Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935200-VI nr. 8

35 200 VI Jaarverslag en slotwet Ministerie van Justitie en Veiligheid 2018

Nr. 8 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 6 juni 2019

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Veiligheid en Justitie over het Jaarverslag Ministerie van Justitie en Veiligheid 2018 (Kamerstuk 35 200 VI, nr. 1).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 4 juni 2019. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Van Meenen

De waarnemend griffier van de commissie, Tielens-Tripels

Vraag (1):

Wat is de verklaring voor het met 27% afnemen van het aantal verblijfsvergunningen dat met discretionaire bevoegdheid is verleend?

Antwoord:

In 2017 is ten aanzien van 1201 vreemdelingen besloten van de discretionaire bevoegdheid gebruik te maken om een vergunning te verlenen. In 2018 is ten aanzien van 90 vreemdelingen besloten van de discretionaire bevoegdheid gebruik te maken om een vergunning te verlenen. Het aantal verleende verblijfsvergunningen hangt samen met het aantal zaken dat aan de Staatssecretaris van JenV wordt voorgelegd, de aard van de zaken die worden voorgelegd en de daarmee samenhangende afweging van de Staatssecretaris van JenV. Een algemene verklaring voor de daling is daarmee niet te geven.

Vraag (2):

Wat is de verklaring voor de afname met 51% van het aantal ingewilligde aanvragen MVV nareis?

Antwoord:

Het aantal ingediende nareisaanvragen daalde met 13% van 7.590 in 2017 naar 6.580 in 2018. Dit is een direct gevolg van minder ingewilligde asielaanvragen in 2018.

In 2017/2018 heeft de IND de voorraad nareisaanvragen teruggebracht. In 2017 zijn er 21.420 nareiszaken afgedaan. In 2018 heeft de IND 9.500 nareiszaken afgedaan. Omdat de IND in 2018 minder nareiszaken heeft behandeld vanwege de kleinere voorraad, is het aantal ingewilligde nareisaanvragen met 51% afgenomen. Het inwilligingspercentage van het aantal nareisaanvragen is met 5% gedaald.

Vraag (3):

Wat is het inwilligingspercentage in 2017 en 2018 als de beslissingen over veiligelanders buiten beschouwing worden gelaten?

Antwoord:

De inwilligingspercentages waarbij de beslissingen over veiligelanders buiten beschouwing zijn gelaten zijn in 2017 en 2018 respectievelijk 40% en 29%.2

Vraag (4):

Wat is de personele inzet van de Koninklijke Marechaussee (KMar) (langs Belgische en Duitse grens) geweest in 2017 en in 2018?

Antwoord:

Deze informatie is binnen de KMar niet beschikbaar en zou handmatig moeten worden uitgezocht wat een onevenredige werkbelasting vraagt. Daarnaast wordt de capaciteit van de KMar voor meerdere taakvelden ingezet en kan voor een MTV-controle een wisselend aantal medewerkers ingezet worden afhankelijk van de omvang en de duur van de controle. Het aantal gecontroleerde personen in het kader van MTV bedroeg in 2017 ca 149.200 en in 2018 ca 116.700 personen. Onder meer vanwege de groei van passagiersstromen op de luchthavens is de inzet op MTV wel verminderd sinds 2016.

Vraag (5):

Welk deel van de criminele vreemdelingen (al dan niet illegaal) is Nederland binnengekomen door de Belgische of Duitse grens over te steken? Voor welk deel is dat onbekend?

Antwoord:

Dit is niet bekend. De KMar voert Mobiel Toezicht Vreemdelingen controles uit op basis van beschikbare informatie en op basis van steekproeven. Aangezien er binnen het Schengengebied sprake is van open grenzen wordt niet iedere grenspassant gecontroleerd en geregistreerd. Er kan dus geen direct verband worden gelegd tussen vreemdelingen welke een strafbaar feit begaan en een eventuele binnenkomst via de Belgische of Duitse grens.

Vraag (6):

Hoeveel asielaanvragen zijn in 2018 gedaan door mensen die in het verleden (meer dan 18 maanden) als Dublin-claimant het land hebben verlaten (gedwongen, dan wel vrijwillig, alsmede met onbekende bestemming)?

Antwoord:

Uit onderzoek is gebleken dat het genereren van deze cijfers dermate complex is dat hier op dit moment geen eenduidige en betrouwbare cijfers over kunnen worden geleverd vanuit het IND-automatiseringssysteem. Dit betekent dat door u gevraagde gegevens niet kunnen worden geleverd.

Vraag (7):

Hoeveel voormalige Dublin-claimanten hebben in 2018 een asielaanvraag in Nederland toegekend gekregen? Hoeveel zijn afgewezen?

Antwoord:

Uit onderzoek is gebleken dat het genereren van deze cijfers dermate complex is dat hier op dit moment geen eenduidige en betrouwbare cijfers over kunnen worden geleverd vanuit het IND-automatiseringssysteem. Dit betekent dat door u gevraagde gegevens niet kunnen worden geleverd.

Vraag (8):

Hoeveel vreemdelingen verbleven naar schatting in 2018 illegaal in Nederland?

Antwoord:

Er is geen actuele schatting van het aantal illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen. De meest recente schatting m.b.t illegaal verblijvende personen, uitgevoerd door het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, dateert uit 2015.3 In 2018 is er een vooronderzoek afgerond voor een nieuwe versie van de illegalenschatting. De verwachting is dat de nieuwe illegalenschatting rond de jaarwisseling wordt afgerond.

Vraag (9):

Klopt het dat 8% van de toegangsgeweigerden Albanezen betrof? Om welke redenen en op grond waarvan werd hen de toegang geweigerd?

Antwoord:

Het totaal aantal toegangsweigeringen zoals geregistreerd door de KMar bedroeg in 2018 afgerond 2.540. Hiervan betrof het in 190 keer een vreemdeling met de Albanese nationaliteit. Dit komt neer op ongeveer 8%.

Weigeringsgronden:

Aantal Albanese weigeringen 2018

E: Has no appropriate documentation justifying the purpose and conditions of stay

90

G: No sufficient means of subsistence in relation to period/form of stay or to return to coo/transit

60

H: Person of whom an alert is issued for the purpose of refusing entry in the SIS or national register

20

A: Has no valid travel document(s)

<10

I: Is considered threat for public policy, internal security, public health or international relations

<10

F: Has already stayed for 3 months during a 6 months period on the territory of the member states of EU

<10

C: Has no valid visa or residence permit

<10

B: Has a false/counterfeit/forged travel document

<10

 

Totaal aantal Albanese weigeringen 2018

190

   

Totaal aantal weigeringen 2018:

2.540

   

Percentage Albanese weigeringen t.o.v. totaal aantal weigeringen

8%

Bron: KMar, aantallen afgerond op tientallen

Vraag (10):

Hoeveel Albanezen zaten in 2018 in detentie in Nederland?

Antwoord:

Ten aanzien van bestuursrechtelijke vreemdelingen was de instroom in 2018: 769 met een gemiddelde bezetting op dagbasis over 2018: 25.

Ten aanzien van strafrechtelijke vreemdelingen was de instroom in 2018: 209 met een gemiddelde bezetting op dagbasis over 2018: 73.

Vraag (11):

Kunt u aangeven wat het aantal operationele fte (minus aspiranten) is bij de politie over de afgelopen zes begrotingen en de afgelopen zes jaarverslagen?

Antwoord:

In de onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de ontwikkeling van de operationele sterkte exclusief aspiranten in de afgelopen zes jaar. De tabel bevat de geprognosticeerde bezettingscijfers uit de begrotingen van de politie, de gerealiseerde bezettingscijfers uit de jaarverslagen van de politie en de formatiecijfers.

Operationele sterkte exclusief aspiranten

Jaar

Prognose bezetting (begroting)

Realisatie bezetting

(jaarverslag)

Formatie

2013

46.751

47.073

45.160

2014

47.261

48.257

45.160

2015

48.864

48.188

45.160

2016

48.026

48.162

45.160

2017

47.488

47.429

45.160

2018

46.787

46.755

45.533

Vraag (12):

Kunt u aangeven wat het aantal aspiranten is bij de politie over de afgelopen zes begrotingen en de afgelopen zes jaarverslagen?

Antwoord:

In bijgaande tabel is een overzicht opgenomen van de ontwikkeling van de het aantal aspiranten in de afgelopen zes jaar. De tabel bevat de geprognosticeerde bezettingscijfers uit de begrotingen van de politie, de gerealiseerde bezettingscijfers uit de jaarverslagen van de politie en de formatiecijfers.

Aspiranten

Jaar

Prognose bezetting (begroting)

Realisatie bezetting

(jaarverslag)

Formatie

2013

3.751

4.525

4.642

2014

3.092

3.185

4.642

2015

2.091

2.321

4.642

2016

2.569

2.585

4.642

2017

3.265

2.887

4.642

2018

3.662

3.634

4.642

Vraag (13):

Kunt u aangeven wat het eigen vermogen is bij de politie over de afgelopen zes begrotingen en de afgelopen zes jaarverslagen?

Antwoord:

In bijgaande tabel is het verloop van het eigen vermogen weergegeven voor de afgelopen zes jaren.

Eigen Vermogen

2013

2014

2015

2016

2017

2018

x 1 mln.

           

Begroting

626

467

303

276

167

162

Jaarrekening

618

486

292

183

244

173

Vraag (14):

Kunt u aangeven wat het aantal niet-operationele fte is bij de politie over de afgelopen zes begrotingen en de afgelopen zes jaarverslagen?

Antwoord:

In bijgaande tabel is een overzicht opgenomen van de ontwikkeling van de niet-operationele sterkte in de afgelopen zes jaar. De tabel bevat de geprognosticeerde bezettingscijfers uit de begrotingen van de politie, de gerealiseerde bezettingscijfers uit de jaarverslagen van de politie en de formatiecijfers. Sinds 2018 is het personeel van de Politieacademie in dienst van de politie. Dat is terug te zien in de stijging in 2018.

Niet-operationele sterkte

Jaar

Prognose bezetting (begroting)

Realisatie bezetting

(jaarverslag)

Formatie

2013

10.393

10.318

8.515

2014

9.915

9.446

8.515

2015

9.289

8.965

8.515

2016

8.513

8.978

8.515

20171

8.698

9.556

8.515

2018

10.069

10.840

10.040

X Noot
1

Het personeel van de Politieacademie was in het jaarverslag 2017 al in de operationele sterkte opgenomen, maar in de begroting 2017 nog niet. Het personeel van de politieacademie is daarom niet meegenomen in het realisatiecijfer 2017. Het genoemde getal is de totale niet-operationele sterkte van 10.604 fte minus 1.048 fte personeel van de Politieacademie.

Vraag (15):

Hoe vaak is een verdachte in 2018 in verzet gegaan tegen een strafbeschikking van het openbaar ministerie (OM)? Hoe vaak heeft een rechter een verdachte die verzet aantekende vrijgesproken? Hoe vaak viel de straf opgelegd door de rechter lager uit dan het strafbeschikkingsvoorstel van het OM? Hoe vaak viel de straf hoger uit?

Antwoord:

Tegen de 32.300 in 2018 opgelegde strafbeschikking in misdrijfzaken zijn circa 3.700 verzetten ontvangen. Het merendeel van deze zaken is aan de rechter voorgelegd. In 2018 heeft de rechter in 630 zaken de verdachte vrijgesproken. In 2018 was de straf die de rechter heeft opgelegd in 690 gevallen lager dan de boete in de strafbeschikking, in 1165 zaken was de straf gelijk en in 100 gevallen was de straf hoger.

De Minister van JenV heeft tijdens het algemeen overleg met de Tweede Kamer over OM-afdoening op 10 april 2019 toegezegd met het College van procureurs-generaal en met de procureur-generaal bij de Hoge Raad in overleg te zullen gaan over een 2-meting door het openbaar ministerie en een vervolgonderzoek van de procureur-generaal bij de Hoge Raad naar de stand van de kwaliteitsverbetering van de uitvoeringspraktijk van de OM-strafbeschikking. Inmiddels hebben College en de procureur-generaal bij de Hoge Raad aangegeven deze vervolgonderzoeken te zullen verrichten. Conform de toezegging streeft de Minister van JenV ernaar uw Kamer in oktober 2020 te kunnen informeren over de genoemde 2-meting. De procureur-generaal bij de Hoge Raad zal diens onderzoek uitvoeren in 2021, zodat het onderzoek kan dienen als eindmeting van de effecten van het OM-Kwaliteitsprogramma Strafvordering 2020 op de uitvoeringspraktijk van de OM-strafbeschikking.

Vraag (16):

Hoe heeft de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken de ontvangen subsidie weten in te zetten in 2018? Was de ontvangen subsidie in lijn met de gevoerde zaken door de geschillencommissies? Is bij de stichting sprake van tekorten?

Antwoord:

De subsidie die de SGC in 2018 heeft ontvangen is, net als in voorgaande jaren, bestemd voor de koepelkosten van de organisatie van de SGC. De subsidie is in overeenstemming hiermee besteed. Met de SGC is gesproken over de toekomst van de SGC en de daarvoor benodigde financiële middelen, ook voor de langere termijn. Op basis daarvan is in de meerjarenbegroting ook voor de komende jaren subsidie voor de SGC begroot.

De jaarplannen en de daarbij behorende begrotingen die de SGC voor 2018 en 2019 heeft ingediend passen in de vastgestelde kaders en vertonen geen tekort. De jaarrekening over 2018 van de SGC is nog niet ontvangen.

Vraag (17):

Het budget van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is overschreden met 800.000 euro ten gevolge van een hogere bezetting dan geraamd was in de begroting. Wordt verwacht dat in 2019 het budget ook zal worden overschreden? Is het budget bijgesteld voor 2019?

Antwoord:

Vanwege de consequenties van de implementatie van de AVG is het budget van de AP in 2018 verhoogd van € 7,7 mln. naar € 15,1 mln. in 2019 en de daarop volgende jaren. Met het in de voorjaarsnota voorziene extra budget groeit het totale budget van de AP voor 2019 verder door naar € 18,5 mln. Met de AP wordt periodiek bezien welke capaciteit c.q. welk budget daadwerkelijk benodigd is.

Vraag (18):

In hoeverre lopen de taakuitbreidingen als gevolg van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming in de pas met de budgetvergroting van de AP?

Antwoord:

Zie antwoord vraag 17.

Vraag (19):

Kan worden aangegeven wat ten grondslag ligt aan het verschil tussen begroting en realisatie van 739.000 euro bij de bijdragen medeoverheden voor de uitstapprogramma’s prostituees?

Antwoord:

Voor uitstapprogramma’s van prostituees is conform het regeerakkoord € 3 mln. per jaar beschikbaar. Vanwege begrotingstechnische redenen – gemeenten ontvangen bijdragen, organisaties subsidies – is op de begroting het budget uitgesplitst naar bijdragen aan medeoverheden en subsidies aan maatschappelijke organisaties (twee maal € 1,5 mln.). Het totaalbedrag van € 3 mln. is evenwel vrij te verdelen tussen gemeenten en maatschappelijke organisaties. De daadwerkelijke verdeling hangt af van wie een subsidie of een bijdrage krijgen toegekend. In 2018 is er een hoger bedrag uitgekeerd aan subsidies en een lager bedrag aan bijdragen. Daarom is er een restant bedrag op de post bijdragen medeoverheden van € 302.432,– maar ook een overschrijding van € 359.573,– op de post subsidies aan maatschappelijke organisaties. In totaal is er in 2018 € 3.057.140,– aan subsidies ten behoeve van uitstapprogramma’s uitgekeerd. Daarnaast heeft er abusievelijk een mutatie van € 500.000,– ten gunste van het RUPS artikel plaatsgevonden bovenop de € 3 mln. die conform het regeerakkoord jaarlijks beschikbaar is voor uitstapprogramma’s.

Vraag (20):

Hoe vaak is subsidie aangevraagd voor het opzetten van een uitstapprogramma prostituees door een maatschappelijke organisatie?

Antwoord:

In 2018 hebben bij de verlenging Regeling uitstapprogramma’s prostituees (verlenging Rups II) veertien maatschappelijke organisaties bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid subsidie aangevraagd voor een uitstapprogramma voor prostituees. Het merendeel van de subsidieaanvragen onder de verlenging Rups II was voor het voortzetten van een bestaand uitstapprogramma. Vier van de subsidieaanvragen door een maatschappelijke organisatie waren voor de opzet van een nieuw uitstapprogramma. Naast maatschappelijke organisaties hebben ook zeven gemeenten een aanvraag ingediend in het kader van verlenging Rups II.

Vraag (21):

Is sprake van een toename van het aantal meldingen van ongebruikelijke transacties bij de Financial Intelligence Unit (FIU)?

Antwoord:

Het jaaroverzicht van de FIU-Nederland over 2018 zal op korte termijn aan uw Kamer worden aangeboden. Van FIU-Nederland is reeds vernomen dat er sprake is van een toename van het aantal meldingen van ongebruikelijke transacties in 2018.

Vraag (22):

Is sprake van een toename in het aantal ongebruikelijke transacties dat door de FIU is aangemerkt als verdachte transactie in de afgelopen jaren?

Antwoord:

Het jaaroverzicht van de FIU-Nederland over 2018 zal op korte termijn aan uw Kamer worden aangeboden. Van FIU-Nederland is reeds vernomen dat er sprake is van een toename van het aantal door de FIU-Nederland verdacht verklaarde transacties in de afgelopen jaren.

Vraag (23):

Hebben toenames in het aantal meldingen gedaan door meldingplichtigen geleid tot een toename van het werk bij de FIU?

Antwoord:

Het groeiend aantal meldingen van ongebruikelijke transacties leidt tot een toename van het werk van de FIU-Nederland. In 2017 is mede daarom de capaciteit van de FIU-Nederland uitgebreid Bij de aanbieding van het jaaroverzicht van de FIU-Nederland over 2018 zal nader worden ingegaan op de voorziene verdere toename van meldingen voor de werkzaamheden van de FIU-Nederland.

Vraag (24):

Hoe vaak is gebruikgemaakt van de garantstellingsregeling voor curatoren?

Antwoord:

In 2018 zijn door curatoren 179 nieuwe aanvragen en 139 verhogingsverzoeken bij Justis ingediend. In 2018 is in 128 zaken een betaalopdracht afgegeven, omdat met het door de curator teruggehaalde boedelactief het garantiebedrag niet of onvoldoende kon worden terugbetaald. De Staat zuivert in dat geval het ontstane debetsaldo op verleende garantstellingen aan. Van de 128 zaken betrof het 3 zaken waarvoor in 2018 een garantstelling is verleend. In de overige 125 gevallen ging het om zaken waarin eerder dan 2018 een garantstelling is verleend.

Vraag (25):

Hoeveel aanvragen zijn gedaan voor de garantstellingsregeling voor curatoren? Hoeveel van deze aanvragen hebben geleid tot daadwerkelijke uitkering?

Antwoord:

Zie antwoord vraag 24.

Vraag (26):

Hoe heeft de deelname aan ZSM-tafels bijgedragen aan hogere uitgaven voor de Raad voor de Kinderbescherming?

Antwoord:

De deelname van de RvdK aan de ZSM-tafels gaat gepaard met een inzet van personele capaciteit die niet elders vrijgespeeld kon worden en is daarom onderdeel van de in het jaarverslag gerapporteerde overschrijding van het budgettaire kader. Daarin is overigens als belangrijkste verklaring opgenomen de kosten die samenhangen met de vertraagde reorganisatie en de bijbehorende frictiekosten.

Vraag (27):

Hoe is de ontwikkeling van het aantal geregistreerde misdrijven geweest in 2018?

Antwoord:

De instroom van misdrijven is in 2018 is met 6% gedaald ten opzichte van 2017. U ontvangt vóór 27 juni 2019 de factsheet Strafrechtketenmonitor 2018 waarin dieper op de ontwikkelingen in de strafrechtketen wordt ingegaan.

Vraag (28):

Hoeveel geld heeft de politie in 2018 besteed aan bewaken en beveiligen en waar is dit in de jaarverantwoording terug te vinden?

Antwoord:

Tijdens het debat over het functioneren van het stelsel bewaken en beveiligen van 4 april jl. heeft Minister van JenV uw Kamer, naar aanleiding van vragen van het lid Van Dam (CDA), toegezegd dat er duidelijkheid zal worden gegeven over de vraag of en in hoeverre er inzicht kan worden gegeven over het aandeel van bewaken en beveiligen in de politiebegroting 2020 (Handelingen II 2018/19, nr. 71, item 11). U ontvangt de voortgangsbrief over het stelsel bewaken en beveiligen in het najaar 2019.

Meer in het algemeen kan De Minister van JenV stellen dat een volledig overzicht van de totale kosten voor het stelsel van bewaken en beveiligen niet beschikbaar is. Er kunnen dus geen uitspraken gedaan worden over de hoogte van alle kosten inzet in het kader van bewaken- en beveiligen. Een integraal overzicht van de kosten wordt niet bijgehouden en is ook niet uit het systeem van financiële verantwoording van de politie te genereren. Allereerst omdat het stelsel bewaken en beveiligen bestaat uit een decentraal domein en Rijksdomein. Ook binnen het centrale domein zijn niet alle kosten eenvoudig toe te rekenen aan alleen de DBB; onder omstandigheden kunnen ook andere onderdelen van de politie (zoals de DSI) belast worden met onderdelen van deze taak. Daarnaast wordt ook de KMar/BSB ingezet voor delen van de taak in het centraal domein. Vanuit deze verantwoordelijkheidsverdeling volgt ook de verdeling van maatregelen en bijbehorende kosten. Als gesteld kan toerekening van deze uitgaven of het inzichtelijk maken van een overzicht van alle kosten bovendien onnodig veiligheidsrisico’s opleveren, omdat daar informatie over de beveiliging aan kan worden ontleend zowel m.b.t. de te beveiligen objecten en personen als m.b.t. de aard en de uitvoering van maatregelen. Overigens worden bij de afweging voor bewaken en beveiligen altijd de uitgangspunten gehanteerd cf. «de circulaire bewaken en beveiligen van personen, objecten en diensten 2015».

Vraag (29):

Hoeveel uur heeft de politie in 2018 besteed aan de opvang en behandeling van personen met verward gedrag? Hoe verhoudt dit zich tot voorgaande jaren?

Antwoord:

Er is geen registratie van het aantal uur dat de politie besteedt aan de opvang en behandeling van personen met verward gedrag. In mijn brief van 24 mei 2019 (Kamerstuk 25 424, nr. 461) heeft de Minister van JenV uw Kamer gemeld dat er in 2018 opnieuw een stijging was van het aantal bij de politie geregistreerde overlastincidenten waarbij personen met verward gedrag waren betrokken. In 2017 registreerde de politie nog 83.602 incidenten. In 2018 liep dit aantal op naar 90.605, een stijging van acht procent. In antwoorden op Kamervragen heeft de Minister van JenV uw Kamer bericht dat niet elke registratie een uniek persoon betreft en er ook verschillen in registratiediscipline zijn.

Vraag (30):

Hoe hebben de doorlooptijden in de zaaksstromen zeden, ernstige verkeersdelicten (artikel 6 Wegenverkeerswet) en jeugd zich in 2018 ten opzichte van voorgaande jaren ontwikkeld?

Antwoord:

In de factsheet Strafrechtketenmonitor 2017 is vorig jaar een nulmeting opgenomen over de geprioriteerde zaakstromen zeden (excl. schennispleging), ernstige verkeersdelicten en jeugd. In de komende factsheet over 2018, die u ontvangt vóór 27 juni 2019, is de doorlooptijd opgenomen over 2018. Bij zeden zijn de doorlooptijden vergelijkbaar met 2017, bij ernstige verkeersdelicten is de doorlooptijd licht toegenomen. Voor wat betreft jeugd gelden de Kalsbeeknormen. Op twee van de drie normen (doorlooptijd tussen 1e verhoor en 1e beoordeling OM en doorlooptijd tussen 1e verhoor en vonnis rechter) is een lichte verbetering te zien. De normen worden echter niet gehaald. In een brief die u naar verwachting eind juni 2019 zult ontvangen, wordt de aanpak van de doorlooptijden van het Bestuurlijk Ketenberaad op genoemde thema’s toegelicht.

Vraag (31):

Hoe heeft de instroom en de uitstroom in de strafrechtketen zich in 2018 ten opzichte van voorgaande jaren ontwikkeld?

Antwoord:

Uit de Strafrechtketenmonitor blijkt dat de instroom van misdrijven in 2018 ten opzichte van 2017 met 6% is gedaald. Dit past in de langjarige dalende trend. Het aantal opgelegde sancties bij misdrijven is met 5% gedaald. Dit is niet opvallend vergeleken met de ontwikkelingen in de afgelopen jaren (-9% in 2015, -6% in 2016 en +1% in 2017). U ontvangt vóór 27 juni 2019 de factsheet Strafrechtketenmonitor 2018 waarin dieper op de ontwikkelingen in de strafrechtketen wordt ingegaan.

Vraag (32):

Is in 2018 de Kalsbeek-norm (op de verschillende deelthema’s) gehaald?

Antwoord:

De Kalsbeeknormen uit 2001 zijn in 2018 op de verschillende deelthema’s niet gehaald.

Het gaat om de volgende normen:

Wat we meten

Norm

Realisatie 2018

% zaken waarvan binnen 30 dagen na 1e verhoor het proces verbaal is ontvangen door het OM

80%

61%

% zaken waarvan binnen 90 dagen na 1e verhoor het OM de zaak heeft beoordeeld

80%

60%

% zaken waarvan binnen 180 dagen na 1e verhoor de rechter een vonnis heeft uitgesproken

80%

51%

Om de doorlooptijden te versnellen hebben werksessies plaatsgevonden met ketenpartners in alle arrondissementen. Daar zijn versnellende en vertragende factoren in kaart gebracht die vervolgens landelijk zijn gedeeld. In de werksessies gaven de ketenpartners aan dat de Kalsbeeknormen en de manier waarop die worden gemeten niet passen bij de huidige werkwijze. De wijze waarop gehoor gegeven wordt aan dit signaal, treft u in de Kamerbrief Aanpak Jeugdcriminaliteit die de Minister voor Rechtsbescherming u vóór de zomer toestuurt.

Vraag (33):

Hoeveel waardebeslag (strafrechtelijk conservatoir beslag) hebben politie en OM in 2018 gerealiseerd? Hoe verhoudt zich dat tot voorgaande jaren?

Antwoord:

Blijkens het recent verschenen jaarbericht 2018 van het Openbaar Ministerie betrof het gerealiseerde waardebeslag in 2014 (€) 249.672.200, in 2015 (€) 407.464.900, in 2016 (€) 344.345.700, in 2017 (€) 359.677.800 en in 2018 (€) 400.944.000.

Vraag (34):

Wat is de omvang van het bedrag van ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel dat rechters in 2018 hebben toegewezen?

Antwoord:

Uit de systemen van de rechtspraak kan niet worden afgeleid voor hoeveel aan betalingsverplichtingen voor wederrechtelijk verkregen voordeel de afgelopen jaren is opgelegd.

Vraag (35):

Wat was per 1 januari en per 31 december 2018 de waarde van conservatoir in beslag genomen voorwerpen, onderverdeeld naar (dure) voertuigen, cash geld en onroerend goed, zowel in Nederland als in het buitenland?

Antwoord:

De geschatte waarde van het door het OM beheerde waardebeslag in januari 2019 bedraagt ongeveer € 1.9 mld. In januari 2018 was sprake van een geschatte waarde van beheerd waardebeslag van circa € 1,5 mld. De waarde als gevolg van conservatoir beslag maakt hier onderdeel van uit. Bij dit bedrag moet worden aangetekend dat beslag alleen tot incasso komt wanneer sprake is van een onherroepelijke veroordeling in de ontnemingszaak of wanneer het tot een ontnemingsschikking komt. Verder kan conservatoir beslag worden aangewend om vorderingen van bijvoorbeeld slachtoffers of de Belastingdienst te voldoen. Verder wordt er bij de waardevaststelling geen rekening gehouden met het te ontnemen bedrag. Dat betekent dat het beslag ter zekerheidsstelling van een toegewezen ontnemingsvordering hoger of lager kan zijn dan het berekende wederrechtelijk voordeel. Met andere woorden, niet alle beslag zal automatisch aan de Staat vervallen. Ten slotte geldt dat dit bedrag gebaseerd is op ramingen en taxaties. Pas wanneer het beslag wordt uitgewonnen kan de uiteindelijke waarde worden bepaald. Vanwege de complexiteit kan een nadere onderverdeling niet binnen de voor het beantwoorden van de vraag beschikbare tijd worden opgeleverd.

Vraag (36):

Op welke wijze en waar zijn gegevens over strafrechtelijk en conservatoir in beslag genomen voorwerpen in de jaarverantwoordingsstukken verwerkt?

Antwoord:

Gegevens over strafrechtelijk en conservatoir in beslag genomen voorwerpen zijn niet opgenomen in het jaarverslag 2018 aangezien dit geen ontvangsten betreft en hierover geen doelstellingen zijn opgenomen in de Veiligheidsagenda. Deze gegevens zijn wel opgenomen in het jaarbericht van het Openbaar Ministerie.

Vraag (37):

Welke rol speelt het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) bij het centraal, voor alle brandweerkorpsen in Nederland, aanbesteden van opdrachten zoals het aanschaffen van nieuw brandweermaterieel, brandweerkleding en -uitrusting en overige zaken? Voor hoeveel budget heeft de aanschaf van nieuw brandweermateriaal in 2018 plaatsgevonden via het IFV of is door de regio’s/korpsen zelfstandig aanbesteed en aangeschaft?

Antwoord:

Het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) ondersteunt bij de ontwikkeling van de inkoopfuncties in de veiligheidsregio’s waaronder bij gezamenlijke inkopen door veiligheidsregio’s. De Minister van JenV beschikt niet over informatie over het door de 25 veiligheidsregio’s afzonderlijk aangeschafte brandweermateriaal. Het jaarverslag 2018 IFV wordt in juni a.s. behandeld door het bestuur van het IFV. Na ontvangst zal dat verslag u worden toegezonden.

Vraag (38):

Hoe staat het met de toezegging uit het algemeen overleg, gehouden op 6 maart 2019, over rapporten inzake het WODC, in het bijzonder over het opstellen van een kader voor omgangsvormen? Hoe staat het met de opgevolgde aanbevelingen naar aanleiding van de integrale beleidsreactie van 15 januari 2019 op de rapporten van de onderzoekscommissies inzake het WODC?

Antwoord:

Op dit moment wordt de eerste voortgangsrapportage over de rapporten inzake het WODC aan uw Kamer voorbereid die de Minister van JenV u, overeenkomstig zijn toezegging in het algemeen overleg van 6 maart jl. voor de zomer toestuur (Kamerstuk 28 844, nr. 177).

Vraag (39):

Zijn er andere landen binnen de Europese Unie waar gevraagd wordt om het Vluchtelingenverdrag uit 1951 te moderniseren? Zo ja, welke landen? Zo nee, hoe is in 2018 geprobeerd andere landen hiervan te overtuigen?

Antwoord:

Ook in verschillende andere lidstaten bestaat discussie over de vraag of, en zo ja op welke wijze, het VN Vluchtelingenverdrag uit 1951 bij de tijd moet worden gebracht om een duurzaam juridisch kader te kunnen bieden voor het internationale asielbeleid van de toekomst. Echter, Nederland is voor zover bekend de eerste en vooralsnog enige lidstaat waar de regering deze vraag heeft vertaald in een formele onderzoeksopdracht. Dit laat onverlet dat de resultaten ook voor andere lidstaten relevant zijn. Het betreft immers niet een specifiek Nederlands vraagstuk maar een vraagstuk dat alle partijen bij het Verdrag raakt. De voortgang van het onderzoek wordt dan ook met bijzondere belangstelling door andere lidstaten gevolgd. Na de zomer wordt de Kamer over de voortgang op dit dossier geïnformeerd.

Vraag (40):

Kunt u per asielzoekerscentrum aangeven op hoeveel kilometer het dichtstbijzijnde politiebureau ervandaan gevestigd is?

Antwoord:

Bij de vestiging van politiebureaus wordt, in overleg met het lokale gezag, rekening gehouden met de veiligheidssituatie, spreiding en aanrijtijden. De aanwezigheid van een asielzoekerscentrum is geen expliciet criterium. De afstand tussen een politiebureau en een AZC wordt daarom niet bijgehouden.

Vraag (41):

Klopt het dat de bezuinigingsopdracht voor het OM in 2018 ten opzichte van 2010 is opgelopen naar 140 miljoen euro?

Antwoord:

Mede door economische crisis zijn sinds 2010 rijksbreed efficiencytaakstellingen opgelegd. Het openbaar ministerie (OM) is hier niet van uitgezonderd. Daarnaast is er op het terrein van de strafrechtketen sprake van een verschuiving van klassieke vormen van criminaliteit naar met name ondermijnende criminaliteit, terreur/jihadisme en cybercrime.

Tezamen heeft dit vanaf 2010 ervoor gezorgd dat op het budget van het OM sprake is van circa € 140 mln. aan ombuigingen en circa € 150 mln. aan intensiveringen.

Bij de ombuigingen is geen exact onderscheid te maken tussen «reguliere taken» en «niet-reguliere taken». Deze ombuigingen hebben over het algemeen een generiek karakter. De intensiveringen zijn vooral gekoppeld aan nieuwe taken voortkomend uit specifieke prioriteiten. Het OM constateert daarbij dat er factoren zijn die haar taakuitoefening verzwaren en complexer maken. De ombuigingen en intensiveringen kunnen dus niet (volledig) tegen elkaar worden weggestreept.

Dat de bezuinigingsopdracht en de verschuiving naar andere vormen van criminaliteit en

toegenomen complexiteit een wissel hebben getrokken op het OM is begrijpelijk en verklaart de uitspraak in het jaarbericht 2018. In de voorjaarsnota 2019 wordt het deel van de efficiencytaakstelling dat vanaf 2019 nog gerealiseerd zou moeten worden gecompenseerd. Dit betreft een bedrag van € 11,3 mln. in 2019 en € 17,3 mln. vanaf 2020.

Vraag (42):

Klopt het dat sinds 2011 het budget voor de reguliere taken van het OM met circa 90 miljoen euro is afgenomen?

Antwoord:

Zie antwoord vraag 41.

Vraag (43):

Worden de bezuinigingen op de reguliere taken van het OM, die sinds 2011 circa 90 miljoen euro bedragen, bij de voorjaarsnota 2019 volledig gerepareerd?

Antwoord:

Zie antwoord vraag 41.

Vraag (44):

Hoe verklaart u dat het bedrag dat kan worden afgepakt jarenlang te hoog is ingeschat?

Antwoord:

De doelstellingen in de afgelopen 10 jaar zijn met drie uitzonderingen (2012, 2017 en 2018) gehaald. Dat het bedrag dat kan worden afgepakt jarenlang te hoog is ingeschat wordt dan ook niet herkend.

Vraag (45):

Hoe reageert u op de uitspraak van het OM, gedaan in het OM Jaarbericht 2018, dat: «als gevolg van een krimpend budget het water aan de lippen staat.»?

Antwoord:

Zie antwoord vraag 41.

Vraag (46):

Hoe komt het dat de tegenvaller bij niet-belastingontvangsten van 50 miljoen euro niet was voorzien?

Antwoord:

De € 50 mln. tegenvaller bij afpakken waaraan in de vraag wordt gerelateerd, is de verwachte tegenvaller die bij de Najaarsnota 2018 aan de Tweede Kamer gemeld is.4

Vraag (47):

Waar komt het geld van de kasschuif van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van 90,3 miljoen euro vandaan?

Antwoord:

De toevoeging aan de begroting van DJI (via artikel 34) in 2018 van € 90,3 mln. ten behoeve de frictiekosten die samen hangen met het sluiten van gevangenissen wordt gedekt door middel van een kasschuif ten laste van artikel 92 in het jaar 2023.

Vraag (48):

Waarom wordt in het jaarverslag van 2018 een begrotingsraming van 2018 met betrekking tot de onderuitputting en exploitatieoverschotten aangepast en hoe komt dat bedrag van 84,3 miljoen euro tot stand?

Antwoord:

In het voorjaar van 2018 is een meerjarige taakstelling opgenomen in de JenV-begroting van € 113,7 mln. (zie voorjaarsnota 2018 en de bijbehorende suppletoire begroting). Deze taakstelling uit hoofde van verwachte onderuitputting en verwachte positieve resultaten van agentschappen is in de loop van 2018 ingevuld met meevallers en eind 2018 volledig gedekt door de gerealiseerde onderuitputting. De € 84,3 mln. betreft de onderuitputting en exploitatieoverschotten met betrekking tot uitgaven. Samen met onderuitputting en exploitatieoverschotten bij de niet-belastingontvangsten (€ 29,4 mln.) telt dit op tot de bovengenoemde € 113,7 mln.

Vraag (49):

Waaruit bestond de tegenvaller van 35,8 miljoen euro bij DJI uit het Prognosemodel Justitiële Ketens (PMJ-model)?

Antwoord:

Op basis van de ramingen uit het Prognosemodel Justitiële Ketens (PMJ), is de begroting van DJI verhoogt met € 35,8 mln. Dit betreft het totaal voor alle DJI divisies. Dit bestaat uit € 17,2 mln. voor het gevangeniswezen, € 17,1 mln. voor forensische zorg, € 1,3 mln. voor jeugd en € 0,2 mln. voor vreemdelingenbewaring.

Vraag (50):

Wordt de meevaller, zoals de Minister voor Rechtsbescherming in zijn brief van 9 november 2018 heeft aangegeven, nu benut voor het budget van de rechtsbijstand?

Antwoord:

In 2018 zijn de meevallers als gevolg van de terugloop van het aantal toevoegingen ingezet voor de JenV-brede problematiek. Daartegenover is de tegenvaller als gevolg van de 3 jaar vertraging van het wetsvoorstel duurzaam stelsel rechtsbijstand generaal gecompenseerd. De beleidslijn uit de TK-brief d.d. 9 november 20185, waarmee de vrijval van middelen als gevolg van een verminderd beroep op de rechtsbijstand wordt ingezet voor het dossier rechtsbijstand, is met ingang van het begrotingsjaar 2019 geëffectueerd.

Vraag (51):

Kan uiteen worden gezet, per jaar voor de afgelopen vijf jaar, hoeveel aangiften of meldingen van strafbare feiten niet door de politie in behandeling zijn genomen, terwijl er wel aanknopingspunten voor opsporing en vervolging waren?

Antwoord:

U ontvangt vóór 27 juni 2019 de factsheet Strafrechtketenmonitor 2018. Hierin zal ook worden ingegaan op de ontwikkelingen van zaken die vroegtijdig beëindigd worden in een meerjarig perspectief.

Vraag (52):

Heeft het OM reeds gepleit bij de Minister van Justitie en Veiligheid voor uitbreiding van de huidige kroongetuigenregeling? Zo ja, wat is op dat pleidooi de reactie van het Minister?

Antwoord:

In het kader van de aanpak van ondermijning heeft het OM in 2018 gepleit voor verruiming van de regeling omtrent «toezeggingen aan getuigen». Deze regeling staat ook wel bekend als de «kroongetuigenregeling». De verkenning van mogelijkheden tot verruiming van deze regeling maakt onderdeel uit van het wetgevingsprogramma binnen de aanpak van ondermijning. Een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van OM, politie en het Ministerie van Justitie & Veiligheid werkt momenteel de mogelijkheden hiertoe uit. Bij de uitwerking wordt betrokken het internationaal vergelijkend onderzoek naar toezeggingen aan getuigen in strafzaken in vier landen, dat in opdracht van het WODC is uitgevoerd door de Universiteit Leiden, en dat op 30 april 2018 aan uw Kamer is aangeboden.6 Bij de uitwerking wordt tevens betrokken: de uitkomsten van het arrest van de Hoge Raad in de strafzaak Passage, dat op 23 april 2019 is gewezen. Het voornemen is om uw Kamer in het najaar te informeren over deze uitwerking.

Vraag (53):

Hoe verhoudt het nu moeten verwerken van tegen- en meevallers op basis van het PMJ-model tot uw uitgesproken ambitie bij de vaststelling van de begrotingsstaten het PMJ-model accurater te willen maken?

Antwoord:

In het jaarverslag 2018 wordt weergegeven welke mutaties in 2018 zijn verwerkt. De PMJ mutaties zijn in het voorjaar van 2018 vastgesteld. Bij de begrotingsbehandeling 2019

(november 2018) is toegezegd dat er nogmaals samen met wetenschappers naar het PMJ wordt gekeken en daar waar nodig aanpassingen zullen worden gedaan. Aan die toezegging wordt thans uitvoeringgegeven door maatregelen op korte en lange termijn. Gedurende deze werkzaamheden, moeten er nieuwe ramingen worden opgesteld. Hiervoor wordt het huidige PMJ-model gebruikt, dus ook voor de begroting 2020 (besluitvorming in het voorjaar van 2019). Tevens vindt er regulier onderhoud aan het huidige PMJ plaats. Indien het onderzoek naar PMJ leidt tot een voorstel om over te gaan tot aanpassingen, zal de implementatie daarvan de nodige tijd kosten. Daarnaast is er mogelijk een periode van schaduwdraaien, om vast te stellen of de aanpassingen daadwerkelijk tot verbetering leiden. Een en ander impliceert dat minstens tot en met volgend jaar nog gebruik zal worden gemaakt van PMJ. Overigens is PMJ reeds vele malen geëvalueerd SEO (1999), KPMG/BEA (1999), IVA (2002), Nyfer (2003), APE (2004), Regioplan (2009), Moolenaar et al (2009), APE (2016), Moolenaar et al (2017)). De conclusie van al deze evaluaties was dat het huidige PMJ een goede basis is voor de begrotingsbesluitvorming.

Vraag (54):

Klopt het dat de investeringen in het OM die tegenover de bezuinigingen van 140 miljoen euro stonden de bezuinigingen op reguliere taken van het OM niet ongedaan gemaakt hebben, omdat deze investeringen exclusief bedoeld zijn voor belangrijke programma’s of nieuwe taken en dus niet beschikbaar zijn voor de reguliere OM-taken?

Antwoord:

Zie antwoord vraag 41.

Vraag (55):

Hoe groot verwacht u het verlies aan DJI-personeel, nu de medewerkers van de vier gesloten inrichtingen hun definitief plaatsingsbesluit hebben ontvangen?

Antwoord:

De sluitingen hebben ertoe geleid dat voor 677 medewerkers binnen DJI een andere baan gevonden moest worden. Van deze 677 personen zijn er 46 vertrokken bij DJI. In totaal zijn 631 medewerkers binnen DJI herplaatst.

Vraag (56):

Hoe is de informatievoorziening in het veiligheidsdomein verbeterd?

Antwoord:

Het veiligheidsdomein is een breed domein, met veel verschillende aspecten. Informatievoorziening is hierbij van groot belang, evenals de verbetering daarvan. Op verschillende fronten is de afgelopen tijd voortgang geboekt.

Zo is er veel geïnvesteerd in de versterken van informatie-uitwisseling ten behoeve van contraterrorisme. Zo hebben bijvoorbeeld de investeringen in inlichtingenonderzoek geleid tot een capacitaire groei van de AIVD ten behoeve van onderzoek naar radicaliserings-tendensen. Hierdoor heeft de AIVD in het afgelopen jaar een beter beeld weten te krijgen op dit onderzoeksterrein. Indien er handelingsperspectief voor ketenpartners van de AIVD aanwezig was, zijn deze in staat gesteld te handelen doormiddel van ambtsberichten. In vergelijking met voorgaande jaren was de AIVD daar, mede dankzij deze investeringen, vaker toe in staat.

Ook internationale informatie-uitwisseling is in 2018 weer verbeterd, zowel als het gaat om de hoeveelheid gedeelde gegevens, het gebruik daarvan en de (kwaliteit van) de systemen. Informatiedeling door de EU lidstaten blijft toenemen, zoals te zien in de stijgende trend in rapportages van de Europese Commissie, agentschappen zoals Europol en van de Europese Contraterrorisme Coördinator. Ook wordt vaker gezamenlijk opgetrokken in zogeheten Joint Investigation Teams die door Europol en Eurojust ondersteund worden. In Europees verband is de samenwerking van veiligheidsdiensten verankerd binnen de Counter Terrorism Group (CTG), waarin de AIVD een voortrekkersrol heeft. Nederland zet zich sterk in om deze samenwerking verder te consolideren en uit te bouwen, om meer operationele informatie uit te wisselen. Specifiek wordt ook ingezet op de analyse van passagiersgegevens, waarmee inzicht kan worden verkregen in opvallende reisbewegingen, binnen en buiten de EU, waardoor een belangrijke gerichte bijdrage kan worden geleverd aan het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit.

Tot slot heeft de Minister van JenV u in de brief van 12 november 2018 geïnformeerd over de Agenda risico- en crisisbeheersing van het kabinet7, waarvan goede samenwerking tussen partners binnen het veiligheidsdomein een belangrijk onderdeel is.

Vraag (57):

Wat is precies de betrokkenheid van gemeenten bij de bestrijding van cybercrime?

Antwoord:

Gemeenten spelen een belangrijke rol in het voorkomen van cybercriminaliteit door randvoorwaarden te scheppen, initiatieven te stimuleren en samenwerking en kennisdeling te bevorderen, met name met het oog op bewustwording, het herkennen van risico’s en het bieden van handelingsperspectief.

De Vereniging Nederlandse Gemeenten heeft samen met politie, ICT-, internet-, telecombedrijven, banken, brancheorganisaties en de rijksoverheid, tijdens de Landelijke Veiligheidsdag in Almere (25 mei jl.), het convenant «Preventie Cybercriminaliteit» ondertekend voor de integrale aanpak van preventie van cybercriminaliteit.

In een aantal tot stand gekomen gemeentelijke en regionale integrale veiligheidsplannen 2019–2021 zijn cyberveiligheid, cybercrime of digitale veiligheid als speerpunten opgenomen met preventie van cybercrime als belangrijke invalshoek.

Naast de investeringen uit het Regeerakkoord is eind 2018 bij Najaarsnota een investering van € 30 mln. ten behoeve van cybersecurity en cybercrime gedaan. Voor de bestuurlijke aanpak van cybersecurity en cybercrime is € 1,1 mln. toegekend. De G4, de G40, VNG en het CCV zijn in 2019 met (innovatieve) projecten van start gegaan. Deze projecten zijn gericht op bewustwording, weerbaarheid en crisisoefeningen. Zo zet bijvoorbeeld de Veiligheidsalliantie Rotterdam (samenwerkingsverband van 25 gemeenten, de politie en het Openbaar Ministerie binnen de eenheid Rotterdam) in op bewustwording van burgers, ondernemers en de gemeentelijke organisatie met een campagne gericht op jongeren en het MKB. En ontwikkelt de gemeente Utrecht een weerbaarheidsbeeld cyberveiligheid.

Begin 2020 worden de opbrengsten van de gemeentelijke projecten voor alle gemeenten (digitaal) toegankelijk gemaakt.

Vraag (58):

Hoe en wanneer wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over hoe de politie omgaat met de bevoegdheid om onder voorwaarden geautomatiseerde werken binnen te dringen?

Antwoord:

De wet Computercriminaliteit III is op 1 maart 2019 in werking getreden en sluit aan bij de nieuwste ontwikkelingen op het terrein van computercriminaliteit. De wet wordt reeds twee jaar na inwerkingtreding geëvalueerd. De wet en onderliggende regelgeving bevatten strikte voorwaarden over hoe de politie omgaat met de bevoegdheid om binnen te dringen in geautomatiseerde werken. Zo wordt de voorgenomen inzet binnen het OM (centraal) getoetst en is voorzien in uitgebreide rechterlijke controle, zowel voorafgaand aan de inzet als na afloop ter terechtzitting. Voorts is de inzet voorbehouden aan een specialistisch team van opsporingsambtenaren die deskundig zijn op het gebied van IT en vindt logging plaats van elke stap van de inzet, zodat controle achteraf beter mogelijk is. Tenslotte is voorzien in systeemtoezicht door de Inspectie Justitie en Veiligheid. De Minister van JenV zal uw Kamer jaarlijks rapporteren over de inzet.

Vraag (59):

Wanneer treedt de Wet Computercriminaliteit III in werking? Sluit deze wet nog aan bij de nieuwste ontwikkelingen op dit terrein? Is al sprake van voorbereiding van een wet Computercriminaliteit IV?

Antwoord:

De Wet computercriminaliteit III is op 1 maart 2019 in werking getreden.

Deze wet beoogt aan te sluiten op de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de computercriminaliteit, en biedt daartoe onder meer de mogelijkheid van het op afstand heimelijk binnendringen van een computer («geautomatiseerd werk»).

Er is geen sprake van de voorbereiding van een Wet computercriminaliteit IV. Eerst wordt de Wet computercriminaliteit III geëvalueerd (twee jaar na de inwerkingtreding).

Vraag (60):

In welke mate zijn diensten, zoals shared services, die het Ministerie van Justitie en Veiligheid van andere ministeries, althans overheidsonderdelen, afneemt in overeenstemming van de Algemene verordening gegevensbescherming?

Antwoord:

Het is van groot belang dat diensten, zoals shared services die het Ministerie van Justitie en Veiligheid afneemt van andere ministeries, in overeenstemming zijn met de Algemene verordening gegevensbescherming. JenV neemt onder meer diensten af van SSC-ICT, FMH, P-Direkt, UBR en het RVB. De Staatssecretaris van BZK is eerste verantwoordelijk voor deze shared services.

Als bij de dienstverlening van deze shared services persoonsgegevens worden verwerkt dan gebeurt dit binnen de kaders van het departementale privacybeleid van zowel BZK (als eigenaar van de shared services) als van JenV (als eigenaar van de persoonsgegevens). Voor P-direkt en FMH zijn aanvullend verwerkersafspraken gemaakt en voor SSC-ICT wordt momenteel aan een gezamenlijke verwerkersafspraak gewerkt.

Vraag (61):

Kunt u een overzicht geven van de projecten die voortkomen uit de Cybersecurity Alliantie?

Antwoord:

De Cybersecurity Alliantie heeft als doel om publieke en private partijen te verbinden. Publiek-private samenwerking is noodzakelijk om Nederland digitaal weerbaarder te maken. In mei 2018 is de Alliantie gestart en wordt er aan een aantal projecten uitvoering gegeven:

  • TIBER-NL: Het Threat Intelligence Based Ethical Red Teaming (TIBER) project betreft een testraamwerk met realistische scenario’s op basis van actuele dreigingsinformatie dat zijn effectiviteit heeft bewezen in de financiële sector. Het project onder de Cybersecurity Alliantie heeft als doel om dit testraamwerk te vertalen naar andere sectoren om ook daar in te kunnen zetten.

  • Vulnerability Management: Vulnerability management is een manier om inzicht te krijgen in de zwakke plekken van ICT-infrastructuur die veel organisaties reeds toepassen. De kwaliteit van vulnerability management wisselt sterk per organisatie. Met dit project onder de Cybersecurity Alliantie wordt met een werkgroep van vertegenwoordigers uit vitale sectoren het vulnerability management naar een hoger plan gebracht. Het doel is om uiteindelijk een standaard te ontwikkelen, waarbij er ook sprake is van cross-sectorale uitwisseling van best practices en informatie op het gebied van vulnerability management.

  • Moderne Standaarden voor Veilige E-mail: E-mail via onbeveiligde verbindingen kan gemakkelijk worden onderschept met het risico dat bedrijfsinformatie of persoonsgegevens in verkeerde handen terecht komen. Een ander risico zijn de vervalste e-mails die criminelen kunnen sturen uit naam van bijv. ondernemingen (phishing), wat ernstige zakelijke schade kunnen veroorzaken. Het project zorgt voor een impuls aan het breder verspreiden van moderne e-mailstandaarden door deze onder de aandacht te brengen van het bedrijfsleven.

  • Cybersecurity Woordenboek: Cybersecurity vakjargon zorgt voor onvoldoende zicht bij klanten op de producten en diensten die zij afnemen van de cybersecuritysector. Dit project heeft als doel om uniformiteit van cybersecurity terminologie binnen de sector te bewerkstelligen. Hiermee is dienstverlening beter te vergelijken en wordt de sector transparanter.

Vraag (62):

In hoeverre is sprake van een dekkend stelsel van cybersecuritysamenwerkingsverbanden in Nederland? Welke stappen om hiertoe te komen zijn in 2018 gezet en wat was de rol van het Nationaal Cyber Security Centrum daarin?

Antwoord:

Op dit moment is er al een groot aantal samenwerkingsverbanden waarbinnen cybersecurity informatie wordt uitgewisseld, dit is echter nog niet het geval voor alle organisaties in Nederland. Het kabinet wil de ontwikkeling van samenwerkingsverbanden stimuleren zodat iedereen in Nederland over relevante informatie beschikt over digitale kwetsbaarheden en dreigingen. Met de uitvoering van verschillende maatregelen onder de Nederlandse Cybersecurity Agenda (NCSA) wordt het Nederlandse stelsel van samenwerkingsverbanden versterkt. Denk daarbij aan het door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) opgerichte Digital Trust Center (DTC). Het DTC is het informatieknooppunt voor ondernemers in Nederland met als doel ondernemers te adviseren over veilig digitaal ondernemen. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) werkt samen met het DTC om die ambitie te bereiken. Daarnaast jaagt het DTC de oprichting van samenwerkingsverbanden aan. Verder kijkt het NCSC naar de mogelijkheden voor de versterking van informatie-uitwisseling met partijen buiten de vitale sector of rijksoverheid zoals veiligheidsregio’s en decentrale overheden. Zo is er in 2019 onder de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) gestart met het aanwijzen van organisaties die objectief kenbaar tot taak hebben hun doelgroep te informeren. Binnenkort wordt uw Kamer uitgebreid geïnformeerd over de voortgang van de NCSA.

Vraag (63):

Zijn in 2018 al meldingen gedaan in het kader van de Wet Beveiliging Netwerk- en Informatiesystemen?

Antwoord:

De Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen is in werking getreden per 9 november 2018. Sinds de inwerkingtreding zijn er over 2018 geen verplichte meldingen gedaan bij het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) of de sectorale toezichthouders.

Vraag (64):

Hoe verloopt de samenwerking binnen de Cybersecurity Alliantie?

Antwoord:

De Cybersecurity Alliantie is in 2018 in samenwerking met meerdere private en publieke partijen gestart. De Alliantie is nog volop in ontwikkeling. Onder de Cybersecurity Alliantie is het mogelijk om in uiteenlopende samenwerkingsverbanden concrete acties uit te voeren in projectvorm. De behoefte aan deze concrete acties is regelmatig tijdens gesprekken met publieke- en private partijen uitgesproken. Er wordt regelmatig binnen de Alliantie met partijen gesproken om nieuwe samenwerkingsvormen aan te gaan.

Vraag (65):

Hoe is het gesteld met het kennisniveau van (kleine) gemeenten over terrorisme? Hoe is het gesteld met het kennisniveau van (kleine) gemeenten over radicalisering en in het specifiek over salafisme?

Antwoord:

Er wordt bij de ondersteuning van gemeenten gekeken naar de lokale opgave en context en naar de dreiging versus weerbaarheid. Er worden circa 150, ook kleinere, gemeenten bereikt met zogenoemde Versterkingsgelden. De focus ligt daarbij op het versterken van regio’s (bijvoorbeeld via veiligheidshuizen) en (ervaren) gemeenten binnen regio’s zodat zij de omliggende gemeenten beter kunnen ondersteunen. Verder is een ondersteuningsaanbod ontwikkeld om gemeenten te ondersteunen bij het ontwikkelen en evalueren van hun preventieve interventies en beleid. Een toolkit evidence based werken maakt hier onderdeel van uit. De toolkit zal voor de zomer gereed zijn. Daarnaast worden gemeenten in Nederland ondersteund in de aanpak via bijvoorbeeld handreikingen, trainingen en kennisproducten. Zij kunnen ook gebruik maken van de ondersteuning van de Expertise Unit Sociale Stabiliteit (ESS), van het Platform Jeugd preventie Extremisme en Polarisatie (JEP) of van het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering (ROR).

Op dit moment wordt er een Rijksbreed ondersteuningsaanbod (curriculum) maatschappelijke spanningen ontwikkeld voor gemeenten Hier is niet alleen de rijksoverheid bij betrokken maar ook gemeenten, maatschappelijke en religieuze organisaties, radicaliseringsexperts uit binnen- en buitenland alsmede wetenschappers. Er is continu aandacht voor het (door)ontwikkelen van kennisproducten en trainingen.

Voor wat betreft kennis en aanpak van problematische elementen binnen het salafistische spectrum het volgende. In Nederland is op basis van de grondwettelijke vrijheid van godsdienst ook plaats voor stromingen die een fundamentalistisch karakter hebben. Binnen een deel van de salafistische beweging worden de opvattingen over «zuivering» van geloof en gedrag echter dusdanig opgevat dat daarmee actieve onverdraagzaamheid (die polarisatie aanwakkert of versterkt), anti- en ondemocratische activiteiten en het afwijzen van de overheid worden gelegitimeerd en gepropageerd. Een overheid hoeft en mag zich niet bemoeien met religieuze aspiraties, maar wel met een georganiseerd streven – vaak via heimelijke processen – naar maatschappelijke hervorming, invoering van een andere rechtsorde en eigenrichting, wanneer deze veranderingen gericht zijn op het inperken van vrijheden van andersdenkenden. Dergelijke problematische gedragingen zijn onacceptabel. Hiertegen treedt de Nederlandse overheid op door middel van preventieve en repressieve maatregelen. In dat kader is de Taskforce Problematisch Gedrag en Ongewenste Buitenlandse Financiering ingesteld.8 De Taskforce fungeert als vraagbaak voor gemeenten en deelt ook proactief kennis en expertise. Dit gebeurt bijvoorbeeld middels de Klankbordgroep Gemeenten die maandelijks bijeenkomst en waarin zowel casuïstiek als kennis op fenomeenniveau aan bod komen.

Vraag (66):

Wat is de aansturingsstructuur van de Dienst Speciale Interventies (DSI)?

Antwoord:

Het beheer van de DSI berust bij de politie, met uitzondering van het Aanhoudings- en Ondersteuningsteam van de KMar en de Unit Interventie Mariniers. Het beheer voor deze eenheden berust bij het Ministerie van Defensie. Afstemming van beleid en beheer tussen de DSI, politie, het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (NCTV en DGP&V) vindt plaats in het Afstemmingsoverleg.

Het bevoegd gezag bij inzet van de DSI berust in beginsel bij de officier van Justitie het Openbaar Ministerie. Bij inzet van een of meer Bijzondere Bijstandseenheden is bovendien de instemming van de voorzitter van het College van procureurs-generaal vereist. Indien de voorzitter van het College van procureurs-generaal niet bevoegd is te beslissen tot inzet van de DSI bijzondere bijstandseenheid beslist de Minister van Justitie en Veiligheid. Hierbij de laat de Minister zich adviseren en ondersteunen door het Beleidsteam DSI bestaande uit de NCTV (ook voorzitter), Korpschef Politie, voorzitter van College van procureurs-generaal en bij inzet van de UIM maakt ook de directeur juridische zaken van defensie daar onderdeel van uit.

Vraag (67):

Is het mogelijk het alarm via geluidsinstallaties, dat op de eerste maandag van de maand om 12.00 uur getest wordt, alsnog in de lucht te houden?

Antwoord:

In de brief aan uw Kamer van 25 maart jl.9 heeft de Minister van JenV aangegeven de uitfasering van het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (WAS) een jaar uit te stellen. Het besluit tot uitfasering van het WAS zal de Minister van JenV eerst aan uw Kamer voorleggen conform de motie Wolbert10 voordat een definitieve beslissing wordt genomen.

Vraag (68):

Wie heeft bestuurlijk de leiding over de interdepartementale aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging en de bedreiging daarvan voor nationale (veiligheids)belangen?

Antwoord:

De Minister van Justitie en Veiligheid coördineert de aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging, als onderdeel van de aanpak van statelijke dreigingen in Nederland. Daarbij wordt nauw en op gestructureerde wijze samengewerkt met betrokken departementen, de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten en waar relevant internationale partners. De NCTV voert de dagelijkse coördinatie op het dossier.

Zie ook de Tweede Kamerbrief Ongewenste buitenlandse inmenging11 en Tweede Kamerbrief Tegengaan statelijke dreigingen12

Vraag (69):

In het regeerakkoord is vermeld dat zeven miljoen euro beschikbaar is gesteld voor de gratis VOG-regeling. In 2018 is 100.000 keer een gratis VOG afgegeven. Is hier sprake van een begrotingsoverschot? Hoe is dit terug te vinden in het jaarverslag?

Antwoord:

De regeling gratis VOG is in 2018 overgedragen aan het Ministerie van VWS. Dat geldt ook voor de daarbij behorende middelen uit het Regeerakkoord. Deze zijn bij Voorjaarsnota 2018 aan de begroting van VWS toegevoegd. De verantwoording over deze middelen is dan ook opgenomen in het jaarverslag van VWS.

Vraag (70):

Hoe geeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid invulling aan zijn partnerschap in het interbestuurlijke programma Sociaal Domein?

Antwoord:

JenV participeert in de programmaraad van het programma Sociaal Domein (PSD), is binnen dit programma samen met gemeente Tilburg trekker van het thematraject Zorg en Veiligheid, en is betrokken bij een aantal andere thematrajecten zoals Eenvoudig Maatwerk. In de programmastart van het Interbestuurlijk Programma (IBP) is opgenomen dat bij de extra bestuurlijke inspanning voor opgave 5 (genaamd merkbaar beter in het sociaal domein) gebruik wordt gemaakt van het PSD. Opgave 5 bestaat uit twaalf deelopgaven. Bij vijf daarvan is JenV betrokken: kindermishandeling en huiselijk geweld, mensenhandel, voorkomen van recidive na detentie, personen met verward gedrag en personen die vatbaar zijn voor extremisme en radicalisering.

Vraag (71):

Kunt u aangeven wat de voornaamste redenen zijn dat het doel van vijftig complexe onderzoeken naar cybercrime niet is gehaald?

Antwoord:

De afgelopen jaren is de ambitie voor het aantal complexe cybercrime-onderzoeken steeds gegroeid. Een vast deel van deze onderzoeken, ieder jaar 20, wordt uitgevoerd door het Team High Tech Crime van de Landelijke Eenheid, een ander deel door de regionale eenheden van de politie. Dat laatste deel is achter gebleven bij de ambitie, maar de afgelopen jaren wel steeds gestegen. Eén van de oorzaken daarvan is dat aandacht uit is gegaan naar alternatieve en aanvullende interventies. Een voorbeeld daarvan is het tegengaan van de tech support scam, waarbij mede is ingezet op preventie en verstoring van de criminele werkwijze. Daarnaast was het afgelopen jaar veel capaciteit gemoeid met internationale spoedverzoeken ten behoeve van de opsporing in andere landen in verband met de grote aanwezigheid

van digitale infrastructuur in Nederland. Cybercrime is bij uitstek een fenomeen dat zich niet binnen regionale en nationale grenzen voordoet. Bovendien is de opbouw van de regionale cybercrimeteams bij de politie nog niet voltooid. Deze opbouw wordt dit jaar voortgezet.

Vraag (72):

Waarom vallen zedenzaken niet in de categorie High Impact Crimes?

Antwoord:

De aanpak «High Impact Crimes» richt zich op ingrijpende delicten die enorme gevolgen hebben voor het veiligheidsgevoel van mensen, zowel van het slachtoffer, diens omgeving en van de maatschappij. Hierbij wordt samengewerkt met lokale overheden en organisaties om die delicten te bestrijden en ook te voorkomen. De grote diversiteit aan zedendelicten, de brede leeftijdscategorie van slachtoffers en het feit dat daders en slachtoffers vaak bekenden zijn (bijvoorbeeld een familiaire relatie) maakt een eigen aanpak nodig. Bovendien gaat het om zaken die voor het slachtoffer maar ook voor diens omgeving heel gevoelig zijn. Victim blaming komt wel voor bij zedendelicten en nauwelijks bij andere delicten, zoals «High Impact Crimes». Slachtoffers van zedenmisdrijven vormen door de schending van hun fysieke integriteit een bijzondere, kwetsbare groep waarvoor gespecialiseerde aandacht voor bejegening, hulp en ondersteuning nodig is. Dit krijgt gestalte in multidisciplinaire samenwerkingsverbanden als het Centrum Seksueel Geweld. Bij de politie houden zich gecertificeerde zedenrechercheurs bezig met deze zaken.

Vraag (73):

Hoe verhoudt het aantal onderzoeken naar cybercrime zich tot het aantal gevallen van cybercrime in Nederland in 2018?

Antwoord:

Uit de Veiligheidsmonitor 2017 blijkt dat 11% van de ondervraagden aangaf slachtoffer te zijn geworden van bepaalde vormen van cybercrime of gedigitaliseerde criminaliteit. Dit omvat meer typen delicten dan de ambities in de Veiligheidsagenda. 4,9% van de ondervraagden bleek slachtoffer te zijn geworden van hacken. Er zijn geen cijfers over 2018 bekend in het kader van de Veiligheidsmonitor. Wel geeft het cyberbewustzijnsonderzoek in het kader van Alert Online aan dat men in 2018 in de privésituatie vaker met cybercrime geconfronteerd lijkt te worden. Het aantal opsporingsonderzoeken is opgenomen in de realisatiecijfers van de Veiligheidsagenda, te weten 299 reguliere onderzoeken (verdachten) en 43 complexe onderzoeken. Cybercrime is een zeer schaalbare vorm van criminaliteit, waardoor één dader zeer veel slachtoffers tegelijk kan benaderen. Daarnaast blijkt de aangiftebereidheid bij slachtoffers van cybercrime laag ten opzichte van andere delicten, te weten ongeveer 8% in 2017.

Vraag (74):

Wat zijn de kosten voor de Politieacademie om een aspirant-agent op te leiden?

Antwoord:

De laatste keer dat het de bekostiging van aspiranten is vastgesteld was in december 2016 (budgetkader). Voor een aspirant, niveau 4 (Allround Politiemedewerker) is de bekostiging toen vastgesteld op € 8.981 per jaar.

Vraag (75):

Hoeveel wijkagenten zijn er in Nederland? Hoeveel wijkagenten besteden daadwerkelijk 80% van hun tijd in hun wijk? Hoe meet de politie dit?

Antwoord:

Eind 2018 telde het korps in totaal 3.450 wijkagenten (bezetting) op een formatie van 3.415 wijkagenten. De politie houdt niet gericht bij in welke mate de norm wordt gehaald. Dit zou betekenen dat iedere wijkagent gehouden is om nauwkeurig bij te houden of de door hem verrichte werkzaamheden meetellen voor de norm van 80% wat een onwenselijke toename van de administratieve lasten met zich mee zou brengen. Wel betrekt de teamchef de norm bij de aansturing van zijn of haar team.

Vraag (76):

Zijn er genoeg wijkagenten om het streven van een wijkagent voor elke 5.000 inwoners te halen?

Antwoord:

Bij het vaststellen van het inrichtingsplan bij de start van de nationale politie is uitgegaan van de toenmalige bevolkingsomvang. Dat heeft geleid tot een formatie van 3.415 fte wijkagenten. De afgelopen jaren is de bevolkingsomvang toegenomen. Afgezet tegen de huidige bevolkingsomvang is een aantal van 3.455 fte wijkagenten nodig is om aan de norm van gemiddeld 1 op 5.000 te voldoen. Het korps telde eind 2018 een bezetting van 3.450 fte wijkagenten. Dat is nagenoeg volledig op de norm.

Vraag (77):

In hoeveel gemeenten worden de voorgeschreven aanrijtijden door de politie gehaald? In welke gemeenten worden de voorgeschreven aanrijtijden gemiddeld niet gehaald?

Antwoord:

De politie gaat uit van reactietijden. Dit is vanaf het eerste contact met de politie tot aan het ter plaatse zijn. Er zijn echter geen wettelijk voorgeschreven reactie- of aanrijtijden. De politie hanteert zelf het streven om in 90 procent van de spoedmeldingen binnen 15 minuten aanwezig te zijn.

De politie publiceert maandelijks de reactietijden bij spoedmeldingen per gemeente op www.data.politie.nl. Landelijk gezien was de politie in 85 procent van de spoedmeldingen binnen 15 minuten aanwezig.

Vraag (78):

Hoeveel capaciteit (fte) is binnen de politie geraamd voor de aanpak van (illegaal) vuurwerk?

Antwoord:

De politie heeft het zogenaamde Team Oorworm, bestaand uit vier politiemedewerkers. Dit team werkt aan de opsporing van illegaal vuurwerk en zoekt op internet en sociale media naar mensen die illegaal vuurwerk te koop aanbieden of die illegaal vuurwerk willen kopen. Door dit team zijn al verschillende webshops uit de lucht gehaald. Bij dit soort acties werkt het Team Oorworm samen met de lokale basisteams. Voor de grotere vuurwerkonderzoeken wordt recherchecapaciteit ingezet uit de pool van zo’n vierhonderd milieurechercheurs. Dat gaat ieder jaar om tien tot vijftien onderzoeken die enkele weken inzet vragen. Samen met de ILT werkt de politie daarnaast internationaal samen tegen illegaal vuurwerk, bijvoorbeeld uit landen van herkomst als China en Italië.

Vraag (79):

Hoeveel politiemensen zijn in 2018 vertrokken, afgezien van diegenen die met pensioen zijn gegaan? Hoe verhoudt dat percentage zich tot voorgaande jaren?

Antwoord:

In 2018 verlieten 1.779 fte uit de operationele sterkte de politieorganisatie. Daarvan was 1.029 fte voorziene (leeftijdsgebonden) uitstroom. De overige, onvoorziene uitstroom bedroeg 750 fte. Dat is een toename in vergelijking met voorgaande jaren. De politie streeft ernaar meer inzicht te krijgen in de beweegredenen van vertrekkend personeel door middel van het voeren van exitgesprekken.

Vraag (80):

Hoeveel extra docenten zijn voor de Politieacademie aangetrokken en per wanneer treden zij in dienst/zijn zij in dienst getreden?

Antwoord:

Omdat de instroom al in 2018 verhoogd is zijn er eind 2017 25 extra docenten aangetrokken. Vanaf 2018 is gestart met de werving 25,1 fte extra docenten en een enkele ondersteuner die vanaf 2019 worden ingezet ten behoeve van de grotere instroom van studenten. In 2019 start de werving van 32,2 fte docenten en een enkele ondersteuner voor 2020. Het gaat voor het grootste gedeelte om docenten met een politieachtergrond. Deze worden aangevuld met reguliere docenten voor de algemene vakken (Beroepstaalvaardigheid, Engels en/of Sociale Vaardigheden). Om de verhoogde instroom van aspiranten op te vangen komen er in de jaren 2018–2024 in totaal circa 150 docenten bij. Docenten en overige medewerkers zijn in principe op alle locaties van de Politieacademie inzetbaar.

Vraag (81):

Hoe komt het dat de zij-instroom voor hoger opgeleiden aanmerkelijk lager was dan geraamd?

Antwoord:

De politie vult vacatures voor hoger opgeleide recherche met externe zijinstromers en doorstromers. In 2018 was de externe zijinstroom lager dan geraamd. In de huidige krappe arbeidsmarkt is het een uitdaging om hoger opgeleid personeel te werven met specifieke kennis, bijvoorbeeld cyber en digitale expertise. De lagere zijinstroom werd in 2018 deels opgevangen doordat medewerkers intern doorstroomden naar specialistische functies voor hoger opgeleiden.

Vraag (82):

Hoe komt het dat extra budget ter verbetering van inzetbaarheid te laat binnenkwam om nog in 2018 te kunnen inzetten?

Antwoord:

Het betreft budget dat door de korpsleiding is vrijgemaakt uit de extra middelen toen duidelijk werd dat die in 2018 niet volledig tot uitputting zouden komen. Een deel is vervolgens beschikbaar gesteld om op lokaal niveau inzetverhogende maatregelen te treffen. Niet elke eenheid is er vervolgens in geslaagd hiervoor tijdig concrete plannen te vormen, zodat niet het gehele bedrag is besteed.

Vraag (83):

Hoeveel extra mensen zijn aangetrokken voor de uitbreiding van de operationele capaciteit van de DSI?

Antwoord:

In 2018 kende de DSI een vastgestelde formatie van 526 fte. De bezetting per eind april 2019 is 509 fte. Dat is een stijging van 80 fte. Deze toename omvat 46 aspiranten als gevolg van het geïntensiveerde beleid gericht op werving en selectie ten behoeve van de inzet in de DSI.

In deze formatie is de uitbreiding van de capaciteit die beoogd is met de toekenning van extra middelen in 2017, nog niet verwerkt. Naar verwachting wordt medio 2019 deze nieuwe formatie vastgesteld.

Vraag (84):

Kan nader worden toegelicht wat precies valt onder materiële investeringen?

Antwoord:

Materiële investeringen zijn investeringen bij de Politie die zich voornamelijk voordoen op terrein van huisvesting, uitrusting, vervoer en ICT.

Vraag (85):

Wat is de stand van zaken rondom brandweervrijwilligers?

Antwoord:

Over de rechtspositie van de brandweervrijwilligers vindt overleg plaats met het Veiligheidsberaad (VB). Het VB spreekt over die thematiek in haar overleg op 14 juni a.s. Daarna zal de Minister van JenV uw Kamer daarover nader informeren.

Vraag (86):

Wat is de stand van zaken rondom het Amber Alert?

Antwoord:

De politie heeft geconstateerd dat de overeenkomst – lopende tot 23 juli 2019 – tussen de politie en het bedrijf Netpresenter BV die het Amber Alert systeem beheert in strijd is met de wettelijke vereisten. Conform de aanbestedingswet dient de overeenkomst openbaar te worden aanbesteed. Het huidige systeem is gedurende deze periode gegarandeerd. De aanbestedingsprocedure heeft echter vertraging opgelopen, onder andere in verband met een aangespannen bodemprocedure door Netpresenter BV in 2018.

Vraag (87):

Waarom zullen de teruggevorderde bijdragen uit voorgaande jaren niet meer tot besteding komen? Hoe groot is dit bedrag in totaal? Vloeit dit geld terug naar de schatkist? Zo nee, waar wordt het dan ingezet?

Antwoord:

In totaal is een bedrag van € 18 mln. terug gevorderd, waarvan politie-uitzendingen, Dienst Speciale Interventies en Burgernet de grootste posten zijn. Oorzaken voor de onderbesteding op deze bijzondere bijdragen zijn minder politie -uitzendingen dan geraamd, achterblijvende personele uitbreiding bij de Dienst Speciale Interventies en lager dan geraamde uitgaven voor de exploitatie van Burgernet. De € 8,1 mln. voor politie uitzendingen is overgeboekt naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als budgetverantwoordelijk departement. De overige middelen zijn ingezet binnen JenV.

Vraag (88):

Waarom is 3,4 miljoen euro meer uitgegeven dan begroot aan de apparaatsuitgaven van de Raad voor de Rechtsbijstand? Welke apparaatsuitgaven vielen tegen en waarom?

Antwoord:

Er is € 3,4 mln. meer uitgegeven aan het apparaat van de Raad voor Rechtsbijstand als gevolg van de loonbijstelling in 2018 en een technische herschikking om de uitvoeringslasten van de Raad voor Rechtsbijstand te bekostigen.

Vraag (89):

Welke milieuorganisaties hebben in 2018 milieurechtsbijstand gekregen? Welke bedragen zijn hiermee gemoeid? Hoe vaak zijn toevoegingen gegeven aan milieugroeperingen?

Antwoord:

In 2018 heeft de Raad voor Rechtsbijstand 139 toevoegingen toegekend voor milieurechtsbijstand. In de jaren 2015, 2016 en 2017 waren dit er respectievelijk 216, 201 en 170. Deze cijfers omvatten zowel natuurlijke personen als niet-natuurlijke rechtspersonen (milieuorganisaties).

Om deze cijfers te verfijnen en aan te vullen met gegevens over de niet-natuurlijke rechtspersonen en over de toegekende bedragen is enige tijd nodig. De Minister van Rechtsbescherming verwacht u daarover binnen 4 weken nader te kunnen informeren.

Vraag (90):

Klopt het dat 46,7 miljoen euro minder uitgegeven is aan rechtsbijstand? Zo ja, waar is dat geld voor ingezet? Kunt u dat uitsplitsen?

Antwoord:

In 2018 zijn de meevallers als gevolg van de terugloop van het aantal toevoegingen ingezet voor de JenV-brede problematiek. Daartegenover is de tegenvaller als gevolg van de 3 jaar vertraging van het wetsvoorstel duurzaam stelsel rechtsbijstand generaal gecompenseerd. De beleidslijn uit de TK-brief d.d. 9 november 2018 (Kamerstuk 31 753, nr. 155) -waarmee de vrijval van middelen als gevolg van een verminderd beroep op de rechtsbijstand wordt ingezet voor het dossier rechtsbijstand- is met ingang van het begrotingsjaar 2019 geëffectueerd.

Opgemerkt wordt dat het bedrag van deze meevaller ad € 46,7 mln. (zoals opgenomen in de tabel 32.2 Productiegegevens Raad voor Rechtsbijstand van het Departementaal Jaarverslag 2018) afwijkt van de € 51 mln. van Kamervraag 50 (zoals opgenomen in de tabel 32.1 Budgettaire gevolgen van beleid van het Departementaal Jaarverslag 2018), omdat het gaat om verschillende afbakening van de meevaller bij rechtsbijstand (o.a. incl. en excl. apparaatskosten).

Vraag (91):

Wat is gebeurd of gaat gebeuren met de 14 miljoen euro die nu niet tot besteding komt met betrekking tot het nu niet implementeren van het wetsvoorstel duurzaam stelsel rechtsbijstand?

Antwoord:

In 2018 was er inderdaad een incidentele onderuitputting ad € 14 mln. vanwege de 3 jaar vertraging van het wetsvoorstel duurzaam stelsel rechtsbijstand.13 Daarbij ontstond er door deze 3 jaar vertraging ook een besparingsverlies van gemiddeld € 16 mln. in de jaren 2019 tot en met 2021. De € 14 mln. onderuitputting is ingezet voor JenV-brede problematiek, waar ook het dekken van dit meerjarig besparingsverlies onderdeel van was.

Vraag (92):

Waarom is 291.000 euro minder aan subsidies verstrekt bij Subsidie Wetgeving?

Antwoord:

In 2018 is het bedrag dat voor subsidies van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken was begroot, niet volledig uitgegeven. In 2018 is met name een subsidie verstrekt aan de in de toelichting op de begroting genoemde Stichting Recht en Overheid (t.b.v. de Academie voor Wetgeving) en het Nederlands Juristencomité voor de mensenrechten. De desbetreffende subsidies zijn in 2018 niet in omvang gewijzigd t.o.v. 2017. De Directie heeft daarnaast een beperkt budget begroot voor incidentele subsidies in verband met activiteiten van derden die samengevat van belang zijn voor de werkzaamheden van de Directie. In 2018 zijn in dat verband onvoldoende passende aanvragen ontvangen.

Vraag (93):

Wat is de reden dat de gerealiseerde ontvangsten in 2018 78,2 miljoen euro lager liggen dan de verwachte 252 miljoen euro uit de ontwerpbegroting?

Antwoord:

Het jaarlijkse resultaat ten aanzien van het afpakken van crimineel vermogen zal altijd fluctueren. Het is niet mogelijk om beleidsmatig te sturen op de wijze van afdoening van strafzaken en afpakdoelstellingen, mede gelet op de onafhankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Vraag (94):

Kunt u nauwkeurig aangeven hoe u tot de verschuiving van circa 24 miljoen euro tussen artikelonderdelen binnen het totale budget van het OM bent gekomen?

Antwoord:

Er is sprake van een verschuiving van de uitgaven op de diverse kostensoorten binnen het totale OM-budget sinds 2016. De raming was hier (nog) niet op aangepast. Bij de eerstkomende begroting zal dit worden aangepast. Er is met name sprake van een verschuivingen van materiële uitgaven naar personele uitgaven. Zo was er bij de raming bijvoorbeeld geen rekening is gehouden met de stelselwijziging huisvesting die vanaf 2017 tot lagere kosten heeft geleid. Voor het totale budget van het OM heeft deze verschuiving geen directe invloed.

Vraag (95):

Hoe komt u tot een realisatie van 59 miljoen euro?

Antwoord:

De realisatie van het totale budget van het openbaar ministerie (OM) is € 59 mln. hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting (2018). Dit bedrag is zichtbaar in tabel 33.1 door het verschil op de personele uitgaven (+ € 80 mln.) en de materiële uitgaven (- € 21 mln.) van het OM bij elkaar op te tellen.

Vraag (96):

Klopt het dat 739.000 euro niet is uitgegeven aan Regeling Uitstapprogramma’s Prostituees II, omdat gemeenten het niet hebben opgevraagd? Zo nee, waar komt het verschil dan wel door?

Antwoord:

Zie antwoord vraag 19.

Vraag (97):

Waarom is relatief zo weinig subsidie verstrekt met betrekking tot integriteit? Hoe is het verschil van circa 2 miljoen euro minder aan subsidieverstrekkingen te verklaren?

Antwoord:

Vooraf is niet goed in te schatten of er een subsidie dan wel opdracht verstrekt zal worden. De onder het instrument «subsidies» geraamde uitgaven 2018 zijn voor een groot deel als opdracht of bijdrage verstrekt en daarom verantwoord onder de instrumenten «Overige opdrachten» en «Overige bijdragen medeoverheden». Op deze instrumenten is daardoor een overschrijding van het budget gerealiseerd.

Vraag (98):

Wat wordt gedaan om het Nationaal Veiligheidsinstituut onder de aandacht van het grote publiek te brengen?

Antwoord:

Het Nationaal Veiligheidsinstituut (NVI) is op uiteenlopende wijze actief om haar werk in de belangstelling te brengen en te houden. Een mooi voorbeeld is de Landelijke Veiligheidsdag te Almere. Dit jaar is de Minister van JenV op 25 mei hierbij aanwezig geweest. Voor bezoekers van deze Veiligheidsdag was het museum die dag gratis toegankelijk.

Vraag (99):

Kunt u een schematisch overzicht geven van hoe de capaciteit bij de KMar zich de komende jaren getalsmatig moet gaan ontwikkelen?

Antwoord:

Het kabinet heeft in 2017 een bedrag van € 43,4 mln. (€ 20 mln. via de voorjaarsnota 2017 en € 23,4 mln. in de begroting 2018) structureel beschikbaar gesteld om de capaciteit voor de grensbewaking, politietaak op de luchthavens en de bewakings- en beveiligingstaken op de luchthavens te vergroten. Met deze extra middelen wordt 417 fte gefinancierd. De KMar is momenteel bezig met het werven en opleiden van dit nieuwe personeel. Een deel van dit personeel is reeds opgeleid en werkzaam. De 417 fte zijn gebaseerd op de benodigde KMar capaciteit op luchthavens en in de maritieme grensbewaking in 2022. Periodiek wordt de capaciteitsbehoefte herijkt.

Bij aanvang van de Eurostar dienstregeling in 2020 zullen twee dagelijkse treinverbindingen tussen het Verenigd Koninklijk en Nederland worden uitgevoerd. De grenscontroles zullen op de stations Amsterdam Centraal en Rotterdam Centraal worden uitgevoerd. Om deze taak uit te kunnen voeren wordt de operationele capaciteit van de KMar met 17 fte uitgebreid.

Ten gevolge van de Brexit heeft de KMar in verband met de langere controleduur van Britten aan de grens en het verwerken van API-data in totaal 22 operationele fte nodig. In verband met de groei die de KMar reeds doormaakt vindt deze uitbreiding pas na de feitelijke Brexit plaats.

Tot slot zal de KMar in totaal 45 fte personeel leveren ten behoeve van de Passagiersinformatie-eenheid iNL (PiNL). Voor opvolging van hits uit PiNL is binnen de Kmar 8 Fte extra beschikbaar. De precieze impact van PiNL op de KMar operatie is op voorhand moeilijk vast te stellen. Daarom wordt dit gemonitord nadat PiNL operationeel is.

Met betrekking tot de feitelijke groei van het aantal personeelsleden bij de KMar is momenteel, mede door uitstroom en de huidige situatie op de arbeidsmarkt, geen overzicht te maken. Over 2018 is de KMar met ruim 300 fte gegroeid, ook het eerste kwartaal van 2019 laat een groei zien. De instroom voor de KMar is op dit moment op het maximaal haalbare niveau gebracht. Een grotere instroom is momenteel niet mogelijk vanwege de capaciteit van het opleidingscentrum en het absorptievermogen van de operationele eenheden.

Vraag (100):

Hoeveel migranten zijn in 2018 naar Nederland gekomen?

Antwoord:

Volgens de openbare informatie van het CBS (Statline) zijn in 2018 242.363 migranten naar Nederland gekomen. Het betreft voorlopige cijfers.

Vraag (101):

Wat is het migratiesaldo in Nederland in 2018?

Antwoord:

Uit openbare informatie van het CBS (Statline) blijkt dat het migratiesaldo in 2018 86.993 bedroeg. Het betreft voorlopige cijfers.

Vraag (102):

Hoeveel asielaanvragen zijn in 2018 in Nederland gedaan?

Antwoord:

In 2018 zijn 20.350 eerste asielaanvragen ingediend.14

Vraag (103):

Hoeveel asielverzoeken zijn ingewilligd in 2018?

Antwoord:

In 2018 zijn 3.170 eerste asielaanvragen ingewilligd, dat is 21% van het totaal aantal beslissingen.15

Vraag (104):

Hoeveel euro kost de staat een asielverzoek gemiddeld?

Antwoord:

Deze vraag is niet eenduidig te beantwoorden. De totale kosten van een asielverzoek voor de Nederlandse staat hangen af van verschillende factoren zoals:

  • 1. In welk spoor het verzoek wordt afgedaan, spoor 1 kost de IND bijvoorbeeld minder dan een asielverzoek in spoor 4;

  • 2. Of er sprake is van een inwilliging of afwijzing van het verzoek;

  • 3. Of de asielzoeker in beroep en of hoger beroep tegen de uitkomst gaat;

  • 4. Of en hoe lang de asielzoeker in de opvang bij het COA verblijft;

  • 5. Of de DT&V betrokken is bij (vrijwillige) terugkeer en uitzetting;

  • 6. Of er betrokkenheid is van VWN en Nidos en overige organisaties;

  • 7. en eventuele andere kosten.

De lengte van de asielprocedure fluctueert en maakt daardoor toewijzing aan een specifiek begrotingsjaar niet mogelijk. Derhalve is het niet mogelijk om deze kosten om te zetten naar de gemiddelde kosten van de Nederlandse staat van één asielverzoek.

Ter indicatie de kosten die de IND in rekening brengt voor de behandeling van een eerste asielprocedure (alleen voor de behandeling van aanvraag door de IND en dus zonder overige kosten of eventuele kosten voor beroep en andere vaste kosten etc.) zijn in 2019 de volgende:

Spoor 1: € 1.982

Spoor 2: € 2.725

Spoor 4: € 4.295

Vraag (105):

Hoeveel uur wordt gemiddeld besteed aan de behandeling van een asielverzoek?

Antwoord:

De IND doet jaarlijks een tijdmetingsonderzoek om haar kostprijzen richting het ministerie te onderbouwen. Uit dit onderzoek komen normtijden per spoor. Deze normtijden zijn gebaseerd op de gemiddelde hoeveelheid uren die er nodig is voor een asielzaak. Op dit moment zijn de normtijden in arbeidsuren voor de verschillende sporen voor de IND als volgt (afgerond op hele uren):

Spoor 1: 13 uur

Spoor 2: 20 uur

Spoor 4: 38 uur (hierin zijn naast afhandeling van eerste asielaanvragen ook afhandeling van herhaalde asielinstroom en zij-instroom asiel meegenomen).

Deze cijfers zijn dus alleen voor de behandeling van een eerste asielaanvraag door de IND en laat de tijd die andere overheidspartijen erin steken (o.a. AVIM, DT&V) buiten beschouwing. Ook is de tijd voor een eventueel beroepsprocedure hier niet bij opgenomen.

Vraag (106):

Hoeveel arbeidsmigranten zijn in 2018 naar Nederland gekomen? Hoeveel arbeidsmigranten zijn uit Nederland vertrokken? Hoe lang blijven arbeidsmigranten gemiddeld in Nederland?

Antwoord:

Zie ook antwoord op vraag 117.

In 2018 zijn 2.260 aanvragen voor een verblijfsvergunning «arbeid in loondienst» ingewilligd. Dit zijn verblijfsvergunningen die derdelands (niet-EU) migranten zijn verleend. Daarnaast bedroeg het aantal ingewilligde aanvragen voor verblijfsvergunningen in het kader van kennismigratie 16.970. Het ging hier om verblijfsvergunningen in het kader van de nationale kennismigrantenregeling, de Europese Blue card, de Intra Corporate Transferee richtlijn en de onderzoeker richtlijn. Bij elkaar opgeteld gaat het om 19.230 ingewilligde aanvragen van een verblijfsvergunning om te kunnen werken in Nederland.

Het is uit de geautomatiseerde informatie- en registratiesystemen binnen de migratieketen niet mogelijk om gegevens over het aantal arbeidsmigranten dat uit Nederland vertrekt en informatie over de gemiddelde verblijfsduur te genereren.

Vraag (107):

Hoeveel kost het de Nederlandse staat om een asielzoeker gedwongen uit te zetten?

Antwoord:

Een succesvolle uitzetting is een product van meerdere partijen in de vreemdelingenketen en afhankelijk van diverse factoren. De kosten van een uitzetting worden per uiteenzetting bepaald door verschillende factoren, zoals onder meer de kosten van het vervoer, de inzet van escorts en de benodigde hoeveelheid begeleiding. Voorgaande maakt – aangevuld met het feit dat de kosten voor een groot gedeelte gemaakt worden in de reguliere uitvoeringsprocessen bij de betrokken organisaties – dat momenteel geen inzicht is in de gemiddelde kosten van een uitzetting.

Vraag (108):

Staan alle asielzoekers die zelfstandig zonder toezicht zijn vertrokken met onbekende bestemming geregistreerd in EURODAC?

Antwoord:

Alle personen die in Nederland asiel aanvragen worden geregistreerd in Eurodac. Indien een asielzoeker na het indienen van een verzoek vertrekt met onbekende bestemming blijft deze registratie in Eurodac vermeld staan voor maximaal 10 jaar vanaf het moment van aanvraag.

Dit betekent niet dat in Eurodac voor iedere asielzoeker ook registraties zijn vastgelegd, die door andere lidstaten zijn gedaan. Dit is afhankelijk van de reisroute en de mate waarop lidstaten registreren. Een groot deel van de asielzoekers in Nederland hebben geen eerdere registratie in Eurodac, die door een andere lidstaat is ingevoerd. Bovendien verdwijnen categorie 2 registraties (illegaal inreizen buitengrenzen EU) na 18 maanden uit Eurodac.

Vraag (109):

Hoeveel migranten zijn vanuit Nederland teruggestuurd met een Dublin-claim? Hoe zijn deze personen teruggestuurd? Hoeveel zijn met onbekende bestemming vertrokken?

Antwoord:

In 2018 zijn in totaal circa 1.880 vreemdelingen met een Dublin-claim vrijwillig vertrokken dan wel gedwongen overgedragen aan een ander Dublin-land. Van deze vreemdelingen met een Dublin-claim is 970 zelfstandig vertrokken en 910 gedwongen overgedragen.

Overdracht vindt hoofdzakelijk plaats per vliegtuigdoor tussenkomst van een vlucht. Van de in totaal 1.880 overgedragen vreemdelingen zijn er 1.600 met een vliegtuig vertrokken. Er zijn in 2018 3.220 vreemdelingen vertrokken met onbekende bestemming waarbij sprake was van een Dublin-claim.16

Vraag (110):

Hoe lang staan de camera’s (@migo-boras) aan de binnengrenzen gemiddeld per dag/maand aan?

Antwoord:

@migoboras kan enerzijds worden ingezet om informatie in te winnen en anderzijds om gericht te observeren. In het kader van inwinning staan alle camera’s 24/7/365 dagen per jaar aan. De gegevens betreffende een passage die worden ingewonnen worden geanonimiseerd, dat wil zeggen dat het voertuig en daarmee de passage niet meer herleidbaar is naar een persoon. Deze informatie wordt geanalyseerd ten behoeve van het informatie gestuurd optreden door middel van risicoprofielen en tevens trends en ontwikkelingen in de vervoersbewegingen te onderkennen. Met deze informatie kan de KMar vaststellen op welke plaats en welk moment MTV controles uitgevoerd zouden moeten worden, in het kader van het vreemdelingentoezicht. Bij het gericht observeren zal het systeem tijdens het beperkte aantal uren waarbinnen een MTV-controle mag worden uitgevoerd (90 uur per maand, 6 uur per dag ingevolge art. 4.17a lid 5 Vb) direct ondersteuning bieden door kenmerken van passerende voertuigen te leggen naast de vooraf opgestelde risicoprofielen.

Vraag (111):

Hoeveel auto’s/passages zijn in 2018 door het @migo-boras systeem geregistreerd?

Antwoord:

In 2018 zijn er op inreis vanuit Duitsland en België 80.120.524 passages geregistreerd in @migo-boras.

Vraag (112):

Hoe vaak is in strafrechtelijke zin een beroep gedaan op informatie uit het @migo-boras systeem?

Antwoord:

De Koninklijke Marechaussee werkt samen met de politie op het gebied van de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, waarbij @migoboras ingezet kan worden voor de rechtshandhaving. Uit @migo-boras zelf kan enkel het aantal passages geautomatiseerd onttrokken worden. Wel zijn er gegevens uit het Bedrijfs Processen Systeem (BPS) van de KMar beschikbaar over de geregistreerde incidenten uit het MTV. Deze bevatten tevens de incidenten voortkomend uit een «hit» in @migo-boras door het laden van zogenaamde watchlists. Zie hiervoor bijgevoegd overzicht.

Geregistreerde incidenten

2018

Signaleringen

1052

Aanhouding gesignaleerde

166

Incidenten Aantreffen verdacht geld (witwassen)

63

Incidenten Opiumwet

82

Incidenten Wet Wapens & Munitie

120

Incidenten Mensenhandel

38

Incidenten Mensensmokkel

31

Aangehouden verdachten mensensmokkel

39

Incidenten valse c.q. vervalste documenten

287

Vraag (113):

Welke juridische artikelen/verdragen staan in de weg om de @migo-boras camera’s elk moment van het jaar te laten filmen en registreren?

Antwoord:

Er zijn geen belemmeringen om de @migo-boras camera’s elk moment van het jaar te laten registreren. Voor zover wordt bedoeld het «gericht observeren» en de van toepassing zijnde regelgeving, wordt u naar het antwoord bij vraag 110 verwezen.

Vraag (114):

Hoe vaak is sinds de ondertekening van het Marrakesh Immigratiepact door advocaten een beroep hierop gedaan in asiel- of migratiezaken? Hoe vaak is dat succesvol gedaan?

Antwoord:

Deze informatie is niet vanuit het IND-automatiseringssysteem is te genereren.

Vraag (115):

Hoe vaak is in andere Europese landen op het Marrakesh Immigratiepact een beroep gedaan in asielzaken? Verschilt dit voor Nederland?

Antwoord:

Deze informatie is niet vanuit het IND-automatiseringssysteem is te genereren.

Vraag (116):

Hoe vaak is in Nederland asiel aangevraagd door personen, afkomstig uit een ander EU-land, die niet geregistreerd stonden in EURODAC? Hoe vaak stonden asielzoekers, afkomstig uit een ander EU-land, wel geregistreerd in EURODAC?

Antwoord:

Bij de beantwoording van deze vraag is de aanname gedaan dat met «afkomstig uit een ander EU-land» asielzoekers worden bedoeld die voor aankomst in Nederland in een ander EU-land verbleven. Hierbij geldt als kanttekening dat het onbekend is of asielzoekers die geen registratie in Eurodac hebben vanuit een ander EU-land komen of direct vanuit een land buiten de EU. Soms is het wel bekend, bijvoorbeeld Iraanse asielzoekers komen relatief vaak direct vanuit Iran naar Nederland per vliegtuig. Wel is bekend hoeveel asielzoekers in NL een Eurodac registratie in een ander EU-land hebben.

In februari 2019 (de laatste gemeten maand) had circa 56% van de asielzoekers in Nederland een eerdere registratie van een ander EU-land in Eurodac. Over de periode maart 2018 tot en met februari 2019 is dit percentage gemiddeld 52%. Deze registraties kunnen zowel asielverzoeken in een ander EU-land zijn (categorie 1 registratie) als het illegaal inreizen van de EU (categorie 2 registratie) zijn.

Vraag (117):

Hoeveel kennismigranten die naar Nederland zijn gekomen de afgelopen jaren, zijn ook weer vertrekken naar het buitenland? Hoe lang verblijven kennismigranten gemiddeld in Nederland?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 106. In 2018 zijn 2.260 aanvragen voor een verblijfsvergunning «arbeid in loondienst» ingewilligd. Dit zijn verblijfsvergunningen die derdelands (niet-EU) migranten zijn verleend. Daarnaast bedroeg het aantal ingewilligde aanvragen voor verblijfsvergunningen in het kader van kennismigratie 16.970. Het ging hier om verblijfsvergunningen in het kader van de nationale kennismigrantenregeling, de Europese Blue card, de Intra Corporate Transferee richtlijn en de onderzoeker richtlijn. Bij elkaar opgeteld gaat het om 19.230 ingewilligde aanvragen om een verblijfsvergunning om te kunnen werken in Nederland.

Het is uit de geautomatiseerde informatie- en registratiesystemen binnen de migratieketen niet mogelijk om gegevens over het aantal arbeidsmigranten dat uit Nederland vertrekt en informatie over de gemiddelde verblijfsduur te genereren.

Vraag (118):

Met welke landen heeft Nederland in 2018 contact gezocht om bilaterale afspraken te maken over (circulaire) migratie? Hoe vaak heeft Nederland contact gehad met de landen waarmee contact gezocht is?

Antwoord:

In 2018 hebben verschillende herkomstlanden in verschillende contacten met Nederlandse gesprekspartners belangstelling getoond voor bilaterale afspraken over circulaire migratie. Hierover zijn geen afspraken gemaakt. Het kabinet houdt in genoemde contacten rekening met het standpunt van Uw Kamer.

Vraag (119):

Hoe veel personeel (fte) heeft de KMar in 2018 afgestaan aan FRONTEX?

Antwoord:

In 2018 heeft de KMar 11 fte afgestaan aan FRONTEX.

Vraag (120):

Naar welke landen heeft Nederland in 2018 de meeste asielzoekers gedwongen uitgezet? Kunt u dit specificeren per categorie vreemdeling?

Antwoord:

Nederland heeft in 2018 voor 2.690 vreemdelingen gedwongen vertrek georganiseerd.17 In totaal is er gedwongen vertrek georganiseerd naar 115 landen. In de bijlage kunt u een overzicht vinden van de top 50 landen waar naar toe gedwongen vertrek georganiseerd is. Het is onduidelijk welke categorisering in de vraag wordt bedoeld. Reeds om die reden is niet mogelijk om binnen dit overzicht nader te specificeren naar «categorie vreemdeling».

DT&V (ISTV)

   

Top 50

Land

Aantal

1

Albanië

550

2

Bondsrepubliek Duitsland

400

3

Italië

250

4

Suriname

120

5

Polen

100

6

Frankrijk

100

7

Spanje

80

8

België

70

9

Oekraïne

60

10

Georgië

60

11

Marokko

50

12

Servië

50

13

Zwitserland

40

14

Brazilië

40

15

Turkije

40

16

Roemenië

30

17

Colombia

30

18

Zweden

30

19

Bosnië-Herzegovina

30

20

Oostenrijk

20

21

Afghanistan

20

22

Algerije

20

23

Letland

20

24

Egypte

20

25

India

20

26

Irak

20

27

Iran

20

28

Griekenland

20

29

Groot Brittannië

20

30

Nigeria

20

31

Verenigde Staten van Amerika

20

32

Armenië

10

33

Chili

10

34

Litouwen

10

35

Portugal

10

36

Bulgarije

10

37

Denemarken

10

38

Cuba

10

39

Azerbeidzjan

10

40

Kosovo

10

41

Macedonië

10

42

Kroatië

10

43

Luxemburg

10

44

Tsjechië

10

45

Ghana

<10

46

Slovenië

<10

47

Tunesië

<10

48

Moldavië

<10

49

Mongolië

<10

50

Dominicaanse Republiek

<10

Vraag (121):

In hoeveel procent van de gevallen is bij een gedwongen uitzetting van een vreemdeling op het laatste moment een nieuwe procedure gestart (vliegtuigtrapprocedure)? In hoeveel procent van deze gevallen was daar een asieladvocaat bij betrokken?

Antwoord:

In 2018 zijn er circa 150 last-minute aanvragen in behandeling genomen door de IND.18 In het systeem van de IND wordt niet geregistreerd of bij de indiening van een last-minute aanvraag een advocaat is betrokken. In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat deze vreemdelingen vanwege het feit dat ze in vreemdelingenbewaring zitten gefinancierde rechtsbijstand kunnen krijgen.

Het is aannemelijk dat vreemdelingen die een last minute aanvraag indienen zich in een gedwongen vertrektraject bevinden, het is echter ook denkbaar dat er bij zelfstandig vertrek een last minute aanvraag wordt ingediend. Dit wordt niet specifiek in de systemen van DT&V geregistreerd. In 2018 hebben 5.900 gedwongen en 3.480 zelfstandige vertrekken plaatsgevonden

Vraag (122):

Met welke landen is het in 2018 onmogelijk gebleken afspraken te maken over terugkeer van inwoners van die landen die hier niet succesvol asiel hebben aangevraagd?

Antwoord:

Er zijn in de regel geen landen bekend die weigeren mee te werken aan het terugnemen van onderdanen die ook terug willen keren en bereid zijn daartoe aan te tonen wie ze zijn. Tevens heeft het merendeel van de herkomstlanden geen principiële bezwaren tegen gedwongen terugkeer van de eigen onderdanen en werkt daar aan mee. Een aantal landen weigert mee te werken aan gedwongen terugkeer. Daarnaast is er een aantal landen dat veel voorwaarden en vragen opwerpt, of juist niet reageert op verzoeken tot terugname van eigen onderdanen, zodat er feitelijk gesproken kan worden van tegenwerking. Het is moeilijk om een representatief beeld te geven over een langere periode. Bij veel landen kent medewerking een wisselend beeld: perioden van relatief voldoende medewerking worden afgewisseld door perioden met minder medewerking. De samenwerking op gedwongen terugkeer met voor Nederland relevante landen verloopt thans bijvoorbeeld onvoldoende met Irak, Iran, Ghana en Ethiopië.

Vraag (123):

Hoeveel procent van de zelfstandig vertrokken vreemdelingen heeft dit gedaan met onbekende bestemming? In hoeveel van die gevallen is later asiel aangevraagd in een ander EU-/Schengenland?

Antwoord:

Zoals u in de Rapportage Vreemdelingenketen van Januari-December 2018 kunt lezen, zijn er in totaal 21.410 vreemdelingen vertrokken in 2018.19 Daarvan zijn 12.030 vreemdelingen zelfstandig zonder toezicht vertrokken, oftewel 56%. In 2018 zijn er in totaal 9.380 vreemdelingen aantoonbaar vertrokken. Daarvan zijn er 5.900 vreemdelingen gedwongen vertrokken en 3.480 vreemdelingen zelfstandig vertrokken.

Binnen de geautomatiseerde systemen van de Vreemdelingenketen is niet op te maken of een vreemdeling die na zelfstandig te zijn vertrokken zonder toezicht, op een later moment asiel aangevraagd heeft in een andere lidstaat van de EU.

Wel is bekend hoeveel keer een Dublin claim op Nederland is gelegd door een andere lidstaat. Dat zijn in 2018 3.700 zaken. Deze zaken betreffen vreemdelingen die eerder asiel hebben aangevraagd in Nederland.20 Het is daarbij mogelijk dat er meerdere claim-in zaken zijn geregistreerd per persoon.

Van deze claim-in zaken is het niet bekend hoeveel vreemdelingen eerder zelfstandig zijn vertrokken zonder toezicht. Daarnaast kunnen vreemdelingen ook zelfstandig zijn vertrokken zonder toezicht zonder dat er sprake is van een claim-in door een andere lidstaat in 2018.

Vraag (124):

Welke (EU-)landen dwarsbomen de plannen om asielaanvragen in Noord-Afrika te laten plaatsvinden?

Antwoord:

Er is geen sprake van het afhandelen in Noord-Afrikaanse landen van aanvragen voor asiel in EU-lidstaten. Noch het kabinet noch de Europese Commissie zijn voorstander van de zogenoemde extraterritoriale behandeling van asielaanvragen.

Vraag (125):

Kunt u een schematisch overzicht geven van alle asielzoekerscentra, inclusief adresgegevens, die binnen de bebouwde kom van een gemeente zijn gevestigd? Kunt u per asielzoekerscentrum aangeven hoe de criminaliteit zich in de nabije omgeving in 2018 ontwikkeld heeft?

Antwoord:

In de COA systemen wordt niet bijgehouden of een asielzoekerscentrum binnen of buiten de bebouwde kom ligt.

De criminaliteitscijfers per gemeente zijn te vinden op data.politie.nl. Onder het thema «Criminaliteit» kunnen voor de periode 2012 tot en met 2018 per gemeente criminaliteitscijfers worden gevonden. Deze cijfers zijn op te splitsen per type misdrijf.

Plaatsnaam

Adres

Provincie

AALDEN

Witte Zandpad 1 7854TW AALDEN

Drenthe

ALMELO

Vriezenveenseweg 170 7602PV ALMELO

Overijssel

ALMERE

Engelse mijl 6 1318EN ALMERE

Flevoland

AMERSFOORT

Barchman Wuytierslaan 53 3819AB AMERSFOORT

Utrecht

AMSTERDAM

Transformatorweg 6 1014AK AMSTERDAM

Noord-Holland

AMSTERDAM

Willinklaan 3 1067SL AMSTERDAM

Noord-Holland

APELDOORN

Christiaan Geurtsweg 10 7335JV APELDOORN

Gelderland

ARNHEM

Apeldoornseweg 39 6814BH ARNHEM

Gelderland

ARNHEM

Frombergstraat 1 6814EA ARNHEM

Gelderland

ARNHEM

Groningensingel 1.225 6835HZ ARNHEM

Gelderland

ARNHEM

Elderhofseweg 51 6842CR ARNHEM

Gelderland

ASSEN

Schepersmaat 4 9405TA ASSEN

Drenthe

BAEXEM

Exaeten 1 6095PD BAEXEM

Limburg

BALK

Wikelerdyk 9a 8561BD BALK

Friesland

BORNE

Bornerbroeksestraat 103 7621AE BORNE

Overijssel

BUDEL

Randweg-Oost 32 6021PB BUDEL

Noord-Brabant

BURGUM

Elingsloane 6 39251MN BURGUM

Friesland

DELFZIJL

Zwet 1 9932AA DELFZIJL

Groningen

DELFZIJL

Zwet 40 9932BB DELFZIJL

Groningen

DEN HELDER

Doggersvaart 2 71784PD DEN HELDER

Noord-Holland

DEN HELDER

Nieuweweg 3 1782AZ DEN HELDER

Noord-Holland

DEN HELDER

Burg Ritmeesterweg 20 1784NV DEN HELDER

Noord-Holland

DRACHTEN

Ringweg 13 9201GT DRACHTEN

Friesland

DRACHTEN

Noorderend 2 9207AL DRACHTEN

Friesland

DRONTEN

Vossemeerdijk 40 8251PN DRONTEN

Flevoland

ECHT

Pepinusbrug 2 6102RJ ECHT

Limburg

EMMEN

Wilhelmsweg 8 57814VG EMMEN

Drenthe

GILZE

Prinsenbosch 2 5126ND GILZE

Noord-Brabant

GOES

Albert Plesmanweg 23–02 4462GC GOES

Zeeland

HARDERWIJK

Graaf Ottolaan 26 3843AM HARDERWIJK

Gelderland

HEEMSERVEEN

Jachthuisweg 6D 7796HJ HEEMSERVEEN

Overijssel

HEERHUGOWAARD

Van Noortwijklaan 2 1701BP HEERHUGOWAARD

Noord-Holland

HEERLEN

Imstenrade 6 6419PL HEERLEN

Limburg

HENGELO OV

Havezatenlaan 2 7557VZ HENGELO OV

Overijssel

HOOGEVEEN

Kinholtsweg 7 7909CA HOOGEVEEN

Drenthe

KAMPEN

Cellesbroeksweg 6 8265PG KAMPEN

Overijssel

KATWIJK ZH

1e Mientlaan 33–35 2223LG KATWIJK ZH

Zuid-Holland

LEERSUM

Hoogstraat 8 3956NB LEERSUM

Utrecht

LUTTELGEEST

Oosterringweg 41 8315PS LUTTELGEEST

Flevoland

MAASTRICHT

Parkweg 20 6212XN MAASTRICHT

Limburg

MIDDELBURG

Laurens Stommesweg 1 4335AX MIDDELBURG

Zeeland

NIJMEGEN

Dommer v Poldersveldtweg 112 6523DC NIJMEGEN

Gelderland

OISTERWIJK

Kievitsblekweg 4 5062SV OISTERWIJK

Noord-Brabant

OVERLOON

Stevensbeekseweg 14A 5825JC OVERLOON

Noord-Brabant

RIJSWIJK ZH

Lange Kleiweg 80 2288GK RIJSWIJK ZH

Zuid-Holland

ROTTERDAM

Edo Bergsmaweg 14 3077PX ROTTERDAM

Zuid-Holland

SCHALKHAAR

Frieswijkerweg 2 7433RB SCHALKHAAR

Overijssel

SNEEK

Jancko Douwamastraat 29A 8602BK SNEEK

Friesland

ST.-ANNAPAROCHIE

Middelweg-West 17 69076GE ST.-ANNAPAROCHIE

Friesland

SWEIKHUIZEN

Moorheide 1 6174RZS WEIKHUIZEN

Limburg

TER APEL

Ter Apelervenen 5 9561MC TER APEL

Groningen

TILBURG

Baden Powelllaan 95 5044LA TILBURG

Noord-Brabant

TILBURG

Stationsstraat 15 5038EB TILBURG

Noord-Brabant

UTRECHT

Joseph Haydnlaan 2 3533AE UTRECHT

Utrecht

VELP NB

Intendanceplantsoen 1 5363VZ VELP NB

Noord-Brabant

WAGENINGEN

Keijenbergseweg 10 6705BN WAGENINGEN

Gelderland

WAGENINGEN

Bosrandweg 20 6704PH WAGENINGEN

Gelderland

WASSENAAR

Duinrell 1 2242JP WASSENAAR

Zuid-Holland

WEERT

Kazernelaan 101 6006SP WEERT

Limburg

WINTERSWIJK

Amstelstraat 9 7103JP WINTERSWIJK

Gelderland

ZUTPHEN

Voorsterallee 1 7203DN ZUTPHEN

Gelderland

Vraag (126):

Hoeveel kosten zijn gemiddeld gemoeid met een asielzoekerscentrum? Hoeveel kost dat per asielzoeker?

Antwoord:

De kosten van het COA voor het opvangen van asielzoekers in een AZC zijn ongeveer € 27.900 per persoon per jaar (gebaseerd op cijfers 2018). In dit bedrag zitten onder meer de kosten van:

  • huisvesting;

  • personeel COA;

  • gezondheidszorg;

  • levensonderhoud.

De gemiddelde kosten per locatie waren ruim € 7,5 mln. Dit is gebaseerd op de totale kosten van COA (ca € 575 mln.) gedeeld door het aantal locaties (76) in 2018. Hierbij is geen onderscheid gemaakt in opvanggrootte en soort opvang.

Vraag (127):

Uit welke landen komen de asielzoekers die in 2018 het meeste overlast veroorzaakten? Uit welke landen komen de asielzoekers die in 2018 het meest betrokken zijn geweest bij criminaliteit?

Antwoord:

In de Rapportage Vreemdelingenketen (RVK) 2018 is een overzicht (3.14) opgenomen van alle door COA geregistreerde incidenten op opvanglocaties van het COA voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018. Dit overzicht is niet uitgesplitst naar nationaliteit. Uit de door het COA geregistreerde incidenten blijkt wel dat in ongeveer eenderde van het aantal situaties van overlast en het aantal incidenten sprake is van asielzoekers uit de groep asielzoekers met een niet kansrijke asielaanvraag (behandeld in de sporen voor personen afkomstig uit een veilig land of met een Dublinindicatie).

In de RVK 2018 is tevens een overzicht (3.15) opgenomen die gegevens van politie bevat omtrent geregistreerde incidenten van asielzoekers die in deze periode – geheel of gedeeltelijk – in een COA-locatie verbleven en die bijvoorbeeld als verdachte van een misdrijf zijn aangemerkt en/of zijn veroordeeld. Zoals door toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid Mark Harbers in debat van 21 mei jl. is toegezegd ontvangt uw Kamer hierover nog een nadere duiding. In de RVK is aangegeven dat bijna de helft van de verdachten bij de politie en het OM afkomstig zijn uit Algerije en Marokko. Op afstand volgen onderdanen uit Libië en Tunesië. Ten aanzien van de incidenten zoals geregistreerd door de politie is niet te onderscheiden welke misdrijven tot overlast hebben geleid.

Vraag (128):

Kunt u per asielzoekerscentrum aangeven welke dagactiviteiten beschikbaar zijn voor de asielzoekers?

Antwoord:

Iedere nieuwe bewoner ontvangt van het COA een uitnodiging om deel te nemen aan het programma Wonen en leven op een COA-locatie (WLCL). Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de individuele behoeften van iedere bewoner. Het programma biedt de informatie, kennis en vaardigheden om zelfstandig te kunnen verblijven op een opvanglocatie en te kunnen participeren in de Nederlandse samenleving. De werkvorm is een mix van gesprekken, informatiebijeenkomsten en trainingen.

Daarnaast krijgt ieder bewoner een standaard menu aangeboden met daarin (zowel verplichte als facultatieve) cursussen als: «Basaal Nederlands», «Digitale vaardigheden» en een weerbaarheidstraining.

Voor specifieke doelgroepen als vergunninghouders, kinderen, LHBTI zijn er specifieke programma’s en projecten. Zo is er voor vergunninghouders de mogelijkheid om deel te nemen aan het VOORwerk traject gericht op het ontwikkelen van soft skills voor op de Nederlandse arbeidsmarkt (https://www.coa.nl/mycoa/nl/voorwerk).

Vergunninghouders kunnen in de COA-opvang het programma Voorbereiding op inburgering (V-inburgering) volgen. Dit programma biedt kennis en handvatten voor het zelfstandig wonen en leven in Nederland. Het bestaat uit: NT2-taallessen (121 uur), de training Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM) (24 uur) en individuele begeleiding door een case manager. Deelname aan het programma wordt gestimuleerd, maar is niet verplicht.

Om zo vroeg mogelijk te beginnen met de Nederlandse taal biedt het COA Nederlandse les aan op de proces opvang locatie (pol). Daar krijgen asielzoekers met een hoge kans op vergunningverlening 24 uur NT2-les van gecertificeerde NT2-docenten.

Naast bovenstaande activiteiten worden ook veel activiteiten aangeboden in samenwerking met partners van het COA. Daardoor ontstaat een breed scala aan activiteiten die gericht zijn op het hier en nu én de volgende stap in hun leven. Het aanbod kan per locatie verschillen. De specifieke activiteiten die op locaties worden aangeboden hangen mede samen met het aanbod van lokale samenwerkingspartners. Daarnaast is het aan de bewoners zelf om te beslissen aan welke vrijwillige activiteiten zij willen deelnemen. Ook dat levert een verschillend beeld per locatie op. Bewoners en hun kinderen kunnen meedoen aan cursussen, lid worden van verenigingen of sporten bij de plaatselijke sportclub. Kinderen die leerplichtig zijn gaan naar school.

Vraag (129):

Kunt u per asielzoekerscentrum aangeven of voor de aldaar gevestigde asielzoekers mogelijkheden bestaan om vrijwilligerswerk te doen, al dan niet buiten een asielzoekerscentrum?

Antwoord:

Alle bewoners van COA opvanglocaties, met en zonder verblijfsstatus, mogen vrijwilligerswerk doen buiten het azc. Dit biedt hen mogelijkheden om bij te dragen aan de samenleving en in contact te komen met Nederlanders. Het draagt bij aan hun integratie en vergroot hun kansen op arbeidsparticipatie. Het aanbod van vrijwilligerswerk verschilt per locatie. Een asielzoeker is zelf verantwoordelijk voor zoeken en uitvoeren van het vrijwilligerswerk

Voor het doen van vrijwilligerswerk is geen tewerkstellingsvergunning (TWV) vereist. Wel toetst het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) of er sprake is van vrijwilligerswerk. Op een aantal locaties ondersteunt expertisecentrum Pharos maatschappelijke organisaties en vrijwilligersorganisaties bij het betrekken van azc-bewoners als vrijwilliger. Dit programma wordt uitgevoerd op 25 COA-locaties onder de naam «aan de slag» (www.aandeslag.info).

Vraag (130):

Hoe staat het met de uitwerking van de Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen?

Antwoord:

In november 2018 is een samenwerkingsafspraak met de VNG over de totstandkoming van Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV´s) gesloten. In navolging daarvan zijn in maart en april 2019 vijf convenanten gesloten met de gemeenten. Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Eindhoven en Groningen. Vervolgens zijn de pilot-LVV’s in deze gemeenten van start gegaan.

De pilots zijn in veel gevallen direct aan de slag gegaan. De bestaande Bed, Bad en Broodvoorzieningen in de deelnemende gemeenten worden namelijk zoveel mogelijk als basis benut voor de LVV’s. Waar dat niet het geval is, namelijk in Amsterdam, wordt op dit moment gezocht naar geschikte locaties.

In de opzet en werkwijze van de pilots wordt voortgebouwd op de huidige opzet en ervaringen op lokaal niveau, daarbij versterkt door inzet van de IND, de DT&V en overige diensten in de migratieketen.

De eerste lokale casusoverleggen LVV worden op dit moment georganiseerd. In de casusoverleggen wordt over individuele casuïstiek gesproken en besloten. Dit houdt in dat de lokale samenwerkingspartners een gezamenlijke beslissing nemen over de toelating, het begeleidingsscenario en de uitstroom van een vreemdeling uit de LVV.

Vraag (131):

Hoe komt het dat de gerealiseerde bedragen van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), Stichting Nidos, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en DJI hoger zijn uitgevallen dan de vastgestelde bedragen? Met welke middelen zijn deze overschrijdingen gedekt?

Antwoord:

COA: De gemiddelde bezetting in de opvang is in 2018 minder gedaald dan ten tijde van het opstellen van de begroting werd verwacht. Oorzaken van de hogere gemiddelde bezetting zijn het grillige verloop van de instroom, aanvankelijk een daling in 2017 en vervolgens in 2018 weer een stijging, wat mede tot gevolg heeft gehad dat er achterstanden zijn ontstaan bij de afhandeling van aanvragen. Daarnaast was de uitstroom van vergunninghouders lager dan verwacht. Derhalve zijn ook de kosten voor de opvang hoger uitgevallen. Deze kosten zijn gedekt uit de ODA middelen en de afrekening 2017.

IND: Voor de IND geldt dat de instroom in de reguliere procedures fors hoger was dan geraamd in de begroting. De aantrekkende economie is hier een belangrijke oorzaak van. De IND tegenvaller is gedekt uit de afrekening 2017 en de afroming eigen Vermogen boven de 5%.

DJI: Het budget voor Vreemdelingenbewaring is in 2018 verhoogd met een bedrag van € 2,4 mln. ten behoeve van de cellen Vreemdelingenbewaring op Bonaire.

Nidos: Stichting Nidos heeft in 2018 een bedrag terugbetaald, als gevolg van lagere kosten door lagere instroom van amv’s in 2017. Deze meerontvangsten zijn gestort in de asielreserve.

Vraag (132):

Wat valt precies onder «diverse (kleinere) opdrachten die gefinancierd zijn om verbeteringen in de vreemdelingenketen te bewerkstelligen»? Hoeveel geld is besteed per opdracht? Hoe komt het dat deze post 7.441 miljoen euro hoger uitvalt dan begroot?

Antwoord:

In bijgaande tabel een beknopt overzicht van de diverse opdrachten die gefinancierd zijn uit de post Versterking Vreemdelingenketen inclusief bijdrage per opdracht:

Nr

Post

Totaal

1

Bijdrage project Barka

150.000

2

Bodyscan DJI

210.000

3

Ambassaderaden Londen en Brussel (Aandeel DGM)

110.000

4

De Migratiebrief (Visuele producten «infographic & animatievideo»)

4.580

5

ICMPD (Armenië)

400.000

6

Aanbesteding SOPEMI-rapportage

38.660

7

Mobile capture Devices KMar

2.442.000

8

Project NO-Q

295.077

9

Quick scan interoperabiliteit

12.058

10

Rijks Wet Nederlanderschap // via Bureau ICE facturen

50.000

11

Startbijeenkomst Programma Grenzen

7.816

12

Verlies Nederlanderschap 2017

120

13

Tanzania – International Organisation for Migration

10.592

14

Conferentie Congres Border Deaths

5.000

15

DGM – Centraal Bureau voor de Statistiek – Financiering CBS Ruggengraat

30.600

16

Bijdrage beheer Europese Fondsen

518.335

17

Bijdrage detentiecapaciteit Curacao

52.360

18

Businesscase Migratiefondsen (2017)

8.470

19

Storting asielreserve

5.900.000

   

10.245.668

De post valt € 7.441.000,– hoger uit dan begroot omdat de middelen die bij Slotwet 2017 mutatie meegenomen zijn om lopende verplichtingen te dekken op dit budget geboekt zijn.

Vraag (133):

Hoe verklaart u het verschil in begroting en realisatie van de subsidie aan vluchtelingenwerk?

Antwoord:

Bij de verantwoording over het jaar 2017 die in 2018 is ingediend, is gebleken dat Vluchtelingenwerk minder middelen nodig had dan bij de begroting was voorzien. Met name de tolkenkosten zijn vanwege aanvullende maatregelen bij Vluchtelingenwerk lager uitgevallen dan begroot.

Vraag (134):

Hoe verklaart u het verschil in begroting en realisatie onder de post overige subsidies?

Antwoord:

Er is in 2018 minder subsidie aangevraagd dan was begroot.

Vraag (135):

Klopt het dat tegelijkertijd een storting in en een onttrekking uit de asielreserve is gedaan? Zo ja, waarom?

Antwoord:

Besluitvorming over stortingen en onttrekkingen uit de asielreserve wordt tijdens de reguliere begrotingsmomenten genomen. Er wordt op die momenten op basis van het totale meerjarige beeld voor migratie bekeken op welke wijze eventuele tekorten en overschotten op de begroting gedekt kunnen worden. Daarbij worden de middelen in de asielreserve betrokken.

Over de onttrekkingen wordt meestal besloten bij de voorjaarsbesluitvorming. Over stortingen wordt vaker besloten op basis van verwachte onderuitputting van budgetten bij migratie.

Dus het kan voorkomen dat er in een jaar zowel stortingen als onttrekkingen zijn.

Vraag (136):

Is de terugbetaling ODA gedaan uit de asielreserve? Zo ja, is dit conform de regels over de inzet van deze begrotingsreserve?

Antwoord:

De terugbetaling ODA, zoals opgenomen in de toelichting bij de asielreserve, is niet uit de asielreserve gedaan maar vanuit de Bijdrage COA.

De asielreserve is bedoeld voor de hoeveelheidsfluctuaties in de asielinstroom. Een terugbetaling aan ODA komt voort uit een verlaging van de (geraamde of gerealiseerde) asielinstroom en het is dus toegestaan om daarvoor de asielreserve te gebruiken.

Vraag (137):

Waarom werd een onderuitputting verwacht in 2018 bij het IND, Stichting Nidos en Dienst Terugkeer en Vertrek?

Antwoord:

Nidos: Voor stichting Nidos bleek de instroom van amv’s in 2018 lager te liggen dan oorspronkelijk geraamd.

DT&V: De beschikbare budgetten voor de programmakosten en de REAN regeling, die vanuit DT&V wordt bekostigd en door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) wordt uitgevoerd, zijn niet volledig uitgeput door de volgende ontwikkelingen. Een groot percentage van de asielzoekers dat niet in aanmerking kwam voor een asiel vergunning is zelfstandig zonder toezicht vertrokken waardoor geen gebruik is gemaakt van terugkeer ondersteuning voor deze groep. DT&V is voor wat betreft de omvang van caseload verder sterk afhankelijk van de productie van de IND. De aanlevering van dossiers door de IND in 2018 was lager dan eerder was geraamd. Tot slot kon een groter deel van de gemaakte programmakosten aan de Europese fondsen worden doorbelast.

IND: De verwachte onderuitputting had onder andere te maken met een lager dan verwachte uitputting van financiële middelen voor projecten. De gerealiseerde p*q opbrengst is hoger dan begroot en de opbrengsten zijn in 2018 sneller gestegen dan de kosten.

Vraag (138):

Hoe vaak is sinds januari 2015 geld in de asielreserve gestort? Hoe vaak is sinds januari 2015 geld uit de asielreserve onttrokken? Hoe vaak is sinds januari 2015 geld overgemaakt van de asielreserve naar ODA en andersom?

Antwoord:

Sinds 2015 zijn de volgende aantallen stortingen gedaan in de asielreserve:

2015: 3

2016: 1

2017: 6

2018: 9

Sinds 2015 zijn de volgende aantallen onttrekkingen gedaan in de asielreserve:

2015: 4

2016: 6

2017: 7

2018: 2

Er is sinds 2015 een maal een onttrekking geweest uit de asielreserve voor een terugbetaling aan ODA in het kader van de toerekening eerstejaarsasielopvang. Dit is gebeurd bij najaarsnota 2016.Er is niet rechtstreeks in de asielreserve gestort vanuit de toerekening eerstejaarsasielopvang aan ODA. Dat is altijd gelopen via het instrument Bijdrage COA. Dit laatste is sinds 2015 elk jaar een keer gebeurd.

Vraag (139):

Hoe verklaart u dat over 2018 het percentage aantoonbaar zelfstandig vertrek 5% lager lag dan uw streefwaarde? Ziet u kansen om dit in 2019 te verhogen aan de hand van intensievere terugkeerondersteuning? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

In 2018 was het percentage aantoonbaar zelfstandig vertrek met 24% ongeveer gelijk aan 2017. Het vertrek van vreemdelingen vanuit Nederland wordt beïnvloed door een complex samenspel van factoren, die slechts gedeeltelijk te beïnvloeden zijn met (beleids)interventies vanuit de Nederlandse overheid.

De samenstelling van de instroom is één van die factoren. In 2017 en 2018 zien we dat nationaliteiten met historisch slechte terugkeerresultaten een relatief groter deel van de instroom uit zijn gaan maken. Dat zou een belangrijke verklaring kunnen zijn voor de daling in het percentage aantoonbaar zelfstandig vertrek. Een andere mogelijke verklaring kan zijn dat vanaf 2017 vreemdelingen afkomstig uit bepaalde visumvrije landen uit de ring rond Europa geen gebruik meer konden maken van het terugkeerprogramma uitgevoerd door de IOM. Hun zelfstandig vertrek werd alleen nog ondersteund met een ticket via de DT&V. Tot deze beleidswijziging werd besloten toen het vermoeden ontstond dat bepaalde groepen asielzoekers terugkeerondersteuning als pull-factor zagen om naar Nederland te komen en zij, nadat zij de ondersteuning ontvingen, weer naar land van herkomst terugkeerden.

Op dit moment wordt echter geen concrete aanleiding gezien om over te gaan op intensievere noch soberdere terugkeerondersteuning. De Beleidsdoorlichting Terugkeer, die op korte termijn met uw Kamer gedeeld wordt, gaat in zowel praktische als wetenschappelijke zin in op de complexe thematiek die schuil gaat achter uw vraag.

Vraag (140):

Hoe verklaart u het lage percentage van 68% waarin in 2018 binnen de wettelijke termijn op naturalisatieverzoeken is besloten? Hoe voorkomt u herhaling hiervan in het huidige jaar?

Antwoord:

De doorlooptijden bij Naturalisatieverzoeken zijn in 2018 onder druk komen te staan. Dit is onder andere het gevolg van keuzes waar medewerkers op ingezet worden. Omdat de tijdigheid van beslissingen op naturalisatieverzoeken onder druk kwam te staan, zijn vanaf het najaar van 2018 efficiëntie verhogende maatregelen getroffen (waaronder digitalisering en standaardisatie) en is extra capaciteit aangewend. Deze maatregelen zijn er vooral op gericht om de doorlooptijden niet verder te laten oplopen en op termijn de doorlooptijden naar beneden te brengen.

Vraag (141):

Voor welke andere prioriteiten is het verplaatste deel van de besliscapaciteit voor naturalisatiezaken ingezet?

Antwoord:

In 2018 heeft bij de IND inzet plaatsgevonden in verband met het wegwerken van de voorraden bij MVV Nareis en bezwaar Nareis. Er vindt binnen de IND een continue bijsturing plaats van de inzet van capaciteit op werksoorten, afhankelijk van de instroom, voorraden, doorlooptijden, prioriteiten.

Vraag (142):

Wat is op dit moment (mei 2019) de gemiddelde doorlooptijd per spoor?

Antwoord:

In de tabel hieronder wordt de gemiddelde doorlooptijd per spoor weergegeven met als peildatum 1 mei 2019.

Bron: Metis externe leveringen 2019

N.B. De doorlooptijden met betrekking tot de asielprocedure zijn beschikbaar op de website van de IND. https://ind.nl/Paginas/Doorlooptijden-asielprocedure.aspx

Vraag (143):

Heeft u bij gemeenten/de Vereniging van Nederlandse Gemeenten navraag gedaan over waarom zij in 2018 niet voldaan hebben aan hun taakstelling voor de huisvesting van asielzoekers? Speelt het niet langer verlenen van urgentie aan statushouders hierbij een rol?

Antwoord:

Zoals in de beantwoording van de Kamervragen van de leden Groothuizen en Paternotte op 12 februari 2019 (Aanhangsel Handelingen 2018/19, nr. 1509) genoemd, heeft er medio 2018 een door de Landelijke Regietafel (LRT) gevraagde en door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uitgevoerde quick scan onder gemeenten plaatsgevonden naar de knelpunten bij de huisvesting van statushouders in gemeenten. Aan deze quick scan is door de Ministeries van BZK, SZW en J&V en de VNG, het IPO en het COA samengewerkt. Doel van het onderzoek was om inzicht te krijgen in de oorzaken van problemen die gemeenten ondervinden bij het uitvoeren van de huisvestingstaaktelling voor statushouders.

Uit de quick scan kwam naar voren dat gemeenten zelf vooral de krapte op de woningmarkt, concurrerende urgente groepen en het lastiger kunnen huisvesten van grote gezinnen aanwijzen als oorzaak voor achterlopende resultaten. Ook geven gemeenten aan dat de komst van nareizende familieleden leidt tot vertraging bij de huisvesting.

Uit de quick scan kwam niet naar voren dat het schrappen van de verplichte urgentiestelling aan statushouders in de Huisvestingswet bij de vertraging een rol speelde. Op grond van de taakstelling (artikel 28 van de Huisvestingswet 2014) blijven gemeenten gehouden om het toegewezen aantal statushouders binnen de taakstellingstermijn van woonruimte te voorzien. De provincie, als toezichthouder op dit dossier, ziet hierop toe.

Bijna alle aan de genoemde quick scan deelnemende gemeenten hebben de huisvesting van vergunninghouders opgenomen in de prestatie-afspraken met de woningcorporaties en bijna alle gemeenten gaven aan statushouders voorrang te verlenen bij de toewijzing van woningen.

Vraag (144):

Waar zijn de overgebleven middelen van de bijdrage aan Stichting Nidos naartoe verplaatst binnen artikel 37 en hoe groot was dit bedrag?

Antwoord:

De meevaller over 2018 bij Stichting Nidos bedraagt € 14,8 mln. en wordt ingezet ten behoeve van opvang van asielzoekers door het COA.

Vraag (145):

Hoe heeft de gemiddelde verblijfsduur van asielzoekers die niet in aanmerking komen voor een vergunning zich cijfermatig ontwikkeld ten opzichte van 2017? Kunt u getallen noemen?

Antwoord:

De vraag wordt geïnterpreteerd als een vraag naar de doorlooptijd van eerste asielaanvragen, die worden afgesloten met een afwijzend besluit. Uw vraag is dan wat de gemiddelde doorlooptijd was van deze eerste asielaanvragen in 2018, en wat deze in 2017 was. Het antwoord is 185 dagen in 2017 en 116 dagen in 2018.

Vraag (146):

Hoe verantwoordt Vluchtelingenwerk zich over de ontvangen subsidie en hoe kunt u daarbij toezien op een efficiënte en doelmatige besteding?

Antwoord:

Vluchtelingenwerk stelt een jaarlijkse begroting op en maakt drie keer per jaar een rapportage waarin is opgenomen de voortgang van de activiteiten ten behoeve van asielzoekers in de opvang. Daarin wordt ook vermeld welke kosten zijn gemaakt voor de diverse activiteiten. De laatste rapportage van het jaar bevat van een controleverklaring van een accountant. Daarnaast vinden periodieke gesprekken plaats met VWN over de belangrijkste ontwikkelingen en de benodigde budgetten.

Vraag (147):

Waarom is door minder uitgeprocedeerde asielzoekers gebruikgemaakt van terugkeerondersteuning? Zijn zij in plaats daarvan zonder toezicht vertrokken? Wat doet u om deze trend te keren?

Antwoord:

Een groot deel van de asielzoekers die niet in aanmerking kwam voor een asielvergunning is zelfstandig zonder toezicht vertrokken waardoor zijn geen gebruik hebben gemaakt van terugkeer ondersteuning. Het is de bedoeling dat personen die geen recht op verblijf (meer) hebben Nederland verlaten. Uitgangspunt hierbij is dat zij dit zelfstandig doen. Voor het wegnemen van (praktische) belemmeringen kunnen zij ondersteuning krijgen van onder andere de Dienst Terugkeer en Vertrek en de Internationale Organisatie voor Migratie. Zoals aan uw Kamer gemeld was de ondersteuning als gevolg van de verhoogde instroom uit met name de Westelijke Balkan en Noord Afrika in eerste instantie beperkt. Dit is in de zomer van 2018 aangepast waardoor de ondersteuning ook aan deze groep weer mogelijk is gemaakt. Dit zou er ook voor moeten zorgen dat het aantal personen dat gebruik maakt van ondersteuning bij terugkeer toeneemt.

Vraag (148):

Waarom wordt het eigen vermogen bij COA en IND afgeroomd naar 5%?

Antwoord:

De berekening van het maximale eigen vermogen van de IND is gebonden aan een maximumomvang van 5% van de gemiddelde jaaromzet berekend over de laatste drie jaar. Dit conform artikel 27 lid 4 c van de Regeling agentschappen.

Met COA is in de bekostingsafspraken Centraal Orgaan opvang asielzoekers 2018 een vergelijkbare afspraak gemaakt dat het eigen vermogen van het COA maximaal 5% van de gemiddelde omzet over de afgelopen 3 jaar mag bedragen. Als COA boven deze norm uitkomt, roomt het departement dat meerdere af.

Vraag (149):

Waar worden de vrijgevallen EU-middelen aan besteed en naar welk artikel worden deze verplaatst?

Antwoord:

Vrijgevallen EU-middelen (€ 5,9 mln.) zijn in 2018 niet meer besteed. Het bedrag maakt onderdeel uit van de onderuitputting op artikel 37.

Vraag (150):

Wat is de grote mutatie bij de apparaatsuitgaven?

Antwoord:

Bij de apparaatsuitgaven is sprake van per saldo € 15 mln. overschrijding op een gerealiseerd budget van circa € 450 mln. Bij de personeelsgerelateerde uitgaven is door een veelheid van kleinere mutaties een overschrijding ontstaan van circa € 25 mln. Daar staat opnieuw een veelheid aan kleinere meevallers bij de materiele uitgaven tegenover van circa € 10 mln. per saldo resteert een overschrijding van € 15 mln.

Vraag (151):

Klopt het dat op pagina 104 een tekort bij de rechtspraak van 38 miljoen euro genoemd wordt, terwijl dit in de tabel op pagina 103 om een tekort van 28 miljoen euro lijkt te gaan? Kunt u deze verschillen toelichten?

Antwoord:

Dit betreft twee verschillende cijfers. De Rechtspraak heeft over 2018 een tekort (resultaat uit opbrengsten en kosten) van circa € 38 mln. gerealiseerd. In de tabel op pagina 103 wordt de bijdrage van het ministerie aan de Raad voor de rechtspraak weergegeven. De bijdrage van het ministerie aan de Raad was in 2018 € 28,7 mln. hoger dan in de begroting 2018 was geraamd (o.a. vanwege loonbijstelling, aanvullingen vanuit de Regeerakkoordmiddelen voor versterking strafrechtketen en cybersecurity, en uitgaven die uit de egalisatierekening zijn gefinancierd).

Vraag (152):

Kunt u een schematisch overzicht geven welke experimenten de Raad voor de Rechtspraak in 2018 heeft uitgevoerd als het gaat om de buurtrechter en dergelijke? Welke kosten zijn daarmee gemoeid?

Antwoord:

In het jaarverslag 2018 van de Rechtspraak wordt op pagina’s 16 en 17 een toelichting gegeven op de uitgevoerde projecten met o.a. een infographic (https://www.jaarverslagrechtspraak.nl/assets/downloads/Jaarverslag-Rechtspraak-2018.pdf).

De kosten in 2018 bedroegen bijna € 400.000. Zie ook de brieven over maatschappelijk effectieve rechtspraak van de Minister voor Rechtsbescherming van 20 april en 12 december 2018. 21

Vraag (153):

Wat is de reden dat soms onvoldoende eigen personeel beschikbaar is in de inrichtingen en dus extern personeel ingehuurd moet worden? Spelen de bezuinigingen van de afgelopen jaren hierin een rol?

Antwoord:

Over het geheel genomen is de personele bezetting op orde en in lijn met de formatie. Wel is in aanloop naar de besluitvorming over de sluitingen in 2018 en de onzekerheid over de ontwikkeling van de benodigde detentiecapaciteit, personeel vrijwillig uitgestroomd. Daardoor ontstond druk op de bezetting. De sluiting van de vier betrokken locaties had niet primair een bezuinigingsdoelstelling, maar vloeide voort uit de gedaalde vraag naar detentiecapaciteit.

Begin 2017 bleek dat de uitstroom van medewerkers doorging, terwijl de benodigde krimp als gevolg van het Masterplan DJI was bereikt. Op dat moment is besloten de werving van inrichtingsbeveiligers en inrichtingswerkers met volle kracht op te pakken en is een landelijke wervingscampagne gestart. In de huidige krappe arbeidsmarkt is het niet altijd eenvoudig snel nieuwe medewerkers te vinden. De landelijke wervingsactie heeft tot nu toe 1200 nieuwe executieve medewerkers voor het gevangeniswezen opgeleverd. Voor DJI als geheel zijn in 2019 tot eind april ruim 450 nieuwe medewerkers aangesteld.

Vraag (154):

Welke maatregelen kunnen we verwachten om er zorg voor te dragen dat de doorlooptijd bij het Nederlands Forensisch Instituut weer onder de norm van 15 dagen komt?

Antwoord:

De norm van 15 dagen die in het Jaarverslag wordt genoemd is een gewogen gemiddelde van alle individuele producten van het NFI.

Het terugbrengen van de gemiddelde levertijd heeft de continue aandacht van het NFI. Samen met de ketenpartners OM en politie kijkt het NFI naar oplossingen om de doorlooptijden te verkorten. Denk hierbij aan het realiseren van koppelingen met politiesystemen en het automatisch generen van berichten. Een voorbeeld hiervan is NFiDent. Hiermee voert de politie zelf metingen uit aan drugs. De onderzoeksgegevens van deze metingen stuurt de politie digitaal naar het NFI op basis waarvan het NFI een deskundigenrapport opstelt. Dit gebeurt binnen 24 uur, terwijl de doorlooptijd van dit proces voorheen gemiddeld 22 dagen was.

Externe partijen spelen een grote rol in de ambitie van de keten om de doorlooptijden te beperken tot het minimaal noodzakelijke; daar waar marktpartijen een betere combinatie bieden van snelheid, prijs en diepgang worden onderzoeken uitbesteed aan deze partijen.

Vraag (155):

Hoeveel conservatoir beslag is in 2018 door het OM geïnd? Klopt het dat tabel 11.8 laat zien dat het bedrag is toegenomen, maar niet wat is geïncasseerd?

Antwoord:

Dat klopt. Tabel 11.8 geeft de stand van het beslag per 31 december weer, voor zowel 2018 als 2017. Uit tabel 11.8 blijkt niet wat er is geïncasseerd. Er is in 2018 ruim € 11,5 mln. geïnd door uitwinning van conservatoir beslag.

Vraag (156):

Klopt het dat een bedrag van 605 miljoen euro aan onherroepelijke, maar nog niet geïnde ontnemingsvorderingen openstaat? Zo ja, wat gaat u doen om dat bedrag te innen? Kunt u over de jaren vanaf 2010 inzichtelijk maken hoe dit bedrag zich heeft ontwikkeld?

Antwoord:

Ja, het bedrag van € 605 mln. klopt. Dit bedrag betreft onherroepelijke ontnemingsmaatregelen, schikkingen en confiscaties. Om de bedragen te innen worden zoveel mogelijk alle beschikbare inning- en incassomiddelen ingezet. In kleine vorderingen (tot € 10.000) zijn de resultaten in het algemeen beter dan in de grotere vorderingen. Als sprake is van grote vorderingen, wordt periodiek gecheckt of er wijzigingen in de situatie van de veroordeelde zijn en of het vermogen is gewijzigd op basis waarvan meer kan worden geïnd. Vanaf 2010 is een ontwikkeling te zien dat het openstaande bedrag jaarlijks toeneemt:

  • Ultimo 2018 € 605 mln.

  • Ultimo 2017 € 574 mln.

  • Ultimo 2016 € 438 mln.

  • Ultimo 2015 € 383 mln.

  • Ultimo 2014 € 355 mln.

  • Ultimo 2013 € 299 mln.

  • Ultimo 2012 € 283 mln.

  • Ultimo 2011 € 231 mln.

  • Ultimo 2010 € 210 mln.

De toename wordt deels veroorzaakt doordat een deel van de zaken moeilijk inbaar blijkt en in verband met een lange executieverjaringstermijn cumuleert en deels omdat er meer zaken instromen onder meer als gevolg van het OM programma afpakken. Verder kunnen enkele grote zaken veel invloed hebben op het totaalbedrag.

Vraag (157):

Op basis waarvan wordt geconcludeerd dat de werkprocessen (waaronder het begrotingsproces, de financiële control, het sturingsmodel en het integriteitsbeleid) grotendeels op orde zijn en geen extra impuls meer nodig hebben vanuit het programma JenV Verandert? Op welke wijze is tot de conclusie gekomen dat het niet meer nodig is om over deze thema's in de voortgangsrapportages van JenV Verandert te rapporteren? In hoeverre is hier de opinie van personeel op verschillende hiërarchische posities bij betrokken? Bent u bereid te blijven rapporteren over deze werkprocessen?

Antwoord:

Voor het begrotingsproces, de financiële control, het sturingsmodel en het integriteitsbeleid is een nieuwe structuur en nieuw proces ontworpen onder de vlag van het programma JenV Verandert. Dit ontwerpproces is klaar en de uitvoering van deze processen is inmiddels de dagelijkse praktijk bij JenV. Deze werkprocessen worden gemonitord, en waar het beter kan doorontwikkeld. Dat gebeurt niet meer onder de vlag van het programma JenV Verandert, maar vanuit de verantwoordelijke organisatieonderdelen (zoals de Directie Eigenaarsadvisering (DEA) en Directie FEZ) die in hun dagelijkse praktijk verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van deze processen en de rapportage daarover. Het aantal door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde onvolkomenheden is de afgelopen twee jaar teruggebracht tot 3 en de ernstige onvolkomenheid voor «het onvoldoende in control zijn», is opgelost.

Vraag (158):

Welke concrete stappen zijn gezet op het gebied van integriteitsbeleid bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid sinds de start van JenV Verandert in 2015? In hoeverre zijn de doelen gehaald die sinds de start van JenV Verandert op het gebied van integriteitsbeleid zijn gesteld? Kunt u aangeven hoe het personeel bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid het integriteitsbeleid op dit moment waardeert?

Antwoord:

JenV wil een professionele, lerende en veilige organisatie zijn. Dit houdt onder andere in dat er voorzieningen zijn die de weerbaarheid van medewerkers versterken. En dat er duidelijke, voor alle leidinggevenden en medewerkers terug te vinden, procedures zijn voor het melden en objectief en zorgvuldig afhandelen van (vermoedelijke) integriteitsschendingen.

Sinds 2015 zijn de volgende stappen gezet:

  • Sinds 1 juli 2016 zijn voor het bestuursdepartement drie nieuwe vertrouwenspersonen aangewezen, waarvan één tevens de rol van landelijk vertrouwenspersoon van JenV vervult. Daarnaast zijn er twee vertrouwenspersonen voor de NCTV, twee voor de Inspectie Justitie en Veiligheid en twee voor het Nationaal Cyber Security Centrum. Gezamenlijk vormen zij het netwerk van vertrouwenspersonen die benaderd kunnen worden door medewerkers van het bestuursdepartement. Zij bespreken twee keer per jaar hun (geanonimiseerde) bevindingen met de secretaris-generaal en rapporteren jaarlijks aan hem. Daarnaast beschikken alle dienstonderdelen over twee of meer vertrouwenspersonen, die op een vergelijkbare manier aan hun bevoegd gezag rapporteren;

  • Tot dusverre zijn 6 netwerkbijeenkomsten gehouden voor alle vertrouwenspersonen bij JenV, waarin met behulp van diverse werkvormen kennis en expertise van het vertrouwenswerk met elkaar wordt gedeeld;

  • De functie van Centrale Coördinator Integriteit JenV is vanaf 1 januari 2016 ingevuld. De dienstonderdelen beschikken over decentrale coördinatoren Integriteit. Zij vormen met elkaar een netwerk dat stap voor stap de infrastructuur van het integriteitsmanagement bij JenV op orde heeft gebracht en doorontwikkeld.

  • Tot dusver heeft dat geresulteerd in de volgende instrumenten, die per 1 augustus 2017 van kracht zijn geworden:

    • Model handreiking melding integriteitsschendingen en misstanden binnen het Ministerie van JenV. Dit is een uniforme procedure voor het melden van integriteitschendingen en misstanden;

    • Modelinstructie handelwijze integriteitsschendingen binnen het Ministerie van JenV. Dit is een uniforme procedure voor het afhandelen van meldingen van integriteitschendingen en misstanden;

    • Model interne klachtenregeling ongewenste omgangsvormen Ministerie van JenV. Dit is een uniforme procedure voor het behandelen van klachten over ongewenste omgangsvormen;

    • Leidraad vertrouwenspersonen Ministerie van JenV. Dit is een document met kaders en handreikingen voor het inrichten van het vertrouwenswerk binnen VenJ;

  • De Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) is ook voor JenV-medewerkers leidend. In aanvulling op de GIR hanteren diverse dienstonderdelen daarnaast codes met beperkender regels of afspraken die volgen uit hun specifieke publiekrechtelijke taak en daarmee verband houdende integriteitsrisico’s;

  • Alle voor medewerkers relevante informatie met betrekking tot integriteit is inmiddels verzameld en toegankelijk via intranet;

  • Per 1 januari 2018 is een proef gestart met een Tijdelijke Adviescommissie afdoening integriteitsinbreuken, een instrument om meer uniformiteit te bevorderen in de disciplinaire bestraffing van integriteitsinbreuken bij JenV;

  • In maart 2018 is de circulaire waarin instructies zijn gegeven aan alle hoofden van dienst en de vertrouwenspersonen met betrekking tot uniforme registratie en verantwoording van vermoedens van misstanden, integriteitsschendingen en ongewenste omgangsvormen, van kracht geworden;

  • Bij diverse dienstonderdelen wordt het zogeheten «moreel beraad» beproefd of geïmplementeerd. Zie ook het antwoord op vraag 167.

  • Op 1 maart 2019 is de Leidraad problematische schulden in werking getreden en bekend gemaakt: deze beoogt leidinggevenden een uniform kader en handvatten te geven hoe ze zowel preventief als curatief passende interventies kunnen doen als ze binnen hun onderdeel te maken krijgen met medewerkers met problematische schulden. Tevens beschrijft deze leidraad een aantal verplichtingen voor medewerkers die zich geconfronteerd zien met problematische schulden;

  • Voor een aantal specifieke stappen wordt verwezen naar de beleidsreactie op de rapporten van de onderzoekscommissies inzake het WODC van 15 januari 2019. Daar hoort bijvoorbeeld bij het voornemen om een vaste externe integriteitscommissie in te richten die meldingen van vermoedens van misstanden respectievelijk van niet integer gedrag door top- en middenmanagement gaat onderzoeken. Hierin is ook vermeld dat een informatiebrochure is verspreid waarin op een voor een ieder begrijpelijke wijze is beschreven bij wie en hoe melding kan worden gedaan van misstanden, integriteitsschendingen en ongewenste omgangsvormen en hoe daar vervolgens mee wordt omgegaan.

Het doel om de basis van het integriteitsbeleid op orde te brengen (conform de Modelaanpak basisnormen integriteit Openbaar bestuur en Politie 2006) is gehaald. Er wordt niet specifiek gemeten hoe het personeel het integriteitsbeleid waardeert. In het Medewerkersonderzoek 2018 op het bestuursdepartement is medewerkers wel gevraagd hoe zij de sociale veiligheid waarderen en of zij ongewenste omgangsvormen ervaren. Het bestuursdepartement scoorde hierop een 7,3 respectievelijk 8,9. Het totaalbeeld van het Medewerkersonderzoek laat een stabiele tot licht opgaande lijn zien waarbij ten opzichte van de benchmark met andere ministeries de thema’s werkplezier, zelfstandigheid en beslisruimte en ongewenste omgangsvormen bovengemiddeld positief scoren.

Met bovenstaande stappen schept JenV randvoorwaarden om een veilige werkomgeving voor alle medewerkers te kunnen bieden. Dat is namelijk een belangrijke voorwaarde voor een integere taakuitvoering. Alleen in een veilige werkomgeving is er voor medewerkers ruimte om over gedragingen te spreken die niet passen bij de waarden en normen die aan de basis van die taakuitvoering liggen.

Het creëren van een veilige werkomgeving voor medewerkers houdt ook in dat er wordt opgetreden als (vertrouwelijke) informatie wordt gelekt. Een veilige werkomgeving ervaren medewerkers alleen als ze er van op aan kunnen dat (vertrouwelijke) informatie niet onbevoegd in handen van derden terechtkomt. Er is geconstateerd dat dit helaas meermaals wel het geval is geweest. Hierover zijn door medewerkers ook klachten ingediend met onder meer de vraag te onderzoeken hoe deze informatie bij derden is beland.

Het verstrekken van informatie aan derden zonder toestemming van betrokken medewerkers staat op gespannen voet met de integriteit die de overheid dient te waarborgen als goed werkgever. Het lekken van informatie is ondermijnend voor het onderlinge vertrouwen en bovendien schaadt het in veel gevallen ook de privacy van medewerkers of andere betrokkenen. Teneinde dergelijk onbevoegd verstrekken van (vertrouwelijke) informatie te begrijpen, is besloten contact op te nemen met de coördinerend OvJ voor de Rijksrecherche en gesprekken te voeren. Het dossier dat bij de OvJ is aangedragen betreft een twintigtal informatieposities die over verschillende aangelegenheden gaan en waarbij de ontvanger van de informatie ook wisselend is.

Aan de coördinerend OvJ voor de Rijksrecherche is gevraagd te kijken of zij als onpartijdige instantie in het dossier mogelijke patronen kunnen herkennen die zich lenen voor nader onderzoek. De coördinerend OvJ voor de Rijksrecherche heeft op basis van deze aangedragen casuïstiek vervolgens aangegeven dat er voldoende grondslag is voor een strafrechtelijk onderzoek naar vermeend strafbare gedragingen. In verband hiermee is vervolgens door het ministerie aangifte gedaan wegens schending van het ambtsgeheim. De Rijksrecherche is bezig met de formele afronding van het onderzoek.

Dergelijk onderzoek zou niet nodig moeten zijn. Zoals hierboven beschreven hebben we mogelijkheden en instrumenten om zaken die wellicht niet door de beugel veilig te kunnen bespreken, te melden en goed te laten onderzoeken.

Vraag (159):

Wat laat zien dat op dit moment pro-activiteit het uitgangspunt is geworden voor alle organisatieonderdelen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid?

Antwoord:

Medewerkers van JenV-organisatieonderdelen delen steeds meer informatie, waarbij pro-activiteit het uitgangspunt is. Voorvallen of incidenten zoals in het gevangeniswezen of politie worden actief openbaar gemaakt. DJI informeert op haar website bijvoorbeeld via samenvattingen van piketmeldingen, van integriteitsschendingen en ernstige incidenten in de justitiële inrichtingen. Ook hebben we tot nu toe 44 datasets ontsloten via www.data.overheid.nl. JenV medewerkers worden daarvoor ondersteund met een beleidskader en handreikingen om te werken met open data. Andere voorbeelden zijn de berichtgeving rond de storing bij elektronische enkelbanden in mei 2019 en het 3 maandelijks delen van de declaraties van de bewindspersonen.

Het principe «openbaar, tenzij» is uitgangspunt bij het proactief delen van informatie, zoals bij Wob-verzoeken. Wanneer we niet open kunnen zijn, leggen wij uit waarom dit niet kan, conform de Wet openbaar bestuur.

Daarnaast is met de inrichting van het opdrachtgevers – opdrachtnemers en eigenaarsmodel een werkwijze geïntroduceerd die het proactief handelen van de organisatie stimuleert en ondersteunt. Zo worden strategische uitdagingen voor de organisaties concreet besproken en wordt met de invoering van het instrument risicomanagement het proactief signaleren van mogelijke risico’s ondersteund.

Vraag (160):

Kunt u in procenten aangegeven hoeveel ruimhartiger het Ministerie van Justitie en Veiligheid is geworden bij het verstrekken van informatie bij Wob-verzoeken sinds de start van JenV Verandert in 2015?

Antwoord:

Het is niet mogelijk om een percentage te verbinden aan ruimhartigheid, maar we geven hieronder een toelichting op wat JenV doet om de toepassing van de Wob opener en transparanter te maken.

Sinds 2015 is gewerkt aan een opener en transparantere toepassing van de Wob en heeft JenV concrete stappen gezet om meer proactief in gesprek te zijn met de samenleving. Als een Wob-verzoek wordt ingediend, neemt JenV indien nodig contact op met de indiener om helder te krijgen wat de indiener nodig heeft. In een aantal gevallen leidt dat contact ertoe dat het niet nodig is om een Wob-besluit te nemen, omdat de gevraagde informatie op een andere manier toegankelijk is of kan worden gemaakt.

Ter ondersteuning van deze manier van werken heeft JenV een Wob-coördinatiedesk ingesteld. De Wob en de toepassing daarvan is daarnaast onderdeel van het opleidingsaanbod bij JenV.

De Wob-coördinatiedesk stuurt op een opener en transparantere toepassing van de Wob bij JenV. Voordat Wob-besluiten van het bestuursdepartement worden verzonden, vindt een kwaliteitscontrole plaats door de Wob-coördinatiedesk. Onderdeel van die kwaliteitscontrole is of de uitzonderingsgronden van de Wob terecht zijn toegepast. Er zullen altijd dossiers blijven waarin toepassing van die uitzonderingsgronden noodzakelijk is om de belangen te beschermen die de wetgever in de Wob heeft erkend. Maar indien er ruimte is om de uitzonderingsgronden van de Wob terughoudender toe te passen, wordt die ruimte ook benut. Recente voorbeelden daarvan zijn het Wob-besluit inzake de evaluatie van de crisisbeheersingsorganisatie MH17 (waarbij enig inzicht is gegeven in persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren) en het Wob-besluit over het Nederlandse softdrugsbeleid tot en met de jaren negentig (waarbij zowel inzicht is gegeven in persoonlijke beleidsopvattingen als in informatie die gewisseld is met andere staten).

Vraag (161):

Wat wordt allemaal ondernomen om het bewustzijn van medewerkers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid om ook het slechte nieuws te melden te verbeteren? Op welke wijze zijn hiervan al zichtbare resultaten op te merken?

Antwoord:

Slecht nieuws melden vraagt allereerst maximale openheid en transparantie binnen de organisatie. Dat betekent dat mensen elkaar kritisch bevragen, aanspreken op dat wat je van elkaar verwacht, en dat dilemma’s op tafel komen en besproken worden. Hier wordt binnen JenV veel aandacht aan geschonken.

Activiteiten die zijn ondernomen respectievelijk in planning zijn om binnen het ministerie een zogeheten cultuur van bespreekbaarheid te bevorderen en te stimuleren zijn:

  • Medewerkers worden expliciet uitgenodigd hun mening te geven. Zo draagt de politieke en ambtelijke top actief uit dat alle signalen en informatie, neergelegd in notaverkeer, welkom is. En dat medewerkers zonder hoge drempel om een overleg kunnen vragen;

  • De managementconferentie op 17 april 2018 stond geheel in het teken van het scheppen van een veilige werkomgeving. Leidinggevenden deelden hun ervaringen over wanneer zij zich onveilig hebben gevoeld in hun werkomgeving en voerden het gesprek over wat binnen JenV kan bijdragen aan een veilige(re) werkomgeving en welk gedrag daarbij past;

  • In augustus 2018 is een «Week van het onbesproken gedrag» georganiseerd waarin medewerkers kennis konden maken met verschillende methoden en werkvormen om zaken die vragen om bespreekbaarheid in een team, ook veilig en effectief bespreekbaar te maken, zoals moreel beraad, dilemmatrainingen en regietoneel. Deze week wordt begin september aanstaande opnieuw gehouden;

  • De onderdelen van het bestuursdepartement hebben kennis gemaakt met het instrument van de Koerskaart. Dit is een hulpmiddel om met elkaar te bespreken hoe (on)veilig de eigen werkomgeving wordt ervaren en wat er aan gedaan kan worden om de situatie te verbeteren. Verschillende dienstonderdelen hebben ook ervaring opgedaan met het instrument en overwegen om het breder in te zetten;

  • Leidinggevenden hebben in het kader van het strategisch ontwikkelprogramma Columbus masterclasses Dilemmalogica gevolgd;

  • In september aanstaande wordt de volgende, inmiddels zevende, halfjaarlijkse netwerkbijeenkomst gehouden voor alle vertrouwenspersonen binnen het ministerie.

In het Medewerkersonderzoek 2018 op het Bestuursdepartement is medewerkers gevraagd hoe zij de sociale veiligheid waarderen en of zij ongewenste omgangsvormen ervaren. Het bestuursdepartement scoorde hierop een 7,3 respectievelijk 8,9.

Vraag (162):

In hoeverre is bij het uitgangspunt «proactief informeren» sprake van een «pas toe of leg uit» principe? Hoe wordt de afweging gemaakt om wel of niet proactief te informeren?

Antwoord:

Het uitgangspunt bij proactief informeren is inderdaad «pas toe of leg uit». Wanneer we niet open kunnen zijn, leggen wij uit waarom dit niet kan, conform de Wet openbaar bestuur. Redenen kunnen o.a. zijn bescherming van de privacy en/of (nationale) veiligheid, of wanneer het belang om informatie die inzicht biedt in opsporingsmethoden, strafrechtelijke onderzoeken of internationale betrekkingen te beschermen zwaarder wegen dan openbaarheid.

Vraag (163):

Welke zaken wil het Ministerie van Justitie en Veiligheid nog ontwikkelen in de werkwijze en werkcultuur?

Antwoord:

Voor 2019 verankeren we wat we in gang hebben gezet bij JenV in systemen en processen. Een extra impuls geven we aan het over de organisatieonderdelen heen en samen met onze omgeving werken aan de maatschappelijke opgaven en het ontwikkelen van ons management en de sturing op samenwerking, integriteit en reflectie.

Zo investeren we in mensen en gedrag, zodat professionals hierdoor ruimte kunnen nemen en aangesproken worden op resultaat. We leren steeds beter van de praktijk, door het beter te doen en waar nodig de structuren en processen aan te passen. We kiezen steeds vaker een manier van werken die past bij de opgave waar we voor staan. We blijven werken aan de openheid en transparantie door te laten zien wat we doen, welke keuzes we maken en waarom. Intern vraagt openheid en transparantie een organisatie waarin we elkaar kritisch vragen stellen, volharden als we twijfelen aan de keuzes die we maken en zorgen dat het op de juiste tafel besproken wordt.

Samenwerken doen we zowel met nieuwe als vertrouwde partners van buiten. Intern versterken we de samenwerking door het gesprek te voeren over een werkcultuur waarin we elkaar aanspreken en tegenspreken, zoals met het instrument Koerskaart of Moreel beraad. Activiteiten om de samenwerking binnen JenV te verbeteren nemen we op in al bestaande initiatieven zoals het strategisch ontwikkelprogramma voor leidinggevenden (Columbus) en de Week van het onbesproken gedrag voor medewerkers en leidinggevenden. De resultaten van het medewerkersonderzoek 2018 van het Bestuursdepartement worden meegenomen in de ontwikkeling van de werkwijze en werkcultuur. Deze resultaten leiden tot verbeterplannen in de teams die tot uitvoering komen.

Vraag (164):

Op welke wijze is de rol en de werkwijze van de vertrouwenspersoon verhelderd?

Antwoord:

De rol en werkwijze van de vertrouwenspersonen is verhelderd in de hierboven genoemde Leidraad vertrouwenspersonen (zie vraag 158).

Vraag (165):

Op welke wijze is de procedure voor het (anoniem) melden van misstanden en integriteitsschendingen en de afhandeling daarvan voor medewerkers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid verduidelijkt?

Antwoord:

Deze procedure is verhelderd in de hiervoor onder vraag 158 genoemde Model handreiking melding integriteitsschendingen en misstanden binnen het Ministerie van JenV. Op 1 oktober 2018 is tevens een informatieblad gepubliceerd waarin voor medewerkers de procedure voor het melden van misstanden en integriteitsschendingen en de afhandeling daarvan aansprekend en bondig wordt toegelicht. Zo wordt helder uitgedragen dat de identiteit van een melder alleen met diens schriftelijke instemming aan het bevoegd gezag bekend mag worden gemaakt. Voor anonieme meldingen wordt in de brochure verwezen naar het meldpunt, te bereiken via www.devertrouwenslijn.nl.

Vraag (166):

Worden alle medewerkers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid betrokken bij het programma «De Koerskaart»? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

JenV wil een professionele en lerende organisatie zijn met een veilige werk- ontwikkel- en leeromgeving. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van ondersteunende instrumenten, zoals de KoersKaart. Voor alle instrumenten geldt dat de inzet moet passen in een organisatieonderdeel en het gekozen ontwikkeltraject van dat organisatieonderdeel. Dit maakt deel uit van de Jaarplanaanschrijving 2020, waarbij de organisatieonderdelen afspraken vastleggen over welke stappen zij in hun onderdelen zetten om de integriteit van hun organisatie te versterken.

De KoersKaart wordt breed ingezet binnen JenV en dit wordt actief gestimuleerd vanuit de top van het ministerie. De top 300 van managers van JenV en alle medewerkers van het bestuursdepartement van JenV hebben inmiddels kunnen deelnemen aan een KoersKaart-sessie. Inmiddels hebben zo’n 1500 JenV’ers dat ook gedaan. Ook de taakorganisaties zetten de KoersKaart in waar dit past binnen hun eigen organisatieontwikkelingstraject.

Vraag (167):

Wat houden gespreksleiders moreel beraad in en met welke medewerkers binnen de organisatie komen zij in contact?

Antwoord:

Een Moreel Beraad is een gesprek waarin de deelnemers gezamenlijk een ethische kwestie uit hun werk bespreken. Zij doen dit gestructureerd, aan de hand van een gespreksmethodiek, en met hulp van een gecertificeerde gespreksleider. De gespreksleider leidt en begeleidt dit gesprek. Door het gezamenlijke onderzoek naar hoe de uitgangsvraag in de concrete casus wordt beantwoord, kunnen de deelnemers aan het Moreel Beraad leren van zowel hun eigen als elkaars visie en overwegingen. Doorgaans levert dit nieuwe, gedeelde morele inzichten op.

De gespreksleiders komen in contact met alle medewerkers uit teams en afdelingen die behoefte hebben aan het bespreken van een ethische kwestie uit hun werk.

Vraag (168):

Hoe vaak is tot nu toe een beroep gedaan op de 17 gecertificeerde gesprekleiders moreel beraad? In hoeverre is het bespreken van dilemma's met een van deze gespreksleiders verplicht dan wel vrijwillig? In welke situaties wordt gekozen om een dilemma te bespreken met een van deze gespreksleiders?

Antwoord:

In 2018 is ruim 50 keer door groepen JenV’ers gebruik gemaakt van een gespreksleider moreel beraad. In 2019 zijn er tot nu toe ruim 30 aanvragen gedaan door groepen JenV’ers. Het bespreken van dilemma’s is vrijwillig. Een belangrijke voorwaarde voor een succesvol moreel beraad is dat medewerkers vrijwillig een dilemma inbrengen en dat de bespreking vertrouwelijk blijft. De top van JenV ondersteunt de inzet van dit dialooginstrument.

Vraag (169):

Op welke wijze wordt beoordeeld (gemeten of anderzijds) wat het morele fitheidsgehalte van het Ministerie van Justitie en Veiligheid is?

Antwoord:

In het kader van de jaarlijkse verantwoording rapporteert het Ministerie van JenV het aantal integriteitsmeldingen en de opvolging daarvan aan het Ministerie van BZK. De resultaten van een Medewerkersonderzoek, het aantal meldingen van misstanden, integriteitsschendingen en ongewenste omgangsvormen, alsmede rapportages en signalen van vertrouwenspersonen geven, in onderlinge samenhang bezien, de Centrale Coördinator Integriteit van JenV een beeld hoe het er binnen een onderdeel van JenV aan toe is op het gebied van morele fitheid.

Vraag (170):

Wat voor vervolg wordt gegeven aan de reflecties van leidinggevenden aan de hand van het ontwikkelprogramma Columbus? Zijn al concrete resultaten zichtbaar? Zo ja, welke?

Antwoord:

De leidinggevenden die meedoen aan het Strategisch ontwikkelprogramma Columbus geven aan dat het gezamenlijk reflecteren en leren in leergroepen en op managementconferenties bijdraagt aan:

  • Toename van de onderlinge aanspreekbaarheid en dat tegenspraak beter mogelijk is;

  • Verbetering van relaties met ketenpartners en partijen in de samenleving;

  • Meer bewustzijn van het belang van de ambities van JenV en deze ook uit te dragen in de teams/directies/afdelingen;

  • Verbreding en versteviging van het interne netwerk;

  • Beter inzicht in de verschillende werkzaamheden en organisaties binnen JenV.

Leidinggevenden bouwen hierop door samen met hun teams. Zij doen dit door, in het kader van het zijn van een professionele en lerende organisatie, instrumentarium toe te passen dat past bij het team en de ontwikkeling van dat team. Het Huis van Begeleiding faciliteert de inzet van het instrumentarium en de verdere begeleiding op ontwikkeling binnen de teams.52


X Noot
1

Cijfers zijn afgerond op tientallen.

X Noot
2

Bron: Datawarehouse IND.

X Noot
4

Kamerstuk 35 095, nr.1

X Noot
5

Kamerstuk 31 753, nr. 155.

X Noot
6

Kamerstuk 29 911, nr. 198.

X Noot
7

Kamerstuk 30 821, nr. 50.

X Noot
8

Kamerstuk 29 614, nr. 108.

X Noot
9

Kamerstuk 29 517, 167.

X Noot
10

Kamerstuk 29 628, 529.

X Noot
11

Kamerstukken 30 821 en 26 643, nr. 42.

X Noot
12

Kamerstuk 30 821, nr. 72

X Noot
13

kamerstuk 31 753 nr. 143.

X Noot
14

Bron: Rapportage Vreemdelingenketen, Periode januari-december 2018.

X Noot
15

Bron: Rapportage Vreemdelingenketen, Periode januari-december 2018.

X Noot
16

Bron: DT&V. Cijfers zijn afgerond op tientallen.

X Noot
17

Bron: DT&V (ISTV). Cijfers zijn afgerond op tientallen.

X Noot
18

Bron: IND; aantallen afgerond op tientallen.

X Noot
19

Bron: Kamerstuk 19 637, nr. 2493

X Noot
20

Bron: IND (Metis); afgerond op tientallen.

X Noot
21

Kamerstuk 29 279, nr. 425 en Kamerstuk 29 279, nr. 476