Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2011, 105AMvB

Besluit van 12 februari 2011 tot wijziging van het Besluit detectie radioactief besmet schroot, het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen, het Besluit stralingsbescherming, het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen en het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet in verband met de wet van 19 november 2009 tot wijziging van de Kernenergiewet in verband met vereenvoudiging van het bevoegd gezag, invoering van een verplichting tot financiële zekerheidstelling en enkele andere wijzigingen (Stb. 2010, 18)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 juli 2010, nr. BJZ / 2010016974, Directie Bestuurlijke en Juridische zaken, gedaan mede namens Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 15f, vijfde lid, 16, eerste lid, 18a, derde lid, 21, eerste tot en met derde lid, 29, eerste lid, 32, eerste en vierde lid, 34, eerste lid, 38a, eerste lid, 68, 73, 74 en 75, eerste lid, onder a, van de Kernenergiewet;

De Raad van State gehoord (advies van 28 juli 2010, nr. W08.10.0282/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 10 februari 2011, nr. WJZ / 10191482, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit detectie radioactief besmet schroot wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt «Onze Minister: Onze Minister van Volkhuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer» vervangen door: Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

B

In artikel 5, tweede lid, wordt «Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen» vervangen door: Onze Minister kan.

ARTIKEL II

Het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de omschrijving van het begrip Onze Minister wordt «Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer» vervangen door: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

2. Het begrip «Onze Ministers» en de daarbij behorende begripsomschrijving komen te vervallen.

3. In de alfabetische rangschikking wordt ingevoegd:

ontmantelingsplan:

plan met een beschrijving van de wijze waarop een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet buiten gebruik wordt gesteld en ontmanteld;.

B

In artikel 4, tweede lid, vervalt «een handeling met».

C

Artikel 6, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel j vervalt.

2. Onderdeel k wordt geletterd j.

D

Artikel 8, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel f vervalt.

2. Onderdeel g wordt geletterd f.

3. In onderdeel f (nieuw) wordt «artikel 6, eerste lid, onder k» vervangen door: artikel 6, eerste lid, onder j.

E

Artikel 9, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel g vervalt.

2. De puntkomma aan het slot van onderdeel f wordt vervangen door een punt.

F

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een ontmantelingsplan.

2. In het tweede lid wordt «Een ontmantelingsplan als bedoeld in het eerste lid, onder b,» vervangen door: Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid.

3. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Gelijktijdig met de aanvraag om een vergunning voor het buiten gebruik stellen van een inrichting als bedoeld in het eerste lid, wordt een aanvraag ingediend om een vergunning voor het ontmantelen van die inrichting.

G

In hoofdstuk IIIa worden na artikel 24 de volgende artikelen ingevoegd:

Artikel 25

De houder van een vergunning voor het oprichten, het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet beschikt over een ontmantelingsplan.

Artikel 26

  • 1. Een ontmantelingsplan bevat in ieder geval een beschrijving van:

    • a. de periode waarin de buitengebruikstelling en de ontmanteling plaatsvinden;

    • b. de planning van de buitengebruikstelling en de ontmanteling, waarbij een onderscheid wordt gemaakt in de verschillende fasen waarin de buitengebruikstelling en de ontmanteling plaatsvinden;

    • c. de hoeveelheid en de activiteit van de splijtstoffen of radioactieve stoffen die zich in de verschillende fasen van de buitengebruikstelling en de ontmanteling in de inrichting zullen bevinden;

    • d. de bij de buitengebruikstelling en de ontmanteling betrokken medewerkers, hun deskundigheid en onderlinge taakverdeling;

    • e. de bij de buitengebruikstelling en de ontmanteling toe te passen technieken;

    • f. de relevante milieuaspecten, in het bijzonder het beheer van radioactieve afvalstoffen die bij de buitengebruikstelling en de ontmanteling vrijkomen.

  • 2. Het ontmantelingsplan is gebaseerd op een wijze van buitengebruikstelling en ontmanteling die voldoet aan de artikelen 30 en 30a en de krachtens artikel 30b gestelde regels.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het ontmantelingsplan. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels slechts gelden in de aangegeven categorieën van gevallen.

Artikel 27

  • 1. Het ontmantelingsplan van de houder van een vergunning voor het oprichten, het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet en wijzigingen van dat plan behoeven goedkeuring van Onze Minister.

  • 2. Goedkeuring wordt geweigerd indien het ontmantelingsplan niet voldoet aan de eisen die bij of krachtens dit besluit zijn gesteld.

  • 3. Onze Minister beslist op de aanvraag om goedkeuring van het ontmantelingsplan binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

  • 4. Onze Minister kan aan de goedkeuring voorschriften verbinden.

  • 5. Onze Minister kan de goedkeuring intrekken indien het ontmantelingsplan niet meer voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit besluit zijn gesteld.

Artikel 28

De houder van een vergunning voor het oprichten, het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet handelt overeenkomstig het laatst goedgekeurde ontmantelingsplan.

Artikel 29

  • 1. Vanaf het tijdstip waarop een vergunning voor het in werking brengen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet is verleend totdat een vergunning voor het buiten gebruik stellen van die inrichting is verleend, actualiseert de houder van de vergunning voor het in werking brengen of het in werking houden van die inrichting het ontmantelingsplan ten minste elke vijf jaar, of wanneer Onze Minister dit nodig acht.

  • 2. De actualisatie, bedoeld in het eerste lid, betreft in ieder geval:

    • a. de planning van de buitengebruikstelling en de ontmanteling;

    • b. de bij de buitengebruikstelling en de ontmanteling toe te passen technieken;

    • c. wijzigingen van de inrichting voor zover deze gevolgen kunnen hebben voor de buitengebruikstelling of de ontmanteling.

Artikel 30

  • 1. De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet vangt aan met de buitengebruikstelling en de ontmanteling van die inrichting onmiddellijk nadat de normale bedrijfsvoering is beëindigd.

  • 2. Onze Minister kan in bijzondere omstandigheden toestaan dat op een later tijdstip met de buitengebruikstelling en de ontmanteling van de inrichting wordt aangevangen.

  • 3. De houder van een vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet voltooit de buitengebruikstelling en de ontmanteling van die inrichting zo snel als redelijkerwijs mogelijk is.

Artikel 30a

  • 1. Bij de ontmanteling van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet worden de feitelijke beperkingen die in de weg staan aan de realisatie van elke volgende functie op het terrein waarop de inrichting was gevestigd, weggenomen voor zover die beperkingen het gevolg zijn van die inrichting.

  • 2. Bij een vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet kan Onze Minister in bijzondere omstandigheden toestaan dat wordt afgeweken van het eerste lid.

Artikel 30b

Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de buitengebruikstelling en de ontmanteling van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet plaatsvinden.

Artikel 30c

Onze Minister beslist op een aanvraag tot het intrekken van een vergunning voor het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 30d

  • 1. Bij de aanvraag tot het intrekken van een vergunning voor het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet toont de houder van die vergunning ten genoegen van Onze Minister aan dat de ontmanteling is voltooid. Hierbij toont hij in ieder geval aan dat aan artikel 30a is voldaan.

  • 2. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop wordt aangetoond dat de ontmanteling is voltooid.

Artikel 30e

De in de artikelen 26, derde lid, 30b en 30d, tweede lid, bedoelde regels kunnen tevens betrekking hebben op radioactieve afvalstoffen.

H

In hoofdstuk IIIa wordt na artikel 30e (nieuw) een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 30f

  • 1. De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet treft tijdig bij een krachtens artikel 37, achtste lid, van het Besluit stralingsbescherming of artikel 42, derde lid, onder e, aangewezen instelling een voorziening voor de opslag van:

    • a. de splijtstof of erts bevattende afvalstoffen die door het gebruik van die inrichting ontstaan,

    • b. de splijtstof of erts bevattende afvalstoffen en de radioactieve afvalstoffen die terugkomen na opwerking van de splijtstoffen die in die inrichting zijn gebruikt en

    • c. de radioactieve afvalstoffen die vrijkomen bij de buitengebruikstelling en de ontmanteling van die inrichting.

  • 2. Onze Minister kan regels stellen over de te treffen voorziening.

I

In de artikelen 41, vierde lid, en 41a, tweede lid, wordt «Bij ministeriële regeling» vervangen door: Bij regeling van Onze Minister.

J

In artikel 41, vijfde lid, wordt «bij ministeriële regeling» vervangen door: bij regeling van Onze Minister.

K

In de artikelen 41a, eerste lid, onder a, en 42, derde lid, onder d en e, wordt «Onze Ministers» vervangen door: Onze Minister.

L

Na artikel 44 en voor het opschrift van hoofdstuk VI wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk Va. Aanvragen om goedkeuring van financiële zekerheid als bedoeld in artikel 15f van de wet

Artikel 44a
  • 1. Een aanvraag om goedkeuring voor de wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld als bedoeld in artikel 15f, eerste lid, van de wet wordt ingediend bij Onze Minister met gelijktijdige toezending van een afschrift aan Onze Minister van Financiën.

  • 2. Een aanvraag om goedkeuring als bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval de volgende gegevens:

    • a. een overzicht van de verschillende kostenposten voor de buitengebruikstelling en de ontmanteling van de betrokken inrichting, bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, waarbij wordt uitgegaan van het laatst door Onze Minister goedgekeurde ontmantelingsplan en de voorschriften die op grond van artikel 27, vierde lid, aan de goedkeuring van het ontmantelingsplan zijn verbonden;

    • b. een berekening van de kosten behorende bij de onder a bedoelde kostenposten, bepaald aan de hand van een algemeen aanvaarde methode en op basis van het prijspeil op het moment van de indiening van de aanvraag;

    • c. een omrekening van de overeenkomstig onderdeel b bepaalde kosten naar de kosten op het moment van de buitengebruikstelling en de ontmanteling, bepaald aan de hand van een algemeen aanvaarde indexeringsmethode;

    • d. een overzicht waaruit blijkt dat het bedrag van de berekening van de kosten op het moment van de buitengebruikstelling en de ontmanteling is gedekt door financiële zekerheid.

  • 3. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de aanvraag om goedkeuring.

Artikel 44b
  • 1. De houder van een vergunning voor het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, actualiseert de wijze waarop financiële zekerheid is gesteld nadat het ontmantelingsplan of een wijziging daarvan door Onze Minister is goedgekeurd of wanneer Onze Minister of Onze Minister van Financiën dit nodig acht.

  • 2. De vergunninghouder, bedoeld in het eerste lid, dient binnen zes maanden na goedkeuring van het ontmantelingsplan onderscheidenlijk binnen zes maanden nadat Onze Minister of Onze Minister van Financiën kenbaar heeft gemaakt actualisatie van de wijze waarop financiële zekerheid is gesteld, nodig te achten, een aanvraag om goedkeuring van de geactualiseerde financiële zekerheid in.

Artikel 44c
  • 1. Gelijktijdig met de aanvraag om een vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, wordt een aanvraag ingediend om goedkeuring voor de wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld.

  • 2. Indien het eerste lid van toepassing is, wordt in afwijking van artikel 44a, tweede lid, onder a, bij het overzicht van de verschillende kostenposten voor de buitengebruikstelling en de ontmanteling uitgegaan van het ontmantelingsplan zoals dat is ingediend bij de aanvraag om een vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van de inrichting.

Artikel 44d
  • 1. De houder van een vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt, actualiseert de wijze waarop financiële zekerheid is gesteld na wijziging van die vergunning, voor zover die wijziging betrekking heeft op het ontmantelingsplan.

  • 2. De vergunninghouder, bedoeld in het eerste lid, dient binnen zes maanden na wijziging van de vergunning een aanvraag om goedkeuring van de geactualiseerde financiële zekerheid in.

ARTIKEL III

Het Besluit stralingsbescherming wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de omschrijving van het begrip inspecteur wordt «Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer» vervangen door: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

2. In de alfabetische rangschikking wordt ingevoegd:

Onze Minister:

Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;.

3. In de omschrijving van het begrip Onze Ministers wordt «van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer» vervangen door: van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

B

In de artikelen 3, tweede en vierde lid, 4, tweede lid, 6, vierde lid, 11, vierde lid, 12, eerste lid, 20d, derde lid, 20f, vierde lid, 25, zevende en achtste lid, 26, tweede lid, 30, vierde lid, 31, vijfde lid, 41, zesde lid, 44, negende lid, 50, derde lid, 103, vierde en zesde lid, 105, tweede lid, 106, tweede lid, 107, vierde lid, 108, vierde lid, 109, tweede lid, 110, eerste en tweede lid, 120, derde lid, en 120a, tweede lid, wordt «Bij ministeriële regeling» vervangen door: Bij regeling van Onze Minister.

C

In de artikelen 3, derde lid, 11, zesde lid, 20a, eerste lid, onder a, en het tweede lid, 20b, eerste lid, onder b, 20f, eerste en derde lid, 23, eerste en tweede lid, 24, 25, eerste lid, 35, eerste lid, 37, eerste lid, 38, eerste lid, 44, achtste lid, 45, onder c en d, 47, derde lid, 61, tweede lid, 107, eerste lid, 108, eerste lid, 113, eerste lid, 116, derde lid, 120a, eerste lid, 121, vierde lid, wordt «Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer» telkens vervangen door: Onze Minister.

D

In de artikelen 4, eerste lid, eerste volzin, en zevende lid, eerste volzin, 20d, tweede lid, onder c, 21, tweede lid, onder d, 23, derde lid, onder c, 26, eerste lid, onder a, 37, zevende en achtste lid, 41, vijfde lid, en 110, eerste lid, wordt «Onze Ministers» telkens vervangen door: Onze Minister.

E

In artikel 4, eerste lid, tweede volzin, wordt «Onze Ministers rechtvaardigen» vervangen door: Onze Minister rechtvaardigt.

F

In de artikelen 7, vierde lid, 20, vierde lid, 84, tweede lid, en 85, tweede lid, wordt «Bij ministeriële regeling» vervangen door: Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

G

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zesde lid wordt vervangen door twee leden, luidende:

  • 6. Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden regels gesteld voor:

    • a. de aanwijzing en het beheer van het register, bedoeld in het eerste lid;

    • b. de wijze van inschrijving;

    • c. de gegevens en bescheiden die bij een aanvraag tot inschrijving worden verstrekt;

    • d. de vergoeding die ten hoogste voor de inschrijving is verschuldigd;

    • e. de gronden waarop en de gevallen waarin de inschrijving kan worden geweigerd of doorgehaald.

  • 7. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld voor:

    • a. de aanwijzing en het beheer van het register, bedoeld in het tweede lid;

    • b. de wijze van inschrijving;

    • c. de gegevens en bescheiden die bij een aanvraag tot inschrijving worden verstrekt;

    • d. de vergoeding die ten hoogste voor de inschrijving is verschuldigd;

    • e. de gronden waarop en de gevallen waarin de inschrijving kan worden geweigerd of doorgehaald.

2. Het zevende lid (oud) wordt vernummerd tot achtste lid.

H

In de artikelen 7, achtste lid (nieuw), aanhef, en 9, tweede lid, wordt «Bij ministeriële regeling» vervangen door: Bij regeling van Onze Ministers.

I

In artikel 12, derde lid, wordt «Onze Ministers kunnen» vervangen door: Onze Minister kan.

J

In artikel 18, tweede lid, wordt «Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid» vervangen door: Onze Minister.

K

In de artikelen 21, tweede lid, onder d, 23, derde lid, onder c, 25, zesde lid, 28, onder d, 29, eerste lid, onder d, 30, tweede lid, onder a, en 124, tweede lid, wordt «bij ministeriële regeling» vervangen door: bij regeling van Onze Minister.

L

In artikel 25, vijfde lid, wordt «Onze Ministers kunnen bij ministeriële regeling handelingen met producten als bedoeld in artikel 24, onder b, aanwijzen» vervangen door: Bij regeling van Onze Minister kunnen handelingen met producten als bedoeld in artikel 24, onder b, worden aangewezen.

M

In artikel 31, derde lid, wordt «Onze Ministers kunnen» vervangen door «Onze Minister kan» en «Onze Ministers» door: Onze Minister.

N

In artikel 38, eerste lid, wordt «is voorzien door Onze Minister» vervangen door: is voorzien door deze Minister.

O

Artikel 40 komt te luiden:

Artikel 40

  • 1. De ondernemer doet de melding, bedoeld in de artikelen 21 en 22, bij Onze Minister.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de melding, bedoeld in het eerste lid.

P

Artikel 43, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag van een vergunning voor een handeling als bedoeld in de artikelen 23, eerste en tweede lid, 24, 25, eerste lid, 35, eerste lid, en 37, eerste lid.

Q

Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel i vervalt.

2. Onderdelen j tot en met o worden geletterd i tot en met n.

R

In de artikelen 55, tweede lid, 59, 61, eerste en tweede lid, 64, tweede lid, 67, eerste lid, 74, eerste en tweede lid, en 75 wordt «Onze Minister» telkens vervangen door: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

S

In artikel 61, tweede lid, vervalt de zinsnede «, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,».

T

In artikel 102, eerste lid, wordt «Onze Ministers maken» vervangen door: Onze Minister maakt.

U

Artikel 103, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De ondernemer meldt aan Onze Minister een werkzaamheid, niet zijnde een lozing, voordat met de uitvoering daarvan wordt begonnen.

V

Artikel 104 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na «meldt de ondernemer dit» wordt ingevoegd: aan Onze Minister.

2. De zinsnede «overeenkomstig artikel 40» vervalt.

W

In artikel 123, eerste lid, wordt «In bijzondere gevallen kunnen Onze Ministers» vervangen door: In bijzondere gevallen kan Onze Minister.

X

In de artikelen 124, eerste lid, eerste volzin, en 132, tweede en derde lid, wordt «bij ministeriële regeling» vervangen door: bij regeling van Onze Ministers.

Y

In artikel 132, eerste lid, wordt «bij ministeriële regeling» vervangen door: bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

ARTIKEL IV

Het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

Onze Minister:

Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;.

B

In de artikelen 1a, onder d, 4c, vijfde lid, 27, vijfde lid, en 32, vijfde lid, wordt «bij ministeriële regeling» vervangen door: bij regeling van Onze Minister.

C

In de artikelen 1d, 4d, derde lid, artikel 8, eerste lid, tweede volzin, en derde lid, eerste volzin, 10, eerste lid, 14, eerste lid, onder c, onder 1°, 15, 16, eerste lid, onder c, onder 1°, 20, 27, eerste lid, aanhef, en 32a, derde lid, wordt «Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer» vervangen door: Onze Minister.

D

In de artikelen 2, vierde lid, en 23, vierde lid, wordt «Bij ministeriële regeling» vervangen door: Bij regeling van Onze Minister.

E

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder h, onder 1°, wordt «Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid» vervangen door: Onze Minister.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste volzin wordt «Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid» vervangen door: Onze Minister.

b. In de tweede volzin wordt «Onze voornoemde Ministers» vervangen door: Onze Minister.

F

In de artikelen 4c, eerste lid, en 32, eerste lid, wordt «Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en aan een door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan te wijzen instantie» vervangen door: Onze Minister.

G

In de artikelen 4d, derde lid, en 32a, derde lid, vervalt «en een door hem aan te wijzen instantie».

H

Artikel 4d, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. De ondernemer verstrekt Onze Minister op zijn verzoek nadere gegevens.

I

In artikel 5, eerste lid, onder b, wordt «Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid» vervangen door: Onze Minister.

J

In artikel 6, onder b, onder 1°, wordt «Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid» vervangen door: Onze Minister.

K

Artikel 7, tweede lid, onder d, komt te luiden:

  • d. het voorschrift, dat bij opslag in verband met het vervoer moet worden voldaan aan door Onze Minister gestelde nadere eisen.

L

Artikel 10, tweede lid, laatste volzin, komt te luiden: Daarbij moet worden voldaan aan door Onze Minister gestelde nadere eisen.

M

In de artikelen 14, eerste lid, onder b, 16, eerste lid, onder b, 18, tweede lid, onder a, 19, eerste lid, onder a, en 22, eerste lid, onder a, wordt «als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer» vervangen door: Onze Minister als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt.

ARTIKEL V

Het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 8 vervalt.

B

In artikel 9 wordt «Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport» vervangen door: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

ARTIKEL VI

Artikel 26, tweede lid, voor zover dit betrekking heeft op de verplichtingen, bedoeld in artikel 30, en artikel 30, eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen zijn niet van toepassing op inrichtingen die voor 1 januari 2007 in veilige insluiting zijn gebracht.

ARTIKEL VII

In afwijking van artikel 44a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen geldt voor aanvragen om goedkeuring voor de wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld als bedoeld in artikel 15f, eerste lid, van de Kernenergiewet die voor het in artikel IX, eerste lid, bedoelde tijdstip worden ingediend, dat bij het overzicht van de verschillende kostenposten voor de buitengebruikstelling en de ontmanteling kan worden uitgegaan van een ontwerp van een ontmantelingsplan als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van dat besluit of van andere gegevens of bescheiden die vergelijkbare informatie bevatten omtrent de buitengebruikstelling en de ontmanteling van de betrokken inrichting.

ARTIKEL VIII

  • 1. Voor zover aan een vergunning op grond van de Kernenergiewet voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van die wet voorschriften zijn verbonden over:

    • a. het stellen van financiële zekerheid voor de kosten die voortvloeien uit het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van die inrichting, of

    • b. het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van die inrichting, vervallen die voorschriften.

  • 2. Het eerste lid is, voor zover het betreft de onder b bedoelde voorschriften, niet van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet waarin kernenergie kon worden vrijgemaakt, die voor 1 januari 2007 in veilige insluiting zijn gebracht.

ARTIKEL IX

  • 1. Dit besluit, met uitzondering van artikel II, onderdeel L, treedt in werking met ingang van 1 juli 2011.

  • 2. Artikel II, onderdeel L, treedt in werking met ingang van 1 april 2011.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 12 februari 2011

Beatrix

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

P. de Krom

Uitgegeven de vierde maart 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

In de wet van 19 november 2009 tot wijziging van de Kernenergiewet in verband met vereenvoudiging van het bevoegd gezag, invoering van een verplichting tot financiële zekerheidstelling en enkele andere wijzigingen1 (Stb. 2010, 18) (verder: Wijziging van de Kernenergiewet) is een aantal onderwerpen geregeld die aanleiding geven tot wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur. Het gaat daarbij om de volgende onderwerpen:

  • 1. Vereenvoudiging van het bevoegd gezag voor de vergunningverlening voor nucleaire inrichtingen en voor handelingen met splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen. Waar hier voorheen drie tot zes ministers het bevoegd gezag waren, is in het vervolg alleen de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) het bevoegd gezag.2

  • 2. Het introduceren van de mogelijkheid om regels te kunnen stellen over de buitengebruikstelling en ontmanteling van nucleaire inrichtingen.

  • 3. Het opnemen van de verplichting voor vergunninghouders van kerncentrales tot financiële zekerheidstelling voor de kosten van buitengebruikstelling en ontmanteling.

Ter completering van de vereenvoudiging van het bevoegd gezag voor de vergunningverlening voor nucleaire inrichtingen, splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen is het nodig een aantal bepalingen in algemene maatregelen van bestuur te wijzigen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het schrappen van bepalingen die voorschrijven dat een aanvraag om een vergunning wordt ingediend bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Hiertoe zijn reeds het Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981, het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen (Bkse), het Besluit stralingsbescherming (Bs) en het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen (Bvser) op enige plaatsen aangepast. Aangezien het hier om volledig technische aanpassingen gaat, zijn deze wijzigingen meegenomen in een VROM-verzamelbesluit.3

Wel is in het onderhavige besluit in navolging van de Wijziging van de Kernenergiewet het bevoegd gezag voor een aantal andere beschikkingen en voor een aantal meldingsplichten in de kernenergiewetgeving vereenvoudigd. Het gaat hierbij om beschikkingen waarbij de bevoegdheid op het niveau van algemene maatregelen van bestuur is geregeld. Ook een aantal bevoegdheden tot het stellen van regels bij ministeriële regeling is in dit besluit vereenvoudigd.

Hiertoe zijn het Besluit detectie radioactief besmet schroot (artikel I), het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen (artikel II, onderdelen I, J en K), het Besluit stralingsbescherming (artikel III), het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen (artikel IV, onderdelen B, D, E, F, G, H, I en M) en het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet (VdK) gewijzigd.

Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de diverse algemene maatregelen van bestuur te actualiseren in lijn met de herindeling van departementale taken. Daarbij is de Minister van EL&I, waar nodig, in de plaats getreden van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (artikel I, onderdeel A, artikel II, onderdeel A, artikel III, onderdelen A en C). Zie hiervoor verder het Besluit van 11 november 2010, nr. 10.003075, houdende departementale  herindeling met betrekking tot energie en de Nederlandse Emissieautoriteit.4

Voorts is in dit besluit gebruikgemaakt van de door de Wijziging van de Kernenergiewet geboden mogelijkheid om regels te stellen over de buitengebruikstelling en ontmanteling van nucleaire inrichtingen. Evenzo is gebruikgemaakt van de nieuwe mogelijkheid regels te stellen over de aanvraag om goedkeuring van de te stellen financiële zekerheid voor de kosten van buitengebruikstelling en ontmanteling van nucleaire inrichtingen waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt. Hiertoe is het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen aangepast (artikel II, onderdelen C, D, E, F, G en L).

Verder is in dit besluit uitvoering gegeven aan het in de memorie van toelichting bij de Wijziging van de Kernenergiewet aangekondigde voornemen een expliciete verplichting in het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen op te nemen voor de vergunninghouders van nucleaire inrichtingen om tijdig een voorziening te treffen voor het radioactieve afval dat door het gebruik van die inrichting ontstaat (artikel II, onderdeel H).5

Ten slotte is de in het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen voorkomende mogelijkheid voor de Minister van EL&I om een instantie aan te wijzen, waaraan afschriften van meldingen moeten worden gezonden of die nadere eisen kan stellen, geschrapt. Van deze mogelijkheid tot aanwijzing is nooit gebruikgemaakt. Gebruik hiervan wordt ook in de toekomst niet meer verwacht (artikel IV, onderdelen F, G, K en L). Tevens is op een aantal plaatsen in dit besluit een redactionele verbetering aangebracht (artikel IV, onderdelen A, C en M). Ook in het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen is een redactionele verbetering aangebracht (artikel II, onderdeel B) en is de inmiddels overbodig geworden begripsomschrijving van «Onze Ministers» geschrapt (artikel II, onderdeel A, onder 2).

De inhoud van deze nota van toelichting is afgestemd met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2. Vereenvoudiging van het bevoegd gezag

Met de Wijziging van de Kernenergiewet is het bevoegd gezag voor de vergunningverlening voor nucleaire inrichtingen en voor handelingen met splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen vereenvoudigd.

In de op de Kernenergiewet (Kew) gebaseerde algemene maatregelen van bestuur kwamen echter nog meerdere andere beschikkingen voor waarvoor meerdere ministers het bevoegd gezag waren. Ook kwamen er meldingsplichten voor waarbij hetzelfde aan meerdere ministers moest worden gemeld. Ten slotte waren er mogelijkheden om bij ministeriële regeling regels te stellen, waarbij meer dan één minister het bevoegd gezag was. In navolging van de vereenvoudiging in de Kernenergiewet van het bevoegd gezag voor de vergunningverlening voor nucleaire inrichtingen en voor handelingen met splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen, wordt in dit besluit ook het bevoegd gezag voor beschikkingen, meldingsplichten en ministeriële regelingen zoveel mogelijk vereenvoudigd. Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om in een aantal gevallen in het Besluit stralingsbescherming, waar dat nog niet was gebeurd, te expliciteren welke minister(s) bevoegd is of zijn om bij ministeriële regeling regels te stellen.

Daar waar het toegevoegde waarde heeft dat meer dan één minister bevoegd gezag is, is het bevoegd gezag ongewijzigd gebleven. Een voorbeeld hiervan is te vinden in de regeling van financiële zekerheid voor de kosten van het afvoeren van hoogactieve bronnen. De Minister van EL&I is hiervoor de eerstverantwoordelijke minister. Bij de beoordeling of andere vormen van financiële zekerheid dan bankgaranties of verzekeringsovereenkomsten kunnen worden aanvaard, blijft echter de Minister van Financiën vanwege zijn deskundigheid op dit gebied mede bevoegd gezag (art. 20d, tweede lid, onder c en d, Bs).

Beschikkingen waarvoor het bevoegd gezag door dit besluit is vereenvoudigd, zijn:

  • de typegoedkeuring van ingekapselde bronnen, bepaalde toestellen of toestellen die voor onderwijsdoeleinden worden gebruikt en die onder normale bedrijfsomstandigheden op 0,1 meter van enige bereikbare buitenzijde daarvan geen hoger omgevingsdosisequivalenttempo veroorzaken dan 1 μSv per uur (en die daarmee kunnen worden vrijgesteld van de meldings- of vergunningplicht) (artt. 41a, eerste lid, onder a, Bkse en 21, tweede lid, onder d, 23, derde lid, onder c, en 26, eerste lid, Bs),

  • de erkenning van ophaaldiensten van splijtstof of erts bevattende afvalstoffen of radioactieve afvalstoffen (artt. 42, derde lid, onder d, Bkse en 37, zevende lid, Bs),

  • de aanwijzing van instellingen voor de ontvangst van splijtstof of erts bevattende afvalstoffen of radioactieve afvalstoffen (artt. 42, derde lid, onder e, Bkse en 37, achtste lid, Bs),

  • de verlening van toestemming dat een stralingsbeschermingseenheid voor verschillende ondernemers taken verricht (art. 12, derde lid, Bs),

  • het verlenen van ontheffing van de controle- en administratieplicht op het toevoegen van radioactieve stoffen aan aanwijsinstrumenten (art. 31, derde lid, Bs), en

  • de afgifte van certificaten van goedkeuring of erkenning van het model van de te vervoeren colli als bedoeld in onderdeel 5.1.5.3.1 van bijlage 1 bij de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (artt. 3, eerste lid, onder h, onder 1°, 5, eerste lid, onder b, en 6, eerste lid, onder b, onder 1°, Bvser).

In al deze gevallen is de Minister van EL&I voortaan het bevoegd gezag, waar dit eerst de Ministers van EL&I en van SZW gezamenlijk waren.

De Minister van EL&I is voortaan tevens het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffing van de voorschriften in paragraaf 3.3 (voorschriften voor toestellen en radioactieve stoffen) en de artikelen 120 en 121 (administratieverplichting) (art. 123, eerste lid, Bs). Hier waren de Ministers van SZW, van Volkgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), indien het radiologische verrichtingen betreft, van Defensie, indien het de krijgsmacht betreft, en van Economische Zaken (EZ), indien het mijnbouw betreft, mede bevoegd gezag.

Ten slotte zal de beoordeling, of een andere voorziening geschikt kan worden bevonden als financiële zekerheid voor de dekking van de kosten van het afvoeren van een hoogradioactieve bron, in het vervolg geschieden door de Ministers van EL&I en van Financiën. De Minister van SZW is hierbij niet meer betrokken (art. 20d, tweede lid, onder d, Bs).

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in het op 15 april 2009 in werking getreden Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen (Stb. 2009, 168) het bevoegd gezag voor de vergunningverlening voor de in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen reeds is vereenvoudigd. Genoemd besluit vervangt vanaf die datum het Besluit in, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen.

Meldingsplichten, kennisgevingen en verplichtingen tot informatieverschaffing waarvoor het bevoegd gezag door dit besluit is vereenvoudigd, zijn:

  • de melding van handelingen met een toestel (art. 21, eerste lid, Bs),

  • de kennisgeving van latere wijzigingen in een melding van handelingen met een toestel (art. 41, vijfde lid, Bs),

  • de melding van werkzaamheden (met natuurlijke bronnen) die geen lozing zijn of de beëindiging van dergelijke werkzaamheden (artt. 103, eerste lid, en 104, eerste lid, Bs),

  • de melding van het vervoer of de in- of uitvoer van radioactieve stoffen (artt. 4c, eerste lid, en 32, eerste lid, Bvser), en

  • het op verzoek verstrekken van nadere gegevens in verband met de melding van het vervoer van radioactieve stoffen (art. 4d, vierde lid, Bvser).

In al deze gevallen kan in het vervolg worden volstaan met melding, kennisgeving, of verstrekking van nadere gegevens aan de Minister van EL&I en hoeft dit niet meer ook aan de Minister van SZW te worden gedaan.

Tevens komt de overlegverplichting van artikel 8 van het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet voor de Minister van Defensie met de Ministers van SZW, van EL&I en van VWS te vervallen. Ook kan de Minister van Defensie in geval van zoekraken, diefstal of ongewilde verspreiding van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen in het vervolg volstaan met een melding bij de Minister van EL&I. De gelijktijdige melding aan de Ministers van SZW en van VWS is komen te vervallen (art. 9 VdK).

Ministeriële regelingen en vergelijkbare besluiten waarvoor het bevoegd gezag door dit besluit is vereenvoudigd, zijn:

  • 1. Regelingen waarvoor de Ministers van EL&I en van SZW bevoegd waren en waarvoor nu alleen de Minister van EL&I bevoegd is:

    • regels over detectieapparatuur, de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de metingen worden verricht (art. 5, tweede lid, Besluit detectie radioactief besmet schroot),

    • regels over de reikwijdte van de vrijstelling op het verbod op handelingen met splijtstoffen en ertsen zonder vergunning, ingeval van een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking of ingeval van een beperkt risico van blootstelling van mensen (art. 41, vierde en vijfde lid, Bkse),

    • regels over de typegoedkeuring van ingekapselde bronnen en voor de opslag en verwijdering van deze bronnen (artt. 41a, tweede lid, Bkse en 26, tweede lid, Bs),

    • regels over de bepaling van de omgevingsdosisequivalenten, de equivalente en de effectieve doses bij natuurlijke bronnen, die gelijkwaardig zijn aan die in het eerste lid van artikel 3 Bs en in plaats daarvan kunnen worden toegepast (art. 3, tweede lid, jo. 101, Bs),

    • het rechtvaardigen van handelingen en werkzaamheden en het stellen van regels over de bekendmaking ervan (artt. 4, eerste, tweede en zevende lid, en 101 Bs),

    • regels over de controle van de integriteit van hoogactieve bronnen (art. 11, vierde lid, Bs),

    • de aanwijzing van de ondernemers, de soorten ondernemingen of locaties waarin een stralingsbeschermingseenheid aanwezig is en het stellen van regels over de taken, bevoegdheden en werkwijzen van een stralingsbeschermingseenheid (art. 12, eerste lid, Bs),

    • de vaststelling van een minimumbedrag waarvoor per volume-eenheid af te voeren hoogactieve bron, de daarbij behorende bronhouder en de vaste afscherming financiële zekerheid wordt gesteld (art. 20d, derde lid, Bs),

    • het aanwijzen van producten bestemd voor gebruik op of in de directe omgeving van personen waaraan radioactieve stoffen zijn toegevoegd waarbij deze toegevoegde radionucliden niet worden betrokken bij de sommatie, bedoeld in artikel 25, derde lid, Bs (art. 25, vijfde lid, Bs),

    • het aanwijzen van handelingen die beperkt risico van blootstelling voor mensen tot gevolg hebben en daarom kunnen worden vrijgesteld van de vergunningplicht voor handelingen met toestellen (art. 25, zesde lid, Bs),

    • het aanwijzen van andere methoden voor het bepalen en het toetsen van de schade in gevallen waarin de activiteitsconcentratie in combinatie met de activiteit van een radioactieve stof geen juiste indicatie geeft van de schade die de bij een handeling betrokken radioactieve stoffen kunnen veroorzaken (art. 25, zevende lid, Bs),

    • het vaststellen van een waarschuwingsteken voor ioniserende straling dat na herstel- of onderhoudswerkzaamheden aan een aanwijsinstrument, dat daarvoor toegestane radioactieve stoffen bevat, wordt aangebracht (art. 30, tweede lid, Bs),

    • regels over de voorschriften die kunnen worden verbonden aan een vergunning voor handelingen met aanwijsinstrumenten, waaraan radioactieve nucliden zijn toegevoegd voor verlichtingsdoeleinden, indien dit aanwijsinstrument voorhanden is voor een tentoonstelling of de ondernemer er zich van ontdoet na een tentoonstelling (art. 30, vierde lid, Bs),

    • regels over de controle van aanwijsinstrumenten waaraan voor verlichtingsdoeleinden radioactieve stoffen zijn toegevoegd en over de mogelijkheid van ontheffing van de verplichtingen daaromtrent (art. 31, vijfde lid, Bs),

    • nadere regels over de gegevens van de aanvraag van een vergunning voor een handeling met een radioactieve stof (art. 44, negende lid, Bs),

    • het bekendmaken in de Staatscourant van een lijst van werkzaamheden, waarvan het mogelijk is dat bij het verrichten van die werkzaamheden bepaalde waarden worden overschreden (art. 102, eerste lid, Bs),

    • regels over de gegevens die een melding van (het stoppen met) werkzaamheden met natuurlijke bronnen bevat en de situaties waarin een nieuwe melding is vereist (artt. 105, tweede lid, en 106, tweede lid, Bs),

    • het bepalen van gevallen met het oog op de stralingsbescherming waarin de uitzondering op het verbod natuurlijke bronnen te lozen in verband met lage activiteit niet geldt (art. 108, vierde lid, Bs),

    • nadere regels over de gegevens die een aanvraag om een vergunning voor werkzaamheden met natuurlijke bronnen moet bevatten (art. 109, tweede lid, Bs),

    • regels over de uitvoering van meldingsplichtige werkzaamheden met natuurlijke bronnen (art. 110, eerste lid, Bs),

    • regels over het hergebruik en de opslag van afval van natuurlijke bronnen waarvan de activiteitsconcentratie hoger is dan de in bijlage 1, tabel 1, bij het Bs aangegeven waarden (art. 110, tweede lid, Bs),

    • (nadere) regels over de inhoud en de bewaartermijnen van de administratie die een ondernemer van zijn handelingen met radioactieve stoffen moet bijhouden (art. 120, derde lid, Bs),

    • nadere regels over de inhoud van en de tijdstippen waarop gegevens over hoogactieve bronnen aan de Minister van EL&I moeten worden verstrekt (art. 120a, tweede lid, Bs),

    • regels over de reikwijdte van het Bvser voor radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen in producten bestemd voor gebruik op of in de directe omgeving van personen (art. 1a, onder d, Bvser),

    • het bepalen van uitzonderingen op de vrijstelling van de vergunningplicht voor het vervoeren of in- of uitvoeren van splijtstoffen of ertsen wanneer er sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking (artt. 2, vierde lid, en 23, vierde lid, Bvser),

    • de aanwijzing van landen waarvan de afgegeven certificaten van goedkeuring of erkenning van het model van de te vervoeren colli worden geaccepteerd (art. 3, eerste lid, onder h, onder 1°, en tweede lid, Bvser),

    • regels over de reikwijdte van de meldingsplicht voor het vervoer van radioactieve stoffen wanneer er een beperkt risico van blootstelling van mensen is (art. 4c, vijfde lid, Bvser),

    • het vrijstellen van het verbod zonder vergunning radioactieve stoffen in geneesmiddelen of in gebruiksartikelen te vervoeren of in- of uit te voeren, wanneer dit slechts een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg heeft (art.27, vijfde lid, Bvser) en

    • het vrijstellen van de meldingsplicht van het in- of uitvoeren van radioactieve stoffen, wanneer dit slechts een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg heeft (art. 32, vijfde lid, Bvser).

  • 2. Regelingen waarvoor de Ministers van SZW en van EL&I bevoegd waren en waarvoor nu alleen de Minister van SZW bevoegd is:

    • de vaststelling van eisen over vaardigheden en bekwaamheden waaraan moet worden voldaan om als deskundige in het register van stralingsdeskundigen te kunnen worden ingeschreven (art. 7, vierde lid, Bs),

    • regels over het model, de opschriften en de minimale grootte van de waarschuwingsborden of -tekens voor situaties waarin dosislimieten kunnen worden overschreden, en waar en op welke wijze deze moeten worden aangebracht (art. 20, vierde lid, Bs) en

    • regels over gecontroleerde zones en bewaakte zones (artt. 84, tweede lid, en 85, tweede lid, Bs).

  • 3. Regeling waarvoor de Minister van SZW bevoegd was en waarvoor nu de Minister van EL&I bevoegd is:

    • regels over de bescherming tegen de straling van toestellen (art. 18, tweede lid, Bs).

  • 4. Regeling waarvoor de Minister van VWS, in overeenstemming met de Minister van EL&I, bevoegd was, en waarvoor nu de Minister van VWS alleen bevoegd is:

    • regels over blootstellingen aan ioniserende straling van personen die willens en wetens – doch niet beroepshalve – hulp en bijstand verlenen aan patiënten die blootstelling aan ioniserende straling ondergaan (art. 61, tweede lid, Bs).

  • 5. Regeling waarvoor de Ministers van EL&I en van SZW en, indien het medische stralingstoepassingen betrof, de Minister van VWS, bevoegd waren en waarvoor nu alleen de Minister van EL&I bevoegd is:

    • nadere regels over de gegevens die een melding voor een handeling met een toestel moet bevatten en over de situaties waarin een nieuwe melding is vereist (art. 41, zesde lid, Bs).

  • 6. Regeling waarvoor de Ministers van EL&I en van SZW en, indien het medische stralingstoepassingen betrof, de Minister van VWS, en, indien het lozing in het oppervlaktewater betrof, de Minister van Verkeer en Waterstaat, en, indien het lozing in het oppervlaktewater of lozing in de lucht betrof, de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, bevoegd waren en waarvoor nu alleen de Minister van EL&I bevoegd is:

    • regels over de aanvraag van een vergunning voor handelingen met radioactieve stoffen (art. 43, eerste lid, Bs).

3. Buitengebruikstelling, ontmanteling en financiële zekerheid

3.1. Aanleiding

Met het bereiken van het einde van de technische of economische levensduur van een groot aantal nucleaire inrichtingen in de wereld, komt er steeds meer aandacht voor de laatste fase van de levenscyclus daarvan, te weten de fase van buitengebruikstelling en ontmanteling.

De begrippen buitengebruikstelling en ontmanteling omvatten samen het geheel van acties die ondernomen worden aan het einde van de operationele bedrijfsvoering van een nucleaire inrichting, gericht op het definitief verwijderen daarvan. Deze handelingen beginnen na het beëindigen van de normale bedrijfsvoering en eindigen op het moment waarop de locatie in zodanige toestand verkeert dat het gewenste gebruik daarvan niet belemmerd wordt door het feit dat er een nucleaire inrichting in bedrijf is geweest.6 In de internationale en Europese voorschriften wordt doorgaans geen onderscheid gemaakt tussen buitengebruikstelling en ontmanteling, en spreekt men van «decommissioning».

De Europese Commissie heeft in een aanbeveling voorstellen gedaan om te waarborgen dat voldoende financiële middelen voor de ontmanteling beschikbaar zijn op het tijdstip dat de ontmanteling van een nucleaire inrichting gepland is.7

Tevens heeft de Western European Nuclear Regulator’s Association (WENRA) een set basiscriteria geformuleerd waaraan de buitengebruikstelling en de ontmanteling van nucleaire inrichtingen in Europa zouden moeten voldoen.8 De WENRA is een niet-gouvernementele organisatie van de nucleaire toezichthoudende autoriteiten van Europese landen met kernenergiecentrales, die zich richt op het harmoniseren van (stralings)regelgeving in Europa. De WENRA-criteria met betrekking tot de buitengebruikstelling en de ontmanteling zijn gebaseerd op bestaande internationale publicaties van onder andere het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA).9

Hoewel de aanbeveling van de Europese Commissie en de WENRA-criteria juridisch niet bindend zijn, is bij het opstellen van de onderhavige regelgeving ten aanzien van de buitengebruikstelling en de ontmanteling bij de aanbeveling en de WENRA-criteria aangesloten.

Op grond van artikel 4, eerste lid, onder a, van richtlijn nr. 96/29/Euratom van de Raad van de Europese Unie van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PbEG L 159) is het buiten gebruik stellen en ontmantelen van nucleaire installaties vergunningplichtig geworden. Dit is geregeld bij een eerdere wijziging van de Kernenergiewet waarbij artikel 15, onder b, van die wet is uitgebreid.10 Deze wetswijziging is op 1 maart 2002 in werking getreden. Een groot aantal van de eisen ten aanzien van de buitengebruikstelling en de ontmanteling werd daardoor tot dusver geregeld in vergunningen op grond van artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet.

Tot nu toe bestonden er, afgezien van de vergunningplicht, vrijwel geen algemeen geldende eisen ten aanzien van de buitengebruikstelling en de ontmanteling. Het gevolg hiervan was dat per vergunning in de vergunningvoorschriften een breed en divers scala aan eisen werd gesteld. Ook is uit voortschrijdend inzicht gebleken dat de regelgeving op een aantal andere punten niet voldoende was voorbereid op toekomstige ontmantelingsprojecten.

Daarom zijn nu in het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen regels opgenomen over het ontmantelingsplan en de te volgen ontmantelingsstrategie (wijze van ontmanteling en te realiseren eindtoestand). Bovendien is de verplichting uit artikel 15f van de Kernenergiewet tot het stellen van financiële zekerheid voor de kosten van de buitengebruikstelling en de ontmanteling verder uitgewerkt. Hierdoor is van tevoren duidelijk aan welke voorwaarden moet worden voldaan gedurende de oprichting, de bedrijfsvoering, de buitengebruikstelling en de ontmanteling en bij het opleveren van het terrein van de inrichting na afloop van de ontmanteling. Dit biedt rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en duidelijkheid voor vergunninghouders en zekerheid dat er voldoende geld is gereserveerd voor de buitengebruikstelling en de ontmanteling.

3.2. Wijzigingen ten opzichte van de huidige praktijk

In het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen was tot nu toe opgenomen dat bij aanvragen om vergunningen voor het oprichten en het in werking brengen en houden van nucleaire inrichtingen een globale beschrijving moest worden overgelegd van de wijze waarop de aanvrager van plan was de inrichting na buitengebruikstelling te ontmantelen en in de financiering daarvan te voorzien (artt. 6, eerste lid, onder j, 7, eerste lid, 8, eerste lid, onder f, en 9, eerste lid, onder g, Bkse). In artikel 10 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen was op hoofdlijnen bepaald welke informatie moest worden verstrekt bij een aanvraag om een vergunning voor de buitengebruikstelling of de ontmanteling. Er moest onder meer een ontmantelingsplan worden overgelegd. Doordat pas in deze fase een ontmantelingsplan werd opgesteld en overgelegd, was onvoldoende gegarandeerd dat er voldoende gelden aanwezig waren om de ontmanteling ook daadwerkelijk uit te voeren zoals beschreven in het ontmantelingsplan. Op het moment dat de nucleaire inrichting buiten gebruik wordt gesteld, worden er immers over het algemeen geen gelden meer gegenereerd. Tevens werd in de regelgeving de mogelijkheid opengelaten voor de vergunninghouder om te kiezen voor een «uitgestelde ontmanteling», na een van tevoren bepaalde wachttijd.

Met het oog op de hierboven geschetste financiële risico’s, die in het geval van faillissement van de vergunninghouder in laatste instantie ten laste van de Staat zouden kunnen komen, en de internationaal breed gedragen voorkeur voor een «directe ontmanteling» boven een «uitgestelde ontmanteling», zijn nu in het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen nieuwe bepalingen ter zake opgenomen. Deze nieuwe bepalingen verplichten de vergunninghouder vanaf de oprichting tot en met het einde van de ontmanteling van de nucleaire inrichting te beschikken over, en te handelen overeenkomstig, een ontmantelingsplan. Dit ontmantelingsplan moet aan een aantal (minimum)voorwaarden voldoen. Het plan moet tijdens de operationele fase van de inrichting elke vijf jaar worden geactualiseerd. Het ontmantelingsplan en elke wijziging daarvan behoeven goedkeuring van de Minister van EL&I.

Op grond van artikel 15f van de Kernenergiewet is de vergunninghouder van een inrichting waarin kernenergie kan, of kon, worden vrijgemaakt, verplicht te beschikken over financiële zekerheid. Deze financiële zekerheid behoeft de goedkeuring van de Ministers van EL&I en van Financiën. In het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen is deze verplichting verder uitgewerkt. De financiële zekerheid moet de kosten dekken voor de buitengebruikstelling en de ontmanteling zoals die zijn beschreven in het laatst goedgekeurde ontmantelingsplan. Bovendien moet de financiële zekerheid na elke wijziging van het ontmantelingsplan opnieuw ter goedkeuring worden voorgelegd.

Tot slot zijn in het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen eisen gesteld aan de wijze waarop de nucleaire inrichting buiten gebruik wordt gesteld en ontmanteld. Een vergunninghouder van een nucleaire inrichting moet ervoor zorgen dat de buitengebruikstelling en de ontmanteling van de inrichting zo snel mogelijk worden voltooid. Voorts moet hij voldoen aan de ontmantelingsstrategie van de «directe ontmanteling», waarbij een eindsituatie wordt gerealiseerd van een «groene weide».

Door deze eisen wordt eveneens gewaarborgd dat bij het ontwerp van de nucleaire inrichting en tijdens de bedrijfsvoering van die inrichting voldoende aandacht wordt besteed aan de uiteindelijke ontmanteling van de inrichting en de financiering daarvan.

Bovenstaande vereisten zijn in paragraaf 3.3 uitgewerkt.

3.3. Ontmantelingsstrategie, ontmantelingsplan en financiële zekerheid
3.3.1. Ontmantelingsstrategie

Een belangrijk uitgangspunt vormt de, in de artikelen 30 en 30a van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen geformuleerde, ontmantelingsstrategie. Deze strategie houdt in dat een nucleaire inrichting na het beëindigen van de normale bedrijfsvoering direct buiten gebruik wordt gesteld en wordt ontmanteld. Daarnaast worden de buitengebruikstelling en de ontmanteling zo snel als redelijkerwijs mogelijk voltooid, waarbij wordt uitgegaan van het realiseren van een zogenaamde «groene weide» als eindsituatie. Van het beëindigen van de normale bedrijfsvoering is sprake wanneer de inrichting buiten werking is gebracht zonder de intentie deze op korte termijn weer in werking te brengen. Opgemerkt wordt dat regulier onderhoud en splijtstofwisselstops worden gerekend tot de normale bedrijfsvoering.

Een en ander heeft tot gevolg dat een tijdelijke zogenaamde «veilige insluiting» van de nucleaire inrichting na de buitengebruikstelling, zoals momenteel het geval is bij de voormalige kernenergiecentrale in Dodewaard, voortaan niet meer tot de mogelijkheden behoort. Hiermee wordt aangesloten bij de criteria van de WENRA en de laatste jaren ook wereldwijd steeds vaker uitgesproken voorkeur voor «directe ontmanteling». Het wordt niet wenselijk gevonden om het ontmantelen van een nucleaire inrichting af te schuiven op een volgende generatie, terwijl het ontmantelen van een nucleaire inrichting ook voor de huidige generatie technisch goed mogelijk is. Ook meer praktische overwegingen spelen een rol bij deze keuze voor een «directe ontmanteling». Het gaat bijvoorbeeld om het nog beschikbaar zijn van deskundig personeel dat bekend is met het ontwerp en de geschiedenis van de bedrijfsvoering van de nucleaire inrichting, het beter beheersbaar zijn van het ontmantelingsproces en het snel beschikbaar komen van het terrein voor volgend gebruik.

Overigens is ook in het Convenant Kerncentrale Borssele vastgelegd dat de kerncentrale na de hierin genoemde sluitingsdatum «direct wordt ontmanteld» (art. 5.1 van het Convenant Kerncentrale Borssele).11

Met het realiseren van een «groene weide» wordt bedoeld dat er na voltooiing van de ontmanteling op de locatie van de nucleaire inrichting geen beperkingen meer zijn voor elke volgende functie, voor zover die beperkingen het gevolg zijn van deze inrichting (art. 30a, eerste lid, Bkse). Deze beperkingen betreffen zowel de radiologische als de niet-radiologische aspecten. Voor de volledigheid wordt vermeld dat het hierbij gaat om beperkingen ten aanzien van een volgende functie die het gevolg zijn van deze inrichting. Zo kan het voorkomen dat er, als gevolg van andere besluiten, regelgeving of plannen, beperkingen (blijven) bestaan ten aanzien van de bestemming of het gebruik van het terrein waarop de inrichting was gevestigd. Een voorbeeld hiervan zijn de ruimtelijke beperkingen die op grond van het groepsrisico-beleid rondom andere inrichtingen gelden op het terrein. Een vergunninghouder kan in redelijkheid niet verplicht worden gesteld tot het opheffen van dergelijke beperkingen. Is uiteindelijk, met behulp van een eindrapport, ten genoegen van de Minister van EL&I aangetoond dat aan de situatie van een «groene weide» is voldaan, dan kan de Minister van EL&I besluiten de vergunning in te trekken (art. 20a, derde lid, Kew en art. 30d Bkse). Het besluit tot intrekken ontheft de vergunninghouder van zijn verplichtingen op grond van de Kernenergiewet en betekent de vrijgave van de locatie van de inrichting.

Inrichtingen die voor 1 januari 2007 in veilige insluiting zijn gebracht, zijn uitgezonderd van de verplichting tot directe ontmanteling (artikel VI). Voor de kernenergiecentrale in Dodewaard betekent dit dat de ontmanteling overeenkomstig de verleende vergunning veertig jaar na aanvang van de in de vergunning beschreven «wachttijd» moet aanvangen.

3.3.2. Ontmantelingsplan

Voor de vergunninghouder voor het oprichten, het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet is in artikel 25 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen de verplichting geïntroduceerd om vanaf de oprichting te beschikken over een ontmantelingsplan.

Het doel van een ontmantelingsplan is tweeledig: enerzijds is het een omschrijving van de te ondernemen activiteiten tijdens het oprichten, de bedrijfsvoering, de buitengebruikstelling en de ontmanteling van de inrichting, anderzijds dient het als de basis voor de door de vergunninghouder te treffen financiële zekerheid voor de kosten van de buitengebruikstelling en de ontmanteling.

Het ontmantelingsplan omvat een beschrijving van de wijze waarop de vergunninghouder de inrichting buiten gebruik stelt en ontmantelt (art. 1, eerste lid, Bkse). De vergunninghouder is op grond van artikel 28 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen verplicht om te handelen overeenkomstig het ontmantelingsplan.

De verplichting om te beschikken over een ontmantelingsplan en de verplichting om te handelen overeenkomstig dat plan gelden vanaf het moment dat een vergunning is afgegeven voor het oprichten van de nucleaire inrichting. Dat betekent dat in de praktijk al tijdens de voorbereiding van de aanvraag voor een oprichtingsvergunning (d.i. de ontwerpfase) rekening moet worden gehouden met de uiteindelijke ontmanteling van de inrichting. In het ontmantelingsplan dient dit te worden beschreven. Te denken valt onder andere aan de ruimtelijke scheiding van processen binnen de inrichting om besmettingen met radioactieve stoffen zoveel mogelijk te voorkomen.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen behoeft het ontmantelingsplan de goedkeuring van de Minister van EL&I. De Minister van EL&I kan voorschriften aan die goedkeuring verbinden (art. 27, vierde lid, Bkse). Vervolgens moet de vergunninghouder gedurende de bedrijfsvoering het ontmantelingsplan elke vijf jaar actualiseren en laten goedkeuren door de Minister van EL&I (art. 29 Bkse). Deze periodieke actualisatie van het ontmantelingsplan houdt in dat sprake is van een «levend document», dat de gehele levensduur van de inrichting meegaat.

Voor deze termijn van vijf jaar om het ontmantelingsplan te laten actualiseren is aangesloten bij de Aanbeveling van de Europese Commissie van 24 oktober 2006 betreffende het beheer van de financiële middelen voor de ontmanteling van nucleaire installaties en de verwerking van verbruikte splijtstof en radioactief afval (zie afdeling 4, onder 6, van de Aanbeveling).12

Er kunnen redenen zijn om een ontmantelingsplan eerder dan de genoemde actualisatieperiode van vijf jaar te wijzigen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer er geheel nieuwe ontmantelingstechnieken beschikbaar komen, of omdat de vergunninghouder om bijvoorbeeld economische redenen besluit de inrichting eerder buiten gebruik te stellen en te ontmantelen. In een dergelijk geval kan de Minister van EL&I eerdere actualisatie verlangen.

Bij de aanvraag voor een vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van een nucleaire inrichting wordt een ontmantelingsplan ingediend (art. 10, eerste lid, Bkse). Op het moment dat de vergunning wordt verleend voor de buitengebruikstelling en de ontmanteling wordt dit ontmantelingsplan een integraal onderdeel van die vergunning, en vormt het daarmee de basis voor de verrichtingen tijdens deze fase. De vergunninghouder is namelijk verplicht volgens de vergunning te werken (art. 76a Kew).

Het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen stelt enkele minimumeisen aan de inhoud van het ontmantelingsplan.

Allereerst moet het ontmantelingsplan een weerspiegeling zijn van de in paragraaf 3.3.1 beschreven ontmantelingsstrategie (art. 26, tweede lid, Bkse).

Een ander belangrijk element van het ontmantelingsplan is de planning van de buitengebruikstelling en de ontmanteling. Dit betekent dat de vergunninghouder al vanaf een vroeg stadium aangeeft wanneer hij van plan is de inrichting buiten gebruik te stellen en te ontmantelen. Hierdoor wordt ook inzichtelijk wanneer de financiële zekerheid ter dekking van de kosten van buitengebruikstelling en ontmanteling beschikbaar moet zijn (art. 26, eerste lid, Bkse).

Belangrijke elementen van het ontmantelingsplan zijn verder de inventaris van de splijtstoffen en de radioactieve stoffen die zich in de nucleaire inrichting bevinden of hebben bevonden. Deze verplichting geldt vanaf de oprichting tot en met het einde van de ontmanteling.

3.3.3. Financiële zekerheid

In het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen is de verplichting uit de Kernenergiewet voor de vergunninghouder om te beschikken over een goedgekeurde financiële zekerheid voor de kosten van de buitengebruikstelling en de ontmanteling verder uitgewerkt (art. 15f, eerste lid, Kew).

De verplichting om te beschikken over een goedgekeurde financiële zekerheid geldt alleen voor vergunninghouders van nucleaire inrichtingen waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt. De ontmanteling van andere nucleaire inrichtingen brengt aanzienlijk minder kosten met zich mee, omdat daar in het algemeen in veel geringere mate sprake is van met radioactiviteit besmette materialen of van geactiveerde materialen.

De verplichting tot het stellen van financiële zekerheid geldt vanaf het moment van in werking brengen van de inrichting totdat de ontmanteling is voltooid. Deze verplichting vangt dus op een later moment aan dan de verplichting tot het beschikken over een ontmantelingsplan. De reden hiervoor is dat er in de periode voorafgaand aan het in werking brengen van de inrichting nog niet of nauwelijks radioactieve stoffen of bestraalde splijtstoffen aanwezig zijn (geweest) in de inrichting en daarom de kosten voor de verwijdering van de inrichting nog niet zo hoog zullen zijn.

Het ontmantelingsplan dient als de basis voor de door de vergunninghouder te stellen financiële zekerheid. De financiële zekerheid moet gebaseerd zijn op het laatst goedgekeurde ontmantelingsplan (art. 44a, tweede lid, onder a, Bkse). De financiële zekerheid moet de kosten dekken van de buitengebruikstelling en de ontmanteling, zoals beschreven in het laatst goedgekeurde ontmantelingsplan (art. 44a, tweede lid, onder c, Bkse). Deze kosten worden bepaald aan de hand van een algemeen aanvaarde methode (art. 44a, tweede lid, onder b, Bkse). Bij een dergelijke methode is van belang dat gebruik wordt gemaakt van ervaringen uit eerdere ontmantelingsprojecten. Daarnaast biedt de «Standardised list of items for costing purposes in the decommissioning of nuclear installations» van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) een goede aanzet voor het in beeld brengen van de kostenposten. Tenslotte is het van belang dat de methodiek transparant is, zodat kan worden nagegaan in hoeverre de gekozen methodiek betrouwbaar is. Voorbeelden van dergelijke methoden zijn de berekeningsmethodieken die van rechtswege worden toegepast in België en Duitsland. Net als in de voorliggende regelgeving moeten in deze landen de ontmantelingskosten periodiek worden berekend op basis van een ontmantelingsplan.

Na elke wijziging van het ontmantelingsplan moet de financiële zekerheid worden geactualiseerd en opnieuw worden goedgekeurd (artt. 44b en 44d Bkse). Op deze wijze is een actuele koppeling aangebracht tussen het ontmantelingsplan en de financiële zekerheid.

Deze samenhang tussen het ontmantelingplan en de financiële zekerheid verandert gedurende de verschillende fasen waarin de inrichting zich bevindt. Tijdens de bedrijfsvoering is een belangrijk doel van het ontmantelingsplan en de actualisatieplicht daarvan het actueel houden van de financiële zekerheid. Immers, de financiële zekerheid moet de kosten dekken van de in het ontmantelingsplan beschreven wijze van buitengebruikstelling en ontmanteling. Tijdens de bedrijfsvoering komen de daarvoor benodigde gelden ook beschikbaar. Op het moment dat de inrichting buiten gebruik wordt gesteld en wordt ontmanteld, ligt de nadruk in het ontmantelingsplan meer bij de omschrijving van de te ondernemen activiteiten tijdens de buitengebruikstelling en de ontmanteling dan bij de financiële zekerheid. Nadat de inrichting buiten gebruik is gesteld, zullen er over het algemeen geen gelden meer worden gegenereerd.

3.3.4. Uitwerking nieuw systeem
3.3.4.1. Schema

In onderstaand schema is inzichtelijk gemaakt welke verplichtingen gelden in elke fase waarin een nucleaire inrichting zich bevindt.

Schema: verplichtingen in verband met ontmanteling en het stellen van financiële zekerheid in de verschillende fasen van een nucleaire inrichting

Gebruikte afkortingen:

FZ = financiële zekerheid

OP = ontmantelingsplan

In het schema wordt onderscheid gemaakt tussen drie fasen, te weten de fase van oprichting van een nucleaire inrichting (fase I), de fase van het in werking zijn van de inrichting (fase II) en de fase van buitengebruikstelling en ontmanteling (fase III). In de praktijk is het mogelijk om een vergunning tegelijkertijd voor het oprichten en het inwerking brengen/houden van een nucleaire inrichting te verlenen.

Fasen I, II en III

Zoals uit het schema naar voren komt, gelden de verplichtingen om te beschikken over, en te handelen overeenkomstig, een goedgekeurd ontmantelingsplan tijdens alle drie de fasen. Dat wil zeggen: vanaf het moment dat de vergunning voor het oprichten van de nucleaire inrichting is verleend, totdat de ontmanteling is voltooid en de ontmantelingsvergunning is ingetrokken (artt. 25, 27, eerste lid, en 28 Bkse).

Fasen II en III

De verplichting om te beschikken over een goedgekeurde financiële zekerheid geldt vanaf het begin van fase II tot en met het einde van fase III. Dat wil zeggen: vanaf het moment dat de vergunning voor het in werking brengen van een nucleaire inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, is verleend tot het moment dat de ontmantelingsvergunning is ingetrokken (art. 15f Kew).

Fase II

De verplichting om het ontmantelingsplan in ieder geval elke vijf jaar te actualiseren geldt gedurende fase II. Dat wil zeggen: vanaf het tijdstip waarop een vergunning voor het in werking brengen van de nucleaire inrichting is verleend, totdat een vergunning voor het buiten gebruik stellen van die inrichting is verleend (art. 29, eerste lid, Bkse).

De verplichting om de financiële zekerheid aan te passen aan de wijzigingen van het ontmantelingsplan en binnen zes maanden na goedkeuring van het ontmantelingsplan een aanvraag om goedkeuring van de geactualiseerde financiële zekerheid in te dienen geldt gedurende de gehele fase II (art. 44b Bkse). De financiële zekerheid moet ook (tussentijds) worden geactualiseerd indien de Minister van EL&I of de Minister van Financiën dit nodig acht (art. 44b Bkse).

Fase III

In fase III geldt de verplichting voor de vergunninghouder om te handelen overeenkomstig de vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van de nucleaire inrichting (art. 76a Kew). Het ontmantelingsplan maakt deel uit van deze vergunning.

Tegelijkertijd met de aanvraag om een vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, moet de vergunninghouder ook een aanvraag indienen om goedkeuring van de financiële zekerheid (art. 44c, eerste lid, Bkse). Zo is gewaarborgd dat de kosten voor de buitengebruikstelling en ontmanteling zoals beschreven in het ontmantelingsplan dat deel uitmaakt van de vergunning, worden gedekt door een goedgekeurde financiële zekerheid.

Als gedurende fase III de vergunning voor het buiten gebruik stellen of ontmantelen van een inrichting waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt, wordt gewijzigd in die zin dat het ontmantelingplan wordt aangepast, dan actualiseert de vergunninghouder de financiële zekerheid zodanig dat deze spoort met de wijzigingen van het ontmantelingsplan (art. 44d, eerste lid, Bkse). Binnen zes maanden na de wijziging van de vergunning dient de vergunninghouder een aanvraag om goedkeuring van de geactualiseerde financiële zekerheid in (art. 44d, tweede lid, Bkse).

Aan het einde van fase III toont de vergunninghouder ten genoegen van de Minister van EL&I aan dat de ontmanteling is voltooid (art. 30d, eerste lid, Bkse). De Minister van EL&I kan de ontmantelingsvergunning dan intrekken (art. 20a, derde lid, Kew).

3.3.4.2. Procedures
Goedkeuring ontmantelingsplan

De aanvraag om goedkeuring van het ontmantelingsplan wordt ingediend bij de Minister van EL&I (art. 27, eerste lid, Bkse). Goedkeuring wordt geweigerd indien het ontmantelingsplan niet voldoet aan de ontmantelingsstrategie of aan de andere eisen die bij of krachtens het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen zijn gesteld (art. 27, tweede lid, Bkse). De Minister kan aan de goedkeuring voorschriften verbinden (art. 27, vierde lid, Bkse).

De Minister van EL&I beslist binnen zes maanden op de aanvraag om goedkeuring van het ontmantelingsplan (art. 27, derde lid, Bkse). Deze beslistermijn is gelijk aan de beslistermijn voor de aanvraag om een vergunning voor het oprichten van een nucleaire inrichting (art. 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Het ligt voor de hand dat een aanvraag om een vergunning voor het oprichten van een inrichting tegelijkertijd met een aanvraag om goedkeuring van het ontmantelingsplan wordt ingediend.

Bovenstaande geldt overigens niet als hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Milieu- effectrapportage) van toepassing is op de voorbereiding van het besluit op de vergunningaanvraag. In dat geval bedraagt de beslistermijn op de vergunningaanvraag namelijk maximaal zes maanden en vijf weken (art. 7:34, tweede lid, van de Wet milieubeheer). De beschikking tot goedkeuring, of de onthouding daarvan, is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaat.

Goedkeuring financiële zekerheid

De aanvraag om goedkeuring voor de wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld, wordt ingediend bij de Minister van EL&I met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de Minister van Financiën (art. 44a, eerste lid, Bkse).

De Ministers van EL&I en van Financiën beslissen binnen zes maanden op de aanvraag om goedkeuring van de financiële zekerheid (art. 15f, zevende lid, Kew). Deze beslistermijn is gelijk aan de beslistermijn voor de aanvraag om een vergunning voor het in werking brengen en houden van een nucleaire inrichting waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt (art. 3:18, eerste lid, Awb). Uiterlijk zes maanden voor het in werking brengen van een nucleaire inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, wordt een aanvraag om een vergunning daarvoor en een aanvraag om goedkeuring van de financiële zekerheid ingediend.

De beschikking tot goedkeuring, of de onthouding daarvan, is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaat.

Actualisatie ontmantelingsplan en financiële zekerheid

Binnen vijf jaar nadat de vergunning voor het in werking brengen van een nucleaire inrichting is verleend, wordt het ontmantelingsplan geactualiseerd (art. 29, eerste lid, Bkse). Het geactualiseerde ontmantelingsplan wordt ter goedkeuring aan de Minister van EL&I voorgelegd (art. 27, eerste lid, Bkse). De minister beslist binnen zes maanden op de aanvraag om goedkeuring van het geactualiseerde ontmantelingsplan (art. 27, derde lid, Bkse).

Na aanpassing van de financiële zekerheid aan het geactualiseerde ontmantelingsplan wordt binnen zes maanden na de goedkeuring van het geactualiseerde ontmantelingsplan een aanvraag om goedkeuring van de financiële zekerheid ingediend bij de Minister van EL&I met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de Minister van Financiën (art. 44b Bkse). De ministers beslissen binnen zes maanden op deze aanvraag (art. 15f, zevende lid, Kew).

Vergunningaanvraag voor het buiten gebruik stellen en ontmantelen

Tegelijkertijd met de aanvraag om een vergunning voor de buitengebruikstelling van een nucleaire inrichting wordt tevens een aanvraag om een vergunning voor de ontmanteling ervan ingediend (art. 10, vierde lid, Bkse). Bij de aanvraag om een vergunning voor het buiten gebruik stellen of ontmantelen van een nucleaire inrichting wordt een ontmantelingsplan ingediend (art. 10, eerste lid, Bkse). De Minister van EL&I beslist binnen zes maanden op de vergunningaanvraag (art. 3:18, eerste lid, Awb), of binnen zes maanden en vijf weken indien de mer-procedure van toepassing is (art. 7:34, tweede lid, van de Wet milieubeheer).

Indien de aanvraag om een vergunning voor het buiten gebruik stellen en ontmantelen betrekking heeft op een nucleaire inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, wordt tegelijkertijd met die vergunningaanvraag een aanvraag om goedkeuring van de financiële zekerheid ingediend (art. 44c Bkse). De Ministers van EL&I en van Financiën beslissen binnen zes maanden op de aanvraag om goedkeuring (art. 15f, zevende lid, Kew).

Wijziging vergunning voor het buiten gebruik stellen en ontmantelen

Bij de aanvraag om wijziging van een vergunning voor het buiten gebruik stellen en ontmantelen van een nucleaire inrichting wordt, indien de voorgenomen wijziging van invloed is op een of meer gegevens zoals vermeld in het ontmantelingsplan, een aanvulling van het plan overgelegd (art. 10, derde lid, onder c, Bkse). De Minister van EL&I beslist binnen zes maanden op de vergunningaanvraag (art. 3:18, eerste lid, Awb), of binnen zes maanden en vijf weken indien artikel 7:34, tweede lid, van de Wet milieubeheer van toepassing is.

Binnen zes maanden na wijziging van de vergunning voor het buiten gebruik stellen of het ontmantelen van een nucleaire inrichting waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt, wordt, als die wijziging betrekking had op het ontmantelingsplan, de financiële zekerheid geactualiseerd (art. 44d, eerste lid, Bkse). Binnen zes maanden na de wijziging van de vergunning moet een aanvraag om goedkeuring van de geactualiseerde financiële zekerheid worden ingediend (art. 44d, tweede lid, Bkse). De Ministers van EL&I en van Financiën beslissen vervolgens binnen zes maanden op deze aanvraag (art. 15f, zevende lid, Kew).

Intrekken van de ontmantelingsvergunning

Na voltooiing van de ontmanteling kan de houder van een vergunning voor ontmanteling een aanvraag om het intrekken van deze vergunning indienen bij de Minister van EL&I (art. 20a, derde lid, Kew). De Minister van EL&I beslist binnen zes maanden op die aanvraag (art. 30c Bkse). De Minister van EL&I kan de vergunning overigens ook ambtshalve intrekken.

4. Voorziening voor opslag van ontstane afvalstoffen

Radioactieve afvalstoffen moeten op grond van artikel 38, derde lid, van het Besluit stralingsbescherming zo snel als redelijkerwijs mogelijk is worden afgevoerd. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op splijtstof of erts bevattende afvalstoffen (art. 19 Bkse). Aangezien COVRA de enige instelling is die is aangewezen voor de ontvangst van dergelijke afvalstoffen, betekent dit dat deze afvalstoffen naar COVRA moeten worden gebracht.

Nu is het bij het gebruik van nucleaire inrichtingen denkbaar dat daarbij of door opwerking van de in die inrichting gebruikte splijtstoffen, splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen ontstaan, waarvoor COVRA óf in de toekomst niet voldoende geschikte voorziening voor de opslag ervan heeft, óf in het geheel geen geschikte voorziening voor de opslag ervan heeft. In het eerste geval kan worden gedacht aan het HABOG (Hoogradioactief Afval Behandelings- en OpslagGebouw) van COVRA, waar nu het na opwerking resterende verglaasde restafval van de kerncentrale Borssele en de kerncentrale Dodewaard wordt opgeslagen. De capaciteit hiervan is echter onvoldoende om al het restafval op te slaan dat uit de kerncentrale Borssele ontstaat tot de sluiting ervan eind 2033 (verondersteld dat de kerncentrale Borssele tot de sluiting alle ontstane bestraalde splijtstoffen laat opwerken). In het tweede geval kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat de kerncentrale Borssele op een gegeven moment de ontstane bestraalde splijtstoffen niet meer laat opwerken. De huidige opslagfaciliteiten van COVRA, inclusief het HABOG, zijn niet geschikt om de bestraalde splijtstoffen direct in te kunnen opslaan. Ook kan worden gedacht aan de splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen die ontstaan bij de eventuele ingebruikname van een nieuwe kernenergiecentrale of een nieuwe onderzoeksreactor of aan het afval dat bij de ontmanteling daarvan zal ontstaan.

Het nieuwe artikel 30f van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen maakt duidelijk dat de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder van een nucleaire inrichting niet ophoudt als er geen opslagmogelijkheden zijn voor het afval dat ontstaat door het gebruik van zijn inrichting, de opwerking van in de inrichting gebruikte splijtstoffen of de ontmanteling van de inrichting. Artikel 30f van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen verplicht hem dan een voorziening voor de opslag te treffen.

Gegeven het feit dat COVRA daarvoor in Nederland de enige inrichting is waar radioactieve afvalstoffen (en splijtstof en erts bevattende afvalstoffen) mogen worden opgeslagen, betekent dit dat de te treffen voorziening bijvoorbeeld kan bestaan uit het sluiten van een overeenkomst met COVRA, waarbij wordt bepaald dat COVRA een passende opslagfaciliteit bouwt. Uiteraard zal COVRA een dergelijke overeenkomst alleen aangaan wanneer de kosten van die opslagfaciliteit door de vergunninghouder van de inrichting worden gedekt en het bevoegd gezag voornemens is deze faciliteit te vergunnen.

Overigens heeft de te treffen voorziening geen betrekking op de eindberging, omdat het Nederlandse beleid is dat radioactief afval ten minste honderd jaar bij COVRA wordt opgeslagen.

5. Bedrijfs- en milieueffecten

5.1. Bedrijfseffecten

Voor de gevolgen voor het bedrijfsleven zijn met name de verplichtingen tot directe ontmanteling en tot het treffen van een voorziening voor splijtstof of erts bevattende afvalstoffen en bij de ontmanteling vrijkomende radioactieve stoffen (artt. 30 en 30f Bkse) van belang. Ook de bepalingen over het ontmantelingsplan (artt. 25, 26 en 28 Bkse) hebben gevolgen voor het bedrijfsleven.

De wijzigingen in dit besluit ter uitwerking van de vereenvoudiging van het bevoegd gezag, de verplichtingen ten aanzien van de ontmanteling en de aanvraag tot goedkeuring van de financiële zekerheid hebben gevolgen voor de administratieve lasten van het bedrijfsleven. Voor een beschrijving hiervan wordt verwezen naar paragraaf 6.

De verplichting tot directe ontmanteling (art. 30 Bkse) heeft gevolgen voor de inrichtingen die over een vergunning beschikken op grond van artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet. Het betreft de volgende bestaande inrichtingen: COVRA in Borsele (vergunninghouder: COVRA), de Hoge en Lage Flux Reactors in Petten (NRG), het Reactor Instituut in Delft (Universiteit Delft), Urenco in Almelo (Urenco) en eventuele toekomstige nucleaire inrichtingen. Voor de kerncentrale in Dodewaard (GKN) heeft deze verplichting geen gevolgen: artikel VI van dit besluit eerbiedigt de reeds vergunde uitgestelde ontmanteling. Ook voor de kerncentrale Borssele (EPZ) heeft dit besluit geen substantiële gevolgen. Voor deze kerncentrale is de keuze voor directe ontmanteling al in het Convenant kerncentrale Borssele vastgelegd (art. 5, eerste en tweede lid, van het convenant).

Enerzijds biedt de opname van de verplichting tot directe ontmanteling in de regelgeving duidelijkheid voorafgaand aan de vergunningverlening van nucleaire inrichtingen. Dit brengt rechtszekerheid met zich mee voor de hierboven genoemde vergunninghouders.

Anderzijds kan de ontmanteling van nucleaire inrichtingen door de verplichting tot directe ontmanteling duurder worden dan wanneer was gekozen voor een uitgestelde ontmanteling. Bij een directe ontmanteling is het niet meer mogelijk om het voor de ontmanteling gereserveerde geld na het beëindigen van de normale bedrijfsvoering nog voor een geruime tijd te laten renderen. Echter, daar staan tegenover de onzekerheden van de ontwikkeling van het rendement, de inflatie, de kosten van de ontmanteling en de kosten van de veilige insluiting gedurende die tijd.

Deze onzekerheden en de omstandigheid dat de gevolgen van de verplichting sterk zullen verschillen afhankelijk van het type nucleaire inrichting, maken het moeilijk om aan te geven wat de concrete gevolgen zullen zijn van de verplichting tot directe ontmanteling. Een van de redenen waarom de verplichting tot directe ontmanteling is geïntroduceerd is juist om de risico’s als gevolg van deze onzekerheden zoveel als mogelijk weg te nemen.

Er worden geen noemenswaardige gevolgen voor de marktwerking verwacht als gevolg van de verplichting tot directe ontmanteling. Wereldwijd bestaat er tegenwoordig een duidelijke voorkeur voor directe ontmanteling.

De verplichtingen tot het treffen van een voorziening voor splijtstof of erts bevattende afvalstoffen en tot het treffen van een voorziening voor radioactieve afvalstoffen die vrijkomen bij de ontmanteling (art. 30f Bkse) betreffen een formalisering van een reeds bestaande praktijk.

In Nederland is COVRA aangewezen als instelling voor de ontvangst van radioactieve afvalstoffen. Dit is de enige plek waar vergunninghouders van een nucleaire inrichting zich thans van hun radioactieve, of splijtstof en erts bevattende afvalstoffen kunnen ontdoen (artt. 37, achtste lid, Bs en 42, derde lid, onder e, Bkse).

De verplichting tot het treffen van een voorziening voor splijtstof of erts bevattende afvalstoffen is gericht tot alle vergunninghouders van nucleaire inrichtingen die over een vergunning beschikken op grond van artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet. In de praktijk is de verplichting echter niet voor alle inrichtingen van belang. Immers niet in alle nucleaire inrichtingen ontstaan splijtstof of erts bevattende afvalstoffen door het gebruik ervan of door opwerking van in de inrichting gebruikte splijtstoffen.

De verplichting tot het treffen van een voorziening voor radioactieve afvalstoffen is gericht tot alle vergunninghouders van nucleaire inrichtingen die over een vergunning beschikken op grond van artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet. Het betreft COVRA, NRG, de Universiteit Delft, Urenco, GKN en EPZ.

Opname van deze verplichtingen in de regelgeving biedt duidelijkheid en verzekert dat vergunninghouders tijdig stappen ondernemen om de benodigde voorzieningen voor de radioactieve afvalstoffen te treffen.

Indien de vergunninghouder kosten moet maken om te voldoen aan deze verplichtingen, dan zijn dat kosten die hij al had moeten maken voor de inwerkingtreding van deze onderdelen van het onderhavige besluit. Op het moment dat vergunninghouders zich ontdoen van radioactieve, of splijtstof en erts bevattende afvalstoffen bij COVRA, betalen zij namelijk een vergoeding bedoeld voor de beheerkosten (dit betreft opslag, eventuele behandeling en uiteindelijke eindberging van het afval).

5.2. Milieueffecten

De wijzigingen in dit besluit ter uitwerking van de vereenvoudiging van het bevoegd gezag en de aanvraag tot goedkeuring van de financiële zekerheid hebben geen gevolgen voor het milieu. De wijzigingen ter uitwerking van de vereenvoudiging van het bevoegd gezag beogen het bevoegd gezag voor beschikkingen, meldingsplichten en ministeriële regelingen zoveel mogelijk te vereenvoudigen. De wijzigingen ter uitwerking van de aanvraag tot goedkeuring van de financiële zekerheid beogen het mogelijk te maken voor de Ministers van EL&I en van Financiën om de wijze waarop financiële zekerheid is gesteld te kunnen beoordelen.

De wijzigingen in dit besluit ten aanzien van de ontmanteling hebben positieve gevolgen voor het milieu. De eisen in dit besluit ten aanzien van de ontmanteling zorgen er namelijk voor dat bij het ontwerp van een nucleaire inrichting en tijdens de bedrijfsvoering van die inrichting voldoende aandacht wordt besteed aan de uiteindelijke ontmanteling van de inrichting en dat bij voltooiing van die ontmanteling het terrein van de inrichting geschikt is gemaakt voor elke volgende functie. Overigens treden de feitelijke milieugevolgen in bij de daadwerkelijke buitengebruikstelling en ontmanteling van de nucleaire inrichting.

6. Administratieve lasten

De in dit besluit geregelde onderwerpen vereenvoudiging van het bevoegd gezag, het ontmantelingsplan, de aanvraag tot het intrekken van een ontmantelingsvergunning en de aanvraag voor de goedkeuring van financiële zekerheid hebben gevolgen voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven.

Dit besluit vereenvoudigt het bevoegd gezag voor meerdere beschikkingen en meldingsplichten. Dit leidt in sommige gevallen tot een vermindering van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Dat is het geval wanneer was voorgeschreven dat de aanvraag om een vergunning of een melding aan meerdere ministers moest geschieden en dit in het vervolg alleen nog aan de Minister van EL&I hoeft te gebeuren. Het gaat om de volgende gevallen:

  • de kennisgeving van wijzigingen van eerder verstrekte gegevens in verband met de melding van (het beëindigen van) handelingen met toestellen (art. 41, vijfde lid, Bs), en

  • de melding van het vervoer van radioactieve stoffen en van het in- of uitvoeren van bepaalde radioactieve stoffen (artt. 4c, eerste lid, en 32, eerste lid, Bvser).

Deze wijzigingen leiden tot een totale vermindering van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven met € 1.000,– per jaar.

De vergunninghouders van een nucleaire inrichting (art. 15, onder b, Kew) moeten op grond van dit besluit beschikken over een ontmantelingsplan dat door de Minister van EL&I is goedgekeurd (artt. 25 en 27, eerste lid, Bkse). Het ontmantelingsplan moet voldoen aan de eisen die daaraan bij of krachtens het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen zijn gesteld (art. 26, tweede lid, Bkse). Het plan moet ten minste eens in de vijf jaar worden geactualiseerd, of eerder indien de Minister van EL&I dit nodig acht, en opnieuw ter goedkeuring aan de Minister van EL&I worden voorgelegd (art. 29, eerste lid, Bkse).

De verplichting te beschikken over een goedgekeurd ontmantelingsplan heeft betrekking op vijf bedrijven die tezamen over zes nucleaire inrichtingen beschikken. Aangezien deze verplichting voor de meeste betrokken bedrijven reeds op grond van vergunningvoorschriften gold, zullen ze deze toename van de administratieve lasten niet als zodanig ervaren. De verplichting is immers niet nieuw voor ze. De administratieve lasten voor het bedrijfsleven nemen als gevolg van deze wijzigingen in totaal toe met € 68.900,– per jaar.

De Wijziging van de Kernenergiewet maakt het voor de Minister van EL&I mogelijk om een ontmantelingsvergunning in te trekken. Dit besluit bepaalt dat bij de aanvraag tot het intrekken van een vergunning voor de ontmanteling van een nucleaire inrichting de vergunninghouder ten genoegen van de Minister van EL&I moet aantonen dat de ontmanteling is voltooid. Daarbij moet hij in ieder geval aantonen dat het terrein waarop de inrichting was gevestigd weer geschikt is voor elke volgende functie (artt. 30d, eerste lid, en 30a, eerste lid, Bkse). Er wordt vanuit gegaan dat hier een uitgebreid bodemonderzoek voor nodig is. De kosten hiervan bedragen naar schatting € 10.000 per keer. De bepaling is relevant voor vijf vergunninghouders van een nucleaire inrichting. Het is de verwachting dat een dergelijke aanvraag gemiddeld eens in de tien jaar zal worden gedaan. Dit betekent dat deze mogelijkheid een ontmantelingsvergunning in te trekken leidt tot een verhoging van de totale administratieve lasten voor het bedrijfsleven van € 1.000,– per jaar.

In dit besluit zijn enige aanvullende eisen gesteld aan de inhoud van de aanvraag om goedkeuring van de te stellen financiële zekerheid voor de kosten van de buitengebruikstelling en ontmanteling van een kerncentrale (art. 44a, tweede lid, Bkse). De overige administratieve lasten van het aanvragen van een dergelijke goedkeuring zijn reeds bij de Wijziging van de Kernenergiewet in kaart gebracht.13 Nadat een geactualiseerd ontmantelingsplan is goedgekeurd, moet de vergunninghouder binnen zes maanden opnieuw een aanvraag om goedkeuring van de financiële zekerheid indienen (art. 44b, tweede lid, Bkse). Aangezien een ontmantelingsplan in ieder geval eens in de vijf jaar moet worden geactualiseerd, moet ook eens in de vijf jaar een hernieuwde aanvraag voor goedkeuring van de financiële zekerheid worden ingediend.

Deze aanvullende eisen leiden tot een verhoging van de totale administratieve lasten voor het bedrijfsleven met € 1.400,– per jaar.

Gelet op het voorgaande nemen de totale administratieve lasten voor het bedrijfsleven als gevolg van dit besluit per saldo met € 70.300 per jaar toe. Een aanzienlijk deel van de lasten ten gevolge van de ontmantelingsplannen is voor de bedrijven echter niet nieuw. De totale merkbare stijging van de administratieve lasten voor bedrijven ten gevolge van dit besluit wordt op € 20.000 per jaar geschat.

Dit besluit heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten voor burgers.

7. Reacties op het ontwerp

Het ontwerp voor dit besluit is op 9 april 2010 op grond van artikel 76, eerste lid, van de Kernenergiewet overgelegd aan de beide Kamers van de Staten-Generaal en op 15 april 2010 voor inspraak in de Staatscourant gepubliceerd (Stcrt. 2010, 5687).

De vaste commissie voor VROM van de Tweede Kamer heeft een aantal vragen gesteld over het ontwerpbesluit. Deze vragen zijn door de Minister van VROM beantwoord bij brief van 21 mei 2010 (Kamerstukken II 2009/2010, 25 422, nr. 79).

Naar aanleiding van de voorpublicatie zijn reacties ontvangen van COVRA en van GKN.

Kort samengevat geeft COVRA aan dat de verplichting tot het direct ontmantelen van een nucleaire inrichting na het buiten gebruik stellen ervan in de praktijk tot moeilijkheden zou kunnen leiden. COVRA wijst erop dat hoewel de Kernenergiewet een onderscheid maakt tussen deze fasen, er in de praktijk nauwelijks sprake is van een volgtijdelijkheid: vaak is het met het oog op het vermijden van dosis aantrekkelijk om individuele systemen achtereenvolgens buiten gebruik te stellen en te ontmantelen, terwijl andere systemen met het oog op de veiligheid nog in gebruik zijn. De verplichting dat een inrichting na buitengebruikstelling direct wordt ontmanteld zou een dergelijke planning onmogelijk kunnen maken.

Bovenstaande reactie heeft aanleiding gegeven tot het aanpassen van de artikelen II, onder F (art. 10, vierde lid), G en L (artt. 26, 30, 30f en 44a), VI, VII en VIII en de nota van toelichting. De formulering van de verplichting tot directe ontmanteling is aangepast om te voorkomen dat de buitengebruikstelling en ontmanteling volgtijdelijk moeten plaatsvinden. De formulering van de verplichting tot «directe ontmanteling» is aangepast in die zin dat als de normale bedrijfsvoering is gestopt, direct moet worden aangevangen met de buitengebruikstelling en de ontmanteling. Voorts zijn aanpassingen aangebracht in de artikelen en de nota van toelichting waar een onderscheid werd gemaakt in de verschillende fasen van buitengebruikstelling en ontmanteling en werd uitgegaan van volgtijdelijkheid in deze fasen. Een dergelijk onderscheid blijkt niet overeen te komen met de huidige praktijk waarin beide handelingen gelijktijdig kunnen worden uitgevoerd.

Kort samengevat geeft GKN aan dat de gebruikte formulering van artikel 30a over de te realiseren eindsituatie bij de voltooiing van de ontmanteling onwenselijke gevolgen kan hebben. GKN merkt op dat het geschikt maken van het terrein waarop de inrichting was gevestigd voor elke volgende functie in het geval van Dodewaard niet voor de hand ligt, aangezien de centrale zich «buitendijks» bevindt. De vergunninghouder kan in dit geval redelijkerwijs niet verantwoordelijk worden gesteld voor het geschikt maken van het terrein voor bijvoorbeeld de bouw van woningen, aangezien woningbouw met het oog op overstromingsrisico’s op deze locatie niet wenselijk is. Meer in het algemeen komt het voor dat er op een locatie, als gevolg van besluiten, regelgeving of plannen, beperkingen gelden ten aanzien van de functie of het gebruik ervan. Een voorbeeld hiervan zijn de ruimtelijke beperkingen die op grond van het groepsrisico-beleid rondom bepaalde inrichtingen gelden.

Met het realiseren van een «groene weide» wordt gedoeld op het opheffen van beperkingen die aan de realisatie van een volgende functie in de weg staan en die het gevolg zijn van de nucleaire inrichting. Deze beperkingen betreffen zowel de radiologische als de niet-radiologische aspecten. Een vergunninghouder kan in redelijkheid niet verplicht worden gesteld tot het opheffen van beperkingen die niet het gevolg zijn van de inrichting. Artikel 30a en de nota van toelichting zijn om deze reden aangepast.

De vragen die door de vaste commissie voor VROM van de Tweede Kamer zijn gesteld, gaven geen aanleiding tot aanpassing van het besluit of de nota van toelichting.

Voorts zijn ten opzichte van het ontwerpbesluit nog enkele wetstechnische verbeteringen aangebracht.

Het ontwerpbesluit is op 9 juli 2010 ingevolge artikel 33, derde volzin, van het Euratom-verdrag voorgelegd aan de Europese Commissie. Het ontwerp-besluit heeft de Europese Commissie geen aanleiding gegeven om opmerkingen te maken.

Het ontwerpwijzigingsbesluit is op 27 juli 2010 gemeld aan de Europese Commissie (notificatienummer 2010/0525/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende de informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Het ontwerp-besluit heeft de Europese Commissie en andere Lid-staten geen aanleiding gegeven om opmerkingen te maken.

Het ontwerpwijzigingsbesluit is niet aan de WTO gemeld, omdat het in dat kader geen significante gevolgen heeft.

II. ARTIKELEN

Artikelen of onderdelen daarvan die, gelet op het algemeen deel van deze nota van toelichting, geen afzonderlijke bespreking behoeven, worden hieronder niet behandeld.

Artikel II

Onderdeel B

De woorden «een handeling met» zijn in artikel 4, tweede lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen geschrapt omdat ze overbodig waren en verwarring konden veroorzaken over de verhouding van het tweede lid tot het eerste lid. Het tweede lid bevat aanvullende voorschriften voor het geval de aanvraag om een vergunning voor het voorhanden hebben van splijtstoffen betrekking heeft op een ingekapselde bron.

Onderdelen C, D en E

In de artikelen 6, 8 en 9 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen is de verplichting geschrapt om bij de aanvraag om een vergunning voor het oprichten van een nucleaire inrichting een globale beschrijving over te leggen van de wijze waarop de aanvrager van plan is de inrichting te ontmantelen en in de financiering daarvan te voorzien. Deze verplichting is vervangen door de verplichting in artikel 15f, eerste lid, van de Kernenergiewet om financiële zekerheid te stellen en de verplichting in artikel 25 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen om te beschikken over een ontmantelingsplan.

Onderdeel F

Bij de aanvraag om een vergunning voor het buiten gebruik stellen en ontmantelen van een nucleaire inrichting moet op grond van artikel 10, eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen een ontmantelingsplan worden overgelegd. In de vergunning kan worden bepaald dat het ontmantelingsplan deel uitmaakt van de vergunning. De vergunninghouder is daardoor gehouden om de buitengebruikstelling en de ontmanteling uit te voeren overeenkomstig het ontmantelingsplan (art. 76a Kew).

Tevens zijn de (minimum)eisen met betrekking tot een ontmantelingsplan uit artikel 10 geschrapt. Deze eisen zijn nu opgenomen in artikel 26.

Onderdeel G

Dit onderdeel voegt in hoofdstuk IIIa (Algemene regels) van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen enkele bepalingen in over ontmanteling en buitengebruikstelling. Het gaat om de artikelen 25 tot en met 30d.

Artikel 25

Op grond van deze bepaling in combinatie met artikel 27 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen moet een vergunninghouder van een nucleaire inrichting beschikken over een door de Minister van EL&I goedgekeurd ontmantelingsplan. De verplichting geldt voor iedere vergunninghouder voor een nucleaire inrichting, behalve voor de houder van een vergunning voor het buitengebruikstellen of ontmantelen van een nucleaire inrichting. Bij de aanvraag om een vergunning voor buitengebruikstelling of ontmanteling wordt een ontmantelingsplan overgelegd (artikel 10 Bkse); dit plan wordt uiteindelijk onderdeel van die vergunning.

Artikel 26

In artikel 26, eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen is een aantal minimumeisen opgenomen met betrekking tot de inhoud van een ontmantelingsplan. Deze eisen hebben betrekking op het omschrijven van de periode waarin de buitengebruikstelling en de ontmanteling plaatsvinden en de planning van de buitengebruikstelling en de ontmanteling (onderdelen a en b), de inventarisatie van splijtstoffen en radioactieve stoffen (onderdeel c), de toe te passen (ontmantelings)technieken (onderdeel e), de kwalificatie van de betrokken medewerkers (onderdeel d) en de relevante milieuaspecten (onderdeel f).

Op grond van het tweede lid moet een ontmantelingsplan, conform artikel 30, gericht zijn op een zogenaamde «directe ontmanteling» en het zo snel als redelijkerwijs mogelijk voltooien van de buitengebruikstelling en de ontmanteling. Verder moet in het ontmantelingsplan worden uitgegaan van een «groene weide» als eindpunt van de ontmanteling (art. 30a, eerste lid, Bkse). Het ontmantelingsplan moet ook voldoen aan eventuele vereisten die de krachtens artikel 30b gestelde ministeriële regeling stelt aan de wijze van ontmantelen.

Op grond van artikel 26, derde lid, kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld aan de inhoud van een ontmantelingsplan. Deze regels kunnen verschillen naar gelang de fase waarin de inrichting zich bevindt en het type inrichting.

Artikel 27

Ingevolge artikel 27, derde lid, beslist de Minister van EL&I binnen zes maanden op een aanvraag om goedkeuring van een ontmantelingsplan. Deze beslistermijn is gelijk aan de beslistermijn voor een aanvraag om een vergunning voor het oprichten, het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting. De verplichting om te beschikken over een goedgekeurd ontmantelingsplan (art. 25 Bkse) staat echter los van het verbod zonder vergunning een nucleaire inrichting op te richten, in werking te brengen of in werking te houden en de daarbijbehorende voorbereidings-, bezwaar- en beroepsprocedures. De procedures vinden in beide gevallen onafhankelijk van elkaar plaats en de uiteindelijke beslissingen worden vastgelegd in afzonderlijke beschikkingen van de Minister van EL&I.

De Minister van EL&I weigert goedkeuring te verlenen als het ontmantelingsplan niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen zijn gesteld (art. 27, tweede lid, Bkse). Ook kunnen voorschriften worden verbonden aan de goedkeuring (art. 27, vierde lid, Bkse). De vergunninghouder is verplicht te voldoen aan de voorschriften die door de Minister van EL&I aan de goedkeuring zijn verbonden (art. 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten zoals gewijzigd door de Wijziging van de Kernenergiewet).

Artikel 28

In artikel 28 is de verplichting opgenomen om bij het oprichten van een nucleaire inrichting en tijdens de bedrijfsvoering ervan te handelen overeenkomstig het laatst goedgekeurde ontmantelingsplan. Het betreft die onderdelen uit het ontmantelingsplan die betrekking hebben op de fase waarin de inrichting zich bevindt.

Artikel 29

Het ontmantelingsplan wordt ingevolge artikel 29 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen tijdens de bedrijfsvoering van de nucleaire inrichting ten minste elke vijf jaar door de vergunninghouder geactualiseerd. Eerdere actualisatie moet plaatsvinden wanneer dit naar het oordeel van de Minister van EL&I noodzakelijk is.

Het geactualiseerde ontmantelingsplan behoeft elke keer opnieuw goedkeuring van de Minister van EL&I.

De actualisatieplicht gaat pas gelden vanaf het moment dat vergunning is verleend voor het in werking brengen van de inrichting. De reden hiervoor is dat er in een eerder stadium niet zoveel verandert aan het ontmantelingsplan dat is ingediend voorafgaand aan de oprichting van de inrichting. De actualisatieplicht stopt op het moment dat de vergunning voor de buitengebruikstelling en ontmanteling is verleend. Iedere wijziging aan het ontmantelingsplan in die fase betekent dan immers ook een wijziging van de vergunning voor de buitengebruikstelling en ontmanteling.

Het ligt voor de hand om bij de actualisatie van het ontmantelingsplan, indien aan de orde, eveneens de aanbevelingen in overweging te nemen die in de laatste periodieke veiligheidsevaluatie op grond van de vergunning zijn gedaan.

Artikel 30

In artikel 30, eerste lid, is de verplichting opgenomen dat na beëindiging van de normale bedrijfsvoering direct moet worden aangevangen met de buitengebruikstelling en ontmanteling van de nucleaire inrichting. Het stopzetten van de activiteiten in het kader van bijvoorbeeld onderhoud of een splijtstofwissel vallen onder de normale bedrijfsvoering. Van beëindiging van de normale bedrijfsvoering is bijvoorbeeld sprake als gedurende langere tijd geen activiteiten hebben plaatsgevonden waarvoor de vergunning is verleend, of – als sprake is van een kerncentrale – gedurende die periode geen kernenergie is vrijgemaakt. In het tweede lid is de mogelijkheid opgenomen voor de Minister van EL&I om in bijzondere omstandigheden toe te staan dat wordt afgeweken van deze verplichting om direct aan te vangen met de buitengebruikstelling en de ontmanteling en een later tijdstip te bepalen.

Het creëren van een toestand van een «veilige insluiting», en het hanteren van een wachttijd tot wordt begonnen met de daadwerkelijke ontmanteling, is derhalve niet toegestaan.

Het derde lid bepaalt dat de ontmanteling zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, moet zijn voltooid. De ontmanteling van een nucleaire inrichting vergt meerdere jaren. Deze termijn kan van geval tot geval variëren. Daardoor is niet op voorhand één vaste termijn voor ontmanteling vast te leggen.

Artikel 30a

In het eerste lid is het uitgangspunt van de «groene weide» uitgewerkt: na voltooiing van de buitengebruikstelling en ontmanteling mogen er op de locatie van de nucleaire inrichting geen beperkingen meer gelden voor ongeacht welke volgende functie voor zover die beperkingen het gevolg zijn van de nucleaire inrichting (zie ook paragraaf 3.3.1 van het algemeen deel van deze nota van toelichting).

De vergunninghouder voor het oprichten, het in werking brengen en het in werking houden van een nucleaire inrichting moet er bij het opstellen van zijn ontmantelingsplan vanuit gaan dat de wijze van ontmantelen is gericht op het realiseren van een «groene weide». Voor de vergunninghouder van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, betekent dit ook dat de door hem te stellen financiële zekerheid de kosten moet dekken van een ontmanteling die is gericht op het realiseren van een «groene weide».

In het tweede lid is de mogelijkheid opgenomen voor de Minister van EL&I om bij de vergunning voor de buitengebruikstelling en de ontmanteling af te wijken van het uitgangspunt van de «groene weide». Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat wordt aangetoond dat op de locatie van de te ontmantelen nucleaire inrichting de bouw van een andere inrichting is voorzien. In een dergelijk geval zou een volledige amovering van alle op de locatie aanwezige gebouwen die op zich in aanmerking zouden kunnen komen voor hergebruik, onnodig zijn. In de fase van oprichting, in werking hebben en in werking houden van een nucleaire inrichting is het echter niet mogelijk om uit te gaan van een andere eindsituatie dan de «groene weide». Dit houdt verband met het feit dat bij het stellen van financiële zekerheid rekening moet worden gehouden met de meest vergaande (en dus meest kostbare) variant van ontmanteling.

Artikel 30c

Op grond van artikel 20a, derde lid, van de Kernenergiewet kan de Minister van EL&I een vergunning voor de ontmanteling van een nucleaire inrichting intrekken wanneer de ontmanteling is voltooid. In artikel 30c van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen is een beslistermijn van zes maanden opgenomen voor het beslissen op een verzoek om intrekking van de ontmantelingsvergunning.

Artikel 30d

In deze bepaling is de verplichting voor de houder van een ontmantelingsvergunning opgenomen om bij zijn verzoek tot intrekking van die vergunning aan te tonen dat de ontmanteling is voltooid. Daartoe moet hij aantonen dat is voldaan aan de eis van de «groene weide». Indien op grond van artikel 30a, tweede lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen daarvan wordt afgeweken, moet de vergunninghouder aantonen dat wordt voldaan aan de aan de ontmantelingsvergunning verbonden voorschriften over de te bereiken eindsituatie.

Artikel 30e

Naast splijtstof of erts bevattende afvalstoffen kunnen er ook radioactieve afvalstoffen vrijkomen bij de buitengebruikstelling en ontmanteling van een nucleaire inrichting. In dit artikel is daarom de mogelijkheid opgenomen om de regels krachtens de artikelen 26, derde lid, 30b en 30d, tweede lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen tevens van toepassing te laten zijn op radioactieve afvalstoffen. Op die manier is het niet alleen mogelijk om bij ministeriële regeling regels te stellen ten aanzien van splijtstof of erts bevattende afvalstoffen, maar ook ten aanzien van radioactieve afvalstoffen.

Onderdeel H

Het nieuwe artikel 30f, eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen verplicht de vergunninghouder van een nucleaire inrichtingtijdigeen voorziening te treffen voor de opslag van de splijtstof of erts bevattende afvalstoffen die door het gebruik van die inrichting ontstaan (onderdeel a), de splijtstof of erts bevattende afvalstoffen en de radioactieve afvalstoffen die terugkomen na opwerking van de bestraalde splijtstoffen die in die inrichting zijn gebruikt (onderdeel b) en de radioactieve afvalstoffen die vrijkomen bij de buitengebruikstelling en de ontmanteling van die inrichting (onderdeel c). Indien de vergunninghouder ervoor kiest om bestraalde splijtstof niet op te werken, is er sprake van een splijtstof of erts bevattende afvalstof. Indien wordt gekozen voor opwerking van de splijtstoffen valt het restafval van die opwerking onder de definitie van splijtstof en erts bevattende afvalstoffen of de definitie van radioactieve afvalstoffen, afhankelijk van het restpercentage plutonium of uranium. In al deze gevallen is de bovengenoemde verplichting om tijdig een voorziening te treffen relevant.

De verplichting van artikel 30f richt zich in principe tot de vergunninghouders van alle nucleaire inrichtingen: kernenergiecentrales (de kerncentrales Borssele en Dodewaard), onderzoeksreactoren (in Petten en Delft), inrichtingen waar splijtstoffen worden be- of verwerkt (Urenco) en inrichtingen waar splijtstoffen worden opgeslagen (COVRA). Voor sommige inrichtingen zal de verplichting praktisch echter niet of maar ten dele van belang zijn. Dit kan het geval zijn omdat door het gebruik van de inrichting geen splijtstof of erts bevattende afvalstoffen ontstaan (COVRA), maar ook is denkbaar dat de inrichting niet meer wordt gebruikt (de kerncentrale Dodewaard), en er nauwelijks meer operationeel afval wordt gegenereerd. Voor de kerncentrale Dodewaard is echter wel onderdeel c van artikel 30f, eerste lid, relevant: het treffen van een voorziening voor de radioactieve afvalstoffen die vrijkomen bij de buitengebruikstelling en ontmanteling van de inrichting.

Van belang is op te merken dat in de kernenergiewetgeving splijtstoffen en ertsen zijn uitgezonderd van het begrip «radioactieve stoffen» (art. 1, eerste lid, onder d, Kew). Bijgevolg vallen de splijtstof en erts die afvalstof zijn geworden ook niet onder het begrip radioactieve afvalstoffen. In deze leemte voorziet het begrip «splijtstof of erts bevattende afvalstof (art. 1, eerste lid, Bkse). Splijtstof of erts waarvoor geen gebruik of product- of materiaalhergebruik is voorzien, is splijtstof of erts bevattende afvalstof.

De in artikel 30f bedoelde voorziening moet tijdig worden getroffen. In het geval van bijvoorbeeld een kernenergiecentrale moet onder «tijdig» worden verstaan dat de bedrijfsvoering niet wordt gehinderd omdat er bijvoorbeeld anders volgens de vergunning teveel bestraalde splijtstoffen in de centrale aanwezig zijn als gevolg van het niet kunnen afvoeren daarvan. Uit de betekenis van «tijdig» in dit verband volgt dat het niet noodzakelijk is dat de voorziening op voorhand voor de hele resterende vergunningduur van de inrichting wordt getroffen.

Onderdeel L
Artikel 44a

Bij het opstellen van een aanvraag om goedkeuring voor de te stellen financiële zekerheid voor de kosten van de buitengebruikstelling en de ontmanteling van een inrichting, waarbij kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt, moet de aanvrager op grond van artikel 44a, tweede lid, onder a, uitgaan van het laatst goedkeurde ontmantelingsplan waarover hij op grond van artikel 25 moet beschikken.

Bij het bepalen van de verschillende kostenposten voor de buitengebruikstelling en de ontmanteling zoals bedoeld in het tweede lid, onder a, kan bijvoorbeeld de «Standardised list of items for costing purposes in the decommissioning of nuclear installations» van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) als leidraad fungeren.

Ingevolge het tweede lid, onder b, worden de kosten van de buitengebruikstelling en ontmanteling in eerste instantie bepaald aan de hand van het prijspeil zoals dat geldt ten tijde van het indienen van de aanvraag. Vervolgens worden met behulp van een algemeen aanvaarde indexeringsmethode de kosten bepaald zoals die te verwachten zijn ten tijde van de daadwerkelijke buitengebruikstelling en ontmanteling (tweede lid, onder c). Een inschatting van de lange termijn inflatie op basis van inschattingen en historische gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is daarbij een verantwoord richtsnoer. Voor inschattingen van rendementen kan gebruik worden gemaakt van de door de Minister van Financiën vastgestelde risicovrije reële rekenrente.

Naast de gegevens die zijn opgesomd in artikel 15f, vierde lid, van de Kernenergiewet en de bij of krachtens artikel 44a van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen over te leggen gegevens moet de aanvrager op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De Ministers van EL&I en van Financiën kunnen besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking (art. 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, Awb).

Artikel 44b

Elke keer nadat het ontmantelingsplan is geactualiseerd, wordt de wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld aangepast aan het geactualiseerde plan. Dit houdt in dat als de kosten voor de ontmanteling hoger zullen zijn, ook de financiële zekerheid hoger zal zijn. Op grond van artikel 44b, eerste lid, moet de houder van een vergunning voor het in werking brengen of het in werking houden van een nucleaire inrichting na elke actualisatie van het ontmantelingsplan de financiële zekerheid actualiseren. Deze verplichting stelt de Ministers van EL&I en van Financiën in staat te beoordelen of de gestelde financiële zekerheid nog voldoende is voor de kosten van de buitengebruikstelling en de ontmanteling. Genoemde ministers kunnen ook (tussentijds) verzoeken om actualisatie van de financiële zekerheid. De vergunninghouder is verplicht hieraan gevolg te geven (art. 44b, eerste lid).

Artikel 44c

Op grond van artikel 44c moet gelijktijdig met de aanvraag om een vergunning voor de buitengebruikstelling en de ontmanteling van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt ook een aanvraag om goedkeuring voor de wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld, worden ingediend. Het ontmantelingsplan dat wordt ingediend bij deze vergunningaanvraag moet een gedetailleerde omschrijving geven van de wijze waarop de inrichting wordt ontmanteld. De wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld moet de kosten dekken van dit ontmantelingsplan.

Artikel 44d

Ook nadat de vergunning voor de buitengebruikstelling of de ontmanteling is verleend, moet de wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld de kosten dekken van de buitengebruikstelling en ontmanteling zoals beschreven in het ontmantelingsplan. Daarom is in het eerste lid de verplichting opgenomen voor de vergunninghouder om de gestelde financiële zekerheid te actualiseren als de vergunning voor de buitengebruikstelling of ontmanteling is gewijzigd. Deze verplichting geldt alleen voor zover de wijziging van de vergunning betrekking heeft op het ontmantelingsplan. Binnen zes maanden na de wijziging van de vergunning moet een aanvraag om goedkeuring van de geactualiseerde financiële zekerheid worden ingediend (tweede lid).

Artikel III

Onderdeel G

Het voormalige zesde lid van artikel 7 van het Besluit stralingsbescherming bood de mogelijkheid om bij ministeriële regeling regels te stellen over het register van stralingsartsen (art. 7, eerste lid, Bs) en over het register van deskundigen (art. 7, tweede lid, Bs). Ten einde het bevoegd gezag voor het bij ministeriële regeling kunnen stellen van regels over het register van stralingsartsen te kunnen vereenvoudigen, is het voormalige zesde lid in tweeën gesplitst.

Artikel VI

Artikel VI maakt voor op 1 januari 2007 in veilige insluiting gebrachte nucleaire inrichtingen een uitzondering op de verplichting tot directe ontmanteling. Deze uitzondering is van belang voor de kerncentrale in Dodewaard.

Artikel VII

Artikel VII regelt dat bij verzoeken om goedkeuring van de te stellen financiële zekerheid die worden ingediend voor het in artikel IX, eerste lid, bedoelde tijdstip, in afwijking van artikel 44a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen bij het overzicht van de verschillende kostenposten voor de buitengebruikstelling en de ontmanteling mag worden uitgegaan van een ontwerp van een ontmantelingsplan of vergelijkbare andere informatie op basis waarvan kan worden beoordeeld of de financiële zekerheid afdoende is. De achtergrond hiervan is dat er op dat moment nog geen goedgekeurd ontmantelingsplan beschikbaar is.

Artikel VIII

Op grond van artikel VIII, eerste lid, vervallen voorschriften die aan bestaande vergunningen op grond van de Kernenergiewet zijn verbonden over het stellen van financiële zekerheid voor de kosten van buitengebruikstelling en ontmanteling (onderdeel a) of over de buitengebruikstelling en ontmanteling zelf (onderdeel b). Hiervoor in de plaats treden de bepalingen van het onderhavige besluit. Dit geldt voor wat betreft onderdeel b van het eerste lid niet voor kerncentrales die voor 1 januari 2007 in veilige insluiting zijn gebracht (tweede lid). Artikel VIII, tweede lid, is van belang voor GKN, de vergunninghouder van de kerncentrale Dodewaard. Hiermee wordt de reeds vergunde uitgestelde ontmanteling van die kerncentrale geëerbiedigd.

Artikel IX

Dit besluit, met uitzondering van artikel II, onderdeel L, treedt in werking met ingang van 1 juli 2011 en is hiermee in lijn met het systeem van vaste verandermomenten dat per 1 januari 2010 is ingevoerd (brief van de Minister van Justitie en de Staatssecretarissen van Economische Zaken, van Financiën en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 december 2009, Kamerstukken II 2009/2010, 29 515, nr. 309).

Artikel II, onderdeel L, van dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2011. De bepalingen in dit onderdeel vinden hun grondslag in het nieuwe artikel 15f van de Kernenergiewet. Aangezien artikel 15f eerst in werking treedt met ingang van 1 april 2011 (zie artikel III, tweede lid, van de Wijziging van de Kernenergiewet alsmede de nota van toelichting bij het besluit van 10 mei 2010, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van enkele onderdelen van de Wijziging van de Kernenergiewet (Stb. 2010, 183)), treedt artikel II, onderdeel L, van dit besluit ook met ingang van deze datum in werking.

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen


X Noot
3

Besluit van 13 september 2010 tot intrekking van het Besluit geluidinformatie huishoudelijke apparaten en herstel van gebreken van wetstechnische en inhoudelijk ondergeschikte aard in enkele besluiten op de beleidsterreinen van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Stb. 696).

X Noot
5

Kamerstukken II 2005/06, 30 429, nr. 3, blz. 4.

X Noot
6

Zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Kernenergiewet (implementatie richtlijn 96/29/Euratom tot vaststelling van basisnormen voor de bescherming tegen stralingsgevaar); Kamerstukken II 1999/2000, 26 992, nr. 3, blz. 2.

X Noot
7

Aanbeveling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 oktober 2006 betreffende het beheer van de financiële middelen voor de ontmanteling van nucleaire installaties en de verwerking van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PbEU L 330).

X Noot
8

Decommissioning Safety Reference Levels Report, version 1.0, March 2007.

X Noot
9

Een voorbeeld van een referentie is IAEA DS 333 – Decommissioning Safety Requirements.

X Noot
10

Stb. 2000, 313.

X Noot
12

PbEU L 330.

X Noot
13

Deze bedragen € 2.000 op jaarbasis. Zie: Kamerstukken II 2005/06, 30 429, nr. 3, blz. 10.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.