Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201228286 nr. 545

28 286 Dierenwelzijn

Nr. 545 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 1 februari 2012

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie inzake het ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot bedrijfsmatige activiteiten met gezelschapdieren (Besluit gezelschapdieren) met het oog op verbetering van het dierenwelzijn en ter vervanging van het Honden- en kattenbesluit (Kamerstuk 28 286, nr. 59).

De staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 31 januari 2012. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Van der Ham

Adjunct-griffier van de commissie, Schüssel

1 en 2

Wat zijn exact de verschillen tussen het HKB 1999 en het Besluit Gezelschapsdieren? Graag weergeven in een schematisch overzicht.

Kunt u in het gevraagde schematische overzicht ook versoepelingen ten opzichte van het HKB aangeven met daarbij de rechtvaardiging voor de versoepeling?

Het Besluit gezelschapsdieren heeft een ruimere strekking dan het Honden- en kattenbesluit 1999 (hierna HKB 1999) want het betreft niet alleen honden en katten. Het besluit is van toepassing op zoogdieren, vogels, vissen, reptielen en amfibieën, kennelijk bestemd om te worden gehouden voor liefhebberij of gezelschap.

Ten opzichte van het HKB 1999 wordt in dit besluit, waar mogelijk, gebruik gemaakt van doelvoorschriften. Hiermee wordt de betrokken sectoren meer ruimte geboden voor onder andere innovatie en kunnen nalevingskosten worden beperkt. Doelvoorschriften kunnen voorts betrokken sectoren ondersteunen voor zover zij wensen te komen tot zelfregulering op basis van vrijwillige certificering. Zelfregulering kan een belangrijk extra instrument zijn om het welzijn te bevorderen, doordat sectoren daarmee de eigen verantwoordelijkheid in deze oppakken en uitwerken.

Hieronder volgt per onderwerp een overzicht tussen het HKB 1999 en het Besluit gezelschapsdieren. Voor inrichtingen die nu onder het HKB 1999 vallen en die ook andere dieren verhandelen, opvangen, fokken en dergelijke, geldt uiteraard ten algemene dat men nu ook voor deze dieren aan alle in het Besluit geldende eisen moet voldoen.

Verbodsnorm

De verbodsnorm in artikel 3 is in het Besluit gezelschapsdieren op gelijke wijze geformuleerd als in het HKB 1999.

Locatie waar activiteiten plaatsvinden

In het HKB 1999 moet een activiteit plaats vinden in een aangemelde inrichting. Op grond van het besluit gezelschapsdieren is het toegestaan om naast verkoop vanuit de inrichting dieren ook te verhandelen op tentoonstellingen, markten, of beurzen mits wordt voldaan aan de in het besluit gestelde voorwaarden waaronder aanmelding van de locatie.

Ik heb een afweging gemaakt tussen de belangen van handelaren en van het welzijn van dieren. Ik verwijs u daarvoor naar paragraaf 3.2, onderdeel c, van de nota van toelichting. Met het stellen van eisen aan tentoonstellingen, beurzen en markten beoog ik het welzijn op die locaties te waarborgen, maar ook de handel doorgang te laten vinden.

Tentoonstellingen, markten of beurzen

Het Besluit gezelschapsdieren bevat regels over tentoonstellingen, beurzen of markten. Organisatoren moeten onder andere een veterinaire toegangscontrole uitvoeren en zorgen voor geschikte huisvesting. Het HKB 1999 bevat dergelijke normen niet.

Aanmelding en registratie

Ten opzichte van het HKB 1999 is een verschil dat aanmelding kan geschieden in een elektronisch portaal.

Administratie

Ten opzichte van het HKB 1999 is de administratiebepaling vereenvoudigd. Op grond van het HKB 1999 moest per kwartaal een administratie worden bijgehouden en worden toegestuurd aan de minister. Met de Vrijstellingsregeling dierenwelzijn was in 2004 al een uitzondering gegeven van deze administratieplicht, omdat deze verplichting leidde tot hoge administratieve lasten en in de handhavingspraktijk nauwelijks effectief bleek te zijn.

Nu moet een administratie worden bijgehouden, maar hoeft deze niet te worden toegestuurd aan de Minister van EL&I.

Ten opzichte van het HKB 1999 is de plicht tot identificatie en registratie vervallen. Op grond van het HKB 1999 dienden honden en katten binnen 5 werkdagen na ontvangst in een bedrijfsinrichting of asiel of binnen 7 weken na de geboorte te worden voorzien van en uniek identificatiemiddel. Met de Vrijstellingsregeling dierenwelzijn was in 2004 deze verplichting al komen te vervallen, omdat deze verplichting leidde tot hoge administratieve lasten en uitvoeringslasten voor de overheid.

Huisvesting en verzorging

De normen over huisvesting en verzorging zijn in het Besluit gezelschapsdieren als doelvoorschriften weergegeven. In het HKB 1999 zijn dit zeer gedetailleerde middelvoorschriften. In het HKB 1999 zijn de afmetingen van verblijven en onderdelen van de verblijfsinrichting bijvoorbeeld in centimeters voorgeschreven.

De doelvoorschriften van dit besluit beogen het welzijn van dieren te beschermen, zonder de ondernemers te gedetailleerde voorschriften te willen opleggen. Met doelvoorschriften krijgen ondernemers de ruimte om op een eigen wijze invulling te geven aan de normen overeenkomstig de bedoeling daarvan. Met de doelvoorschriften worden de nalevingskosten beperkt. Dit is een verbetering ten opzichte van het HKB 1999, dat gedetailleerde middelvoorschriften op het terrein van huisvesting bevat.

Het opstellen van doelvoorschriften heeft daarnaast als voordeel dat het blijvend mogelijk is dat de sector door middel van certificering zelf invulling geeft aan de open normen. Bovendien ontstaat een meer flexibel systeem, waarbij op basis van nieuwe inzichten en kennis over welzijn en gezondheid van gezelschapsdieren, in de tijd de wijze van invulling van de doelvoorschriften kan worden aangepast aan nieuwe inzichten over dierenwelzijn.

Ter waarborging van de gezondheid van de gezelschapsdieren en ter voorkoming van uitbraken van besmettelijke ziekten in inrichtingen, worden eisen gesteld aan de faciliteiten waarover de inrichting dient te beschikken (artikel 10). Een inrichting moet over ten minste drie afzonderlijke ruimtes beschikken. De inrichting hoeft deze niet permanent als zodanig in te richten, maar moet wel de mogelijkheid hebben deze ruimtes in te richten als dat nodig is, naast de ruimtes waarin gezonde dieren worden gehouden.

Op grond van het HKB 1999 is het verplicht om te beschikken over een of meer ziekenboegen en een quarantaineruimte en deze moeten als zodanig permanent zijn ingericht.

Gezondheid

Het is ingevolge artikel 11, eerste lid, verplicht een gezondheidsprotocol vast te stellen. De verplichting tot het vaststellen van een dergelijk protocol is nieuw ten opzichte van het HKB 1999.

Indien de gezondheid van een hond zich daar niet tegen verzet, moet een hond dagelijks tijd buiten zijn verblijf kunnen doorbrengen (artikel 13). Het HKB 1999 verplicht dat een hond dagelijks 2 uur buiten moest doorbrengen.

De 2 uur norm werd als zeer rigide ervaren en was nauwelijks te controleren. In het geval van zeer slechte weersomstandigheden of een oude hond kan 2 uur mogelijk zelfs nadelig uitpakken voor het welzijn. Ingevolge de toelichting gaat het er om dat dagelijks wordt voldaan aan de behoeften van een hond op het gebied van o.a. lichaamsbeweging, het contact met soortgenoten en mensen en het kunnen urineren en ontlasten buiten het eigen verblijf.

Handel

De informatieverplichtingen van de artikelen 14 en 15 zijn nieuw ten opzichte van het HKB 1999. Voorlichting aan (toekomstige) dierhouders en bewustwording wordt van groot belang geacht en derhalve zijn hiervoor in het Besluit regels opgenomen.

Fokken en socialisatie

Hoofdstuk 9 bevat artikelen over fokken en socialisatie. De verplichtingen zijn nieuw ten opzichte van het HKB 1999, behalve de eis dat honden en katten slechts een bepaald aantal nesten mogen krijgen in de genoemde periode.

De aanpak van misstanden in de fokkerij vormt een belangrijk onderdeel van de afspraken in het Regeerakkoord. Met dit Besluit worden randvoorwaarden gecreëerd waarbinnen gefokt mag worden met gezelschapsdieren.

3 en 88

Is de Europese Overeenkomst ter bescherming van kleine huisdieren vatbaar voor verschillen in interpretatie die gevolgen hebben voor de implementatie in de verschillende lidstaten? Zo ja, kunt u dit toelichten?

Is met het Besluit gezelschapsdieren de Europese overeenkomst ter bescherming van kleine huisdieren door Nederland volledig geïmplementeerd? Zo nee, welke onderdelen moeten nog geïmplementeerd worden en wanneer wordt dit gedaan?

De partijen bij de Europese Overeenkomst ter bescherming van kleine huisdieren moeten noodzakelijke maatregelen nemen om uitvoering te kunnen geven aan de bepalingen van de Overeenkomst. De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de Overeenkomst kan per land verschillen.

Met het Besluit gezelschapsdieren wordt voor een deel uitvoering gegeven aan de Europese Overeenkomst ter bescherming van kleine huisdieren. Daartoe is de reikwijdte ten opzichte van het HKB 1999 uitgebreid met de volgende partijen: groot- en detailhandel in dieren, personen die huisdieren fokken, niet beperkt tot honden en katten, personen die een pension hebben met winstoogmerk voor dieren, niet beperkt tot honden en katten, asielen voor huisdieren, niet beperkt tot honden en katten.

Overige regels uit de Overeenkomst zijn geïmplementeerd in bestaande regelgeving, bijvoorbeeld het verbod op dierenmishandeling, of worden geïmplementeerd in uitvoeringsregels bij de Wet dieren. Een voorbeeld van de laatstgenoemde categorie is de verplichting voor de houder van een dier om alle redelijke maatregelen te nemen om ontsnapping van het dier te voorkomen (artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van de Overeenkomst). De Wet dieren zal naar verwachting 1 januari 2013 in werking treden.

4

Waarom wacht u niet met dit besluit tot de Wet dieren in werking treedt aangezien dit besluit hierop gebaseerd zal worden?

De inwerkingtreding van dit besluit was oorspronkelijk eerder beoogd waardoor destijds besloten is niet te wachten op de inwerkingtreding van de Wet dieren. Omdat het besluit naar verwachting nog steeds eerder in werking treedt, met als grondslag de GWWD, houd ik vast aan dit voornemen. Met de inwerkingtreding van de Wet dieren zal dit besluit op die wet gebaseerd worden.

5, 10 en 59

Waarom is er zo weinig aandacht voor andere dieren dan honden en katten in het besluit?

Waarom is er een verschil in beschermingsniveau tussen honden en katten enerzijds en de overige gezelschapsdieren anderzijds (zoals buiten het verblijf moeten komen en vaccinatie)? Maken de open normen niet dat deze toepasbaar zijn voor alle categorieën? Zo nee, waarom niet?

Waarom is er ten aanzien van vaccinatie een onderscheid tussen diersoorten gemaakt, immers ook voor veel andere gehouden diersoorten is vaccinatie van belang? Kunt u toelichten hoe u de vaccinatie van andere diersoorten gaat waarborgen en hoe u dit wilt gaan controleren en handhaven?

Uitgangspunt van Besluit gezelschapsdieren is dat het minimumniveau van dierenwelzijn, zoals bepaald in het HKB 1999 gehandhaafd blijft. Enkele bepalingen uit het HKB 1999 zijn daarom overgenomen in dit besluit. Dit leidt tot enkele bepalingen die weliswaar ook voor andere dieren dan honden en katten van toepassing zijn, maar voor hond en kat in sommige gevallen nader zijn uitgewerkt of, zoals bijvoorbeeld voor vaccinaties, nog nader in de ministeriële regeling worden uitgewerkt.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, is het voor instellingen verplicht een protocol vast te stellen waaruit onder meer dient te blijken dat maatregelen ter voorkoming van dierziekten worden genomen. Ook voor andere diersoorten dan hond of kat, kunnen inentingen wenselijk of zelfs noodzakelijk zijn als maatregel ter voorkoming van dierziekten. Een verplichte enting voor andere dieren wordt niet opgenomen, omdat het te ver strekt om voor alle onder het besluit vallende diersoorten specifieke voorschriften omtrent inentingen op te nemen.

Met betrekking tot de wijze van controle en handhaving verwijs ik u naar mijn antwoord op de vragen 9,82 en 83.

6

Welke overwegingen lagen ten grondslag aan de keuze dit besluit slechts tot de gewervelde dieren te beperken?

Het Besluit gezelschapsdieren wordt ten opzichte van het HKB 1999 uitgebreid. Het zou te ver voeren om het Besluit ook op ongewervelde dieren van toepassing te laten zijn.

7

Klopt het dat artikel 3 verstrekkende gevolgen heeft voor de groothandelsbedrijven in gezelschapsdieren welke dieren leveren aan de detailhandel? Zo ja, is dat wenselijk aangezien deze groothandelsbedrijven beschikken over expertise over vervoer van de dieren en voldoen aan de EU-Verordening 2005/1 inzake het welzijn van dieren tijdens vervoer?

De transportverordening ziet slechts op het welzijn van dieren tijdens het transport. Met dit Besluit worden eisen gesteld aan de huisvesting en verzorging van dieren op de inrichting van de handelaar ongeacht op welk distributieniveau hij opereert.

Naar aanleiding van een motie van de leden van de Tweede Kamer Snijder-Hazelhoff en Ormel (Kamerstukken II 2008/2009, 28 286, nr. 115 en Handelingen 2008/2009, 3170) zijn vertegenwoordigers van houders van dierenspeciaalzaken en van import- en groothandel in overige diersoorten betrokken bij het toen lopende certificeringstraject. Later is besloten deze bedrijfsmatige activiteiten aan de reikwijdte van het Besluit gezelschapsdieren toe te voegen.

8, 45, 46 en 49

Waarom worden de (tussen)handelaren, dierenambulanceorganisaties, trimsalons en hondenuitlaatservices uitgesloten, aangezien daar sprake is van opvang van dieren? Is de tijdfactor de enige reden van uitsluiting? Zo ja, wat is het verschil ten opzichte van beurzen en tentoonstellingen? Waarom worden niet dezelfde regels voor alle tijdelijke opvang gehanteerd?

Kunt u uitleggen waarom gezelschapsdieren die worden gehouden voor vermaak niet onder de reikwijdte van dit besluit vallen en hoe het welzijn van deze dieren dan gaat regelen, aangezien zij ook buiten andere regelgeving vallen?

Hoe wilt u het welzijn van dieren onder de hoede van dierenambulanceorganisaties, trimsalons en hondenuitlaatservices waarborgen, als zij niet onder dit besluit vallen?

Waarom vallen trimsalons, hondenuitlaatservices, kinderboerderijen en onderwijsinstellingen niet onder het Besluit gezelschapsdieren, er vanuitgaande dat zij ook dieren opvangen?

Paragraaf 2 van de nota van toelichting licht toe waarom handel, opvang en fokken niet onvoorwaardelijk kan en regels nodig zijn die voorkomen dat dieren als gevolg daarvan te zeer nadelen met betrekking tot welzijn en gezondheid ondervinden.

Voor trimsalons en hondenuitlaatservices is geoordeeld dat op basis van de aldaar uitgeoefende activiteiten en de tijdspanne waarmee de dieren onder verantwoordelijkheid van de inrichting vallen, evenals de risico’s voor welzijn en gezondheid van het dier, het stellen van regels voor deze branches niet noodzakelijk wordt geacht.

Voor hen geldt een verbod op dierenmishandeling en verwaarlozing. Tevens ligt het in het voornemen in het kader van de Wet dieren te voorzien in enkele algemene uitgangspunten over het houden en verzorgen van dieren voor een ieder.

Tussenhandelaren vallen wel onder de werking van het Besluit gezelschapsdieren. Dierenambulanceorganisaties, trimsalons, hondenuitlaatservices, kinderboerderijen en onderwijsinstellingen hebben niet het doel om dieren ten behoeve van opvang te houden. Onder het houden ten behoeve van opvang van gezelschapsdieren wordt bedoeld het fysiek en daadwerkelijk voor enige tijd onder zich houden van dieren, bijvoorbeeld omdat ze zwervend zijn aangetroffen of omdat de eigenaar permanent afstand heeft gedaan van het dier.

Aanknopingspunt om voor beurzen, tentoonstellingen en markten regels te stellen, is het feit dat op die locaties in dieren wordt gehandeld. Dat heeft niet te maken met tijdelijke opvang.

In 2011 is een inventarisatie uitgevoerd met betrekking tot het voorkomen van welzijn- en gezondheidsproblemen in de sectoren waar gezelschapsdieren voor vermaak worden gehouden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor misstanden in deze sector.

De NVWA heeft aanvullend een aantal inspecties bij bedrijven uitgevoerd die dieren verhuren voor vermaak en de voorlopige resultaten daarvan geven eveneens geen aanleiding tot uitbreiding van de reikwijdte van het Besluit Gezelschapsdieren met deze categorie.

Voor dierenambulances geldt dat in het kader van de uitwerking van de afspraken van «144 red een dier» in het convenant dierennoodhulp afgesproken is dat de Dierenbescherming en de Federatie dierenambulances Nederland landelijke kwaliteitseisen ontwikkelen voor dierenambulances. Hiermee wordt de kwaliteit van de dierenambulances verder verbeterd.

Het welzijn van dieren onder de hoede van dierenambulanceorganisaties, verhuurbedrijven, trimsalons en hondenuitlaatservices hoeft mijns inziens dus niet gewaarborgd te worden door specifieke regelgeving. Voor hen geldt een verbod op dierenmishandeling en verwaarlozing. Tevens is het voornemen in het kader van de Wet dieren te voorzien in enkele algemene uitgangspunten over het houden en verzorgen van dieren voor een ieder.

9, 77, 82 en 83

Op welke wijze vindt controle en handhaving plaats van de inrichtingen?

Kunt u beschrijven hoe u de diverse doelvoorschriften, die veelal voor velerlei interpretatie vatbaat zijn, wilt gaan handhaven?

Hoe ziet de samenwerking tussen de verantwoordelijke instanties voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid eruit? Wat is de verdeling van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden?

Wie zijn betrokken bij het opstellen van handhavingsrichtsnoeren?

De NVWA en de LID zijn beiden aangewezen als toezichthouders voor het Besluit. De NVWA en de LID zullen samen jaarlijks risicogerichte handhavingsafspraken maken.

De handhaving van de doelvoorschriften in dit besluit vergt een andere werkwijze van de handhavende instanties dan de handhaving van de middelvoorschriften van het HKB 1999. De handhavende instanties zullen meer dan nu het geval is, aan de hand van de omstandigheden van het geval een inschatting moeten maken of de bepalingen van dit besluit overtreden worden. Richtsnoeren worden door NVWA en LID gezamenlijk opgesteld. Daarbij is er sprake van een iteratief proces, opgedane ervaringen en geconstateerde praktijken kunnen steeds weer dienen tot verdere invulling.

Deze handhavingsrichtsnoeren zijn voor intern gebruik, maar daarnaast zal er informatie naar betrokken sectoren gaan over wijze van handhaven.

11, 12, 30, 31, 32, 34, 89, 90, 91, 92, 93 en 94

Is het niet zo dat open normen en doelvoorschriften het voor die sectoronderdelen die zouden willen deelnemen aan een certificatie het onmogelijk maken om te spreken van een «plus» boven de wet, waarmee het onderscheidend vermogen van gecertificeerde inrichtingen verdwijnt en daarmee hun drijfveer voor deelname verdwijnt?

Waarom denkt u dat het besluit uiteindelijk door certificering wordt vervangen en op welke wijze zou dat dan gebeuren? Kan op een gegeven moment sprake zijn van een toezicht op controle, handhaving als drijfveer of biedt de inspectievakantie soelaas? Zo ja, hoe is dat vormgegeven?

Op welke wijze ondersteunen doelvoorschriften zelfregulering op basis van vrijwillige certificering?

Hoe verhoudt de wens tot zelfregulering zich met het besluit?

Waarom kwam het certificatiestelsel niet van de grond?

Hoe kan een certificatiestelsel functioneren naast wetgeving op dit gebied en wat is dan het nut van certificering naast deze wetgeving?

Waarom wordt een gedragen certificatiestelsel op korte termijn niet verwacht? Breng dit besluit daar verandering in?

Welke garanties zijn er dat zelfregulering en een vrijwillig certificatiestelsel nu wel van de grond komen?

Kunt u een overzicht geven welke inspanningen in het verleden zijn gedaan om in de diverse branches tot een vrijwillige certificering te komen?

Kunt u uitleggen waarom in het verleden de opzet van een vrijwillig certificatiestelsel niet tot resultaat heeft geleid?

Waarin verschilt de huidige aanpak om tot een vrijwillig certificatiestelsel te komen met die van de eerdere aanpak en waarom denkt u dat het nu wel van de grond zal komen?

Hoe kan het dierenwelzijn worden verbeterd als bij de inwerkingtreding van deze regel de vrijwillige certificering niet is voltooid? Hoe ziet u de invulling van de normen, nu er geen wettelijke normen zijn?

Als er geen vrijwillige certificering wordt doorgevoerd, bent u dan bereid om zelf nadere regels te gaan stellen?

Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van de stand van zaken met betrekking tot de initiatieven voor vrijwillige certificering van diverse gezelschapsdierenorganisaties?

Open normen en doelvoorschriften bieden ruimte voor innovatie en de sector kan hieraan zelf, onder meer door certificering, invulling geven. Hiermee wordt een meer flexibel systeem beoogd, waarbij op basis van nieuwe inzichten en kennis over welzijn en gezondheid van gezelschapsdieren, de invulling van de doelvoorschriften kan worden aangepast. Vaststellen van minimumnormen kan innovatie door de sector afremmen in plaats van dat het aanzet tot innovatie. In certificeringsystemen kunnen daarnaast ook bovenwettelijk eisen worden opgenomen als de deelnemers dat wensen en zich daarmee willen onderscheiden.

Middels toezicht en controle zal door handhavende instanties NVWA en LID beoordeeld worden of voldoende wordt voldaan aan invulling van doelvoorschriften. Na verloop van tijd zal moeten blijken op welke verschillende wijzen betrokken sectoren invulling geven aan de open normen, al dan niet middels het opstellen van certificeringnormen. In overleg met handhavende instanties kan vervolgens ook beoordeeld worden of het maken van afspraken over horizontaal toezicht mogelijk is. Indien bedrijven consequent goed nalevingsgedrag laten zien en het vertrouwen van de overheid verdienen, kan op basis van het principe van inspectievakantie minder geïnspecteerd worden. Dit past in een risico gebaseerd handhavingsbeleid waarbij handhaving zich concentreert op die sectoren en actoren waar verminderde naleving verwacht kan worden.

Ik heb niet de verwachting dat certificering het besluit uiteindelijk geheel zal kunnen vervangen en zie juist een meerwaarde in een combinatie van certificering en regelgeving in doelvoorschriften. Wel heb ik al diverse malen aangegeven dat ik vrijwillige certificering door de sector haalbaar acht en wil stimuleren. Niet-gecertificeerden dienen ook aan de eisen van het besluit te voldoen. Voor een deel van de ondernemers zal daarmee de prikkel ontstaan deel te nemen aan certificering (anders moet men immers het wiel zelf uitvinden). De sector heeft de verantwoordelijkheid om op basis van gedeeld verantwoordelijkheidsbesef een gedragen certificatiestelsel te ontwikkelen. Daartoe is al in 2006 door de toenmalig Minister van LNV opgeroepen. In samenwerking met de sector kan dan op termijn gekomen worden tot doelmatigere inzet van handhavingscapaciteit. Risicogericht toezicht kan als drijfveer voor certificering werken. Daarnaast kan certificering bijdragen aan transparantie richting dierhouders met betrekking tot de regelgeving en de wijze waarop de sector daar invulling aan geeft.

In het certificeringstraject waren vele partijen uit de sector betrokken en het proces om te komen tot een gedragen normstelsel verliep moeizaam. De beperkte organisatiegraad van de sector en tegenstrijdige belangen speelden daarbij een rol. Dit traject is door het ministerie gefaciliteerd, er is een externe voorzitter aangesteld en daarnaast heeft het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) als penvoerder en certificeringsdeskundige het proces begeleid. Tevens waren adviseurs van bijvoorbeeld de KNMvD en de Faculteit Diergeneeskunde betrokken.

De dierenspeciaalzaak en groothandelsbranche vertegenwoordigd door brancheorganisatie Dibevo heeft mij geïnformeerd over de wijze waarop door hen is doorgewerkt aan het opstellen van een certificeringstelsel en een bijbehorend privaat toezichtsysteem. Er wordt gewerkt aan het creëren van draagvlak bij de achterban en het certificeren van bedrijven is in gang gezet. Ik ben verheugd dat deze partijen hun verantwoordelijkheid nemen. Op termijn kan beoordeeld worden in hoeverre de handhavende instanties NVWA en LID in hun handhaving rekening kunnen houden met deze certificering door de sector en in hoeverre de focus van het toezicht op de niet- gecertificeerden kan worden gericht.

Onlangs heeft ook de Vereniging voor Beroepsmatige Kennelhouders (VBK) mij geïnformeerd over het feit dat ook zij een normdocument hebben opgesteld dat de basis vormt voor een Keurmerk voor Hondenactiviteiten. De VBK verwacht in maart 2012 de eerste certificaten te kunnen uitreiken.

Tot slot verwijs ik ook nog naar mijn antwoord op vraag 9, 82 en 83.

13, 38, 50 en 58

Klopt het dat veel van de ondernemers op basis van cursorisch onderwijs, welke inhoudelijk gebaseerd zijn op hetzelfde kwalificatiedossier als dagonderwijs (crebo), dezelfde kennis verwerven? Zo ja, kunt u overwegen deze alsnog te laten gelden als bewijs van vakbekwaamheid?

Hoe kunnen fokkers weten of zij zorgvuldig met dieren omgaan? Kunt u uiteenzetten aan welke criteria u denkt voor een erkend bewijs van vakbekwaamheid?

Waarom voldoen alleen kwalificaties die zijn opgenomen in het centraal register beroepsopleidingen (Crebo) aan de vakbekwaamheidseisen en niet die in het Centraal Register Kort Beroepsonderwijs of Nederlandse Raad voor Training en Opleiding?

Ik baseer mij op de Wet Educatie- en Beroepsonderwijs (WEB) en de daarop gebaseerde regelgeving. Daarin zijn de procedures over het tot stand komen van de kwalificatiedossiers en het toezicht door de Inspectie van het Onderwijs geregeld. Ik ben voornemens een aantal bij ministeriële regeling vast te stellen delen van kwalificaties (certificeerbare eenheden) aan te wijzen die voldoen aan de door mij te stellen vakbekwaamheidseisen. Hierdoor zijn de opleidingseisen geborgd. Voor alle andere instellingen die in een register zoals CRKBO of NRTO zijn ingeschreven wordt niet op basis van de WEB door de onderwijsinspectie getoetst of het onderwijs en het examenniveau vergelijkbaar zijn met de door mij gestelde eisen voor vakbekwaamheid. Een aparte toetsing daarvan en toezicht daarop, vergroten de uitvoeringslasten onevenredig. Daarom ben ik niet bereid daartoe een extra orgaan op te tuigen. Het is een keuze van de (niet bekostigde) instelling om Crebo- erkenning aan te vragen.

Onderwijs dat voldoet aan de WEB wordt verzorgd door een bekostigde of een erkende instelling voor beroepsonderwijs, kan diploma's en certificaten opleveren indien is voldaan aan het kwalificatiedossier. De diploma's en certificaten kunnen vervolgens dienen als bewijs van vakbekwaamheid. In verband met de administratieve lasten maak ik bij de toelating gebruik van het kader van de WEB (zie ook antwoord op vraag 58), zodat de beroepsbeoefenaar kan aantonen dat men voldoet middels het examen doen als student, cursist of als extraneus, of middels (of via) Erkenning van Verworven Competenties via een erkende EVC aanbieder.

Fokkers die onder de reikwijdte van het Besluit gezelschapsdieren vallen dienen op basis van artikel 8 te beschikken over een bewijs van vakbewaamheid.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het bewijs van vakbekwaamheid. Kennis over voortplanting en socialisatie van dieren dient daarvan onderdeel te zijn, evenals kennis met betrekking tot verzorging van dieren en hun leefomgeving en het informeren en adviseren van dierhouders.

14, 15, 54, 55 en 56

Waarom denkt u dat met de algemene aanwijzing in artikel 9, dat een dier over voldoende bewegingsruimte moet beschikken, misstanden voorkomen kunnen worden? Waarom is niet gekozen voor minimumnormen?

Hoe staat het met de juridische houdbaarheid van dit criterium bij overtredingen/ misstanden? Wordt de discussie over adequate hokgrootte zo niet verplaatst naar de rechtszaal, waar de rechters te weinig normen hebben om dit te kunnen toetsen? Welke gevolgen heeft dit voor de handhavers?

Waar is het criterium van lichaamsbehoeften van de diverse diersoorten terug te vinden en hoe wordt dit gewaarborgd, gecontroleerd en gehandhaafd?

Waar is het criterium van tijdbehoeften van de diverse diersoorten terug te vinden en hoe wordt dit gewaarborgd, gecontroleerd en gehandhaafd?

Waar is het criterium van sociale behoeften van de diverse diersoorten terug te vinden en hoe wordt dit per diersoort gewaarborgd, gecontroleerd en gehandhaafd?

In dit besluit wordt, waar mogelijk, gebruik gemaakt van doelvoorschriften. Hiermee wordt de betrokken sectoren meer ruimte geboden voor onder andere innovatie en kunnen nalevingskosten worden beperkt. Doelvoorschriften kunnen voorts betrokken sectoren ondersteunen voor zover zij wensen te komen tot zelfregulering op basis van vrijwillige certificering. Bij de invulling wordt van de sectoren uiteraard verwacht dat daarbij rekening wordt gehouden met de specifieke behoeftes van de diersoort. Zelfregulering kan een belangrijk extra instrument zijn om het welzijn te bevorderen, doordat sectoren daarmee de eigen verantwoordelijkheid in deze oppakken en uitwerken. Bovendien ontstaat een meer flexibel systeem, waarbij op basis van nieuwe inzichten en kennis over welzijn en gezondheid van gezelschapsdieren, in de tijd de wijze van invulling van de doelvoorschriften kan worden bevorderd.

Om enige richting te geven aan de open normen van dit besluit zullen de handhavende instanties handhavingsrichtsnoeren opstellen. Deze handhavingsrichtsnoeren vormen de grond voor beoordeling van overtredingen.

Certificeringseisen kunnen richting geven aan de wijze van handhaven als daarvoor een deugdelijke onderbouwing bestaat (bijv. advies van deskundigen, wetenschappelijk artikel e.d.). De invulling van de open normen door de handhavingsrichtsnoeren en eventuele certificering kunnen getoetst worden door de rechter.

16

Kan de passage in artikel 10 over quarantaineruimte, isolatieruimte en ziekenboeg herschreven worden in de duidelijkere lijn van artikel 11?

Artikel 10 beschrijft de ruimtes die ingericht moeten kunnen worden. Artikel 11 beschrijft enkele gevallen waarin dieren naar een bepaalde ruimte moeten. Op basis van de opmerkingen zal dit artikel worden aangepast.

17

Kan het besluit met een overgangstermijn van drie jaar worden aangepast, zodat ondernemers de tijd hebben om zich aan te passen aan de vereiste om over drie afzonderlijke ruimtes te beschikken voor het verzorgen en huisvesten van dieren met onbekende status, zieke dieren en dieren die er van worden verdacht een besmettelijke ziekte onder de leden te hebben?

Op basis van de opmerkingen zal dit artikel worden aangepast zodat in een overgangstermijn wordt voorzien.

18, 26, 28, 66, 67 en 68

Waarom is in artikel 19.2 de zinsnede opgenomen «voor zover mogelijk»?

Waarom wordt in artikel 19.2 de term «voor zover mogelijk» opgeschreven? Bemoeilijkt dit vervolging van overtredingen niet? Waarom is deze formulering gekozen? Bent u bereid deze formulering aan te passen?

Waarom worden bij art 19 punt 2 lid a alleen «ernstige» afwijkingen genoemd. Waarom zijn gewone ziekelijke afwijkingen niet erg genoeg om te vermijden?

Volgt uit artikel 19, waarin gesteld wordt dat de wijze waarop met gezelschapsdieren gefokt mag worden het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of nakomelingen niet mag benadelen, er een fokverbod gaat gelden voor bijvoorbeeld honden- en kattenrassen met schadelijke raskenmerken en/of erfelijke aandoeningen? Zo nee, wat betekent het dan?

Betekent artikel 19 dat gezien de schadelijke gevolgen voor het dierenwelzijn door de hoge inteelttoename bij het fokken in gesloten populaties, de zogenaamde «raszuivere fokkerij» wordt verboden?

Wat betekent artikel 19 voor het fokken in gesloten populaties, gezien de schadelijke gevolgen voor het dierenwelzijn door de hoge inteelttoename?

De zinsnede «voor zover mogelijk» is opgenomen omdat fokken geen mechanisch proces is waarvan de uitkomsten volledig stuurbaar zijn. Er kunnen nakomelingen geboren worden met een afwijking, die niet aan de fokker of zijn fokbeleid te wijten zijn. Of waarvoor bijvoorbeeld geen onderzoekmethoden beschikbaar zijn op basis waarvan vooraf te bepalen valt in hoeverre nakomelingen welzijn- of gezondheidsnadelen zullen ondervinden. Aan dergelijke situaties is invulling gegeven door het gebruik van de woorden «voor zover mogelijk».

Fokkers die dieren fokken, waarvan over het ras bekend is dat bepaalde erfelijke aandoeningen middels een test kunnen worden opgespoord en die het bij fokken nalaten de dieren te laten screenen, handelen in strijd met deze bepaling.

Artikel 19 behelst geen direct verbod voor fokken in gesloten populaties of de zogenaamde «raszuiver fokkerij», maar beoogd welzijns- gezondheidsschade bij ouderdieren en nakomelingen ten gevolge van fokkerij te voorkomen.

Naar aanleiding de vraag over ernstige afwijkingen, mijn beleid is gericht op de aanpak van misstanden in de fokkerij en controle en toezicht dienen dan ook met name gericht te zijn op excessen.

19

Waarom is er gekozen voor een leeftijd vanaf 16 jaar om zelf een gezelschapsdier aanschaffen en niet vanaf 18 jaar?

De leeftijd van 16 jaar is conform de Europese Overeenkomst ter bescherming van kleine huisdieren.

20, 21, 22 en 27

Waarom is de aangenomen motie van het lid Van Gerven (Kamerstuk 28 286, nr. 480 ), die een verbod op doorfok en vijf andere verzoeken aan de regering behelst, niet integraal en zelfs helemaal niet opgenomen in het ontwerpbesluit?

Waarom wordt een populatiebeheersplan met onafhankelijke toetsing niet verplicht gesteld?

Zou een populatiebeheersplan niet een uitvoerbare wijze zijn om doorfok van gezelschapsdieren te verbieden, waarbij indien er geen of een slecht populatiebeheersplan is de fokker beboet kan worden of een verkoopverbod kan worden opgelegd? Waarom is hier niet voor gekozen?

Waarom worden « biologisch normale percentages die lijden aan erfelijke defecten» niet genoemd in artikel 19 en waarom wordt hier niet de beperking van de inzet van fokdieren tot biologisch gezonde percentages genoemd?

In mijn brief aan uw Kamer van 27 september 2011 (Kamerstukken II, 2011/12, 28 286, nr.252) heb ik mijn visie over fokkerij uiteengezet. Daarin ben ik ook ingegaan op de motie van lid Van Gerven en heb ik toegelicht aan welke verzoeken in deze motie ik kan en wil voldoen.

In overleg met de Raad van Beheer en in samenwerking met Wageningen UR Livestock Research is het project Verwantschap opgezet waarmee ook aandacht wordt besteed aan populatiebeheersing. Naast de betrokken rasverenigingen zijn hierbij onder meer ook de KNMvD en de Faculteit Diergeneeskunde betrokken. Dit project heeft tot doel te komen tot monitoring en sturing van verwantschap en inteelt voor het terugdringen van erfelijke aandoeningen in hondenpopulaties.

Voor het ras Cavelier King Charles Spaniël zijn in samenwerking met de rasvereniging, de Raad van Beheer en de Faculteit Diergeneeskunde uitvoeringsregels voor de fokkerij opgesteld die naar verwachting voor de zomer worden ingevoerd en bepalend zullen zijn voor stamboomuitgifte. Voor de Engelse Buldog wordt eveneens aan dergelijke regels gewerkt.

Ik onderschrijf het belang van een populatiebeheersplan en acht het eveneens van belang dat de fokkerijsector dit opstelt. Ik zie echter niet het nut van verplichting hiertoe door overheid. De reikwijdte van een dergelijke verplichting zou op basis van dit besluit maar voor een beperkt deel van totale populatie fokdieren gelden en zou daarmee niet de effectiviteit hebben die beoogd wordt.

In de gezelschapsdierenfokkerij is van veel rassen niet bekend hoe vaak erfelijke aandoeningen voorkomen (prevalentie). Om op basis van beperkte bestaande feitenkennis over deze prevalenties nu regels op te leggen aan alle bedrijfsmatige fokkers, voert voor mij te ver. Ik kies liever voor een positieve aanpak door de rassen die serieus onderzoek laten verrichten naar de problemen binnen hun ras te stimuleren.

23

Denkt u dat aan het tentoonstellen van doorgefokte ziekelijke dieren met dit besluit een einde komt?

Door de regels in het Besluit gezelschapsdieren met betrekking tot het fokken van dieren beoog ik veel gezondere populaties fokdieren in de komende generaties. Mijn inspanningen zijn er tevens op gericht om met de Raad van Beheer op Kynologisch gebied voor de rashondenfokkerij te komen tot beoordeling van dieren op tentoonstellingen met name op basis van de gezondheid van een ras. Met deze maatregelen tezamen denk ik dat de excessen op tentoonstellingen de komende jaren flink zullen verminderen en hopelijk op termijn volledig uitgebannen zullen worden.

24

Bent u bereid het probleem van doorfok in het ontwerpbesluit aan te pakken anders dan het over te laten aan de sector?

In het besluit gezelschapsdieren worden onder meer regels gesteld met betrekking tot het voorkomen van erfelijke afwijkingen en schadelijke raskenmerken. Ik laat de aanpak van de misstanden in de fokkerij dus zeker niet alleen aan de sector over.

Deze heeft echter ook wel degelijk een eigen verantwoordelijkheid en de sector zal met concrete acties moeten laten zien dat het ze menens is. Ik zal ze daarop ook aanspreken.

25 en 52

Waarom wordt er niet voor gekozen om alleen getoetste en diervriendelijke dierenverblijven toe te staan?

Hoe gaat u de regels omtrent huisvesting en verzorging van de verschillende diersoorten vertalen naar criteria voor huisvestingssystemen, voer en andere dierproducten, die in de handel zijn voor het houden van deze dieren? Hoe gaat u waarborgen dat er alleen huisvestingssystemen op de markt zijn, die aan die criteria voldoen?

Preventieve toetsing van huisvestingssystemen leiden tot een belemmering van innovatie en tot grote lasten voor het bedrijfsleven (zie ook Kamerstukken II 2001/02, 28 286, nr. 2, blz. 16 en de Memorie van Antwoord bij de Wet dieren (Kamerstukken I, 2009/10, 31 389, C).

Door het verplicht stellen van een opleiding voor de beheerder van de inrichting beoog ik de kennis bij de handel te verbeteren. De handelaren stel ik daarmee in staat de consument op deskundiger wijze te adviseren bij de aankoop van huisvesting. Daarnaast wordt het geven van schriftelijke informatie over de verzorging van een dier verplicht. Deze informatie dient informatie te bevatten over passende huisvesting zodat de consument in de winkel een weloverwogen keuze kan maken.

Voor voeders geldt dat sprake is van een overtreding indien sprake is van een slecht en misleidend product (kaderwet diervoeders). De schriftelijke informatie die mee dient te worden gegeven aan de consument bij de verkoop van een dier dient informatie te bevatten over goede voeding van het dier.

29

Op welke wijze wilt u met dit besluit de illegale handel in exotische dieren aanpakken?

De primaire doelstelling van het Besluit gezelschapsdieren is de bevordering van het welzijn van gezelschapsdieren die bedrijfmatig worden verhandeld. De illegale handel in beschermde exotische dieren wordt in eerste instantie binnen het kader van de Flora- en faunawet aangepakt. Het toezicht op beide terreinen heeft wel duidelijke raakvlakken. De voorschriften binnen deze kaders kunnen elkaar op die manier aanvullen.

35 en 36

Hoe gaat u de consument helpen om zijn verantwoordelijkheid te nemen voor een doordachte keuze voor het moment van aanschaf?

Welke maatregelen neemt de overheid om (toekomstige) houders van dieren van hun verantwoordelijkheid bewust te maken?

De juiste match tussen houder en gezelschapsdier is belangrijk voor een goed welzijn van een dier. Een houder moet zich ervan vergewissen of een dier en zo ja, welk dier binnen zijn mogelijkheden past, zowel op het gebied van kennis over als kunde met betrekking tot een dier. De houder draagt de verantwoordelijkheid voor het goede houderschap voor zijn dier.

Neutrale, objectieve informatie aan de (potentiële) houder over bijvoorbeeld de essentiële behoeften van een dier dragen bij aan het maken van een bewuste keuze voor en het op een verantwoorde manier houden van dieren. Daarom is in het Besluit gezelschapsdieren verplicht gesteld dat informatie moet worden gegeven bij verkoop of aflevering van gezelschapsdieren. Een voorbeeld van schriftelijke informatie die verstrekt kan worden, zijn de dierenbijsluiters van het Landelijke Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG).

Mijn financiële ondersteuning aan het LICG strekt tot doel de bewustwording van het juiste handelen bij de koper en de houder te vergroten. Inzet van de juiste communicatiemiddelen leidt ertoe dat de relevante doelgroepen (potentiële) dierhouders worden bereikt. Ik ben voornemens dit jaar de effectiviteit van het handelen van het LICG te laten evalueren.

37

Hoe kunnen dierhouders herkennen of zij dieren betrekken bij betrouwbare en reguliere adressen, waar zorgvuldig met dieren wordt omgegaan?

Door het LICG wordt onder meer voorlichting gegeven over het belang dieren te betrekken van een betrouwbaar adres. Er zijn verschillende manieren waarop een dier kan worden verkregen, bijvoorbeeld via een (gespecialiseerde) dierenspeciaalzaak, een particulier of een fokker. Een koper is zelf verantwoordelijk voor waar hij een dier vandaan haalt. Het belangrijkste advies luidt dat een koper op een locatie goed zijn ogen de kost geeft, voordat een dier wordt aangeschaft. Door te letten op huisvesting, hygiëne, ouderdieren, de manier van fokken en de manier waarop met de dieren wordt omgegaan, kan een koper veel te weten komen over de betrouwbaarheid van de verkopende partij.

Teneinde een goede naleving te borgen, zullen de NVWA en de LID risico gericht toezicht houden op de naleving van de regelgeving. Indien burgers zelf misstanden zien, dan kan dit worden gemeld bij de NVWA of LID.

De toekomstige certificering waaraan de sector nu werkt kan voorts een onderscheidende factor voor de consument worden.

39 en 40

Kunt u toelichten waarom u er niet voor kiest om het welzijn van alle gehouden dieren te verbeteren, maar alleen regels stelt voor bedrijfsmatig gehouden dieren?

Kunt u uiteenzetten waarom u kiest voor een onderscheid tussen bedrijfsmatig en hobbymatig gehouden dieren? Wat is het verschil in criteria voor dierenwelzijn bij fokken, huisvesten en verzorgen van dieren, die gehouden worden voor de hobby of niet?

De welzijnsrisico’s en de onderliggende oorzaken schat ik anders in bij hobbyhouders en particulieren enerzijds, en bedrijfsmatige handel anderzijds. Voor de eerste groep ben ik voornemens enkele algemene verzorgingsnormen in de uitvoeringsregels bij de Wet dieren op te nemen in aanvulling op het verbod op mishandeling en verwaarlozing. Daarnaast zet ik mij voor deze groep in voor een goede voorlichting via bijvoorbeeld het LICG. De welzijnsrisico’s ten gevolge van de belangen gemoeid met de handel rechtvaardigen uitgebreidere voorschriften welke opgenomen zijn in het onderhavige besluit.

41

Kunt u aangeven hoe u de naleving van deze regels bij de levendige handel in honden, katten en andere gezelschapsdieren via Marktplaats wilt gaan controleren en handhaven? Hoe gaat u daarbij uitzoeken of er gezelschapsdieren worden verkocht aan anderen dan familie en vrienden?

De NVWA handhaaft op grond van risicoanalyse. De inzet van internetrecherche is een instrument dat deel uit kan maken van de handhavingsstrategie. Er is al ervaring opgedaan met methoden voor internetrecherche, waarbij gericht gecontroleerd kan worden (binnen de mogelijkheden van deze methode) of er naast directe verkoop aan privé- eigenaren ook verkoop aan bedrijfsmatig opererende partijen plaats vindt.

42

Kunnen de passages op bladzijde 17 en 19 ten aanzien van wel of niet bedrijfsmatigheid gelijkluidend worden aangepast, aangezien de passage op bladzijde 17 duidelijker is?

De passages met betrekking tot bedrijfsmatigheid hoeven niet te worden aangepast. De passage op bladzijde 17 gaat over de invulling van het begrip bedrijfsmatigheid. De passage op bladzijde 19 gaat nader in op de activiteiten die onder de werking van dit besluit vallen.

43

Waarom is de grens van 20 honden (4 nesten per jaar) uit het HKB overgenomen? Bent u voornemens om ook voor andere diersoorten een dergelijke getalsmatige richtsnoer te gaan formuleren

Voor honden en katten is in de nota van toelichting bij het HKB 1999 een getalsmatige duiding gegeven wanneer sprake is van bedrijfsmatig handelen. Ook in het kader van dit besluit wordt als richtsnoer genomen dat iemand bedrijfsmatig handelt, indien hij in een aaneengesloten periode van 12 maanden in totaal meer dan 20 honden of katten heeft verkocht, afgeleverd, gehouden ten behoeve van opvang of gefokt ten behoeve van de verkoop of aflevering. Er is geen verandering met betrekking tot het bedrijfsmatig handelen met honden en katten beoogd, daarom is deze getalsmatige duiding aangehouden. Er vindt daarmee geen wijziging plaats ten opzichte van de reikwijdte van het HKB 1999. Dit laat overigens onverlet dat het genoemde aantal slechts een indicatie is en geen doorslaggevend criterium.

Ten opzichte van het HKB 1999 ziet het besluit op meer diersoorten. Het is ondoenlijk om voor al deze soorten een getalsmatige duiding te geven wanneer sprake is van bedrijfsmatig handelen, zoals bij honden en katten gebeurt.

44

Kunt u aangeven welk ethisch kader ten grondslag ligt aan de afweging of een diersoort «kennelijk» bestemd is om te houden voor liefhebberij of gezelschap?

Volgens de definitie van gezelschapsdier in het Besluit gezelschapsdieren moet het gaan om dieren die kennelijk bestemd zijn om te worden gehouden voor liefhebberij of gezelschap. Zonder het woord «kennelijk» zou elke keer bewezen moeten worden dat een dier daadwerkelijk gehouden wordt voor liefhebberij of gezelschap. Daaraan ligt geen ethisch kader ten grondslag.

47

Zijn er afdoende mogelijkheden voor kopers van dieren om, indien zij een ziekelijk dier gekocht hebben, hier genoegdoening voor te krijgen en een misstand gemakkelijk te melden?

In dat geval gelden de gebruikelijke regels uit het privaatrecht met betrekking tot de koop en verkoop van goederen. Misstanden kunnen gemeld worden bij het landelijke nummer 144.

51

Welke onderdeel van uw ministerie is verantwoordelijk voor de meldingsplicht?

Dit wordt nog nader bepaald.

53 en 62

Waar is het criterium van informatiebehoefte van de diverse diersoorten terug te vinden en hoe wordt dit gewaarborgd, gecontroleerd en gehandhaafd?

Hoe wordt de betrouwbaarheid van de schriftelijke informatie getoetst en de afgifte ervan gecontroleerd en gehandhaafd?

Bij de aanschaf van een dier dient op basis van de artikelen 14 en 15 van het Besluit informatie meegegeven te worden betreffende de gezondheid en het welzijn van een dier. De dierenbijsluiters van het LICG vormen een goed voorbeeld van informatie die kan worden meegegeven. Doel is de koper in staat te stellen het gezelschapsdier zo goed mogelijk te verzorgen. Ter invulling van een behoefte aan informatie bij de koper en houder van gezelschapsdieren geeft het LICG neutrale en objectieve voorlichting over het verantwoord houden van dieren. Dit wordt door mij en door verschillende stakeholders, waaronder de Dierenbescherming en brancheorganisatie Dibevo gefinancierd. De houders zijn diegenen die zich als verantwoordelijk houder dienen te gedragen. Alle informatie uit de dierenbijsluiters van het LICG wordt door een toetsingscommissie getoetst. De faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, tevens participerend in het bestuur van het LICG, is hierbij betrokken.

Mocht niet worden voldaan aan de criteria die in de artikelen worden gesteld, dan kan handhavend worden opgetreden door NVWA en/of LID.

57

Hoe wordt rekening gehouden met de ethologische en fysiologische behoeften van katten, konijnen en overige diersoorten om tijd door te brengen buiten de ruimte waarin deze gehouden worden

Voor alle diersoorten geldt op grond van artikel 9, tweede lid, onderdeel b, dat een ruimte aangepast moet zijn aan fysiologische en ethologische behoeften van het dier. Dieren die dus het beste buiten gehouden kunnen worden of de behoefte hebben om tijd buiten het verblijf door te brengen, moeten ook naar buiten kunnen.

60

Kunt u per diersoort aangeven welke maatregelen er voor de fokkers, handelaren en houders gaan gelden om in het kader van de volksgezondheid de risico’s op zoönoses, als bijvoorbeeld papegaaienziekte, zo laag mogelijk te kunnen houden?

Het Besluit gezelschapsdieren gaat over welzijn en gezondheid van bedrijfsmatig gehouden gezelschapsdieren. Het is niet bedoeld ter preventie of bestrijding van zoönoses. Daarvoor dient het reguliere wettelijke kader voor preventie/bestrijding dierziekten en zoönosen op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, bijvoorbeeld de bestrijdingsplicht voor rabiës (hondsdolheid).

61

Hoe wordt de inhoud en de uitvoering van het protocol gezondheid gecontroleerd en gehandhaafd?

Bij een controle zal op aanwezigheid van het protocol worden gecontroleerd. Vervolgens wordt de kwaliteit van het protocol beoordeeld en bezien of er discrepantie bestaat tussen hetgeen in het protocol staat en hoe de feitelijke situatie is.

63

Welke relevante informatie met betrekking tot de gezondheidsstatus wordt verplicht gesteld?

Indien het dieren betreft die in de regel gevaccineerd worden, zoals honden en katten, dient alle relevante informatie met betrekking tot de vaccinatiestatus te worden verstrekt. Is de vaccinatiestatus onbekend, dan dient dat te worden aangegeven. Daarnaast dient de verkoper van een dier ten minste aan te geven in welke gezondheidstoestand het dier bij verkoop verkeert.

Daarnaast kan het aangewezen zijn bij de verkoop van een dier informatie te verstrekken over het vóórkomen van mogelijke erfelijke aandoeningen bij het desbetreffende dier of het ras waartoe het dier behoort.

64

Hoe worden de regels met betrekking tot socialisatie afgestemd op de leeftijd van het scheiden van het moederdier in het Besluit houden van dieren?

Het gaat hier om 2 aparte regimes, die elkaar aanvullen. Het Besluit scheiden van dieren moet uiteraard in acht worden genomen. De leeftijd waarop nakomelingen van hun ouders mogen worden gescheiden, is afgestemd op de socialisatiebehoefte van een dier. Tevens stopt socialisatie niet als een nakomeling van zijn moeder wordt gescheiden. Op grond van artikel 20 moet zorg worden gedragen voor de socialisatie van het dier als een gezelschapsdier in een inrichting verblijft in de periode waarin het dier ontvankelijk is voor socialisatie.

65 en 70

Kunt u uitleggen hoe de omschrijving van socialisatie ten aanzien van het wennen aan houderijomstandigheden zich verhoudt tot het tonen van soorteigen gedrag?

Waarom is er ten aanzien van socialisatie een onderscheid tussen diersoorten gemaakt, immers ook voor veel andere gehouden diersoorten is aandacht voor socialisatie van belang? Kunt u toelichten hoe u de socialisatie van andere diersoorten gaat waarborgen en hoe u dit wilt gaan controleren en handhaven?

Dieren zijn in de gezelschapsdierenfokkerij bestemd om te worden gehouden voor gezelschap en daartoe is het gewenst dat bij socialisatie zorg wordt besteed aan het leren omgaan met houderijomstandigheden en met mensen en hun aanwezigheid. Daarnaast is echter evengoed van belang dat het dier soorteigen gedrag leert middels socialisatie en dat kan tonen. Dieren dienen daarnaast te wennen aan soortgenoten en relevante andere diersoorten.

Bij de zorg voor socialisatie dient dus aandacht besteedt te worden aan diverse aspecten die relevant zijn bij het houden van dieren voor gezelschap met daarbij ook voldoende aandacht voor de mogelijkheid tot het ontwikkelen en tonen van soorteigen gedrag.

Er wordt in het Besluit geen onderscheid tussen diersoorten gemaakt in artikel 20 over socialisatie. In de toelichting is aangegeven dat deze bepaling vooral van belang is voor honden en katten, maar ook voor andere veelgehouden gezelschapsdieren zoals konijnen en papegaai-achtigen. De lengte van de socialisatieperiode is per diersoort verschillend en kan ook binnen diersoorten enigszins variëren.

Niet alle dieren die onder de reikwijdte van het Besluit vallen zijn even ontvankelijk voor socialisatie en eveneens kan socialisatie weinig effect op het gedrag hebben of zelfs minder wenselijk zijn. Het artikel en de daarin opgenomen verplichting dient dan ook zodanig te worden opgevat.

Voor de vraag met betrekking tot controle en handhaving verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 9, 77, 82 en 83.

69

Bent u bereid om ter bestrijding en/of vermindering van erfelijke kenmerken van honden (overdrijvingen en aandoeningen) gedragstesten en/of gezondheidstesten verplicht te stellen voor dieren waarmee wordt gefokt?

Fokkers kunnen onder meer voldoen aan de gestelde regels in artikel 19 van het Besluit gezelschapsdieren met behulp van bestaande gedragstesten en gezondheidstesten. Ik wil niet voorschrijven hoe zij dat exact moeten doen of welke testen men zou moeten gebruiken.

71

Waarom zijn de vier kaders ten behoeve van fokkerij niet opgenomen in artikel 19?

De vier kaders van de Raad voor Dieraangelegenheden (RDA) in haar zienswijze «Fokkerij en voortplantingstechnieken» behelzen het behoud van vitaliteit en fysieke gezondheid, soorteigen gedrag en mentale gezondheid, integriteit en genetische diversiteit.

Het besluit behelst randvoorwaarden waarbinnen gefokt mag worden met gezelschapsdieren. De bovengenoemde kaders komen niet letterlijk terug in artikel 19, maar de daarin opgenomen voorschriften beogen hetzelfde en komen materieel overeen met de aanbevelingen van de RDA.

72

Wat zijn de belangrijkste oorzaken van de forse toename van de administratieve lasten en kosten voor het bedrijfsleven?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar paragraaf 5 van de nota van toelichting.

73

Hoe gaat u controleren en handhaven dat er vakbekwaam personeel aanwezig is of supervisie door vakbekwaam personeel plaatsvindt?

Door bij een controle het vereiste vakbekwaamheidsbewijs te controleren.

74 en 75

Kunt u toelichten waarom u de verkoop van gezelschapsdieren op tentoonstellingen, beursen of markten wilt blijven toestaan, terwijl bekend is dat dit bijdraagt aan impulsaankopen van dieren, wat conform de Ongeriefanalyse van Wageningen UR (juli 2010) leidt tot een hoop vermijdbare welzijnsproblemen? Hoe verhoudt zich dit met de algemene doelstelling van dit besluit om het dierenwelzijn te bevorderen?

Kunt u toelichten waarom u de handelsmogelijkheden van fokkers, zwaarder wegen dan dierenwelzijn en de verkoop blijft van dieren op beurzen, markten en tentoonstellingen blijft toestaan, terwijl uit de Ongeriefanalyse van Wageningen UR (juli 2010) blijkt dat het transport naar en aanwezigheid op evenementen voor dieren een bron van stress is? Hoe verhoudt zich dit met de algemene doelstelling van dit besluit om het dierenwelzijn te bevorderen?

Ik heb een afweging gemaakt tussen de belangen van handelaren en van het welzijn van dieren. Ik verwijs u daarvoor naar paragraaf 3.2, onderdeel c, van de nota van toelichting. Met het stellen van eisen aan tentoonstellingen, beurzen en markten beoog ik het welzijn van dieren op die locaties te waarborgen, maar ook de handel doorgang te laten vinden.

76

Kunt u uitleggen aan welke welzijnseisen op een tentoonstelling, beurs of markt, waar dieren veelal de hele dag met ingezwachtelde oren of met haren in de krulspelden van hand tot hand gaan, voldaan moet gaan worden en hoe u dit wilt controleren en handhaven

Dierhouders dienen op verantwoorde wijze om te gaan met hun dieren en dienen te handelen met respect voor integriteit en intrinsieke waarde dier. Ik ben voornemens met het Besluit houders van dieren in het kader van de Wet dieren te voorzien in enkele algemene uitgangspunten over het houden en verzorgen van dieren voor houders.

Excessen kunnen op basis van artikel 36 en 37 worden aangepakt.

78

Wat zijn de gevolgen als iemand niet voldoet aan de aanmeldingsplicht?

Dan is sprake van overtreding van een norm, waarop gehandhaafd kan worden. Overtredingen van de voorschriften gesteld krachtens de artikelen 38, 45, 55 en 56 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zijn strafbaar gesteld in artikel 1, onderdeel 4, van de Wet op de economische delicten. De maximale straf is hechtenis van ten hoogste zes maanden, een taakstraf of geldboete van de vierde categorie (€ 19 500,-). Naast strafrechtelijke handhaving zal bestuursrechterlijke handhaving mogelijk zijn door middel van toepassen van een last onder bestuursdwang dan wel een last onder dwangsom. Met de Wet dieren wordt beoogd de niet-naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften eveneens te kunnen bestraffen met een bestuurlijke boete.

79

Leidt de veterinaire controle ook niet tot (nalevings)kosten voor de veterinairen?

Nee. Zij zijn niet degene aan wie de plicht wordt opgelegd, dat zijn de organisatoren van beurzen, markten en tentoonstellingen.

80

Klopt het dat er geen export plaatsvindt van dieren vanuit asielen en pensions? Zo ja, waarom eigenlijk niet?

Mij is niet bekend dat er export van enige betekenis van dieren plaatsvindt vanuit asielen en pensions. Dergelijke activiteiten sluiten niet aan bij de doelstellingen van asielen en pensions.

81

Heeft het besluit geen impact op de import van vogels?

De veterinairrechterlijke voorschriften bij import van vogels zijn vastgelegd in andere wetgeving. Deze worden door dit Besluit niet gewijzigd. Wel zal vanaf het moment dat vogels zich in Nederland bevinden, voldaan moeten worden aan het Besluit gezelschapsdieren, bijvoorbeeld voor wat betreft de verzorging en huisvesting. Of dit impact heeft op de mate waarin import van vogels plaatsvindt, valt nu niet te voorspellen.

84

Kunt u aangeven wat u gaat doen om te voorkomen dat (uitheemse) dieren gedumpt worden in de vrije natuur? Wat gaat u doen om de daarmee gepaard gaande welzijnsproblemen en de problematiek van de zogenaamde invasieve exoten te voorkomen?

De Flora en faunawet bevat een verbod op het loslaten van dieren of laten ontsnappen in de natuur. Er kan dus tegen het achterlaten van dieren worden opgetreden (mits de dader bekend is).

Daarnaast overweeg ik om via de NVWA een communicatiecampagne te laten starten om mensen te wijzen op de gevolgen van faunavervalsing.

85

Kunt u uitleggen waarom er voor een identificatie en registratie (I&R) verplichting onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende diersoorten en niet is gekozen voor een algehele verplichting om gehouden dieren te identificeren en registeren, zodat eigenaren zich niet ongestraft op eenvoudige wijze van «ongewenste» dieren kunnen ontdoen?

Het Besluit gezelschapsdieren bevat geen Identificatie & Registratie verplichting (I&R). Er is wel een besluit in voorbereiding voor een verplichte I&R van honden.

Het toepassen van een identificatie en registratieverplichting brengt een aantal verplichtingen met zich mee welke leiden tot extra uitvoeringskosten en nalevingskosten. Voor elke diersoort zal overwogen moeten worden in welke mate de verplichting tot I&R in verhouding staat tot het doel waarvoor de verplichting wordt aangewend. Bij de landbouwhuisdieren is de verplichting sterk gericht op dierziektebestrijding en de voedselveiligheid. Bij honden is de voorgenomen verplichting gericht op welzijn en het tegengaan van illegale handel.

86 en 87

Kunt u uitleggen hoe u de malafide handel in de diverse gezelschapsdieren en de insleep van dierziekten wilt aanpakken zonder een I&R in combinatie met een gezondheids – en vaccinatiestatus verplicht te stellen?

Kunt u uitleggen hoe u de illegale handel van puppy’s en volwassen honden vanuit buiten Nederland wilt aanpakken als naast de I&R van de pup geen herkomst of afstamming geregistreerd hoeft te worden?

Door de verplicht vast te leggen gegevens in de I&R database wordt zichtbaar of het al dan niet gaat om een hond of pup die van buiten Nederland komt. De fokker/ en of handelaar is verplicht te melden of het een dier uit het buitenland is of een dier uit Nederland betreft.

Omdat Nederlandse fokkers en handelaren kenbaar en traceerbaar worden zullen «verdachte» handelsstromen eerder opvallen en illegale dierstromen beter in beeld komen. De drempel om in strijd te handelen met regels, en de pakkans worden hiermee een stuk hoger.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Snijder-Hazelhoff, J.F. (VVD), Koopmans, G.P.J. (CDA), Ham, B. van der (D66), voorzitter, Smeets, P.E. (PvdA), Samsom, D.M. (PvdA), Jansen, P.F.C. (SP), ondervoorzitter, Jacobi, L. (PvdA), Koppejan, A.J. (CDA), Graus, D.J.G. (PVV), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Ouwehand, E. (PvdD), Wiegman-van Meppelen Scheppink, E.E. (CU), Tongeren, L. van (GL), Ziengs, E. (VVD), Braakhuis, B.A.M. (GL), Gerbrands, K. (PVV), Lodders, W.J.H. (VVD), Vliet, R.A. van (PVV), Dijkgraaf, E. (SGP), Schaart, A.H.M. (VVD), Verhoeven, K. (D66), Werf, M.C.I. van der (CDA) en Hilkens, M. (PvdA).

Plv. leden: Elias, T.M.Ch. (VVD), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Koolmees, W. (D66), Dikkers, S.W. (PvdA), Dekken, T.R. van (PvdA), Irrgang, E. (SP), Groot, V.A. (PvdA), Holtackers, M.P.M. (CDA), Dijck, A.P.C. van (PVV), Gerven, H.P.J. van (SP), Hazekamp, A.A.H. (PvdD), Schouten, C.J. (CU), Gent, W. van (GL), Leegte, R.W. (VVD), Grashoff, H.J. (GL), Mos, R. de (PVV), Taverne, J. (VVD), Bemmel, J.J.G. van (PVV), Staaij, C.G. van der (SGP), Houwers, J. (VVD), Veldhoven, S. van (D66), Ormel, H.J. (CDA) en Jadnanansing, T.M. (PvdA).