34 550 Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën

Nr. 31 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 3 oktober 2016

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Financiën over de brief van 20 september 2016 inzake de Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën (Kamerstuk 34 550, nr. 1).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 30 september 2016. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Duisenberg

De griffier van de commissie, Berck

Vraag 1

Hoe kijkt u aan tegen de uitspraak van de begrotingsautoriteit van de Raad van State dat het zonder toelichting aanpassen van de uitgavenkaders de geloofwaardigheid van het trendmatig begrotingsbeleid ondermijnt? Kunt u bij uw antwoord het advies van de 15e Studiegroep Begrotingsruimte betrekken, waarin op p. 25 gewezen wordt op het commitment t.a.v. de begrotingsregels?

Antwoord op vraag 1

De aanpassing van de uitgavenkaders vermeldt het kabinet in hoofdstuk 3 van de Miljoenennota 2017 (zie bijvoorbeeld pagina 64, of paragraaf 3.6 vanaf pagina 91). Begrotingsregels zijn een instrument voor politieke besluitvorming en een afspraak tussen coalitiepartijen zonder juridische status, de in de Wet Hof vastgelegde principes uitgezonderd.

Het trendmatig begrotingsbeleid is een groot goed en een goed gebruik in Nederland; het biedt handvatten om de overheidsfinanciën zich gezond te laten ontwikkelen. Handhaving van de kaders is dan ook het startpunt geweest voor het kabinet in de begrotingsvoorbereiding. Zo is om die reden de ruilvoetproblematiek, een verkrapping van 2,4 miljard euro van de ruimte onder het kader, dit voorjaar door de departementen zelf opgevangen. Nadat dit door de departementen was verwerkt in hun begrotingen, heeft het kabinet de kaders aangepast om nieuwe prioriteiten en koopkrachtmaatregelen in te passen. In de uiteindelijke keuzes over de begroting heeft het kabinet de balans gezocht tussen de drie pijlers uit het regeerakkoord: het op orde brengen van de overheidsfinanciën, eerlijk delen van de welvaart en duurzame economische groei.

Vraag 2

Hoe is tot de verdeling van de ruilvoetproblematiek binnen de Rijksbegroting gekomen? Zijn alle begrotingen naar evenredigheid aangeslagen?

Antwoord op vraag 2

Een ruilvoettegenvaller ontstaat wanneer de bijstelling van het uitgavenkader kleiner is dan de nominale ontwikkeling van de uitgaven. Dit is deze begrotingsvoorbereiding het geval. Deze tegenvaller is verdeeld op basis van de omvang van de kaderrelevante bruto uitgaven van de begrotingen. De begrotingen worden dus inderdaad naar evenredigheid aangeslagen. Alle departementen hebben de problematiek op hun begrotingen ingepast.

Vraag 3

Wat ontvingen inkomens van 20.000–120.000 euro in de periode 2012–2017 aan arbeidskorting en algemene heffingskorting in totaal? Kunt u grafisch aangeven hoeveel inkomens er netto op voor- of achteruit zijn gegaan door deze operatie?

Antwoord op vraag 3

In onderstaande tabel wordt voor belastbare inkomens in box 1 tussen de € 20.000 en € 120.000 het totaal aan het recht op arbeidskorting en algemene heffingskorting weergegeven voor de periode 2012–2017.

Tabel. Totaal aan recht op arbeidskorting en algemene heffingskorting 2012–2017

Belastbaar inkomen Box 1

2012

2013

2014

2015

2016

2017

20.000

3.513

3.724

4.193

4.419

5.341

5.446

25.000

3.644

3.724

4.093

4.303

5.100

5.237

30.000

3.644

3.724

3.993

4.187

4.859

4.997

35.000

3.644

3.724

3.893

4.071

4.579

4.666

40.000

3.644

3.724

3.793

3.955

4.137

4.247

45.000

3.644

3.534

3.522

3.839

3.696

3.827

50.000

3.584

3.334

3.222

3.714

3.255

3.408

55.000

3.566

3.134

2.922

3.398

2.814

2.989

60.000

3.566

2.934

2.692

3.153

2.373

2.569

65.000

3.566

2.734

2.492

2.953

1.932

2.150

70.000

3.566

2.551

2.292

2.753

1.664

1.871

75.000

3.566

2.551

2.092

2.553

1.464

1.691

80.000

3.566

2.551

1.892

2.353

1.264

1.511

85.000

3.566

2.551

1.733

2.153

1.064

1.331

90.000

3.566

2.551

1.733

1.953

864

1.151

95.000

3.566

2.551

1.733

1.753

664

971

100.000

3.566

2.551

1.733

1.553

464

791

105.000

3.566

2.551

1.733

1.526

264

611

110.000

3.566

2.551

1.733

1.526

64

431

115.000

3.566

2.551

1.733

1.526

0

251

120.000

3.566

2.551

1.733

1.526

0

71

In onderstaande figuur wordt het verschil in het totaal aan recht op arbeidskorting en algemene heffingskorting van 2017 ten opzichte van 2012 weergegeven en het aandeel van de werkende populatie (individuen) in de betreffende inkomenscategorie. Het verschil geeft voor met name de hogere inkomensgroepen geen goed beeld van de totale inkomenseffecten in de periode 2012–2017, omdat in dezelfde periode ook andere wijzigingen in de inkomstenbelasting hebben plaatsgevonden. Zo zijn bijvoorbeeld de belastingtarieven in de 2e en 3e schijf verlaagd en is het eindpunt van de 3e schijf verhoogd. Deze maatregelen vallen positief uit voor de hogere inkomensgroepen. Ook is een figuur opgenomen met het verloop van de arbeidskorting in 2012 en 2017.

Figuur. Verschil in totaal aan recht op arbeidskorting en algemene heffingskorting 2017 ten opzichte van 2012 en het aandeel van de werkende populatie per inkomenscategorie in 2017

Figuur. Verschil in totaal aan recht op arbeidskorting en algemene heffingskorting 2017 ten opzichte van 2012 en het aandeel van de werkende populatie per inkomenscategorie in 2017

Figuur. Verloop arbeidskorting 2012 en 2017

Figuur. Verloop arbeidskorting 2012 en 2017

Vraag 4

Wat is het gecumuleerde effect van beleid op het nettoloon van een alleenstaande werkende in de periode 2013–2017?

Antwoord op vraag 4

Koopkrachtmutaties of inkomenseffecten van beleid worden normaliter gemeten door te kijken naar de mutatie van het besteedbaar inkomen in plaats van het netto inkomen (waarbij rekening wordt gehouden met toeslagen en zorgpremies). Het effect van beleid op het nettoloon van een alleenstaande is weergegeven in onderstaande tabel, die het verschil tussen het brutoloon en het nettoloon laat zien (uitgedrukt in een percentage) voor 4 inkomensniveaus in 2013 en 2017. Dit is een enge benadering van de belastingdruk (zonder toeslagen en zonder netto kosten van zorg en kinderopvang).

Belastingdruk werkende alleenstaande

WML

Modaal

2x modaal

3x modaal

2013

17,0%

26,5%

35,5%

39,9%

2017

9,1%

24,4%

35,5%

41,1%

Verschil

– 7,9%

– 2,2%

0,0%

1,1%

De sterk gedaalde belastingdruk voor de alleenstaande op het minimumloon wordt veroorzaakt door de hogere algemene heffingskorting en fors hogere maximale arbeidskorting in 2017 ten opzichte van 2013. Tegelijkertijd wordt de algemene heffingskorting vanaf 2014 afgebouwd naar mate het inkomen stijgt, en wordt de arbeidskorting volledig afgebouwd. Dit wordt voor de middeninkomens gecompenseerd door de lagere belastingtarieven in de tweede en derde schijf. Daarnaast is de derde schijf verlengd. Voor de hoogste inkomens weegt de afbouw van de heffingskortingen zwaarder dan de verlaging van de schijftarieven.

Vraag 5

Wat is de mediane koopkrachtmutatie onder werkenden voor de inkomens onder 175% wettelijk minimumloon, 175 tot 350% van het wettelijk minimumloon, 350 tot 500% van het wettelijk minimumloon en meer dan 500% van het wettelijk minimumloon voor de jaren 2013–2017, afzonderlijk en cumulatief? Is er een uitsplitsing te maken van de beleidseffecten op de koopkracht (dus geschoond voor o.a. pensioenkortingen, contractlonen en de lage hypotheekrente)?

Antwoord op vraag 5

De mediane koopkrachtmutatie voor werkenden over de kabinetsperiode is weergegeven in onderstaande tabel. Tevens is een uitsplitsing weergegeven van de effecten van het inkomensbeleid van het huidige kabinet. Het Ministerie van SZW werkt aan een terugblik op het inkomensbeleid in de periode 2011–2017, inclusief een specifieke uitsplitsing naar de huidige kabinetsperiode. Daarbij wordt ook het onderscheid tussen effecten van beleid en overige (conjuncturele) effecten verder uitgewerkt en toegelicht. De Minister van SZW is voornemens om dit document nog voor de begrotingsbehandeling SZW aan de kamer te doen toekomen.

Tabel 1. Mediane koopkrachtontwikkeling werkenden naar inkomensniveau

Inkomensniveau

2013

2014

2015

2016

2017

Cumulatief

Waarvan effect inkomensbeleid

< 175% WML

– 1,1

2,0

1,2

4,8

1,3

8,3

5,5

175–350% WML

– 1,0

2,3

1,7

4,1

1,1

8,4

3,7

300–500%WML

– 0,8

2,2

2,1

3,8

1,1

8,3

3,1

> 500% WML

– 1,1

1,1

1,9

3,0

1,1

6,3

1,1

Totaal werkenden

– 1,1

2,1

1,7

3,9

1,1

7,9

3,3

Vraag 6

Wat was de impact van het lenteakkoord op de gini-coefficient?

Antwoord op vraag 6

Het CPB berekent sinds de MEV 2016 structurele mutaties van de gini-coefficient als gevolg van beleid. Voor het lenteakkoord uit 2012 is geen berekening voor handen.

Vraag 7

Voorheen werd jaarlijks in het Jaarverslag en slotwet van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid per groep de gerealiseerde koopkrachtmutatie weergegeven (zie voor een voorbeeld Tabel 41.2 in het jaarverslag SZW 2012). Bent u bereid deze informatie weer te verstrekken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 7

De gerealiseerde koopkrachtmutatie per groep wordt nog steeds in het Jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid weergegeven. Deze is te vinden in tabel B.3.1. in bijlage 3 van het Jaarverslag van SZW.

Vraag 8

Waar kunnen gerealiseerde koopkrachtcijfers, uitgesplitst in groepen, worden nagegaan?

Antwoord op vraag 8

De gerealiseerde dynamische koopkracht wordt door het CBS gepubliceerd1. De gerealiseerde statische koopkrachtcijfers voor voorbeeldhuishoudens worden gepubliceerd in het jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid2. De gerealiseerde statische koopkrachtontwikkeling van alle huishoudens wordt door het CPB gepubliceerd3.

Vraag 9

Is met het opleggen van een taakstelling voor de ruilvoetproblematiek beoogd de begrotingen binnen de kaders te houden? Zo nee, wat is het doel dan geweest?

Zo ja, wat is de ratio om boven op de kaders een extra pakket vrij te maken dat deels weer ingezet wordt om taakstellingen binnen de kaders te mitigeren?

Antwoord op vraag 9

Met de taakstellingen voor de ruilvoetproblematiek beoogde het kabinet de begrotingen binnen het uitgavenkader te behouden. Door de inspanningen die dit vereiste, waaronder een forse opgave door de ruilvoetproblematiek, voldeed Nederland vroeg in het proces van de begrotingsvoorbereiding aan het Stabiliteits- en Groeipact. Zonder deze inspanning op de departementale begrotingen zouden de kaders direct zijn overschreden, nog vóórdat middelen waren vrijgemaakt voor bijvoorbeeld de nationale politie of de koopkracht van ouderen. In de uiteindelijke keuzes over de begroting heeft het kabinet de balans gezocht tussen de drie pijlers uit het regeerakkoord: het op orde brengen van de overheidsfinanciën, eerlijk delen van de welvaart en duurzame economische groei. Met het perspectief op een overschot binnen enkele jaren en een overheidsschuld die op dezelfde termijn onder de grens van 60 procent van het bbp zal komen, acht het kabinet het verantwoord extra middelen beschikbaar te stellen nu de actualiteit daar naar het oordeel van het kabinet om vraagt. De budgettaire ruimte voor deze maatschappelijke prioriteiten heeft het kabinet gevonden door aanpassing van het uitgavenkader en het inkomstenkader.

Vraag 10

Hoe komt het dat de budgetflexibiliteit rijksbreed in 2017 veel hoger is (voor Financien en Nationale Schuld zelfs 100%) dan de budgetflexibiliteit in 2015 en tegelijkertijd de definitie «juridisch verplichte uitgaven» is gewijzigd waardoor «bestuurlijk gebonden uitgaven op basis van afspraken» niet mogen worden opgeteld bij de juridisch verplichte uitgaven?

Antwoord op vraag 10

De budgetflexibiliteit bij Financiën (artikel 11) is relatief beperkt (0,04%) door de specifieke aard van de uitgaven op dit artikel. De budgetflexibiliteit ligt hiermee in lijn met voorgaand jaar. De verplichtingen vloeien voornamelijk voort uit de in het verleden opgebouwde schuld.

In 2016 heeft de Auditdienst Rijk (ADR) op mijn verzoek een audit uitgevoerd naar de totstandkoming van de percentages budgetflexibiliteit. De ADR constateerde dat een verdere aanscherping van de voorschriften op sommige punten nog mogelijk was. In de Rijksbegrotingsvoorschriften voor de ontwerpbegroting 2017 is daarom extra benadrukt dat «bestuurlijk verplichte uitgaven», dus uitgaven die op basis van eerdere afspraken met bijvoorbeeld de Kamer of medeoverheden zijn gereserveerd maar nog niet juridisch verplicht zijn, niet moeten worden opgeteld bij de juridisch verplichte uitgaven. De definitie is hiermee niet gewijzigd, slechts verduidelijkt.

Vraag 11

Hoe groot is de groep onder 63% netto wettelijk minimumloon die niet wordt meegenomen in de koopkrachtcijfers? Kan de ontwikkeling van de grootte van deze groep worden geschetst?

Antwoord op vraag 11

Circa 500.000 huishoudens hebben volgens de inkomensstatistiek een inkomen onder 63% van het Wettelijk minimumloon en worden daarom niet meegenomen in het berekenen van de koopkrachtontwikkeling. Hieronder vallen bijvoorbeeld ook bijna 150.000 studenten. Het aantal huishoudens met een inkomen onder 63% van het Wettelijk minimumloon is vrij constant door de jaren heen. In 2013 hadden ongeveer evenveel huishoudens te maken met een inkomen onder deze grens.

Huishoudens met een zeer laag inkomen worden om praktische redenen niet meegenomen in de koopkrachtberekening. Het kan namelijk niet verwacht worden dat huishoudens langdurig een zeer laag of negatief inkomen hebben, zonder ondersteuning die niet naar voren komt in de inkomensstatistiek (bijvoorbeeld de financiële ondersteuning die studenten krijgen van hun ouders). Kleine wijzigingen kunnen bij zeer lage inkomens tot grote inkomensmutaties leiden. De uitkomsten in de presentatie zouden hierdoor vertekend kunnen worden. Deze grens is gesteld op 63% van het Wettelijk minimumloon. Dit komt overeen met de beslagvrije voet (90%) van een alleenstaande op het sociaal minimum. In principe komt iedereen in aanmerking voor een bijstandsuitkering, die hoger ligt dan deze grens. Tenzij een huishouden meer dan 5.000 euro vermogen heeft. Er zullen dus geen huishoudens ongewild langdurig een inkomen onder deze inkomensgrens hebben. Ten slotte is deze grens ook gesteld vanwege imperfecties in de data. Die mogen geen invloed hebben op de uitkomsten. Het is overigens vrij gebruikelijk om vanwege dit soort redenen een ondergrens te gebruiken bij het berekenen van gemiddelde inkomens en koopkrachtontwikkeling. Ook het CBS maakt hiervan gebruik.

Vraag 12

Welke aanwijzingen zijn er voor de bewering dat niet verwacht kan worden dat huishoudens onder 63% netto wettelijk minimumloon langdurig op een zeer laag of negatief inkomen blijven, zonder ondersteuning die niet naar voren komt in de inkomensstatistiek?

Antwoord op vraag 12

De meeste huishoudens zullen slechts korte tijd een inkomen onder deze grens hebben. Een relatief groot deel van deze huishoudens is bijvoorbeeld student, wat per definitie een tijdelijke situatie is. De meeste overige huishoudens zullen uiteindelijk – als ze geen werk vinden – in de bijstand terecht komen en zo boven deze inkomensgrens uitkomen.

Vraag 13

Hoeveel zzp'ers genieten een inkomen van minder dan 63% netto wettelijk minimumloon?

Antwoord op vraag 13

Ongeveer 70.000 ZZP’ers hebben een inkomen onder 63% van het Wettelijk Minimumloon. Ook hiervoor geldt dat een deel van deze groep vermoedelijk inkomsten heeft die niet naar voren komt via de inkomensstatistiek.

Vraag 14

In hoeverre wordt inkomen uit vermogen gemeten in Nederland?

Antwoord op vraag 14

Verschillende inkomens uit vermogens worden gemeten. Inkomen uit vermogen is gebaseerd op verschillende bronnen, afhankelijk van het soort vermogen gaat het om:

  • Rente op banktegoeden en inkomsten uit obligaties worden door financiële instellingen verstrekt aan de Belastingdienst.

  • Dividend uit aanmerkelijk belang wordt opgegeven in de aangifte inkomstenbelasting.

  • Overige dividenden worden door financiële instellingen verstrekt aan de Belastingdienst. Daarnaast wordt dividend gedeeltelijk herleid uit de opgegeven ingehouden dividendbelasting in de aangifte inkomstenbelasting.

  • Inkomsten uit de eigen woning zijn de toegerekende huuropbrengst van de eigen woning. Deze economische huurwaarde is een raming van het bedrag dat de woning bij verhuur zou hebben opgeleverd, gebaseerd op de waargenomen WOZ-waarde. Periodieke betalingen voor erfpacht en dergelijke (opgave in inkomstenbelasting) zijn in mindering gebracht.

  • Van de inkomsten uit overig onroerend goed worden inkomsten uit tijdelijke verhuur van de eigen woning waargenomen in de aangifte inkomstenbelasting. In de statistiek wordt dit ten dienste van de volgtijdelijke vergelijkbaarheid aangevuld met een schatting van overige inkomsten op basis van waardegegevens in box 3 van de inkomstenbelasting.

  • Inkomsten uit overige bezittingen bestaan uit inkomsten uit buitenlandse beleggingen (waarneming inkomstenbelasting), winst uit medegerechtigdheid (waarneming inkomstenbelasting). In de statistiek wordt dit ten dienste van de volgtijdelijke vergelijkbaarheid aangevuld met een schatting van overige inkomsten op basis van waardegegevens in box 3 van de inkomstenbelasting.

  • Betaalde hypotheekrente wordt waargenomen in de aangifte inkomstenbelasting.

  • Betaalde rente op overige schulden wordt geïmputeerd op basis van historische gegevens. In de zeer nabije toekomst wordt betaalde rente gebaseerd op nieuwe actuele waarneming: rente op studieschulden op basis van gegevens van de DUO, rente op leenproducten en roodstand op bankrekeningen op basis van gegevens van financiële instellingen die aan de Belastingdienst worden verstrekt. Betaalde rente bij kopen op afbetaling of via kredietkaarten wordt niet waargenomen.

Waardeveranderingen van vermogenscomponenten worden niet tot het inkomensbegrip gerekend.

Vraag 15

Klopt het dat de winst op verkoop van aandelen of obligaties door het CBS niet als inkomen wordt gezien maar als incidentele baten?

Antwoord op vraag 15

Uit navraag bij het CBS blijkt dat dit klopt.

Vraag 16

Welke vermogensinkomsten worden door het CBS niet meegenomen in de berekeningen van het inkomen?

Antwoord op vraag 16

Uit navraag bij het CBS blijkt dat rente op spaar- en beleggingshypotheken niet wordt waargenomen, en daardoor ook niet bij het inkomen uit vermogen wordt geteld.

Vraag 17

Is bekend wat de totale omvang is in Nederland van het inkopen van eigen aandelen door bedrijven?

Antwoord op vraag 17

Deze informatie is opgenomen in de volgende StatLine-tabel:

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=71417NED&D1=1,4,16&D2=8&D3=0&D4=a&HD=160927-1407&HDR=G3&STB=G2,G1,T

Navraag bij het CBS leert dat dit aandelen zijn die door bedrijven zijn ingekocht en ook worden ingetrokken. Daarnaast zijn er ook aandelen die ingekocht worden, niet worden ingetrokken maar later weer worden uitgegeven bijvoorbeeld voor personeelsopties (zgn Treasury shares), deze aandelen zitten niet in deze inkopen.

Vraag 18

Welke onderdelen van de begroting worden geraakt door de lage rente? Op welke manier?

Antwoord op vraag 18

De huidige lage rente raakt direct elke begroting met uitgaven of ontvangsten die afhangen van het rentetarief. Daarnaast zijn er indirecte effecten. Een uitputtend overzicht is daarom niet te geven, al zijn er wel een aantal grote posten waarop de lage rente duidelijk merkbaar is.

Op de begroting van Nationale Schuld zorgt het lage rentetarief uiteraard voor minder rente-uitgaven op de staatsschuld. Op dezelfde begroting betaalt het Rijk ook minder rente op de door deelnemers aan het schatkistbankieren bij het Rijk gestalde middelen. Deelnemers aan schatkistbankieren die bij het Rijk mogen lenen betalen juist minder rente over nieuwe leningen, wat minder ontvangsten voor het Rijk betekent. Op de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is de studiefinanciering een grote post die beïnvloed wordt door het rentetarief. De lage rente zorgt daar voor minder renteontvangsten. Daarnaast worden vanuit meerdere begrotingen soms leningen verstrekt. Op de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bijvoorbeeld staat de lopende inschrijving voor Curacao en Sint Maarten. Een lager rentetarief zorgt voor minder ontvangsten wanneer nieuwe leningen zouden worden verstrekt.

De meeste begrotingen zullen ook een indirect effect hebben van de lagere rente. Agentschappen, die verplicht deelnemen aan het schatkistbankieren, ontvangen bijvoorbeeld minder rente op hun rekening-couranttegoeden. Daar staat tegenover dat leningen van Agentschappen ook goedkoper worden. Het effect op de begroting van het moederdepartement is daarom niet eenduidig. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de sociale fondsen (op de begrotingen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Toekomstfonds (Economische Zaken) het Museaal Aankoopfonds (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap).

Vraag 19

Kan het verschil tussen het geraamde tekort volgens de MEV en de Miljoenennota verklaard worden?

Antwoord op vraag 19

In de Miljoenennota bedraagt het feitelijk EMU-saldo -0,5 procent van het bbp. Het CPB raamt in 2017 een feitelijk EMU-saldo van -0,7 van het bbp. Een verschil van 0,2 procentpunt. Dit verschil kent een aantal oorzaken:

  • Het CPB neemt enkele taakstellingen niet over. Dit betreft de nullijn bij de incidentele loonontwikkeling voor de gehele kabinetsperiode en (deels) het korten van de groeiruimte in de WLZ.

  • Verschillen in sociale zekerheid. Dit hangt voornamelijk samen met verschillen in ramingsystematiek waarin veranderingen in de werkloze beroepsbevolking in 2016 en 2017 verschillend worden meegenomen.

  • Beperkte ramingsverschillen bij de belasting- en premie-inkomsten.

Vraag 20

Wat is de hoogte van het BBP in Nederland? Wat is de ontwikkeling in de afgelopen 8 jaar en de verwachte ontwikkeling de komende 5 jaar?

Antwoord op vraag 20

Onderstaande tabel toont de hoogte van het BBP (in miljarden €) op basis van de nationale rekeningen van het CBS en voor 2016 en verder Middellangetermijnverkenning 2018–2021 van het CPB die in de Marco Economische Verkenning 2017 is geactualiseerd:

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

639,2

617,5

631,5

642,9

645,2

652,7

663,0

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

676,5

691,7

709,2

727,8

748,5

771,6

797,9

Vraag 21

Wat is de hoogte van het BBP-groei in Nederland? Wat is de ontwikkeling in de afgelopen 8 jaar en de verwachte ontwikkeling de komende 5 jaar?

Antwoord op vraag 21

Onderstaande tabel toont de ontwikkeling van het reële BBP de afgelopen 8 jaar, van dit jaar en de verwachte ontwikkeling voor de komende 5 jaar (mutatie per jaar in procenten) op basis van de nationale rekeningen van het CBS en voor 2016 en verder de Middellangetermijnverkenning 2018–2021 van het CPB die in de Marco Economische Verkenning 2017 is geactualiseerd:

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

1,7

– 3,8

1,4

1,7

– 1,1

– 0,2

1,4

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2,0

1,7

1,7

1,7

1,7

1,8

1,8

Vraag 22

Wat is de omvang van de export? Wat is de ontwikkeling in de afgelopen 8 jaar en de verwachte ontwikkeling de komende 5 jaar?

Antwoord op vraag 22

Onderstaande tabel toont de omvang van de export (in miljarden €) op basis van de nationale rekeningen van het CBS en voor 2016 en de verder Middellangetermijnverkenning 2018–2021 van het CPB die in de Marco Economische Verkenning 2017 is geactualiseerd. De uitvoer van energie is buiten beschouwen gelaten.

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

457,9

390,0

454,4

497,3

528,6

535,3

547,4

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

557,9

562,7

590,4

617,2

646,9

679,7

715,9

Vraag 23

Wat is de hoogte van het begrotingstekort in percentages en absolute zin? Wat is de ontwikkeling in de afgelopen 8 jaar en de verwachte ontwikkeling de komende 5 jaar?

Antwoord op vraag 23

Tabel 3.1 in bijlage 3 van de Miljoenennota 2017 bevat cijfers over het EMU-saldo 2015–2021.
 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

EMU-saldo overheid (mln euro)

1.430

– 33.538

– 31.522

– 27.572

– 25.064

– 15.497

– 15.028

EMU-saldo overheid (% bbp)

0,2%

– 5,4%

– 5,0%

– 4,3%

– 3,9%

– 2,4%

– 2,3%

Bron: CBS en Financiën

 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

EMU-saldo overheid (mln euro)

– 12.759

– 7.549

– 3.250

– 1.419

3.177

4.990

6.716

EMU-saldo overheid (% bbp)

– 1,9%

– 1,1%

– 0,5%

– 0,2%

0,4%

0,7%

0,8%

Bron: CBS en Financiën

Vraag 24, 25, 31, 32

Wat is de hoogte van de staatsschuld in percentages en absolute zin? Wat is de ontwikkeling in de afgelopen 8 jaar en de verwachte ontwikkeling de komende 5 jaar?

Wat is de hoogte van de rentelasten? Wat is de ontwikkeling in de afgelopen 8 jaar en de verwachte ontwikkeling de komende 5 jaar?

Hoeveel bedragen de verwachte rentelasten op de staatschuld in 2017?

Hoe hoog was de staatsschuld en de bijbehorende rentelasten over de periode 2000 t/m 2017?

Antwoord op vragen 24, 25, 31, 32

Onderstaande tabel toont de EMU-schuld in mln. Euro en als percentage van het bbp. Voor vergelijkingen met andere landen van de schuld van de collectieve sector (zie ook het antwoord op vraag 29) wordt namelijk de EMU-schuld gehanteerd, en niet de schuld van de Staat. Tabel 4.2 in bijlage 4 van de Miljoenennota 2017 bevat cijfers over de EMU-schuld 2015–2021.

 

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

EMU-schuld (mln euro)

232.078

234.466

240.069

251.765

261.324

268.887

259.700

262.074

EMU-schuld (% bbp)

51,8%

49,2%

48,5%

49,7%

49,9%

49,3%

44,8%

42,7%

Bron: CBS en Financiën

 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

EMU-schuld (mln euro)

350.529

351.091

374.738

396.260

428.309

442.174

450.487

EMU-schuld (% bbp)

54,8%

56,9%

59,3%

61,6%

66,4%

67,7%

67,9%

Bron: CBS en Financiën

 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

EMU-schuld (mln euro)

440.552

438.721

440.463

440.627

436.586

431.256

425.289

EMU-schuld (% bbp)

65,1%

63,4%

62,1%

60,5%

58,3%

55,9%

53,3%

Bron: CBS en Financiën

Onderstaande tabellen geven de rentelasten op de staatsschuld weer in miljarden euro en % van het bbp. Tabel 1.9 in bijlage 1 van de Miljoenennota 2017 bevat cijfers over de rentelasten op staatsschuld 2015–2021.

 

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Rentelasten staatsschuld (mld euro)

11,8

11,7

10,2

10,2

9,7

9,5

9,5

9,1

Rentelasten staatsschuld (% bbp)

2,6%

2,5%

2,1%

2,0%

1,9%

1,7%

1,6%

1,5%

 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Rentelasten staatsschuld (mld euro)

9,1

8,5

9,2

8,9

9,7

9,1

8,4

Rentelasten staatsschuld (% bbp)

1,4%

1,4%

1,5%

1,4%

1,5%

1,4%

1,3%

 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Rentelasten staatsschuld (mld euro)

7,9

7,1

6,4

5,7

5,2

4,8

5,1

Rentelasten staatsschuld (% bbp)

1,2%

1,0%

0,9%

0,8%

0,7%

0,6%

0,6%

Vraag 25

Wat is de hoogte van de rentelasten? Wat is de ontwikkeling in de afgelopen 8 jaar en de verwachte ontwikkeling de komende 5 jaar?

Antwoord op vraag 25

Zie antwoord vraag 24.

Vraag 26

Wat is de hoogte van het provinciefonds? Wat is de ontwikkeling in de afgelopen 8 jaar en de verwachte ontwikkeling de komende 5 jaar?

Antwoord op vraag 26

Provinciefonds (in mln euro)

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

1.205

1.329

1.483

1.268

1.686

1.553

1.296

1.115

2.411

2.200

2.033

2.025

2.019

1.944

Vraag 27

Wat is de hoogte van het gemeentefonds? Wat is de ontwikkeling in de afgelopen 8 jaar en de verwachte ontwikkeling de komende 5 jaar?

Antwoord op vraag 27

Gemeentefonds (in mln. euro)

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

16.247

17.683

18.381

18.576

18.501

17.989

18.741

27.267

28.150

27.143

26.967

26.843

26.688

26.628

Vraag 28

Wat is het begrotingstekort van de andere EU-landen? Wat is de ontwikkeling in de afgelopen 5 jaar?

Antwoord op vraag 28

Het begrotingstekort (EMU-saldo) van Nederland en de andere EU landen is weergegeven in onderstaande tabel. De cijfers tot en met 2015 zijn realisaties. De cijfers voor 2016 en 2017 voor Nederland de ramingen uit de Miljoenennota 2017 en voor de andere landen de meest recente raming van de Europese Commissie (Spring Forecast).

EMU-saldo

(in procenten bbp)

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

België

– 4,0

– 4,1

– 4,2

– 3,0

– 3,1

– 2,6

– 2,8

– 2,3

Bulgarije

– 3,2

– 2,0

– 0,3

– 0,4

– 5,4

– 2,1

– 2,0

– 1,6

Cyprus

– 4,8

– 5,7

– 5,8

– 4,9

– 8,9

– 1,0

– 0,4

0,0

Denemarken

– 2,7

– 2,1

– 3,5

– 1,1

1,5

– 2,1

– 2,5

– 1,9

Duitsland

– 4,2

– 1,0

– 0,1

– 0,1

0,3

0,7

0,2

0,1

Estland

0,2

1,2

– 0,3

– 0,2

0,8

0,4

– 0,1

– 0,2

Finland

– 2,6

– 1,0

– 2,2

– 2,6

– 3,2

– 2,7

– 2,5

– 2,3

Frankrijk

– 6,8

– 5,1

– 4,8

– 4,0

– 4,0

– 3,5

– 3,4

– 3,2

Griekenland

– 11,2

– 10,2

– 8,8

– 13,0

– 3,6

– 7,2

– 3,1

– 1,8

Hongarije

– 4,5

– 5,5

– 2,3

– 2,6

– 2,3

– 2,0

– 2,0

– 2,0

Ierland

– 32,3

– 12,6

– 8,0

– 5,7

– 3,8

– 2,3

– 1,2

– 0,7

Italië

– 4,2

– 3,5

– 2,9

– 2,9

– 3,0

– 2,6

– 2,4

– 1,9

Kroatië

– 6,2

– 7,8

– 5,3

– 5,3

– 5,5

– 3,2

– 2,7

– 2,3

Letland

– 8,5

– 3,4

– 0,8

– 0,9

– 1,6

– 1,3

– 1,0

– 1,0

Litouwen

– 6,9

– 8,9

– 3,1

– 2,6

– 0,7

– 0,2

– 1,0

– 0,2

Luxemburg

– 0,7

0,5

0,3

0,8

1,7

1,2

1,0

0,1

Malta

– 3,2

– 2,6

– 3,5

– 2,6

– 2,0

– 1,5

– 0,9

– 0,8

Nederland

– 5,0

– 4,3

– 3,9

– 2,4

– 2,3

– 1,9

– 1,1

– 0,5

Oostenrijk

– 4,4

– 2,6

– 2,2

– 1,3

– 2,7

– 1,2

– 1,5

– 1,4

Polen

– 7,5

– 4,9

– 3,7

– 4,0

– 3,3

– 2,6

– 2,6

– 3,1

Portugal

– 11,2

– 7,4

– 5,7

– 4,8

– 7,2

– 4,4

– 2,7

– 2,3

Roemenië

– 6,9

– 5,4

– 3,7

– 2,1

– 0,9

– 0,7

– 2,8

– 3,4

Slovenië

– 5,6

– 6,7

– 4,1

– 15,0

– 5,0

– 2,9

– 2,4

– 2,1

Slowakije

– 7,5

– 4,1

– 4,3

– 2,7

– 2,7

– 3,0

– 2,4

– 1,6

Spanje

– 9,4

– 9,6

– 10,4

– 6,9

– 5,9

– 5,1

– 3,9

– 3,1

Tsjechië

– 4,4

– 2,7

– 3,9

– 1,3

– 1,9

– 0,4

– 0,7

– 0,6

Verenigd Koninkrijk

– 9,6

– 7,7

– 8,3

– 5,6

– 5,6

– 4,4

– 3,4

– 2,4

Zweden

0,0

– 0,1

– 0,9

– 1,4

– 1,6

0,0

– 0,4

– 0,7

Bron: voor Nederland: Miljoenennota 2017, voor andere landen: Europese Commissie, AMECO database Net lending (+) or net borrowing (–): general government:- ESA 2010 (UBLG)

Vraag 29

Wat is de staatsschuld in de andere EU-landen? Wat is de ontwikkeling in de afgelopen 5 jaar?

Antwoord op vraag 29

De staatsschuld (EMU-schuld) van Nederland en de andere EU landen is weergegeven in onderstaande tabel. De cijfers tot en met 2015 zijn realisaties. De cijfers voor 2016 en 2017 zijn voor Nederland de raming uit de Miljoenennota 2017 en voor de andere landen de meest recente raming van de Europese Commissie (Spring Forecast).

EMU-schuld

(in procenten bbp)

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

België

99,7

102,3

104,1

105,2

106,5

106,0

106,4

105,6

Bulgarije

15,5

15,3

16,8

17,1

27,0

26,7

28,1

28,7

Cyprus

56,3

65,8

79,3

102,5

108,2

108,9

108,9

105,4

Denemarken

42,9

46,4

45,2

44,7

44,8

40,2

38,7

39,1

Duitsland

81,0

78,3

79,6

77,2

74,7

71,2

68,6

66,3

Estland

6,6

5,9

9,5

9,9

10,4

9,7

9,6

9,3

Finland

47,1

48,5

52,9

55,5

59,3

63,1

65,2

66,9

Frankrijk

81,7

85,2

89,6

92,4

95,4

95,8

96,4

97,0

Griekenland

146,2

172,1

159,6

177,7

180,1

176,9

182,8

178,8

Hongarije

80,6

80,8

78,3

76,8

76,2

75,3

74,3

73,0

Ierland

86,8

109,1

120,1

120,0

107,5

93,8

89,1

86,6

Italië

115,4

116,5

123,3

129,0

132,5

132,7

132,7

131,8

Kroatië

58,3

65,2

70,7

82,2

86,5

86,7

87,6

87,3

Letland

47,5

42,8

41,4

39,1

40,8

36,4

39,8

35,6

Litouwen

36,2

37,2

39,8

38,8

40,7

42,7

41,1

42,9

Luxemburg

20,1

19,1

22,0

23,3

22,9

21,4

22,5

22,8

Malta

67,6

69,9

67,5

68,6

67,1

63,9

60,9

58,3

Nederland

59,3

61,6

66,4

67,7

67,9

65,1

63,4

62,1

Oostenrijk

82,4

82,2

81,6

80,8

84,3

86,2

84,9

83,0

Polen

53,3

54,4

54,0

56,0

50,5

51,3

52,0

52,7

Portugal

96,2

111,4

126,2

129,0

130,2

129,0

126,0

124,5

Roemenië

29,9

34,2

37,4

38,0

39,8

38,4

38,7

40,1

Slovenië

38,2

46,4

53,9

71,0

81,0

83,2

80,2

78,0

Slowakije

40,8

43,3

52,4

55,0

53,9

52,9

53,4

52,7

Spanje

60,1

69,5

85,4

93,7

99,3

99,2

100,3

99,6

Tsjechië

38,2

39,9

44,7

45,1

42,7

41,1

41,3

40,9

Verenigd Koninkrijk

76,6

81,8

85,3

86,2

88,2

89,2

89,7

89,1

Zweden

37,6

36,9

37,2

39,8

44,8

43,4

41,3

40,1

Bron: voor Nederland: Miljoenennota 2017, voor andere landen: Europese Commissie, AMECO database, General government consolidated gross debt:- Excessive deficit procedure (based on ESA 2010) (UDGG)

Vraag 30

Hoe hoog is de economische groei in andere EU-landen? Wat is de ontwikkeling in de afgelopen 5 jaar?

Antwoord op vraag 30

De reële economische groei van Nederland en de andere EU landen is weergegeven in onderstaande tabel. De cijfers tot en met 2015 zijn realisaties. De cijfers voor 2016 en 2017 zijn voor Nederland de raming uit de Miljoenennota 2017 en voor de andere landen de meest recente raming van de Europese Commissie (Spring Forecast).

Groei reëel bbp

(% j.o.j.)

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

België

2,7

1,8

0,2

0,0

1,3

1,4

1,2

1,6

Bulgarije

0,1

1,6

0,2

1,3

1,5

3,0

2,0

2,4

Cyprus

1,4

0,4

– 2,4

– 5,9

– 2,5

1,6

1,7

2,0

Denemarken

1,6

1,2

– 0,1

– 0,2

1,3

1,2

1,2

1,9

Duitsland

4,1

3,7

0,4

0,3

1,6

1,7

1,6

1,6

Estland

2,5

7,6

5,2

1,6

2,9

1,1

1,9

2,4

Finland

3,0

2,6

– 1,4

– 0,8

– 0,7

0,5

0,7

0,7

Frankrijk

2,0

2,1

0,2

0,7

0,2

1,2

1,3

1,7

Griekenland

– 5,5

– 9,1

– 7,3

– 3,2

0,7

– 0,2

– 0,3

2,7

Hongarije

0,7

1,8

– 1,7

1,9

3,7

2,9

2,5

2,8

Ierland

0,4

2,6

0,2

1,4

5,2

7,8

4,9

3,7

Italië

1,7

0,6

– 2,8

– 1,7

– 0,3

0,8

1,1

1,3

Kroatië

– 1,7

– 0,3

– 2,2

– 1,1

– 0,4

1,6

1,8

2,1

Letland

– 3,8

6,2

4,0

3,0

2,4

2,7

2,8

3,1

Litouwen

1,6

6,0

3,8

3,5

3,0

1,6

2,8

3,1

Luxemburg

5,7

2,6

– 0,8

4,3

4,1

4,8

3,3

3,9

Malta

3,5

1,9

2,8

4,1

3,7

6,3

4,1

3,5

Nederland

1,4

1,7

– 1,1

– 0,2

1,4

2,0

1,7

1,7

Oostenrijk

1,9

2,8

0,8

0,3

0,4

0,9

1,5

1,6

Polen

3,7

5,0

1,6

1,3

3,3

3,6

3,7

3,6

Portugal

1,9

– 1,8

– 4,0

– 1,1

0,9

1,5

1,5

1,7

Roemenië

– 0,8

1,1

0,6

3,5

3,0

3,8

4,2

3,7

Slovenië

1,2

0,6

– 2,7

– 1,1

3,0

2,9

1,7

2,3

Slowakije

5,1

2,8

1,5

1,4

2,5

3,6

3,2

3,3

Spanje

0,0

– 1,0

– 2,6

– 1,7

1,4

3,2

2,6

2,5

Tsjechië

2,3

2,0

– 0,9

– 0,5

2,0

4,2

2,1

2,6

Verenigd Koninkrijk

1,5

2,0

1,2

2,2

2,9

2,3

1,8

1,9

Zweden

6,0

2,7

– 0,3

1,2

2,3

4,1

3,4

2,9

Bron: voor Nederland: Miljoenennota 2017, voor andere landen: Europese Commissie, AMECO database: Gross domestic product at 2010 reference levels

Vraag 31

Hoeveel bedragen de verwachte rentelasten op de staatschuld in 2017?

Antwoord op vraag 31

Zie antwoord vraag 24.

Vraag 32

Hoe hoog was de staatsschuld en de bijbehorende rentelasten over de periode 2000 t/m 2017?

Antwoord op vraag 32

Zie antwoord vraag 24.

Vraag 33

Hoe groot is het aandeel inkomsten uit rijksbelastingen in ons bruto binnenlands product?

Antwoord op vraag 33

In 2017 bedraagt het aandeel van de inkomsten uit rijksbelastingen 22,7% van het bbp. Dit percentage is exclusief de premies volksverzekeringen die deel uitmaken van de loon- en inkomensheffing en ook tot de algemene middelen behoren.

Vraag 34

Hoeveel mensen maken gebruik van de zelfstandigenaftrek?

Antwoord op vraag 34

Uit de aangiftedata voor 2013, het meest recente jaar met voldoende data om de realisaties vast te stellen, blijkt dat circa 790.000 belastingplichtigen gebruik maken van de zelfstandigenaftrek. Voorlopige cijfers voor 2014 geven aan dat dit aantal ongeveer gelijk gebleven is.

Vraag 35

Hoe groot is het budgettaire beslag van de hypotheekrenteaftrek sinds 2013 tot met 2016?

Antwoord op vraag 35

Het budgettaire beslag van de hypotheekrente aftrek in de jaren 2013 tot en met 2016 wordt weergegeven in onderstaande tabel.

Jaar

2013

2014

2015

2016

Budgettair beslag in € mln

13.620

13.012

12.314*

11.216*

* Raming

Vraag 36

Hoeveel belasting op basis van een milieugrondslag zijn er in Nederland (bijv. afvalstortbelasting etc.)? En wat leveren deze belastingen bij elkaar op? Wat is het aandeel hiervan in het bruto binnenlands product in percentages? Hoe hoog zijn de milieubelastingen in alle andere EU-lidstaten zowel absoluut als relatief?

Antwoord op vraag 36

Nederland kent diverse belastingen die gerelateerd zijn aan een milieugrondslag. Het gaat om: de accijns op brandstoffen, de energiebelasting, de motorrijtuigenbelasting, de belasting van personenauto's en motorrijwielen, de belasting op leidingwater, de kolenbelasting en de afvalstoffenbelasting. Daarnaast zijn er lokale heffingen op milieugrondslag. In totaal leveren deze belastingen circa € 22 miljard op (circa € 18 miljard exclusief lokale milieuheffingen).

In onderstaande tabel is een overzicht voor alle EU-landen gegeven van de opbrengst van de milieugerelateerde belastingen, het aandeel van deze opbrengst in de totale belastingopbrengst en als percentage van het BBP.

Totale opbrengst milieugerelateerde belastingen, 2014
 

Miljoen Euro

Aandeel in totale opbrengsten van belastingen en sociale premies in %

Als percentage van het BBP

EU-28

343.641

6,4%

2,5%

       

België

8.228

4,5%

2,1%

Bulgarije

1.168

9,8%

2,7%

Tsjechië

3.281

6,2%

2,1%

Denemarken

10.622

8,2%

4,1%

Duitsland

58.189

5,2%

2,0%

Estland

533

8,3%

2,7%

Ierland

4.597

8,2%

2,4%

Griekenland

6.537

10,2%

3,7%

Spanje

19.251

5,5%

1,9%

Frankrijk

43.720

4,5%

2,1%

Kroatië

1.661

10,5%

3,9%

Italië

57.977

8,3%

3,6%

Cyprus

536

9,0%

3,1%

Letland

630

9,3%

2,7%

Litouwen

619

6,1%

1,7%

Luxemburg

975

5,2%

2,0%

Hongarije

2.713

6,8%

2,6%

Malta

234

8,5%

2,9%

Nederland

22.265

9,0%

3,4%

Oostenrijk

7.988

5,6%

2,4%

Polen

10.305

7,8%

2,5%

Portugal

3.907

6,6%

2,3%

Roemenië

3.641

8,8%

2,4%

Slovenië

1.452

10,6%

3,9%

Slowakije

1.349

5,8%

1,8%

Finland

5.912

6,6%

2,9%

Zweden

9.535

5,2%

2,2%

Verenigd Koninkrijk

55.816

7,5%

2,5%

IJsland

407

8,2%

3,2%

Noorwegen

8.705

5,9%

2,3%

Servië

1.346

10,8%

4,0%

Bron: Eurostat

Uit recent onderzoek van de OECD4 blijkt overigens dat Nederland 91% van de CO2-emissies door energieverbruik beprijst (door middel van belastingen en ETS systemen), waarvan een groot deel met meer dan 30 euro5 per ton CO2. Hiermee staat Nederland wereldwijd op een eerste plaats voor wat betreft het beprijzen van CO2-uitstoot.

Vraag 37

Kan er een overzicht komen van hoeveel inkomstenbelasting en premies (absoluut en relatief) van alleenstaanden zonder kinderen betalen op bijstandsniveau, wettelijk minimumloon, modaal, twee keer modaal en drie keer modaal bruto jaarinkomen?

Antwoord op vraag 37

In de beantwoording van de vraag is er vanuit gegaan dat de alleenstaande met de inkomensniveaus boven bijstand hun inkomen uit arbeid verkrijgen en dus recht hebben op arbeidskorting. Mensen in de bijstand ontvangen een netto uitkering. Voor hen is deze vraag daarom niet van toepassing.

Tabel 1: Overzicht te betalen inkomstenbelasting in box 1 (belasting en premies volksverzekeringen) voor een alleenstaande zonder kinderen in 2016

Inkomensniveau

Brutoloon in euro’s

Te betalen belasting en premies volksverzekeringen in euro’s

Te betalen belasting en premies volksverzekeringen in % brutoloon

Werkende:

WML

19.840

1.848

9%

1x modaal

36.500

8.838

24%

2x modaal

73.000

25.927

36%

3x modaal

109.500

45.141

41%

Tabel 2: Overzicht te betalen inkomstenbelasting in box 1 (belasting en premies volksverzekeringen) voor een alleenstaande zonder kinderen in 2017

Inkomensniveau

Brutoloon in euro’s

Te betalen belasting en premies volksverzekeringen in euro’s

Te betalen belasting en premies volksverzekeringen in % brutoloon

Werkende:

WML

20.186

1.843

9%

1x modaal

37.000

9.022

24%

2x modaal

74.000

26.295

36%

3x modaal

111.000

45.591

41%

Vraag 38

Kan er een overzicht komen van hoeveel inkomstenbelasting en premies (absoluut en relatief) alleenstaanden met twee kinderen betalen op bijstandsniveau, wettelijk minimumloon, modaal, twee keer modaal en drie keer modaal bruto jaarinkomen?

Antwoord op vraag 38

In de beantwoording van de vraag is er vanuit gegaan dat de alleenstaande ouders op de inkomensniveaus boven bijstand hun inkomen uit arbeid verkrijgen (op basis van 4 dagen werk) en dus recht hebben op arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting. Mensen in de bijstand ontvangen een netto uitkering. Voor hen is deze vraag daarom niet van toepassing.

Tabel 1: Overzicht te betalen inkomstenbelasting in box 1 (belasting en premies volksverzekeringen) voor een alleenstaande met twee kinderen in 2016

Inkomensniveau

Brutoloon in euro’s

Te betalen belasting en premies volksverzekeringen in euro’s

Te betalen belasting en premies volksverzekeringen in % brutoloon

Werkende:

     

WML

19.840

0

0%

1x modaal

36.500

5.992

16%

2x modaal

73.000

23.071

32%

3x modaal

109.500

42.285

38%

Tabel 2: Overzicht te betalen inkomstenbelasting in box 1 (belasting en premies volksverzekeringen) voor een alleenstaande met twee kinderen in 2017

Inkomensniveau

Brutoloon in euro’s

Te betalen belasting en premies volksverzekeringen in euro’s

Te betalen belasting en premies volksverzekeringen in % brutoloon

Werkende:

     

WML

20.186

0

0%

1x modaal

37.000

6.163

17%

2x modaal

74.000

23.426

32%

3x modaal

111.000

42.723

38%

Vraag 39

Kan er een overzicht komen van hoeveel inkomstenbelasting en premies (absoluut en relatief) tweeverdieners met een gelijk inkomen met twee kinderen betalen op bijstandsniveau, wettelijk minimumloon, modaal, twee keer modaal en drie keer modaal bruto en vier keer modaal jaarinkomen?

Antwoord op vraag 39

In de beantwoording van de vraag is er vanuit gegaan dat tweeverdieners op de inkomensniveaus boven bijstand hun inkomen uit arbeid verkrijgen (op basis van 4 dagen werk voor beide partners) en dus recht hebben op arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting. Mensen in de bijstand ontvangen een netto uitkering. Voor hen is deze vraag daarom niet van toepassing. Een tweeverdiener waarbij beide partners 4 dagen werken kan geen huishoudinkomen op WML-niveau hebben. Het overzicht begint daarom met een huishoudinkomen op modaal.

Tabel 1: Overzicht te betalen inkomstenbelasting in box 1 (belasting en premies volksverzekeringen) voor een tweeverdiener met twee kinderen in 2016

Inkomensniveau

Brutoloon in euro’s

Te betalen belasting en premies volksverzekeringen in euro’s

Te betalen belasting en premies volksverzekeringen in % brutoloon

Werkende:

     

1x modaal (½ modaal + ½ modaal)

36.500

1.570

4%

2x modaal (1x modaal + 1x modaal)

73.000

14.753

20%

3x modaal (1½ modaal + 1½ modaal)

109.500

31.641

29%

4x modaal (2x modaal + 2x modaal)

146.000

48.911

34%

Tabel 2: Overzicht te betalen inkomstenbelasting in box 1 (belasting en premies volksverzekeringen) voor een tweeverdiener met twee kinderen in 2017

Inkomensniveau

Brutoloon in euro’s

Te betalen belasting en premies volksverzekeringen in euro’s

Te betalen belasting en premies volksverzekeringen in % brutoloon

Werkende:

     

1x modaal (½ modaal + ½ modaal)

37.000

1.549

4%

2x modaal (1x modaal + 1x modaal)

74.000

15.105

20%

3x modaal (1½ modaal + 1½ modaal)

111.000

32.175

29%

4x modaal (2x modaal + 2x modaal)

148.000

49.630

34%

Vraag 40

Hoeveel euro zijn alleenstaanden zonder kinderen en tweeverdieners met twee kinderen met een gelijk inkomen erop per maand vooruit gaan door de belastingverlaging van vijf miljard vorig belastingplan? Kan hiervoor een overzicht worden gegeven voor deze groepen op de inkomens van bijstandsniveau, wettelijk minimumloon, modaal, twee keer modaal en drie keer modaal en vier keer modaal?

Antwoord op vraag 40

Voor deze specifieke voorbeelden (alleenstaanden zonder kinderen en tweeverdieners met kinderen waarvan beide partners een gelijk inkomen verdienen, op verschillende inkomensniveaus) zijn geen berekeningen gemaakt van de inkomenseffecten van het Belastingplan 2016.

Vraag 41

Kan er een overzicht komen van alle fiscale maatregelen die invloed hebben gehad op de belastingdruk van mensen en hoe zij hebben bijgedragen aan meer of minder inkomensongelijkheid in deze kabinetsperiode volgens de Gini-coëfficiënt?

Antwoord op vraag 41

Het CPB berekent sinds de MEV 2016 (voor het 5 mld pakket) structurele mutaties van de Gini-coefficient als gevolg van beleid. Voor eerdere jaren en voor afzonderlijke maatregelen zijn geen berekeningen beschikbaar. Wel wordt door het Ministerie van SZW momenteel gewerkt aan een terugblik op het gevoerde inkomensbeleid in de kabinetsperiode. Daarbij wordt specifiek onderscheid gemaakt tussen effecten van beleid en overige (conjuncturele) effecten. Hierbij zal ook aandacht besteed worden aan de mutatie van de Gini-coefficient als gevolg van beleid. De Minister van SZW is voornemens om dit document nog voor de begrotingsbehandeling SZW aan de kamer te doen toekomen.

Vraag 42

De zorgtoeslag stijgt elk jaar met de stijging van de zorgpremie. Stel dat we de zorgtoeslag zouden laten stijgen met inflatie, wat zou dan de huidige budgettaire besparing zijn voor de komende vier jaar (uitgaande van de huidige inflatie en zorgkosten stijgingen)?

Antwoord op vraag 42

De zorgtoeslag dient ter compensatie van de zorgpremie bij lage inkomensgroepen. De hoogte van de zorgtoeslag wordt bepaald door een formule met een rechtstreekse koppeling aan de hoogte van premie en eigen risico.

Door de ontwikkeling van de zorgtoeslag los te koppelen van de ontwikkeling van de zorgpremie en het eigen risico, maar te koppelen aan de inflatie, is het geen zorgtoeslag meer maar een algemene toeslag voor koopkrachtbehoud. Het koppelen van de zorgtoeslag aan de inflatie vereist een wijziging van de wet op de zorgtoeslag.

De opbrengst van de zorgtoeslag laten stijgen met de inflatie i.p.v. met de zorgpremie levert oplopend naar 2021 ca. 1,1 mld. euro op. Dit heeft negatieve koopkrachteffecten voor huishoudens met zorgtoeslag.

Een technisch alternatief voor het koppelen van de zorgtoeslag aan de inflatie is het aanpassen van het normpercentage van de zorgtoeslag. Hiermee blijft de zorgtoeslag gekoppeld aan de premie en het eigen risico, alleen tegen een lager percentage. Hiermee kan dezelfde opbrengst worden gegenereerd, uiteraard met dezelfde negatieve koopkrachteffecten. Het verhogen van de normpercentages is mogelijk via een AMvB.

Vraag 43

Welke landen in de Europese Unie hebben een lager en hoger toptarief in de inkomstenbelasting (vergelijkbaar met Nederlands tarief in de vierde schijf inkomstenbelasting)? En bij welk inkomen begint dit hoogste tarief? Kan hiervan een overzicht van alle EU-lidstaten worden gegeven?

Antwoord op vraag 43

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het hoogste tarief in de inkomstenbelasting per EU-lidstaat. Deze gegevens gelden voor het jaar 2015 en zijn afkomstig uit de Eurostat-publicatie «Taxation trends in the European Union. Data for the EU Member States, Iceland and Norway» (http://ec.europa.eu/eurostat/documents/3217494/7092073/KS-DU-15-001-EN-N.pdf/68116dc2-75bc-4f25-b8a3-ae863ff8dec5). De tabel is verder aangevuld met het punt waarop het toptarief start, weergegeven in Amerikaanse dollars, gecorrigeerd voor koopkrachtverschillen tussen landen. Deze gegevens gelden ook voor 2015 en zijn afkomstig uit de OESO-databank (http://stats.oecd.org/index.aspx?DataSetCode=TABLE_I7).

Tabel: Overzicht toptarieven in de inkomstenbelasting EU-lidstaten

Lidstaat

Toptarief in %

Startpunt toptarief in Amerikaanse dollars op basis van koopkrachtpariteit

België

53,8

58.367

Bulgarije

10,0

Tsjechië

22,0

9.523

Denemarken

55,8

66.598

Duitsland

47,5

332.085

Estland

20,0

3.481

Ierland

48,0

39.822

Griekenland

48,0

864.456

Spanje

46,0

97.479

Frankrijk

50,3

684.540

Kroatië

47,2

Italië

48,9

402.975

Cyprus

35,0

Letland

23,0

Litouwen

15,0

Luxemburg

43,6

179.334

Hongarije

16,0

0

Malta

35,0

Nederland

52,0

75.292

Oostenrijk

50,0

732.334

Polen

32,0

56.683

Portugal

56,5

482.672

Roemenië

16,0

Slovenië

50,0

161.303

Slowakije

25,0

82.901

Finland

51,6

106.455

Zweden

57,0

69.691

Verenigd Koninkrijk

45,0

214.208

Vraag 44

Wat is de gemiddelde vennootschapsbelasting in de Europese Unie? Welke EU-lidstaten hebben een hoger tarief aan vennootschapsbelasting en welke een lager tarief? Hoeveel landen hebben aangekondigd of de afgelopen jaren maatregelen genomen om hun tarief aan vennootschapsbelasting te verlagen?

Antwoord op vraag 44

Uit het Taxation Trends Report van Taxud/Eurostat blijkt dat gemiddelde (top)tarief in de EU 22,6% in 2016 is. België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Portugal, Oostenrijk en Spanje hebben volgens dit rapport een hoger (top)tarief dan dit gemiddelde, de overige landen een lager tarief. Uit recente berichtgeving is overigens gebleken dat er in elk geval in België, het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg voornemens zijn om hun vennootschapsbelastingtarief te verlagen. Het Verenigd Koninkrijk heeft een tarief van 17% per 2020 aangekondigd (van 20%). België overweegt het tarief naar 20% brengen (van 33,99%) en Luxemburg wil het nationale tarief van 21% naar 18% verlagen. Het totale (top)tarief van de vennootschapsbelasting in Luxemburg is echter hoger vanwege de lokale vennootschapsbelasting, waardoor het gecombineerde tarief duidelijk hoger is.

Vraag 45

Hoeveel bedrijven maken gebruik van de innovatiebox en hoeveel procent daarvan is het MKB?

Antwoord op vraag 45

Uit de aangiftedata voor 2013, het meest recente jaar met voldoende data om de realisatie vast te stellen, blijkt dat er 2.927 aangiften zijn ingediend met gebruik van de innovatiebox. Uitgaande van een vergelijkbare verdeling van mkb vs. grootbedrijf als in de evaluatie van de innovatiebox (verdeling 2012, meest recente jaar met voldoende data op het moment van evalueren), zal circa 88% (circa 2.600) van dit aantal mkb-bedrijven zijn.

Vraag 46

Wat is de gemiddelde belastingdruk (inkomstenbelasting en premies) van 25% laagste, minst verdienende groep mensen? Wat is de gemiddelde belastingdruk (inkomstenbelasting en premies) van 25% meest verdienende groep mensen? En hoeveel euro belasting betalen deze twee inkomensgroepen?

Antwoord op vraag 46

In de tabel is de belastingdruk als verschil tussen bruto en netto inkomen van huishoudens in 2017 afgebeeld. De doorsnee belastingdruk en bruto inkomens per inkomensgroep zijn berekend met behulp van de zogenaamde mediaan. Dat betekent bijvoorbeeld dat het huishouden met het middelste inkomen in de laagste inkomensgroep een bruto inkomen van 19.000 euro heeft. In die onderste inkomensgroep zijn er net zoveel huishoudens met een hoger als lager inkomen. Binnen een inkomensgroep kan de belastingdruk (met name in euro’s) dus nog behoorlijk variëren, met name in de hoogste inkomensgroepen.

Inkomensgroep

Bruto inkomen

Belastingdruk (%)

Belastingdruk (€)

laagste 25% inkomens

€ 19.000

11%

€ 2.100

25–50%

€ 36.000

20%

€ 7.100

50–75%

€ 57.000

27%

€ 15.200

hoogste 25% inkomens

€ 93.000

34%

€ 31.300

Vraag 47

Hoeveel mensen ontvangen zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderopvangtoeslag en kindgebondenbudget? Hoe groot is het budgettaire beslag per toeslag? In welke toeslag zit een armoedeval (dat mensen bij meer inkomen, uiteindelijk netto minder kunnen overhouden door minder of geen toeslag)? Waar liggen de vermogenstoetsgrenzen per toeslag?

Antwoord op vraag 47

In de tabel hieronder is aangegeven hoeveel huishoudens gebruik maken van de betreffende toeslagen, wat het budgettaire beslag van de regeling is en wat de grens van de vermogenstoets in de regeling is. De kinderopvangtoeslag kent geen vermogenstoets.

Alle vier de toeslagen kennen een inkomensafhankelijke afbouw, wat zorgt voor een hogere marginale druk voor huishoudens met een inkomen binnen het afbouwtraject. Er kan bij bepaalde inkomensniveaus sprake zijn van een armoedeval, waarbij het besteedbaar inkomen afneemt als het bruto inkomen toeneemt. Dit komt vooral door de snelle afbouw van de huurtoeslag.

Tabel 1: Aantal gebruikers, budget en de grens van de vermogenstoets van de zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag, huurtoeslag en het kindgebonden budget in 2016.
 

Aantal gebruikers (mln huishoudens)

Budget (mld €)

Grens vermogenstoets (eenpersoonshuishouden)

Zorgtoeslag

4,6

4,2

€ 82.504 boven heffingvrij vermogen

Kinderopvangtoeslag

0,4

2,4

Geen vermogenstoets

Huurtoeslag

1,5

3,3

heffingvrij vermogen box 3

Kindgebonden budget

0,8

2,1

€ 82.504 boven heffingvrij vermogen

Vraag 48

Kan er een volledig overzicht komen van alle privatiseringen van staatsdeelnemingen in deze kabinetsperiode (met daarbij voor hoeveel procent ze zijn geprivatiseerd)? Welke privatiseringen zitten er deze kabinetsperiode nog aan te komen?

Antwoord op vraag 48

Hieronder een overzicht van de staatsdeelnemingen waarvan de Staat, in deze kabinetsperiode, via de verkoop van aandelen of een beursgang (gedeeltelijk) haar belang heeft afgebouwd.

Staatsdeelneming

Status

Aandelenbelang staat

ASR

Eerste fase afgerond

63,70%

ABN Amro

Eerste fase afgerond

77%

Propertize

Afgerond

0

Vivat

Afgerond

0

Connexxion

Afgerond

0

Koninklijke Nederlandse Munt

Verkoopproces loopt

100%

Holland Casino

Gepland

100%

SENS

Voorgenomen

99,01%

UCN*

Voorgenomen

100%

* De Minister van Financiën heeft in het AO Staatsdeelnemingen van 3 februari j.l. (Kamerstuk 28 165, nr. 248) gezegd dat verkoop van het Nederlandse aandeel op dit moment niet aan de orde is.

Vraag 49

Hoeveel werknemers in de financiële sector vallen onder nieuwe bonuswet van maximaal 20% variabele bonus van het vaste salaris?

Antwoord op vraag 49

Het totaal aantal werknemers in de financiële sector waarvoor het bonusplafond van maximaal 20% geldt is mij niet bekend. Op basis van informatie van De Nederlandse Bank (DNB) ten behoeve van de Kamerbrief «Eerste effecten Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen» blijkt in ieder geval dat het bonusplafond uit de Wbfo bij Nederlandse banken en verzekeraars van toepassing is op ca. 248.000 personen.6

Vraag 50

Hoeveel zzp'ers werken zonder modelcontract?

Antwoord op vraag 50

Het is niet bekend hoeveel zzp’ers met of zonder modelcontract werken. Overigens is het vaak helemaal niet nodig dat een zzp’er gebruikmaakt van een door de Belastingdienst beoordeeld modelcontract. Veel zzp’ers zijn duidelijk ondernemers en dan ligt het gebruiken van een modelcontract niet voor de hand. De door de Belastingdienst beoordeelde modelovereenkomsten zijn niet verplicht, ze zijn bedoeld om zekerheid vooraf te geven aan zzp’ers en opdrachtgevers die twijfelen over de aard van hun arbeidsrelatie.

In het plenaire debat over de toetsing van zzp-contracten door de Belastingdienst van 29 september jl. (Handelingen II 2016/17, nr. 6, Zzp-contracten)

is toegezegd dat er op 19 december een voortgangsrapportage naar de Kamer wordt gezonden, een analyse van hetgeen uit het meldpunt is gekomen en een voortgangsrapportage over de modelovereenkomsten.

Vraag 51

Hoeveel mensen genieten in Nederland winst uit onderneming in box 1?

Antwoord op vraag 51

Uit de aangiftedata inkomstenbelasting blijkt dat in 2013 1,025 miljoen mensen winst uit onderneming in box 1 genoten en in 2014 waren dat er 1,055 miljoen.

Vraag 52

Waarom zijn de budgettaire effecten van het verlengen respectievelijk het verkorten van de eerste schijf voor 2017 zoveel groter dan voor 2016?

Antwoord op vraag 52

De sleutels voor het verlengen of verkorten van de eerste schijf in de vennootschapsbelasting of het verhogen of verlagen van de tarieven in de vennootschapsbelasting zijn aangepast aan de nieuwste raming van de vennootschapsbelasting. Deze is aanmerkelijk hoger dan de vorige raming. In de Miljoenennota is op pagina 85 en 86 de toename van de vennootschapsbelasting-ontvangsten nader toegelicht.

Vraag 53

Waarom zijn de budgettaire effecten van het verhogen respectievelijk het verlagen van het tariefopstapje in de vpb voor 2017 veel groter dan voor 2016?

Antwoord op vraag 53

De sleutels voor het verlengen of verkorten van de eerste schijf in de vennootschapsbelasting of het verhogen of verlagen van de tarieven in de vennootschapsbelasting zijn aangepast aan de nieuwste raming van de vennootschapsbelasting. Deze is aanmerkelijk hoger dan de vorige raming. In de Miljoenennota is op pagina 85 en 86 de toename van de vennootschapsbelasting-ontvangsten nader toegelicht.

Vraag 54

Waarom zijn de budgettaire effecten van het verhogen respectievelijk het verlagen van de zelfstandigenaftrek voor 2017 veel kleiner dan voor 2016?

Antwoord op vraag 54

De lagere raming voor 2017 van de budgettaire effecten van het verhogen respectievelijk verlagen van de zelfstandigenaftrek vloeit voort uit een nieuwe ramingssystematiek van het budgettair belang van de zelfstandigenaftrek. Met ingang van de Miljoenennota 2017 worden de budgettaire effecten van de ondernemersregelingen geraamd met behulp van een CPB-model. Deze berekeningswijze houdt beter integraal rekening met de samenloop van de hoogte van de zelfstandigenaftrek en de heffingskortingen alsmede met het effect dat de zelfstandigenaftrek niet altijd volledig in het jaar zelf gerealiseerd kan worden. Het budgettaire belang van de regeling is daardoor kleiner.

Voor de Miljoenennota 2017 is 2014 het meest recente jaar met vrijwel volledige aangiftegegevens van de inkomstenbelasting. Voor de schatting voor de periode 2014–2017 wordt nu eveneens aangesloten op de raming van het CPB van de ontwikkeling van het aantal zelfstandigen en hun winst. Die ontwikkeling is gematigder dan de raming in de vorige Miljoenennota. Ook hierdoor is de raming van het budgettair belang van de regeling afgenomen. Omdat de raming van het budgettair belang van de gehele regeling naar beneden is bijgesteld, is ook de raming van het budgettair effect van het verhogen respectievelijk verlagen van de regeling naar beneden bijgesteld. Deze bijstelling geldt ook voor andere jaren. Er is dus niet met ingang van 2017 iets veranderd waardoor de effecten kleiner zijn geworden dan ze in 2016 waren.

Vraag 55

Waarom zijn de budgettaire effecten van het verhogen respectievelijk het verlagen van het aardgastarief in de energiebelasting voor 2017 kleiner geworden dan voor 2016, terwijl de budgettaire effecten van het elektriciteitstarief nauwelijks gewijzigd zijn?

Antwoord op vraag 55

Het verhogen of verlagen van het belastingtarief op aardgas tot 170.000 m3 met 1 cent heeft volgens de sleuteltabel 2017 een budgettair effect van 130 mln euro. Volgens de sleuteltabel 2016 was het budget effect hiervan 155 mln euro. Het verschil kan nagenoeg geheel worden verklaard door de revisie van de energiebalans van het CBS, waarop deze sleutel is gebaseerd. Het CBS heeft deze revisie nader toegelicht in het document «Revisie Energiebalans 1995–2013»7.

Vraag 56

Klopt het dat de budgettaire effecten van het verhogen van de tabaksaccijns op shag voor 2017 ongewijzigd zijn ten opzichte van wijzigingen voor 2016, ondanks de forse verhoging van de shagaccijns die heeft plaatsgevonden? Zo ja, heeft u hier een verklaring voor?

Antwoord op vraag 56

De budgettaire effecten van het verhogen van de accijns op rooktabak zijn zowel voor de sleuteltabel 2016 als voor 2017 berekend door het verwachte volume van het volgende jaar te vermenigvuldigen met een 5 cent verhoging per pakje. Voor beide jaren leverde een accijnsverhoging van 5 cent per pakje afgerond 9 mln. euro op.

Vraag 57

Welke maatregelen hebben direct effect op het terugdringen van de werkloosheid en specifiek de langdurige werkloosheid, en wat is het verwachte effect?

Antwoord op vraag 57

Het kabinet heeft met ingang van 1 januari 2016 geld vrijgemaakt voor een lastenverlichting op arbeid (vijf-miljard-pakket). Dit ondersteunt de economische groei en verkleint de wig, waarmee het voor werkgevers aantrekkelijker is geworden om mensen aan te nemen, en werken lonender wordt voor zowel werkenden als inactieven. Per 1 januari 2017 introduceert het kabinet het lage-inkomensvoordeel (LIV) om de loonkosten aan de onderkant van de arbeidsmarkt te verlagen, zonder dat de werknemer salaris inlevert. Daardoor wordt het voor werkgevers aantrekkelijker om mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt in dienst te nemen of te houden.

Daarnaast verbetert het kabinet de ondersteuning aan werkzoekenden bij het vinden van nieuw werk met de maatregelen uit de brief «Doorstart naar nieuw werk». Onderdeel van deze aanpak is het leveren van meer persoonlijke en face-to-face dienstverlening aan werkzoekenden. Het CPB oordeelde recent in «Kansrijk arbeidsmarktbeleid deel 2» dat meer persoonlijke begeleiding van WW’ers kosteneffectief is wanneer deze gericht wordt ingezet. Het UWV heeft daarom een businesscase opgesteld om op basis van het profiling instrument de Werkverkenner gericht meer persoonlijke dienstverlening in te zetten. Daarvoor ontvangt het UWV vanaf 2017 structureel meer middelen. Hiermee kunnen meer mensen aan een baan geholpen worden.

Om de langdurige werkloosheid aan te pakken heeft het kabinet in samenwerking met de sociale partners het actieplan «Perspectief voor Vijftigplussers» opgesteld. Kern van de aanpak is om vijftigplussers te ondersteunen bij het vinden van een nieuwe baan, werknemers wendbaarder te maken op de arbeidsmarkt en werkgevers minder terughoudend te laten zijn bij het aannemen van vijftigplussers.

Vraag 58

Wat is het verwachte effect van deze Miljoenennota, exclusief het deel dat al overeengekomen was in het Energieakkoord, op de CO2-uitstoot van Nederland?

Antwoord op vraag 58

Deze informatie is op dit moment nog niet beschikbaar. In de Nationale Energieverkenning 2016 (NEV) die medio oktober door de Minister van EZ zal worden aangeboden aan de Tweede Kamer, zal deze informatie worden opgenomen. De NEV brengt jaarlijks de stand van zaken rondom de energiehuishouding in Nederland in kaart, en geeft inzicht in de te verwachten ontwikkelingen tot 2030. De NEV wordt opgesteld door het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) samen met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), en met bijdragen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). In de NEV wordt onderscheid gemaakt tussen de verwachte CO2-uitstoot in 2020 en 2030 op grond van het reeds vastgestelde beleid (onder andere energieakkoord) en de verwachte CO2-uitstoot op grond van het voorgenomen beleid (Miljoenennota 2016).

Vraag 59

Kunt u het verschil in de raming van het EMU-saldo tussen Miljoenennota en MEV verklaren?

Antwoord op vraag 59

Zie antwoord vraag 19.

Vraag 60

In de Miljoenennota staat een verwacht overheidstekort van 0,5% van het BBP, terwijl de MEV 0,7% vermeldt. Hoe kan het dat dit een dergelijk groot verschil is, en wat zijn de precieze posten die hieraan bijdragen?

Antwoord op vraag 60

Zie antwoord vraag 19.

Vraag 61

Kunt u in iets meer detail aangeven hoe de Nationale Financieringsinstelling eruit zal komen te zien, waarvoor het kabinet nog in deze verkiezingsperiode een voorstel zegt te doen?

Antwoord op vraag 61

Er wordt op dit moment gewerkt aan een voorstel. Het uitgangspunt van de analyse is dat er zowel aan de kant van bedrijfsfinanciering als aan de kant van maatschappelijke uitdagingen een aantal problemen spelen.

Bij bedrijfsfinanciering is een belangrijke vraag of met de huidige inbedding in het publieke domein er voldoende flexibel ingespeeld kan worden op de snel veranderende marktvragen. Verder blijkt het binnen de huidige constellatie moeilijk om, daar waar nodig, actief mee te doen in risicodragende financiering. Het blijkt dat zowel de regio’s (met hun regionale ontwikkelingsmaatschappijen) als het Europees Investeringsfonds dit beter kunnen en aansluiting daarop beter kan worden georganiseerd.

Aan de andere kant wordt er gekeken naar de financiering van maatschappelijke uitdagingen. Hier liggen, ook qua tempo, grote ambities (denk aan de energietransitie en de circulaire economie). Er zijn veel ideeën, maar te weinig te financieren plannen. Als er wel uitgewerkte plannen zijn, blijkt er vaak en gebrek aan risicodragend kapitaal in de markt. Hier is sprake van zowel gebrek aan ontwikkelkracht als aan risicokapitaal.

Hoe, en in welke mate, voor deze vraagstukken een oplossing kan worden geboden wordt verder uitgewerkt.

Vraag 62

Investeringen helpen duurzaam herstel, aan welke omvang denkt u voor de overheids/investeringsbank?

Antwoord op vraag 62

Het is nu nog te vroeg om hier al op in te gaan.

Vraag 63

Wat zijn de kapitaalslasten voor het eigen vermogen van een investeringsbank van de overheid?

Antwoord op vraag 63

Het is nu nog te vroeg om hier al op in te gaan.

Vraag 64

Hoeveel meer zal Nederland moeten gaan bijdragen aan de EU-begroting als het Verenigd Koninkrijk de EU straks verlaat? Kunt u hier een schatting van maken?

Antwoord op vraag 64

Het vertrek van het Verenigd Koninkrijk (VK) kan gevolgen hebben voor de Europese begroting, want de netto-betalingspositie van het VK aan de Europese begroting was circa 12 miljard euro in 2015. Tevens zal de Britse korting (de rebate) verdwijnen. De Britse korting was in 2015 circa 4,4 miljard euro. Aangezien Nederland een korting heeft op deze korting (Nederland betaalt slechts 25% van haar «normale» aandeel) zal dit ook een effect hebben op de Nederlandse afdrachten. Het exacte gevolg voor de Nederlandse afdrachten zijn echter ook afhankelijk van de afspraken die de EU met de het VK maakt. Zo betalen Zwitserland en Noorwegen ook nog altijd mee aan Europese projecten.

Ook is het nog onduidelijk of en wat voor een verandering de Europese begroting zelf zal doormaken; de Nederlandse bijdrage aan de EU-begroting zal onderdeel worden van de onderhandelingen en een toekomstige Europese meerjarenbegroting.

Het is daarom niet goed mogelijk om nu al een schatting te maken. Wel is het kabinet in algemene zin van mening dat de rekening van een Brexit niet zomaar bij Nederland of andere netto-betalers moet komen te liggen.

Vraag 65

Kan grafiek 1.2.1 over de bijdrage van verschillende bestedingscategorieën aan de groei doorgetrokken worden tot tenminste 2005?

Antwoord op vraag 65

Vraag 66

Kan grafiek 1.2.1 over de bijdrage van verschillende bestedingscategorieën aan de groei verder toegelicht worden? Waarom nemen bedrijfsinvesteringen en investeringen in woningen na 2017 af? Waarom wordt verwacht dat uitvoer zo'n grote toename in bijdrage zal hebben?

Antwoord op vraag 66

Grafiek 1.2.1 geeft de bijdrage van de verschillende bestedingscategorieën aan de economische groei. Dit betekent dat de getoonde bijdrage niet het groeipercentage van de betreffende bestedingscategorie weergeeft, maar de bijdrage aan de economische groei, waarbij is gecorrigeerd voor invoerintensiteit. Zo blijven de consumptieve bestedingen van huishoudens, bedrijfsinvesteringen en investeringen in woningen na 2017 nog wel groeien, maar neemt de bijdrage die ze hebben aan de economische groei wel iets af. De versnelling van de groei van de uitvoer is in lijn met de versnelling van de groei van de relevante wereldhandel. Zie ook het antwoord op vraag 65.

Vraag 67

Wat zegt grafiek 1.2.1 over het toekomstige verdienvermogen van de Nederlandse economie? Kan er op basis hiervan worden geconcludeerd dat Nederland na 2017 qua groei afhankelijk wordt van export? Wat is de basis van deze raming, aangezien de MEV slechts tot 2017 laat zien?

Antwoord op vraag 67

De grafiek 1.2.1 geeft weer welke bijdrage specifieke bestedingscategorieën hebben aan de economische groei, maar zegt niets over het toekomstig verdienvermogen van de Nederlandse economie. Daarnaast laat de grafiek zien dat de uitvoer de economische groei na 2017 in toenemende mate ondersteunt. Dat de uitvoer een belangrijke bijdrage levert aan de economische groei is niet geheel onlogisch, aangezien Nederland een kleine open economie betreft. In het verleden heeft de uitvoer de economische groei positief ondersteunt en dit zal ook in de nabije toekomst het geval zijn. De basis van deze raming is de Middellangetermijnverkenning 2018–2021 van het CPB die in de Macro Economische Verkenning 2017 is geactualiseerd.

Vraag 68

In grafiek 1.2.1 staat een groei van de uitvoer als categorie die bijdraagt aan economische groei. Hoeveel hiervan is wederuitvoer?

Antwoord op vraag 68

Voor de meeste jaren is dat een bescheiden bijdrage, omdat de toegevoegde waarde in de wederuitvoer met 10 a 15% veel lager is dan van de overige uitvoer van goederen en diensten.

Vraag 69

Welke factoren aan de aanbodzijde remmen de investeringen in woningen in 2016, 2017 en 2018–2021? (fig 1.2.1)

Antwoord op vraag 69

Hoewel het herstel van de markt zorgt voor een toenemende vraag naar nieuwbouwwoningen, neemt de productie van nieuwbouwwoningen nog maar in een gematigd tempo toe. Tijdens de crisis, toen de vraag naar nieuwbouwwoningen inzakte, is de capaciteit om bouwprojecten op te starten afgenomen. Het kost tijd om deze capaciteit weer uit te breiden.

Vraag 70

Kunt u de verschillende factoren die u noemt als redenen voor het laagrentende economisch klimaat kwantificeren naar bijdrage aan dit klimaat? (box 1.3)

Antwoord op vraag 70

In Box 1.3 worden de verschillende factoren genoemd, die bijdragen aan de lage rente. Er bestaat onder economen en wetenschappers geen consensus over het relatieve belang van de verschillende factoren. Voor een uitgebreider overzicht van deze literatuur verwijs ik u naar de CPB-publicatie «Determinants of long-term interest rates» (2016). Zoals de box duidelijk maakt, is sprake van een fenomeen wat al langer speelt.

Vraag 71

Hoeveel banen komen er per maand bij? Kan dat vergeleken worden met de situatie in 2008, 2011 en vorig jaar?

Antwoord op vraag 71

Onderstaande tabel geeft voor verschillende jaren de banengroei in het desbetreffende jaar. Ook de gemiddelde toename per maand in dat jaar is gegeven.

 

Toename aantal banen (1)

Toename aantal banen per maand (=(1)/12)

2008

184

15

2011

136

11

2015

110

9

2016*

47

8

Bron: CBS Statline; Aantallen zijn in duizenden ten opzichte van het voorafgaande jaar.

* In 2016 is het gemiddelde aantal banen genomen van het eerste en het tweede kwartaal van 2016 ten opzichte van 2015 genomen. De gemiddelde toename per jaar in 2016 vindt dus plaats in een half jaar.

Vraag 72

Beschikt het kabinet over c.q. gebruikt het kabinet ook dynamische koopkrachtplaatjes? Dat wil zeggen, koopkrachtplaatjes waarbij de mensen die een baan vinden (of verliezen) en dus een grote vooruitgang of achteruitgang in koopkracht ervaren, zichtbaar worden gemaakt? Indien nee waarom niet? Indien ja, waar zijn deze te vinden?

Antwoord op vraag 72

Het kabinet maakt bij het wegen van de koopkrachtontwikkeling voor het komende jaar gebruik van statische koopkrachtcijfers. Deze geven een beeld wat de gevolgen zijn van macro factoren, zoals loon- en prijsontwikkeling, en van het generieke inkomensbeleid. Dynamische koopkrachtontwikkelingen nemen ook de effecten mee van gewijzigde omstandigheden bij individuele huishoudens. Zoals bijvoorbeeld promotie, ontslag of een nieuwe baan. Of van veranderingen in de huishoudsamenstelling door scheiden een geboorte of overlijden. Al deze factoren beïnvloeden het beschikbaar inkomen, maar worden niet rechtstreeks beïnvloed door overheidsbeleid. Dynamische koopkracht kan pas achteraf door het CBS worden gemeten. De gerealiseerde dynamische koopkrachtcijfers zijn te vinden op CBS Statline8.

Vraag 73

Klopt het dat het verschil in netto besteedbaar inkomen tussen het wettelijk minimumloon en modaal, fors is afgenomen gedurende deze kabinetsperiode en ook weer in 2017?

Antwoord op vraag 73

Zoals in tabel 1 is weergegeven is het verschil in besteedbaar inkomen tussen het wettelijk minimumloon en modaal voor een alleenstaande werkende zonder kinderen in euro’s over de kabinetsperiode toegenomen. Als wordt gekeken naar het verschil als percentage van het besteedbare inkomen van een alleenstaande werkende zonder kinderen met een modaal inkomen dan is het verschil licht afgenomen.

Als wordt gekeken naar 2017 ten opzichte van 2016 is te zien dat het verschil ook in euro’s licht is afgenomen.

Tabel 1. Besteedbaar inkomen van een alleenstaande werkende zonder kinderen met een brutoloon op respectievelijk WML en modaal, en de verschillen in euro’s en procenten.
 

Besteedbaar inkomen

Verschil besteedbaar inkomen WML en modaal in euro's

Verschil in besteedbaar inkomen WML en modaal als % van modaal inkomen

 

WML

modaal

   

2013

15.113

22.409

7.296

33%

2016

17.167

24.840

7.673

31%

2017

17.473

25.048

7.575

30%

Vraag 74

Klopt het dat mensen met een bruto inkomen uit arbeid van 30.000 euro, in voorkomende gevallen netto minder besteedbaar inkomen (inclusief toeslagen) overhouden dan mensen met een bruto inkomen van 20.000 euro?

Antwoord op vraag 74

Een huishouden met een bruto inkomen uit arbeid van 30.000 euro heeft in alle gevallen een hoger besteedbaar inkomen dan een vergelijkbaar huishouden met een bruto inkomen uit arbeid van 20.000 euro.

Vraag 75

Wat is de loongroei per jaar over 2012–2017 en hoe verhoudt zich dat tot de ontwikkeling van de winstgevendheid van bedrijven over die jaren?

Antwoord op vraag 75

In onderstaande tabel wordt de stijging van de loonvoet in de marktsector en de kapitaalinkomensquote in de marktsector weergegeven. De marktsector is gedefinieerd als de bedrijven exclusief zorg, delfstoffenwinning en de onroerendgoedsector. De kapitaalinkomensquote in de marktsector is gedefinieerd als 100 minus de percentage van de arbeidsinkomenquote (AIQ). De kapitaalinkomensquote is het deel van de toegevoegde waarde wat toevalt aan de productiefactor kapitaal. Winst is hier een onderdeel van.

Tabel. Loonvoetstijging en niveau kapitaalinkomensquote in de marktsector

Jaar

2013

2014

2015

2016

2017

Stijging loonvoet (%)

1.7

0.8

0.2

2.3

2.0

Kapitaalinkomensquote (%, niveau)

20.9

21.3

22.9

21.9

21.9

Bron: CPB MEV 2017

De reële loonontwikkeling (loongroei t.o.v. ontwikkeling prijs toegevoegde waarde) is in de jaren 2013–2017 min of meer in lijn met de arbeidsproductiviteitsgroei. De winstgevendheid van bedrijven zoals weergegeven door de arbeidsinkomensquote (AIQ) of de kapitaalinkomensquote laat daarom een vrij stabiele ontwikkeling zien.

Vraag 76

Hoeveel procent van het totale vermogen zit in pensioen? Hoeveel in eigen woning?

Antwoord op vraag 76

In 2015 bestond het totale vermogen van Nederlandse huishoudens voor 44% uit pensioenen en voor 36% uit eigen woningen.

Vraag 77

Wat zijn de kosten voor de schatkist, om de afbouw arbeidskorting in 2017 geheel af te schaffen? En hoeveel is dat voor de algemene heffingskorting?

Antwoord op vraag 77

Het afschaffen van de afbouw van de arbeidskorting kost bijna € 2,7 miljard in 2017. Het afschaffen van de afbouw van de algemene heffingskorting kost bijna € 6,3 miljard in 2017. Structureel kost dit circa € 1 miljard minder doordat het einde van de derde schijf de komende jaren nog opschuift en daarmee het einde van de afbouw van de algemene heffingskorting ook. Sinds dit jaar is het einde van de afbouw van de algemene heffingskorting gekoppeld aan het eindpunt van de derde schijf.

Vraag 78

Hoe duidt u de berichtgeving dat volgens het CBS in de eerste twee kwartalen al een overschot zou zijn opgetreden? Hoe verhoudt dit zich tot het gerapporteerde EMU-saldo?

Antwoord op vraag 78

Het CBS heeft 23 september 2016 naar aanleiding van haar raming van de economische en budgettaire ontwikkeling van het 2e kwartaal 2016 aangegeven dat toenemende inkomsten het overheidstekort terugdringen9. Het CBS publiceert elk kwartaal kwartaalcijfers over de overheidsinkomsten en -uitgaven, inclusief EMU-saldo in het betreffende kwartaal. Deze kwartaalcijfers zijn conform Europese statistiekverordeningen.

Het economische en budgettaire beeld dat het CBS gepubliceerd heeft wijkt niet af van het beeld in de Miljoenennota. Zo is het economische beeld van het 2e kwartaal 2016, zoals het CBS ook zelf aangeeft10, ongewijzigd ten opzichte van de eerste groeiraming van het CBS en putten zowel CBS als het kabinet uit dezelfde beschikbare realisatiegegevens over de inkomsten en uitgaven.

De realisatiecijfers over de eerste kwartalen die het CBS heeft gepubliceerd zijn met andere woorden al verwerkt in het gerapporteerde EMU-saldo, en zijn geen aanleiding om deze aan te passen.

Het kabinet rapporteert voorts uitsluitend EMU-saldi die betrekking hebben op hele begrotings- en kalenderjaren. Dit is ook de verslagperiode waarop de Europese begrotingsregels betrekking hebben.

Kwartaalcijfers voor de overheidsuitgaven en -inkomsten en het daaruit volgende EMU-saldo per kwartaal zijn gevoelig voor allerlei ontwikkelingen, zoals betaal- en seizoenspatronen en incidentele gebeurtenissen, die vergelijkingen tussen kwartalen lastig maken. Het CPB komt in december met een actualisatie van zijn raming. Dan is een vollediger beeld beschikbaar voor het lopende jaar.

Vraag 79

Wat is het kwantitatieve effect op de (houdbaarheid van de) overheidsfinanciën als de AOW-leeftijd wordt verlaagd naar 65 jaar? En wat is het kwantitatieve effect op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën als de AOW-leeftijd wel stijgt naar 67 jaar, maar daarna niet wordt gekoppeld aan de levensverwachting?

Antwoord op vraag 79

Als de AOW-leeftijd wordt verlaagd naar 65 jaar of als de AOW-leeftijd op termijn op 67 jaar blijft, zullen de overheidsuitgaven toenemen in vergelijking tot de huidige situatie. Een lagere AOW-leeftijd betekent immers hogere AOW-uitgaven. Als de AOW-leeftijd verlaagd wordt naar 65 jaar, verslechtert dit het houdbaarheidssaldo met 1,8% bbp. Als de AOW-leeftijd wel toeneemt naar 67 jaar in 2021, maar daarna niet wordt gekoppeld aan de levensverwachting, betekent dit een verslechtering van de houdbaarheid ter grootte van 1,2% bbp. In de actualisatie van de MLT in de MEV 2017 raamt het CPB een houdbaarheidsoverschot van 0,4% bbp. Beide beleidsmaatregelen met betrekking tot de AOW-leeftijd op zich laten het houdbaarheidsoverschot dus omslaan in een houdbaarheidstekort. Als gevolg zijn de overheidsfinanciën niet langer houdbaar.

Vraag 80

Welke gevolgen zijn er voor de begunstigden van de «middelen ter bestrijding van armoede onder kinderen», wanneer er sprake blijkt te zijn van uitkerings- of belastingfraude door de ouders van het betreffende gezin? Hebben lopende fraudezaken invloed op eventuele toekenning en/of terugvordering?

Antwoord op vraag 80

Het kabinet vindt dat alle kinderen in Nederland mee moeten kunnen doen. Sport, muziek en schoolreisjes horen bij de basis voor ieder kind. Om er zeker van te zijn dat de middelen direct bij de kinderen terecht komen, wordt de ondersteuning in natura aangeboden. Daarbij staan de behoeften van het kind centraal en niet de positie van de ouders.

Vraag 81

Via welke begroting(en) en via welke vorm van bekostiging wordt er voor gezorgd dat het budget ook daadwerkelijk wordt omgezet in hetgeen voor de doelgroep wordt aangekondigd (schoolbenodigdheden, sportattributen, zwemles, kleding, schoolreisjes, etc.)

Antwoord op vraag 81

Het kabinet zal 85 miljoen euro structureel beschikbaar stellen via een decentralisatie-uitkering aan gemeenten, dus via de gemeentefondsbegroting. Daarnaast stelt het kabinet de komende jaren 14 miljoen euro beschikbaar voor landelijke en bovengemeentelijke initiatieven, die via de SZW-begroting lopen. Tevens stelt het kabinet structureel 1 miljoen euro beschikbaar voor kinderen in Caribisch Nederland. Ten aanzien van het doeltreffend inzetten van de middelen, sluit het rijk een convenant af met de VNG. Bij de inzet van de middelen geldt, om er zeker van te zijn dat de middelen direct bij de kinderen terecht komen, als uitgangspunt dat ondersteuning in natura wordt aangeboden. De Staatssecretaris van SZW zal de Tweede Kamer voor de begrotingsbehandeling 2017 in december a.s. van SZW informeren over de voortgang.

Vraag 82

Hoe zal worden gemonitord of de 100 miljoen euro in 2017 goed terecht komt en tot effecten leidt? Hoe wordt de Kamer daarover geïnformeerd?

Antwoord op vraag 82

In de brief van de Staatssecretaris van SZW van 20 september 2016 is aangegeven dat 85 van de 100 miljoen euro structureel beschikbaar worden gesteld aan gemeenten (Kamerstuk 24 515, nr. 378). Ten aanzien van het doeltreffend inzetten van de middelen, sluit het rijk een convenant af met de VNG. In de bestuurlijke afspraken zal ook aandacht zijn voor het monitoren en evalueren van de voortgang. Het kabinet zal de komende periode nader invulling geven aan deze structurele extra investering. De Staatssecretaris van SZW zal de Tweede Kamer voor de begrotingsbehandeling 2017 in december a.s. van SZW informeren over de voortgang.

Vraag 83

Kunt u de historische reeks geven van uitgaven aan defensie van 2012 tot 2017 in nominale uitgaven, reële uitgaven en uitgaven als percentage van het BBP?

Antwoord op vraag 83

Onderstaande tabel geeft de uitgaven weer van Defensie in nominale en reële termen en uitgedrukt als percentage van het BBP.

De nominale uitgaven zijn gebaseerd op de gerealiseerde uitgaven zoals gecommuniceerd in de Jaarverslagen en de geraamde uitgaven van de Ontwerpbegroting 2017. De reële uitgaven zijn berekend op basis van de hieronder weergegeven nominale uitgaven aan de hand van het prijspeil van 2012.

Defensie-uitgaven (realisatiecijfers/raming OB 2017)

Nominaal (x € mld)

2012

2013

2014

2015

2016

2017

 

Netto Defensie-uitgaven (uitgaven –/– ontvangsten)

7,6

7,4

7,5

7,4

8,1

8,3

BBP (marktprijzen)

645,2

652,7

663,0

676,5

691,7

709,2

Uitgaven als % BBP

1,18%

1,13%

1,13%

1,09%

1,17%

1,17%

Reële uitgaven (x € mld) (prijsniveau 2012)

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Netto Defensie – uitgaven (Uitgaven –/– ontvangsten)

7,6

7,3

7,4

7,3

7,9

8,0

Deflator pBBP (niveau 2012)

1

1,01

1,02

1,02

1,02

1,03

Vraag 84

Hoe ver zijn de plannen gevorderd om de loondoorbetaling bij ziekte flink terug te dringen?

Antwoord op vraag 84

Minister Asscher heeft op 21 december 2015 de SER gevraagd om een advies uit te brengen over een sluitend stelsel voor loondoorbetaling bij ziekte voor zowel zzp’ers als werknemers. Vooruitlopend op dit advies heeft Minister Asscher in zijn kamerbrief van 21 april 2016 een aantal maatregelen aangekondigd om een aantal prangende knelpunten die werkgevers rondom de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte ervaren te verminderen. Deze verbeteringen moeten het huidige stelsel voor werkgevers beter draagbaar maken. De maatregelen hebben betrekking op de loonsanctie in relatie tot re-integratie tweede spoor, de aanvraag voor een vervroegde IVA-beoordeling en de premiestelling bij de verzuimverzekering. Minister Asscher zal de Tweede Kamer in oktober informeren over de uitwerking van deze maatregelen. Naast deze drie maatregelen is hij in gesprek met sociale partners om bovenwettelijke aanvullingen bij de loondoorbetaling te beperken conform de met sociale partners gemaakte afspraken in het Najaarsakkoord 2004.

Vraag 85

Hoe kan het dat de regering een EMU-tekort begroot van 0,5% in 2017, terwijl het CPB 0,7% raamt?

Antwoord op vraag 85

Zie antwoord vraag 19.

Vraag 86

Kunt u een tabel en een grafiek geven van de marginale druk (van een alleenstaande werkende van zeg 50 jaar) in 2011 en in 2017?

Antwoord op vraag 86

In navolgende tabel en figuur is de gemiddelde marginale druk van een werkende alleenstaande zonder kinderen opgenomen voor 2011 en 2017. Dit is onafhankelijk van de leeftijd.

Marginale druk werkende alleenstaande naar inkomensgroep

Bruto inkomen

2011

2017

< wml

35,9

28,0

1x–1,5x wml

53,2

58,1

1,5x–2x wml

51,7

50,8

2x–3x wml

47,8

51,7

> 3x wml

52,6

54,4

Totaal

48,6

49,4

Vraag 87

Kan de participatiegraad van de laatste 8 jaar gegeven worden?

Antwoord op vraag 87

In onderstaande tabel wordt de participatiegraad in de periode 2008 – 2017 gegeven.

Tabel Participatiegraad 15–74 jarigen

Jaar

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Participatiegraad

70%

71%

70%

70%

71%

71%

70%

70%

Bron: CPB MEV 2017 bijlage 7 kerngegevens Arbeidsmarkt

Vragen 88, 89

Hoeveel AOW-gerechtigden kunnen in 2017 hun ouderenkorting niet geheel verzilveren?

Kunt u per heffingskorting aangeven hoeveel mensen hem niet geheel kunnen verzilveren?

Antwoord op vragen 88, 89

In de hierna opgenomen tabel wordt per heffingskorting voor het jaar 2017, uitgaande van een doorgang van het Belastingplan 2017 (Kamerstuk 34 552), het aantal personen weergegeven dat een deel van de heffingskorting niet kan verzilveren, uitgedrukt als percentage van het totaal aantal personen met recht op de heffingskorting. Bij de arbeidskorting, de algemene heffingskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting betreft het personen die de heffingskorting ook niet volledig kunnen verzilveren tegen het inkomen van een eventuele partner. Voor de berekening is er van uitgegaan dat de kortingen worden verrekend in de volgorde zoals in de tabel is aangegeven.

Tabel: Aantal personen in 2017 dat deel heffingskorting niet kan verzilveren, als % van totaal aantal personen met recht op heffingskorting

Algemene heffingskorting

14,6

Arbeidskorting

12,8

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

6,1

Alleenstaande ouderenkorting

20,5

Ouderenkorting

22,9

Vraag 90

Kunt u aangeven hoeveel inkomen een zzp’er met recht op zelfstandigenaftrek, startersaftrek, MKB-winstvrijstelling, algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting kan verdienen, voordat zij/hij inkomstenbelasting betaalt? Kunt u de berekening toelichten?

Antwoord op vraag 90

Een alleenstaande ondernemer die wel recht heeft op zelfstandigenaftrek, maar niet op startersaftrek kan in 2017 een winst van € 25.298 behalen zonder belasting te hoeven betalen. Hij/zij moet overigens wel inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet betalen. Is dezelfde ondernemer wel een starter, dan kan hij/zij een winst behalen tot € 27.512. Als de ondernemer ook nog in aanmerking komt voor inkomensafhankelijke combinatiekorting kan hij/zij een winst behalen van € 35.784 zonder belasting te betalen. De berekeningswijze is toegelicht in onderstaande tabel. Indien er premies voor pensioen en arbeidsongeschiktheid worden afgetrokken, worden deze bedragen met die premies verhoogd.

 

Alleenstaande zelfstandige, geen starter, geen IACK

Alleenstaande zelfstandige, wel starter, geen IACK

Alleenstaande zelfstandige, wel starter, wel IACK

1.winst na eventuele aftrek premies arbeidsongeschiktheid en pensioen

25.298

27.512

35.784

2. zelfstandigenaftrek inclusief verhoging voor starters

– 7.280

– 9.403

– 9.403

3. MKB-winstvrijstelling

– 3.033

– 3.124

– 4.576

       

4. belastbaar inkomen = 1+2+3

14.985

14.985

21.806

       

5. IB voor heffingskorting (toepassing schijventarief op regel 4)

5.477

5.477

8.047

6. algemene heffingskorting

– 2.254

– 2.254

– 2.167

7. arbeidskorting

– 3.223

– 3.223

– 3.103

8. Inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK)

– 2.778

9. belasting totaal = 5+6+7+8

0

0

0

       

10 Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

809

809

1.178

Vraag 91

Kunt u figuur 3.3 en tabel 1a uit het interdepartementale beleidsonderzoek ZZP (p. 38 resp. p. 118) actualiseren op basis van het voorgestelde beleid in 2017?

Antwoord op vraag 91

Op basis van het voorgestelde beleid in 2017 komt tabel 1a uit het interdepartementale beleidsonderzoek ZZP er als volgt uit te zien:

1a Vergelijking brutonettotraject werknemer/IB-ondernemer/dga bij gelijke arbeidskosten en/of winst en met gelijke reserveringen voor werkloosheid, ziekte arbeidsongeschiktheid en aanvullend pensioen (Variant: WML)
 

Werknemer (loon)

IB-ondernemer (winst)

Dga (gebruikelijk loon/winst)

Arbeidskosten

25.376

 

25.376

Winst

 

25.376

0

Totale bruto arbeidskosten/winst

25.376

25.376

25.376

       

totaal werkgeverslasten (premies)

5.190

   

wv pensioen / VUT

958

   

wv Zorgverzekering (IAB Zvw)

1.313

   

wv werkloosheid (WW)

800

   

wv arbeidsongeschiktheid (WIA)

1.533

   

wv reservering/verzekering loondoorbetaling bij ziekte

585

   
       

Bruto inkomen box 1

20.186

25.376

25.376

       

Premielasten werknemer / ondernemer

435

2.926

2.926

wv pensioen / VUT

435

1.393

1.393

wv arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

1.533

1.533

       

Aftrekposten IB-ondernemer

 

9.813

wv zelfstandigenaftrek

 

7.280

 

wv MKB-winstvrijstelling

 

2.533

 

Belastbaar inkomen (box 1)

19.751

12.636

22.450

   

Inkomstenbelasting en vv-premies

1.843

0

2.951

wv Bruto heffing belasting en vv-premies

7.219

4.619

8.310

wv Algemene heffingskorting

– 2.254

– 2.254

– 2.136

wv Arbeidskorting

– 3.122

– 3.223

– 3.223

       

Overige belastingen en toeslagen

– 1.018

– 336

509

wv IAB Zvw

 

682

1.212

wv Zorgtoeslag

– 1.018

– 1.018

– 703

wv Vennootschapsbelasting

   

0

wv Aanmerkelijk belang-heffing (box 2)

   

0

       

Netto beschikbaar inkomen

18.926

22.786

18.989

netto reservering ivm werkloosheid en eerste twee ziektejaren

 

– 876

– 876

       

Netto inkomen (na reservering)

18.926

21.910

18.113

Figuur 3.3 heeft met de cijfers van 2017 het volgende uiterlijk:

Figuur 3.3. Kosten IB-ondernemer en werknemer bij gelijk netto besteedbaar inkomen inclusief en exclusief reserveringen voor pensioen, ziekte, arbeidsongeschiktheid en leegloop

Figuur 3.3. Kosten IB-ondernemer en werknemer bij gelijk netto besteedbaar inkomen inclusief en exclusief reserveringen voor pensioen, ziekte, arbeidsongeschiktheid en leegloop

Vraag 92

Hoe verklaart u de piek in de loan-to-value-ratio in 2012 (figuur 1.5.4)?

Antwoord op vraag 92

Sinds 1 januari 2013 is de ministeriele regeling hypothecair krediet van kracht. In deze regeling worden grenzen gesteld aan de maximale hoogte van het hypothecair krediet in verhouding tot de waarde van de woning (de LTV ratio) en de maximale van het hypothecair krediet ten opzichte van het inkomen (LTI). In 2013 is de LTV gemaximeerd op 105%. Sinds 2013 wordt de maximale LTV jaarlijks met 1 procentpunt verlaagd tot 100% in 2018. Ook moet er per 1 januari 2013 volledig en minimaal annuïtair afgelost worden om in aanmerking te komen voor hypotheekrenteaftrek. Hypotheken van 2012 en eerder vallen onder overgangsrecht.

Consumenten anticipeerden op de introductie van deze aangescherpte regels door nog in 2012 een woning te kopen. Veel van deze hypotheken zijn pas in 2013 geregistreerd omdat de voorwaarde toezag op het per 31 december hebben van een onherroepelijk koopcontract (en niet van een hypotheek). Dit verklaart waarschijnlijk de piek in het eerste kwartaal van 2013.

Vraag 93

Hoe verklaart u de oploop in de loan-to-value-ratio (figuur 1.5.4) in 2015?

Antwoord op vraag 93

De maximale LTV daalt sinds 2013 met 1 procentpunt per jaar en is in 2017 gemaximeerd op 101% van de waarde van de woning. De gemiddelde LTV van starters op het moment van afsluiting ligt sinds 2013 enkele procentpunten onder dit maximum. Hoewel de gemiddelde LTV fluctueert en in 2015 licht toenam, is de trend dalend.

Omdat in de dataset ook gegevens zijn opgenomen van doorstromers en oversluiters jonger dan 35, hoeft de beperkte stijging overigens niet het gevolg te zijn van starters die relatief meer lenen ten opzichte van de waarde van hun woning dan een jaar eerder.

Vraag 94

Wat is naar verwachting de gemiddelde loan-to-value-ratio na 2042 als iedereen in Nederland die van de hypotheekrenteaftrek gebruik maakt annuitair aflost?

Antwoord op vraag 94

De maximale LTV op het moment van afsluiten, zal in 2042 in grote mate afhangen van de dan geldende regelgeving en de voorkeuren van consumenten. Wel kan gesteld worden dat de LTV van consumenten die annuitair aflossen, daalt gedurende de looptijd van de hypotheek. Het aantal (langer lopende) annuitaire hypotheken ten opzichte van niet-annuitaire hypotheken zal de komende jaren naar verwachting verder toenemen waardoor de gemiddelde LTV in Nederland verder zal dalen. Vanaf 2042 zal naar verwachting, bij ongewijzigd beleid, het merendeel van de hypotheken ten minste anuitair worden afgelost waardoor ook de gemiddelde LTV in Nederland zal dalen.

Vraag 95

Met welk percentage namen de zorgkosten in omringende landen(Verenigd Koninkrijk/België/Duitsland/Frankrijk) toe in de afgelopen 8 jaar? Kan dit afgezet worden ten opzichte van Nederland?

Antwoord op vraag 95

Onderstaand tabel geeft de jaarlijkse nominale groei van de zorguitgaven11, over de laatste 8 jaren in Nederland en omringende landen, weer.

 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Gemiddeld

België

7%

6%

3%

6%

3%

3%

2%

2%

4,0%

Duitsland

4%

5%

4%

2%

3%

4%

4%

4%

3,7%

Frankrijk

4%

4%

2%

3%

2%

2%

3%

1%

2,7%

Verenigd Koninkrijk(VK)

6%

8%

2%

4%

4%

22%*

4%

2%

6,3%, 4,1%*

Nederland

7%

4%

4%

2%

4%

2%

2%

1%

3,1%

* In 2013 is de definitie in VK gewijzigd; de uitgaven aan private zorgverzekeringen zijn toegevoegd. Hierdoor is een eenmalige incidentele grote stijging te zien. Zonder deze stijging is het gemiddelde 4,1% en dus meer in lijn met de andere landen.

Vraag 96

Hoeveel lokaties van verzorgingshuizen zijn er gesloten sinds 2012?

Antwoord op vraag 96

Er wordt landelijk geen lijst bijgehouden van verzorgingshuizen die sluiten. Wat wel landelijk wordt geregistreerd zijn de indicaties (CIZ) voor de diverse zorgprofielen en de gerealiseerde productie en productieafspraken (NZa). De trend dat cliënten langer thuis blijven wonen is al langer zichtbaar. In 2010 woonden 84.000 ouderen in een verzorgingshuis, in 2015 waren dat er 52.000. Het aantal verpleeghuisplekken gefinancierd uit de Wlz/AWBZ is in dezelfde periode gestegen van ongeveer 74.000 in 2010 tot 78.000 in 2015. Deze toename is beperkt door de overheveling van geriatrische revalidatiezorg naar de Zvw per 1-1-2013. Als hiervoor wordt gecorrigeerd bedraagt de toename tussen 2010 en 2015 circa 11.000 verpleeghuisplaatsen. Het onderscheid tussen verpleeg- en verzorgingshuizen vervaagt steeds meer. In verzorgingshuizen worden steeds zwaardere cliënten geholpen. Het aantal cliënten met een licht ZZP (ZZP VV 1 t/m 3) neemt de komende jaren geleidelijk af. Hierdoor zal het aantal cliënten in een verzorgingshuis verder dalen en ontvangen deze cliënten hun zorg thuis via Wmo/Zvw. Het aantal plekken dat bezet is met mensen met een hoog ZZP kan de komende jaren groeien met een tempo dat gelijke tred houdt met demografische factoren.

In reactie op bovenstaande langjarige trend kunnen verzorgingshuizen die een afnemende vraag van cliënten met een licht ZZP waarnemen, zich richten op de zwaardere cliëntenpopulatie of op basis van scheiden van wonen en zorg zich richten op cliënten uit de Wmo/Zvw. Afhankelijk van de mate waarin zij hierin slagen, behoeven verzorgingshuizen niet te sluiten. Anderzijds geldt dat sluiting van verzorgingshuizen door renovatie of nieuwbouw van alle tijden is, dus ook los staat van extramuralisering. Er is geen registratie van de eventuele nieuwe aanwending van verzorgingshuizen die sluiten.

Vraag 97

Is er inzicht in wat er met de locaties van gesloten verzorgingshuizen gebeurd is?

Antwoord op vraag 97

Zie antwoord vraag 96.

Vraag 98

Kunt u aangeven hoeveel subsidie er betaald is voor duurzame energie in de periode 2010–2020?

Antwoord op vraag 98

Dit betreft de gerealiseerde uitgaven van de MEP, SDE, SDE+, exclusief de stortingen in de begrotingsreserve Duurzame Energie.

Vraag 99

Kunt u aangeven hoeveel subsidie er uitgeven is (of uitgeven gaat worden) voor elke PJ opgewekte duurzame energie?

Antwoord op vraag 99

Naar de huidige inzichten zal de subsidie per PJ geleidelijk aan dalen naar € 15,0 miljoen / PJ in 2020 en € 13,8 miljoen / PJ in 2023.

Vraag 100

Kunt u voor figuur 2.2.3. per observatie aangeven om welk land het gaat, net als in de tabel van de ECB waaruit dit komt?

Antwoord op vraag 100

Onderstaand ziet u de grafiek met vermelding van het land dat ieder datapunt vertegenwoordigt.

Vraag 101

Kunt u figuur 2.2.3. opnieuw maken maar dan met toename/afname werkloosheid over dezelfde periode (dus vanaf 2008 en niet vanaf 2013)?

Antwoord op vraag 101

De reden om de afname van de werkloosheid te tonen over een latere periode dan de periode waarin de arbeids- en productmarkthervormingen zijn getroffen, is omdat wordt aangenomen dat het enige tijd duurt voordat hervormingen volledig geïmplementeerd zijn, en effect hebben op de werkloosheid. Ook het ECB onderzoek waarnaar in de tekst wordt verwezen hanteert om deze reden een vertraging tussen de hervormingsindicator en het effect op de werkloosheid. Een figuur waarin deze vertraging niet zit, zou een minder goede weergave geven van het effect van hervormingen op de werkloosheid.

Vraag 102

Kunt u de EU-landen in volgorde van hoeveel zij hervormd hebben volgens de indicator die hier gebruikt wordt? Kunt u dus per land aangeven in een tabel hoe hoog de hervormingsindicator is en kunt u daarin ook de afgelopen jaren meenemen?

Antwoord op vraag 102

De tabel toont over de periode 2008–2013 de OESO-hervormingsindicator voor de landen die in de grafiek worden getoond. Er is geen recentere data beschikbaar dan voor het jaar 2013. De hervormingsindicator is berekend als de som van de verandering in de OESO-indicator voor arbeidsmarktrigiditeit en verandering in de indicator voor productmarktregulering. De indicator voor arbeidsmarktrigiditeit meet onder meer de mate van ontslagbescherming. De indicator voor productmarktregulering meet onder meer de toegankelijkheid van productmarkten voor nieuwe toetreders. De resulterende hervormingsindicator houdt dus geen rekening met hervormingen op terreinen anders dan de arbeids- en productmarkt (zoals bijvoorbeeld hervormingen op de woningmarkt).

Oostenrijk

0,05

België

0,03

Tsjechië

0,05

Denemarken

0,02

Estland

0,10

Duitsland

0,01

Finland

0,02

Frankrijk

0,03

Griekenland

0,20

Hongarije

0,11

Ierland

– 0,06

Italië

0,08

Nederland

0,01

Polen

0,09

Portugal

0,27

Slowakije

0,18

Slovenie

0,05

Spanje

0,11

Verendigd Koninkrijk

0,02

Zweden

0,08

Vraag 103

Het CPB komt op een EMU-saldo van 0,7%, de Miljoenennota 2017 komt op 0,5%. Kunt u dit verschil duiden?

Antwoord op vraag 103

Zie antwoord vraag 19.

Vraag 104

Het CPB komt op een EMU-schuld van 61,8%, de Miljoenennota 2017 komt op 62,1%. Kunt u dit verschil duiden?

Antwoord op vraag 104

In 2017 bedraagt het feitelijk EMU-saldo in de Miljoenennota -0,5 procent van het bbp. Het CPB raamt voor 2017 een feitelijk EMU-saldo van -0,7 procent van het bbp. Dit verschil wordt toegelicht in onder andere het antwoord op vraag 19. Het verschil werkt ook door in de EMU-schuld voor 2017.

Daarnaast anticipeert het CPB in zijn raming reeds op de verdere verkopen van aandelen ABN AMRO en ASR. Dit heeft in de MEV-raming een schuldverlagend effect van ongeveer 0,6 procent van het bbp.

Vraag 105

Op welke wijze is de 100 miljoen euro die wordt uitgetrokken voor armoedebestrijding onder kinderen budgettair verwerkt?

Antwoord op vraag 105

De middelen voor armoedebestrijding onder kinderen staan op dit moment op de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, op het artikel nominaal en onvoorzien (art. 99). In 2017 zal daarvan 85 miljoen euro door middel van een decentralisatie uitkering, dus via de gemeentefondsbegroting naar gemeenten gaan, 1 miljoen naar Caribisch Nederland en 14 miljoen naar landelijke en bovengemeentelijke initiatieven van bijvoorbeeld maatschappelijke organisaties. Dit loopt via de SZW begroting.

Vraag 106

Kunt u in een grafiek uiteenzetten wat het effect is van de voorgestelde wijziging in de arbeidskorting uit het «Pakket 2017» (verlagen maximale bedrag en verlagen afbouwgrens) op het inkomen van werkenden met een inkomen tussen 20.000 euro en 140.000 euro?

Antwoord op vraag 106

In onderstaande figuur wordt het verschil weergegeven in het recht op arbeidskorting waarbij het recht op arbeidskorting bij doorgang Belastingplan 2017 wordt vergeleken met het recht op arbeidskorting bij geen doorgang Belastingplan 2017 voor inkomens uit arbeid tussen de € 20.000 en € 140.000.

Figuur. Verschil in recht op arbeidskorting doorgang Belastingplan 2017 ten opzichte van geen doorgang Belastingplan 2017

Figuur. Verschil in recht op arbeidskorting doorgang Belastingplan 2017 ten opzichte van geen doorgang Belastingplan 2017

Vraag 107

Met hoeveel gaat de belasting voor werkenden in totaal omhoog, als het tarief in de derde schijf wordt verhoogd en het eindpunt van de derde schijf wordt verlaagd (in totaal voor 2,4 miljard euro.) en de algemene heffingskorting in de eerste belastingschijf wordt verhoogd (in totaal voor 2,3 miljard euro.)?

Antwoord op vraag 107

In de hierna volgende figuur wordt voor inkomens uit arbeid tussen de € 20.000 en € 140.000 het verschil in de betalen belasting na aftrek van heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) weergegeven van een verhoging van het tarief in de 3e schijf en een verlaging van het eindpunt van de 3e schijf met een gezamenlijk budgettair beslag van € 2,4 miljard en een verhoging van de algemene heffingskorting met een budgettair beslag van € 2,3 miljard ten opzichte van doorgang van Belastingplan 2017. Naast werkenden met een laag inkomen profiteren ook niet-werkenden zoals bijvoorbeeld uitkeringsgerechtigden en ouderen met een klein aanvullend pensioen van deze fiscale maatregelen.

Figuur. Verschil in te betalen belasting voorgestelde wijzigingen ten opzichte van doorgang Belastingplan 2017

Figuur. Verschil in te betalen belasting voorgestelde wijzigingen ten opzichte van doorgang Belastingplan 2017

Vraag 108

Welk deel van het koopkrachtpakket is structureel? Kunt u toelichten wat hiervan het effect is op de structurele werkgelegenheid?

Antwoord op vraag 108

Het volledige koopkrachtpakket is structureel. Door de maatregelen van het kabinet gaan uitkeringsgerechtigden er volgend jaar in doorsnee niet in koopkracht op achteruit, maar op vooruit, net zoals werkenden en gepensioneerden. Het kabinet vindt een evenwichtig inkomensbeeld belangrijk, zodat alle groepen mee profiteren van economisch herstel. Wel is het zo dat deze koopkrachtreparatie werkgelegenheid kost, omdat er middelen worden geschoven (van actieven) naar inactieven. Daarbij kan worden aangetekend dat dit effect op de werkgelegenheid partieel is. Ook na het koopkrachtpakket gaan werknemers met een laag inkomen er volgend jaar méér op vooruit dan mensen in de bijstand. Per saldo neemt in 2017 de prikkel om vanuit een uitkering te gaan werken toe ten opzichte van 2016. De koopkrachtreparatie past dan ook in het beleid van het kabinet om werk méér te laten lonen, maar uitkeringsgerechtigden daar niet de dupe van te laten zijn.

Vraag 109

De terugdraaiing van de bezuiniging op de verpleeghuiszorg staat voor 500 miljoen euro ingeboekt, waarvan 400 miljoen euro uit de uitgaven. Wanneer, waar en voor hoeveel is deze bezuiniging eerder ingeboekt als bezuiniging?

Antwoord op vraag 109

Bij regeerakkoord is de maatregel «Landelijke invoering intramurale AWBZ» ingeboekt als bezuiniging van 45 mln. in 2016 (vorig jaar teruggedraaid) en 500 mln. vanaf 2017.

In de verticale toelichting van het budgettair kader zorg (internetbijlage) bij de miljoenennota 2014 (Kamerstuk 33 750, nrs. 1 en 2) vindt u het inboeken van deze maatregel terug (E47 landelijke invoering intramurale awbz).

In het Financieel Beeld Zorg in de ontwerpbegroting 2014 van VWS vindt u op pagina 183 een tabel met de verticale ontwikkeling van de AWBZ uitgaven (Kamerstuk 33 750 XVI, nr. 2). Ook hier treft u de mutatie aan waarmee de bezuiniging op de AWBZ is ingeboekt.

Vraag 110

Kunt u toelichten wat de compensatie van hogere zorgpremies vanuit het inkomstenkader voor circa 210 miljoen euro als dekking van het pakket inhoudt?

Antwoord op vraag 110

De mutatie van zorgpremies zijn onderdeel van het inkomstenkader. Als zorgpremies minder/meer stijgen dan waar in het regeerakkoord rekening mee is gehouden wordt dat binnen het inkomstenkader gecompenseerd. De compenserende lastenverlichting die afgelopen augustus nodig bleek om het inkomstenkader te sluiten is ingezet in het koopkrachtpakket, zodat een kleiner bedrag van het koopkrachtpakket buiten de kaders om kan worden gefinancierd.

Vraag 111

Hoeveel gas is er de laatste 10 jaar geproduceerd, zowel in volume als gasbaten?

Antwoord op vraag 111

 

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Productie aardgas totaal (Nm3)

Bron: TNO

71

68

79

74

86

75

74

80

66

50

                     

Gasbaten (mld euro, kasbasis, excl. VPB)

8,1

7,9

10,5

11,0

7,7

11,2

11,8

13,3

10,6

6,4

Vraag 112

Wanneer is de meerjarige integrale ICT planning van de Belastingdienst gereed?

Antwoord op vraag 112

De interne Integrale ICT-planning is recent gereedgekomen. Voor finale afronding is de inpassing voor 2017 en volgende jaren in het financiële kader nog benodigd.

Vraag 113

Kunt u de meerjarige integrale ICT planning van de Belastingdienst aan de Kamer doen toekomen?

Antwoord op vraag 113

In het vierde kwartaal wordt de planning afgerond. Zie ook de 18e Halfjaarsrapportage, onderdeel Investeringsagenda.

Vraag 114

Het kabinet beschrijft de voordelen van ramen met langere horizon, zoals minder trendbreuk met oude middellange termijnraming. Waarom wordt er niet gekozen om vaker voor de langere termijn te ramen?

Antwoord op vraag 114

De Studiegroep Begrotingsruimte adviseert om in de nieuwe kabinetsperiode een jaarlijkse actualisatie van de meerjarenramingen te maken, in plaats van alleen bij Regeerakkoord. Dit komt de kwaliteit en de interne consistentie van de ramingen ten goede. Ook maakt dit het beter mogelijk om te toetsen aan de Europese begrotingsafspraken en te voldoen aan de rapportageverplichtingen vanuit de Europese Commissie. Een volgend kabinet moet besluiten of het dit advies overneemt.

Vraag 115

Hoe groot is de totale geschatte btw-carrouselfraude in Nederland?

Antwoord op vraag 115

Er wordt door de Belastingdienst of het Ministerie van Financiën geen schatting gemaakt van de btw-carrouselfraude in Nederland. Uiteraard worden naheffingen omzetbelasting met betrekking tot btw-carrouselfraude geadministreerd. In het jaar 2015 ging het om € 92.005.373. In Europees verband zijn er door de Europese Commissie wel schattingen gemaakt van de mogelijke omvang van de btw-carrouselfraude. In het VAT action plan (maart 2016) is de btw-carrouselfraude door de Europese Commissie voor de hele EU ingeschat op een bedrag van € 50 miljard.

Vraag 116

Hoeveel grote onderzoeken lopen er naar btw-carrouselfraude?

Antwoord op vraag 116

In 2015 zijn door de FIOD 8 carrouselfraudezaken afgerond.

Vraag 117

Op de verschillende kadertoetsen staan kaderaanpassingen vermeld. Deze aanpassingen zijn nauwelijks uitgesplitst en zeer summier toegelicht. Graag uitsplitsing met herkomst en besteding, en een toelichting over de achterliggende keuzes van deze aanpassingen. Betekenen deze aanpassingen overtreding van de begrotingsregels?

Antwoord op vraag 117

Hoofdstuk 3 van de Miljoenennota bevat elk jaar voor alle drie deelkaders een tabel met de ontwikkeling van de kadertoetsing. Deze tabel geeft de veranderingen weer van de toetsing van de daadwerkelijke uitgaven aan het uitgavenkader. Het uitgavenkader is aangepast aan het pakket voor maatschappelijke prioriteiten en koopkrachtreparatie, zoals is toegelicht in paragraaf 3.2 van de Miljoenennota. Normaal gesproken zou dit in de kadertoets niet zichtbaar zijn omdat zowel de uitgaven als het uitgavenkader naar boven worden bijgesteld, waardoor de kadertoets niet veranderd. In deze Miljoenennota is er echter voor gekozen om bij de kadertoetsing wel duidelijk aan te geven dat het uitgavenkader is aangepast. Dit gebeurt door zowel de extra uitgaven op te nemen (verslechtering van de kadertoetsing) als de verhoging van het uitgavenkader (verbetering van de kadertoetsing). De kaderaanpassingen bestaan uit de uitgaven uit het pakket en de macro-economische doorwerking daarvan, zoals onderstaande tabel laat zien.

Kaderaanpassingen (miljoen euro, + is verhoging uitgavenkader)

2017

Rijksbegroting in enge zin (RBG-eng)

 

Maatschappelijke prioriteiten VenJ

450

Maatschappelijke prioriteiten Defensie

300

Maatschappelijke prioriteiten OCW

200

Maatschappelijke prioriteiten overig (WIV, bevordering export en topsport)

40

Koopkracht Huurtoeslag

568

Macro-economische doorwerking

66

Totaal kaderaanpassing RBG-eng

1.624

   

Sociale zekerheid en Arbeidsmarktbeleid (SZA)

 

Maatschappelijke prioriteiten Plan armoede kinderen

100

Koopkracht Kindgebonden Budget

130

Macro-economische doorwerking

17

Totaal kaderaanpassing SZA

247

   

Budgettair Kader Zorg (BKZ)

 

Maatschappelijke prioriteiten VWS

400

Macro-economische doorwerking

62

Totaal kaderaanpassing BKZ

462

Vraag 118

Kunt u de kadertoetsen uitvoeren op het uitgavenkader zonder de kaderaanpassingen?

Antwoord op vraag 118

De kadertoetsing van het totaalkader en de drie deelkaders staat in miljoenen euro vermeld in bijlage 1 van de Miljoenennota. Exclusief de kaderaanpassingen voor het pakket 2017 (zie het antwoord op vraag 117) is de kadertoetsing zoals hieronder weergegeven:

Kadertoetsing (in miljoenen euro, + is overschrijding)

2017

Rijksbegroting in enge zin (RBG-eng)

 

1) Kadertoetsing Miljoenennota 2017

1.115

2) Kaderaanpassing pakket 2017

1.624

3) Kadertoetsing zonder kaderaanpassing pakket 2017 (1+2)

2.739

Sociale zekerheid en Arbeidsmarktbeleid (SZA)

 

1) Kadertoetsing Miljoenennota 2017

327

2) Kaderaanpassing pakket 2017

247

3) Kadertoetsing zonder kaderaanpassing pakket 2017 (1+2)

574

Budgettair Kader Zorg (BKZ)

 

1) Kadertoetsing Miljoenennota 2017

– 1.407

2) Kaderaanpassing pakket 2017

462

3) Kadertoetsing zonder kaderaanpassing pakket 2017 (1+2)

– 945

Totaalkader

 

1) Kadertoetsing Miljoenennota 2017

35

2) Kaderaanpassing pakket 2017

2.333

3) Kadertoetsing zonder kaderaanpassing pakket 2017 (1+2)

2.368

Vraag 119

Waarom zijn de uitgavenkaders aangepast?

Antwoord op vraag 119

Zie het antwoord op vraag 9.

Vraag 120

Wat is de stand en de verwachte ontwikkeling van de begrotingsreserve asiel voor de jaren 2016, 2017 en 2018? Hoe zag deze raming eruit bij Voorjaarsnota 2016?

Antwoord op vraag 120

In de begroting van VenJ (p. 77) is het volgende overzicht over het verloop van de asielreserve opgenomen:

Daarbij staat: «Het deel van de asielreserve [dat] per 31 december 2017 resteert (€ 166,2 mln) wordt in 2018 ingezet ter dekking van de kosten van de asielopvang in dat jaar.»; de verwachte stand op 31/12/2018 is dus nihil. De stand van de asielreserve bij voorjaarsnota 2016 was 565,2 mln.

Vraag 121

Welk deel van de 52 miljoen euro voor wisselkoersproblematiek is bestemd voor het opvangen van tegenvallers vanwege de dollarkoers bij de JSF?

Antwoord op vraag 121

Van het bedrag van 52 mln. is 40 mln. bestemd voor de Defensiebegroting. 12 mln. is toebedeeld voor valutaschommelingen op de begroting van Koninkrijksrelaties. Het bedrag van 40 mln. is bedoeld om binnen de Defensiebegroting een reservering voor valutaschommelingen in investeringsprojecten aan te leggen. Defensie vult deze reservering zelf verder aan, bijvoorbeeld uit toekomstige valutameevallers. Voor de JSF/F-35 geldt een separaat afsprakenkader om verdringing van andere projecten te voorkomen. De reservering is daarom niet van toepassing op de F-35.

Vraag 122

In de kadertoets Budgettair Kader Zorg staat een bezuiniging van 0,4 miljard euro op nominaal en onvoorzien Wlz gepland. Kan deze bezuiniging verduidelijkt en uitgesplitst worden?

Antwoord op vraag 122

De groeiruimte care (boven demo) op de sector nominaal en onverdeeld is ingezet ter dekking van problematiek binnen de Wlz. Daarnaast is er een e ramingsbijstelling van het Wlz-kader. De lage rentestand voor de financiering van gebouwen leidt tot de voornaamste meevaller.

Inzet Wlz middelen t.b.v. problematiek (x mln.)

2017

Reserve nominaal en onverdeeld Wlz

– 280

Ramingsbijstelling

– 100

Totaal

– 380

Vraag 123

Kan ingegaan worden op het risico voor de staatskas van rentefluctuaties op de staatsschuld? Hoeveel kost het de schatkist als de rente 1% stijgt? Kan dit standaard aangeven worden in hoofdstuk 4 van de Miljoenennota?

Antwoord op vraag 123

Ieder jaar wordt een deel van de staatsschuld afgelost. Voor deze aflossingen worden nieuwe leningen aangegaan tegen een nieuwe rente. Wanneer deze nieuwe rente hoger is dan de oude rente stijgen de rentelasten. Om het risico op stijgende rentelasten te beheersen hanteert het Agentschap een renterisicokader. Het huidige kader is eind 2015 vastgesteld12 voor de jaren 2016–2019. Hierin worden een gemiddelde looptijd en een renterisicobedrag als risicomaatstaven gehanteerd.

De gemiddelde looptijd is van invloed op het renterisico dat over een langere periode in de begroting gelopen wordt. Een portefeuille met een gemiddelde looptijd van 10 jaar heeft een kleiner renterisico dan een portefeuille met een gemiddelde looptijd van 5 jaar, omdat het langer zal duren voordat een rentestijging is doorgewerkt in de schuld. Het is tevens de verwachting dat met een hogere gemiddelde looptijd een opwaartse renteschok door de tijd heen geleidelijker tot hogere rentelasten in de begroting leidt. De streefwaarde voor de gemiddelde looptijd is 6,4 jaar in 2019.

Op korte termijn ontstaan renterisico’s door pieken in het aflosprofiel van de schuld. Hoe hoger het bedrag aan schuld dat in een jaar opnieuw gefinancierd moet worden, hoe hoger het renterisico in dat jaar. Om dit korte termijn risico te beheersen, is in het nieuwe kader een additionele risicomaatstaf geïntroduceerd, het renterisicobedrag (RRB). Deze maatstaf bestaat uit de schuld en het (netto) bedrag aan lopende renteswaps waarover de rente in de eerstvolgende 12 maanden opnieuw moet worden vastgesteld. Het RRB wordt gemeten als percentage van de totale staatsschuld. Voor de periode 2016–2019 wordt een RRB van 18% gehanteerd.

Als het renteniveau, zoals geraamd door het CPB, over de hele periode 1 procentpunt hoger was geweest, dan waren de jaarlijkse verwachte rentelasten voor de staatsschuld toegenomen volgens onderstaande tabel.

 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Toename raming rentelasten staatsschuld bij een rentestijging van 1 procentpunt (in mld.)

0,4

0,8

1,2

1,6

1,8

2,0

Hoofdstuk 4 van de Miljoenennota gaat over risico’s en het beleid om deze te beheersen. Dit jaar is er aandacht besteed aan het financieringsbeleid van de staatsschuld omdat eind 2015 het nieuwe renterisicokader is vastgesteld. Het financieringsbeleid van de staatsschuld is dus geen vast onderwerp in hoofdstuk 4 van de Miljoenennota. Het ligt daarom niet voor de hand om de gevolgen van een 1 procentpunt hogere rente elk jaar in dat hoofdstuk op te nemen. In de begroting en het jaarverslag van Nationale Schuld wordt altijd ingegaan op het gevoerde renterisicobeleid, de risico’s en de resultaten.

Vraag 124

Welke garanties verwacht het kabinet die afgebouwd zullen worden de komende tijd? Hoe groot zijn de garanties als onderdeel van het BBP? Kan dit vergeleken worden met onze buurlanden?

Antwoord op vraag 124

Ieder voorjaar vindt er een integrale afweging plaats over de uitgavenkant van de begroting maar ook over het aangaan of afbouwen van impliciete risico’s zoals garanties. Hierbij wordt bijvoorbeeld naar de onderbenutting gekeken van garanties. Voor de komende jaren geldt dus dat er, aanvullend op onderstaande garanties, besloten kan worden tot afbouw van andere garanties.

  • Garanties die samenhangen met interventies in financiële sector worden afgebouwd, zo vervalt in 2016 de garantie Propertize/SNS (2,8 miljard euro).

  • Verder worden de garanties die samenhangen met »instellingen voor de gezondheidszorg» en »voorzieningen tbv instellingen gehandicapten» geleidelijk afgebouwd (geraamde totaal 2017: 408 miljoen euro). Dit gebeurt door reguliere en vervroegde aflossing van de uitstaande leningen waarvan de laatste lening afloopt in 2043.

  • Ook de garanties die samenhangen met de «Bouwleningen academische ziekenhuizen» worden geleidelijk afgebouwd, hierbij lopen de laatste leningen af in 2035 (geraamde totaal 2017: 200 miljoen euro).

  • Op langere termijn worden ook de tijdelijke garanties voor financiële stabiliteit in Europa afgebouwd. Het gaat hierbij om de garantie «European Financial Stability Facility» (EFSF) (geraamde totaal 2017: 49,6 miljard).

Het totaal aan geraamde uitstaande garanties per 2017 betreft 198 miljard euro, dit is 28% van het bruto binnenlands product (bbp). Een vergelijking met buurlanden is te maken op basis van cijfers die worden gepubliceerd door Eurostat over garanties. Hierbij moet wel de kanttekening geplaatst worden dat de verschillende lidstaten uiteenlopende rapportagemethodes gebruiken voor garanties, de vergelijkbaarheid van de cijfers kent dus beperkingen. Eurostat past daarnaast ook een aantal uitzonderingen toe in wat zijn opnemen als garanties. Zo worden voor Nederland een aantal grote garanties zoals EFSF, EFSM, ESM, en garanties aan internationale financiële instellingen zoals het IMF niet meegerekend. Hierdoor komt het totaal van garanties dat gepresenteerd wordt in de Miljoenennota niet overeen met het totaal van de door Eurostat gepubliceerde cijfers. Met deze kanttekeningen moet dan ook onderstaande vergelijking bekeken worden.

Overheidsgaranties 2015

Nederland

4,0% bbp

Duitsland

16,4% bbp

België

11,6% bbp

Luxemburg

7,6% bbp

Vraag 125

Kunt u inzicht geven in de opbrengsten dan wel kosten die u uiteindelijk verwacht te gaan maken voor alle interventies in de financiële sector? Heeft het ministerie hier ramingen voor gemaakt? Kunt u inzicht geven in de uitkomsten van deze ramingen? In hoeverre verwacht u dat het budgettaire effect van de interventies bij ABN en SNS uiteindelijk neutraal zal zijn?

Antwoord op vraag 125

Het Ministerie van Financiën heeft geen ramingen voor het verwachte resultaat van alle interventies in de financiële sector. Het uiteindelijke resultaat hangt af van de verkoopopbrengst van de resterende financiële deelnemingen, nog te ontvangen dividenden, uitvoeringskosten en de rentestand. De hoogte van deze posten is op dit moment niet te voorspellen. Het is wel mogelijk om een voorlopig resultaat te laten zien van de financiële interventies, zoals dit is gebeurd in figuur 4.3.2 uit de Miljoenennota die hieronder nogmaals wordt weergegeven. Hieruit blijkt dat het voorlopige resultaat € 2,0 mld. positief is.

Voorlopig resultaat financiële interventies 2008–2017 (x mrd €)

Voorlopig resultaat financiële interventies 2008–2017 (x mrd €)

Vraag 126

Kunt u aangeven voor welk bedrag DNB inmiddels namens de ECB aan schuldpapier heeft opgekocht? Hoe wordt de hoogte van de voorziening voor de risico’s van dit schuldpapier bepaald? Hoe hoog is deze buffer nu? Op welke wijze gaan andere landen om met de risico’s die Centrale Banken lopen en daarmee de effecten op de overheidsfinanciën, worden daar ook voorzieningen genomen, waarom wel of niet? Is er sprake van harmonisatie? In welke mate lopen de risico’s die landen via deze weg lopen synchroon?

Antwoord op vraag 126

Onder het EAPP (Expanded Asset Purchase Programme) kopen de nationale centrale banken en de ECB obligaties van nationale overheden, supranationale instellingen, gedekte obligaties van banken, asset-backed securities (ABS-en) en bedrijfsobligaties. De aankopen van Nederlandse staatsobligaties komen op de eigen balans van DNB en zijn niet voor risicodeling met het stelsel.

De andere obligaties worden wel tegen risicodeling gekocht, waarbij DNB deelt in de winsten en verliezen op deze instrumenten, maar niet altijd zelf de aankopen uitvoert. DNB heeft een uitvoerende taak bij het opkopen van Nederlandse staatsobligaties en gedekte obligaties. Voor een verdere toelichting zie de kamerbrief die ik op 14 april jongstleden hierover gestuurd heb.13

Het DNB aandeel in de EAPP aankopen is als volgt14:

DNB aandeel

Risicodeling binnen Eurosysteem

EUR mrd

PSPP NL

Nee

47,6

PSPP govt en supra

Ja

12,3

CBPP3

Ja

10,8

ABSPP

Ja

1,1

CSPP

Ja

1,1

DNB hanteert een risicobeleid waarbij zij voldoende gekapitaliseerd is indien de aanwezige buffers met een hoge mate van zekerheid de financiële risico’s overstijgen. DNB maakt voor het inschatten van de risico’s gebruik van de expected shortfall methode (ES99%) en scenario-analyses. Onder verantwoordelijkheid van het Risicomanagementcomite (RMC) van DNB worden deze risicoberekeningen ontwikkeld, beoordeeld en gebruikt. Eind 2015 bedroeg15 de totale buffer voor risico’s 14,1 miljard euro (inclusief de staatsgarantie en de 500 miljoen euro aan reeds opgebouwde voorziening).

De wijze waarop andere landen en hun nationale centrale banken (NCBs) omgaan met de risico’s varieert en is naast de risicoblootstelling onder meer afhankelijk van nationale afspraken met betrekking tot kapitaal, winstafdracht en de opbouw van een eventuele voorziening. De ECB heeft in 2012 de ECB Accounting Guideline aangepast, waardoor sindsdien iedere NCB de mogelijkheid heeft een voorziening voor wisselkoers-, rente-, krediet- en goudprijsrisico's in de balans te creëren. Een aantal NCB’s in andere Eurolanden was al langer in de gelegenheid een voorziening op te bouwen, omdat dit in nationale wetgeving al was verankerd (voor DNB was dit niet het geval). Momenteel heeft het grootste deel van de NCBs een algemene risicovoorziening ingericht.

Voor risico’s die centraal gedeeld worden, zoals de risico’s van reguliere monetaire operaties, loopt het risico voor DNB synchroon loopt met dat van andere NCBs. Voor risico’s die niet centraal gedeeld worden, zoals het grootste deel van de QE, geldt dat de risico’s verschillen. DNB loopt in vergelijking met andere NCBs bovengemiddeld veel renterisico, maar minder dan gemiddeld kredietrisico. Dat komt omdat DNB Nederlandse staatsobligatie opkoopt, die een zeer kredietwaardig zijn en daarmee ook een lage rente hebben. Andere nationale centrale banken kopen staatsobligaties van hun overheid op, met een (volgens de markt) lagere kredietwaardigheid en een hogere rente. Als de rente stijgt loopt DNB daarmee in vergelijking met andere nationale centrale banken (behoudens de Bundesbank) meer renterisico omdat DNB reeds bij een geringe stijging van de beleidsrente te maken krijgt met een situatie waarbij zij meer moet betalen op de bij haar gestalde deposito’s dan ze ontvangt aan vergoeding op de opgekochte Nederlandse staatobligaties. Daar staat tegenover dat DNB zeer kredietwaardige exposures bezit; DNB houdt dan ook geen voorziening aan voor kredietrisico op Nederlandse staatsobligaties.


X Noot
2

Kamerstuk 34 475 XV, nr. 1

X Noot
4

Effective Carbon Rates, Pricing CO2 through Taxes and Emissions Trading Systems (2016), OECD.

X Noot
5

Het bedrag van 30 euro betreft een conservatieve schatting van de schade die voortkomt uit de uitstoot van één ton CO2en dient in dit onderzoek als benchmark voor beprijzing van CO2-uitstoot.

X Noot
6

Kamerstuk 33 964,nr. 43.

X Noot
7

CBS, juli 2015, Revisie Energiebalans1995–2013

X Noot
11

OECD definitie volgens het System of Health Accounts (SHA)

X Noot
12

Kamerstuk 31 935, nr. 25.

X Noot
13

Kamerstuk 32 013, nr. 128

X Noot
14

Berekend als 5,7% van het totaal van de Eurosysteem aankopen per eind augustus, zie https://www.ecb.europa.eu/mopo/implement/omt/html/index.en.html

Naar boven