Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233071 nr. 2

33 071 Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet griffierechten burgerlijke zaken en enige andere wetten in verband met de verhoging van griffierechten

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de griffierechten te verhogen in het bestuursrecht en het civiele recht;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Algemene wet bestuursrecht wordt gewijzigd als volgt:

A

Aan artikel 3:45 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, worden tevens vermeld:

    • a. de hoogte van het in artikel 8:41a, eerste lid, bedoelde griffierecht of van een vindplaats daarvan, en

    • b. de mogelijkheid om onder overlegging van een verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand voor verlaging van het griffierecht in aanmerking te komen.

B

Aan artikel 6:23, tweede lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Tevens worden vermeld:

  • a. de hoogte van het in artikel 8:41a, eerste lid, bedoelde griffierecht of van een vindplaats daarvan, en

  • b. de mogelijkheid om onder overlegging van een verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand voor verlaging van het griffierecht in aanmerking te komen.

C

Artikel 8:41 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde tot en met achtste lid tot tweede tot en met zevende lid, vervalt het tweede lid.

2. In het derde lid (nieuw) wordt «het vijfde en zesde lid» vervangen door: het vierde en vijfde lid.

3. In het vijfde lid (nieuw) wordt na «geweest» toegevoegd: , dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 8:41a, negende lid, of 8:109, derde lid.

D

Onder vernummering van artikel 8:41a tot 8:41b, wordt na artikel 8:41 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8:41a

  • 1. Het griffierecht bedraagt:

    • a. € 125 indien beroep is ingesteld tegen de verklaring bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand,

    • b. € 250 indien beroep is ingesteld tegen een besluit als omschreven in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht,

    • c. € 400 indien beroep is ingesteld tegen een ander besluit.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onder b, wordt het griffierecht voor een natuurlijke persoon verlaagd tot:

    • a. € 125 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan € 17 300 indien hij alleenstaand is, dan wel € 24 200 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • b. € 125 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 17 300 en € 24 600 is indien hij alleenstaand is, dan wel tussen € 24 200 en € 34 700 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • c. € 188 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 24 600 en € 31 000 is indien hij alleenstaand is dan wel tussen € 34 700 en € 47 000 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, onder c, wordt het griffierecht voor een natuurlijke persoon verlaagd tot:

    • a. € 125 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan € 17 300 indien hij alleenstaand is, dan wel € 24 200 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • b. € 200 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 17 300 en € 24 600 is indien hij alleenstaand is, dan wel tussen € 24 200 en € 34 700 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • c. € 300 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 24 600 en € 31 000 is indien hij alleenstaand is dan wel tussen € 34 700 en € 47 000 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert.

  • 4. Geen verlaging van het griffierecht als bedoeld in het tweede en derde lid wordt toegepast indien de natuurlijke persoon beschikt over een vermogen dat meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen, bedoeld in de artikelen 5.5 en 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  • 5. Indien van een ander dan een natuurlijke persoon blijkens een door hem over te leggen verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand redelijkerwijze niet kan worden verwacht dat deze het verschuldigde griffierecht geheel uit eigen vermogen of inkomsten, waaronder begrepen bijdragen van leden of betrokkenen, alsmede subsidies van de overheid, betaalt, bedraagt het griffierecht in afwijking van het eerste lid, onder c, € 200.

  • 6. Kan een partij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven nog geen verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand overleggen, dan verlaagt de griffier het griffierecht indien hij de verklaring voor de uitspraak alsnog van de betrokken partij heeft ontvangen, tot het bedrag dat de partij verschuldigd is op grond van de verklaring en stort hij het teveel betaalde bedrag terug.

  • 7. Indien bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld tegen de verklaring bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand, heft de griffier het griffierecht genoemd in de verklaring. Zo nodig verlaagt de griffier het griffierecht tot het bedrag dat de partij verschuldigd is op basis van het bepaalde in het eerste, tweede of vierde lid en stort hij het teveel betaalde bedrag terug.

  • 8. Heeft de griffier op basis van het tweede, derde of vijfde lid een lager griffierecht geheven en wordt nadien de verklaring bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand ingetrokken of gewijzigd omdat de partij onjuiste of onvolledige gegevens omtrent zijn financiële draagkracht heeft verstrekt, dan verhoogt de griffier het griffierecht tot het griffierecht dat de partij verschuldigd is op basis van zijn financiële draagkracht en wijst de partij daarbij op het bepaalde in artikel 8:41, vierde en vijfde lid.

  • 9. De bestuursrechter kan, ingeval het tweede lid, aanhef en onder a, derde lid, aanhef en onder a, of vijfde lid van toepassing is, bepalen dat geen of een lager griffierecht verschuldigd is wegens het ontbreken van financiële draagkracht, indien hij van oordeel is dat heffing van het ingevolge die bepaling verschuldigde griffierecht, gelet op het belang van de indiener van het beroepschrift bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

E

In artikel 8:52, tweede lid, onder a, wordt «artikel 8:41, vijfde lid» vervangen door: artikel 8:41, vierde lid.

F

Artikel 8:74 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Indien de bestuursrechter het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, houdt de uitspraak tevens in dat:

    • a. aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door het bestuursorgaan en

    • b. door het bestuursorgaan aan de griffier een griffierecht van € 5 000 wordt betaald binnen vier weken na de dag waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid en het bestuursorgaan hieromtrent een verwijt kan worden gemaakt, houdt de uitspraak tevens in dat door het bestuursorgaan aan de griffier een griffierecht van € 5 000 wordt betaald binnen vier weken na de dag waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden.

  • 4. Indien artikel 8:84, zesde of zevende lid, van toepassing is, wordt het in het eerste en derde lid bedoelde bedrag vermeerderd met € 5 000.

G

In artikel 8:82, derde lid, wordt «derde tot en met zesde lid» vervangen door: tweede tot en met vijfde lid.

H

Aan artikel 8:84 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 6. Indien de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toewijst en het bestuursorgaan in het ongelijk stelt, houdt de uitspraak tevens in dat door het bestuursorgaan aan de griffier een griffierecht van € 5 000 wordt betaald, indien de uitspraak in de hoofdzaak strekt tot gegrondverklaring van het beroep.

  • 7. Indien een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld en de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toewijst en het bestuursorgaan in het ongelijk stelt, houdt de uitspraak tevens in dat door het bestuursorgaan aan de griffier een griffierecht van € 5 000 wordt betaald binnen vier weken nadat de beslissing op het bezwaar of beroep onherroepelijk is geworden.

I

Aan artikel 8:86 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Indien de voorzieningenrechter het bestuursorgaan in de hoofdzaak in het ongelijk stelt, houdt de uitspraak tevens in dat door het bestuursorgaan aan de griffier een griffierecht van € 10 000 wordt betaald binnen vier weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

J

Artikel 8:108, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. «8:41, tweede lid» wordt vervangen door: 8:41a, eerste en negende lid.

2. Aan het slot wordt toegevoegd:

, en met dien verstande dat:

  • a. artikel 8:82 niet van toepassing is op het griffierecht van het bestuursorgaan op wiens besluit de uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld betrekking heeft;

  • b. in artikel 8:84, zesde lid, in plaats van € 5 000 wordt gelezen € 12 500;

  • c. in artikel 8:86, vierde lid, in plaats van € 10 000 wordt gelezen € 25 000.

K

Artikel 8:109 komt te luiden:

Artikel 8:109

  • 1. Het griffierecht voor het hoger beroep bedraagt tweeënhalf maal het griffierecht dat de indiener op grond van artikel 8:41a, in beroep verschuldigd zou zijn, met dien verstande dat het bedrag wordt afgerond op hele euro’s waarbij een bedrag eindigend op 50 cent of meer naar boven wordt afgerond.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt van het bestuursorgaan dat het betrokken besluit heeft genomen een griffierecht geheven overeenkomstig artikel 8:113.

  • 3. De hogerberoepsrechter kan, indien op de indiener in beroep het griffierecht bedoeld in artikel 8:41a, tweede lid, aanhef en onder a, derde lid, aanhef en onder a, of het vijfde lid van toepassing zou zijn, bepalen dat geen of een lager griffierecht is verschuldigd wegens het ontbreken van financiële draagkracht, indien hij van oordeel is dat heffing van tweeënhalf maal het ingevolge die bepaling verschuldigde griffierecht, gelet op het belang van de indiener van het hogerberoepschrift bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

L

Artikel 8:110, vijfde lid, vervalt.

M

Aan artikel 8:113 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. De uitspraak houdt tevens een uitspraak in over het door het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden aan de griffier te betalen griffierecht. Het griffierecht bedraagt:

    • a. € 12 500 indien de hogerberoepsrechter het bestuursorgaan in het ongelijk stelt en het beroep in eerste aanleg ongegrond was verklaard,

    • b. € 17 500 indien de hogerberoepsrechter het bestuursorgaan in het ongelijk stelt en het beroep in eerste aanleg geheel of gedeeltelijk gegrond was verklaard,

    • c. € 12 500 indien toepassing is gegeven aan het bepaalde in het tweede lid en de hogerberoepsrechter het bestuursorgaan in het ongelijk heeft gesteld nadat het een nieuw besluit heeft genomen.

  • 4. Indien voorafgaand aan het beroep of tijdens het beroep of het hoger beroep een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, worden de in het derde lid genoemde bedragen vermeerderd met het bedrag dat het bestuursorgaan verschuldigd is op grond van de artikelen 8:84, zesde lid, en 8:86, vierde lid, in samenhang met artikel 8:108, eerste lid.

N

In artikel 8:119, tweede lid, wordt «artikel 8:41, tweede lid,» vervangen door: artikel 8:41a, eerste lid.

O

Aan artikel 11:2 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het eerste lid geldt niet voor de inkomensgrenzen, genoemd in artikel 8:41a, tweede en derde lid. Deze inkomensgrenzen worden bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast met het percentage waarmee het indexcijfer van de lonen op 31 oktober van het voorafgaande jaar afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer op 31 oktober in het daaraan voorafgaande jaar, met dien verstande dat de aan te passen inkomensgrenzen worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 100 en de aan te passen hoogten van het griffierecht worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 1, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand.

ARTIKEL II

De Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 29 wordt «8:41, met uitzondering van het tweede lid, 8:41a» vervangen door: 8:41, 8:41a, met uitzondering van het eerste en negende lid, 8:41b en «8:109» vervangen door: 8:109, eerste en derde lid.

B

Na artikel 29 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 29a

Van Onze Minister wordt een griffierecht geheven overeenkomstig artikel 29e.

C

Aan artikel 29e worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. De uitspraak houdt tevens een uitspraak in over het door Onze Minister binnen vier weken na de dag waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden aan de griffier te betalen griffierecht. Indien de Hoge Raad Onze Minister in het ongelijk stelt bedraagt het griffierecht:

    • a. € 12 500 indien uit de uitspraak van de hogerberoepsrechter blijkt dat de inspecteur geen griffierecht verschuldigd was,

    • b. € 25 000 indien de inspecteur ter zake van de behandeling van het hoger beroep € 12 500 verschuldigd was,

    • c. € 30 000 indien de inspecteur ter zake van de behandeling van het hoger beroep € 17 500 verschuldigd was.

  • 4. Indien voorafgaand aan het beroep of tijdens het beroep of het hoger beroep een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt het op grond van het derde lid te betalen griffierecht vermeerderd met het bedrag dat de inspecteur verschuldigd was op grond van de artikelen 8:84, zesde lid, en 8:86, vierde lid, en met dien verstande dat:

    • a. artikel 8:82 niet van toepassing is op het griffierecht van het bestuursorgaan op wiens besluit de uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld betrekking heeft;

    • b. in artikel 8:84, zesde lid, in plaats van € 5 000 wordt gelezen € 12 500;

    • c. in artikel 8:86, vierde lid, in plaats van € 10 000 wordt gelezen € 25 000.

ARTIKEL III

De Wet griffierechten burgerlijke zaken wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 3, vijfde lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: In de tabel worden onder «zaken betreffende het personen- en familierecht» verstaan zaken die worden gevoerd op grond van bepalingen bij of krachtens de Boeken 1 en 10 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet op de Jeugdzorg en de wetgeving die nauw verband houdt met de onderwerpen die zijn geregeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

B

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede lid tot het derde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien de eis primair strekt tot betaling van een geldsom van de eerste categorie financieel belang, maar de rechter in het vonnis of arrest de zaak in hoofdzaak afdoet op grond van een nadere vordering of nader verzoek van onbepaalde waarde, wordt het griffierecht verhoogd tot het griffierecht, dat partijen verschuldigd zouden zijn geweest, indien de primaire eis een vordering of verzoek van onbepaalde waarde zou zijn geweest.

2. In het derde lid (nieuw) wordt «bedoeld in het eerste lid» vervangen door: bedoeld in het eerste of tweede lid.

C

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De griffier heft het griffierecht voor onvermogenden dat is opgenomen in de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd, indien op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand is overgelegd waaruit blijkt dat het inkomen niet meer bedraagt dan € 17 300 voor alleenstaanden, dan wel € 24 600 voor degenen die met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voeren.

2. Het tweede lid vervalt.

3. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot het vijfde en zesde lid, worden drie leden ingevoegd, luidende:

  • 2. De griffier heft het griffierecht voor minvermogenden dat is opgenomen in de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd, indien op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand is overgelegd waaruit blijkt dat het inkomen tussen € 17 300 en € 24 600 is voor alleenstaanden, dan wel tussen € 24 200 en € 34 700 voor degenen die met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voeren.

  • 3. De griffier heft het griffierecht voor middeninkomens dat is opgenomen in de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd, indien op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand is overgelegd waaruit blijkt dat het inkomen tussen € 24 600 en € 31 000 is voor alleenstaanden, dan wel tussen € 34 700 en € 47 000 voor degenen die met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voeren.

  • 4. Indien van een ander dan een natuurlijke persoon blijkens een door hem over te leggen verklaring van het bestuur als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand redelijkerwijze niet kan worden verwacht dat deze het verschuldigde griffierecht geheel uit eigen vermogen of inkomsten, waaronder begrepen bijdragen van leden of betrokkenen, alsmede subsidies van de overheid, betaalt, heft de griffier het griffierecht voor minvermogenden dat is opgenomen in de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd.

4. Het vijfde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 5. Heeft de griffier op basis van het eerste, tweede, derde of vierde lid het griffierecht voor onvermogenden, minvermogenden of middeninkomens geheven en wordt de verklaring nadien ingetrokken of gewijzigd op basis van artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand wegens onjuiste of onvolledige gegevens omtrent de aard of het belang van de zaak of omtrent de financiële draagkracht van de aanvrager als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onder a, van de Wet op de rechtsbijstand, dan wordt het griffierecht verhoogd tot het griffierecht dat de desbetreffende partij verschuldigd is op basis van de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd. De partij, bedoeld in het eerste, tweede, derde of vierde lid, is het verhoogde griffierecht verschuldigd vanaf het moment waarop de verklaring is ingetrokken dan wel gewijzigd en zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is voldaan.

5. Het zesde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 6. Kan een partij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven nog geen verklaring als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid overleggen, maar kan zij voordat de rechter het eindvonnis heeft gewezen dan wel de eindbeschikking heeft gegeven alsnog een dergelijke verklaring overleggen, dan verlaagt de griffier het griffierecht tot het bedrag dat ingevolge die verklaring verschuldigd is zoals is opgenomen in de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd, en wordt het te veel betaalde griffierecht door de griffier teruggestort.

6. Na het zesde lid (nieuw) worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 7. Indien bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld tegen de verklaring bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand, heft de griffier het griffierecht genoemd in de verklaring. Zo nodig verlaagt de griffier het griffierecht tot het bedrag dat de partij verschuldigd is op basis van het bepaalde in het eerste, tweede of derde lid en stort hij het teveel betaalde bedrag terug.

  • 8. De inkomensgrenzen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, worden bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast met het percentage waarmee het indexcijfer van de lonen op 31 oktober van het voorafgaande jaar afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer op 31 oktober in het daaraan voorafgaande jaar, met dien verstande dat de aan te passen inkomensgrenzen worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 100 en de aan te passen griffierechten worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 1, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand.

D

In artikel 17, eerste lid, wordt «€ 552» vervangen door: € 750.

E

In artikel 19, eerste lid, wordt «€ 329» vervangen door: € 750.

F

In artikel 21 vervallen het derde en het vierde lid.

G

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «€ 167» vervangen door: € 175.

2. In het tweede en derde lid wordt «€ 18» telkens vervangen door: € 50.

3. Aan het derde lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Voor de afgifte van apostilles ten behoeve van de legalisatie van buitenlandse openbare akten uit landen die geen partij zijn bij voornoemd verdrag, wordt een griffierecht geheven van € 175.

H

Artikel 25 komt te luiden:

Artikel 25

  • 1. Voor beëdigingen ingevolge artikel 16, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 9 van de Gerechtsdeurwaarderswet, artikel 3 van de Advocatenwet, artikel 3 van de Wet op het notarisambt en artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers wordt een griffierecht geheven van € 300.

  • 2. Voor de afgifte van afschriften van de akten die worden opgemaakt van de beëdiging wordt geen griffierecht geheven.

I

De bijlage behorend bij de wet wordt vervangen door de bijlage behorend bij deze wet.

ARTIKEL IV

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 111, tweede lid, onderdeel k, aanhef, komt te luiden:

  • k. indien het exploot van dagvaarding een andere zaak betreft dan een kantonzaak, de mededeling of van gedaagde bij verschijning in de procedure griffierecht zal worden geheven, binnen welke termijn dit griffierecht betaald dient te worden met verwijzing naar een vindplaats van de meeste recente bijlage behorende bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken waarin de hoogte van de griffierechten staan vermeld. Hierbij wordt vermeld dat van een persoon die onvermogend of minvermogend is of een persoon met een middeninkomen als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken, of van een ander dan een natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven, een verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand heeft overgelegd:.

B

Artikel 127a, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. De rechter laat artikel 16, eerste of vierde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken geheel of ten dele buiten toepassing, indien hij van oordeel is dat wegens het ontbreken van financiële draagkracht toepassing van die bepaling, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2. In het vijfde lid (nieuw) wordt «tweede en derde lid» vervangen door: tweede, derde of vierde lid.

C

In artikel 195 wordt telkens de zinsnede «het griffierecht voor onvermogenden» vervangen door: het griffierecht voor onvermogenden of minvermogenden.

D

Aan artikel 237 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. De rechter kan bepalen dat het griffierecht tot betaling waarvan de partij, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt veroordeeld, niet hoger is dan het griffierecht dat van deze partij is geheven of, in het geval dat deze partij gedaagde is in een zaak bij de kantonrechter en van haar geen griffierecht is geheven, het griffierecht dat deze partij verschuldigd zou zijn geweest als zij eiser was geweest. De rechter kan hiertoe besluiten indien hij van oordeel is dat veroordeling tot betaling van het hogere griffierecht, gelet op de proceshouding van de in het gelijk gestelde partij, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten.

E

Artikel 276 Rv, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Betreft de oproeping een belanghebbende in een andere zaak dan een kantonzaak, dan bevat deze tevens de mededeling dat voor de indiening van een verweerschrift een griffierecht zal worden geheven, binnen welke termijn dit griffierecht betaald dient te worden, alsmede een verwijzing naar een vindplaats van de meeste recente bijlage behorende bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken waarin de hoogte van de griffierechten staan vermeld. Hierbij wordt vermeld dat van een persoon die onvermogend of minvermogend is of die een middeninkomen heeft als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven, een afschrift van de verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand heeft overgelegd.

F

Artikel 282a Rv wordt gewijzigd als volgt:

1. Onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot zesde en zevende lid, wordt een lid ingevoegd, dat luidt:

  • 5. De rechter laat artikel 16, eerste lid of vierde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken geheel of ten dele buiten toepassing wegens het ontbreken van financiële draagkracht, indien hij van oordeel is dat toepassing van die bepaling, gelet op het belang van één of meer van de verzoekers of belanghebbenden bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2. In het zesde lid (nieuw) wordt «derde of vierde lid» vervangen door: derde, vierde of vijfde lid.

3. In het zevende lid (nieuw) wordt «eerste tot en met vijfde lid» vervangen door: eerste tot en met vierde en het zesde lid.

ARTIKEL V

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma wordt aan artikel 7, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. op verzoek van een partij, niet zijnde een bestuursorgaan, behoudens uitzonderlijke gevallen, binnen vijf werkdagen een verklaring te verstrekken omtrent diens financiële draagkracht met het oog op de vaststelling van de hoogte van het griffierecht bedoeld in artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht of artikel 16 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken. De artikelen 25, 27, 32, 33, eerste lid, onder a, 34, derde lid, en 34a, eerste, derde en vierde lid, 34b, 34c, 34d, eerste lid, en 34e zijn van overeenkomstige toepassing bij de vaststelling van de financiële draagkracht.

ARTIKEL VI

Indien het bij Koninklijke boodschap van 24 juli 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht) tot wet is of wordt verheven en artikel I van die wet later in werking is getreden of treedt dan artikel I van deze wet, dan wordt:

a. artikel I van die wet als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen RR, NNNN, PPPP en RRRR vervallen.

2. In onderdeel RRa wordt «8:41a» vervangen door: 8:41b.

3. Onderdeel AAAAA wordt als volgt gewijzigd:

Aan artikel 11:2 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het eerste lid geldt niet voor de inkomensgrenzen, genoemd in artikel 8:41a, tweede en derde lid. Deze inkomensgrenzen worden bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast met het percentage waarmee het indexcijfer van de lonen op 31 oktober van het voorafgaande jaar afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer op 31 oktober in het daaraan voorafgaande jaar, met dien verstande dat de aan te passen inkomensgrenzen worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 100 en de aan te passen hoogten van het griffierecht worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 1, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand.

b. deze wet als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel C komt te luiden:

C

Artikel 8:41 komt te luiden:

Artikel 8:41

  • 1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.

  • 2. Indien het een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten dan wel van twee of meer indieners tegen hetzelfde besluit betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd. Dit griffierecht is gelijk aan het hoogste van de bedragen die bij toepassing van artikel 8:41a, eerste lid, verschuldigd zouden zijn geweest.

  • 3. De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vierde en vijfde lid.

  • 4. Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort.

  • 5. Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 8:41a, negende lid.

  • 6. Indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, vergoedt het bestuursorgaan aan de indiener het door deze betaalde griffierecht.

  • 7. In andere gevallen kan het bestuursorgaan, indien het beroep wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.

2. In onderdeel D komt het eerste lid, onderdeel b, van het voorgestelde artikel als volgt te luiden:

  • b. € 250 indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen:

    • 1°. een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de onderdelen B en C, onder 1 tot en met 25, 29 en 33, dit laatste voor zover het een besluit betreft dat is genomen op grond van artikel 30d van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, van de bijlage die bij de Beroepswet behoort,

    • 2°. een besluit inzake een uitkering bij werkloosheid of ziekte, genomen ten aanzien van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig of een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden, of

    • 3°. een besluit inzake een uitkering op grond van blijvende arbeidsongeschiktheid op grond van een wettelijk voorschrift waarbij de natuurlijke persoon ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid vanwege het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd of een besluit, genomen op grond van artikel P 9 van de Algemene burgerlijke pensioenwet,

    • 4°. een besluit genomen op grond van de Wet op de huurtoeslag,

3. Onderdeel E komt te luiden:

E

In artikel 8:52, tweede lid, onder a, wordt «artikel 8:41, tweede lid» vervangen door: artikel 8:41, vierde lid.

4. Onderdeel G komt te luiden:

G

Artikel 8:82 komt te luiden:

Artikel 8:82

  • 1. Van de verzoeker wordt door de griffier een griffierecht geheven.

  • 2. Het griffierecht is gelijk aan het griffierecht dat de verzoeker ten tijde van de indiening van het verzoek voor de hoofdzaak verschuldigd is of zou zijn.

  • 3. Artikel 8:41, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor de bijschrijving of storting van het griffierecht twee weken bedraagt. De voorzieningenrechter kan een kortere termijn stellen.

  • 4. De griffier betaalt het griffierecht terug indien het verzoek wordt ingetrokken:

    • a. omdat het bestuursorgaan aan de voorzieningenrechter schriftelijk heeft medegedeeld de uitvoering van het bestreden besluit tijdens de procedure over de hoofdzaak op te schorten, of

    • b. omdat de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is gericht, aan de voorzieningenrechter schriftelijk heeft medegedeeld de gevraagde voorlopige maatregelen te zullen nemen.

  • 5. De uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

  • 6. In andere gevallen kan het bestuursorgaan het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.

5. Onderdeel H komt te luiden:

H

Artikel 8:84 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. De voorzieningenrechter kan aan de gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek de voorwaarde verbinden dat de indiener van het verzoekschrift financiële zekerheid stelt ten behoeve van de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort.

2. In het vijfde lid (nieuw) wordt «8:72, vijfde en zevende lid,» vervangen door «8:72, vierde lid, tweede volzin, aanhef en onder b, en zesde lid,» en «artikel 8:79, tweede lid,» door: artikel 8:79, tweede en derde lid,.

3. Na het vijfde lid (nieuw) worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 6. Indien de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toewijst en het bestuursorgaan in het ongelijk stelt, houdt de uitspraak tevens in dat door het bestuursorgaan aan de griffier een griffierecht van € 5 000 wordt betaald, indien de uitspraak in hoofdzaak strekt tot gegrondverklaring van het beroep.

  • 7. Indien een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld en de voorzieningenrecht de voorlopige voorziening toewijst en het bestuursorgaan in het ongelijk stelt, houdt de uitspraak tevens in dat door het bestuursorgaan aan de griffier een griffierecht van € 5 000 wordt betaald binnen vier weken nadat de beslissing o het bezwaar of beroep onherroepelijk is geworden.

6. Onderdeel I komt te luiden:

I

Artikel 8:86 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «rechtbank» vervangen door: bestuursrechter.

2. Het tweede lid wordt vervangen door drie leden, luidende:

  • 2. Indien de bestuursrechter in eerste en hoogste aanleg uitspraak doet, kan het eerste lid slechts worden toegepast indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven.

  • 3. Partijen worden in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, gewezen op de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, en indien de bestuursrechter in eerste en hoogste aanleg uitspraak doet, tevens op de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid.

  • 4. Indien de voorzieningenrechter het bestuursorgaan in de hoofdzaak in het ongelijk stelt, houdt de uitspraak tevens in dat door het bestuursorgaan aan de griffier een griffierecht van € 10 000 wordt betaald binnen vier weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

7. Onder verlettering van de onderdelen N en O tot J en K vervallen de onderdelen J tot en met M.

8. In onderdeel J (nieuw) wordt 8:119 vervangen door: 8:88.

9. Onderdeel K (nieuw) komt te luiden:

K

Artikel 11:2 komt te luiden:

Artikel 11:2

De inkomensgrenzen genoemd in artikel 8:41a, tweede en derde lid, worden bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast met het percentage waarmee het indexcijfer van de lonen op 31 oktober van het voorafgaande jaar afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer op 31 oktober in het daaraan voorafgaande jaar, met dien verstande dat de aan te passen inkomensgrenzen worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 100 en de aan te passen hoogten van het griffierecht worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 1, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand.

d. de Wet op de Raad van State als volgt gewijzigd:

1. In artikel 49, eerste lid, wordt «8:51a, eerste lid, 8:74 en 8:82» vervangen door: 8:41a, 8:51a, eerste lid, 8:74, 8:82, 8:84, zesde en zevende lid, en 8:86, vierde lid.

2. Artikel 51 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het griffierecht bedraagt:

    • a. € 313 indien hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak omtrent een verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand, en

    • b. € 1 000 indien hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak omtrent een ander besluit.

b. Onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot tiende tot en met veertiende lid, worden zeven nieuwe leden ingevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het tweede lid, onder b, wordt het griffierecht voor een natuurlijke persoon verlaagd tot:

    • a. € 313 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan € 17 300 indien hij alleenstaand is, dan wel € 24 600 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • b. € 500 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 17 300 en € 24 600 is indien hij alleenstaand is, dan wel tussen € 24 600 en € 34 700 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • c. € 750 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 24 600 en € 31 000 is indien hij alleenstaand is dan wel tussen € 34 700 en € 47 000 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert.

  • 4. Geen verlaging van het griffierecht als bedoeld in het tweede en derde lid wordt toegepast indien de natuurlijke persoon beschikt over een vermogen dat meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen, bedoeld in de artikelen 5.5 en 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  • 5. Indien van een ander dan een natuurlijke persoon blijkens een door hem over te leggen verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand redelijkerwijze niet kan worden verwacht dat deze het verschuldigde griffierecht geheel uit eigen vermogen of inkomsten, waaronder begrepen bijdragen van leden of betrokkenen, alsmede subsidies van de overheid, betaalt, bedraagt het griffierecht in afwijking van het tweede lid, onder b, € 500.

  • 6. Kan een partij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven nog geen verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand overleggen, dan verlaagt de griffier het griffierecht indien hij de verklaring voor de uitspraak alsnog van de betrokken partij heeft ontvangen, tot het bedrag dat de partij verschuldigd is op grond van de verklaring en stort hij het teveel betaalde bedrag terug.

  • 7. Indien bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld tegen de verklaring bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand, heft de griffier het griffierecht genoemd in de verklaring. Zo nodig verlaagt de griffier het griffierecht tot het bedrag dat de partij verschuldigd is op basis van het bepaalde in het tweede of vijfde lid en stort hij het teveel betaalde bedrag terug.

  • 8. Heeft de griffier op basis van het derde of vijfde lid een lager griffierecht geheven en wordt nadien de verklaring bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand ingetrokken of gewijzigd omdat de partij onjuiste of onvolledige gegevens omtrent zijn financiële draagkracht heeft verstrekt, dan verhoogt de griffier het griffierecht tot het griffierecht dat de partij verschuldigd is op basis van zijn financiële draagkracht en wijst de partij daarbij op het bepaalde in artikel 8:41, vierde en vijfde lid.

  • 9. De Afdeling bestuursrechtspraak kan, ingeval het derde lid, aanhef en onder a, of zesde lid van toepassing is, bepalen dat geen of een lager griffierecht verschuldigd is wegens het ontbreken van financiële draagkracht, indien hij van oordeel is dat heffing van het ingevolge die bepaling verschuldigde griffierecht, gelet op het belang van de indiener van het beroepschrift bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

c. Het tiende lid (nieuw) komt te luiden:

  • 10. In afwijking van het tweede lid wordt van het bestuursorgaan dat het betrokken besluit heeft genomen een griffierecht geheven overeenkomstig artikel 53.

d. Het dertiende lid (nieuw) komt te luiden:

  • 13. De in het tweede, derde en vijfde lid genoemde griffierechten kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd. De inkomensgrenzen genoemd in het derde lid, worden bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast met het percentage waarmee het indexcijfer van de lonen op 31 oktober van het voorafgaande jaar afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer op 31 oktober in het daaraan voorafgaande jaar, met dien verstande dat de aan te passen inkomensgrenzen worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 100 en de aan te passen hoogten van het griffierecht worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 1, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand.

3. Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «tweede en zesde» vervangen door: tweede tot en met achtste en twaalfde.

b. In het tweede lid wordt «vierde» vervangen door: tiende.

4. Artikel 53 wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

b. Er worden vier leden toegevoegd, luidende:

  • 2. De uitspraak houdt tevens een uitspraak in over het door het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden aan de griffier te betalen griffierecht. Het griffierecht bedraagt:

    • a. € 12 500 indien het bestuursorgaan in het ongelijk wordt gesteld en het beroep in eerste aanleg ongegrond was verklaard,

    • b. € 17 500 indien het bestuursorgaan in het ongelijk wordt gesteld en het beroep in eerste aanleg geheel of gedeeltelijk gegrond was verklaard.

  • 3. Indien voorafgaand aan het hoger beroep een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, worden de in het tweede lid genoemde bedragen vermeerderd met het bedrag dat het bestuursorgaan verschuldigd is op grond van de artikelen 8:84, zesde en zevende lid, en artikel 8:86, vierde lid.

  • 4. Indien tijdens het hoger beroep een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, worden de in het tweede lid genoemde bedragen vermeerderd met € 12 500 indien de Afdeling bestuursrechtspraak het bestuursorgaan in het ongelijk heeft gesteld.

  • 5. De in het tweede en vierde lid genoemde griffierechten kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

e. de Beroepswet als volgt gewijzigd:

1. In artikel 21, eerste lid, wordt «8:51a, eerste lid, 8:74 en 8:82» vervangen door: 8:41a, 8:51a, eerste lid, 8:74, 8:82, 8:84, zesde en zevende lid, en 8:86, vierde lid.

2. Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het griffierecht bedraagt:

    • a. € 625 indien hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak inzake:

      • 1°. een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de onderdelen B en C, onder 1 tot en met 25, 29 en 33, dit laatste voor zover het een besluit betreft gebaseerd op artikel 30d van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, van de bijlage die bij deze wet behoort,

      • 2°. een besluit inzake een uitkering bij werkloosheid of ziekte, genomen ten aanzien van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig of een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden, of

      • 3°. een besluit inzake een uitkering op grond van blijvende arbeidsongeschiktheid op grond van een wettelijk voorschrift waarbij de natuurlijke persoon ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid vanwege het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd, of een besluit, genomen op grond van artikel P 9 van de Algemene burgerlijke pensioenwet,

    • b. € 1 000 indien hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak inzake een ander besluit dan een besluit als bedoeld in onderdeel a, tenzij bij wet anders is bepaald.

b. Onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot elfde tot en met vijftiende lid, worden acht nieuwe leden ingevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het tweede lid, onder b, wordt het griffierecht voor een natuurlijke persoon verlaagd tot:

    • a. € 313 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blikt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan € 17 300 indien hij alleenstaand is, dan wel € 24 600 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert.

    • b. € 313 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 17 300 en € 24 600 is indien hij alleenstaand is, dan wel tussen € 24 600 en € 34 700 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • c. € 470 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 24 600 en € 31 000 is indien hij alleenstaand is dan wel tussen € 34 700 en € 47 000 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert.

  • 4. In afwijking van het eerste lid, onder c, wordt het griffierecht voor een natuurlijke persoon verlaagd tot:

    • a. € 313 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan € 17 300 indien hij alleenstaand is, dan wel € 24 600 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • b. € 500 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 17 300 en € 24 600 is indien hij alleenstaand is, dan wel tussen € 24 600 en € 34 700 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • c. € 750 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 24 600 en € 31 000 is indien hij alleenstaand is dan wel tussen € 34 700 en € 47 000 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert.

  • 5. Geen verlaging van het griffierecht als bedoeld in het tweede en derde lid wordt toegepast indien de natuurlijke persoon beschikt over een vermogen dat meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen, bedoeld in de artikelen 5.5 en 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  • 6. Indien van een ander dan een natuurlijke persoon blijkens een door hem over te leggen verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand redelijkerwijze niet kan worden verwacht dat deze het verschuldigde griffierecht geheel uit eigen vermogen of inkomsten, waaronder begrepen bijdragen van leden of betrokkenen, alsmede subsidies van de overheid, betaalt, bedraagt het griffierecht in afwijking van het tweede lid, onder b, € 500.

  • 7. Kan een partij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven nog geen verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand overleggen, dan verlaagt de griffier het griffierecht indien hij de verklaring voor de uitspraak alsnog van de betrokken partij heeft ontvangen, tot het bedrag dat de partij verschuldigd is op grond van de verklaring en stort hij het teveel betaalde bedrag terug.

  • 8. Indien bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld tegen de verklaring bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand, heft de griffier het griffierecht genoemd in de verklaring. Zo nodig verlaagt de griffier het griffierecht tot het bedrag dat de partij verschuldigd is op basis van het bepaalde in het eerste, tweede of vierde lid en stort hij het teveel betaalde bedrag terug.

  • 9. Heeft de griffier op basis van het derde, vierde of zesde lid een lager griffierecht geheven en wordt nadien de verklaring bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand ingetrokken of gewijzigd omdat de partij onjuiste of onvolledige gegevens omtrent zijn financiële draagkracht heeft verstrekt, dan verhoogt de griffier het griffierecht tot het griffierecht dat de partij verschuldigd is op basis van zijn financiële draagkracht en wijst de partij daarbij op het bepaalde in artikel 8:41, vierde en vijfde lid.

  • 10. De Afdeling bestuursrechtspraak kan, ingeval het derde lid, aanhef en onder a, vierde lid, aanhef en onder a, of zesde lid van toepassing is, bepalen dat geen of een lager griffierecht verschuldigd is wegens het ontbreken van financiële draagkracht, indien hij van oordeel is dat heffing van het ingevolge die bepaling verschuldigde griffierecht, gelet op het belang van de indiener van het beroepschrift bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

c. Het elfde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 11. In afwijking van het tweede lid wordt van het bestuursorgaan dat het betrokken besluit heeft genomen een griffierecht geheven overeenkomstig artikel 24.

d. Het veertiende lid (nieuw) komt als volgt te luiden:

  • 14. De in het tweede, derde, vierde en zesde lid genoemde griffierechten kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. De inkomensgrenzen genoemd in het derde en vierde lid, worden bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast met het percentage waarmee het indexcijfer van de lonen op 31 oktober van het voorafgaande jaar afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer op 31 oktober in het daaraan voorafgaande jaar, met dien verstande dat de aan te passen inkomensgrenzen worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 100 en de aan te passen hoogten van het griffierecht worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 1, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand.

3. Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «tweede en zesde» vervangen door: tweede tot en met negende en dertiende.

b. In het tweede lid wordt «vierde» vervangen door: elfde.

4. Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

b. Er worden vier leden toegevoegd, luidende:

  • 2. De uitspraak houdt tevens een uitspraak in over het door het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden aan de griffier te betalen griffierecht. Het griffierecht bedraagt:

    • a. € 12 500 indien het bestuursorgaan in het ongelijk wordt gesteld en het beroep in eerste aanleg ongegrond was verklaard,

    • b. € 17 500 indien het bestuursorgaan in het ongelijk wordt gesteld en het beroep in eerste aanleg geheel of gedeeltelijk gegrond was verklaard.

  • 3. Indien voorafgaand aan het hoger beroep een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, worden de in het tweede lid genoemde bedragen vermeerderd met het bedrag dat het bestuursorgaan verschuldigd is op grond van de artikelen 8:84, zesde en zevende lid, en artikel 8:86, vierde lid.

  • 4. Indien tijdens het hoger beroep een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, worden de in het tweede lid genoemde bedragen vermeerderd met € 12 500 indien de Centrale Raad van Beroep het bestuursorgaan in het ongelijk heeft gesteld.

  • 5. De in het tweede en vierde lid genoemde griffierechten kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

f. de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie als volgt gewijzigd:

1. In artikel 22, eerste lid, wordt «8:51a, eerste lid, 8:74 en 8:82» vervangen door: 8:41a, 8:51a, eerste lid, 8:74, 8:82, 8:84, zesde en zevende lid, en 8:86, vierde lid.

2. Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het griffierecht bedraagt € 1 000, tenzij bij wet anders is bepaald.

b. Onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot tiende tot en met veertiende lid, worden zeven nieuwe leden ingevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt het griffierecht voor een natuurlijke persoon verlaagd tot:

    • a. € 313 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan € 17 300 indien hij alleenstaand is, dan wel € 24 600 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • b. € 500 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 17 300 en € 24 600 is indien hij alleenstaand is, dan wel tussen € 24 600 en € 34 700 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • c. € 750 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 24 600 en € 31 000 is indien hij alleenstaand is dan wel tussen € 34 700 en € 47 000 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert.

  • 4. Geen verlaging van het griffierecht als bedoeld in het tweede en derde lid wordt toegepast indien de natuurlijke persoon beschikt over een vermogen dat meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen, bedoeld in de artikelen 5.5 en 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  • 5. Indien van een ander dan een natuurlijke persoon blijkens een door hem over te leggen verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand redelijkerwijze niet kan worden verwacht dat deze het verschuldigde griffierecht geheel uit eigen vermogen of inkomsten, waaronder begrepen bijdragen van leden of betrokkenen, alsmede subsidies van de overheid, betaalt, bedraagt het griffierecht in afwijking van het tweede lid € 500.

  • 6. Kan een partij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven nog geen verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand overleggen, dan verlaagt de griffier het griffierecht indien hij de verklaring voor de uitspraak alsnog van de betrokken partij heeft ontvangen, tot het bedrag dat de partij verschuldigd is op grond van de verklaring en stort hij het teveel betaalde bedrag terug.

  • 7. Indien bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld tegen de verklaring bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand, heft de griffier het griffierecht genoemd in de verklaring. Zo nodig verlaagt de griffier het griffierecht tot het bedrag dat de partij verschuldigd is op basis van het bepaalde in het eerste, tweede of vierde lid en stort hij het teveel betaalde bedrag terug.

  • 8. Heeft de griffier op basis van het derde of vijfde lid een lager griffierecht geheven en wordt nadien de verklaring bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand ingetrokken of gewijzigd omdat de partij onjuiste of onvolledige gegevens omtrent zijn financiële draagkracht heeft verstrekt, dan verhoogt de griffier het griffierecht tot het griffierecht dat de partij verschuldigd is op basis van zijn financiële draagkracht en wijst de partij daarbij op het bepaalde in artikel 8:41, vierde en vijfde lid.

  • 9. De Afdeling bestuursrechtspraak kan, ingeval het derde lid, aanhef en onder a, of vijfde lid van toepassing is, bepalen dat geen of een lager griffierecht verschuldigd is wegens het ontbreken van financiële draagkracht, indien hij van oordeel is dat heffing van het ingevolge die bepaling verschuldigde griffierecht, gelet op het belang van de indiener van het beroepschrift bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

c. Het tiende lid (nieuw) komt te luiden:

  • 10. In afwijking van het tweede lid wordt van het bestuursorgaan dat het betrokken besluit heeft genomen een griffierecht geheven overeenkomstig artikel 24.

d. Het dertiende lid (nieuw) komt als volgt te luiden:

  • 13. De in het tweede, derde, vijfde lid genoemde griffierechten kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. De inkomensgrenzen genoemd in het derde, worden bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast met het percentage waarmee het indexcijfer van de lonen op 31 oktober van het voorafgaande jaar afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer op 31 oktober in het daaraan voorafgaande jaar, met dien verstande dat de aan te passen inkomensgrenzen worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 100 en de aan te passen hoogten van het griffierecht worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 1, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand.

3. Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «tweede en zesde» vervangen door: tweede tot en met achtste en twaalfde.

b. In het tweede lid wordt «vierde» vervangen door: tiende.

4. Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

b. Er worden vier leden toegevoegd, luidende:

  • 2. De uitspraak houdt tevens een uitspraak in over het door het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden aan de griffier te betalen griffierecht. Het griffierecht bedraagt:

    • a. € 12 500 indien het bestuursorgaan in het ongelijk wordt gesteld en het beroep in eerste aanleg ongegrond was verklaard,

    • b. € 17 500 indien het bestuursorgaan in het ongelijk wordt gesteld en het beroep in eerste aanleg geheel of gedeeltelijk gegrond was verklaard.

  • 3. Indien voorafgaand aan het hoger beroep een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, worden de in het tweede lid genoemde bedragen vermeerderd met het bedrag dat het bestuursorgaan verschuldigd is op grond van de artikelen 8:84, zesde en zevende lid, en artikel 8:86, vierde lid.

  • 4. Indien tijdens het hoger beroep een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, worden de in het tweede lid genoemde bedragen vermeerderd met € 12 500 indien het College het bestuursorgaan in het ongelijk heeft gesteld.

  • 5. De in het tweede en vierde lid genoemde griffierechten kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

g. de Algemene wet inzake rijksbelastingen als volgt gewijzigd:

1. Artikel 27b komt te luiden:

Artikel 27b

  • 1. Het griffierecht bedraagt, in afwijking van artikel 8:41, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht:

    • a. € 250 indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen een ander besluit dan een besluit als bedoeld in onderdeel b;

    • b. € 400 indien beroep is ingesteld tegen een besluit met betrekking tot de toepassing van de Wet op de dividendbelasting 1965, de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de Wet op de accijns, de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten of de Wet belastingen op milieugrondslag.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt het griffierecht voor een natuurlijke persoon verlaagd tot:

    • a. € 125 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan € 17 300 indien hij alleenstaand is, dan wel € 24 600 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • b. € 125 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 17 300 en € 24 600 is indien hij alleenstaand is, dan wel tussen € 24 600 en € 34 700 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • c. € 188 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 24 600 en € 31 000 is indien hij alleenstaand is dan wel tussen € 34 700 en € 47 000 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, onder b, wordt het griffierecht voor een natuurlijke persoon verlaagd tot:

    • a. € 125 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan € 17 300 indien hij alleenstaand is, dan wel € 24 600 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • b. € 200 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 17 300 en € 24 600 is indien hij alleenstaand is, dan wel tussen € 24 600 en € 34 700 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • c. € 300 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 24 600 en € 31 000 is indien hij alleenstaand is dan wel tussen € 34 700 en € 47 000 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert.

  • 4. Geen verlaging van het griffierecht als bedoeld in het tweede en derde lid wordt toegepast indien de natuurlijke persoon beschikt over een vermogen dat meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen, bedoeld in de artikelen 5.5 en 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  • 5. Indien van een ander dan een natuurlijke persoon blijkens een door hem over te leggen verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand redelijkerwijze niet kan worden verwacht dat deze het verschuldigde griffierecht geheel uit eigen vermogen of inkomsten, waaronder begrepen bijdragen van leden of betrokkenen, alsmede subsidies van de overheid, betaalt, bedraagt het griffierecht in afwijking van het eerste lid, onder c, € 200.

  • 6. Kan een partij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven nog geen verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand overleggen, dan verlaagt de griffier het griffierecht indien hij de verklaring voor de uitspraak alsnog van de betrokken partij heeft ontvangen, tot het bedrag dat de partij verschuldigd is op grond van de verklaring en stort hij het teveel betaalde bedrag terug.

  • 7. Indien bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld tegen de verklaring bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand, heft de griffier het griffierecht genoemd in de verklaring. Zo nodig verlaagt de griffier het griffierecht tot het bedrag dat de partij verschuldigd is op basis van het bepaalde in het eerste, tweede of vierde lid en stort hij het teveel betaalde bedrag terug.

  • 8. Heeft de griffier op basis van het tweede, derde of vijfde lid een lager griffierecht geheven en wordt nadien de verklaring bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand ingetrokken of gewijzigd omdat de partij onjuiste of onvolledige gegevens omtrent zijn financiële draagkracht heeft verstrekt, dan verhoogt de griffier het griffierecht tot het griffierecht dat de partij verschuldigd is op basis van zijn financiële draagkracht en wijst de partij daarbij op het bepaalde in artikel 8:41, vierde en vijfde lid.

  • 9. De rechtbank kan, ingeval het tweede lid, aanhef en onder a, derde lid, aanhef en onder a, of vijfde lid van toepassing is, bepalen dat geen of een lager griffierecht verschuldigd is wegens het ontbreken van financiële draagkracht, indien hij van oordeel is dat heffing van het ingevolge die bepaling verschuldigde griffierecht, gelet op het belang van de indiener van het beroepschrift bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 10. De in het eerste, tweede, derde en vijfde lid genoemde griffierechten kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

2. In artikel 27j, eerste lid, wordt «8:74 en 8:82» vervangen door: 8:41a, eerste en negende lid, 8:74, 8:82, 8:84, zesde en zevende lid, en 8:86.

3. Artikel 27l wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. Het griffierecht bedraagt:

    • a. € 625 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak inzake een ander besluit dan een besluit als bedoeld in onderdeel b;

    • b. € 1 000 indien hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak inzake een besluit als bedoeld in artikel 27b, eerste lid, onderdeel b.

b. Onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot tiende tot en met twaalfde lid, worden zeven nieuwe leden ingevoegd luidende:

  • 3. In afwijking van het tweede lid onder a, wordt het griffierecht voor een natuurlijke persoon verlaagd tot:

    • a. € 313 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan € 17 300 indien hij alleenstaand is, dan wel € 24 600 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • b. € 313 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 17 300 en € 24 600 is indien hij alleenstaand is, dan wel tussen € 24 600 en € 34 700 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • c. € 470 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 24 600 en € 31 000 is indien hij alleenstaand is dan wel tussen € 34 700 en € 47 000 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert.

  • 4. In afwijking van het eerste lid, onder b, wordt het griffierecht voor een natuurlijke persoon verlaagd tot:

    • a. € 313 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan € 17 300 indien hij alleenstaand is, dan wel € 24 600 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • b. € 500 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 17 300 en € 24 600 is indien hij alleenstaand is, dan wel tussen € 24 600 en € 34 700 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert,

    • c. € 750 indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand waar uit blijkt dat zijn inkomen tussen € 24 600 en € 31 000 is indien hij alleenstaand is dan wel tussen € 34 700 en € 47 000 indien hij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voert.

  • 5. Geen verlaging van het griffierecht als bedoeld in het tweede en derde lid wordt toegepast indien de natuurlijke persoon beschikt over een vermogen dat meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen, bedoeld in de artikelen 5.5 en 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  • 6. Indien van een ander dan een natuurlijke persoon blijkens een door hem over te leggen verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand redelijkerwijze niet kan worden verwacht dat deze het verschuldigde griffierecht geheel uit eigen vermogen of inkomsten, waaronder begrepen bijdragen van leden of betrokkenen, alsmede subsidies van de overheid, betaalt, bedraagt het griffierecht in afwijking van het eerste lid, onder d, € 500.

  • 7. Kan een partij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven nog geen verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand overleggen, dan verlaagt de griffier het griffierecht indien hij de verklaring voor de uitspraak alsnog van de betrokken partij heeft ontvangen, tot het bedrag dat de partij verschuldigd is op grond van de verklaring en stort hij het teveel betaalde bedrag terug.

  • 8. Indien bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld tegen de verklaring bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand, heft de griffier het griffierecht genoemd in de verklaring. Zo nodig verlaagt de griffier het griffierecht tot het bedrag dat de partij verschuldigd is op basis van het bepaalde in het eerste, tweede of vierde lid en stort hij het teveel betaalde bedrag terug.

  • 9. Heeft de griffier op basis van het tweede, derde of vijfde lid een lager griffierecht geheven en wordt nadien de verklaring bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet op de rechtsbijstand ingetrokken of gewijzigd omdat de partij onjuiste of onvolledige gegevens omtrent zijn financiële draagkracht heeft verstrekt, dan verhoogt de griffier het griffierecht tot het griffierecht dat de partij verschuldigd is op basis van zijn financiële draagkracht en wijst de partij daarbij op het bepaalde in artikel 8:41, vierde en vijfde lid.

  • 10. Het gerechtshof kan, ingeval het tweede lid, aanhef en onder a, derde lid, aanhef en onder a, of vijfde lid van toepassing is, bepalen dat geen of een lager griffierecht verschuldigd is wegens het ontbreken van financiële draagkracht, indien hij van oordeel is dat heffing van het ingevolge die bepaling verschuldigde griffierecht, gelet op het belang van de indiener van het beroepschrift bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

c. Het elfde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 11. In afwijking van het tweede lid wordt van de inspecteur een griffierecht geheven overeenkomstig artikel 27o.

d. Het dertiende lid (nieuw) komt te luiden:

  • 13. De in het tweede, derde, vierde en zesde lid genoemde griffierechten kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd. De inkomensgrenzen genoemd in het derde en vierde lid, worden bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast met het percentage waarmee het indexcijfer van de lonen op 31 oktober van het daaraan voorafgaande jaar afwijkt, met dien verstande dat de aan te passen inkomensgrenzen worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 100 en de daaraan aan te passen hoogten van het griffierecht worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 1, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand.

4. In artikel 27n, eerste lid wordt «tweede en vijfde» vervangen door: tweede tot en met negende en twaalfde.

5. Artikel 27o wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» Geplaatst.

b. Er worden vier leden toegevoegd, luidende:

  • 2. De uitspraak houdt tevens een uitspraak in over het door de inspecteur binnen vier weken na de dag waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden aan de griffier te betalen griffierecht. Het griffierecht bedraagt:

    • a. € 12 500 indien de inspecteur in het ongelijk wordt gesteld en het beroep in eerste aanleg ongegrond was verklaard, en

    • b. € 17 500 indien de inspecteur in het ongelijk wordt gesteld en het beroep in eerste aanleg geheel of gedeeltelijk gegrond was verklaard.

  • 3. Indien voorafgaand aan het hoger beroep een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan worden de in het tweede lid genoemde bedragen vermeerderd met het bedrag dat het bestuursorgaan verschuldigd is op grond van de artikelen 8:84, zesde en zevende lid, en 8:86, vierde lid.

  • 4. Indien tijdens het hoger beroep een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, worden de in het tweede lid genoemde bedragen vermeerderd met € 12 500 indien het gerechtshof de inspecteur in het ongelijk heeft gesteld.

  • 5. De in het tweede en vierde lid genoemde griffierechten kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

6. Artikel 29a wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. Het griffierecht voor het instellen van beroep in cassatie is gelijk aan het griffierecht dat de indiener op grond van artikel 8:109 van de Algemene wet bestuursrecht in hoger beroep verschuldigd zou zijn, met dien verstande dat het bedrag wordt afgerond op hele euro’s waarbij een bedrag eindigend op 50 cent of meer naar boven wordt afgerond.

b. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt van Onze Minister een griffierecht geheven overeenkomstig artikel 29e.

c. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. De Hoge Raad kan, indien op de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld het griffierecht bedoeld in artikel 8:41a, tweede lid, aanhef en onder a, derde lid, aanhef en onder a, of het vijfde lid van toepassing zou zijn, bepalen dat geen of een lager griffierecht is verschuldigd wegens het ontbreken van financiële draagkracht, indien hij van oordeel is dat heffing van tweeënhalf maal het ingevolge die bepaling verschuldigde griffierecht, gelet op het belang van de indiener van het hogerberoepschrift bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

d. Het vijfde lid vervalt.

ARTIKEL VII

Indien het bij Koninklijke boodschap van 24 juli 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht) nadat het tot wet is verheven, inwerking treedt en indien toepassing is gegeven aan artikel VI van deze wet, dan wordt de Algemene wet bestuursrecht als volgt gewijzigd:

A

Artikel 8:108, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. «8:41, tweede lid» wordt vervangen door: 8:41a, eerste en negende lid.

2. Aan het slot wordt toegevoegd:

, en met dien verstande dat:

  • a. artikel 8:82 niet van toepassing is op het griffierecht van het bestuursorgaan op wiens besluit de uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld betrekking heeft;

  • b. in artikel 8:84, zesde lid, in plaats van € 5 000 wordt gelezen € 12 500;

  • c. in artikel 8:86, vierde lid, in plaats van € 10 000 wordt gelezen € 25 000.

B

Artikel 8:109 komt te luiden:

Artikel 8:109

  • 1. Het griffierecht voor het hoger beroep bedraagt tweeënhalf maal het griffierecht dat de indiener op grond van artikel 8:41a, in beroep verschuldigd zou zijn, met dien verstande dat het bedrag wordt afgerond op hele euro’s waarbij een bedrag eindigend op 50 cent of meer naar boven wordt afgerond.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt van het bestuursorgaan dat het betrokken besluit heeft genomen een griffierecht geheven overeenkomstig artikel 8:113.

  • 3. De hogerberoepsrechter kan, indien op de indiener in beroep het griffierecht bedoeld in artikel 8:41a, tweede lid, aanhef en onder a, derde lid, aanhef en onder a, of het vijfde lid van toepassing zou zijn, bepalen dat geen of een lager griffierecht is verschuldigd wegens het ontbreken van financiële draagkracht, indien hij van oordeel is dat heffing van tweeënhalf maal het ingevolge die bepaling verschuldigde griffierecht, gelet op het belang van de indiener van het hogerberoepschrift bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

C

Artikel 8:110, vijfde lid, vervalt.

D

Aan artikel 8:113 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. De uitspraak houdt tevens een uitspraak in over het door het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden aan de griffier te betalen griffierecht. Het griffierecht bedraagt:

    • a. € 12 500 indien de hogerberoepsrechter het bestuursorgaan in het ongelijk stelt en het beroep in eerste aanleg ongegrond was verklaard,

    • b. € 17 500 indien de hogerberoepsrechter het bestuursorgaan in het ongelijk stelt en het beroep in eerste aanleg geheel of gedeeltelijk gegrond was verklaard,

    • c. € 12 500 indien toepassing is gegeven aan het bepaalde in het tweede lid en de hogerberoepsrechter het bestuursorgaan in het ongelijk heeft gesteld nadat het een nieuw besluit heeft genomen.

  • 4. Indien voorafgaand aan het beroep of tijdens het beroep of het hoger beroep een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, worden de in het derde lid genoemde bedragen vermeerderd met het bedrag dat het bestuursorgaan verschuldigd is op grond van de artikelen 8:84, zesde lid, en 8:86, vierde lid, in samenhang met artikel 8:108, eerste lid.

E

In artikel 8:119, tweede lid, wordt «artikel 8:41, tweede lid,» vervangen door: artikel 8:41a, eerste lid.

ARTIKEL VIII

  • 1. Op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening tegen een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing.

  • 2. Op het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening tegen een uitspraak van de bestuursrechter of de voorzieningenrechter die is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing.

  • 3. Op het beroep in cassatie tegen een uitspraak die is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing.

  • 4. In zaken waarbij de dagvaarding is aangebracht of het verzoekschrift is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel III, blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing.

  • 5. Op het hoger beroep en het beroep in cassatie tegen een uitspraak die is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel III, blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing.

ARTIKEL IX

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Veiligheid en Justitie,

Bijlage behorend bij artikel III, onderdeel I, van deze wet

BIJLAGE BEHOREND BIJ DE ARTIKELEN 3, VIJFDE LID, EN 16 VAN DE WET

GRIFFIERECHTEN BIJ DE SECTOR KANTON VAN DE RECHTBANK

Aard c.q. hoogte van de vordering of het verzoek

Griffierecht

Griffierecht middeninkomen

Griffierecht minvermogenden

Griffierecht onvermogenden

Zaken betreffende het personen- en familierecht

€ 125

€ 125

€ 125

€ 125

Overige zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek:

– van een beloop van niet meer dan € 500

€ 125

€ 125

€ 125

€ 125

– van onbepaalde waarde of

– van een beloop van meer dan € 500 en niet meer dan € 5 000

€ 300

€ 225

€ 150

€ 125

– van een beloop van meer dan € 5 000

€ 500

€ 375

€ 250

€ 125

GRIFFIERECHTEN BIJ DE SECTOR CIVIEL VAN DE RECHTBANK

Aard c.q. hoogte van de vordering of het verzoek

Griffierecht

Griffierecht middeninkomen

Griffierecht minvermogenden

Griffierecht onvermogenden

Zaken betreffende het personen- en familierecht

€ 500

€ 375

€ 250

€ 125

Overige zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek:

– van een beloop van niet meer dan € 100 000

€ 750

€ 563

€ 375

€ 188

– van onbepaalde waarde of

– van een beloop van meer dan € 100 000 en niet meer dan € 350 000

€ 1 500

€ 1 125

€ 750

€ 375

– van een beloop van meer dan € 350 000 en niet meer dan € 1 miljoen

€ 2 500

€ 1 875

€ 1 250

€ 625

– van een beloop van meer dan € 1 miljoen

€ 7 500

€ 5 625

€ 3 750

€ 1 875

– van een beloop van meer dan € 5 miljoen voor anderen dan natuurlijke personen

€ 50 000

   

€ 25 000

– van een beloop van meer dan € 50 miljoen voor anderen dan natuurlijke personen

€ 100 000

   

€ 50 000

GRIFFIERECHTEN BIJ DE GERECHTSHOVEN EN DE HOGE RAAD

Aard c.q. hoogte van de vordering of het verzoek

Griffierecht

Griffierecht middeninkomen

Griffierecht minvermogenden

Griffierecht onvermogenden

Zaken betreffende het personen- en familierecht

€ 1 250

€ 938

€ 625

€ 313

Overige zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek:

– van een beloop van niet meer dan € 25 000

€ 1 250

€ 938

€ 625

€ 313

– van onbepaalde waarde of

– van een beloop van meer dan € 25 000 en niet meer dan € 100 000

€ 1 875

€ 1 406

€ 938

€ 469

– van een beloop van meer dan € 100 000 en niet meer dan € 350 000

€ 3 750

€ 2 813

€ 1 875

€ 938

– van een beloop van meer dan € 350 000 en niet meer dan € 1 miljoen

€ 6 250

€ 4 688

€ 3 125

€ 1 563

– van een beloop van meer € 1 miljoen

€ 18 750

€ 14 063

€ 9 375

€ 4 688

– van een beloop van meer dan € 5 miljoen voor anderen dan natuurlijke personen

€ 125 000

   

€ 62 500

– van een beloop van meer dan € 50 miljoen voor anderen dan natuurlijke personen

€ 250 000

   

€ 125 000