Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2014
Nr. 232

Gepubliceerd op 27 juni 2014 09:00



Besluit van 17 juni 2014, houdende wijziging van het Besluit houders van dieren in verband met het stellen van regels met betrekking tot fokken en bedrijfsmatige activiteiten met gezelschapsdieren

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 13 december 2013, nr. WJZ / 13208678;

Gelet op de Europese Overeenkomst tot bescherming van kleine huisdieren (Trb. 1988, 1) en de artikelen 2.2, tiende lid, onderdeel b, c, d, e, f, g, k, l, m, n, en p, 2.6, tweede lid, onderdeel a, b, d, e, en f, 2.7, tweede lid, onderdeel a, c, d, g, k, l en m, 2.8, vierde lid, onderdeel a, 2.16, eerste lid, in samenhang met artikel 7.1, 7.2, tweede lid, onderdeel c, d, e, g, en i, en 7.6, tweede lid, onderdeel c, van de Wet dieren;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 februari 2014, nr. W15.13.0461/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 11 juni 2014, nr. WJZ / 14041157;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit houders van dieren wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 3.4 komt te luiden:

Artikel 3.4 Fokken met gezelschapsdieren

  • 1. Het is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld.

  • 2. In ieder geval wordt bij het fokken, bedoeld in het eerste lid, voor zover mogelijk voorkomen dat:

    • a. ernstige erfelijke afwijkingen en ziekten worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen;

    • b. uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van de dieren;

    • c. ernstige gedragsafwijkingen worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen;

    • d. voortplanting op onnatuurlijke wijze plaatsvindt;

    • e. het aantal nesten of nakomelingen dat een gezelschapsdier krijgt de gezondheid of het welzijn van dat dier of de nakomelingen benadeelt.

  • 3. Een hond krijgt binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden ten hoogste één nest.

  • 4. Een kat krijgt binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden ten hoogste twee nesten of ten hoogste drie nesten in een aaneengesloten periode van vierentwintig maanden.

  • 5. Op het fokken van paarden (inclusief pony’s) en ezels die anders dan voor landbouwdoeleinden worden gehouden, zijn het eerste en tweede lid, met uitzondering van het tweede lid, onder d, van toepassing.

B

Hoofdstuk 3, paragraaf 2 komt te luiden:

§ 2 Het bedrijfsmatig verkopen, afleveren, houden ten behoeve van opvang van of fokken met gezelschapsdieren

Artikel 3.5 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

beheerder:

degene die dagelijks leiding geeft aan in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde activiteiten;

inrichting:

aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes, bestemd voor de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten.

Artikel 3.6 Verbod en uitzondering voor niet-bedrijfsmatig handelen
  • 1. Het is verboden gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden, af te leveren, te houden ten behoeve van opvang, of te fokken ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, tenzij daarbij wordt voldaan aan deze paragraaf.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing indien degene onder wiens verantwoordelijkheid gezelschapsdieren worden verkocht, ten verkoop in voorraad worden gehouden, afgeleverd, gehouden ten behoeve van opvang, of gefokt ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, aannemelijk maakt dat er bij de uitoefening van die activiteiten geen sprake is van bedrijfsmatig handelen.

Artikel 3.7 Verrichten bedrijfsmatige activiteiten in inrichting of onder voorwaarden op tentoonstelling, beurs of markt
  • 1. De activiteiten, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, worden verricht in een inrichting die bij Onze Minister overeenkomstig artikel 3.8 is aangemeld.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden of af te leveren buiten een inrichting indien dit plaatsvindt op een tentoonstelling, beurs of markt, voor zover daarbij is voldaan aan de artikelen 3.8, vijfde lid, 3.11, vierde lid, 3.12, derde lid, 3.14, zesde lid, en 3.17 tot en met 3.20.

Artikel 3.8 Aanmelding inrichting en tentoonstelling, beurs of markt
  • 1. De aanmelding van een inrichting geschiedt door degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde activiteiten worden verricht of door de beheerder, indien dat degene is onder wiens verantwoordelijkheid de activiteiten worden verricht. Na de aanmelding wordt aan de inrichting een uniek nummer toegekend.

  • 2. Bij de in het eerste lid bedoelde aanmelding wordt opgave gedaan van de volgende gegevens:

    • a. de naam, adres, woonplaats, het burgerservicenummer of het nummer van de inschrijving in het handelsregister van degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten worden verricht, of, indien die activiteiten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van een rechtspersoon, de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon en het nummer van de inschrijving in het handelsregister;

    • b. het adres van de inrichting en een beschrijving van de gebouwen en voorzieningen die voor het houden van gezelschapsdieren worden gebruikt of zullen worden gebruikt;

    • c. de naam, adres, woonplaats en geboortedatum van de beheerder;

    • d. de onder dit besluit vallende activiteiten die in de inrichting worden verricht;

    • e. de diergroep of diergroepen waarmee de activiteiten worden verricht;

    • f. een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, van de op de inrichting werkzame beheerder;

    • g. de datum waarop met de uitoefening van de activiteiten een aanvang wordt gemaakt.

  • 3. Voor de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van een middel dat door Onze Minister beschikbaar wordt gesteld.

  • 4. Aanmelding van een inrichting geschiedt voor aanvang van de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten.

  • 5. Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, organiseert, doet uiterlijk twee weken voor het tijdstip waarop de tentoonstelling, beurs of markt aanvang neemt, een melding van het houden van de tentoonstelling, beurs of markt bij Onze Minister en doet daarbij opgave van de volgende gegevens:

    • a. de naam, adres, woonplaats en het burgerservicenummer of het nummer van de inschrijving in het handelsregister van degene onder wiens verantwoordelijkheid de tentoonstelling, beurs of markt wordt gehouden, of, indien die activiteiten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van een rechtspersoon, de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon en het nummer van de inschrijving in het handelsregister;

    • b. het adres en plaats waar de tentoonstelling, beurs of markt plaatsvindt;

    • c. de datum of data waarop de tentoonstelling, beurs of markt wordt georganiseerd;

    • d. de diergroep of diergroepen die aanwezig zullen zijn op de tentoonstelling, beurs of markt;

    • e. een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid van de persoon die aanwezig is op de beurs of tentoonstelling, beurs of markt, bedoeld in artikel 3.11, vierde lid.

Artikel 3.9 Wijziging gegevens
  • 1. Bij wijziging van één of meer van de gegevens, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, wordt binnen vier weken na het intreden daarvan aan Onze Minister melding gemaakt van de wijziging door degene die ten tijde van het intreden van die wijziging op de inrichting verantwoordelijk is voor de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten.

  • 2. Op de melding, bedoeld in het eerste lid, is artikel 3.8, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.10 Administratie
  • 1. In een inrichting wordt een deugdelijke administratie bijgehouden van de gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven met daarin in ieder geval de volgende gegevens:

    • a. naam, adres en woonplaats van degene van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn;

    • b. bewijs van inenting van honden en katten.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde gegevens worden ten minste twee jaar schriftelijk of digitaal in de administratie van de inrichting bewaard vanaf het tijdstip dat een dier niet meer in de inrichting aanwezig is.

  • 3. Van het bewijs van inenting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt gedurende een periode van twee jaar schriftelijk of digitaal een kopie in de administratie van de inrichting bewaard.

  • 4. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op inrichtingen waar gezelschapsdieren gehouden worden ten behoeve van opvang en onbekend is van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn.

  • 5. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien van inrichtingen waar honden worden gehouden ten behoeve van de in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde activiteiten, indien de honden overeenkomstig hoofdstuk 2 van het Besluit identificatie en registratie van dieren geregistreerd zijn.

Artikel 3.11 Vakbekwaamheid
  • 1. In de inrichting is een beheerder werkzaam die in het bezit is van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting worden verricht.

  • 2. Een kopie van het in het eerste lid bedoelde bewijs van vakbekwaamheid wordt bij een inspectie ter naleving van dit besluit aan de daartoe aangewezen ambtenaar ter beschikking gesteld.

  • 3. Bij langdurige ziekte, ontslag of overlijden van de beheerder kan, voor de duur van een periode van ten hoogste 12 aaneengesloten maanden, worden afgeweken van het eerste lid met dien verstande dat de persoon die dagelijks leiding in de inrichting geeft over de in artikel 3.6 bedoelde handelingen over voldoende relevante werkervaring beschikt en dit kan aantonen.

  • 4. Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, organiseert, draagt zorg voor de aanwezigheid van een persoon die een erkend bewijs van vakbekwaamheid bezit als bedoeld in het eerste lid.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde bewijs van vakbekwaamheid.

Artikel 3.12 Huisvesting en verzorging
  • 1. Onverminderd de artikelen 1.5 tot en met 1.8 wordt een gezelschapsdier gehouden in een daarvoor geschikte ruimte. Dit houdt tenminste in dat:

    • a. het dier over voldoende bewegingsruimte beschikt;

    • b. de ruimte en de daarin gebruikte materialen zijn aangepast aan de fysiologische en ethologische behoeften van het dier;

    • c. het dier zo nodig bescherming wordt geboden tegen slechte weersomstandigheden, roofdieren en gezondheidsrisico’s;

    • d. bij huisvesting van een hoogdrachtig of zogend dier, het met haar jongen de beschikking heeft over voldoende en geschikte nestruimte;

    • e. het dier niet tengevolge van de wijze waarop het gehuisvest is onnodige angst en stress ervaart;

    • f. het aantal en de samenstelling van dieren en diersoorten per verblijf zodanig is dat dit niet het welzijn of de gezondheid van het dier nadelig beïnvloedt.

  • 2. Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, organiseert, draagt zorg voor geschikte huisvesting van dieren gedurende de tentoonstelling, beurs of markt, die voldoet aan de artikelen 1.5 tot en met 1.8 en het eerste lid, met dien verstande dat dieren als bedoeld in onderdeel d niet worden toegelaten.

Artikel 3.13 Huisvesting zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren
  • 1. Een inrichting beschikt over ten minste drie afzonderlijke ruimtes voor het huisvesten en verzorgen van zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren in afzondering van andere dieren, dan wel over de mogelijkheid deze ruimtes in te richten zodra dit nodig is.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde ruimtes zijn:

    • a. een quarantaineruimte voor gezelschapsdieren waarvan bij binnenkomst in de inrichting de gezondheidstatus onbekend is of de vaccinatiestatus onbekend of onvolledig is;

    • b. een isolatieruimte voor gezelschapsdieren verdacht van een besmettelijke ziekte en dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte;

    • c. een ruimte voor huisvesting van gezelschapsdieren die ziek zijn, maar geen besmettelijke ziekte hebben of niet verdacht worden van het dragen van een besmettelijke ziekte.

  • 3. Gezelschapsdieren geplaatst in de in het tweede lid bedoelde ruimtes, worden solitair gehuisvest, tenzij dat vanuit veterinair oogpunt niet noodzakelijk is.

  • 4. De ruimtes, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, vormen een volledig afgescheiden onderdeel van een inrichting.

  • 5. De ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, kan bestaan uit een gedeelte van het binnenverblijf dat kan worden afgescheiden van overige binnenverblijven en dieren.

Artikel 3.14 Gezondheid
  • 1. In de inrichting wordt gebruik gemaakt van een protocol waaruit blijkt dat de gezondheid van gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven dagelijks gecontroleerd wordt, maatregelen ter voorkoming van ziekten worden genomen en zieke gezelschapsdieren op passende wijze worden verzorgd.

  • 2. Indien verzorging geen of onvoldoende verbetering in de toestand van een ziek gezelschapsdier bewerkstelligt, wordt zo spoedig mogelijk een dierenarts geraadpleegd.

  • 3. Gezelschapsdieren waarvan bij binnenkomst in een inrichting de gezondheid- of vaccinatiestatus onbekend of onvolledig is, worden onmiddellijk in quarantaine geplaatst.

  • 4. Gezelschapsdieren verdacht van een besmettelijke ziekte en dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte worden na binnenkomst in de inrichting onmiddellijk in een isolatieruimte geplaatst.

  • 5. Een hond of kat mag de quarantaineruimte van de inrichting niet verlaten gedurende ten minste 7 dagen nadat de in artikel 3.15, onderdeel a, bedoelde inentingen hebben plaatsgevonden, tenzij het de teruggave aan de eigenaar betreft.

  • 6. Degene die een tentoonstelling, beurs of markt, als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, organiseert, draagt zorg voor een veterinaire gezondheidscontrole van de dieren voordat toegang wordt verstrekt en laat geen dieren toe verdacht van een besmettelijke ziekte of dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte.

Artikel 3.15 Inenting honden en katten

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:

  • a. inentingen voor honden en katten die in de inrichting verblijven;

  • b. het bewijs van inenting van honden en katten;

  • c. inentingen die plaats vinden voordat honden en katten worden verkocht of afgeleverd.

Artikel 3.16 Huisvesting honden

Een hond wordt, passend bij zijn ethologische en fysiologische behoefte, dagelijks in de gelegenheid gesteld tijd door te brengen buiten de ruimte waarin deze gehouden wordt, indien de gezondheidstoestand van de hond zich daar niet tegen verzet.

Artikel 3.17 Informatieverstrekking bij verkoop of aflevering
  • 1. Bij de verkoop of aflevering van een gezelschapsdier, wordt aan een koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt schriftelijke informatie over het verkochte of afgeleverde gezelschapsdier verstrekt teneinde hem in staat te stellen het gezelschapsdier zo goed mogelijk te verzorgen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt een overeenkomstig deze paragraaf geregistreerde inrichting, een circus of een dierentuin is.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde informatie heeft in ieder geval betrekking op de verzorging, de huisvesting en het gedrag van het gezelschapsdier en de kosten die gemoeid gaan met het houden van het gezelschapsdier.

Artikel 3.18 Informatieverstrekking over gezondheidsstatus

Bij de verkoop of aflevering van een gezelschapsdier, wordt aan de koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt alle relevante informatie verstrekt met betrekking tot de gezondheidsstatus van het verkochte of afgeleverde gezelschapsdier, waaronder ten minste het bewijs van inenting, bedoeld in artikel 3.15, onderdeel b.

Artikel 3.19 Verkoopverbod aan personen jonger dan zestien jaar

Een gezelschapsdier wordt niet verkocht aan een persoon jonger dan zestien jaar.

Artikel 3.20 Verpakking

Indien een gezelschapsdier bij verkoop of aflevering wordt verpakt, vindt dit op zodanige wijze plaats dat het welzijn of de gezondheid van het gezelschapsdier niet onnodig worden benadeeld.

Artikel 3.21 Verbod huisvesting of tentoonstelling in etalageruimte

Gezelschapsdieren worden niet in een etalageruimte van een inrichting gehuisvest of tentoongesteld.

Artikel 3.22 Socialisatie

Indien een gezelschapsdier in een inrichting verblijft tijdens de periode waarin het dier ontvankelijk is voor socialisatie, wordt ervoor zorg gedragen dat het dier:

  • a. went aan de omgang met de mens en relevante diersoorten en aan houderijomstandigheden en

  • b. in voldoende mate in de gelegenheid is tot het leren en tonen van soorteigen gedrag.

Artikel 3.23 Huisvesting honden en katten buiten inrichting

Honden en katten die tijdelijk gehouden worden ten behoeve van opvang omdat daarvan afstand is gedaan, of omdat de eigenaar op het moment van opvang onbekend is, kunnen in afwijking van artikel 3.7, eerste lid, en artikel 3.14, derde tot en met vijfde lid, tijdelijk buiten de inrichting gehuisvest worden ten behoeve van socialisatie, resocialisatie, behandeling van gedragsproblemen of intensieve zorgverlening in geval van ziekte, mits de locatie en verblijfsduur uit de administratie van de inrichting blijken.

C

Na artikel 6.4 worden de volgende artikelen ingevoegd:

Artikel 6.5 Eisen aan tentoonstellingen, beurzen en markten voor gezelschapsdieren

  • 1. De artikelen 3.8, vijfde lid, 3.12, derde lid, en 3.14, zesde lid, zijn gedurende vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen niet van toepassing.

  • 2. Artikel 3.11, vierde lid, is ten aanzien van:

    • a. honden en katten gedurende vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing;

    • b. andere gezelschapsdieren dan honden en katten gedurende een periode van vijf jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing.

Artikel 6.6 Vakbekwaamheid bedrijfsmatige activiteiten met gezelschapsdieren

  • 1. Artikel 3.11, eerste lid, is gedurende een periode van vijf jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing:

    • a. indien degene die verantwoordelijk is voor de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten desgevraagd kan aantonen dat de inrichting voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel in gebruik is genomen en het een inrichting betreft waarvoor geen aanmeldingsplicht bestond op basis van artikel 3, eerste lid, van het Honden- en Kattenbesluit 1999, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit;

    • b. ten aanzien van andere gezelschapsdieren dan honden en katten, indien degene die verantwoordelijk is voor de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten desgevraagd kan aantonen dat het een inrichting betreft waarvoor een aanmeldingsplicht bestond op basis van artikel 3, eerste lid, van het Honden- en kattenbesluit 1999, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, waar ook andere gezelschapsdieren werden gehouden dan honden en katten.

  • 2. Het erkende bewijs van vakbekwaamheid op basis van het Honden- en kattenbesluit 1999, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, geldt als bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3.11, voor zover activiteiten worden verricht met honden en katten.

Artikel 6.7 Aanmelding inrichting

  • 1. Een aanmelding bij Onze Minister die is verricht op grond van artikel 3, eerste lid van het Honden- en kattenbesluit 1999, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, geldt als een aanmelding als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, voor activiteiten met honden of katten, voor zover die activiteiten bij die eerdere aanmelding zijn gemeld.

  • 2. Artikel 3.8, vierde lid, is gedurende een periode van vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing op een inrichting, indien degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten op die inrichting worden verricht:

    • a. desgevraagd kan aantonen dat de inrichting vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel in gebruik is genomen en het een inrichting betreft waarvoor geen aanmeldingsplicht bestond op basis van artikel 3, eerste lid, van het Honden- en Kattenbesluit 1999, en

    • b. binnen vier maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel, de inrichting bij Onze Minister aanmeldt.

Artikel 6.8 Huisvesting zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren

  • 1. Artikel 3.13, eerste lid, en artikel 3.14, derde en vierde lid, zijn gedurende een periode van drie jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen niet van toepassing.

  • 2. De artikelen 9 en 10 van het Honden- en kattenbesluit 1999, zoals dat gold onmiddellijk voor intrekking van dat besluit, blijven van toepassing, gedurende drie jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 3.13 en 3.14.

Artikel 6.9 Intrekking Honden- en kattenbesluit 1999 en uitgestelde werking Honden- en kattenbesluit in verband met wijziging Wet op de dierproeven

  • 1. Het Honden- en Kattenbesluit 1999 wordt ingetrokken.

  • 2. In afwijking van het eerste lid blijven de artikelen van het Honden- en kattenbesluit 1999 van toepassing, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, op inrichtingen van waaruit honden en katten worden betrokken door inrichtingen die dierproeven verrichten, met inachtneming van artikel 27 van het Honden- en kattenbesluit 1999, tot het tijdstip waarop de wijziging van de Wet op de dierproeven ter implementatie van Richtlijn 2010/63 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEU L 276) in werking is getreden.

ARTIKEL II

In artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit wordt in de definitie van lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren «de bijlage» vervangen door: bijlage II.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 17 juni 2014

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

Uitgegeven de zevenentwintigste juni 2014

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

1. Doel en aanleiding

Dit besluit wijzigt het Besluit houders van dieren. Deze wijziging heeft ten doel de bedrijfsmatige handel, fok en opvang van gezelschapsdieren te reguleren met het oog op verbetering van dierenwelzijn. Deze wijziging staat in het teken van het regeerakkoord «Bruggen slaan», waarin het kabinet aangeeft het dierenwelzijn te willen bevorderen. Tevens wordt artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren (hierna: het besluit) gewijzigd teneinde eisen te kunnen stellen aan een ieder die met gezelschapsdieren fokt.

Met de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit wordt het Honden- en kattenbesluit 1999 (hierna: HKB 1999) vervangen. Het HKB 1999 had ten doel de bedrijfsmatige handel en opvang van honden en katten te reguleren. Het HKB 1999 bevatte middelvoorschriften die bij het houden van honden en katten in acht genomen moesten worden. Onder andere werden eisen gesteld aan de vakbekwaamheid van de beheerder, de afmetingen van verblijven, administratie en inentingen van honden en katten. Dit wijzigingsbesluit heeft een ruimere strekking dan het HKB 1999, want het betreft niet alleen honden en katten. Het is namelijk ook van toepassing op andere bepaalde groepen dieren die kennelijk bestemd zijn om te worden gehouden voor liefhebberij of gezelschap.

Ten opzichte van het HKB 1999 zijn de bepalingen, waar mogelijk, vormgegeven als doelvoorschriften. Hiermee wordt aan de betrokken sectoren meer ruimte geboden voor onder andere innovatie en kunnen nalevingskosten worden beperkt. Doelvoorschriften kunnen voorts de betrokken sectoren ondersteunen voor zover zij wensen te komen tot zelfregulering op basis van vrijwillige certificering. Zelfregulering kan een belangrijk extra instrument zijn om het welzijn te bevorderen, doordat sectoren daarmee de eigen verantwoordelijkheid in deze oppakken en uitwerken.

Met dit wijzigingsbesluit wordt voorts, voor zover dit past binnen de reikwijdte, uitvoering gegeven aan een motie van de Kamerleden Thieme en Ouwehand (Kamerstukken II 2007/2008, 28 286, nr. 172), waarin is verzocht over te gaan tot ratificatie van de Europese Overeenkomst ter bescherming van kleine huisdieren (Trb. 1988, nr.1). Deze Overeenkomst van de Raad van Europa stelt beginselen vast voor het houden van kleine huisdieren en bevat onder meer bepalingen over fokken, voorlichting en educatie.

Een ontwerp van dit wijzigingsbesluit is ten behoeve van consultatie geplaatst op de website www.internetconsultatie.nl. Tevens is een ontwerp hiervan voor commentaar voorgelegd aan een aantal belanghebbende organisaties.

Ten tijde van de voorbereiding, consultatie en behandeling in het parlement was het de bedoeling dat de bepalingen over bedrijfsmatige activiteiten als een zelfstandig besluit zouden worden vormgegeven op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: GWWD), met de citeertitel Besluit gezelschapsdieren. In verband met het tijdsverloop is ervoor gekozen de bepalingen nu op de Wet dieren te baseren en de bepalingen op te nemen in het Besluit houders van dieren.

Op grond van artikel 10.10 van de Wet dieren geldt een zogenoemde voorhangprocedure voor algemene maatregelen van bestuur die mede of met het oog op de bescherming van het welzijn van dieren worden voorbereid. Bij brief van 22 december 2011 (Kamerstukken II 2011/2012, 28 286, nr. 539) is dit besluit in het kader van deze voorhang aan het parlement gestuurd. Naar aanleiding van de voorhangprocedure zijn schriftelijke vragen gesteld door de Tweede Kamer die bij brief van 31 januari 2012 (kamerstukken II 2011/12, 28 286, nr. 545) zijn beantwoord. De vragen van de Tweede Kamer hebben in enkele gevallen geleid tot wijzigingen. In deze nota van toelichting is aangegeven wanneer dat het geval is. Het besluit is op 25 maart 2013 in de Tweede Kamer besproken bij een nota-overleg. Behoudens een wijziging omtrent het overgangsrecht inzake vakbekwaamheid (zie de artikelsgewijze toelichting over artikel 3.11 en 6.5b) en een wijziging naar aanleiding van een motie over fokkerij (zie hoofdstuk 4.1 van deze nota van toelichting) zijn er geen majeure wijzigingen aangebracht in dit besluit.

In hoofdstuk 2 van deze toelichting wordt een korte terugblik op de historie gegeven over de besluitvorming over bedrijfsmatige activiteiten met gezelschapsdieren. Hoofdstuk 3 bevat overwegingen omtrent de belangenafweging die aan dit wijzigingsbesluit ten grondslag ligt tegen de achtergrond van de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier. De hoofdstukken 4 en 5 betreffen de hoofdlijnen van het wijzigingsbesluit. In de hoofdstukken 6 en 7 wordt ingegaan op aspecten van regeldruk onderscheidenlijk de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Hoofdstuk 8 bevat een aantal overige onderwerpen en in hoofdstuk 9 ten slotte wordt in algemene zin ingegaan op de ontvangen commentaren.

2. De besluitvorming over bedrijfsmatige activiteiten met gezelschapsdieren in historisch perspectief

In 2003 heeft de toenmalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de Tweede Kamer geïnformeerd over zijn voornemen het HKB 1999 in te trekken (Kamerstukken II 2003/2004, 28 286, nr. 4). Dit voornemen leidde tot de nodige consternatie op basis van overwegingen ingegeven door het belang van het dierenwelzijn bij onder andere maatschappelijke organisaties. Ook echter werd door die organisaties de conclusie van de toenmalige Minister gedeeld dat de gedetailleerde normen op het terrein van huisvesting, vaccinatie en rapportage in het HKB 1999 hun doel zijn voorbijgeschoten.

Het voornemen toentertijd om het HKB 1999 in te trekken werd mede ondersteund door een advies van een ambtelijke werkgroep in het kader van het project Bruikbare rechtsorde, als onderdeel van het toenmalige kabinetsprogramma Andere Overheid (Kamerstukken II 2003/2004, 28 286, nr. 5). Deze werkgroep heeft gekeken naar de effectiviteit en doelmatigheid van wettelijke instrumenten om het welzijn van gezelschapsdieren te borgen. De werkgroep adviseerde in haar rapport «naar een effectieve borging van dierenwelzijn» te komen tot een vrijwillige certificering door de sector en tot een verminderd aantal wettelijke bepalingen en wettelijke bepalingen alleen aan bod te laten komen als zelfregulering de welzijnsproblemen onvoldoende oplost. Geadviseerd werd tevens het HKB 1999 in te trekken zodra het certificatiestelsel tot stand zou zijn gekomen (Kamerstukken II 2005/2006, 28 286 en 29 279, nr. 25).

Een in 2004 gehouden werkconferentie welzijn gezelschapsdieren leidde tot een door de Raad voor Dierenaangelegenheden ingesteld Forum Welzijn gezelschapsdieren (Kamerstukken II 2003/2004, 28 286, nr. 22). Dit Forum heeft een actieplan opgesteld en daarin aangegeven dat een certificatiesysteem noodzakelijk is om het welzijn van gezelschapsdieren bij de handel en fokkerij te waarborgen (Kamerstukken II 2005/2006, 28 286, nr. 29). De leden van het Forum zijn met dit actieplan het «commitment» aangegaan om voor de handel, opvang en fokkerij in honden en katten een certificatiesysteem in te stellen. Ondersteuning van een zodanig systeem door publieke regelgeving werd breed gedragen.

De toenmalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft vervolgens in mei 2006 handelaren, fokkers en exploitanten van asielen en pensions van honden en katten opgeroepen te komen tot een vrijwillig certificatiestelsel (Kamerstukken II 2005/2006, 28 286 en 29 279, nr. 29). Hieraan lag de gedachte ten grondslag dat verbetering en borging van dierenwelzijn niet afdwingbaar is met meer gedetailleerde regelgeving. Een gedeeld verantwoordelijkheidsbesef door houders van dieren is de beste basis voor verbetering. Tevens heeft genoemde minister toen de bereidheid toegezegd om parallel aan het opstellen van de certificatienormen een algemene maatregel van bestuur in voorbereiding te nemen met, waar mogelijk, doelvoorschriften. Die algemene maatregel van bestuur zou het HKB 1999 dan kunnen vervangen. Met doelvoorschriften wordt aan de ondernemers ruimte geboden voor innovatie ter verbetering van het welzijn voor dieren. Tevens zouden betrokken partijen ruimte hebben voor het ontwikkelen van effectieve certificatienormen. Het toezicht van de overheid zou zich met name kunnen richten op de instellingen die niet zouden deelnemen aan het certificatiestelsel. Daarmee zou de beschikbare handhavingscapaciteit effectiever en doelmatiger kunnen worden ingezet.

Sinds 2006 is door de bij het HKB 1999 betrokken sectoren, gesteund door het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, gewerkt aan een certificatiestelsel. Lopende dat proces zijn naar aanleiding van een motie van de leden van de Tweede Kamer Snijder-Hazelhoff en Ormel (Kamerstukken II 2008/2009, 28 286, nr. 115 en Handelingen 2008/2009, 3170) vertegenwoordigers van houders van dierenspeciaalzaken en van import- en groothandel in overige diersoorten bij dit overleg betrokken.

Vertegenwoordigers van de (detail)handelsbranche in gezelschapdieren, de honden- en kattenpensions en hondenfokkers hebben in augustus 2010 aangegeven vooralsnog geen grote deelname aan een certificatiestelsel door hun achterban te verwachten. Het opzetten van een vrijwillig certificatiestelsel achten zij echter wel blijvend mogelijk en haalbaar, mede gezien het werk dat hiertoe inmiddels was verzet, en het stadium waarin het proces zich bevond. Een spoedige totstandkoming van een gedragen certificatiestelsel op de korte termijn werd echter niet verwacht.

Desalniettemin is daarop geoordeeld dat het in het belang van dierenwelzijn in het algemeen en het bestrijden van misstanden in fokkerij en handel in het bijzonder, wenselijk is met maatregelen te komen. Ook zonder certificatiestelsel kan met regelgeving ter vervanging van het HKB 1999 voortgang worden geboekt op het terrein van het welzijn van gezelschapsdieren en kan de effectiviteit van die regels ten opzichte van het HKB 1999 worden vergroot.

De mogelijkheid voor een certificatiestelsel blijft immers onverkort bestaan. De verantwoordelijkheid berust hiervoor echter primair bij betrokken sectoren. Zij hebben ervan blijk gegeven zich bewust te zijn van die verantwoordelijkheid en die ook zo te ervaren dat het ontwikkelen van een voldoende gedragen certificatiestelsel onverkort van belang is.

Benadrukt wordt dat het, gegeven de regels in paragraaf 3.2 van het besluit, de houders van dieren zelf zijn die zich van hun verantwoordelijkheid ten opzichte van het dier bewust dienen te zijn. Dit geldt niet alleen voor de houders van gezelschapsdieren die dergelijke dieren aanschaffen. Deze houders dienen zich ervan te vergewissen dat dieren door fokkerij geen kenmerken bezitten die hun welzijn nadelig beïnvloeden, dat de herkomst van dieren duidelijk is en of ze voldoende kennis hebben over voeding, huisvesting en verzorging van de desbetreffende dieren. Dit bewustzijn geldt eveneens voor handelaren, exploitanten van opvangorganisaties en fokkers. Zij zijn verantwoordelijk zorg te dragen voor omstandigheden die het welzijn en de gezondheid van dieren niet kunnen schaden. Zij behoren te voorkomen dat dieren verhandeld of gefokt worden met kenmerken die nadelig kunnen zijn voor welzijn van dieren of die hun gezondheid kunnen schaden. Daarnaast is het belangrijk dat zij voorlichting geven aan kopers van dieren om zo bij te dragen aan kennisontwikkeling van kopers van dieren. Het is belangrijk dat handelaren, exploitanten van opvangorganisaties en fokkers zich ervan bewust zijn dat zij, vanwege hun kennis en ervaring met het houden van dieren, een voorbeeldfunctie hebben voor veel dierhouders. Zij moeten deze voorbeeldrol met zorg invullen.

3. Afweging belangen/intrinsieke waarde

De intrinsieke waarde van het dier is uitgangspunt voor het overheidsbeleid. Voor het dierenwelzijnsbeleid is dit voor het eerst expliciet gemaakt in de nota Rijksoverheid en Dierenbescherming van 1981 (Kamerstukken II 1980/81, 16 966, nr. 2). De intrinsieke waarde ligt ten grondslag aan de GWWD. De wettelijke verankering van de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier in de Wet dieren en de betekenis daarvan is een belangrijk onderdeel geweest van het parlementair debat over die wet, in zowel Eerste als Tweede Kamer. De intrinsieke waarde van het dier staat voor de eigenwaarde van het dier als levend wezen met gevoel, dus los van de gebruikswaarde die de mens eraan toekent.

In artikel 1, tweede lid, van de Wet dieren is bepaald dat bij het stellen van regels ten volle rekening wordt gehouden met de gevolgen ervan voor de intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij dient er dan in elk geval in te worden voorzien dat inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, wordt voorkomen en dat de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven, is verzekerd.

Paragraaf 3.2 van het besluit bevat regels voor de bedrijfsmatige handel, opvang en fokkerij van gezelschapsdieren. Dit zijn bijzondere aspecten, die direct zijn verweven met het houden van dieren. De totale gezelschapsdierensector vormt een belangrijk onderdeel van onze economie. In totaal wordt er jaarlijks minimaal 2,12 miljard euro besteed aan de aanschaf en verzorging van gezelschapsdieren. De sector vertegenwoordigt een totale waarde van ongeveer 3 miljard euro.

Dieren worden sinds mensenheugenis onder andere gehouden omwille van hun gezelschap. Handel, opvang en fokkerij van dieren is daaraan inherent. Mensen ontlenen aan het houden van dieren plezier en ontspanning en uit onderzoek blijkt dat er zelfs positieve gezondheidsaspecten gekoppeld zijn aan het houden van dieren. Voor dieren heeft het feit dat zij door mensen gehouden worden de nodige consequenties. Afhankelijk van domesticatie en mate van vrijheidsbeperking zijn zij in meer of mindere mate beperkt in hun vrijheid tot het uitoefenen van hun natuurlijk gedrag. Fokkerij kan tot gezondheids- en welzijnsproblemen leiden. Als gehouden dier zijn dieren voor hun welzijn en gezondheid in belangrijke mate afhankelijk van de zorg van de mens.

Overwegende het vorenstaande wordt het houden van dieren voor gezelschap gerechtvaardigd geacht. Het belang van de mens om te kunnen kiezen om dieren te houden voor, in casu, gezelschap, weegt dusdanig zwaar, dat ondanks de consequenties voor het dier, houden van dieren voor gezelschap is toegestaan. Dit houden van dieren vindt sedert mensenheugenis al plaats. Hierbij wordt opgemerkt dat op grond van de Wet dieren een lijst tot stand zal komen van diersoorten of diercategorieën die mogen worden gehouden, de zogenoemde positieflijst. Voor nadere informatie over deze lijst en de verdere procedure wordt verwezen naar de brief aan de Tweede Kamer van 19 juni 2013 (Kamerstukken 2012/13, 31 389, nr. 130).

De belangen van het dier, verwoord in bovengenoemde afweging omtrent de erkenning van de intrinsieke waarde, brengen met zich dat handel, opvang en fokken niet onvoorwaardelijk kan. Regels zijn nodig die voorkomen dat dieren als gevolg daarvan te zeer nadelen met betrekking tot welzijn en gezondheid ondervinden. Dit geldt in het bijzonder voor aspecten van huisvesting, verzorging en fokkerij.

Die regels zijn nodig omdat de ogen er niet voor kunnen worden gesloten dat de bedrijfsmatige handel, fok en opvang, zeker indien de activiteiten worden verricht met een winstoogmerk, risico’s voor het dier met zich kunnen brengen. Een aantal van de bedrijfsmatige houders zullen immers de neiging hebben de kosten zo laag mogelijk te houden om te kunnen concurreren of uit winstbejag.

Alhoewel de meeste dieren alleen tijdelijk bij een handelaar of fokker verblijven, kan een verkeerde omgang met dieren in deze fase ook vergaande consequenties hebben voor het verdere leven van een dier. Gedacht kan dan worden aan jonge dieren die bij een fokker onvoldoende goed gesocialiseerd worden waardoor er blijvende gedragsproblemen ontstaan of aan nadelige consequenties voor de gezondheid van een dier ten gevolge van een schadelijk fokbeleid.

De regels in artikel 3.4 en paragraaf 3.2 van het besluit zijn erop gericht de belangen van het dier te waarborgen en bedoelde consequenties zoveel mogelijk te voorkomen. Zij zijn erop gericht dat handel, opvang en fokkerij zorgvuldig en met inachtneming van de belangen van het dier worden verricht.

Hierbij dient te worden betrokken dat de activiteiten die worden gereguleerd, zoals opgemerkt, in het teken staan van het gegeven dat dieren mogen worden gehouden. Het is daarom gewenst dat ook dierhouders zich ten volle bewust zijn van de consequenties van de aanschaf van gezelschapsdieren maar ook van het feit waar en van wie zij dieren betrekken. Het is van belang dieren te betrekken bij betrouwbare en reguliere adressen, waar zorgvuldig met dieren wordt omgegaan. Dierhouders moeten zich bewust zijn van de eisen die dieren stellen aan huisvesting en verzorging en in de wijze waarop zij aan de gedragsbehoeften van dieren, passend bij de aard van dier, tegemoet kunnen komen, bijvoorbeeld door het volgen van cursussen. Ook de kosten voor het verantwoord houden van een dier dienen onderdeel uit te maken van een overweging voor aanschaf. Primair is dit de eigen verantwoordelijkheid van die houders. Het genoegen dat het houden van dieren hen verschaft, brengt ook lasten met zich en het dragen van verantwoordelijkheid voor de zorg voor het dier.

Ter onderbouwing en toelichting op vorenstaande wordt voorts verwezen naar overige onderdelen van deze nota van toelichting.

4. Hoofdlijnen: hobby- of bedrijfsmatig fokken met gezelschapsdieren en bedrijfsmatig verkopen, ten verkoop in voorraad houden, afleveren, houden ten behoeve van opvang, of fokken van gezelschapsdieren

4.1 Wijziging artikel 3.4: eisen aan fokkerij

Ter voorkoming van nadelige gezondheids- of welzijnseffecten voor nakomelingen en ouderdieren als gevolg van de wijze waarop gefokt wordt, zijn in artikel 3.4 voorschriften opgenomen waar bij het fokken met gezelschapdieren rekening mee dient te worden gehouden. Bij het voorkomen van nadelige effecten op gezondheid en welzijn van dieren ten gevolge van fokken heeft zowel de fokker als ook de consument die het dier koopt, een verantwoordelijkheid. De consument die een dier aanschaft, is verantwoordelijk voor een doordachte keuze op het moment van aanschaf van een dier waarbij welzijn en gezondheid van het dier door hem wordt meegewogen, naast bijvoorbeeld de kosten voor verzorging en de verantwoordelijkheid voor een goede verzorging van het dier.

Deze bepaling over fokkerij is van toepassing op een ieder die met gezelschapsdieren fokt, dus zowel degene die dat bedrijfsmatig doen, als degene die dit bijvoorbeeld als hobby doen. Voor bedrijfsmatige fokkers geldt dat zij niet alleen aan artikel 3.4 moeten voldoen, maar ook aan de bepalingen van paragraaf 3.2 van het besluit (zie ook artikel 3.6, eerste lid). Met deze wijziging van artikel 3.4 wordt uitvoering gegeven aan de motie van de Tweede Kamerleden Van Gerven en Van Dekken (Kamerstukken II 2012/13, 31 389, nr. 128).

Uitgangspunt van artikel 3.4 is dat het fokken van dieren op verantwoorde wijze geschiedt. Zowel ouderdieren als nakomelingen mogen in beginsel geen schade aan welzijn of gezondheid ondervinden als gevolg van de fokkerij. Fokkerij mag niet leiden tot uitputting van moederdieren en ook niet tot blijvende of permanente schade aan gezondheid of welzijn van zowel ouderdier als nakomeling. Het is niet toegestaan te fokken met dieren die gebreken of afwijkingen hebben of kunnen krijgen die welzijn of gezondheid van hun nakomelingen schaden. Bij het fokken moet in ieder geval worden voorkomen dat uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van dat dier. Als de afwijkingen voorkomen hadden kunnen worden door het nemen van passende preventieve maatregelen zoals screenend onderzoek, DNA-testen of wijziging van het fokbeleid van de fokker, is fokken niet toegestaan.

Ook moet worden voorkomen dat ernstige gedragsafwijkingen worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen. Voorkomen moet worden dat het welzijn van ouderdieren of nakomelingen ernstig wordt beïnvloed of de veiligheid van mensen of andere dieren in het geding wordt gebracht door het fokken met dieren met afwijkingen of met het fokken van dieren die een vergrote kans hebben op het ontstaan van ernstige gedragsafwijkingen.

Het vijfde lid van artikel 3.4 bepaalt dat het eerste en tweede lid van artikel 3.4 van overeenkomstige toepassing zijn op het fokken van paarden (inclusief pony’s) en ezels voor zover die dieren anders dan voor landbouwdoeleinden worden gehouden. Hiermee wordt verdere uitvoering gegeven aan de motie Van Gerven en Van Dekken (Kamerstukken II 2012/13, 31 389, nr. 128). Daarnaast zondert het vijfde lid de verplichting tot het voorkomen van voortplanting op een onnatuurlijke wijze uit, voor zover het gaat om het fokken van paarden en ezels.

Een fokker kan overigens niet altijd van alle erfelijke afwijkingen en andere fokgerelateerde problemen op de hoogte zijn. Van een fokker mag verwacht worden dat hij in het kader van zijn fokbeleid er zorg voor draagt op de hoogte te blijven van voorkomende problemen binnen het ras of de rassen waarmee hij fokt. Als aannemelijk is dat de fokker op de hoogte was of zou kunnen zijn van bovengenoemde problemen of als een fokker onderzoek had kunnen doen of laten doen naar de genoemde problemen, maar desondanks toch fokt met dieren, handelt hij niet overeenkomstig artikel 3.4.

Naar aanleiding van de consultatie van een ontwerp van dit wijzigingsbesluit werd door de Dierenbescherming en Coalitie Dierenwelzijns Organisaties Nederland gevraagd naar de verhouding van dit artikel met de zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden (hierna: RDA) «Fokkerij en Voortplantingstechnieken»1.

In haar zienswijze doet de RDA een aantal aanbevelingen om op maatschappelijke verantwoorde en transparante wijze om te gaan met fokkerij. Onder andere beveelt zij het gebruik aan van een afwegingsmodel en adviseert zij de overheid randvoorwaarden te stellen. Daarnaast is de RDA van mening dat fokkerij binnen de volgende kaders moet plaatsvinden:

  • Behoud van vitaliteit en fysieke gezondheid;

  • Behoud van soorteigen gedrag en mentale gezondheid;

  • Behoud van integriteit;

  • Behoud van genetische diversiteit.

Met dit artikel worden randvoorwaarden gecreëerd waarbinnen gefokt mag worden met gezelschapsdieren. De bovengenoemde vier kaders komen niet letterlijk terug in artikel 3.4, maar de opgenomen voorschriften beogen hetzelfde effect.

Onder andere wordt bij het fokken voor zover mogelijk voorkomen dat voortplanting op onnatuurlijke wijze plaatsvindt. Daaronder wordt bijvoorbeeld verstaan het dekken zelf of de bevalling. Er kan sprake zijn van uitzonderingssituaties, waarin voortplanting op onnatuurlijke wijze moet plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn ter verbreding van de genetische populatie in Nederland van een ras. Wanneer er in Nederland maar een klein aantal dieren van een ras aanwezig is, kan het wenselijk zijn dat kunstmatige inseminatie wordt toegepast om gebruik te kunnen maken van genetisch materiaal uit het buitenland. Een keizersnede kan noodzakelijk zijn bij een niet vorderende bevalling, dit hoeft niet direct gerelateerd te zijn aan foktechnische problemen.

Het voor zover mogelijk voorkomen van voortplanting op onnatuurlijke wijze legt de fokker wel een verplichting op. De systematische inzet van kunstmatige inseminatie bij het fokken of een toegenomen frequentie van voorkomen van keizersnedes binnen een ras en bij individuele dieren naar aanleiding van bijvoorbeeld rasgebonden kenmerken kan beschouwd worden als het niet voldoen aan deze verplichting. Deze verplichting is niet van toepassing voor zover het de fokkerij van paarden, pony’s en ezels betreft, die anders dan voor landbouwdoeleinden worden gehouden.

In het Besluit diergeneeskundigen is voorzien in regelgeving ter bescherming van het dierenwelzijn bij onder andere het tot stand brengen van dracht op andere dan natuurlijke wijze. Zo is in dit besluit bepaald dat voortplantingstechnieken worden toegepast op zodanige wijze dat bij het dier niet onnodig pijn, letsel, stress of ander ongerief wordt veroorzaakt. De leeftijd waarop nakomelingen mogen worden gescheiden van het ouderdier is vastgelegd in artikel 1.20 van het Besluit houders van dieren.

In de consultatie is voorgesteld extra verboden in te stellen ten aanzien van het fokken, bijvoorbeeld een verbod op het fokken met dieren die zich niet of niet meer op natuurlijke wijze kunnen voortplanten, een verbod op het gebruik van kunstmatige voortplanting en een verbod op lijnenteelt en inteelt. Deze verboden zijn niet opgenomen. Voor het kunstmatig voortplanten houdt dit verband met de hiervoor genoemde redenen die kunnen bestaan om het ras weer gezonder te maken of het noodzakelijk moeten verrichten van een keizersnede bij een dier in baringsnood. Voor wat betreft fokken en het voorkomen van inteelt wordt een verbod niet noodzakelijk geacht. Fokken met dieren is op grond van dit artikel reeds verboden indien er een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat op basis daarvan ernstige erfelijke afwijkingen en ziekten kunnen ontstaan bij of worden doorgegeven aan nakomelingen.

4.2 Bedrijfsmatig handelen

Paragraaf 3.2 stelt regels over het bedrijfsmatig verkopen, ten verkoop in voorraad houden, afleveren, houden ten behoeve van opvang, en fokken van gezelschapsdieren. Deze activiteiten met gezelschapsdieren zijn omvangrijk. Geschat wordt dat er 1.725 fokkers van honden en katten zijn, 2.260 bedrijven in de detail- en groothandel en ongeveer 625 pensions en asielen. Meer dan de helft van de Nederlandse huishoudens heeft gezelschapsdieren. Volgens schatting worden er in Nederland, naast honden en katten, minimaal 23 miljoen gezelschapsdieren zoals kleine knaagdieren, vogels, vissen en amfibieën gehouden door 620 duizend houders.

De paragraaf is van toepassing voor zover het gaat om het bedrijfsmatig verkopen, ten verkoop in voorraad houden, afleveren, fokken en houden van dieren ten behoeve van opvang. Het begrip bedrijfsmatig staat voor het in zekere omvang en met een zekere regelmaat uitoefenen van activiteiten. De vaststelling of het gaat om bedrijfsmatige activiteiten wordt per geval getoetst. In de meeste gevallen is dit duidelijk, omdat het bijvoorbeeld een dierenspeciaalzaak of pension betreft. In de gevallen waarin dit niet duidelijk is, maar wel wordt vermoed dat sprake is van bedrijfsmatig handelen, zal de betrokkene aannemelijk dienen te maken dat niet bedrijfsmatig word gehandeld om niet onder de werking van het besluit te vallen (artikel 3.6).

Zoals hiervoor aangegeven is in veel gevallen duidelijk dat er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten, omdat het bijvoorbeeld een pension, asiel, dierenspeciaalzaak of groothandel betreft.

In sommige gevallen is dit minder duidelijk. De hieronder genoemde situaties kunnen indicaties zijn dat er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten:

  • gezelschapsdieren worden gefokt anders dan voor uitbreiding van het aantal gezelschapsdieren binnen het eigen huishouden of de directe familie- en vriendenkring;

  • gezelschapsdieren worden verkocht aan anderen dan familie en vrienden;

  • gezelschapsdieren worden opgevangen tegen een vergoeding en er worden hiervoor advertenties geplaatst;

  • ruimtes zijn speciaal ingericht voor de onder dit besluit vallende activiteiten;

  • registratie van de Kamer van koophandel of het hebben van een BTW-nummer;

  • adverteren, al dan niet op websites, met gezelschapsdieren;

  • er wordt gehandeld vanuit een winstoogmerk.

Met behulp van deze indicaties kan in een individueel geval worden bepaald of er sprake is van bedrijfsmatig handelen. De indicaties zijn niet-cumulatief. Een indicatie kan voor een doelgroep ook helemaal niet relevant zijn. Voor het houden ten behoeve van opvang geldt bijvoorbeeld dat het winstoogmerk géén relevant criterium is om te bepalen of er sprake is van handelen in een zekere omvang en met een zekere regelmaat. Opvang van dieren vindt vaak plaats zonder winstoogmerk, maar met een ideëel doel.

Voor honden en katten is in de nota van toelichting bij het HKB 1999 een getalsmatige duiding gegeven wanneer sprake is van bedrijfsmatig handelen. Ook in het kader van paragraaf 3.2 wordt als richtsnoer genomen dat iemand bedrijfsmatig handelt, indien hij in een aaneengesloten periode van 12 maanden in totaal meer dan 20 honden of katten heeft verkocht, afgeleverd, gehouden ten behoeve van opvang of gefokt ten behoeve van de verkoop of aflevering.

Voor zover het om honden en katten gaat, doet het er hierbij niet toe of die activiteiten met of zonder winstoogmerk worden verricht. Er vindt daarmee geen wijziging plaats ten opzichte van de reikwijdte van het HKB 1999. Voor handelingen ten aanzien van andere gezelschapsdieren dan honden en katten wordt geen getalsmatige duiding gegeven en gelden eerder genoemde indicatoren onverkort.

Een groot aantal organisaties, zoals de Nederlandse Werkgroep voor Hobbymatig gehouden Pluimvee, de Coalitie Dierenwelzijnorganisaties Nederland (CDON), de Dierenbescherming, de Dibevo, Rechten voor al wat leeft, de Hondenbescherming, Comité dierennoodhulp, Samenwerkende Aquarium- en Terrariumorganisaties, Platform Verantwoord Huisdierbezit en de Landelijke inspectiedienst dierenbescherming, aan wie een concept ter consultatie is voorgelegd, vraagt of duidelijker kan worden aangegeven op wie en in welke gevallen deze paragraaf van toepassing is, met name voor andere gezelschapsdieren dan honden en katten.

Ten opzichte van het HKB 1999 ziet paragraaf 3.2 van het besluit op meer diersoorten. Het is ondoenlijk om voor al deze soorten een getalsmatige duiding te geven wanneer sprake is van bedrijfsmatig handelen, zoals bij honden en katten gebeurt.

De controle of aan de relevante bepalingen wordt voldaan, zal plaatsvinden door handhavers in het veld die aan de hand van de omstandigheden van het geval kunnen duiden of sprake is van bedrijfsmatig handelen. Om enige duiding te geven wanneer sprake is van bedrijfsmatig handelen zullen richtsnoeren worden opgesteld, bijvoorbeeld voor de meest voorkomende diersoorten. Deze kunnen, mede afhankelijk van praktijkervaringen steeds worden bijgesteld.

4.3 Reikwijdte: gezelschapsdieren, specifieke activiteiten en inrichting

a. Gezelschapsdieren

Paragraaf 3.2 is van toepassing op gezelschapsdieren. Dit zijn dieren die zijn genoemd in artikel 1 van het besluit en kennelijk bestemd zijn om te houden voor liefhebberij of gezelschap. Bepalend voor de reikwijdte van het begrip gezelschapsdieren is het gebruik waarvoor het betreffende dier bestemd is. Op dieren die bestemd zijn om voor een ander doel te worden gehouden, als circus- en dierentuindieren, proefdieren en dieren die worden gefokt of gehouden voor landbouwdoeleinden, is deze paragraaf dus niet van toepassing.

De definitie van gezelschapsdier sluit productiedieren uit die zijn opgenomen in bijlage II als bedoeld in artikel 2.1 van het besluit. Op deze bijlage staan echter ook dieren die zowel in het kader van de landbouw als voor het gezelschap worden gehouden, te weten het konijn, de bruine rat, de tamme muis, de cavia, de goudhamster en de gerbil. Omdat dit dieren zijn die vaak als gezelschapsdier worden gehouden, is bepaald dat deze dieren ook onder de werking van het besluit vallen als zij kennelijk zijn bestemd om als gezelschapsdier te fungeren.

b. Specifieke activiteiten

Paragraaf 3.2 richt zich tot personen en ondernemingen die gezelschapsdieren bedrijfsmatig verkopen, ten verkoop in voorraad houden, afleveren, houden ten behoeve van opvang of daarmee fokken ten behoeve van de verkoop en aflevering. In hoofdstuk 4.2 van deze toelichting is aangegeven wat onder bedrijfsmatig wordt verstaan. Paragraaf 3.2 is dus onder meer van toepassing op dierenspeciaalzaken, handelsondernemingen, tussenhandelaren, fokkerijen, kennels, pensions – waaronder die voor dagopvang – asielen en opvangcentra, maar ook op bijvoorbeeld tuincentra die gezelschapsdieren verkopen. Ook thuisfokkers of -kwekers kunnen onder de werking van paragraaf 3.2 vallen, als zij bedrijfsmatig de genoemde activiteiten uitoefenen.

Als ondernemingen of personen niet bedrijfsmatig gezelschapsdieren verkopen, ten verkoop in voorraad houden, afleveren, houden ten behoeve van opvang of daarmee fokken ten behoeve van de verkoop en aflevering zoals bedoeld in artikel 3.6, zijn de artikelen 3.5 tot en met 3.23 niet van toepassing.

Kinderboerderijen en onderwijsinstellingen die dieren houden ten behoeve van educatie en opleiding, vallen bijvoorbeeld niet onder de werking van de genoemde artikelen. Ook op trimsalons en hondenuitlaatservices zijn deze artikelen niet van toepassing. Deze ondernemingen hebben niet het doel om dieren ten behoeve van opvang te houden. Zij hebben slechts dieren voor korte duur ten behoeve van een specifieke activiteit onder zich. Onder het houden ten behoeve van opvang van gezelschapsdieren wordt bedoeld het fysiek en daadwerkelijk voor enige tijd onder zich houden van dieren, bijvoorbeeld omdat ze zwervend zijn aangetroffen of omdat de eigenaar permanent afstand heeft gedaan van het dier. Een gezelschapsdier kan ook tijdelijk worden opgevangen, bijvoorbeeld in een pension, in geval van vakantie of langdurige afwezigheid van de houder. Op deze laatstgenoemde inrichtingen is paragraaf 3.2 wel van toepassing.

Ten aanzien van de activiteit afleveren van gezelschapsdieren wordt naar aanleiding van opmerkingen uit de consultatie opgemerkt dat het afleveren zelf plaats moet vinden in een aangemelde inrichting. Dat uiteindelijk de bestemming bijvoorbeeld een particulier is of een bedrijf in het buitenland doet daar niet aan af.

c. Inrichting en bedrijfsmatige handel op tentoonstellingen, beurzen en markten

Om bedrijfsmatige activiteiten te mogen verrichten met gezelschapsdieren moeten deze activiteiten plaatsvinden in een bij de minister aangemelde inrichting (artikel 3.7). Hiermee wordt de lijn van het HKB 1999 voortgezet. Een inrichting is in artikel 3.5 van het besluit gedefinieerd als een aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes, die zijn bestemd voor het verrichten van de activiteiten als bedoeld in dit besluit. Het gaat om vaste en permanente locaties. Bedrijfsmatige straathandel in gezelschapsdieren is dan ook op grond van dit besluit niet toegestaan.

Op deze regel zijn twee uitzonderingen. Artikel 3.23 bevat een uitzondering op het algehele verbod dat gezelschapsdieren in een inrichting moeten verblijven. Honden en katten mogen in gelimiteerde situaties op een ander adres verblijven. De uitzondering geldt alleen voor honden en katten die tijdelijk in een inrichting verblijven of worden opgevangen, omdat er van hen afstand is gedaan of omdat de eigenaar onbekend is en met het oog op bepaalde doelen. Het verblijf op een ander adres dan de inrichting moet zijn gericht op socialisatie, resocialisatie, behandeling van gedragsproblemen of intensieve zorgverlening in geval van ziekte. In deze gevallen kan een beter resultaat worden bereikt als honden en katten op een pleegadres verblijven.

De tweede uitzondering is dat op grond van artikel 3.7, tweede lid, onder voorwaarden ook dieren mogen worden verhandeld op tentoonstellingen, beurzen en markten. In het concept-wijzigingsbesluit dat via internet ter consultatie is uitgezonden, was de uitzondering van artikel 3.7, tweede lid, niet opgenomen. Bij de consultatie over het ontwerp van het wijzigingsbesluit, is veel protest aangetekend door dierhouders van andere diersoorten dan honden en katten en organisaties van deze dierenhouders tegen het feit dat bedrijfsmatige activiteiten zoals bedoeld in paragraaf 3.2 van het besluit uitsluitend vanuit een inrichting zouden mogen worden verricht. In ons land vinden namelijk jaarlijks vele evenementen met dieren plaats in de vorm van beurzen, markten en tentoonstellingen, waar ook handel in dieren plaatsvindt. Belangrijkste punt van kritiek was dat een verbod op verkoop en aflevering op dergelijke evenementen de handelsmogelijkheden teveel zou inperken.

Op grond van het rapport Ongeriefanalyse (juli 2010 Wageningen UR, Universiteit Utrecht) wordt het aanwezig zijn op evenementen voor dieren als bron van stress genoemd. Ook het transport van en naar evenementen is stressvol voor veel dieren. Naar aanleiding daarvan zijn aan het organiseren en houden van tentoonstellingen, beurzen en markten op grond van artikel 3.7, tweede lid, van dit besluit voorwaarden verbonden. Als aan die voorwaarden is voldaan, wordt handel en verkoop aldaar toelaatbaar geacht. Dit geldt dan ook voor honden en katten. Op deze manier blijft het mogelijk bedrijfsmatig te handelen op beurzen, tentoonstellingen en markten.

Belangrijkste eisen waaraan organisatoren van tentoonstellingen, beurzen en markten dienen te voldoen zijn:

  • a. een voorafgaande melding inhoudende waar en wanneer de tentoonstelling, beurs of markt wordt gehouden (artikel 3.8, vijfde lid);

  • b. de aanwezigheid van een vakbekwaam persoon, overeenkomstig de eisen die krachtens artikel 3.11 van dit besluit gelden (artikel 3.11, vierde lid);

  • c. toezien op verantwoorde huisvesting overeenkomstig artikel 3.12, uiteraard met inachtneming van het feit dat een tentoonstelling, beurs of markt betreft (artikel 3.12, derde lid);

  • d. het zorg dragen voor een veterinaire toegangscontrole (artikel 3.14, zesde lid).

Standhouders dienen aldaar, voor zover zij dieren bedrijfsmatig verhandelen, te voldoen aan de verplichting tot het geven van voorlichting aan de kopers, aan de verplichting geen dieren te verkopen aan personen jonger dan 16 jaar en zorg te dragen voor, indien van toepassing, het zorgvuldig verpakken van dieren als bedoeld in de artikelen 3.17 tot en met 3.20.

Artikel 6.5 bepaalt dat de verplichtingen die aan organisatoren van tentoonstellingen, markten of beurzen worden opgelegd, pas gelden, vier maanden na inwerkingtreding van dat artikel. Dit geeft de organisatoren de tijd om hun werkwijze aan te passen aan paragraaf 3.2 van dit besluit.

Voor zover nodig wordt op een en ander nader ingegaan bij de betreffende onderdelen in deze nota van toelichting.

5 De onderwerpen van paragraaf 3.2 nader toegelicht

5.1 Algemeen

In paragraaf 3.2 komen achtereenvolgens voorschriften over registratie, administratie, vakbekwaamheidseisen, huisvesting en verzorging, gezondheid en verkoop van dieren aan de orde. Enkele voorschriften hebben betrekking op een specifieke activiteit, zoals het verkopen of afleveren (artikelen 3.17 tot en met 3.21), of op een specifieke diersoort, zoals verplichte inentingen voor hond en kat (artikel 3.15). Als een bepaling louter van toepassing is op honden en katten, is dat in het artikel aangegeven. Naast deze artikelen, geldt voor bedrijfsmatig fokken met gezelschapsdieren ook artikel 3.4 van het besluit.

5.2 Aanmelding inrichting en tentoonstelling, beurs of markt

Degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten worden verricht, dient de inrichting aan te melden bij de minister van EZ. Als een organisatie meerdere locaties heeft, moet elke locatie aangemeld worden.

Er is slechts sprake van een geldige aanmelding indien betrokkene gebruik gemaakt van een middel dat door de Minister beschikbaar wordt gesteld. De vereiste gegevens kunnen op een daarvoor beschikbaar gesteld elektronische portaal worden ingevuld of ingevuld worden op een formulier dat op verzoek kan worden verstrekt. De aanmelding via een elektronisch portaal is nieuw ten opzichte van het HKB 1999.

De registratie dient ten behoeve van gerichte controle op naleving van paragraaf 3.2 van het besluit. Door aanmelding en registratie is bekend waar de activiteiten plaatsvinden en kan de desbetreffende inrichting periodiek op naleving gecontroleerd worden. Alleen activiteiten die zijn aangemeld, mogen in de inrichting plaatsvinden. Bij de registratie moet onder andere opgave worden gedaan van de diergroep waarmee de activiteiten worden verricht. Onder een diergroep wordt verstaan: honden, katten, overige zoogdieren, amfibieën en reptielen, vogels of vissen.

Melding van de activiteiten dient plaats te vinden voor aanvang van de activiteiten. Voor inrichtingen waar deze activiteiten reeds plaatsvinden op het moment van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit is dat niet mogelijk. Inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden waarvoor geen meldingsplicht op grond van het HKB 1999 gold, krijgen vier maanden de tijd zich aan te melden. Voor inrichtingen die zich hebben aangemeld op grond van het HKB 1999 geldt die aanmelding als een aanmelding als bedoeld in paragraaf 3.2 van het besluit (artikel 6.7).

Voor tentoonstellingen, beurzen en markten geldt eveneens een voorafgaande aanmeldingsplicht voor de organisator. Er kan in die gevallen echter volstaan worden met het doorgeven van een geringer aantal gegevens. De elementen die de aanmelding dient te bevatten zijn in artikel 3.8, vijfde lid, omschreven. Tentoonstelling, beurzen en markten zijn evenementen van korte duur. Meestal duren zij een dag of enkele dagen, bijvoorbeeld een weekend. Ondermeer dienen derhalve de datum of data te worden opgegeven waarop het evenement plaatsvindt. Deze gegevens worden gebruikt ten behoeve van controle en handhaving.

In de consultatie was door Cursuscentrum dierverzorging Barneveld gevraagd of de nu geregistreerde inrichtingen bij het Bureau I&R-HKB overgenomen konden worden in de nieuwe registratie. Het Bureau I&R-HKB bestaat niet meer. Bij de opheffing van dit bureau zijn de registraties van alle bestaande inrichtingen overgenomen door de Gezondheidsdienst voor Dieren.

5.3 Administratie

In het belang van het toezicht op de naleving van dit besluit worden er administratieve eisen gesteld aan alle inrichtingen (artikel 3.10). Elke inrichting dient in zijn administratie de gegevens op te nemen van degene van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn. Alleen voor inrichtingen waar dieren worden gehouden ten behoeve van opvang, geldt deze verplichting niet, zover deze gegevens niet bekend zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval als een zwerfdier in een asiel opgevangen wordt.

De verplichting tot het bijhouden van een administratie van de dieren die in een inrichting aanwezig zijn en van wie de dieren afkomstig zijn, is niet van toepassing op inrichtingen met honden, voor zover deze honden al overeenkomstig het Besluit identificatie en registratie van dieren zijn geregistreerd. Hiermee wordt voorkomen dat de beheerder of de verantwoordelijke twee keer gegevens moet registreren.

Ten opzichte van het HKB 1999 is de administratiebepaling vereenvoudigd. Op grond van het HKB 1999 moest per kwartaal een administratie worden bijgehouden en worden toegestuurd aan de minister. Met de Vrijstellingsregeling dierenwelzijn was al een uitzondering gegeven van deze administratieplicht, omdat deze verplichting leidde tot hoge administratieve lasten en in de handhavingspraktijk nauwelijks effectief bleek te zijn.

De gegevens over degene van wie de dieren afkomstig zijn en een kopie van bewijzen van inentingen moeten twee jaar in de inrichting worden bewaard. In het HKB 1999 gold een bewaartermijn van drie jaar. Deze gegevens zijn voor handhavende instanties van belang voor controle op naleving van de verplichte entingen voor honden en katten. De gegevens over de herkomst van de dieren zijn van belang om handelsstromen te kunnen nagaan.

De aanmelding moet worden verricht door degene onder wiens verantwoordelijkheid de activiteiten in de inrichting worden verricht. In het geval dat de beheerder dezelfde is als degene onder wiens verantwoordelijkheid de activiteiten worden verricht, kan de beheerder de aanmelding verrichten.

Op grond van artikel 3.10 moeten persoonsgegevens worden bewaard. In hoofdstuk 8 van deze nota van toelichting zal nader worden ingegaan op de verhouding van dit wijzigingsbesluit met de Wet bescherming persoonsgegevens.

Indien in een inrichting activiteiten worden verricht met gezelschapsdieren, gelden de administratieverplichtingen op grond van de Flora- en faunawet onverkort. Naar aanleiding van een vraag van Coalitie Dierenwelzijns Organisaties Nederland in de consultatie wordt opgemerkt dat, indien er op grond van de Regeling eisen administratie bezit van en handel in beschermde dier- en plantensoorten, gebaseerd op de Flora- en faunawet, een administratie moet worden bijgehouden, deze administratie voldoet aan de eisen van artikel 3.10 van het besluit. Overigens ziet de verplichting op het bijhouden van een administratie op grond van deze Regeling administratie bezit van en handel in beschermde dier- en plantensoorten op een beperkt aantal beschermde soorten, die doorgaans niet als gezelschapsdier gehouden zullen worden.

In de consultatie werd door een aantal partijen gevraagd naar de wijze van administratie. Opgemerkt wordt dat ook administratie van bijvoorbeeld handelspartijen toegestaan is. Bijvoorbeeld bij vissen of vogelsoorten zal dit soms noodzakelijk zijn. Voor de administratie in een pension is administratie van elk individueel dier uiteraard wel noodzakelijk, met het oog op teruggave van het dier aan de eigenaar. Het is in ieder geval van belang dat de herkomst van een dier is na te gaan.

5.4 Vakbekwaamheid

Om een goede verzorging te waarborgen, dient op de inrichting een beheerder werkzaam te zijn die in het bezit is van een in het kader van dit besluit erkend bewijs van vakbekwaamheid (artikel 3.11). Volgens de definitie van artikel 3.5 is de beheerder degene die dagelijks leiding geeft aan de in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde activiteiten. Degene die een tentoonstelling, beurs of markt organiseert, draagt zorg voor de aanwezigheid van een persoon die ook in het bezit is van een in het kader van dit besluit erkend bewijs van vakbekwaamheid.

De Landelijke inspectiedienst dierenbescherming en de Dierenbescherming vroegen bij de consultatie hoe omgegaan dient te worden met de vakbekwaamheid van personeel, wanneer de beheerder structureel niet of weinig aanwezig is. Gelet op de definitie van beheerder mag er van worden uitgegaan dat er een zekere continuïteit is in de aanwezigheid van deze vakbekwame beheerder.

Een vakbekwaam beheerder moet bepaalde handelingen kunnen uitvoeren bij dieren en dient kennis te hebben van het verzorgen en voeren van gezelschapsdieren en het zorg dragen voor hygiënische omstandigheden. In een besluit van algemene strekking, op grond van artikel 3.11, eerste lid van dit besluit, zal worden vastgesteld welke diploma’s of certificaten voldoen aan de vakbekwaamheidseisen. In dit besluit zal worden verwezen naar zogenoemde kwalificatiedossiers. Daarin is beschreven welke competenties iemand moet hebben die vakbekwaam is en welke kennis en kunde daar bij hoort.

Die kwalificaties kunnen worden behaald bij een instelling voor middelbaar beroepsonderwijs die zijn opgenomen in het centraal register beroepsopleidingen (Crebo) op basis van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (hierna: WEB). Het op basis van de WEB behaalde diploma of certificaat moet uitsluitsel geven of de bij ministeriële regeling vastgestelde kwalificaties zijn behaald en zo wordt voldaan aan de vakbekwaamheidseisen. De kwalificaties maken deel uit van de kwalificatiestructuur die voor het groen onderwijs door de minister van EZ jaarlijks wordt vastgesteld. Voor het groen onderwijs is de WEB van toepassing, evenals voor de kwaliteitsborging van het onderwijs. Dit houdt in dat er een stelsel van kwaliteitszorg moet zijn en dat de examens aan bepaalde kwaliteitseisen moeten voldoen. De kwaliteitstoetsing van de examinering valt onder toezicht van de onderwijsinspectie.

Het ministerie van EZ kent en onderhoudt geen eigen kwaliteitsborgingssysteem en beoordelingstraject, maar volgt het systeem van de WEB. De inrichting van een eigen stelsel voor kwaliteitsborging zou gezien de omvang van het aan EZ gerelateerde onderwijs niet in verhouding zijn. Gelet daarop zal een niet Crebo-diploma, niet kunnen worden erkend als bewijs van vakbekwaamheid.

Om een bewijs van vakbekwaamheid te verkrijgen, moet de beheerder een opleiding met goed gevolg hebben afgesloten, die is toegespitst op de diergroep waarmee hij gaat werken. Daartoe zullen in de ministeriële regeling diergroepen worden onderscheiden.

In de consultatie was gevraagd of het mogelijk is alle bewijzen van vakbekwaamheid op een centraal punt om te kunnen ruilen voor één herkenbaar document.

Daartoe zal niet worden overgegaan. De inrichting van een dergelijk centraal punt brengt uitvoeringslasten voor de overheid met zich mee. Tevens zijn de handhavende instanties in staat om de relevante diploma’s en certificaten te herkennen.

Ook op grond van het HKB 1999 moesten beheerders een bewijs van vakbekwaamheid hebben. Omdat het HKB 1999 alleen van toepassing was op honden en katten, was de toets of iemand vakbekwaam was, gericht op honden en katten. Nu de reikwijdte van paragraaf 3.2 ten opzichte van het HKB 1999 is uitgebreid met andere gezelschapsdieren dan honden en katten, is het verplicht dat beheerders die een bewijs van vakbekwaamheid hebben op grond van het HKB 1999 en die ook activiteiten verrichten met andere gezelschapsdieren een aanvullend bewijs van vakbekwaamheid hebben. In artikel 6.6, eerste lid, onderdeel b, is voor deze groep overgangsrecht opgenomen.

Voor inrichtingen die op het moment van inwerkingtreding van dit besluit in bedrijf zijn, maar waarvoor op grond van het HKB 1999 geen verplichting gold ten aanzien van de vakbekwaamheid van de beheerder, is in artikel 6.6, eerste lid, voorzien in een overgangstermijn van vijf jaar. Deze overgangstermijn biedt degene onder wiens verantwoordelijkheid de activiteiten in de inrichting plaatsvinden, vijf jaar de tijd om aan de verplichting van artikel 3.11, eerste lid, te voldoen. Dat kan door binnen deze periode een beheerder aan te trekken in het bezit van een erkend bewijs van vakbekwaamheid of doordat de op de inrichting werkzame beheerder het erkende bewijs van vakbekwaamheid in deze periode behaalt.

In het ontwerpbesluit zoals dat naar het parlement was gestuurd, was voorzien in een overgangstermijn van drie jaar. Naar aanleiding van het debat tijdens het nota-overleg op 25 maart 2013 en een toezegging van de staatssecretaris van Economische Zaken is deze overgangstermijn verlengd naar vijf jaar (zie ook kamerbrief van 4 juli 2013, Kamerstukken II, 2012/13, 28 286, nr. 641).

Zonder kennis en ervaring bedraagt de duur van de te volgen opleiding waarmee het vakbekwaamheidbewijs behaald kan worden ongeveer zes maanden tot een jaar. De werkelijke duur hangt af van reeds verworven competenties, zoals opgedane relevante werkervaring en andere gevolgde opleidingen. Dergelijke competenties kunnen bijvoorbeeld leiden tot een vrijstelling voor bepaalde lesonderdelen. Het merendeel van de beheerders dat werkzaam is in inrichtingen waarvoor geen meldingsplicht op grond van het HKB 1999 gold, beschikt hier naar verwachting al in meer of mindere mate over. Het is aan de onderwijsinstellingen om te bepalen in hoeverre een vrijstelling kan worden verleend. Dat geldt tevens voor de wijze waarop examen moet worden afgelegd. Of dit mondeling of schriftelijk moet gebeuren is aan de onderwijsinstelling.

5.5 Huisvesting en verzorging

In de artikelen 1.5 tot en met 1.8 van het besluit zijn enkele algemene huisvestings- en verzorgingsnormen opgenomen. Deze gelden ook voor degene die bedrijfsmatige activiteiten uitvoeren met gezelschapsdieren. Ter invulling van deze artikelen 1.5 tot en met 1.8 wordt het volgende opgemerkt.

Effectieve reiniging en zo nodig desinfectie (artikel 1.7, onderdeel d, en artikel 1.8, derde en vierde lid) van alle in de ruimte gebruikte materialen moet mogelijk zijn. Met name betekent dit dat vloeren en wanden goed en eenvoudig te reinigen zijn. Ook houdt dit in dat materialen die gebruikt worden voor bodembedekking ten behoeve van effectieve reiniging regelmatig vervangen worden. Wanneer in de ruimte gebruikte materialen niet te desinfecteren zijn, dienen deze vervangen te worden wanneer desinfectie noodzakelijk is.

Afhankelijk van de behoefte van het dier, dient dit toegang te hebben tot een toereikende hoeveelheid gezond en geschikt voer en vers water (artikel 1.7, onderdelen e en f). Voor de meeste diersoorten zal dit inhouden dat zij in de ruimte waar zij in gehouden worden te allen tijde toegang hebben tot vers en schoon drinkwater. Voor sommige diersoorten, zoals konijnen, betekent dit bijvoorbeeld dat ze altijd toegang hebben tot geschikt ruwvoer. Voor andere diersoorten, zoals honden en katten, is onbeperkt toegang tot voedsel niet zonder meer altijd noodzakelijk en veelal zelfs onwenselijk.

In aanvulling op de artikelen 1.5 tot en met 1.8 zijn in de artikelen 3.12 en 3.13 enkele regels gegeven omtrent huisvesting en verzorging. De artikelen zijn als doelvoorschrift geformuleerd. Zij geven daarbij de houder van de inrichting de mogelijkheid zelf keuzes te maken omtrent de wijze van huisvesting en verzorging. Hierbij is leidend het uitgangspunt dat het welzijn van dieren en hun gezondheid permanent voldoende is gewaarborgd. Voor alle dieren geldt de algemene bepaling dat de ruimte waarin zij in de inrichting gehouden worden, geschikt dient te zijn. Adequate huisvesting en verzorging is vanuit welzijnsoogpunt van groot belang.

Op grond van artikel 3.12, tweede lid, onderdeel b, moeten de ruimte of de ruimten en de daarin gebruikte materialen aangepast zijn aan de fysiologische en ethologische behoeften van het dier. Daarbij kan gedacht worden aan het rekening houden met het dag- en nachtritme van een dier en het zorgen voor voldoende daglicht, of een equivalent daarvan, voor dieren die overdag actief zijn. Ook moeten de klimatologische omstandigheden afgestemd zijn op de fysiologische behoeften door bijvoorbeeld te zorgen voor voldoende frisse lucht en ventilatie in de ruimte. Om de ruimte aan te passen aan de ethologische behoeften van het dier, dient er in ieder geval, overeenkomstig de behoefte van het dier, verrijkingsmateriaal en schuilmogelijkheden in de ruimte aanwezig te zijn. Voor katten voorziet de aanwezigheid van een krabpaal bijvoorbeeld in een belangrijke ethologische behoefte, voor honden is de mogelijkheid tot urineren en ontlasten in een andere ruimte dan het reguliere verblijf van belang, ter preventie van onzindelijkheid.

Op grond van het tweede lid, onderdeel c, geldt dat gezelschapsdieren voor zover nodig over een schuilmogelijkheid moeten beschikken die bescherming biedt tegen nadelige weersinvloeden, roofdieren en gezondheidsrisico’s. Indien er meer dieren samen in een ruimte worden gehouden, dienen alle dieren gelijktijdig van de schuilmogelijkheid gebruik te kunnen maken.

Van geschikte nestruimte (onderdeel d) is voor honden en katten bijvoorbeeld sprake indien het moederdier de mogelijkheid heeft zich tijdelijk te onttrekken aan haar jongen. Een moederdier en jongen moeten in de nestruimte voldoende bewegingsruimte hebben en indien nodig moet de temperatuur van de ruimte kunnen worden aangepast.

Een dier kan stress ondervinden (onderdeel e) als het niet de gelegenheid krijgt om te rusten of daar in gestoord wordt. Verstoring van de rust kan in veel gevallen voorkomen worden als daar al bij huisvesting rekening mee gehouden wordt. Voorbeelden daarvan zijn het huisvesten van een dier bij bronnen van constant lawaai, bij neonreclames en het voorkomen dat een dier telkens wordt opgetild, aangeraakt of afgeleid door mensen. Ook het huisvesten van prooi- en roofdieren in elkaars zicht of binnen elkaars reukveld kan onnodige stress vooroorzaken.

Het is belangrijk dat bij het plaatsen van een dier in een ruimte rekening gehouden wordt met het aantal dieren en de groepssamenstelling (onderdeel f). Zo verdient het vaak de voorkeur om dieren van verschillende diersoorten in beginsel niet bij elkaar te huisvesten. Dieren die van nature samenleven, worden in beginsel niet individueel gehuisvest indien er meer dan één exemplaar van de desbetreffende soort in de inrichting verblijft. Ook het aantal dieren dat in een verblijf gehouden wordt mag het welzijn of de gezondheid van de individuele dieren niet nadelig beïnvloeden. Het samen plaatsen in een ruimte van sociaal levende dieren geniet de voorkeur, maar er zijn situaties denkbaar dat dit niet in het belang van welzijn en gezondheid van een dier is, bijvoorbeeld omdat de eetlust van een individueel dier gecontroleerd moet kunnen worden omdat vermoed wordt dat een dier ziek is.

De huisvesting van dieren op een tentoonstelling, beurs of markt dient ook aan eisen van goede huisvesting te voldoen. Veelal worden de dieren aangevoerd door de afzonderlijke houders. Zij zijn primair verantwoordelijk voor passende huisvesting en verzorging van hun dieren. Het is voorts ongewenst dat hoogdrachtige en zogende dieren op een tentoonstelling, beurs of markt aanwezig zijn vanwege de stress die dat tot gevolg heeft. Dit is voorzien in artikel 3.12, derde lid.

De organisator van de tentoonstelling, beurs of markt zal hierop dienen toe te zien. Uiteraard zal de aard van zodanig evenement bepalend zijn voor met name de huisvesting. Te allen tijde zal echter uit het oogpunt van dierenwelzijn de huisvesting verantwoord dienen te zijn. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het aanwezig zijn van voldoende schuilmogelijkheden voor de dieren en het zorg dragen voor een goed klimaat en voldoende voeding en drinkwater.

Niet ondenkbaar is dat de betreffende onderdelen door verschillende houders van dieren verschillend worden geïnterpreteerd. Daarom zullen ten behoeve van de naleving richtsnoeren worden opgesteld. In ieder geval blijven voor het toezicht op de naleving van paragraaf 3.2 leidend de minimumnormen voor de inrichting van leefruimtes voor dieren, zoals die voorheen onder het HKB 1999 golden. In het bijzonder zijn dan van belang de afmetingen van verblijven en de beschikbare vloeroppervlakte voor honden en katten. Bij het opstellen van bedoelde richtsnoeren zal ook aandacht worden besteed aan de eisen die tot dusver in het kader van het ontwikkelen van certificatiestelsels aan de orde zijn geweest. Uiteraard zal dit in de toekomst eveneens geschieden voor eisen die dan in andere certificatiestelsels zullen worden opgenomen.

5.6 Huisvesting zieke dieren

Ter waarborging van de gezondheid van de gezelschapsdieren en ter voorkoming van uitbraken van besmettelijke ziekten in inrichtingen, worden eisen gesteld aan de faciliteiten waarover de inrichting dient te beschikken (artikel 3.13). Een inrichting moet over ten minste drie afzonderlijke ruimtes beschikken. De inrichting hoeft deze niet permanent als zodanig in te richten, maar moet wel de mogelijkheid hebben deze ruimtes in te richten als dat nodig is, naast de ruimtes waarin gezonde dieren worden gehouden. Veelal zal de dierenarts de aangewezen persoon zijn om te beoordelen of zieke dieren of dieren die een mogelijk risico vormen voor de gezondheid van andere dieren, in zodanige ruimtes dienen te worden geplaatst.

Een quarantaineruimte en een isolatieruimte zijn noodzakelijk om uitbraak van besmettelijke ziekten te voorkomen, dan wel om deze te kunnen beheersen. Voor de huisvesting van gewonde of zieke dieren, die niet verdacht zijn van een besmettelijke ziekte of klinische verschijnselen daarvan vertonen en die niet in een quarantaine- of isolatieruimte gehuisvest hoeven te worden, dient een inrichting te beschikken over een ruimte die voor de huisvesting van deze dieren bestemd kan worden of die daartoe kan worden ingericht. Bij de inrichting van deze ruimte is mede een aandachtspunt dat rekening wordt gehouden met de voor het herstel van het dier noodzakelijke rust (artikel 3.13, tweede lid, onderdeel c).

De ruimten, bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, onderdelen a en c, kunnen in principe in een zelfde ruimte worden ingericht. Echter, dieren die zich in quarantaine bevinden, mogen hier niet gelijktijdig zijn met dieren die ziek zijn, maar niet verdacht worden van een besmettelijke aandoening.

Ter voorkoming van een uitbraak van besmettelijke ziekten dienen dieren waarvan de gezondheidsstatus of vaccinatiestatus onvolledig of onbekend is bij binnenkomst direct in een quarantaineruimte te worden geplaatst (artikel 3.14, derde lid). De dieren maken hier een quarantaineperiode door, waarin beoordeeld wordt of en wanneer dieren gehuisvest kunnen worden met andere dieren. Honden en katten waarbij de in artikel 3.15, eerste lid, bedoelde entingen niet hebben plaatsgevonden of de vaccinatiestatus onbekend of onvolledig is, dienen ook bij binnenkomst in quarantaine geplaatst te worden. Dieren die verdacht worden van een besmettelijke ziekte of klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte hebben, dienen in een isolatieruimte te worden geplaatst. Een verdenking ontstaat bijvoorbeeld wanneer dieren afkomstig zijn uit een omgeving waarin zich klinisch zieke dieren bevonden. Hygiënemaatregelen dienen getroffen te worden om overdracht van besmettelijke ziekten tussen ruimtes en tussen dieren te voorkomen.

Het is van belang dieren in quarantaine en isolatie solitair te huisvesten om overdracht van ziekten te voorkomen. Indien dit vanuit veterinair oogpunt in bepaalde gevallen niet noodzakelijk wordt geacht, kan hiervan worden afgeweken.

In artikel 6.8 is voorzien in een overgangsregeling ten aanzien van de verplichtingen voor het hebben of kunnen inrichtingen van ruimtes voor zieke of van ziekte verdachte dieren. Naar aanleiding van schriftelijke vragen van de Tweede Kamer die bij brief van 31 januari 2012 (kamerstukken II 2011/12, 28 286, nr. 545) zijn beantwoord, is deze overgangstermijn vastgesteld op drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.

Deze drie jaar overgangstermijn geldt voor nieuwe inrichtingen, maar ook voor de inrichtingen die onder de werking van het HKB 1999 vielen. De verplichtingen die voor deze HKB-inrichtingen al golden, blijven echter wel bestaan (zie artikel 6.8, tweede lid). Dit betekent dat alle inrichtingen die onder het HKB 1999 vielen, moeten beschikken over een ziekenboeg, waarin zieke dieren ondergebracht moesten worden. Een asiel voor honden en katten moet daarnaast over één of meer quarantaineruimten beschikken.

De reacties van een aantal organisaties die geconsulteerd zijn, zoals Dibevo en de Dierenbescherming, hebben ertoe geleid dat de bepalingen over quarantaine en afzondering zijn verduidelijkt. Tevens zijn de artikelen gewijzigd naar aanleiding van de schriftelijke vragen van de Tweede Kamer die bij brief van 31 januari 2012 (kamerstukken II 2011/12, 28 286, nr. 545) zijn beantwoord. Daarin is toegezegd de artikelen 3.13 en 3.14 beter op elkaar af te stemmen.

Voor tentoonstellingen, beurzen of markten geldt geen eis om bepaalde ruimtes te hebben voor zieke dieren. Het is de verantwoordelijkheid van de houders van dieren zieke of van ziekte verdachte dieren niet aan te voeren. De organisator moet waken voor aanvoer van dergelijke dieren en in het geval er toch dergelijke dieren worden aangevoerd, deze dieren de toegang weigeren. In artikel 3.14, zesde lid, is voor dit laatste een waarborg opgenomen.

5.7 Gezondheid

Ter waarborging van de gezondheid van de gezelschapsdieren en ter voorkoming van uitbraken en verspreiding van besmettelijke ziekten in inrichtingen, worden eisen gesteld aan de wijze waarop met dieren moet worden omgegaan die klinische verschijnselen vertonen van een besmettelijke ziekte, die verdacht zijn van een besmettelijke ziekte en dieren waarvan de gezondheids- en vaccinatiestatus onbekend of onvolledig is. Dit geschiedt gedeeltelijk door te zorgen voor passende huisvesting, als bedoeld in artikel 3.13. Ook dienen maatregelen te worden genomen ter voorkoming van een uitbraak van besmettelijke ziekten in de inrichting, bijvoorbeeld middels inentingen die als preventiemaatregel kunnen dienen (artikel 3.14). Voor tentoonstellingen, beurzen en markten geldt dat degene die deze organiseert zorg dient te dragen voor een veterinaire gezondheidscontrole van de dieren voordat toegang wordt verstrekt. Dieren met klinische verschijnselen van of verdacht van een besmettelijke dierziekte worden niet toegelaten (artikel 3.14, zesde lid).

Voor honden en katten die verblijven in de inrichting worden ter voorkoming van de uitbraak van besmettelijke ziekten bij ministeriële regeling nadere eisen gesteld aan inentingen. Onder andere zal worden bepaald voor welke ziektes een inenting moet worden gegeven. Eveneens worden regels gesteld over het bewijs van inenting en over het moment waarop honden en katten moeten beschikken over een bepaalde inenting, bijvoorbeeld een aantal dagen voordat zij de inrichting verlaten (artikel 3.15). Hiermee wordt het niveau van het gezondheidsregime uit het HKB 1999 gewaarborgd.

In de internetconsultatie was gevraagd door onder andere de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde, Coalitie Dierenwelzijnsorganisaties Nederland, Stichting AAP, de Dierenbescherming en cursuscentrum dierverzorging Barneveld waarom alleen verplichte inentingen worden voorgeschreven voor honden en katten, en niet voor andere gezelschapsdieren.

Omdat het minimale beschermingsniveau van het HKB 1999 gehandhaafd wordt, zijn de inentingverplichtingen voor honden en katten overgenomen uit het HKB 1999. Een verplichte enting voor andere dieren wordt niet opgenomen, omdat het te ver strekt om voor alle onder paragraaf 3.2 van het besluit vallende diersoorten specifieke voorschriften omtrent inentingen op te nemen. Dit laat onverlet dat voor andere dieren inenting in het kader van artikel 3.14, eerste lid, wenselijk of zelfs noodzakelijk kan zijn als maatregel ter voorkoming van dierziekten.

In het belang van de gezondheid van de dieren die in de inrichting verblijven, is dagelijkse controle van de dieren wenselijk. Daartoe is het ingevolge artikel 3.14, eerste lid, verplicht een protocol vast te stellen. Bij die dagelijkse controle kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de controle of elk dier voldoende voedsel en water opneemt. Daarnaast dient bijvoorbeeld gecontroleerd te worden of dieren klinische verschijnselen van ziekte vertonen. De verplichting tot het vaststellen van een dergelijk protocol is nieuw ten opzichte van het HKB 1999.

Indien de gezondheid van een hond zich daar niet tegen verzet, moet een hond dagelijks tijd buiten zijn verblijf kunnen doorbrengen (artikel 3.16). Dit is onder meer van belang vanwege de behoefte van honden aan contact met mensen en soortgenoten en aan lichaamsbeweging. Daarnaast is het voor honden van belang om buiten de ruimte waarin ze verblijven te kunnen urineren en ontlasten. Wanneer aan deze verplichting onvoldoende invulling wordt gegeven, kan dit leiden tot onzindelijkheid van de hond. Uiteraard kan niet worden verwacht dat aan deze verplichting wordt voldaan indien de veiligheid van het personeel in het geding is door agressiviteit van een hond.

Door verschillende organisaties is gevraagd waarom deze bepaling alleen voor honden geldt. Deze eis is gebaseerd op de eis uit het HKB 1999 dat honden tenminste twee uur per dag buiten moest doorbrengen. Het niet opnemen van een dergelijke bepaling zou een achteruitgang betekenen in het beschermingsniveau van honden. Voor honden is het belangrijk om tijd buiten de ruimte waarin hij gehouden wordt door te brengen in verband met contacten met andere dieren, mensen en in verband met zijn lichaamsbeweging en het uiten van bepaalde gedragsbehoeften als graven en buiten het hok urineren en ontlasten.

Voor alle diersoorten geldt op grond van artikel 3.12, tweede lid, onderdeel b, dat een ruimte aangepast moet zijn aan fysiologische en ethologische behoeften van het dier. Dieren die dus het beste buiten gehouden kunnen worden, moeten ook naar buiten kunnen.

De Vereniging Beroepsmatige Kennelhouders stelde voor dit artikel te veranderen in een bepaling dat aan de dagelijkse behoefte van honden wordt voldaan door hen onder te brengen in een inrichting of ruimte waardoor zij dagelijks voldoende gelegenheid hebben voor beweging en met soortgenoten.

Het is heel belangrijk dat een inrichting wordt ingericht, zoals de Vereniging Beroepsmatige Kennelhouders aangeeft. De gedragsbehoeften van de hond die het dagelijks verblijf van een hond buiten de ruimte waarin deze gehouden wordt noodzakelijk maken, kunnen niet worden ingevuld door een goed binnenverblijf. Deze bepaling is daarom niet aangepast.

Volgens het Comité dierennoodhulp zegt de tekst «dagelijks in de gelegenheid worden gesteld tijd door te brengen» niets over de hoeveelheid tijd die de hond buiten zijn verblijf door moet brengen.

Er is veel variatie in honden(rassen) en daardoor veel variatie in de bij die honden passende gedragsbehoefte om tijd door te brengen buiten de ruimte waarin ze gehouden worden. Ook is de tijd die nodig is voor invullen van gedragsbehoeften afhankelijk van de leeftijd van de hond. Een pup van een jachthondenras heeft bijvoorbeeld een andere behoefte dan een volwassen, ouder dier van een klein ras. Daarom is de eis van twee uur in dit artikel losgelaten, zoals die was opgenomen in het HKB 1999.

5.8 Verkoop en aflevering

In het belang van het welzijn en de gezondheid van verkochte of afgeleverde gezelschapsdieren worden eisen gesteld aan de informatie die bij verkoop of afleveren verstrekt dient te worden (artikel 3.17 en 3.18) en de wijze waarop een dier wordt verpakt, indien dat aan de orde is (artikel 3.20). Deze regels gelden ook voor de verkoop door bedrijfsmatige houders indien dieren op een tentoonstelling, beurs of markt worden verkocht of afgeleverd. De informatieverplichting is nieuw ten opzichte van het HKB 1999.

Deze bepalingen van het besluit beogen het verantwoord bezit van gezelschapsdieren te bevorderen en impulsaankopen te voorkomen. Hierop is mede gericht het verbod, bedoeld in artikel 3.21, op het houden en tentoonstellen van gezelschapsdieren in etalages van een handelsruimte, waarbij als etalages de ruimten achter een winkelraam van een inrichting worden aangemerkt.

Gebrek aan kennis bij de houder van een gezelschapsdier over de verzorging en de huisvesting van het gehouden dier is een belangrijke oorzaak voor ongerief bij gezelschapsdieren. Dit blijkt onder andere uit het rapport Ongeriefanalyse2. Om deze kennis bij een koper of verwerver van een dier te vergroten, dient bij de verkoop of aflevering van een dier informatie te worden verstrekt over de verzorging, huisvesting en het gedrag van een dier en over de kosten die het houden van het dier met zich meebrengen (artikel 3.17). Deze informatie dient schriftelijk te worden verstrekt. Een voorbeeld van schriftelijke informatie die verstrekt kan worden zijn de dierenbijsluiters van het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapdieren en de Gidsen van Goede praktijken van het Platform Verantwoord Huisdierbezit.

Het alleen digitaal of mondeling verstrekken van informatie is niet toegestaan. Het verstrekken van schriftelijke informatie maakt het mogelijk om te controleren of de informatie wel daadwerkelijk verstrekt is. Tevens biedt dit de verstrekker of verwerver de mogelijkheid de informatie op een later moment nog eens door te nemen. De verstrekking kan wel inhouden dat schriftelijk wordt verwezen naar relevante internetsites.

De informatieverstrekking vindt plaats bij de aankoop van een dier. In de internetconsultatie werd gevraagd om de verplichting op te leggen om vóór de verkoop van een dier de relevante informatie te verstrekken. Omdat een dergelijke bepaling niet controleerbaar is, wordt deze suggestie niet overgenomen.

Ten aanzien van de verplichting dat informatie moet worden gegeven over de kosten die gemoeid gaan met het houden van het gezelschapsdier, werd in de internetconsultatie gevraagd wie bepaalt wat de kosten zijn.

Met de verstrekking van informatie zal een indicatie gegeven moeten worden wat de te verwachten kosten zijn. Een dergelijke indicatie van de kosten die een gezelschapsdier met zich mee brengt is ook opgenomen in voornoemde dierenbijsluiters van het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapdieren.

Bij de verkoop of aflevering van een dier, dient aan de koper of verwerver ook alle relevante informatie worden verstrekt over de gezondheidsstatus van een dier (artikel 3.18). Indien het dieren betreft die in de regel gevaccineerd worden, zoals honden en katten, dient alle relevante informatie met betrekking tot de vaccinatiestatus te worden verstrekt. Is de vaccinatiestatus onbekend, dan dient dat te worden aangegeven. Daarnaast dient de verkoper van een dier ten minste aan te geven in welke gezondheidstoestand het dier bij verkoop verkeert.

Het kan aangewezen zijn om bij de verkoop van een dier tevens informatie te verstrekken over het vóórkomen van mogelijke erfelijke aandoeningen bij het desbetreffende dier zelf of bij het ras waartoe het dier behoort, indien er voldoende en evidente bewijzen bestaan over veel voorkomende problemen bij een ras. Tevens kan het geven van informatie eruit bestaan dat er wordt aangegeven welke mogelijkheden er zijn voor het doen van onderzoek of het dier daadwerkelijk een erfelijke afwijking heeft en welke preventieve maatregelen genomen kunnen worden.

Bij het verpakken van een dier bij verkoop of aflevering kan onnodige benadeling van het welzijn of de gezondheid worden voorkomen door onder andere gebruik te maken van geschikt verpakkingsmateriaal. Ook kan op de verpakking vermeld worden dat zich daarin een levend dier bevindt en welke zijde van de verpakking de bovenzijde is.

Ook het verbod op het verkopen van gezelschapsdieren aan personen jonger dan 16 heeft het voorkomen van impulsaankopen op het oog en bevordert juiste verzorging van dieren.

Dit verbod geldt eveneens voor verkoop en aflevering van dieren op een tentoonstelling, beurs of markt. Het verkoopverbod van artikel 3.19 is mede opgenomen ter uitvoering van de Overeenkomst ter bescherming van kleine huisdieren (Trb. 1988, 1). In paragraaf 8.6 van deze toelichting wordt nader ingegaan op deze Overeenkomst.

5.9 Socialisatie

Het is van belang dat er in het kader van de zorg die aan jonge dieren wordt verleend, ook aandacht wordt besteed aan socialisatie, met het oog op hun latere gedrag. Daartoe is in artikel 3.22 een bepaling opgenomen. De verplichting is nieuw ten opzichte van het HKB 1999.

Indien een dier in een inrichting verblijft gedurende de periode waarin het gezelschapsdier het meest ontvankelijk is voor socialisatie, wordt zorg gedragen voor socialisatie. Dit is voor pas geboren en jonge dieren één van de belangrijkste perioden in het leven dat het dier waarin het voor socialisatie ontvankelijk is.

Socialisatie houdt in dat dieren soorteigen gedrag en aanpassingsmogelijkheden aan houderij-omstandigheden leren en kunnen tonen. Daarnaast is het van belang dat dieren ook wennen aan mensen en hun aanwezigheid. Dit laatste is ook het geval ten aanzien van soortgenoten en relevante andere diersoorten.

Het leren van soorteigen gedrag vindt vooral plaats in contact met het moederdier en de nestgenoten. Indien een dier al op jonge leeftijd gescheiden wordt van het moederdier, is aandacht voor voldoende interactie met soortgenoten belangrijk om gedragsproblemen in de toekomst te voorkomen.

Socialisatie houdt ook in dat dieren gewend raken aan de aanwezigheid van mensen en menselijk gedrag alsook aan andere relevante gezelschapsdieren. Met hierop gericht handelen kunnen dieren hiermee bekend worden gemaakt en hieraan wennen. Voor een hond die bijvoorbeeld in een gezin met kinderen zal gaan leven, is het van belang dat hij in de socialisatiefase al leert om te gaan met kinderen. Voorts zal ook gedrag bij het dier moeten worden ontwikkeld dat is aangepast aan houderij-omstandigheden, bijvoorbeeld ten aanzien van huisvesting, en is het van belang dat een dier gewend raakt aan bij houderij-omstandigheden behorende omgevingsprikkels, zoals het verkeer.

Deze bepaling is vooral belangrijk voor honden en katten, maar ook voor andere veel gehouden diersoorten als konijnen en papegaai-achtigen is aandacht voor socialisatie van belang. Een goede begeleiding van het socialisatieproces voorkomt in belangrijke mate dat dieren op een later moment onaangepast gedrag, stress en angst als tekenen van verminderd welzijn vertonen of zelfs agressief gedrag ontwikkelen.

De lengte van de socialisatieperiode is per diersoort verschillend en kan ook binnen diersoorten enigszins variëren. Voor honden ligt de ontvankelijke periode voor socialisatie globaal binnen de twee eerste levensmaanden. Maar ook daarna is aandacht voor socialisatie van belang. Houders die dieren uit een inrichting betrekken zullen daar ook aandacht aan moeten besteden. Zij kunnen daartoe bijvoorbeeld daarop gerichte cursussen volgen.

Niet alle dieren die als gezelschapsdier worden gehouden, zijn overigens even ontvankelijk voor socialisatie. Ook kan socialisatie, afhankelijk van de soort, weinig effect op hun gedrag hebben en bij sommige diersoorten zelfs minder wenselijk zijn. Vissen kunnen en hoeven niet gesocialiseerd worden in de mate waarin dat bij honden en katten plaatsvindt; bij veel reptielen en amfibieën is dat ook niet wenselijk of mogelijk, al is ook voor deze dieren gewenning aan bijvoorbeeld het schoonmaken van het hok of het plaatsen van voer in het hok op een wijze die niet tot stress of gedragsproblemen leidt wel van belang. De in dit artikel opgenomen verplichting dient zodanig te worden opgevat.

6 Aspecten van regeldruk

6.1 Algemeen

Met dit wijzigingsbesluit worden niet alleen bestaande verplichtingen uit het HKB 1999 omgezet in doelvoorschriften. Ook wordt de werkingssfeer van dat besluit verbreed naar andere categorieën dieren. Daarnaast worden nieuwe voorschriften geïntroduceerd, onder andere ter zake van fokkerij en socialisatie.

Dit wijzigingsbesluit heeft een toename van de administratieve lasten en de nalevingkosten voor het bedrijfsleven tot gevolg. In totaal levert dit besluit een eenmalige stijging op van de administratieve lasten van € 32.000. De structurele administratieve lasten nemen toe met € 568.000. De eenmalige toename van de nalevingskosten bedraagt € 2.904.000 en de structurele toename van de nalevingskosten bedraagt € 1.344.000.

De administratieve lasten zijn weergegeven in onderdeel 6.2 en de nalevingskosten in onderdeel 6.3. De weging van alternatieven en overige gevolgen voor het bedrijfsleven komen in onderdeel 6.4 aan de orde.

Artikel 3.4 richt zich tot een ieder die met gezelschapsdieren fokt, al dan niet bedrijfsmatig. Paragraaf 3.2 van dit besluit heeft de volgende normadressanten: handelaren, detailhandelaren, fokkers, houders van kennels, pensions en asielen. Het HKB 1999 was van toepassing op dezelfde categorieën, maar beperkte zich tot bedrijfsmatige activiteiten met honden en katten. Het betreft hier primair midden- en kleinbedrijven. Alleen artikel 3.4 heeft gevolgen voor de regeldruk voor burgers. In onderstaande tabel is per categorie aangegeven hoeveel bedrijven er in Nederland, naar schatting, zijn.

schematisch overzicht categorieën

Soort bedrijven onder HKB 1999

Aantallen

Bron gegevens

Fokkers hond

1.600

Raad voor Dierenaangelegenheden «Feiten en cijfers» 2006

Fokkers kat

125

Raad voor Dierenaangelegenheden «Feiten en cijfers» 2006

detailhandel hond en kat

10

Raad voor Dierenaangelegenheden «Feiten en cijfers» 2006

asielen hond of kat

100

Dierenbescherming

pension hond of kat

400

Dibevo

Subtotaal bedrijven onder HKB 1999

2.235

 

Soort bedrijven onder HKB 1999 met andere dieren1

Aantallen

Bron gegevens

asielen gemengd

50

(50% van 100) Dierenbescherming

pensions gemengd

160

(40 percentage van 400) Dibevo en Dierenbescherming

Subtotaal bedrijven onder HKB 1999

210

 

Soort bedrijven die niet onder HKB 1999 vielen

Aantallen

Bron gegevens

Fokkers/tussenhandel overige gezelschapsdieren

onbekend

 

(groot)handel dieren en gezelschapsdieren

50

Dibevo en Vereniging van im-exporteus van vogels en hobbydieren

detailhandel overige gezelschapsdieren

2.200

Dibevo

asielen overige gezelschapsdieren

125

Dierenbescherming/Universiteit van Utrecht

Subtotaal bedrijven die niet onder HKB 1999 vielen

2.375

 
     

Totaal aantal bedrijven voor paragraaf 3.2 van dit besluit

4.610

 
     

Tentoonstellingen, beurzen en markten

2.500

Raad voor Dierenaangelegenheden «Feiten en cijfers» 2006

Overige fokkers bedoeld in artikel 3.4

Onbekend

 
X Noot
1

Er zijn bedrijven die onder het HKB 1999 vallen en daarnaast ook activiteiten verrichten met andere dieren. Bijvoorbeeld zijn er dierenasielen voor honden en katten, die ook konijnen opvangen. Op basis van paragraaf 3.2 moeten de activiteiten met in dit geval konijnen ook aangemeld worden.

6.2 Administratieve lasten

Uit de wijziging van artikel 3.4 vloeien geen administratieve lasten voort.

De administratieve lasten die samenhangen met paragraaf 3.2 van dit besluit vloeien voort uit de volgende onderwerpen:

  • a. aanmeldingsverplichting, bedoeld in artikel 3.8 en 3.9;

  • b. administratieverplichting, bedoeld in artikel 3.10;

  • c. verplichtingen over het bewijs van inenting honden en katten (artikelen 3.10 en 3.15)

  • d. toezicht.

a. aanmeldingsverplichting (artikel 3.8 en 3.9)

In het eerste jaar dat paragraaf 3.2 van kracht is, zullen de administratieve lasten hoger zijn dan in de volgende jaren. Dit wordt veroorzaakt door het aantal inrichtingen dat zich in het eerste jaar moet aanmelden. Het gaat hierbij om 2.585 bedrijven. Dit zijn de inrichtingen die deels onder het HKB 1999 vielen (210 bedrijven) en alle bedrijven die niet onder het HKB 1999 vielen (2.375 bedrijven).

De aanmelding, het opsturen van de vereiste gegevens en het doorgeven van wijzigingen veroorzaken in het eerste jaar een administratieve last van € 41.000. Dit is een eenmalige stijging van € 32.000. In de daaropvolgende jaren zal de structurele administratieve last voor het aanmelden, verwerken van administratiekosten en doorgeven van wijzigingen € 8.200 bedragen.

Voor de organisatoren van tentoonstellingen, beurzen en markten, ongeveer 2.500 per jaar, geldt dat per keer een aanmelding verplicht wordt. Hierdoor ontstaan structurele administratieve lasten van € 15.000.

b. administratieverplichting (artikel 3.10)

Artikel 3.10 bevat de plicht om in een inrichting een deugdelijke administratie te houden met daarin onder andere de gegevens van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn. Deze plicht is van toepassing op alle inrichtingen waarop paragraaf 3.2 van toepassing is. Deze verplichting is niet van toepassing op inrichtingen met honden, indien deze honden al overeenkomstig het Besluit identificatie en registratie van dieren zijn geregistreerd. Hiermee wordt voorkomen dat de beheerder of de verantwoordelijke van de inrichting twee keer gegevens moet registreren.

Er zijn in totaal ongeveer 4.600 inrichtingen. De administratieve lasten nemen als gevolg van de administratie- en bewaarplicht voor deze inrichtingen structureel toe met € 568.000.

c. verplichtingen over het bewijs van inenting honden en katten (artikel 3.10 en 3.15, onderdeel b)

De structurele administratieve last voor het opnemen en bewaren van het bewijs van inenting van honden en katten bestond reeds op basis van het HKB 1999. Deze structurele administratieve last bedraagt € 167.000 en heeft betrekking op circa 2.235 bedrijven. Omdat deze last al bestond als gevolg van het HKB 1999, is er met dit besluit geen sprake van een toename.

d. toezichtslasten

In hoofdstuk 7 van deze nota van toelichting wordt ingegaan op de organisaties die toezicht houden op dit besluit. Deze organisaties veroorzaken toezichtslasten. Voor bedrijven die niet of deels onder het HKB 1999 vielen (2.585 bedrijven) is sprake van een toename van de toezichtslasten. Dit leidt tot een toename van de lasten met € 19.000. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een inspectie gemiddeld vier uur kost.

Bij deugdelijke zelfregulering (certificering) kan met minder inspectieonderzoeken per bedrijf worden volstaan en kunnen de toezichtslasten mogelijk dalen.

6.3 Nalevingskosten

Middelvoorschriften uit het HKB 1999 die zijn vervangen door doelvoorschriften leveren voor de partijen die onder de werking van het Honden- en Kattenbesluit 1999 vielen geen (nieuwe) nalevingskosten op. Voor andere partijen en andere normen hangt het optreden van en de hoogte van nalevingskosten af van de situatie in de huidige gemiddelde praktijk. Naar verwachting leveren alleen de normen over de vakbekwaamheid, de quarantaine, het opstellen van een gezondheidsprotocol en de informatieverplichting nalevingskosten op. De andere verplichtingen leiden niet tot nalevingskosten. Dit komt omdat het geen nieuwe verplichtingen zijn, omdat ze afkomstig zijn uit het HKB 1999 of omdat in alle redelijkheid verwacht mag worden dat de gemiddelde huidige praktijk in voldoende mate voldoet aan de norm, zoals het geval is bij socialisatie en het fokbeleid, de zogenoemde bedrijfseigen kosten. Hieronder wordt tevens ingegaan op de nalevingskosten voor organisatoren van tentoonstellingen, beurzen of markten.

a. Vakbekwaamheid (artikel 3.11)

Beheerders van inrichtingen dienen in het bezit te zijn van een bewijs van vakbekwaamheid. Voor honden- en kattenfokkers, pension- en asielbeheerders en detail- en groothandel – voor zover zij handelen in honden en katten – betreft dit geen nieuwe norm. Voor fokkers van overige gezelschapsdieren, pensions en asielen voor overige gezelschapsdieren en groot- en detailhandelaren in overige dieren is het halen van een bewijs van vakbekwaamheid een nieuwe norm. De eenmalige toename van de nalevingskosten voor het behalen van een bewijs van vakbekwaamheid komt in totaal neer op € 2.262.000. Dit bedrag is gebaseerd op 2.585 bedrijven. Het behalen van een bewijs van vakbekwaamheid kost gemiddeld € 875. Dit bedrag is gebaseerd op kosten van bestaande cursussen bij AOC’s en LOI en de kosten voor een EVC traject. EVC staat voor Erkenning Verworven Competenties. In de berekening is rekening gehouden met kennis, ervaring en competenties in de praktijk waar de beheerder die al enige tijd werkzaam is in de desbetreffende branche in meer of mindere mate over beschikt. Dit leidt in de regel tot een verkort en daardoor goedkoper opleidingstraject.

b. Ruimtes voor huisvesten en verzorgen van zieke dieren (artikel 3.13)

Een inrichting moet beschikken over drie ruimtes voor het huisvesten en verzorgen van zieke dieren, dan wel de mogelijkheid om deze indien nodig direct in te kunnen richten. De ruimtes waarover een inrichting moet (kunnen) beschikken betreffen een quarantaineruimte, een isolatieruimte en een ruimte voor dieren die ziek zijn.

Voor asielen voor honden en katten gold op grond van het HKB 1999 al de verplichting om een quarantaineruimte te hebben; voor fokkers en pensions voor honden en katten niet. Ook moesten asielen, fokkers, pensions en de groot- en detailhandel in honden en katten op grond van het HKB 1999 al een ruimte inrichten voor niet-besmettelijke zieke dieren.

Voor de sectoren die nieuw onder paragraaf 3.2 van dit besluit vallen is er sprake van een nieuwe norm. Verwacht wordt dat daar waar meerdere dieren samen bedrijfsmatig gehouden worden de inrichting vanuit het eigen bedrijfsbelang reeds voldoet aan de eisen over het huisvesten van zieke of van ziekte verdachte dieren, dan wel middels zeer beperkte investeringen kan voldoen. Er is dus bij een groot aantal bedrijven sprake van bedrijfseigen kosten. Mede ook omdat reeds bestaande ruimten voor huisvesting gebruikt kunnen worden voor dit doel. Omdat onvoldoende zicht is op de bestaande gemiddelde huidige praktijk wordt rekening gehouden met de eenmalige toename van de nalevingskosten met € 555.000. Dit bedrag is berekend uitgaande van de helft van het aantal bedrijven dat gemiddeld een bedrag van € 400 nodig heeft om aan deze norm te voldoen. Dit gemiddelde bedrag is gebaseerd op een inschatting van de kosten voor het inrichten van een quarantaineruimte door de Dibevo.

c. Opstellen gezondheidsprotocol (artikel 3.14)

In een inrichting moet gebruik worden gemaakt van een gezondheidsprotocol. Dit is een verplichting die op alle inrichtingen van toepassing is, dat zijn dus 4.600 inrichtingen. De inschatting is dat 80% van deze inrichtingen al voldoet aan deze norm. De in artikel 3.14, eerste lid, omschreven activiteiten mogen als een vanzelfsprekend onderdeel van een normale bedrijfsvoering worden beschouwd. Daarvan uitgaande wordt de eenmalige toename van de nalevingskosten geschat op € 86.000.

d. Het verstrekken van schriftelijke informatie aan de koper van dieren en verstrekken van alle beschikbare informatie over de gezondheidsstatus van het dier (artikel 3.17 en 3.18)

Aan de koper van een dier dient informatie te worden verstrekt over de verzorging, huisvesting, en gedrag van het dier en kosten die gemoeid gaan met het houden van het dier. Daarnaast dient de beschikbare informatie over de gezondheidsstatus van het dier te worden verstrekt.

Het betreft hier een nieuwe norm voor alle categorieën. In de gemiddelde huidige praktijk zal al in meer of mindere mate de vereiste informatie verstrekt worden bij de verkoop van een dier. Er wordt van uit gegaan dat de informatie over de gezondheidsstatus van een dier in de gemiddelde huidige praktijk wordt verstrekt. Voor het verstrekken van schriftelijke informatie over de verzorging, huisvesting en het gedrag van het dieren is voldoende gratis materiaal digitaal beschikbaar welke uitgeprint en verstrekt kan worden, bijvoorbeeld via de brancheorganisaties of het Landelijk Informatie Centrum Gezelschapsdieren. De gemiddelde kosten hoeven per verkocht dier niet meer dan € 0,20 (kosten voor een print of kopie) te bedragen. Uitgaande van ruim 3 miljoen verkochte dieren per jaar leidt deze verplichting tot een structurele toename van de nalevingskosten van € 681.000.

e. Tentoonstellingen, beurzen en markten

Aan de bedrijfsmatige handel op tentoonstellingen, beurzen en markten, wordt een aantal eisen gesteld. De organisator moet zorgen voor de aanwezigheid van een vakbekwaam persoon (artikel 3.11, vierde lid). Ook moet degene die het evenement organiseert, zorgen voor goede huisvesting (artikel 3.12, derde lid). Tevens moet zorg worden gedragen voor een veterinaire gezondheidscontrole (artikel 3.14, zesde lid).

De eisen die aan een goede huisvesting zijn gesteld, zijn zogenoemde bedrijfseigen kosten. Een organisator van een tentoonstelling, beurs of markt zorgde ook voordat deze verplichting gold, veelal al voor geschikte huisvesting of voorschriften daartoe voor exposanten. Uit deze plicht vloeien derhalve geen nalevingskosten voort.

De eis dat de organisator voor de aanwezigheid van een vakbekwaam persoon moet zorgen is nieuw, een dergelijke verplichting is nu niet gebruikelijk op een tentoonstelling, beurs of markt. Een deel van de aanwezigen op een tentoonstelling, beurs of markt, degenen die bedrijfsmatige activiteiten in de zin van paragraaf 3.2 van dit besluit ontplooien, zal al vakbekwaam zijn. Zij dienen op grond daarvan al een bewijs van vakbekwaamheid te bezitten om als beheerder op een inrichting werkzaam te kunnen zijn (artikel 3.11, eerste lid). Het organiseren van de aanwezigheid van een vakbekwaam persoon op een tentoonstelling, beurs of markt, zal derhalve niet voor grote problemen hoeven zorgen. Ook uit deze verplichting vloeien geen nalevingskosten voort. De Dibevo deed zelf ook een voorstel om als voorwaarde aan een tentoonstelling, beurs of markt de eis op te leggen van de aanwezigheid van een vakbekwaam persoon.

De veterinaire controle (artikel 3.14, zesde lid) is een nieuwe eis. Het betreft het individueel keuren van dieren voordat ze de toegang krijgen tot een tentoonstelling, beurs of markt. Voor honden en katten is het op tentoonstellingen nu veelal al gebruikelijk dergelijke controles uit te voeren. Dit wordt door de organisaties zelf geregeld. Voor andere dieren dan honden en katten is de inschatting dat dit op tentoonstellingen en beurzen veel minder gebruikelijk is. Er vloeien daarom nalevingskosten voort uit deze voorwaarde.

Omdat over de huidige situatie geen cijfers beschikbaar zijn, is het lastig een reële inschatting te maken van de nalevingskosten die deze nieuwe eis met zich meebrengt. De inschatting is dat een organisator ongeveer dertig minuten per beurs of tentoonstelling nodig heeft om veterinaire deskundigen voor ingangscontrole te regelen. Dit leidt tot structurele nalevingskosten van € 46.000. Voor de handelaren op beurzen, tentoonstellingen en markten die hun dieren deze veterinaire toegangscontrole moet laten ondergaan, leidt deze verplichting ook tot nalevingskosten. Uitgaande van een gemiddeld aantal dieren dat per tentoonstelling, beurs of markt, door bedrijfsmatige handelaren wordt aangeleverd, is de inschatting dat dit leidt tot een structurele nalevingslast van € 617.000 voor bedrijfsmatige handelaren.

6.4 Alternatieven, buitenlandtoets, sociaal economische effecten en nationale regelgeving

Bij de keuze voor de aanmeldingsplicht is het alternatief van een vergunningplicht onderzocht.

De aanmeldingsplicht is minder belastend voor het bedrijfsleven, het grensoverschrijdende handelsverkeer en de overheid dan de vergunningplicht. Er is daarom gekozen voor de aanmeldingsplicht. De aanmeldingsplicht is noodzakelijk voor het toezicht op de naleving van dit besluit.

Regels voor de huisvesting en de verzorging zijn ter bescherming van het welzijn en de gezondheid van gezelschapsdieren bij bedrijfsmatige activiteiten noodzakelijk. Bij de keuze voor het stellen van deze regels is per norm gekeken naar de alternatieven in de vorm van ofwel middelvoorschriften ofwel doelvoorschriften. Alleen voor het normeren van de aanmelding, de vakbekwaamheid van de beheerder en de verplichte entingen voor honden en katten is besloten tot middelvoorschriften. Doelvoorschriften lenen zich niet voor een aanmeldprocedure. Ten aanzien van de vakbekwaamheid en de verplichte entingen voor honden en katten worden middelvoorschriften noodzakelijk geacht in het belang van het welzijn en de gezondheid van deze gezelschapsdieren en daarmee is tevens explicieter gemaakt ten aanzien van deze onderwerpen dat minimaal het niveau van het HKB 1999 gehandhaafd zal worden. Voor de overige normen over de verzorging, huisvesting en gezondheid van de dieren is voor doelvoorschriften gekozen. Doelvoorschriften hebben de voorkeur omdat bedrijven hiermee zoveel mogelijk ruimte wordt geboden om hun bedrijfsvoering zelf, binnen de normen, in te vullen en daardoor minder lasten opleveren.

Paragraaf 3.2 van het besluit is van toepassing op in Nederland gevestigde inrichtingen. Er bestaat geen export van dieren vanuit asielen en pensions. Door groothandelaren in gezelschapsdieren vindt er wel een omvangrijke export plaats. Deze dieren worden met name naar België, Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Spanje en Italië geëxporteerd en daarnaast naar het Midden Oosten, Australië, Rusland en Noord-Amerika.

Dibevo heeft aangegeven dat paragraaf 3.2 van het besluit de im- en export als zodanig nauwelijks of niet raakt en daar dus geen effect op heeft. Ook de Vereniging van import- en exporteurs van Vogels en Hobbydieren geeft aan dat de invloed op de export mee zal vallen. Gebaseerd op de verwachtingen van de sector, wordt dan ook verwacht dat de nieuwe normen geen gevolgen hebben voor de concurrentiepositie in Nederland en in het buitenland van in Nederland gevestigde inrichtingen die onder de werking van paragraaf 3.2 van dit besluit vallen.

Voor dit besluit bestaat geen Europeesrechtelijke grondslag. Het is nationale regelgeving met het doel dierenwelzijn te borgen.

7 Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Bij ministeriële regeling worden de kosten voor de aanmelding van een inrichting bij de minister van EZ door de overheid doorberekend aan de melder. De grondslag voor deze doorberekening is gelegen in artikel 9.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.

De ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) zijn belast met de opsporing van overtredingen van dit besluit. Daarnaast beschikken ook inspecteurs van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming over opsporingsbevoegdheid voor overtredingen van dit besluit. Datzelfde geldt voor de Inspectiedienst Gezelschapsdieren, de politie en bepaalde buitengewone opsporingsambtenaren van gemeenten.

Ingevolge artikel 8.1 van de Wet dieren is een aantal ambtenaren aangewezen als toezichthouder. Op artikel 3.4 en paragraaf 3.2 van dit besluit houden de ambtenaren van de NVWA toezicht. Ook de inspecteurs van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming worden aangewezen als toezichthouder voor een aantal onderdelen van dit besluit. Het gaat hierbij onder andere om het houden van toezicht op de verzorging en de huisvesting van dieren (artikel 2.2 Wet dieren). In het convenant samenwerking dierenhandhaving zijn afspraken opgenomen over de taken van de NVWA en de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming en de samenwerking tussen deze organisaties3.

Overtredingen van de artikelen van dit besluit zijn strafrechtelijk handhaafbaar. De overtreding van een aantal voorschriften vindt plaats op basis van de Wet op de economische delicten (WED). Deze zijn in de volgende categorieën verdeeld:

  • 1. Overtreding van voorschriften gesteld krachtens artikel 2.8, vierde lid, onderdeel a, van de Wet dieren is aangemerkt als economisch delict als bedoeld in artikel 1, onderdeel 1°, van de WED. Hierbij bestaat het hoogste risico voor de volksgezondheid en diergezondheid. In geval van opzet kan bij overtreding ten hoogste een categorie van de vijfde categorie worden opgelegd (thans € 78.000 of een gevangenisstraf van zes jaar). Bij ontbreken van opzet is de maximumstraf een boete van de vierde categorie (thans € 19.500) of een gevangenisstraf van één jaar. Het gaat om overtreding van artikel 3.15 van het besluit over de verplichting tot inenten.

  • 2. Overtreding van voorschriften gesteld krachtens de artikelen 2.2, tiende lid, onderdelen onderdelen f, m, n, p, l en k, en 2.7, tweede lid, eventueel in samenhang met artikel 7.5, derde lid, van de Wet dieren zijn aangemerkt als economisch delict als bedoeld in artikel 1, onderdeel 2°, van de WED. Overtreding levert ten hoogste een boete op van de vierde categorie (thans € 19.500) of een gevangenisstraf van twee jaar in geval van opzet en in andere gevallen zes maanden. Het gaat hierbij om overtreding van het verbodsartikel uit 3.6 van het besluit, voor zover het gaat om de activiteiten verkopen, ten verkoop in voorraad hebben of afleveren betreft, de eisen aan tentoonstellingen, beurzen of markten (artikelen 3.8, vijfde lid, 3.11, vierde lid, 3.12, derde lid, 3.14, zesde lid, van het besluit), administratieplicht (artikel 3.10 van het besluit), eisen over vakbekwaamheid (artikel 3.11 van het besluit), eisen over gezondheid (artikel 3.14 van het besluit), eisen over inenting (3.15 van het besluit), eisen over informatieverstrekking (artikel 3.17 en 3.18 van het besluit), verkoopverbod aan personen onder de zestien jaar (artikel 3.19 van het besluit) en eisen aan verpakking (artikel 3.20).

  • 3. Overtreding van voorschriften gesteld krachtens artikel 2.6, tweede lid, eventueel in samenhang met artikel 7.5, derde lid, van de Wet dieren, is aangemerkt als economisch delict als bedoeld in artikel 1, onderdeel 4°, van de WED. De maximumstraf bedraagt in dit geval een gevangenisstraf van zes maanden of een boete van de vierde categorie (thans € 19.500). Het gaat hierbij om de overtredingen van de artikelen 3.4 en 3.6 van het besluit, voor zover het de activiteit fokkerij betreft.

Voorts zijn een aantal artikelen aangewezen als strafbaar feit op grond van artikel 8.11 van de Wet dieren. Hierop is het commune strafrecht en strafprocesrecht, neergelegd in het Wetboek van Starfrecht en het Wetboek van Strafvordering, van toepassing. Als overtreding worden in het tweede lid van artikel 8.11 van de wet onder andere als overtreding aangewezen de regels gebaseerd op artikel 2.2, tiende lid, onderdelen b, c, d en r. Dit betreft eisen aan behandeling, verzorging en huisvesting van dieren. De maximumstraf voor deze delicten is een gevangenisstraf van zes maanden en een boete van de derde categorie (thans € 7.800). Het gaat hierbij om overtreding van artikel 3.6 van het besluit, voor zover het gaat om de activiteit houden ten behoeve van opvang, eisen aan huisvesting en verzorging (artikelen 3.12, 3.13, 3.16, 3.21, 3.23 van het besluit), eisen aan gezondheid (artikel 3.14 van het besluit), en eisen aan socialisatie (artikel 3.22 van het besluit).

Naast strafrechtelijke handhaving zal bestuursrechtelijke handhaving mogelijk zijn door middel van toepassen van een last onder bestuursdwang dan wel een last onder dwangsom. Met de Wet dieren kan niet-naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften tevens worden bestraft met een bestuurlijke boete. In het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren zijn de categorieën ingesteld voor de bestuurlijke boete. Bij ministeriële regeling op grond van dit voornoemde besluit zal de indeling voor overtredingen van de normen uit het Besluit houders van dieren nader worden uitgewerkt.

De handhaving van de doelvoorschriften vergt een andere werkwijze van de handhavende instanties dan de handhaving van de middelvoorschriften van het HKB 1999. De handhavende instanties zullen meer dan nu het geval is, aan de hand van de omstandigheden van het geval een inschatting moeten maken of de bepalingen van dit besluit overtreden worden. Om enige richting te geven aan de open normen van dit besluit zullen tevens richtsnoeren worden opgesteld.

Drie jaar na inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit zal dit besluit geëvalueerd worden. Deze suggestie van de Dierenbescherming is overgenomen.

8. Overige onderwerpen

8.1 Verhouding met de Wet op de dierproeven

In artikel 10.6 van de Wet dieren is de afbakening met de Wet op de dierproeven (hierna: WOD) opgenomen. Deze afbakening bestaat eruit dat de bij of krachtens de Wet dieren gestelde bepalingen niet treden in hetgeen bij of krachtens de WOD is bepaald. De in de Wet dieren opgenomen afbakening heeft tot consequentie, dat als de WOD voorschriften bevat omtrent gedragingen die ook in het kader van de Wet dieren zijn gereguleerd, de Wet dieren niet van toepassing is. Dit betreft zowel gedragingen die onderdeel zijn van de dierproef als gedragingen waarvoor bij of krachtens de WOD specifieke voorschriften zijn gesteld.

Een uitzondering op deze hoofdregel geldt evenwel voor onder meer de krachtens de artikelen 2.2 en 2.6 van de wet gestelde voorschriften. Deze voorschriften zijn op grond van voornoemd artikel 10.6 onverminderd van kracht. Genoemde artikelen handelen over het houden en fokken van dieren en vormen mede de basis voor het onderhavige wijzigingsbesluit.

De WOD en de daarop gebaseerde voorschriften bevatten echter naast bepalingen over de toelaatbaarheid en de wijze van uitvoering van een dierproef ook voorschriften over huisvesting, verzorging, houden en fokken van proefdieren buiten de proefsituatie. Ook zijn voorschriften opgenomen over de scholing van het personeel dat deze dieren in die inrichtingen verzorgt. Deze voorschriften zien op proefdieren die aanwezig zijn zowel in de inrichtingen waar de proeven worden verricht als in de fok- of toeleveringsinstellingen en strekken ter uitvoering van richtlijn 2010/63/EU. In deze richtlijn zijn onder meer specifieke bepalingen opgenomen over de huisvesting en verzorging van dieren die in inrichtingen verblijven van waaruit dieren worden betrokken door instellingen die dierproeven verrichten. Teneinde dubbele normstelling te voorkomen, is in artikel 1.2 van het Besluit houders van dieren opgenomen dat de voorschriften uit het onderhavige besluit niet van toepassing zijn op dieren waarop dierproeven worden verricht overeenkomstig het bij of krachtens de WOD bepaalde.

De richtlijn wordt momenteel geïmplementeerd door middel van een wijziging van de WOD en daarop gebaseerde regelgeving.

8.2 Verhouding met de Flora- en faunawet

Gezelschapsdieren waarop paragraaf 3.2 van dit besluit van toepassing is, kunnen tevens aangewezen zijn als beschermde inheemse of uitheemse soorten op grond van de Flora- en faunawet. De Flora- en faunawet stelt, net als paragraaf 3.2 van dit besluit, eisen aan onder andere het kopen, verwerven, verkopen en onder zich houden van deze soorten (artikel 13 Flora- en faunawet). De Flora- en faunawet blijft onverminderd gelden voor dieren die onder de werking van dit besluit vallen en tevens beschermde soorten zijn. Er kunnen ten aanzien van deze dieren dus twee regimes van toepassing zijn.

8.3 Verhouding met de Wet bescherming persoonsgegevens

Op grond van de artikelen 3.8 en 3.10 van het besluit wordt een verplichting vastgelegd tot het verstrekken van persoonsgegevens. In verband daarmee moet aan de Wet bescherming persoonsgegevens worden voldaan om te waarborgen dat het recht op de bescherming van persoonsgegevens niet in gevaar komt.

De aard van de inmenging in het recht op de bescherming van persoonsgegevens, voor zover daarvan sprake is, bestaat uit het beschikbaar moeten stellen van gegevens ten behoeve van de aanmelding van de inrichting (artikel 3.8) of ten behoeve van de administratieplicht van inrichtingen (artikel 3.10).

De grondslag voor het verstrekken van gegevens op grond van artikel 3.8 van dit besluit is gelegen in artikel 2.2, 2.6 en 2.7 van de Wet dieren. De minister van EZ is de verantwoordelijke in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens. Deze gegevens worden vastgelegd om te weten wie activiteiten uitvoert met gezelschapsdieren. Deze verwerking is gerechtvaardigd met het oog op dierenwelzijn.

Op grond van artikel 3.10 moet degene die verantwoordelijk is voor de inrichting een administratie bijhouden. Daarin moeten onder andere de gegevens worden opgenomen van degene van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn. De wettelijke grondslag voor deze inmenging zijn de artikelen 2.2, 2.6 en 2.7 van de Wet dieren. De verantwoordelijke voor de inrichting is de verantwoordelijke in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens. Deze gegevens worden vastgelegd omdat handelsstromen gecontroleerd moeten kunnen worden. Deze verwerking is gerechtvaardigd met het oog op dierenwelzijn.

8.4 Verhouding met de Europese transportverordening

In hoofdstuk 4.3 van deze nota van toelichting is aangegeven dat dit wijzigingsbesluit onder meer niet van toepassing is op hondenuitlaatservices. Hondenuitlaatservices moeten voor het vervoeren van dieren wel voldoen aan de Europese Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU L 79).

8.5 Verhouding met het Besluit identificatie en registratie van dieren

In het HKB 1999 was voorzien in voorschriften inzake de identificatie en registratie van honden en katten die bedrijfsmatig verkocht, ten verkoop in voorraad, afgeleverd of gehouden worden ten behoeve van opvang, of waarmee bedrijfsmatig gefokt wordt ten behoeve van de verkoop of aflevering van de nakomelingen.

Onderhavig besluit regelt geen verplichtingen met betrekking tot identificatie en registratie van honden. Dit is geregeld in het Besluit identificatie en registratie van dieren. Het identificatie nummer van de hond zal op het bewijs van inenting dienen te worden geplaatst. In artikel 3.10, vijfde lid, is geregeld dat er geen administratie hoeft te worden bijgehouden indien er in de inrichting honden worden gehouden ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten en voor zover deze honden al overeenkomstig het Besluit identificatie en registratie van dieren geregistreerd zijn.

8.6 Internationale aspecten

a. Vrij verkeer van goederen en notificatie als technisch voorschrift

Nagegaan is of paragraaf 3.2 van het besluit verenigbaar is met artikel 34 en 35 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op grond waarvan kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten verboden zijn. Het gaat hierbij specifiek om de eisen die worden gesteld aan de verkoop en handel in gezelschapsdieren.

Of sprake is van een ongeoorloofde invoerbeperking dient te worden bepaald langs de lijn van de in jurisprudentie van het Hof van Justitie ontwikkelde criteria (waaronder de zogenoemde «rule of reason»). Geoordeeld is dat dat niet het geval is. Paragraaf 3.2 van het besluit is van toepassing op ondernemers die zich in Nederland willen vestigen. Dit met uitzondering van degene die deelnemen aan tentoonstellingen, beurzen of markten of deze organiseren, zonder in Nederland gevestigd te zijn. De eisen die aan in Nederland gevestigde inrichtingen worden gesteld zijn te rechtvaardigen uit het oogpunt van diergezondheid en dierenwelzijn. De eisen gelden voorts zonder onderscheid voor nationale en ingevoerde dieren en worden niet onevenredig belastend voor het goederenverkeer geacht. De eisen zijn voorts proportioneel. Zoals in hoofdstuk 3 van de nota van toelichting is aangegeven is het stellen van regels nodig om te voorkomen dat dieren te zeer nadelen ondervinden van de gevolgen van de handel in dieren. Per onderwerp, bijvoorbeeld ten aanzien van de huisvesting, verzorging en eisen aan de verkoop en aflevering, is telkens afgewogen of de regels niet verder gaan dan strikt noodzakelijk. Ook wordt in dit kader gewezen op hoofdstuk 6.4 van deze nota van toelichting waarin ingegaan is op de alternatieven die zijn onderzocht.

Lidstaten van de EU moeten op grond van het Europese Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie producten op hun grondgebied toelaten die afkomstig zijn uit andere lidstaten. Nu Nederland eisen stelt aan de handel in gezelschapsdieren, wordt deze handel potentieel belemmerd. Dit besluit vormt daarom een technisch voorschrift in de zin van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204).

De technische voorschriften zijn opgenomen in de artikelen 3.6 tot en met 3.23. Er worden geen nationaliteitseisen gesteld. De eisen zijn te rechtvaardigen uit het oogpunt van diergezondheid en dierenwelzijn.

Het ontwerpbesluit is op 22 januari 2014 gemeld aan de Commissie van de Europese Unie ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van die richtlijn (notificatienummer 2014/040/NL). Er zijn geen reacties ontvangen. De standstilltermijn die samenhangt met beide notificatieprocedures is verlopen op 23 april 2014.

b. Dienstenrichtlijn

Het houden ten behoeve van opvang van gezelschapsdieren is een dienst die onder de richtlijn 2006/123/EG van 12 van het Europese parlement en de raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (dienstenrichtlijn) valt. Artikel 3.19 stelt eisen aan deze dienst, meer in het bijzonder aan de eisen van vestiging op grond van de dienstenrichtlijn. Getoetst is of de eisen die worden gesteld aan degene die deze dienst verricht, onder andere het voorafgaand aan het verrichten van de diensten registreren van de inrichting, in strijd zijn met voorschriften van deze richtlijn.

Van discriminatie naar nationaliteit is ingevolge het onderhavige besluit geen sprake. Zo wordt bij de aanmelding van inrichtingen geen onderscheid gemaakt tussen de Nederlandse en buitenlandse aanmelders van inrichtingen. De eisen die worden gesteld zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang, namelijk de waarborging van diergezondheid en dierenwelzijn. Tevens zijn de eisen geschikt om het doel te bereiken en gaan ze niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken. In dat verband wordt gewezen op hoofdstuk 3 van deze nota van toelichting waarin ingegaan is op de noodzakelijkheid om eisen te stellen over de opvang van dieren. Ook wordt gewezen op hoofdstuk 6.4 waarin ingegaan is op alternatieven.

Notificatie op grond van de dienstenrichtlijn is niet noodzakelijk, omdat dit besluit geen eisen stelt zoals opgenomen in artikel 15, tweede lid, van de dienstenrichtlijn.

De eisen die gesteld worden aan het houden ten behoeve van opvang zijn opgenomen in de artikelen 3.6 tot en met 3.10, 3.12 tot en met 3.14, 3.21, 3.22 en 3.23.

Paragraaf 3.2 van het besluit stelt tevens eisen aan de organisatoren van tentoonstellingen, beurzen en markten, zodat daar dieren mogen worden verhandeld. Ook deze eisen moeten getoetst worden aan de dienstenrichtlijn, meer in het bijzonder aan de eisen van het vrij verrichten van diensten (artikel 15). Van discriminatie naar nationaliteit is ingevolge het onderhavige besluit geen sprake. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen Nederlandse en buitenlandse organisatoren. De eisen die worden gesteld zijn gerechtvaardigd om redenen van openbare orde. Volgens overweging 41 van de dienstenrichtlijn kan het begrip openbare orde ook de bescherming van dierenwelzijn omvatten. In Nederland is verbetering van het dierenwelzijn een belangrijk aandachtspunt in het overheidsbeleid. Daarvan getuigt ook het regeerakkoord «Bruggen slaan».

Tevens zijn de eisen geschikt om het doel te bereiken en gaan ze niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken. Voor een onderbouwing daarvan wordt verwezen naar hoofdstuk 4.3, onderdeel c van deze nota van toelichting. De eisen die aan de organisatoren worden gesteld, zijn genotificeerd bij de Europese Commissie.

De aanmelding van een inrichting en een tentoonstelling, beurs of markt, is geen vergunning in de zin van de dienstenrichtlijn. Er wordt door de Minister van EZ geen besluit genomen naar aanleiding van de aanmelding. Nadat een aanmelding is verricht, mag met de activiteiten worden gestart.

c. Vrijheid van vestiging

Ingevolge paragraaf 3.2 van het besluit is de verkoop van dieren slechts toegestaan, indien die activiteiten worden uitgeoefend in een inrichting en daarvan melding is gedaan. Dit betekent dat ook een buitenlandse verkoper die in Nederland bedrijfsmatig dieren verkoopt, deze activiteiten ingevolge artikel 3.8 en 3.9 in een overeenkomstig de genoemde paragraaf aangemelde inrichting dient te verrichten. Voorts zal ook deze verkoper, gelijk aan de Nederlandse verkoper, aan alle overige voorschriften van paragraaf 3.2 dienen te voldoen.

Van discriminatie naar nationaliteit is geen sprake. Zo wordt bij de aanmelding van inrichtingen geen onderscheid gemaakt tussen de Nederlandse en buitenlandse aanmelders van inrichtingen. Ook de overige verplichtingen zijn zonder onderscheid van toepassing op Nederlanders en buitenlanders die bedrijfsmatig handelen met dieren. Voor wat betreft het voorgeschreven bewijs van vakbekwaamheid zij opgemerkt dat op aanvraag de certificaten zullen worden erkend die door buitenlandse instellingen zijn afgegeven en waarvoor een examen is gevolgd dat gelijkwaardig is aan de in Nederland af te leggen examens, dit alles met inachtneming van de Algemene wet erkenningen EG-beroepskwalificaties. De eisen zijn noodzakelijk met het oog op dierenwelzijn en diergezondheid. De eisen gaan niet verder dan strikt noodzakelijk.

d. Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (TBT)

Het wijzigingsbesluit behoeft geen WTO notificatie omdat geen sprake is van significante handelsbelemmeringen.

e. Overeenkomst ter bescherming van kleine huisdieren (Trb 1988, nr. 1)

De Europese Overeenkomst ter bescherming van kleine huisdieren is door Nederland getekend, maar nog niet geratificeerd. Met dit wijzigingsbesluit wordt een deel van deze Overeenkomst geïmplementeerd. Daartoe is de reikwijdte ten opzichte van het HKB 1999 uitgebreid met de volgende partijen:

  • groot- en detailhandel in dieren,

  • personen die huisdieren fokken, niet beperkt tot honden en katten,

  • personen die een pension hebben met winstoogmerk voor dieren, niet beperkt tot honden en katten,

  • asielen voor huisdieren, niet beperkt tot honden en katten.

Voor deze partijen zal een meldplicht gelden. Tevens moeten deze partijen aantonen dat de voor de dieren verantwoordelijke persoon vakbekwaam is en dat de voorzieningen om dieren te kunnen houden voldoen aan de behoeften van het dier.

Overige regels uit de Overeenkomst zijn geïmplementeerd in bestaande regelgeving. De Overeenkomst zal worden geratificeerd wanneer dit wijzigingsbesluit in werking is getreden. Aan het einde van deze toelichting is een overzicht opgenomen waarin zichtbaar is gemaakt in welke bepalingen van dit besluit en in welke bestaande regelgeving de Overeenkomst wordt of is geïmplementeerd.

9. Ontvangen commentaren

Een ontwerp van dit wijzigingsbesluit is ten behoeve van consultatie geplaatst op de website www.internetconsultatie.nl, toen nog als het Besluit gezelschapsdieren op grond van de GWWD. Tevens is een ontwerp van dit wijzigingsbesluit voor commentaar voorgelegd aan een aantal belanghebbende organisaties. Naast een aantal reacties van particulieren, is van de volgende organisaties een reactie ontvangen: Dierenbescherming, Comité Dierennoodhulp, Certificatiebureau HKB, Stichting Dierentehuis Zoetermeer, Qualitaties Certification BV, Stichting Aap, Hondenbescherming, Inspectiedienst Gezelschapsdieren, Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming, Vereniging Beroepsmatige Kennelhouders, Dibevo, Samenwerkende Aquarium & Terrariumorganisaties, Coalitie Dierenwelzijns Organisaties Nederland, Koningin Sophia-Vereeniging tot Bescherming van Dieren, Kynologen Verbond Nederland, HUS Nederland, Faculteit Diergeneeskunde Universiteit Utrecht, Cursuscentrum dierverzorging Barneveld, Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde, Stichting Dierbaar, Natuur en Recht, Nederlandse Werkgroep voor Hobbymatig gehouden Pluimvee en Parkvogels, Stichting Rechten voor al wat leeft, Vivarium, COM Nederland, Zwolse Vogelmarkt, Platform Verantwoord Huisdierenbezit, Dierenhandel Achterberg, Dier en Recht, Meerzoo, VHM-events, EIM, Aequor, Huisdier Kennis Instituut, Algemene Belangenvereniging voor het Hondentoiletteer Bedrijf en de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding.

Gelet op de grote omvang van de ontvangen reacties, is in deze toelichting een reactie op hoofdlijnen gegeven en is niet op elk commentaar ingegaan. Hieronder wordt in meer algemene zin op enkele onderwerpen ingegaan, met in achtneming van en onder verwijzing naar het in de voorafgaande paragrafen omtrent de commentaren gestelde. Het commentaar op specifieke onderdelen is waar mogelijk meegenomen en verwerkt in ofwel het algemeen deel van deze nota van toelichting ofwel bij de artikelsgewijze toelichting.

9.1 Doelvoorschriften

De Dierenbescherming geeft aan dat de huisvestings- en fokkerijeisen open geformuleerd zijn, zonder voldoende aandacht te besteden aan de praktische gevolgen voor dierenwelzijn. Onder meer het Comité Dierennoodhulp en de stichting Rechten voor al wat leeft, geven aan dat ze de gestelde normen te vaag en te vrijblijvend vinden.

De doelvoorschriften beogen het welzijn van dieren te beschermen, zonder de ondernemers te gedetailleerde voorschriften te willen opleggen. Met doelvoorschriften krijgen ondernemers de ruimte om op een eigen wijze invulling te geven aan de normen overeenkomstig de bedoeling daarvan. Met de doelvoorschriften worden de nalevingskosten beperkt. Dit is een verbetering ten opzichte van het HKB 1999, dat gedetailleerde middelvoorschriften op het terrein van huisvesting, vaccinatie en rapportage bevatte.

Het opstellen van doelvoorschriften heeft daarnaast als voordeel dat het blijvend mogelijk is dat de sector door middel van certificering zelf invulling geeft aan de open normen. Bovendien ontstaat een meer flexibel systeem, waarbij op basis van nieuwe inzichten en kennis over welzijn en gezondheid van gezelschapsdieren, in de tijd de wijze van invulling van de doelvoorschriften kan worden bevorderd.

Enkele organisaties, waaronder de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming, Cursuscentrum dierverzorging Barneveld, Comité dierennoodhulp en de Coalitie Dierenwelzijns Organisaties Nederland, geven aan dat er per diersoort minimumnormen vastgesteld moeten worden ten aanzien van huisvesting en verzorging.

Het is op dit moment ondoenlijk om voor alle dieren deze minimumnormen vast te stellen. Waar nodig kunnen richtsnoeren richting geven, bijvoorbeeld voor de meest gehouden diersoorten.

9.2 Verschil in voorschriften voor honden en katten en andere gezelschapsdieren

Onder andere de Dierenbescherming, Stichting AAP en het Comité Dierennoodhulp stellen dat er een groot verschil is in kwantiteit en kwaliteit van de regels voor honden en katten enerzijds en voor de overige gezelschapsdieren anderzijds.

Omdat het uitgangspunt is dat het minimumniveau van dierenwelzijn, zoals bepaald in het HKB 1999 gehandhaafd blijft, zijn bepalingen uit het HKB 1999 overgenomen in paragraaf 3.2 van het besluit. Dit leidt tot enkele bepalingen die specifiek van toepassing zijn op honden en katten.

Een van de verschillen tussen de bepalingen voor honden en katten en overige gezelschapdieren, is de invulling van het begrip bedrijfsmatigheid. In hoofdstuk 4.2 van deze toelichting is toegelicht waarom het alleen voor honden en katten mogelijk is een getalsmatige duiding te geven wanneer sprake is van bedrijfmatig handelen. Een ander verschil is dat inentingen voor honden en katten verplicht wordt gesteld en niet voor andere gezelschapsdieren. Daarop wordt in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.15 ingegaan. De eis van artikel 3.16 dat een hond dagelijks tijd moet doorbrengen buiten de ruimte waarin hij gehouden wordt, is speciaal voor honden van belang in verband met behoefte aan sociaal contact met andere dieren en bepaalde lichaamsbeweging. Voor alle diersoorten geldt op grond van artikel 3.12, tweede lid, onderdeel b, dat de ruimte aangepast moet zijn aan fysiologische en ethologische behoeften van het dier.

9.3 Certificering

De Dierenbescherming, Certificatiebureau HKB, Qualitaties Cerfification BV, Dierentehuis Zoetermeer, de Hondenbescherming en HUS Nederland geven naar aanleiding van de consultatie hun mening over de keuze van de toenmalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor vrijwillige certificering.

De Hondenbescherming en HUS Nederland zouden willen dat het verplicht wordt dat er deelgenomen wordt aan een certificeringsysteem, de Dierenbescherming meent dat deelname aan certificering slechts leidt tot een invulling van de wettelijke normen en niet tot een invulling die verder gaat dan de wettelijke eisen.

Zoals in hoofdstuk 3 van deze toelichting is aangegeven, is certificering nog steeds mogelijk en zal dit ook gestimuleerd worden. De sector heeft zijn eigen verantwoordelijkheid om een voldoende gedragen certificatiestelsel te ontwikkelen. Ook een certificering per deelsector is daarbij mogelijk. Een dergelijk stelsel kan onder meer bijdragen aan transparantie richting de consument met betrekking tot het invulling geven aan de doelvoorschriften in dit besluit door betrokken partijen uit de sector.

9.4 Positieflijst

Zoals in hoofdstuk 3 van deze nota van toelichting is aangegeven zal in het kader van de Wet dieren een zogenoemde positieflijst tot stand komen. In de consultatie werd door een aantal partijen gevraagd naar de verhouding van dit besluit met de nog op te stellen positieflijst.

Als er een besluit is genomen dat een diersoort niet aangewezen wordt en de diersoort ook niet onder een situatie van overgangsrecht valt, mag de diersoort niet ten behoeve van de activiteiten van dit besluit worden gehouden. Totdat een besluit is genomen over het al dan niet mogen houden van een bepaalde diersoort, geldt dit besluit voor die zoogdieren die als gezelschapsdier in bezit zijn van bedrijfsmatige houders.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

Bijlage bij de nota van toelichting

Overzicht implementatie Europese Overeenkomst ter bescherming van kleine huisdieren

Bepaling in Europese Overeenkomst ter bescherming van kleine huisdieren

Bepaling in wijzigingsbesluit of bestaande regeling

Artikel 1

Behoeft geen implementatie

Artikel 2

Behoeft geen implementatie

Artikel 3

Artikel 2.1 Wet dieren

Artikel 4, eerste, tweede en derde lid, onderdeel a

Artikelen 1.6 tot en met 1.8 Besluit houders van dieren

Artikel 4, derde lid, onderdeel b

Artikel 1.4 Besluit houders

Artikel 5

Artikel 3.4 Besluit houders van dieren

Artikel 6

Artikel 3.19 Besluit houders van dieren

Artikel 7

Artikel 2.1 Wet dieren

Artikel 8, eerste, tweede en derde lid, onderdeel b en vierde lid

Artikel 3.6, 3.8, 3.9, 3.12, eerste lid, Besluit houders van dieren

Artikel 8, derde lid, onderdeel a

Artikel 3.11

Artikel 8, vijfde lid

Behoeft geen implementatie

Artikel 9

Artikelen 3.7, tweede lid, 3.8, vijfde lid, 3.11, vierde lid, 3.12, tweede lid, 3.14, zesde lid, en 3.17 tot en met 3.20.

 

Artikel 2.15 Wet dieren biedt een basis ten aanzien van het gebruik van dieren aan wedstrijden. Dit is niet nader ingevuld. De sectoren waarin de meeste wedstrijden worden gehouden, zoals paarden-, windhonden- en duivensport, hebben eigen reglementen voor wedstrijden, gericht op een eerlijk wedstrijdverloop. Deze private regulering volstaat.

Artikel 10

Artikel 2.8 Wet dieren. Daaruit volgt dat ingrepen verboden zijn, tenzij ze zijn toegestaan. De ingrepen die in de Overeenkomst worden genoemd, zijn niet toegestaan

Artikel 11

Artikelen 2.10 Wet dieren juncto 1.12 tot en met 1.14 Besluit houders van dieren. Voor honden, katten en ganzen tevens artikel 1.10 van het Besluit houders van dieren

12–23

Behoeven geen implementatie


X Noot
1

Advies van Raad voor dierenaangelegenheden 2010/2

X Noot
2

juli 2010 Wageningen UR, Universiteit Utrecht

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl