Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 december 2015
U ontvangt twee keer per jaar een voortgangsrapportage Versterking Prestaties Strafrechtketen.
Bijgevoegd treft u de rapportage aan over de tweede helft van 20151.
Sinds de vorige rapportage hebben de betrokken ketenorganisaties op het gebied van
de samenwerking niet stilgezeten. De ontstane hechte samenwerking heeft, zoals blijkt
uit bijgevoegde en eerdere rapportages, al tot de nodige resultaten geleid. Tegelijk
met de ontwikkeling van deze samenwerking is het besef gegroeid dat het met het oog
op de toekomst van belang is om de samenwerking een duurzaam karakter te geven. De
organisaties zien deze samenwerking als een noodzakelijke voorwaarde voor een strafrechtspleging
die ten volle bijdraagt aan een veilige en rechtvaardige samenleving, voldoet aan
alle eisen van een democratische rechtstaat en die het vertrouwen van de burger heeft.
Een standpunt dat mijn volledige instemming heeft.
De focus van de samenwerking richt zich primair op de rechtspleging die zichtbaar
en voelbaar voor de burger plaatsvindt op vooral lokaal en regionaal niveau. Ter ondersteuning
hiervan hebben de politie, OM en ZM samen met het departement besloten een permanent
Bestuurlijk Strafrechtketenberaad in het leven te roepen. Dit beraad zal zich met
de benodigde ondersteuning richten op een verdere versterking van de ketenprestaties
en het vertrouwen van de samenleving in het strafrecht. Hieronder wordt bijvoorbeeld
verstaan de verbetering van de logistieke samenwerking, zoals de verdere ontwikkeling
en inrichting van de gezamenlijke (IT-)voorzieningen. Ook wordt – in het licht van
het vertrouwen van de burger – geïnventariseerd hoe met gebruikmaking van de bestaande
monitors de waardering van de burger over de strafrechtketen kan worden gemeten.
Met de komst van de Strafrechtketenmonitor is het inzicht in de prestaties van de
keten aanzienlijk verbeterd. Mede op basis van deze monitor zal het Strafrechtketenberaad
een aantal prestatie-indicatoren ontwikkelen, waarmee de (ontwikkeling van de) kwaliteit
van de prestaties nog beter inzichtelijk wordt.
Zoals in de vorige rapportage is toegezegd zal ook een ketendoelstelling worden ontwikkeld
voor de doorlooptijd van zaken die aan de rechter worden voorgelegd. Onder verantwoordelijkheid
van het WODC is kwalitatief onderzoek gaande naar de te verwachten effecten van een
aantal ketenverbetermaatregelen op de doorlooptijden. Op basis van dit onderzoek en
een kwantitatieve analyse van de huidige doorlooptijden zal de doelstelling worden
geformuleerd. Ik zal u over de uitkomst hiervan en de ontwikkeling van de prestatie-indicatoren
in de eerstvolgende voortgangsrapportage nader berichten.
Rest mij u nog gevolg te geven aan twee toezeggingen die ik heb gedaan tijdens het
Algemeen Overleg Strafrechtelijke onderwerpen op 4 november jongstleden (Kamerstuk
29 279, nr. 294).
Ik zegde toe u te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de verbetering
van het identificatieproces. De identiteitsvaststelling van de verdachte is primair
de verantwoordelijkheid van de politie die conform de geldende regels op dit gebied
zal handelen. Verder geldt sinds 1 oktober 2015 als uitgangspunt dat de officier van
justitie zich ervan vergewist dat: (I) de identiteit van de verdachte op de voorgeschreven
wijze is vastgesteld, (II) het proces-verbaal het strafrechtketennummer (SKN) van
de verdachte vermeldt en (III) de bijbehorende identiteitsstaat aanwezig is in het
dossier. Zonder deze gegevens neemt het OM in beginsel geen afdoeningsbeslissing over
de zaak.
Ook vroeg u tijdens het AO om een reactie op het krantenbericht «Politie-app wordt
feest voor hackers» in het Algemeen Dagblad van 4 november 2015. Dit bericht richtte
zich op de ontwikkeling van het project Mobiel Effectief op Straat (MEOS), waarvan
de stand van zaken in bijgevoegde rapportage wordt toegelicht. Gedurende de ontwikkeling
van de applicaties, het technisch platform en de smartphone is binnen MEOS veel aandacht
besteed aan het analyseren van veiligheidsrisico’s en aan de maatregelen die nodig
zijn om deze af te dekken, zowel door de politie zelf als door externe partijen. Voorafgaand
aan het besluit over de landelijke uitrol zal de informatiebeveiliging van de smartphone
en applicaties, waaronder de bescherming van persoonsgegevens, nogmaals worden getoetst.
Ten aanzien van de MEOS-app zullen ook na de uitrol doorlopend risicoanalyses worden
opgesteld.
Overigens heb ik u op 23 november jl.2 geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van de herijking bij de nationale
politie. Daarin wordt het proces naar een bijgesteld IV-portfolio van de politie in
het voorjaar van 2016, die ook een aantal projecten van het programma VPS omvat, beschreven.
De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur