Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634298 nr. 3

34 298 Parlementair onderzoek Breed welvaartsbegrip

Nr. 3 Rapport – Tijdelijke commissie Breed welvaartsbegrip

Aangeboden 20 april 2016

INHOUDSOPGAVE

 

Voorwoord

3

     
 

Hoofdconclusies en aanbevelingen

4

     

1.

Inleiding en verantwoording

8

 

1.1

Aanleiding onderzoek

8

 

1.2

Samenstelling commissie en staf

8

 

1.3

Onderzoeksopdracht

9

 

1.4

Onderzoeksaanpak

11

 

1.5

Leeswijzer

12

     

2.

Wat is brede welvaart?

14

 

2.1

Inleiding

14

 

2.2

De economische welvaartstheorie

14

 

2.3

Brundtlandrapport

15

 

2.4

Het rapport van de commissie-Stiglitz

16

 

2.5

Kwaliteit van leven, welzijn en geluk

17

 

2.6

Termen voor brede welvaart: overlap en accentverschillen

18

 

2.7

Conclusies

18

     

3.

Het bruto binnenlands product (bbp)

20

 

3.1

Inleiding

20

 

3.2

Definitie

20

 

3.3

Het systeem van nationale rekeningen

21

 

3.4

De cruciale rol van het bbp

22

 

3.5

Het bbp en de moderne economie

23

 

3.6

Wat meet het bbp niet?

26

 

3.7

Conclusies

29

     

4.

De internationale zoektocht naar maatstaven voor brede welvaart

30

 

4.1

Inleiding

30

 

4.2

Ontwikkelingen binnen het systeem van nationale rekeningen

30

 

4.3

De rol van internationale organisaties

33

 

4.4

Harmonisatie en de CES-recommendations

35

 

4.5

Het monitoren van internationale doelstellingen voor duurzame ontwikkeling

38

 

4.6

Internationale discussie over brede welvaart

41

 

4.7

Enkele initiatieven in andere landen

44

 

4.8

Conclusies

47

     

5.

Maatstaven voor brede welvaart «hier en nu»

49

 

5.1

Inleiding

49

 

5.2

Welvaart, kwaliteit van leven, welzijn en geluk

49

 

5.3

Informatie over enkele aspecten van welvaart «hier en nu»

52

 

5.4

Dashboards voor brede welvaart

54

 

5.5

Conclusies

60

     

6.

Maatstaven voor brede welvaart «later» en «elders»

62

 

6.1

Inleiding

62

 

6.2

Ramingen, verkenningen en effectstudies

62

 

6.3

De kapitalenbenadering

68

 

6.4

Elders

73

 

6.5

Conclusies

80

     
 

Bijlagen

83

 

1.

Afkortingen

83

 

2.

Lijst met gesprekspartners

84

 

3.

Bronnenlijst

86

Voorwoord

Wat is welvaart? En hoe kunnen we die in kaart brengen? In onze alledaagse werkelijkheid staat het begrip welvaart voor veel méér dan alleen ons inkomen. Welvaart, in brede zin, omvat tal van aspecten, zoals gezondheid, veiligheid, goede huisvesting en onderwijs. Dat geldt individueel, maar ook voor de samenleving als geheel. Het betreft niet alleen het «hier en nu», maar ook de gevolgen van ons handelen elders en later.

De commissie Breed welvaartsbegrip stelt vast dat het alom bekende bbp, het bruto binnenlands product, dé indicator is voor meting van de omvang van onze economie, maar nooit bedoeld is geweest om brede welvaart te meten.

Er is nationaal en internationaal heel veel informatie voorhanden over onze brede welvaart. In het politieke debat is de impact van deze informatie desondanks gering, zeker vergeleken met die van het bbp. Veel politieke discussies, ook internationaal gezien, spitsten zich naar inzicht van de commissie teveel toe op het middel, het ontwikkelen van een eigen instrument. Daardoor wordt het doel, politieke aandacht voor brede welvaart, niet dichterbij gebracht. Voor deze valkuil heeft de commissie willen waken. Zeker nu initiatieven van wetenschappers en internationale instituties leiden tot een groeiende consensus over de wijze van meten van brede welvaart, is het beter daarbij aan te sluiten dan opnieuw het wiel uit te vinden.

Voor de commissie is duidelijk geworden dat er niet in de eerste plaats behoefte is aan meer informatie over brede welvaart, maar aan één gezaghebbend instrument om deze informatie duidelijk, actueel en kernachtig te presenteren. De conclusies van de commissie zullen zeker niet het laatste woord zijn over brede welvaart, maar de commissie hoopt met haar aanbevelingen de Tweede Kamer wel een helder kader te bieden voor een jaarlijks, structureel debat over de ontwikkeling van onze brede welvaart.

Rik Grashoff,

Voorzitter van de tijdelijke commissie Breed welvaartsbegrip

Hoofdconclusies en aanbevelingen

Achtergrond en doelstelling

Het bruto binnenlands product, het bbp, speelt een prominente rol in de economische wetenschap en het economisch beleid. Het bbp is inmiddels zo ingeburgerd dat de waarschuwing van Simon Kuznets, in de jaren veertig een van de grondleggers van het bbp, in de praktijk wel eens wordt vergeten: het bbp is geen maatstaf voor welvaart. In 2013 concludeerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat ook in Nederland het bbp de laatste vijftig jaar steeds meer gelijkgesteld wordt met (materiële) welvaart of met vooruitgang.

Die gelijkstelling van het bbp met materiële welvaart komt niet alleen voort uit een gebrekkig begrip van het bbp, maar kan ook samenhangen met de behoefte aan een maatstaf voor brede welvaart. De conclusie van de WRR was aanleiding voor de Tweede Kamer om een parlementair onderzoek in te stellen dat precies op die twee punten helderheid moest verschaffen. Enerzijds moest het onderzoek leiden tot een beter begrip van het bbp en anderzijds moesten maatstaven voor brede welvaart worden onderzocht.

Concreet is voor dit onderzoek de volgende drieledige doelstelling geformuleerd:

  • 1. Inzichtelijk maken wat het bbp wel en niet meet, en welke rol het bbp heeft in de beleidsvorming en de politieke besluitvorming.

  • 2. Vaststellen of en, zo ja, welke meerwaarde het heeft om naast het bbp instrumenten en/of indicatoren te ontwikkelen waarmee verschillende elementen van brede welvaart inzichtelijk te maken zijn, ten einde deze instrumenten en/of indicatoren te betrekken bij de beleidsvorming en in het politieke debat.

  • 3. Indien deze meerwaarde bestaat, een voorstel doen hoe deze instrumenten en/of indicatoren eruit zouden moeten zien en gebruikt kunnen worden.

De Tweede Kamer heeft de tijdelijke commissie Breed welvaartsbegrip ingesteld en opdracht gegeven het onderzoek uit te voeren. Van oktober 2015 tot april 2016 heeft deze commissie literatuuronderzoek gedaan, meer dan twintig gesprekken gevoerd met deskundigen en twee buitenlandse werkbezoeken afgelegd.

Hieronder presenteert de commissie haar hoofdconclusies en aanbevelingen. Daarnaast zijn in het rapport aan het einde van elk hoofdstuk concluderende paragrafen opgenomen.

Hoofdconclusies en aanbevelingen

Het bbp is een robuuste indicator om de omvang van de economie te meten. De indicator is prominent aanwezig in het publieke en politieke debat. Het bbp heeft echter ook beperkingen en is nooit bedoeld geweest om brede welvaart te meten.

Brede welvaart is meer dan het bbp alleen; het omvat volgens de commissie meer dan goederen en diensten die op de markt worden verhandeld. In lijn met de economische welvaartstheorie gaat de commissie ervan uit dat brede welvaart allerlei zaken behelst die voorzien in behoeftebevrediging van mensen. Dat betreft materiële aspecten, maar ook aspecten als onderwijs, gezondheid, milieu, de informele economie, ongelijkheid en innovatie. Bij het meten van brede welvaart is volgens de commissie niet alleen de welvaart «hier en nu» van belang, maar ook de toekomstige welvaart («later») en de impact van nationale welvaart op andere landen in de wereld («elders»). Om brede welvaart te meten zijn volgens de commissie naast het bbp aanvullende indicatoren nodig.

Brede welvaart staat internationaal op de kaart…

Er is een internationale discussie gaande over dergelijke indicatoren voor brede welvaart. Deze discussie heeft in 2009 een belangrijke impuls gekregen door een rapport van onder meer de Nobelprijswinnaars Stiglitz en Sen. Wereldwijd zijn honderden uiteenlopende initiatieven ondernomen om brede welvaart te meten.

Gezamenlijke werkgroepen van de VN, de OESO en Eurostat, waaraan ook de Wereldbank en nationale statistiekbureaus deelnemen, werken sinds 2004 tevens aan internationale harmonisatie van het meten van brede welvaart. Een belangrijk resultaat hiervan is de publicatie in 2014 van aanbevelingen voor het meten van duurzame ontwikkeling, de zogenoemde «CES-recommendations on measuring sustainable development». Deze zijn in belangrijke mate beïnvloed door het rapport van de commissie-Stiglitz-Sen-Fitoussi (hierna: commissie-Stiglitz). De internationale instituten en de «Chief Statisticians» van meer dan zestig landen, waaronder Nederland, hebben deze aanbevelingen onderschreven. Momenteel voeren tien landen testen uit op basis van de CES-recommendations.

De CES-recommendations volgen de indeling van brede welvaart in de dimensies «hier en nu», «elders» en «later». Voor «later» is de zogenoemde «kapitalenbenadering» het uitgangspunt. De commissie ziet dit als een analytisch sterke benadering. In deze benadering wordt ervan uitgegaan dat de toekomstige welvaart afhangt van de verschillende vormen van kapitaal die een samenleving doorgeeft aan latere generaties. De onderscheiden kapitaalvormen zijn economisch, menselijk, natuurlijk en sociaal kapitaal. In de CES-recommendations wordt voor de dimensie «elders» aanbevolen in de toekomst mede gebruik te maken van voetafdrukindicatoren als deze voldoende ontwikkeld zijn. De commissie stelt vast dat de koolstofvoetafdruk het meest ontwikkeld is, en wijst op het belang van doorontwikkeling van deze voetafdruk.

…maar de initiatieven zijn nog zeer versnipperd

Zowel internationale organisaties als afzonderlijke landen hebben initiatieven ondernomen om sets van indicatoren («dashboards») voor brede welvaart te ontwikkelen. In Frankrijk en Duitsland zijn bijvoorbeeld jarenlange trajecten doorlopen om tot een eigen set indicatoren te komen, maar met beperkt resultaat en zonder tot overeenstemming te hebben geleid. Internationale organisaties als de VN, de OESO, Eurostat en de Wereldbank hebben daarnaast ieder hun eigen set indicatoren ontwikkeld. De commissie constateert dat er vooralsnog gebrek is aan internationale harmonisatie en afstemming tussen de verschillende landen en internationale organisaties, en dat de verschillende initiatieven mede daardoor tot op heden weinig impact hebben gehad. De commissie pleit er daarom voor in Nederland niet ook opnieuw het wiel uit te vinden door een eigen nationale set indicatoren te ontwikkelen, maar juist bij te dragen aan verdere internationale harmonisatie.

De Nederlandse Monitor Duurzaam Nederland van het CBS en de planbureaus gaat over brede welvaart. De monitor is in zijn huidige vorm niet goed bruikbaar in het politieke debat. In verschillende landen zijn eenzelfde soort studies en onderzoeken verschenen, veelal met dezelfde thema’s (zoals materiële welvaart, leefomgeving, opleiding, gezondheid en veiligheid). Op indicatorniveau zijn er echter verschillen. Daardoor is het beeld versnipperd en de maatschappelijke impact gering.

Internationaal is er wel overeenstemming aan het ontstaan over het gebruik van indicatoren in de vorm van de eerder genoemde CES-recommendations. Veel landen en internationale organisaties hebben hun instrumenten voor het meten van brede welvaart echter (nog) niet in overeenstemming gebracht met de CES-recommendations.

Ook de visuele presentatie van de instrumenten loopt uiteen. De commissie constateert dat de Better Life Index van de OESO, in tegenstelling tot de Monitor Duurzaam Nederland, op een aantrekkelijke, toegankelijke en bruikbare wijze inzicht geeft in de brede welvaart «hier en nu». Het spreekt de commissie aan dat de Better Life Index in hoofdzaak bestaat uit objectieve indicatoren. De commissie is van mening dat de Better Life Index als goede basis kan dienen voor de presentatie.

In Nederland is op nationaal niveau veel informatie beschikbaar over brede welvaart, onder meer door vele publicaties van het CBS en de Nederlandse planbureaus. Met name over de welvaart «hier en nu» is er een grote rijkdom aan informatie. Over de dimensies «later» en «elders» is weliswaar ook wel informatie beschikbaar, maar er zijn ook nog belangrijke vragen en lacunes in (wetenschappelijke) kennis en informatie. Zo ontbreekt de kennis om bestaande ramingen uit te breiden met meer aspecten van brede welvaart. Verder kan een aantal kapitaalvormen binnen de kapitalenbenadering nog niet in één cijfer worden uitgedrukt, en zijn er nog methodologische beperkingen bij het berekenen van voetafdrukindicatoren. Nederlandse wetenschappers en instituten spelen een prominente rol bij (wetenschappelijke) ontwikkelingen op deze gebieden. De commissie vindt het een goede zaak dat Nederlandse wetenschappers en instituten actief bijdragen aan verbetering van de meting van deze dimensies.

De informatie over brede welvaart heeft nog weinig impact in het publieke en politieke debat. Ondanks de beschikbaarheid van informatie over brede welvaart kan de impact van die informatie in het publieke en politieke debat niet tippen aan die van het bbp. De commissie concludeert dat de beschikbare informatie over brede welvaart tot dit moment nog niet optimaal wordt gebruikt. Volgens de commissie wordt dit veroorzaakt door de veelheid en diversiteit van initiatieven en indicatoren, het gebrek aan internationale harmonisatie, een tekort aan actuele gegevens en de wijze waarop informatie wordt gepubliceerd en gepresenteerd. De publicatiemethoden, presentatie en verschijningsfrequentie van de vele initiatieven en publicaties over brede welvaart lopen zeer uiteen. Er zijn geen publicaties over brede welvaart gekoppeld aan vaste momenten in het parlementaire proces.

De commissie is van mening dat het onderwerp brede welvaart meer aandacht verdient in het politieke debat. Dat politieke debat moet niet gaan over meetinstrumenten en indicatoren, maar over hoe het er op hoofdlijnen voor staat met de brede welvaart, en over welke politieke keuzes daarbij gemaakt moeten worden. Aan dit debat heeft het tot nu toe vaak ontbroken. Om een basis te bieden voor dat debat doet de commissie de volgende aanbevelingen.

  • 1. De commissie adviseert het kabinet het CBS te verzoeken jaarlijks een Monitor Brede Welvaart te publiceren. Daartoe adviseert de commissie de bestaande Monitor Duurzaam Nederland gericht door te ontwikkelen tot de gewenste Monitor Brede Welvaart. Neem daarbij de Better Life Index van de OESO als inspiratie om de visuele presentatie van de dashboards te verhelderen zodat de monitor in één oogopslag zicht biedt op de meest essentiële informatie. Verhoog de actualiteit van de in de monitor gepresenteerde gegevens, al dan niet door gebruik te maken van de methode van voorspelling van gegevens naar het heden («now-casting»). Geef op relevante indicatoren informatie over ongelijkheid en verdeling van aspecten van welvaart over verschillende bevolkingsgroepen. Zorg voor mogelijkheden voor vergelijking met andere landen en over de tijd.

  • 2. De commissie stelt aan de Tweede Kamer voor op een vast moment in het parlementaire jaar in een debat expliciet stil te staan bij de Monitor Brede Welvaart. De commissie vindt het jaarlijkse verantwoordingsdebat in het voorjaar hiervoor het meest geschikte moment. De Monitor Brede Welvaart dient jaarlijks voorafgaand aan dit debat te verschijnen. De commissie adviseert de Tweede Kamer voorafgaand aan het debat het kabinet te verzoeken om een inhoudelijke kabinetsreactie op de stand van zaken van de brede welvaart in Nederland zoals geschetst in de Monitor Brede Welvaart.

  • 3. De commissie hecht grote waarde aan internationale harmonisatie bij het meten van brede welvaart en vindt dat hierin een doorbraak nodig is. De commissie roept de nationale statistische instituten en internationale organisaties als de OESO, de VN, Eurostat en de Wereldbank daarom op serieus werk te maken van verdere harmonisatie, keuzes te maken en de verschillende instrumenten voor het meten van brede welvaart met elkaar in overeenstemming te brengen. Dit verdient de voorkeur boven nog meer eigen initiatieven van individuele landen. De commissie roept de nationale statistische instituten en internationale organisaties op de door hen onderschreven CES-recommendations on measuring sustainable development daadwerkelijk gestalte te geven in hun publicaties en instrumenten over brede welvaart. Ook de nieuwe Monitor Brede Welvaart dient uiteraard de CES-recommendations te volgen. De commissie dringt er bij het CBS op aan de internationale harmonisatie te blijven aanjagen.

1. Inleiding en verantwoording

1.1 Aanleiding onderzoek

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) concludeert in zijn rapport Naar een lerende economie (2013) dat het bbp de laatste vijftig jaar steeds meer gelijkgesteld wordt met (materiële) welvaart of met vooruitgang, maar dat het bbp-begrip verschillende beperkingen kent. Hoewel de zeggingskracht van het bbp niet mag worden onderschat, is er een bredere tendens om de focus niet alleen op het bbp te leggen. Wereldwijd zijn en worden initiatieven genomen om de bbp-metingen te verfijnen en om de mogelijkheden van een breder welvaartsbegrip te onderzoeken. Het gaat om initiatieven van zowel regeringen en parlementen als van internationale organisaties.1 In Nederland hebben het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de drie planbureaus2 reeds het initiatief genomen om de verschillende aspecten van brede welvaart in beeld te brengen. Zij hebben bijvoorbeeld de Monitor Duurzaam Nederland opgesteld, waarin een brede verzameling aan sociale, economische en ecologische indicatoren wordt gepresenteerd. Deze monitor speelt vooralsnog een beperkte rol in het politieke debat.

In het debat in de Tweede Kamer op 24 juni 2014 over het WRR-rapport hebben de leden Van Ojik en Pechtold een motie ingediend die de Kamer voorstelt te besluiten «tot het instellen van een tijdelijke commissie (...) die de taak heeft te komen tot een breed welvaartsbegrip en daarbij behorende indicatoren». 3 De Kamer heeft niet over deze motie gestemd, omdat de indieners ervoor kozen het voorstel voor een dergelijk parlementair onderzoek via het instrument van de toekomst- en onderzoeksagenda in te dienen. De Kamer heeft op 12 februari 2015 ingestemd met het voorstel4 voor een parlementair onderzoek naar een breed welvaartsbegrip. De Kamer heeft de vaste commissie voor Economische Zaken verzocht dit voorstel door een werkgroep nader uit te laten werken, zodat het onderzoek in de vorm van een tijdelijke commissie kon worden uitgevoerd.5 Deze werkgroep6 heeft een onderzoeksvoorstel7 opgesteld, waarin twee fasen van onderzoek werden onderscheiden. De Kamer heeft vervolgens op 6 oktober 2015 op voorstel van het presidium ingestemd met het instellen van een tijdelijke commissie en het uitvoeren van fase 1 van het onderzoeksvoorstel. In het voorliggende rapport presenteert de tijdelijke commissie de resultaten van haar onderzoek.

1.2 Samenstelling commissie en staf

Samenstelling commissie

De commissie bestaat uit de volgende Kamerleden:

  • de heer H.J. (Rik) Grashoff, GroenLinks, voorzitter

  • de heer M.G.J. (Mark) Harbers, VVD

  • de heer H. (Henk) Nijboer, PvdA

  • de heer A.Z. (Arnold) Merkies, SP

  • de heer P.E. (Pieter) Heerma, CDA

  • de heer W. (Wouter) Koolmees, D668

Tijdens de constituerende vergadering van de tijdelijke commissie Breed welvaartsbegrip op 7 oktober 2015 heeft de commissie het lid Grashoff tot voorzitter gekozen.

Samenstelling staf

De staf van de commissie bestaat uit ambtenaren van de Tweede Kamer en een gedetacheerde rijksambtenaar. De samenstelling van de staf is als volgt:

  • mevrouw M.E. (Marloes) Haveman-Schüssel, griffier

  • de heer M.Y. (Miguel) Israel, griffier9

  • de heer M.J.P. (Michiel) Becker, onderzoekscoördinator

  • de heer M.C.C. (Martijn) van Haeften, plv. onderzoekscoördinator

  • de heer R. (Rutger) Hoekstra, onderzoeksmedewerker

  • mevrouw W.J. (Wilma) van Zeijts, informatiespecialist

  • mevrouw M. (Marja) Rotermundt, commissieassistent

Het team is daarnaast op verschillende momenten versterkt door:

  • mevrouw N.A.C.M. (Nancy) Podt-van Ulden, voorlichter

  • mevrouw F.M.D. (Desirée) Schreurs, communicatieadviseur

  • mevrouw S. (Sylvia) Vink, adjunct-medewerker Bureau Onderzoek en Rijksuitgaven

Daarnaast heeft een aantal medewerkers van de Kamerorganisatie bijgedragen aan dit onderzoek, waarbij de medewerkers van de Dienst Verslag en Redactie, de Griffie plenair en de Bodedienst een bijzondere vermelding verdienen.

1.3 Onderzoeksopdracht

De doelstelling van het onderzoek is drieledig en is in het onderzoeksvoorstel als volgt geformuleerd:

  • 1. Inzichtelijk maken wat het bbp wel en niet meet, en welke rol het bbp heeft in de beleidsvorming en de politieke besluitvorming.

  • 2. Vaststellen of en, zo ja, welke meerwaarde het heeft om naast het bbp instrumenten en/of indicatoren te ontwikkelen waarmee verschillende elementen van brede welvaart inzichtelijk te maken zijn, teneinde deze instrumenten en/of indicatoren te betrekken bij de beleidsvorming en in het politieke debat.

  • 3. Indien deze meerwaarde bestaat, een voorstel doen hoe deze instrumenten en/of indicatoren eruit zouden moeten zien en gebruikt kunnen worden.

Deze doelstelling is vertaald in drie centrale onderzoeksvragen, die onderverdeeld zijn in subvragen:

1. Welke informatie ontbreekt als primair het bbp als maatstaf genomen wordt voor brede welvaart, en welke gevolgen heeft dat voor de beleidsvorming en de politieke besluitvorming?

  • Wat meet het bbp op hoofdlijnen, en wat meet het bbp niet?

  • Hoe centraal staat het bbp, zowel in Nederland als in de EU, bij de beleidsvorming en in het politieke debat?

  • Op welke wijze komt de (internationaal gestandaardiseerde) berekeningswijze van het bbp in grote lijnen tot stand? Welke internationale instantie is, of welke internationale instanties zijn verantwoordelijk voor de vaststelling ervan?

  • Hoe bindend is de (internationaal gestandaardiseerde) berekeningswijze van het bbp?

2. Welke maatstaven, indicatoren en/of kengetallen worden in Nederland naast het bbp gebruikt om welvaart te meten, en welke rol spelen deze gegevens in de beleidsvorming en de politieke besluitvorming?

  • Welke financiële maatstaven, indicatoren en/of kengetallen (zoals de staatsbalans en koopkrachtplaatjes) en welke niet-financiële maatstaven, indicatoren en/of kengetallen worden in Nederland naast het bbp gebruikt om welvaart te meten?

  • Wat zijn de mogelijkheden en beperkingen van deze bestaande maatstaven, indicatoren en/of kengetallen? Wat meten ze wel, wat meten ze niet?

  • Geven deze maatstaven, indicatoren en/of kengetallen de welvaart op één moment weer (weergave van de huidige welvaart) of worden er beleidsvoornemens mee doorgerekend?

  • In welke mate zijn deze maatstaven, indicatoren en/of kengetallen specifiek voor het Nederlandse systeem en in welke mate worden ze ook internationaal toegepast?

  • Hoe worden deze in verschillende rapporten gepresenteerd?

  • Hoe centraal staan de nu bestaande maatstaven, indicatoren en/of kengetallen in de Nederlandse beleidsvorming en/of in het politieke debat, en worden deze optimaal gebruikt?

3. Welke aanvullingen zijn – onder meer op basis van plannen en initiatieven van andere landen – volgens de tijdelijke commissie wenselijk om bredere welvaart inzichtelijk te maken naast het bbp en andere reeds bestaande maatstaven, indicatoren en kengetallen?

  • Welke ervaringen zijn in het buitenland opgedaan bij het zoeken naar dan wel het formuleren van een breder welvaartsbegrip, zoals een dashboardbenadering?

  • Welke mogelijkheden zijn er om andere aspecten in een breder welvaartsbegrip te betrekken, zoals de informele economie, de participatiemaatschappij, verkeerscongestie, de «stock and flow»-benadering (het opraken van hulpbronnen) en de gevolgen van huidig beleid voor de toekomst?

  • Hoe kunnen verschillende sectoren, zoals natuur, onderwijs, milieu, zorg en brede infrastructuur meetbaar gemaakt worden in aanvulling op het bbp?

  • Welke mogelijkheden zijn er om andere financiële aspecten in een breder welvaartsbegrip te betrekken, in aanvulling op het bbp (zoals afwenteling van kosten naar de toekomst)?

  • In hoeverre kunnen andere instrumenten en/of indicatoren, zoals maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA’s), een rol spelen? Welke ontwikkelingen zijn er hierbij gaande?

  • Op welke wijze hebben buitenlandse dashboards, modellen o.i.d. de beleidsvorming en/of het politieke debat beïnvloed?

  • In hoeverre is het mogelijk en wenselijk om bij reeds bestaande nationale en internationale initiatieven aan te sluiten?

  • Zijn in Nederland aanvullende instrumenten wenselijk, naast het bbp en andere reeds bestaande financiële en niet-financiële maatstaven, indicatoren en kengetallen?

  • Indien aanvullende instrumenten wenselijk zijn, uit welke elementen moeten deze dan bestaan om de bredere welvaart inzichtelijk te maken?

  • Indien aanvullende instrumenten wenselijk zijn, welke aanvullende waarde kunnen deze dan hebben bij de beleidsvorming en/of het politieke debat?

  • Is het mogelijk dan wel wenselijk dat dergelijke aanvullende instrumenten de welvaart op één moment weergeven of dat er beleidsvoornemens mee worden doorgerekend?

1.4 Onderzoeksaanpak

In het onderzoeksvoorstel zijn voor de uitvoering van het onderzoek drie fasen opgenomen:

  • Fase 1: oriëntatie

  • Fase 2: nadere uitwerking elementen van bredere welvaart

  • Fase 3: afronding eindrapport

Op voorstel van het presidium heeft de Tweede Kamer ingestemd met de uitvoering van in eerste instantie fase 1 van het onderzoek, omdat het presidium het mogelijk achtte dat een tweede fase wellicht niet nodig zou zijn en omdat het presidium uitdrukkelijk de mogelijkheid wilde openhouden om het onderzoek aan het eind van fase 1 af te ronden.10 Op basis van de in het onderzoek verkregen informatie en de hieruit getrokken conclusies heeft de commissie in de loop van het onderzoek voorgesteld het onderzoek met een maand te verlengen, binnen de goedgekeurde begroting, om het onderzoek zo met een rapport af te kunnen ronden. Het presidium is akkoord gegaan met deze werkwijze.11

Literatuur

De commissie heeft zich verdiept in de beschikbare relevante nationale en internationale literatuur over de berekeningswijze van het bbp en heeft kennisgenomen van de reeds beschikbare informatie over een breed welvaartsbegrip. Ook heeft de commissie aan de drie planbureaus en het CBS gevraagd om in het licht van de onderzoeksvragen van de commissie een overzicht op te stellen van de bij de betreffende organisatie reeds beschikbare informatie over brede welvaart en van relevante actuele ontwikkelingen op dit gebied. Deze notities worden na publicatie van het rapport van de commissie op de websites van de organisaties geplaatst.

Gesprekken

De commissie heeft voor haar onderzoek gesprekken gevoerd met deskundigen. Daarmee heeft de commissie meer inzicht gekregen in de berekeningswijze en zeggingskracht van het bbp. Verder heeft de commissie verkend welke elementen van brede welvaart globaal kunnen worden onderscheiden, welke maatstaven, indicatoren en kengetallen er momenteel naast het bbp zijn om brede welvaart te meten, wat hun zeggingskracht is en welke mogelijkheden en beperkingen zij hebben. Tot slot heeft de commissie verkend hoe kan worden aangesloten bij bestaande Nederlandse en buitenlandse initiatieven. De commissie heeft ruim twintig gesprekken gevoerd. Bij een groot deel van de gesprekken waren meerdere deskundigen aanwezig. In bijlage 2 is een lijst van de gesprekspartners van de commissie opgenomen. De gesprekken vonden in beslotenheid plaats. De gesprekspartners zijn geïnformeerd dat de commissie de in het gesprek verkregen informatie zou kunnen gebruiken in haar onderzoek.

Werkbezoeken

Naast deze gesprekken heeft de commissie een tweetal eendaagse buitenlandse werkbezoeken afgelegd: in Frankrijk (Parijs) en in Duitsland (Berlijn). De commissie heeft tijdens deze werkbezoeken inzicht gekregen in enkele internationale initiatieven op het gebied van brede welvaart. Het doel was informatie te verkrijgen en te leren van de ervaringen met die initiatieven. Het doel van het werkbezoek aan Frankrijk was om specifiek kennis te nemen van de initiatieven van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de commissie-Stiglitz, het Franse parlement en de Franse regering. In Berlijn heeft de commissie kennis opgedaan van de ervaringen van de Duitse parlementaire commissie die onderzoek deed naar een breed welvaartsbegrip en van een initiatief van de Duitse regering op dit terrein.

Rapport en reflectiebijeenkomst

Op basis van alle informatie die in de loop van het onderzoek verzameld is, is vervolgens dit rapport tot stand gekomen.

Ten behoeve van de kwaliteitsborging van het rapport is een conceptversie van het rapport besproken met de volgende deskundigen in een reflectiebijeenkomst:

  • prof. dr. M.W. (Marjan) Hofkes, hoogleraar Milieueconomie, Vrije Universiteit Amsterdam;

  • prof. dr. M.P. (Marcel) Timmer, hoogleraar Economische groei en ontwikkeling, Rijksuniversiteit Groningen;

  • drs. P.J.M. (Peter) van de Ven, hoofd Nationale rekeningen, OESO;

  • dr. R.C.P.M. (Robert) Went, econoom en senior wetenschappelijk medewerker, WRR.

Daarnaast hebben het CBS en de planbureaus gebruik gemaakt van de mogelijkheid feitelijke correcties door te geven op onderdelen van een conceptversie van het rapport. De commissie stelt de inbreng van het CBS, de planbureaus en van de reflectanten bijzonder op prijs.

1.5 Leeswijzer

Het rapport begint met de hoofdconclusies en aanbevelingen van de commissie. Hoofdstuk 1 bevat de inleiding en verantwoording van het onderzoek. Hoofdstuk 2 gaat in op de vraag wat brede welvaart is. Hoofdstuk 3 focust zich op het bbp. Aan bod komen onder meer de rol van het bbp in politiek en beleid en de vraag wat het bbp wel en niet meet. Hoofdstuk 4 beschrijft de internationale zoektocht naar bredere maatstaven voor welvaart, waarbij enkele initiatieven van individuele landen en van internationale organisaties zoals de OESO en de Europese Commissie aan bod komen. Hoofdstuk 5 beschrijft maatstaven voor brede welvaart «hier en nu». Hierin staan instrumenten centraal die al beschikbaar zijn en die met name de welvaart «hier en nu» inzichtelijk maken. Daarbij wordt ingegaan op de belangrijkste eigenschappen, mogelijkheden en beperkingen van deze instrumenten. Hoofdstuk 6 gaat over de toekomstige welvaart («later») en op de impact van nationale welvaart op andere landen in de wereld («elders»). De focus van dit laatste hoofdstuk ligt op de belangrijkste Nederlandse instrumenten voor het meten van brede welvaart «later» en «elders» en maatstaven die hiervoor in internationaal verband van belang zijn.

Separaat is een Engelstalige vertaling beschikbaar van het voorwoord, de hoofdconclusies en de aanbevelingen.

2. Wat is brede welvaart?

2.1 Inleiding

De term «welvaart» wordt op diverse manieren gebruikt in zowel de politiek en de media als in het dagelijks taalgebruik. De populaire betekenis van de term is vaak rijkdom in materiële zin. Een persoon of een land met een hoge welvaart wordt geassocieerd met een hoog (nationaal) inkomen en met materiële rijkdom. Men spreekt dan ook wel van materiële welvaart.

Het onderwerp «welvaart» wordt al vele jaren besproken in de wetenschap en in nationale en internationale fora. Deze discussie gaat niet in de eerste plaats over welvaart in materiële zin, maar vooral over welvaart in bredere zin en wat daaronder wordt verstaan. Er bestaan veel theorieën en beleidsdiscussies over dit onderwerp, teveel om in het kader van dit parlementaire onderzoek te beschrijven. In dit hoofdstuk worden daarom enkele elementen uit de discussie uitgelicht en worden belangrijke conceptuele uitgangspunten voor de rest van dit rapport uiteengezet.

In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op de economische welvaartstheorie (paragraaf 2.2), de Brundtland-definitie van duurzame ontwikkeling (paragraaf 2.3), het rapport van de commissie-Stiglitz over het bbp en brede welvaart (paragraaf 2.4) en op verschillende termen die verband houden met brede welvaart, zoals kwaliteit van leven, welzijn, en geluk (paragraaf 2.5 en 2.6).

2.2 De economische welvaartstheorie

De economische welvaartstheorie gaat ervan uit dat mensen behoeften hebben waarin zij willen voorzien. De hoeveelheid behoeften is in principe onbeperkt. In klassieke economische termen uitgedrukt ontlenen mensen nut aan het bevredigen van behoeften en zij streven naar het maximaliseren van het nut. Het begrip nut speelde reeds een rol in de vroegste economische theorieën, zoals die van Adam Smith.

In de economische welvaartstheorie leveren niet alleen materiële zaken nut op. In behoeften wordt niet uitsluitend voorzien door marktgoederen en -diensten waarvoor een prijs wordt betaald. Alle goederen en diensten, in de meest brede zin van het woord, kunnen bijdragen aan deze behoeftebevrediging. Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan natuur, milieu en vrije tijd. Welvaart is volgens deze theorie in feite dus alles wat voorziet in behoeftebevrediging van mensen, voor zover daarvoor een beroep moet worden gedaan op schaarse middelen. De economische wetenschap hanteert dus een bredere definitie van welvaart dan welvaart in materiële zin. Deze bredere invalshoek wordt ook wel de brede of formele welvaartstheorie genoemd.

De economische welvaartstheorie geeft op voorhand geen invulling aan het begrip «welvaart». Mensen bepalen zelf welke doelen zij najagen in het streven naar welvaart of ze laten zich hierbij vertegenwoordigen, bijvoorbeeld door politici. Het begrip «welvaart» heeft met andere woorden te maken met subjectieve beleving en is daarom afhankelijk van de persoonlijke voorkeuren van mensen of van groepen mensen. Deze persoonlijke voorkeuren kunnen in de loop van de tijd veranderen.

Het welvaartsbegrip is volgens de economische welvaartstheorie overigens ook niet zo ruim dat het samenvalt met een ander begrip dat belangrijk is voor mensen, namelijk «geluk». Geluk ligt weliswaar in het verlengde van de subjectieve beleving van mensen, maar geluk is ook afhankelijk van zaken die niet of slechts indirect te maken hebben met het omgaan met schaarse middelen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan liefdesgeluk. Bij welvaart gaat het om subjectieve gevoelens die afhankelijk zijn van het omgaan met schaarse middelen. Bij geluk is dat, in ieder geval ten dele, niet het geval. In die zin is geluk volgens de welvaartstheorie breder dan welvaart. Het welvaartsbegrip heeft dus ook grenzen.

De economische welvaartstheorie is breed toepasbaar. Zo kan de theorie worden toegepast op de welvaart van een individu, maar ook op die van een groep en die van een samenleving. Daarnaast kan de theorie ook worden gebruikt bij intergenerationele vraagstukken door in beleidsanalyses rekening te houden met de (veronderstelde) voorkeuren van toekomstige generaties.12

2.3 Brundtlandrapport

Het intergenerationele aspect van welvaart kwam voor het eerst sterk naar voren in het rapport Our common future van de Verenigde Naties (1987). Dit rapport, dat vernoemd is naar de toenmalige Noorse premier Gro Harlem Brundtland, introduceerde het begrip «duurzame ontwikkeling» en definieerde dit als volgt:

«een ontwikkeling die tegemoetkomt aan de behoeften en noden van de huidige generatie, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien in het gedrang te brengen».13

Onder duurzame ontwikkeling werd niet louter de ecologische kant van duurzaamheid verstaan, maar ook sociaaleconomische aspecten.14 De definitie benadrukt dat er een balans gevonden moet worden tussen de welvaart van de huidige generatie («hier en nu») en de welvaart van toekomstige generaties («later»).

Het Brundtlandrapport besteedde daarnaast veel aandacht aan de problematiek in ontwikkelingslanden, waarmee ook de mondiale dimensie van welvaart in beeld kwam. In discussies over brede welvaart gaat het sindsdien mede over de vraag of onze welvaart («hier en nu») al dan niet te veel druk legt op de welvaart van mensen in andere landen («elders»).

Samenvattend worden sinds het Brundtlandrapport drie dimensies van welvaart onderscheiden: welvaart «hier en nu», welvaart «later» en welvaart «elders». Deze drie dimensies komen herkenbaar terug in verschillende (internationale) initiatieven rondom een breed welvaartsbegrip.15

2.4 Het rapport van de commissie-Stiglitz

De definitie van duurzame ontwikkeling in het Brundtlandrapport is van invloed geweest op het denken over brede welvaart. Ook de Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress is hierdoor beïnvloed. Toenmalig president Nicolas Sarkozy van Frankrijk stelde in 2008 deze commissie in om de beperkingen van het bbp als indicator voor economische prestaties en sociale vooruitgang te onderzoeken, en om te analyseren welke aanvullende informatie al dan niet nodig is om sociale vooruitgang beter te meten. De commissie werd geleid door Nobelprijswinnaars Joseph Stiglitz en Amartya Sen en door de Franse hoogleraar Jean-Paul Fitoussi.

Het rapport van de commissie-Stiglitz, dat in 2009 verscheen, bevat een reflectie op het bbp, geeft een overzicht betreffende het meten van brede welvaart en doet een aantal aanbevelingen. Eén daarvan is dat de dimensie «hier en nu» en de dimensie «later» beide gemeten moeten worden, maar dat deze wel los van elkaar moeten worden gehouden. Ter illustratie maakt de commissie-Stiglitz een analogie met het rijden in een auto: één meter die de snelheid van de auto («hier en nu») en de hoeveelheid brandstof («later») bij elkaar optelt, geeft geen nuttige informatie aan de chauffeur. Er is daarentegen een afzonderlijke meter nodig voor de snelheid en een andere voor de hoeveelheid brandstof.16

Het rapport heeft een belangrijke rol gespeeld in het nationale en internationale debat over brede welvaart. Zo heeft het rapport een grote invloed gehad op de meetsystemen van de OESO en van Eurostat (het statistiekbureau van de EU). Ook in Nederland is de invloed van het rapport goed zichtbaar, bijvoorbeeld in de Monitor Duurzaam Nederland. Deze monitor van het CBS en de drie planbureaus17 geeft via indicatoren een beeld van de duurzaamheid (in brede zin) van de Nederlandse samenleving en gaat eveneens uit van de driedeling «hier en nu», «later» en «elders».

Hier en nu

Met betrekking tot het meten van brede welvaart «hier en nu» maakt de commissie-Stiglitz een aantal belangrijke punten:

  • materiële levensomstandigheden kunnen beter in beeld gebracht kunnen worden met gegevens over inkomens en consumptie dan met gegevens over productie;

  • er moet meer nadruk gelegd worden op het perspectief van huishoudens in plaats van op het perspectief van de prestaties van economieën in hun geheel;

  • er moet meer belang gehecht worden aan verdelingsvraagstukken;

  • bij het meten van welzijn is het belangrijk ook aspecten te betrekken die zich buiten de markt afspelen;

  • het is van belang gelijktijdig naar verschillende aspecten van welzijn te kijken, zoals materiële aspecten, gezondheid, onderwijs, persoonlijke activiteiten, sociale relaties, betrokkenheid bij de politiek, milieu, fysieke veiligheid en economische zekerheid.

De commissie-Stiglitz ziet overigens het meten van subjectief welzijn (geluk) via een directe enquêtering van mensen over hun gemoedstoestand als een valide methode om daarmee, aanvullend op objectieve maatstaven, een meer omvattend beeld te krijgen van de kwaliteit van leven. Het kan bij dergelijke enquêtes gaan over geluk en tevredenheid, maar ook over stemming.18

Later

De commissie-Stiglitz gaat bij de dimensie «later» uit van de zogenoemde «kapitalenbenadering». Daarbij wordt ervan uitgegaan dat een maatschappij de beschikking heeft over vier soorten kapitalen:

  • economisch kapitaal (machines, gebouwen en kennis);

  • menselijk kapitaal (onderwijsniveau en vaardigheden van mensen);

  • natuurlijk kapitaal (grondstoffen, biodiversiteit en klimaat);

  • sociaal kapitaal (sociale netwerken, relaties en instituties).

Dit zijn de kapitalen van een maatschappij die van invloed zijn op de brede welvaart «nu» en «later». De huidige generatie kan ervoor kiezen om een bepaalde hoeveelheid kapitaal te gebruiken ten behoeve van de welvaart «nu», maar men kan bijvoorbeeld ook investeren zodat hoeveelheid kapitaal groeit en beschikbaar is voor de welvaart «later». De keuzes van de huidige generatie hebben dus direct invloed op de welvaart van toekomstige generaties («later») via het kapitaal dat wordt doorgegeven.

Elders

De commissie-Stiglitz legt niet de nadruk op de dimensie «elders», maar schenkt er wel enige aandacht aan. De dimensie «elders» gaat over de impact van nationale welvaart op de welvaart in andere landen. De commissie-Stiglitz wijst in dit verband op het belang van voetafdrukindicatoren, zoals de koolstofvoetafdruk.19

Het Brundtlandrapport bracht de dimensie «elders» ook al onder de aandacht, maar beperkte zich tot de armoedeproblematiek in ontwikkelingslanden. Inmiddels is de interpretatie van de dimensie «elders» aanzienlijk verbreed. Dit houdt verband met de toegenomen globalisering sinds het begin van de jaren negentig. Daardoor heeft ons handelen een steeds grotere impact op de sociale, economische en ecologische omstandigheden in andere landen.

De dimensies «hier en nu», «later» en «elders» komen verderop in dit rapport terug.

2.5 Kwaliteit van leven, welzijn en geluk

Verschillende termen houden verband met brede welvaart, waaronder kwaliteit van leven, welzijn en geluk.

In onderzoek naar kwaliteit van leven wordt niet alleen naar objectieve, maar ook naar subjectieve factoren gekeken. Objectieve factoren hebben te maken met de situatie waarin mensen zich bevinden: hoe ze wonen, wat ze doen in hun vrije tijd, hoeveel inkomen ze hebben en wat hun opleidingsniveau is. Bij subjectieve factoren wordt gekeken naar de evaluatie van de objectieve situatie. Een voorbeeld is de vraag of mensen tevreden zijn met wat ze hebben.20

In de welzijnsbenadering gaat het in de praktijk vaak om subjectief welzijn, waarbij geluk en tevredenheid kernbegrippen zijn.21 Geluk en tevredenheid zijn voorbeelden van zogenoemde «levensuitkomsten». Die zijn te onderscheiden van levensvoorwaarden die de levensuitkomsten beïnvloeden. Dit kan worden geïllustreerd met een voorbeeld: als levensvoorwaarden zoals een goed inkomen en een goede gezondheid vervuld zijn, dan draagt dat bij aan de levensuitkomst dat iemand gelukkiger en tevredener is.22 Onderzoek naar geluk en tevredenheid met het leven is dus direct gericht op de levensuitkomsten en niet op de levensvoorwaarden.

Onderzoek naar subjectief welzijn is in principe gericht op het «hier en nu». Er wordt bijvoorbeeld gevraagd naar hoe tevreden mensen op dit moment zijn met hun situatie.

2.6 Termen voor brede welvaart: overlap en accentverschillen

In dit hoofdstuk zijn verschillende termen die verband houden met brede welvaart de revue gepasseerd: duurzame ontwikkeling, kwaliteit van leven, (subjectief) welzijn en geluk. Dit brede palet aan termen illustreert dat er verschillende invalshoeken bestaan om naar brede welvaart te kijken. Er is dan ook geen algemeen geaccepteerde maat voor brede welvaart.

De termen hebben veel overlap, maar leggen ook andere accenten. De termen «duurzame ontwikkeling» en «brede welvaart» zijn hiervan een voorbeeld. Ze hebben volgens de Monitor Duurzaam Nederland veel overeenkomsten en kunnen volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) door elkaar worden gebruikt.23 Maar in het dagelijks gebruik wordt het begrip «duurzame ontwikkeling» meer geassocieerd met het ecologisch geïnspireerde begrip «duurzaamheid», terwijl het begrip «brede welvaart» een bredere associatie oproept.

De Monitor Duurzaam Nederland definieert «duurzame ontwikkeling» overigens als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarmee de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld, in gevaar worden gebracht. Deze definitie lijkt op de Brundtland-definitie van duurzame ontwikkeling (zie paragraaf 2.3), maar de dimensie «elders» krijgt meer nadruk.

2.7 Conclusies

De commissie vindt de economische welvaartstheorie een goed uitgangspunt

De economische wetenschap gaat er al sinds de grondlegging van uit dat alle goederen en diensten, in de meest brede zin van het woord, kunnen bijdragen aan de behoeftebevrediging en daarmee aan de welvaart van mensen. De commissie vindt de economische welvaartstheorie een goed uitgangspunt om invulling te geven aan het begrip «brede welvaart».

Bij brede welvaart zijn zowel de dimensies «hier en nu» en «later» als «elders» van belang

In 1987 publiceerden de Verenigde Naties het rapport Our common future, ook wel het «Brundtlandrapport» genoemd. Hierin wordt het intergenerationele aspect van brede welvaart benadrukt, wat betekent dat er een balans gevonden moet worden tussen de welvaart van de huidige generatie («hier en nu») en de welvaart van toekomstige generaties («later»). Het rapport besteedt ook aandacht aan de mondiale dimensie van welvaart, waarmee de dimensie «elders» ook onderdeel geworden is van de discussie. De commissie onderschrijft dat het van belang is bij het meten van brede welvaart de dimensies «hier en nu», «later» en «elders» inzichtelijk te maken.

De commissie-Stiglitz heeft een impuls gegeven aan de meting van brede welvaart

De commissie-Stiglitz heeft in 2008 de opdracht gekregen het bbp als indicator voor economische prestaties en sociale vooruitgang te onderzoeken, en om te analyseren welke aanvullende informatie al dan niet nodig is om sociale vooruitgang te meten. Het rapport van de commissie-Stiglitz (2009) heeft een belangrijke impuls gegeven aan het nationale en internationale denken over het meten van brede welvaart.

3. Het bruto binnenlands product (bbp)

3.1 Inleiding

Het bruto binnenlands product (bbp) zoals we dat nu kennen, is ontstaan in de jaren veertig van de vorige eeuw. Voor die tijd waren er uiteenlopende concepten om te bepalen hoe het gesteld was met de economie. Er was, in tegenstelling tot nu, geen sprake van algemeen erkende definities of van internationale standaardisatie.

Het bbp is nooit opgezet om brede welvaart te meten, maar in het politieke en maatschappelijke debat wordt het bbp vaak wel als indicator voor brede welvaart gebruikt. Dit roept de vraag op wat het bbp precies meet. Hieronder wordt allereerst ingegaan op de definitie van het bbp. Vervolgens wordt in paragraaf 3.3 beschreven dat het bbp onderdeel is van een groter systeem, het systeem van nationale rekeningen. Daarna wordt achtereenvolgens ingegaan op de rol van het bbp in het publieke en politieke debat (paragraaf 3.4), op het bbp en de moderne economie (paragraaf 3.5) en op de vraag wat het bbp wel en niet meet (paragraaf 3.6).

3.2 Definitie

De Europese Commissie geeft in het Europees systeem van rekeningen, dat de EU-lidstaten moeten gebruiken voor de berekening van het bbp, de volgende definitie van het bbp:

«Het bbp is een maatstaf voor de totale economische activiteit in een economisch gebied die leidt tot een output waarmee aan de finale behoeften van de economie wordt voldaan.»24

Het CBS beschrijft het bbp kortheidshalve ook wel als een maat voor de omvang van de economie.25

Het Europees systeem van rekeningen beschrijft dat er drie methoden zijn om het bbp te berekenen: op basis van de productie, op basis van de bestedingen en op basis van het inkomen (zie het kader hieronder).

Drie methoden om het bbp te berekenen

  • 1. Op basis van de productie, als de som van de waarden die worden toegevoegd door alle activiteiten waarbij goederen en diensten worden geproduceerd, plus productgebonden belastingen minus productgebonden subsidies.

  • 2. Op basis van de bestedingen, als het totaal van alle finale bestedingen – hetzij voor het verbruik van de finale output van de economie, hetzij om het vermogen te vermeerderen – plus de uitvoer minus de invoer van goederen en diensten.

  • 3. Op basis van het inkomen, als het totaal van alle inkomens die zijn verdiend bij het produceren van goederen en diensten, plus belastingen op productie en invoer minus subsidies.

De bepaling van het bbp vindt in principe plaats op basis van de marktprijzen die in het economisch verkeer worden gehanteerd. Vereenvoudigd uitgedrukt is het bbp het resultaat van het aantal goederen en diensten (volume) vermenigvuldigd met de prijs. In sommige gevallen zijn marktprijzen niet beschikbaar. Een voorbeeld daarvan is ruilhandel. In dat geval wordt de waarde bepaald op basis van de prijzen van vergelijkbare goederen of diensten.26 Als prijsbepaling op die manier niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij door de overheid geproduceerde diensten die in de markt niet bestaan, vindt de waardering plaats op basis van de kosten die worden gemaakt om de diensten te leveren.

Op basis van de hierboven beschreven methode kan het zogenoemde «bbp in werkelijke prijzen» (ook wel «nominaal bbp») worden bepaald. Als het bbp op deze manier wordt berekend, staat het resultaat niet alleen onder invloed van de omvang van het productievolume in de economie, maar ook onder invloed van prijsveranderingen. Met andere woorden: als de productie in een economie gelijk blijft maar de prijzen stijgen, stijgt ook het «bbp in werkelijke prijzen». Om onderscheid te maken tussen prijsveranderingen en veranderingen in het daadwerkelijke productievolume, is een methode ontwikkeld om het bbp in werkelijke prijzen te corrigeren voor prijsveranderingen. Dit is het zogenoemde «bbp in constante prijzen» (ook wel «reëel bbp»). Bij de bepaling van het bbp in constante prijzen worden alle getelde goederen en diensten gewaardeerd op basis van de prijzen van het voorgaande jaar. De prijzen worden dus constant gehouden. Zo kan een beeld worden verkregen van de daadwerkelijke verandering van het volume van de productie ten opzichte van het voorgaande jaar.27

In de praktijk zijn er overigens nog verschillende haken en ogen aan de beschreven methoden. Verderop in dit hoofdstuk wordt dit nader uitgewerkt.

3.3 Het systeem van nationale rekeningen

Het bbp is onderdeel van het systeem van nationale rekeningen

Het bbp staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van het systeem van nationale rekeningen. Dit statistisch systeem is geformaliseerd in een gezaghebbend wereldwijd handboek, dat bevordert dat de macro-economische statistieken van landen vergelijkbaar zijn. Het biedt een breed palet aan indicatoren en brengt allerlei dimensies van de economie in kaart naast de indicator «bbp» zelf.28

Het systeem van nationale rekeningen wordt opgesteld en gepubliceerd onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties (VN), het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de OESO, de Wereldbank en de Europese Commissie/Eurostat. De statistische divisie van de VN beheert het systeem. De VN publiceerden het eerste officiële systeem van nationale rekeningen in 1953. Sindsdien is het systeem drie keer herzien, te weten in 1968, 1993 en 2008. Aanpassingen worden doorgevoerd omdat de economische structuur van landen in de loop van de tijd verandert of omdat er op statistisch vlak nieuwe mogelijkheden en inzichten ontstaan.

Het Europees systeem van rekeningen is verplicht

Het systeem van nationale rekeningen is een gezaghebbend handboek, maar er geldt voor landen geen wereldwijde juridische verplichting om het handboek te volgen. In het (meest recente) systeem van nationale rekeningen staat dat alle landen «aangemoedigd worden» hun nationale rekeningen zo snel mogelijk op basis van het systeem van nationale rekeningen 2008 samen te stellen. In de praktijk duurt het lang voordat alle landen de aanbevelingen uit het systeem van nationale rekeningen hebben overgenomen. Zo gebruikt een aantal landen nog de versie uit 1968. De voornaamste oorzaak is dat nationale statistische bureaus, bijvoorbeeld in ontwikkelingslanden, niet altijd in staat zijn of niet de middelen hebben om de internationale «best practice» te volgen.29

De lidstaten van de EU hebben de nieuwste versie van het internationale handboek (het systeem van nationale rekeningen 2008) in 2010 geïmplementeerd in het Europees systeem van rekeningen (ESR 2010). Het ESR is door middel van een verordening verplicht gesteld voor alle lidstaten. De lidstaten moeten rapporteren aan Eurostat. Het zogenoemde bni-comité verifieert de methode en de data. Eurostat is voorzitter van dit comité en de nationale statistiekbureaus vertegenwoordigen de lidstaten. Controles van de verificatie-methode vinden plaats door de Europese Rekenkamer.

De internationale (en dan met name de Europese) afstemming van het bbp is dus omvangrijk, zowel in termen van statistische voorschriften als in termen van praktische berekeningswijze. De afbakeningen en schattingsmethoden die het systeem van nationale rekeningen voorschrijft, kunnen desondanks leiden tot problemen in de internationale vergelijking van bbp-cijfers. Economieën kunnen verschillen van aard. De omvang van de overheid, de verhouding formele versus informele economie en de situatie op de woningmarkt kunnen enorm divers zijn tussen landen. Een land waar professionele huishoudelijke hulp veelal wordt ingehuurd (formele economie), heeft bijvoorbeeld een hoger bbp dan een land waar huishoudelijke werkzaamheden meestal zelf, dat wil zeggen onbetaald, worden uitgevoerd (informele economie).

3.4 De cruciale rol van het bbp

Het bbp is prominent aanwezig in het publieke en politieke debat. Nieuwe cijfers over economische groei30 krijgen enorme aandacht in de media.

Tal van beleidsnormen worden uitgedrukt als percentage van het bbp, zijn eraan gekoppeld, of zijn gekoppeld aan grootheden die verwant zijn aan het bbp, zoals het bruto nationaal inkomen (bni).31 Zo gelden de Europese begrotingsnormen uit het Stabiliteits- en Groeipact, waarin onder meer staat dat het begrotingstekort van EU-landen niet hoger mag zijn dan 3% van het bbp. Dit percentage speelt dan ook een belangrijke rol in de politieke discussie over de vraag of bezuinigingen of lastenverzwaringen nodig dan wel wenselijk zijn. Ook zijn de afdrachten aan de EU gekoppeld aan het bni, net als de uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking. Bij de NAVO geldt de inspanningsverplichting dat ten minste 2% van het bbp aan defensie wordt uitgegeven.

Het bbp is een cruciale indicator om de omvang van de economie in kaart te brengen.32 Het bbp heeft als voordelen dat er elk kwartaal actuele cijfers verschijnen, dat er historische tijdreeksen beschikbaar zijn, dat met het bbp ramingen kunnen worden gemaakt en dat het mogelijk is om de effecten van beleidsvoorstellen op het bbp door te rekenen. Tevens kan met statistische technieken een raming worden gemaakt van de actuele ontwikkeling van het bbp. Dit wordt «now-casting» genoemd, letterlijk: het voorspellen van het nu. Via internationale gremia (VN, OESO, Wereldbank, IMF en Europese Commissie) wordt bovendien sinds jaar en dag gewerkt aan een zo goed mogelijke vergelijkbaarheid van het bbp door het verbeteren van internationale standaarden. De harmonisatie is het sterkst in de Europese context waar het bni-comité erop moet toezien dat de EU-landen zich aan de statistische kaders houden. Er vinden ten slotte verbeteringen plaats in de berekening van het bbp doordat er steeds meer centraal aangelegde ICT-databases (registers) beschikbaar komen. Hierdoor is het minder vaak nodig enquêtes of steekproeven te houden, die tijdrovender en minder precies zijn.

Het bbp is tevens van belang omdat er een samenhang is tussen economische groei en werkgelegenheid: een toe- of afname van de economische groei gaat – met enige vertraging – veelal gepaard met een toe- of afname van de werkgelegenheid.33 Bovendien bestaat er een correlatie tussen het bbp en brede welvaart, al is er in de literatuur discussie over de mate van deze correlatie. Het CPB schrijft bijvoorbeeld: «Empirisch onderzoek wijst uit dat er een tamelijk sterk verband bestaat tussen de variabelen waarvan bijna iedereen vindt dat ze bijdragen aan de individuele en de maatschappelijke welvaart in de meest brede zin van het woord en de hoogte en de groei van het nationaal inkomen».34 Uit Duits onderzoek blijkt dat welvaart positief met het bbp correleert, maar dat deze correlatie verre van perfect is.35

3.5 Het bbp en de moderne economie

Het bbp is een cruciale indicator, maar heeft tegelijkertijd ook beperkingen. Zo is een aantal structurele veranderingen van onze moderne economie steeds moeilijker via het bbp in beeld te brengen. In de economie van halverwege de twintigste eeuw waren de productieprocessen eenvoudiger te beschrijven dan nu. De productie was meer dan nu toegespitst op fysieke producten als werktuigen en broden. Naarmate de economie complexer werd, onder meer door globalisering en door moderne toepassingen in de ICT, ontstond er steeds meer discussie over de berekeningswijze van het bbp. Dergelijke ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat de berekening van het bbp inmiddels zo complex is geworden dat de bijbehorende handboeken voor statistici vele honderden pagina’s beslaan.36 Hieronder worden enkele onderwerpen nader toegelicht. De voorbeelden zijn niet uitputtend, maar geven een indicatie van de uitdagingen voor het bbp.

Globalisering

Een van de veranderingen in de moderne economie is de toenemende globalisering. Vroeger waren productieprocessen relatief gemakkelijk te meten. Bedrijven waren meer dan nu in één land gevestigd en de handel vond meer dan nu binnen de landsgrenzen plaats. Het was daardoor relatief eenvoudig om een beschrijving te geven van de nationale rekeningen.

Tegenwoordig zijn de productieketens verspreid over de hele wereld. Dit speelt met name bij multinationale ondernemingen die hun productieproces spreiden. Onderdelen van apparaten worden in verschillende landen geproduceerd, over de wereld verscheept, op één plek in elkaar gezet om vervolgens weer vervoerd te worden naar verschillende afzetmarkten.37 Het bbp meet de binnenlandse productie van goederen en diensten in een economie. Maar door de globalisering wordt het steeds moeilijker te bepalen welke waarde in welk land, in welke economie, wordt gecreëerd. Het wordt daardoor steeds lastiger om de internationale productieprocessen te beschrijven via het systeem van nationale rekeningen, dat een nationale focus heeft.38

Diversiteit en kwaliteitsverbetering

Niet alleen de productieprocessen maar ook de goederen en diensten zelf worden steeds complexer.39 Vaak liggen ICT-ontwikkelingen hieraan ten grondslag. Denk hierbij bijvoorbeeld aan auto’s, computers of smartphones. Op dit moment kost een computer ongeveer evenveel als tien jaar geleden. Maar de huidige computers zijn niet alleen beter geworden, ze hebben ook steeds meer functionaliteiten, zodat ze niet zonder meer met hun voorgangers te vergelijken zijn.40

Daar waar de bbp-groei vroeger vooral bepaald werd door de groei van het volume aan economische activiteiten, zoals de productie van het aantal broden of werktuigen, speelt nu de kwaliteitsverbetering van goederen en diensten een belangrijkere rol.41 Vroeger kon bij de prijsmeting van veel producten of diensten verondersteld worden dat zij onveranderlijk waren en daarom over de tijd gevolgd konden worden, maar voor een aanzienlijk deel van de huidige producten en diensten gaat dat niet meer op. De snelle ontwikkelingen in de ICT-sector zijn hiervan een sprekend voorbeeld. Statistici hebben weliswaar systemen ontwikkeld om deze veranderingen mee te nemen in de waardering in geld (via de zogenoemde «hedonische prijsmethode»), maar het bepalen van de waarde van moderne goederen en diensten blijft een uitdaging. De WRR schrijft hierover: «Permanente kwaliteitsverbetering van producten geeft een systematische onderschatting van de gebruikswaarde van onze bezittingen. Die is niet verdisconteerd in onze groei uitgedrukt in termen van bbp».42

Ook de diversiteit van producten en diensten is een belangrijk discussiepunt. Vroeger bestonden er van elk product slechts enkele merken, terwijl er tegenwoordig van ieder product een ruim aanbod is. Het bbp telt alleen het aantal items van een bepaald product, niet de verscheidenheid ervan. Hierdoor is het volgens het CBS heel wel mogelijk dat de welvaart vanwege deze toegenomen diversiteit meer is toegenomen dan de bbp-groei suggereert. Coyle stelt dat de groei van het bbp erdoor wordt onderschat.43

Gratis diensten

Verder zijn er tal van nieuwe vormen van economische transacties opgekomen, waarbij gratis diensten worden verstrekt en consumenten elkaar diensten verlenen. Zo geldt dit voor immateriële goederen die in principe niets kosten om te verspreiden, via sociale media bijvoorbeeld. «Als er een miljoen kopieën van een encyclopedie worden verkocht met een toegevoegde waarde van 400 euro elk, dan genereert dat 400 miljoen euro voor het bbp. Als een miljoen gebruikers Wikipedia raadplegen, dan genereert dat, los van de toegevoegde waarde in de daarbij gebruikte hardware, stroom en providers, niets voor het bbp».44 In dit geval leiden ICT-ontwikkelingen dus tot een lager bbp, terwijl er in termen van brede welvaart geen achteruitgang of zelfs vooruitgang heeft plaatsgevonden. Het is een hele uitdaging om dit type moderne ontwikkelingen goed in het bbp te meten.45

De bijdrage van (overheids)diensten

Er zijn nog tal van andere moeilijkheden bij de meting van het bbp. Zo is het bij een aantal diensten moeilijk te bepalen welke bijdrage precies geleverd wordt aan de economie. De hoeveelheid en kwaliteit van de geleverde diensten kan namelijk niet altijd eenvoudig worden vastgesteld.

Het meten van activiteiten binnen de financiële sector is bijvoorbeeld conceptueel zeer lastig en de meting ervan kent dan ook haken en ogen. Zo kan de vraag worden gesteld wat een bank precies produceert en wat nu eigenlijk de waarde van een verzekeringsdienst is.46

Hetzelfde geldt voor de bijdrage van de overheid aan de omvang van de economie. Omdat er geen marktprijs bestaat voor de productie van overheidsdiensten als veiligheid, onderwijs en jeugdzorg, is het moeilijk om de waarde in het bbp weer te geven. In de berekeningswijze van het bbp is er daarom voor gekozen om uit te gaan van het niveau van de uitgaven als maatstaf voor de overheidsproductie. Een dergelijke veronderstelling kan onbedoelde consequenties hebben voor de berekening van het bbp. Als de salarissen van ambtenaren bijvoorbeeld relatief laag zijn, dan impliceert dit dat hun productie (die de waarde in het bbp weergeeft) ook relatief laag is.47

3.6 Wat meet het bbp niet?

Het bbp meet geen brede welvaart

Het bbp is geen indicator voor brede welvaart. De wetenschappers die aan de basis stonden van het bbp gaven dit ook al aan. Simon Kuznets schreef bijvoorbeeld in 1934 aan het Congres van de Verenigde Staten: «De welvaart van een natie kan nauwelijks worden afgeleid uit de meting van het nationaal inkomen».48 Het handboek voor de nationale rekeningen, het statistisch kader waar het bbp uit voortkomt, waarschuwt ook expliciet voor deze interpretatie. Het handboek bevat juist verschillende passages die tegen deze interpretatie ingaan.49

Welke componenten en dimensies van brede welvaart bestrijkt de indicator «bbp» wel en welke niet? Onderstaande tabel geeft hiervan een beeld. Uit de tabel blijkt dat het bbp de nadruk legt op het meten van marktgoederen en -diensten, en diensten van de overheid «hier en nu» (vakje a.1) en dat het bbp gevolgen voor «later» en «elders» niet weergeeft (kolom 2 en 3). Ook geeft de tabel weer dat het bbp geen maatstaf is voor niet-marktgoederen zoals landschap of grondstoffen (rij b) of voor «niet-economische» factoren van welvaart zoals vertrouwen en migratie (rij c).50

Op basis van CPB (mei 2010), Economische beleidsevaluaties en welvaart. p. 10.

Hieronder worden enkele aspecten uit bovenstaande tabel nader uitgediept volgens de driedeling «hier en nu», «later» en «elders».

Aspecten in het hier en nu

Een aantal aspecten zonder prijs op de markt wordt niet in het bbp gemeten, bijvoorbeeld vrije tijd. Ook geeft het bbp slechts beperkte informatie over het welzijn van mensen of over de kwaliteit van leven.51

In discussies over brede welvaart komt verder naar voren dat het bbp niets zegt over de manier waarop economische baten in een maatschappij verdeeld worden, bijvoorbeeld tussen sociale groepen.52 Het bbp kan weliswaar ook per hoofd van de bevolking worden uitgedrukt, maar ook dan geeft dit slechts een gemiddelde van de hele samenleving aan.

Ook komt naar voren dat het bbp milieuschades53 niet of niet voldoende tot uitdrukking brengt.54 Een voorbeeld vormen de schades aan bijvoorbeeld bodem, water en natuur die het gevolg zijn van onze productie- en consumptieactiviteiten en die niet worden opgeruimd. Deze schades zijn geen onderdeel (aftrekpost) van het bbp, waardoor de welvaartsgroei wordt overschat, aldus het CPB.55 Maar als de milieuschade wordt opgeruimd (en er per saldo geen milieuschade is), dan beïnvloeden deze compensatiemaatregelen, zoals zuiveringsactiviteiten, het bbp wel positief.56 Volgens de WRR worden er vele pogingen ondernomen om deze «negatieve externaliteiten» van economische groei methodologisch te vangen, maar zijn ze over het algemeen niet beprijsd, zodat ze dus ook niet worden meegeteld in de bepaling van het bbp.57

Daarnaast worden delen van de zogenoemde «informele economie», zoals vrijwilligerswerk of huishoudelijk werk, niet in het bbp gemeten. Dit kan geïllustreerd worden met het voorbeeld van een weduwe die met haar huishoudelijke hulp trouwt en hem of haar niet langer uitbetaalt. Dit beïnvloedt het bbp negatief terwijl er aan de productie niets verandert.58 Een andere kant van de informele economie, zwarte en illegale arbeid, wordt overigens voor een deel wel in het bbp meegeteld op basis van schattingen.59

Het bbp meet tot slot ook aspecten waarvan algemeen wordt aangenomen dat ze niet bijdragen aan de verbetering van de maatschappij. Als een ruit ingegooid wordt en deze vervolgens wordt vervangen, dan draagt dit positief bij aan de hoogte van het bbp, terwijl er geen vooruitgang is geboekt.

Effecten op de lange termijn («later»)

Het bbp is een maatstaf voor de omvang van de economie. In het bbp worden zowel consumptie als investeringen meegeteld.60 In het geval van consumptie komt dit ten goede aan het hier en nu, terwijl een (goede) investering ertoe leidt dat je later meer zult kunnen consumeren. De investeringen zeggen daarmee iets over toevoegingen aan de kapitaalgoederenvoorraad, en daarmee ook iets over «later».

Het bbp zegt echter niets over de totale omvang van de kapitaalgoederenvoorraad. Verder worden in het bbp alleen investeringen meegenomen in financieel en economisch kapitaal (machines en gebouwen en research and development).61 Volgens de commissie-Stiglitz is het juist van belang om de kapitaalgoederenvoorraad in de volle breedte te meten: «Datgene wat wordt doorgeschoven naar de toekomst, moet uitgedrukt worden in termen van voorraden, of het nu gaat om fysiek, natuurlijk, menselijk of sociaal kapitaal».62

In dit verband wordt er vaak op gewezen dat het bbp niet wordt gecorrigeerd voor veranderingen in bepaalde voorraden. «In het huidige rekenmodel laat het uitputten van de aardgasvoorraad als productieve activiteit een gunstig effect op de bbp-groei zien, terwijl wanneer we het gas in de bodem laten zitten en hiermee de hoeveelheid kapitaal contant houden, de bbp-groei minder groot is», zo schrijft het CBS.63 «De uitputting van hulpbronnen (...) wordt niet geregistreerd door bijvoorbeeld af te schrijven op de beschikbare voorraden natuurlijke hulpbronnen», aldus het PBL.64

De internationale dimensie van ons handelen («elders»)

In discussies over brede welvaart wordt tot slot aandacht gevraagd voor de gevolgen van het economisch handelen in Nederland voor welvaart buiten Nederland, vooral die in de ontwikkelingslanden. Deze gevolgen komen niet tot uitdrukking in het bbp. Het gaat hier bijvoorbeeld om het effect van binnenlandse consumptie op de beschikbaarheid van hulpbronnen elders. Als er elders bossen worden gekapt om veevoer te verbouwen dat onze vleesconsumptie mogelijk maakt, wordt dat bijvoorbeeld niet in het bbp geregistreerd.65 Hetzelfde is het geval als een product met kinderarbeid tot stand is gekomen of als voor een product een «oneerlijke» prijs is betaald.66

3.7 Conclusies

Het bbp is prominent aanwezig in het publieke en politieke debat

De commissie constateert dat het bbp en daaraan verwante indicatoren prominent aanwezig zijn in het publieke en politieke debat. Nieuwe cijfers over economische groei krijgen enorme aandacht in de media. Verder worden tal van beleidsnormen uitgedrukt als percentage van het bbp of zijn eraan gekoppeld. Zo gelden de Europese begrotingsnormen uit het Stabiliteits- en Groeipact, waarin staat dat het begrotingstekort niet hoger mag zijn dan 3% van het bbp. Ook zijn de afdrachten van de EU gekoppeld aan het met het bbp verwante bni, net als de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking. Verder hangen tal van aspecten samen met de reële bbp-groei, zoals cijfers over de werkgelegenheid. Deze zijn belangrijk in het politieke debat.

Het bbp is een robuuste indicator ...

De commissie vindt dat het bbp de meest robuuste indicator is om de omvang van de economie te meten. Zo is de internationale vergelijkbaarheid van het bbp groot, zijn er historische tijdreeksen en actuele cijfers van het bbp beschikbaar en is het mogelijk om de effecten van beleidsvoorstellen op het bbp door te rekenen.

… maar het bbp heeft beperkingen

De commissie constateert ook dat het bbp beperkingen heeft. Zo worden aspecten als natuur, landschap en de informele economie niet in het bbp gemeten en zegt het bbp niets over de verdeling van economische baten tussen sociale bevolkingsgroepen. Ook brengt het bbp de houdbaarheidsaspecten van de samenleving en de internationale dimensie van ons handelen niet tot uitdrukking. De commissie stelt vast dat het bbp nooit bedoeld is om brede welvaart te meten.

Een betere meting van de moderne economie in het bbp is wenselijk

Onze moderne economie is door structurele veranderingen steeds moeilijker via het bbp in beeld te brengen. Zo wordt het door globalisering steeds ingewikkelder om te bepalen welke waarde in welk land wordt gecreëerd. Ook is het mogelijk dat door kwaliteitsverbetering van moderne producten en diensten innovaties onvoldoende in het bbp worden verdisconteerd. De commissie stelt vast dat op mondiaal niveau reeds op veel vlakken een voortgaande discussie plaatsvindt over optimalisatie van de meting van het bbp. De commissie vindt dat de betrokken instanties vaart moeten zetten achter een betere meting van onderwerpen als globalisering, innovatie en ICT.

Naast het bbp zijn indicatoren voor brede welvaart nodig

Het bbp is ontwikkeld als maatstaf voor het meten van de omvang van de economie. Het bbp meet dus niet onze welvaart in brede zin. De commissie is van mening dat het meerwaarde heeft om naast het bbp ook andere instrumenten en indicatoren te gebruiken om brede welvaart inzichtelijk te maken.

4. De internationale zoektocht naar maatstaven voor brede welvaart

4.1 Inleiding

Al in de jaren zestig zijn de eerste pogingen gedaan om alternatieve maatstaven naast of in plaats van het bbp te creëren om brede welvaart te meten. De afgelopen veertig jaar is er een enorme groei geweest in het aantal initiatieven om brede welvaart en duurzame ontwikkeling te meten. Tot hoeveel verschillende meetsystemen dat tot op dit moment heeft geleid is niet precies bekend. Het International Institute for Sustainable Development (IISD) onderhoudt een database van initiatieven wereldwijd op het gebied van het meten van duurzame ontwikkeling.67 Deze database bevat op dit moment bijna negenhonderd initiatieven. Het is in het kader van dit rapport ondoenlijk al deze honderden initiatieven te inventariseren. Dit hoofdstuk geeft daarom slechts een overzicht van de internationale ontwikkelingen en de stand van zaken. Achtereenvolgens komen aan de orde: ontwikkelingen binnen het systeem van nationale rekeningen (paragraaf 4.2), de rol van internationale organisaties (paragraaf 4.3), harmonisatie-initiatieven (paragraaf 4.4) en de monitoring van internationale doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (paragraaf 4.5). Tot slot komen enkele internationale discussies over brede welvaart aan bod (paragraaf 4.6) en initiatieven in landen als Duitsland en Frankrijk (paragraaf 4.7). Aan deze twee landen heeft de commissie een werkbezoek gebracht.

4.2 Ontwikkelingen binnen het systeem van nationale rekeningen

In hoofdstuk 3 is weergegeven dat het bbp een maatstaf is voor de omvang van de economie «hier en nu», maar dat het bbp geen indicator is voor brede welvaart. Ook is beschreven dat het bbp als indicator deel uitmaakt van een groter geheel: het systeem van nationale rekeningen. De commissie-Stiglitz wijst erop dat het nuttig is om naast het bbp ook naar andere indicatoren uit het systeem van nationale rekeningen te kijken om meer inzicht te krijgen in de brede welvaart.

Rekeningen over inkomsten en uitgaven

Het systeem van nationale rekeningen is een statistisch systeem dat een beschrijving geeft van het economisch proces in een land en van de economische relaties met het buitenland. Het bevat diverse rekeningen die onderling met elkaar samenhangen. Zo zijn er de rekeningen die gaan over uitgaven en inkomsten in de economie, ook wel stromen of «flows» genoemd. Ter illustratie: in een huishouden zouden deze stromen vergeleken kunnen worden met de jaarlijkse inkomsten en uitgaven.

Het onderdeel van de nationale rekeningen dat gaat over de stromen, bevat allerlei informatie over productie, consumptie en inkomens. Informatie is ook beschikbaar op het niveau van onderdelen van de economie, zoals op het niveau van huishoudens. De eerste twee aanbevelingen van de commissie-Stiglitz gaan precies daarover. Om een beter zicht te krijgen op de welvaart, beveelt de commissie-Stiglitz aan naar het reële inkomen en naar consumptie te kijken, en dan met name vanuit het perspectief van huishoudens. Die informatie hangt volgens de commissie-Stiglitz namelijk directer samen met de materiële levensomstandigheden van mensen dan de productie van de economie als geheel, die met behulp van het bbp gemeten wordt.68

De publicatie Welvaart in Nederland van het CBS neemt conform de aanbeveling van de commissie-Stiglitz het perspectief van huishoudens en personen als uitgangspunt en gaat in op het inkomen, de bestedingen en de vermogens van huishoudens. Ook wordt ingegaan op de verdeling over verschillende bevolkingsgroepen en regio’s, koopkrachtontwikkelingen en de belastingdruk. De cijfers en analyses zijn beperkt tot de materiële welvaart. Andere aspecten van brede welvaart blijven dus buiten beschouwing. De publicatie verscheen in 2012 en in 2014.69

Kapitaalrekeningen

In een ander gedeelte van het systeem van nationale rekeningen, de kapitaalrekeningen, staan de voorraden centraal. Deze voorraden worden ook wel kapitalen, standen of «stocks» genoemd. Het gaat hier om economisch kapitaal: machines en gebouwen. Sinds de laatste revisies van de nationale rekeningen worden daarbij ook immateriële activa steeds meer betrokken, zoals de opbouw van kennis via research and development in de laatste revisie. Ter illustratie: in een huishouden zouden de stocks vergeleken kunnen worden met bezittingen en schulden, zoals een spaarrekening, een woning of een hypotheekschuld.

De commissie-Stiglitz wijst in haar derde aanbeveling op het belang van kapitalen. Deze kunnen een beeld geven van de vraag of er een basis wordt gelegd voor de toekomst of dat met huidige welvaart wordt ingeteerd op toekomstige welvaart. De commissie-Stiglitz adviseert daarom om niet alleen naar inkomen en productie te kijken, waar het bbp een maatstaf voor is, maar ook naar de omvang van kapitaal.70 De kapitaalrekeningen kunnen daarin een rol spelen, omdat daarin verschillende kapitaalvormen zijn opgenomen.

Balansstanden

In het systeem van nationale rekeningen is ook een balans opgenomen van de totale nationale economie. De balans geeft voor een bepaald moment een overzicht van de waarde van de economische bezittingen (activa) en van de verplichtingen (financiële passiva). De activa (bezittingen) zijn onderscheiden in financiële activa en niet-financiële activa, zoals gebouwen, olie- en gasreserves, voorraden en grond. In het systeem is niet alleen een balans van de totale economie opgenomen, maar zijn ook balansen opgenomen van verschillende onderdelen daarvan, zoals huishoudens, financiële instellingen en de overheid.71

De balans van de overheid, de overheidsbalans, wordt behalve in de nationale rekeningen ook gepubliceerd in het jaarlijkse financieel jaarverslag van het Rijk.72 De overheidsbalans geeft inzicht in bezittingen, schulden en vermogen van de overheid. Dat behelst zowel de nationale als de decentrale overheden en de sociale verzekeringsinstellingen. De bezittingen die op de balans zijn opgenomen, zijn financiële activa zoals leningen en niet-financiële activa zoals wegen en gebouwen, olie- en gasreserves en grond. Toekomstige rechten en verplichtingen als toekomstige belastingopbrengsten en AOW-verplichtingen staan niet op de balans. De overheidsbalans is dus een momentopname, maar geeft geen inzicht in toekomstige inkomsten en verplichtingen van de overheid.73 In het financieel beleid van de rijksoverheid speelt de overheidsbalans dan ook een beperkte rol (de houdbaarheidssommen van het CPB geven meer inzicht in de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn; zie daarvoor hoofdstuk 6).

Satellietrekeningen

Het systeem van nationale rekeningen biedt expliciet de mogelijkheid aan landen om hun nationale rekeningen uit te breiden met zogenoemde «satellietrekeningen». Dat zijn additionele rekeningen die op dezelfde manier zijn opgebouwd als de nationale rekeningen.

In een satellietrekening wordt een specifiek maatschappelijk thema belicht dat niet standaard in de nationale rekeningen is opgenomen. Het bekendste voorbeeld van een satellietrekening is het systeem van milieurekeningen (System of Environmental and Economic Accounts, SEEA). De statistische commissie van de VN heeft dit meetsysteem in 2012 verheven tot de status van een statistische standaard, waardoor het qua methodologie dezelfde status heeft als het systeem van nationale rekeningen.74 Het SEEA biedt een statistisch raamwerk voor de samenhang tussen economische activiteiten en allerlei ontwikkelingen op het vlak van milieu (broeikasgassen, water, materialen, luchtvervuiling etc.). Indicatoren uit de milieurekening kunnen direct worden vergeleken met het bbp. De Europese Commissie heeft diverse onderdelen van de milieurekeningen voor de lidstaten verplicht gesteld.75 Er zijn ook aspecten van het milieu die nog niet als officiële statistiek zijn opgenomen in de milieurekeningen. Wel vinden er op diverse gebieden ontwikkelingen plaats, bijvoorbeeld op het gebied van ecosystemen en biodiversiteit. Daarover is bij het systeem van milieurekeningen een handboek verschenen met modules voor meer experimentele statistieken.76

Het handboek voor de nationale rekeningen bevat een lijst van satellietrekeningen.77 Het CBS produceert daar momenteel een aantal van, waaronder de eerder genoemde milieurekeningen, de arbeidsrekeningen, groeirekeningen en toerismerekeningen. De arbeidsrekeningen bevatten gegevens over werkzame personen, gewerkte uren, lonen en loonkosten. De groeirekeningen brengen in beeld wat de ontwikkeling van de productiviteit is van verschillende productiemiddelen zoals arbeid, kapitaal, energie en diensten, in verschillende bedrijfstakken van de economie. De toerismerekeningen geven inzicht in de toegevoegde waarde van en de werkgelegenheid in toerisme.

Het systeem van nationale rekeningen en brede welvaart

Al met al bevatten de nationale rekeningen allerlei informatie over aspecten van brede welvaart. Een aantal aspecten van brede welvaart dat het bbp niet meet, wordt wel gemeten in andere onderdelen van het systeem. Zo bevat het systeem naast een indicator als het bbp, die vooral iets over «hier en nu» zegt, ook informatie over kapitalen, die ook relevant zijn voor «later». De milieurekeningen bevatten daarnaast nog informatie over fysieke aspecten die niet in de standaard (voornamelijk financiële) nationale rekeningen zijn opgenomen. Bepaalde aspecten van brede welvaart worden echter ook in het bredere systeem van nationale rekeningen niet gemeten. Doordat het nationale rekeningen zijn, blijft de dimensie «elders» goeddeels buiten beschouwing. Ook aspecten als welzijn en sociaal kapitaal zijn niet in de nationale rekeningen opgenomen.

4.3 De rol van internationale organisaties

Internationale organisaties spelen een belangrijke rol in de zoektocht naar maatstaven voor brede welvaart. Hoewel de meeste data op nationaal niveau worden verzameld, zorgen internationale organisaties wel voor databases waarin de data van nationale instellingen kunnen worden vergeleken. Bij het bijeenbrengen van deze data wordt ook aandacht besteed aan de internationale vergelijkbaarheid van de cijfers. In sommige gevallen voeren internationale organisaties zelfs correcties uit om dit te bewerkstelligen. Daarnaast spelen internationale organisaties een belangrijke rol bij het harmoniseren van meetmethoden door middel van internationale afspraken. Zowel het systeem van nationale rekeningen als het SEEA zijn voorbeelden van gezamenlijke producten van de VN, de Europese Commissie, het IMF, de OESO en de Wereldbank. Verder ondersteunen internationale organisaties bij de implementatie van statistieken in landen waar de statistische capaciteit minder ontwikkeld is. Aangezien het SEEA bijvoorbeeld met name in westerse landen wordt opgesteld (in de EU zijn sommige onderdelen van de milieurekeningen zoals eerder genoemd zelfs verplicht) hebben de Wereldbank en de VN programma’s opgezet om de implementatie van het SEEA in andere landen te bevorderen.

Uiteenlopende initiatieven

Ook op het gebied van brede welvaart hebben de internationale instituten allerlei initiatieven ontplooid, die zij al dan niet gezamenlijk aanpakken. Hieronder komen kort de meest toonaangevende instituten aan de orde. Vervolgens worden de gezamenlijk harmonisatietrajecten besproken.

De VN hebben een belangrijke rol gespeeld in de internationale discussie over brede welvaart door het publiceren van het Brundtlandrapport (1997, zie hoofdstuk 2) en het organiseren van de «Rio-conferenties» over duurzame ontwikkeling (in 1992, 2002 en 2012). Deze conferenties hebben dit onderwerp op de agenda gehouden en hebben ook concrete impulsen gegeven aan het meten van duurzame ontwikkeling. De meest recente ontwikkeling is dat er in VN-verband wereldwijde Sustainable Development Goals (SDGs) zijn vastgesteld. Dat zijn wereldwijde doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling voor de periode 2015-2030. Daarnaast zijn er ook allerlei andere initiatieven van de VN, zoals de Human Development Index (HDI) en het Inclusive Wealth Report dat VN-instituten uitbrengen (zie ook paragraaf 4.6).

De Wereldbank heeft veel werk verricht op het gebied van kapitaalschattingen, en dan vooral in gemonetariseerde vorm. De Wereldbank brengt ook indicatoren naar buiten, zoals Adjusted Net Savings (zie paragraaf 4.6). Verder houdt de Wereldbank een database bij, de zogenoemde «World Development Indicators». Met deze database wordt een breed scala aan sociale, economische en milieu-indicatoren beschikbaar gesteld om de ontwikkeling van landen te vergelijken. Ook speelt de Wereldbank een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de SEEA-module voor ecosystemen en bij de verspreiding van het SEEA naar ontwikkelingslanden.

De OESO is zeer actief op het gebied van brede welvaart. De bekendste activiteit is het Better Life Initiative. In het kader van dat initiatief is een set indicatoren ontwikkeld die verschillende levensomstandigheden van mensen in beeld brengen (zie verder paragraaf 5.3). Daarnaast heeft de OESO allerlei projecten en werkgroepen opgezet over verschillende dimensies van brede welvaart, zoals menselijk kapitaal, globalisering, voetafdrukken en ongelijkheid. Ook voert de OESO het secretariaat van de commissie-Stiglitz. De OESO heeft een handboek uitgebracht over het meten van subjectief welzijn. Ten slotte organiseert de OESO iedere vijf jaar een World Forum over het meten van vooruitgang («measuring progress»).

De Europese Commissie, meer in het bijzonder Eurostat, voert veel coördinerende taken uit voor het reeds sterk ontwikkelde Europese statistische systeem. Zo werkt Eurostat aan de coördinatie van nationale gegevens om tot Europees vergelijkbare gegevens te komen, onder meer door vergaderingen en bijeenkomsten te organiseren. Ook speelt Eurostat een belangrijke rol in de voorbereiding van statistische wetgeving op Europees niveau. Eurostat onderhoudt zelf ook indicatorensets over duurzame ontwikkeling en kwaliteit van leven (zie paragraaf 5.3). Daarnaast financiert de Europese Commissie via haar innovatieprogramma diverse projecten op het gebied van brede welvaart, duurzame ontwikkeling en globalisering. Een aantal daarvan kent een duidelijke Nederlandse inbreng.78

De Europese Commissie heeft ook een belangrijke rol gehad in het agenderen van de ontwikkeling van indicatoren naast het bbp, onder de noemer «Beyond GDP». Dit heeft met name een impuls gekregen door een grote internationale conferentie die de Europese Commissie in 2007 organiseerde. In 2009 werd dit gevolgd door een actieplan van de Europese Commissie om samen met andere organisaties indicatoren te ontwikkelen die internationaal worden erkend en die naast het bbp worden gebruikt.79

Het project heeft onder meer geleid tot de ontwikkeling van een dashboard van indicatoren voor kwaliteit van leven, tot een versnelling van de beschikbaarheid van cijfers over uitstoot van broeikasgassen, de introductie van indicatoren met betrekking tot armoede op regionaal niveau en efficiënt gebruik van hulpbronnen, tot regelgeving die lidstaten verplicht om bepaalde onderdelen van de milieurekeningen te publiceren en tot uitbreiding van beschikbare gegevens over het inkomen van huishoudens.80 Eind 2014 heeft opnieuw een conferentie plaatsgevonden over de voortgang van het «Beyond GDP-programme».81

4.4 Harmonisatie en de CES-recommendations

Vanaf 2004 hebben UNECE82, de OESO en Eurostat diverse gezamenlijke werkgroepen ingesteld om tot harmonisatie te komen bij het meten van brede welvaart. Naast deze drie leidende instituten was ook de Wereldbank daarbij betrokken. De leden van de werkgroepen waren in de meeste gevallen experts van nationale instituten uit de rijkere landen of academici.

In onderstaande tabel staan in chronologische volgorde de verschillende werkgroepen die zijn ingesteld. Ook het rapport van de commissie-Stiglitz is in de tabel opgenomen, hoewel dit formeel gezien geen product van een harmonisatietraject is. De commissie is immers geen samenwerkingsverband van internationale instituten en landen, maar is ingesteld in opdracht van de Franse regering. Het rapport heeft echter wel een belangrijke relatie met de diverse werkgroepen. Hieronder komen de verschillende werkgroepen uitgebreider aan de orde.

Harmonisatie-werkgroepen

Periode

Groepen

Voorzitter

2004–2008

Joint UNECE, OECD, Eurostat Working Group on Statistics on Sustainable Development (WGSSD)

Statistics Canada

Publicatie: Measuring Sustainable Development (2009)

2008–2009

Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress (CMEPSP) (ook wel: commissie-Stiglitz)

Stiglitz, Sen en Fitoussi

Publicatie: Report by the Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress

2009–2013

Joint UNECE, OECD, Eurostat Task Force on measuring sustainable development (TFSD)

CBS

Publicatie: Conference of European Statisticians Recommendations on Measuring Sustainable Development (2014)

2015–

Joint UNECE, OECD, Eurostat Task Force for adjusting CES-framework to SDGs

CBS

Publicatie: verwacht in 2016

De Joint UNECE/OESO/Eurostat Working group for Statistics on Sustainable Development (WGSSD) was een werkgroep onder leiding van Statistics Canada. De 90 leden waren afkomstig van 48 landen en diverse internationale organisaties. Doel van de werkgroep was te komen tot een gezamenlijk raamwerk voor het meten van duurzame ontwikkeling. Inhoudelijk heeft de groep de kapitalenbenadering centraal gesteld. De Wereldbank had al vóór 2004 deze methode geadopteerd, maar doordat de WGSSD deze onderschreef kreeg de methode een nog belangrijkere plek in het internationale discours. Door de nadruk op de kapitalenbenadering ging de aanbeveling vooral over het meten van de dimensie «later». De groep liet echter ook de mogelijkheid open dat het «hier en nu» kon worden toegevoegd. Ondanks het feit dat de Wereldbank in haar eigen initiatieven kapitalen wel uitdrukte in geld (monetarisering), was de WGSSD hierover kritisch. In de aanbevelingen is een set indicatoren in zowel monetaire als fysieke eenheden opgenomen.

De commissie-Stiglitz heeft een duidelijke link met de harmonisatietrajecten. Ten tijde van het onderzoek van de commissie-Stiglitz was het WGSSD-rapport nog niet gepubliceerd, maar in het hoofdstuk over de dimensie «later» heeft de commissie-Stiglitz al wel de voorlopige uitkomsten van de WGSSD gebruikt. De kapitalenbenadering werd daardoor dus verder verankerd in het denken. De commissie-Stiglitz bepleitte echter ook dat het «hier en nu» een belangrijke plek zou krijgen. Bovendien is de commissie-Stiglitz belangrijk geweest omdat deze het idee van een set indicatoren heeft onderschreven.

De Joint UNECE/OESO/Eurostat Task Force on Measuring Sustainable Development (TFSD) startte in september 2009, precies op het moment waarop de commissie-Stiglitz haar rapport presenteerde. Naast de drie leidende instituten UNECE, OESO en Eurostat deed de Wereldbank mee, net als vertegenwoordigers van tien prominente landen.83 Het rapport van de commissie-Stiglitz heeft een grote invloed gehad op het werk van deze werkgroep. Met name het onderscheid tussen «hier en nu» en «later» is direct overgenomen uit het rapport, net als de aanbeveling om een set indicatoren te gebruiken in plaats van één samengestelde indicator.

Er zijn ook twee belangrijke verschillen met het rapport van de commissie-Stiglitz. Ten eerste legt de commissie-Stiglitz niet de nadruk op de dimensie «elders» terwijl de TFSD die als een essentiële dimensie van duurzame ontwikkeling ziet. Ten tweede doet de commissie-Stiglitz geen concrete suggestie voor indicatoren, terwijl de TFSD specifieke indicatoren presenteert.

Het rapport is twee keer wereldwijd voor commentaar voorgelegd aan een breed scala aan nationale en internationale organisaties. Uiteindelijk is het TFSD-rapport in 2013 onderschreven door de Conference of European Statisticians (CES) tijdens de plenaire vergadering van de «Chief Statisticians» uit meer dan zestig landen. Daarom heeft het eindrapport in 2014 de titel «CES-recommendations on measuring sustainable development» gekregen (kortweg CES-recommendations).84

Aan de resultaten van de werkgroepen voor harmonisatie is geen verplichting verbonden. Landen en internationale organisaties moeten dus op basis van vrijwilligheid de CES-recommendations aanvaarden. Momenteel worden de CES-recommendations in tien landen getest. In Nederland is de Monitor Duurzaam Nederland grotendeels in overeenstemming met de CES-recommendations. Ook in België worden de CES-recommendations inmiddels toegepast door middel van een jaarlijks geactualiseerde indicatorenset. Het Federaal Planbureau van België heeft inmiddels een eerste rapport uitgebracht conform deze systematiek.85

De Joint UNECE/OESO/Eurostat Task Force for adjusting CES framework to SDGs, ten slotte, heeft als doel het CES-raamwerk te verbinden met de Sustainable Development Goals (SDGs) van de VN. Het Nederlandse CBS leidt deze werkgroep. De werkgroep is nog niet klaar en heeft nog geen eindrapport gepubliceerd.

Samenvattend zijn de CES-recommendations op dit moment het meest tastbare resultaat van de inspanningen tot harmonisatie.

Inhoud van de CES-recommendations

De CES-recommendations zijn grotendeels gebaseerd op de conceptuele uitgangspunten van het rapport van de commissie-Stiglitz. Echter, waar de commissie-Stiglitz geen concrete thema’s of indicatoren voorschrijft wordt dat in de CES-recommendations wel gedaan. Er zijn twintig thema’s geïdentificeerd en een dashboard met zestig indicatoren.86 De indicatoren zijn met name objectief van aard.

Voor de dimensie «later» wordt de kapitalenbenadering gehanteerd. Voor de dimensie «elders» wordt voorgesteld te werken met indicatoren voor stromen van goederen en kapitaal (import, export, ontwikkelingshulp etc.). Ook wordt gewezen op het gebruik van voetafdrukindicatoren, overigens wel met de opmerking dat deze indicatoren nog niet beschikbaar zijn en dat statistici ernaar moeten streven deze in de toekomst te ontwikkelen.87 Voor een aantal indicatoren zijn aanbevelingen opgenomen voor het disaggregeren van indicatoren naar bepaalde bevolkingsgroepen om verdeling en ongelijkheid inzichtelijk te maken (bijvoorbeeld inkomensongelijkheid).

Op het internationale vlak zijn er dus reeds diverse stappen gezet om tot harmonisatie te komen. Tegelijk bestaan er echter ook nog veel uiteenlopende initiatieven van afzonderlijke instituten, die lang niet altijd op elkaar zijn afgestemd. Los daarvan zijn er nog allerlei andere initiatieven in verschillende landen. Aan internationale harmonisatie wordt weliswaar op diverse plekken gewerkt, maar op dit moment is harmonisatie nog niet bereikt.

4.5 Het monitoren van internationale doelstellingen voor duurzame ontwikkeling

Diverse internationale organisaties hanteren sets van indicatoren voor duurzame ontwikkeling. Duurzame ontwikkeling heeft daarin een ruime betekenis, die veel raakvlakken heeft met brede welvaart (zie ook hoofdstuk 2). Informatie over duurzame ontwikkeling kan daarmee ook inzicht geven in aspecten van brede welvaart.

Bij internationale doelstellingen voor duurzame ontwikkeling gaat veel aandacht uit naar de houdbaarheid van huidige ontwikkelingen op de lange termijn. De dimensie «later» speelt daarin dus een nadrukkelijke rol. Bovendien gaat er bij de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling ook aandacht uit naar de mondiale verdeling en daarmee ook naar de dimensie «elders». De sets van indicatoren zijn er niet primair op gericht systematisch de stand van zaken van de brede welvaart inzichtelijk te maken. Zij zijn gekozen om bepaalde beleidsdoelstellingen meetbaar te maken en de effecten van het beleid te volgen.

In VN-verband wordt gewerkt aan indicatoren om de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (de SDGs) meetbaar te maken. De Europese Commissie heeft indicatoren vastgesteld voor de Europese doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en in het kader van de EU 2020-agenda. De OESO hanteert een set indicatoren voor groene groei. Hieronder komen deze initiatieven achtereenvolgens aan de orde.

Sustainable Development Goals van de VN

In VN-verband zijn in september 2015 zeventien doelstellingen afgesproken voor duurzame ontwikkeling in de periode 2015–2030 (zie kader). Dit is een belangrijke internationale afspraak die de Millennium Development Goals vervangt. De statistische commissie van de VN ontwikkelt indicatoren voor het volgen van de doelen. Het Nederlandse CBS werkt hieraan mee. Het vaststellen van een indicatorensysteem is gepland voor in het voorjaar van 2016.88 Een conceptversie bevat meer dan 200 indicatoren.89 Omdat de indicatoren voor mondiaal gebruik zijn ontwikkeld, is een deel van de gekozen indicatoren wel relevant voor bijvoorbeeld ontwikkelingslanden, maar minder relevant voor Nederland. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft de Tweede Kamer toegezegd uiterlijk in juni 2016 een brief te sturen over het monitoren van de voortgang van de doelstellingen.

De VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling

1.

Uitbannen van alle vormen van (extreme) armoede

2.

Einde aan honger, zorgen voor voedselzekerheid en duurzame landbouw

3.

Gezondheidszorg voor iedereen

4.

Inclusief, gelijkwaardig en kwalitatief onderwijs voor iedereen

5.

Gelijke rechten voor mannen en vrouwen en empowerment van vrouwen en meisjes

6.

Schoon water en sanitaire voorzieningen voor iedereen

7.

Toegang tot betaalbare en duurzame energie voor iedereen

8.

Inclusieve, economische groei, werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen

9.

Infrastructuur voor duurzame industrialisatie

10.

Verminderen ongelijkheid binnen en tussen landen

11.

Veilige, veerkrachtige en duurzame steden

12.

Duurzame consumptie en productie

13.

Aanpak klimaatverandering

14.

Beschermen en duurzaam gebruik van de oceanen en zeeën

15.

Beschermen van ecosystemen, bossen en biodiversiteit

16.

Bevorderen van veiligheid, publieke diensten en recht voor iedereen

17.

Versterken van het mondiaal partnerschap om doelen te bereiken

Indicatoren in Europees verband

Eurostat publiceert elke twee jaar een rapport waarin de voortgang van de Europese strategie voor duurzame ontwikkeling (de EU sustainable development strategy) wordt behandeld aan de hand van indicatoren (sustainable development indicators, SDI). De indicatoren zijn gekoppeld aan de beleidsdoelen van die strategie. Volgens de Europese Commissie betekent dit dan ook dat deze indicatoren niet per definitie geschikt zijn voor nationale doelstellingen.90

De indicatoren vallen onder tien thema’s, die direct verbonden zijn aan beleidsprioriteiten van de EU. In totaal zijn er meer dan 130 indicatoren. Voor elk van de tien thema’s is één kernindicator («headline indicator») benoemd, waarmee snel een beeld kan worden verkregen van de stand van zaken op dat thema.91 Onderstaande tabel geeft een overzicht van de thema’s en de bijbehorende kernindicatoren.

Eurostat SDI-thema's en kernindicatoren

SDI-thema

Kernindicator

Sociaaleconomische ontwikkeling

Reëel bbp per hoofd van de bevolking

Duurzame consumptie en productie

Productiviteit materiaalgebruik

Sociale integratie

Mensen met risico op armoede of sociale uitsluiting

Demografische veranderingen

Arbeidsparticipatie van oudere werkenden

Volksgezondheid

Levensverwachting en aantal gezonde levensjaren

Klimaatverandering en energie

Uitstoot van broeikasgassen

Primair energieverbruik

Duurzaam vervoer

Energieverbruik door vervoer in verhouding tot bbp

Natuurlijke hulpbronnen

Index van algemeen voorkomende vogelsoorten

Mondiaal partnerschap

Officiële ontwikkelingshulp

Goed bestuur

[Geen kernindicator]

Bron: Eurostat (2015) II. Sustainable development in the European Union: 2015 monitoring report of the EU Sustainable Development Strategy, p. 9; vertaling commissie Breed welvaartsbegrip.

Ook voor de EU 2020-strategie maakt Eurostat gebruik van kernindicatoren. In dit geval zijn het negen indicatoren, die gekoppeld zijn aan de vijf hoofddoelen van de strategie. De hoofddoelen hebben betrekking op werkgelegenheid, innovatie, onderwijs, sociale samenhang en klimaat en energie. Op zijn website houdt Eurostat de kernindicatoren bij.92 Daarnaast publiceert Eurostat jaarlijks een rapport waarin een overzicht wordt gegeven van de stand van zaken en waarin ook tijdreeksen worden geanalyseerd.93

In het kader van de EU-2020 strategie is ook het zogenoemde «Europees semester» opgezet. Dit is een jaarlijkse cyclus van economische beleidscoördinatie in de EU. De Europese Commissie en de lidstaten brengen in deze cyclus verschillende rapporten uit. De Europese Commissie maakt daarbij onder meer gebruik van een «scorebord» met economische en sociale indicatoren. Deze zijn bedoeld om eventuele macro-economische onevenwichtigheden in beeld te brengen in het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden. In februari van elk jaar publiceert de commissie ook rapporten per land, waarin dit scorebord is opgenomen, naast allerlei andere economische, financiële en sociale kernstatistieken. Het scorebord bevat indicatoren voor externe onevenwichtigheden (zoals de lopende rekening van de betalingsbalans) en interne onevenwichtigheden (zoals de ontwikkeling van de huizenprijzen, schulden en werkloosheid).94

OESO-meetkader voor groene groei

In 2011 heeft de OESO een strategie voor groene groei vastgesteld. Daaraan is een internationaal afgestemd meetschema met indicatoren gekoppeld, bedoeld om de voortgang van de strategie te volgen. De OESO ziet groene groei als economische groei en ontwikkeling waarbij hulpbronnen, milieu en natuur niet overmatig worden geëxploiteerd. In vergelijking met de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de VN en Eurostat gaat de groenegroeistrategie over een minder ruim gebied.95

Het meetschema bestaat uit 23 hoofdindicatoren waarmee groene groei gemeten kan worden. Daarbij horen nog bepaalde uitsplitsingen en verbijzonderingen. De indicatoren zijn ingedeeld in vier thema’s, namelijk milieu- en grondstoffenefficiëntie van het productieproces, natuurlijke hulpbronnen, milieukwaliteit van het leven en groene beleidsinstrumenten en economische kansen.96

Het Nederlandse kabinet heeft ook ambities voor groene groei vastgelegd. Om zicht te houden op de voortgang van groene groei heeft het kabinet het CBS gevraagd periodiek de groenegroei-indicatoren te blijven actualiseren en op te nemen in de Monitor Duurzaam Nederland.97 In de meest recente monitor is een apart hoofdstuk opgenomen over groene groei. Daarin is gerapporteerd over een aantal kernindicatoren voor groene groei. Een interdepartementale werkgroep heeft deze indicatoren gekozen. Ten behoeve van de communiceerbaarheid is gekozen voor een beperktere set indicatoren dan de indicatorenset van de OESO. De kernindicatoren bestaan uit milieudrukindicatoren (bijvoorbeeld broeikasgasemissies), voetafdrukindicatoren, algemene indicatoren met betrekking tot de leefomgeving (luchtkwaliteit, biodiversiteit) en economische indicatoren. Naast de kernindicatoren is ook informatie opgenomen over de volledige set OESO-indicatoren.98 Het CBS rapporteert tevens over groene groei in de publicatiereeks Green Growth in the Netherlands (verschenen in 2011 en in 2015). Hierin is het OESO-meetkader het uitgangspunt.99

4.6 Internationale discussie over brede welvaart

De internationale discussie over het bbp en het meten van brede welvaart, en het werk van verschillende internationale organisaties heeft onder meer geleid tot een aantal concrete meetinstrumenten voor brede welvaart. Daarbij zijn verschillende benaderingen gekozen. Deze paragraaf geeft een kort overzicht van deze meetinstrumenten en benaderingen.

Aanpassingen van het bbp en andere variabelen in het systeem van nationale rekeningen

Een eerste benadering in de discussie over het meten van brede welvaart is het ontwikkelen van indicatoren met het doel het bbp en andere variabelen uit de nationale rekeningen te corrigeren voor positieve of negatieve welvaartseffecten. Zaken zoals de waarde van huishoudelijke activiteiten worden dan bijvoorbeeld opgeteld bij het bbp en zaken als milieuschade worden ervan afgetrokken. Deze benadering heeft tot indicatoren geleid als de Genuine Progress Indicator (GPI) en Adjusted Net Savings (ANS). Een in Nederland ontwikkelde indicator is het milieu-Duurzaam Nationaal Inkomen (mDNI).

De GPI is ontwikkeld als correctie van het bbp, met als doel om met meer dimensies van brede welvaart rekening te houden dan alleen de economische consumptie en productie.100 Om de GPI te berekenen wordt de totale consumptie, een variabele uit het systeem van nationale rekeningen, als uitgangspunt genomen. De totale consumptie wordt vervolgens «gecorrigeerd» met allerlei factoren: inkomensongelijkheid, de waarde van huishoudelijke arbeid, niet-defensieve overheidsuitgaven, private uitgaven voor herstel van schade, kapitaalaanpassingen, kosten van milieudegradatie en uitputting van natuurlijk kapitaal.101 Bijzonder aan de GPI is dat deze daadwerkelijk wordt gebruikt door twintig staten van de Verenigde Staten. Zij berekenen hun GPI op regelmatige basis. De GPI van Nederland wordt niet op regelmatige basis gepubliceerd. Wel is in 2012 een variant van de GPI voor Nederland berekend. Van de meeste landen is geen actuele GPI bekend, waardoor de mogelijkheden voor internationale vergelijking beperkt zijn.102

Een enigszins vergelijkbaar initiatief is de Adjusted Net Savings (ANS)-indicator, die de Wereldbank heeft ontwikkeld. Deze was vroeger wel bekend als Genuine Savings. De indicator wordt net als de GPI berekend op basis van informatie uit de nationale rekeningen. In plaats van de consumptie worden echter de investeringen als uitgangspunt genomen. Dit cijfer wordt op diverse manieren aangepast. Dit gebeurt door publieke uitgaven aan onderwijs op te tellen bij de investeringen, en door afschrijvingen van economisch kapitaal, uitputting van natuurlijke hulpbronnen en door vervuiling veroorzaakte schade daarvan af te trekken. In feite beoogt de Wereldbank met de ANS-indicator bij het bepalen van de investeringen niet alleen rekening te houden met het economisch kapitaal, maar ook met menselijk en natuurlijk kapitaal. De Wereldbank publiceert de ANS elk jaar voor meer dan 200 landen, waaronder Nederland.103

Ook het milieu-Duurzaam Nationaal Inkomen (mDNI) sluit aan bij het systeem van nationale rekeningen, meer in het bijzonder bij het begrip «nationaal inkomen». De indicator wijkt in zoverre af van de hiervoor besproken indicatoren dat deze niet bedoeld is als maat van daadwerkelijke welvaart. De indicator geeft daarentegen het maximaal mogelijke niveau van het nationaal inkomen aan indien dat duurzaam zou zijn vanuit ecologisch oogpunt. De heer Hueting, oprichter van de afdeling Milieustatistieken van het CBS en de uitvinder van het mDNI, definieert het duurzaam nationaal inkomen als volgt: «Het milieu-Duurzaam Nationaal Inkomen (mDNI) is gedefinieerd als het maximaal haalbare productieniveau waarbij, met de technologie en het arbeidsvolume in het berekeningsjaar, de gebruiksmogelijkheden van de niet door de mens gemaakte fysieke omgeving (milieufuncties) voor komende generaties beschikbaar blijven door het respecteren van fysieke milieuduurzaamheidnormen. De afstand tot het standaard nationaal inkomen geeft aan welk deel van het nationaal inkomen niet duurzaam is geproduceerd».104 Het mDNI wordt op dit moment niet op regelmatige basis voor Nederland of andere landen gepubliceerd.

Indicatoren als GPI, ANS en mDNI hebben als voordeel dat wordt aangesloten bij begrippen uit de nationale rekeningen. De indicatoren zijn in financiële termen uitgedrukt. Daarmee delen zij niet alleen het voordeel van eenvoudige communicatie met het bbp, maar kunnen zij ook vergeleken worden met andere financiële indicatoren. Omdat de indicatoren verschillende aspecten van brede welvaart in één cijfer uitdrukken, wordt verder snel duidelijk of de welvaart zich positief dan wel negatief ontwikkelt. De keerzijde hiervan is dat uit één cijfer niet duidelijk wordt welke onderliggende aspecten zich precies positief dan wel negatief ontwikkelen en welke afruilmechanismen er mogelijk optreden. Ook is niet zichtbaar in welke mate positieve en negatieve ontwikkelingen elkaar opheffen doordat zij bij elkaar worden opgeteld.

Om tot één financieel cijfer te komen dienen in de berekening wel enkele methodische stappen gezet te worden die niet allemaal onomstreden zijn. Zo is het moeilijk om de juiste financiële waarde te bepalen van bijvoorbeeld huishoudelijke arbeid, natuurlijke hulpbronnen en milieuschades omdat hiervoor dikwijls geen marktprijzen voorhanden zijn.

Alternatieven voor het bbp

Begin jaren negentig kwam een andere benadering voor het meten van brede welvaart op, waarin niet langer werd gestreefd naar één financieel cijfer als alternatief voor of aanvulling op het bbp. In plaats daarvan kwam een gewogen gemiddelde van diverse dimensies van brede welvaart. Daardoor wordt de problematiek van het beprijzen van verschillende dimensies van welvaart omzeild. De Human Development Index (HDI) van de VN is waarschijnlijk het bekendste voorbeeld van deze benadering.

De HDI is ontwikkeld vanuit de gedachte dat niet economische groei, maar mensen en hun mogelijkheden centraal zouden moeten staan bij de ontwikkeling van landen. De HDI is een indicator die is samengesteld uit de dimensies levensverwachting (als uitdrukking van gezondheid), opleiding en bruto nationaal inkomen per hoofd.105 Een voordeel van de HDI is de internationale vergelijkbaarheid.106 De VN hebben de index in hun meest recente rapport voor 188 landen berekend.107

Ook de methode van een gewogen gemiddelde van diverse aspecten van welvaart leidt tot één cijfer, met daarbij behorende voordelen op het gebied van communicatie en vergelijkbaarheid. Omdat het resultaat niet in geld is uitgedrukt, spelen er ook geen waarderingsproblemen. Daar staat wel een ander methodologisch probleem tegenover, namelijk dat weging van verschillende dimensies van brede welvaart ten opzichte van elkaar nodig is om tot één gemiddeld cijfer te komen. Het probleem is dat het relatieve gewicht van afzonderlijke dimensies niet gebaseerd kan worden op objectieve gegevens. Daarbij spelen normatieve afwegingen een rol.108

Enkelvoudige indexen of een set indicatoren?

Een alternatieve benadering is het presenteren van sets van meerdere indicatoren. Daarbij is het uitgangspunt dat brede welvaart, welzijn en duurzame ontwikkeling multidimensionale fenomenen zijn en dat iedere dimensie een eigen indicator verdient. Het doel is daarbij dus niet meer om tot één cijfer te komen. In plaats daarvan worden de diverse indicatoren naast elkaar gepresenteerd en uitgedrukt in verschillende eenheden zoals geld, uren en percentages. Een voordeel daarvan is dat deze initiatieven niet de waarderingsproblemen en wegingsproblemen kennen van de eerder besproken enkelvoudige indicatoren.

In tegenstelling tot enkelvoudige indicatoren kan met een set indicatoren inzichtelijk worden hoe de ontwikkeling op verschillende deelaspecten van brede welvaart verloopt en kunnen afruilen en keuzes tussen deelaspecten beter naar voren komen. Daar staat een verlies aan helderheid tegenover, omdat niet langer uit één cijfer duidelijk wordt of de ontwikkelingen in de goede of de verkeerde richting gaan. Daarentegen moet naar meerdere indicatoren worden gekeken. Dat bemoeilijkt niet alleen de communicatie maar ook de vergelijkbaarheid. Hoe meer indicatoren in de indicatorenset zijn opgenomen, hoe groter dit probleem is. Indicatorensets geven tevens, in tegenstelling tot enkelvoudige indicatoren, mogelijkheden tot cherrypicking: het uitlichten van die indicatoren die passen in de gewenste boodschap.

Een voorbeeld van een internationaal dashboard is de Better Life Index van de OESO (zie ook paragraaf 5.4).109 Ook diverse landen hebben op nationaal niveau dashboards voor brede welvaart ontwikkeld. Hieronder komen de initiatieven in Duitsland en Frankrijk aan bod, gebaseerd op de werkbezoeken die de commissie aan deze landen heeft gebracht.

4.7 Enkele initiatieven in andere landen

Duitsland

De Duitse Bondsdag heeft in 2010 een parlementaire onderzoekscommissie ingesteld over brede welvaart. Het onderzoek bestond uit de volgende deelonderwerpen:

  • 1. het belang van groei in economie en samenleving;

  • 2. de ontwikkeling van indicatoren voor brede welvaart;

  • 3. het verband tussen groei, het gebruik van hulpbronnen en technische vooruitgang;

  • 4. duurzaamheid door regulerend beleid;

  • 5. de wereld van werk, consumptie en leefstijlen.110

De commissie bestond in totaal uit 62 personen. Dit betrof behalve parlementariërs ook externe deskundigen die door de verschillende politieke partijen werden aangedragen. Het Duitse parlementaire onderzoek heeft uiteindelijk tweeënhalf jaar geduurd en resulteerde in een eindrapport van in totaal 844 pagina’s.111

Bij het onderdeel «de ontwikkeling van indicatoren voor brede welvaart» hebben de leden van de Bondsdag een voorstel voor een dashboard gedaan waarin drie hoofddimensies worden onderscheiden: een economische, een sociale en een milieudimensie. Zij hebben deze dimensies onderverdeeld in tien hoofdindicatoren. Daarnaast zijn echter ook enkele zogenoemde «waarschuwingsindicatoren» vastgesteld. Dat zijn indicatoren waarover alleen wordt bericht als de waarde boven of onder een bepaalde drempel komt of als zij zich in een ongewenste richting ontwikkelen. De Duitse commissie heeft de aanbeveling gedaan dat de Duitse regering het dashboard regelmatig actualiseert en er vervolgens een kabinetsstandpunt over formuleert zodat het een prominente plaats kan krijgen bij debatten in de Bondsdag.

Het tweeënhalf jaar durende proces om tot een dashboard met indicatoren te komen, is echter niet geslaagd. Zo is de Duitse commissie het niet eens geworden over de keuze van de indicatoren en hebben verschillende politieke partijen vele minderheidsstandpunten in het rapport geformuleerd. Alhoewel de Bondsdag het rapport uiteindelijk in meerderheid heeft aangenomen, heeft de Duitse regering de in het rapport voorgestelde website112 waarop de indicatoren zouden worden gepubliceerd, niet gelanceerd. Sterker nog, de Duitse regering is opnieuw begonnen met een eigen initiatief om brede welvaart in kaart te brengen. De regering is daartoe een nationale dialoog met de Duitse bevolking113 gestart. In dat kader zijn onder meer gesprekken met burgers gevoerd over wat Duitsers belangrijk vinden in het leven. Op basis van de dialoog is de regering voornemens indicatoren op te stellen waarmee zij zicht krijgt op deze voor de Duitsers belangrijke zaken. Daarmee staan de door het parlement voorgestelde indicatoren in feite weer op losse schroeven. Tevens zal het initiatief daardoor niet aansluiten bij de bestaande initiatieven tot internationale harmonisatie. Overigens heeft ook de nationale dialoog die de regering is gestart vooralsnog geen dashboard met indicatoren opgeleverd.

Al voor het onderzoek van de Duitse Bondsdag zijn er van de kant van de Duitse regering overigens al pogingen gedaan om een dashboard voor de brede welvaart te ontwikkelen. Zo is de Duitse Raad van Economische Experts114 samen met de Franse Raad voor Economische Analyse115 een gezamenlijk initiatief gestart naar aanleiding van het rapport van de commissie-Stiglitz. Dit initiatief heeft echter niet geleid tot de vaststelling van een set indicatoren. In 2010 is een gezamenlijk rapport gepubliceerd waarin een voorstel wordt gedaan om te komen tot 25 basisindicatoren voor brede welvaart. Het rapport beschrijft de stappen en problemen om deze 25 basisindicatoren meetbaar te maken, zonder tot een concreet uitgewerkt dashboard te komen. De indicatoren stonden uitdrukkelijk nog open voor discussie.116

Frankrijk

Na de commissie-Stiglitz (2009) en het hierboven genoemde Frans–Duitse initiatief (2010) heeft het onderwerp «brede welvaart» in Frankrijk enkele jaren stilgelegen. Pas in april 2015 heeft het Franse parlement, de Assemblée nationale, het onderwerp weer op de agenda gezet door een wetsvoorstel117 aan te nemen waarin de regering wordt gevraagd te komen tot nieuwe welvaartsindicatoren naast het bbp. In reactie op dit wetsvoorstel heeft de Franse regering in november 2015 een rapport118 uitgebracht met tien nieuwe welvaartsindicatoren naast het bbp.119 Ook in Frankrijk zijn deze indicatoren opgesteld na een dialoog over brede welvaart met de Franse bevolking. In dit kader is een internetenquête voorgelegd, zijn paneldiscussies gehouden met duizend mensen en zijn universiteiten en adviesraden betrokken.

Ook in Frankrijk heeft het initiatief slechts tot beperkte resultaten geleid. Vanuit de Assemblée nationale en de wetenschappelijke wereld is er nogal wat kritiek op het rapport geleverd. Een van de kritieken was dat er weliswaar een nationale dialoog met de bevolking heeft plaatsgevonden, maar dat de Franse regering niet alle resultaten uit deze dialoog heeft overgenomen. Ook dekken de gekozen indicatoren veel beleidsterreinen niet af en lijken ze nogal willekeurig gekozen te zijn. De indicatoren weerspiegelen dus niet de resultaten van de nationale dialoog en kunnen evenmin gebruikt worden om de effecten van het beleid in den brede te monitoren. Tevens is er de kritiek dat het rapport niet onafhankelijk van de regering is opgesteld, waardoor het parlement geen oordeel kan vormen over de resultaten van het regeringsbeleid op basis van onafhankelijke informatie. De Franse Minister van Financiën, die het rapport aan de Assemblée nationale aanbood, is zich bewust van de kritiek. Ook heeft hij aangegeven dat het rapport gezien moet worden als een eerste stap om welvaart te meten en dat er nog veel werk verzet moet worden om het project verder te brengen.120 Het rapport heeft tot op heden weinig aandacht gehad in het Franse parlement en in de media.

Groot-Brittannië

In Groot-Brittannië heeft premier Cameron in 2010 aangekondigd het welzijn van de Britten beter te willen meten en welzijn een belangrijk onderdeel van zijn beleid te willen maken.121 Hiertoe zijn verschillende initiatieven ondernomen. Het Britse Bureau voor de Statistiek (ONS) heeft in dat kader een «wheel of wellbeing» samengesteld, waarin 41 indicatoren zijn opgenomen, verdeeld over 10 thema’s.122 Ook is er een werkgroep van parlementariërs afkomstig uit verschillende politieke partijen samengesteld om het gebruik van welzijnsindicatoren in het beleid te bediscussiëren en vooral te bemoedigen. Tot slot is in Groot-Brittannië een «what works centre for wellbeing» opgericht, dat specifiek de relaties tussen welzijn en beleid onderzoekt. De bedoeling is dat dit instituut laat zien welk beleid werkt, ofwel tot een groter geluk leidt.123

Samenvattend

In Frankrijk en Duitsland zijn initiatieven gaande om dashboards op te stellen die specifiek gericht zijn op het meten van brede welvaart in deze landen. Er zijn jarenlange trajecten doorlopen om tot een eigen set indicatoren te komen, maar met beperkt resultaat. Ze hebben evenmin tot politieke overeenstemming geleid. De initiatieven staan bovendien haaks op initiatieven om te komen tot internationaal geharmoniseerde brede welvaartsmaten.

4.8 Conclusies

Het systeem van nationale rekeningen is een belangrijke bron voor informatie over brede welvaart

Een belangrijke bron voor informatie over brede welvaart is het systeem van nationale rekeningen. De nationale rekeningen bevatten naast het bbp ook andere indicatoren die inzicht geven in aspecten van brede welvaart, zoals huishoudinkomen en -consumptie. Het systeem heeft sinds de invoering diverse aanpassingen ondergaan om te voldoen aan de eisen van de tijd. Ook zijn internationaal afspraken gemaakt over uitbreidingen van het systeem op gebieden als arbeid en milieu in de vorm van satellietrekeningen. De commissie onderschrijft het belang hiervan en onderstreept het belang dat de verantwoordelijke organisaties gezamenlijk werken aan verdere harmonisatie van metingen van aspecten van brede welvaart.

Er is een levendige internationale discussie over brede welvaart

Er is een levendige internationale discussie over het meten van brede welvaart. Deze discussie heeft in 2009 een belangrijke impuls gekregen door een rapport van onder meer Nobelprijswinnaars Stiglitz en Sen. De zoektocht naar maatstaven voor brede welvaart heeft geleid tot een brede waaier van honderden verschillende initiatieven, indicatoren en sets van indicatoren (dashboards). Internationale harmonisatie is nog niet bereikt, maar verschillende internationale organisaties, zoals de VN, de OESO en de Europese Commissie, werken zowel gezamenlijk als zelfstandig aan de ontwikkeling van bredewelvaartsmaten. Nederlandse partijen, met name het CBS, spelen hierbij een vooraanstaande rol.

Niet het bbp vervangen

Internationaal zijn er verschillende initiatieven geweest om te komen tot een maatstaf van brede welvaart. Er zijn indicatoren ontwikkeld die de welvaart in één cijfer uitdrukken naast of in plaats van het bbp. Volgens de commissie is het problematisch dat bij de berekening daarvan aan de verschillende aspecten van brede welvaart een waardering of normatieve weging moet worden toegekend. Het alternatief is aansluiten bij de huidige internationale tendens om sets van meerdere indicatoren te ontwikkelen en deze naast elkaar te presenteren. Zo kan inzicht worden geboden in verschillende aspecten van brede welvaart en in de wijze waarop deze aspecten zich ten opzichte van elkaar ontwikkelen. De commissie vindt dat niet gezocht zou moeten worden naar één indicator ter vervanging van het bbp, maar veeleer naar een set indicatoren die naast het bbp gebruikt kan worden.

Aansluiten bij bestaande internationale ontwikkelingen

De commissie heeft kennisgenomen van de Franse en Duitse initiatieven om te komen tot een eigen dashboard met welvaartsindicatoren. De commissie constateert dat het onderzoek in de Duitse Bondsdag niet tot politieke overeenstemming heeft geleid en dat er in Duitsland na jarenlange trajecten nog geen dashboard tot stand is gekomen. De commissie vindt het dashboard van de Franse regering niet onafhankelijk genoeg en van onvoldoende kwaliteit. De commissie constateert dat er bij deze initiatieven een gebrek is aan internationale harmonisatie en dat deze mede daardoor tot op heden weinig impact hebben gehad. Zij vindt initiatieven die te zeer gebaseerd zijn op nationale discussie over afzonderlijke indicatorensets niet de manier om verder te komen met het inzichtelijk maken van de brede welvaart. De commissie pleit er daarom voor in Nederland niet zelfstandig nog een initiatief toe te voegen aan de vele bestaande initiatieven om brede welvaart te meten. De commissie wijst daarentegen op het belang van internationale harmonisatie en pleit ervoor aan te sluiten bij de internationale ontwikkelingen en gebruik te blijven maken van de actieve rol die Nederland hier nu al in speelt.

CES-recommendations het meest tastbare resultaat van harmonisatie

Gezamenlijke werkgroepen van de VN, de OESO en Eurostat, waaraan ook de Wereldbank en nationale statistiekbureaus deelnemen, werken sinds 2004 aan internationale harmonisatie van het meten van brede welvaart. Een belangrijk resultaat hiervan is de publicatie in 2014 van aanbevelingen voor het meten van duurzame ontwikkeling, de zogenoemde «CES-recommendations on measuring sustainable development». De internationale instituten en de «Chief Statisticians» van meer dan zestig landen, waaronder Nederland, hebben deze aanbevelingen onderschreven. Momenteel voeren tien landen testen uit op basis van de CES-recommendations. Veel landen en internationale organisaties hebben hun instrumenten voor brede welvaart echter (nog) niet in overeenstemming gebracht met de CES-recommendations.

Meetsystemen internationale organisaties niet het aangewezen instrument voor Nederlands politiek debat over brede welvaart

De VN, maar ook de Europese Commissie en de OESO, hebben doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en/of groene groei vastgesteld. Daarbij zijn diverse meetinstrumenten ontwikkeld om die doelstellingen te volgen. Deze instrumenten bestaan uit indicatoren die zijn gekozen met als primair doel het meten of de beleidsdoelstellingen worden gehaald. Deze indicatoren kunnen volgens de commissie inzicht geven in bepaalde aspecten van brede welvaart, maar zijn niet voldoende dekkend om de brede welvaart van Nederland inzichtelijk te maken. Voor dat doel acht de commissie deze indicatorensets daarom minder geschikt en als zodanig ook onvoldoende bruikbaar voor het Nederlandse politieke debat. Met dat doel zijn zij ook niet ontwikkeld.

5. Maatstaven voor brede welvaart «hier en nu»

5.1 Inleiding

In Nederland zijn diverse instrumenten beschikbaar waarmee verschillende aspecten van brede welvaart inzichtelijk worden gemaakt. In hoofdstuk 3 is geconcludeerd dat het bbp een robuuste indicator is om de omvang van de economie te meten, maar ook dat het bbp beperkingen heeft. In het voorgaande hoofdstuk is geschetst dat een brede en internationale discussie op gang is gekomen over het meten van brede welvaart. In dit hoofdstuk staan concrete instrumenten centraal die in Nederland al beschikbaar zijn en die met name de welvaart «hier en nu» inzichtelijk maken. Daarbij wordt ingegaan op de belangrijkste eigenschappen, mogelijkheden en beperkingen van deze instrumenten. Omdat het aantal initiatieven voor het meten van brede welvaart «hier en nu» in Nederland en daarbuiten zeer talrijk is, was het onontkoombaar om een selectie te maken. De focus ligt op de voor beleid en politiek belangrijkste en terugkerende instrumenten in Nederland en op instrumenten die in internationaal verband van belang zijn.

5.2 Welvaart, kwaliteit van leven, welzijn en geluk

In hoofdstuk 2 is beschreven dat begrippen als «kwaliteit van leven» en «welzijn» verband houden met brede welvaart. Voordat enkele in Nederland belangrijke instrumenten voor het meten van kwaliteit van leven en welzijn aan de orde komen, wordt hieronder eerst nader ingegaan op onderzoek naar subjectief welzijn en geluk in het algemeen.

Onderzoek naar subjectief welzijn en geluk

Subjectief welzijn en geluk zijn in principe relatief eenvoudig te onderzoeken in vergelijking met bijvoorbeeld de wijze waarop het bbp tot stand komt. De reden daarvoor is dat mensen rechtstreeks gevraagd kan worden naar hun geluk en tevredenheid, in de praktijk vaak in de vorm van enquêtes op basis van een steekproef. Subjectieve indicatoren zijn vaak uitgedrukt op een schaal met een boven- en ondergrens, bijvoorbeeld geluk op een schaal van 1–10. Door die begrenzing kan het gemeten geluk niet oneindig blijven groeien.

Geluk en tevredenheid zijn (zoals in paragraaf 2.5 beschreven) zogenoemde «levensuitkomsten». Die zijn te onderscheiden van levensvoorwaarden die de levensuitkomsten beïnvloeden (zoals een goed inkomen en een goede gezondheid). Onderzoek naar geluk en tevredenheid met het leven is direct gericht op de uitkomsten en niet op de voorwaarden die van invloed zijn op de uitkomsten. De directe vraagstelling naar levensuitkomsten heeft voordelen voor de communicatie van de onderzoeksresultaten. Indicatoren zoals de mate van geluk of tevredenheid zijn immers eenvoudig te begrijpen. Bij de duiding van uitkomsten van onderzoek naar geluk kan vergelijking behulpzaam zijn. Omdat er in Nederland maar ook wereldwijd vrij veel onderzoek naar geluk beschikbaar is, is vergelijking door de tijd en tussen landen mogelijk. De Nederlandse hoogleraar Veenhoven speelt hierin een belangrijke rol. Zijn World Database of Happiness bevat gegevens over geluksonderzoek van landen over de hele wereld en maakt vergelijking tussen landen en door de tijd mogelijk.124 Hoewel de databeschikbaarheid relatief goed is, zijn er wel andere factoren die vergelijking kunnen bemoeilijken. Zo moet bij het maken van vergelijkingen rekening worden gehouden met cultuurverschillen, generatie-effecten en gewenningseffecten. Daarnaast kan de vertaling van de vragenlijsten ook leiden tot verschillen in interpretatie.

Hoewel er verschillen zijn tussen landen in gemiddeld geluk, zijn veranderingen van landengemiddelden in de loop van de tijd over het algemeen geleidelijk. Effecten van verandering van beleid op het gemiddelde geluk zijn vaak te klein om zichtbaar te zijn of worden dat pas na verloop van tijd. Het gemiddelde geluk kan onder bepaalde omstandigheden overigens wel op korte termijn veranderen. Zo daalde het gemiddelde geluk in Rusland na de roebelcrisis van 1998.125 Over het algemeen kan geluk echter moeilijk gekoppeld worden aan specifieke veranderingen van beleid, omdat geluk een globale indicator is.126 Het CPB concludeerde in 2010 dan ook dat, triviale uitzonderingen daargelaten, de kennis ontbreekt om met enige betrouwbaarheid te voorspellen wat de effecten van specifiek beleid op het geluk van burgers zullen zijn.127 Uiteraard is geluk ook niet alleen afhankelijk van beleid, maar wordt het ook sterk beïnvloed door andere factoren, zoals familie en vrienden en het karakter van individuen.

Publicaties over welzijn en kwaliteit van leven

Naast algemene metingen van geluk en subjectief welzijn zijn er allerlei meer specifieke publicaties over welzijn waarin ook andere indicatoren een rol spelen. In onderzoek naar kwaliteit van leven is dikwijls een combinatie van objectieve en subjectieve indicatoren opgenomen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) speelt een belangrijke rol op dit onderzoeksgebied. Een rapport van het SCP met een brede insteek is de tweejaarlijkse publicatie De sociale staat van Nederland. Die publicatie is, op verzoek van de Tweede Kamer, in de jaren tachtig voor het eerst verschenen als tegenhanger van de Macro Economische Verkenning (MEV) van het CPB.128 Sinds 2001 heeft het de rol van breed sociaal en cultureel naslagwerk overgenomen van het Sociaal en Cultureel Rapport, dat sindsdien elke keer ingaat op één bepaald thema.129 De sociale staat van Nederland wordt ook onder de aandacht gebracht van de Tweede Kamer. Zo is eind 2013 De sociale staat van Nederland 2013 aangeboden aan de Tweede Kamer. Een kabinetsreactie volgde in februari 2014.130

In De sociale staat van Nederland wordt de kwaliteit van leven van de Nederlandse bevolking en van verschillende groepen daarbinnen beschreven en geanalyseerd in beschouwingen. Dit gebeurt aan de hand van objectieve en subjectieve kerncijfers over onderwerpen als onderwijs, arbeid, inkomen, gezondheid, vrijetijdsbesteding, maatschappelijke participatie, veiligheid, huisvesting en woonomgeving.131

In het rapport is ook een samenvattende index opgenomen, de SCP-Leefsituatie-index. Deze is bedoeld om een samenvattend inzicht te geven in de gemiddelde welvaart en het gemiddelde welzijn van de Nederlandse bevolking. In de index zijn gegevens opgenomen over acht maatschappelijke domeinen, te weten gezondheid, woonsituatie, sociale participatie, sportbeoefening, bezit van duurzame consumptiegoederen, mobiliteit, sociaal-culturele vrijetijdsactiviteiten en vakantiegedrag. Deze domeinen hebben bij de berekening van de index een gelijk gewicht gekregen.132

De index beschrijft de objectieve kant van de kwaliteit van leven (tevredenheid is er bijvoorbeeld niet in opgenomen).133 De gegevens zijn afkomstig uit enquêteonderzoek, waarbij mensen is gevraagd naar feiten, niet naar hun beleving van de feiten.

De index is een specifiek Nederlands initiatief. Vergelijking met andere landen is dus niet mogelijk. De index gaat over het «hier en nu», niet over de dimensies «elders» en «later». Het is mogelijk de index voor verschillende groepen te berekenen en daarmee de verdeling in de samenleving inzichtelijk te maken. Het SCP splitst de index bijvoorbeeld uit naar verschillende leeftijdsgroepen, geslacht, huishoudenssamenstelling en etnische achtergrond.

Diverse andere Nederlandse publicaties zijn specifiek gericht op subjectief welzijn. In 2015 publiceerde het CBS voor het eerst de publicatie Welzijn in Nederland, waarin de resultaten van jarenlang onderzoek naar subjectief welzijn zijn gebundeld. Naast het welzijn in het algemeen gaat het rapport ook in op acht dimensies van welzijn, waaronder materiële levensstandaard, gezondheid, sociale relaties en milieu en leefomgeving. De cijfers zijn afkomstig uit enquêteonderzoeken die het CBS regelmatig uitvoert.134 Het CBS heeft in de publicatie een index voor subjectief welzijn opgenomen waarmee de individuele evaluaties van de acht dimensies zijn samengevat in één cijfer, de Persoonlijke Welzijnsindex (PWI). Het voornaamste doel van de PWI is om het welzijn in Nederland op een relatief eenvoudige manier inzichtelijk te maken.135

Ook in de publicatie Kwaliteit van leven in Nederland rapporteert het CBS over zowel subjectieve als objectieve indicatoren. De publicatie gaat wat minder specifiek in op (subjectief) welzijn dan de publicatie Welzijn in Nederland, maar relateert welzijn en materiële welvaart aan elkaar. Verder stelt het de verdeling over verschillende bevolkingsgroepen centraal. Naast objectieve indicatoren zijn subjectieve indicatoren opgenomen als tevredenheid over het leven en tevredenheid over diverse aspecten (werk, woning, etc.). Ook zijn subjectieve indicatoren opgenomen als consumentenvertrouwen, ervaren gezondheid en vertrouwen in andere mensen. De publicatie is een vervolg op eerdere publicaties onder de titel De Nederlandse samenleving (2010 en 2012), waarin de aanbevelingen van de commissie-Stiglitz over het meten van welvaart de leidraad vormden.136

Een laatste voorbeeld van een publicatie over subjectief welzijn is het Continu Onderzoek Burgerperspectieven (COB) van het SCP, dat sinds het eerste kwartaal van 2008 wordt gepubliceerd. Elk kwartaal verschijnt een bericht met actuele resultaten van een enquête en groepsgesprekken met burgers. Terugkerende onderwerpen zijn tevredenheid, verwachtingen over de economie, institutioneel vertrouwen en prioriteiten van burgers. Daarnaast verkent het SCP elk kwartaal een aantal extra onderwerpen.137

5.3 Informatie over enkele aspecten van welvaart «hier en nu»

In de voorgaande paragraaf zijn diverse publicaties aan de orde gekomen die zich richten op brede welvaart, kwaliteit van leven en/of welzijn. Er zijn ook diverse publicaties en instrumenten die zich richten op bepaalde aspecten van brede welvaart. Hieronder worden hiervan enkele belangrijke voorbeelden besproken.

Kwaliteit van de leefomgeving

Uit het voorgaande is af te leiden dat de kwaliteit van de leefomgeving als een van de aspecten van kwaliteit van leven kan worden gezien. De elke twee jaar verschijnende Balans van de Leefomgeving van het PBL geeft een feitelijk inzicht in de actuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.138 In de publicatie zijn onderwerpen opgenomen als wonen en vastgoed, energie, voedsel en landbouw, mobiliteit, water en natuur. Naast cijfers zijn beschouwingen opgenomen aan de hand van zogenoemde «systeemanalyses» met mogelijke verklaringen voor de situatie. In dergelijke analyses worden verbanden gelegd tussen fysieke en maatschappelijke processen. Na het verschijnen van de meest recente Balans van de Leefomgeving, in september 2014, heeft de Tweede Kamer overigens een technische briefing georganiseerd over de publicatie.139 Ook in een algemeen overleg in de Tweede Kamer over natuurbeleid hebben Kamerleden verwezen naar de Balans van de leefomgeving.140

Informele economie en vrije tijd

In hoofdstuk 3 is beschreven dat het bbp en het systeem van nationale rekeningen geen informatie geven over de zogenoemde «informele economie» (zaken als vrijwilligerswerk, huishoudelijk werk) en over de besteding van vrije tijd. Deze kunnen echter wel een bijdrage leveren aan de brede welvaart. Een veelgebruikte methode om zicht te krijgen op deze aspecten is tijdsbestedingsonderzoek. Het SCP doet sinds 1975 onderzoek naar tijdsbesteding, op basis van door het CBS verzamelde gegevens. Met behulp van dergelijk onderzoek kan een beeld worden verkregen van de tijdsbesteding aan zaken als huishoudelijke diensten, vrijwilligerswerk en vrije tijd. Het SCP voert het onderzoek eens in de vijf jaar uit. Het op dit moment meest recente onderzoek in Nederland kwam in 2013 uit. Er zijn dus niet altijd actuele cijfers over de tijdsbesteding voorhanden. Het SCP wijst er daarbij overigens op dat tijdsbesteding over het algemeen ook langzaam verandert.141

Sinds het onderzoek van 2006 volgt het SCP de Europese richtlijnen voor tijdsbestedingsonderzoek, waardoor vergelijking mogelijk wordt met andere landen die deze richtlijnen volgen.142 In vergelijking met bijvoorbeeld onderzoek naar subjectief welzijn is tijdsbestedingsonderzoek kostbaar en moeilijk uit te voeren, door het intensieve karakter van de methode. Voor het onderzoek uit 2011 noteerden bijvoorbeeld bijna tweeduizend Nederlanders verspreid over het hele land gedurende een hele week al hun bezigheden per tien minuten in een dagboek.143

Verdeling en ongelijkheid

De commissie-Stiglitz wijst erop dat gemiddelden, zoals het gemiddelde inkomen, weliswaar relevant zijn maar niet het hele verhaal vertellen over levensomstandigheden. Daarvoor moet volgens de commissie-Stiglitz ook naar verdeling en ongelijkheid worden gekeken. Zoals ook uit het voorgaande blijkt, besteden diverse publicaties over brede welvaart aandacht aan de verdeling van verschillende aspecten van brede welvaart over bevolkingsgroepen, zoals De sociale staat van Nederland en Welzijn in Nederland.

In het Nederlandse publieke en politieke debat spelen verdeling en ongelijkheid van met name het inkomen een belangrijke rol. Koopkrachtplaatjes hebben bijvoorbeeld een grote invloed in het politieke debat.144 Verder is een evenwichtige inkomensverdeling een van de drie doelstellingen van de Sociaal-Economische Raad (SER).145 Ook verschijnen regelmatig publicaties over ongelijkheid. In 2014 bracht de WRR een verkenning uit over economische ongelijkheid in Nederland, waarin behalve inkomensongelijkheid ook vermogensongelijkheid aan de orde komt.146 Ook aan bijvoorbeeld de Universiteit Leiden is onderzoek verricht naar deze onderwerpen.147 In het Sociaal en Cultureel Rapport 2014 van het SCP, getiteld Verschil in Nederland stonden economische, sociale, politieke en culturele verschillen tussen bevolkingsgroepen centraal.148

Er zijn enkele indicatoren voor (inkomens)ongelijkheid die in veel publicaties worden gebruikt. Een veelgebruikte indicator is de gini-coëfficiënt. Hiermee wordt de mate van ongelijkheid van (meestal) inkomen uitgedrukt in een getal tussen 0 en 1, waarbij 0 staat voor volledige gelijkheid en 1 voor totale ongelijkheid. De Theil-coëfficiënt is vergelijkbaar met de gini-coëfficiënt, maar reageert sterker op veranderingen in de uitersten, dus bij de armste groepen en de rijkste groepen. Bij een andere benadering wordt gebruik gemaakt van verhoudingen tussen groepen met het laagste en groepen met het hoogste inkomen, bijvoorbeeld de hoogste 10% en de laagste 10%. Vergeleken met de gini-coëfficiënt geven dergelijke verhoudingen meer informatie over de uitersten en minder over het middensegment.149 Het CBS publiceert jaarlijks onder meer de Theil- en gini-coëfficiënten voor de inkomensongelijkheid, evenals de verhouding tussen de hoogste en laagste 20% van de inkomensverdeling. Ook publiceert het CBS gegevens over vermogens van huishoudens. De voorlopige cijfers lopen ongeveer een jaar achter op de actualiteit; na twee jaar komen definitieve cijfers beschikbaar.150

5.4 Dashboards voor brede welvaart

Uit het voorgaande blijkt dat er verschillende Nederlandse publicaties en instrumenten beschikbaar zijn die ingaan op kwaliteit van leven, welzijn en/of geluk. In een aantal initiatieven wordt gestreefd naar een zogenoemd dashboard van brede welvaart. Een dergelijk dashboard is erop gericht een beeld te geven van brede welvaart, zonder die uit te drukken in één getal. Een dashboard bestaat, naar analogie van een dashboard in een auto, uit diverse metertjes en standen die gezamenlijk inzicht moeten geven in de brede welvaart. Hieronder worden achtereenvolgens dashboards van de OESO (de Better Life Index), van Eurostat (Quality of Life dashboard) en van het CBS en de planbureaus (de Monitor Duurzaam Nederland) in het bijzonder uitgelicht. De dashboards van de OESO en Eurostat geven inzicht in de welvaart «hier en nu» maar zijn niet gericht op de dimensies «later» en «elders». Ook de Monitor Duurzaam Nederland bevat een dashboard gericht op welvaart «hier en nu». De monitor bevat daarnaast ook dashboards gericht op «later» en «elders». Deze komen in hoofdstuk 6 aan de orde.

Het Better Life Initiative van de OESO

De Better Life Index (BLI) van de OESO is in 2011 ontwikkeld naar aanleiding van het rapport van de commissie-Stiglitz. In navolging van dat rapport ligt de nadruk op directe levensomstandigheden van mensen. Het is een dashboard met elf dimensies van brede welvaart. Daaronder liggen 22 indicatoren.151 Het gaat voornamelijk om objectieve indicatoren. 5 van de 22 indicatoren zijn subjectief van aard, bijvoorbeeld «levensgeluk». In onderstaande figuur is het dashboard met de elf thema’s en de bijbehorende indicatoren zichtbaar. Het gaat om de Better Life Index voor Nederland. Per indicator is met een lijn vanuit het midden de positie van Nederland aangeven ten opzichte van andere landen. Voor «fundamentele sanitaire voorzieningen» staat Nederland bijvoorbeeld bij de top van de OESO, terwijl Nederland bij bijvoorbeeld «luchtkwaliteit» lager op de ranglijst staat (dichter bij het midden van de cirkel).

Het dashboard van de Better Life Index

Het dashboard van de Better Life Index

Bron: OESO (oktober 2015). How’s Life in the Netherlands?, p. 2 (vertaling commissie Breed welvaartsbegrip).

De OESO brengt de Better Life Index op drie manieren naar buiten:

  • 1. Eens in de twee jaar brengt de OESO de publicatie How’s Life? uit.152 Naast een hoofdrapport horen daarbij publicaties voor afzonderlijke landen. Daarin zijn voor elk land ook visualisaties opgenomen, zoals de bovenstaande figuur.

  • 2. De thema’s en onderliggende indicatoren zijn toegankelijk via een Engelstalige website.153 Op deze website kan de bezoeker zelf gewichten toekennen aan de elf thema’s om een enkele samengestelde index te berekenen en daarmee landen met elkaar te vergelijken. Ook is een database beschikbaar met de brongegevens.

  • 3. Er worden ook incidentele publicaties uitgebracht die een bepaald thema uitlichten. Zo zijn er publicaties geweest over de historische ontwikkelingen van de Better Life Index (vanaf het jaar 1820) en over de Better Life Index op regionaal in plaats van landelijk niveau.

Doordat de OESO de Better Life Index uitbrengt voor alle OESO-landen, is landenvergelijking mogelijk. De nadruk ligt dan ook niet op vergelijking door de tijd maar op vergelijking van landen. Een kanttekening daarbij is dat de actualiteit van de cijfers niet bij alle landen dezelfde is. Bij de meeste indicatoren behoort Nederland bij de landen met de meest actuele cijfers. In de publicatie How’s Life? uit 2015 hadden drie indicatoren betrekking op 2014, acht op 2013, negen op 2012 en twee op 2010.

Het hierboven weergegeven dashboard van de Better Life Index is gebaseerd op gemiddelden voor de hele bevolking. Er zijn daarin geen indicatoren voor de verdeling van de diverse welvaartsaspecten over bevolkingsgroepen opgenomen. In de rapporten en op de website zijn echter wel gegevens en analyses te vinden over verdelingsaspecten. Voor 17 van de 22 indicatoren is informatie beschikbaar over de man-vrouwverdeling. Voor negen indicatoren zijn analyses van sociale ongelijkheid mogelijk.154 Het gaat dan ofwel om het verschil tussen hoge en lage inkomensgroepen ofwel tussen hoog en laag opleidingsniveau. Ten slotte is er voor diverse indicatoren informatie over regionale verschillen. Nederland is daarbij in vier regio’s opgedeeld.155

Eurostat Quality of Life-dashboard

Naast de OESO heeft ook Eurostat, in navolging van het rapport van de commissie-Stiglitz, een dashboard ontwikkeld gericht op de welvaart van mensen «hier en nu». Dit dashboard bevat eveneens elf dimensies van welvaart «hier en nu». Het gaat om tevredenheid met het leven, materiële levensstandaard, huisvesting, werk, tijdsbesteding, opleiding, gezondheid, sociale relaties, veiligheid, bestuur en milieu.156 Afgezien van het thema «tevredenheid met het leven» is voor elk thema zowel een objectieve als een subjectieve indicator opgenomen. Het dashboard is toegankelijk via een interactieve website, waar gegevens van afzonderlijke landen en onderliggende indicatoren kunnen worden bekeken en kunnen worden vergeleken met die van andere EU-landen.157

Het dashboard hoort bij de medio 2015 verschenen Eurostat-publicatie Quality of life in Europe – facts and views. In deze publicatie wordt de kwaliteit van leven besproken aan de hand van negen thema’s. Het thema «verdeling» komt ook aan de orde aan de hand van sociaaleconomische variabelen als leeftijd, geslacht en arbeidssituatie. De subjectieve indicatoren hebben betrekking op 2013. De meeste objectieve indicatoren ook, maar voor een klein aantal is gebruikgemaakt van gegevens uit 2012. Eurostat publiceert recentere cijfers op zijn website zodra die beschikbaar zijn.158

Monitor Duurzaam Nederland

Een Nederlandse publicatie met een dashboard voor brede welvaart «hier en nu» is de Monitor Duurzaam Nederland. Het is een uitgave van het CBS en de drie planbureaus (CPB, PBL en SCP). Hoewel het begrip «duurzaamheid» oorspronkelijk uit de ecologie afkomstig is, is de term «duurzaam» in de titel van de monitor niet op die manier bedoeld. In de monitor heeft de term een bredere betekenis en duidt hier ook op brede welvaart en kwaliteit van leven.159

De eerste Monitor Duurzaam Nederland verscheen in februari 2009. In september 2011 verscheen een nieuwe monitor, dit keer in afzonderlijke delen: een indicatorenrapport en drie verkenningen. In november 2014 is de derde editie van de Monitor Duurzaam Nederland verschenen. De derde editie bestaat wederom uit een afzonderlijk indicatorenrapport onder eindverantwoordelijkheid van het CBS en een meer beschouwende verkenning onder eindverantwoordelijkheid van de planbureaus. De monitor heeft als doel een beeld te geven van de duurzame ontwikkeling van de Nederlandse samenleving.

Het indicatorenrapport hanteert een dashboardbenadering. Er zijn drie dashboards: één voor het «hier en nu», één voor hulpbronnen («later») en één voor Nederland in de wereld («elders»).160 Er is ook een samenvattend dashboard, waarin een overzicht wordt gegeven van de drie dashboards. In dit samenvattende dashboard is de stand van zaken per thema op de dashboards aangegeven door middel van een cirkeldiagram met signaalkleuren (groen–oranje–rood).

Elk dashboard geeft een overzicht van een selectie van thema’s. Daaronder liggen per thema afzonderlijke indicatoren.161 Er zit dus een zekere gelaagdheid in de monitor. De monitor maakt gebruik van zowel objectieve als subjectieve indicatoren. In onderstaande afbeelding is het dashboard met indicatoren voor «hier en nu» uit de Monitor Duurzaam Nederland weergegeven. Het dashboard bestaat uit dertien thema’s, ingedeeld in drie groepen: welzijn en materiële welvaart, persoonlijke kenmerken en omgevingskenmerken. Het dashboard geeft inzicht in de trendmatige ontwikkeling in de tijd en de positie van Nederland in vergelijking met Europa. In verband met internationale vergelijkbaarheid sluit de systematiek van de monitor grotendeels aan bij de CES-recommendations (zie hoofdstuk 4).

Dashboard Kwaliteit van leven («hier en nu») uit de Monitor Duurzaam Nederland

Dashboard Kwaliteit van leven («hier en nu») uit de Monitor 				  Duurzaam Nederland

Bron: CBS (november 2014). Monitor Duurzaam Nederland: Indicatorenrapport p. 30 (oorspronkelijke figuur in kleur).

In het dashboard zelf is de waarde van afzonderlijke indicatoren niet opgenomen. In aparte paragrafen van het indicatorenrapport komen de thema’s en de indicatoren in meer detail aan de orde. De actualiteit van de brondata is uiteenlopend. Vijf indicatoren gaan over 2013 en vijftien over 2012. De overige indicatoren zijn minder actueel: twee uit 2011, vier uit 2010 en elk één uit 2009, 2008 en 2003. Het CBS en de planbureaus hebben ook een website ontwikkeld waarop de brondata zijn te raadplegen. De website bevat ook tijdreeksen.

Het dashboard voor welvaart «hier en nu» bevat 29 indicatoren. Dit is exclusief de indicatoren voor de dashboards voor «later» en «elders». De relatief grote hoeveelheid indicatoren bemoeilijkt de communicatie over de monitor en kan ook de bruikbaarheid voor beleidsmakers en politici verminderen.162 Op verzoek van de Tweede Kamer heeft het kabinet bij elke monitor een kabinetsreactie gegeven.163 In debatten in de Tweede Kamer zijn deze kabinetsreacties en de monitors zelf nauwelijks aan de orde gekomen. In de laatste kabinetsreactie stelt het kabinet dat de monitor een bruikbaar overzicht geeft, maar ook dat de monitor zich verder dient te ontwikkelen om de indicatoren en visualisaties beter te kunnen duiden naar handelingsperspectieven voor vervolgacties.164

Vrij grote mate van overeenstemming in themakeuze

Hoewel de besproken dashboards verschillen in vormgeving en keuze van indicatoren, is er in de themakeuze een vrij grote mate van overlap. Er lijkt dus een bepaalde mate van overeenstemming te zijn over de thema’s die van belang zijn voor brede welvaart «hier en nu». In de tabel op de volgende pagina zijn de thema’s van de drie dashboards naast elkaar gezet. Hoewel er verschillen zijn in woordkeuze, komen de meeste thema’s in al deze dashboards voor. Het gaat dan om zaken als materiële welvaart, wonen, arbeid, vrije tijd, opleiding, gezondheid, sociale participatie, veiligheid, instituties, leefomgeving en welzijn. Ook in een beschouwende publicatie als De sociale staat van Nederland komt een groot deel van deze onderwerpen ter sprake165, evenals in de publicatie Kwaliteit van leven in Nederland.166 Naast de grote overeenkomsten in themakeuze zijn er ook enkele verschillen. Zo zijn de thema’s ongelijkheid, pensioenen en mobiliteit wel in de Monitor Duurzaam Nederland opgenomen, maar niet in de Better Life Index en ook niet in het dashboard van Eurostat. In de uitwerking lopen de dashboards meer uiteen. Zo gebruiken de Monitor Duurzaam Nederland en de Better Life Index slechts bij twee thema’s deels dezelfde indicatoren. Een belangrijk verschil tussen de dashboards is verder dat de Monitor Duurzaam Nederland en het dashboard van Eurostat bij vrijwel alle thema’s zowel een objectieve als een subjectieve indicator gebruiken, terwijl de Better Life Index in totaal vijf subjectieve indicatoren bevat.

Vergelijking thema's van drie dashboards voor brede welvaart «hier en nu»

Better Life Index

Eurostat

Monitor Duurzaam Nederland

Inkomen en vermogen

Materiële levensstandaard

Materiële welvaart

X

X

Ongelijkheid

Huisvesting

Huisvesting

Wonen

Banen en lonen

Werk

Bestaanszekerheid

X

X

Pensioenen

Balans werk-privé

Tijdsbesteding

Vrije tijd

Opleiding en vaardigheden

Opleiding

Opleiding

Gezondheidstoestand

Gezondheid

Gezondheid

Sociale contacten

Sociale relaties

Sociale participatie en vertrouwen

Persoonlijke veiligheid

Veiligheid

Veiligheid

Maatschappelijke betrokkenheid en bestuur

Bestuur

Instituties

Milieukwaliteit

Milieu

Natuur

X

X

Luchtkwaliteit

X

X

Mobiliteit

Subjectief welzijn

Tevredenheid met het leven

Welzijn

5.5 Conclusies

Veel informatie over brede welvaart «hier en nu» beschikbaar

Zowel nationaal als internationaal is veel informatie beschikbaar die inzicht geeft in de brede welvaart «hier en nu». In Nederland brengen het CBS en de planbureaus bijvoorbeeld veel verschillende publicaties uit, waaronder De sociale staat van Nederland, Kwaliteit van leven in Nederland en de Balans van de Leefomgeving. Ook wordt eens in de vijf jaar onderzoek gedaan naar tijdsbesteding. De verschillende publicaties hebben een uiteenlopend karakter. Dat varieert van uitgebreide kwalitatieve beschouwingen tot tabellen met kerngegevens.

Naast objectieve indicatoren ook veel subjectieve indicatoren voorhanden

In diverse publicaties zijn niet alleen objectieve maar ook subjectieve indicatoren opgenomen. Subjectieve indicatoren zijn gebaseerd op vragen aan burgers over bijvoorbeeld hun beleving van of tevredenheid over bepaalde zaken. In Nederland, maar ook wereldwijd, is er vrij veel onderzoek naar geluk beschikbaar, waardoor vergelijking door de tijd en tussen landen mogelijk is. Desondanks zijn er factoren die de vergelijking kunnen bemoeilijken, zoals cultuurverschillen, generatie-effecten en gewenningseffecten. De commissie constateert dat subjectieve indicatoren nodig zijn bij het meten van een aantal aspecten van brede welvaart. Zij heeft de voorkeur voor een dashboard dat in hoofdzaak objectieve indicatoren bevat en dat waar nodig aangevuld wordt met indicatoren uit meting van subjectieve beleving.

Vrij grote mate van overeenstemming over aspecten van brede welvaart

Hoewel er vele verschillende initiatieven bestaan voor het meten van brede welvaart «hier en nu», ziet de commissie dat er een vrij grote mate van overeenstemming is als het gaat om de aspecten van brede welvaart die worden onderscheiden. Vaker voorkomende aspecten in het «hier en nu» zijn materiële welvaart, wonen, arbeid, vrije tijd, opleiding, gezondheid, sociale participatie, veiligheid, vertrouwen in instituties, leefomgeving en welzijn. Op het niveau van indicatoren lopen de verschillende initiatieven echter verder uiteen. De commissie vindt het belangrijk dat de betrokken nationale en internationale organisaties deze grote mate van overeenstemming verder brengen tot een internationaal geharmoniseerde standaard voor het meten van brede welvaart «hier en nu».

Diverse dashboards voor brede welvaart van wisselende kwaliteit

Een van de instrumenten waarin verschillende aspecten van brede welvaart «hier en nu» zijn opgenomen is de Better Life Index van de OESO. De commissie vindt deze index een bruikbaar instrument, omdat deze aansluit bij internationale ontwikkelingen op het gebied van brede welvaart en internationale vergelijking mogelijk maakt, en omdat de gegevens op een aantrekkelijke en toegankelijke wijze zijn gepresenteerd. Ook Eurostat heeft een dashboard ontwikkeld dat gericht is op de welvaart van mensen «hier en nu», het Quality of Life-dashboard.

In Nederland zijn dashboards opgenomen in de Monitor Duurzaam Nederland. Hoewel de titel van deze publicatie een associatie met ecologische duurzaamheid kan oproepen, heeft de monitor een bredere insteek. De monitor heeft namelijk in de praktijk de brede welvaart als onderwerp. Het CBS en de planbureaus hebben bij de meetsystematiek van de monitor aansluiting gezocht bij de CES-recommendations. In zijn huidige vorm en met de gekozen visuele presentatie is de monitor echter niet goed bruikbaar in het politieke debat.

Actualiteit van beschikbare gegevens verschilt

Niet alle gegevens die in de verschillende dashboards zijn opgenomen, zijn even actueel. Een aanzienlijk deel van de gegevens loopt ten minste twee jaar achter op de actualiteit. De commissie vindt het voor de politieke bruikbaarheid van de gegevens belangrijk dat deze actueel zijn.

Uiteenlopende manieren van publicatie over brede welvaart

De publicatiemethoden en de verschijningsfrequentie van de vele initiatieven en publicaties over brede welvaart lopen uiteen. Een aantal publicaties verschijnt met een vaste frequentie, bijvoorbeeld elke twee of elke vijf jaar. Een aantal andere publicaties kent daarentegen geen herkenbare, vaste publicatiemomenten. Zo is bijvoorbeeld de Monitor Duurzaam Nederland met verschillende tussenpozen drie keer verschenen op verschillende momenten in het jaar. Hoewel in de Tweede Kamer wel enige aandacht is besteed aan een deel van de publicaties over brede welvaart, zijn er geen publicaties over brede welvaart die standaard gekoppeld zijn aan vaste momenten in het parlementaire proces. De commissie vindt dat dit de impact van de publicaties niet ten goede komt.

6. Maatstaven voor brede welvaart «later» en «elders»

6.1 Inleiding

Het brede welvaartsbegrip behelst niet alleen de welvaart «hier en nu», maar ook de toekomstige welvaart («later») en de impact van nationale welvaart op andere landen («elders»). Het bbp is niet bedoeld om de dimensies «later» en «elders» te meten (zie paragraaf 3.6). Er bestaan verschillende instrumenten en maatstaven waarmee deze dimensies wel inzichtelijk worden gemaakt voor de beleidsvorming en de politieke besluitvorming. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van reeds bestaande instrumenten, hun belangrijkste eigenschappen, mogelijkheden en beperkingen.

Wereldwijd bestaan er heel veel initiatieven voor het meten van brede welvaart of onderdelen daarvan. De focus van dit hoofdstuk is gericht op de voor politiek en beleid belangrijkste en terugkerende Nederlandse instrumenten voor het meten van brede welvaart en maatstaven die in internationaal verband van belang zijn.

Allereerst komen in paragraaf 6.2 verschillende instrumenten aan de orde waarmee toekomstige effecten van beleid in beeld worden gebracht. Een alternatieve benadering voor het meten van impact van de huidige op de toekomstige welvaart is de kapitalen- of hulpbronnenbenadering. De binnen deze benadering beschikbare gegevens staan centraal in paragraaf 6.3. De beschikbare informatie over de impact van de Nederlandse welvaart elders in de wereld komt aan de orde in paragraaf 6.4.

6.2 Ramingen, verkenningen en effectstudies

De toekomstige effecten van het beleid kunnen in beeld gebracht worden met behulp van berekeningen aan de hand van modellen. Zo kunnen er ramingen worden gemaakt van de economie, scenario’s worden opgesteld en effectstudies worden verricht. In deze paragraaf worden enkele belangrijke instrumenten beschreven die gericht zijn op welvaart «later». Daarbij worden verschillende termen gebruikt, die in onderstaand tekstkader kort worden toegelicht.

Ramingen, scenario’s en effectstudies

Ramingen zijn schattingen van de toekomstige ontwikkeling van bijvoorbeeld de Nederlandse en mondiale economie of van toekomstige inkomsten en uitgaven op de begroting. Deze schattingen worden onderbouwd met berekeningen van relevante factoren en gegevens over de realisaties van voorgaande jaren.

Een scenario is een beschrijving van een mogelijk toekomstbeeld, waarbinnen een bepaald plan ontwikkeld kan worden; bij scenario’s worden geen voorspellingen over de toekomst gedaan. In scenariostudies worden veelal verschillende mogelijke toekomstperspectieven uitgewerkt, waartegen beleidsmakers hun beslissingen kunnen afzetten.

Effectstudies zijn analyses waarbij de effecten van beleid worden geanalyseerd. In de praktijk worden dergelijke studies ook wel «doorrekeningen» van beleid genoemd.

Sociaaleconomische analyses

Kortetermijnramingen

Het CPB maakt kortetermijnramingen voor de ontwikkeling van de economie. Deze ramingen hebben betrekking op het lopende en het volgende jaar. Het CPB besteedt aandacht aan de internationale conjunctuur, de Nederlandse volumeconjunctuur op macro-niveau (economische groei, consumptie, investeringen, uitvoer en invoer), prijzen en winsten, arbeid en inkomen (lonen, werkgelegenheid, arbeidsaanbod, werkloosheid en koopkracht) en de overheidsfinanciën.167 Bekende publicaties voor de korte termijn zijn het Centraal Economisch Plan (CEP) en de Macro Economische Verkenning (MEV). Bij deze studies trekt de raming van de economische groei doorgaans de meeste aandacht.168

Ook andere organisaties maken dergelijke ramingen. Zo maakt de Europese Commissie driemaal per jaar macro-economische ramingen voor de EU als geheel, voor lidstaten en kandidaat-lidstaten en voor de eurozone. Deze ramingen hebben een tijdshorizon van ten minste twee jaar en bevatten circa 180 macro-economische variabelen.169

Scenario’s voor de middellange termijn

Het CPB maakt ook scenario’s voor de middellange termijn. Dit doet het CPB ruim voor de verkiezingen van de Tweede Kamer. Dan publiceert het CPB een middellangetermijnverkenning die reikt tot het einde van de nieuwe kabinetsperiode. Hierin gaat het CPB er (technisch) van uit dat het bestaande overheidsbeleid wordt doorgezet. De scenario’s zijn dus beleidsarm. Zo krijgen politieke partijen bij de voorbereiding van hun verkiezingsprogramma’s zicht op de stand van de economie en op de overheidsfinanciën van dat moment. De beleidsarme scenario’s voor de middellange termijn vormen voor politieke partijen doorgaans een belangrijke basis voor de financiële keuzes die zij maken in hun verkiezingsprogramma’s. Na het aantreden van een nieuw kabinet is het overigens gebruikelijk dat het CPB een actualisatie van de scenario’s op de middellange termijn publiceert, waarin ook de maatregelen van het nieuwe kabinet zijn verwerkt.

Scenario's voor de lange termijn

Het CPB maakt iedere vijf tot zeven jaar scenariostudies voor de lange termijn. Deze scenario’s bestrijken zo’n twintig à veertig jaar en soms nog meer.170 De dimensie «later» speelt hierin nadrukkelijk een rol. Een voorbeeld hiervan is de publicatie The Netherlands of 2040, waarin via verschillende scenario’s wordt bekeken hoe Nederland in 2040 zijn geld verdient en waarin onderwerpen als kenniseconomie, arbeidsmarkt en Nederland als vestigingsland aan de orde komen.171 Ook voert het CPB langetermijnstudies uit voor meer specifieke onderwerpen, zoals de vergrijzingsstudies. Deze richten zich op de vraag hoe de huidige collectieve voorzieningen tussen generaties kunnen worden verdeeld en welke consequenties de keuzes hebben op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Daarnaast heeft bijvoorbeeld het SCP nog ramingen gemaakt van het gebruik van zorg in relatie tot vergrijzing.172

Eigenschappen

Bovenstaande sociaaleconomische ramingen en scenario’s hebben grote invloed op het beleid en op het politieke debat. Middellangetermijnverkenningen, zoals die uit 2012 voor het kabinet Rutte/Asscher, zijn onder meer behulpzaam bij de vraag hoeveel geld er in een kabinetsperiode beschikbaar is en spelen een belangrijke rol bij de formatie.173 Publicaties als de Macro Economische Verkenning en het Centraal Economisch Plan geven gedurende de kabinetsperiode aan of er sprake is van economische mee- of tegenvallers. Ze hebben als voordeel dat ze op vaste tijdstippen worden gepubliceerd en dat ze internationaal bekende kerngegevens bevatten over de internationale economie, economische groei en bestedingen, de arbeidsmarkt, de marktsector en de collectieve sector.

Ramingen en scenario’s van het bbp zijn overigens altijd met onzekerheden omgeven. Ook voor het bbp geldt dat de ramingen en scenario’s (vooraf) doorgaans afwijken van de realisaties (achteraf). Ramingsonzekerheid wordt niet alleen veroorzaakt doordat de economie zelf onzeker is, maar ook door afwijkingen ten opzichte van voorgenomen beleid, door bijstellingen in de cijfers van de nationale rekeningen en door onnauwkeurigheden in het voorspelmodel.174 Ook zijn ramingen afhankelijk van technische veronderstellingen, zoals de hoogte van de discontovoet (zie kader). Bij voorspellingen voor de korte termijn is het belang van de discontovoet relatief beperkt, maar hoe langer de termijn van de voorspelling is, hoe groter het belang van aannames over de discontovoet. Volgens het CPB is het moeilijk vast te stellen wat de juiste waarde van de discontovoet is.175 Scenario’s over de economie kennen dan ook altijd onzekerheden.

Wat is een discontovoet?

Kosten en opbrengsten van een project of investering vallen meestal niet samen in de tijd. Een project of investering rendeert meestal pas na verloop van tijd. De opbrengsten in euro’s nu zijn bovendien niet te vergelijken met de kosten in euro’s bij de start van het project. Dit komt doordat een euro nu een andere waarde heeft dan een euro van een paar jaar geleden.

Om de opbrengsten in euro’s nu te kunnen vergelijken met de kosten in euro’s bij de start van het project, moeten deze euro’s in de tijd worden omgerekend. Dit omrekenen wordt ook wel «disconteren» genoemd. De discontovoet is het percentage per jaar waarmee deze omrekening wordt gemaakt.

De rol van discontovoeten is dus om toekomstige kosten en baten op een juiste manier te waarderen, zodat de verwachte maatschappelijke waarde van een project kan worden bepaald. Als de discontovoet bijvoorbeeld op 3% wordt vastgesteld, dan kan dit ook worden gezien als een rendementseis die de overheid aan een investering of aan een project stelt.176

De ramingsmodellen voor de ontwikkeling van de economie zijn ver ontwikkeld. Toch zijn ingrijpende veranderingen in de economie minder goed te modelleren en moeten ze daarom ook los van modellen worden geanalyseerd.177 Ook worden de effecten van beleidsvoorstellen slechts doorgerekend op een beperkt aantal variabelen, zoals macro-economische indicatoren, arbeidsmarktindicatoren en indicatoren over de collectieve sector. Effecten op andere beleidsterreinen worden niet doorgerekend. Dit is ook nog niet mogelijk. Voor het uitbreiden van de ramingsmodellen naar andere aspecten van brede welvaart is inzicht nodig in het effect van voorgenomen beleid op die dimensies van brede welvaart. De grootste belemmering daarvoor is het gebrek aan inzicht in effecten op vrijwel alle beleidsterreinen, als gevolg van gebrek aan effectonderzoek.178 Verderop in deze paragraaf wordt hierop ingegaan.

Koopkrachtplaatjes

Het CPB maakt naast ramingen en scenario’s voor de economie ook koopkrachtplaatjes. Het CPB publiceert deze in de Macro Economische Verkenning. Ook het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het NIBUD (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) maken koopkrachtplaatjes. Koopkrachtplaatjes hebben een grote invloed op het politieke debat. Rond Prinsjesdag en bij de behandeling van de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden ze veel besproken.

Koopkrachtplaatjes in de Macro Economische Verkenning geven inzicht in de inkomensverdeling van verschillende bevolkingsgroepen als gevolg van het overheidsbeleid. Net als bij vele andere indicatoren kunnen beleidsvoorstellen ermee worden doorgerekend. Zo kan bekeken worden welke koopkrachteffecten verbonden zijn aan een specifieke beleidsmaatregel of aan een pakket aan maatregelen.

Koopkrachtplaatjes geven weer hoe de koopkracht zich ontwikkelt in verschillende groepen met vergelijkbare inkomens. Het feit dat de politiek in Nederland jaarlijks aandacht besteedt aan deze mutaties draagt bij aan stabiele inkomensverhoudingen op de lange termijn. Koopkrachtplaatjes zeggen echter weinig over de verandering van de welvaart van individuele huishoudens. Deze is namelijk van meer zaken afhankelijk dan van de verandering van het inkomen alleen, bijvoorbeeld van persoonlijke keuzes en omstandigheden als baanwisseling, verhuizing, pensionering, ontslag en werkloosheid.179 Bovendien zijn de standaard koopkrachtplaatjes niet representatief voor individuele huishoudens. Individuele huishoudens verschillen aanzienlijk van elkaar waardoor ze niet gemakkelijk in standaard koopkrachtplaatjes samen zijn te vatten.180

Koopkrachtplaatjes kunnen ook weergegeven worden via een zogenoemde «puntenwolk». In dat geval wordt voor ieder huishouden uit een steekproef afzonderlijk de koopkrachtverandering berekend, rekening houdend met de specifieke omstandigheden en alle inkomensbronnen van dat huishouden. De koopkrachtcijfers voor standaardgroepen worden daarmee vervangen door duizenden punten in een figuur. Met zo’n figuur wordt zichtbaar waar de concentratie van koopkrachteffecten zich bevindt en hoe groot de spreiding is.181

Het SCP rapporteert elke vier jaar in algemene zin over het profijt dat burgers van de overheid hebben, bijvoorbeeld in de publicatie Minder voor het Midden: Profijt van de overheid in 2007 (verschenen in 2011). Burgers maken gebruik van publieke voorzieningen zoals onderwijs, zorg, volkshuisvesting, cultuur, openbaar vervoer en dienstverlening. De uitgaven die de overheid voor deze voorzieningen doet, rekent het SCP daarbij dan als profijt aan de gebruikmakende huishoudens toe. Het SCP onderzoekt daarbij ook of het profijt van de overheid terecht komt bij de beoogde bevolkingsgroepen.182 De commissie-Stiglitz wijst op het belang van dergelijk onderzoek en stelt dat het profijt van de overheid in ogenschouw moet worden genomen om een goed beeld te krijgen van inkomen en consumptie van huishoudens.183

Analyses op het gebied van bredere welvaart

Naast ramingen en scenario’s op sociaaleconomisch gebied zijn er analyses die andere aspecten van brede welvaart betrekken. Hieronder worden enkele analyses beschreven, waarbij ook ingegaan wordt op de mogelijkheden en beperkingen.

Keuzes in Kaart en publicaties over kansrijk beleid

Op verzoek van individuele politieke partijen rekent het CPB vóór de verkiezingen de effecten van de verkiezingsprogramma’s door. In 2010 en 2012 was ook het PBL daarbij betrokken. Het CPB maakt de resultaten openbaar in de publicatie Keuzes in Kaart. De meest recente Keuzes in Kaart, die van 2013–2017, richtte zich op de effecten van beleidsmaatregelen op de collectieve financiën, op de macro-economie (bijvoorbeeld economische groei, werkgelegenheid, inflatie) en op de inkomensverdeling. Tevens werden hierin de zogenoemde «programma-effecten» doorgerekend. Dit zijn effecten die specifiek zijn voor een bepaald beleidsterrein, zoals effecten van het woningmarktbeleid op de kwaliteit van wonen.184 Het CPB heeft na de laatste Keuzes in Kaart echter geconcludeerd dat het aantal onderzochte keuzes en effecten te groot was, met name vanwege de grote belasting in een korte periode in aanloop naar de verkiezingen. Daardoor onstond een risico op fouten. De programma-effecten van verkiezingsprogramma’s zullen daarom niet meer worden doorgerekend.

In plaats daarvan zullen de planbureaus tussen de verkiezingen door informatie verschaffen over de effectiviteit van specifieke beleidsterreinen in de vorm van zogenoemde «Kansrijk beleid-publicaties».185 Daarbij wordt primair gekeken naar de effecten die op het desbetreffende beleidsterrein relevant zijn; bij onderwijs wordt bijvoorbeeld gekeken naar de kwaliteit van onderwijs. In de serie verschilt echter per beleidsterrein hoe concreet de resultaten zijn. Dit komt doordat de data over de beleidseffecten bij sommige beleidsterreinen beperkt zijn. Zo zijn de beleidseffecten bij het kennisbeleid nog vooral gebaseerd op buitenlands onderzoek, waardoor op voorhand nog niet duidelijk is of dit beleid in Nederland tot dezelfde resultaten leidt. Op het terrein van onderwijs worden deze problemen kleiner doordat er meer studies beschikbaar komen die in verschillende omstandigheden toch tot soortgelijke resultaten leiden. Bovendien bestaat er ook steeds meer Nederlands onderzoek. Volgens het CPB kan daardoor nu voor een aantal beleidsvoorstellen op dit terrein een redelijk overtuigende uitspraak gedaan worden over de vraag of dit beleid kansrijk is.186

Maatschappelijke kosten-batenanalyses

Maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA’s) bieden een overzicht van de effecten van een maatregel, van de risico’s en onzekerheden en de hieruit voortvloeiende voor- en nadelen voor de maatschappij als geheel. MKBA’s hebben daarom ook wel een zogenoemde «herbezinningsfunctie». De rijksoverheid heeft het uitvoeren van een MKBA verplicht gesteld in het besluitvormingsproces voor grote infrastructuur- en gebiedsontwikkelingsprojecten.187

Omdat de maatschappelijke kosten-batenanalyse qua methodiek een toepassing is van de economische welvaartstheorie (zie hoofdstuk 2) worden veel aspecten van brede welvaart in de analyse meegenomen, zoals effecten van maatregelen op milieu, veiligheid, gezondheid en woonkwaliteit. De methode streeft ernaar alle effecten te monetariseren, dat wil zeggen uit te drukken in geld, zodat in beginsel ook één samenvattend kerngetal kan worden berekend, het saldo van kosten en baten.188 MKBA’s kunnen in theorie worden uitgevoerd voor elke willekeurige beleidsmaatregel. Er zijn bijvoorbeeld MKBA’s opgesteld voor gebiedsontwikkelingsprojecten, voor milieubeleid en voor de kilometerheffing, maar ook op het sociale domein is de methode toegepast. 189

De MKBA-systematiek kent ook beperkingen. Een MKBA geeft weliswaar een zo breed mogelijk inzicht in maatschappelijke kosten en baten, maar effecten die lastig in geld uit te drukken zijn, zoals effecten op de natuur, zijn moeilijker in beeld te brengen. Sommige baten moeten dan ook worden ingeschat met vuistregels.190 Andere baten worden alleen pro memorie (PM) vermeld, dus zonder dat daar een bedrag voor is berekend.191 Hierdoor trekken ze in de beleidsvoorbereiding en in het politieke debat minder aandacht.

Voor effecten op de welvaart die lastig in euro’s te registreren zijn, heeft het PBL verschillende methoden ontwikkeld, zoals methoden om effecten op de natuur hanteerbaar te maken in de vorm van natuurpunten en een methode om met behulp van planobjectivering stedenbouwkundige projecten te evalueren. Hiermee wordt gefaciliteerd dat dergelijke welvaartseffecten op een andere wijze bij de besluitvorming betrokken kunnen worden.192

Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving

Naast sociaaleconomische scenariostudies zijn er ook andere scenariostudies. Een voorbeeld in de Nederlandse beleidsvorming is de publicatie Welvaart en Leefomgeving (WLO) van het PBL en het CPB. De meest recente WLO-publicatie dateert uit 2015 en richt zich op de fysieke leefomgeving in de periode 2030–2050. In deze WLO zijn trends en toekomstige onzekerheden verkend die van belang zijn voor de toekomstige fysieke leefomgeving. Het PBL en het CPB schetsen op basis daarvan twee mogelijke scenario’s: hoog en laag. Scenario «hoog» combineert een relatief hoge bevolkingsgroei met hoge economische groei. Scenario «laag» kent een gematigdere demografische ontwikkeling en een bescheidener economische groei. Vervolgens zijn de ontwikkelingen van de fysieke leefomgeving binnen deze twee scenario’s onderzocht. Hierbij is gekeken naar vier brede thema’s: regionale ontwikkelingen en verstedelijking, mobiliteit, landbouw, en klimaat en energie.193 De analyse van natuur, water en natuurlijke hulpbronnen is beperkt.194 Net als de voorganger uit 2006 vormt de nieuwe WLO de komende jaren de basis voor veel besluiten op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving.

6.3 De kapitalenbenadering

De hierboven beschreven instrumenten geven een beeld van aspecten van toekomstige welvaart («later»). Een andere benadering om naar toekomstige welvaart te kijken is de kapitalenbenadering (zie ook hoofdstuk 2). De oorsprong van deze benadering ligt in de wetenschappelijke economische literatuur. Inmiddels wordt deze benadering ook daarbuiten veel gehanteerd. Zo maken de OESO, de VN en de Wereldbank er gebruik van. Ook de commissie-Stiglitz hanteert de kapitalenbenadering.

In de benadering staat niet in de eerste plaats de welvaart «hier en nu» centraal, maar vooral de welvaart «later». Het «later» wordt benaderd vanuit de vraag in hoeverre er een basis wordt gelegd voor de toekomst of juist wordt ingeteerd op beschikbare kapitalen. Dat gebeurt door de beschikbare hoeveelheid van verschillende kapitalen, de kapitaalvoorraden, in beeld te brengen. Die voorraden zijn beschikbaar voor toekomstige welvaart. De stand van de voorraden wordt beïnvloed door wat er hier en nu gebeurt. Door investeringen stijgt immers de voorraad, door gebruik van de voorraad en afschrijvingen neemt die af.

Kapitalen worden vaak ingedeeld in economisch, menselijk, natuurlijk en sociaal kapitaal. De Wereldbank, de OESO en de commissie-Stiglitz maken bijvoorbeeld gebruik van deze indeling. Ook in de Monitor Duurzaam Nederland wordt deze indeling gebruikt. Indien de verschillende kapitaalvormen onder één noemer worden gebracht, kunnen zij worden opgeteld tot één getal. In de praktijk is een veelgebruikte methode om dat te doen het monetariseren van verschillende kapitaalvormen. In dat geval kan de waarde van de kapitalen worden vergeleken met andere in geld uitgedrukte eenheden, zoals het bbp. Het monetariseren en optellen van kapitalen kan bovendien de communicatie vergemakkelijken. De Wereldbank hanteert een dergelijke benadering bij de indicator «total wealth» of «comprehensive wealth». Verschillende vormen van kapitaal worden daarbij uitgedrukt in geld en met elkaar verrekend.

Bij het optellen van kapitalen zijn ook enkele kanttekeningen te plaatsen. Als kapitalen worden opgeteld en in één cijfer worden uitgedrukt, verdwijnt het zicht op afzonderlijke kapitalen. Daarmee zijn ook afruilen tussen kapitaalvormen niet goed zichtbaar, bijvoorbeeld tussen economisch en natuurlijk kapitaal. Het optellen van kapitaalvormen kan daarnaast de suggestie wekken dat verschillende kapitaalvormen inwisselbaar zijn. Dit is niet het geval. Het lijkt bijvoorbeeld weinig zinvol een teruggang in het gemiddelde opleidingsniveau (menselijk kapitaal) te compenseren met een toename van de biodiversiteit (natuurlijk kapitaal).195 Dit geldt te meer wanneer bepaalde kapitaalvormen beneden kritische, onomkeerbare niveaus komen.

De beschikbaarheid van informatie en de mate waarin informatie over kapitaalvormen in monetaire termen is uit te drukken verschillen per kapitaalvorm. De vier kapitaalvormen worden hieronder daarom afzonderlijk besproken. Daarbij wordt ook ingegaan op de manier waarop de kapitaalvorm is geoperationaliseerd in de Monitor Duurzaam Nederland. Daarin is namelijk uitgegaan van de kapitalenbenadering om de toekomstige dimensie van brede welvaart in beeld te brengen. De vier kapitaalvormen zijn in de meest recente monitor niet in geld uitgedrukt, maar zijn in beeld gebracht met behulp van een selectie van indicatoren per kapitaalvorm. Voor het menselijk kapitaal zijn bijvoorbeeld indicatoren opgenomen over arbeid, gezondheid en opleidingsniveau. De gegevens voor het economisch en natuurlijk kapitaal zijn afkomstig uit de nationale rekeningen en de milieurekeningen. Voor menselijk en sociaal kapitaal is aangesloten bij de internationaal door statistische experts onderschreven CES-recommendations (zie hoofdstuk 4).196

In de publicatiereeks How’s life? van de OESO is in 2015 voor het eerst een hoofdstuk opgenomen over toekomstige welvaart. Daarin hanteert ook de OESO de kapitalenbenadering, mede aan de hand van de CES-recommendations. De OESO heeft een selectie gemaakt van beschikbare indicatoren die een eerste indruk geven van de verschillende kapitalen. Daarbij wijst de OESO erop dat er een tekort aan data is en dat er daarom nog lacunes zijn die gevuld moeten worden om een vollediger beeld te krijgen. Het hoofdstuk heeft dus nog een enigszins experimenteel karakter.197

Economisch kapitaal

Economisch kapitaal bevat fysiek kapitaal zoals machines en werktuigen, gebouwen en infrastructuur. Hierbij hoort ook financieel kapitaal (Nederlands kapitaal in het buitenland minus kapitaal vanuit het buitenland).198 In het systeem van nationale rekeningen is informatie over economisch kapitaal opgenomen.

In de Monitor Duurzaam Nederland is gebruikgemaakt van de informatie uit het systeem van nationale rekeningen. Het economisch kapitaal is daarin geoperationaliseerd door middel van drie indicatoren: de fysieke kapitaalgoederenvoorraad, de kenniskapitaalgoederenvoorraad en de netto financiële positie ten opzichte van het buitenland.199 De actualiteit van de gebruikte indicatoren voor economisch kapitaal loopt uiteen. In de Monitor Duurzaam Nederland 2014 hadden de meest recente statistieken voor Nederland betrekking op respectievelijk 2012, 2007 en 2013.200 Vergelijking met andere EU-landen was alleen mogelijk voor de indicator «netto financiële positie ten opzichte van het buitenland». Voor de andere indicatoren waren geen gegevens voor vergelijking beschikbaar.201

Menselijk kapitaal

Menselijk kapitaal gaat over de kwaliteit van arbeid in termen van gezondheid en scholingsgraad. Over arbeid, gezondheid en opleiding zijn veel statistieken beschikbaar. In de Monitor Duurzaam Nederland 2014 zijn verschillende van deze statistieken opgenomen. Deze statistieken waren beschikbaar tot aan 2013 of 2012.

Van het totale menselijk kapitaal van Nederland, uitgedrukt in euro’s, zijn nog geen officiële statistieken beschikbaar die op regelmatige basis verschijnen. Om menselijk kapitaal te monetariseren, moet de vraag worden beantwoord wat opleidingsactiviteiten in termen van menselijk kapitaal opleveren. Daar zijn diverse methoden voor. Een methode is het berekenen van het inkomen dat mensen tot het einde van hun werkzame leven zullen verdienen. Dat gebeurt op basis van verdienprofielen. Dat cijfer moet dan wel worden verdisconteerd naar de huidige waarde van dat inkomen. Dit totaal wordt gezien als de waarde van menselijk kapitaal. Het CBS heeft met een dergelijke methode eerste, experimentele inschattingen gemaakt van het niveau en de groei van het menselijk kapitaal in de periode 1999–2009. De inschattingen hebben niet de status van officiële statistieken, maar het onderzoek heeft een exploratief karakter.202 Ook de OESO heeft berekeningen gemaakt van het in geld uitgedrukte menselijk kapitaal van verschillende landen, waaronder van Nederland in 2002 en 2006.203

Natuurlijk kapitaal

Natuurlijk kapitaal bestaat uit zaken als grondstofvoorraden, ecosystemen en milieukwaliteit. Natuurlijk kapitaal kan niet alleen later tot welvaart leiden, maar kan ook bijdragen aan de huidige welvaart, bijvoorbeeld omdat mensen genieten van de aanwezigheid van natuurschoon en frisse lucht.

In de milieurekeningen, een satellietrekening van het systeem van nationale rekeningen, zijn officiële statistieken beschikbaar van een aantal aspecten van natuurlijk kapitaal. Zo is daarin informatie opgenomen over de voorraden olie en gas. De stand van de voorraden is ook uitgedrukt in euro’s, op grond van actuele marktprijzen. Omdat de informatie in de milieurekeningen aansluit bij het systeem van nationale rekeningen, is deze informatie ook internationaal gestandaardiseerd en vergelijkbaar.204

Er zijn ook dimensies van natuurlijk kapitaal die nog niet als officiële statistiek zijn opgenomen in de milieurekeningen. Er vinden wel ontwikkelingen plaats, bijvoorbeeld op het gebied van ecosystemen en biodiversiteit. Daarover is bij het systeem van milieurekeningen een handboek verschenen met meer experimentele richtlijnen.205 Het CBS heeft met deze statistieken een eerste pilotstudie uitgevoerd.206 Statistieken voor geheel Nederland zijn er nog niet.

Het beprijzen van natuurlijk kapitaal kent een aantal specifieke uitdagingen. In tegenstelling tot de meeste vormen van economisch kapitaal is voor natuurlijk kapitaal vaak geen marktprijs voorhanden. Het vaststellen van de prijs van natuurlijk kapitaal heeft daarom een enigszins hypothetisch karakter. Er kan niet eenvoudig worden vastgesteld wat de maatschappelijke waardering is voor een bepaalde vorm van natuurlijk kapitaal, onder meer vanwege het langetermijnkarakter van veel ecologische vraagstukken.207 Daarnaast zijn er onzekerheden over voorraden van natuurlijke hulpbronnen in de tijd, over de regeneratiecapaciteit van vernieuwbare hulpbronnen, over de mogelijkheden van technologische ontwikkeling en over de veerkracht van ecosystemen.208 Er wordt op dit vlak wel werk verricht. Zo bevat de Balans van de Leefomgeving van 2014 een hoofdstuk over natuurlijk kapitaal. Hierin presenteert het PBL de eerste resultaten van een mede door het PBL ontwikkelde graadmeter die als doel heeft de omvang en ontwikkeling te kwantificeren van de levering van goederen en diensten uit de Nederlandse ecosystemen. Hoewel daarmee inzicht ontstaat in de ontwikkeling van verschillende afzonderlijke goederen en diensten uit ecosystemen, is de methode nog niet zo ver gevorderd dat uitspraken gedaan kunnen worden over de totale omvang en de kwaliteit van het natuurlijk kapitaal in Nederland.209

In de Monitor Duurzaam Nederland is natuurlijk kapitaal geoperationaliseerd door middel van een selectie van indicatoren over land, natuur, klimaat, energie en bodem-, water- en luchtkwaliteit. De actualiteit van deze gegevens loopt uiteen. Een enkele indicator, energiereserves, heeft betrekking op 2013. Andere indicatoren zijn minder actueel (2010, 2011, 2012), met als uitschieters biodiversiteit (2003) en de kwaliteit van het oppervlaktewater (2007).210

Vermeldenswaard in dit verband is overigens dat het CBS voor de CO2-uitstoot een methode heeft ontwikkeld om per kwartaal actuele ramingen te maken. Dit stelt het CBS in staat om na afloop van elk kwartaal snel bijgewerkte cijfers over de CO2-uitstoot te publiceren.211

Sociaal kapitaal

Sociaal kapitaal gaat over de kwaliteit van sociaal-maatschappelijke verbanden en relaties. Vergeleken met de voorgaande drie kapitaalvormen is dit begrip het minst makkelijk direct meetbaar. De commissie-Stiglitz heeft in dit verband geconcludeerd dat er bovendien een gebrek aan consensus is over de vraag hoe sociaal kapitaal moet worden gemeten.212

Een manier om indirect een indicatie van het sociaal kapitaal te krijgen, is mensen te vragen naar het vertrouwen dat zij hebben in bijvoorbeeld instituties als de politiek. De veronderstelling is dat sociaal kapitaal, in de zin van de kwaliteit van sociaal-maatschappelijke verbanden en relaties, van invloed is op dit vertrouwen. Door vertrouwen te meten wordt sociaal kapitaal dus indirect gemeten. In de Monitor Duurzaam Nederland is de dimensie «sociaal kapitaal» geoperationaliseerd in (subjectieve) indicatoren voor sociale participatie en vertrouwen in instituties (gegevens uit 2012).213 Een indicator van gemonetariseerd sociaal kapitaal is in Nederland niet beschikbaar.

Samenvattend

De kapitalenbenadering is een conceptueel breed geaccepteerde benadering waarmee een beeld kan worden verkregen van de omvang van kapitalen die voor toekomstige welvaart van belang zijn. Afgezien van het economisch kapitaal is de kapitalenbenadering nog niet zo ver ontwikkeld dat de kapitalen ook in geld kunnen worden uitgedrukt. Wel kan een beeld worden verkregen van de stand en de toe- of afname van kapitalen op basis van afzonderlijke indicatoren. De Monitor Duurzaam Nederland volgt deze benadering. Op de volgende pagina is een overzichtstabel opgenomen van de kapitalen en de bijbehorende indicatoren in de monitor. Een voordeel van het gebruik van concrete indicatoren is dat duidelijk is waar zij voor staan. De keerzijde is dat de uiteenlopende indicatoren een versnipperd beeld geven van de kapitalen. De indicatoren geven afzonderlijk immers geen beeld van een kapitaal, maar moeten in samenhang met andere indicatoren worden gezien.

Het dashboard Hulpbronnen («later») uit de Monitor Duurzaam Nederland

Het dashboard Hulpbronnen («later») uit de Monitor Duurzaam 				  Nederland

Bron: CBS (november 2014). Monitor Duurzaam Nederland: Indicatorenrapport, p. 32 (oorspronkelijke figuur in kleur).

6.4 Elders

Zoals in hoofdstuk 2 beschreven gaat brede welvaart niet alleen over de welvaart binnen de Nederlandse grenzen, maar ook over de impact van de Nederlandse welvaart op landen elders in de wereld. Het brede welvaartsbegrip behelst daarnaast verschillende aspecten, zoals economische, ecologische en sociale aspecten. Dat geldt ook voor brede welvaartseffecten elders op de wereld.214

In een globaliserende wereld neemt de verwevenheid tussen economieën van landen toe. Daarmee neemt ook het belang toe van het inzichtelijk maken van welvaartseffecten van landen op elkaar. Voor Nederland geldt dit des te meer, omdat Nederland een op export georiënteerde economie heeft en omdat Nederland veel internationale handel bedrijft. Veel ingevoerde goederen worden weer uitgevoerd. Als bij het inzichtelijk maken van welvaartseffecten geen rekening gehouden zou worden met het «elders», dan zou bijvoorbeeld de bij productie in Nederland ontstane milieudruk geheel aan Nederland worden toegerekend, ook als de producten worden geëxporteerd en buiten Nederland worden geconsumeerd.215 Andersom zou de milieudruk die in het buitenland is ontstaan bij de productie van voor Nederland bestemde goederen, ook niet aan Nederland worden toegerekend.

Indien rekening wordt gehouden met het «elders», kunnen ook verschuivingen en afruilen tussen Nederland en andere landen zichtbaar worden. Zo blijkt uit een studie van het PBL dat de CO2-uitstoot binnen Nederland tussen 1995 en 2010 wel is gedaald, maar dat als de uitstoot in het buitenland voor in Nederland geïmporteerde producten in dezelfde periode daarbij wordt meegeteld, de totale uitstoot is toegenomen.

Er zijn verschillende methodes om effecten van nationale welvaart op landen elders in de wereld inzichtelijk te maken. Een bekende en veelgebruikte methode is gebruik te maken van voetafdrukindicatoren. Een andere methode is gebruikmaken van statistieken van import en export. Beide methoden worden hieronder achtereenvolgens besproken.

Voetafdrukken

De zogenoemde «voetafdruk» is een methode die rekening houdt met effecten van welvaartsontwikkeling in een bepaald land op de welvaart van landen elders in de wereld, en andersom. De methode is opgekomen in de jaren negentig, naar aanleiding van het werk van de wetenschappers Wackernagel en Rees aan de zogenoemde «ecologische voetafdruk».216 Sindsdien is ook een aantal andere voetafdrukken ontwikkeld, bijvoorbeeld specifieke voetafdrukken voor CO2 en biodiversiteit.

Diverse instanties en organisaties in Nederland en daarbuiten gebruiken en publiceren voetafdrukindicatoren. In Nederland berekent het PBL voetafdrukken voor CO2, landgebruik en biodiversiteit. Voetafdrukken van het PBL zijn opgenomen in diverse bronnen, zoals het Compendium voor de Leefomgeving, de Duurzaamheidsverkenning, de Natuurbalans, de Milieubalans, de Balans van de Leefomgeving en de Monitor Duurzaam Nederland. In 2015 heeft het PBL bovendien een overzichtspublicatie uitgebracht met achtergronden bij de meest gebruikte voetafdrukken en de stand van zaken.217 De statistische database van de OESO bevat voor 61 landen, inclusief Nederland, een CO2-voetafdrukindicator voor de periode 1995-2011.218 Ook in haar lijst van indicatoren voor groene groei heeft de OESO een CO2-voetafdruk opgenomen. In de lijst is ook een materialenvoetafdruk opgenomen, met daarbij de kanttekening dat deze op korte termijn nog niet voldoende meetbaar is.219 Eurostat maakt bij de Resource Efficiency Strategy gebruik van een indicator die enigszins lijkt op een voetafdruk voor materialengebruik. In de toekomst zal deze indicator worden vervangen door een voetafdrukindicator, als de benodigde data beschikbaar komen.220

Het PBL heeft tijdreeksen gepubliceerd van drie Nederlandse voetafdrukken (CO2, landgebruik, biodiversiteit). Deze tijdreeksen starten in 1990 voor de landvoetafdruk en de biodiversiteitsvoetafdruk. Voor de koolstofvoetafdruk start de reeks in 1995. De recentste voetafdrukken die op dit moment beschikbaar zijn, gaan over 2010 en 2011 en zijn daarmee niet erg actueel. Voor het maken van voetafdrukken is het PBL afhankelijk van internationale databases. De continuïteit en actualiteit van voetafdrukken hangt daardoor direct samen met de continuïteit en actualiteit van deze databases.221

De voetafdrukken die op dit moment beschikbaar zijn, hebben betrekking op ecologische onderwerpen. Theoretisch gezien is het mogelijk voetafdrukken ook voor andere onderdelen van brede welvaart te ontwikkelen, om bijvoorbeeld effecten op sociaal gebied die elders optreden inzichtelijk te maken. Dergelijke voetafdrukken zijn op dit moment echter nog niet beschikbaar en de daarvoor benodigde kennis schiet nog tekort.222 Wel heeft de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) in februari 2015 een Vici-beurs toegekend aan de Groningse hoogleraar prof. dr. Timmer voor een onderzoek naar de gevolgen van internationale handel voor banen en inkomens van werknemers op regionaal, nationaal en mondiaal niveau.223

In hoofdstuk 2 zijn verschillende dimensies van brede welvaart benoemd: «hier en nu», «later», en «elders». Een kenmerkende eigenschap van voetafdrukindicatoren is dat zij rekening houden met effecten die in andere landen optreden. In die zin zijn voetafdrukindicatoren geschikt om inzicht te verkrijgen in de dimensie «elders» van brede welvaart. Voetafdrukindicatoren gaan echter niet alleen over effecten elders in de wereld, maar ook over binnenlandse effecten («hier»). Bij de landvoetafdruk bijvoorbeeld wordt niet alleen het landbeslag in het buitenland, maar ook dat binnen de grens meegeteld. Verder gaat een aantal voetafdrukken ook over het beslag op hulpbronnen, en zeggen daarmee ook iets over de dimensie «later». Een illustratie hiervan is dat in de Monitor Duurzaam Nederland de biodiversiteitsvoetafdruk is opgenomen in het dashboard dat gaat over «later».224

Voetafdrukindicatoren geven inzicht in de totale omvang van effecten die binnen en buiten een land optreden. In deze zin is een kleine voetafdruk niet noodzakelijk beter dan een grote. De commissie-Stiglitz wijst er in dit verband op dat het normaal is dat Nederland een grotere ecologische voetafdruk heeft dan de eigen oppervlakte omdat Nederland nu eenmaal een klein en dichtbevolkt land is en daarom ook goederen importeert.225 Indien voetafdrukindicatoren niet worden afgezet tegen de oppervlakte van het land, maar worden uitgedrukt per persoon, wordt gecorrigeerd voor de invloed van bevolkingsdichtheid. Deze voetafdruk per persoon kan door de tijd en tussen landen worden vergeleken. De verschillen tussen landen geven een beeld van de mate waarin inwoners van verschillende landen beslag leggen op de beschikbare hulpbronnen op aarde. Deze verschillen hangen onder meer samen met verschillen in de efficiëntie van productieprocessen en de mate van internationale handel van landen. Meer import uit andere landen kan weliswaar tot een grotere voetafdruk leiden maar is vanuit welvaartsoptiek niet noodzakelijkerwijs onwenselijk. Internationale handel kan immers zowel voor de importerende als de exporterende landen welvaartsvoordelen opleveren.226 De mate waarin verschillen tussen landen in de voetafdruk per persoon wenselijk of onwenselijk zijn, is uiteindelijk een politieke afweging.

Hoewel wereldwijd verschillende instanties voetafdrukken berekenen, bestaan er bij die berekening in de praktijk nog veel methodologische verschillen en problemen. Er is op dit moment nog geen internationaal geharmoniseerde methode vastgesteld voor bijvoorbeeld voetafdrukken voor CO2, biodiversiteit of landgebruik.227 Dat leidt tot verschillende uitkomsten van voetafdrukberekeningen.

Naast het ontbreken van een geharmoniseerde methode wordt er voor voetafdrukken ook gebruik gemaakt van verschillende databases met brondata op basis waarvan de voetafdrukken worden berekend. Er is op dit moment een handvol databases dat kan worden gebruikt. Twee belangrijke databases zijn ontwikkeld door Nederlandse wetenschappers.228 De onderstaande figuur laat bij wijze van voorbeeld de omvang van de CO2-voetafdruk van Nederland zien, gebaseerd op verschillende studies en databases. Hieruit blijkt dat de keuze voor een methode en een database een significante invloed heeft op het resultaat van de berekening. Dit geldt voor Nederland in het bijzonder, vanwege het eerder genoemde feit dat Nederland veel internationale handel bedrijft. Een van de problemen bij de voor voetafdrukken gebruikte databases is dat de gegevens over internationale handel in de databases niet geheel corresponderen met de gegevens uit de nationale rekeningen van de verschillende landen.229 Een tweede probleem is dat gegevens van afzonderlijke landen over internationale handel niet consistent met elkaar zijn. De OESO en de Wereldhandelsorganisatie werken, samen met onder andere Eurostat en regionale organisaties van de VN, aan officiële statistieken ten behoeve van dergelijke databases.230

CO2-voetafdruk van Nederlandse consumptie in verschillende studies

CO-voetafdruk van Nederlandse consumptie in 				  verschillende studies

Bron: PBL (2015). Trends in Nederlandse voetafdrukken, p. 21. (bewerking commissie Breed welvaartsbegrip)

Afkortingen in de grafiek: GRAM (Global Resource Accounting Model), ESSD (Earth System Science Data), WIOD (World Input-Output Database), PNAS (Proceedings of National Academy of Sciences) en NCC (Nature Climate Change). EORA betreft een Australische database.

Specifieke soorten voetafdrukken

Afzonderlijke voetafdrukken hebben daarnaast nog hun eigen specifieke mogelijkheden en beperkingen. Hieronder worden de ecologische voetafdruk, de koolstofvoetafdruk, de landvoetafdruk, de biodiversiteitsvoetafdruk en de watervoetafdruk kort besproken.

De ecologische voetafdruk is in feite een indicator die bedoeld is om de impact van de mens op de natuur in brede zin inzichtelijk te maken.231 De ecologische voetafdruk drukt verschillende ecologische effecten uit in eenheden landgebruik. Daarmee is de ecologische voetafdruk een samengestelde indicator. De voetafdruk heeft vergelijkbare voor- en nadelen als andere samengestelde indicatoren. Een voordeel is dat over de indicator makkelijk te communiceren is, omdat het om één maatstaf gaat. De indicator geniet dan ook een vrij brede bekendheid. Zo is de ecologische voetafdruk opgenomen in het tweejaarlijkse Living Planet Report van het Wereld Natuur Fonds.232 De ecologische voetafdruk kent echter ook enkele beperkingen door het samengestelde karakter. Zo geeft deze voetafdruk geen informatie over de onderliggende aspecten, bijvoorbeeld landgebruik of CO2-uitstoot. Verder is de ecologische voetafdruk weliswaar samengesteld uit een aantal aspecten, maar is deze samenstelling vanuit ecologisch oogpunt niet volledig. Er wordt bijvoorbeeld geen rekening gehouden met vervuilende emissies.233 Het samenstellen van verschillende aspecten leidt er ook toe dat aan de verschillende aspecten gewichten moeten worden toegekend, zonder dat daar een wetenschappelijke basis voor bestaat.

Een bijzonder kenmerk van de ecologische voetafdruk is dat sommige effecten worden uitgedrukt in virtueel landgebruik. Uitstoot van CO2 wordt bijvoorbeeld uitgedrukt in de hoeveelheid hectare bos die nodig zou zijn om de CO2-uitstoot te compenseren, zonder dat deze bossen daadwerkelijk zijn aangelegd. Door het gebruik van virtueel landgebruik kan de berekening van de mondiale ecologische voetafdruk tot het resultaat leiden dat de voetafdruk groter is dan het daadwerkelijk beschikbare land op aarde. Dit wordt «overshoot» genoemd.234 De ecologische voetafdruk gaat daarnaast uit van mondiaal gemiddelde opbrengsten voor verschillende typen land. Dat is echter niet gelijk aan het daadwerkelijke landgebruik.235 Ook wordt daardoor geen rekening gehouden met de efficiëntie van lokaal landgebruik.

De koolstofvoetafdruk wordt in tegenstelling tot de ecologische voetafdruk niet uitgedrukt in landgebruik, maar in tonnen uitstoot van broeikasgas. Doordat er op de klimaatconferentie in Parijs wereldwijde doelstellingen zijn vastgesteld voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, heeft de koolstofvoetafdruk ook beleidsmatige betekenis. De koolstofvoetafdruk kent verder ook niet de beperkingen van een samengestelde voetafdruk, want het is de uitdrukking van één duidelijk afgebakend verschijnsel: CO2-uitstoot. Bij de koolstofvoetafdruk zijn de beperkingen vooral gelegen in het eerder genoemde gebrek aan harmonisatie van methoden en brondata.

De landvoetafdruk geeft uitdrukking aan de hoeveelheid land die in binnen- en buitenland nodig is voor de binnenlandse consumptie. Ook voor het berekenen van de landvoetafdruk bestaan verschillende methoden, die tot uiteenlopende resultaten leiden. Op basis van een vergelijking concludeert het PBL bijvoorbeeld dat de uitkomsten van twee verschillende methoden met bijna een factor twee verschillen.236 Voor beide methoden geldt overigens dat zij uitdrukking geven aan het feitelijke gebruik van land maar dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen meer of minder efficiënt gebruik van land, of de mate waarin het land anders of duurzamer gebruikt had kunnen worden. Voor de omvang van de landvoetafdruk maakt het dus niet uit of het gebruikte land voorheen een regenwoud was of een woestijn.

De biodiversiteitsvoetafdruk is een maat voor de soortenrijkdom. De door het PBL berekende voetafdruk wordt bepaald op basis van de oppervlakte, gewogen met de kwaliteit van de biodiversiteit ter plaatse. De biodiversiteitskwaliteit is een maat die de nog aanwezige biodiversiteit uitdrukt ten opzichte van een ongestoorde, natuurlijke situatie. Het geeft dus een indruk van het verlies van biodiversiteit.237

Dergelijk verlies van biodiversiteit is overigens wat anders dan het uitsterven van soorten. Er kunnen immers nog andere gebieden zijn waar dezelfde soorten nog wel voorkomen.238 Verder wordt in de gebruikte methode niet naar alle soorten gekeken, maar naar soorten die kenmerkend zijn voor het betreffende ecosysteem. De indicator is volgens het PBL met name geschikt voor het beschrijven van veranderingen over langere perioden en het vergelijken van gebieden met grote verschillen in natuurlijkheid.239

Om de nog aanwezige biodiversiteit in bepaalde ecosystemen vast te stellen gaat het PBL voor Nederland zo veel mogelijk uit van meetgegevens over het voorkomen van soorten. Voor het agrarische gebied, waarvoor geen meetnet beschikbaar is, gaat het PBL uit van een modelinschatting. Buiten Nederland («elders») heeft het PBL geen geschikte meetgegevens op soortniveau beschikbaar. Het PBL berekent de aanwezige biodiversiteit daar geheel modelmatig, op basis van bekende relaties tussen de milieudruk en de natuurkwaliteit. Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met veranderingen in landgebruik. Het resultaat kenmerkt het PBL als een schatting van de biodiversiteit, waarvan de representativiteit grotendeels is gewaarborgd.240

Het PBL berekent de watervoetafdruk niet en ook instanties als de OESO en Eurostat hanteren deze op dit moment niet. Wel zijn er diverse studies verricht waarin een watervoetafdruk voor Nederland is berekend. Nederlandse wetenschappers spelen hierin een prominente rol.241 De uitkomsten van de studies lopen uiteen, hoewel dezelfde brongegevens zijn gebruikt.242 Er is geen consensus over de te gebruiken methodologie. Een belangrijk discussiepunt over de watervoetafdruk is of er inzicht gegeven moet worden in het totale watergebruik of dat rekening gehouden moet worden met duurzaam of niet-duurzaam gebruik van water. In sommige seizoenen en gebieden is water immers schaarser dan in andere seizoenen en gebieden. Het PBL concludeert dat de watervoetafdruk zelf weliswaar inzicht geeft in het volume gebruikt water, maar dat aanvullende informatie nodig is om inzicht te krijgen in de duurzaamheid van het watergebruik. Specifiek inzicht is nodig in het type gebruikt water, de lokale situatie (seizoen, lokale waterschaarste) en besparingsopties.243

Samenvattend blijkt dat verschillende voetafdrukken (ecologische voetafdruk, landvoetafdruk, watervoetafdruk) beleidsmatig niet erg betekenisvol zijn omdat zij weliswaar inzicht geven in de omvang van de voetafdruk, maar geen antwoord geven op de vraag of dit een gewenste dan wel ongewenste situatie is. De koolstofvoetafdruk vormt hierop een uitzondering, omdat er mondiaal doelstellingen voor vermindering van CO2-uitstoot zijn afgesproken en omdat het voor de impact van de uitstoot niet uitmaakt waar ter wereld deze plaatsvindt. Ook de biodiversiteitsvoetafdruk is in beleidsmatig opzicht betekenisvoller, hoewel biodiversiteitsverlies daarbij niet gelijkgesteld moet worden aan het uitsterven van soorten.

Gebruik van import- en exportstatistieken

Naast voetafdrukken zijn er ook andere mogelijkheden om zicht te krijgen op effecten van de Nederlandse welvaart op de welvaart van landen elders in de wereld. Een mogelijkheid is om gebruik te maken van indicatoren die de in- en uitvoer in beeld brengen. Dit wordt bijvoorbeeld in de Monitor Duurzaam Nederland gedaan. In de monitor zijn diverse indicatoren opgenomen van internationale handels- en hulpstromen. Het gaat om indicatoren als import van energie en grondstoffen, de emissiehandelsbalans, overdrachten door migranten en ontwikkelingshulp, en handel met ontwikkelingslanden.

De beschikbare statistische informatie is met name gericht op handelsstromen, financiële stromen en ontwikkelingshulp. Er is weinig informatie over internationale stromen van kennis (menselijk kapitaal) en het vraagstuk van internationaal sociaal kapitaal.244 Dergelijke indicatoren zijn in de monitor dan ook niet opgenomen.

Een kanttekening bij het gebruik van import- en exportindicatoren is dat de omvang van de import of export nog weinig zegt over de beleidsmatige wenselijkheid daarvan. Een deel van de invoer wordt weer uitgevoerd. Verder staan tegenover de import van mineralen uit ontwikkelingslanden bijvoorbeeld ook inkomsten voor het exporterende land. Deze kunnen bijdragen aan de brede welvaart aldaar.245 Import uit ontwikkelingslanden is derhalve niet per definitie ongewenst of niet-duurzaam. Dergelijke indicatoren zijn daarom niet noodzakelijkerwijs richtinggevend voor beleid. Een toename is niet noodzakelijkerwijs negatief en een afname niet noodzakelijkerwijs positief.

6.5 Conclusies

Nederland speelt een belangrijke rol bij het werken aan een betere meting van «later en» «elders»

Brede welvaart gaat niet alleen over welvaart «hier en nu», maar ook over toekomstige welvaart («later») en over de impact op andere landen («elders»). In Nederland en daarbuiten is veel werk verzet om de dimensies «later» en «elders» in beeld te brengen. Er is inmiddels al veel informatie beschikbaar, maar er zijn ook nog belangrijke vragen en lacunes in (wetenschappelijke) kennis en informatie. Dit geldt voor de dimensie «later» en in nog sterkere mate voor de dimensie «elders». Veel Nederlandse instituten en wetenschappers spelen op dit vlak een prominente rol.

Bestaande ramingen zijn essentieel voor beleidsvorming en politiek debat

In Nederland worden voor diverse indicatoren voor brede welvaart ramingen gemaakt voor de toekomstige ontwikkeling, met name door het CPB. De gebruikelijke ramingen in bijvoorbeeld het Centraal Economisch Plan, de Macro Economische Verkenning en Keuzes in Kaart zijn gericht op de collectieve financiën, de macro-economie, de arbeidsmarkt en de koopkracht- en inkomensverdeling. Deze publicaties verschijnen op vaste momenten en hebben een grote invloed op de beleidsvorming en in het politieke debat.

Het doorrekenen van andere dimensies van brede welvaart gebeurt bijvoorbeeld in de serie «Kansrijk beleid» en in maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA’s). Variabelen op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de publicatie Welvaart en Leefomgeving (WLO) van het CPB en het PBL. Dit heeft meer het karakter van een scenariostudie voor de langere termijn dan het karakter van een raming. De bestaande ramingen zijn volgens de commissie essentieel voor de beleidsvorming en in het politieke debat.

Doorrekenen van beleid op de brede welvaart is nog niet mogelijk

Voor het uitbreiden van bestaande ramingsmodellen met meer dimensies van brede welvaart is inzicht nodig in het effect van voorgenomen beleid op die dimensies van brede welvaart. De grootste belemmering daarvoor is het gebrek aan inzicht in effecten op vrijwel alle terreinen, als gevolg van gebrek aan effectonderzoek. Langetermijneffecten van veel beleid kennen grote onzekerheden. Soms zijn ze slechts in algemene kwalitatieve termen bekend. De commissie constateert dat het doorrekenen van beleidseffecten op de gehele brede welvaart nog niet mogelijk is en benadrukt het belang van goede effectstudies in de beleidscyclus.

Kapitalenbenadering brengt hulpbronnen voor toekomstige welvaart in beeld

Een internationaal invloedrijke wijze om de dimensie «later» te analyseren is de zogenoemde «kapitalenbenadering». De commissie ziet dit als een analytisch sterke benadering. Een daarin veelgebruikt onderscheid is dat tussen fysiek, menselijk, natuurlijk en sociaal kapitaal. Op dit moment zijn er nog niet van al deze kapitaalvormen voldoende ontwikkelde methoden voorhanden om deze volledig uit te drukken in monetaire eenheden, maar verschillende wetenschappers en organisaties, waaronder het CBS, werken hier wel aan. De commissie vindt dit een goede ontwikkeling.

Bestaande voetafdrukindicatoren geven met name zicht op ecologische aspecten

Er bestaat een levendige discussie over de wijze waarop effecten van de Nederlandse welvaart op landen elders in de wereld in beeld kunnen worden gebracht. De voetafdruk is een methode om dergelijke effecten te meten. Deze methode is de laatste jaren sterk in ontwikkeling. Nederlandse wetenschappers en instituten spelen hierbij een prominente rol. De nadruk ligt bij de bestaande voetafdrukken op milieueffecten, zoals CO2-uitstoot, landgebruik, biodiversiteit, materialengebruik en watergebruik. Naast inzicht in effecten op milieugebied acht de commissie ook inzicht in effecten op sociaal gebied van belang. De commissie moet echter constateren dat de beschikbare kennis en informatie op deze gebieden nog tekortschieten om dit systematisch te meten en te volgen.

Nog geen geharmoniseerde methode voor de berekening van voetafdrukken

Volgens de commissie zijn criteria voor geschikte indicatoren dat zij objectief kunnen worden gemeten volgens een algemeen aanvaarde methode, dat er actuele informatie beschikbaar is, dat zij relevant zijn voor beleid, dat zij internationaal vergelijkbaar zijn en dat zij vergelijkbaar zijn door de tijd met behulp van tijdreeksen. Op dit moment bestaan er over voetafdrukken tussen experts nog verschillende discussiepunten, waardoor er nog geen geharmoniseerde en breed geaccepteerde methode voor het berekenen van voetafdrukken beschikbaar is. Ook bestaan er nog behoorlijke verschillen tussen databases die voor het berekenen van voetafdrukken worden gebruikt. Actuele voetafdrukken zijn voor Nederland niet beschikbaar. De commissie concludeert dat methoden voor het berekenen van voetafdrukken op dit moment nog niet zijn uitontwikkeld, maar signaleert wel dat er een brede discussie gaande is die binnen afzienbare tijd tot meer internationale harmonisatie kan leiden.

Koolstofvoetafdruk op dit moment het meest bruikbaar

Verschillende bestaande voetafdrukken, zoals de ecologische voetafdruk, de landvoetafdruk en de watervoetafdruk geven weliswaar inzicht in de omvang van de voetafdruk maar geven geen antwoord op de vraag of dit een gewenste dan wel ongewenste situatie is. De koolstofvoetafdruk vormt hierop een uitzondering, omdat er mondiaal doelstellingen voor vermindering van CO2-uitstoot zijn afgesproken en omdat het voor de impact van de uitstoot niet uitmaakt waar ter wereld deze plaatsvindt. De methode van de koolstofvoetafdruk is op dit moment het meest ontwikkeld. Internationaal maakt ook de OESO gebruik van deze voetafdruk. De commissie acht daarom de koolstofvoetafdruk de meest bruikbare voetafdrukindicator.

De commissie vindt dat de bekende ecologische voetafdruk niet geschikt is voor beleidsvorming, omdat het een samengestelde indicator is, rekent met virtueel in plaats van met daadwerkelijk landgebruik en uitgaat van mondiaal gemiddelde opbrengsten voor verschillende typen land, waardoor efficiëntiewinsten niet tot uitdrukking komen in de voetafdruk.

Bijlagen

1. Afkortingen

ANS

Adjusted Net Savings

AOW

Algemene Ouderdomswet

bbp

Bruto binnenlands product

BLI

Better Life Index

bni

Bruto nationaal inkomen

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

CEP

Centraal Economisch Plan

CES

Conference of European Statisticians

COB

Continu Onderzoek Burgerperspectieven

CPB

Centraal Planbureau

DMC

Domestic Material Consumption

DNI

Duurzaam nationaal inkomen

ESR

Europees systeem van rekeningen

ESSD

Earth System Science Data

EU

Europese Unie

GDP

Gross Domestic Product

GRAM

Global Resource Accounting Model

GPI

Genuine Progress Indicator

HDI

Human Development Index

ICT

Informatie- en Communicatietechnologie

IISD

International Institute for Sustainable Development

IMF

Internationaal Monetair Fonds

mDNI

Milieu-Duurzaam Nationaal Inkomen

MEV

Macro Economische Verkenning

MNP

Milieu- en Natuurplanbureau

NAVO

Noord Atlantische Verdragsorganisatie

NCC

Nature Climate Change

NWO

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

OESO

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling

ONS

Office for National Statistics (Verenigd Koninkrijk)

PBL

Planbureau voor de Leefomgeving

PNAS

Proceedings of the National Academy of Sciences

PWI

Persoonlijke Welzijnsindex

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

RMC

Raw Material Consumption

SCP

Sociaal en Cultureel Planbureau

SDG

Sustainable Development Goal

SDI

Sustainable Development Indicator

SEEA

System of Environmental and Economic Accounts

SER

Sociaal-Economische Raad

SNA

System of National Accounts (systeem van nationale rekeningen)

TFSD

Task Force on Measuring Sustainable Development

UNECE

United Nations Economic Commission for Europe

VN

Verenigde Naties

WGSSD

Working Group for Statistics on Sustainable Development

WIOD

World Input-Output Database

WLO

Welvaart en Leefomgeving

WRR

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

2. Lijst met gesprekspartners

De commissie heeft besloten gesprekken gevoerd met de volgende personen:

Naam

Functie

Mw. B. (Barbara) Bacigalupi

beleidsmedewerker Resource Efficiency & Economic Analysis, DG Environment, Europese Commissie

Dhr. E.J. (Eric) Bartelsman

hoogleraar Macro-economie, Vrije Universiteit Amsterdam

Mw. H.J. (Hillie) Beentjes

directeur Begrotingszaken, Ministerie van Financiën

Dhr. P.J. (Paul) Besseling

waarnemend sectorhoofd Fysieke Omgeving, CPB

Dhr. (Dick) Biesta

lid Platform Duurzame en Solidaire Economie

Dhr. J. (Jeroen) Boelhouwer

wetenschappelijk medewerker informatievoorziening SCP

Dhr. M. (Marko) Bos

directeur economische zaken, SER

Dhr. F.A.G. (Frank) den Butter

emeritus hoogleraar Algemene economie, Vrije Universiteit Amsterdam

Mw. D. (Diane) Coyle

hoogleraar Economie, University of Manchester (Groot-Brittannië)

Dhr. L.W.M. (Lei) Delsen

universitair hoofddocent Sociaaleconomisch beleid, Radboud Universiteit Nijmegen

Dhr. F.J. (Frank) Dietz

sectorhoofd Sector Duurzame Ontwikkeling, PBL

Dhr. G.J. (Gerard) Eding

directeur Nationale rekeningen, CBS

Dhr. E.R. (Edwin) van de Haar

directiesecretaris en hoofd Communicatie, CPB

Mw. M.I. (Mariëtte) Hamer

voorzitter SER

Dhr. A. (Aldert) Hanemaaijer

programmaleider vergroening van de economie, eco-innovatie en circulaire economie, PBL

Dhr. A. (Arnold) Heertje

emeritus hoogleraar Staathuishoudkunde en bijzonder hoogleraar in de Geschiedenis van de economische wetenschap, Universiteit van Amsterdam

Mw. M.W. (Marjan) Hofkes

hoogleraar Milieueconomie, Vrije Universiteit Amsterdam

Dhr. A.C. (Coen) Hogendoorn

directeur Algemene Financiële en Economische Politiek, Ministerie van Financiën

Dhr. R. (Roefie) Hueting

econoom, grondlegger duurzaam nationaal inkomen (DNI), voormalig hoofd afdeling Milieustatistieken CBS.

Dhr. (John) Huige

lid kerngroep Platform Duurzame en Solidaire Economie

Dhr. A.C. (Ekko) van Ierland

hoogleraar Milieueconomie en natuurlijke hulpbronnen, Universiteit Wageningen

Dhr. B. (Bas) Jacobs

hoogleraar Economie, Erasmus Universiteit Rotterdam

Dhr. B. (Brugt) Kazemier

wetenschappelijk medewerker en expert op het terrein van de informele economie, CBS

Dhr. A.W.M. (Lou) Keune

oprichter en adviseur Platform Duurzame en Solidaire Economie

Dhr. A.H. (Bert) Kroese

plv. directeur-generaal CBS

Mw. D. (Debby) Lanser

programmaleider Macro-analyse, CPB

Mw. G.A. (Trudy) Rood

senior beleidsonderzoeker duurzame ontwikkeling, PBL

Dhr. J.P.H. (Jan-Pieter) Smits

senior statistisch onderzoeker, projectleider van de Monitor Duurzaam Nederland, CBS

Dhr. (Gerrit) Stegehuis

informaticus, lid van het Platform Duurzame en Solidaire Economie

Dhr. M.P. (Marcel) Timmer

hoogleraar Economische groei en ontwikkeling, Rijksuniversiteit Groningen

Dhr. A. (Arnold) Tukker

hoogleraar Industriële ecologie en directeur van het Centrum voor Milieuwetenschappen, Universiteit Leiden

Dhr. R. (Ruut) Veenhoven

emeritus hoogleraar Sociale condities voor menselijk geluk, Erasmus Universiteit Rotterdam

Dhr. C.A.F. (Niels) Vermeer

beleidsmedewerker Algemene Financiële en Economische Politiek, Ministerie van Financiën

Dhr. C.A. (Ton) van der Wijst

plv. directeur economische zaken, SER

Dhr. H.C. (Harry) Wilting

wetenschappelijk onderzoeker duurzame ontwikkeling, PBL

Bij het werkbezoek in Parijs heeft de commissie gesproken met de volgende personen:

Naam

Functie

Dhr. C. (Cédric) Audenis

economisch adviseur in het kabinet van de Eerste Minister van Frankrijk

Dhr. V. (Vincent) Aussilloux

directeur Economie en Financiën, France Stratégie

Mw. R. (Romina) Boarini

coördinator How’s Life Project, OESO

Mw. M. (Martine) Durand

Director of Statistics en Chief Statistician, OESO

Dhr. J.P. (Jean-Paul) Fitoussi

lid van de commissie-Stiglitz, hoogleraar economie aan het Institut d'Études Politiques de Paris

Dhr. M. (Marco) Mira d’Ercole

head of the Division for Household Statistics and Progress Measurement, OESO

Mw. E. (Eva) Sas

lid van de Assemblée nationale, Groupe Ecologiste, rapporteur van het Franse wetsvoorstel om te komen tot welvaartsindicatoren

Dhr. P.J.M. (Peter) van de Ven

hoofd Nationale rekeningen, OESO

Bij het werkbezoek in Berlijn heeft de commissie gesproken met de Duitse onderzoekscommissie «Wachstum, Wohlstand und Lebensqualität» en met een directeur-generaal van het Duitse Ministerie van Economische Zaken en Energie, vergezeld door enkele beleidsambtenaren (de laatsten zijn niet in onderstaande lijst opgenomen).

Naam

Functie

Mw. I. (Ingrid) Arndt-Brauer

lid van de Duitse Bondsdag namens de SPD

Dhr. T. (Thomas) Gambke

lid van de Duitse Bondsdag namens Bündnis 90/Die Grünen

Dhr. M. (Michael) Haese

ambtelijke ondersteuning bij de onderzoekscommissie van de Duitse Bondsdag

Mw. B. (Beate) Jochimsen

hoogleraar, deskundige bij de onderzoekscommissie van de Duitse Bondsdag

Dhr. M. (Michael) Müller

deskundige bij de onderzoekscommissie van de Duitse Bondsdag

Dhr. H. (Hermann) Ott

lid van de Duitse Bondsdag, namens Bündnis 90/Die Grünen

Dhr. O. (Oliver) Schmolke

directeur-generaal Leitungs- und Planungsabteilung van het Duitse Ministerie van Economische Zaken en Energie (BMWi)

Dhr. K. (Klaus) Uppenkamp

hoofd ambtelijke ondersteuning bij onderzoekscommissie van de Duitse Bondsdag

Mw. V. (Valerie) Wilms

lid van de Duitse Bondsdag namens Bündnis 90/Die Grünen

Dhr. M. (Matthias) Zimmer

lid van de Duitse Bondsdag namens CDU/CSU, tevens vicevoorzitter van de onderzoekscommissie

3. Bronnenlijst

Kamerstukken

Kamerstuk II 2013/14, 24 515, nr. 279. Brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het rapport De sociale staat van Nederland 2013 van het SCP, Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting.

Kamerstuk II 2013/14, 27 406, nr. 213. Motie van de leden Van Oijk en Pechtold, Instellen van een tijdelijke commissie om te komen tot een breed welvaartsbegrip.

Kamerstuk II 2015/16, 29 352, nr. 6. Brief van de Minister van Financiën, Waardering van risico’s bij publieke investeringsprojecten.

Bijlage: Werkgroep Discontovoet (november 2015). Rapport werkgroep Discontovoet 2015.

Kamerstuk II 2008/09, 30 196, nr. 56. Brief van de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en voor Ontwikkelingssamenwerking over voortgang kabinetsbrede aanpak duurzame ontwikkeling, reactie Monitor Duurzaam Nederland en Living Planet Report, Duurzame ontwikkeling en beleid.

Kamerstuk II 2008/09, 30 196, nr. 144. Brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu betreffende aanbieding rapportage PBL en reactie op Monitor Duurzaam Nederland 2011, Duurzame ontwikkeling en beleid.

Kamerstuk II 2005/06, 30 300-XV, nr. 37. Brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met informatie over onder andere de betekenis van inkomens en koopkrachtplaatjes, Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2006.

Bijlage: De bruikbaarheid van koopkrachtplaatjes.

Kamerstuk II 2014/15, 31 239, nr. 186. Brief van de Minister van Economische Zaken met kabinetsreactie op de Monitor Duurzaam Nederland van CBS, CPB, PBL en SCP, Stimulering duurzame energieproductie.

Kamerstuk II 2014/15, 32 224, nr. 11. Brief van het presidium, toekomst- en onderzoeksagenda Tweede Kamer 2015.

Kamerstuk II 2014/15, 32 605, nr. 168. Brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over Post-2015 ontwikkelingsagenda en de conferentie over Financing for Development, Beleid ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking.

Kamerstuk II 2012/13, 33 043, nr. 14. Brief van de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu over Groene Groei: voor een sterke, duurzame economie, Groene economische groei in Nederland (Green Deal).

Kamerstuk II 2014/15, 33 043, nr. 42. Brief van de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu over de Tussenbalans Groene Groei, Groene economische groei in Nederland (Green Deal).

Bijlage: Reactie op de Monitor Duurzaam Nederland (CBS, 2014) – hoofdstuk 4: Groene Groei.

Kamerstuk II 2014/15, 33 576, nr. 20. Verslag van een algemeen overleg, Natuurbeleid.

Kamerstuk II 2014/15, 34 200, nr. 1. Brief van de Minister van Financiën, Financieel Jaarverslag van het Rijk 2014. Bijlage 3: Overheidsbalans.

Kamerstuk II 2015/16, 34 298, nr. 1. Brief van het presidium, Onderzoeksvoorstel voor een parlementair onderzoek naar een breed welvaartsbegrip.

Handelingen II 2014/15, nr. 54, item 26, p. 1, Stemmingen Brief presidium toekomst- en onderzoeksagenda Tweede Kamer 2015.

Technische briefing vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu, TK activiteitennummer 2014A03810 (5 november 2014), PBL «de toekomst is nú: Balans van de Leefomgeving 2014».

Overige bronnen

Assemblée nationale (21 januari 2015). Rapport fait au nom de la Commission des finances, de l’économie générale et du contrôle budgétaire sur la proposition de loi visant à la prise en compte des nouveaux indicateurs de richesse dans la définition des politiques publiques (n° 2285) par Mme Eva Sas, Députée. Assemblée nationale: 2285. Parijs: Assemblée nationale.

http://www.assemblee-nationale.fr/14/pdf/rapports/r2505.pdf

Assemblée nationale (27 november 2015). Commission des finances, commission des affaires culturelles, commission des affaires économiques et commission du développement durable: M. Michel Sapin, ministre, sur les nouveaux indicateurs de richesse. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://videos.assemblee-nationale.fr/video.3409919_5656dca0d63bb.commission-des-finances-commission-des-affaires-culturelles-commission-des-affaires-economiques-et-26-novembre-2015

Bergh, J.C.J.M. van den (18 november 2005). BNP, weg ermee! Economisch Statistische Berichten 90, pp. 502–505.

Bundesregierung. Gut leben in Deutschland. Was uns wichtig ist. Geraadpleegd op 15 maart 2016.

https://www.gut-leben-in-deutschland.de/DE/Home/home_node

Burgess, S. (2011 Q3). Measuring financial sector output and its contribution to UK GDP. Quarterly Bulletin Bank of England, 51, pp. 234–246.

http://www.bankofengland.co.uk/publications/Documents/quarterlybulletin/qb110304.pdf

Butter, F.A.G. den & Dietz, F.J. (14 mei 2004). Duurzame ontwikkeling en overheidsbeleid. Economisch Statistische Berichten, 89, pp. 218–222.

Cameron, D. (25 november 2010). PM speech on wellbeing. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

https://www.gov.uk/government/speeches/pm-speech-on-wellbeing

Caminada C.L.J. et al. (2014). De ontwikkeling van inkomensongelijkheid en inkomensherverdeling in Nederland 1990–2012 (Research Memorandum 2014.02). Leiden: Leiden University, Department of Economics.

http://media.leidenuniv.nl/legacy/kc-2014-05.pdf

Canadian Index of Wellbeing (CIW) (oktober 2012). How are Canadians Really doing? The 2012 CIW Report. Waterloo: Canadian Index of Wellbeing & University of Waterloo.

https://uwaterloo.ca/canadian-index-wellbeing/sites/ca.canadian-index-wellbeing/files/uploads/files/HowareCanadiansreallydoing_CIWnationalreport2012.pdf

CBS (2014). Environmental accounts of the Netherlands 2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2014/46/environmental-accounts-of-the-netherlands-2013

CBS (juni 2014). Welvaart in Nederland 2014. Inkomen, bestedingen en vermogen van huishoudens en personen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2014/23/welvaart-in-nederland-2014

CBS (november 2014). Monitor Duurzaam Nederland 2014. Indicatorenrapport. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2014/48/monitor-duurzaam-nederland-2014

CBS (juli 2015). Nationale rekeningen 2014. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2015/29/nationale-rekeningen-2014

CBS (september 2015). Kwaliteit van leven in Nederland. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2015/39/kwaliteit-van-leven-2015

CBS (11 september 2015). Brief aan de tijdelijke commissie Breed welvaartsbegrip.

Bijlage: Smits, J.P. CBS activiteiten op het gebied van brede welvaart en duurzaamheid.

https://www.cbs.nl/

CBS (november 2015). Welzijn in Nederland 2015. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2015/45/welzijn-in-nederland

CBS (17 november 2015). Inkomensongelijkheid; particuliere huishoudens naar diverse kenmerken. Geraadpleegd op 22 maart 2016.

http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?PA=71511ned

CBS (december 2015). Green growth in the Netherlands 2015. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

http://download.cbs.nl/pdf/green-growth-in-the-netherlands-2015.pdf

CBS (2 december 2015). Vermogensklassen; particuliere huishoudens naar diverse kenmerken. Geraadpleegd op 25 maart 2016.

http://statline.cbs.nl/Statweb/selection/?DM=SLNL&PA=80055NED&VW=T

CBS (11 februari 2016). CBS: CO2-uitstoot neemt licht toe in vierde kwartaal [Persbericht]. Geraadpleegd op 10 maart 2016.

http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/natuur-milieu/publicaties/milieurekeningen/artikelen/archief/2016/4956-co 2 -uitstoot-2015-iv.htm

Ceroni, M. (23 september 2014). Beyond GDP: US states have adopted genuine progress indicators.

http://www.theguardian.com/sustainable-business/2014/sep/23/genuine-progress-indicator-gdp-gpi-vermont-maryland

Coyle, D. (2014). GDP. A brief but affectionate history. Oxford: Princeton University Press.

Coyle, D. (februari 2014). Growing pains. Measure a country purely against its GDP and you neglect the wellbeing of its people. Yet can that be measured?

https://aeon.co/essays/has-gdp-reached-its-limits-as-a-useful-measure

CPB. Ramingen en scenario’s. Geraadpleegd op 4 maart 2016.

http://www.cpb.nl/onderwerp/ramingen-en-scenarios

CPB (26 januari 2006). CPB-modellen in 60 jaar sterk geëvolueerd. [Persbericht] Geraadpleegd op 4 maart 2016.

http://www.cpb.nl/persbericht/329107/cpb-modellen-60-jaar-sterk-ge%C3%ABvolueerd.

CPB (11 juli 2006). Kansrijk kennisbeleid. [Persbericht] Geraadpleegd op 8 maart 2016.

http://www.cpb.nl/persbericht/329095/kansrijk-kennisbeleid

CPB (september 2009). Brede welvaart en nationaal inkomen. Den Haag: Centraal Planbureau.

http://www.cpb.nl/publicatie/brede-welvaart-en-nationaal-inkomen

CPB (2010). The Netherlands of 2040. Den Haag: Centraal Planbureau.

http://www.nl2040.nl/

CPB (mei 2010). Economische beleidsevaluaties en welvaart. Den Haag: Centraal Planbureau.

http://www.cpb.nl/publicatie/economische-beleidsevaluaties-en-welvaart

CPB (juni 2012). Juniraming 2012. De Nederlandse economie tot en met 2017, inclusief Begrotingsakkoord 2013 (CPB Policy Brief 2012/01). Den Haag: Centraal Planbureau.

http://www.cpb.nl/cijfer/scenario-middellange-termijn-de-nederlandse-economie-2013-2017

CPB & PBL (augustus 2012). Keuzes in Kaart 2013-2017. Een analyse van 10 verkiezingsprogramma’s. Den Haag: Centraal Planbureau & Planbureau voor de Leefomgeving.

http://www.cpb.nl/publicatie/keuzes-in-kaart-2013-2017

CPB (25 september 2015). Brief aan de tijdelijke commissie Breed welvaartsbegrip.

Bijlage: Aspecten van brede welvaart in CPB-studies.

http://cpb.nl/publicaties

Delsen, L. (2013). Hoogste tijd voor sterke duurzaamheid. In R. Kok & H. Lekkerkerk & P. Vermeulen (Red.), Versterking van innovatie. Meppel: Boom Lemma Uitgevers.

Deutscher Bundestag (mei 2013). Schlussbericht der Enquete-Kommission «Wachstum, Wohlstand, Lebensqualität – Wege zu nachhaltigem Wirtschaften und gesellschaftlichem Fortschritt in der Sozialen Marktwirtschaft». Drucksache 17/13300.

http://dip21.bundestag.de/dip21/btd/17/133/1713300.pdf

Deutscher Bundestag (mei 2013, Engelse samenvatting). Study Commission on Growth, Well-being and Quality of Life – Paths to Sustainable Economic Activity and Social Progress in the Social Market Economy. Summary of the conclusions and main recommendations of the Study Commission.

Edens, B. et al. (juni 2015). A Method to Create Carbon Footprint Estimates Consistent with National Accounts. Economic Systems Research, 27, pp. 440-457.

Europese Commissie. Making it happen: the European Semester. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://ec.europa.eu/europe2020/making-it-happen/index_en.htm

Europese Commissie (februari 2005). Sustainable Development Indicators to monitor the implementation of the EU Sustainable Development Strategy. Communication from mr. Almunia to the members of the commission, SEC(2005) 161 final.

http://ec.europa.eu/eurostat/documents/276524/276592/Communication+from+M.Almunia+SDI/a0e3e2f7-9ea8-4486-abcb-250d5f8806ce

Europese Commissie (augustus 2009). Het bbp en verder, Meting van de vooruitgang in een veranderende wereld. Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, COM(2009) 433 definitief.

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52009DC0433&from=EN

Europese Commissie (augustus 2013). Progress on «GDP and beyond» actions. Commission staff working document (SWD(2013) 303 final, Volume 1 en 2).

http://ec.europa.eu/environment/enveco/pdf/SWD_2013_303.pdf; http://ec.europa.eu/environment/enveco/pdf/SWD_2013_303_annexes.pdf

Europese Commissie (2014). Moving beyond GDP in European economic governance [Events]. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://ec.europa.eu/social/main.jsp?langId=en&catId=88&eventsId=1006

Europese Commissie (2015). EU Resource Efficiency Scoreboard 2014. België: European Union.

http://ec.europa.eu/environment/resource_efficiency/documents/re_scoreboard_2014.pdf

Europese Commissie (november 2015). Resource Efficiency Scoreboard. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://ec.europa.eu/environment/resource_efficiency/targets_indicators/scoreboard/index_en.htm

Europese Commissie (februari 2016). Economic forecasts. Geraadpleegd op 4 maart 2016.

http://ec.europa.eu/economy_finance/eu/forecasts/index_en.htm

Eurostat. Headline indicators: Scoreboard. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://ec.europa.eu/eurostat/web/europe-2020-indicators/europe-2020-strategy/headline-indicators-scoreboard

Eurostat. Indicators. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://ec.europa.eu/eurostat/web/sdi/indicators

Eurostat. Quality of Life. Geraadpleegd op 15 maart 2016.

http://ec.europa.eu/eurostat/cache/infographs/qol/index_en.html

Eurostat (2015) I. Smarter, greener, more inclusive? Indicators to support the Europe 2020 strategy. Luxemburg: Publications Office of the European Union.

http://ec.europa.eu/eurostat/documents/3217494/6655013/KS-EZ-14-001-EN-N.pdf/a5452f6e-8190-4f30-8996-41b1306f7367

Eurostat (2015) II. Sustainable development in the European Union: 2015 monitoring report of the EU Sustainable Development Strategy. Luxemburg: Publications Office of the European Union.

Eurostat (juni 2015). Quality of life in Europe – facts and views. Luxemburg: Publications Office of the European Union

Federaal Planbureau & Instituut voor de Nationale Rekeningen (februari 2016). Aanvullende indicatoren naast het bbp. Brussel: FPB, Philippe Donnay.

German Council of Economic Experts & Conseil d’Analyse Economique (december 2010, Engelse versie). Monitoring economic performance, quality of life and sustainability.

http://www.sachverstaendigenrat-wirtschaft.de/fileadmin/dateiablage/Expertisen/2010/ex10_en.pdf

Conseil d’Analyse Economique & Sachverständigenrat zur Begutachtung der gesamtwirtschaftlichten Entwicklung (december 2010, Franse versie). Évaluer la performance économique, le bien-être et la soutenabilité.

http://www.cae-eco.fr/IMG/pdf/095.pdf

Sachverständigenrat zur Begutachtung der gesamtwirtschaftlichten Entwicklung & Conseil d’Analyse Economique (december 2010, Duitse versie). Wirtschaftsleistung, Lebensqualität und Nachhaltigkeit: Ein umfassendes Indikatorensystem.

http://www.sachverstaendigenrat-wirtschaft.de/fileadmin/dateiablage/Expertisen/2010/ex10_de.pdf

Global Footprint Network. At A Glance. Geraadpleegd op 10 maart 2016.

http://www.footprintnetwork.org/en/index.php/GFN/page/at_a_glance/

Gouvernement République Française (november 2015). Les nouveaux indicateurs de richesse.

http://www.strategie.gouv.fr/sites/strategie.gouv.fr/files/atoms/files/a9rb245.pdf

Heertje, A. (december 2006). Echte economie. Een verhandeling over schaarste en welvaart en over het geloof in leermeesters en lernen. Nijmegen: Thijmgenootschap.

Hofkes, M.W. & Verbruggen, H. (2012). Van groene welvaartsmaten tot een nationale maatschappelijke kosten-batenanalyse. Tijdschrift voor Openbare Financiën, 44, pp. 247–245.

Hueting R. et al. (juni 2013). De monetaire meetbaarheid van duurzame ontwikkeling. Verkennende notitie van de directie Biobased Economy van het Ministerie van Economische Zaken over de toepassing van milieu Duurzaam Nationaal Inkomen naast Nationaal Inkomen als indicator van groene groei.

http://www.sni-hueting.info/NL/Documentatie/2013-11-02-EZ-Monetaire-meetbaarheid-duurzaamheid.pdf

International Institute for Sustainable Development. Compendium. A Global Directory to Indicator Initiatives. Geraadpleegd op 11 maart 2016. www.iisd.org/measure/compendium/

Kassenboehmer, S.C. & Schmidt, C.S. (januari 2011). Beyond GDP and Back: What is the Value-added by Additional Components of Welfare Measurement? (Ruhr Economic Papers #239). Bochum: Ruhr-Universität Bochum (RUB), Department of Economics.

http://www.rwi-essen.de/media/content/pages/publikationen/ruhr-economic-papers/REP_11_239.pdf

Liu, G. (oktober 2011). Measuring the Stock of Human Capital for Comparative Analysis: An Application of the Lifetime Income Approach to Selected Countries (OECD Statistics Working Papers, 2011/6). Parijs: OECD Publishing.

http://dx.doi.org/10.1787/5kg3h0jnn9r5-en

Nationale Bank van België en Instituut voor de Nationale rekeningen (september 2014). Nationale rekeningen. ESR 2010. Het nieuwe referentiekader voor de nationale rekeningen.

https://www.nbb.be/doc/dq/n_method/m_sec2010_nl.pdf

MNP (2004). Kwaliteit en toekomst: Verkenning van duurzaamheid. Bilthoven: RIVM.

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/nds-vrom041011-b1

MNP (juni 2007). Nederland Later. Tweede Duurzaamheidsverkenning, deel Fysieke leefomgeving Nederland (MNP-publicatienummer 500127001/2007). Bilthoven: Uitgeverij RIVM.

http://www.pbl.nl/sites/default/files/cms/publicaties/500127001.pdf

MNP (november 2007). Nederland en een duurzame wereld. Armoede, klimaat en biodiversiteit. Tweede Duurzaamheidsverkenning.

http://www.pbl.nl/sites/default/files/cms/publicaties/500084001.pdf

OESO. Carbon Dioxide Emissions embodied in International Trade. Geraadpleegd op 10 maart 2016.

http://stats.oecd.org/Index.aspx?DataSetCode=IO_GHG_2015

OESO. Create your better life index. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://www.oecdbetterlifeindex.org/

OESO. Measuring Trade in Value Added: An OECD-WTO joint initiative.

Geraadpleegd op 29 maart 2016.

http://www.oecd.org/sti/ind/measuringtradeinvalue-addedanoecd-wtojointinitiative.htm

OESO. OECD Regional Well-Being. Geraadpleegd op 15 maart 2016.

http://www.oecdregionalwellbeing.org/

OESO (mei 2011). Towards Green Growth. Summary in Dutch; Op weg naar groene groei. Samenvatting in het Nederlands. Parijs: OECD.

http://www.oecd-ilibrary.org/environment/towards-green-growth/summary/dutch_9789264111318-sum-nl

OESO (2014). Green Growth Indicators 2014 (OECD Green Growth Studies). Parijs: OECD Publishing.

OESO (oktober 2015). How’s Life? 2015: Measuring Well-being. Parijs: OECD Publishing.

http://www.oecd-ilibrary.org/economics/how-s-life-2015_how_life-2015-en

Office for National Statistics (ONS) (september 2015). Measures of National Well-being. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://www.neighbourhood.statistics.gov.uk/HTMLDocs/dvc146/wrapper.html

PBL et al. Biodiversiteitsverlies in Nederland, Europa en de wereld, 1700–2010. Geraadpleegd op 12 februari 2016.

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl1440-Ontwikkeling-biodiversiteit-(MSA).html?i=2-76

PBL et al. Compendium voor de leefomgeving. Geraadpleegd op 15 maart 2016.

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/

PBL (2014). Balans van de Leefomgeving 2014. De toekomst is nú. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

http://themasites.pbl.nl/balansvandeleefomgeving/2014/wp-content/uploads/2014/PBL_2014_Balans-van-de-Leefomgeving-2014_1308.pdf

PBL (30 september 2015). Brief aan de tijdelijke commissie Breed welvaartsbegrip.

Bijlage: Dietz, F. & Hanemaaijer A. ’Brede welvaart’ in het onderzoek van het PBL (PBL-publicatienummer 1917).

http://www.pbl.nl/publicaties

PBL & CPB (december 2015). Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving: Nederland in 2030 en 2050: twee referentiescenario’s. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving & Centraal Planbureau.

http://www.wlo2015.nl/

PBL (1 december 2015). Nederland verandert, toekomstscenario’s voor beleid. [Nieuwsbericht] Geraadpleegd op 8 maart 2016.

http://www.pbl.nl/nieuws/nieuwsberichten/2015/nederland-verandert-toekomstscenarios-voor-beleid

Presidium Tweede Kamer (18 februari 2016). Besluitenlijst 18 februari 2016. Geraadpleegd op 4 maart 2016.

http://www.tweedekamer.nl/kamerleden/presidium/besluiten

Renes, G. & Romijn, G. (23 oktober 2014). Een algemene leidraad voor maatschappelijke kosten-bastenanalyse. Economisch Statistische Berichten, 99, pp. 6–11.

Rensman, M. (2013). Human capital in the Netherlands (Discussion Paper 2013/14). Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/8D893161-D5B8-474A-975B-532D81F14C72/0/201314x10pub.pdf

Rensman, M. (september 2014). Illegale activiteiten in de nationale rekeningen. De Nederlandse economie 2014. Den Haag, Centraal Bureau voor de Statistiek.

http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/B1664A9A-849E-445A-9B48-570F73B3D574/0/DNE_chapter08.pdf

Romijn, G. & Renes, G. (2013). Algemene leidraad voor maatschappelijke kosten-batenanalyse. Den Haag: Centraal Planbureau & Planbureau voor de Leefomgeving.

http://www.cpb.nl/publicatie/algemene-leidraad-voor-maatschappelijke-kosten-batenanalyse

SCP (30 januari 2009). Sociaal en Cultureel Rapport. Geraadpleegd op 17 maart 2016.

http://www.scp.nl/nl/Publicaties/Terugkerende_monitors_en_reeksen/Sociaal_en_Cultureel_Rapport

SCP (23 februari 2011). Profijt van de overheid. Geraadpleegd op 17 maart 2016.

http://www.scp.nl/nl/Publicaties/Terugkerende_monitors_en_reeksen/Profijt_van_de_overheid

SCP (24 februari 2011). Continu Onderzoek Burgerperspectieven. Geraadpleegd op 17 maart 2016.

http://www.scp.nl/nl/Publicaties/Terugkerende_monitors_en_reeksen/Continu_Onderzoek_Burgerperspectieven

SCP (januari 2012). VeVeRa-IV. Actualisatie en aanpassing ramingsmodel verpleging en verzorging 2009-2030. Den Haag: Sociaal en Cultureel planbureau.

http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2012/VeVeRa_IV

SCP (november 2013). Met het oog op de tijd. Een blik op de tijdsbesteding van Nederlanders. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

http://www.scp.nl/nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2013/Met_het_oog_op_de_tijd

SCP (december 2013). De sociale staat van Nederland 2013 (2013-30). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2013/De_sociale_staat_van_Nederland_2013

SCP (december 2014) I. Verschil in Nederland. Sociaal en Cultureel Rapport 2014 (2014-33). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2014/Verschil_in_Nederland

SCP (december 2014) II. De hoofdzaken van het sociaal en cultureel rapport 2014 (2014-41) Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2014/De_hoofdzaken_van_het_Sociaal_en_Cultureel_Rapport_2014

SCP (11 september 2015). Brief aan de tijdelijke commissie Breed welvaartsbegrip.

Bijlage: Boelhouwer, J. Het brede-welvaartsbegrip volgens het SCP.

http://www.scp.nl/publicaties/

SCP (december 2015). De sociale staat van Nederland 2015 (SCP-publicatie 2015-34). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

http://www.scp.nl/nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2015/De_sociale_staat_van_Nederland_2015

SER. Meerjarenperspectief: Drie centrale doelstellingen. Geraadpleegd op 22 maart 2016.

http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?PA=71511ned

SER (mei 2010). Meer werken aan duurzame groei (advies 10/03). Den Haag, Sociaal-Economische Raad.

https://www.ser.nl/nl/publicaties/adviezen/2010-2019/2010/b28646.aspx

Smid, B. et al. (3 juli 2014). Minder zorg om vergrijzing (CPB Boek 12). Den Haag: Centraal Planbureau.

http://www.cpb.nl/publicatie/minder-zorg-om-vergrijzing

Stiglitz, J.E. et al. (2009, Engelse versie). Report by the Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress.

http://www.insee.fr/fr/publications-et-services/dossiers_web/stiglitz/doc-commission/RAPPORT_anglais.pdf

Stiglitz, J.E. et al. (2009, Franse versie). Rapport de la Commission sur la mesure des performances économiques et du progrès social.

http://www.insee.fr/fr/publications-et-services/dossiers_web/stiglitz/doc-commission/RAPPORT_francais.pdf

Veenhoven, R. (mei 2012). Sturen op geluk: is dat mogelijk en wenselijk? In C. van Campen et al. Sturen op geluk. Geluksbevordering door nationale overheden, gemeenten en publieke instellingen (SCP publicatie 2012-13). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties-2012/Sturen_op_geluk

Verenigde Naties. UNECE. About the Conference of European Statisticians (CES). Geraadpleegd op 8 maart 2016.

http://www.unece.org/stats/aboutces.html

Verenigde Naties. UNECE. Sustainable development – concept and action. Geraadpleegd op 3 maart 2016.

http://www.unece.org/oes/nutshell/2004-2005/focus_sustainable_development.html

Verenigde Naties. United Nations Development Programme (UNDP). Human Development Index (HDI). Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://hdr.undp.org/en/content/human-development-index-hdi

Verenigde Naties et al. (2009). System of National Accounts 2008. New York: United Nations et al.

http://unstats.un.org/unsd/nationalaccount/docs/SNA2008.pdf

Verenigde Naties et al. (2014). System of Environmental-Economic Accounting 2012: Experimental Ecosystem Accounting. New York: United Nations.

http://unstats.un.org/unsd/envaccounting/seeaRev/eea_final_en.pdf

Verenigde Naties. UNECE et al. (2014). Conference of European Statisticians Recommendations on Measuring Sustainable Development. New York/Genève: United Nations.

https://www.unece.org/fileadmin/DAM/stats/publications/2013/CES_SD_web.pdf

Verenigde Naties. United Nations Development Programme (UNDP) (2015). Human Development Report 2015. Work for Human Development. New York: UNDP.

http://hdr.undp.org/sites/default/files/2015_human_development_report_1.pdf

Verenigde Naties (2016). Third meeting of the IAEG-SDGs. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://unstats.un.org/sdgs/meetings/iaeg-sdgs-meeting-03/

Verenigde Naties. Economic and Social Council (februari 2016). Report of the Inter-Agency and Expert Group on Sustainable Development Goal Indicators (E/CN.3/2016/2/Rev.1). Note by the Secretary-General.

http://unstats.un.org/unsd/statcom/47th-session/documents/2016-2-IAEG-SDGs-Rev1-E.pdf

Verordening (EU) nr. 691/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2011 inzake Europese milieu-economische rekeningen (PbEU 2011, L192).

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32011R0691&from=NL

Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PbEU 2013, L 174).

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32013R0549&from=NL

Verordening (EU) nr. 538/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 691/2011 inzake Europese milieu-economische rekeningen (PbEU 2014, L158).

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/nl/TXT/PDF/?uri=CELEX:32014R0538&from=NL

W3-Wohlstandsindicatoren. Geraadpleegd op 15 maart 2016.

http://www.w3-wohlstandsindikatoren.de/index_w3-wohlstandsindikatoren.html

Wereldbank (5 juni 2013). A More Accurate Pulse on Sustainability. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://www.worldbank.org/en/news/feature/2013/06/05/accurate-pulse-sustainability

Wikiprogress. Welcome to Wikiprogress. Geraadpleegd op 11 maart 2016.

http://wikiprogress.org

Wilting, H.C. et al. (2015). Trends in Nederlandse voetafdrukken 1995–2010 (PBL-publicatienummer: 0707). Den Haag, Planbureau voor de Leefomgeving.

http://www.pbl.nl/sites/default/files/cms/publicaties/PBL-2015-Trends_in_Nederlandse_voetafdrukken_00707.pdf

Wind, J. de et al. (maart 2015). Onzekerheid rondom CPB-ramingen, in kaart gebracht met fan charts (CPB Achtergronddocument). Den Haag, Centraal Planbureau.

http://www.cpb.nl/publicatie/onzekerheid-rondom-cpb-ramingen-in-kaart-gebracht-met-fan-charts

World Database of Happiness. Geraadpleegd op 11 maart 2016.

http://worlddatabaseofhappiness.eur.nl

World Economics (augustus 2015). Measuring GDP in Africa. Geraadpleegd op 7 maart 2016.

http://www.worldeconomics.com/Papers/Measuring%20GDP%20in%20Africa_2c4addf3-b795-44f2-8d30-23b9e22f284e.paper

WRR (november 2013). Naar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen van Nederland. Amsterdam: Amsterdam University Press.

http://www.wrr.nl/fileadmin/nl/publicaties/PDF-Rapporten/2013-11-01__WRR_Naar_een_lerende_economie.pdf

WRR (2014) Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid. Amsterdam: Amsterdam University Press.

http://www.wrr.nl/fileadmin/nl/publicaties/PDF-verkenningen/V28_Hoe_ongelijk_is_NL_volledig.pdf

WWF (2014). Living Planet Report 2014: species and spaces, people and places. Switzerland: WWF.

http://wwf.panda.org/about_our_earth/all_publications/living_planet_report/


X Noot
1

WRR (november 2013); CPB (september 2009).

X Noot
2

Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Centraal Planbureau (CPB), Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).

X Noot
3

Kamerstuk II 2013/14, 27 406, nr. 213.

X Noot
4

Kamerstuk II 2014/15, 32 224, nr. 11.

X Noot
5

Handelingen II 2014/15, nr. 54, item 26, p. 1.

X Noot
6

De werkgroep bestond uit de leden Harbers (VVD), Nijboer (PvdA), Heerma (CDA), Hachchi (D66), Schouten (ChristenUnie) en Grashoff (GroenLinks; tot half mei 2015 maakte het lid Van Ojik voor GroenLinks deel uit van de werkgroep).

X Noot
7

Kamerstuk II 2015/16, 34 298, nr. 1.

X Noot
8

De heer Koolmees heeft mevrouw Hachchi vanaf januari 2016 vervangen als lid van de commissie.

X Noot
9

Vanwege het zwangerschapsverlof van de griffier van de commissie heeft de heer Israel de werkzaamheden van de griffier vanaf 14 maart 2016 waargenomen.

X Noot
10

Kamerstuk II 2015/16, 34 298, nr. 1.

X Noot
11

Presidium Tweede Kamer (18 februari 2016). Besluitenlijst 18 februari 2016. Geraadpleegd op 4 maart 2016.

http://www.tweedekamer.nl/kamerleden/presidium/besluiten

X Noot
12

Heertje (december 2006), pp. 27, 35–37, 46, 55, 65–66; PBL (30 september 2015).

X Noot
13

UNECE. Sustainable development – concept and action. Geraadpleegd op 3 maart 2016.

http://www.unece.org/oes/nutshell/2004-2005/focus_sustainable_development.html

X Noot
14

CBS (november 2014), p. 13.

X Noot
15

In Nederland werd bijvoorbeeld in de duurzaamheidsverkenningen van 2004 en 2007 het onderscheid tussen «hier en nu», «elders» en «later» als uitgangspunt genomen (MNP (2004); MNP (juni 2007); MNP (november 2007)).

X Noot
16

Stiglitz et al. (2009), p. 77.

X Noot
17

CPB, PBL en SCP.

X Noot
18

De commissie-Stiglitz maakt ook gebruik van de veel abstractere capabilities-benadering van Amartya Sen. Sen sprak van capabilities (mogelijkheden) en functionings (de keuzes die mensen maken op basis van de mogelijkheden die ze hebben). Kwaliteit van leven bestaat dan uit de mogelijkheden die mensen hebben om hun eigen leven vorm te geven.

X Noot
19

Stiglitz et al. (2009), p. 70.

X Noot
20

SCP (11 september 2015).

X Noot
21

SCP (11 september 2015), pp. 1–3.

X Noot
22

SCP (december 2014) II, p. 34.

X Noot
23

PBL (30 september 2015).

X Noot
24

PbEU 2013, L174. Hoofdstuk 1: Algemene kenmerken en grondbeginselen, 1.133, p. 54.

X Noot
25

CBS (juli 2015), p. 111.

X Noot
26

Een dergelijke methode wordt ook gebruikt bij het bepalen van de waarde van wonen. Betalingen van huur voor een huurwoning worden meegeteld in het bbp. Bij een koopwoning wordt geen huur betaald, maar de bewoners genieten een vergelijkbare «woondienst» als mensen met een huurhuis. Voor de bepaling van de waarde van de «woondienst» van bewoners van een eigen koophuis wordt daarom gekeken naar prijzen van vergelijkbare «woondiensten» (huurprijzen). Deze methode wordt geïmputeerde huurwaarde genoemd. Op deze wijze wordt vergelijking van het bbp ook beter mogelijk tussen landen met een verschillende verhouding tussen huurhuizen en koophuizen op de woningmarkt (zie ook PbEU 2013, L174. Hoofdstuk 1: Algemene kenmerken en grondbeginselen, 1.95, p. 49).

X Noot
27

PbEU 2013, L 174. Hoofdstuk 1: Algemene kenmerken en grondbeginselen, 1.94–1.100, pp. 49–50.

X Noot
28

Verenigde Naties et al. (2009); Hoofdstuk 4 gaat nader in op wat het systeem van nationale rekeningen naast het bbp nog meer bevat.

X Noot
29

World Economics (augustus 2015). Measuring GDP in Africa. Geraadpleegd op 7 maart 2016.

http://www.worldeconomics.com/Papers/Measuring%20GDP%20in%20Africa_2c4addf3-b795-44f2-8d30-23b9e22f284e.paper;

Verenigde Naties et al. (2009), voorwoord.

X Noot
30

De volumeverandering van het bbp in een bepaalde tijdsperiode is de maatstaf voor de groei of krimp van de economie (CBS (juli 2015), p. 111).

X Noot
31

CBS, (11 september 2015).

X Noot
32

CBS, (11 september 2015).

X Noot
33

SER (mei 2010), pp. 33–46.

X Noot
34

CPB (september 2009), pp. 1, 4.

X Noot
35

Kassenboehmer & Schmidt (januari 2011).

X Noot
36

Coyle (2014), pp. 1–24.

X Noot
37

Coyle (2014), p. 125.

X Noot
38

CBS (11 september 2015).

X Noot
39

Stiglitz (2009), pp. 21–22.

X Noot
40

WRR (2013), p. 349.

X Noot
41

CBS (juli 2015), p. 2.

X Noot
42

WRR (2013), p. 349.

X Noot
43

CBS (11 september 2015); Coyle (2014), p. 124.

X Noot
44

WRR (2013), p. 349.

X Noot
45

CBS (11 september 2015), p. 2.

X Noot
46

CBS (11 september 2015), p. 2.

X Noot
47

CPB (september 2009), p. 6.

X Noot
48

Coyle (februari 2014). De originele Engelse tekst luidt: «The welfare of a nation can scarcely be inferred from a measurement of national income».

X Noot
49

Verenigde Naties et al. (2009), p. 12.

X Noot
50

«Niet-economisch» staat tussen aanhalingstekens, omdat deze factoren weliswaar tot het economisch domein behoren voor zover zij afhankelijk zijn van omgang met schaarse middelen, maar «niet-economisch» zijn in de zin dat deze factoren weliswaar onder invloed staan van het economisch beleid, gedefinieerd als de bewuste sturing in de omgang met schaarse middelen, maar dat die invloed lang niet altijd helder en expliciet is (CPB (mei 2010), p. 9).

X Noot
51

Stiglitz et al. (2009), p. 12; Canadian Index of Wellbeing (CIW) (oktober 2012), p. 1

X Noot
52

Stiglitz et al. (2009), pp. 13–15; Europese Commissie (augustus 2013), p. 5.

X Noot
53

Milieuschades kunnen de welvaart «hier en nu» beïnvloeden (denk aan luchtverontreiniging), maar kunnen daarnaast ook betrekking hebben op «later» en op «elders».

X Noot
54

CPB (september 2009), p. 1; Stiglitz et al. (2009), pp. 16–18; Bergh, van den (18 november 2005), p. 3.

X Noot
55

CPB (september 2009), p. 5.

X Noot
56

PBL (30 september 2015), p. 10.

X Noot
57

WRR (2013), p. 349

X Noot
58

Coyle (2014), p. 38.

X Noot
59

Rensman (september 2014).

X Noot
60

Het CPB geeft aan dat het voor de berekening van het bbp niet uitmaakt of een bedrag is uitgegeven aan consumptie of aan investeringen. «Een vakantiereis van 2000 euro telt in de berekening van de welvaart even zwaar mee als een uitgave van 2000 euro die aan de verbetering van de zeedijken wordt besteed (…). De lange termijn bijdrage aan de maatschappelijke welvaart van deze uitgaven zal echter zeer verschillend zijn.» (CPB (september 2009), p. 6).

X Noot
61

Het systeem van nationale rekeningen heeft overigens een kapitaalrekening waarmee de kapitaalgoederenvoorraad wordt bijgehouden. Dit is echter slechts voor economisch en financieel kapitaal (en grondstoffen-/natuurlijk kapitaal).

X Noot
62

Stiglitz et al. (2009), p. 13.

X Noot
63

CBS (11 september 2015), p. 2.

X Noot
64

PBL (30 september 2015).

X Noot
65

PBL (30 september 2015).

X Noot
66

CPB (september 2009), pp. 1, 8; CPB (2010), p. 4.

X Noot
67

International Institute for Sustainable Development. Compendium. A Global Directory to Indicator Initiatives. Geraadpleegd op 11 maart 2016.

www.iisd.org/measure/compendium/

De OESO onderhoudt een andere database die meer dan 400 initiatieven bevat. Zie Wikiprogress. Welcome to Wikiprogress. Geraadpleegd op 11 maart 2016.

http://wikiprogress.org

X Noot
68

Stiglitz et al. (2009), pp. 12–13.

X Noot
69

CBS (juni 2014).

X Noot
70

Stiglitz et al. (2009), p. 13.

X Noot
71

CBS (juli 2015), pp. 137–144.

X Noot
72

Tot 2012 bevatte het jaarverslag een staatsbalans, die uitsluitend betrekking had op de rijksoverheid.

X Noot
73

Kamerstuk II 2014/15, 34 200, nr. 1 (bijlage).

X Noot
74

Het CBS had en heeft een prominente rol in de internationale discussie rond milieurekeningen. Samen met andere landen, zoals Zweden en Australië, loopt Nederland op dit punt voorop.

X Noot
75

PbEU 2011, L192; PbEU 2014, L158.

X Noot
76

Verenigde Naties. UNECE et al. (2014).

X Noot
77

Verenigde Naties et al. (2009).

X Noot
78

Het gaat om de projecten e-Frame, NETGREEN, BRAINPOOL, WIOD, EXIOPOL en CREEEA.

X Noot
79

Europese Commissie (augustus 2009).

X Noot
80

Europese Commissie (augustus 2013).

X Noot
81

Europese Commissie (2014). Moving beyond GDP in European economic governance [Events]. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://ec.europa.eu/social/main.jsp?langId=en&catId=88&eventsId=1006

X Noot
82

De UNECE (United Nations Economic Commission for Europe) is de regionale commissie voor Europa van de Verenigde Naties.

X Noot
83

Canada, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Zwitserland, Australië, Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.

X Noot
84

In de Conference of European Statistics (CES) komen internationale en nationale statistische experts uit meer dan zestig landen samen. Zij ontwikkelen onder meer richtlijnen, aanbevelingen en standaarden. De CES is verbonden aan UNECE, een van de regionale commissies van de VN (zie UNECE. About the Conference of European Statisticians (CES). Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://www.unece.org/stats/aboutces.html).

X Noot
85

Federaal Planbureau & Instituut voor de Nationale Rekeningen (februari 2016).

X Noot
86

De thema's zijn: subjectief welzijn, consumptie en inkomen, voeding, gezondheid, huisvesting, onderwijs, vrije tijd, fysieke veiligheid, vertrouwen, instituties, energiebronnen, minerale reserves, land en ecosystemen, water, luchtkwaliteit, klimaat, werk, fysiek kapitaal, kenniskapitaal en financieel kapitaal. Er wordt ook nog een «thematisch dashboard» voorgesteld van 90 indicatoren en een kleine set van 24 indicatoren.

X Noot
87

Verenigde Naties. UNECE et al. (2014), p. xxii.

X Noot
88

Kamerstuk II 2014/15, 32 605, nr. 168. Zie ook Verenigde Naties (2016). Third meeting of the IAEG-SDGs. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://unstats.un.org/sdgs/meetings/iaeg-sdgs-meeting-03/

X Noot
89

Verenigde Naties. Economic and Social Council (februari 2016).

X Noot
90

Europese Commissie (februari 2005), p. 3.

X Noot
91

Eurostat. Headline indicators. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://ec.europa.eu/eurostat/web/sdi/indicators

X Noot
92

Zie Eurostat. Headline indicators: Scoreboard. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://ec.europa.eu/eurostat/web/europe-2020-indicators/europe-2020-strategy/headline-indicators-scoreboard;

Voor één van de kerninitiatieven binnen de EU-2020 strategie, efficiënte omgang met grondstoffen, is daarnaast een afzonderlijk scoreboard met ca. 30 indicatoren ontwikkeld. (Europese Commissie (november 2015). Resource Efficiency Scoreboard. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://ec.europa.eu/environment/resource_efficiency/targets_indicators/scoreboard/index_en.htm).

X Noot
93

De publicatie verschijnt onder de naam Smarter, greener, more inclusive? Zie bijvoorbeeld Eurostat (2015) I.

X Noot
94

Zie Europese Commissie. Making it happen: the European Semester. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://ec.europa.eu/europe2020/making-it-happen/index_en.htm

X Noot
95

OESO (mei 2011).

X Noot
96

CBS (november 2014), p. 105.

X Noot
97

Kamerstuk II 2012/13, 33 043, nr. 14.

X Noot
98

CBS (november 2014), pp. 80–81.

X Noot
99

CBS (december 2015).

X Noot
100

Een verwante indicator is de Index of Sustainable Economic Welfare (ISEW).

X Noot
101

Hueting et al. (juni 2013), Appendix, p. 2.

X Noot
102

Ceroni (23 september 2014).

X Noot
103

Zie Wereldbank (5 juni 2013). A More Accurate Pulse on Sustainability. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://www.worldbank.org/en/news/feature/2013/06/05/accurate-pulse-sustainability;

De door vervuilingen veroorzaakte schade wordt berekend op basis van emissies van o.a. CO2.

X Noot
104

Boer et al. (juni 2013), p. 3.

X Noot
105

Verenigde Naties. United Nations Development Programma (UNDP). Human Development Index (HDI). Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://hdr.undp.org/en/content/human-development-index-hdi

X Noot
106

SER (mei 2010), p. 37.

X Noot
107

Verenigde Naties. United Nations Development Programme (UNDP) (2015).

X Noot
108

Een interessant initiatief dat aan het wegingsprobleem tegemoet komt is te vinden op de website van de Better Life Index van de OESO. Op die website krijgt de bezoeker zelf de mogelijkheid een gewicht (belang) toe te kennen aan verschillende aspecten van brede welvaart. De site berekent vervolgens een gemiddelde index op basis van de toegekende gewichten (zie OESO. Create your better life index. Geraadpleegd op 14 maart 2016. http://www.oecdbetterlifeindex.org/).

X Noot
109

OESO. Create your better life index. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://www.oecdbetterlifeindex.org/

X Noot
110

Deutscher Bundestag (mei 2013, Engelse samenvatting), p. 3.

X Noot
111

Deutscher Bundestag (mei 2013).

X Noot
112

W3-Wohlstandsindicatoren. Geraadpleegd op 15 maart 2016.

http://www.w3-wohlstandsindikatoren.de/index_w3-wohlstandsindikatoren.html

X Noot
113

Bundesregierung. Gut leben in Deutschland. Was uns wichtig ist. Geraadpleegd op 15 maart 2016.

https://www.gut-leben-in-deutschland.de/DE/Home/home_node

X Noot
114

De Duitse naam luidt: «Sachverständigenrat zur Begutachtung der gesamtwirtschaftlichen Entwicklung».

X Noot
115

De Franse naam luidt: «Conseil d’Analyse Economique».

X Noot
116

German Council of Economic Experts & Conseil d’Analyse Economique (december 2010 Engelse versie).

X Noot
117

Assemblée nationale (21 januari 2015).

X Noot
118

Gouvernement République Française (november 2015).

X Noot
119

Het betreft indicatoren voor werkgelegenheid, onderzoek, schuld, levensverwachting, voldoening in het leven, inkomensongelijkheid, armoede en leefomstandigheden, vroegtijdig schoolverlaten, koolstofvoetafdruk en landgebruik.

X Noot
120

Assemblée nationale (27 november 2015). Commission des finances, commission des affaires culturelles, commission des affaires économiques et commission du développement durable: M. Michel Sapin, ministre, sur les nouveaux indicateurs de richesse. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://videos.assemblee-nationale.fr/video.3409919_5656dca0d63bb.commission-des-finances-commission-des-affaires-culturelles-commission-des-affaires-economiques-et-26-novembre-2015

X Noot
121

Cameron (25 november 2010). PM speech on wellbeing. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

https://www.gov.uk/government/speeches/pm-speech-on-wellbeing

X Noot
122

Office for National Statistics (ONS) (september 2015). Measures of National Well-being. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://www.neighbourhood.statistics.gov.uk/HTMLDocs/dvc146/wrapper.html

X Noot
123

SCP (11 september 2015).

X Noot
124

World Database of Happiness. Geraadpleegd op 11 maart 2016.

http://worlddatabaseofhappiness.eur.nl

X Noot
125

Veenhoven (mei 2012), p. 39.

X Noot
126

Zie ook Coyle (2014), pp. 136–137.

X Noot
127

CPB (mei 2010).

X Noot
128

Deze publicatie was destijds bekend onder de naam «Sociale en Culturele Verkenningen» (SCP (11 september 2015), p. 6).

X Noot
129

SCP (30 januari 2009). Sociaal en Cultureel Rapport. Geraadpleegd op 17 maart 2016.

http://www.scp.nl/nl/Publicaties/Terugkerende_monitors_en_reeksen/Sociaal_en_Cultureel_Rapport

X Noot
130

SCP (december 2013); Kamerstuk II 2013/14, 24 515, nr. 279.

X Noot
131

SCP (december 2015), p. 7.

X Noot
132

SCP (december 2015), p. 354.

X Noot
133

SCP (december 2015), p. 329.

X Noot
134

De cijfers zijn vooral afkomstig uit het enquêteonderzoek Sociale samenhang en welzijn. Daarnaast is gebruikgemaakt van gegevens uit de Europese statistieken over inkomen en leefsituatie (SILC), het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS) en de Gezondheidsenquête (GE) (CBS (november 2015), pp. 19–21).

X Noot
135

CBS (november 2015), pp. 7–9.

X Noot
136

CBS (september 2015).

X Noot
137

Zie SCP (24 februari 2011). Continu Onderzoek Burgerperspectieven. Geraadpleegd op 17 maart 2016.

http://www.scp.nl/nl/Publicaties/Terugkerende_monitors_en_reeksen/Continu_Onderzoek_Burgerperspectieven

X Noot
138

De Balans van de Leefomgeving is de opvolger van de Milieubalans, de Natuurbalans en de Monitor Nota Ruimte. Cijfers van het PBL zijn overigens ook online te vinden op de website van het Compendium voor de Leefomgeving (PBL et al. Compendium voor de leefomgeving. Geraadpleegd op 15 maart 2016.

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/)

X Noot
139

Technische briefing vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu, TK activiteitennummer 2014A03810 (5 november 2014).

X Noot
140

Kamerstuk II 2014/15, 33 576, nr. 20.

X Noot
141

SCP (november 2013), p. 28.

X Noot
142

SCP (november 2013), p. 9.

X Noot
143

SCP (november 2013), pp. 11, 27.

X Noot
144

Paragraaf 6.2 gaat uitgebreider in op koopkrachtplaatjes.

X Noot
145

SER. Meerjarenperspectief: Drie centrale doelstellingen. Geraadpleegd op 22 maart 2016.

https://www.ser.nl/nl/raad/ser_kort/drie_doelstellingen.aspx.

X Noot
146

WRR (2014).

X Noot
147

Zie bijvoorbeeld Caminada et al. (2014).

X Noot
148

SCP (december 2014) I.

X Noot
149

WRR (2014), pp. 15–16.

X Noot
150

CBS (17 november 2015). Inkomensongelijkheid; particuliere huishoudens naar diverse kenmerken. Geraadpleegd op 22 maart 2016.

http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?PA=71511ned;

CBS (2 december 2015). Vermogensklassen; particuliere huishoudens naar diverse kenmerken. Geraadpleegd op 25 maart 2016.

http://statline.cbs.nl/Statweb/selection/?DM=SLNL&PA=80055NED&VW=T

X Noot
151

In de statistische database van de Better Life Index staan overigens 24 indicatoren.

X Noot
152

OESO (oktober 2015), p. 3.

X Noot
153

OESO. Create your better life index. Geraadpleegd op 14 maart 2016.

http://www.oecdbetterlifeindex.org/

X Noot
154

Netto beschikbaar inkomen huishouden, arbeidsparticipatie, percentage langdurige werkloosheid, lonen, kwaliteit van ondersteunende netwerken, vaardigheden van studenten, verkiezingsopkomst, zelfgerapporteerde gezondheid, tevredenheid met het leven (vertaling commissie Breed welvaartsbegrip).

X Noot
155

Zie OESO. OECD Regional Well-Being. Geraadpleegd op 15 maart 2016.

http://www.oecdregionalwellbeing.org/

X Noot
156

Vertaling van de thema's uit het Engels door de commissie Breed welvaartsbegrip.

X Noot
157

Eurostat. Quality of Life. Geraadpleegd op 15 maart 2016.

http://ec.europa.eu/eurostat/cache/infographs/qol/index_en.html

X Noot
158

Eurostat (juni 2015).

X Noot
159

CBS (november 2014), p. 13.

X Noot
160

De dashboards voor «later» en «elders» komen aan de orde in hoofdstuk 6.

X Noot
161

CBS (november 2014), pp. 19–21.

X Noot
162

Zie ook PBL (30 september 2015), p. 14; SER (mei 2010), p. 43.

X Noot
163

Kamerstuk II 2008/09, 30 196, nr. 56, Kamerstuk II 2008/09, 30 196, nr. 144, Kamerstuk II 2014/15, 31 239, nr. 186 en Kamerstuk II 2014/15, 33 043, nr. 42.

X Noot
164

Kamerstuk II 2014/15, 33 043, nr. 42 (bijlage).

X Noot
165

De sociale staat van Nederland 2015 bevatte hoofdstukken over bevolking en economie, publieke opinie, onderwijs, inkomen en sociale zekerheid, betaald werk en zorgtaken, gezondheid en zorg, maatschappelijke en politieke participatie en betrokkenheid, vrijetijdsbesteding en sociale veiligheid, wonen, woonlasten en betaalbaarheid en kwaliteit van leven.

X Noot
166

Deze publicatie onderscheidt de volgende dimensies: materiële levensstandaard, economische zekerheid, opleiding en beroep, gezondheid, maatschappelijke participatie en vertrouwen, sociale verbanden en relaties, veiligheid en milieu, en leefomgeving.

X Noot
167

CPB. Ramingen en scenario’s. Geraadpleegd op 4 maart 2016.

http://www.cpb.nl/onderwerp/ramingen-en-scenarios

X Noot
168

CPB (25 september 2015).

X Noot
169

Europese Commissie (februari 2016). Economic forecasts. Geraadpleegd op 4 maart 2016.

http://ec.europa.eu/economy_finance/eu/forecasts/index_en.htm

X Noot
170

CPB. Ramingen en scenario’s. Geraadpleegd op 4 maart 2016.

http://www.cpb.nl/onderwerp/ramingen-en-scenarios

X Noot
171

CPB (2010), p. 7.

X Noot
172

SCP (januari 2012).

X Noot
173

CPB (juni 2012).

X Noot
174

Wind, de et al. (maart 2015).

X Noot
175

Smid et al. (3 juli 2014), p. 33.

X Noot
176

Kamerstuk II 2015/16, 29 352, nr. 6 (bijlage).

X Noot
177

CPB (26 januari 2006). CPB-modellen in 60 jaar sterk geëvolueerd. [Persbericht] Geraadpleegd op 4 maart 2016.

http://www.cpb.nl/persbericht/329107/cpb-modellen-60-jaar-sterk-ge%C3%ABvolueerd

X Noot
178

CPB (september 2009), p. 2.

X Noot
179

Er bestaan ook koopkrachtplaatjes (zogenoemde «dynamische koopkrachtplaatjes») waarbij daarmee wel rekening wordt gehouden. Voor reguliere CPB-ramingen vindt het CPB het echter beter om zogenoemde «statische koopkrachtplaatjes» te gebruiken (zie CPB Policy Brief 2014/11, december 2014).

X Noot
180

Kamerstuk II 2005/06, 30 300-XV, nr. 37 (bijlage).

X Noot
181

Kamerstuk II 2005/06, 30 300-XV, nr. 37 (bijlage).

X Noot
182

SCP (23 februari 2011). Profijt van de overheid. Geraadpleegd op 17 maart 2016.

http://www.scp.nl/nl/Publicaties/Terugkerende_monitors_en_reeksen/Profijt_van_de_overheid

X Noot
183

Stiglitz et al. (2009), p. 13.

X Noot
184

CPB & PBL (augustus 2012), p. 18.

X Noot
185

CPB (25 september 2015).

X Noot
186

CPB (11 juli 2006). Kansrijk kennisbeleid. [Persbericht] Geraadpleegd op 8 maart 2016.

http://www.cpb.nl/persbericht/329095/kansrijk-kennisbeleid

X Noot
187

Renes & Romijn (23 oktober 2014), pp. 6–11.

X Noot
188

CPB (25 september 2015), paragraaf 4; Renes & Romijn (23 oktober 2014), pp. 6–11.

X Noot
189

Renes & Romijn (23 oktober 2014), pp. 6–11.

X Noot
190

Romijn & Renes (2013).

X Noot
191

CPB (25 september 2015), paragraaf 4.

X Noot
192

PBL (30 september 2015).

X Noot
193

PBL (1 december 2015). Nederland verandert, toekomstscenario’s voor beleid. [Nieuwsbericht] Geraadpleegd op 8 maart 2016.

http://www.pbl.nl/nieuws/nieuwsberichten/2015/nederland-verandert-toekomstscenarios-voor-beleid

X Noot
194

PBL & CPB (december 2015), p. 20.

X Noot
195

Delsen (2013), p. 75.

X Noot
196

CBS (november 2014), p. 21.

X Noot
197

OESO (oktober 2015).

X Noot
198

CBS (november 2014), p. 31.

X Noot
199

CBS (november 2014), p. 32.

X Noot
200

CBS (november 2014), p. 143.

X Noot
201

CBS (november 2014), p. 147.

X Noot
202

Rensman (2013), p. 8.

X Noot
203

De OESO heeft de omvang van het menselijk kapitaal berekend voor vijftien landen. De jaren waarop de berekeningen betrekking hebben zijn niet consistent voor alle landen, omdat de onderliggende data niet voor alle jaren in alle landen beschikbaar waren. (Liu (2011), p. 24.).

X Noot
204

Overigens zijn er bij de vergelijking nog wel problemen door definitieverschillen, waarderingsverschillen, etc.

X Noot
205

Verenigde Naties et al. (2014).

X Noot
206

CBS (2014), pp. 92–104.

X Noot
207

Butter den & Dietz (14 mei 2004).

X Noot
208

Hofkes & Verbruggen (2012), pp. 247–245.

X Noot
209

PBL (2014), hoofdstuk 8: Natuurlijk kapitaal, pp. 82–89.

X Noot
210

CBS (november 2014), p. 141.

X Noot
211

Zie bijvoorbeeld CBS (11 februari 2016). CBS: CO2-uitstoot neem licht toe in vierde kwartaal [Persbericht]. Geraadpleegd op 10 maart 2016.

http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/natuur-milieu/publicaties/milieurekeningen/artikelen/archief/2016/4956-co2-uitstoot-2015-iv.htm

X Noot
212

Stiglitz et al. (2009), p. 82.

X Noot
213

CBS (november 2014).

X Noot
214

Ook in de Monitor Duurzaam Nederland zijn in het dashboard «Nederland in de wereld» zowel economische en ecologische als sociale indicatoren opgenomen (CBS (november 2014), p. 37).

X Noot
215

Zie ook SER (mei 2010), p. 35.

X Noot
216

Wilting et al. (2015), p. 9.

X Noot
217

Wilting et al. (2015), p. 9.

X Noot
218

OESO. Carbon Dioxide Emissions embodied in International Trade. Geraadpleegd op 10 maart 2016.

http://stats.oecd.org/Index.aspx?DataSetCode=IO_GHG_2015

X Noot
219

OESO (2014), pp. 139–140.

X Noot
220

De nu gebruikte indicator is Domestic Material Consumption (DMC). In de toekomst zal deze indicator worden vervangen door de indicator «Raw Material Consumption» (RMC, zie bijvoorbeeld Europese Commissie (2015), p. 11). DMC houdt in tegenstelling tot RMC alleen rekening met de directe in- en uitvoer van grondstoffen. Als bijvoorbeeld staal wordt geïmporteerd, wordt alleen het staal zelf geteld, en niet de ertsen die nodig zijn geweest om het staal te produceren. Overigens worden alle soorten materialen op basis van gewicht bij elkaar opgeteld, zonder rekening te houden met verschillen in milieubelasting (Wilting et al. (2015), pp. 37–39).

X Noot
221

Wilting et al. (2015), p. 54.

X Noot
222

CPB (mei 2010), pp. 10–11; zie ook Verenigde Naties. UNECE et al. (2014), p. 57.

X Noot
224

CBS (november 2014), p. 32.

X Noot
225

Stiglitz et al. (2009), p. 71.

X Noot
226

Stiglitz et al. (2009), p. 71; zie ook CBS (november 2014), p. 39.

X Noot
227

Verenigde Naties. UNECE et al. (2014), pp. 54–55.

X Noot
228

Het gaat om de WIOD database van prof. dr. M.P. Timmer en de EXIOBASE database van prof. dr. A. Tukker.

X Noot
229

Voor koolstofvoetafdrukken is recentelijk een methode ontwikkeld om een voetafdruk te berekenen die consistent is met de nationale rekeningen (Edens et al. (juni 2015), pp. 440–457).

X Noot
230

OESO. Measuring Trade in Value Added: An OECD-WTO joint initiative.

Geraadpleegd op 29 maart 2016.

http://www.oecd.org/sti/ind/measuringtradeinvalue-addedanoecd-wtojointinitiative.htm

X Noot
231

Global Footprint Network. At A Glance. Geraadpleegd op 10 maart 2016.

http://www.footprintnetwork.org/en/index.php/GFN/page/at_a_glance/

X Noot
232

WWF (2014).

X Noot
233

Hofkes & Verbruggen (2012), pp. 247–245.

X Noot
234

Wilting et al. (2015), p. 44.

X Noot
235

Stiglitz et al. (2009), p. 79; Wilting et al. (2015), p. 45.

X Noot
236

Wilting et al. (2015), p. 27.

X Noot
237

Wilting et al. (2015), p. 29.

X Noot
238

Wilting et al. (2015), p. 35.

X Noot
239

PBL et al. Biodiversiteitsverlies in Nederland, Europa en de wereld, 1700–2010. Geraadpleegd op 12 februari 2016.

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl1440-Ontwikkeling-biodiversiteit-(MSA).html?i=2-76

X Noot
240

PBL et al. Biodiversiteitsverlies in Nederland, Europa en de wereld, 1700–2010. Geraadpleegd op 12 februari 2016.

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl1440-Ontwikkeling-biodiversiteit-(MSA).html?i=2-76

X Noot
241

Aan de watervoetafdruk is met name de naam van prof. dr. ir. A.Y. Hoekstra verbonden.

X Noot
242

Wilting et al. (2015), p. 41.

X Noot
243

Wilting et al. (2015), p. 42.

X Noot
244

PBL (30 september 2015).

X Noot
245

CBS (november 2014), p. 38.