Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2010, 253AMvB

Besluit van 24 juni 2010, houdende regels over het personeel van de brandweer, functies voor de bedrijfsbrandweer, functies binnen de GHOR en functies binnen de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing en het overleg over het personeel van de brandweer (Besluit personeel veiligheidsregio’s)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 februari 2010, nr. 2009-0000506161, CZW/WVOB;

Gelet op de artikelen 18 en 31, vierde lid, van de Wet veiligheidsregio’s;

De Raad van State gehoord (advies van 15 april 2010, nr. W04.10.0062/1);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 juni 2010, nr. 2010-0000398206;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. functie:

samenstel van te verrichten werkzaamheden;

b. diploma:

diploma als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

HOOFDSTUK 2 FUNCTIES

Artikel 2

  • 1. Bij ministeriële regeling worden voor het personeel van de brandweer regels gesteld over de functies, genoemd in bijlage 1, en de daarbij behorende eisen over opleiden, examineren, bijscholen en oefenen.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de volgende functies binnen de GHOR:

    • a. commandant van dienst geneeskundig;

    • b. coördinator gewondenvervoer;

    • c. hoofd actiecentrum GHOR;

    • d. hoofd gewondennest;

    • e. hoofd sectie GHOR;

    • f. leider kernteam psychosociale hulpverlening;

    • g. leider opvangteam psychosociale hulpverlening;

    • h. officier van dienst geneeskundig;

    • i. operationeel directeur GHOR;

    • j. operationeel medewerker actiecentrum GHOR.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de volgende functies binnen de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing:

    • a. calamiteitencoördinator meldkamer;

    • b. evaluator multidisciplinair oefenen;

    • c. informatiemanager commando plaats incident;

    • d. informatiemanager regionaal operationeel team;

    • e. leider commando plaats incident;

    • f. procesmanager multidisciplinair oefenen;

    • g. regionaal operationeel leider;

    • h. voorlichtingsfunctionaris commando plaats incident;

    • i. voorlichtingsfunctionaris regionaal operationeel team.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen voor de bedrijfsbrandweer regels worden gesteld over de volgende functies:

    • a. bedrijfsbrandweer bestrijder petrochemie;

    • b. bedrijfsbrandweer bestrijder tankincidenten;

    • c. bedrijfsbrandweer bevelvoerder;

    • d. bedrijfsbrandweer bevelvoerder vliegtuigbrand;

    • e. bedrijfsbrandweer officier van dienst;

    • f. bedrijfsbrandweer officier van dienst vliegtuigbrand;

    • g. bedrijfsbrandweer manschap a;

    • h. bedrijfsbrandweer manschap a bestrijder vliegtuigbrand.

Artikel 3

  • 1. Bij de functies, genoemd in bijlage 1 en artikel 2, vierde lid, behoort een functiegerichte opleiding die wordt afgesloten met een rijksexamen.

  • 2. Voor de functies, genoemd in bijlage 1, gelden van laag naar hoog de volgende rangen: brandwacht, hoofdbrandwacht, brandmeester, hoofdbrandmeester, commandeur, adjunct-hoofdcommandeur en hoofdcommandeur.

Artikel 4

  • 1. Een persoon is voorafgaand aan de uitoefening van een of meer functies, genoemd in bijlage 1, in het bezit van het diploma van de bij de desbetreffende functie behorende opleiding of in het bezit van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, afgegeven ten aanzien van de te vervullen functie.

  • 2. Onze Minister kan ontheffing verlenen voor het in het bezit zijn van het diploma van de bij de desbetreffende functie behorende opleiding, bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van het diploma voor de functies brandweerduiker en duikploegleider.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan degene die een opleiding volgt tot een van de functies, genoemd in bijlage 1, als aspirant de desbetreffende functie uitoefenen, met uitzondering van de functies brandweerduiker en duikploegleider.

  • 4. Voorafgaand aan de uitoefening van de functies, genoemd in bijlage 1, wordt een keuring als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de medische keuringen verricht ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van de keurling en van derden bij de uitoefening van de desbetreffende functie.

  • 5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de aspirant, bedoeld in het derde lid.

HOOFDSTUK 3 OVERLEG

Artikel 5

  • 1. Het overleg, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de Wet veiligheidsregio’s, staat onder het voorzitterschap van Onze Minister. Onze Minister is bevoegd het voorzitterschap over te dragen aan een door hem aan te wijzen ambtenaar.

  • 2. Tot het overleg worden vertegenwoordigers toegelaten van:

    • a. iedere centrale van overheidspersoneel, genoemd in artikel 105, tweede lid, onderdeel a tot en met d, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, en

    • b. andere organisaties, die naar het oordeel van Onze Minister representatief zijn voor het personeel van de brandweer en tegen wier toelating het algemeen belang zich niet verzet.

  • 3. Van de aanwijzing van een vertegenwoordiger als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan aan de voorzitter van het overleg.

  • 4. Schorsing onderscheidenlijk intrekking van de toelating tot de Sectorcommissie, bedoeld in artikel 105, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, heeft van rechtswege ten gevolge schorsing onderscheidenlijk intrekking van de toelating tot het overleg.

  • 5. Onze Minister kan een toelating van een organisatie tot het overleg krachtens het tweede lid, onderdeel b, intrekken, indien de organisatie naar het oordeel van Onze Minister niet meer representatief is dan wel het algemeen belang zich tegen verdere toelating verzet.

Artikel 6

  • 1. Het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten kan een vertegenwoordiger aanwijzen die als adviseur aan het overleg deelneemt.

  • 2. Deelnemers aan het overleg kunnen zich voor de behandeling van een bepaald onderwerp door een of meer deskundigen laten bijstaan.

Artikel 7

  • 1. De voorzitter van het overleg wijst een secretaris aan.

  • 2. De secretaris staat, onder leiding van de voorzitter, ten dienste van de voorzitter en de vertegenwoordigers van de centrales van overheidspersoneel en andere organisaties als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel b.

Artikel 8

  • 1. Ter voorbereiding op in het overleg te nemen besluiten of ter uitwerking van in het overleg genomen besluiten kan de voorzitter in overleg met deelnemers aan het overleg een werkgroep instellen, waarin ook personen van buiten het overleg zitting kunnen hebben.

  • 2. De voorzitter wijst de voorzitter van de werkgroep aan.

  • 3. De secretaris van het overleg is tevens secretaris van de werkgroep.

Artikel 9

  • 1. Onze Minister bevordert slechts de totstandkoming van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s, indien daarover overeenstemming bestaat tussen de voorzitter en de meerderheid van de centrales van overheidspersoneel, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder a.

  • 2. Iedere centrale van overheidspersoneel brengt één stem uit.

  • 3. Indien de stemmen staken, beslist Onze Minister of hij de totstandkoming van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bevordert.

  • 4. De artikelen 110d tot en met 110k van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn van overeenkomstige toepassing indien het overleg niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van de voorzitter dan wel de meerderheid van de centrales zal hebben.

HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 10

  • 1. Het diploma van de bij de desbetreffende functie behorende opleiding wordt gelijkgesteld met het diploma dat is behaald op basis van de examenreglementen overeenkomstig bijlage 2 bij dit besluit.

  • 2. Onder de examenreglementen, genoemd in het eerste lid, wordt verstaan: de examenreglementen, zoals deze luidden op de dag, voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 11

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet veiligheidsregio’s in werking treedt.

Artikel 12

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit personeel veiligheidsregio’s.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 24 juni 2010

Beatrix

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten

Uitgegeven de eerste juli 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Bijlage 1, behorende bij de artikelen 2, eerste lid, 3, tweede lid, en artikel 4, vierde lid (Functies)

Functies:

Rang:

Keuring

adviseur gevaarlijke stoffen

commandeur

ja

bevelvoerder

brandmeester

ja

brandweerduiker

brandwacht of hoofdbrandwacht

ja

centralist meldkamer

maximaal brandmeester

nee

chauffeur

brandwacht of hoofdbrandwacht

ja

commandant van dienst

adjunct-hoofdcommandeur

ja

controleur brandpreventie

maximaal hoofdbrandwacht

nee

docent

maximaal brandmeester

nee

duikploegleider

hoofdbrandwacht

ja

gaspakdrager

brandwacht of hoofdbrandwacht

ja

hoofdofficier van dienst

commandeur

ja

instructeur

maximaal brandmeester

ja

manager veiligheid

maximaal adjunct-hoofdcommandeur

nee

manschap a

brandwacht of hoofdbrandwacht

ja

manschap b

hoofdbrandwacht

ja

medewerker brandpreventie

maximaal brandmeester

nee

medewerker operationele voorbereiding

maximaal brandmeester

nee

medewerker opleiden en oefenen

maximaal brandmeester

nee

meetplanleider

commandeur

ja

oefencoördinator

maximaal brandmeester

nee

officier van dienst

hoofdbrandmeester

ja

operationeel manager

maximaal hoofdbrandmeester

nee

ploegchef

maximaal brandmeester

nee

regionaal commandant

hoofdcommandeur

nee

specialist brandpreventie

maximaal hoofdbrandmeester

nee

specialist operationele voorbereiding

maximaal commandeur

nee

specialist opleiden en oefenen

maximaal hoofdbrandmeester

nee

specialist risico’s en veiligheid

maximaal commandeur

nee

strategisch manager

maximaal adjunct-hoofdcommandeur

nee

tactisch manager

maximaal commandeur

nee

verkenner gevaarlijke stoffen

brandwacht of hoofdbrandwacht

ja

voertuigbediener

brandwacht of hoofdbrandwacht

ja

Bijlage 2, behorende bij artikel 10, eerste lid (gelijkwaardigheid diploma’s)

Diploma

Gelijkwaardig aan

Genoemd in Examenreglement

diploma adviseur gevaarlijke stoffen

certificaat van de module waarschuwings- en verkenningsdienstdeskundige in combinatie met het certificaat van de module officier gevaarlijke stoffen

artikel 2, onder h, van het Examenreglement hoofdbrandmeester 1993

artikel 2, onder g, van het Examenreglement hoofdbrandmeester 1993

diploma bevelvoerder

diploma onderbrandmeester

artikel 5 van het Examenreglement onderbrandmeester

diploma brandweerduiker

diploma brandwacht eerste klasse in combinatie met het diploma brandweerduiker

artikel 5 van het Examenreglement brandwacht eerste klasse

artikel 8 van het Examenreglement brandweerduiker 1995

diploma centralist meldkamer

diploma brandweercentralist

artikel 2, onder a, van het Examenreglement brandweercentralist 2005

diploma chauffeur

diploma brandwacht eerste klasse in combinatie met het diploma brandweerchauffeur

artikel 5 van het Examenreglement brandwacht eerste klasse

artikel 10 van het Examenreglement brandweerchauffeur 1997

diploma commandant van dienst

diploma commandeur of diploma hoofdbrandmeester

artikel 12 van het Examenreglement commandeur 1998 of artikel 10 van het Examenreglement hoofdbrandmeester 1993

diploma controleur brandpreventie

diploma hoofdbrandwacht, in combinatie met het certificaat van de module preventiecontrolefunctionaris

artikel 5 van het Examenreglement hoofdbrandwacht

artikel 2, onder c, van het Examenreglement hoofdbrandwacht

diploma instructeur

diploma instructeur

artikel 6 van het Examenreglement instructeur 1993.

diploma duikploegleider

diploma brandwacht eerste klasse in combinatie met het diploma duikploegleider

artikel 5 van het Examenreglement brandwacht eerste klasse

artikel 7 van het Examenreglement duikploegleider 2004

diploma gaspakdrager

diploma brandwacht eerste klasse in combinatie met het certificaat van de module gaspakdrager

artikel 5 van het Examenreglement brandwacht eerste klasse

artikel 2, onder e, van het Examenreglement brandwacht eerste klasse

diploma hoofdofficier van dienst

diploma hoofdbrandmeester

artikel 10 van het Examenreglement hoofdbrandmeester 1993.

diploma manschap a

diploma brandwacht eerste klasse

artikel 5 van het Examenreglement brandwacht eerste klasse

diploma manschap b

het diploma hoofdbrandwacht

artikel 5 van het Examenreglement hoofdbrandwacht

diploma medewerker brandpreventie

certificaat van de module preventie of certificaat van de module preventie

artikel 2, onder c Examenreglement brandmeester

artikel 2, onder e, van het Examenreglement adjunct-hoofdbrandmeester 1993

diploma medewerker operationele voorbereiding

diploma onderbrandmeester in combinatie met het certificaat van de module opleiding, oefening en voorlichting en het certificaat van de module technische dienst

artikel 5, eerste lid, van het Examenreglement

artikel 2, onder d, van het Examenreglement brandmeester onderbrandmeester

artikel 2, onder f, van het Examenreglement brandmeester

diploma medewerker opleiden en oefenen

het diploma onderbrandmeester in combinatie met het certificaat van de module opleiding, oefening en voorlichting

artikel 5 van het Examenreglement onderbrandmeester

artikel 2, onder d, van het Examenreglement brandmeester

diploma meetplanleider

certificaat van de module waarschuwings- en verkenningsdienstdeskundige, in combinatie met het certificaat van de module officier gevaarlijke stoffen

artikel 2, onder h, van het Examenreglement hoofdbrandmeester 1993

artikel 2, onder g, van het Examenreglement hoofdbrandmeester 1993

diploma oefencoördinator

diploma onderbrandmeester in combinatie met het certificaat van de module opleiding, oefening en voorlichting

artikel 5, eerste lid, van het Examenreglement onderbrandmeester

artikel 2, onder d, van het Examenreglement brandmeester

diploma officier van dienst

diploma adjunct-hoofdbrandmeester

artikel 13 van het Examenreglement adjunct-hoofdbrandmeester 1993

diploma operationeel manager

diploma adjunct-hoofdbrandmeester

artikel 13 van het Examenreglement adjunct-hoofdbrandmeester 1993

diploma ploegchef

certificaat van de module officier kleine brandweerorganisatie

artikel 2, onder g, van het Examenreglement adjunct-hoofdbrandmeester 1993

diploma specialist brandpreventie

certificaat van de module preventie

artikel 2, onder e, van het Examenreglement adjunct-hoofdbrandmeester 1993

diploma specialist operationele voorbereiding

diploma hoofdbrandmeester, in combinatie met het certificaat van de module proactie en risicoanalyse en het certificaat basisveiligheidsmanagement

artikel 10 van het Examenreglement hoofdbrandmeester 1993

artikel 2, onder c, van het Examenreglement hoofdbrandmeester 1993

artikel 2, onder d, van het Examenreglement hoofdbrandmeester 1993

diploma specialist opleiden en oefenen

diploma adjunct-hoofdbrandmeester in combinatie met het certificaat van de module opleidings- en oefenbeleid

artikel 13 van het Examenreglement adjunct-hoofdbrandmeester 1993

artikel 2, onder e, van het Examenreglement hoofdbrandmeester 1993

diploma specialist risico’s en veiligheid

diploma veiligheidsmanager

of het diploma hoofdbrandmeester in combinatie met het certificaat van de module proactie en risicoanalyse en het certificaat van de module basisveiligheidsmanagement

genoemd in artikel 27 van het Examenreglement veiligheidsmanager 2004

artikel 10 van het Examenreglement hoofdbrandmeester 1993

artikel 2, onder e, van het Examenreglement veiligheidsmanager 2004

artikel 2, onder d, van het Examenreglement hoofdbrandmeester 1993

diploma tactisch manager

diploma hoofdbrandmeester

artikel 10 van het Examenreglement hoofdbrandmeester 1993

diploma verkenner gevaarlijke stoffen

diploma brandwacht eerste klasse in combinatie met het certificaat van de module verkenner gevaarlijke stoffen

artikel 5 van het Examenreglement brandwacht eerste klasse

artikel 2, onder d, van het Examenreglement hoofdbrandwacht

diploma voertuigbediener

diploma brandwacht eerste klasse in combinatie met het certificaat van de module pompbediener

genoemd in artikel 5 van het Examenreglement brandwacht eerste klasse

artikel 2, onder b, van het Examenreglement brandwacht eerste klasse.

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding en achtergrond

Ingevolge artikel 18 en 31 van de Wet Veiligheidsregio’s kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor het personeel van de brandweer, de bedrijfsbrandweer, de GHOR en de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing. Met dit besluit wordt daar invulling aan gegeven. In het onderhavige besluit worden de functies opgesomd voor de brandweer, de bedrijfsbrandweer, de GHOR en de organisatie van de rampenbestrijding en crisisbeheersing. Het begrip functie wordt in dit kader gezien als een samenstel van te verrichten werkzaamheden, en niet als het begrip functie zoals dat in de rechtspositionele en arbeidsvoorwaardelijke sfeer wordt gehanteerd.

Bij ministeriële regeling worden per functie regels gesteld over de kerntaken en competenties. Het bestuur van de veiligheidsregio dan wel het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat personen met een in het besluit genoemde functie voldoen aan de bij ministeriële regeling te stellen regels. Daarnaast zorgt het bestuur van de veiligheidsregio dan wel het college van burgemeester en wethouders ervoor dat het personeel van de brandweer vakbekwaam wordt (opleiden en zonodig examineren) en gedurende de gehele loopbaan vakbekwaam blijft (bijscholen en oefenen).

Door de functies en de daarbij behorende taken en competenties vast te leggen zijn de hulpverleners ook in andere gemeenten en regio’s inzetbaar in het kader van de bijstandsverlening. Ook ten behoeve van de eigen veiligheid, de veiligheid van collega’s, van omstanders en van burgers, is het van belang dat personen met een in het onderhavige besluit genoemde functie binnen de veiligheidsregio over basiskwaliteiten beschikken om de taken goed en veilig uit te voeren.

Daarnaast bevat dit besluit bepalingen met betrekking tot de wijze van overleg waarop met centrales van overheidspersoneel of andere organisaties overleg gevoerd wordt over regels met betrekking tot het brandweerpersoneel.

2. Voorgeschiedenis

Zoals in de brief aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2004/05, 26 956, nr. 22) en tijdens het AO van 9 november 2004 (Kamerstukken II, 2004/05, 26 956, nr. 26) is aangekondigd legt dit besluit een functiegericht stelsel vast ter verzekering van de basiskwaliteit van het brandweerpersoneel. De onderdelen van dit besluit aangaande het brandweerpersoneel van dit besluit komen voort uit het Besluit brandweerpersoneel, dat met dit besluit komt te vervallen. Het opsommen van functies voor de GHOR en de functies die gelden binnen de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing is ter uitvoering van de Wet veiligheidsregio’s.

De aanleiding voor deze wijziging in het systeem van kwaliteitseisen aangaande het personeel binnen de rampenbestrijding en crisisbeheersing is onder andere de wens om te komen tot expliciete kwaliteitsnormen per functie (Kamerstukken II 2001/02,26 956, nr. 5, Kamerstukken II, 2003/04, nr. 21, Kamerstukken II, 2004/05,26 956, nr. 30, Kamerstukken II, 2005/06,26 956, nr. 40, Kamerstukken II, 2005/06,26 956, nr. 42, Kamerstukken II, 2007/08,26 956, nr. 57, Kamerstukken II, 2007/08,26 956, nr. 60). De vakbekwaamheid van voornamelijk het repressieve en operationele (brandweer)personeel behoeft permanent aandacht en onderhoudverbetering. Dit houdt in dat naast regels aangaande opleiden en examineren, regels gesteld dienen te worden die na het initiële opleidings- en toetsmoment relevant blijven. Het personeel dat vakbekwaam is, moet dat ook blijven. Deze regels zullen worden gesteld in een ministeriële regeling ter uitvoering van dit besluit.

3. Functies

De functies die gelden voor de brandweer, de bedrijfsbrandweer, de GHOR en de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing worden in dit besluit vastgesteld. Het betreft alleen die functies waaraan kwaliteitseisen worden gesteld. Uiteraard zijn ook mensen in andere functies werkzaam binnen de veiligheidsregio’s, maar uitsluitend voor deze functies acht ik het noodzakelijk om kwaliteitseisen te kunnen stellen. In de ministeriële regeling worden regels voor deze functies vastgesteld. Dit betreft dan met name het vastleggen van de kerntaken en competenties die bij de functies horen binnen de veiligheidsregio.

Het is aan het bestuur van de veiligheidsregio dan wel het college van burgemeester en wethouders om personeel te hebben dat over de juiste opleiding en vaardigheden beschikt. Het onderhavige besluit heeft slechts als doel een kader te scheppen waarmee een uniform basiskwaliteitsniveau wordt vastgelegd. Binnen deze (wettelijke) kaders is het aan de veiligheidsregio’s en gemeenten om invulling te geven aan hun verantwoordelijkheden op het terrein van personeelsbeleid. De wijze waarop dit besluit en de daarop gebaseerde ministeriële regeling zijn ingericht laat ruimte voor het bestuur van de veiligheidsregio dan wel het college van burgemeester en wethouders om een goed personeelsbeleid te voeren.

3.1 Personeel van de brandweer

Het huidige ranggerichte Besluit brandweerpersoneel wordt vervangen door een functiegericht besluit dat beter aansluit bij de beroepspraktijk. In de praktijk zijn de werkzaamheden immers gekoppeld aan de functie die men uitoefent en niet aan een (brandweer) rang. Het rangenstelsel sluit derhalve niet goed aan bij de beroepspraktijk. In het rangenstelsel wordt brandweerpersoneel opgeleid voor een rang waarin meer functies zitten. In de praktijk wordt echter een functie uitgevoerd, geen rang. In het ranggerichte stelsel zijn de opleidingen en oefeningen soms gericht op zaken die men in de praktijk niet doet. Door de omslag van een ranggericht systeem naar een functiegericht systeem zijn de ranggerichte basisopleidingen vervallen en vervangen door functiegerichte opleidingen die worden afgesloten met een rijksexamen. Het functiegerichte stelsel heeft mede als doel de opleidings- en oefenbelasting voor het personeel te beperken tot die taken die nodig zijn om een functie uit te oefenen.

Ten aanzien van de kwaliteit van het brandweerpersoneel is er sprake van elkaar aanvullende verantwoordelijkheden van zowel de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) als van de gemeenten en de besturen van de regio’s. De Minister van BZK heeft op grond van artikel 18 van de Wet veiligheidsregio’s de bevoegdheid regels voor het personeel van de brandweer vast te stellen. Het bestuur van de veiligheidsregio dan wel het college van burgemeester en wethouders is uit hoofde van zijn werkgeverschap verantwoordelijk voor de goede kwaliteit van zijn werknemers.

Het onderhavige besluit bepaalt tevens welke rangen voor welke functies gelden. Dit teneinde de interne organisatie en bevelstructuur, die bij de brandweer operationeel gekoppeld is aan rangen, te behouden en te uniformeren. Dit komt tevens de uitwisselbaarheid van brandweermensen bij interregionale bijstand ten goede.

Bij ministeriële regeling worden voor het personeel van de brandweer regels gesteld over de bij de functie behorende kerntaken en competenties. Deze basiseisen fungeren als uitgangspunten voor het opleiden, examineren, bijscholen en oefenen.

3.2 GHOR

In de voorbereidingsfase wordt de directeur GHOR ondersteund door een GHOR-bureau. In geval van de feitelijke repressie bij een zwaar ongeval, een ramp of een crisis heeft het bestuur van de veiligheidsregio aan deze bureaucapaciteit niet genoeg. Dan is er immers noodzaak voor verdere coördinatie en sturing. In de praktijk is het gebruikelijk dat de directeur GHOR met de zorginstellingen de afspraak maakt dat enkele van hun medewerkers in de repressieve fase GHOR-functies uitoefenen. Het bestuur van de regio kan zelf voorzien in een aanstelling zonder bezoldiging bij de veiligheidsregio voor medische hulpverleners die kunnen worden ingezet in het kader van de GHOR.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de GHOR.

Dit besluit stelt GHOR-functies vast. Het besluit bevat geen rechtspositionele regels voor personen werkzaam binnen de GHOR. In dit besluit is bepaald dat bij ministeriële regeling regels gesteld worden voor de functies bij de GHOR. Bij ministeriële regeling wordt per functie aangeven wat de kerntaken zijn en kunnen de bijbehorende competenties worden beschreven. De competenties geven aan welke kennis en vaardigheden een persoon nodig heeft voor de desbetreffende functie. Het stellen van uniforme basiskwaliteitseisen zorgt ervoor dat personen met een functie binnen de GHOR, net als dat voor de brandweer het geval is, ook in het kader van bijstandsverlening in andere regio’s inzetbaar zijn.

3.3 De organisatie van de rampenbestrijding en crisisbeheersing

Het onderhavige besluit stelt de functies ten behoeve van de organisatie van de rampenbestrijding en crisisbeheersing vast. Deze functies vormen het essentiële raamwerk van de veiligheidsregio en sluiten aan op de monodisciplinaire processen bij de brandweer en de GHOR. Bij ministeriële regeling wordt per functie aangeven wat de kerntaken zijn en worden de bijbehorende competenties beschreven. De competenties geven aan welke kennis en vaardigheden een persoon nodig heeft voor de desbetreffende functie. Het stellen van uniforme basiskwaliteitseisen zorgt ervoor dat personen met een functie binnen de organisatie van de rampenbestrijding en crisisbeheersingin het kader van bijstandsverlening ook in andere regio’s inzetbaar zijn.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing. In het Besluit Veiligheidsregio’s is ten behoeve van de organisatie van de rampenbestrijding en crisisbeheersing een aantal cruciale processen beschreven. Deze functies die gelden voor de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing worden in het onderhavige besluit opgesomd.

3.4 Bedrijfsbrandweer

Het Besluit veiligheidsregio’s bevat regels over de aanwijzing van inrichtingen, die in geval van een brand of ongeval een bijzonder gevaar kunnen opleveren voor de openbare veiligheid. Het bestuur van de veiligheidsregio kan in de aanwijzing als inrichting die over bedrijfsbrandweer moet beschikken eisen stellen aan de samenstelling van het personeel van de bedrijfsbrandweer. Het onderhavige besluit legt de functies die gelden voor de bedrijfsbrandweer vast. Deze functies zijn gekoppeld aan een functiegerichte opleiding die wordt afgesloten met een rijksexamen. De Minister van BZK geeft het diploma af. Bij ministeriële regeling kunnen voor de bedrijfsbrandweer regels worden gesteld over de bedrijfsbrandweerfuncties.

4. Overleg

Bij algemene maatregel van bestuur moet ingevolge artikel 18, vijfde lid, van de Wet veiligheidsregio’s worden voorzien in een regeling betreffende de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende organisaties overleg wordt gevoerd over het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 18, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s. De Minister van BZK kan naast de vakorganisaties voor overheidspersoneel andere organisaties, die naar het oordeel van de minister representatief zijn voor het brandweerpersoneel, en tegen wier toelating het algemeen belang zich niet verzet, toelaten tot het overleg. Deze organisaties hebben echter geen stemrecht. Deze wijziging vloeit voort uit de toezegging van de minister tijdens de behandeling van het voorstel tot wijziging van de Brandweerwet 1985 op 26 september 2007 om de samenstelling van het overleg te verbreden (Handelingen II 2007/2008, blz. 246–259).

De wijze waarop dit overleg plaatsvindt, is conform de wijze waarop Onze Minister overleg voert met de vakcentrales als het gaat om de rechtstoestand van ambtenaren. Dit is vastgelegd in artikel 105 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Het gaat hierbij om bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels op grond van artikel 18, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

Over het ontwerp van het onderhavige besluit heeft overleg plaatsgevonden.

5. Ministeriële regeling

Ter uitvoering van de besluit wordt bij ministeriële regeling per functie aangeven wat de kerntaken zijn en de bijbehorende competenties. Het betreft basiskwaliteitseisen. Dit is noodzakelijk om helderheid te creëren in de basiskwaliteitseisen die per functie gelden. Daarnaast zijn de basiseisen essentieel om de uniformiteit te bereiken die voorwaardelijk is voor interregionale bijstand en bovenregionaal optreden.

Deze kwaliteitseisen geven aan welke attitude, kennis en vaardigheden een functionaris nodig heeft om zijn taken goed en veilig uit te voeren. Het gaat hier om minimumeisen. Hierdoor ontstaat een functie- en competentiegericht stelsel voor de kwaliteit van functies binnen de veiligheidsregio. Het bestuur van de veiligheidsregio dan wel het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat hun personeelsleden met een in het besluit genoemde functie voldoen aan de in de ministeriële regeling neergelegde kwaliteitseisen.

De kerntaken en competenties zijn een uniformering en explicitering van de huidige beroepspraktijk. Het betreft kerntaken die de functionarissen nu reeds in de praktijk uitvoeren of geacht worden uit te voeren. Tevens zal in een competentiematrix aangegeven worden over welke competenties de functionarissen minimaal moeten beschikken.

Het bestuur van de veiligheidsregio dan wel het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat het personeel van de brandweer vakbekwaam wordt (opleiden en examineren) en gedurende de gehele loopbaan vakbekwaam blijft (bijscholen en oefenen). Voor het personeel van de brandweer geldt dat de examens, opleidingen, bijscholingen- en oefeningen worden gebaseerd op de kerntaken en de competenties die bij de brandweerfuncties horen.

6. Vrijwilligers bij de brandweer

Het nieuwe functiestelsel is gericht op behoud van vrijwilligheid. Meer dan 80% van het brandweerpersoneel is vrijwilliger en vormt daarmee de ruggengraat van de brandweer in Nederland. De brandweervrijwilligers zijn belangrijke dragers zijn van het veiligheidsbeleid. De verantwoordelijkheid voor het brandweerpersoneel en het behoud van vrijwilligheid ligt bij de gemeenten en de besturen van de veiligheidsregio’s.

Met dit kader van kwaliteitseisen geeft de Minister van BZK invulling aan de verantwoordelijkheid voor het vakbekwaam worden en blijven van al het brandweerpersoneel. Daarbij is het uitgangspunt dat geen verschil bestaat tussen de beroepsbrandweer en de vrijwillige brandweer als het gaat om eisen aan vakbekwaamheid. Daarvoor bestaan twee voorname redenen. In de eerste plaats de kwaliteit van de zorg die de brandweer levert. Het mag niet uitmaken of het een beroeps of een vrijwilliger is die de brand blust of iemand uit een te water geraakte auto redt. Zij moeten dat allebei even goed kunnen. Zowel beroeps als vrijwillig brandweerpersoneel moet in monodisciplinaire en multidisciplinaire, in lokale en in grootschalige situaties met elkaar en met andere hulpdiensten kunnen samenwerken. Op de tweede plaats de veiligheid van het brandweerpersoneel zelf, de collega’s en de omstanders. Goed opgeleid en geoefend zijn geeft de beste waarborg voor veiligheid in de gevaarlijke situaties waarin brandweerpersoneel zich regelmatig begeeft.

Het uitgangspunt dat voor vrijwilligers en beroeps dezelfde eisen voor vakbekwaamheid gelden, zorgt voor een zekere spanning in het gebruik van het woord vrijwilliger. Vrijwilligheid bij de brandweer betekent geen vrijblijvendheid. Vrijwilligers hebben een eigen rechtspositie en worden betaald voor het werk dat ze doen bij de brandweer.

Brandweervrijwilligers steken vaak een groot deel van hun tijd in het werk bij de brandweer. Van de tijd die zij daaraan besteden, nemen de daadwerkelijke repressieve taken meestal maar een relatief klein deel in beslag. De meeste tijd gaat zitten in opleiden en oefenen. Vooral voor vrijwilligers, die het brandweervak naast hun hoofdberoep beoefenen, is dit soms een grote belasting. Het functiegerichte stelsel zal leiden tot een meer gerichte belasting van het brandweerpersoneel. Het stelt brandweerpersoneel bovendien in staat om een bewuste keuze te maken voor een bepaalde functie. Verder wordt inzichtelijk welke belasting een functie met zich brengt. Daarmee wordt niet voorbij gegaan aan het gegeven dat de beschikbaarheid van vrijwilligers onder druk staat.

7. Verhouding tot andere wetgeving

7.1 Arbeidsomstandighedenwet

In de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn de algemene eisen aangaande de relatie tussen de werkgever en werknemer neergelegd. De Arbeidsomstandighedenwetgeving bevat voorschriften voor werkgevers en werknemers om de gezondheid en de veiligheid van werknemers te bevorderen. Het doel is onder andere om ongevallen en ziekten, veroorzaakt door het werk, te voorkomen. Dit alles wordt verder uitgewerkt in het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.

Zo bevatten het Arbeidsomstandighedenbesluit (artikel 6.13 tot en met 6.18) en de Arbeidsomstandighedenregeling (artikel 6.1 tot en met 6.8) eisen inzake duikarbeid en daarmee samenhangende aangelegenheden in het algemeen. Zo moet een werknemer die duikarbeid verricht in het bezit te zijn van een wettelijk certificaat. Krachtens het onderhavige besluit zijn eisen vastgesteld, toegespitst op de brandweer. De eisen uit de Arbeidsomstandighedenregelgeving en het onderhavige besluit zijn zodanig op elkaar afgestemd, dat het halen van een rijksexamen impliceert dat ook is voldaan aan de eisen uit de arbeidsomstandighedenregelgeving. Het rijksdiploma en certificaat zijn om die reden ook volledig geïntegreerd. De Arbeidsomstandighedenwetgeving in combinatie met het onderhavige besluit en de daarop gebaseerde ministeriële regeling vormen gezamenlijk het wettelijke kader voor het personeel binnen de veiligheidsregio’s.

De regio’s en gemeenten hebben als werkgevers zelf een verantwoordelijkheid aangaande het onderwijs en de vakbekwaamheid van het personeel dat onder hun directe verantwoordelijkheid in een grotere gevaarzetting wordt gebracht dan de gemiddelde werknemer. Ook dienen zij de werknemer periodiek in de gelegenheid te stellen een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan dat erop gericht is de risico’s die de arbeid voor de gezondheid van de werknemers stelt zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Het personeel dat werkzaam is binnen de rampenbestrijding staat tijdens het repressief optreden bloot aan grotere risico’s dan de gemiddelde werknemer. De werkgever dient er dan ook op toe te zien dat maatregelen, zoals opleiding en oefening, mede zijn gericht op het voorkomen of beperken van deze vergrote risico’s bij het uitvoeren van de kerntaken. Door periodiek praktijkgericht op te leiden en realistisch te oefenen wordt mede invulling gegeven aan de eisen uit de Arbeidsomstandighedenregelgeving.

7.2 Relatie Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties

In dit besluit wordt aangesloten bij het systeem van de erkenning van EG-beroepskwalificaties zoals geregeld in de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties. Deze wet geeft een regeling voor de erkenning van in een lidstaat van de Europese Unie verkregen beroepskwalificaties. Het uitoefenen van een brandweerfunctie is mogelijk indien een persoon in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties. Indien door de Minister van BZK een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties ten aanzien van de te vervullen functie is verleend, heeft een persoon toegang tot dezelfde brandweerfunctie als waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezit. Hierbij dient tevens artikel 1.5f Arbeidsomstandighedenbesluit in ogenschouw te worden genomen.

7.3 Wet op de medische keuringen

Voorgaande aan de uitoefening van bepaalde brandweerfuncties dient een aanstellingskeuring verricht te worden. Het gaat om functies met bijzondere functie-eisen met betrekking tot medische geschiktheid. Dit ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van de keurling en van derden. De Wet op de medische keuringen is van toepassing. Deze wet stelt eisen aan het keuringsdoel, de inhoud van de keuring en de procedure. Representatieve organisaties van de werkgevers en representatieve organisaties van werknemers kunnen afspraken maken over de omschrijving van het doel van de keuring en het verrichten van keuringen overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 van de Wet op de medische keuringen.

7.4 Besluit veiligheidsregio’s

In het Besluit veiligheidsregio’s worden voorschriften gegeven over de inrichting van de organisatie en de uitvoering van de taken door de veiligheidsregio’s op het gebied van de rampenbestrijding en crisisbeheersing, brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening en de financiën. De eisen zien toe op de organisatie die nodig is bij een ramp of crisis waarbij een onmiddellijke en volledige inzet van de organisatie voor de rampenbestrijding en crisisorganisatie noodzakelijk is. De minimumeisen aangaande vakbekwaamheid, kwaliteit en uniformiteit (ten behoeve van een goede uitwisselbaarheid bij het leveren van bijstand) wordt voor het personeel in de veiligheidsregio uitgewerkt in het onderhavige besluit en de daarop gebaseerde ministeriële regeling.

8. Gevolgen voor decentrale overheden

Bij de vormgeving van dit besluit hebben de gevolgen die dit besluit heeft voor decentrale overheden een belangrijke rol gespeeld. Het op centraal niveau regelen van kwaliteitseisen is alleen mogelijk wanneer decentrale overheden aanvullend op dit centrale kader voldoende de mogelijkheid krijgen om optimaal in te spelen op lokale omstandigheden. Daarom zijn geen eisen geformuleerd aangaande aanstelling of bevordering. Dit besluit heeft slechts als doel een kader te scheppen waarmee een uniform basiskwaliteitsniveau van het personeel wordt vastgelegd. Binnen deze (wettelijke) kaders dienen veiligheidsregio’s en gemeenten zelf invulling te geven aan hun verantwoordelijkheden op het terrein van personeelsbeleid. De taken en bevoegdheden van werkgevers in het veiligheidsveld zijn dan ook niet strak geregeld met dit besluit. Dit besluit en de daarop gebaseerde ministeriële regeling laat voldoende ruimte voor het bestuur van de veiligheidsregio dan wel het college van burgemeester en wethouders om een eigen personeelsbeleid te voeren.

9. Uitvoerbaarheid

Met de eisen die worden gesteld in dit besluit wordt een kwaliteitsverbetering van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing beoogd. Het gaat hierbij om het centraal stellen van kwaliteitseisen aan het personeel dat fungeert binnen de veiligheidsregio’s. Dit besluit is gebaseerd op hedendaagse inzichten aangaande de taakverdeling tussen het Ministerie van BZK en de werkgevers, onderwijskundige ontwikkelingen en de algemene trends in rampenbestrijding en crisisbeheersing. Het besluit sluit aan bij de praktijk en is in vele gevallen een herbevestiging van de door de decentrale overheden en veiligheidsregio’s opgenomen taken. De normen die in dit besluit en de ministeriële regeling zijn opgenomen ten aanzien van de verschillende functies zijn afkomstig uit bestaande handleidingen, leidraden en zijn opgesteld in samenwerking met de betrokken uitvoerders en bestuurders. In de praktijk werd hier al veelvuldig mee gewerkt. Naar verwachting zal de uitvoerbaarheid van dit besluit dan ook geen noemenswaardige complicaties opleveren.

10. Financiële gevolgen

Ingevolge artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet bevat deze paragraaf een beschrijving van de financiële gevolgen van dit besluit. De totale meerkosten van de nieuwe functiegerichte benadering van het onderwijsstelsel voor de brandweer, de GHOR en de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing, zijn in kaart gebracht. Hierin zijn ook de kosten meegenomen die nodig zijn om het onderwijs aan te passen aan bestaande wet- en regelgeving, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (onder andere in relatie tot de eigen veiligheid van het personeel). De meerkosten hangen daarnaast samen met een verschuiving van lasten die voorheen na de opleiding relevant konden zijn, zoals de praktijkgerichte instructie op de werkplek gericht op de arbeidsomstandigheden, naar kosten die nu in het opleidingstraject worden meegenomen. Deze totale meerkosten bedragen landelijk structureel circa € 13,4 miljoen per jaar. Hiervan heeft € 12,3 miljoen betrekking op de brandweer, € 1 miljoen op de GHOR en € 0,1 miljoen op de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing. Deze totale meerkosten hangen samen met de meerkosten van de gehele onderwijsvernieuwing, waarin de bovenstaande beschreven elementen ook zijn meegenomen. Vanwege de onderlinge verwevenheid van deze elementen kan geen eenduidige uitspraak worden gedaan over de vraag welk deel van de meerkosten samenhangt met elke afzonderlijke component, dan wel wat de separate meerkosten zijn van dit besluit. De meerkosten kunnen echter in totaliteit worden gefinancierd uit de reguliere jaarlijkse rijksbijdrage conform hoofdstuk 8 van het Besluit veiligheidsregio’s. Deze rijksbijdrage wordt tot en met 2011 in vier termijnen opgehoogd.

11. Lasten voor burgers, bedrijven en non-profitinstellingen

Voor zover het bedrijfsleven wordt aangesproken in dit besluit, betreft het alleen de opsomming van functies voor de bedrijfsbrandweer. Hierbij is geen toename in lasten te verwachten, aangezien uitsluitend de ranggerichte bedrijfsbrandweeropleidingen zijn omgezet naar bedrijfsbrandweerfuncties die aansluiten bij de heersende praktijk van de bedrijfsbrandweer en de rijksexamens voor bedrijfsbrandweeropleidingen. De gestelde eisen zullen per saldo bij de bedrijven niet tot extra structurele kosten leiden. Daarnaast zal dit besluit naar verwachting geen gevolgen hebben voor de administratieve lasten voor burgers.

12. Toezicht

De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (OOV) is, onder gezag van Minister van BZK, belast met het toetsen van de wijze waarop een orgaan van een veiligheidsregio, een gemeente of een ander openbaar lichaam uitvoering geeft aan de taken met betrekking tot de brandweerzorg, rampenbestrijding of crisisbeheersing. Dit betekent dat de Inspectie OOV op grond van de Wet veiligheidsregio’s bevoegd is ook de uitvoering van dit besluit te handhaven. Het toezichtarrangement voor de veiligheidsregio betreft naast instrumenten van controle en verantwoording ook het toezicht op de kwaliteit van de taakuitvoering. De Inspectie IOOV heeft in het kader van dit besluit tot taak om toezicht te houden op de wijze waarop een orgaan van een veiligheidsregio, een gemeente of een ander openbaar lichaam uitvoering geeft aan de taken met betrekking tot opleiding, oefening en het vakbekwaam blijven van het personeel binnen de veiligheidsregio en oefent daarbij onder meer signalerend toezicht uit.

Daarnaast controleert de Arbeidsinspectie de naleving van wettelijke voorschriften die werknemers moeten beschermen in het kader van de veiligheid en gezondheid op het werk. De Arbeidsinspectie richt zich daarbij in de eerste plaats op werkgevers.

13. Consultatie en adviezen

Het besluit is ter consultatie aangeboden aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Veiligheidsberaad, de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV), het Interprovinciaal Overleg (IPO), het Korpsbeheerdersberaad, het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB), het Adviescollege Toetsing Administratieve lasten, GGD Nederland, de Unie van Waterschappen, het College van Procureurs-generaal, de stichting Calamiteitenbeheersing in Bedrijven en Organisaties (CABO), de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie, het BRZO-kenniscentrum, VNO-NCW, Deltalinqs, het Nederlands instituut fysieke veiligheid (Nifv) en het Nederlands bureau brandweerexamens (Nbbe). De resultaten uit deze consultatie zijn verwerkt in het besluit en de nota van toelichting. Hierna wordt kort ingegaan op de inhoud van deze punten en de wijze waarop hiermee in het besluit is omgegaan.

Allereerst werd betwijfeld of het besluit wel voldoende in balans was. Hierbij is gewezen op het grote aantal brandweerfuncties in verhouding tot het aantal GHOR- en functies binnen de organisatie van de rampenbestrijding en crisisbeheersing. Gezien de historie van het onderhavige besluit – het komt mede voort uit het Besluit brandweerpersoneel – is dit deels verklaarbaar. Inmiddels is gekozen voor een betere afstemming tussen het onderhavige besluit en het Besluit veiligheidsregio’s met betrekking tot de functies die in deze besluiten worden genoemd. In het onderhavige besluit zijn naast de functies voor het personeel van de brandweer en GHOR ook functies opgenomen ten behoeve van de algemene organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing. Hiermee is een betere balans in het besluit bereikt.

Een tweede punt in het commentaar was de belasting van brandweervrijwilligers. Dit blijft voor veel geconsulteerde partijen een punt van zorg. Ik deel deze zorg, maar acht een inhoudelijk en juridisch onderscheid aangaande de kwaliteitseisen tussen het zogenaamde beroepspersoneel en het vrijwillige personeel bij de brandweer onwenselijk. Voor het onderhavige besluit blijft het uitgangspunt dat voor beroepspersoneel en brandweervrijwilligers geen onderscheid wordt gemaakt ten aanzien van de bekwaamheidseisen. Daarvoor bestaan twee redenen. In de eerste plaats de kwaliteit van de zorg die de brandweer levert. Het mag niet uitmaken of het een beroeps of een vrijwilliger is die de brand blust. Zij moeten dat allebei even goed kunnen. Zowel beroeps als vrijwillig brandweerpersoneel moet in monodisciplinaire en multidisciplinaire, in lokale en in grootschalige situaties met elkaar en met andere hulpdiensten kunnen samenwerken. Op de tweede plaats de veiligheid van het brandweerpersoneel zelf, de collega’s en de omstanders. Goed opgeleid en geoefend zijn geeft de beste waarborg voor veiligheid in de gevaarlijke situaties waarin brandweerpersoneel zich regelmatig begeeft.

Het functiegerichte stelsel zoals opgenomen in het onderhavige besluit zal echter leiden tot een meer gerichte belasting van het brandweerpersoneel. Het stelt brandweerpersoneel bovendien in staat om een bewuste keuze te maken voor een bepaalde functie. Verder wordt inzichtelijk welke belasting een functie met zich brengt.

Een derde element van zorg van de geconsulteerde partijen waren de financiële consequenties van het besluit. Veel geconsulteerde partijen verzochten om inzichten in de aan het besluit toe te schrijven kosten. De vraag werd opgeworpen hoe het voor decentrale overheden mogelijk is om een ontwerpbesluit te omarmen indien de financiële gevolgen ongewis zijn. Financieel onderzoek heeft kort na de consultatie inzicht gegeven in de meerkosten die het onderhavige besluit met zich brengt in het kader van het nieuwe onderwijssysteem. In het kader van het Bestuursakkoord Rijk en gemeenten van 4 juni 2007 is afgesproken dat de financiën die op grond van het Besluit doeluitkering rampenbestrijding (BDUR) worden verstrekt, substantieel worden verhoogd. Deze verhoging is mede bestemd om te voldoen aan de (kwaliteits)eisen van de Wet veiligheidsregio’s en de daaraan verbonden regelgeving, waaronder het onderhavige Besluit personeel veiligheidsregio’s. De dekking van de meerkosten van het onderhavige besluit kan plaatsvinden uit deze verhoging van de BDUR.

Het vierde punt was de algemene toegevoegde waarde van het besluit. De zorg voor de kwaliteit van het personeel van de veiligheidsregio’s is niet louter een gemeentelijke of regionale aangelegenheid. Het Rijk heeft hierin een medeverantwoordelijkheid. De kwaliteitsborging van het personeel van de veiligheidsregio’s, mede in het licht van de belangrijke maatschappelijk taak dat dit personeel heeft, is dermate van belang dat regelgeving op centraal niveau, beperkt tot de hoofdzaken, op haar plaats is. Bovendien geven verschillende evaluaties en onderzoeken van met name het brandweerveld aan dat regelgeving met expliciete kwaliteitseisen noodzakelijk is. De vakbekwaamheid van voornamelijk het repressieve en operationele personeel behoeft verbetering.

Het onderhavige besluit en de ministeriële regeling, waarin per functie aangeven wordt wat de kerntaken en bijbehorende competenties zijn, zijn een cruciale randvoorwaarde voor het op orde krijgen van de rampenbestrijding en crisisbeheersing in Nederland.

14. Voorhangprocedure

Het ontwerpbesluit is, ingevolge artikel 80 van de Wet veiligheidsregio’s, op 12 juni 2009 voorgehangen (Kamerstukken II 2008/09,31 117, nr. 31). Dit heeft de beide kamers de gelegenheid geboden betrokken te zijn bij de vaststelling van de voorschriften in het onderhavige besluit.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Het begrip functie is beperkt tot een samenstel van werkzaamheden. Een persoon kan één of meer functies uitoefenen. Het begrip functie moet niet worden verward met het begrip functie zoals dat in de rechtspositionele en arbeidsvoorwaardelijke sfeer wordt gehanteerd. Functies kunnen worden uitgeoefend bij de brandweer, bij de bedrijfsbrandweer, binnen de GHOR, of binnen de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing. Bij de in het besluit opgesomde functies voor het personeel van de brandweer behoren functiegerichte opleidingen die worden afgesloten met een rijksexamen. De Minister van BZK geeft het diploma af.

Artikel 2

In artikel 2, eerste lid, worden de functies opgesomd waaraan kwaliteiteisen kunnen worden gesteld. Het gaat om brandweerfuncties, bedrijfsbrandweerfuncties, functies binnen de GHOR en functies binnen de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing. Voor de brandweerfuncties geldt dat de examens, opleidingen, bijscholingen en oefeningen dienen te worden gebaseerd op de kerntaken en de daarbij behorende competenties. Het stellen van uniforme kerntaken en competenties zorgt ervoor dat het personeel van de brandweer vakbekwaam wordt (opleiden en examineren) en gedurende de gehele loopbaan vakbekwaam blijft (bijscholen en oefenen). Voor de bedrijfsbrandweerfuncties, functies binnen GHOR en de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing wordt verwezen naar hetgeen hierover in het algemeen gedeelte van de toelichting is uitgewerkt.

Artikel 3

Bij de brandweerfuncties en de bedrijfsbrandweerfuncties behoort een functiegerichte opleiding. In het eerste lid wordt, op grond van artikel 18 lid 4, van de Wet veiligheidsregio’s, vastgelegd dat de bij deze functies behorende opleidingen worden afgesloten met een rijksexamen. In het tweede lid is bepaald dat voor de functies bepaalde rangen gelden. Dit teneinde de interne organisatie en bevelstructuur, welke bij de brandweer operationeel gekoppeld is aan rangen, te behouden en te uniformeren. Dit komt tevens de uniformering en uitwisselbaarheid van brandweermensen bij interregionale bijstand ten goede doordat de functies zijn gekoppeld aan de bepaalde brandweerrangen. De functies manschap b, duikploegleider en bevelvoerder zijn gekoppeld aan een bepaalde rang. De operationele functies van manschap a, chauffeur, voertuigbediener, gaspakdrager, brandweerduiker en verkenner gevaarlijke stoffen worden aan twee rangen gekoppeld. Voor deze functies bepaalt het bestuur van de veiligheidsregio dan wel het college van burgemeester en wethouders of een persoon aangesteld wordt in de rang van brandwacht of de rang van hoofdbrandwacht.

Voor de overige niet repressieve functies wordt de hoogste rang waarin iemand met die functie aangesteld kan worden in dit besluit vastgelegd. Ook hier is het aan het bestuur van de veiligheidsregio dan wel het college van burgemeester om de rang te bepalen.

Artikel 4

Het aanstellings- en bevorderingsbeleid bij de brandweer is aan het bestuur van de veiligheidsregio dan wel het college van burgemeester en wethouders. Dit besluit schrijft slechts voor dat een persoon voorafgaande aan de uitoefening van één of meer functies in het bezit dient te zijn van het diploma van het de bij de desbetreffende functie behorende opleiding.

Tevens wordt in dit artikel geregeld dat het uitoefenen van een functie tevens mogelijk is indien een persoon in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties. De Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties geeft een regeling voor de erkenning van in een lidstaat van de Europese Unie verkregen beroepskwalificaties. Indien door de Minister van BZK een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties ten aanzien van de te vervullen functie is verleend, heeft een persoon toegang tot dezelfde functie als waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezit.

Het tweede lid bepaalt dat de Minister van BZK in een individueel geval ontheffing kan verlenen van de diploma-eis, bedoeld in het eerste lid. Op deze wijze kan een persoon die niet in het bezit is van het vereiste diploma toch een functie uitoefenen. Deze bevoegdheid van de minister is een afgeleide van zijn verantwoordelijkheid rond de afgifte van diploma’s, op grond van artikel 18 van de Wet veiligheidsregio’s.

Het derde lid bepaalt dat degene die een opleiding volgt tot één van de functies en nog niet over een diploma beschikt, als aspirant de desbetreffende functie kan uitoefenen.

Het tweede en derde lid vinden geen toepassing bij uitoefening van de functies brandweerduiker en duikploegleider gezien de aan deze werkzaamheden verbonden gezondheidsrisico’s. Deze functies mogen alleen worden verricht indien een persoon in het bezit is van het bij de desbetreffende duikfunctie behorende diploma (dat verkregen wordt na het met succes voltooid hebben van de desbetreffende functiegerichte opleiding). Het Arbeidsomstandighedenbesluit (artikel 6.13 tot en met 6.18) en de Arbeidsomstandighedenregeling (artikel 6.1 tot en met 6.8) bevatten eisen inzake duikarbeid en daarmee samenhangende aangelegenheden in het algemeen. Zo moet een werknemer die duikarbeid verricht in het bezit te zijn van een wettelijk certificaat. De eisen uit de Arbeidsomstandighedenregelgeving en het onderhavige besluit zijn zodanig op elkaar afgestemd, dat het halen van een rijksexamen impliceert dat ook is voldaan aan de eisen uit de arbeidsomstandighedenregelgeving. Het rijksdiploma en certificaat zijn om die reden ook volledig geïntegreerd.

In het vierde lid worden de functies opgesomd waarvoor een medische keuring bij aanstelling vereist is. Het gaat hier om functies manschap a, manschap b, chauffeur, voertuigbediener, gaspakdrager, verkenner gevaarlijke stoffen, bevelvoerder, instructeur, officier van dienst, adviseur gevaarlijke stoffen, meetplanleider, hoofdofficier van dienst of commandant van dienst. Dit zijn functies met bijzondere functie-eisen met betrekking tot medische geschiktheid. Dit ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van de keurling en van derden. De Wet op de medische keuringen is van toepassing. Zo dient op grond van artikel 8 van de Wet op de medische keuringen het doel van de keuring en de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld schriftelijk te worden vastgelegd evenals de medische onderzoeken die mogen worden verricht. Er dient daarover schriftelijke voorlichting te worden gegeven. De aanstellingskeuring gebeurt aan het einde van de selectieprocedure door een onafhankelijke arts die verplicht is tot geheimhouding van de keuringsgegevens. Ook bestaat er volgens artikel 12 de Wet op de medische keuringen onder bepaalde omstandigheden recht op herkeuring door een onafhankelijke geneeskundige. De kosten van herkeuring zijn voor keuringvrager. Er mag een redelijke bijdrage van de keurling verlangd worden.

Voor duikarbeid is het arbeidsgezondheidskundig onderzoek geregeld in de artikelen 6.13 en verder van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Zo is in artikel 6. 14a van dat besluit bepaald dat een persoon slechts duikarbeid verricht indien uit het arbeidsgezondheidskundig onderzoek blijkt dat dit op medische gronden toelaatbaar is. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een duikerarts.

Het vijfde lid bepaalt dat degene die een opleiding volgt tot een van de functies, genoemd in het vierde lid, een aanstellingskeuring ondergaat alvorens hij al aspirant de desbetreffende functie kan uitoefenen. De mogelijkheid tot uitoefening van een functie als aspirant is gecreëerd teneinde het leren op de werkplek mogelijk te maken, dit betekent echter niet dat de aspirant zelfstandig, zonder begeleiding, invulling kan en mag geven aan de functie waartoe de aspirant wordt opgeleid. Tevens dient de werkgever zich er van te vergewissen dat de aspirant voorafgaand aan een inzet voldoende is onderwezen in de voor de functie relevante veiligheidsaspecten.

Artikel 5 tot en met 9

Artikel 18, vijfde lid, van de Wet veiligheidsregio’s bepaalt dat bij amvb regels worden gegeven over de wijze waarop met in ieder geval de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd. Dit artikel uit de Wet veiligheidsregio’s maakt het mogelijk om naast vakorganisaties ook andere belangenorganisaties te betrekken bij de totstandkoming van een algemene maatregel van bestuur over de onderwerpen, genoemd in artikel 18, tweede lid.

Tot het overleg worden vertegenwoordigers toegelaten van iedere centrale van overheidspersoneel, genoemd in artikel 105, tweede lid, onderdeel a tot en met d, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, en andere organisaties, die naar het oordeel van Onze Minister representatief zijn voor het personeel van de brandweer en tegen wier toelating het algemeen belang zich niet verzet.

In dit artikel is aangesloten bij het overeenstemmingsvereiste van artikel 105, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Dit betekent dat in het overleg over de totstandkoming van een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 18, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s, overeenstemming dient te worden bereikt tussen de voorzitter en de meerderheid met de centrales van overheidspersoneel. Het gaat om regels over de functies en rangen, de eisen van aanstelling en bevordering, de eisen met betrekking tot de keuring en de controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid, de kleding en uitrusting. Iedere centrale van overheidspersoneel brengt één stem uit. Andere belangenorganisaties krijgen geen stemrecht. Met deze bepalingen komt het Besluit overleg brandweerpersoneel te vervallen.

Artikel 10

Als een kandidaat het rijksexamen met succes afsluit, komt deze in het bezit van een functiegericht rijksdiploma. De bij de functies behorende opleidingen worden afgesloten met een rijksexamen. In dit besluit wordt voorzien in een gelijkstelling. In de bijlage behorende bij dit besluit wordt geregeld welke diploma van de bij de desbetreffende functie behorende functiegerichte opleiding wordt gelijkgesteld met het diploma dat is behaald op basis van de examenreglementen, zoals die luidden voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in de Staatscourant.