Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201629279 nr. 295

29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

Nr. 295 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 december 2015

U ontvangt twee keer per jaar een voortgangsrapportage Versterking Prestaties Strafrechtketen. Bijgevoegd treft u de rapportage aan over de tweede helft van 20151.

Sinds de vorige rapportage hebben de betrokken ketenorganisaties op het gebied van de samenwerking niet stilgezeten. De ontstane hechte samenwerking heeft, zoals blijkt uit bijgevoegde en eerdere rapportages, al tot de nodige resultaten geleid. Tegelijk met de ontwikkeling van deze samenwerking is het besef gegroeid dat het met het oog op de toekomst van belang is om de samenwerking een duurzaam karakter te geven. De organisaties zien deze samenwerking als een noodzakelijke voorwaarde voor een strafrechtspleging die ten volle bijdraagt aan een veilige en rechtvaardige samenleving, voldoet aan alle eisen van een democratische rechtstaat en die het vertrouwen van de burger heeft. Een standpunt dat mijn volledige instemming heeft.

De focus van de samenwerking richt zich primair op de rechtspleging die zichtbaar en voelbaar voor de burger plaatsvindt op vooral lokaal en regionaal niveau. Ter ondersteuning hiervan hebben de politie, OM en ZM samen met het departement besloten een permanent Bestuurlijk Strafrechtketenberaad in het leven te roepen. Dit beraad zal zich met de benodigde ondersteuning richten op een verdere versterking van de ketenprestaties en het vertrouwen van de samenleving in het strafrecht. Hieronder wordt bijvoorbeeld verstaan de verbetering van de logistieke samenwerking, zoals de verdere ontwikkeling en inrichting van de gezamenlijke (IT-)voorzieningen. Ook wordt – in het licht van het vertrouwen van de burger – geïnventariseerd hoe met gebruikmaking van de bestaande monitors de waardering van de burger over de strafrechtketen kan worden gemeten.

Met de komst van de Strafrechtketenmonitor is het inzicht in de prestaties van de keten aanzienlijk verbeterd. Mede op basis van deze monitor zal het Strafrechtketenberaad een aantal prestatie-indicatoren ontwikkelen, waarmee de (ontwikkeling van de) kwaliteit van de prestaties nog beter inzichtelijk wordt.

Zoals in de vorige rapportage is toegezegd zal ook een ketendoelstelling worden ontwikkeld voor de doorlooptijd van zaken die aan de rechter worden voorgelegd. Onder verantwoordelijkheid van het WODC is kwalitatief onderzoek gaande naar de te verwachten effecten van een aantal ketenverbetermaatregelen op de doorlooptijden. Op basis van dit onderzoek en een kwantitatieve analyse van de huidige doorlooptijden zal de doelstelling worden geformuleerd. Ik zal u over de uitkomst hiervan en de ontwikkeling van de prestatie-indicatoren in de eerstvolgende voortgangsrapportage nader berichten.

Rest mij u nog gevolg te geven aan twee toezeggingen die ik heb gedaan tijdens het Algemeen Overleg Strafrechtelijke onderwerpen op 4 november jongstleden (Kamerstuk 29 279, nr. 294).

Ik zegde toe u te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de verbetering van het identificatieproces. De identiteitsvaststelling van de verdachte is primair de verantwoordelijkheid van de politie die conform de geldende regels op dit gebied zal handelen. Verder geldt sinds 1 oktober 2015 als uitgangspunt dat de officier van justitie zich ervan vergewist dat: (I) de identiteit van de verdachte op de voorgeschreven wijze is vastgesteld, (II) het proces-verbaal het strafrechtketennummer (SKN) van de verdachte vermeldt en (III) de bijbehorende identiteitsstaat aanwezig is in het dossier. Zonder deze gegevens neemt het OM in beginsel geen afdoeningsbeslissing over de zaak.

Ook vroeg u tijdens het AO om een reactie op het krantenbericht «Politie-app wordt feest voor hackers» in het Algemeen Dagblad van 4 november 2015. Dit bericht richtte zich op de ontwikkeling van het project Mobiel Effectief op Straat (MEOS), waarvan de stand van zaken in bijgevoegde rapportage wordt toegelicht. Gedurende de ontwikkeling van de applicaties, het technisch platform en de smartphone is binnen MEOS veel aandacht besteed aan het analyseren van veiligheidsrisico’s en aan de maatregelen die nodig zijn om deze af te dekken, zowel door de politie zelf als door externe partijen. Voorafgaand aan het besluit over de landelijke uitrol zal de informatiebeveiliging van de smartphone en applicaties, waaronder de bescherming van persoonsgegevens, nogmaals worden getoetst. Ten aanzien van de MEOS-app zullen ook na de uitrol doorlopend risicoanalyses worden opgesteld.

Overigens heb ik u op 23 november jl.2 geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van de herijking bij de nationale politie. Daarin wordt het proces naar een bijgesteld IV-portfolio van de politie in het voorjaar van 2016, die ook een aantal projecten van het programma VPS omvat, beschreven.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Kamerstuk 29 628, nr. 591.