Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201831753 nr. 143

31 753 Rechtsbijstand

Nr. 143 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 november 2017

Tijdens de regeling van werkzaamheden op 31 oktober jl. heeft uw Kamer gevraagd om een schriftelijke reactie op het eindrapport van de Commissie evaluatie puntentoekenning gefinancierde rechtsbijstand (commissie-Van der Meer) (Handelingen II 2017/18, nr. 15, item 4). Met deze brief voldoe ik aan dit verzoek.

Bij brief van 25 oktober jl. heb ik uw Kamer het eindrapport van de commissie-Van der Meer doen toekomen.1 Deze onafhankelijke commissie had tot taak de puntentoekenningen in het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand te evalueren.2 De commissie heeft op gedegen wijze onderzoek verricht. Aan de hand van de verzamelde gegevens presenteert de commissie een duidelijk beeld van de tijdsbesteding door rechtsbijstandverleners die met de verlening van rechtsbijstand op alle rechtsterreinen binnen het stelsel is gemoeid. Haar belangrijkste bevinding is dat de huidige puntentoekenningen over vrijwel de gehele linie niet meer overeenkomen met de werkelijke tijdsbesteding door rechtsbijstandverleners die zij geacht worden uit te drukken. De commissie heeft daarom voorstellen gedaan voor de puntentoekenning in de verschillende categorieën waarin rechtsbijstand wordt verleend. Daarnaast is haar gebleken dat binnen het stelsel ook andere veranderingen gewenst zijn. De commissie doet op deze en andere onderdelen voorstellen.

In het regeerakkoord is een heldere opdracht geformuleerd: «Het stelsel van rechtsbijstand wordt herzien langs de lijnen van het rapport Commissie Herijking Rechtsbijstand [commissie-Wolfsen] en het tussenrapport van de commissie Evaluatie puntentoekenning rechtsbijstand [commissie-Van der Meer] binnen de bestaande budgettaire kaders. Er worden geen rechtsgebieden uitgezonderd waarvoor rechtsbijstand kan worden aangevraagd. Conform het advies van het eerstgenoemde rapport worden de Raad voor de Rechtsbijstand en het Juridisch Loket juridisch samengevoegd. Door deze intensieve samenwerking kan de eerstelijnshulp beter worden gestroomlijnd en kunnen meer eenvoudige zaken door het Juridisch Loket worden afgedaan.»

In deze brief schets ik uw Kamer hoe ik langs de lijnen van de rapporten van de commissie-Wolfsen en de commissie-Van der Meer uitvoering zal geven aan de voornemens ten aanzien van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand, zoals neergelegd in het regeerakkoord. Hierbij ga ik uit van het eindrapport van de commissie-Van der Meer, nu dit rapport ten tijde van de kabinetsformatie nog niet was uitgebracht en inhoudelijk in dezelfde richting wijst als het tussenrapport.

Bevindingen van de commissie-Van der Meer

Als gezegd is de belangrijkste bevinding van de commissie dat de huidige puntentoekenningen over vrijwel de gehele linie niet meer overeenkomen met de werkelijke tijdsbesteding door rechtsbijstandverleners die zij geacht worden uit te drukken. Zij heeft vier scenario’s geschetst voor de wijze waarop aan haar bevindingen opvolging kan worden gegeven:

  • 1 het doorvoeren van de door de commissie voorgestelde maatregelen – waarmee de commissie in de eerste plaats doelt op wijziging van de puntentoekenningen – zonder beperking in de uitgaven;

  • 2 het loslaten van het uitgangspunt dat een punt grosso modo overeen komt met één uur;

  • 3 wijziging van het punttarief zodanig dat de uitgaven binnen het kader blijven;

  • 4 beëindiging van de open eindefinanciering van het stelsel.

De commissie heeft berekend dat met opvolging van haar aanbevelingen binnen het eerste voorgestelde scenario een extra bedrag van € 127 miljoen (€ 154 miljoen inclusief BTW) jaarlijks aan toevoegingssubsidies aan advocaten en mediators betaald zou moeten worden.

Gezamenlijke aanpak

De opdracht om het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand te herzien daagt uit een stelsel vorm te geven waarbinnen langs de lijnen van de commissie-Wolfsen en de commissie-Van der Meer kwalitatief goede rechtsbijstand wordt geleverd als dat nodig is, door de persoon of instantie die daarvoor het meest is aangewezen. Dit draagt bij aan een zo adequaat mogelijke oplossing van geschillen. Deze uitdaging wordt binnen de – in internationaal perspectief overigens ruime – huidige budgettaire kaders vormgegeven. Hierbij zal ik alle aangewezen partners betrekken. Bij de verlening van juridische hulp zijn immers veel partijen betrokken, elk met hun eigen rol en verantwoordelijkheid. Het gaat daarbij niet alleen om de partijen die de rechtsbijstandverlening binnen het stelsel in de praktijk van alledag vorm geven, zoals rechtsbijstandverleners, de raad voor rechtsbijstand en het Juridisch Loket. (Rechts)hulpverleners buiten het stelsel bedienen deels dezelfde doelgroep en dragen zo bij aan de rechtszorg voor minder draagkrachtige burgers. De rechtspraak spreekt dagelijks recht in zaken waarin minder draagkrachtige burgers zijn betrokken, al dan niet met gesubsidieerde rechtsbijstand. Ook andere overheden, zoals gemeenten, hebben ruime ervaring met probleemoplossingsmodaliteiten voor burgers. Overheden hebben vaak ook als wederpartij van de rechtzoekende burger betrokkenheid bij het stelsel.

Bij al deze partijen werken professionals die vaak dag in dag uit en met hart en ziel zich ervoor inzetten om mensen te helpen. Hun inzet en betrokkenheid is altijd groot gebleken. Er zit ook veel denkkracht om tot substantiële verbeteringen te komen, zowel binnen het stelsel als in de omgeving waarin het stelsel functioneert.

Ik doe een beroep op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van alle organisaties die hierbij betrokken zijn om dat vermogen de komende periode actief in te zetten. Ik vind het belangrijk dat het probleemoplossend vermogen en de denkkracht die zich in het veld bevinden optimaal worden benut en samen worden gebracht met de inzichten die de rapporten van de commissies-Wolfsen en -Van der Meer ons geven. Daarbij wil ik ook kritisch kijken naar de rol die de overheid zelf speelt bij het ontstaan van geschillen met de burger.

Dit proces zal ik de komende tijd vormgeven door de betrokken organisaties uit te nodigen om mee te doen en uit te dagen om met verbeteringen te komen. Zo wil ik gezamenlijk komen tot een voorstel waarmee binnen de kaders van het regeerakkoord wordt bereikt dat de rechtzoekende een snelle, laagdrempelige en adequate oplossing van zijn juridische probleem krijgt en de rechtsbijstandsverlener een adequate vergoeding ontvangt.

De kracht van deze aanpak is er wat mij betreft in gelegen dat wanneer via deze weg gekomen kan worden tot een oplossing, deze kan rekenen op brede steun onder de direct betrokkenen. Dat komt de kansen voor succesvolle implementatie ten goede. Bovendien verwacht ik dat met deze aanpak het belang van de burger steeds via de intrinsieke betrokkenheid van de professionals in het veld goed gediend zal worden.

Een termijn van maximaal zes maanden lijkt mij redelijk om met deze aanpak te komen tot bruikbare voorstellen voor herziening van het stelsel. Mocht dat onverhoopt niet lukken, dan kan ik niet uitsluiten dat ik moet kiezen, geheel of gedeeltelijk, voor een van de budgettair neutrale scenario’s van de commissie. Ik zal uw Kamer uiterlijk rond de zomer van 2018 hierover nader informeren.

Wetsvoorstel duurzaam stelsel rechtsbijstand

In zijn reactie op het eindrapport van de commissie-Wolfsen d.d. 31 mei 2016 heeft het kabinet een aantal aanbevelingen van de commissie omarmd waar rechtzoekende burgers direct profijt van kunnen hebben.3 Uit de reacties op de consultatie van het wetsvoorstel duurzaam stelsel rechtsbijstand is mij gebleken dat deze verbeteringen onder de partijen in het veld breed draagvlak hebben. Deze maatregelen zijn ook nodig om te verzekeren dat de rechtzoekende in alle gevallen die rechtsbijstand krijgt die het meest passend is bij het voorliggende probleem en/of aansluit bij zijn werkelijke behoefte. Ik wil deze verbeteringen niet vertragen en zal daarom verder gaan met de werkzaamheden die nodig zijn om deze in praktijk te brengen, voor zover dit zonder wijziging van de Wet op de rechtsbijstand mogelijk is. Het gaat om de maatregelen in het kader van het versterken en verbreden van de eerstelijns rechtshulp, het vergroten van de kwaliteit van de tweedelijns rechtsbijstand en het versterken van de regievoering op het stelsel door de raad voor rechtsbijstand. De samenvoeging van de raad voor rechtsbijstand en het Juridisch Loket zal aan de realisatie van deze maatregelen bijdragen. Het spreekt vanzelf dat de uitwerking van deze maatregelen plaatsvindt met alle betrokkenen en in nauwe samenhang met de hiervoor genoemde aanpak om tot een voorstel voor herziening van het stelsel te komen binnen de kaders van het regeerakkoord.

Ik kies er nu voor om vooralsnog geen wetsvoorstel in te dienen. Reden hiervoor is dat mijn eerder geschetste aanpak, om naast bovengenoemde maatregelen tot een voorstel voor herziening van het stelsel te komen, kan leiden tot andere inrichtingskeuzes. Inmiddels is duidelijk dat inwerkingtreding van het Wetsvoorstel duurzaam stelsel rechtsbijstand per 1 juli a.s., zoals eerder voorzien werd, niet meer aan de orde is. Dit leidt tot een tekort van € 16 mln. in de jaren 2019 tot en met 2021. Dit tekort wordt gedekt binnen de JenV-begroting.

Ik heb vertrouwen in de hiervoor geschetste aanpak en zie er naar uit om met alle betrokkenen hierover in overleg te treden.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstuk 31 753, nr. 142.

X Noot
2

In de instellingsregeling is daarnaast onder meer een referentiekader van de commissie gegeven (Stcrt. 2016, nr. 48283).

X Noot
3

Kamerstuk 31 753, nr. 118.