Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatsblad 2011, 590AMvB

Besluit van 7 december 2011, houdende aanpassing van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit toevoeging mediation in verband met een verlaging van de vergoeding van rechtsbijstandverleners en een aanpassing van de wijze van indexeren van deze vergoeding alsmede aanpassing van de indexeringsregeling in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Besluit aanpassing vergoeding en indexering rechtsbijstandverleners)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 26 september 2011, nr. 5710717/11/6;

Gelet op de artikelen 33e, derde lid, en 37 van de Wet op de rechtsbijstand, artikel 21 van de Gerechtsdeurwaarderswet en artikel 434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 november 2011, nr. W 03.11.0429/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 december 2011, nr. 5718337/11/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Artikel 3 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «€ 95,21» vervangen door: € 106,23.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het basisbedrag en de vergoeding, bedoeld in artikel 27, eerste lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari door Onze Minister gewijzigd met een percentage dat overeenkomt met 0,6 x (A – B) + (0,4 x C), waarbij:

    • a. A gelijk is aan het procentuele verschil tussen het indexcijfer van de CAO-lonen per uur, inclusief de bijzondere beloningen van het jaargemiddelde van het jaar t-2 en het daaraan voorafgaande jaargemiddelde, zoals die door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn bekendgemaakt;

    • b. B gelijk is aan het procentuele verschil tussen het indexcijfer van de arbeidsproductiviteit in alle sectoren van het jaargemiddelde van het jaar t-2 en het daaraan voorafgaande jaargemiddelde, zoals die door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn bekendgemaakt;

    • c. C gelijk is aan het procentuele verschil tussen de consumentenprijsindexcijfers voor alle huishoudens op de meest recente tijdsbasis van het jaargemiddelde van het jaar t-2 en het daaraan voorafgaande jaargemiddelde, zoals die door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn bekendgemaakt, en

    • d. onder t-2 wordt verstaan het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin de gewijzigde bedragen zullen gelden.

3. Het derde lid vervalt, onder vernummering van het vierde lid tot derde lid.

ARTIKEL II

In artikel 7, vierde lid, van het Besluit toevoeging mediation vervalt: en derde.

ARTIKEL III

Artikel 14, eerste lid, van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a wordt als volgt gewijzigd:

a. «het indexcijfer van het bruto uurloon, inclusief de bijzondere beloningen, op basis van de CAO lonen van alle werknemers van het jaar t-2» wordt vervangen door: het indexcijfer van de CAO-lonen per uur, inclusief bijzondere beloningen van het jaargemiddelde van het jaar t-2;

b. «voorafgaande jaar» wordt vervangen door: voorafgaande jaargemiddelde;

c. de woorden «in de Sociaal-economische Maandstatistiek» vervallen.

2. Onderdeel b wordt als volgt gewijzigd:

a. «het jaar t-2» wordt vervangen door: het jaargemiddelde van het jaar t-2;

b. «voorafgaande jaar» wordt vervangen door: voorafgaande jaargemiddelde;

c. de woorden «in de Nationale Rekeningen» vervallen.

3. Onderdeel c wordt als volgt gewijzigd:

a. «huishoudens van het jaar t-2 en het daaraan voorafgaande jaar» wordt vervangen door: huishoudens op de meest recente tijdsbasis van het jaargemiddelde van het jaar t-2;

b. «voorafgaande jaar» wordt vervangen door: voorafgaande jaargemiddelde;

c. de woorden «in de Maandstatistiek van de prijzen» vervallen.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.

ARTIKEL V

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanpassing vergoeding en indexering rechtsbijstandverleners.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 7 december 2011

Beatrix

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

F. Teeven

Uitgegeven de veertiende december 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

De instandhouding van een toegankelijk stelsel van rechtsbijstand is een wezenskenmerk van de moderne rechtsstaat (Kamerstukken II 2001/02, 27 400, VI, nr. 67). Een toegankelijk stelsel van rechtsbijstand draagt niet enkel bij aan de toegang tot de rechter voor de minder draagkrachtige, maar dient eveneens een algemener belang van rechtshandhaving. Gelet op de wens om het stelsel als zodanig beheersbaar te houden en op de voor de gesubsidieerde rechtsbijstand beschikbare budgetten, is het onvermijdelijk maatregelen te nemen die in bepaalde opzichten de gesubsidieerde rechtsbijstand versobert.

Uit de bijlage bij het regeerakkoord van oktober 2010 vloeit een structurele taakstelling op de gesubsidieerde rechtsbijstand voort van jaarlijks € 50 miljoen. In genoemde bijlage wordt aangekondigd dat besparingen op de rechtsbijstand onder andere worden gerealiseerd door aanpassingen en/ of het niet-indexeren van de tarieven van de advocatuur in de gesubsidieerde rechtshulp.

Bij de eerdere structurele taakstelling op de gesubsidieerde rechtsbijstand op grond van het coalitieakkoord uit 2007 is ervoor gekozen tot een verlaging van de uitgaven te komen middels verschillende maatregelen (Kamerstukken II 2007/08, 31 200 VI, nr. 13, 2008/09, 31 753, nrs. 1, 4 en 10, 2009/10, 31 753, nr. 22). De maatregelen die in dat kader zijn aangekondigd leiden op zichzelf niet tot de aanvullende structurele taakstelling die bereikt moet worden op grond van het regeerakkoord van 2010.

Daarom komen thans maatregelen in beeld die de individuele gebruikers van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand en de aan dat stelsel deelnemende rechtsbijstandverleners raken.

Deze maatregelen zijn aangekondigd in de brief van de Minister en Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer van 8 maart 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 31 753, nr. 27) en zien op een verhoging van de eigen bijdrage bij echtscheiding, een taakstelling op de raad voor rechtsbijstand, een aanpassing van de wijze van indexeren van de vergoeding van de rechtsbijstandverlener en een verlaging van deze vergoeding op 1 januari 2012 en mogelijk op een later tijdstip. De maatregelen genoemd in deze brief zijn besproken tijdens een algemeen overleg tussen de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer en de Minister en Staatssecretaris op 9 maart 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 31 753, nr. 35). Bij deze gelegenheid is door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de bereidheid uitgesproken om alternatieven voor genoemde maatregelen te bezien.

In de gezamenlijke reactie van de Nederlandse orde van advocaten (hierna: Orde) en de raad voor rechtsbijstand (hierna: raad) op het ontwerpbesluit aanpassing vergoeding en indexering rechtsbijstandverleners hebben de Orde en de raad alternatieve maatregelen voorgesteld voor de tweede tranche verlaging van de vergoeding van de rechtsbijstandverleners1. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij brief van 31 oktober 2011 laten weten welke maatregelen hij, naast een eerste tranche verlaging van de vergoeding op 1 januari 2012 en een aanpassing van de wijze van indexering van deze vergoeding, op het terrein van rechtsbijstand voor ogen heeft2. De maatregelen betreffen een verhoging van de eigen bijdrage bij echtscheiding, het opnieuw heffen van een eigen bijdrage bij opvolging raadsman en in bewerkelijke zaken, een lagere vergoeding bij kennelijk niet ontvankelijkheid van de zaak, een aanpassing van de anticumulatieregeling en een tweede tranche verlaging van de vergoeding van rechtsbijstandverleners. Daarnaast is een generieke verhoging van de eigen bijdrage aangekondigd ter dekking van de kosten die gemoeid zijn met de uitvoering van het Besluit van 9 november 2011 tot wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 in verband met een vergoeding voor de beurtelingse verlening van rechtsbijstand in het kader van politieverhoren3.

Dit besluit, waarmee onder meer het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr) wordt gewijzigd, bevat de maatregelen die zien op de verlaging van de vergoeding van de aan het stelsel deelnemende rechtsbijstandverleners ofwel de eerste tranche verlaging van de vergoeding, alsmede een wijziging van de wijze waarop de (jaarlijkse) indexering van deze vergoeding plaatsvindt.

Verkenning effecten van de maatregelen verhoging eigen bijdrage in relatie tot verhoging griffierechten

Zoals hiervoor al is beschreven, bevat dit besluit twee van de maatregelen die tot doel hebben het stelsel van de gesubsidieerde rechtsbijstand beheersbaar te houden. In dit kader kan voorts gewezen worden op de voornemens in de reeds hierboven vermelde brieven van 8 maart 2011 en 31 oktober 2011 om de eigen bijdrage te verhogen en een extra verhoging van de eigen bijdrage bij echtscheiding. Voor de beantwoording van de vraag welke gevolgen de verschillende maatregelen hebben op de aanvragen om toevoegingen ten behoeve van de gesubsidieerde rechtsbijstand, is tevens het voorstel van wet tot verhoging van de griffierechten van belang4.

De brief van 31 oktober 2011 geeft de bevindingen van het verwachte effect van de verhoging van de eigen bijdrage in combinatie met de voorgestelde griffierechten weer. De verwachting bestaat dat genoemde maatregelen leiden tot een vermindering van het beroep op de gesubsidieerde rechtsbijstand van tussen de 4 en 6% en dat de rechtzoekende in deze gevallen in eerste instantie op zoek gaat naar een alternatief om zijn geschil te beslechten, voordat de traditionele weg van advocaat en rechter wordt ingeslagen. In het geval van bijvoorbeeld een echtscheiding kunnen rechtzoekenden eerst proberen om gezamenlijk tot een duurzame oplossing te komen. Verschillende hulpmiddelen, als de kennis van het juridisch loket, de digitale ondersteuning door middel van de Rechtwijzer of het echtscheidingsplan5 staan hierbij tot hun beschikking. In de rij van genoemde alternatieven past ook het gebruik van mediation. Op grond van artikel 8, vierde lid, van het Besluit toevoeging mediation is de verplichte rechterlijke afhechting van de echtscheiding in het mediationtraject begrepen.

De verwachte toename van het gebruik van mediation door rechtzoekenden kan ertoe leiden dat de advocatuur zich meer gaat toeleggen op mediation.

Financiële gevolgen

Vanuit de wens het stelsel als zodanig beheersbaar te houden is dit besluit noodzakelijk om een deel van de structurele taakstelling van € 50 miljoen op de gesubsidieerde rechtsbijstand, zoals deze voortvloeit uit het regeerakkoord van oktober 2010, te realiseren. Met dit besluit worden besparingen geboekt door in het Bvr het basisbedrag, aan de hand waarvan de hoogte van de vergoeding van de rechtsbijstandverlener wordt berekend, te verlagen. Daarnaast worden besparingen geboekt door wijziging van de manier waarop de jaarlijkse indexering van dit basisbedrag plaatsvindt.

De eerste tranche verlaging van het basisbedrag van 5% is besproken in het algemeen overleg met de Tweede Kamer van 9 maart 20116. Ook in de voorbesprekingen met de Orde in het voorjaar van 2011 is steeds uitgegaan van een verlaging van het basisbedrag met 5% uitgaande van het op dat moment geldende basisbedrag. Uitgaande van het tussen 1 juli 2010 en 1 juli 2011 geldende basisbedrag levert een verlaging van de vergoeding van rechtsbijstandverleners met 5% een besparing op van € 17 miljoen per jaar. Dit bedrag is gebaseerd op een gemiddeld volume over de afgelopen jaren van € 340 miljoen. Hieruit volgt dat het nieuwe basisbedrag per 1 januari 2012 € 106,23 is.

Bij brieven van 24 februari 2011, 20 mei 2011 en 7 juni 20117, waarin Orde en raad gezamenlijk reageren op de diverse maatregelen die voortvloeien uit het Regeerakkoord van 2010, wordt in het door Orde en raad aangeboden alternatief voorstel zelfs uitgegaan van een verlaging van het basisbedrag van 6,5 %. Gezien dit gegeven is bij de berekening van het basisbedrag, zoals opgenomen in artikel I, onderdeel I, van onderhavig besluit, geen rekening gehouden met de indexering van de vergoeding die per 1 juli 2011 heeft plaatsgevonden. Uitgaande van laatstgenoemde datum is de verlaging van de vergoeding procentueel hoger, te weten 5,95%.

De verlaging van het basisbedrag met 5,95% betekent een besparing van € 20,23 miljoen. Dit bedrag is gebaseerd op het hiervoor vermelde gemiddelde volume over de afgelopen jaren van € 340 miljoen. Bij de berekening van de verlaging van de vergoeding van rechtsbijstandverleners in de tweede tranche zal rekening gehouden worden met het gegeven dat er in de eerste tranche meer dan € 17 miljoen bezuinigd is.

Van deze besparing kan € 19,93 miljoen worden toegerekend aan de rechtsbijstandverlener. Aangezien het basisbedrag dat wordt gehanteerd voor het berekenen van de vergoeding van de advocatuur, eveneens wordt toegepast bij de berekening van de vergoeding voor de mediator, vindt ook een vermindering van laatstgenoemde vergoeding plaats (zie de artikelsgewijze toelichting artikel I, onderdeel 1). Dit levert een jaarlijkse besparing op van € 0,3 miljoen.

De wijziging van de indexeringsregeling levert jaarlijks een totale besparing op van ongeveer € 3 miljoen. Daarvan wordt 0,04 miljoen toegerekend aan de mediators. Een gevolg van de wijziging van de indexeringsregeling is dat deze niet alleen gaat gelden voor het basisbedrag voor de vaststelling van de vergoeding van de rechtsbijstandverlener en mediator, maar ook voor de vergoeding voor administratieve kosten (zie artikel 3, tweede lid, Bvr).

Consultatie en voorhang

Een concept van dit besluit is ter consultatie voorgelegd aan de Orde, de raad en de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG).

Een ontwerp van dit besluit is overeenkomstig de op grond van artikel 49 van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) voorschreven voorhangprocedure aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd en in de Staatscourant bekendgemaakt (Stcr. 2011 nr. 8107).

Het ontwerp van dit besluit heeft de Orde en de raad, de vereniging sociale advocatuur nederland (VSAN) en de Vereniging Sociale Advocatuur Amsterdam (VSAA) aanleiding gegeven tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

De Orde en de raad vrezen dat de bezuinigingen invloed zullen hebben op de toegang tot het recht. Daarbij wijzen zij erop dat niet alleen de bezuinigingen die naar verwachting zijn voorzien op het terrein van de gesubsidieerde rechtsbijstand maar ook het voorstel tot het verhogen van de griffierechten een cumulerend effect zal hebben op de toegang tot het recht. Eenzelfde zorg lijkt door de VSAN te worden uitgesproken. Daarbij haalt de VSAN ook recent doorgevoerde wijzigingen in de regelgeving aan zoals de verhoging van het financieel belang als grens voor het verkrijgen van rechtsbijstand op basis van een toevoeging, de invoering van de Wet griffierechten burgerlijke zaken waarvan de VSAN, ondersteund door het advies van de VSAA, verwacht dat dit zal leiden tot het vaker afzien van hoger beroep alsmede de invoering van de zogenaamde diagnose en triage.

Dit besluit ziet op een verlaging van de vergoeding van rechtsbijstandverleners en niet op enige beperking van het recht op gesubsidieerde rechtsbijstand. Er wordt immers niet getornd aan toegangsregels voor de rechtzoekende tot het stelsel noch aan kwaliteitseisen van de advocatuur. Wel wordt beoogd de voorzieningen binnen het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand die de toegang tot het recht faciliteren, beheersbaar te houden. Dit betekent niet dat daarmee de toegang tot het recht wordt belemmerd. Juist om de toegang tot het recht niet te belemmeren wordt met een diversiteit van maatregelen een evenwichtige spreiding van de belangen die worden geraakt, bereikt.

Daarbij geldt als algemeen uitgangspunt dat van burgers wordt verwacht dat zij meer dan voorheen hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Dit geldt ook voor het zoeken naar oplossingen voor juridische problemen. Door de voorgestane maatregelen worden zij hierin gestimuleerd. Het juridisch loket kan daarbij ondersteunen. De medewerkers van het juridisch loket hebben inzicht in de vele mogelijkheden die er bestaan ter oplossing van een probleem. Zij analyseren het probleem en adviseren over de oplossingsrichting. Het consulteren van een advocaat is lang niet altijd noodzakelijk. Vaak zijn er andere – eenvoudigere – en effectievere oplossingsrichtingen die tot hetzelfde resultaat leiden. Opdat rechtzoekenden worden gestimuleerd dit loket te bezoeken alvorens naar een advocaat te gaan, is hun dienstverlening gratis. Verder wordt door de raad op het internet door middel van het project «Rechtwijzer» ondersteuning geboden bij het oplossen van veel voorkomende conflicten.8 Een verdere stimulans gaat uit van het per 1 juli 2011 ingevoerde model van diagnose en triage. Dit houdt in dat de rechtzoekende die van het juridisch loket een diagnosedocument heeft gekregen waarin wordt geadviseerd om naar een advocaat te gaan vervolgens een korting van € 50 ontvangt op de eigen bijdrage die moet worden betaald in het kader van de verleende toevoeging.

Dus als een rechtzoekende bijstand van een advocaat behoeft, staat de weg naar de gesubsidieerde rechtsbijstand open. Artikel 18 van de Grondwet bepaalt dat een ieder zich in rechte en in administratief beroep kan doen bijstaan. Om de uitoefening van dit recht te kunnen effectueren, bepaalt de Grondwet voorts dat de wet regels stelt omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen. Dit is uitgewerkt in de Wrb en de daarop gebaseerde regelgeving, zoals het Bvr. Behalve in de Grondwet is het recht op gesubsidieerde rechtsbijstand gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, artikel 14 IVBPR en artikel 6 EVRM. Op grond van het derde lid, onderdeel c, van artikel 6 EVRM heeft een ieder tegen wie vervolging is ingesteld het recht om kosteloos door een toegevoegd advocaat te worden bijgestaan, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen en indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen. Naast strafrechtelijke procedures heeft het EVRM ook betekenis voor andere gerechtelijke procedures. Al in vroege jurisprudentie van het EHRM is een recht op effectieve toegang tot de rechter erkend op grond van art. 6, eerste lid, EVRM9, ook in civielrechtelijke zaken10. In civielrechtelijke context heeft het EHRM erkend dat gesubsidieerde rechtsbijstand vereist kan zijn indien van een procespartij niet verwacht kan worden dat hij zich behoorlijk kan verdedigen. Dat dient vervolgens in iedere afzonderlijke casus te worden beoordeeld aan de hand van enkele criteria: de ernst van het belang van betrokkene in de zaak en de complexiteit van de zaak11.

Uit jurisprudentie van het EHRM volgt dat aan lidstaten vrijheid toekomt bij de inrichting van een systeem van gesubsidieerde rechtsbijstand12. Er bestaat geen absoluut recht op gesubsidieerde rechtsbijstand, in die zin dat gesubsidieerde rechtsbijstand beschikbaar moet worden gesteld voor alle civielrechtelijke geschillen; het recht kan worden onderworpen aan bepaalde voorwaarden en beperkingen13. Het EHRM heeft expliciet erkend dat een stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand, gelet op de beperkte publieke middelen die beschikbaar zijn voor civielrechtelijke zaken, alleen kan functioneren wanneer dat stelsel de mogelijkheid biedt om zaken te selecteren die voor gesubsidieerde rechtsbijstand in aanmerking komen14. Het recht op gesubsidieerde rechtsbijstand mag daarom worden onderworpen aan bepaalde beperkingen of voorwaarden, waaronder de betaling van een eigen bijdrage15, met dien verstande dat de beperking niet de essentie van het recht mag aantasten, een legitiem doel moet beogen en dat de toegepaste maatregel in een redelijke verhouding tot het beoogde doel moet staan16.

Niet alleen de overheid maar ook de rechtzoekende en een eventuele wederpartij zijn erbij gebaat dat de oplossing op een zo efficiënt mogelijke wijze tot stand komt. Dit wil niet zeggen dat daarmee de toegang tot het recht is afgesneden. Wel zal de burger een betere afweging moeten maken over de weg die hij wil bewandelen om zijn probleem op te lossen. Het duurder worden van de toegang tot het recht zal daartoe aanzetten. Of de toegang tot het recht belemmerd wordt, is afhankelijk van het concrete geval. Er zijn daarvoor geen absolute grenzen. Bij het ontwikkelen van de voorgestane maatregelen op het terrein van de toegang tot het recht is telkens meegewogen dat de toegang tot het recht in zijn algemeenheid niet wordt belemmerd.

Met het verhogen van het financieel belang in 2010 – waarnaar de VSAN verwijst – wordt ook een beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van de rechtzoekende. Een zekere relativering van deze verhoging is op zijn plaats omdat deze verhoging een correctie betrof op bedragen die sinds 1994 niet waren aangepast aan de inkomens- en prijsontwikkeling.

Voorts is van belang dat bij de door de VSAN en VSAA aangehaalde inwerkingtreding van de Wet griffierechten burgerlijke zaken niet alleen in eerste aanleg maar ook in hoger beroep een verminderd tarief geldt voor de minder draagkrachtigen.

Uit de aangehaalde voorstellen blijkt dat steeds rekening wordt gehouden met de minder draagkrachtigen. Dit geldt ook voor de voorstellen die worden voorzien.

De Orde, de raad en de VSAN merken in hun advies op dat de stijging van de uitgaven voor rechtsbijstand veel meer samenhangt met de toenemende vraag om rechtsbijstand dan met de stijging van de vergoedingen als zodanig. Zij vragen in dit kader om inzicht in de ontwikkeling van de vergoeding als zou zijn uitgegaan van de nieuwe indexeringsmethode. Door de Orde en raad wordt gesignaleerd dat recentelijk een daling van het aantal afgegeven toevoegingen is waar te nemen. De VSAA uit zorgen over de geringe verhoging van de uurvergoeding die de nieuwe indexeringsmethodiek met zich zou hebben gebracht, indien deze vanaf 2006 zou zijn toegepast. Zij adviseert niet tot verlaging van het basisbedrag over te gaan.

Hoewel sinds juli 2010 een niet constante daling is waar te nemen, laten de afgelopen jaren een stijgende lijn in het aantal afgegeven toevoegingen zien. Ook in september en november 2010 alsmede in februari en maart 2011 heeft zich een stijging afgetekend. Zie daarvoor de tabel verderop in deze toelichting. Dit laat onverlet dat de vergoeding van de advocaat in het kader van de verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand meer is gestegen dan wanneer de arbeidsproductiviteitsontwikkeling zou zijn meegenomen. Dit laat onderstaande grafiek zien. Op deze ontwikkeling wijst ook de VSAA.

Grafiek Ontwikkeling vergoeding advocatuur/arbeidsproductiviteit

Grafiek Ontwikkeling vergoeding advocatuur/arbeidsproductiviteit

Anders dan de VSAA aangeeft, is de uurvergoeding, nadat deze op 1 januari 2000 was vastgesteld en vervolgens geïndexeerd, tussentijds extra verhoogd. Op 1 januari 2004 is het basistarief extra verhoogd met € 11,50. Met ingang van 1 januari 2005 heeft wederom een extra verhoging plaatsgevonden van € 3,61. (Besluit van 16 januari 2004, houdende wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand, Stb. 2004, 14). Deze verhogingen hebben plaatsgevonden nadat uit het Interdepartementaal beleidsonderzoek rechtsbijstand van 2002 was gebleken dat een reële uurvergoeding van de rechtsbijstandverlener ligt tussen de € 95 en € 100 (Kamerstukken II 2002/03, 28 372, nr. 1, blz. 3 en 4). Voornoemde verhogingen leiden er uiteindelijk toe dat het bedrag uitkwam op € 97,45 met ingang van 1 januari 2005. Vanaf deze datum is het bedrag jaarlijks geïndexeerd met als gevolg dat prijsontwikkelingen hierin zijn meegenomen.

De berekening van de uurvergoeding per zaak is in 1997 op basis van de uitgangspunten verwoord in het rapport van de Commissie herijking vergoedingenstelsel tot stand gekomen door middel van een tijdschrijfonderzoek waarbij een aantal rechtsbijstandverleners heeft bijgehouden hoeveel uur zij hebben besteed aan een bepaald zaaktype. Op basis daarvan is in het Bvr per zaaktype een vaste vergoeding neergelegd die is afgestemd op de gemiddelde tijdsbesteding voor dat soort zaak. Het systeem van uitmiddelen brengt met zich dat een rechtsbijstandverlener in «zware» zaken omgerekend per uur wellicht minder verdient en in eenvoudige zaken juist meer. Het systeem van uitmiddelen zorgt ervoor dat feitelijk per uur een gelijke beloning wordt verkregen. Van dit systeem wordt afgeweken bij zaken die uitzonderlijk veel tijd kosten. Alsdan is het niet meer redelijk een forfaitaire vergoeding te geven. Het gaat dan om zaken waarvan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat aan een dergelijke zaak volgens het Bvr is toegekend. Er wordt in die gevallen een uurvergoeding gegeven die is gebaseerd op het basisbedrag. Door de indexering van dit basisbedrag is de vergoeding per zaaktype steeds gestegen.

Ten gevolge van deze uitmiddeling ontvangt de advocaat uiteindelijk een adequate vergoeding. Hierbij moet bedacht worden dat in de periode van tijdschrijven onder andere de digitalisering niet zo vergevorderd was als dat nu is. Thans zijn standaardmodellen, jurisprudentie en vakliteratuur in verregaande mate digitaal ontsloten. Door middel van het internet kan makkelijker dan voorheen worden gezocht naar relevante informatie. Ook de administratieve processen worden steeds vaker digitaal ondersteund. Bovendien kunnen klantcontacten op meer verschillende (digitale) wijzen plaatsvinden. Deze ontwikkeling heeft invloed op de arbeidsproductiviteit en brengt met zich dat meer zaken in eenzelfde tijdseenheid kunnen worden gedaan. Zou hier eerder rekening mee zijn gehouden, dan zouden de kosten van de gesubsidieerde rechtsbijstand aanzienlijk lager zijn uitgevallen.

De Orde en de raad wijzen ook nog op de toegenomen complexiteit van zaken waardoor de arbeidsproductiviteit in wezen niet stijgt. In dit kader wordt opgemerkt dat tegelijkertijd met het toenemen van de complexiteit van zaken – zoals hierboven aangegeven – de mogelijkheden van zoeken in de grote hoeveelheid jurisprudentie en vakliteratuur aanzienlijk zijn vereenvoudigd. De voortzetting van het traject tot verdere automatisering van de aanvraag om een toevoeging alsmede de uitrol van het zogenaamde high trustmodel dragen zorg voor het nog meer afnemen van handelingen in de administratieve sfeer. Binnen het high trustmodel worden aanvragen om een toevoeging alsmede aanvragen om verstrekking van subsidie op basis van vertrouwen zonder nadere controle geaccepteerd.

Het werk van de advocaat wordt ook gefaciliteerd door het aanreiken van instrumenten aan de rechtzoekende die het mogelijk maken een beter inzicht te krijgen in het probleem en de mogelijke oplossingen. Denk daarbij aan de mogelijkheid tot het raadplegen van rechtwijzer.nl. Op deze site is het mogelijk aan de slag te gaan met het invullen van bijvoorbeeld een echtscheidingsplan. Hoe beter de rechtzoekende is voorbereid hoe sneller de advocaat tot een compleet beeld van het probleem komt. Van de invoering van diagnose en triage waarbij gestimuleerd wordt dat de rechtzoekende in eerste instantie met zijn probleem naar een juridisch loket gaat alwaar hij na een gedegen onderzoek een diagnosedocument ontvangt, wordt ook een kwalitatieve ondersteuning van de advocaat verwacht. Het diagnosedocument moet immers niet alleen de vervolgstappen voor de rechtzoekende aangeven – waaronder een verwijzing naar een advocaat – maar ook een grondige analyse van het probleem bevatten.

Al deze maatregelen hebben tot doel de rechtsbijstandverlener meer tijd te gunnen voor zijn advocatuurlijke werkzaamheden.

In hun advisering wijzen de Orde, de raad en de VSAA erop dat de korting van 5% is berekend over het basisbedrag dat geldt met ingang van 1 juli 2010. Zij wijzen erop dat 1 juli 2011 opnieuw een indexering heeft plaatsgevonden met als gevolg dat de daadwerkelijke korting meer is dan 5%. De VSAN refereert op een andere wijze aan hetzelfde onderwerp. Met de Orde en de raad is begin 2011 gecommuniceerd over de verlaging van de vergoeding van 5%, hetgeen resulteerde in het bedrag zoals dat thans in het Besluit is neergelegd. Deze verlaging gaat overigens gepaard met de voortdurende aandacht die er is om de administratieve kant van de aanvragen om een toevoeging alsmede de toekenning van de vergoedingen te vereenvoudigen.

De VSAN constateert dat wordt erkend dat door de verlaging van de vergoeding rechtsbijstandverleners zullen afhaken. De VSAN mist echter inzicht in de consequenties voor de kwaliteit van het aanbod. De kwaliteit van het aanbod wordt door verschillende maatregelen op peil gehouden. Zo blijven de inschrijfvoorwaarden bij de raad ongewijzigd gelden. Het blijft immers van belang dat de rechtsbijstandverlener kwalitatief goed werk levert. Verder wordt kwaliteitsbevordering zoveel mogelijk ondersteund door de administratieve processen in het kader van de toevoeging steeds verder te vereenvoudigen waardoor de administratieve lasten verder zullen afnemen. Tot voor kort werd door de rechtsbijstandverlener voor elke afzonderlijke zaak schriftelijk een aanvraag voor de toevoeging en de vergoeding ingediend. Alle rechtsbijstandverleners kunnen met ingang van 2012 hun aanvragen om een toevoeging online via een webportaal indienen waarop vervolgens snel door de raad digitaal wordt beslist. Ook de indiening van declaraties zal via dit webportaal verlopen. Daarnaast wordt gewerkt aan de mogelijkheid om de advocatuur zelfstandig toevoegingen te laten aanmaken die op basis van opgebouwd vertrouwen bij de raad worden geaccepteerd. Indien de raad de ervaring heeft dat de aanvraag om een toevoeging en de declaratie van een bepaald kantoor in de regel kunnen worden gevolgd, kan worden volstaan met een steekproef achteraf. De raad voert in dat geval wel de draagkrachttoets uit. Dit meer op vertrouwen in de professional gebaseerde proces zal in 2012 grootschalig worden ingevoerd.

De VSAA noemt vier maatregelen die reeds tot een besparing hebben geleid en niet zijn meegenomen in de maatregelen die moeten leiden tot het beheersbaar houden van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand.

In de eerste plaats constateren zij dat met de inwerkingtreding van de Wet griffierechten burgerlijke zaken de ten gunste van de rechtzoekende vastgestelde proceskostenvergoeding rechtstreeks in mindering wordt gebracht op de door de rechtsbijstandverlener te ontvangen vergoeding, hetgeen een besparing op de kosten van gesubsidieerde rechtsbijstand met zich brengt.

Evenals voor het moment van inwerkingtreding van voornoemde wet verrekent de raad de vergoeding van de advocaat met de door hem ontvangen rechtsbijstandkosten in het kader van de proceskostenveroordeling. Indien de advocaat deze rechtsbijstandkosten niet ontvangt, is het vast beleid dat deze kosten door de raad niet verrekend worden. Deze methodiek blijft bestaan onder de Wet griffierechten burgerlijke zaken.

De VSAA noemt als tweede besparingsmaatregel het afzien van rechtzoekenden om in hoger beroep te gaan vanwege de hoogte van het griffierecht in relatie tot het risico in de proceskosten te worden veroordeeld. Indien minder hoger beroepen worden ingesteld, zullen daarvoor minder toevoegingen worden afgegeven. Dit levert een besparing op. De tijdspanne is te kort om over het effect op het terrein van de gesubsidieerde rechtsbijstand goede uitspraken te doen.

Volgens de VSAA levert het wegvallen van de mogelijkheid een rechtsmiddel in te stellen tegen het niet tijdig beslissen ten gevolge van de inwerkingtreding op 1 oktober 2009 van de Wet dwangsom en beroep, een besparing op. De cijfers met betrekking tot het afgeven van een toevoeging laten vanaf 1 november 2009 tot april 2010 een groei zien. Vervolgens fluctueert het aantal afgegeven toevoegingen. De effecten van deze wet zijn niet goed meetbaar omdat niet per wet wordt gemonitord wat de effecten zijn op de rechtsbijstand.

Tabel

Maand en jaartal

Aantal afgegeven toevoegingen

november 2009

33.969

december 2009

34.739

januari 2010

34.653

februari 2010

36.887

maart 2010

40.132

april 2010

35.113

mei 2010

30.082

juni 2010

39.301

juli 2010

35.802

augustus 2010

31.051

september 2010

35.481

oktober 2010

33.306

november 2010

34.982

december 2010

32.137

januari 2011

34.341

februari 2011

35.909

maart 2011

40.767

april 2011

34.319

mei 2011

34.345

Een vierde besparing levert het stringenter uitvoeren van de regelgeving op het terrein van de gesubsidieerde rechtsbijstand op. Het regeerakkoord schrijft een besparing van € 50 miljoen voor. Opdat er zekerheid is over de opbrengsten is van belang dat deze besparing wordt gevonden in structurele en eenduidige maatregelen. Het aanscherpen van beleid behoort niet tot de structurele maatregelen, aangezien het van de casuïstiek afhangt of en in hoeverre de regels kunnen worden toegepast.

Meer in het algemeen kan gesteld worden dat in het verleden is gebleken dat het aantal afgegeven toevoegingen in ieder geval samenhangt met de economische ontwikkelingen. In tijden van voorspoed worden minder toevoegingen aangevraagd dan in tijden van economische stagnatie. In 2011 is in Nederland een lichte economische groei waarneembaar. Het is niet duidelijk of het verminderde aantal afgegeven toevoegingen daarmee samenhangt of uit andere bronnen voortvloeit.

In de gezamenlijke reactie van Orde en raad, heeft de raad verzocht om in de overgangsbepaling het moment van afgifte van de toevoeging bepalend te laten zijn voor de hoogte van de vergoeding. De noodzaak tot opname van een overgangsbepaling in onderhavig besluit is overbodig nu de artikelen 3, vierde lid, Bvr en artikel 7, vijfde lid, van het Besluit toevoeging mediation reeds een overgangsbepaling bevatten. In genoemde artikelen is het moment van afgifte van de toevoeging bepalend voor de hoogte van de vergoeding.

Administratieve lasten

Voor burgers en bedrijfsleven zijn aan dit besluit geen administratieve lasten of andere nalevingskosten verbonden. Overeenkomstig het Convenant over het beëindigen van de ex ante toetsing voorgenomen wet- en regelgeving Justitie van 24 september 2009 is dit besluit niet ter toetsing voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal).

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel 1

De verlaging van het basisbedrag ofwel de vergoeding per punt voor de rechtsbijstandverlener is een uitwerking van hetgeen is aangekondigd in het regeerakkoord van oktober 2010.

De groei van de uitgaven voor de gesubsidieerde rechtsbijstand in de afgelopen jaren hangt nauw samen met de stijging van de vergoeding per punt van de rechtsbijstandverlener van € 41,– in 1994 naar € 111,82 per 1 juli 2010. Deze stijging is niet alleen ontstaan door toepassing van de indexeringsmaatregel van artikel 3, tweede lid, Bvr, maar ook door tussentijdse verhogingen van het basisbedrag.

Nu, zoals in het algemeen deel van deze toelichting al is aangegeven, op het terrein van de gesubsidieerde rechtsbijstand in het kader van het totale financieel-economisch beleid wederom een versobering in de uitgaven wordt doorgevoerd, ligt het voor de hand om in dat kader ook een bijdrage van de rechtsbijstandverlener te vragen.

Zoals in de financiële paragraaf in het algemeen deel van deze nota van toelichting al aangegeven is, is bij de aanpassing van het basisbedrag in dit wijzigingsbesluit uitgegaan van het basisbedrag dat gold van 1 juli 2010 tot 1 juli 2011. Uitgaande van dat basisbedrag, wordt door verlaging van de vergoeding met 5% het nieuwe basisbedrag per 1 januari 2012 € 106,23.

Vanwege de gelijkwaardigheid van het niveau van de dienstverlening van mediators, is de vergoeding voor mediators gekoppeld aan die voor rechtsbijstandverleners (zie artikel 7, derde lid, van het Besluit toevoeging mediation). In de meeste gevallen zijn de mediators aan wie toevoegingen worden verleend tevens advocaat. De verlaging van het basisbedrag van de vergoeding van de rechtsbijstandverlener heeft om die reden direct gevolgen voor het basisbedrag van mediators.

Artikel I, onderdeel 2

Hoewel het in tijden van versobering van de uitgaven op gesubsidieerde rechtsbijstand redelijk is om ook een bijdrage van rechtsbijstandverleners te verlangen, moet onder ogen worden gezien dat een verlaging van het basisbedrag tot gevolg kan hebben dat het voor bepaalde rechtsbijstandverleners wellicht minder interessant wordt om aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand deel te blijven nemen. Die bereidheid zou verder kunnen afnemen indien thans tevens zou worden besloten tot het niet langer jaarlijks automatisch indexeren van de basisvergoeding. Daarom wordt in plaats van niet-indexeren van het basisbedrag overgegaan tot een wijziging van de indexeringssystematiek.

Tot de inwerkingtreding van dit besluit was de loonkostenindexering gekoppeld aan de marktgemiddelde ontwikkeling. Het basisbedrag werd jaarlijks geïndexeerd op basis van de stijging van het loon- en prijspeil (inflatiecorrectie).

Een betere aansluiting bij de kostenontwikkeling wordt verkregen door de indexering mede te baseren op de productiviteitsstatistiek, aangezien de productiviteit mede de ontwikkeling van de loonkosten bepaalt. Een vergelijkbare regeling geldt sinds 2001 al voor de indexering van de vergoeding van ambtshandelingen die door de gerechtsdeurwaarders worden verricht (artikel 14, eerste lid, Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders). Met de wijziging van artikel 3, tweede lid, Bvr, wordt de indexering van het basisbedrag in overeenstemming gebracht met de reeds voor de ambtshandelingen van de gerechtsdeurwaarders geldende indexeringsregeling.

Deze indexeringsregeling houdt in dat de loonkostenontwikkeling wordt beheerst door de loonkostenstijging en de productiviteitsstijging, die beide in de indexering zijn verdisconteerd. De eerste werkt prijsverhogend; met de lonen stijgen ook de kosten van een productief uur en daarmee de productkosten. De tweede werkt prijsverlagend; met de stijging van de productiviteit per medewerker, dalen de tijdsbesteding per product en de arbeidskosten. Voor de bepaling van de loonkostenstijging wordt aangesloten bij de jaarlijkse loonontwikkelingcijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Voorts is aangesloten bij de feitelijke loonontwikkeling in de afgelopen periode, hetgeen waarborgt dat de indexering is gebaseerd op een reële stijging en niet op een verwachte stijging (die achteraf gecorrigeerd zou moeten worden voor de feitelijke loonkostenontwikkeling als deze afwijkt van de verwachte waarde). Voor de jaarlijkse mutatie in de arbeidsproductiviteit geldt mutatis mutandis hetzelfde. Evenals bij de indexeringsregeling die geldt voor de vergoeding van ambtshandelingen die door gerechtsdeurwaarders worden verricht wordt bij de indexeringsregeling die geldt voor de vergoeding van rechtsbijstandverleners uitgegaan van een stijging van de arbeidsproductiviteit in alle sectoren. Als het gaat om de arbeidsproductiviteit maakt het CBS onderscheid tussen verschillende bedrijfstakken en sectoren. De productiviteitsstijging binnen deze verschillende bedrijfstakken en sectoren lopen sterk uiteen17 waardoor de keuze om uit te gaan van een indexcijfer voor een sector die zoveel vergelijkbaar is met die van rechtsbijstand, bijvoorbeeld de sector «zorg en overige diensten» voorstelbaar zou kunnen zijn. Bij het kiezen van het indexeringscijfer is gekeken naar de gelijkwaardigheid van dienstverlening in relatie tot de mate waarin kan worden gemechaniseerd. In dit kader zijn zorg en juridische beroepen vergelijkbaar. In beide sectoren kan slechts tot op zekere hoogte worden gemechaniseerd. Vanwege het belang van een goede kwaliteit van de dienstverlening blijft het grootste deel van de dienstverlening mensenwerk. Aangezien beide sectoren vergelijkbaar zijn, is mede vanwege het feit dat het zowel bij de gerechtsdeurwaarders als bij rechtsbijstand om juridische dienstverlening gaat, gekozen voor aansluiting bij de indexeringsregeling van de gerechtsdeurwaarders.

Voor wat betreft de loonkostenstijging en productiviteitsstijging zijn de door het CBS vastgestelde cijfers bepalend. Beide voor de loonkostenmutatie bepalende componenten worden in gelijke mate in de indexering meegewogen, aangezien procentuele mutaties in beide componenten van gelijke invloed op de kostenontwikkeling zijn (dit is in artikel 3, tweede lid, Bvr, weergegeven als A–B). De stijging van overheadkosten wordt gerelateerd aan de ontwikkeling van het algemeen prijspeil, aangezien het algemeen prijspeil de meest consistente veroorzaker is van mutaties in de feitelijke overheadkosten (dit is in artikel 3, tweede lid, Bvr, weergegeven als C). Ook voor het algemeen prijspeil wordt het jaarlijks door het CBS vastgestelde indexeringscijfer (de consumentenprijsindex) aangehouden. De wegingsfactor van de kostenveroorzakers is gesteld op 0,6 voor de loonkosten minus de arbeidsproductiviteit en 0,4 voor de overheadkosten.

Met het oog op de beschikbaarheid van de noodzakelijke gegevens is de indexering gebaseerd op ontwikkelingen in de periode die eindigt op 31 december van het jaar voor het jaar waarvoor de tariefaanpassing geldt. Zo zal de aanpassing per 1 januari 2012 (het jaar t) zijn gebaseerd op ontwikkelingen in het jaar 2010 (t-2), welke ontwikkelingen worden uitgedrukt in de procentuele verhouding tussen de indices over het laatstgenoemde jaar (t-2) en het daaraan voorafgaande jaar (t-3).

De wijziging van de indexeringsregeling van het basisbedrag van de rechtsbijstandverlener werkt door in het indexeren van het basisbedrag voor mediators, nu artikel 7, vierde lid, Besluit toevoeging mediation, bepaalt dat artikel 3, tweede lid, Bvr, van overeenkomstige toepassing is.

Artikel I, onderdeel 3

In artikel 3, tweede lid, Bvr (nieuw) is al bepaald dat het basisbedrag en de vergoeding, bedoeld in artikel 27, eerste lid, jaarlijks met ingang van 1 januari worden aangepast. Daardoor is het derde lid van artikel 3 Bvr (oud) komen te vervallen.

Artikel II

Nu het derde lid van artikel 3 Bvr is komen te vervallen (zie artikel I, onderdeel 3), is ook de verwijzing in artikel 7, vierde lid, Besluit toevoeging mediation, komen te vervallen.

Artikel III

Dit onderdeel bevat een aantal technische aanpassingen in artikel 14, eerste lid, Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Technische aanpassingen zijn onder andere noodzakelijk in verband met het feit dat het Centraal Bureau voor de Statistiek gestopt is met het publiceren van de Sociaal-economische Maandstatistiek en de Maandstatistiek van de prijzen. De indexcijfers van de CAO-lonen en consumentenprijsindexcijfers die voorheen in genoemde Maandstatistieken werden gepubliceerd, worden thans bekendgemaakt op de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek (www.cbs.nl). Ook het indexcijfer van de arbeidsproductiviteit uit de Nationale Rekening wordt op de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek bekend gemaakt. Voorts zijn enkele begrippen aangepast aan de in de tabellen van het Centraal Bureau voor de Statistiek gebezigde terminologie. Met de aanpassingen zijn dus geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

F. Teeven


X Noot
1

Zie brieven van de Nederlandse orde van advocaten en de raad voor rechtsbijstand gezamenlijk van 20 mei 2011 en 7 juni 2011 (www.advocatenorde.nl, Kamerstukken II 2010/11, 31753, nr. 38).

X Noot
2

Kamerstukken II 2010/11, 31 753, nr. 39.

X Noot
3

Stb. 2011, 526.

X Noot
4

Voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet Griffierechten burgerlijke zaken en enige andere wetten in verband met de verhoging van de griffierechten (Kamerstukken II 2011/12, 33 071, nr. 2).

X Noot
5

De Rechtwijzer en het echtscheidingsplan zijn te raadplegen via de site van de raad voor rechtsbijstand of via www.rechtwijzer.nl of www.echtscheidingsplan.nl

X Noot
6

Kamerstukken II 2010/2011, 31 753, nr. 35.

X Noot
7

De brieven van 24 februari 2011 en 20 mei 2011 zijn te raadplegen via www.advocatenorde.nl

X Noot
8

http://www.rechtwijzer.nl/

X Noot
9

EHRM 21 februari 1975 (Golder / Verenigd Koninkrijk).

X Noot
10

EHRM 9 oktober 1979 (Airey / Ierland); en EHRM 16 juli 2002 (P., C. en S. / Verenigd Koninkrijk).

X Noot
11

EHRM Airey / Ierland; EHRM 28 maart 1990 (Granger / VK); EHRM 24 mei 1991 (Quaranta / Zwitserland); en EHRM 15 februari 2005 (Steel en Morris / VK).

X Noot
12

EHRM 26 juli 2005 (Podbielski en PPU Polpure / Polen).

X Noot
13

EHRM P., C. en S / Verenigd Koninkrijk.

X Noot
14

EHRM 26 februari 2002 (Del Sol / Frankrijk); en EHRM 16 april 2002 (Iviso / Verenigd Koninkrijk). Zie tevens ECRM 10 juli 1980 (X. / Verenigd Koninkrijk); en ECRM 10 januari 1991 (Garcia / Frankrijk).

X Noot
15

EHRM 25 september 1992 (Croissant / Duitsland).

X Noot
16

EHRM Ashingdane / Verenigd Koninkrijk. Vergelijk tevens HvJEU 22 december 2010 (DEB / Duitsland).

X Noot
17

Centraal Bureau voor de Statistiek, Sociaaleconomische trends, Statistisch kwartaalblad over arbeidsmarkt, sociale zekerheid en inkomen 2e kwartaal 2009, Den Haag/Heerlen, blz. 59 en Centraal Bureau voor de Statistiek, Nationale rekeningen 2010, Den Haag/Heerlen 2011.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbij behorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.