Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatsblad 2012, 150AMvB

Besluit van 5 april 2012, houdende wijziging van het Besluit OM-afdoening en enkele andere besluiten in verband met de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 12 december 2011, nr. 5718562/11/6;

Gelet op de artikelen 2, tweede lid, en 8, vijfde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de artikelen 257ba en 572, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 februari 2012, no. W03.11.0527/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 29 maart 2012, directie wetgeving, nr. 5724403/12/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit OM-afdoening wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt «Onze Minister van Justitie» vervangen door: Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, worden de onderdelen d tot en met e toegevoegd, luidende:

d. hoofdofficier van justitie:

de officier van justitie in de rang van hoofdofficier van justitie die aan het hoofd staat van het arrondissementsparket, het landelijk parket of het functioneel parket;

e. buitengewoon opsporingsambtenaar:

de ambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van de wet;

f. toezichthouder:

toezichthouder, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar;

g. direct toezichthouder:

direct toezichthouder, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel b, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.

B

In artikel 3.1, eerste lid, vervallen de onderdelen c tot en met f.

C

In artikel 3.2, vijfde lid, vervalt: aanhef en onderdeel c,.

D

In artikel 3.3 wordt «de bijlage» telkens vervangen door: bijlage I.

E

In artikel 3.6, eerste lid, wordt «Het openbaar ministerie» vervangen door: Het College van procureurs-generaal.

F

In artikel 3.7 vervallen het tweede en het derde lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

G

De artikelen 5.1 en 5.2 worden vernummerd tot artikelen 5.2 en 5.3.

H

Artikel 4.8 wordt genummerd tot artikel 5.1 en opgenomen in hoofdstuk V.

I

Artikel 5.3 (nieuw) komt te luiden:

Artikel 5.3

Artikel 5.1 van dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat niet later is gelegen dan 1 april 2013.

J

Hoofdstuk IV komt te luiden:

Hoofdstuk IV. De strafbeschikking in de zin van artikel 257ba van de wet

Artikel 4.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. strafbeschikkingsbevoegdheid:

de bevoegdheid een strafbeschikking bedoeld in artikel 257ba van de wet, inhoudende een geldboete, uit te vaardigen;

b. lichaam of persoon:

het lichaam of de persoon met een publieke taak belast, bedoeld in artikel 4.2;

c. Regionale Uitvoeringsdienst:

een openbaar lichaam in de zin van artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen belast met de uitvoering van het toezicht op en de handhaving van milieuregelgeving;

d. algemeen opsporingsambtenaar:

de ambtenaar, bedoeld in artikel 141, aanhef en onder b en d, van de wet;

e. bevoegde ambtenaar:

de buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van of werkzaam voor een lichaam of een persoon, voor zover hij bevoegd is tot opsporing van de zaken bedoeld in artikel 4.3 en de algemeen opsporingsambtenaar werkzaam voor een lichaam of een persoon.

Artikel 4.2

Voor zaken betreffende de in artikel 4.3 aangewezen strafbare feiten wordt de strafbeschikkingsbevoegdheid toegekend aan de volgende lichamen of personen:

  • a. de directeuren van de Regionale Uitvoeringsdiensten, voor de feiten vermeld in hoofdstuk 1 van bijlage II van dit besluit;

  • b. de dagelijkse besturen van de waterschappen voor feiten vermeld in bijlage II van dit besluit;

  • c. de hoofdingenieurs-directeur van de regionale en landelijke diensten van Rijkswaterstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu voor feiten vermeld in bijlage II van dit besluit;

  • d. de inspecteur-generaal van de Inspectie voor Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, voor de feiten vermeld in hoofdstuk 1 van bijlage II van dit besluit;

  • e. de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, voor de feiten vermeld in hoofdstuk 1 van bijlage II van dit besluit;

  • f. het college van gedeputeerde staten van de provincies, voor zover in de provincie of delen daarvan nog geen Regionale Uitvoeringsdienst is ingesteld, voor de feiten vermeld in hoofdstuk 1 van bijlage II van dit besluit.

Artikel 4.3

Zaken waarin de strafbeschikkingsbevoegdheid kan worden uitgeoefend, betreffen de door de bevoegde ambtenaar geconstateerde strafbare feiten, aangeduid in bijlage II van dit besluit, voor zover die strafbare feiten van geringe ernst of eenvoudige aard zijn zoals nader omschreven in de richtlijnen, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid en voor zover de verdachte behoort tot een categorie die met betrekking tot die feiten in bijlage II van dit besluit is vermeld.

Artikel 4.4

Een lichaam of een persoon maakt geen gebruik van zijn strafbeschikkingsbevoegdheid indien:

  • a. het een strafbaar feit betreft dat is begaan door een persoon die jonger is dan achttien jaar;

  • b. het een strafbaar feit betreft dat is begaan door een openbaar lichaam;

  • c. degene onder wie één of meer voorwerpen in beslag zijn genomen, weigert afstand te doen;

  • d. voor opsporing van het strafbare feit internationale rechtshulp nodig is;

  • e. het strafbare feit wordt geconstateerd met één of meer strafbare feiten waarvoor de strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend, indien het gezamenlijke boetebedrag voor deze economische milieufeiten hoger is dan € 2.000 voor een natuurlijk persoon of € 10.000 voor een rechtspersoon;

  • f. het strafbare feit wordt geconstateerd met één of meer strafbare feiten waarvoor de strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend, indien het gezamenlijke boetebedrag voor niet-economische milieufeiten hoger is dan € 2.000 voor een natuurlijk persoon of een rechtspersoon;

  • g. sprake is van aanwijzingen voor een wederrechtelijk verkregen voordeel van meer dan € 5.000;

  • h. het strafbare feit een wederrechtelijke gedraging betreft waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen danwel aanzienlijke schade aan dieren of planten wordt veroorzaakt, dan wel dreigt te worden veroorzaakt.

Artikel 4.5
  • 1. De betrokken hoofdofficier van justitie kan de strafbeschikkingsbevoegdheid tot nader bericht intrekken indien de taakvervulling van een persoon of de wijze waarop een lichaam gebruik maakt van de bevoegdheid, zulks naar zijn oordeel vordert.

  • 2. Alvorens een beschikking, bedoeld in het eerste lid, te geven, hoort de hoofdofficier van justitie het betrokken lichaam of de betrokken persoon.

  • 3. De hoofdofficier van justitie geeft zijn nader bericht slechts na hernieuwd overleg.

Artikel 4.6
  • 1. Het College van procureurs-generaal vaardigt richtlijnen uit waarin ten aanzien van elk feit waarvoor een lichaam of een persoon een strafbeschikking kan uitvaardigen de hoogte van de daarin op te leggen geldboete wordt bepaald. Deze richtlijnen worden in de Staatscourant bekend gemaakt.

  • 2. De bevoegde ambtenaar wordt door het lichaam of de persoon in het bezit gesteld van een lijst met de feiten waarvoor de strafbeschikking kan worden uitgevaardigd. Desgevraagd verleent hij aan de verdachte inzage in deze lijst.

Artikel 4.7

Een lichaam of een persoon houdt aantekening van elke zaak waarin hij van zijn strafbeschikkingsbevoegdheid gebruik maakt.

K

Het opschrift van de bijlage wordt: Bijlage I.

L

In bijlage I worden onder Nummers E 801 - E 837: Vreemdelingenwet 2000 (Vrw 2000) en Vreemdelingenbesluit 2000 (VB 2000) na E 822 f, als vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, niet onmiddellijk van zijn aanwezigheid mededeling doen aan de korpschef van de gemeente waar hij verblijft, gedurende een illegaal verblijf langer dan 2 jaar, de volgende rijen ingevoegd, luidende:

     

Feit

overtreden artikel

categorie

     

Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd (anders dan met toepassing van artikel 66a, zevende lid, Vrw 2000)

108 lid 1 en 6 jo. 66a Vrw 2000

 

E

824

a

– voor een periode van 1 tot 15 dagen

 

8

E

824

b

– voor een periode van 15 dagen tot 3 maanden

 

8

E

824

c

– voor een periode van 3 maanden tot 6 maanden

 

8

E

824

d

– voor een periode van 6 maanden tot 1 jaar

 

8

E

824

e

– voor een periode van 1 jaar tot 2 jaar

 

8

E

824

f

– voor een periode langer dan 2 jaar

 

8

E

824

g

– voor een onbekende periode

 

8

M

Na bijlage I wordt bijlage II toegevoegd, luidende:

Bijlage II

HOOFDSTUK 1. MILIEUFEITEN

Categorie 1. Natuurlijk persoon

Categorie 2. Rechtspersoon

Code

Omschrijving feit

Artikel

Categorie

       

Afdeling A. Afvalstoffen en Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA)

   
             
       

Afvalstoffen

   
             
       

Nummers BM 001 – BM 010: Wet Milieubeheer

   

r

BM

001

a

zich hebben ontdaan van afvalstoffen, door die afvalstoffen – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te storten en/of anderszins op of in de bodem te brengen en/of te verbranden: 0–5 m3

art. 10.2 Wet milieubeheer

1/2

r

BM

001

b

zich hebben ontdaan van afvalstoffen, door die afvalstoffen – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te storten en/of anderszins op of in de bodem te brengen en/of te verbranden: 5–10 m3

art. 10.2 Wet milieubeheer

1/2

r

BM

002

 

zich hebben ontdaan van afvalwater en/of andere afvalstoffen, anders dan vanuit een inrichting, door deze in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater te brengen

art. 10.30 Wet milieubeheer

1/2

r

BM

003

 

zich door afgifte aan een ander hebben ontdaan van bedrijfsafvalstoffen; max. 10 m3

art. 10.37 Wet milieubeheer

1/2

r

BM

004

 

als degene die zich van bedrijfsafvalstoffen heeft ontdaan door deze af te geven aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met f Wet milieubeheer, niet registreren van een of meer gegevens als bedoeld in art. 10.38 lid 1 onder a tot en met f Wet milieubeheer

art. 10.38 lid 1 Wet milieubeheer jo Art. 10.37 lid 2 sub a t/m f Wet milieubeheer

1/2

r

BM

005

 

als een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b Wet milieubeheer, die zich van bedrijfsafvalstoffen heeft ontdaan door deze af te geven aan een andere zodanige persoon, niet melden van, met betrekking tot een zodanige afgifte, de in artikel 10.38, eerste lid Wet milieubeheer bedoelde gegevens aan een door onze minister aan te wijzen instantie

art. 10.38 lid 3 Wet milieubeheer jo Art. 10.38 lid sub a tot en met f jo Art. 10.37 lid 2 sub a of b Wet milieubeheer

1/2

r

BM

006

 

als degene die zich van bedrijfsafvalstoffen heeft ontdaan door afgifte aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met e Wet milieubeheer, aan degene die opdracht heeft de afvalstoffen naar die persoon te vervoeren, niet verstrekken van een begeleidingsbrief, welke ten minste de in het eerste lid, onder a, en de in artikel 10.38, eerste lid Wet milieubeheer, bedoelde gegevens bevatte

art. 10.39 lid 2 Wet milieubeheer jo Art. 10.39 lid 1 jo Art. 10.37 lid 2 sub a t/m e Wet milieubeheer

1/2

r

BM

007

 

als degene als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b Wet milieubeheer, aan wie bedrijfsafvalstoffen worden afgegeven, zodanige afgifte niet melden aan een door onze minister aan te wijzen instantie

art. 10.40 lid 1 Wet milieubeheer jo Art. 10.37 lid 2 sub a of b Wet milieubeheer

1/2

r

BM

008

 

als degene als bedoeld in artikel 10.40, eerste lid Wet milieubeheer, bedrijfsafvalstoffen in ontvangst nemen zonder dat hem daarbij een omschrijving en een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a en b Wet milieubeheer, is verstrekt

art. 10.40 lid 2 Wet milieubeheer jo Art. 10.40 lid Wet milieubeheer jo Art. 10.39 lid 1 sub a en b Wet milieubeheer

1/2

r

BM

009

 

als degene die bedrijfsafvalstoffen vervoert, terwijl hij die afvalstoffen onder zich heeft, geen begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 Wet milieubeheer bij die afvalstoffen aanwezig hebben

art. 10.44 lid 1 Wet milieubeheer

1/2

r

BM

010

 

bedrijfsafvalstoffen inzamelen zonder vermelding op een lijst van inzamelaars

art. 10.45 lid 1 sub a Wet milieubeheer

1/2

             
       

Nummer BM 011: Besluit inzamelen afvalstoffen

   

r

BM

011

 

als inzamelaar tijdens het inzamelen geen gewaarmerkte kopie van het certificaat waaruit blijkt dat hij op de lijst van inzamelaars staat vermeld, zichtbaar ten behoeve van de handhaving aanwezig hebben

art. 6 Besluit inzamelen afvalstoffen

½

             
       

Nummers BM 012 – BM 015: Besluit beheer autowrakken

   

r

BM

012

a

als producent en/of importeur van voertuigen die onder zijn verantwoordelijkheid in Nederland aan een ander ter beschikking zijn gesteld geen zorg dragen voor: een landelijk dekkend innamesysteem voor autowrakken

art. 8 sub a Besluit beheer autowrakken

½

r

BM

012

b

als producent en/of importeur van voertuigen die onder zijn verantwoordelijkheid in Nederland aan een ander ter beschikking zijn gesteld geen zorg dragen voor: het om niet kunnen afgeven van autowrakken

art. 8 sub b Besluit beheer autowrakken

½

r

BM

012

c

als producent en/of importeur van voertuigen die onder zijn verantwoordelijkheid in Nederland aan een ander ter beschikking zijn gesteld geen zorg dragen voor: het opzetten van een verwerkingssysteem voor autowrakken

art. 8 sub c Besluit beheer autowrakken

½

r

BM

013

 

als producent en/of importeur van voertuigen niet binnen dertien weken nadat dit besluit op hem van toepassing is geworden, aan Onze Minister mededeling doen over de wijze waarop uitvoering zal worden geven aan de verplichtingen

art. 12 lid 1 Besluit beheer autowrakken

½

r

BM

014

 

als producent en/of importeur van voertuigen niet de verplichtingen uitvoeren overeenkomstig de mededeling, zoals onze minister daarmee heeft ingestemd

art. 14 Besluit beheer autowrakken

½

r

BM

015

 

als producent en/of importeur van voertuigen niet voor 1 augustus van elk jaar aan Onze Minister een verslag zenden over de uitvoering van de verplichtingen in het voorafgaande kalenderjaar

art. 15 lid 1 Besluit beheer autowrakken

½

             
       

Nummer BM 016: Besluit beheer batterijen en accu's 2008

   

r

BM

016

 

als producent en/of fabrikant van batterijen en/of accu’s niet binnen dertien weken nadat de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 op hem van toepassing is geworden, mededeling doen aan Onze Minister

art. 2 lid 1 Besluit beheer batterijen en accu’s 2008

½

             
       

Nummers BM 017 – BM 021: Regeling beheer baterrijen en accu's 2008

   

r

BM

017

 

als producent van draagbare batterijen en/of accu’s geen zorg dragen voor een inzamelingssysteem dat de eindgebruikers in staat stelt om zich in hun nabijheid kosteloos op een in voldoende mate toegankelijk inzamelpunt in Nederland van die draagbare batterijen en accu’s te ontdoen

art. 5 lid 1 Regeling beheer batterijen en accu’s 2008

½

r

BM

018

 

als producent van draagbare batterijen en/of accu’s geen zorg dragen voor een systeem voor de verwerking en de recycling als materiaal van afgedankte batterijen en accu’s

art. 7 lid 1 sub a Regeling beheer batterijen en accu’s 2008

½

r

BM

019

 

batterijen en/of accu’s en/of batterijpakken zijn voorzien van het symbool, bedoeld in bijlage II, van richtlijn 2006/66/EG (afvalcontainer met kruis)

art. 9 lid 1 sub a Regeling beheer batterijen en accu’s 2008

½

r

BM

020

 

als producent van draagbare batterijen en/of accu’s zich niet laten registreren bij de Minister van Infrastructuur en Milieu

art. 12 Regeling beheer batterijen en accu’s 2008

½

r

BM

021

 

als fabrikant en/of producent van draagbare batterijen en/of accu’s niet voor 1 augustus van elk jaar aan de Minister van Infrastructuur en Milieu een verslag zenden

art. 13 lid 1 Regeling beheer

½

             
       

Nummer BM 022: Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur

   

r

BM

022

 

als producent van elektrische en/of elektronische apparatuur niet binnen dertien weken nadat de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur op hem van toepassing is geworden mededeling doen aan onze minister

art. 4 lid 1 Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur

½

             
       

Nummers BM 023 – BM 026: Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur

   

r

BM

023

 

als producent en/of fabrikant van batterijen en/of accu’s niet binnen dertien weken nadat de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 op hem van toepassing is geworden, mededeling doen aan Onze Minister

art. 7 Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur

½

r

BM

024

 

als producent van elektrische en/of elektronische apparatuur geen zorg dragen voor vervoer en/of verwerking van afgedankte elektrische en/of elektronische apparatuur

art. 8 lid 1 en 2 Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur

½

r

BM

025

a

als producent van elektrische/elektronische apparatuur de door hem geproduceerde elektrische/elektronische apparatuur niet voorzien van: een symbool zoals opgenomen is in bijlage IV bij richtlijn nr. 2002/96/EG (afvalcontainer met kruis)

art. 13 lid 1 sub a Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur

½

r

BM

025

b

als producent van elektrische en/of elektronische apparatuur de door hem geproduceerde elektrische en/of elektronische apparatuur niet voorzien van: een aanduiding waardoor de producent duidelijk is te identificeren

art. 13 lid 1 sub b Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur

½

r

BM

025

c

als producent van elektrische/elektronische apparatuur de door hem geproduceerde elektrische/elektronische apparatuur niet voorzien van: een aanduiding waaruit blijkt dat het apparaat na 13 augustus 2005 op de markt is gebracht

art. 13 lid 1 sub c Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur

½

r

BM

026

 

als producent van elektrische en/of elektronische apparatuur niet binnen 6 maanden na afloop van ieder kalenderjaar de Minister van Infrastructuur en Milieu informeren

art. 16 Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur

½

             
       

Nummers BM 027 – BM 028: Regeling meetmethoden verbranden afvalstoffen

   

r

BM

027

 

niet voor 1 april van elk kalenderjaar de met betrekking tot het voorafgaande kalenderjaar geregistreerde gegevens vastgelegd in een rapport toezenden aan het bevoegd gezag

art. 14 lid 2 Regeling meetmethoden verbranden afvalstoffen

½

r

BM

028

 

niet binnen drie maanden nadat een meting of parallelmeting is uitgevoerd de rapportage aan het bevoegd gezag zenden

art. 15 lid 2 Regeling meetmethoden verbranden afvalstoffen

½

             
       

Nummers BM 127 – BM 135: Scheepsafvalstoffenbesluit (SAB)

   

r

BM

127

 

als schipper er geen zorg voor dragen dat bilgewater en overige olie- en vethoudende scheepsafvalstoffen aan boord in de bilge van de machinekamer, onderscheidenlijk gescheiden in de daarvoor bestemde verzamelreservoirs, worden verzameld en bewaard

art. 11 SAB

½

r

BM

128

 

als schipper voor de opslag van afgewerkte olie los aan dek staande verzamelreservoirs gebruiken

art. 12 lid 2 SAB

½

r

BM

129

 

als schipper er niet zorg voor dragen dat een geldig olie-afgifteboekje aan boord aanwezig is

art. 14 lid 1 SAB

½

r

BM

130

 

als schipper, na verkrijging van een nieuw olie-afgifteboekje, niet het voorgaande olie-afgifteboekje ten minste zes maanden na de datum van de laatste daarin opgenomen vermelding van een afgifte aan boord bewaren

art. 14 lid 4 SAB

½

r

BM

131

a

als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: het schip bij het laden vrij van overslagresten of het verwijderen van overslagresten na het laden

art. 33 jo 41 SAB

2

r

BM

131

b

als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: aansluitend aan het lossen van droge lading van of uit het laadruim van een schip de in het laadruim achtergebleven restlading en/of verpakkings- en stuwingsmateriaal verwijderen en zoveel mogelijk toevoegen aan geloste lading

art 33 jo 42 SAB

2

r

BM

131

c

als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: aansluitend aan het lossen van vloeibare lading uit een ladingtank van een schip met behulp van een leiding, aangesloten op het nalenssysteem van het schip, de restlading uit de ladingtank verwijderen, zodanig dat de losstandaard nagelensde ladingtank wordt bereikt

art 33 jo 43 SAB

2

r

BM

131

d

als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: bij het lossen uit een laadruim of een ladingtank van een schip het laadruim of die ladingtank wassen en het afvalwater met ladingrestanten innemen

art. 33 jo 45 SAB

2

r

BM

131

e

als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: wassen van het laadruim en de ladingtank en het innemen en op de bedrijfsriolering lozen van afvalwater dat ladingrestanten bevat in een geval als bedoeld in artikel 46, eerste en tweede lid, SAB

 

2

r

BM

131

f

als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: in het laadruim achterlaten van afvalwater dat ladingrestanten bevat en zich na het lossen of wassen in dat laadruim bevindt, in een geval als bedoeld in artikel 48, onder a t/m c, SAB

art. 33 jo 48 SAB

2

r

BM

131

g

als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: voorleggen van de losverklaring in drievoud aan de schipper dan wel, als het schip niet onder gezag van de schipper staat, aan de exploitant van het schip

art. 33 jo 53, vierde lid SAB

2

r

BM

131

h

als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: het bewaren van het ingevolge artikel 54 SAB ontvangen exemplaar van de losverklaring in de bedrijfsadministratie

art 33 SAB

2

r

BM

132

 

de schipper draagt er geen zorg voor dat de losverklaringen, ontvangen overeenkomstig art 53 SAB, het transport begeleiden

art 56 SAB

½

r

BM

133

 

als schipper met het schip na het laden de laadplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat de overslagresten zijn verwijderd

art.55 lid 1

½

r

BM

134

a

als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat: de overslagresten zijn verwijderd

art. 55 lid 2 onderdeel a SAB

½

r

BM

134

b

als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat: alle geloste laadruimen zijn nagelost en/of ladingtanks nagelensd

art. 55 lid 2 onderdeel a SAB

½

r

BM

134

c

als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat: voldaan is aan de wasverplichting indien die van toepassing is dan wel hem daartoe volgens de bepalingen uit art 47 SAB een voorziening is toegewezen

art. 55 lid 2 onderdeel a SAB

½

r

BM

134

d

als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat: het afvalwater dat ladingresten bevat, is ingenomen, dan wel hem daartoe een ontvangstvoorziening is toegewezen, in een geval als bedoeld in de artikelen 45, 46 of 49 SAB

art. 55 lid 2 onderdeel a SAB

½

r

BM

135

 

als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder te voldoen aan de bepalingen ten aanzien van de losverklaring uit artikel 54 SAB

art. 55 lid 2 onderdeel a SAB

½

             
       

EVOA

   
             
       

Nummers BM 029 – BM 042: Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA)

   

r

BM

029

 

overbrengen van afvalstoffen in strijd met de vervoersvoorwaarden verbonden aan de kennisgeving

art. 10.60 lid 6 onder a Wm i.v.m. art. 10 lid 1 of lid 2 EVOA in combinatie met artikel 11 en 12 EVOA

½

r

BM

030

 

overbrengen van afvalstoffen zonder de betrokken bevoegde autoriteiten (tijdig) op de hoogte te brengen van een – wegens onvoorziene omstandigheden benodigde – routewijziging bij een algemene kennisgeving

art. 10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. art. 13 lid 2 EVOA

½

r

BM

031

 

overbrengen van afvalstoffen in strijd met de voorwaarde dat naderhand aanvullende informatie en documentatie wordt verstrekt aan de betrokken bevoegde autoriteiten in geval van een algemene kennisgeving

art. 10.60 lid 6 onder a Wm i.v.m. art. 13 lid 3 EVOA

½

r

BM

032

 

overbrengen van afvalstoffen terwijl niet binnen drie dagen na ontvangst van de afvalstoffen door de, met voorlopige nuttige toepassing of verwijdering belaste, inrichting een schriftelijke bevestiging van ontvangst van die afvalstoffen is toegestuurd

art. 10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. art. 15 onder c EVOA

½

r

BM

033

a

overbrengen van afvalstoffen terwijl niet: zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 30 dagen na de voltooiing en uiterlijk één kalenderjaar na ontvangst van de afvalstoffen, door de inrichting die de voorlopige nuttige toepassing of voorlopige verwijdering heeft verricht, is bevestigd dat de voorlopige nuttige toepassing of voorlopige verwijdering is voltooid

art. 10.60 lid 7 onder a Wm i.v.m. art. 15 onder d of e EVOA

½

r

BM

033

b

overbrengen van afvalstoffen terwijl niet: afschriften van het vervoersdocument met de verklaring aan de kennisgever en/of de betrokken autoriteiten zijn verstuurd door de betrokken inrichting

art. 10.60 lid 7 onder a Wm i.v.m. art. 15 onder d of e EVOA

½

r

BM

034

 

overbrengen van afvalstoffen terwijl het vervoersdocument niet volledig of onjuist is ingevuld of niet is ondertekend door de kennisgever

art. 10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. art. 16 onder a EVOA

½

r

BM

035

 

overbrengen van afvalstoffen terwijl niet het ingevulde vervoersdocument aan de bevoegde autoriteit minimaal drie werkdagen voorafgaand aan het transport is toegezonden

art. 10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. art. 16 onder b EVOA

½

r

BM

036

 

overbrengen van afvalstoffen waarbij het transport van afvalstoffen op andere dan opgegeven transportdatum plaatsvindt

art. 10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. art. 16 onder b EVOA

½

r

BM

037

 

overbrengen van afvalstoffen waarbij het vervoer niet vergezeld gaat van de juiste documenten (vervoersdocument, de afschriften van het kennisgevingsdocument met de schriftelijke toestemmingen en de voorwaarden die door de betrokken bevoegde autoriteiten resp. zijn verleend en gesteld)

art. 10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. art. 16 onder c EVOA

½

r

BM

038

 

overbrengen van afvalstoffen terwijl de inrichting de ontvangst van de afvalstoffen niet binnen drie dagen na ontvangst van de afvalstoffen heeft bevestigd

art. 10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. art. 16 onder d EVOA

½

r

BM

039

a

overbrengen van afvalstoffen terwijl niet: zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 30 dagen na de voltooiing en uiterlijk één kalenderjaar na ontvangst van de afvalstoffen door de inrichting die de definitieve nuttige toepassing of definitieve verwijdering heeft verricht, is bevestigd dat de definitieve nuttige toepassing of definitieve verwijdering is voltooid

art. 10.60 lid 7 onder a Wm i.v.m. art. 16 onder e EVOA

½

r

BM

039

b

overbrengen van afvalstoffen terwijl niet: afschriften van het vervoersdocument met deze verklaring aan de kennisgever en de betrokken autoriteiten zijn verstuurd door de betrokken inrichting

art. 10.60 lid 7 onder a Wm i.v.m. art. 16 onder e EVOA

½

r

BM

041

a

overbrengen van afvalstoffen voor nuttige toepassing als bedoeld in artikel 3, tweede en/of vierde lid, van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen, terwijl de overbrenging: niet vergezeld gaat van informatie als bedoeld in bijlage VII van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen

art. 10.60 lid 5 Wm i.v.m. art. 2 onder 35 sub g iii EVOA

½

r

BM

041

b

overbrengen van afvalstoffen voor nuttige toepassing als bedoeld in artikel 3, tweede en/of vierde lid, van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen, terwijl de overbrenging: vergezeld gaat van onjuiste informatie als bedoeld in bijlage VII van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen

art. 10.60 lid 5 Wm i.v.m. art. 2 onder 35 sub g iii EVOA

½

r

BM

041

c

overbrengen van afvalstoffen voor nuttige toepassing als bedoeld in artikel 3, tweede en/of vierde lid, van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen, terwijl de overbrenging: vergezeld gaat van onvolledige informatie als bedoeld in bijlage VII van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen

art. 10.56 Wm i.v.m. art. 5 Regeling EG-verordening overbrenging van afvalstoffen

½

r

BM

042

 

niet gedurende ten minste 5 jaar door de kennisgever en/of de ontvanger en/of de inrichting die de afvalstoffen heeft ontvangen, bewaren van aan of door de bevoegde autoriteiten verzonden documenten inzake de overbrenging van afvalstoffen

art. 10.56 Wm i.v.m. art. 5 Regeling EG-verordening overbrenging van afvalstoffen

½

             
       

Afdeling B. Asbest, Meststoffen en Inrichtingen

   
             
       

Asbest

   
             
       

Nummers BM 043 – BM 044: Asbestverwijderingsbesluit (Avb)

   

r

BM

043

 

bij het gehele of gedeeltelijk slopen van een gebouw of object, niet beschikken over een asbestinventarisatierapport

artikel 3.1 Avb

1

r

BM

044

 

bij het verwijderen van asbest uit een gebouw of object, niet beschikken over een asbestinventarisatierapport

artikel 3.2 Avb

1

             
       

Meststoffen

   
             
       

Nummers BM 045 – BM 066: Besluit gebruik meststoffen (BGM)

   

r

BM

045

 

gebruiken van meststoffen

art. 1a lid 1 BGM

½

r

BM

046

 

gebruiken van zuiveringsslib en overige organische meststoffen

art. 1b lid 1 BGM

½

r

BM

047

 

gebruiken van zuiveringsslib op weideland gedurende de periode van beweiding

art. 1d onderdeel a BGM

½

r

BM

048

 

gebruiken van zuiveringsslib op grond die wordt gebruikt voor de teelt van voedergewassen, minder dan drie weken voor de oogst

art. 1d onderdeel b BGM

½

r

BM

049

 

gebruiken van zuiveringsslib op grond die wordt gebruikt voor groente- of fruitaanplant, met uitzondering van fruitbomen, gedurende de groeiperiode van de groente onderscheidenlijk het fruit

art. 1d onderdeel c BGM

½

r

BM

050

 

gebruiken van zuiveringsslib op grond die is bestemd voor de teelt van groenten of vruchten, die gewoonlijk in rechtstreeks contact met de bodem staan en rauw worden geconsumeerd, minder dan tien maanden voor de oogst alsmede tijdens de oogst

art. 1d onderdeel d BGM

½

r

BM

051

a

gebruiken van dierlijke meststoffen of compost: op natuurterrein

art. 2 lid 1 BGM

½

r

BM

051

b

gebruiken van dierlijke meststoffen of compost: op overige grond

art. 2 lid 1 BGM

½

r

BM

052

 

gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, of een mengsel met deze meststoffen, terwijl de bodem geheel of gedeeltelijk is bevroren of geheel of gedeeltelijk is bedekt met sneeuw

art. 3 lid 1 BGM

½

r

BM

053

 

gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze messtoffen, terwijl de bovenste bodemlaag met water is verzadigd

art. 3a BGM

½

r

BM

054

 

gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen in de periode van 1 september tot en met 31 januari, terwijl de bodem tegelijkertijd wordt bevloeid, beregend of geïnfiltreerd

art. 3b lid 1 BGM

½

r

BM

055

 

gebruiken van vaste dierlijke meststoffen of steekvast zuiveringsslib in de periode van 1 september tot en met 31 januari

art. 4 lid 1 BGM

½

r

BM

056

 

gebruiken van drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib in de periode van 1 augustus tot en met 15 februari

art. 4 lid 1 BGM

½

r

BM

057

 

gebruiken van stikstofkunstmest op bouwland of grasland in de periode van 16 september tot en met 31 januari

 

½

r

BM

058

 

vernietigen van de graszode op grasland

art. 4b lid 1 BGM

½

r

BM

059

 

niet-emissie-arm aanwenden van dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of een mengsel met deze meststoffen op grasland of bouwland

art. 5 BGM

½

r

BM

060

 

gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen anders dan door een zo gelijkmatig mogelijke verspreiding over het perceel waarop de meststoffen worden gebruikt

art. 6 BGM

½

r

BM

061

 

gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen op grond met een hellingspercentage van 7 of meer indien de desbetreffende grond is aangetast door geulenerosie

art. 6a lid 1 BGM

½

r

BM

062

 

gebruiken van dierlijke meststoffen, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen op niet-beteelde grond met een hellingspercentage van 7 of meer

art. 6b lid 1 BGM

½

r

BM

063

 

gebruiken van stikstofkunstmest op niet-beteelde grond met een hellingspercentage van 7 of meer

art. 6c BGM

½

r

BM

064

 

gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen op bouwland met een hellingspercentage van 18 of meer

art. 6d BGM

½

r

BM

065

 

niet direct aansluitend na de teelt van maïs op zand- en lössgronden telen van een bij ministeriële regeling aangewezen gewas

art. 8a lid 1 BGM

½

r

BM

066

 

vernietigen van gewassen die na maïs worden geteeld, bedoeld in het eerste lid, voor 1 februari van het daarop volgende jaar

art. 8a lid 2 BGM jo art. 8a lid 1 BGM

½

             
       

Inrichtingen

   
             
       

Nummers BM 067 – BM 078: Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Bhvbz)

   

r

BM

067

 

door de houder van een badinrichting geen zorg dragen dat voorafgaand aan de ingebruikneming van de badinrichting een analyse wordt uitgevoerd met betrekking tot het risico dat niet wordt voldaan aan het eerste lid van artikel 2a Bhvbz

art 2a lid 2 Bhvbz jo art. 2a lid 1 Bhvbz

2

r

BM

068

 

door de houder van een badinrichting niet binnen drie maanden na het gereedkomen van de risicoanalyse bedoeld in artikel 2a Bhvbz een beheersplan opstellen voor het zwem- of badwatersysteem van de badinrichting of niet binnen drie maanden een bestaand beheersplan herzien, terwijl uit risicoanalyse blijkt dat sprake is van het in artikel 2a, tweede lid, Bhvbz bedoelde risico

art 2b lid 1 Bhvbz jo art. 2a Bhvbz

2

r

BM

069

 

door de houder van een badinrichting de in het beheersplan, bedoeld in artikel 2b, eerste lid, Bhvbz, vermelde risicopunten niet ten minste halfjaarlijks op de aanwezigheid van Legionella laten onderzoeken door een laboratorium als bedoeld in artikel 10 Bhvbz

art 2c lid 1 jo art. 10 Bhvbz

2

r

BM

070

 

door de houder van een badinrichting niet onmiddellijk na de vaststelling van een concentratie van legionellabacteriën van 100 of meer kolonievormende eenheden per liter op de in artikel 2a, vierde lid, onder d, Bhvbz bedoelde risicopunten, gedeputeerde staten hiervan in kennis stellen

art 2d lid 1 Bhvbz

2

r

BM

071

 

ontbreken in de toevoer naar of afvoer van de filters, die deel uitmaken van de waterzuiveringsinstallatie van een badinrichting, van een voorziening waarmee de hoeveelheid water kan worden bepaald, die in een bepaalde tijdseenheid wordt toegevoerd, onderscheidenlijk afgevoerd

art. 6 lid 1 Bhvbz

2

r

BM

072

 

ontbreken bij gesloten zandfilters, die deel uitmaken van de waterzuiveringsinstallatie van een badinrichting, waarbij het filtermateriaal in fluïdisatie geraakt, van een voorziening waardoor dit in fluïdisatie geraken waargenomen kan worden

art 7 lid 2 Bhvbz

2

r

BM

073

 

door de houder van een badinrichting de parameters die zijn aangegeven in bijlage I van Bhvbz, niet ten minste zo vaak als in die bijlage is aangegeven, onderzoeken

art 9 lid 1 Bhvbz jo bijlage I Bhvbz

2

r

BM

074

 

door de houder van een badinrichting de parameters die zijn aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage I van Bhvbz niet ten minste zo vaak als in die bijlage is aangegeven, op de in de bijlage IV van Bhvbz aangegeven wijze, laten onderzoeken door een laboratorium dat voldoet aan de in artikel 10, eerste lid, Bhvbz gestelde eisen

art 10 lid 1 Bhvbz

2

r

BM

075

 

door de houder van een badinrichting de uitkomsten van een onderzoek als bedoeld in artikel 10 lid 1 Bhvbz, niet laten noteren in een aan hem uit te brengen rapport

art 10 lid 2 Bhvbz jo art 10 lid 1 Bhvbz

2

r

BM

076

 

vloeren van een badinrichtingen die bestemd zijn om met blote voeten te worden betreden, zijn niet zodanig aangelegd dat het afvloeien van schrobwater of regenwater in het bassin niet mogelijk is

art 15 lid 1 onder a Bhvbz

2

r

BM

077

 

diepte van het zwem- en badwater van een badinrichting is voor de zwemmers en baders niet duidelijk zichtbaar aangegeven op alle punten waar dit met het oog op hun veiligheid van belang is

art 21 Bhvbz

2

r

BM

078

 

in de badinrichting wordt gedurende de openstelling niet in voldoende mate toezicht uitgeoefend

art 25 Bhvbz

2

             
       

Nummers BM 170 – BM 172: Wet milieubeheer

   

r

BM

170

 

niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval in een inrichting, niet zijnde een BRZO-inrichting

art. 17.2 lid 1 Wm

½

r

BM

171

 

niet (tijdig) verstrekken van voorgeschreven gegevens met betrekking tot een ongewoon voorval in een inrichting, niet zijnde een BRZO-inrichting

art. 17.2lid 1 jo lid 2 Wm

½

r

BM

172

 

niet zo spoedig mogelijk (binnen 48 uur) melden van een gebeurtenis m.b.t. een afvalvoorziening, niet zijnde een BRZO-inrichting

art. 17.5alid 1 WM

½

             
       

Nummers BM 173 – BM 220: Besluit Algemene Regels voor Inrichtingen Milieubeheer (Barim)

   

r

BM

173

 

niet ten minste vier weken voor de oprichting van een nieuwe inrichting dit melden aan bevoegd gezag

art. 1.10 lid 1 Barim

½

r

BM

174

 

verbranden van afvalstoffen (hout) in een inrichting

art. 1.4 jo 2.14a, lid 1 Barim

½

r

BM

175

 

niet binnen 8 weken na beëindiging van de inrichting de daarin aanwezige afvalstoffen uit de inrichting afvoeren

art. 1.4 jo 2.14a, lid 7 Barim

½

r

BM

176

 

niet aanwezig hebben van een actuele beschrijving van de procedures van acceptatie en controle van ontvangen afvalstoffen, i.v.m. doelmatig beheer van de op- en/of overgeslagen en/of te verwerken afvalstoffen binnen de inrichting

art. 1.4 jo 2.14blid 1 Barim

½

r

BM

177

 

vanuit een inrichting lozen op en/of in de bodem en/of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool

art. 1.4 jo 2.2lid 1 Barim

½

r

BM

178

 

niet aanwezig zijn van een bedrijfsnoodplan in een inrichting waar gasdrukmeet- en regelstations categorie B en/of C in werking zijn

art. 1.4 jo 3.12lid 1 Barim

½

r

BM

179

 

ontbreken van de in artikel 3.12, tweede lid, Barim voorgeschreven informatie in het bedrijfsnoodplan, bedoeld in artikel 3.12, eerste lid, Barim

art. 1.4 jo 3.12lid 2 Barim

½

r

BM

180

 

niet aan de regionale brandweer en/of bevoegd gezag toesturen van een bedrijfsnoodplan, bedoeld in artikel 3.12, eerste lid, Barim, of wijzigingen daarvan

art. 1.4 jo 3.12lid 3 Barim

½

r

BM

181

 

bedienend personeel geen toegang bieden tot de documenten, bedoeld in artikel 3.12, vijfde lid, Barim

art. 1.4 jo 3.12lid 5 Barim

½

r

BM

182

 

niet tenminste eenmaal per kalenderjaar laten beoordelen van een windturbine op de noodzakelijke beveiligingen, onderhoud en reparaties door een deskundige op dat gebied

art. 1.4 jo 3.14lid 1 Barim

½

r

BM

183

 

niet onverwijld opheffen van afwijkingen geconstateerd tijdens de uitvoering van de in artikel 3.20, vierde lid, bedoelde controle van een systeem voor dampretour Stage-II

art. 1.4 jo 3.20lid 5 jo lid 4 Barim

½

r

BM

184

 

de resultaten van de metingen en/of herkeuring en/of controle, bedoeld in artikel 3.20, Barim worden niet tenminste drie jaar opgenomen in een installatieboek

art. 1.4 jo 3.22lid 1 jo lid 3 Barim

½

r

BM

185

 

ontbreken in het installatieboek van een plattegrond op een schaal van ten minste één op tweehonderdvijftig aanduidende uit- en inwendige samenstelling van de inrichting en toebehoren en/of alle bewijzen van gecertificeerde en/of geaccrediteerde aanleg en inspectie uit te voeren op grond van het Barim

art. 1.4 jo 3.22lid 2 Barim

½

r

BM

186

 

niet tenminste eenmaal per twee kalenderjaren keuren van een koelinstallatie met een inhoud van 12 kg of meer aan natuurlijk koudemiddel op veilig functioneren en/of lekkages en/of energiezuinigheid

art.1.4 jo 4.20lid 1 jo. lid 3 Barim

½

r

BM

187

 

niet tenminste eenmaal per twee kalenderjaren keuren van een ammoniakkoelsysteem, als bedoeld in artikel 4.20, tweede lid, Barim op veilig functioneren en/of lekkages en/of energiezuinigheid

art. 1.4 jo 4.20 3e jo. lid 2 Barim

½

r

BM

188

 

niet laten uitvoeren van een keuring van een koelinstallatie en/of een ammoniakkoelsysteem, als bedoeld in artikel 4.20, derde lid, Barim door een onafhankelijk deskundig persoon, die van de keuring een rapport opmaakt dat hij ter beschikking stelt aan de drijver van de inrichting

art. 1.4 jo 4.20lid 4 jo. lid 3 Barim

½

r

BM

189

 

niet binnen twee weken uitvoeren van onderhoud, terwijl uit een keuring aan een koelinstallatie en/of een ammoniakkoelsysteem blijkt dat onderhoud vereist is

art. 1.4 jo 4.20 lid 5e jo lid 3 Barim

½

r

BM

190

 

als drijver van de inrichting niet vragen van een bewijs waaruit blijkt wanneer, door wie en welk onderhoud aan een koelinstallatie is verricht

art. 1.4 jo 4.20 lid 1 jo. Lid 2 jo. lid 5 of artikel 4.20, lid 2 jo. Lid 3 jo. lid 5 Barim

½

r

BM

191

 

niet bewaren van het laatst opgestelde keuringsrapport en/of het laatst opgestelde onderhoudsbewijs met betrekking tot een koelinstallatie en/of een ammoniakkoelsysteem

art. 1.4 jo 4.20lid 6 Barim

½

r

BM

192

 

in een inrichting de buitenlucht hout en/of kurk en/of houten en/of kurken en/of houtachtige voorwerpen met behulp van een nevelspuit coaten en/of lijmen en/of reinigen met vluchtige organische stoffen houdende producten

art. 1.4 jo 4.22 Barim

½

r

BM

193

 

in een inrichting in de buitenlucht kunststof en/of kunststof producten met behulp van een nevelspuit coaten en/of lijmen en/of reinigen met vluchtige organische stoffen houdende producten

art. 1.4 jo 4.28lid 1 Barim

½

r

BM

194

 

in een inrichting in de buitenlucht verspanende en/of thermische bewerkingen en/of mechanische eindafwerking van metalen uitvoeren

art. 1.4 jo 4.32lid 1 Barim

½

r

BM

195

 

in een inrichting in de buitenlucht verrichten van laswerkzaamheden

art. 1.4 jo 4.39lid 1 Barim

½

r

BM

196

 

in een inrichting in de buitenlucht straalwerkzaamheden verrichten

art. 1.4 jo 4.49lid 1 Barim

½

r

BM

197

 

in een inrichting in de buitenlucht anorganische deklagen op metalen aanbrengen

art. 1.4 jo 4.57lid 1 Barim

½

r

BM

198

 

in een inrichting in de buitenlucht natuursteen en/of kunststeen mechanisch bewerken

art. 1.4 jo 4.74a Barim

½

r

BM

199

 

in een inrichting in de buitenlucht met behulp van een nevelspuit lijmen en/of harsen en/of coatings aanbrengen op natuursteen en/of kunststeen

art. 1.4 jo 4.74e Barim

½

r

BM

200

 

niet aanhouden van een afstand van ten minste 20 meter tussen een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van lichte olie aan vaartuigen en buiten de inrichting gelegen kwetsbare objecten

art. 1.4 jo 4.77lid 2 Barim

½

r

BM

201

 

toestaan van overnachting en/of recreatief verblijf door derden binnen een afstand van 20 meter van een bunkerstation voor opslag van lichte olie en/of binnen een afstand van 20 meter van een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van lichte olie aan vaartuigen

art. 1.4 jo 4.77lid 3 Barim

½

r

BM

202

 

bij aflevering van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen niet voldoende absorptiemiddelen en/of andere hulpmiddelen aanwezig hebben voor de eerste bestrijding van een waterverontreiniging als gevolg van morsingen en/of een calamiteit bij de aflevering

art. 1.4 jo 4.78lid 1 Barim

1/2

r

BM

203

 

niet in de inrichting bewaren van de keuringsresultaten, zijnde de resultaten van de keuring of de controle, bedoeld in artikel 4.80, derde en/of vierde lid, Barim

art. 1.4 jo 4.80lid 6 jo 3e of lid 4 Barim

½

r

BM

204

 

aanwezig hebben van meer dan 4 autowrakken in een inrichting voor onderhoud en/of reparatie van motorvoertuigen, niet zijnde een autodemontagebedrijf of een inrichting voor het opslaan van autowrakken in het kader van hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe aangewezen instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie

art. 1.4 jo 4.84lid 1 Barim

½

r

BM

205

 

anders dan bij een demontagebedrijf verwijderen en/of nuttig toepassen van een autowrak en/of de daarin aanwezige materialen of onderdelen, tenzij sprake is van de uitzondering vermeld in artikel 4.84, tweede lid, onder 1e en/of 2e, Barim

art. 1.4 jo 4.84lid 2 Barim

½

r

BM

206

 

in een inrichting in de buitenlucht proefdraaien van verbrandingsmotoren

art. 1.4 jo 4.84lid 3 Barim

½

r

BM

207

 

in een inrichting niet uitsluitend voor de eindreiniging van zeefdrukramen gebruiken van reinigingsmiddelen met een vlampunt groter dan 55 graden Celsius en op waterbasis

art. 1.4 jo 4.90lid 1 Barim

½

r

BM

208

 

geen registratie bijhouden van het verbruik aan vluchtig organische stoffen in kilogram per jaar bij het gebruik voor zeefdruk per jaar van meer dan 1000 kilogram inkt op basis van organische oplosmiddelen

art. 1.4 jo 4.90lid 2 Barim

½

r

BM

209

 

niet tenminste drie jaren in de inrichting bewaren en/of ter inzage houden van een registratie als bedoeld in artikel 4.90, tweede lid, Barim

art. 1.4 jo 4.90lid 3 Barim

½

r

BM

210

 

niet voeren van een oplosmiddelenboekhouding waarin het verbruik van vluchtig organische stoffen per kilogram per jaar wordt geregistreerd bij uitoefening van activiteiten als bedoeld in artikel 4.95, eerste lid, Barim

art. 1.4 jo 4.95 3e jo lid 1 Barim

½

r

BM

211

 

niet ten minste gedurende drie jaar in de inrichting bewaren en/of ter inzage houden van de oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in artikel 4.95, derde lid, Barim

art. 1.4 jo 4.95lid 5 Barim

½

r

BM

212

 

in een inrichting meetinstrumentarium niet ter plaatse van een meetplaats bevestigen

art. 1.4 jo 4.99lid 7 Barim

½

r

BM

213

 

als drijver van de inrichting niet bewaren van het laatste keurings- en/of onderhoudsrapport met betrekking tot een machine bestemd voor het reinigen met een koolwaterstof, waaruit mede blijkt wie en wanneer de keuring of het onderhoud heeft en/of is verricht

art. 1.4 jo 4.101lid 3 Barim

½

r

BM

214

 

niet in het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen in een jachthaven van gebruikers van de jachthaven innemen van in ieder geval de afvalstoffen, genoemd in artikel 4.106, lid 1, onder a tot en met d, Barim

art. 1.4 jo 4.106lid 1 Barim

½

r

BM

215

 

aan de gebruikers van een jachthaven vragen van een aparte financiële vergoeding voor de inzameling van afvalstoffen, bedoeld in artikel 4.106, lid 1, Barim

art. 1.4 jo 4.106lid 4 jo. lid 1 Barim

½

r

BM

216

 

bij een jachthaven, die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, niet na overleg met betrokken partijen eens in de drie jaar een passend plan vaststellen voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen

art. 1.4 jo 4.107lid 3 Barim

½

r

BM

217

 

door degene die een jachthaven drijft, niet eens in de drie jaar een plan als bedoeld in artikel 4.107, derde lid, Barim aan het bevoegd gezag ter goedkeuring voorleggen

art. 1.4 jo 4.107lid 3 Barim

½

r

BM

218

 

in een inrichting niet inpandig slachten van dieren en/of bewerken van dierlijke bijproducten

art. 1.4 jo 4.111lid 1 Barim

½

r

BM

219

 

in een inrichting niet uitschakelen van de verlichting in de buitenlucht tussen 2300 uur en 0700 uur en/of als er geen sport beoefend wordt en/of als er geen onderhoud plaatsvindt

art. 1.4 jo 4.113 1e jo lid 2 Barim

½

r

BM

220

 

in of vanuit een inrichting lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers op een oppervlaktewaterlichaam en/of op of in de bodem en/of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool

art. 1.4 jo 4.113alid 2 Barim

½

r

BM

329

 

bij het drijven van een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-, sport- of recreatieactiviteiten plaatsvinden, niet in achtnemen van het maximaal toegestane geluidsniveau overschrijding: min. 10 dB(A), max. 21 dB(A)

2.17 Barim

½

r

BM

330

 

bij het drijven van een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-, sport- of recreatieactiviteiten plaatsvinden, overschrijden van het maximaal toegestane geluidsniveau (overschrijding: 22 dB(A) of meer)

2.17 Barim

½

             
       

Nummers BM 221 – BM 223: Regeling Algemene Regels voor Inrichtingen Milieubeheer (Rarim)

   

r

BM

221

 

opstellen van een op de wal geplaatste vaste installatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen anders dan boven een lekbak of een vloeistofdichte vloer of verharding

art. 1.4 jo 4.79 Barim jo 4.87 Rarim

½

r

BM

222

 

als drijver van de inrichting ervoor zorg dragen dat machinaal schuren geschiedt met mechanische stofafzuiging waarbij het vrijkomende schuurstof in een stofzak wordt opgevangen

art. 1.4 jo 4.88 Barim jo 4.98 Rarim

½

r

BM

223

 

in een inrichting onderhouden, repareren en afspuiten van pleziervaartuigen of repareren, onderhouden en behandelen van de oppervlakte van pleziervaartuigen of onderdelen daarvan, waarbij vloeistoffen vrij kunnen komen, op andere wijze dan boven een bodembeschermende voorziening

art. 1.4 jo 4.88 Barim jo 4.99 Rarim

½

             
       

Afdeling C. Bodem en Kernenergie

   
             
       

Bodem

   
             
       

Nummers BM 079 – BM 081: Ontgrondingenwet (Ogw)

   

r

BM

079

a

ontgronden zonder vergunning:als degene die ontgrondt

art. 3 Ogw

½

r

BM

079

b

ontgronden zonder vergunning: als zakelijk gerechtigde of als gebruiker van enig onroerende zaak

art. 3 Ogw

½

r

BM

080

 

niet melden van een van de vergunningplicht vrijgestelde ontgronding

art. 7 Ogw

½

r

BM

081

 

starten met een ontgronding zonder machtiging verleend door bevoegd gezag na verstrijken termijn als bedoeld in artikel 3:16 Awb

art. 12 Ogw

½

             
       

Nummers BM 082 – BM 089: Wet bodembescherming (WBB)

   

r

BM

082

a

door degene die de bodem saneert, alsmede degene die de sanering feitelijk uitvoert niet melden van (voorschriften opgenomen in beschikking, provinciale of gemeentelijke verordening): start sanering overeenkomstig vastgestelde termijn of voorafgaand aan de feitelijke sanering

39a WBB / Provinciale Milieu Verordening (PMV)

½

r

BM

082

b

door degene die de bodem saneert, alsmede degene die de sanering feitelijk uitvoert niet melden van (voorschriften opgenomen in beschikking, provinciale of gemeentelijke verordening): het bereiken van de einddiepte van een grondsanering vóór het aanbrengen van aanvulgrond of deklaag

39a WBB / Provinciale Milieu Verordening (PMV)

½

r

BM

083

 

door degene die voornemens is te saneren dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd en/of verplaatst overeenkomstig de regels gesteld krachtens het eerste lid van artikel 39 a, eerste lid WBB, dat voornemen niet vijf werkdagen voor de start van de bussanering melden aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie

39b lid3 WBB (jo 2.1 RUS)

½

r

BM

084

a

door degene die op en/of in de bodem handelingen verricht met betrekking tot niet gevaarlijk afval, terwijl hij of zij wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd en/of aangetast, niet nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs van hem/haar kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen, dan wel te beperken en/of verminderen: 0 t/m 5 m3

13 WBB

½

r

BM

084

b

door degene die op en/of in de bodem handelingen verricht met betrekking tot niet gevaarlijk afval, terwijl hij of zij wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd en/of aangetast, niet nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs van hem/haar kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen, dan wel te beperken en/of verminderen: 6 t/m 10 m3

13 WBB

½

r

BM

085

 

door degene die voornemens is de bodem te saneren, bij de melding daarvan bij gedeputeerde staten van de betrokken provincie niet verstrekken van de juiste gegevens

28 WBB

1/2

r

BM

086

 

door degene die de bodem saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert, hebben van een depot langer dan de duur van de sanering of langer dan 6 maanden

39a WBB en 8,1 Wm

½

r

BM

087

 

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet melden van zeefmachines of puinbrekers

39a WBB 8.1 en Wm 3.4 AMvB Mobiele puinbrekers

½

r

BM

088

 

door degene die de bodem heeft gesaneerd, dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd, daarvan niet zo spoedig mogelijk een verslag indienen bij gedeputeerde staten of in dat verslag niet de vereiste gegevens verstrekken

39c WBB

½

r

BM

089

 

door degene die de bodem heeft gesaneerd, dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd, het nazorgplan niet tegelijk, dan wel niet zo spoedig mogelijk na de toezending van het saneringsverslag indienen

39d WBB

½

             
       

Nummers BM 090 – BM 104: Besluit uniforme saneringen (BUS) en Regeling uniforme saneringen (RUS)

   

r

BM

090

 

door degene die de bodem saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet afdoende afsluiten en/of omgeven van de saneringslocatie en/of depots met een hekwerk

2 lid 2 BUS (jo 2.2 lid 3 RUS)

½

r

BM

091

 

door de milieukundig begeleider van de sanering niet bijhouden van een logboek

2 lid 2 BUS (jo 2.3, derde lid RUS)

½

r

BM

092

 

door degene die de bodem saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet (tijdig) melden van wijzigingen o.b.v. het Besluit uniforme saneringen en de daarbij behorende Regeling uniforme saneringen

10 lid 1 en 2 bus en art. 1.4 lid 1 en 2 RUS

½

r

BM

093

 

door degene die de bodem saneert of door degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet deugdelijk afdekken van opgeslagen bij de sanering vrijkomende verontreinigde grond en/of bodemvreemd materiaal

2 lid 2 BUS (jo 2.4 RUS) 8.1 Wm

½

r

BM

094

 

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet deugdelijk afdekken van containers voor tijdelijke opslag van bij de sanering vrijkomende verontreinigde grond en/of bodemvreemd materiaal

2 lid 2 BUS (jo 2.4 RUS) 8.1 Wm

½

r

BM

095

 

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, tijdelijke depots met bij de sanering vrijkomende verontreinigde grond of bodemvreemd materiaal na afronding van de grondsanering of langer dan 6 maanden in werking hebben

2 lid 2 BUS (jo 2.4 RUS) 8.1 Wm

½

r

BM

096

 

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, vrijgekomen asbesthoudende grond of bodemmateriaal niet uiterlijk binnen vier weken na het vrijkomen ervan afvoeren

2 lid 2 BUS (jo 2.5 RUS)

½

r

BM

097

 

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, de verontreinigingsituatie onder de isolatielaag niet beschrijven in het evaluatieverslag m.b.t. kleinschalige immobiele verontreinigingen

2 lid 2 BUS (jo 3.1.9 RUS)

1/2

r

BM

098

a

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet afvoeren van de ontgraven verontreinigde grond m.b.t. kleinschalige immobiele verontreinigingen: t/m 10 m3

2 lid 2 en 3 BUS (jo 3.1.2 RUS, jo 3.2.2 onder b

½

r

BM

098

b

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet afvoeren van de ontgraven verontreinigde grond m.b.t. kleinschalige immobiele verontreinigingen: van 11 m3 tot 40 m3

2 lid 2 en 3 BUS (jo 3.1.2 RUS, jo 3.2.2 onder b

½

r

BM

099

 

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, langer dan 3 werkdagen opslaan van verontreinigde grond op de saneringslocatie ter bepaling van de afvoerbestemming m.b.t. kleinschalige mobiele verontreinigingen

2 lid 2 BUS (jo 3.2.7 RUS)

½

r

BM

100

 

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet melden van de datum waarop de einddiepte van de ontgraving zal worden bereikt uiterlijk één werkdag voorafgaande aan het bereiken van dat punt aan het bevoegd gezag gemeld m.b.t. kleinschalige mobiele verontreinigingen

2 lid 2 BUS (jo 3.2.6 RUS)

½

r

BM

101

 

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert m.b.t. tijdelijk uitplaatsen van verontreinigde grond de grond niet terugplaatsen in de ontgraving

2 lid 2 en en 3 en 7 BUS (jo 3.3.2 RUS)

½

r

BM

102

 

niet schriftelijk melden van de datum van voltooiing van de sanering binnen twee weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden aan het bevoegd gezag

11 BUS (jo 4.1 RUS)

½

r

BM

103

 

door degene die de landbodem of waterbodem heeft gesaneerd, niet na de uitvoering van de sanering daarvan binnen acht weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden schriftelijk verslag doen aan het bevoegd gezag of niet de juiste gegevens verstrekken in het verslag

13 BUS

½

r

BM

104

 

door degene die saneert, niet uiterlijk vijf werkdagen voorafgaande aan de aanvang van de sanering aan het bevoegd gezag schriftelijk de datum of het tijdstip van de feitelijke aanvang van de saneringswerkzaamheden melden

39b lid3 Wbb, art 2, lid 2 BUS jo 2.1 RUS

½

             
       

Nummers BM 105 – BM 112: Besluit bodemkwaliteit (Bbk)

   

r

BM

105

a

vervaardigen en/of invoeren en/of voor toepassing in Nederland en/of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben en/of vervoeren en/of aan een ander ter beschikking stellen en/of toepassen van bouwstoffen terwijl niet: de samenstellings- en emissiewaarden van de bouwstof zijn bepaald overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde methoden door of onder toezicht van een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning

art. 28 Bbk

½

r

BM

105

b

vervaardigen en/of invoeren en/of voor toepassing in Nederland en/of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben en/of vervoeren en/of aan een ander ter beschikking stellen en/of toepassen van bouwstoffen terwijl niet: een bij ministeriële regeling aangewezen persoon of instelling op een bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze heeft vastgesteld dat de vastgestelde maximale samenstellings- en emissiewaarden niet zijn overschreden

art. 28 Bbk

½

r

BM

105

c

vervaardigen en/of invoeren en/of voor toepassing in Nederland en/of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben en/of vervoeren en/of aan een ander ter beschikking stellen en/of toepassen van bouwstoffen terwijl niet: uit een milieuhygiënische verklaring blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde in onderdeel a en b

art. 28 Bbk

½

r

BM

105

d

vervaardigen en/of invoeren en/of voor toepassing in Nederland en/of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben en/of vervoeren en/of aan een ander ter beschikking stellen en/of toepassen van bouwstoffen terwijl niet: een afleveringsbon bij de desbetreffende partij aanwezig is die de bij ministeriële regeling vastgestelde gegevens bevat

art. 28 Bbk

½

r

BM

106

 

door degene die voornemens is een bouwstof toe te passen, dit voornemen niet ten minste vijf werkdagen voor het toepassen aan de Minister van Infrastructuur en Milieu melden

art. 32 lid 1 Bbk

½

r

BM

107

 

door degene die voornemens is een IBC-bouwstof toe te passen, dat voornemen niet ten minste vier weken voor het toepassen aan de Minister van Infrastructuur en Milieu melden

art. 32 lid 2 Bbk

½

r

BM

108

 

door degene die voornemens is grond en/of baggerspecie toe te passen, niet overeenkomstig de bij ministeriële regeling bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning, de kwaliteit van de grond of baggerspecie laten vaststellen

art. 38 lid 1 Bbk

½

r

BM

109

 

geen milieuhygiënische verklaring aanwezig hebben bij een partij grond en/of baggerspecie

art. 38 lid 2 Bbk

½

r

BM

110

 

de kwaliteit van de bodem waarop of waarin de grond en/of baggerspecie wordt toegepast, niet laten vaststellen overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning

art. 40 lid 1 jo 9 lid 1 Bbk

½

r

BM

111

 

niet aanwezig hebben van een milieuhygiënische verklaring waaruit de kwaliteit van de bodem blijkt

art. 40 lid 2 Bbk

½

r

BM

112

 

door degene die voornemens is grond en/of baggerspecie toe te passen, dat voornemen niet ten minste vijf werkdagen van tevoren aan de Minister van Infrastructuur en Milieu melden

art. 42 jo art. 35 Bbk

½

             
       

Kernenergie

   
             
       

Nummers BM 119 – BM 126: Besluit detectie radioactief besmet schroot

   

r

BM

119

a

een inrichting drijven en niet onverwijld de ioniserende straling van het schroot dat binnen de inrichting wordt gebracht meten: meetapparatuur wel aanwezig

art. 3 Besluit detectie radioactief besmet schroot

½

r

BM

119

b

een inrichting drijven en niet onverwijld de ioniserende straling van het schroot dat binnen de inrichting wordt gebracht meten: meetapparatuur niet aanwezig

art. 3 Besluit detectie radioactief besmet schroot

½

r

BM

120

 

een inrichting drijven zonder een register van de metingen, bedoeld in art. 3 Besluit detectie radioactief besmet schroot, bij te houden

art. 5 Besluit detectie radioactief besmet schroot jo art. 3 Besluit detectie radioactief besmet schroot

½

r

BM

121

 

metingen als bedoeld in artikel 3 Besluit detectie radioactief besmet schroot niet door deskundige laten verrichten

art. 6 jo art.3 Besluit detectie radioactief besmet schroot

2

r

BM

122

 

de registratie van de gegevens als bedoeld in artikel 5 Besluit detectie radioactief besmet schroot niet door deskundige laten verrichten

art. 6 jo art. 5 Besluit detectie radioactief besmet schroot

2

r

BM

123

 

het niet stellen van financiële zekerheid ter dekking van de kosten die voortvloeien uit verwijderen van radioactief besmet schroot

art. 7/8/9 Besluit detectie radioactief besmet schroot

2

r

BM

124

 

het niet stellen van financiële zekerheid ter dekking van de kosten die voortvloeien uit het afvoeren van afgedankte hoogactieve bron

art. 20d Besluit stralings-bescherming

2

r

BM

125

a

voor het verwerven van een hoogactieve bron niet aan de Minister van I&M verstrekken van: informatie over volume van de bron en bronhouder en vaste afscherming

art. 20f Besluit stralings-bescherming

½

r

BM

125

b

voor het verwerven van een hoogactieve bron niet aan de Minister van I&M verstrekken van: schriftelijk bewijs dat fin. zekerheid is gesteld

art. 20f Besluit stralings-bescherming

½

r

BM

126

 

als ondernemer die handelingen als bedoeld in art. 120 van het Besluit stralingsbescherming verricht geen administratie bij houden van die handelingen

art. 120 Besluit stralings-bescherming

½

             
       

Afdeling D. Vuurwerk, Explosieven en Natuur

   
             
       

Vuurwerk

   
             
       

Nummers BM 136 – BM 165: Vuurwerkbesluit (Vwb)

   

r

BM

136

 

als ondernemer consumentenvuurwerk aan een particulier afleveren buiten de verkoopruimte

art. 2.3.4 Vwb

½

r

BM

137

a

andere werkzaamheden in de bufferbewaarplaats verrichten dan volgens vs. 3.2 van Bijlage I Vuurwerkbesluit is toegestaan: inrichtingen t/m 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.2

½

r

BM

137

b

andere werkzaamheden in de bufferbewaarplaats verrichten dan volgens vs. 3.2 van Bijlage I Vuurwerkbesluit is toegestaan: inrichtingen vanaf 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.2

2

r

BM

138

a

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.3

 

½

r

BM

138

a

in de bufferbewaarplaats andere werkzaamheden verrichten dan het inbrengen/uitnemen van verpakt vuurwerk: inrichtingen t/m 1.000 kg

 

½

r

BM

138

b

in de bufferbewaarplaats andere werkzaamheden verrichten dan het inbrengen/uitnemen van verpakt vuurwerk: inrichtingen vanaf 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.3

2

r

BM

139

a

de deur van de bufferbewaarplaats niet gesloten houden anders dan ten tijde van het inbrengen of uitnemen van consumentenvuurwerk: inrichtingen t/m 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.4

½

r

BM

139

b

de deur van de bufferbewaarplaats niet gesloten houden anders dan ten tijde van het inbrengen of uitnemen van consumentenvuurwerk: inrichtingen vanaf 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.4

2

r

BM

140

a

niet voldoen aan inrichting bufferbewaarplaats volgens vs. 3.6 van Bijlage I Vuurwerkbesluit: inrichtingen t/m 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.6

½

r

BM

140

b

Niet voldoen aan inrichting bufferbewaarplaats volgens vs. 3.6 van Bijlage I Vuurwerkbesluit: inrichtingen vanaf 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.6

2

r

BM

141

a

tijdens de toegestane verkoopdagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk meer dan 250 kg consumentenvuurwerk aanwezig hebben in de verkoopruimte: inrichtingen t/m 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.1

½

r

BM

141

b

tijdens de toegestane verkoopdagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk meer dan 250 kg consumentenvuurwerk aanwezig hebben in de verkoopruimte: inrichtingen vanaf 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.1

2

r

BM

142

a

buiten de openingstijden van de winkel tijdens de toegestane verkoopdagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk anders dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk in de verkoopruimte aanwezig hebben: inrichtingen t/m 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.1

½

r

BM

142

b

buiten de openingstijden van de winkel tijdens de toegestane verkoopdagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk anders dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk in de verkoopruimte aanwezig hebben: inrichtingen vanaf 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.1

2

r

BM

143

a

het in de verkoopruimte aanwezige vuurwerk niet hebben opgeslagen in een vitrine, stelling of winkelkast: inrichtingen t/m 1.000 kg

art. 2.2.1 jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.2

½

r

BM

143

b

het in de verkoopruimte aanwezige vuurwerk niet hebben opgeslagen in een vitrine, stelling of winkelkast: inrichtingen vanaf 1.000 kg

art. 2.2.1 jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.2

2

r

BM

144

a

het in de verkoopruimte aanwezige vuurwerk hebben opgeslagen in een vitrine, stelling of winkelkast, welke vitrine, stelling of winkelkast zich niet buiten het bereik van het publiek bevindt: inrichtingen t/m 1.000 kg

art. 2.2.1 jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.2

½

r

BM

144

b

het in de verkoopruimte aanwezige vuurwerk hebben opgeslagen in een vitrine, stelling of winkelkast, welke vitrine, stelling of winkelkast zich niet buiten het bereik van het publiek bevindt: inrichtingen vanaf 1.000 kg

art. 2.2.1 jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.2

2

r

BM

145

a

het niet voldoen aan de constructie-eisen zonder dat vuurwerk aanwezig is: inrichtingen t/m 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb

1/2

r

BM

145

b

het niet voldoen aan de constructie-eisen zonder dat vuurwerk aanwezig is: inrichtingen vanaf 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb

2

r

BM

146

a

het niet voldoen aan de constructie-eisen terwijl vuurwerk aanwezig is: inrichtingen t/m 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage Vwb

½

r

BM

146

b

het niet voldoen aan de constructie-eisen terwijl vuurwerk aanwezig is: inrichtingen vanaf 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage Vwb

2

r

BM

147

a

het niet voldoen aan de voorschriften m.b.t. brandveiligheidsinstallatie zonder dat vuurwerk aanwezig is: inrichtingen t/m 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 paragraaf 5 Vwb

½

r

BM

147

b

het niet voldoen aan de voorschriften m.b.t. brandveiligheidsinstallatie zonder dat vuurwerk aanwezig is: inrichtingen vanaf 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 paragraaf 5 Vwb

2

r

BM

148

a

het niet voldoen aan de voorschriften m.b.t. brandveiligheidsinstallatie terwijl vuurwerk aanwezig is: inrichtingen t/m 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 paragraaf 5 Vwb

½

r

BM

148

b

het niet voldoen aan de voorschriften m.b.t. brandveiligheidsinstallatie terwijl vuurwerk aanwezig is: inrichtingen vanaf 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 paragraaf 5 Vwb

2

r

BM

149

a

in gebruik nemen van bewaarplaats, bufferbewaarplaats en verkoopruimte zonder dat voldaan is aan vs. 5.3 van Bijlage I Vuurwerkbesluit met betrekking tot inspectierapport en/of certificaat B: inrichtingen t/m 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 5.3

½

r

BM

149

b

in gebruik nemen van bewaarplaats, bufferbewaarplaats en verkoopruimte zonder dat voldaan is aan vs. 5.3 van Bijlage I Vuurwerkbesluit met betrekking tot inspectierapport en/of certificaat B: inrichtingen vanaf 1.000 kg

art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 5.3

2

r

BM

150

 

als degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik vervaardigt, binnen het grondgebied van Nederland brengt, of voor handelsdoeleinden voorhanden heeft, niet registreren hetgeen onder artikel 1.4 lid 1, sub a en b is aangeduid

art. 1.4.2 lid 1 Vwb

2

r

BM

151

 

als degene die bedrijfsmatig consumentenvuurwerk ter beschikking stelt aan particulieren, de totale hoeveelheid vuurwerk uitgedrukt in kilogrammen verpakt vuurwerk die per dag aan particulieren ter beschikking is gesteld, niet registreren

art. 1.4.2 lid 3 Vwb

½

r

BM

152

 

als degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt, niet een melding doen bij bevoegd gezag die voldoet aan art. 1.3.2 lid 1 Vuurwerkbesluit

art. 1.3.2 lid 1 Vwb

2

r

BM

153

 

als degene die consumentenvuurwerk aan een groothandelaar ter beschikking stelt of professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aan een ander ter beschikking stelt, niet een melding doen bij bevoegd gezag die voldoet aan art. 1.4.1 lid 1 Vuurwerkbesluit

art. 1.4.1 lid 1 Vwb

2

r

BM

154

 

vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de handel brengen, voorhanden hebben of aan een ander ter beschikking stellen dat/die niet voldoen aan de fundamentele veiligheidseisen

art. 1A.2.1 lid 1 Vwb

2

r

BM

155

 

vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de handel brengen voorhanden hebben of aan een ander ter beschikking stellen terwijl dat/die niet zijn onderworpen aan de conformiteitsbeoordelingsprocedure

art. 1A.2.1 lid 2 Vwb

2

r

BM

156

 

vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de handel brengen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen of gebruiken anders dan met inachtneming van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 1A.4.1, 2.1.3, 3.1.1 en 3A.1.1 met betrekking tot de aanduiding en het bezigen van vermeldingen

art. 1A.2.1 lid 3 Vwb

2

r

BM

157

 

in strijd met artikel 1.2.5 Vuurwerkbesluit niet ononderbroken een vervoermiddel met vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik beladen en/of daaruit lossen

art. 1.2.5 lid 1 onder b Vwb

½

r

BM

158

 

als degene die een inrichting, als bedoeld in artikel 2.2.1 Vuurwerkbesluit, opricht, dit niet ten minste vier weken voor de oprichting schriftelijk aan het bevoegd gezag melden

art. 2.2.4 Vwb jo art. 2.2.1 Vwb

½

r

BM

159

a

als degene die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 2.2.2, 3.2.1 of 3A.2.1 Vuurwerkbesluit er niet voor zorgen dat B&W en/of de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting is gelegen en/of de commandant van de regionale brandweer, bij de toegang tot de inrichting direct toegang hebben tot in ieder geval de actuele gegevens als bedoeld in artikel 1.4.3 Vuurwerkbesluit: opslag voor doorvoer

art. 1.4.3 Vwb jo art. 1.4.1 Vwb jo art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo art. 3.2.1 Vwb jo art. 3A.2.1 Vwb

2

r

BM

159

b

als degene die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 2.2.2, 3.2.1 of 3A.2.1 Vuurwerkbesluit er niet voor zorgen dat B&W en/of de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting is gelegen en/of de commandant van de regionale brandweer, bij de toegang tot de inrichting direct toegang hebben tot in ieder geval de actuele gegevens als bedoeld in artikel 1.4.3 Vuurwerkbesluit: opslag cons.vuurwerk

art. 1.4.3 Vwb jo art. 1.4.1 Vwb jo art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo art. 3.2.1 Vwb jo art. 3A.2.1 Vwb

½

r

BM

159

c

als degene die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 2.2.2, 3.2.1 of 3A.2.1 Vuurwerkbesluit er niet voor zorgen dat B&W en/of de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting is gelegen en/of de commandant van de regionale brandweer, bij de toegang tot de inrichting direct toegang hebben tot in ieder geval de actuele gegevens als bedoeld in artikel 1.4.3 Vuurwerkbesluit: opslag professioneel evt. met cons. vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik

art. 1.4.3 Vwb jo art. 1.4.1 Vwb jo art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo art. 3.2.1 Vwb jo art. 3A.2.1 Vwb

2

r

BM

159

d

als degene die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 2.2.2, 3.2.1 of 3A.2.1 Vuurwerkbesluit er niet voor zorgen dat B&W en/of de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting is gelegen en/of de commandant van de regionale brandweer, bij de toegang tot de inrichting direct toegang hebben tot in ieder geval de actuele gegevens als bedoeld in artikel 1.4.3 Vuurwerkbesluit: opslag pyrotechnische artikelen voor theatergebruik evt. met cons.vuurwerk en/of professioneel vuurwerk

art. 1.4.3 Vwb jo art. 1.4.1 Vwb jo art. 2.2.1 Vwb jo art. 2.2.2 Vwb jo art. 3.2.1 Vwb jo art. 3A.2.1 Vwb

2

r

BM

160

 

zonder daartoe verleende vergunning consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding brengen, ten behoeve daarvan opbouwen, installeren, bewerken, dan wel na ontbranding verwijderen

art. 3B.1 lid 1 Vwb

½

r

BM

161

 

als degene aan wie een vergunning, als bedoeld in artikel 3B.1 lid 1Vuurwerkbesluit, is verleend, niet de in het derde en vierde lid van artikel 3B.1 bedoelde voorschriften naleven

art. 3B.1 lid 5 Vwb

½

r

BM

162

 

als aanvrager naar het oordeel van het bevoegd gezag bij de aanvraag niet op genoegzame wijze door verzekering of anderszins financiële zekerheid stellen ter dekking van de aansprakelijkheid, en/of welke zekerheid tenminste € 2 500 000,00 per gebeurtenis bedraagt en welke zekerheid in ieder geval in stand wordt gehouden tot het moment waarop de vergunning vervalt

art. 3B.2 Vwb

2

r

BM

163

 

geen melding doen als bedoeld in artikel 3B.4 lid 1 Vuurwerkbesluit aan bevoegd gezag voorafgaand aan het tot ontbranding brengen van theatervuurwerk en/of consumentenvuurwerk

art. 3B.4 lid 1 Vwb jo 3B.1 lid 1 Vwb

½

r

BM

164

 

niet ten minste 2 weken voordat de artikelen tot ontbranding worden gebracht een melding als bedoeld in art. 3b.4 lid 1 Vwb doen toekomen aan het bevoegd gezag

art. 3B4 lid 4 Vwb

½

r

BM

165

 

als degene aan wie een vergunning, als bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid, Vuurwerkbesluit is verleend, niet voldoen aan hetgeen in voorschrift 3B.6 Vuurwerkbesluit met betrekking tot het bijhouden van een register is opgenomen

art. 3B.6 Vwb jo art. 3B.1 lid 1 Vwb

½

             
       

Explosieven

   
             
       

Nummers BM 166 – BM 168: Wet explosieven voor civiel gebruik (Wecg)

   

r

BM

166

 

als houder van een vergunning of een bewijs van toestemming voor de overbrenging van explosieven, niet deze explosieven tot aan de plaats waar de overbrenging eindigt en/of bij het verlaten van het grondgebied van Nederland, doen vergezellen van deze vergunning of dit bewijs van toestemming

artikel 14 Wecg

½

r

BM

167

 

als degene voor wie de explosieven bestemd zijn en/of als onderneming uit de sector explosieven niet op verzoek van de autoriteit, die daarom verzoekt als bedoeld in artikel 16 Wet explosieven civiel gebruik, de gegevens die hem ter beschikking staan, zenden aan deze bevoegde autoriteit

artikel 16 Wecg

1/2

r

BM

168

 

geen registratie bijhouden die voldoet aan hetgeen in artikel 21 Wet explosieven voor civiel gebruik is gesteld

artikel 21 Wecg

½

             
       

Natuur

   
             
       

Nummer BM 169: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

   

r

BM

169

a

een bouwwerk slopen zonder de vereiste vergunning of ontheffing volgens een provinciale of gemeentelijke verordening: particulier-eigenaar/opdrachtgever

art. 2.2 Wabo

1

r

BM

169

b

een bouwwerk slopen zonder de vereiste vergunning of ontheffing volgens een provinciale of gemeentelijke verordening: bedrijfsmatig-eigenaar/opdrachtgever

art. 2.2 Wabo

2

r

BM

169

c

een bouwwerk slopen zonder de vereiste vergunning of ontheffing volgens een provinciale of gemeentelijke verordening: particulier-aannemer

Art. 2.2 Wabo

1

r

BM

169

d

een bouwwerk slopen zonder de vereiste vergunning of ontheffing volgens een provinciale of gemeentelijke verordening: bedrijfsmatig-aannemer

art. 2.2 Wabo

2

r

BM

332

 

zonder een omgevingsvergunning oprichten, veranderen of veranderen van de werking, of in werking hebben van een inrichting

2.1 lid 1 onder e Wabo

½

             
       

Nummers BM 260 – BM 277: Flora- en faunawet (FFW) inheems

   

r

BM

260

 

opzettelijk beschermde inheemse planten plukken, verzamelen, afsnijden, uitsteken, vernielen, beschadigen, ontwortelen of op andere wijze van hun groeiplaats verwijderen

8 FFW

½

r

BM

261

 

opzettelijk inheems beschermde dieren, doden, verwonden, vangen, bemachtigen of opsporen (max. 3)

9 FFW

 

r

BM

262

 

beschermde inheemse diersoorten opzettelijk verontrusten

10 FFW

½

r

BM

263

 

opzettelijk nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde inheemse dieren beschadigen, vernielen, uithalen, wegnemen of verstoren (max. 3)

11 FFW

½

r

BM

264

 

opzettelijk eieren van beschermde inheemse dieren zoeken, rapen, uit het nest nemen, beschadigen of vernielen

12 FFW

½

r

BM

265

 

opzettelijk planten of producten van planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, af te leveren, uit te wisselen, te ruilen of in ruil aan te bieden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben (1–5 stuks)

13, lid 1 onder a FFW

½

r

BM

266

 

opzettelijk planten of producten van planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, af te leveren, uit te wisselen, te ruilen of in ruil aan te bieden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben (6–10 stuks)

13, lid 1 onder a FFW

½

r

BM

267

 

opzettelijk dieren, dan wel eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, af te leveren, uit te wisselen, te ruilen of in ruil aan te bieden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben (1–5 stuks)

13 lid 1 FFW

½

r

BM

268

 

opzettelijk dieren, dan wel eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, af te leveren, uit te wisselen, te ruilen of in ruil aan te bieden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben (6–10 stuks)

13 lid 1 FFW

½

r

BM

269

 

opzettelijk ongeoorloofde middelen die geschikt en bestemd zijn voor het doden of vangen of doden van één dier onder zich te hebben (max. 3 stuks)

15 lid 1 FFW

½

r

BM

270

 

opzettelijk ongeoorloofde middelen die geschikt en bestemd zijn voor het doden of vangen of doden van meer dan één dier onder zich te hebben (max. 3 stuks)

15 lid 1 FFW

½

r

BM

271

 

opzettelijk ongeoorloofde middelen die geschikt en bestemd zijn voor het doden of vangen of doden van één dier ten verkoop voorradig of voorhanden te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden (max. 3 stuks)

15 lid 1 FFW

½

r

BM

272

 

opzettelijk ongeoorloofde middelen die geschikt en bestemd zijn voor het doden of vangen van meer dan één dier ten verkoop voorradig of voorhanden te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden (max. 3 stuks)

15 lid 1 FFW

½

r

BM

273

 

opzettelijk zich buiten een gebouw bevinden met ongeoorloofde middelen die geschikt of bestemd zijn voor het doden of vangen of doden van één dier (max. 3 stuks)

15 lid 2 FFW

½

r

BM

274

 

opzettelijk zich buiten een gebouw bevinden met ongeoorloofde middelen die geschikt of bestemd zijn voor het doden of vangen of doden van meer dan één dier (max. 3 stuks)

15 lid 2 FFW

½

r

BM

275

 

opzettelijk als degene die niet voorzien is van een jachtakte, in het veld een geweer of een gedeelte van een geweer dragen, terwijl hij niet uit andere hoofde tot het gebruik van een geweer ter plaatse gerechtigd is

16 lid 1 FFW

1

r

BM

276

 

opzettelijk als degene die zich in het veld ophoudt, zich zonder gegronde reden met een fret, buidel of kastval bevinden op gronden waarop hij niet bevoegd is van die middelen gebruik te maken voor de uitoefening van de jacht of in verband met beheer en bestrijding van schade als bedoeld in de artikelen 65, 67 en 68 FFW

16 lid 2 FFW

1

r

BM

277

 

niet verhinderen dat een dier dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat, in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt

16 lid 3 FFW

1

R

BM

331

 

opzettelijk uitzetten van dieren of eieren van dieren in de vrije natuur

14 FFW

½

             
       

Nummers BM 278 – BM 291: Flora- en faunawet (FFW) uitheems

   

r

BM

278

a

planten of producten van planten, behorende tot een beschermde uitheemse plantensoort, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben, CITES Bijlage A. Per stuk maximaal 3 stuks: niet opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

278

b

planten of producten van planten, behorende tot een beschermde uitheemse plantensoort, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben, CITES Bijlage A. Per stuk maximaal 3 stuks: opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

279

a

een hoeveelheid kaviaar (van 0 gram tot 125 gram, zijnde een product van een dier behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (CITES bijlage A), binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

279

b

een hoeveelheid kaviaar (van 0 gram tot 125 gram, zijnde een product van een dier behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (CITES bijlage A), binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

280

a

een hoeveelheid kaviaar (van 125 gram tot 350 gram, zijnde een product van een dier behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (CITES bijlage A), binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

280

b

een hoeveelheid kaviaar (van 125 gram tot 350 gram, zijnde een product van een dier behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (CITES bijlage A), binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

281

a

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid van 1 tot 100 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

281

b

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid van 1 tot 100 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

282

a

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid van 100 tot 200 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

282

b

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid van 100 tot 200 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

283

a

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid van 200 tot 300 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

283

b

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid van 200 tot 300 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

284

a

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid 300 tot 400 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

284

b

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid 300 tot 400 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

285

a

CITES bijlage A product van plant of dier, Medicijn, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

285

b

CITES bijlage A product van plant of dier, Medicijn, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

286

a

CITES bijlage A, product van plant of dier, souvenir/gebruiksvoorwerp, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

286

b

CITES bijlage A, product van plant of dier, souvenir/gebruiksvoorwerp, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

287

a

CITES bijlage B/C, dier of plant, dood of levend, maximaal 3, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

287

b

CITES bijlage B/C, dier of plant, dood of levend, maximaal 3, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

288

a

CITES bijlage B, product van plant of dier, kaviaar, 125 tot 250 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

288

b

CITES bijlage B, product van plant of dier, kaviaar, 125 tot 250 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

289

a

CITES bijlage B/C, product van plant of dier, kaviaar, 250 tot 500 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

289

b

CITES bijlage B/C, product van plant of dier, kaviaar, 250 tot 500 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

290

a

CITES bijlage B/C product van plant of dier, Medicijn, geringe hoeveelheid, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

290

b

CITES bijlage B/C product van plant of dier, Medicijn, geringe hoeveelheid, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

291

a

CITES bijlage B/C, product van plant of dier, souvenir/gebruiksvoorwerp, maximaal 3, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

r

BM

291

b

CITES bijlage B/C, product van plant of dier, souvenir/gebruiksvoorwerp, maximaal 3, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

13 lid 1 onder a FFW

1

             
       

Nummers BM 292 – BM 294 Boswet (Bw)

   

r

BM

292

 

vellen of te doen vellen van een houtbestand, anders dan bij wijze van dunning, zonder dat een voorafgaande tijdige kennisgeving als bedoeld in art. 2, eerste lid, Boswet is gedaan (max. 1 hectare)

2 lid 3 Bw

½

r

BM

293

 

als eigenaar van grond, waarop een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, is geveld of op andere wijze tenietgegaan, niet voldoen aan verplichting binnen een tijdvak van drie jaren na de velling of het tenietgaan van de houtopstand te herbeplanten volgens de hiervoor gestelde regels (max. 1 hectare)

3 lid 1Bw

½

r

BM

294

 

als eigenaar van grond, waarop een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, is geveld of op andere wijze tenietgegaan, niet voldoen aan verplichting beplanting die niet is aangeslagen binnen drie jaren te vervangen (max. 1 hectare)

3 lid 2 BW

½

             
       

Nummer BM 295 – Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998)

   

r

BM

295

 

zich in strijd met de beperkingen die ingevolge artikel 20, eerste of tweede lid, Nbw1998 zijn opgelegd, bevinden in een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, Nbw 1998, een Natura 2000-gebied of gedeelten daarvan

20 lid 3 Nbw 1998

½

             
       

Afdeling E. Water

   
             
       

Nummers BM 224 – BM 229: Waterwet (Wtw)

   

r

BM

224

 

zonder vergunning minder schadelijke stoffen in een oppervlaktelichaam brengen anders dan vanuit een inrichting

6.2 jo 6.6 Wtw

½

r

BM

225

 

zonder vergunning van gedeputeerde staten grondwater onttrekken of water infiltreren zonder vergunning als bedoeld in artikel 6.4 Waterwet (max. 50 m3/u)

6.4 Wtw

½

r

BM

226

 

door degene die handelingen verricht als bedoeld in artikel 6.8 Waterwet, een daardoor veroorzaakte verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam niet zo spoedig mogelijk melden aan de beheerder

6.9 lid 1 Wtw

½

r

BM

227

a

met een voertuig betreden van een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, in strijd met een toegangsverbod: met motorvoertuig

6.10 Wtw

½

r

BM

227

b

met een voertuig betreden van een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, in strijd met een toegangsverbod: zonder motorvoertuig

6.10 Wtw

½

r

BM

228

a

brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: 1 t/m 10% overschrijding

6.20 lid 3 Wtw

½

r

BM

228

b

brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: 11 t/m 20% overschrijding

6.20 lid 3 Wtw

½

r

BM

228

c

brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: 21 t/m 30% overschrijding

6.20 lid 3 Wtw

½

r

BM

228

d

brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: 31 t/m 40% overschrijding

6.20 lid 3 Wtw

½

r

BM

228

e

brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften 41 t/m 50% overschrijding

6.20 lid 3 Wtw

½

r

BM

229

a

handelen in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningsvoorschriften: niet melden van een calamiteit van relatief geringe omvang

6.20 lid 3 Wtw

½

r

BM

229

b

handelen in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningsvoorschriften: niet voldoen aan administratieve verplichtingen

6.20 lid 3 Wtw

½

r

BM

229

c

handelen in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningsvoorschriften: niet treffen van voorgeschreven voorzieningen

6.20 lid 3 Wtw

½

             
       

Nummers BM 230 – BM 233: Waterbesluit (Wtb)

   

r

BM

230

 

niet melden bij het bevoegd gezag van een grondwateronttrekking of infiltratie van water, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.4 Waterwet of een verordening van het waterschap

6.11 lid 1 Wtb

½

r

BM

231

 

niet voldoen aan de meetplicht ten aanzien van de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water

6.11 lid 2 Wtb

½

r

BM

232

 

niet voldoen aan de verplichting tot het meten van de kwaliteit van geïnfiltreerd water overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde regels

6.11 lid 3 Wtb

½

r

BM

233

 

niet binnen de hiervoor gestelde termijn opgave doen aan het bevoegd gezag over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater, geïnfiltreerd water of de kwaliteit van het geïnfiltreerde water

6.11 lid 4 Wtb

½

             
       

Nummers BM 234 – BM 235: Waterregeling (Wtr)

   

r

BM

234

 

niet ten minste vier weken voor de uitvoering van een werk of een activiteit waarvoor krachtens artikel 6.12 of 6.13 Waterbesluit geen vergunning is vereist, dit schriftelijk melden aan de minister van I & M

6.14 lid 1 Wtr

½

r

BM

235

a

niet voldoen aan de verplichting dat de debietmeet- en bemonsteringsvoorzieningen: in goede staat verkeren

7.6 Wtr

½

r

BM

235

b

niet voldoen aan de verplichting dat de debietmeet- en bemonsteringsvoorzieningen: overeenkomstig de voorschriften van de leverancier zijn geïnstalleerd en/of onderhouden

7.6 Wtr

½

r

BM

235

c

niet voldoen aan de verplichting dat de debietmeet- en bemonsteringsvoorzieningen: regelmatig worden schoongemaakt

7.6 Wtr

½

r

BM

235

d

niet voldoen aan de verplichting dat de debietmeet- en bemonsteringsvoorzieningen: veilig toegankelijk zijn

7.6 Wtr

½

             
       

Nummers BM 236 – BM 239: Besluit lozing afvalwater huishoudens (Blah)

   

r

BM

236

 

lozen van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam, terwijl de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop aansluiting kan plaatsvinden, 40 meter of minder bedraagt

10 Blah

½

r

BM

238

 

huishoudelijk afvalwater niet voorafgaand aan het lozen in een oppervlaktewaterlichaam door een zuiveringsvoorziening geleiden

11 Blah

½

r

BM

239

 

degene die voornemens is huishoudelijk afvalwater vanuit een particulier huishouden op en/of in de bodem en/of in een oppervlaktewaterlichaam te lozen, heeft dit voornemen niet ten minste zes weken voorafgaand aan het plaatsen van een zuiveringsvoorziening gemeld aan het bevoegd gezag

13 Blah

½

             
       

Nummers BM 240 – BM 255: Drinkwaterbesluit (Dwb)

   

r

BM

240

 

niet uitvoeren van een meetprogramma

14 (via 31) Dwb

½

r

BM

241

 

niet terstond of volledig informeren van de door Onze Minister als zodanig aangewezen inspecteur dat drinkwater niet voldoet aan artikel 21, eerste lid, Drinkwaterwet of aan een in tabel I en/of II van bijlage A van Drinkwaterbesluit gestelde eis, en/of over het onderzoek of de nemen herstelmaatregelen, bedoeld in artikel 22 Drinkwaterbesluit

23 jo 31 lid 1 Dwb

½

r

BM

242

 

eigenaar van een collectieve watervoorziening heeft niet een legionella-risicoanalyse bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het Drinkwaterbesluit laten uitvoeren overeenkomstig de hiervoor gestelde regels

37 lid 1 Dwb jo art. 5 Regeling legionellapreventie

½

r

BM

243

 

eigenaar van een collectief leidingnet heeft niet een legionella-risicoanalyse bedoeld in artikel 37, tweede lid, van het Drinkwaterbesluit laten uitvoeren van overeenkomstig de hiervoor gestelde regels

37 lid 2 Dwb jo art. 5 Regeling legionellapreventie

½

r

BM

244

 

legionella-risicoanalyse, bedoeld in het eerste of tweede lid van artikel 37 Drinkwaterbesluit, laten uitvoeren door een niet daarvoor op basis van BRL 6010 gecertificeerd bedrijf

37 lid 3 Dwb

½

r

BM

245

 

niet binnen drie maanden na iedere voor het in artikel 37, eerste of tweede lid, Waterleidingbesluit bedoelde risico relevante wijziging van een collectieve watervoorziening of collectief leidingnet, of het gebruik daarvan, dan wel een wijziging van factoren die invloed kunnen hebben op dat risico, opnieuw uitvoeren van de legionella-risicoanalyse, bedoeld in het eerste lid of tweede lid artikel 37, eerste of tweede lid, Waterleidingbesluit

37 lid 4 Dwb

½

r

BM

246

 

niet door een daarvoor overeenkomstig BRL 6010 gecertificeerde persoon of bedrijf op basis van de legionella-risicoanalyse laten opstellen van een legionella-beheersplan, dan wel herzien van een bestaand legionella-beheersplan met betrekking tot de inrichting en het beheer van een collectieve watervoorziening, dan wel collectief leidingnet, terwijl uit een legionella-risicoanalyse als bedoeld in artikel 37, eerste, tweede of vierde lid, Drinkwaterbesluit is gebleken dat er een risico is dat niet wordt voldaan aan artikel 27 of artikel 36, eerste lid, Drinkwaterbesluit

38 lid 1 Dwb

½

r

BM

247

 

niet binnen drie maanden na het tijdstip van gereedkomen van de in artikel 37, vierde lid, Drinkwaterbesluit bedoelde legionella-risicoanalyse opstellen van een legionella-beheersplan, dan wel herzien van een bestaand legionella-beheersplan, terwijl de legionella-risicoanalyse daartoe aanleiding geeft

38 lid 2 Dwb

½

r

BM

248

 

niet uitvoeren van maatregelen en controles volgens legionellabeheersplan

40 lid 1 Dwb

½

r

BM

249

 

niet in een logboek aantekening houden van de krachtens hoofdstuk 4 Drinkwaterbesluit uitgevoerde maatregelen, controles en onderzoeken, alsmede van de resultaten daarvan, of gedurende drie jaar bewaren van deze gegevens

40 lid 2 Dwb

½

r

BM

250

 

niet terstond en volledig informeren van de door Onze Minister als zodanig aangewezen inspecteur dat het drinkwater, bedoeld in artikel 36 lid 1 Dwb meer dan 1000 kolonievormende eenheden legionellabacteriën per liter bevat

41 lid 3 Dwb

½

r

BM

251

 

niet op de voorgeschreven wijze het drinkwater onderzoeken op de aanwezigheid van legionellabacteriën

42 Dwb jo art. 6 en 7 van de Regeling legionellapreventie

½

r

BM

252

a

bij de uitvoering van de legionella-risicoanalyse, bedoeld in artikel 37, eerste of tweede lid, van het Drinkwaterbesluit bij de tappunten, bedoeld in artikel 35 vierde lid Drinkwaterbesluit, van een collectieve watervoorziening, dan wel een collectief leidingnet: het drinkwater niet onderzoeken op de aanwezigheid van legionellabacteriën

43 lid 1 Dwb

½

r

BM

252

b

bij de uitvoering van de legionella-risicoanalyse, bedoeld in artikel 37, eerste of tweede lid, van het Drinkwaterbesluit bij de tappunten, bedoeld in artikel 35 vierde lid Drinkwaterbesluit, van een collectieve watervoorziening, dan wel een collectief leidingnet: niet om de zes maanden onderzoeken (van toepassing op alle collectieve installaties behoudens situatie c)

43 lid 1 Dwb

½

r

BM

253

 

niet tenminste eenmaal per jaar onderzoeken indien de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet maximaal zeven maanden per jaar in gebruik is

43 lid 2 Dwb

½

r

BM

254

 

het niet in acht nemen van de voorwaarden en voorschriften opgenomen in BRL K 14010-1 bij de toepassing van fysisch of fotochemisch beheer door de eigenaar van de collectieve watervoorziening of het collectief leidingnet

44 lid 4 Dwb

½

r

BM

255

 

het niet in acht nemen van de voorwaarden en voorschriften opgenomen in BRL K 14010-2 bij de toepassing van elektrochemisch beheer door de eigenaar van de collectieve watervoorziening of het collectief leidingnet

44 lid 5 Dwb

½

             
       

Nummers BM 256 – BM 259: Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi)

   

r

BM

256

 

door degene die voornemens is te lozen als bedoeld in de artikelen 3.1, tweede, derde, vierde en zesde lid, onderdeel a, 3.2, derde, vijfde, zevende en negende lid, 3.5, derde en vierde lid, 3.6, tweede lid, 3.10, eerste lid, 3.11, eerste lid, 3.12, eerste lid, 3.13, zevende en negende lid, 3.17, eerste en tweede lid, 3.20, vijfde lid, 3.21, eerste lid of 3.24 Besluit lozen buiten inrichting, niet ten minste vier weken voordat met het lozen wordt aangevangen, hiervan melding maken bij het bevoegd gezag

1.10 lid 1 Blbi

½

r

BM

257

 

door degene die voornemens is te lozen vanuit een bodemsanering als bedoeld in artikel 3.1, tweede, derde of vierde lid, Besluit lozen buiten inrichting, niet ten minste vijf werkdagen voordat met het lozen wordt aangevangen, hiervan melding maken bij het bevoegd gezag, terwijl op grond van artikel 7 Besluit uniforme saneringen met een sanering kan worden begonnen nadat vijf werkdagen zijn verstreken vanaf de datum van ontvangst van de melding, bedoeld in artikel 6 van dat besluit

1.11 Blbi

1/2

r

BM

258

 

bij het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van werkzaamheden aan vaste objecten niet of onvoldoende treffen van bij ministeriële regeling aangegeven maatregelen om het in dat oppervlaktewaterlichaam lozen van stoffen te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken

3.10 lid 2 jo lid 1 Blbi

½

r

BM

259

 

niet in een werkplan beschrijven van de maatregelen die worden getroffen om het lozen in een oppervlaktelichaam ten gevolge van sloop-, renovatie-, of nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten te voorkomen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken

3.11 lid 3 Blbi

½

r

BM

322

 

lozen van grondwater in een vuilwaterriool vanuit een proefbronnering in het kader van een saneringsonderzoek in de zin van de Wet bodembescherming of vanuit een bodemsanering in de zin van de Wet bodembescherming

3.1, lid 1 jo lid 5 Blbi

½

r

BM

323

 

lozen van grondwater vanuit een proefbronnering in het kader van een saneringsonderzoek in de zin van de Wet bodembescherming of vanuit een bodemsanering in de zin van de Wet bodembescherming, terwijl dit grondwater niet op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd

3.1 lid 1 jo lid 5 Blbi

½

             
       

Nummers BM 324 – BM 326: Lozingsbesluit open teelt en veehouderij

   

r

BM

324

 

bij agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden, niet voldoende zorg in acht nemen om verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam te voorkomen

4 lid 1 Lot

 
         

5 lid 1 Lot

1/2

r

BM

325

 

lozen op oppervlaktewater van niet in het tweede lid omschreven afvalwaterstromen of van in het tweede lid omschreven afvalwaterstromen, terwijl de bijbehorende voorschriften niet in acht zijn genomen

   

r

BM

326

 

door degene die voornemens is agrarische activiteiten uit te voeren ten gevolge waarvan een lozing kan plaatsvinden, het lozen niet tenminste zes weken voordat daarmee wordt aangevangen, melden aan de beheerder

19 Lot

½

             
       

Nummers BM 327 – BM 328: Besluit glastuinbouw

   

r

BM

327

 

door degene die een glastuinbouwbedrijf type B drijft, niet bijlage 1, voldoen aan meet-, registratie- of rapportageverplichtingen

4 lid 1 jo bijlage 1 hoofdstuk 3 Bgtb

½

R

BM

328

 

door degene die voornemens is vanuit een glastuinbouwbedrijf type B te lozen type II, dit niet ten minste acht weken voordat met dat lozen wordt aangevangen, melden aan het Wtw-bevoegd gezag

8 lid 1 Bgtb

½

             
       

Afdeling F. Algemeen

   
             
       

Nummer BM 296: Wetboek van Strafrecht (WvSr)

   

r

BM

296

a

als bij amvb aangewezen handelaar die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf: niet met inachtneming van de bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels aantekening hebben gehouden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij heeft verworven dan wel voorhanden heeft

art. 437 WvSr

½

r

BM

296

b

als bij amvb aangewezen handelaar die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf: een gebruikt of ongeregeld goed verwerven van iemand, zonder dat diegene zijn identiteitsgegevens heeft opgegeven of zonder dat hij die gegevens in zijn administratie heeft aangetekend

art. 437 WvSr

½

             
       

Nummer BM 297: Wet op de economische delicten (Wed)

   

r

BM

297

 

opzettelijk niet hebben voldaan aan een vordering, krachtens enig voorschrift van de Wet op de economische delicten, gedaan door een opsporingsambtenaar

art. 26 Wed

½

HOOFDSTUK 2. KEURFEITEN

Categorie 1. Natuurlijk persoon

Categorie 2. Rechtspersoon

Code

Omschrijving feit

Artikel

Categorie

       

Nummers BM 298 – BM 321: Model Keur

   

r

BM

298

a

zonder vergunning van het bestuur: in oppervlaktewatersysteem vis uitzetten

artikel 2 lid 2 onder a Model Keur

½

r

BM

298

b

zonder vergunning van het bestuur: vaste vistuigen te plaatsen

artikel 2 lid 2 onder b Model Keur

½

r

BM

299

 

niet een voldoende kerende afrastering aanbrengen en onderhouden langs hun gronden, welke gelegen zijn aan waterstaatswerken en die gebruikt worden voor het houden van dieren, indien dit door het bestuur verplicht is gesteld

artikel 3.1 lid 1 Model Keur

½

r

BM

301

 

stuwen niet op een daarbij bepaald stuwpeil te stellen, indien dit door het bestuur verplicht is gesteld

artikel 3.3 lid 1 Model Keur

½

r

BM

302

 

niet voldoen aan onderhoudsverplichting waterkering (gewoon)

artikel 3.5 lid 1 Model Keur

½

r

BM

303

 

het niet beplanten of nemen van andere maatregelen om verstuiving te voorkomen, in de beschermingszone en de in de keur aangewezen aangrenzende zone

artikel 3.5 lid 2 Model Keur

½

r

BM

304

 

niet voldoen aan onderhoudsverplichting waterkering (buitengewoon onderhoud)

artikel 3.6 lid 1 Model Keur

½

r

BM

305

 

onderhoud uitvoeren in gesloten periode

artikel 3.6 lid 2 Model Keur

½

r

BM

306

 

niet voldoen aan onderhoudsverplichting aan ondersteunende kunstwerken en werken met een waterkerende functie

artikel 3.7 Model Keur

½

r

BM

307

 

niet voldoen aan onderhoudsverplichting oppervlaktewaterlichaam (gewoon)

artikel 3.8 Model Keur

½

r

BM

308

 

niet voldoen aan onderhoudsverplichting oppervlaktewaterlichamen (buitengewoon onderhoud)

artikel 3.9 Model Keur

½

r

BM

309

a

zonder vergunning gebruik maken van een waterstaatwerk door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: werkzaamheden te verrichten

artikel 4.1 lid 1 onder a Model Keur

½

r

BM

309

b

zonder vergunning gebruik maken van een waterstaatwerk door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: werken of opgaande (hout)beplantingen te plaatsen, te behouden of te verwijderen

artikel 4.1 lid 1 onder b Model Keur

½

r

BM

309

c

zonder vergunning gebruik maken van een waterstaatwerk door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: vaste stoffen, voorwerpen of dieren te brengen, te hebben of te (be)houden

artikel 4.1 lid 1 onder c Model Keur

½

r

BM

309

d

zonder vergunning gebruik maken van een waterstaatwerk door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: activiteiten te houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen

artikel 4.1 lid 1 onder d Model Keur

½

r

BM

309

e

zonder vergunning gebruik maken van een waterstaatwerk door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: buiten openbare verharde wegen met rij- of voertuigen of met een lastdier te rijden of vee te drijven

artikel 4.1 lid 1 onder e Model Keur

½

r

BM

309

f

zonder vergunning gebruik maken van een waterstaatwerk door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: op andere wijze bemesting toe te passen dan door het bestuur is bepaald

artikel 4.1 lid 1 onder f Model Keur

½

r

BM

309

g

zonder vergunning gebruik maken van een waterstaatwerk door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: de waterstand op een peil te brengen of te houden, anders dan het peil dat in het betreffende peilbesluit is opgenomen, of dat normaal wordt aangehouden

artikel 4.1 lid 1 onder g Model Keur

½

r

BM

309

h

zonder vergunning gebruik maken van een waterstaatwerk door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: zich anders dan als rechthebbende te bevinden, indien dat op een voor het publiek kenbare wijze is aangegeven

artikel 4.1 lid 1 onder h Model Keur

½

r

BM

309

i

zonder vergunning gebruik maken van een waterstaatwerk door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: binnen de in de keur vastgelegde afstand van de in- of uitstroomopening van een bemalingsinstallatie een ligplaats in te nemen met een schip, dan wel te zwemmen, te duiken of watersport te beoefenen

artikel 4.1 lid 1, onder i Model Keur

½

r

BM

309

j

zonder vergunning gebruik maken van een waterstaatwerk door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: binnen de in de keur vastgelegde afstand van een windbemalingsinstallatie werken of beplantingen, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben

artikel 4.1 lid 1, onder j Model Keur

½

r

BM

310

a

zonder vergunning van het bestuur in de beschermingszone: afgravingen en seismische onderzoeken te verrichten

artikel 4.1 lid 2 onder a Model Keur

½

r

BM

310

b

zonder vergunning van het bestuur in de beschermingszone: werken met een overdruk van in de keur vastgelegde druk of hoger te plaatsen en te hebben

artikel 4.1 lid 2 onder b Model Keur

½

r

BM

310

c

zonder vergunning van het bestuur in de beschermingszone: explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben

artikel 4.1 lid 2 onder c Model Keur

½

r

BM

310

d

zonder vergunning van het bestuur in de beschermingszone: van een primaire waterkering, als bedoeld in artikel 1.1 Waterwet, bouwwerken op te richten

artikel 4.1 lid 2 onder d Model Keur

½

r

BM

311

 

zonder vergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen of te behouden

artikel 4.1 lid 3 Model Keur

½

r

BM

312

a

zonder vergunning neerslag afkomstig van nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer laten komen: indien daarbij meer dan de in de keur aangegeven oppervlakte onverharde grond wordt bebouwd of verhard

artikel 4.2 onder a Model Keur

½

r

BM

312

b

zonder vergunning neerslag afkomstig van nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer laten komen: indien sprake is van verscheidene te ontwikkelen min of meer aaneengesloten bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte, groter dan in de keur is aangegeven

artikel 4.2 onder b Model Keur

½

r

BM

312

c

zonder vergunning neerslag afkomstig van nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer laten komen: indien een nieuw aan te leggen verhard oppervlak meer dan het in de keur genoemd percentage van het oppervlak van het betreffende peilvak beslaat

artikel 4.2 onder c Model Keur

½

r

BM

312

d

zonder vergunning neerslag afkomstig van nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer laten komen: indien het betreffende watersysteem de toename van de piekafvoer als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak niet kan verwerken, ook als de oppervlakte minder is dan onder a of b is aangegeven

artikel 4.2 onder d Model Keur

½

r

BM

313

a

in geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, zonodig in afwijking van verleende vergunningen of geldende peilbesluiten, wanneer dit door het bestuur verboden is: water afvoeren naar oppervlaktewaterlichamen

artikel 4.4 lid 1 onder a Model Keur

½

r

BM

313

b

in geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, zonodig in afwijking van verleende vergunningen of geldende peilbesluiten, wanneer dit door het bestuur verboden is: water aanvoeren uit oppervlaktewaterlichamen

artikel 4.4 lid 1 onder a Model Keur

½

r

BM

313

c

in geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, zo nodig in afwijking van verleende vergunningen of geldende peilbesluiten, wanneer dit door het bestuur verboden is: water lozen op oppervlaktewaterlichamen

artikel 4.4 lid 1 onder b Model Keur

½

r

BM

313

d

in geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, zo nodig in afwijking van verleende vergunningen of geldende peilbesluiten, wanneer dit door het bestuur verboden is: water onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen

artikel 4.4 lid 1 onder b Model Keur

½

r

BM

313

e

in geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, zo nodig in afwijking van verleende vergunningen of geldende peilbesluiten, wanneer dit door het bestuur verboden is: grondwater onttrekken

artikel 4.4 lid 1 onder c Model Keur

½

r

BM

313

f

in geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, zo nodig in afwijking van verleende vergunningen of geldende peilbesluiten, wanneer dit door het bestuur verboden is: grondwater infiltreren

artikel 4.4 lid 1 onder c Model Keur

½

r

BM

314

a

in door het bestuur aangegeven kwetsbare gebieden: water afvoeren naar oppervlaktewaterlichamen

artikel 4.5 Model Keur

½

r

BM

314

b

in door het bestuur aangegeven kwetsbare gebieden: water aanvoeren uit oppervlaktewaterlichamen

artikel 4.5 Model Keur

½

r

BM

314

c

in door het bestuur aangegeven kwetsbare gebieden: water lozen op oppervlaktewaterlichamen

artikel 4.5 Model Keur

½

r

BM

314

d

in door het bestuur aangegeven kwetsbare gebieden: water onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen

artikel 4.5 Model Keur

½

r

BM

314

e

in door het bestuur aangegeven kwetsbare gebieden: grondwater onttrekken

artikel 4.5 Model Keur

½

r

BM

315

a

zonder vergunning van het bestuur: water afvoeren naar oppervlaktewaterlichamen, meer dan de in de keur vastgestelde hoeveelheid

artikel 4.6 lid 1 Model Keur

½

r

BM

315

b

zonder vergunning van het bestuur: water aanvoeren uit oppervlaktewaterlichamen, meer dan de in de keur vastgestelde hoeveelheid

artikel 4.6 lid 1 Model Keur

½

r

BM

316

 

het niet melden aan het bestuur van het aanvoeren uit of afvoeren naar oppervlaktewaterlichaam van water, indien de te verplaatsen hoeveelheid meer bedraagt dan de in de keur vastgestelde hoeveelheid

artikel 4.7 lid 1 Model Keur

½

r

BM

317

a

zonder vergunning van het bestuur: water lozen op oppervlaktewaterlichamen, meer dan de in de keur vastgestelde hoeveelheid

artikel 4.8 lid 1 onder a Model Keur

½

r

BM

317

b

zonder vergunning van het bestuur: water onttrekken uit oppervlaktewaterlichamen, meer dan de in de keur vastgestelde hoeveelheid

artikel 4.8 lid 1 onder b Model Keur

½

r

BM

318

 

het niet melden aan het bestuur van het lozen op of onttrekken aan oppervlaktewaterlichaam van water, indien de te verplaatsen hoeveelheid meer bedraagt dan de in de keur vastgestelde hoeveelheid

artikel 4.9 lid 1 Model Keur

½

r

BM

319

a

zonder vergunning van het bestuur grondwater onttrekken, meer dan de in de keur vastgestelde hoeveelheid: < 1x de in de keur vastgestelde maximum hoeveelheid, die met een melding mag worden onttrokken

artikel 4.10 lid 1 onder a Model Keur

½

r

BM

319

b

zonder vergunning van het bestuur grondwater onttrekken, meer dan de in de keur vastgestelde hoeveelheid: > 1 en <2 x het gestelde maximum

artikel 4.10 lid 1 onder a Model Keur

½

r

BM

319

c

zonder vergunning van het bestuur grondwater onttrekken, meer dan de in de keur vastgestelde hoeveelheid: > 2x het gesteld maximum

artikel 4.10 lid 1 onder a Model Keur

½

r

BM

319

d

zonder vergunning van het bestuur: grondwater in de bodem infiltreren, meer dan de in de keur vastgestelde hoeveelheid

artikel 4.10 lid 1 onder b Model Keur

½

r

BM

320

 

niet indienen vereiste gegevens bij het melden van af- of aanvoeren, lozen of onttrekken van oppervlaktewater

artikel 4.12 lid 1 Model Keur

½

r

BM

321

 

niet voldoen aan verplichting tot meten, registreren en opgave doen van waterhoeveelheden bij het af- of aanvoeren, lozen of onttrekken van oppervlaktewater

artikel 4.13 Model Keur

½

ARTIKEL II

Het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, tweede volzin, wordt na «Besluit OM-afdoening,» toegevoegd: alsmede een lichaam of een persoon, bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b, van het Besluit OM-afdoening,.

B

In artikel 3a vervalt het derde lid, onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot het derde en vierde lid.

C

Na artikel 3a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3b

  • 1. In geval krachtens artikel 257ba van het Wetboek van Strafvordering een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, kan, in afwijking van artikel 3, eerste lid, betaling van een geldboete in bijzondere gevallen geschieden op een plaats die is aangewezen door een lichaam of een persoon, in de zin van artikel 4.1, onderdeel b, van het Besluit OM-afdoening. Betaling van de geldboete geschiedt binnen een dag na die waarop het strafbare feit is ontdekt.

  • 2. Als plaats van betaling, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts aangewezen een eigen kantoor dan wel een tijdelijke plaats van betaling, ingesteld door of vanwege een lichaam of een persoon, bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b, van het Besluit OM-afdoening.

  • 3. Door of vanwege een lichaam of een persoon, bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b, van het Besluit OM-afdoening, worden ambtenaren aangewezen die zijn belast met de inning van gelden die overeenkomstig het eerste lid worden betaald.

  • 4. De met inning belaste ambtenaar wordt in het bezit gesteld van een lijst met feiten als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, van het Besluit OM-afdoening en de voor deze feiten vastgestelde tarieven. Desgevraagd verleent hij degene die betaalt inzage in deze lijst.

D

In artikel 5, eerste lid en tweede lid, wordt «en 3a, eerste lid,» vervangen door: 3a, eerste lid en 3b, eerste lid,.

E

Artikel 9, tweede volzin, komt te luiden:

Voor de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaren wordt de in de eerste zin bedoelde opgave gedaan door de betrokken korpschefs, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Besluit OM-afdoening of het betrokken lichaam of de betrokken persoon, bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b, van het Besluit OM-afdoening.

ARTIKEL III

In artikel 5, eerste lid, van het Besluit justitiële gegevens wordt «op grond van artikel 257b van het Wetboek van Strafvordering» vervangen door: op grond van de artikelen 257b en 257ba van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL IV

Het Transactiebesluit milieudelicten vervalt.

ARTIKEL V

In strafzaken waarin voor het inwerking treden van dit besluit voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zijn gesteld overeenkomstig artikel 37 van de Wet op de economische delicten blijft het Transactiebesluit milieudelicten van toepassing.

ARTIKEL VI

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 5 april 2012

Beatrix

De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten

Uitgegeven de elfde april 2012

De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Dit besluit strekt tot invoering van de strafbeschikking op grond van artikel 257ba van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), de zogeheten bestuurlijke strafbeschikking. Met dit besluit zijn de directeuren van de Regionale Uitvoeringsdiensten (hierna: RUD’s), de dagelijkse besturen van de waterschappen en de hoofden van enkele onderdelen van de Rijksoverheid die zijn belast met de handhaving van milieuregelgeving, bevoegd om strafbeschikkingen inhoudende een geldboete uit te vaardigen voor een groot aantal strafbare feiten op het milieuterrein en van de waterschapskeuren. De colleges van gedeputeerde staten van de provincies zijn bevoegd een strafbeschikking uit te vaardigen in de gebieden waarin nog geen RUD actief is. De in dit besluit aangewezen lichamen of personen met een publieke taak belast (hierna: het bevoegde gezag) beschikken hiermee over een strafrechtelijk handhavingsinstrument waarmee zij zelfstandig een geldboete kunnen opleggen. Door de algemene regeling in dit besluit kan de bestuurlijke strafbeschikking in de toekomst eenvoudig worden uitgebreid naar andere domeinen waarvoor geldt dat de handhaving overwegend geschiedt door buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van of werkzaam voor het bevoegde gezag. Met de strafbeschikking in handen van het bevoegde gezag is efficiëntere en effectievere handhaving mogelijk doordat strafbare feiten van geringe ernst of eenvoudige aard op basis van een door een buitengewoon opsporingsambtenaar opgemaakt verkort proces-verbaal (hierna: combibon), vergaand gestandaardiseerd en geautomatiseerd strafrechtelijk kunnen worden afgedaan. De door het bevoegde gezag uitgevaardigde strafbeschikking wordt door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB) geïnd. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) komt pas in beeld op het moment dat de verdachte verzet instelt tegen de strafbeschikking. Het bevoegde gezag beslist zelf over de toepassing van de bestuurlijke strafbeschikking. Het OM houdt slechts toezicht op de juridische juistheid van de strafbeschikking en op het naleven van de grenzen die aan de strafbeschikkingsbevoegdheid worden gesteld in het besluit. Voor de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking op het milieuterrein worden het Besluit OM-afdoening en een aantal andere algemene maatregelen van bestuur gewijzigd. In de met dit besluit geïntroduceerde bestuurlijke strafbeschikking wordt voortgebouwd op de ervaringen van de pilot van het Transactiebesluit milieudelicten, dat met inwerkingtreding van dit besluit komt te vervallen.

De Wet OM-afdoening die met ingang van 1 februari 2008 in werking is getreden, introduceert in het Wetboek van Strafvordering een regeling betreffende de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten met een strafbeschikking. De strafbeschikking is te beschouwen als de opvolger van de transactie. Een belangrijk verschil tussen beide strafrechtelijke modaliteiten is dat de transactie een overeenkomst is ter voorkoming van vervolging terwijl de strafbeschikking een daad van vervolging is. Bij een transactie ligt het procesinitiatief bij de officier van justitie wanneer de verdachte niet ingaat op het voorstel tot bijvoorbeeld betaling van een geldsom. Daarentegen ligt bij de strafbeschikking het procesinitiatief, in de vorm van verzet, bij de verdachte. Zaken waarin een strafbeschikking wordt uitgevaardigd waartegen geen verzet wordt gedaan, komen in beginsel niet meer voor de strafrechter.

De bevoegdheid voor het bevoegde gezag om een strafbeschikking uit te vaardigen is voorzien in artikel 257ba Sv. Hier is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld welke lichamen of personen, met een publieke taak belast, binnen de daarbij gestelde grenzen, de bevoegdheid wordt verleend om een strafbeschikking uit te vaardigen. Daarnaast kan in deze algemene maatregel van bestuur de invulling van het toezicht en de bevoegdheid tot intrekking van de strafbeschikkingsbevoegdheid worden geregeld. Dit besluit geeft invulling aan artikel 257ba Sv. Voor de praktijk heeft de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking – in het kort – tot gevolg dat het bevoegde gezag de strafbeschikking uitvaardigt, het CJIB vervolgens de opgelegde geldboete int en het OM en de strafrechter eventueel verzet afhandelen. Volgend op de invoering van de OM-strafbeschikking (artikel 257a Sv) (Stb. 2008, 4), de politiestrafbeschikking (257b) (Stb. 2007, 55), de strafbeschikking overlast1 (artikel 257b Sv) (Stb. 2010, 140) en de fiscale strafbeschikking (artikel 76 van de Algemene wet rijksbelastingen en artikel 10:15 van de Algemene douanewet) (Stb. 2011, 308) is de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking de volgende stap in de stapsgewijze omvorming van de transactie tot de strafbeschikking.

Over het ontwerp van dit besluit is advies gevraagd aan het College van procureurs-generaal van het OM, de Raad van Korpschefs, het Korpsbeheerdersberaad, het CJIB, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG), het Interprovinciaal Overleg (hierna: IPO), de Unie van Waterschappen (hierna: UvW), Rijkswaterstaat, de VROM-inspectie, de Inspectie Verkeer en Waterstaat (hierna: IVW), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA), de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (hierna: NVvR), de Raad voor de rechtspraak (hierna: RvdR), de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA) en de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Natuurtoezicht. Uit de ontvangen adviezen kan worden geconcludeerd dat de inhoud van het ontwerpbesluit wordt onderschreven. In paragraaf 4 wordt op deze adviezen ingegaan. Voor zover nodig wordt op de gemaakte specifieke opmerkingen nader ingegaan op de plaatsen van de nota van toelichting waar het onderwerp aan de orde is.

In paragraaf 2 van deze toelichting worden verschillende aspecten van de bestuurlijke strafbeschikking milieu nader toegelicht. Vervolgens wordt in paragraaf 3 nader ingegaan op de gevolgen voor de praktijk van invoering van de bestuurlijke strafbeschikking. In paragraaf 4 worden de ingekomen adviezen behandeld en in paragraaf 5 wordt stilgestaan bij de financiële gevolgen van dit besluit.

Van de gelegenheid van deze wijziging van het Besluit OM-afdoening is gebruik gemaakt om het zogeheten inreisverbod (strafbaar gesteld in artikel 108, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000) met een politiestrafbeschikking af te kunnen gaan doen. De hiervoor doorgevoerde wijziging van bijlage I van dit besluit wordt toegelicht in de artikelsgewijze toelichting.

2. De bestuurlijke strafbeschikking milieu

2.1. Inleiding

In het rapport «De tijd is rijp» constateert de Commissie Herziening Handhavingsstelsel VROM-regelgeving (hierna: Commissie Mans) dat het scala aan bevoegdheden voor bestuurlijke en justitiële autoriteiten de afgelopen decennia is gegroeid en voor de meeste situaties toereikend is. De Commissie Mans beschouwt echter als belangrijk knelpunt dat het bestuur niet de bevoegdheid heeft om bestraffend op te treden in eenvoudige gevallen waarin het, gezien de aard van de overtreding en de taakverdeling tussen het bestuur en het OM, wenselijk is dat het bestuur zelfstandig bestraffend optreedt. In de nadere kabinetsreactie op de voorstellen van de Commissie Mans (Kamerstukken II 2008/09, 29 383, 130) is aangegeven dat de uitvoering van toezichts- en handhavingstaken door de (te vormen) RUD’s de mogelijkheid biedt om de taakverdeling tussen het bestuur en het OM te herzien. Naar verwachting zullen uiterlijk 1 januari 2013 in het hele land RUD’s operationeel zijn (zie uitgebreid paragraaf 2.2). Door instelling van de RUD’s en de daarmee samenhangende toename van professionaliteit en deskundigheid bij het bestuur zal tegen strafbare feiten van geringe ernst of eenvoudige aard op milieuterrein in beginsel zelfstandig door het bestuur worden opgetreden. De bestuurlijke strafbeschikking is hiervoor een geschikt handhavingsinstrument, in aanvulling op het bestaande handhavingsinstrumentarium. Voor het OM en de politie ontstaat door de aanvullende strafrechtelijke handhaving door het bestuur meer ruimte om zich te richten op zwaardere vormen van milieucriminaliteit. Daarom wordt verwacht dat de effectiviteit en de efficiëntie van de handhaving van het milieurecht en andere onderdelen van het ordeningsrecht, zoals de waterschapskeuren, worden vergroot door invoering van dit instrument.

Het bijzondere aan de bestuurlijke strafbeschikking is dat hiermee het aangewezen gezag de bevoegdheid krijgt om zelfstandig, dat wil zeggen zonder tussenkomst van het OM, een strafrechtelijke sanctie op te leggen voor een aantal categorieën milieu- en keurfeiten waarbij geen sprake is van zodanige strafrechtelijk relevante omstandigheden dat optreden door het OM is geboden. Het uitvaardigen van de bestuurlijke strafbeschikking door het bevoegde gezag is – al doet de naam misschien anders vermoeden – onderdeel van het strafrecht. Wanneer de bestrafte bij het OM verzet doet tegen een bestuurlijke strafbeschikking, wordt de zaak in beginsel voorgelegd aan de strafrechter. Bij toepassing van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid voor milieu- en keurfeiten spelen buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van of werkzaam voor het bevoegde gezag, en dan vooral de buitengewoon opsporingsambtenaren behorende tot het domein Milieu en welzijn (domein II, circulaire boa d.d. 10 januari 2011, Stcrt. 2011, 926),), een cruciale rol. Een door hen ingevulde combibon vormt de basis voor de door het bevoegde gezag uit te vaardigen bestuurlijke strafbeschikkingen. Om te zorgen dat deze buitengewoon opsporingsambtenaren hiervoor gekwalificeerd zijn, zijn in 2010 aanvullende bekwaamheidseisen en bijbehorende opleidingsverplichtingen vastgesteld in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (Stb. 2010, 25) en de genoemde circulaire boa. Deze professionalisering komt voort uit het Visiedocument buitengewone opsporingsambtenaren milieu, «De boa voor de milieuhandhaving beter benut» van het Landelijk Overleg Milieuhandhaving (2008, p. 27). Algemeen opsporingsambtenaren, zoals politieambtenaren en opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten kunnen enkel een bestuurlijke strafbeschikking uitvaardigen voor zover zij (tijdelijk) werkzaam zijn voor het bevoegde gezag. Daarover dient de politie of een bijzondere opsporingsdienst een samenwerkingsovereenkomst te sluiten met het bevoegde gezag. Wanneer in het vervolg wordt gesproken van buitengewoon opsporingsambtenaren, kunnen daaronder dan ook deze categorieën opsporingsambtenaren worden verstaan.

Het Transactiebesluit milieudelicten heeft een belangrijk rol gespeeld bij de totstandkoming van dit besluit. In 2002 is door het Centrum voor Omgevingsrecht en Beleid onderzoek verricht naar de werking van het Transactiebesluit milieudelicten. Deze evaluatie met de titel «Een gunstig aanbod», heeft geleid tot de aanbeveling om door te gaan met het instrument van de bestuurlijke transactie. De komst van de Wet OM-afdoening heeft echter voor een nieuwe situatie gezorgd. In de nota van toelichting bij het besluit tot verlenging van het Transactiebesluit milieudelicten (Stb. 2005, 545, p. 3) is dan ook opgemerkt dat het voor de hand ligt om de inhoud van het Transactiebesluit milieudelicten, in een aan de strafbeschikking aangepaste vorm, op te nemen in dit besluit.

Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste kenmerken van de bestuurlijke strafbeschikking, te weten het bevoegde gezag (§ 2.2), de taakverdeling in de handhaving tussen het bestuur en het OM (§ 2.3), de afbakening van de strafbeschikkingsbevoegdheid (§ 2.4), de feitenlijst en tarieven (§ 2.5), de relatie tussen het bevoegde gezag en de bevoegde buitengewoon opsporingsambtenaar (§ 2.6) en de strafbeschikking overlast (§ 2.7). Hierbij is telkens de verhouding geschetst tussen dit besluit, de bestaande regeling in het Transactiebesluit milieudelicten en de regeling van de strafbeschikking ex artikel 257b Sv in het Besluit OM-afdoening.

2.2. Het bevoegde gezag

Op grond van artikel 257ba Sv is het bevoegde gezag en niet de opsporingsambtenaar bevoegd tot het uitvaardigen van bestuurlijke strafbeschikkingen. Dit is anders bij de strafbeschikking ex artikel 257b Sv, de zogeheten politiestrafbeschikking, op grond waarvan de opsporingsambtenaar zelf strafbeschikkingsbevoegd is. Bij het maken van de keuze welke lichamen of personen bevoegd worden een bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen, zijn twee overwegingen leidend geweest. Ten eerste is het aantal instanties dat met de bestuurlijke strafbeschikking gaat werken, beperkt gehouden in verband met de uitvoerbaarheid en de overzichtelijkheid voor het OM dat op grond van artikel 257ba, tweede lid, Sv is belast met het toezicht op het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikking door het bevoegde gezag. Bovendien wordt door het toekennen van de strafbeschikkingsbevoegdheid aan een beperkt aantal instanties bijgedragen aan het terugdringen van de door de Commissie Mans geconstateerde fragmentatie in handhaving op het milieuterrein. Ten tweede is uitdrukkelijk aangesloten bij de vorming van een landelijk stelsel van RUD’s ten behoeve van de professionalisering van de milieuhandhaving op regionaal niveau. Door deze RUD’s wordt kennis, kunde en capaciteit gebundeld van provincies en gemeenten die hun milieuhandhavingstaken hierin onderbrengen. Door deze schaalvergroting vormen de RUD’s het spilpunt om te komen tot effectievere en efficiëntere milieuhandhaving op regionaal niveau. Dit dient te gebeuren in afstemming en samenwerking met de politie, de buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van of werkzaam voor het bevoegde gezag en het OM. Verder wordt door deze schaalvergroting versnippering en fragmentatie van handhaving op het milieuterrein tegengegaan. Thans zijn alleen in de provincie Zuid-Holland drie RUD’s operationeel. Het streven is dat de overige RUD’s in de loop van 2012, en uiterlijk 1 januari 2013 gereed zullen zijn. RUD’s zijn openbare lichamen in de zin van artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) die zijn belast met de uitvoering van het toezicht op en de handhaving van milieuregelgeving. De bevoegdheid om zelfstandig strafrechtelijk te sanctioneren door een bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen is aan de directeuren van de RUD’s toegekend, omdat zij als schakel fungeren tussen de in een RUD deelnemende gemeenten en provincie en het OM en de politie. Dit laat onverlet dat de betrokken gemeentelijke en provinciale bestuurders samen met het OM en de politie een gemeenschappelijk handhavingsbeleid en handhavingsprioriteiten vaststellen, waarmee richting wordt gegeven aan het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid. Van belang is verder dat RUD’s beschikken over voldoende bezoldigde buitengewoon opsporingsambtenaren afgezet tegen werkterrein, takenpakket en de bevoegdheid om een bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen. Indien in de gehele provincie nog geen RUD operationeel is, zijn de colleges van gedeputeerde staten van de provincies bevoegd om een bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen.

Naast deze twee hoofdoverwegingen van een beperkt aantal instanties en de rol van de RUD’s is gekeken naar de overheidsorganen die op grond van artikel 2 van het Transactiebesluit milieudelicten bevoegd waren om een bestuurlijke transactie uit te vaardigen. Op basis van dit besluit werd aan een beperkt aantal personen en lichamen die met een publieke taak zijn belast de bevoegdheid toegekend om voor een aantal eenvoudige en veelvoorkomende milieuzaken een bestuurlijke transactie, op grond van artikel 37 van de Wet op de economische delicten (hierna: WED), aan te bieden. De aanbeveling van de eerder genoemde evaluatie uit 2002 om het bereik van de bestuurlijke transactie te vergroten is onder andere overgenomen door meer instanties dan thans onder het Transactiebesluit milieudelicten bevoegd te maken. Daarnaast worden, evenals in het Transactiebesluit milieudelicten, de dagelijkse besturen van alle waterschappen, de hoofdingenieurs-directeur van de regionale- en landelijke diensten van Rijkswaterstaat, de inspecteur-generaal van de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (voorheen: inspecteur-generaal VROM-Inspectie en inspecteur-generaal Verkeer en Waterstaat) en de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit bevoegd om voor feiten uit bijlage II een bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen.

2.3. Verhouding OM en bestuur

De bestuurlijke strafbeschikking, als handhavingsinstrument voor het bevoegde gezag, maakt onderdeel uit van een herschikking van de rollen van het bestuur enerzijds en het OM anderzijds. Een uitgangspunt daarbij is dat het bevoegde gezag (bij het toepassen van de bestuurlijke strafbeschikking) een grote mate van beleidsvrijheid toekomt ten opzichte van het OM. Het bevoegde gezag kiest bijvoorbeeld zelf het in te zetten handhavingsinstrument of de wijze waarop de buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van of werkzaam voor het bevoegde gezag worden ingezet bij de opsporing van de strafbare feiten waarvoor een bestuurlijke strafbeschikking kan worden uitgevaardigd. Wel dienen voorafgaand aan de inzet van het instrument van de bestuurlijke strafbeschikking door het bevoegde gezag, duidelijke afspraken te worden gemaakt tussen dit gezag, het OM en de politie over de vormgeving en prioritering van de handhaving op milieuterrein. In handhavingsafspraken kan worden vastgelegd voor welke overtredingen het bevoegde gezag zelfstandig optreedt, waar gezamenlijk optreden van het bevoegde gezag en het OM wenselijk is, waar strafrecht aan de orde is en waar flankerend bestuurlijk optreden gewenst is. Aan de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid kan zowel naast als in plaats van een bestuursrechtelijke (herstel)sanctie toepassing worden gegeven. In dit verband kan nog worden opgemerkt dat de met dit besluit geïntroduceerde nieuwe mogelijkheid van de bestuurlijke strafbeschikking niets afdoet aan de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geformuleerde beginselplicht tot handhaving door het bestuur (ABRvS 30 juni 2004). Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het gezag dat bevoegd is tot handhaving in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Dit kan zowel een reparatoire (bestuursdwang of last onder dwangsom) als een punitieve sanctie (strafbeschikking) betreffen. Gezien de beleidsvrijheid van het bestuur ten opzichte van het OM is er geen ruimte voor het OM om zaken op beleidsmatige gronden te seponeren door intrekking van de uitgevaardigde bestuurlijke strafbeschikking. Wel kan het OM de bestuurlijke strafbeschikking intrekken om juridisch-technische redenen. Met het oog hierop stelt het College van procureurs-generaal in de richtlijn bestuurlijke strafbeschikking milieu- en keurfeiten (hierna: de richtlijn) juridische kwaliteitseisen waaraan een bestuurlijke strafbeschikking dient te voldoen (zie nader paragraaf 2.4).

Het College van procureurs-generaal houdt toezicht op de wijze waarop het bevoegde gezag gebruik maakt van zijn strafbeschikkingsbevoegdheid. Voor de wijze waarop de toezichtfunctie wordt ingevuld door het OM, is aansluiting gezocht bij de regels die voor de bestuurlijke transactie milieudelicten golden en de regels die gelden voor de strafbeschikking ex artikel 257b Sv. Dat het OM toezicht houdt op de toepassing van de bestuurlijke strafbeschikking door het bevoegde gezag, betekent niet dat het OM bindende aanwijzingen kan geven aan het bevoegde gezag betreffende de opsporing van feiten, noch dat het OM het bevoegde gezag in beheersmatige zin mag aansturen. Zo zal het OM bijvoorbeeld geen zeggenschap hebben over de aantallen buitengewoon opsporingsambtenaren die het bevoegde gezag inzet in het kader van het uitoefenen van zijn strafbeschikkingsbevoegdheid of de prioriteit die in de handhaving met de bestuurlijke strafbeschikking wordt gegeven aan de diverse feiten die in aanmerking komen voor een bestuurlijke strafbeschikking. Als toezichthouder op de buitengewoon opsporingsambtenaren geeft het OM wel advies aan de Minister van Veiligheid en Justitie over de noodzaak van een aanvraag van het bevoegde gezag tot het toekennen van opsporingsbevoegdheid aan (een groep van) buitengewoon opsporingsambtenaren.

Naar aanleiding van het advies van Rijkswaterstaat en de NVvR wordt hierna nader ingegaan op de contouren waarbinnen het toezicht van het OM op de bestuurlijke strafbeschikking zal worden ingekaderd in de richtlijn. Binnen het OM is de hoofdofficier van justitie belast met het toezicht op het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid. Het toezicht kan zich zowel richten op de rechtmatigheid als de kwaliteit en de doelmatigheid van het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikking. Belangrijke bronnen van informatie voor het toezicht zijn de gegevens van het CJIB over de uitgevaardigde bestuurlijke strafbeschikkingen en de inning ervan, en ervaringen en inzichten die tijdens de verzetsfase worden verkregen. Daarnaast kunnen gesprekken met het bevoegde gezag of zijn medewerkers nuttige informatie opleveren over bijvoorbeeld het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid, de kwaliteit van bestuurlijke strafbeschikkingen en de hieraan ten grondslag liggende processen-verbaal en de samenwerking tussen het bevoegde gezag en het OM. In het uiterste geval kunnen de resultaten van het toezicht leiden tot het tijdelijk intrekken (artikel 4.6) van de strafbeschikkingsbevoegdheid van een aangewezen lichaam of persoon door de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket (milieufeiten), onderscheidenlijk de hoofdofficier van justitie van het betrokken regioparket (keurfeiten). Hierbij valt vooral te denken aan evident tekortschieten van het bevoegde gezag doordat de kwaliteit van de processen-verbaal van zijn buitengewoon opsporingsambtenaren ontoereikend is en blijft, of de grenzen in de richtlijn stelselmatig worden genegeerd.

2.4. Afbakening van de strafbeschikkingsbevoegdheid

Uit het wettelijk kader vloeit voort dat het aangewezen gezag van de strafbeschikkingsbevoegdheid gebruik mag maken binnen bij algemene maatregel van bestuur bepaalde grenzen (artikel 257ba, eerste lid, Sv). In het tweede lid van artikel 257ba Sv is bepaald dat de strafbeschikkingsbevoegdheid van het bevoegde gezag wordt uitgeoefend onder het toezicht van en volgens richtlijnen van het College van procureurs-generaal (zie hierover paragraaf 2.3). Bij de totstandkoming van deze richtlijnen wordt – op grond van het derde lid van artikel 257ba Sv – tijdig overleg gevoerd met de vertegenwoordigende koepelorganisaties van het betrokken bevoegde gezag, zoals de VNG, het IPO en de UvW. Voor de in dit besluit gestelde afbakening van de strafbeschikkingsbevoegdheid van het aangewezen gezag hebben de grenzen model gestaan die voor de uitoefening van de bestuurlijke transactiebevoegdheid onder het Transactiebesluit milieudelicten golden en het wettelijk kader van de strafbeschikking ex artikel 257b Sv. Tevens is deze bevoegdheid, evenals bij de strafbeschikking ex artikel 257b Sv, beperkt tot het opleggen van een geldboete. Bovendien kan het bevoegde gezag de strafbeschikkingsbevoegdheid uitsluitend uitoefenen voor de in bijlage II van dit besluit opgesomde milieu- en keurfeiten. Voorts vormen de gevallen waarin de strafbeschikkingsbevoegdheid niet mag worden gebruikt (hierna: contra-indicaties) een belangrijke afbakening in de zin van artikel 257ba, eerste lid, Sv en bepalen daarmee de reikwijdte van het besluit (artikel 4.4).

In verband met deze contra-indicaties kan worden opgemerkt dat met het instrument van de bestuurlijke strafbeschikking is beoogd om het bevoegde gezag te laten beschikken over een zelfstandige bevoegdheid om strafrechtelijk te handhaven voor strafbare feiten van geringe ernst of eenvoudige aard op het milieuterrein. In de praktijk kan het echter zo zijn dat strafbare feiten van de in de feitenlijst opgenomen wettelijke bepalingen, afhankelijk van de omstandigheden waaronder zij wordt begaan, door de mate van inbreuk die zij teweeg brengen of de persoon van de overtreder zodanig uiteenlopen dat niet steeds kan worden gesproken van een strafbaar feit van geringe ernst of eenvoudige aard. In deze gevallen is het gewenst dat het feit wordt afgedaan door het OM of de strafrechter. Deze begrenzing van de bevoegdheid van het aangewezen gezag is vastgelegd in de genoemde contra-indicaties. Uit het oogpunt van rechtszekerheid en kenbaarheid van de waarborgen voor de burger zijn de contra-indicaties zoveel mogelijk opgenomen in het besluit (artikel 4.4). De contra-indicaties voor het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking van relatieve aard of met specifieke verbondenheid aan een bepaald ordeningsgebied, zijn opgenomen in de richtlijn. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit, treedt deze richtlijn van het OM in werking met als doel eenheid te brengen in de wijze van de toepassing van de bestuurlijke strafbeschikking. Hierin worden de feiten en de hoogte van de boetebedragen opgenomen en worden ook de inhoudelijke en procesmatige onderwerpen van de bestuurlijke strafbeschikking nader uitgewerkt, waaronder de aan een ordeningsgebied gebonden contra-indicaties, het toezicht van het OM, de territoriale reikwijdte van de strafbeschikkingsbevoegdheid en de waarborgen bij het uitvaardigen van dit instrument door het bevoegde gezag.

2.5. Feitenlijst en tarieven

De wet- en regelgeving op het milieuterrein is omvangrijk en specialistisch. Niet alle milieu- en keurfeiten lenen zich voor afdoening met een bestuurlijke strafbeschikking. De feiten uit bijlage II lenen zich wel hiervoor omdat deze strafbare feiten als gemeenschappelijke kenmerken hebben dat de betrokken bepalingen niet voor meerderlei uitleg vatbaar zijn, dat de geconstateerde strafbare feiten van geringe ernst of van eenvoudige aard zijn en dat deze strafbare feiten zijn te bewijzen zonder inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden. Bij deze milieufeiten valt te denken aan het niet bewaren van het laatst opgestelde keuringsrapport, het niet bijhouden of aanwezig hebben van een logboek of het hebben van containers voor tijdelijke opslag welke niet zijn afgedekt, strafbaar gesteld in onder andere de Wet milieubeheer, de Kernenergiewet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De keurfeiten in de bijlage zijn ook van geringe ernst of eenvoudige aard, zoals het zonder vergunning van het bestuur (gedeeltelijk) dempen van een watergang of het niet indienen van vereiste gegevens bij het melden van af- of aanvoeren, lozen of onttrekken van oppervlaktewater. Ondanks het feit dat bijlage II enkel feiten bevat van geringe ernst of eenvoudige aard, spelen opzet en schuld een belangrijke rol bij het uitvaardigen van de bestuurlijke strafbeschikking. Dit komt doordat het merendeel van de strafbare feiten waarvoor een bestuurlijke strafbeschikking kan worden uitgevaardigd de opzetvariant betreft van strafbare feiten die vallen onder artikel 1 of 1a van de Wet op de economische delicten. Voor deze opzetvariant is gekozen, omdat uit de praktijk van het OM naar voren komt dat bij economische delicten veelal sprake is van op zijn minst voorwaardelijke opzet. Dit betekent dat opzet vereist is om een bestuurlijke strafbeschikking voor deze misdrijven te kunnen uitvaardigen. Voor wat betreft de schuld geldt dat het uitvaardigen van een (bestuurlijke) strafbeschikking dient te berusten op een schuldvaststelling van de verdachte.

Het is – zoals hiervoor beschreven – de verantwoordelijkheid van het bevoegde gezag om te zorgen dat de opsporingsbevoegdheden van zijn buitengewoon opsporingsambtenaren zijn gekoppeld aan hun taakomschrijving en expertise. Door in de opzet van de bijlage gebruik te maken van een onderverdeling in hoofdstukken en paragrafen per onderwerp wordt bereikt dat eenvoudig is terug te vinden welke feiten bij elkaar horen. In de omvangrijke wet- en regelgeving op het milieuterrein zijn er ongetwijfeld feiten die zich goed zouden lenen voor een afdoening door een bestuurlijke strafbeschikking, maar die thans niet in de feitenlijst zijn opgenomen. Dit betekent niet dat ze daarvoor nooit in aanmerking zullen komen. De feitenlijst kan in principe elk jaar worden aangepast, zodat indien noodzakelijk strafbare feiten kunnen worden toegevoegd of verwijderd en wijzigingen van de wet- en regelgeving op het milieuterrein kunnen worden verwerkt.

Op basis van artikel 85 van de Waterschapswet had het dagelijks bestuur van een waterschap een zelfstandige transactiebevoegdheid voor overtredingen van de keur. Ieder waterschap stelt zijn eigen keur samen. Door de Unie van Waterschappen is een modelkeur vastgesteld en is verzocht om feiten die onder deze modelkeur vallen door middel van een bestuurlijke strafbeschikking af te kunnen doen. Aan dit verzoek wordt met dit besluit uitvoering gegeven door de voor de handhaving meest relevante keurfeiten uit de modelkeur onder de reikwijdte van dit besluit te plaatsen. Dit betekent dat in bijlage II, hoofdstuk II, van dit besluit de keurfeiten algemeen zijn omschreven op basis van de modelkeur. In de door het CJIB verstuurde strafbeschikking staat overigens altijd de specifieke bepaling genoemd van het keurfeit dat is overtreden, aangezien elke feitcode op basis van de modelkeur in de systemen is gekoppeld aan de specifieke strafbepalingen in de keuren van alle waterschappen in Nederland. De transactiebevoegdheid op grond van artikel 85, derde tot en met het vijfde lid, van de Waterschapswet vervalt doordat tegelijkertijd met de inwerkingtreding van dit besluit artikel VI van de Wet OM-afdoening in werking treedt.

In paragraaf 2.4 is aangegeven dat de bestuurlijke strafbeschikking is beperkt tot het opleggen van een geldboete en dat de hoogte van de geldboeten wordt vastgesteld in de richtlijn. In de evaluatie van 2002 van het Transactiebesluit milieudelicten zijn enkele aanbevelingen gedaan ten aanzien van de vaststelling van boetebedragen. Aan deze aanbevelingen wordt deels gevolg gegeven door verhoging van de maximale geldboeten. Voor de bestuurlijke transactie op grond van het Transactiebesluit milieudelicten gold een bovengrens van € 1.200 voor zowel natuurlijke als rechtspersonen. Dit maximumtarief is opgerekt voor de bestuurlijke strafbeschikking. De boetebedragen die in de richtlijn worden vermeld voor de feiten uit bijlage II van dit besluit, zullen dan ook voor meerdere van deze strafbare feiten hoger zijn. Bij de economische milieufeiten waarvoor een bestuurlijke strafbeschikking kan worden uitgevaardigd, geldt dat de verdachte gehoord moet worden door het bevoegde gezag wanneer de bedragen uitgaan boven de € 2.000 voor natuurlijke personen en boven de € 10.000 voor rechtspersonen, op grond van artikel 257c, tweede lid, Sv en artikel 36, tweede lid, WED. Voor de niet-economische milieufeiten, zoals de keurfeiten, geldt op grond van artikel 257c, tweede lid, Sv voor het bevoegde gezag een hoorplicht van € 2.000 voor zowel natuurlijke personen als rechtspersonen, aangezien deze feiten geen feiten in de zin van de WED betreffen. Vanwege de aard of de ernst van de strafbare feiten waarover het bij de bestuurlijke strafbeschikking gaat, zullen de tarieven vrijwel altijd lager liggen dan deze hoorgrenzen. De aanbeveling uit de evaluatie van het Transactiebesluit milieudelicten om ten minste voor lagere bedragen het vereiste van een proces-verbaal te schrappen, is niet opgevolgd. Een proces-verbaal blijft nodig voor het kunnen beoordelen van de rechtmatigheid van de opgelegde strafbeschikking door het OM en de strafrechter in de gevallen waarin door de bestrafte verzet wordt aangetekend. Het proces-verbaal krijgt de vorm van een combibon (Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie) Op basis van de gegevens op deze combibon wordt via het CJIB een bestuurlijke strafbeschikking uitgevaardigd (zie nader paragraaf 4).

2.6. Relatie tussen het bevoegde gezag en de buitengewoon opsporingsambtenaren

Voor het uitvaardigen van de bestuurlijke strafbeschikking maakt het bevoegde gezag primair gebruik van buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van of werkzaam voor het bevoegde gezag. Deze opsporingsambtenaren kunnen voor zaken genoemd in bijlage II, een combibon invullen ten behoeve van het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking. Hierbij kan mededeling worden gedaan van de hoogte van de in de richtlijn voor dit strafbare feit bepaalde geldboete. Het is de verantwoordelijkheid van het bevoegde gezag om ervoor zorg te dragen dat de buitengewoon opsporingsambtenaar die de combibon invult ten behoeve van de strafbeschikking, ter zake opsporingsbevoegd is. Hierbij kan het bevoegde gezag gebruik maken van buitengewoon opsporingsambtenaren behorende tot domein II, Milieu en welzijn. Voor buitengewoon opsporingsambtenaren werkzaam voor of in dienst van een RUD komen, door middel van een samenwerkingsovereenkomst, in elk geval in aanmerking de buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van een provincie, een gemeente, een regionale terreinbeherende organisatie, een vaarwegbeheerder of havenschap of een wildbeheereenheid. Voor een buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam voor de NVWA komen, door afsluiting van een samenwerkingsovereenkomst, in ieder geval in aanmerking de buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van een landelijke terreinbeherende organisatie. Verder bestaat de mogelijkheid dat het bevoegde gezag gebruik maakt van de inzet van algemeen opsporingsambtenaren bij het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking, voor zover hierover afspraken zijn gemaakt tussen het bevoegde gezag en de politie of bijzondere opsporingsdienst. Door deze algemeen opsporingsambtenaren te laten werken voor het bevoegde gezag, kunnen zij een combibon invullen voor het bevoegde gezag voor de door hen geconstateerde strafbare feiten die in aanmerking komen voor afdoening met een bestuurlijke strafbeschikking.

De Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Natuurtoezicht vraagt in haar advies hoe de handhaving wordt ingericht wanneer buitengewoon opsporingsambtenaren niet in dienst zijn van of werkzaam voor een RUD. Voor de buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van terrein- en faunabeherende organisaties geldt dat zij om een bestuurlijke strafbeschikking uit te kunnen vaardigen in (onbezoldigde) dienst van of werkzaam voor het strafbeschikkingsbevoegde gezag moeten zijn. Anders zijn deze buitengewoon opsporingsambtenaren niet bevoegd om een strafbeschikking aan te kondigen en moeten zij – net als voor de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking – een compleet proces-verbaal opmaken en insturen naar het OM.

2.7. Strafbeschikking overlast

Bij de laatste wijziging van het Besluit OM-afdoening in verband met de gefaseerde invoering van de strafbeschikkingsbevoegdheid voor opsporingsambtenaren (Stb. 2010, 140) heeft de toenmalige Minister van Justitie aangegeven dat zodra een besluit ex artikel 257ba Sv tot stand wordt gebracht, wordt voorzien in een bepaling om de juridische grondslag voor overlastfeiten te veranderen van artikel 257b Sv in artikel 257ba Sv. Deze grondslagwijziging zou kunnen voorzien in een heldere afbakening tussen de strafbeschikking die door een opsporingsambtenaar op basis van een zelfstandige bevoegdheid kan worden uitgevaardigd op basis van artikel 257b Sv, en de strafbeschikking die door of namens het bevoegde gezag kan worden uitgevaardigd op grond van artikel 257ba Sv. Daar wordt thans van afgezien omdat de strafbeschikking overlast in de praktijk naar tevredenheid functioneert en de grondslagwijziging nader zal worden bezien bij de lopende evaluatie van de strafbeschikking overlast.

3. Werkwijze in de praktijk

Bij het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking voor milieu- en keurfeiten uit bijlage II, wordt aangesloten bij de bestaande gestandaardiseerde procedures van het CJIB voor strafbeschikkingen in de zin van artikel 257a en 257b Sv. Dit betekent dat een overtreding van een milieu- of keurfeit moet worden vastgesteld door een opsporingsambtenaar in dienst van of werkzaam voor het bevoegde gezag. Wanneer het strafbare feit in aanmerking komt voor een bestuurlijke strafbeschikking, gelet op het aanwezige bewijs en de richtlijn, vult hij een combibon in ten behoeve van het uitvaardigen van de bestuurlijke strafbeschikking door het bevoegde gezag. Dit betreft een kennisgeving van bekeuring. Indien het strafbare feit niet in aanmerking komt voor een bestuurlijke strafbeschikking, moet door de opsporingsambtenaar een volledig (uitgebreid) proces-verbaal worden opgemaakt, dat vervolgens wordt ingestuurd naar het bevoegde parket, tenzij in de richtlijn anders wordt aangegeven. Door het bevoegde gezag wordt (de informatie op) de combibon rechtstreeks digitaal naar het CJIB verzonden via de zogeheten Transactiemodule. Dit is het geautomatiseerde systeem dat ook de politieorganisatie gebruikt voor het aanleveren van strafbeschikkingen ex artikel 257b Sv aan het CJIB. In deze Transactiemodule worden de gegevens op de combibon verwerkt. Op basis van de toegezonden unieke gegevens verstuurt het CJIB vervolgens de strafbeschikking aan de verdachte en vermeldt daarbij door welk bevoegde gezag de strafbeschikking is uitgevaardigd. Het CJIB functioneert daarbij enkel als uitvoeringsorganisatie. De bij strafbeschikking opgelegde geldboete wordt ook door het CJIB geïnd, tenzij door de verdachte tijdig schriftelijk verzet wordt gedaan bij het OM.

Rijkswaterstaat merkt in zijn advies op dat het onduidelijk is wat de eisen zijn voor het inzenden van bestuurlijke strafbeschikkingen en welke handeling(en) de hoofdingenieurs-directeur van deze organisatie precies moet verrichten om de bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen. De inzending van de bestuurlijke strafbeschikking dient te geschieden via de eerder beschreven Transactiemodule en dit leidt tot verzending van de strafbeschikking door het CJIB aan de verdachte. Voordat de strafbeschikking via de Transactiemodule naar het CJIB wordt verstuurd, bepaalt de hoofdingenieur-directeur van een regionale dienst van Rijkswaterstaat, als het bevoegde gezag, op welke wijze het proces wordt ingericht binnen zijn organisatie. Dit kan gebeuren via mandaatverlening aan de buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van of werkzaam voor Rijkswaterstaat of door het gehele proces te laten verlopen via deze directeur zelf alvorens de strafbeschikking wordt vrijgegeven voor verzending, via de Transactiemodule, aan het CJIB.

De verdachte kan verzet doen tegen de strafbeschikking bij het OM. Wanneer de verdachte verzet instelt, wordt de zaak door het CJIB overgedragen aan het OM. Vervolgens legt het OM de zaak voor aan de strafrechter, tenzij de strafbeschikking naar het oordeel van de officier van justitie juridisch-technische tekortkomingen vertoont. In dat laatste geval kan de officier van justitie de strafbeschikking wijzigen of de strafbeschikking intrekken. De juridische kwaliteitseisen waaraan een bestuurlijke strafbeschikking dient te voldoen, worden vastgelegd in de richtlijn. Waar nodig, wordt door het OM in de verzetsfase overlegd met het betrokken bevoegde gezag. Door het OM kan ook een aanvullend proces-verbaal van de betrokken buitengewoon opsporingsambtenaar worden gevraagd. Door de verdachte op te roepen wordt de strafzaak door de strafrechter op de zitting behandeld. Voor deze behandeling gelden dezelfde procedurevoorschriften als voor de behandeling van strafzaken waaraan geen strafbeschikking is voorafgegaan, maar de verdachte direct is gedagvaard.

De gestandaardiseerde afdoening van milieuovertredingen van geringe ernst of eenvoudige aard is strak genormeerd. De feiten en de geldende tarieven zijn vastgelegd in de richtlijn en kunnen niet in individuele zaken door een buitengewoon opsporingsambtenaar worden gewijzigd. Dit neemt niet weg dat in een concreet geval, gelet op de feiten en omstandigheden, het aangegeven boetebedrag door het bevoegde gezag als niet passend kan worden beschouwd. Dan kan, na overleg met de betrokken regionale vestiging van het Functioneel Parket (milieufeiten) dan wel betrokken arrondissementspakket (keurfeiten), door het bevoegde gezag worden besloten het verkort proces-verbaal rechtstreeks ter afdoening te sturen naar desbetreffende parket. De buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van of werkzaam voor het bevoegde gezag moeten te allen tijde deze feitenlijsten bij zich hebben of kunnen raadplegen. Dit verhoogt de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor burgers, omdat meteen duidelijk is voor welk strafbaar feit een combibon wordt ingevuld.

De milieu- en keurfeiten worden, net zoals de feiten uit bijlage I van het besluit, feitgecodeerd afgedaan. Anders dan bij de uitvaardiging van de strafbeschikking ex 257b Sv, wordt de strafbeschikking uitgevaardigd door het bevoegde gezag en niet door de opsporingsambtenaar. Dit betekent dat voor de milieu- en keurfeiten het bevoegde gezag exclusief bevoegd is om een bestuurlijke strafbeschikking op grond van artikel 257ba Sv uit te vaardigen. Een feit dat op basis van dit artikel feitgecodeerd wordt afgedaan, kan dus niet op basis van een strafbeschikking in de zin van artikel 257b Sv door een buitengewoon opsporingsambtenaar worden afgedaan. In de praktijk kan het voorkomen dat een buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van of werkzaam voor het bevoegde gezag voor feiten uit bijlage II een combibon kan invullen ten behoeve van het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking ex 257ba Sv door het bevoegde gezag en hij voor feiten uit bijlage I op grond van artikel 257b Sv zelfstandig een strafbeschikking kan uitvaardigen. Dit is geen probleem nu geen sprake is van overlap tussen feiten uit bijlagen I en II. Het voorgaande betekent dat een buitengewoon opsporingsambtenaar niet voor een en hetzelfde feit de keuzemogelijkheid heeft tussen een strafbeschikking ex artikel 257b Sv en 257ba Sv.

De inning van een in een bestuurlijke strafbeschikking opgelegde geldboete geschiedt op grond van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten als hoofdregel doordat de bestrafte het verschuldigde bedrag naar aanleiding van een door het CJIB verstuurde acceptgiro overschrijft op een daartoe bestemde bankrekening. Hierbij wordt aangesloten bij artikel 3 van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten waarin de inning voor de strafbeschikking ex artikel 257b Sv wordt geregeld. Daarnaast is het in bijzondere gevallen en onder door het CJIB gestelde voorwaarden mogelijk dat directe betaling van de bestuurlijke strafbeschikking plaatsheeft Hierbij valt te denken aan overtredingen begaan door personen zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Er kan alleen direct worden betaald op een plaats die door het betrokken bevoegde gezag namens wie de bestuurlijke strafbeschikking aan de verdachte is aangekondigd, wordt aangegeven. Die plaats is doorgaans een eigen kantoor van het betrokken bevoegde gezag. Er kan alleen worden betaald aan ambtenaren die door het betrokken bevoegde gezag met inning zijn belast op grond van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten. Voorts dient directe betaling vrijwillig te geschieden door de verdachte. In reactie op het advies van Rijkswaterstaat kan worden gemeld dat directe betaling een uitzondering is op de hoofdregel dat betaling van de bestuurlijke strafbeschikking giraal geschiedt. Dit betekent dat op het bevoegde gezag niet de verplichting rust om onder alle omstandigheden directe betaling mogelijk te maken, maar slechts in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid te bieden. Bijvoorbeeld als een schipper zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland voor de opslag van afgewerkte olie los aan dek staande verzamelreservoirs gebruikt, wat een strafbaar feit oplevert dat met een bestuurlijke strafbeschikking kan worden afgedaan.

Bij de implementatie van de bestuurlijke strafbeschikking milieu wordt gebruik gemaakt van de kennis en ervaring die is opgedaan bij de implementatie van de regeling van de strafbeschikking overlast. Voor de inwerkingtreding van het besluit zijn er voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd voor de aangewezen organisaties. Tijdens deze bijeenkomsten is in de context van de Wet OM-afdoening toegelicht wat de bestuurlijke strafbeschikking inhoudt en wat voor voorbereidingen de aangewezen instanties moeten treffen om dit instrument daadwerkelijk te kunnen gaan gebruiken. Op verzoek van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Natuurtoezicht is bij deze bijeenkomsten ook aandacht besteed aan de rol van buitengewoon opsporingsambtenaren, die door middel van een samenwerkingsovereenkomst in dienst van of werkzaam voor een RUD en dan in het bijzonder op de aspecten van aansturing en verantwoordelijkheidsverdeling. De voorlichtingsbijeenkomsten zijn ook gebruikt om in hoofdlijnen de richtlijn en het doel en de opzet van de vergoedingsregeling toe te lichten.

4. Voorbereiding en adviezen

Bij de voorbereiding van dit besluit is overleg gevoerd met het OM, het CJIB, de UvW, het IPO, de VNG, het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Over het op basis van deze voorbereiding tot stand gekomen concept van dit besluit is advies gevraagd. Uit de ontvangen adviezen kan worden geconcludeerd dat de inhoud van het ontwerpbesluit wordt onderschreven. Het overgrote deel van de geraadpleegde instanties geeft aan dat zij positief zijn over de invoering van het instrument als aanvulling van het handhavingsinstrumentarium op het milieuterrein. De bestuurlijke strafbeschikking wordt beschouwd als een goed uit te voeren instrument doordat adequaat handelen voor het bevoegde gezag op eenvoudig vast te stellen strafbare feiten mogelijk wordt gemaakt. In de adviezen is vooral verduidelijking gevraagd over de uitwerking van dit instrument in de praktijk, zoals de contouren van de richtlijn, de organisatie en bevoegdheden van een RUD en de contouren van de vergoedingsregeling. In het vervolg wordt op de ontvangen adviezen ingegaan. Voor zover nodig wordt op de specifieke gemaakte opmerkingen nader ingegaan op de plaatsen in de nota van toelichting waar het onderwerp aan de orde is.

Naar aanleiding van de adviezen van het IPO, de VNG, de NVWA, Rijkswaterstaat en de UvW is in de paragrafen 2, en 5.4 nader ingegaan op de inhoudelijke en procedurele contouren van de richtlijn en de vergoedingsregeling. De NVWA, Rijkswaterstaat en de UvW hebben verder vragen gesteld over welke praktische en organisatorische gevolgen dit besluit voor hun organisaties heeft. Dit is nader toegelicht bij het implementatietraject van de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking in paragraaf 3.

Het College van procureurs-generaal heeft met instemming kennis genomen van het ontwerpbesluit en maakt enkele opmerkingen van inhoudelijke en redactionele aard. Alle opmerkingen over de nota van toelichting zijn overgenomen. De redactionele opmerkingen inzake de artikelen 1.1, tweede lid, onderdeel d, 3.6, eerste lid, 4.1, onderdeel c, 4.2, eerste en tweede lid, 4,3 4.5, eerste lid en bijlage II van het Besluit OM afdoening zijn verwerkt. De redactionele opmerking betreffende artikel 3b van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten is niet overgenomen en nader toegelicht in het artikelsgewijze deel bij artikel II, onderdeel C.

Het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Korpschefs stemmen in met het invoeren van de bestuurlijke strafbeschikking. Zij geven aan dat een winstpunt van dit ontwerpbesluit is dat door de aanvullende strafrechtelijke handhaving van het bevoegde gezag ruimte ontstaat voor het OM en de politie om zich te richten op de zwaardere vormen van milieucriminaliteit. Voor een effectieve aanpak van milieucriminaliteit in zijn totaliteit, is het verder van belang dat het bevoegde gezag, de politie en het OM actief afstemmen en informatie uitwisselen.

Het CJIB heeft met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit. Het CJIB volstaat in zijn advies met het maken van enkele opmerkingen. Het CJIB meent dat de hoorplicht voor het bevoegde gezag geen wettelijk vereiste is, nu artikel 257c, tweede lid, Sv enkel ziet op het horen door de officier van justitie die de strafbeschikking uitvaardigt. Het is inderdaad zo dat artikel 257c, tweede lid, Sv bepaalt dat de officier van justitie die de strafbeschikking uitvaardigt de verdachte hoort. De hoorplicht is opgenomen in deze algemene regeling en ziet ook op het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking door het bevoegde gezag. Het is hiermee logisch dat elke instantie die een bevoegdheid heeft om een bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen, aan deze algemene regeling moet voldoen. De juridisch-technische opmerkingen en een redactionele opmerking over de nota van toelichting van het CJIB zijn verwerkt.

De VNG en het IPO zijn positief over de uitwerking van het instrument van de bestuurlijke strafbeschikking als aanvulling op het handhavinginstrumentarium van het bestuur op milieuterrein. Door dit instrument wordt volgens hen adequaat handelen op relatief eenvoudig te constateren strafbare feiten mogelijk. Het IPO meent dat de uitwerking van de feitenlijst een goede aanzet is om de regelgeving duidelijk in kaart te brengen waarop de provincies een taak in het toezicht en de handhaving hebben. Zowel het IPO als de VNG menen dat alleen van het instrument gebruik is te maken wanneer dit in een bestuurlijke handhavingsafspraak is vastgelegd met het bevoegde gezag. Dit voert te ver. De keuze om gebruik te maken van de bestuurlijke strafbeschikking, als aanvullend strafrechtelijk handhavingsinstrument, ligt bij het aangewezen bevoegde gezag zelf. Hierin past niet om het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikking vooraf te beperken door als voorwaarde te stellen dat alleen van het instrument gebruik kan worden gemaakt door het bevoegde gezag als dit is vastgelegd in een bestuurlijke handhavingafspraak. Het IPO en de VNG hebben voorts meerdere mogelijkheden om voorafgaand aan de toepassing van de strafbeschikking te komen tot werkbare afspraken met het OM en de politie, zoals nader is toegelicht in de paragrafen 2.3 en 2.4. Introductie van de bestuurlijke strafbeschikking leidt tot gezamenlijke afspraken tussen het OM, de politie en het bevoegde gezag en nauwe betrokkenheid bij de totstandkoming van de richtlijn (paragraaf 2.4). Op deze wijze kan het bevoegde gezag vervolgens zelfstandig het instrument inzetten voor de bestraffing van strafbare feiten van geringe ernst of eenvoudige aard op het milieuterrein. Het beleggen van de bevoegdheid tot het uitvaardigen van de bestuurlijke strafbeschikking bij de directeur van de RUD leidt – anders dan de VNG meent – niet tot het herpositioneren van de buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van gemeenten. Deze ambtenaren die nu in dienst zijn van gemeenten en provincies kunnen in dienst blijven van deze gemeenten, maar werkzaam worden voor de RUD. Ook kan gekozen worden om bij de RUD buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst te nemen. Dit besluit schrijft daarover niets voor. De keuze is aan de provincie en de gemeenten die aan een RUD deelnemen. Daarnaast vraagt de VNG waarom alleen de RUD’s strafbeschikkingsbevoegd worden onder de juridische constructie van de Wgr. De reden hiervoor is met name een praktische, namelijk dat er tot op heden geen andere juridische definitie van regionale uitvoeringsdiensten bekend is. Wanneer andere werkbare organisatievormen voor de RUD ontstaan, zal worden bezien of en hoe deze een plek binnen de toepassing van de bestuurlijke strafbeschikking kunnen krijgen.

De UvW kan zich vinden in de algemeen geformuleerde uitgangspunten voor de vergoedingsregeling, zoals verwoord in de nota van toelichting. Zij heeft echter geen definitief standpunt kunnen opnemen over het instrument van de bestuurlijke strafbeschikking omdat ten tijde van de consultatiefase zowel de richtlijn als de vergoedingsregeling niet waren opgenomen bij het ontwerpbesluit. Van belang is dat deze regelingen een ander traject van totstandkoming doorlopen dan het ontwerpbesluit, maar dat zowel het ontwerpbesluit als de richtlijn en de vergoedingsregeling gelijktijdig in werking zullen treden. De inhoudelijke en redactionele opmerkingen van de UvW ten aanzien van de feitenlijst zijn overgenomen.

Rijkswaterstaat heeft enkele bevindingen gedaan van organisatorische, bestuurlijke en inhoudelijke aard en daarbij geadviseerd om de nota van toelichting op deze punten aan te scherpen. In paragraaf 3 is conform het advies verduidelijkt welke handelingen de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat moet verrichten alvorens een strafbeschikking uit te kunnen vaardigen. Rijkswaterstaat meent dat de hogere boetebedragen voor de bestuurlijke strafbeschikking ten opzichte van het Transactiebesluit milieudelicten kunnen leiden tot een agressievere opstelling van verdachten. Rijkswaterstaat hecht daarom waarde aan goede afstemming tussen het KLPD en Rijkswaterstaat. Het staat buiten kijf dat het prioriteit verdient agressie en geweld jegens buitengewoon opsporingsambtenaren tegen te gaan. De gevolgen van agressie en geweld raken niet alleen de functionaris, maar brengen adequate uitvoering van de publieke taak, zoals hulpverlening, toezicht en dienstverlening in gevaar. Het tegengaan van agressie tegen functionarissen met een publieke taak is dan ook vastgelegd in eenduidige landelijke afspraken met het OM en de politie in het programma «veilige publieke taak». Voor de buitengewoon opsporingsambtenaren gelden deze afspraken ook en het bevoegde gezag kan daar voor afstemming met het OM en de politie bij aansluiten. Rijkswaterstaat constateert ook dat voor eenduidige toepassing van de bestuurlijke strafbeschikking van belang is om buitengewoon opsporingsambtenaren goed te kunnen instrueren en ondersteunen bij de keuze tussen het invullen van een combibon of het opmaken van een volledig proces-verbaal. Hieraan is in dit besluit tegemoet gekomen door in paragraaf 2.4 nader in te gaan op de in het besluit opgenomen contra-indicaties en de inhoudelijke contouren van de richtlijn van het OM en door in paragraaf 2.3 toe te lichten wat de mogelijke gevolgen zijn van een uitgevaardigde bestuurlijke strafbeschikking die in strijd is met deze richtlijn.

De VROM-inspectie en de IVW zien de bestuurlijke strafbeschikking, op zichzelf beschouwd, als een goed te gebruiken instrument voor de handhaving van eenvoudig vast te stellen strafbare feiten op het milieuterrein. In het vervolg wordt gesproken van de Inspectie voor Leefomgeving en Transport, aangezien beide inspecties per 1 januari 2012 zullen zijn samengevoegd en het ontwerpbesluit de strafbeschikkingsbevoegdheid dan ook toekent aan de Inspecteur-generaal van deze Inspectie. De Inspectie voor Leefomgeving en Transport meent dat invoering van de bestuurlijke strafbeschikking leidt tot een ongelijksoortig instrumentarium binnen hun eigen procesinrichting, omdat thans bij milieuhandhaving ook al gebruik wordt gemaakt van de bestuurlijke boete. Dit ligt genuanceerder aangezien voor de feiten die in aanmerking komen voor een bestuurlijke strafbeschikking geldt dat hiervoor – met uitzondering van het Besluit gebruik meststoffen – geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Omdat de bestuurlijke boete en de bestuurlijke strafbeschikking niet op dezelfde feiten zien, kunnen beide instrumenten naast elkaar worden ingezet door de Inspectie voor Leefomgeving en Transport. Daarnaast hebben de inspecties voor de genoemde overtredingen uit bijlage II de taak om deze regelgeving te handhaven, maar, voor zover zij dit met behulp van het strafrecht doen, moeten zij dat «ouderwets» doen met buitengewoon opsporingsambtenaren die een uitgebreid proces-verbaal opmaken. Met de bestuurlijke strafbeschikking wordt het voor de inspecties juist makkelijker om te handhaven omdat volstaan kan worden met de combibon, de strafbeschikking rechtstreeks en geautomatiseerd naar het CJIB kan worden gezonden ter inning en direct duidelijk is om wel boetebedrag het gaat (paragraaf 3). De Inspectie voor Leefomgeving en Transport signaleert voorts dat in verschillende toezichtsdomeinen niet eenzelfde handhavingsinstrumentarium wordt gehanteerd, maar dat soms strafrechtelijk en soms bestuursrechtelijk wordt gehandhaafd. Dit klopt, maar het maken van de keuze tussen strafrechtelijk of bestuursrechtelijk handhaven van wet- en regelgeving op het milieuterrein staat los van dit wijzigingsbesluit. Binnen de bestaande strafrechtelijke handhaving kent dit besluit enkel de bevoegdheid toe aan het bevoegde gezag om voor bepaalde strafbare feiten op milieuterrein zelfstandig bestraffend op te treden door een geldboete op te leggen. Het OM en de politie kunnen zich daardoor meer richten op de zwaardere vormen van milieucriminaliteit.

De RvdR heeft met belangstelling kennisgenomen van dit ontwerpbesluit en heeft één opmerking Deze opmerking over de reikwijdte van de intrekkingsbevoegdheid van de hoofdofficier van justitie is overgenomen en nader gemotiveerd bij artikel 4.5 van de artikelsgewijze toelichting. Verder geeft de RvdR aan dat dit besluit geen noemenswaardige werklastgevolgen heeft voor de rechtspraak.

De NVvR heeft met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit en heeft enkele opmerkingen van inhoudelijke en redactionele aard. De NVvR meent dat door de verschuiving van de handhavingstaak naar bestuurlijke overheden, er een te groot beroep wordt gedaan op deze besturen. Het beroep op het bevoegde gezag zal echter met de introductie van de bestuurlijke strafbeschikking op zich niet groter worden dan thans. Buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van of werkzaam voor gemeenten, provincies en inspecties handhaven immers al strafrechtelijk, maar dan door het opmaken van een volledig proces-verbaal. De invoering van de bestuurlijke strafbeschikking op zich brengt geen verandering aan in deze praktijk, anders dan dat voor de in de toegevoegde bijlage genoemde strafbare feiten een vereenvoudiging in de procedure wordt bereikt door het mogelijk te maken voor het bestuur om zelfstandig een strafrechtelijke sanctie op te leggen. De handhaving op het milieuterrein wordt effectiever en efficiënter mogelijk door invoering van het landelijk stelsel van RUD’s (paragraaf 2.2). De NVvR vraagt zich verder af of het OM toereikend toezicht kan houden op de wijze waarop het aangewezen gezag gebruik maakt van haar strafbeschikkingsbevoegdheid. Dat is het geval en dit wordt nader toegelicht in paragraaf 2.3. Voorts meent de NVvR dat het OM geen enkele zeggenschap heeft over de mate van inzet van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de uitvoering van de bestuurlijke strafbeschikking. Dit is in zoverre juist dat het bevoegde gezag de inzet qua aantallen en de prioritering van de buitengewoon opsporingsambtenaren bepaalt. Het OM is echter wel toezichthouder op de buitengewoon opsporingsambtenaren en geeft in die hoedanigheid advies aan de Minister van Veiligheid en Justitie over de noodzaak van een aanvraag van het bestuur tot het toekennen van opsporingsbevoegdheid aan (een groep van) buitengewoon opsporingsambtenaren. De suggestie van de NVvR om andersoortige maatregelen, zoals de mogelijkheid tot afstand van inbeslaggenomen voorwerpen, op te nemen in het besluit, is niet overgenomen. De strafbeschikking is in dit besluit beperkt tot een geldboete, omdat andersoortige maatregelen de afdoening van het strafbare feit juist gecompliceerder maken voor de buitengewoon opsporingsambtenaren, terwijl de kern bij toepassing van dit instrument ligt bij een eenvoudige afdoening door het systeem van feitcodering. Daarnaast kan een buitengewoon opsporingsambtenaar op grond van het huidige strafvorderlijk kader al overgaan tot het geven van een aanwijzing tot het doen van afstand van een in beslag genomen voorwerp. Voorts kan erop worden gewezen dat, in verband met de rol van het OM, de contra-indicatie in het besluit is opgenomen dat wanneer de verdachte weigert afstand te doen van een voorwerp dat in beslag is genomen en vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer geen strafbeschikking mag worden uitgevaardigd door het bevoegde gezag. Op verzoek van het NVvR is in paragraaf 6 van de toelichting de batenberekening van de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking nader gespecificeerd. De redactionele opmerkingen over artikel 4.2 van het Besluit OM-afdoening die ziet op het vervangen van de term «aanwijzing» door «richtlijnen» is overgenomen. In artikel 4.6 is naar aanleiding van het advies van de NVvR verduidelijkt dat de bevoegde ambtenaar tijdens de uitvoering van zijn of haar werkzaamheden te allen tijde een feitenlijst bij de hand heeft waarin de strafbare feiten staan die in aanmerking komen voor afdoening door een bestuurlijke strafbeschikking. In hetzelfde artikel is de opmerking overgenomen die ziet op het vervangen van de term «betrokken persoon» door «verdachte».

De Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Natuurtoezicht heeft inhoudelijk geen op- of aanmerkingen op het ontwerpbesluit en is zeer verheugd dat de buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van terrein- en faunabeherende organisaties op hun juiste waarde worden geschat doordat zij een samenwerkingsovereenkomst als buitengewoon opsporingsambtenaar van de RUD’s met het instrument van de bestuurlijke strafbeschikking strafbare feiten van geringe ernst of eenvoudige aard kunnen handhaven op het milieuterrein. Deze instantie vraagt wel om enige verduidelijking in de nota van toelichting over de inzetbaarheid van de buitengewoon opsporingsambtenaren en de rol die de RUD’s daarbij spelen in de aansturing. In paragraaf 2.6 wordt onder andere de relatie tussen het bevoegde gezag en de bevoegde buitengewoon opsporingsambtenaar toegelicht. Op de overige opmerkingen over de vergoedingsregeling en de handhaafbaarheid is ingegaan op de plaatsen waar deze onderwerpen aan de orde zijn.

5. Financiële paragraaf

5.1. Kosten

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de Wet OM-afdoening leidde, is een inschatting gemaakt van de eenmalige implementatiekosten, die gemoeid waren met de invoering van de Wet OM-afdoening. Deze kosten bestonden met name uit de aanpassing van systemen van het OM en het CJIB. Deze kosten, ten laste van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn reeds gemaakt. De structurele kosten voor het door het CJIB innen van de bestuurlijke strafbeschikking en het afhandelen van verzet door het OM en de rechterlijke macht komen ook ten laste van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De kosten van het OM en de rechterlijke macht zullen, op basis van ervaringen met andere onderdelen van de Wet OM-afdoening, naar verwachting niet meer bedragen dan de kosten die nu worden gemaakt om eenvoudige milieuzaken te vervolgen. Daarnaast worden er in verband met de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking nog eenmalige kosten gemaakt voor voorlichtingsbijeenkomsten voor de aangewezen instanties en het uitgeven van feitenboekjes. Deze kosten, die zo’n € 20.000 bedragen, komen eveneens ten laste van de begroting van Veiligheid en Justitie.

5.2. Administratieve lasten

Van administratieve lasten is bij het invoeren en het toepassen van het instrument van de bestuurlijke strafbeschikking geen sprake, omdat het bedrijfsleven en de burgers geen extra kosten hoeven te maken om te voldoen aan informatieverplichtingen door deze nieuwe regelgeving. Daarnaast zorgt de bestuurlijke strafbeschikking voor een eenvoudige afdoening bij de handhaving van de milieu- en keurfeiten uit bijlage II doordat het uitgebreide proces-verbaal is vervangen door de combibon en is aangesloten bij de gestandaardiseerde procedures van het CJIB, zoals nader toegelicht in paragraaf 3. De verwachting is dan ook een daling in de administratieve lasten per overtreding waartegen bestraffend wordt opgetreden door de overheid.

5.3. Baten

Met de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking wordt een impuls verwacht in de handhaving door het bestuur voor eenvoudig vast te stellen strafbare feiten op het milieuterrein. Van dit nieuwe handhavingsinstrument voor het bestuur zal door de daartoe bevoegde instanties gebruik worden gemaakt, maar nog niet duidelijk is in welke mate dit zal gebeuren. Dit hangt onder meer af van de snelheid van de totstandkoming van de RUD’s en het maken van handhavingsafspraken tussen bevoegde gezag en het OM. De inschatting is dat het in 2012 om ongeveer 1.500 zaken zal gaan. Bij een gemiddeld boetebedrag van € 750, zou dit dus zo’n € 375.000 aan baten opleveren. Vanaf 2013 is de inschatting dat het aantal zaken per jaar kan oplopen naar 3000, waarmee de baten zouden stijgen naar ongeveer € 2.225.000.

5.4. Vergoedingsregeling

Om van de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking gebruik te kunnen maken, dienen de daartoe bevoegde instanties buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst te hebben of, in overeenstemming met het advies van het College van procureurs-generaal, gebruik te maken van buitengewoon opsporingsambtenaren van een regionale terreinbeherende organisatie of een wildbeheereenheid, die door het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst als buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam zijn voor de bevoegde instanties. Om de status van buitengewoon opsporingsambtenaar te verkrijgen en daarna te behouden dient er door hen te worden deelgenomen aan een permanent scholingstraject. Het algemene uitgangspunt is dat de kosten van de opleiding voor buitengewoon opsporingsambtenaren voor rekening komen van de instanties waarbij zij in dienst zijn. Vanuit de vertegenwoordigende koepelorganisaties is aangegeven dat deze kosten, die zo’n € 1.500 per jaar per buitengewoon opsporingsambtenaar bedragen, (voor een deel) door het Rijk zouden behoren te worden vergoed. Uitgangspunten voor de vergoedingsregeling zijn dat alleen een vergoeding zal worden verstrekt aan de decentrale bestuurlijke instanties die gebruik maken van de bestuurlijke strafbeschikking in de zin van artikel 257ba Sv en dat (een deel van) de opleidingskosten van de buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van of werkzaam voor deze instanties worden vergoed. Op basis van deze uitgangspunten is in overleg met vertegenwoordigers van provincies, (toekomstige) RUD’s en waterschappen het doel en de opzet van de vergoedingsregeling besproken. Dit heeft voor 2012 en 2013 geleid tot een tijdelijke vergoedingsregeling in de vorm van een startsubsidie voor de waterschappen en de provincies/RUD’s die de bestuurlijke strafbeschikking gaan gebruiken. Deze startsubsidie voorziet in een tegemoetkoming in de kosten voor het opleiden van de buitengewoon opsporingsambtenaren, niet zijnde algemeen opsporingsambtenaren, in dienst van of werkzaam voor de genoemde instanties en een bijdrage in de coördinatiekosten bij samenwerkingsovereenkomsten. Daarbij is geen sprake van een relatie tussen het aantal uitgevaardigde bestuurlijke strafbeschikkingen en de hoogte van het uit te keren bedrag. De ministeriële regeling waarin de startsubsidie wordt geregeld, treedt gelijk met dit besluit in werking.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I (Besluit OM-afdoening)

Onderdelen A en B (Artikel 1.1, onderdelen d tot en met g en artikel 3.1, onderdelen c tot en met f)

Definitiebepalingen uit artikel 3.1, onderdelen c tot en met f, over de strafbeschikking ex 257b Sv, zijn eveneens van toepassing op de bestuurlijke strafbeschikking ex 257ba Sv. Om deze reden worden de definities van hoofdofficier van justitie, buitengewoon opsporingsambtenaar, toezichthouder en direct toezichthouder toegevoegd aan de algemene definitiebepaling van artikel 1.1.

Onderdeel C (Artikel 3.2, vijfde lid)

Bij de laatste wijziging van het Besluit OM-afdoening (Stb. 2010, 140) is het artikel 3.2, vierde lid, anders komen te luiden. Door deze wijziging wordt in artikel 3.2, vijfde lid, op correcte wijze verwezen naar het vierde lid van dit artikel.

Onderdeel D (Artikel 3.3)

Door invoering van de bestuurlijke strafbeschikking ex artikel 257ba Sv wordt een nieuwe bijlage toegevoegd aan het besluit. De huidige bijlage wordt gewijzigd in bijlage I en behelst de zaken die op grond van de strafbeschikking in de zin van artikel 257b Sv, met inbegrip van de overlastfeiten, kunnen worden afgedaan door (buitengewoon) opsporingsambtenaren. Er bestaat geen overlap tussen de feiten die in bijlage I voorkomen en de feiten ex artikel 257ba Sv die in bijlage II zijn opgenomen (zie toelichting bij onderdeel J).

Onderdeel E (Artikel 3.6, eerste lid)

Het openbaar ministerie is in artikel 3.6, eerste lid, vervangen door het College van procureurs-generaal, omdat dit – zoals het College opmerkt in zijn advies – de juiste autoriteit is voor het uitvaardigen van richtlijnen. Het OM is belast met de handhaving van de rechtsorde, maar oefent als zodanig geen taken en bevoegdheden uit.

Onderdeel F (Artikel 3.7)

De rapportageverplichting voor het OM inzake het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid ex artikel 257b Sv door buitengewoon opsporingsambtenaren vervalt. Deze rapportageverplichting levert onnodige administratieve lasten op, aangezien alle strafbeschikkingen op grond van de artikelen 257b en 257ba Sv via de Transactiemodule worden aangeleverd en door het CJIB worden verzonden. De benodigde informatie kan al via deze module worden verkregen.

Onderdeel G en H (Artikelen 5.1 tot en met 5.3)

Door de introductie van de bestuurlijke strafbeschikking is in het Besluit OM-afdoening een nieuw hoofdstuk IV ingevoegd. Dit heeft tot gevolg dat de artikelen 5.1 en 5.2 zijn vernummerd tot de artikelen 5.2 en 5.3, artikel 4.8 is vernummerd tot artikel 5.1 en dit artikel is opgenomen in hoofdstuk V.

Onderdeel I (Artikel 5.3)

Artikel 5.2 is vernummerd tot artikel 5.3 en opnieuw vastgesteld in verband met de inwerkingtreding van de bepalingen 4.1 tot en met 4.7 en de verplaatsing en vernummering van artikel 4.8 (oud) tot 5.1. In verband met de inwerkingtreding van de wijziging van het Besluit OM-afdoening en het Transactiebesluit 1994 in verband met de gefaseerde invoering van de strafbeschikkingsbevoegdheid voor opsporingsambtenaren (Stb. 2010, nr. 140) op 29 maart 2010, kan de inwerkingtreding van artikel 5.1 niet later geschieden dan 1 april 2013.

Onderdeel J (Hoofdstuk IV. De strafbeschikking in de zin van artikel 257ba van de wet)
Aanhef

Door het nieuw vastgestelde hoofdstuk IV in het Besluit OM-afdoening komen de artikelen 4.1 tot en met 4.7 te vervallen Deze bepalingen wijzigen andere besluiten en zijn de afgelopen jaren op verschillende tijdstippen in werking getreden. Artikel 4.8 (oud) is echter nog niet in werking getreden. Dit artikel is daarom verplaatst en vernummerd tot artikel 5.1 (zie onderdeel H).

Artikel 4.1

Zoals beschreven in paragraaf 2.2 van het algemeen deel worden in dit artikel de definitiebepalingen beschreven die, naast de algemene definities uit artikel 1.1, specifiek gelden voor hoofdstuk IV van het Besluit OM-afdoening. Uit onderdeel a blijkt dat de strafbeschikkingsbevoegdheid van het bevoegde gezag beperkt is tot het opleggen van een geldboete. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de politiestrafbeschikking ex artikel 257b Sv. Hiervoor is gekozen, omdat andersoortige maatregelen de afdoening van het strafbare feit gecompliceerder maken voor de buitengewoon opsporingsambtenaren, terwijl de kern bij toepassing van de bestuurlijke strafbeschikking ligt bij een eenvoudige afdoening door het systeem van feitcodering. Daarnaast kan een buitengewoon opsporingsambtenaar op grond van het huidige strafvorderlijk kader al overgaan tot het geven van een aanwijzing tot het doen van afstand van een in beslag genomen voorwerp met het oog op onttrekking aan verkeer of verbeurdverklaring, waarheidsvinding of het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit betekent dat wordt afgeweken van artikel 5, tweede lid, artikel 7, vierde lid, onderdelen c tot en met d en artikel 10 van het Transactiebesluit milieudelicten waarin is bepaald dat de bestuurlijke transactie, naast een geldboete, ook het afstand doen van inbeslaggenomen voorwerpen kan bevatten.

Uit onderdeel d komt naar voren dat het bevoegde gezag voor het opsporen van een strafbaar feit waarvoor een bestuurlijke strafbeschikking kan worden uitgevaardigd zowel gebruik kan maken van buitengewoon opsporingsambtenaren als algemene opsporingsambtenaren in de zin van artikel 141, aanhef en onder b en d, Sv, voor zover zij in dienst zijn van of werkzaam zijn voor het bevoegde gezag. Voor de buitengewoon opsporingsambtenaren geldt voorts dat zij opsporingsbevoegd dienen te zijn voor de strafbare feiten die op grond van bijlage II kunnen worden afgedaan met een bestuurlijke strafbeschikking. In paragraaf 2.6 is de relatie tussen het bevoegde gezag en de opsporingsambtenaren nader toegelicht.

Artikel 4.2

Dit artikel regelt welk bestuur bevoegd is om gebruik te maken van de bestuurlijke strafbeschikking voor de zaken die worden genoemd in artikel 4.3. Dit levert het volgende overzicht aan bevoegde gezag op:

  • de directeuren van de Regionale Uitvoeringsdiensten;

  • de dagelijkse besturen van de waterschappen;

  • de hoofdingenieurs-directeur van de regionale en landelijke diensten van Rijkswaterstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu;

  • de inspecteur-generaal van de Inspectie voor Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu;

  • de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

  • de colleges van gedeputeerde staten van de provincies, voor zover in de gehele provincie geen Regionale Uitvoeringsdienst operationeel is.

Rijkswaterstaat heeft in zijn advies aangegeven ook bevoegd te willen zijn voor een overtreding van voorschriften krachtens de keur van een waterschap, voor zover die onderdeel uitmaken van een watervergunning, die is verleend met toepassing van de samenloopregeling uit artikel 6.17 van de Waterwet. Aan deze wens is tegemoetgekomen, aangezien de dagelijkse besturen van de waterschappen en de hoofdingenieurs-directeur van de regionale en landelijke diensten van Rijkswaterstaat strafbeschikkingsbevoegd zijn voor de milieu- en keurfeiten, terwijl de overige instanties alleen bevoegd zijn voor de milieufeiten uit hoofdstuk I van bijlage II. Met het oog op het nut en de noodzaak is het echter wel wenselijk dat er onderling afspraken worden gemaakt tussen Rijkswaterstaat en de UvW over afstemming van de te handhaven keurfeiten en de prioritering daarvan. Dit voorkomt strafrechtelijk optreden door meer dan één bevoegde gezag ter zake van hetzelfde strafbare feit. Verder maakt het artikel duidelijk dat het aangewezen gezag strafbeschikkingsbevoegd wordt en niet de buitengewoon opsporingsambtenaar.

Artikel 4.3

Dit artikel regelt dat het aangewezen gezag alleen een strafbeschikking kan uitvaardigen voor de feiten genoemd in bijlage II bij het besluit en zoals nader omschreven in de richtlijn, bedoeld in artikel 257ba, tweede lid, Sv. Het gaat hier om milieu- en keurfeiten die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat deze feiten van geringe ernst of eenvoudig aard zijn en gemakkelijk zijn vast te stellen (paragraaf 2.5). In deze richtlijn wordt onder andere omschreven in welke gevallen, naast de in artikel 4.4 van dit besluit opgenomen contra-indicaties, geen strafbeschikking mag worden uitgevaardigd. Het betreft contra-indicaties die facultatief van aard zijn of specifiek zijn verbonden aan een bepaald ordeningsgebied. Wat betreft de facultatieve contra-indicaties moet worden gedacht aan situaties waarin overleg tussen de buitengewoon opsporingsambtenaar, het bevoegde gezag en het OM wenselijk is om te bepalen of het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking of vervolging door het OM geboden is. Te denken valt hierbij aan samenloop met één of meer milieufeiten waarvoor geen bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend. Een contra-indicatie die is gebonden aan een specifiek ordeningsgebied is bijvoorbeeld een wederrechtelijke gedraging waardoor aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water wordt veroorzaakt, dan wel dreigt te worden veroorzaakt.

Artikel 4.4

Uit artikel 257ba, eerste lid, Sv vloeit voort dat het besluit de grenzen stelt waarbinnen het bevoegde gezag gebruik mag maken van de strafbeschikkingsbevoegdheid. Eén van deze grenzen is de in dit artikel opgenomen set aan contra-indicaties. Hierbij is aansluiting gezocht bij artikel 3 van het Transactiebesluit milieudelicten. In paragraaf 2.4 van het algemeen deel is uiteengezet waarom bepaalde contra-indicaties in het besluit dan wel de richtlijn zijn opgenomen. Het gaat bij de in dit artikel genoemde contra-indicaties om gevallen waarin gezien de ernst van de wederrechtelijke gedraging of de ernst van de overtreding niet meer kan worden gesproken over een strafbaar feit van geringe ernst of eenvoudige aard, zoals wanneer de gedraging bijvoorbeeld niet-verwaarloosbare hoeveelheden afvalstoffen betreft of als de gedraging aanzienlijke schade aan de kwaliteit van het milieu veroorzaakt. Voorts kan het onder andere gaan om de omstandigheid dat het een strafbaar feit betreft die is begaan door een persoon die jonger is dan achttien jaar, dat het feit is begaan door een openbaar lichaam in de zin van hoofdstuk 7 van de Grondwet, dat voor de opsporing van het feit internationale rechtshulp moet worden ingeroepen of dat sprake is van meerdaadse samenloop met feiten waarvoor geen strafbeschikkings-bevoegdheid is verleend.

Vanwege het brede toepassingsbereik en de grote verscheidenheid aan situaties bij de toepassing van de bestuurlijke strafbeschikking, zijn enkele van de in dit artikel genoemd contra-indicaties redelijk globaal geformuleerd. Het is daarom gewenst dat het bevoegde gezag, dan wel de buitengewoon opsporingsambtenaar die de overtreding constateert, in geval van twijfel of in het concrete geval een contra-indicatie wordt vervuld, overlegt met een parketsecretaris van de regionale vestiging van het Functioneel Parket, dan wel het betrokken arrondissementsparket wanneer het een keurfeit betreft. In gevallen waarin sprake is van een contra-indicatie, leent het geconstateerde strafbare feit zich niet voor afdoening met een bestuurlijke strafbeschikking, maar vraagt deze om beoordeling door het OM. In dat geval zal de buitengewoon opsporingsambtenaar een volledig proces-verbaal moeten opmaken en naar het bevoegde parket moeten zenden. Het OM kan op grond daarvan onder meer besluiten een strafbeschikking ex 257a Sv uit te vaardigen of de verdachte te dagvaarden. Eenzelfde handelswijze geldt ook voor de contra-indicaties uit de richtlijn.

Artikel 4.5

Dit artikel is ontleend aan artikel 3.4 van het Besluit OM-afdoening. Evenals in artikel 3.4, eerste lid van het Besluit OM-afdoening, is in het eerste lid gekozen voor de terminologie «intrekken». Daardoor wordt beter uitgedrukt dan met «geen gebruik maken van» dat de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket (milieufeiten), dan wel de hoofdofficier van justitie van het betrokken regioparket (keurfeiten) het bevoegde gezag onbevoegd kan maken een strafbeschikking uit te vaardigen. Deze terminologie sluit aan bij artikel 257ba, tweede lid, Sv waarin wordt gesproken van «intrekking» van een verleende bevoegdheid. Artikel 3.4 van het Besluit OM-afdoening ziet uitsluitend op de taakvervulling van personen, namelijk de bevoegde opsporingsambtenaren. Nu bij een bevoegd lichaam niet de taakvervulling (als geheel), maar de wijze waarop het lichaam gebruik maakt van de strafbeschikkingsbevoegdheid aanleiding kan zijn voor intrekking van die bevoegdheid, is dit onderscheid – naar aanleiding van het advies van de RvdR – verduidelijkt in artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit OM-afdoening. Op dat moment mag het desbetreffende lichaam of de persoon (tijdelijk) de strafbeschikkingsbevoegdheid niet meer uitoefenen. De buitengewoon opsporingsambtenaren blijven bevoegd een volledig proces-verbaal op te maken en in te zenden naar het OM aangezien de opsporingsbevoegdheid niet automatisch gelijktijdig wordt geschorst of ingetrokken. Het OM kan dan als het vervolging opportuun acht – net als nu – kiezen voor eigen buitengerechtelijke afdoening of dagvaarding.

Artikel 4 uit het Transactiebesluit milieudelicten is niet verwerkt in dit besluit. Dit artikel bepaalt dat de hoofdofficier van justitie, na overleg met het bestuur, kan beslissen dat met het oog op een goede rechtsbedeling in bepaalde gebieden of zaken binnen zijn arrondissement geen gebruik kan worden gemaakt van de transactiebevoegdheid. Gezien de in paragraaf 2.3 van het algemeen deel gesignaleerde rolverdeling tussen het bestuur en het OM, wordt een dergelijke bepaling niet wenselijk geacht. De artikelen 7 tot en met 10 uit het Transactiebesluit milieudelicten zijn niet overgenomen. In de artikelen 2.1 en 2.2 van het Besluit OM-afdoening en in artikel 3 van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten wordt de inhoud van deze artikelen, voor zover van toepassing op een strafbeschikking, al geregeld. Artikel 7.1, eerste lid, van het Transactiebesluit milieudelicten komt niet meer terug, omdat dit artikel specifiek gaat over een eigenschap die hoort bij de figuur van de bestuurlijke transactie welke niet van toepassing is op de bestuurlijke strafbeschikking. De rapportageverplichting voor het bestuur en het OM uit artikel 11 van het Transactiebesluit milieudelicten is niet verwerkt in dit besluit om redenen die uiteen zijn gezet in onderdeel F, artikel 3.7.

Artikel 4.6

Dit artikel is gebaseerd op artikel 3.6 van het Besluit OM-afdoening. Krachtens het tweede lid wordt de opsporingsambtenaar in dienst van of werkzaam voor het bevoegde gezag in het bezit gesteld van een lijst met feiten waarin de zaken uit bijlage II bij dit besluit zijn opgenomen. Voor deze zaken kunnen zij ten behoeve van het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking een combibon invullen. Anders dan de NVvR in haar advies aangeeft te vermoeden, moet een opsporingsambtenaar in dienst van of werkzaam voor het bevoegde gezag te allen tijde de feitenlijsten bij de uitvoering van zijn of haar werkzaamheden bij zich hebben of kunnen raadplegen. Vanuit praktisch oogpunt is dit wenselijk, omdat de opsporingsambtenaar snel kan zien onder welk feit de geconstateerde overtreding valt. Dat dergelijke feitenlijsten ook ter hand moet worden gesteld aan de met inning belast ambtenaar is overgenomen in de wijziging van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten (artikel II, onderdeel C).

Artikel 4.7

Dit artikel is ontleend aan artikel 3.7 van het Besluit OM-afdoening. Voor het bevoegde gezag geldt, evenals voor de bevoegde ambtenaar voor de strafbeschikking ex artikel 257b Sv, een aantekeningverplichting voor alle zaken waarvoor dit gezag een bestuurlijke strafbeschikking uitvaardigt. Het OM kan deze gegevens gebruiken voor hun toezichtstaak op de wijze waarop het bevoegde gezag gebruik maakt van zijn strafbeschikkingsbevoegdheid. Voorts is het bewaren van deze aantekeningen door het bevoegde gezag wenselijk, omdat een volledig (uitgebreid) proces-verbaal moet worden opgemaakt (dat vervolgens wordt opgestuurd naar het OM) indien de verdachte verzet instelt tegen een door het bevoegde gezag uitgevaardigde bestuurlijke strafbeschikking.

Onderdeel L (Bijlage I)

Het inreisverbod houdt in dat vreemdelingen die, nadat het rechtmatig verblijf in Nederland is geëindigd, het Nederlandse grondgebied verlaten daarna niet mogen terugkeren. Dit inreisverbod kan worden opgelegd aan vreemdelingen die geen gemeenschapsonderdaan zijn van de Europese Unie. Overtreding van het inreisverbod is strafbaar gesteld in artikel 108, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Bij de totstandkoming van de wet waarin het inreisverbod strafbaar is gesteld (Wet van 15 december 2011; Kamerstukken 32 420) is beoogd overtreding van het inreisverbod strafrechtelijk te handhaven door een bij strafbeschikking op te leggen geldboete. Deze op 7 januari 2012 in werking getreden strafbaarstelling is om deze reden ingevoegd in bijlage I van het Besluit OM-afdoening (feitcodes E 824 a tot en met E 824 g).

Onderdeel M (Bijlage II)

Als bijlage bij dit besluit is een lijst met feiten gevoegd waarvoor een bestuurlijke strafbeschikking ex artikel 257ba Sv kan worden uitgevaardigd. Deze lijst bestaat vooralsnog uit een aantal clusters met milieu- en keurfeiten van geringe ernst of eenvoudige aard welke als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat de bewijsopdracht door de buitengewoon opsporingsambtenaar doorgaans betrekkelijk eenvoudig is uit te voeren. De feitenlijst is deels gebaseerd op een omzetting van de feitenlijst bij het Transactiebesluit milieudelicten. Verder is een aantal feiten niet overgenomen, omdat deze niet voor afdoening van een bestuurlijke strafbeschikking in aanmerking komen, omdat bijvoorbeeld deze strafbare feiten niet eenvoudig vast te stellen zijn. Daarnaast zijn er nieuwe feiten toegevoegd. De toename van het aantal feiten in bijlage II is enerzijds een inherent gevolg van het bredere toepassingsbereik van de bestuurlijke strafbeschikking ten op zichtte van de bestuurlijke transactie in de zin van het Transactiebesluit milieudelicten. Anderzijds is de toename een gevolg van de herschikking van de rollen tussen het bestuur en het OM, zoals beschreven in paragraaf 2.3. De inbreng van de mogelijke feiten voor bijlage II is dan ook, bij totstandkoming van dit besluit, door het bevoegde gezag aangeleverd. Vervolgens zijn de aangedragen feiten nader uitgewerkt door het houden van diverse expertmeetings met de handhavingspraktijk, dat wil zeggen buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van of werkzaam voor het bevoegde gezag en handhavingsspecialisten van de betrokken ministeries. Tijdens deze expertmeetings zijn onder andere de clusters met milieu- en keurfeiten tot stand gekomen en de hoogte van de boetebedragen, zoals opgenomen in de richtlijn, vastgesteld. Per milieufeit zijn in bijlage II de boetebedragen voor natuurlijke personen en/of rechtspersonen aangegeven. Het gaat telkens om vaste bedragen, dat wil zeggen hiervan kan niet naar boven of beneden worden afgeweken. Bij het bepalen van de boetebedragen is rekening gehouden met de gangbare strafmaat bij de afdoening van de feiten door middel van een vonnis of transactie (paragraaf 2.5). De feiten die met een bestuurlijke strafbeschikking kunnen worden afgedaan, zijn onderverdeeld in de volgende hoofdstukken en clusters van feiten:

  • Hoofdstuk 1. Milieufeiten

    • Afdeling A. Afvalstoffen en Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen;

    • Afdeling B. Asbest, Meststoffen en Inrichtingen;

    • Afdeling C. Bodem en Kernenergie;

    • Afdeling D. Vuurwerk, Explosieven en Natuur;

    • Afdeling E. Water;

    • Afdeling F. Algemeen;

  • Hoofdstuk 2. Keurfeiten

Artikel II (Besluit tenuitvoerlegging geldboeten)

Onderdeel A (Artikel 1)

Dit onderdeel bevat een wijziging van artikel 1 van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten. Daarin wordt tot uitdrukking gebracht dat het CJIB, als uitvoeringsdienst van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, ook een ondersteunende taak heeft bij de tenuitvoerlegging van een bij bestuurlijke strafbeschikking ex 257ba Sv door het bevoegde gezag opgelegde geldboeten.

Onderdeel B (Artikel 3a, derde lid)

In artikel I, onderdeel E, vervalt artikel 3.7, tweede en derde lid van het Besluit OM-afdoening in verband met het niet opnemen van een rapportageverplichting. Dit betekent dat het derde lid van artikel 3a overbodig is geworden. Dit is toegelicht in paragraaf 2.3.

Onderdeel C (Artikel 3b)

Dit onderdeel introduceert in het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten een artikel 3b dat betrekking heeft op directe betaling aan het bevoegde gezag in geval een bestuurlijke strafbeschikking zal worden uitgevaardigd. Het eerste lid is ontleend aan artikel 3a, eerste lid, van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten en betreft het uitvaardigen van de later toe te zenden bestuurlijke strafbeschikking. De directe betaling van een bestuurlijke strafbeschikking vindt enkel plaats in bijzondere omstandigheden (paragraaf 3). In het tweede lid wordt aansluiting gezocht bij artikel  a, tweede lid, van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten. Bij een tijdelijke plaats die wordt aangewezen door het betrokken bevoegde gezag waar de buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van of werkzaam voor is, valt te denken aan een eigen kantoor van het bevoegde gezag dan wel een andere tijdelijke plaats van betaling. Het derde lid is gebaseerd op artikel 3a, derde lid, van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten en bepaalt dat directe betaling van een bestuurlijke strafbeschikking alleen kan geschieden aan ambtenaren die door het betrokken bevoegde gezag met inning zijn belast. Het vierde lid verklaart artikel 3a, vierde lid van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten van overeenkomstige toepassing voor ambtenaren die door het hoofd van de betrokken organisatie met de inning van de directe betaling zijn belast. Dit betekent dat ook de met inning belaste ambtenaar die de directe betaling in gevallen waarin deze is toegelaten in ontvangst neemt, een lijst met de feiten en de hiervoor geldende tarieven ter hand moet worden gesteld. Deze lijst toont hij desgevraagd aan degene die betaalt.

De suggestie van het College van procureurs-generaal om de laatste volzin van artikel 3b, eerste lid, van het Besluit tenuitvoerlegging anders te formuleren door op te nemen dat «binnen een dag na die waarop de strafbeschikking aan de verdachte is uitgevaardigd», is niet overgenomen. Het moment waarop direct wordt betaald, is immers het moment waarin kennis wordt gegeven van de strafbeschikking, die later (via het CJIB) door het bevoegde gezag wordt uitgevaardigd. Dit is een praktische omstandigheid als gevolg van de inrichting van het administratieve proces dat achter de strafbeschikking schuilt. Door vrijwillige voldoening van een geldboete doet de betrokken persoon overigens afstand van het recht op verzet tegen de strafbeschikking.

Onderdeel D (Artikel 5, eerste en tweede lid)

Voor de bestuurlijke strafbeschikking op grond van artikel 257ba Sv geldt, evenals de strafbeschikking ex 257b Sv, dat bij directe betaling aan het bevoegde gezag, bedoeld in artikel 3b, eerste lid, van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten, onverwijld een betalingsbewijs wordt uitgereikt dat door de persoon aan wie wordt voldaan, is gedagtekend en ondertekend. De wijziging in het tweede lid bewerkstelligt een financiële rapportageverplichting voor het bevoegde gezag waaraan direct wordt betaald bij het ter plekke invullen van de combibon door de buitengewoon opsporingsambtenaar.

Onderdeel E (Artikel 9, tweede volzin)

Artikel 8, derde lid, van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten bepaalt dat de Minister van Veiligheid en Justitie nadere voorschriften kan vaststellen over de verstrekking en het beheer van de betalingswijzen, de afrekening en de verantwoording van de ontvangen gelden alsmede de in verband daarmee te voeren administratie. Artikel 9 geeft vervolgens aan wie verantwoordelijk is voor de jaarlijkse opgave van de uitvoering van de in artikel 8, derde lid, bedoelde voorschriften. Aangezien artikel 3b, eerste l