Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201829279 nr. 425

29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

Nr. 425 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 april 2018

Onze rechtsstaat is gestoeld op wetten en regels – de afspraken waarop we elkaar in onze samenleving kunnen aanspreken – en de mogelijkheid om uiteindelijk een onafhankelijke rechter om een oordeel te vragen over de toepassing daarvan. Voor veel mensen is dat in het bijzonder relevant als het in het leven even tegen zit: als een huwelijk stukloopt, als ontslag dreigt, bij een verdenking van een strafbaar feit, als financiële verplichtingen niet worden nagekomen, of bij een conflict met de overheid. De rechterlijke macht levert een onmisbare bijdrage aan het oplossen van conflicten en een rechtvaardige samenleving. Daarnaast is hoogwaardige rechtspraak van groot belang voor onze economie en welvaart. Het vertrouwen in de nakoming van afspraken, eventueel afgedwongen via de rechter, zorgt voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat.

De Nederlandse rechtspraak behoort tot de wereldtop.1 Burgers en bedrijven hebben veel vertrouwen in onze rechtspraak.2 Dat betekent echter niet dat we stil kunnen zitten. Er liggen serieuze bedreigingen op de loer. Zo wordt het rechtsgevoel aangetast als procedures te lang duren en de doorlooptijden oplopen. Ook is het voeren van een gerechtelijke procedure dikwijls zo ingewikkeld dat burgers en bedrijven door de bomen nauwelijks nog het bos zien. Daarnaast zien we dat met de uitspraak van een rechter de concrete problemen van mensen niet altijd zijn opgelost, of in sommige gevallen zelfs verergeren. In ingewikkelde echtscheidingszaken of bij schuldenproblematiek levert de rechtspraak vanuit maatschappelijk oogpunt lang niet altijd een bijdrage die effectief is.

De rechtspraak zelf onderkent deze problemen ook. Zo is zij in 2016 een belangrijk traject gestart onder de noemer «maatschappelijk effectieve rechtspraak».3 Daarbij is op vier thema’s verkend hoe de rechtspraak betere oplossingen kan bieden voor de problemen waar mensen mee te maken hebben. Specifiek gaat het om de aanpak van complexe echtscheidingen, van multi-problematiek en daarbinnen met name de schuldenproblematiek, het toezicht in bewindzaken en een laagdrempeliger toegang tot de civiele rechter.

Het kabinet sluit zich graag aan bij deze ontwikkeling. In het regeerakkoord is de ambitie neergelegd om de rechtspraak effectiever en meer bij de tijd te laten zijn. Daartoe is niet alleen de bereidheid uitgesproken een volgende stap te zetten in de uitrol van diverse proeven met nieuwe vormen van rechtspraak – zoals bijvoorbeeld met zogeheten buurtrechters – maar ook om in de wetgeving meer ruimte en flexibiliteit te creëren voor vernieuwing en experimenten. Vervolgens kunnen vanuit experimenten lessen worden getrokken om structureel verbeteringen in de rechtspraak door te voeren. Zo brengen we op een verantwoorde manier een beweging op gang waarmee de rechtspraak wordt uitgedaagd mee te gaan met de tijd en aan te sluiten op maatschappelijke behoeften. In deze brief zet ik uiteen welke concrete stappen we zetten op weg naar een maatschappelijk effectievere rechtspraak. Het accent ligt daarbij vooral op het civiele recht en het bestuursrecht en niet op het strafrecht. In de bestuurs- en strafketen kunnen andere ketenpartners zijn betrokken bij concrete stappen en met hen vindt uiteraard afstemming plaats.

Maatschappelijk effectievere rechtspraak

De maatschappelijke effectiviteit van rechtspraak kan worden vergroot door kritisch te kijken naar elementen waarop ruimte is voor verbetering: oplossingsgerichtheid, snelheid, complexiteit en doelmatigheid. Idealiter verloopt een gerechtelijke procedure vlot, eenvoudig en efficiënt. Maar bovenal is rechtspraak effectief als met de interventie van een rechter ook een bijdrage wordt geleverd aan de oplossing van het probleem dat tot een zaak heeft geleid.

Oplossingsgerichtheid

Een rechterlijke uitspraak kan belangrijk zijn voor de normbevestiging of normontwikkeling, maar draagt bij voorkeur ook bij aan de oplossing van problemen die aan een zaak ten grondslag liggen. Helaas is dat lang niet altijd het geval – zo geven rechters ook zelf aan. Rechters komen bij incassoprocedures regelmatig dezelfde schuldenaren tegen die hun rekeningen niet kunnen betalen. Met het zoveelste vonnis heeft een schuldeiser wellicht een titel om zijn vordering te incasseren, maar wordt de onderliggende schuldenproblematiek van de tegenpartij in die gevallen alleen maar verergerd. Een ander voorbeeld komen we tegen bij echtscheidingszaken. Het komt regelmatig voor dat partijen in familierechtelijke kwesties opnieuw bij de rechter aankloppen voor deelproblemen rond de alimentatie of de omgangsregeling, omdat een eerdere beslissing het conflict niet voldoende heeft opgelost. Onnodige juridisering en onvoldoende integrale conflictbeslechting leiden dikwijls tot slepende zaken waar niemand gelukkig van wordt. Procesregels zouden rechters daarom de nodige flexibiliteit en mogelijkheden moeten bieden om te de-escaleren en te helpen conflicten op te lossen.

Snelheid

Voor rechtszoekenden is snelheid een belangrijk element, vaak net zo belangrijk als de uitkomst van het proces zelf. Juridische conflicten leggen doorgaans een groot beslag op burgers en bedrijven. Daarom is in veel zaken snel duidelijkheid gewenst. Zodat mensen weten waar zij aan toe zijn en verder kunnen.

Wat de snelheid van procedures betreft is er nog wel ruimte voor verbetering, uiteraard met behoud van zorgvuldigheid. Uit de kengetallen van de rechtspraak (2016) blijkt dat gerechten op diverse onderdelen onder de eigen normen voor doorlooptijden scoren. Ook uit klantwaarderingsonderzoek (2017) komt onvrede over de lange duur van rechtszaken naar voren. Bovendien laat dit onderzoek zien dat er behoefte is aan beter verwachtingenmanagement over de duur van procedures. De rechtspraak onderkent dit en zet in op snelle en stevige bijsturing. Daarnaast zouden nieuwe vormen van procesrecht de afhandeling van zaken kunnen bespoedigen.

Complexiteit

Juridische procedures zijn voor de gemiddelde rechtzoekende hoogst ingewikkeld. De verschillen tussen procedures die met een dagvaarding of een verzoekschrift beginnen, en het bestaan van bijzondere procedures voor specifieke vorderingen, zijn voor veel mensen niet of nauwelijks te begrijpen. Er zijn veel verschillende processtappen mogelijk die procedures extra complex maken en langer laten duren. Zo kunnen getuigen worden gehoord of deskundigen worden benoemd. Er kunnen in procedures zogenaamde incidenten plaatsvinden, bijvoorbeeld als een partij verzoekt andere partijen aan de zaak toe te voegen. Die complexiteit zorgt er soms ook voor dat conflicten onnodig juridiseren en escaleren. Zo kan een juridische strijd ontstaan waarin partijen het oorspronkelijke conflict niet meer herkennen en er uiteindelijk vooral verliezers zijn. Uitgangspunt moet zijn dat procedures in beginsel in eigen regie moeten kunnen worden gevoerd. Prikkels in het procesrecht die bijdragen aan het juridiseren en op de spits drijven van een conflict moeten kritisch tegen het licht worden gehouden.

Doelmatigheid

Rechtspraak is een kostbare manier van geschiloplossing, waarop niet te lichtvaardig een beroep moet worden gedaan. De rechtspraak als geheel moet niet alleen maatschappelijk effectief, maar ook efficiënt zijn. Zo moeten procedures zo doelmatig mogelijk worden ingericht. En is het ook zaak dat niet te snel naar het middel van rechtspraak wordt gegrepen. Effectiviteit en doelmatigheid gaan bij voorkeur hand in hand. Effectief is het om een geschil duurzaam op te lossen. Efficiënt is het om dat zo snel mogelijk te doen, zo eenvoudig mogelijk, en bij voorkeur zoveel mogelijk in samenhang met eventuele andere conflictstof, zodat partijen verder kunnen met hun leven of hun onderneming. De belangrijkste winst van een maatschappelijk effectievere rechtspraak, voor zowel de rechtspraak als de samenleving als geheel, is dat meer conflicten worden opgelost en dat daardoor minder zal worden doorgeprocedeerd.

Experimenten met nieuwe vormen van rechtspraak

De rechtspraak zal met experimenten nieuwe vormen van rechtspraak uitproberen. Wat werkt wel en wat niet om maatschappelijk effectiever te zijn? De rechtspraak heeft daar de afgelopen jaren al een begin mee gemaakt en gaat daar ook de komende tijd verder mee aan de slag. De verschillende experimenten haken in op de hiervoor genoemde factoren die de maatschappelijke effectiviteit kunnen bevorderen.

Rechter in de buurt

De afgelopen twee jaar heeft de Rechtbank Noord-Nederland ervaringen opgedaan met een zogeheten spreekuurrechter. De kern van deze proef was dat de rechter eerst probeert met een goed gesprek tot een oplossing te komen. Partijen leggen de rechter zelf in eigen woorden uit wat er aan de hand is en wat er naar hun mening zou moeten gebeuren. Een dergelijke zaak kent geen noemenswaardige voorbereiding, uitwisseling van stukken of bewijsvoering. De proef loopt nog tot het eind van deze maand, waarna in juni van dit jaar een evaluatie wordt verwacht.

Geïnspireerd door de positieve bevindingen met de spreekuurrechter in Noord-Nederland, ontwikkelt een aantal gerechten experimenten met buurtrechters die daarop voortbouwen. Daarin zal aandacht zijn voor zowel stedelijke als meer aan buitengebied gerelateerde problematiek. In het arrondissement Oost-Brabant worden de mogelijkheden van een «community court», vooral gericht op het strafrecht, onderzocht. Het gaat om een initiatief van de Rechtspraak in samenwerking met de gemeente Eindhoven. De kern daarvan is dat rechtspraak in de buurt plaatsvindt, gericht is op de concrete problemen in een buurt, en nauw wordt samengewerkt met de lokale overheid en (veiligheids)partners.

De experimenten hebben met elkaar gemeen dat zij voorzien in snelle en eenvoudige toegang tot de rechter die in samenspraak met partijen probeert het voorliggende conflict zo goed mogelijk en finaal op te lossen. Het aspect van nabijheid komt in de pilots op verschillende manieren tot uitdrukking. Zo staat bijvoorbeeld de problematiek in een bepaalde gemeente of stad centraal bij het type zaken dat wordt behandeld, of zal de rechter zich ter plekke informeren over het voorliggende probleem. Uiteindelijk zal deze werkwijze naar verwachting de maatschappelijke effectiviteit vergroten. Voor initiatieven met een buurtrechter geldt dat er voor de zomer concrete projectplannen zullen liggen, zodat na de zomer kan worden gestart met de uitvoering.

Rechtspraak en schulden

In het kader van door het Ministerie van SZW geïnitieerde pilots wordt in de rechtbank Zeeland-West-Brabant sinds kort in samenwerking met de gemeente Tilburg gekeken hoe vroegtijdig de meest passende en minst ingrijpende hulp kan worden geboden aan mensen met schulden.4

Indien beschermingsbewind de meest passende maatregel wordt geacht, gaat een verzoek tot onderbewindstelling vergezeld van een advies van de gemeente. Zo kan de rechter beter geïnformeerd een beslissing nemen. De ervaringen in deze pilot worden tevens benut bij de vormgeving van het gemeentelijk adviesrecht over beschermingsbewind zoals opgenomen in het Regeerakkoord. Naar verwachting kan het voorontwerp medio 2018 voor consultatie worden voorgelegd.

Daarnaast komt rechtspraak binnenkort met een visiedocument «Rechtspraak en schulden». Daarin zullen maatregelen staan die de rechtspraak – deels in samenwerking met andere partijen – zal ontwikkelen om de problematiek rond schulden te verlichten. De verwachting is dat hieruit nieuwe pilots en andere initiatieven zullen voortvloeien.

Zo heeft de Raad voor de rechtspraak mij laten weten dat in het visiedocument in elk geval aandacht zal zijn voor een betere informatievoorziening voor burgers met schulden. Ook wil de rechtspraak bevorderen dat zowel de schuldeisers als debiteuren op de zitting verschijnen, zodat onder regie van de rechter naar oplossingen gezocht kan worden. Tot slot zal de rechtspraak pleiten voor een voor schuldenaren en schuldeisers eenvoudigere en minder kostbare incassoprocedure, die in goede waarborgen voorziet voor rechtsbescherming. Op dit moment onderzoekt mijn ministerie al de mogelijkheden voor een eenvoudiger incassoprocedure.

Scheiden zonder schade

In oktober 2016 verscheen het Visiedocument Rechtspraak (echt)scheiding ouders met kinderen. In dit document maken familierechters duidelijk hoe nieuwe werkwijzen kunnen worden ontwikkeld die ertoe bijdragen dat de schade bij kinderen in vechtscheidingen zoveel mogelijk wordt beperkt. Sindsdien zijn familierechters met de uitvoering ervan aan de slag gegaan, onder andere door sterk te investeren in de regievoering door rechters. Zo wordt gestreefd naar «één gezin, één rechter», zodat gezinsproblematiek integraal kan worden aangepakt (procedurele regie). Regie- en planningsbureaus worden ingericht om zaken sneller maar vooral ook beter en vollediger voorbereid op zitting te laten komen. Onnodige aanhoudingen van zittingen en daarmee gepaard gaande escalatie worden zo voorkomen (organisatorische regie). Familierechters streven naar maatwerkinterventies, waaronder uitbreiding van de mogelijkheden tot doorverwijzing naar mediation, zodat rechtzoekenden de meest passende oplossing voor hun problemen kunnen krijgen (inhoudelijke regie). Daarnaast start op 1 mei aanstaande bij de rechtbank Overijssel een pilot van één jaar waarin kinderen een belangrijkere rol krijgen bij de afspraken in het ouderschapsplan.

De Rechtspraak heeft ook actief geparticipeerd in het Platform onder leiding van André Rouvoet om de schade die kinderen ondervinden van scheidingen te beperken. Hieruit vloeien diverse acties voort.5 Familierechters zullen met ketenpartners voorstellen ontwikkelen voor een laagdrempelige en snelle toegang tot de familierechter en een procedure die zo min mogelijk escaleert. Ik wil daarbij ook betrekken of procesvertegenwoordiging (door een advocaat) in dit soort zaken verplicht moet zijn.

Verder wordt in alle arrondissementen ingezet op het bieden van uniforme hulp. Dit houdt in dat afspraken worden gemaakt met hulpverleners en gemeenten over de hulp die ouders en kinderen bij echtscheidingen kunnen krijgen. Rechters kunnen zo gericht doorverwijzen, wat de kans vergroot dat mensen op de juiste plek terechtkomen en escalatie van scheidingen helpt te voorkomen.

Tot slot verkent de rechtspraak een versterkte inzet van de zogeheten bijzondere curator. Als een kinderpsycholoog of een orthopedagoog nodig is die opkomt voor het belang van het kind, dan kan de rechter die specialisten als bijzondere curator benoemen. Zo’n bijzondere curator heeft contact met het kind en adviseert de rechtbank vanuit de deskundigheid over wat «goed is voor het kind». Zo krijgt het belang van het kind een grotere plaats in de procedure.

Integrale aanpak van multi-problematiek

De rechtspraak krijgt soms te maken met mensen die problemen hebben op vele fronten. Denk bijvoorbeeld aan zaken waarin sprake is van huiselijk geweld, maar ook van ernstige schuldenproblematiek en woonoverlast. Voor een maatschappelijk effectieve afdoening van dergelijke zaken worden verschillende elementen zo veel mogelijk samengenomen.

Onlangs is bij de rechtbank Rotterdam een pilot gestart waarin zaken over huiselijk geweld en parallel lopende (familierechtelijke) zaken tijdens een combizitting samen worden behandeld. De rechter heeft zo overzicht over alle problemen binnen het gezin. Dit experiment loopt nog tot eind 2019. Ook bij schuldenproblematiek en rond echtscheidingen spelen vaak andere problemen die niet zelden uitmonden in de gerechtelijke procedures. Een integrale aanpak is dan belangrijk, zodat de rechter in zijn beslissing rekening kan houden met andere trajecten. De komende tijd zal die manier van werken op verschillende plaatsen worden uitgeprobeerd.

Voor een effectieve aanpak van multi-problematiek is ook vroegtijdige interventie van belang – dus als de rechter nog niet in beeld is. In dit verband worden door de Raad voor de rechtsbijstand in samenwerking met diverse partners pilots gehouden. Zo startte begin dit jaar in Roermond de pilot vroegtijdige signalering multi-problematiek, als onderdeel van het Programma Versterking Rechtsbijstand. De pilot is gericht op het vroegtijdig signaleren van (te verwachten) multi-problematiek en het versterken van samenwerking tussen rechtsbijstandverleners en andere deskundigen, uit zowel het sociaal als juridisch domein. Op deze manier kan in een vroeg stadium naar een meer duurzame oplossing worden gezocht. Als de rechter toch betrokken moet worden leidt het in die specifieke gevallen tot een betere beslissing.

Snellere rechtspraak met externe deskundigen

Inschakeling van deskundigen is soms nuttig, maar zorgt in reguliere procedures vaak voor ernstige vertraging. De rechtspraak beziet hoe dat soort vertraging zo veel mogelijk kan worden voorkomen. Zo gaat in zaken over bouwgeschillen in Noord-Holland de rechter zo snel mogelijk samen met een bouwdeskundige ter plaatse kijken. Daarmee wordt beoogd in een vroeg stadium, voordat het geschil escaleert, een minnelijke regeling tussen partijen te bewerkstelligen. Het snelle oordeel van de deskundige is daarbij een groot voordeel, omdat dan bijvoorbeeld het bouwkundig gebrek nog beter kan worden beoordeeld en kostbare vertraging in een bouwproject kan worden voorkomen. De pilot «Tot op de bodem» zal van start gaan zodra geschikte bouwdeskundigen (bereid) zijn gevonden.

Wetgeving

In het verleden werden wijzigingen in het procesrecht steeds onmiddellijk in definitieve wetgeving gegoten. Maar het is in de praktijk niet altijd direct te overzien welke aanpassingen precies nodig zijn om het gewenste doel te bereiken. Daarom ben ik er een groot voorstander van om – samen met de rechtspraak – eerst innovatieve vormen van procesvoering in de praktijk uit te proberen, om daar vervolgens lering uit te trekken voor toekomstige aanpassingen van het procesrecht.

De in de vorige paragraaf beschreven experimenten sluiten goed aan bij deze vorm van werken. Tegelijkertijd constateer ik dat er binnen het bestaande wettelijke kader grenzen zijn aan de mogelijkheden om dergelijke experimenten te kunnen opzetten. Zo biedt artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) partijen alleen de mogelijkheid om af te wijken van reguliere procedures als beide partijen het daarover eens zijn. Wanneer de verhoudingen tussen de partijen door het geschil zijn verslechterd en zij niet meer in gesprek zijn met elkaar, zal een verweerder echter niet snel instemmen met een afwijkende procedure. Ook is het niet mogelijk om op basis van artikel 96 Rv een experimentele procesgang te bieden wanneer het geschillen betreft over onderwerpen die partijen niet zelf kunnen regelen, zoals het uitspreken van een echtscheiding. Daarnaast biedt artikel 96 Rv uitsluitend de mogelijkheid om te experimenteren bij de kantonrechter in eerste aanleg en dus niet bij een meervoudige kamer van een rechtbank of bij het gerechtshof.

Om ook buiten het kader van artikel 96 Rv te kunnen experimenteren met nieuwe procedures, is meer armslag nodig. Daarom bereid ik een wetsvoorstel voor waarin een algemene wettelijke grondslag wordt geboden om met innovatieve gerechtelijke procedures aan de slag te gaan. Tegelijkertijd met deze brief breng ik het conceptvoorstel van deze «Experimentenwet rechtspleging» in consultatie. Het wetsvoorstel zal het mogelijk maken om bij wijze van proeve, gebaseerd op een algemene maatregel van bestuur, een nieuwe rechtsgang vast te stellen die afwijkt van het reguliere procesrecht, waaronder in het bijzonder het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Experimenten zullen steeds van tijdelijke aard zijn en kritisch worden geëvalueerd. Als een experiment een succes is, kan deze vorm van procesvoering worden omgezet in definitieve wetgeving.

Ik vertrouw erop dat indien het wetsvoorstel wordt aanvaard, in de loop van 2019 de eerste algemene maatregelen van bestuur zullen kunnen worden voorgelegd aan de Staten-Generaal. Vervolgens kan een nieuwe ronde experimenten van start gaan. Daarbij valt te denken aan experimenten die nu nog op wettelijke grenzen stuiten, zoals snellere en eenvoudiger procedures voor MKB-bedrijven of voor bepaalde zaken personen met specifieke deskundigheid aan de rechtbank toevoegen, zoals nu het geval is bij de ondernemingskamer en de pachtkamer.

Route naar vernieuwing

Innovatie van gerechtelijke procedures is noodzakelijk. De rechtspraak zal mee moeten gaan met de tijd om aan te kunnen blijven sluiten bij de behoeften van burgers en bedrijven: eenvoudige en flexibele procedures, waarin conflicten niet op de spits worden gedreven maar duurzaam worden opgelost, met een rechter die snel tot oplossingen komt of een knoop doorhakt als het nodig is.

Door meer ruimte te bieden voor experimenten wordt de vernieuwingskracht van de rechterlijke macht aangewakkerd. De in deze brief beschreven vernieuwingstrajecten zijn wat mij betreft dan ook niet een limitatieve opsomming. Het is heel goed mogelijk dat de rechtspraak straks met de «Experimentenwet rechtspleging» in de hand weer nieuwe initiatieven ontplooit. Zo reageerde de Raad voor de Rechtspraak onlangs positief op de initiatiefnota van het lid Van Nispen (SP) waarin gepleit wordt voor een steviger koppeling tussen eerstelijns rechtshulp en de rechtspraak in zogeheten «Huizen van het Recht» (Kamerstuk 34 413, nr. 2). Ook loopt er naar aanleiding van de motie-Segers (Kamerstuk 34 550 VI, nr. 65) bij het WODC een onderzoek naar de inpasbaarheid van elementen van de zogeheten vrederechter in België en Frankrijk. Dit kan inspiratie voor vernieuwing opleveren.

Experimenten met vernieuwende vormen van rechtspraak moeten uiteindelijk leiden tot structurele verbeteringen in de procesregels en organisatie van de rechterlijke macht. Daarnaast ligt er voor de rechtspraak een financiële opgave. De precieze kosten van experimenten zijn op dit moment niet bekend. Maar naar verwachting zullen deze van een relatief geringe omvang zijn, zodat de rechtspraak die zelf kan dragen. Maatschappelijk effectieve rechtspraak kan op bepaalde onderdelen meer kosten, maar op andere onderdelen ook aanzienlijke baten opleveren. Bijvoorbeeld omdat conflicten met een snelle interventie beter worden opgelost, er minder behoeft te worden (door)geprocedeerd, zaken minder juridisch op de spits worden gedreven, partijen meer in eigen regie kunnen procederen en oplossingen duurzamer voor partijen zijn. Ik zie het als een uitdaging om samen met de rechtspraak te bewerkstelligen dat uiteindelijk maatschappelijk effectievere rechtspraak hand in hand gaat met doelmatigheid. Als zou blijken dat in de bekostigingssystematiek belemmeringen zitten om dit te bereiken, dan zal ik in overleg met de rechtspraak daarvoor een oplossing proberen te bereiken. De prikkels die in de bekostiging van de rechtspraak zitten moeten immers bijdragen aan de effectiviteit en doelmatigheid van de rechtspraak en deze niet belemmeren.

Tot slot is het goed om te benadrukken dat er naast ruimte voor experimenten en vernieuwing méér nodig is om de rechtspraak effectiever te maken. Zo kunnen de vernieuwingstrajecten van de rechtspraak niet los worden gezien van bijvoorbeeld de digitaliseringsopgave (KEI) of de ontwikkelingen rond de gesubsidieerde rechtsbijstand. Samenhang is er ook met ontwikkelingen rond alternatieve manieren van geschiloplossing zoals mediation. Niet ieder conflict hoeft immers aan de rechter te worden voorgelegd. Buitengerechtelijke oplossingen die partijen zelf bewerkstelligen leiden vaak tot bevredigender uitkomsten en worden beter nageleefd. Zulke oplossingen, eventueel met hulp van bijvoorbeeld een mediator, verdienen daarom de voorkeur. Over ontwikkelingen rond de digitalisering van de rechtspraak, hervorming van de rechtsbijstand en versterking van alternatieve vormen van geschiloplossing informeer ik u separaat. Uiteraard bewaak ik daarbij steeds de samenhang tussen verschillende trajecten.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Zie The World Justice Project (WJP) Rule of Law Index 2017.

X Noot
2

Zie Sociaal en Cultureel Planbureau, Burgerperspectieven SCP 2017/4, pag. 4 en 13–14.

X Noot
3

Zie ook Rechtspraak die er toe doet, een boekje dat de Rechtspraak in 2016 uitgaf.

X Noot
4

Zie hierover ook de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en werkgelegenheid van 28 februari 2018, Kamerstuk 24 515, nr. 426.

X Noot
5

Over het traject naar aanleiding van het verslag van het platform «Scheiden zonder schade» informeer ik u afzonderlijk uitgebreid (Kamerstuk 33 836, nr. 23).