Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-201634059 nr. F

34 059 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht

34 138 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie

34 212 Aanpassing van wetten in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht)

F1 NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 26 april 2016

1. Inleiding

Graag dank ik de leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie voor hun opmerkingen en vragen over drie wetsvoorstellen in het kader van het programma Kwaliteit en Innovatie rechtspraak (KEI), mede in aanvulling op de memorie van antwoord van 19 oktober 2015 (Kamerstukken I 2015/16, 34 059 en 34 138, D). Deze drie wetsvoorstellen beogen digitaal procederen in het civiele recht en het bestuursrecht mogelijk te maken en het procesrecht in civiele zaken te vereenvoudigen. Binnen het programma KEI is nog een vierde wetsvoorstel in uw Kamer aanhangig. Dat is de Invoeringsrijkswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht en uitbreiding prejudiciële vragen (Kamerstukken I 2015/16, 34 237 (R2054), A). Dit wetsvoorstel past – in vervolg op de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht – enkele rijkswetten in wetstechnische zin aan het nieuwe procesrecht aan. Daarnaast zijn drie algemene maatregelen van bestuur opgesteld en gereed voor inwerkingtreding. Het betreft een besluit dat de juridische aspecten van digitalisering nader regelt (het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht), en twee technische besluiten (een invoeringsbesluit en een invoeringsrijksbesluit). Daarmee ligt het totale pakket gereed.

Overeenkomstig de toezegging die is gedaan door mijn ambtsvoorganger, informeer ik u halfjaarlijks over de voortgang van het programma KEI van mijn ministerie (KEI VenJ) en het programma van de Rechtspraak (KEI Rechtspraak). De laatste voortgangsrapportage heb ik u bij brief van 16 oktober 2015 toegezonden (Kamerstukken I 2015/16, 34 059, C). De vierde voortgangsrapportage zult u binnenkort ontvangen. Bij brief van 23 november 2015 heb ik de Tweede Kamer nader geïnformeerd over de voortgang van het programma KEI Rechtspraak en over een mogelijke bijstelling in het deelprogramma Civiel (Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 288). In vervolg hierop heb ik de Tweede Kamer bij brief van 18 februari jl. nader geïnformeerd over de partiële bijsturing in het deelprogramma Civiel alsmede over een wijziging van de implementatie van de digitalisering van de civiele procedure (Kamerstuk II, 2015/16, 29 279, nr. 299).

De vragen die naar aanleiding van de memorie van antwoord en de hiervoor genoemde brieven zijn gerezen en andere aanvullende vragen over de wetsvoorstellen, beantwoord ik graag in de volgorde waarin ze zijn gesteld.

2. Voortgang

De leden van de D66-fractie merken op dat in de brieven van 23 november 2015 en 18 februari jl. is aangegeven dat KEI Rechtspraak naar aanleiding van een recente evaluatie het programma heeft bijgesteld voor proceshandelingen zoals vrijwaring, voeging, tussenkomst en deskundigenberichten. Bij deze handelingen zal tijdelijk worden gewerkt met een digitaal formulier dat via Mijn Rechtspraak kan worden verzonden. De genoemde leden willen graag weten wat precies bedoeld wordt met «tijdelijk». Zij zijn ook benieuwd of deze «uitzonderingen» tot onduidelijkheid bij gebruikers zullen leiden.

De Rechtspraak heeft mij verzekerd dat voor alle proceshandelingen een adequate digitale voorziening wordt geboden, zodat partijen hun procedure volledig digitaal kunnen voeren. Voor proceshandelingen die betrekkelijk weinig voorkomen, zoals voeging, tussenkomst en deskundigenberichten, is gekozen voor een eenvoudige digitale oplossing via een apart veld. Daardoor kunnen ook deze proceshandelingen digitaal in het portaal Mijn Rechtspraak worden verricht. De verwerking van deze proceshandelingen door de medewerkers van de rechtspraak (in Mijn Werkomgeving) is echter nog niet geautomatiseerd. Een medewerker van een gerecht zal hiervoor daarom handmatig nog enkele administratieve handelingen moeten verrichten. Gelet op het geringe aantal voorkomende proceshandelingen gaat het om een goed werkbare oplossing, waarvan procespartijen geen hinder zullen ondervinden. Zij kunnen immers wel langs elektronische weg de proceshandelingen verrichten en berichten aan de rechter indienen. Ook na de inwerkingtreding van de wetten gaat de ontwikkeling van de systemen door. Aan de hand van de ervaringen in de praktijk zal continu worden bezien in hoeverre voor de hiervoor genoemde proceshandelingen een verdere automatisering binnen de rechtspraak wenselijk is. Hiervoor zal steeds een kosten-baten analyse worden gemaakt. Wanneer proceshandelingen weinig blijven voorkomen en daarmee kostbaar zijn om volledig geautomatiseerd in het systeem in te bouwen, wordt gekozen voor een digitale, maar beperkt geautomatiseerde oplossing. De digitale voorziening voor de weinig voorkomende proceshandelingen is reeds op technische punten getest en functioneert naar behoren. Voor ingebruikname wordt deze voorziening ook nog uitvoerig getest op gebruikersgemak door rechters, advocaten en deurwaarders. De ervaringen in de praktijk, te beginnen met de aanvullende tests en pilots, zullen indien nodig tot aanpassing in de functionaliteit leiden. Uitsluitend in zoverre is er sprake van een voorlopige gedigitaliseerde werkwijze (zie ook mijn brief van 18 februari 2016).

Evenals de Rechtspraak verwacht ik dat de hierboven beschreven digitale voorziening voor de weinig voorkomende proceshandelingen voor de gebruikers goed bruikbaar is, omdat deze past bij de rest van de functionaliteit van het systeem (het portaal). De gebruiker wordt in het systeem langs de te nemen stappen geleid en kan steeds om een toelichting vragen.

De aan het woord zijnde leden vragen voorts om een update van de stand van zaken met betrekking tot de digitalisering van het strafrecht, het programma Verbetering prestaties strafrechtketen (VPS).

De digitalisering van het strafrecht staat los van deze wetsvoorstellen, maar uit het oogpunt van samenhang informeer ik u graag over de stand van zaken hiervan. De standaard strafzaken (de enkelvoudige strafzaken) worden door het Openbaar Ministerie digitaal aangeleverd aan de rechtspraak, op de zitting digitaal behandeld en daarna ook verder digitaal afgehandeld. De uitspraak wordt vooralsnog op papier gedaan, omdat de elektronische handtekening op dit moment nog niet beschikbaar is. Meer dan 2.000 rechters en secretarissen hebben inmiddels ervaring opgedaan met het werken met digitale strafdossiers. Via het advocatenloket zijn deze strafdossiers ook digitaal beschikbaar voor advocaten.

In de grote(re) strafzaken, waarbij veelal ook sprake is van een vooronderzoek door de rechter-commissaris en gedetineerde verdachten, bereiden de betrokken ketenpartners een proef voor om bij drie rechtbanken in die zaken ook digitaal te procederen. Daartoe wordt momenteel gewerkt aan een koppeling tussen het registratiesysteem van het Openbaar Ministerie (GPS) en het dossiersysteem van de rechtspraak voor de strafsector tijdens het voorbereiden en het houden van zittingen (Divos). Als de proef succesvol verloopt, kan naar verwachting in de tweede helft van dit jaar worden begonnen met de verdere uitrol van deze categorie zaken over de andere rechtbanken. Ook de gerechtshoven zijn gestart met de behandeling van strafzaken via Divos en het realiseren van de benodigde koppelingen tussen de verschillende digitale systemen.

Naast de aanpassingen aan IT-systemen en werkprocessen werkt de Rechtspraak aan het aanpassen en bouwen van nieuwe zittingszalen, zodat rechters en procespartijen beschikken over de benodigde voorzieningen om digitaal te kunnen werken. Dit geldt niet alleen voor strafzaken, maar ook voor de behandeling van civiele en bestuursrechtelijke zaken. De stuurgroep digitale zittingszalen binnen de Rechtspraak spant zich samen met de gerechtsbesturen in om de beschikbaarheid van de digitale zittingszalen tegelijk op te leveren met de uitrol van de eerste release van het digitaal werken in de strafrechtketen, zodat een digitale behandeling op de zitting voor rechters en procespartijen mogelijk is.

In het kader van het programma VPS ontvangt uw Kamer ook twee keer per jaar een voortgangsrapportage. In de laatste voortgangsrapportage van 21 december 2015 (Kamerstukken II 2015/16, 29 279, 295) is onder meer opgenomen dat naar verwachting medio 2016 de landelijke implementatie van het uitwisselen van gedigitaliseerde processtukken in eenvoudige zaken start. Deze stand van zaken is nog steeds actueel. Medio 2016 ontvangt u de eerstvolgende voortgangsrapportage VPS.

De genoemde leden verzoeken ook om een inschatting van de startdatum van de volledige implementatie/uitrol van het digitale systeem van het KEI-programma op basis van de laatste inzichten. Zij vragen wat het uitstel financieel gezien betekent en of de kosten van het KEI-project nog steeds conform prognose zijn.

De inwerkingtreding van de wetten is afhankelijk van de onderhavige parlementaire behandeling. Zoals ik in de inleiding heb vermeld, is de regelgeving voor het overige gereed. Uitgaande van het scenario dat de eerste drie wetsvoorstellen voor 1 juli 2016 door uw Kamer worden aangenomen en per die datum in het Staatsblad worden gepubliceerd, volgt een implementatietermijn van zes maanden (conform de motie van het Tweede Kamerlid Oskam (Kamerstukken II 2015/15, 34 059, nr. 12). Vervolgens is de planning van KEI Rechtspraak als volgt:

Voor het bestuursrecht zal op 1 januari 2017 worden gestart met Bestuur 1.0: dat zijn de asiel- en bewaringszaken. Voor deze zaken wordt digitaal procederen voor professionele partijen in het hele land verplicht. Bestuur 2.0 maakt het mogelijk om digitaal te procederen in alle overige bestuursrechtelijke zaken en zal volgens de planning van KEI Rechtspraak vanaf 2018 worden ingevoerd.

Voor de civielrechtelijke zaken zal op 1 januari 2017 worden gestart met de pilot Civiel 1.0: dat zijn alle vorderingen met verplichte procesvertegenwoordiging in eerste aanleg in de rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland. Dit zijn de twee pilotgerechten voor deze zaakstroom. Deze pilot duurt in beginsel vijf maanden. Na een succesvol verloop van de pilot zal per 1 juni 2017 digitaal procederen in deze zaakstroom worden ingevoerd in het hele land. Na Civiel 1.0 volgt medio 2017 Civiel 2.0 waarin de vorderingszaken in hoger beroep, inclusief het hoger beroep van vorderingen in kantonzaken, worden uitgerold. Ook in deze fase zal worden begonnen met een eerste pilot bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarna de overige gerechtshoven volgen. Civiel 3.0 betreft alle vorderingen zonder verplichte procesvertegenwoordiging (de kantonzaken) en zal naar verwachting medio 2018 van start gaan bij twee pilotgerechten. Bij de release Civiel 4.0 gaat het om de verzoekzaken inclusief hoger beroep. De laatste fase in de implementatie is release 5.0, te weten de zaken in kort geding. De Rechtspraak is voornemens om de uitrol van de verschillende zaakstromen steeds op vergelijkbare wijze vorm te geven, met telkens eerst een pilotfase bij enkele gerechten. Dat draagt bij aan een beheerste en overzichtelijke implementatie. Deze implementatiefase loopt volgens de planning door tot 2019.

Verder werkt de Rechtspraak met de Hoge Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State samen om de digitale dossieroverdracht naar deze instanties goed vorm te geven.

De Hoge Raad heeft mij bericht dat het mogelijk is om per 1 januari 2017 te starten met digitaal procederen in civiele cassatiezaken. Daarbij wordt conform de voorgestelde, gefaseerde invoering begonnen met civiele vorderingszaken, waarna digitaal procederen in de overige civiele zaken volgt. In vorderingszaken waarin na de genoemde datum van 1 januari 2017 beroep in cassatie wordt ingesteld, zal de procedure digitaal verlopen via het webportaal van de Hoge Raad. Voor belastingzaken is het implementatietraject nog in ontwikkeling. Wanneer de implementatie van fiscale cassatiezaken aanvangt, is mij nog niet bekend.

Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat uit van inwerkingtreding per 1 januari 2017 voor asiel- en bewaringszaken. De inwerkingtreding van andere zaken in een volgende release zal mede worden afgestemd op de planning van KEI Rechtspraak.

Zowel voor de Hoge Raad als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt dat zij gedurende een overgangsperiode nog niet kunnen beschikken over digitale stukken uit de vorige instantie. Deze colleges zijn in overleg met de Rechtspraak om deze hybride situatie (digitaal en papier) zo efficiënt mogelijk in te richten.

Op de vraag van de leden van de D66-fractie naar de financiële aspecten van het programma KEI kan ik antwoorden dat de ramingen van de kosten en de baten in de business case KEI periodiek worden geactualiseerd op grond van de voortgang van de benodigde wetgeving en van de daarop gebaseerde implementatie. Een latere inwerkingtreding van de wetten heeft invloed op de kosten (die hoger worden) en op de baten (die later komen). De Raad voor de rechtspraak verwacht eind 2016 een nieuwe actualisatie van de business case beschikbaar te hebben, na onderzoek van de Boston Consultancy Group. De inspanningen van de Raad voor de rechtspraak zijn erop gericht binnen de kaders van «tijd en geld» te blijven. Dat was ook de achtergrond van de prioritering en bijsturing in het deelprogramma Civiel, zoals in mijn brieven van 23 november 2015 en 18 februari jl. aangegeven.

De leden van de SP-fractie hebben naar aanleiding van de brief van 23 november, waarin wordt verwezen naar de brief van 16 oktober 2015, en de brief van 18 februari jl. een aantal vragen.

Zij vragen ten eerste of het juist is dat uit de brieven van 23 november en 18 februari jl. blijkt dat het tot nu toe door de Minister en de Raad gehanteerde tijdschema voor de implementatie van de KEI-wetsvoorstellen niet meer haalbaar is en zo ja, welk nieuw tijdschema nu wordt gehanteerd door de Minister en de Raad.

Uit mijn brieven van 23 november 2015 en 18 februari jl. volgt dat de Raad voor de rechtspraak bijsturing in het deelprogramma Civiel nodig achtte om beter rekening te houden met de omstandigheid dat de automatisering van een aantal weinig voorkomende proceshandelingen erg kostbaar zou worden. Daarom heeft de Raad ervoor gekozen die handelingen ten behoeve van de procespartijen te digitaliseren, gecombineerd met een handmatige verwerking (in plaats van automatische verwerking) door de medewerkers van de rechtspraak. In mijn brief van 23 november 2015 werd voorts nog uitgegaan van het scenario dat de eerste release in 2016 zou starten. Voor de huidige planning van de implementatie verwijs ik naar het tijdschema dat ik hiervoor bij de beantwoording van een soortgelijke vraag van de leden van de D66-fractie heb uiteengezet.

De genoemde leden vragen ook hoe deze nieuwe ontwikkeling zich verhoudt tot de mededeling van de Minister in de memorie van antwoord, waarin staat dat de opstartproblemen niet groter zijn dan verwacht.

De desbetreffende opmerking in de memorie van antwoord zag op uitrol van de release Bestuur 0.9, de pilot in asiel- en bewaringszaken. Het ging hier om een eerste test in de praktijk met echte zaken. Daarbij deden zich enkele opstartproblemen voor, maar die waren zoals gezegd niet groter of ernstiger dan verwacht. De opstartproblemen zijn verholpen. Binnen het programma van KEI Rechtspraak past dat bestaande werkwijzen en oplossingen continu verder worden ontwikkeld, in aansluiting op de ervaringen binnen het programma en (daardoor ontstane) nieuwe inzichten. De ontwikkelingen waarop ik ben ingegaan in mijn brieven van 23 november 2015 en 18 februari jl. en waaraan de leden van de SP-fractie refereren, hebben overigens betrekking op een ander onderdeel van het digitale systeem, te weten enkele weinig voorkomende proceshandelingen in civiele zaken, waarop ik hiervoor reeds ben ingegaan.

Ook vragen deze leden naar de financiële gevolgen van de uit de genoemde brieven voortvloeiende bijstellingen.

Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik graag naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de D66-fractie hiervoor. In aanvulling hierop merk ik op dat bijstellingen hebben plaatsgevonden om extra kosten voor de Rechtspraak te voorkomen. De voorgestelde werkwijze zal, gelet op de weinig voorkomende proceshandelingen, beperkt administratief meerwerk opleveren voor de rechtspraak, waarvan de financiële gevolgen naar verwachting ook zeer beperkt zullen zijn.

De desbetreffende leden vragen wat de Minister in zijn brief van 23 november 2015, in de laatste zin van de tweede alinea, heeft bedoeld met de mededeling dat er, om binnen de door de Raad gestelde kaders van tijd en geld te blijven, bij de bouw van de bedoelde onderdelen «scherper moet worden geprioriteerd». De leden willen graag weten hoe die prioriteiten eruit zien.

De scherpere prioritering ziet op keuzes binnen de realisatie van het digitale systeem. Er is straks sprake van een volledig digitaal systeem, waarbij sommige weinig voorkomende proceshandelingen wel gedigitaliseerd zijn ten behoeve van procespartijen, maar (aan de achterkant van het systeem) vooralsnog niet geautomatiseerd worden verwerkt door de rechtspraak. Ik verwijs in dat verband naar mijn eerdere opmerkingen hierover. Het gaat bijvoorbeeld om een tussenkomst of partijvoeging als bedoeld in artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dat zijn proceshandelingen die naar schatting van de Rechtspraak landelijk op jaarbasis ongeveer vijftien respectievelijk tien keer per jaar voorkomen (ijkjaar 2014). Deze aldus zeer weinig voorkomende handelingen zullen door de administratief medewerkers van de gerechten handmatig achter het scherm, dus in het digitale systeem, moeten worden geregistreerd. Dit zal (geringe) invloed hebben op de personele reductie van administratief medewerkers. Ketenpartijen, zoals de advocatuur en de deurwaarders, worden hierdoor niet geraakt.

Zoals ook uit het voorgaande voortvloeit, wordt in verband met de prioritering binnen het programma KEI onderscheiden tussen digitaliseren en automatiseren. Het berichtenverkeer tussen procesdeelnemers en de gerechten gaat in beginsel langs elektronische weg en vindt via het webportaal of de systeemkoppeling van en naar het digitale systeem van de gerechten plaats. De binnengekomen berichten moeten vervolgens worden verwerkt in het digitale systeem, wat handelingen binnen de gerechten vergt. Hierbij moet steeds een afweging worden gemaakt tussen het geautomatiseerd of handmatig verrichten van die handelingen. Als een proceshandeling, zoals de tussenkomst of partijvoeging, weinig voorkomt of niet tot een standaardhandeling hoort, ligt het – binnen de gestelde kaders van tijd en geld – niet voor de hand dat deze handeling geautomatiseerd wordt. Die afweging vindt plaats binnen het programma, waarbij medewerkers uit de gerechten zijn betrokken. Tijdens de verdere ontwikkelingen van de IT-voorzieningen zal KEI Rechtspraak onderzoeken in hoeverre binnen het nieuwe procesrecht de mogelijkheden tot automatisering kunnen worden vergroot. Als daarvoor nog een enkele wetswijziging wenselijk blijkt te zijn, zal worden bezien of dat in een eventuele veegwet kan worden meegenomen.

De leden van de SP-fractie vragen verder of dit ook financieel op een voldoende inzichtelijke wijze kan worden toegelicht.

Graag verwijs ik voor de beantwoording van deze vraag naar hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt bij een vergelijkbare vraag van de leden van de fractie van D66.

De aan het woord zijnde leden vragen voorts wat de afstemming met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) en de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) op dit terrein tot nu toe heeft opgeleverd.

Met de NOvA, de KBvG en andere ketenpartijen is veelvuldig gesproken over onder meer de wijze van uitrol. In september vorig jaar heeft op mijn ministerie een expertmeeting met diverse ketenpartijen plaatsgevonden over de voorgestelde implementatie van de digitalisering in civiele en bestuursrechtelijke procedures. Bezwaren tegen een uitrol in golven, zoals door de Rechtspraak was voorgesteld, werden daar breed gedeeld. Ik ben verheugd dat de Rechtspraak aan deze bezwaren is tegemoet gekomen door niet meer uit te rollen in golven, zoals aanvankelijk de bedoeling was. Ingevolge de gewijzigde implementatie zal per zaakstroom telkens in een of meer gerechten worden gestart met een (verplichte) pilot voor alle professionele partijen en/of een daaraan voorafgaande vrijwillige experimenteerfase in een of meer gerechten. Na een geslaagde pilot of experimenteerfase, zal de uitrol vervolgens in een keer plaatsvinden over de rest van het land. Dat voorkomt een uitrol in nog meer golven. De Rechtspraak onderzoekt of de uitrol van de vervolgreleases in het bestuursrecht op vergelijkbare wijze vorm kan worden gegeven. De Rechtspraak overlegt periodiek met de NOvA, de KBvG en andere ketenpartijen over de digitalisering en zal dat ook na de eerste uitrol blijven doen.

Ook vragen de genoemde leden wat in de brief van 18 februari jl. is bedoeld met de mededeling dat gebleken is dat de kosten en de tijdsinvestering door digitalisering van bepaalde handelingen niet in verhouding staat tot de baten. Zij willen weten welke handelingen het hier betreft en welke kosten aan deze handelingen zijn of waren verbonden en ook welk tijdsbeslag aan deze handelingen was verbonden. Zij vragen ook om welke baten het in casu ging en waarom deze baten niet in een redelijke of acceptabele verhouding tot de kosten stonden.

Zoals ik hiervoor heb opgemerkt, heeft een scherpere prioritering ertoe geleid dat enkele weinig voorkomende proceshandelingen aan de achterkant van het digitale systeem vooralsnog niet worden geautomatiseerd. De bouw van deze onderdelen in het digitale systeem op eenzelfde wijze als de basisprocedure vergt meer tijd en komt duurder uit dan wanneer medewerkers van de gerechten deze weinig voorkomende proceshandelingen alsnog handmatig verwerken in het digitale systeem. De kosten van de automatisering van deze proceshandelingen in het digitale systeem en de extra tijd die deze bouw vergt in vergelijking tot de bouwtijd van het basissysteem, staan niet in verhouding tot het aantal keer dat deze proceshandelingen door partijen in een procedure worden verricht. Aan de zijde van de procespartijen kan wel van een digitale voorziening gebruik worden gemaakt.

De leden van de SP-fractie vragen verder bij welke handelingen enkele werkzaamheden voorlopig binnen de organisatie handmatig zullen worden verricht. Zij vragen daarbij om hoeveel handelingen het per week of maand gaat, wie deze handelingen moet verrichten en wat de meerkosten van deze handelingen zijn.

De handelingen die voorlopig binnen de organisatie van de Rechtspraak handmatig zullen worden verricht, zijn de administratieve verwerking van onder meer de oproeping van derden als bedoeld in het voorgestelde artikel 30g Rv, dat het huidige artikel 118 Rv vervangt, en incidentele vorderingen, zoals de vordering tot vrijwaring als bedoeld in artikel 210 Rv, de voeging en tussenkomst van een partij als bedoeld in artikel 217 Rv en de verwijzing en voeging van zaken als bedoeld in artikel 220 Rv. Verder moet hier gedacht worden aan de administratieve verwerking van het derdenverzet als bedoeld in artikel 376 Rv en de herroeping als bedoeld in artikel 382 Rv. Zoals gezegd, gaat het om proceshandelingen die in civiele procedures weinig voorkomen. Hoe vaak deze proceshandelingen in de toekomst door partijen zullen worden verricht, kan ik niet bij voorbaat zeggen, maar gelet op de ervaringen uit het verleden betreft het naar alle waarschijnlijkheid een zeer beperkt aantal. Het is daarom niet mogelijk om per handeling die niet intern geautomatiseerd wordt aan te geven hoe vaak deze precies voorkomt, hoeveel tijdsbeslag dat op de griffiemedewerkers van de gerechten gaat leggen en wat de meerkosten zullen zijn. Wel is duidelijk dat de kosten en tijdsinvestering van een volledige automatisering van deze weinig voorkomende proceshandelingen in het digitale systeem niet in verhouding staan tot de baten. De meerkosten van de gekozen oplossing zijn dus beperkter dan een volledige automatisering van alle werkzaamheden van administratieve aard. Een voordeel van de gekozen oplossing is bovendien dat het systeem goed werkbaar blijft en op deze wijze altijd maatwerk mogelijk blijft. Voor de financiële aspecten verwijs ik naar de hiervoor gegeven antwoorden op soortgelijke vragen.

Voorts willen de genoemde leden graag weten welke motieven en overwegingen aan het besluit tot wijziging van de implementatie van de digitalisering van de civiele procedure ten grondslag hebben gelegen. Zij vragen welke bezwaren er waren gerezen en waarom er besloten is tot een nieuwe werkwijze met een pilot van vijf maanden bij één of twee gerechten. Ook vragen zij wat deze pilot inhoudt en welke extra kosten eraan verbonden zijn. Voorts willen zij weten of en zo ja in welke mate deze pilot van vijf maanden tot uitstel of vertraging van de implementatie van de digitalisering kan leiden.

De invoering in meerdere golven, zoals oorspronkelijk beoogd, stuitte op bezwaar bij ketenpartijen. Advocaten, deurwaarders, incassobureaus en landelijk opererende bestuursorganen vonden deze wijze van uitrol onoverzichtelijk overkomen. Volgens hen zou met name verwarring ontstaan ten aanzien van de wijze van procederen in verschillende procedures die zij in verschillende arrondissementen voeren. Teneinde aan deze bezwaren tegemoet te komen, heeft de Rechtspraak onderzocht wat de mogelijkheden zijn om de implementatie van de digitalisering voor zoveel mogelijk betrokkenen zo eenvoudig mogelijk te laten verlopen. Hieruit is een nieuwe opzet van de invoering van de digitalisering in civiele procedures voortgekomen. Ingevolge deze opzet start elke zaakstroom met een pilot bij één of twee gerechten, gevolgd door landelijke invoering. De aanpak die de Rechtspraak heeft gekozen bij Bestuur 0.9 (asiel en bewaring) was in dit opzicht leerzaam. Over deze nieuwe opzet heeft goed overleg met belangrijke ketenpartijen plaatsgevonden. De pilot van vijf maanden bij twee gerechten biedt zowel de Rechtspraak als advocaten en deurwaarders de mogelijkheid om op kleine schaal ervaring op te doen met de verplichte digitale procesvoering en eventuele onvolkomenheden in systemen en werkprocessen te verhelpen. Gedurende de pilot worden alle betrokken partijen op diverse manieren voorbereid op de verdere landelijke implementatie. Landelijke implementatie bij alle gerechten tegelijk zal pas plaatsvinden als de pilot heeft laten zien dat het digitale systeem goed en betrouwbaar werkt. Deze werkwijze leidt tot dezelfde implementatie inspanning, maar zal geconcentreerder in tijd plaatsvinden en leidt naar verwachting niet tot een vertraging in de afronding van de implementatie.

3. Gedelegeerde regelgeving

Naast de vier wetsvoorstellen van het Programma KEI zijn drie algemene maatregelen van bestuur voorbereid. Het gaat om twee invoeringsbesluiten (het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, dat een klein aantal amvb’s aanpast aan de nieuwe terminologie, en het Aanpassingsrijksbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, dat het Besluit termijnen Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba eveneens in wetstechnische zin aanpast). Het derde besluit is het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht, waarnaar de leden van de VVD-fractie vragen.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft over de drie besluiten reeds advies uitgebracht. Bij de twee invoeringsbesluiten was dit een zogenaamd blanco advies. Ten aanzien van het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursrecht was het advies van de Afdeling advisering positief en beperkt tot een enkele opmerking over het noodkanaal. De Afdeling advisering adviseerde om het instellen van een noodkanaal nadrukkelijk te regelen in het Besluit. Mede naar aanleiding van dat advies is in de nota van toelichting bij het Besluit een passage gewijd aan het belang van een noodkanaal. Hierin staat onder meer dat de Rechtspraak verantwoordelijk is voor het instellen van een noodkanaal en dat zij dit nader zal regelen in een reglement. Dit kanaal dient ertoe om de huidige piketregeling voort te zetten. Hiermee worden voldoende waarborgen geboden wanneer partijen met spoed met de rechter moeten communiceren en het digitale systeem van de gerechten tijdelijk niet toegankelijk zou zijn.

De leden van de VVD-fractie zouden graag kennis nemen van de inhoud van dit Besluit en een afschrift van het Besluit ontvangen.

Een concept van het Besluit is reeds eind 2014 op www.internetconsultatie.nl/amvbkei gepubliceerd. Graag verwijs ik daar naar. Voor de volledigheid merk ik op dat het Besluit naar aanleiding van de reacties van ketenpartijen en andere betrokkenen tijdens de consultatie nog is aangepast in technische zin. De aangepaste versie is vervolgens tijdens een expertmeeting met ketenpartijen, de Rechtspraak, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Hoge Raad besproken. Naar aanleiding van deze expertmeeting is de tekst van het Besluit verder verfijnd. Hiermee is gewaarborgd dat met de behoeften van de betrokken ketenpartijen zo veel mogelijk rekening is gehouden. Vervolgens is het Besluit voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State, hetgeen heeft geleid tot het hiervoor genoemde advies.

De leden van de fractie van D66 vragen wanneer de regering verwacht dat het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht wordt vastgesteld en willen weten of de regering voornemens is het parlement te betrekken bij de inhoud van de AMvB.

De inbreng van de Rechtspraak en de betrokken ketenpartijen is op verschillende momenten gevraagd en gekregen bij de voorbereiding van het Besluit. Er heeft ook een internetconsultatie plaatsgevonden. Ik verwijs naar het antwoord op de vraag hierboven van de VVD-fractie. De wetsvoorstellen voorzien niet in een voorhangprocedure.

4. Aandachtspunten NOvA

De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft in een brief van 7 december 2015 aan de Raad voor de rechtspraak een aantal aandachtspunten aangedragen. De leden van de D66-fractie zijn benieuwd naar de reactie van de regering op het verzoek van de NOvA in deze brief om een geborgd en getest protocol voor noodcommunicatie tussen advocatuur en Rechtspraak in geval van storingen. Zij vragen of de regering de zorgen van de advocatuur deelt en of er aan een dergelijk noodsysteem wordt gewerkt.

De genoemde leden vragen terecht aandacht voor de bereikbaarheid van de Rechtspraak in geval van eventuele storingen. Ik vind het van groot belang dat de Rechtspraak altijd bereikbaar is, omdat in sommige situaties de toegang tot de rechter op heel korte termijn moet zijn verzekerd. Die toegang mag niet worden belemmerd door eventuele storingen in het digitale systeem van de Rechtspraak of de desbetreffende advocaat. Daarom ben ik blij dat de Rechtspraak zorgdraagt voor een noodvoorziening. Deze noodvoorziening is bedoeld voor situaties waarin sprake is van een storing en er stukken per ommegaande aan de rechter moeten kunnen worden voorgelegd. Daarbij zal het in het algemeen gaan om zaken die in kort geding of bij een verzoek om een voorlopige voorziening aanhangig zijn of worden gemaakt. De op het leerstuk van de verschoonbare termijnoverschrijding gebaseerde voorziening die in het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht is opgenomen – bestaande uit een extra termijn om een processtuk in te dienen als dat op de laatste dag van een fatale termijn als gevolg van een storing in het digitale systeem niet mogelijk is – is in deze specifieke situaties niet toereikend.

De Rechtspraak zal in het procesreglement opnemen hoe in een spoedsituatie als hiervoor beschreven, moet worden gehandeld. Daarbij zal de rechtspraak altijd telefonisch bereikbaar zijn via een piketvoorziening, ook buiten de uren waarop het Rechtspraak Servicecentrum bereikbaar is. Hiertoe stelt de Rechtspraak een protocol vast dat uitgaat van overleg en duidelijke instructies door een medewerker van de rechtspraak aan de procesdeelnemer hoe te handelen in zo’n situatie. Omdat in deze situaties de procesdeelnemer de rechter niet digitaal zal kunnen bereiken, moeten de processtukken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling door de rechter op papier aan de rechter en de wederpartij worden overhandigd. Als de storing is verholpen wordt de papieren versie alsnog opgenomen in het digitale dossier.

Indien geen sprake is van een spoedsituatie kan de procesdeelnemer terugvallen op de hiervoor genoemde en op het leerstuk van de verschoonbare termijnoverschrijding gebaseerde voorziening in het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht.

Ook de leden van de SP-fractie vragen aandacht voor de brief van de NOvA. In deze brief wordt verwezen naar de brief van 23 november 2015 en de daarin aangekondigde bijsturing/prioritering, die volgens de NOvA nadelige gevolgen kan hebben voor de beschikbaarheid van de «live-gang» van bepaalde proceshandelingen. De genoemde leden verwijzen ook naar de opmerking van de NOvA dat zij de signalen en verbeterpunten die uit KEI en Strafportaal naar voren zijn gekomen naast elkaar heeft gelegd en dat zij daaruit geconcludeerd heeft dat de voorwaarden voor succesvol digitaal procederen gelden voor zowel civiele-, bestuurs- of strafzaken en dat het daarom nodig is om de digitalisering van de diverse rechtsgebieden als één geheel te behandelen. De leden willen weten of de regering deze visie en benadering van de NOvA deelt en zo ja, welke consequente dat heeft voor de implementatie van het gehele KEI-proces, of zo nee, waarom niet.

De zorg dat de vermelde bijsturing in het deelprogramma Civiel nadelige gevolgen kan hebben voor de beschikbaarheid van de «live-gang» van bepaalde proceshandelingen, heeft de Rechtspraak in zijn periodieke gesprekken met de NOvA gelukkig kunnen wegnemen. Advocaten kunnen vanaf de eerste uitrol alle stukken digitaal aanleveren en ontvangen, ook de stukken die aan de kant van de rechtspraak voorlopig nog handmatig zullen worden verwerkt in het digitale systeem van de Rechtspraak. Vertrouwelijke stukken ten aanzien waarvan een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt gedaan, worden overigens niet langs elektronische weg ingediend, omdat deze stukken niet ter kennis mogen komen van de wederpartij, tenzij de rechter daarover anders beslist.

Met betrekking tot een integrale aanpak onderschrijft de Rechtspraak het belang van integraliteit ten aanzien van digitaal procederen in civiele, bestuurs- en strafzaken. De Rechtspraak hecht er aan dat deze verschillende rechtsgebieden zoveel mogelijk leren van elkaars ervaringen met digitaal werken. De kritische inbreng van de NOvA is ook op dit punt belangrijk voor de Rechtspraak. De gewenste samenhang wordt bereikt door onderlinge uitwisseling van bevindingen en gemeenschappelijke overleggen. Een integrale benadering wordt ook gehanteerd bij de inrichting van landelijke diensten, zoals het Rechtspraak Servicecentrum (RSC). Deze integrale benadering heeft geen consequenties voor de implementatie van de wetgeving van het programma KEI. Binnen een meer integrale benadering moet er ruimte blijven voor de specifieke eisen die vanuit de verschillende rechtsgebieden aan digitaal procederen worden gesteld. Een strafrechtelijke procedure kan vanuit dat oogpunt niet worden gelijkgesteld met een civiele procedure. De implementatie van de digitalisering in strafzaken geschiedt in de strafketen, in nauwe samenwerking met het Openbaar Ministerie.

De leden van de SP-fractie merken voorts op dat de NOvA in de brief erop wijst dat de Minister naar aanleiding van vragen over de begroting van Veiligheid en Justitie van 2016 geantwoord heeft dat de reikwijdte van KEI aanzienlijk is uitgebreid met onder meer de onderwerpen strafrecht en toezicht. Daaruit zou de indruk kunnen ontstaan dat binnen de Rechtspraak reeds sprake was van een integrale aanpak, maar dat die aanpak in de praktijk nog niet bestaat. De leden van de SP-fractie vragen of de regering de vaststelling van de NOvA dat de integrale aanpak bij KEI nog ontbreekt deelt, en zo ja, wat daarvan de gevolgen zijn voor de implementatie van KEI zowel in de tijd als qua kosten of zo nee, waarom niet.

De veronderstelling van de NOvA dat een integrale aanpak in de praktijk nog ontbreekt, deel ik niet gelet op de integraliteit waaraan de Rechtspraak belang hecht bij de implementatie van digitaal procederen in de verschillende rechtsgebieden. Graag verwijs ik de leden van de SP-fractie naar mijn antwoord hiervoor, waarbij ik ook heb opgemerkt dat het verschillende karakter van een civiele of bestuursrechtelijke zaak enerzijds en een strafrechtelijke zaak anderzijds met zich brengt dat het digitaliseringsprogramma niet gelijk oploopt, maar waarbij de signalen en verbeterpunten wel onderling worden uitgewisseld.

De leden van de SP-fractie geven vervolgens aan dat de NOvA in dezelfde brief op pagina 2 onderaan en pagina 3 bovenaan een lijst opsomt van veertien zaken die voor haar de belangrijkste zijn in het KEI-dossier, aan welke punten naar de mening van de NOvA in het KEI-dossier dient te worden voldaan. Deze leden vragen of aan al deze voorwaarden is voldaan, en zo niet, aan welke voorwaarden nog niet is voldaan, welke stappen of maatregelen er nodig zijn om die voorwaarden te vervullen, en op welke termijn. De aan het woord zijnde leden vragen ook of de regering de opvatting van de NOvA deelt dat digitaal procederen pas echt van start kan gaan en kan slagen als een oplossing gevonden is van tenminste voornoemde veertien punten/voorwaarden en zo, ja, welke consequentie dat oordeel heeft voor de voorliggende wetsvoorstellen qua tijd en geld, mede in aanmerking genomen dat de NOvA met de Raad nog in overleg is over genoemde aandachtspunten, dat overleg nog niet is afgerond en dat het niet duidelijk is op dit moment of de aanpassingen ook daadwerkelijk zullen leiden tot een goed werkend, compleet, veilig en betrouwbaar systeem of zo nee, waarom niet.

De toezegging om pas van start te gaan met de implementatie als het digitale systeem goed en betrouwbaar werkt, blijf ik samen met de Rechtspraak gestand doen. Bij ieder uitrolmoment bij iedere categorie zaken wordt de goede en veilige werking van het digitale systeem grondig getoetst. De NOvA en andere ketenpartijen zullen daarbij zoveel mogelijk worden betrokken. Daartoe organiseert de Rechtspraak diverse testrondes en evaluatiesessies. De Rechtspraak heeft in de planning en de budgettering van de uitrolmomenten daar ook rekening mee gehouden. Ik heb geen aanleiding aan de haalbaarheid daarvan te twijfelen. De digitalisering is een omvangrijke operatie die over meerdere jaren is gespreid met een gefaseerde uitrol per zaakstroom. Met de NOvA en andere ketenpartijen is de Rechtspraak voortdurend in gesprek om nader te bezien welke functionaliteiten wanneer nodig zijn en welke eventuele oplossingen nog moeten worden gevonden.

Zoals de NOvA in haar brief van 19 februari 2016 aan uw Kamer heeft geschreven, zijn de Rechtspraak en de NOvA constructief en goed met elkaar in gesprek over de punten waarmee de Rechtspraak rekening kan houden bij de verdere ontwikkeling en implementatie van de digitalisering. Zo kan worden gewaarborgd dat rechtzoekenden en ketenpartijen tevreden zijn over de kwaliteit van de rechtspraak en geen hinder ondervinden van de veranderingen in de digitale procesgang. De discussie gaat in de meeste gevallen niet zozeer over de vraag óf aan de voorwaarden zal zijn voldaan op het moment van de uitrol van het digitale systeem – zoals het noodkanaal, storingsmelding, aansluitpunt of de mogelijkheid om formulieren in het webportaal tussentijds op te slaan – maar over de precieze uitwerking van deze functionaliteiten. De Rechtspraak moet daarbij ook rekening houden met financiële, technische en/of wettelijke kaders (zoals de eisen van veiligheid en privacy). Dat betekent dat de Rechtspraak enkele wensen om technische en veiligheidsredenen niet kan verwezenlijken. Zo biedt het systeem niet de mogelijkheid om bijlagen aan te leveren met hyperlinks en kruisverwijzingen tussen verschillende documenten. Dat hangt ook samen met de omstandigheid dat de Rechtspraak alleen een digitaal toegangskanaal biedt en geen gezamenlijke werkomgeving. Ook kan de Rechtspraak vanwege eisen van privacybescherming niet voldoen aan de wens van de advocatuur om emailnotificaties van alle kenmerken te voorzien die voor de advocaat relevant kunnen zijn. Desalniettemin wordt ook ten aanzien van de emailnotificaties gezocht naar mogelijkheden en oplossingen die aan de geuite wensen zoveel mogelijk tegemoet kunnen komen.

Hieronder ga ik puntsgewijs in op de veertien door de NOvA aangedragen aandachtspunten.

1. Een goed werkend, compleet, veilig en betrouwbaar digitaal systeem dat de advocaat in staat stelt zijn of haar cliënt optimaal en naar eigen inzicht bij te staan.

Dit is uiteraard ook voor de Rechtspraak een belangrijk uitgangspunt en is ook altijd zo uitgedragen. Om de betrouwbaarheid en de werking van het systeem te testen, houdt de Rechtspraak frequent gebruikersacceptatietesten, audits, penetratietesten en risicoanalyses. De IT-systemen worden gemonitord op belasting, performance en intensiteit van gebruik. De performance van systemen wordt gemeten met performance tests. Ook is een bevindingenproces ingericht. Verbeteringen en aanbevelingen die hieruit voortkomen, worden binnen het programma KEI Rechtspraak ter hand genomen. Soms is de Rechtspraak afhankelijk van inbreng van of deelname door externe leveranciers of andere partijen, zoals de NOvA. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het stelsel van eHerkenning, de advocatenpas of de internetprovider. Inbreng vanuit de advocatuur bij de diverse testen en feedbacksessies zijn van cruciaal belang voor de Rechtspraak.

2. Een proactieve benadering en een gedegen procedure voor wat betreft de communicatie van de Rechtspraak naar de Balie en de NOvA toe bij een storing in de systemen van de Rechtspraak.

Het Rechtspraak Servicecentrum (RSC) werkt met een storings- en onderhoudspagina, waarop advocaten zich kunnen abonneren. Tevens worden storingen gemeld via social media. Er wordt nog gewerkt aan een storingsmelder. Deze is gereed op het moment van de eerste uitrol.

3. Een geborgd en getest protocol voor noodcommunicatie tussen advocaat en Rechtspraak in geval van storingen aan systemen anders dan die van de Rechtspraak of de advocaat.

Voor dit punt verwijs ik naar mijn antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie over het noodsysteem. Dit systeem is beschikbaar op het moment van de eerste uitrol.

4. Een goede helpdesk, die zeker in het eerste jaar van bijvoorbeeld 08.00 uur tot 21.00 uur bemand is en ook in het weekend minimaal 8 uur per dag bereikbaar is.

Het Rechtspraak Servicecentrum (RSC) is momenteel op iedere werkdag open van 08:00 – 17:30 uur. Gelet op het beperkte beroep dat er nu op de helpdesk wordt gedaan, is de bereikbaarheid op dit moment afdoende. De Rechtspraak volgt de behoefteontwikkeling nauwlettend en zal aan de hand daarvan nader bezien in hoeverre verruiming van de bereikbaarheid van het RSC is geïndiceerd. De verwachting is dat met de start van de eerste uitrol een groter beroep zal worden gedaan op het RSC. De Rechtspraak zal hierop ten aanzien van de capaciteit en toegankelijkheid anticiperen.

5. Een deugdelijk Aansluitpunt S2S van de Rechtspraak op de advocatuur, ook voor strafzaken

Het koppelvlak voor de systeemkoppeling, het Aansluitpunt Rechtspraak, zal voor civiele zaken beschikbaar zijn vanaf de start van de verplichte pilot voor Civiel 1.0 (vorderingen met verplichte procesvertegenwoordiging). Vanuit de advocatuur hebben drie samenwerkingsverbanden van advocatenkantoren zich aangemeld als testpartner. Ook voor het bestuursrecht en volgende civiele releases wordt dit aansluitpunt geschikt gemaakt. Voor strafzaken zal voorlopig nog niet kunnen worden voorzien in een systeemkoppeling.

6. Eén landingspagina voor alle rechtsgebieden

Deze landingspagina komt er voor alle rechtsgebieden, met uitzondering van strafzaken. Voor deze zaken is voorzien in een gezamenlijk portaal met het Openbaar Ministerie en de NOvA.

7. De mogelijkheid formulieren in het webportaal tussentijds op te slaan en op een later tijdstip af te maken zonder gegevensverlies. Gegevens verdwijnen nu na een time-out van 10/15 minuten; dit is te snel.

Het systeem voorziet al in een 24-uursopslag op de servers in geval van calamiteiten. Daarmee is bijvoorbeeld het verloren gaan van een half ingevuld formulier bij een stroomstoring afgedekt, omdat men na een storing weer verder kan werken in het formulier, mits dat binnen 24 uur wordt gedaan. Aan de wens om het formulier tussentijds op te slaan (door bijvoorbeeld een kantoormedewerker van de advocaat) en op een later tijdstip of dag het formulier af te ronden door de advocaat zelf wordt tegemoet gekomen. De oplevering hiervan staat gepland voor het najaar van 2016.

8. De mogelijkheid om bijlagen aan te leveren met hyperlinks en kruisverwijzingen tussen verschillende documenten.

Deze functionaliteit is op dit moment technisch niet te verwezenlijken. Dat geldt niet voor hyperlinks en kruisverwijzingen naar internet, maar voor binnen het digitale systeem toegevoegde (proces)stukken en bronnen. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat het digitale systeem voor procesdeelnemers een communicatieplatform biedt en geen werkomgeving.

9. Een veld voor speciale aanwijzingen in de webformulieren (voor de tekst die vroeger in de begeleidende brief stond).

Elk webformulier heeft een veld «overige opmerkingen», waarin speciale aanwijzingen vermeld kunnen worden. In de formulieren die worden gebruikt in asiel- en bewaringszaken staat dit veld nog niet, maar dat wordt nog opgenomen. Overigens kan een advocaat binnen het digitale systeem op ieder moment in zijn zaak een vrij bericht met opmerkingen naar de rechter toesturen.

10. De mogelijkheid om grote bestanden of complexe producties in één keer te kunnen uploaden.

Het digitale systeem heeft op dit moment de capaciteit om bestanden tot 10 Mb in een keer te uploaden. Tot nog toe zijn in de digitaal aanhangig gemaakte zaken (asiel- en bewaringszaken) geen problemen of klachten gemeld over deze grens van 10 Mb. De ervaring leert dat voor gewone tekstbestanden (bijvoorbeeld rapporten) dat ook ruim voldoende is. Doorgaans beslaat een bestand meer dan 10 Mb als er veel afbeeldingen in het document zitten. De Rechtspraak wil deze stukken zoveel mogelijk als afzonderlijke Pdf’s laten uploaden, omdat dit de vindbaarheid van documenten eenvoudiger maakt door middel van de huidige zoek-, filter- sorteer- en weergavefuncties. Gelet op de geuite wens van de NOvA onderzoekt de Rechtspraak wel of, en zo ja in hoeverre, de genoemde grens van 10 Mb kan worden opgehoogd. Ook hier geldt dat de Rechtspraak de behoeftes zoals die in de praktijk naar voren zullen komen, nauwlettend zal volgen.

De wens om ook andere formaten dan tekstdocumenten toe te staan is de Rechtspraak bekend. Vanuit het oogpunt van archiveringsvoorschriften heeft de Rechtspraak zich in eerste instantie echter gericht op pdf’s (via de systeemkoppeling PDF/A), vervolgens op PDF/A-conversie en OCR (tekenherkenning). De Rechtspraak zal nog onderzoeken aan welke extra formaten de meeste behoefte bestaat. Dat zal waarschijnlijk de mogelijkheid zijn om ook foto’s (voor zover niet reeds in de pdf opgenomen), video’s en wellicht ook audio te kunnen indienen. Omdat advocaten meestal slechts tekst hebben en foto’s ook in de pdf kunnen worden ingesloten is hieraan nog geen prioriteit toegekend, maar voor dergelijke bestanden zullen in de toekomst voorzieningen worden getroffen.

11. De mogelijkheid om een apart e-mailadres voor notificaties in te voeren.

Deze wens is al gerealiseerd. De gebruiker kan in het systeem aangeven op welk e-mailadres de notificaties bezorgd moeten worden. De gebruiker is vrij in het kiezen van dat e-mailadres.

Het is echter niet mogelijk om twee of meer e-mailadressen per zaak in het systeem van de Rechtspraak op te geven. Gelet op het rechtsgevolg van de notificatie, bijvoorbeeld het verrichten van een proceshandeling binnen een fatale termijn, moet het risico dat over de juiste adressering mogelijk misverstanden of discussies kunnen ontstaan, worden vermeden. Het staat de gebruiker uiteraard vrij in de eigen e-mail software een regel aan te maken waarmee de notificaties automatisch worden doorgestuurd naar andere e-mailadressen.

12. E-mailnotificaties geconcentreerd ontvangen en met kenmerken die voor de advocaat relevant zijn.

Uit de pilot Bestuur 0.9 (asiel- en bewaringszaken) bleek het ontvangen van een notificatie voor ieder ingediend document een probleem te vormen in die gevallen waarin de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) veel documenten tegelijk had ingediend. Dat probleem is inmiddels verholpen, doordat nu één notificatie wordt toegestuurd als er in een keer meerdere documenten worden ingediend. Een verdere ontwikkeling in de ontvangst van e-mailnotificaties staat in de planning. De aanduiding van het onderwerp in de notificatie zal een beperkte inhoudsindicatie geven. Vanuit privacyoverwegingen moeten er beperkingen worden gesteld aan de te vermelden kenmerken van een zaak in de notificatie, omdat het berichtenverkeer langs elektronische weg (per e-mail) onvoldoende veilig wordt geacht. Voor een latere fase wordt een abonnementensysteem voor de gewenste/ongewenste notificaties overwogen. Daarbij zal worden gewerkt aan een oplossing voor het geconcentreerd ontvangen van e-mailnotificaties.

13. Veilige en betrouwbare Wi-Fi in alle gerechten met voldoende capaciteit voor alle gebruikers.

De ICT-dienstverlener voor de Rechtspraak, Spir-it, stelt met de dienst Publieke Internettoegang een beveiligd gastennetwerk beschikbaar voor incidentele gasten, zoals rechtzoekenden, getuigen en verdachten, en voor frequent terugkerende gasten zoals advocaten en journalisten. De performance van het gastennetwerk is afhankelijk van het aantal gasten op het netwerk en de aard van de handelingen (bijvoorbeeld het downloaden van grote bestanden). Hierdoor kan de internettoegang in de zittingzaal niet altijd en optimaal worden gegarandeerd. Het advies van de Rechtspraak aan ketenpartijen is voorlopig om de belangrijkste stukken offline beschikbaar te hebben tijdens de zitting, dat wil zeggen lokaal op het eigen apparaat of op papier. Indien dat nodig mocht zijn, zal de Rechtspraak bezien of ketenpartijen tegemoet kan worden gekomen door bijvoorbeeld voor hen een apart gastennetwerk in te richten.

14. Goed geoutilleerde zittingszalen met de mogelijkheid voor de advocaat om zijn eigen device te koppelen aan het bureauscherm en waarbij vertrouwelijkheid van het beeldscherm gewaarborgd is.

Zoals ik hiervoor in het kader van de vraag van de leden van de D66-fractie over de digitalisering in het strafrecht heb geantwoord, worden zittingszalen zodanig aangepast dat rechters en procespartijen tijdens de zitting van de digitale hulpmiddelen gebruik kunnen maken. De zorg van de NOvA met betrekking tot de inrichting van de digitale zittingszaal heeft volgens de Rechtspraak vooral betrekking op de beschikbaarheid van voorzieningen waarmee rechters aan partijen en hun gemachtigden stukken kunnen tonen. Bij Bestuur en Civiel heeft de functie tonen vooral als voordeel en als doel dat de partijen de procesgang goed kunnen volgen. Hierdoor kunnen zittingen efficiënt en effectief verlopen, hetgeen aansluit bij de sterkere regierol van de rechter.

De Rechtspraak evalueert door middel van het project digitale zittingszalen de eerste ervaringen met «Bring your own device», zowel voor de Rechtspraak als voor externen. Naar aanleiding daarvan zal de Rechtspraak bezien in hoeverre het nodig is het beleid aan te passen. De mate waarin zittingszalen dienen te zijn geoutilleerd kan per categorie zaken verschillen.

Gelet op de hierboven weergegeven reacties van de Rechtspraak op de veertien voor de NOvA belangrijkste punten constateer ik met tevredenheid dat de Rechtspraak de wensen en behoeften van de advocatuur serieus heeft onderzocht en de daarvoor benodigde functionaliteiten heeft verwerkt of in de verdere ontwikkeling van het digitale systeem heeft opgenomen en de behoeften voor aanvulling of uitbreiding in de gaten houdt. Daarbij verliest de Rechtspraak de privacyaspecten niet uit het oog, wat wel tot gevolg heeft dat enkele wensen van de NOvA vooralsnog niet kunnen worden gerealiseerd, zoals het opnemen van hyperlinks en kruisverwijzingen in stukken binnen het digitale systeem en e-mailnotificaties met verdergaande informatie dan de notificatie op zich.

5. Gefaseerde invoering

De leden van de D66-fractie vragen naar aanleiding van de opmerkingen in de memorie van antwoord over het minimaliseren van de risico’s bij de implementatie van de digitalisering en het regelmatig toetsen van de bruikbaarheid van het digitale systeem, hoe de betrokkenheid van voldoende (externe) technische expertise is verzekerd bij de beoordelingsmomenten en of de Minister nader kan uiteenzetten hoe er wordt getoetst en geborgd dat het gebouwde systeem – naast voldoende bruikbaar – technisch gezien gereed is, goed werkt en voldoende veilig is.

Zoals ik in de memorie van antwoord aan uw Kamer heb geschreven, laat de Raad zowel interne als externe reguliere audits verrichten om het digitale systeem te toetsen aan de nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging. Elke paar weken wordt volgens de scrum-agile methode getoetst of het tot dan toe gebouwde systeem goed bruikbaar is voor rechters en advocaten. Ook toetst KEI Rechtspraak het systeem nog steeds regelmatig in klankbordgroepen bij interne en externe gebruikers (rechters, advocaten, deurwaarders) en toetsen burgerpanels het nieuwe systeem om de toegankelijkheid voor burgers te waarborgen. In verband met de gefaseerde inwerkingtreding laat KEI Rechtspraak verder drie Gateway Reviews uitvoeren om te testen of de interne organisatie gereed is voor elke volgende fase (thans voorzien in de jaren 2016, 2017 en 2018). Daarnaast geldt nog steeds dat in de testfase zogenoemde usability tests zijn voorzien om te toetsen of de toekomstige gebruikers met het ontwikkelde systeem uit de voeten kunnen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Hoge Raad zullen eveneens een audit en penetratietest laten verrichten bij de oplevering van de nieuwe voorzieningen, om te bezien of de veiligheidsvoorzieningen ook in de praktijk leiden tot het gewenste veiligheidsniveau. Zij zullen deze audits en testen op periodieke basis herhalen. Verder stellen deze instanties een aparte Privacy Impact Assessment op om te bezien of de nieuwe werkwijze overeenstemt met normen als gesteld in de Wet bescherming persoonsgegevens en de Richtsnoeren beveiliging van persoonsgegevens van het College Bescherming Persoonsgegevens (per 1 januari jl. de Autoriteit Persoonsgegevens).

In aanvulling op de memorie van antwoord merk ik hierbij nog op dat de Rechtspraak bij elke stap in het ontwikkelproces volgens het agile/scrum principe toetst of de kwaliteit ook in technische zin voldoende is. Elke twee weken worden delen van de software door scrumteams opgeleverd. Vervolgens worden de wijzigingen getest en wordt een regressietest uitgevoerd over de ontwikkelde software. Als de opgeleverde software niet aan de vereiste kwaliteitseisen voldoet, worden herstelacties uitgevoerd en vindt vervolgens opnieuw een toetsing plaats. Zowel bij de ontwikkeling als bij de toetsing is technische expertise aanwezig. Deze kennis is voor een belangrijk deel aanwezig binnen het eigen IT-bedrijf van de Rechtspraak (Spir-it). Indien dat nodig is, wordt ook gebruik gemaakt van de technische expertise van externe partijen. Ook in de samenstelling van de gatewayteams is standaard voldoende technische expertise aanwezig.

Om te borgen dat de systemen van de Rechtspraak veilig zijn, worden bij alle IT-projecten zogenaamde risicoanalyses op afhankelijkheden en kwetsbaarheden uitgevoerd. In deze analyses wordt het project getoetst aan geselecteerde normen uit de normenkaders voor IT-beveiliging. Tevens wordt de nieuwe omgeving grondig getest op veiligheid. Dit gebeurt onder meer door penetratietesten en de inzet van ethical hackers. Vanuit veiligheidsdoeleinden wordt ook getest op onder andere de verschillende rollen en authenticaties bij het inloggen. Daarnaast wordt periodiek en op ad-hoc basis het niveau van beveiliging van de IT-uitvoeringsorganisatie Spir-it door een onafhankelijke derde partij getoetst.

Vermeldenswaard is dat belangrijke componenten van de systemen zich inmiddels in de praktijk bewijzen tijdens dagelijks gebruik in het kader van bijvoorbeeld het vrijwillig digitaal procederen bij Bestuur 0.9, het digitale strafdossier voor de advocatuur en het digitaal toezicht.

Ook nieuwe onderdelen van de systemen, bijvoorbeeld de gefaseerde uitrol in civiele zaken, worden na alle tests eerst op kleine schaal bij twee gerechten in de praktijk toegepast, in een experimenteer- en pilotfase, waarna implementatie bij alle andere gerechten volgt. Door deze wijze van uitrol worden risico’s bij de implementatie van de digitalisering zo klein mogelijk gehouden. Daarbij houd ik mijn toezegging gestand dat iedere volgende fase in de uitrol pas van start gaat als mij door de Raad voor de rechtspraak en de betrokken ketenpartijen wordt verzekerd dat het digitale systeem goed en betrouwbaar werkt en klaar is voor het verdere gebruik in de praktijk.

De leden van de SP-fractie geven aan dat de memorie van antwoord op vragen van de leden van de D66-fractie met betrekking tot de implementatie van de wetsvoorstellen meldt dat de invoering gefaseerd zal plaatsvinden en dat de gerechten er fasegewijs aan kunnen wennen, zodat de betrokken partijen de gelegenheid krijgen zich op de inwerkingtreding voor te bereiden. Zij vragen of die handelwijze ook in praktijk wordt gebracht en of er bij gerechten niet op de feiten vooruitgelopen wordt.

Zoals ik hiervoor heb vermeld, wordt er bij elke zaakstroom gestart met een verplichte pilot en/of een vrijwillige experimenteerfase in een of meer gerechten. Dit biedt de gerechten en de ketenpartijen de gelegenheid zich op de inwerkingtreding voor te bereiden. De experimenteerfase voorafgaand aan Civiel 1.0 bij de rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland biedt deze gerechten de mogelijkheid om op kleine schaal te wennen aan de digitalisering. Advocaten kunnen gedurende deze experimenteerfase een zaak vrijwillig langs elektronische weg indienen en digitaal voortprocederen. Bij Bestuur 0.9 (de asiel- en bewaringszaken) is deze experimenteerpilot in zijn algemeenheid naar tevredenheid verlopen. Voor de civiele zaken met verplichte procesvertegenwoordiging (Civiel 1.0) zal deze experimenteerfase bij de rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland aanvangen na de publicatie van de eerste drie wetten in het Staatsblad. Na een half jaar wordt aan de hand van de ervaringen in deze pilot besloten of het systeem gereed is voor de eerste uitrol, dat wil zeggen de verplichte pilotfase bij de twee genoemde gerechten. In deze pilotfase is digitaal procederen voor alle professionele partijen verplicht. Als deze pilot naar wens verloopt, volgt landelijke invoering bij alle gerechten. Voor deze gefaseerde uitrol van de digitalisering worden tijdig de benodigde inwerkingtredingsKB’s opgesteld en in het Staatsblad gepubliceerd.

Ter voorbereiding van de inwerkingtreding hebben alle gerechten een KEI team met een lokale KEI projectleider beschikbaar. Maandelijks vindt er een lokaal KEI projectleidersoverleg plaats. Daar vindt de afstemming plaats en wordt door KEI Rechtspraak telkens de dan benodigde informatie verschaft. De directie van KEI Rechtspraak en medewerkers van het landelijke KEI-team zijn bij die bijeenkomsten aanwezig. Tevens wordt hier bewaakt of er bij de gerechten niet op de feiten vooruit wordt gelopen en of de nodige voorbereidingshandelingen op de locaties worden verricht.

Volgens de leden van de SP-fractie zijn er onlangs bij gerechten al mededelingen naar het personeel gestuurd met de boodschap dat de reorganisatie vanwege de KEI-wetsvoorstellen al op 1 maart 2016 van start gaat, omdat de Raad en de presidenten dat beslist hebben. Deze leden willen graag weten of gelet op de duur van het ontwikkelingsproces van KEI en de datum van volledige inwerkingtreding van KEI het passend en juist wordt geacht dat nu reeds de reorganisatie vanwege KEI wordt ingezet.

Als gevolg van de digitalisering van de procesgang vervalt een belangrijk deel van het administratieve werk. De genoemde leden merken terecht op dat de reorganisatie in het kader van het programma KEI Rechtspraak voor veel medewerkers zwaar zal vallen vanwege het verlies van banen. Ook voor andere medewerkers zal deze ontwikkeling belastend zijn. Door de gefaseerde invoering van de digitalisering zal het werk gefaseerd komen te vervallen, wat zorgt voor een complexe reorganisatie. Daarbij bestaat de verwachting dat het voor de groep medewerkers die wordt geraakt door het digitaliseringsprogramma (schalen 4 t/m 7) niet eenvoudig zal zijn om ander werk te vinden. Om die reden is vroegtijdig (begin 2015) gestart met overleg met de medezeggenschap (de centrale ondernemingsraad, lokale ondernemingsraden en bonden) over het beste scenario om met deze reorganisatie om te gaan. Vanuit goed werkgeverschap en op uitdrukkelijk verzoek van de medezeggenschap is er voor gekozen versneld te starten met de reorganisatie, zodat de mensen die het betreft (tijdig) gebruik kunnen maken van het vigerend sociaal flankerend beleid (Van Werk Naar Werk-beleid). Met ingang van 1 maart jl. zijn de doelgroepen die door de digitalisering worden geraakt, aangemerkt als vrijwillige VWNW-kandidaat. Het gaat om circa 2.150 medewerkers. De Rechtspraak streeft ernaar om per 1 december 2016 de medewerkers te kunnen berichten wie geplaatst kan worden in de nieuwe organisatie en welke medewerkers boventallig zijn geworden. Zo krijgen de desbetreffende medewerkers binnen afzienbare tijd meer duidelijkheid over hun toekomstperspectief bij de Rechtspraak, kunnen zij gebruik maken van de voorzieningen van het VWNW-beleid en hebben zij de tijd om zo nodig ander werk te vinden. Met de medezeggenschap is afgesproken dat de VWNW-onderzoeken voor alle schalen 4 en 5, die zijn aangewezen als vrijwillige VWNW-kandidaat, voor 1 december 2016 worden uitgevoerd. Dat betreft circa 500 mensen.

6. De papieren rechtsgang

De leden van de SP-fractie vragen naar de situatie waarin de ene partij, A, als natuurlijk persoon niet op digitale wijze procedeert, maar de papieren rechtsgang volgt en de andere partij, B, via een advocaat langs digitale weg procedeert. Zij willen weten hoe in die situatie het papieren dossier wordt vertaald naar c.q. omgezet wordt in een digitaal dossier en andersom, wie voor welke werkzaamheden verantwoordelijk is (van A naar B en vice versa) en hoe de rechter respectievelijk rechtbank deze vertaalslag naar twee kanten toe moet maken. Zij vragen ook of de rechtbank in een en dezelfde zaak deels met een papieren dossier moet werken en deels met een digitaal dossier en wie de kosten hiervan moet dragen.

Zoals de genoemde leden terecht opmerken, blijft de «papieren rechtsgang» open voor natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. In het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursrecht worden ook buitenlandse rechtspersonen van de verplichting tot digitaal procederen uitgesloten.

Voor de stukken die op papier binnenkomen richt de Rechtspraak een scan- en verzendproces in. Daarbij wordt er voor zorggedragen dat deze stukken conform de geldende voorschriften onder substitutie worden gescand en in het digitale dossier worden opgenomen, zodat de rechter niet met een papieren dossier zal hoeven te werken. Hierop bestaan enkele uitzonderingen, zoals bij vertrouwelijke stukken waarbij een beroep wordt gedaan op artikel 8:29 Awb. De wederpartij van een op papier procederende partij heeft toegang tot het digitale dossier en zal daarin de gescande stukken kunnen inzien. De Rechtspraak zal berichten en stukken voor professionele partijen die in het digitale dossier raadpleegbaar zijn, aan op papier procederende partijen op de gebruikelijke wijze per post doen toekomen.

De vraag van de leden van de SP-fractie geeft mij aanleiding om op te merken dat recent nog de zorg werd geuit dat kwetsbare mensen straks niet meer hun verhaal zouden kunnen doen bij de kantonrechter. Ik wil deze zorg nogmaals wegnemen, omdat deze ongegrond is. Het is niet zo dat de rechtspraak voor iedere procesdeelnemer geheel digitaal zal worden. Natuurlijke personen die procederen zonder professionele rechtsbijstand behouden de mogelijkheid om op papier te procederen en kunnen mondeling hun verhaal blijven doen ten overstaan van de kantonrechter. Zij worden niet verplicht om digitaal te procederen. Ook voor partijen voor wie digitaal procederen verplicht wordt, zal er nog steeds, zoals dat nu ook gebeurt, een mondelinge behandeling kunnen worden gehouden. De mondelinge behandeling vormt zelfs het hart van de nieuwe, vereenvoudigde basisprocedure. Voorts wil ik nogmaals benadrukken dat een natuurlijke persoon tegen wie een vordering is ingediend bij de kantonrechter nooit bij verstek kan worden veroordeeld zonder dat hij op de hoogte is van de vordering die tegen hem is ingesteld. De rechter verleent pas verstek nadat een deurwaarder een oproepingsbericht bij de verweerder heeft betekend. In dat oproepingsbericht staat dat mondeling verweer kan worden gevoerd. Ook kunnen straks nog steeds, als de betrokken persoon niet wordt bijgestaan door een professionele rechtsbijstandsverlener, papieren stukken worden ingediend in het kader van het te voeren verweer. De drempel voor deze mensen blijft dan ook onverkort laag, zodat de toegang tot de rechter in alle gevallen gewaarborgd blijft.

7. Elektronische identificatie en authenticatie

Voor de elektronische identificatie en authenticatie zal gebruik worden gemaakt van DigiD, de advocatenpas en in de toekomst private en publiek eID-middelen. Uw Kamer heeft diverse malen tijdens debatten aandacht gevraagd voor de betrouwbaarheid van DigiD. In een motie van het lid Duthler van 7 oktober 2014 (Kamerstuk I, 2014/15, CVIII, I) is de regering gevraagd de verbetering van de betrouwbaarheid van DigiD voortvarend ter hand te nemen.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe het staat met de uitvoering van deze motie. Ook vragen zij of Idensys, dat de nieuwe standaard voor online identificatie wordt, in de plaats komt van DigiD. De aan het woord zijnde leden vragen daarbij ook welke verbeterpunten zijn te verwachten ten opzichte van de kwaliteit en vooral de betrouwbaarheid van het huidige DigiD.

Het kabinet zet voor elektronische identificatie en authenticatie in op een «multimiddelenstrategie». Voor meer informatie hierover verwijs ik de leden van de VVD-fractie graag naar de brieven hierover van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) (Kamerstukken II, 26 643, nrs. 299, 308, 315, 349, 352, 363, 371, 372 en 379). Om de betrouwbaarheid en veiligheid van het inloggen bij elektronische diensten te vergroten, worden door de Minister van BZK uniforme wettelijke eisen geformuleerd voor toelating van publieke en private eID-middelen tot het BSN-domein. Deze ambitie betekent niet dat de betrouwbaarheid van DigiD op dit moment onvoldoende is om digitaal toegang te krijgen tot de rechter. DigiD wordt momenteel ook gebruikt bij het digitaal doen van belastingaangifte, het digitaal aanvragen van voorzieningen bij de gemeente en bij tal van andere overheidsinstanties. Wel is in de nabije toekomst vanwege het toenemend aantal elektronische gevoelige transacties en daaraan verbonden risico’s, een hogere betrouwbaarheid en veiligheid bij het inloggen nodig. De Minister van BZK heeft in zijn brief van 8 december 2015 (Kamerstukken II 2015/16, 26 643, nr. 373) duidelijkheid verschaft over zijn verantwoordelijkheid voor het geven van toestemming aan authenticatiediensten voor het verlenen van toegang tot elektronische diensten in het BSN-domein. Dit betekent dat de private authenticatiediensten die voldoen aan de bij wet te stellen eisen, ten behoeve van de dienstverlening in het BSN-domein de toestemming van de Minister zullen moeten hebben. Er lopen pilots met erkende Idensys-leveranciers om de toegang tot publieke dienstverlening met private inlogmiddelen uit te testen. Ook lopen er pilots om het publieke middel DigiD te versterken met een zogeheten «remote document authentication». Verder zijn er pilots in de gemeenten Den Haag (met de Nederlandse Identiteitskaart, waaraan eID-functionaliteit is toegevoegd), Eindhoven en Groningen met een specimen van het rijbewijs (eveneens uitgerust met eID-functionaliteit).

Om de vertrouwelijkheid van het berichtenverkeer met de rechter zo veel mogelijk te waarborgen, schrijft het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht een tweefactor-authenticatie voor. Dat houdt in dat wanneer gebruik wordt gemaakt van DigiD de burger naast het inloggen met een gebruikersnaam en wachtwoord een verificatiecode dient in te voeren die hij per sms ontvangt. De Rechtspraak heeft DigiD aangewezen als authenticatiemiddel voor natuurlijke personen en eHerkenning als authenticatiemiddel voor rechtspersonen. Om de voorzieningen die de Rechtspraak digitaal beschikbaar stelt, toegankelijk te maken en te houden voor burgers en bedrijven, is van belang dat er voldoende en betrouwbare en gebruikersvriendelijke door de overheid toegestane middelen beschikbaar zijn. Dat is nu het geval.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Letter F heeft alleen betrekking op wetsvoorstel 34 059.