel 2°.

T

Artikel 5.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. de pleegouder beschikt over een verklaring van geen bezwaar die is afgegeven door de raad voor de kinderbescherming, waaruit blijkt dat er geen bezwarende feiten en omstandigheden zijn voor de plaatsing van een jeugdige. Deze voorwaarde is van overeenkomstige toepassing op alle personen van twaalf jaar en ouder die als inwonenden op het adres van de pleegouder staan ingeschreven. De verklaring is vereist voorafgaand aan de plaatsing van een eerste jeugdige, bij een wisseling van pleegzorgaanbieder, bij de komst van nieuwe inwonenden en indien de pleegouder gedurende twee jaren geen pleegouder is geweest.

2. De tweede volzin van het tweede lid komt te luiden: Deze beoordeling vindt plaats voorafgaand aan de sluiting van het pleegcontract en aan de plaatsing van de jeugdige in het gezin van de pleegouder.

U

Artikel 5.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «een jeugdige» vervangen door: de desbetreffende jeugdige.

2. In het tweede lid vervalt «ten hoogste».

V

Artikel 5.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt: «met wie hij een pleegcontract heeft gesloten».

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «pleegkinderen» vervangen door: jeugdigen.

W

In artikel 5.4 wordt «de jeugdige» vervangen door «de desbetreffende jeugdige» en wordt «een jeugdige» vervangen door: de jeugdige.

X

In artikel 6.1.2, zevende lid, wordt «of het college, heeft bepaald dat naar zijn mening de jeugdige geen voorziening nodig heeft inhoudende gesloten jeugdhulp» vervangen door: of het college niet heeft bepaald dat de jeugdige een voorziening, inhoudende gesloten jeugdhulp, nodig heeft.

Xa

Artikel 6.1.4, negende lid, komt te luiden:

  • 9. De rechter geeft slechts toepassing aan het eerste lid, indien de jeugdige zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden of redelijkerwijs is aan te nemen dat de voorwaarden zullen worden nageleefd.

Xb

In artikel 6.1.7 vervalt het tweede lid onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

Y

Artikel 6.1.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot het derde en vierde lid, wordt het eerste lid vervangen door:

  • 1. Een verzoek gericht op het verkrijgen van een machtiging, een spoedmachtiging of een voorwaardelijke machtiging wordt ingediend door het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt het verzoek, indien het betrekking heeft op een minderjarige die een kinderbeschermingsmaatregel heeft opgelegd gekregen of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel wordt verzocht, ingediend door de raad voor de kinderbescherming of door de officier van justitie. Ingeval een gecertificeerde instelling de kinderbeschermingsmaatregel uitvoert, kan ook deze instelling het verzoek doen.

2. In het derde lid (nieuw) wordt « verzoeken als bedoeld in het eerste lid,» vervangen door: verzoeken als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Z

Artikel 6.1.9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het college, de raad voor de kinderbescherming, de gecertificeerde instelling, dan wel de officier van justitie legt bij een verzoek als bedoeld in artikel 6.1.8, eerste en tweede lid, een afschrift van het besluit, bedoeld in artikel 6.1.2, vijfde lid, alsmede van de verklaring, bedoeld in artikel 6.1.2, zesde lid, over.

2. In het tweede lid wordt «artikel 6.1.2, zesde lid» vervangen door: artikel 6.1.2, zevende lid.

AA

Artikel 6.1.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na «de beschikking inzake de machtiging» wordt ingevoegd: , de spoedmachtiging of de voorwaardelijke machtiging.

2. De puntkomma aan het slot van onderdeel d wordt vervangen door «, en» en «, en» aan het slot van onderdeel e wordt vervangen door een punt.

3. Onderdeel f vervalt.

BB

In artikel 6.1.12, vijfde lid, eerste volzin, vervalt «, bedoeld in artikel 6.1.2, ».

CC

In artikel 6.1.14 wordt «Bij ministeriële regeling» vervangen door: Bij regeling van Onze Ministers.

DD

In artikel 6.3.5, derde lid, wordt «bij ministeriële regeling» vervangen door: bij regeling.

EE

In artikel 6.3.7, eerste volzin, wordt «genoemd» vervangen door: bedoeld.

FF

Artikel 6.5.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het zevende lid wordt tussen «stelt» en «deze» ingevoegd: zij.

2. Een lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 8. Titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op klachten als bedoeld in dit artikel.

GG

In artikel 7.1.2.2, derde lid, wordt aan het slot «, de meldingsbevoegde.» vervangen door: «, met de meldingsbevoegde.».

HH

Artikel 7.1.2.3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel d wordt «Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens» vervangen door «Wet basisregistratie personen», en «artikel 67» door: artikel 2.40.

2. In onderdeel e wordt «in een basisadministratie van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 2 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens,» vervangen door: in de basisregistratie personen.

II

In artikel 7.1.5.1, tweede lid, wordt «de artikelen 35 en 36», vervangen door: de artikelen 35 of 36.

JJ

Artikel 7.2.3, tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. het burgerservicenummer is verkregen uit de basisregistratie personen.

KK

In artikel 7.2.5 wordt «ministeriële regeling» vervangen door: regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

KKa

Na artikel 7.2.8 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 7.2.9

Ten behoeve van de verantwoordelijkheid, bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.4, tweede lid, kan Onze Minister van Veiligheid en Justitie aan een door het college aangewezen ambtenaar of aan een door het college aangewezen en onder zijn verantwoordelijkheid werkzame functionaris het burgerservicenummer verstrekken van een jeugdige ten aanzien van wie in het kader van een strafrechtelijke beslissing is bepaald dat hij in aanmerking komt voor een vorm van jeugdhulp of jeugdreclassering.

LL

In artikel 7.3.2, tweede lid, wordt in de aanhef «dienen» vervangen door: dient.

MM

In artikel 7.3.4, eerste lid, wordt «een machtiging gesloten jeugdhulp of een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp» vervangen door: een machtiging gesloten jeugdhulp, een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp, een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering.

NN

In artikel 7.4.1, eerste lid, wordt na «kindermishandeling» een komma ingevoegd.

OO

Artikel 8.1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde, vierde en vijfde lid tot tweede, derde en vierde lid.

2. In het tweede lid (nieuw) wordt «een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde» vervangen door: een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp.

3. In het derde lid (nieuw), vervalt «[zijn]».

PP

In artikel 8.1.2, tweede lid, wordt «of verkrijgen» vervangen door: die feiten en omstandigheden kan verkrijgen.

QQ

Aan artikel 8.1.4 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien het college een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget met toepassing van het eerste lid, onderdeel a, heeft herzien dan wel ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget invorderen.

RR

Artikel 8.1.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1. «geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt na «budgetten» ingevoegd: , alsmede het hiermee verbonden budgetbeheer,.

3. Een lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de Sociale verzekeringsbank de taak, bedoeld in het eerste lid, uitvoert.

RRa

In artikel 8.2.1, derde lid, wordt «onderdelen a tot en met c» gewijzigd in: onderdelen a en b.

SS

In artikel 8.2.2 wordt «het Boek 1» vervangen door: Boek 1.

SSa

Artikel 8.2.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede lid tot vijfde lid worden drie leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Het college doet onverwijld schriftelijk mededeling aan het bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de vaststelling en de inning is belast van de aanvang, de wijziging en de beëindiging van jeugdhulp waarvoor een ouderbijdrage is verschuldigd. Deze mededeling bevat de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de bijdrage. Onze Ministers kunnen regels stellen over de wijze waarop deze mededeling wordt gedaan.

  • 3. Het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning is belast kan de ouderbijdrage invorderen bij dwangbevel. Voor de toepassing van deze wet kan het bestuursorgaan executoriaal beslag onder derden leggen door van het dwangbevel in afschrift mededeling te doen aan de derde-beslagene. Artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De bijdrageplichtige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank. Het verzet vangt aan met een dagvaarding door de bijdrageplichtige als eiser aan degene die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden. Het verzet kan niet zijn gegrond op de stelling dat de mededeling dat de ouderbijdrage is opgelegd of de aanmaning ter zake niet is ontvangen. Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de ouderbijdrage ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

2. In het vijfde lid (nieuw) wordt «Het bestuursorgaan dat met de inning is belast» vervangen door: Het bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de vaststelling en de inning is belast.

TT

In de artikelen 8.2.3, eerste lid, 8.2.4, eerste en tweede lid, 8.2.5, 8.2.6 en 8.2.7 wordt «bestuursorgaan dat met de inning is belast» vervangen door: bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de vaststelling en de inning is belast.

TTa

In de artikelen 8.3.1 en 8.3.2 wordt na «jeugdhulpaanbieders» telkens ingevoegd: als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel 1°,.

UU

Artikel 9.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van het eerste lid, onderdeel f, wordt de puntkomma vervangen door een punt.

2. In het tweede lid, wordt «Wet op de veiligheidsregio’s» vervangen door: Wet veiligheidsregio’s.

VV

In artikel 9.2 wordt, onder vernummering van het zesde tot het zevende lid, na het vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 6. Indien een organisatie van beoefenaren van een beroep op het terrein van de jeugdhulp, van de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, de advies- en meldpunten huiselijk geweld en kindermishandeling, de raad voor de kinderbescherming, inrichtingen als bedoeld in artikel 1 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of Halt-bureaus als bedoeld in artikel 48f van de Wet Justitie-subsidies een systeem van tuchtrecht heeft georganiseerd, kunnen Onze Ministers de ingevolge artikel 9.2 met het toezicht belaste ambtenaren bevoegd verklaren in het kader van dat systeem een tuchtklacht in te dienen.

WW

Artikel 9.3, zevende lid, komt te vervallen.

XX

In artikel 9.5, tweede lid, vervalt de komma tussen «artikel» en «4.2.1».

YY

In artikel 10.1, zesde lid, wordt «te zake» vervangen door: ter zake.

ZZ

In artikel 10.2, vierde lid, wordt «artikel 9b, vijfde lid van de Zorgverzekeringswet» vervangen door: artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

ZZa

Na artikel 10.2 wordt een artikel 10.2a ingevoegd, luidende:

Artikel 10.2a
  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    jeugdige:

    een buiten Nederland woonachtige persoon die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt en die hetzij op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 5, eerste lid, onder b, dan wel vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verzekerd is en op die dag aanspraak heeft op een vergoeding ter zake van de kosten van zorg waarop op die dag aanspraak bestond op grond van artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, hetzij bij het Zorginstituut staat geregistreerd als een in het buitenland wonend persoon die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht heeft op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland;

    zorg:

    zorg als bedoeld in de artikelen 10.1 en 10.2 waarvan de aanspraak op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Zorgverzekeringswet ten gevolge van de inwerkingtreding van artikel 11.7 wet komt te vervallen en die na inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet als jeugdhulp kan worden aangemerkt;

    Zorginstituut:

    Zorginstituut Nederland, bedoeld in artikel 58 van de Zorgverzekeringswet.

  • 2. Personen en instellingen die ter zake van de zorg een vordering hebben op een jeugdige die aanspraak heeft op gehele of gedeeltelijke vergoeding van de kosten van die zorg, dan wel de betreffende jeugdige, zenden de nota ter vergoeding aan het Zorginstituut.

  • 3. Het Zorginstituut kan een rechtspersoon mandaat en volmacht verlenen om namens hem besluiten te nemen of werkzaamheden te verrichten die verband houden met het verlenen van vergoedingen als bedoeld in het tweede lid.

  • 4. De vergoedingen, bedoeld in het tweede lid, komen ten laste van het Zorgverzekeringsfonds en het Algemene Fonds Bijzondere Ziektekosten.

ZZb

Aan het slot van artikel 10.3 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Indien de verschuldigdheid van een ouderbijdrage onderdeel uitmaakt van de rechten en verplichtingen als bedoeld in het tweede lid, verstrekt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen aan het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning van de ouderbijdrage is belast, ten behoeve van de goede uitvoering van de taak van dat bestuursorgaan, alsmede aan de gemeente waar de jeugdige als bedoeld in deze wet zijn woonplaats heeft en op wie het indicatiebesluit als bedoeld in het tweede lid betrekking heeft, een afschrift van de in artikel 12, derde volzin, van de Wet op de jeugdzorg bedoelde formulieren.

AAA

Artikel 10.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «artikelen 10.1 tot en met 10.3» vervangen door: artikelen 10.1, 10.2 en 10.3.

2. In het zevende lid wordt «ministeriële regeling» vervangen door: regeling van Onze Ministers.

AAAa

Na artikel 10.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10.4a
  • 1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, die is ingediend voor de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet, wordt in de stand van behandeling waarin deze zich bevindt door de stichting, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg, zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet, uiterlijk op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet overgedragen aan het college van de gemeente waarbinnen de jeugdige zijn woonplaats heeft, teneinde het college in de gelegenheid te stellen op grond van deze wet over de aanvraag een beslissing te nemen.

  • 2. Een aanvraag van een jeugdige, die tevens verzekerde is in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voor zorg waarvan de aanspraak op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ten gevolge van de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet komt te vervallen en die na inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet als jeugdhulp kan worden aangemerkt waarvoor het college is gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen, die is ingediend voor de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet, wordt binnen twee weken na de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet in de stand waarin het zich bevindt, door het daartoe bevoegde indicatieorgaan, de stichting, bedoeld in artikel 9b, eerste en vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, dan wel door de door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen persoon als bedoeld in artikel 53 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, overgedragen aan het college van de gemeente waarbinnen de jeugdige zijn woonplaats heeft, teneinde het college in de gelegenheid te stellen op grond van deze wet over de aanvraag een beslissing te nemen.

  • 3. Een aanvraag van een jeugdige, die tevens verzekerde is in de zin van Zorgverzekeringswet voor zorg waarvan de aanspraak op grond van de Zorgverzekeringswet ten gevolge van de inwerkingtreding van deze wet komt te vervallen en die na inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet als jeugdhulp kan worden aangemerkt waarvoor het college is gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen, die is ingediend voor de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet, wordt binnen twee weken na de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet in de stand waarin het zich bevindt, door de stichting, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg, zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, overgedragen aan het college van de gemeente waarbinnen de jeugdige zijn woonplaats heeft, teneinde het college in de gelegenheid te stellen op grond van deze wet over de aanvraag een beslissing te nemen.

  • 4. Het in het tweede lid bedoelde bevoegde indicatieorgaan of stichting dan wel de door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen persoon, alsmede de in het derde lid bedoelde stichting, zenden binnen twee weken na de dag waarop artikel 11.7 van deze wet in werking treedt aan het college de persoonsgegevens van de verzekerde, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak, bedoeld in het tweede en derde lid.

  • 5. Het college is bevoegd tot het verwerken van de persoonsgegevens die overeenkomstig het vierde lid aan hem zijn verstrekt, voor zover dat noodzakelijk is om op de aanvraag te beslissen.

BBB

Na artikel 10.5 worden de volgende artikelen ingevoegd:

Artikel 10.6
  • 1. In dit artikel en in de artikelen 10.7 en 10.11 wordt verstaan onder bureau jeugdzorg: stichting die een bureau jeugdzorg onder de Wet op de jeugdzorg in stand hield, zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid.

  • 2. Voogdij en voorlopige voogdij, uitgeoefend door een bureau jeugdzorg of gemandateerd aan een instelling met een landelijk bereik die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, is gecertificeerd, berust met ingang van dat tijdstip bij die gecertificeerde instelling.

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot ondertoezichtstelling, voorlopige ondertoezichtstelling en jeugdreclassering.

Artikel 10.7
  • 1. Voogdij of voorlopige voogdij, uitgeoefend door een bureau jeugdzorg of gemandateerd aan een instelling met een landelijk bereik die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, niet is gecertificeerd, blijft met ingang van dat tijdstip, doch voor ten hoogste een jaar nadien, uitgeoefend worden door dat bureau jeugdzorg of door die gemandateerde instelling met een landelijk bereik.

  • 2. Ondertoezichtstelling en voorlopige ondertoezichtstelling, opgedragen aan een bureau jeugdzorg of gemandateerd aan een instelling met een landelijk bereik die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, niet is gecertificeerd, blijft met ingang van dat tijdstip en totdat de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling of een ondertoezichtstelling heeft uitgesproken, uitgevoerd worden door dat bureau jeugdzorg of door die gemandateerde instelling met een landelijk bereik.

  • 3. Jeugdreclassering, uitgeoefend door een bureau jeugdzorg of gemandateerd aan een instelling met een landelijk bereik die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, niet is gecertificeerd, blijft met ingang van dat tijdstip, doch voor ten hoogste een jaar nadien, uitgeoefend worden door dat bureau jeugdzorg of door die gemandateerde instelling met een landelijk bereik.

Artikel 10.8
  • 1. Voogdij, voorlopige voogdij of tijdelijke voogdij, uitgeoefend door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, als een gecertificeerde instelling wordt aangemerkt, berust met ingang van dat tijdstip bij die gecertificeerde instelling.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de taken van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 10.9
  • 1. Voogdij, voorlopige voogdij of tijdelijke voogdij uitgeoefend door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, niet als een gecertificeerde instelling wordt aangemerkt, blijft met ingang van dat tijdstip, doch voor ten hoogste een jaar nadien opgedragen aan de rechtspersoon.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de taken van de in artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtspersoon.

Artikel 10.10

In afwijking van artikel 3.2, tweede lid, kan een gemandateerde instelling met een landelijk bereik ook jeugdhulp aanbieden voor ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid.

Artikel 10.11

In het kalenderjaar waarin artikel 11.7, eerste lid, in werking treedt, besteden de colleges van de bij regeling van Onze Ministers aangewezen gemeenten bij het in die regeling aangewezen bureau jeugdzorg of zijn rechtsopvolger minimaal tachtig procent van het budget dat door de provincie in 2014 is verstrekt aan dat bureau jeugdzorg met het oog op de uitvoering van zijn wettelijke taken.

Artikel 10.12
  • 1. Het bestuursorgaan dat op grond van artikel 8.2.3, eerste lid, van deze wet met de vaststelling en inning van ouderbijdragen is belast, stelt een persoon aan die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet als ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet bij het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, bedoeld in artikel 73 van de Wet op de jeugdzorg, in dienst is en die is belast met het vaststellen en innen van ouderbijdragen en in verband met die inwerkingtreding naar het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 8.2.3, overgaat.

  • 2. Op een persoon als bedoeld in het eerste lid, zijn de rechtspositieregels die gelden voor de ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, van overeenkomstige toepassing. De in die regels neergelegde bevoegdheden, met uitzondering van de aan Ons dan wel de aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegekende bevoegdheden tot het stellen van regels worden uitgeoefend door het bestuursorgaan dat op grond van artikel 8.2.3, eerste lid, van deze wet met de vaststelling en inning van ouderbijdragen is belast. Voor zover in die regels is bepaald dat bevoegdheden worden uitgeoefend met medebetrokkenheid van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, worden deze bevoegdheden uitgeoefend met medebetrokkenheid van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

CCC

Artikel 11.2 vervalt.

DDD

In artikel 11.4 komt het nieuwe derde lid van artikel 2 van de Wet marktordening gezondheidszorg te luiden:

  • 3. Deze wet is niet van toepassing op een zorgaanbieder voor zover deze jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet aanbiedt.

EEE

Artikel 11.5 vervalt.

FFF

Artikel 11.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel C wordt de punt na «Artikel 77w wordt als volgt gewijzigd» vervangen door een dubbele punt.

2. Aan onderdeel G wordt een onderdeel toegevoegd, luidend:

  • 3. Het derde lid wordt vervangen door:

    • 3. Indien de veroordeelde onder toezicht is gesteld ingevolge artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die met dit toezicht is belast, opdracht geven op de naleving van de voorwaarden toe te zien en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

3. Een onderdeel wordt toegevoegd, luidend:

I

Artikel 280, tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. de jeugdhulpaanbieder, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, in zoverre hij handelt overeenkomstig de Jeugdwet.

GGG

Artikel 11.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De Wet op de jeugdzorg wordt ingetrokken, met dien verstande dat:

    • a. zij van toepassing blijft op de financiële verantwoording, vaststelling, uitbetaling van op grond van die wet verleende subsidies en uitkeringen en op de vaststelling en inning op grond van die wet van de ouderbijdragen, en

    • b. hoofdstuk VII van de Wet op de jeugdzorg van toepassing blijft op het verstrekken en verwerken van gegevens die betrekking hebben op het laatste kalenderjaar voor die intrekking.

2. Aan het slot van het tweede lid wordt de volgende volzin toegevoegd:

Indien het een besluit betreft dat is genomen door een stichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg, treedt het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft in de plaats van die stichting.

HHH

Artikel 12.3 komt te luiden:

Artikel 12.3
  • 1. Indien een gecertificeerde instelling geheel of ten dele is gevormd uit een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, gaan de verplichtingen die ingevolge de Archiefwet 1995 en de artikelen 55 en 56 van de Wet op de jeugdzorg op die stichting rusten over op de gecertificeerde instelling, behoudens het bepaalde in het vijfde lid. Onder stichting wordt in dit artikel mede verstaan een gemandateerde instelling met een landelijk bereik.

  • 2. Indien een of meer gecertificeerde instellingen zijn gevormd uit een of meer stichtingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, treffen zij gezamenlijk een regeling ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen onderscheidenlijk een voorziening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Archiefwet 1995.

  • 3. Een regeling of voorziening als in het tweede lid bedoeld strekt ertoe dat alle verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden belegd.

  • 4. Indien uit een stichting geen gecertificeerde instelling wordt gevormd, treft de stichting een regeling onderscheidenlijk voorziening met een of meer gecertificeerde instellingen of gemeenten, behoudens het bepaalde in het vijfde lid. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Indien een taak of bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 5 tot en met artikel 11 van de Wet op de jeugdzorg die werd uitgevoerd door een stichting, wordt uitgevoerd door een ander dan een gecertificeerde instelling, gaan de met die taak of bevoegdheid samenhangende verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, over op die ander.

  • 6. De in het vijfde lid bedoelde verplichtingen gaan in ieder geval over voor zover het betreft bescheiden met betrekking tot:

    • a. een cliënt ten behoeve van wie de stichting na 1 januari 2013 een besluit heeft genomen waarbij is vastgesteld dat die cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg;

    • b. een cliënt die een aanvraag voor zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg heeft ingediend waarover op de datum van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, van deze wet nog geen besluit is genomen;

    • c. de taken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, uitgevoerd na 1 januari 2013, voor zover deze bescheiden zijn te herleiden tot een te identificeren jeugdige of zijn ouders.

  • 7. Overdracht van bescheiden ingevolge dit artikel geschiedt in goede, geordende en toegankelijke staat. Hiervan maakt de overdragende partij een verklaring van vervreemding op.

HHHa

Na artikel 12.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 12.3a
  • 1. Archiefbescheiden en de daarmee samenhangende verplichtingen, bedoeld in de Archiefwet 1995, met betrekking tot zorg waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 10.4a, tweede lid, is ingediend bij een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en waarover op de datum van inwerkingtreding van artikel 11.7 nog geen besluit is genomen, worden door dat indicatieorgaan overgedragen aan het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft en dat gehouden is een voorziening op grond van deze wet te treffen.

  • 2. Voor zover de archiefbescheiden, bedoeld in het eerste lid, zorg betreffen waarvoor op de datum van inwerkingtreding van artikel 11.7 een indicatiebesluit is afgegeven, is het indicatieorgaan, bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, zorgdrager als bedoeld in artikel 1 van de Archiefwet 1995 voor zover de archiefbescheiden niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

  • 3. Het indicatieorgaan, bedoeld in het tweede lid, draagt na ontvangst van een daartoe strekkende kennisgeving door het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, de archiefbescheiden binnen vier weken over aan het college, voor rekening en risico van dat college, indien het zorg betreft waarvoor dat college is gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen en deze bescheiden daartoe noodzakelijk zijn, teneinde dit college in de gelegenheid te stellen deze te kopiëren. Het college geeft de archiefbescheiden binnen vier weken na ontvangst terug.

HHHb

Aan artikel 12.4 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Ten behoeve van de uitvoering van het eerste lid en van artikel 2.6, eerste lid, onder a, sluiten de colleges ten behoeve van het jaar 2015 met door Onze Ministers aan te wijzen organisaties die een cruciale functie op het gebied van jeugdhulp vervullen en die voor de continuïteit van hun te leveren voorzieningen afhankelijk zijn van een groot aantal gemeenten, tijdig doch in ieder geval voor 1 november 2014 overeenkomsten waarin ter waarborging van de continuïteit van de verlening van jeugdhulp en het behoud van de daarvoor noodzakelijke infrastructuur afspraken zijn gemaakt over:

    • a. het budget;

    • b. de bevoorschotting, en

    • c. de te hanteren tarieven.

III

In artikel 12.6 wordt voor «onderdeel Ga» ingevoegd: artikel I,.

HOOFDSTUK 3. WIJZIGINGEN IN VERBAND MET WETSVOORSTELLEN EN NOG NIET IN WERKING GETREDEN WETTEN

Artikel 3.1

De Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel B, tweede lid, in artikel II, onderdeel F, eerste lid, en in artikel III, onderdeel E, in het nieuwe artikel 17b, eerste lid, wordt «a. een stichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» telkens vervangen door: a. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling zijn woonplaats heeft als bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet.

B

In artikel II, onderdeel AA, in het nieuwe artikel 71c, eerste lid, en onderdeel II, in het nieuwe zesde lid van artikel 117, wordt «accommodaties als bedoeld in artikel 29k, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» telkens vervangen door: gesloten accommodaties als bedoeld in artikel 6.2.2 van de Jeugdwet.

Artikel 3.2

Indien de in artikel 3.1 genoemde onderdelen van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) eerder in werking treden of zijn getreden dan deze wet of dan artikel 11.7, eerste lid, van de Jeugdwet:

a. vervalt genoemd artikel 3.1 zonder in werking te treden, en

b. worden tegelijkertijd met de inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, van de Jeugdwet, de volgende wetten als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 8, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, 11, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, en 17b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt: «a. een stichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» telkens vervangen door:

  • a. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling zijn woonplaats heeft als bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet.

B

In de artikelen 71c, eerste lid, en 117, zesde lid, van de Wet op de expertisecentra wordt «accommodaties als bedoeld in artikel 29k, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» telkens vervangen door: gesloten accommodaties als bedoeld in artikel 6.2.2 van de Jeugdwet.

Artikel 3.3

Indien artikel I van de Wet van 12 maart 2014 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Stb. 2014, 130) in werking is getreden of treedt, wordt de Jeugdwet als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1 komt de begripsomschrijving van «kinderbeschermingsmaatregel» te luiden:

kinderbeschermingsmaatregel:

voogdij en voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en voorlopige ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 257, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

B

Aan artikel 4.2.4 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Deze paragraaf is niet van toepassing op een gecertificeerde instelling die tevens een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aanvaarde rechtspersoon is als bedoeld in de artikelen 256, eerste lid, en 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

C

In de artikelen 6.1.2, achtste lid, en 6.1.6, zevende lid, wordt «machtiging als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: machtiging als bedoeld in artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

D

In artikel 6.1.8, derde lid, wordt «artikel 265, eerste, derde en vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: artikel 265k, eerste, derde en vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

E

Artikel 7.3.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het vierde lid tot het vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een onder toezicht gestelde minderjarige, diens verzorging en opvoeding of de persoon van een ouder of voogd betreffen, welke inlichtingen noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, verstrekken de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, deze inlichtingen desgevraagd of uit eigen beweging, zonder toestemming van de betrokkenen en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep.

2. Het vijfde lid (nieuw), komt te luiden:

  • 5. Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van het dossier, de wijze waarop de verwerking van gegevens door en de uitwisseling van gegevens tussen het college, de jeugdhulpaanbieders, de gecertificeerde instellingen en de raad voor de kinderbescherming plaatsvindt en de wijze waarop de verwerking en uitwisseling van gegevens als bedoeld in het vierde lid plaatsvinden. Daarbij kan worden bepaald welke maatregelen moeten worden getroffen om te waarborgen dat de uitwisseling van gegevens veilig en zorgvuldig plaatsvindt.

F

In artikel 8.2.1, eerste lid, wordt «artikel 261, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: artikel 265b, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 3.4

Indien artikel I van de Wet van 12 maart 2014 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Stb. 2014, 130) in werking is getreden of treedt, wordt de onderhavige wet als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.30, onderdeel B, komt te luiden:

B

Na hoofdstuk 4F wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 4G. ONDERTOEZICHTSTELLING EN (VOORLOPIGE) VOOGDIJ MINDERJARIGE VREEMDELINGEN
Artikel 48v
  • 1. Onze Minister kan aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 256, en aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, subsidie verstrekken ten behoeve van de kosten van de uitoefening van de in die bepalingen en in artikel 241, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde taken, bijzondere door Onze Minister aan te geven kosten daaronder begrepen.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het verlenen van deze subsidie.

C

In artikel 2, onderdeel Q, komt «254, tweede lid» te luiden: 256, eerste lid.

D

Artikel 2, onderdeel AAA, artikelen 10.8 en 10.9, komt te luiden:

Artikel 10.8
  • 1. Voogdij, voorlopige voogdij of tijdelijke voogdij, uitgeoefend door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, als een gecertificeerde instelling wordt aangemerkt, berust met ingang van dat tijdstip bij die gecertificeerde instelling.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de taken van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 256, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 10.9
  • 1. Voogdij, voorlopige voogdij of tijdelijke voogdij uitgeoefend door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, niet als een gecertificeerde instelling wordt aangemerkt, blijft met ingang van dat tijdstip, doch voor ten hoogste een jaar nadien opgedragen aan de rechtspersoon.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de taken van de in artikel 256, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtspersoon.

E

In artikel 2, onderdeel FFF, wordt in het tweede lid «artikel 254» vervangen door: artikel 255.

Artikel 3.5

Indien artikel I van de Wet van 12 maart 2014 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Stb. 2014, 130) in werking is getreden of treedt, vervalt in onderdeel H van genoemd artikel I artikel 262a.

Artikel 3.6

Indien artikel II van de Wet van 12 maart 2014 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Stb. 2014, 130) in werking is getreden of treedt, vervalt in onderdeel A van genoemd artikel II, in het eerste lid van artikel 799a «de artikelen 253z, eerste lid, en 253zb, eerste lid».

Artikel 3.7

Indien artikel I van de Wet van 12 maart 2014 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Stb. 2014, 130) eerder in werking is getreden of treedt dan, onderscheidenlijk tegelijkertijd met artikel 11.7, eerste lid, van de Jeugdwet, komt artikel 1.6 van deze wet te luiden:

Artikel 1.6

Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 47, tweede lid, 238, vijfde lid, 253q, vierde lid, 283 en 304, eerste lid, wordt «de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg», vervangen door: de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

B

In artikel 305, eerste lid, wordt «De stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg», vervangen door: De gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

C

In de artikelen 241, tweede lid, 241a, 253z, vierde lid, 268, tweede en derde lid, 302, eerste lid, 306, eerste lid, 328 en 331, tweede lid, wordt «een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

D

In de artikelen 260, tweede lid, 261, tweede lid, 262, eerste en tweede lid, 262a, eerste en tweede lid, 262b, 264, tweede lid, 265, eerste en vierde lid, 265c, tweede lid, 265d, eerste en tweede lid, 265e, eerste en vijfde lid, 265f, eerste en tweede lid, 265g, eerste en tweede lid, 265h, eerste lid, 265i, tweede lid, 265j, eerste en derde lid, 265k, vierde lid, 267, tweede lid, en 305, tweede lid, wordt «de stichting» telkens vervangen door: de gecertificeerde instelling.

E

In de artikelen 262, eerste en derde lid, 262a, eerste lid, 263, eerste en derde lid, 265, tweede lid, 265d, derde lid, 265i, eerste en derde lid, 265j, tweede en derde lid, 265k, tweede lid, 267, tweede lid, en 268, derde lid, wordt «De stichting» telkens vervangen door: De gecertificeerde instelling.

F

In de artikelen 260, tweede lid, 261, tweede lid, en 265e, vijfde lid, wordt «deze stichting» telkens vervangen door: deze gecertificeerde instelling.

G

In de artikelen 262a, tweede en derde lid, 263, eerste lid, 265k, tweede lid, en 305, eerste lid, wordt «artikel 13, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg» telkens vervangen door: artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet.

Ga

In artikel 241, derde lid, wordt aan het slot toegevoegd:

Onder pleegkind wordt in dit verband verstaan: een minderjarige die bij anderen dan zijn ouders, voogd of bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad wordt verzorgd en opgevoed, met dien verstande, dat daaronder niet is begrepen:

  • a. een minderjarige, op wiens verzorging en opvoeding krachtens de bepalingen van een andere wet toezicht wordt uitgeoefend door anderen dan zijn ouders of voogd;

  • b. een minderjarige, die verzorgd en opgevoed wordt in een inrichting, welke, wat betreft de verzorging en opvoeding van de daarin verblijvende minderjarigen, aan toezicht krachtens de bepalingen van een andere wet is onderworpen.

H

Artikel 254 komt te luiden:

Artikel 254

In deze afdeling wordt verstaan onder gecertificeerde instelling: gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

I

In de artikelen 255, eerste lid, aanhef, en 257, eerste lid, wordt «een stichting» vervangen door: een gecertificeerde instelling.

J

Artikel 255 wordt als volgt gewijzigd:

1. het derde lid komt te luiden:

  • 3. Indien de raad niet tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling overgaat nadat hij een verzoek tot onderzoek als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Jeugdwet heeft ontvangen, deelt hij dit schriftelijk mee aan het college van burgemeester en wethouders dat het verzoek heeft gedaan. De burgemeester kan na ontvangst van die mededeling de raad voor de kinderbescherming verzoeken het oordeel van de kinderrechter te vragen of het noodzakelijk is de minderjarige onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling. De raad voor de kinderbescherming die van de burgemeester zodanig verzoek ontvangt, vraagt binnen twee weken na de dagtekening van dat verzoek het oordeel van de kinderrechter of een ondertoezichtstelling van de minderjarige moet volgen. In dat geval kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling ambtshalve uitspreken.

2. Onder vernummering van het vijfde en het zesde lid tot het vierde en het vijfde lid vervalt het vierde lid (oud).

K

In artikel 256, vierde lid, wordt «de stichting in de provincie waar de minderjarige duurzaam verblijft benoemd» vervangen door: een gecertificeerde instelling benoemd die een contract of een subsidierelatie heeft met de gemeente waar de minderjarige zijn woonplaats als bedoeld in de Jeugdwet heeft.

L

Artikel 259 komt te luiden:

Artikel 259

De kinderrechter kan de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling, op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder.

M

Artikel 262b wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt «artikel 67, eerste lid, onder b, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: «artikel 4.2.1 van de Jeugdwet».

2. In de tweede volzin wordt «zorg, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

N

Artikel 265b komt te luiden:

Artikel 265b
  • 1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

  • 2. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of op verzoek van het openbaar ministerie. De raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie legt bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, het besluit van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet over.

  • 3. De kinderrechter kan in afwijking van het tweede lid een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zonder dat het college van burgemeester en wethouders een daartoe strekkend besluit heeft genomen, indien het belang van het kind dit vergt.

  • 4. Voor opneming en verblijf als bedoeld in artikel 6.1.2, eerste lid, of 6.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet is geen machtiging als bedoeld in het eerste lid vereist, doch een machtiging als bedoeld in genoemde artikelleden. Deze machtiging geldt voor de toepassing van artikel 265a als een machtiging als bedoeld in het eerste lid.

O

In artikel 267, tweede lid, wordt «die stichting» vervangen door: die gecertificeerde instelling.

P

In artikel 282, zesde lid, wordt «artikel 28b van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 5.2 van de Jeugdwet.

Q

In artikel 303 wordt «de met voogdij belaste stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die met de voogdij is belast.

R

In artikel 328, onderdeel a, wordt «artikel 13, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 4.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet.

S

Artikel 395b, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Hetzelfde geldt, indien met toepassing van paragraaf 8.2 van de Jeugdwet een ouderbijdrage is vastgesteld.

Artikel 3.8

Indien artikel 11.7, eerste lid, van de Jeugdwet eerder in werking is getreden of treedt dan, onderscheidenlijk tegelijkertijd met artikel III van de Wet van 12 maart 2014 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Stb. 2014, 130), vervalt het genoemde artikel III zonder in werking te zijn getreden.

Artikel 3.9

1. Indien artikel 7.7, onderdeel C, van het bij koninklijke boodschap van 4 juni 2010 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg) (Kamerstukken 32 398) tot wet is of wordt verheven en eerder in werking is getreden of treedt dan artikel 1.5 van deze wet, vervalt artikel 1.5 van deze wet zonder in werking te treden.

2. Indien artikel 7.10, onderdeel B, van het bij koninklijke boodschap van 4 juni 2010 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg) (Kamerstukken 32 398) tot wet is of wordt verheven, wordt, doch niet eerder dan tegelijkertijd met de inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, van de Jeugdwet, in artikel 9c van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten «artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 3.10

1. Indien artikel 11.7, eerste lid, van de Jeugdwet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel 1 van het bij koninklijke boodschap van 7 juni 2010 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van regels ter bevordering van de kwaliteit van zorg en de behandeling van klachten en geschillen in de zorg (Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg) (Kamerstukken 32 402), wordt in artikel 1, eerste lid van het laatstgenoemde voorstel, zodra het tot wet is verheven en in werking getreden, in de begripsbepaling van «kindermishandeling» «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

2. Indien artikel 46 van het bij koninklijke boodschap van 7 juni 2010 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van regels ter bevordering van de kwaliteit van zorg en de behandeling van klachten en geschillen in de zorg (Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg) (Kamerstukken 32 402) tot wet is of wordt verheven en eerder in werking is getreden of treedt dan artikel 1.41 van deze wet, vervalt artikel 1.41 van deze wet zonder in werking te treden.

Artikel 3.11

Indien artikel 1 van het bij koninklijke boodschap van 7 juni 2010 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van regels ter bevordering van de kwaliteit van zorg en de behandeling van klachten en geschillen in de zorg (Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg) (Kamerstukken 32 402) tot wet is of wordt verheven en eerder in werking is getreden of treedt dan artikel 11.7, eerste lid, van de Jeugdwet, wordt op het moment van inwerkingtreding van genoemd artikel 11.7, eerste lid, in artikel 1 van Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg in de begripsbepaling van «kindermishandeling» «artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 3.12

1. Indien artikel VII van de Wet van 12 maart 2014 tot aanpassing van wetgeving en vaststelling van overgangsrecht in verband met de herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Stb. 2014, 131) later in werking is getreden of treedt dan artikel 11.7, eerste lid, van de Jeugdwet:

a. vervalt genoemd artikel VII zonder in werking te treden, en

b. vervalt in artikel I, onderdeel Hc, van de eerstbedoelde wet de tweede volzin van het nieuwe artikel 305, derde lid, van Boek I van het Burgerlijk Wetboek, zonder in werking te treden.

2. Indien artikel I, onderdeel Hc, van de Wet van 12 maart 2014 tot aanpassing van wetgeving en vaststelling van overgangsrecht in verband met de herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Stb. 2014, 131) eerder in werking is getreden of treedt dan artikel 11.7, eerste lid, van de Jeugdwet, vervalt de tweede volzin van artikel 305, derde lid, van Boek I van het Burgerlijk Wetboek zodra genoemd artikel 11.7, eerste lid, in werking treedt.

Artikel 3.13

In de Wet van 12 maart 2014 tot aanpassing van wetgeving en vaststelling van overgangsrecht in verband met de herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Stb. 2014, 131):

a. vervallen in artikel I van die wet de onderdelen H en J;

b. wordt in artikel III van die wet het eerste lid van onderdeel Aa vervangen door:

  • 1. In het eerste lid wordt »artikel 255, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: de artikelen 255, eerste lid, en 260, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

c. vervalt in artikel III van die wet in de onderdelen A en B telkens «253zc,»;

d. vervalt in artikel III van die wet in onderdeel C «de maatregel van opgroeiondersteuning,».

Artikel 3.14

Indien artikel I, onderdeel M, van het bij koninklijke boodschap van 1 februari 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en enige andere wetten gericht op bevordering deelname aan de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidsvermogen en harmonisatie van deze regelingen (Invoeringswet Participatiewet) (Kamerstukken 33 161) tot wet is of wordt verheven en eerder in werking is getreden of treedt dan of tegelijk met artikel 1.47 van deze wet, komt artikel 1.47 te luiden:

Artikel 1.47

In artikel 3, achtste lid, van de Participatiewet wordt «waarvoor» vervangen door «voor wie» en wordt na «Wet op de jeugdzorg» ingevoegd: of de Jeugdwet,.

Artikel 3.17

Indien het bij koninklijke boodschap van 13 januari 2014 ingediende voorstel van wet houdende regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) (Kamerstukken 33 841) tot wet is of wordt verheven, wordt de Jeugdwet als volgt gewijzigd:

A

Aan het slot van hoofdstuk 8 wordt de volgende paragraaf ingevoegd:

§ 8.4 Verwerking van persoonsgegevens
Artikel 8.4.1
  • 1. Het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning van de ouderbijdrage, bedoeld in artikel 8.2.3, is belast is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de jeugdige en zijn ouders, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid die noodzakelijk zijn voor de vaststelling en de inning van een bijdrage, voor zover deze op rechtmatige wijze zijn verkregen en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak ingevolge deze wet.

  • 2. Het bestuursorgaan is de verantwoordelijke voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8.4.2
  • 1. De Sociale verzekeringsbank is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de jeugdige en zijn ouders, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid die noodzakelijk zijn voor het verrichten van betalingen en het budgetbeheer, bedoeld in artikel 8.1.8, voor zover deze op rechtmatige wijze zijn verkregen en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak ingevolge deze wet.

  • 2. De Sociale verzekeringsbank is de verantwoordelijke voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8.4.3
  • 1. Op het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning van de ouderbijdrage, bedoeld in artikel 8.2.3, is belast en op de Sociale verzekeringsbank, zijn de artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.5 van toepassing.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde instanties kunnen van de artikelen 7.2.2 tot en met 7.2.4 afwijken voor zolang dit noodzakelijk is met betrekking tot spoedeisende gevallen. In zodanig geval is artikel 7.2.5 niet van toepassing.

Artikel 8.4.4

Op het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning van de ouderbijdrage, bedoeld in artikel 8.2.3, is belast en op de Sociale verzekeringsbank:

  • a. zijn de artikelen 5.3.2 tot en met 5.3.5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 van overeenkomstige toepassing;

  • b. is artikel 7.3.12 van toepassing.

B

In artikel 12.5 wordt «artikel 9, eerste lid, onder a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning» vervangen door: artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Artikel 3.18

Indien het bij Koninklijke boodschap van 13 mei 2014 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van tijdelijke bepalingen in verband met de instelling van een deelfonds sociaal domein (Tijdelijke wet deelfonds sociaal domein) (Kamerstukken 33 935) tot wet is of wordt verheven vervalt artikel 7, onderdeel a, van die wet, onder verlettering van de onderdelen b en c tot a en b.

Artikel 3.19

Indien het bij koninklijke boodschap van 7 maart 2014 ingediende voorstel van wet houdende regels inzake de verzekering van zorg aan mensen die zijn aangewezen op langdurige zorg (Wet langdurige zorg) (Kamerstukken 33 891) tot wet wordt verheven, wordt artikel 11.1.1, eerste lid, van die wet als volgt gewijzigd:

1. «10 VV, 3 VG, 4 VG» wordt vervangen door: 10 VV, 4 VG.

2. «4 LVG, 5 LVG» wordt vervangen door: 4 LVG, 5 LVG of 3 VG.

HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 4.1

Artikel 1.7 treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. De overige artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 4.2

Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Jeugdwet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Wassenaar, 5 november 2014

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

Uitgegeven de eenentwintigste november 2014

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 33 983

Naar boven