Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201626643 nr. 373

26 643 Informatie- en communicatietechnologie (ICT)

Nr. 373 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 december 2015

Met deze brief informeer ik uw Kamer, mede namens de Minister van Economische Zaken en de Minister voor Wonen en Rijksdienst, over de uitgangspunten voor wetgeving ter ondersteuning van het voornemen uit het Regeerakkoord, dat burgers en bedrijven uiterlijk in 2017 zaken die ze met de overheid doen, digitaal kunnen afhandelen. De digitale weg staat weliswaar ook nu veelal open voor burgers en bedrijven, maar nog niet overal optimaal bijvoorbeeld in de zin van uniformiteit. Dat wordt met de generieke digitale infrastructuur gerealiseerd.

Het afgelopen jaar hebben alle overheidsorganisaties gezamenlijk en afzonderlijk, bij Rijk, uitvoering en medeoverheden, grote inspanningen geleverd om de realisatie van die doelstelling naderbij te brengen. Het voornemen uit het Regeerakkoord is een stevige ambitie die zowel digitalisering van producten en diensten, als wetgeving betreft. Wetgeving schept het kader waarbinnen in gezamenlijkheid verder wordt gewerkt aan deze ambitie. Het jaar 2017 zal het ijkpunt van dit proces zijn. Digitaal 2017 zal leiden tot verdere digitalisering van de dienstverlening. De dienstverlening van de meest gebruikte producten en diensten, met name die van de grote uitvoeringsorganisaties van het Rijk, zullen daarbij voorop lopen. Het streven is dat in 2017 diensten en producten 100% digitaal beschikbaar zijn. Echter digitalisering houdt nooit op. Gegeven het feit dat technologie zich in rap tempo ontwikkelt, blijft inzet op verdergaande digitalisering ook nodig. Overheden zijn met elkaar hard op weg om dit te realiseren. De wetgeving zal dit proces van voortschrijdende digitalisering dan ook ondersteunen en is nodig om waarborgen en rechtszekerheid aan burgers en bedrijven te bieden voor deze digitaal optredende overheid. Daarnaast beoogt wetgeving een eenduidige wijze van informatieverschaffing door, en communicatie met de overheid te regelen voor burgers en bedrijven. Met burgers en bedrijven worden in deze brief ook Nederlanders en Nederlandse bedrijven in het buitenland bedoeld, en ingezetenen in Nederland die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten of buitenlandse bedrijven in Nederland. Het beoogde einddoel waaraan wetgeving bijdraagt, is dat burgers en bedrijven eenvoudig en snel de overheid kunnen vinden, en betrouwbare en veilige dienstverlening kunnen krijgen, plaats- en tijdonafhankelijk.

De beoogde wetgeving draagt ook bij aan het voornemen voor het realiseren van een «recht op elektronisch zakendoen» zoals neergelegd in het Regeerakkoord1 en uitgewerkt in de Visiebrief Digitaal 20172. Uitgangspunt bij dat recht op elektronisch zaken doen is dat burgers en bedrijven in staat worden gesteld om hun zaken met de overheid digitaal af te doen. Voor mensen die minder zelfredzaam zijn en niet over voldoende digitale vaardigheden beschikken, blijft een alternatief beschikbaar. Het is mogelijk dat de wetgever kiest voor uitsluitend digitaal verkeer met burgers en bedrijven voor bepaalde bestuursorganen, zoals in de sociale zekerheidswetgeving3 en voor de fiscale en toeslagwetgeving is gebeurd4. Ook dan zal worden gezorgd voor ondersteuning van minder zelfredzamen. Om te zorgen dat deze mensen geen nadeel ondervinden van een – ook buiten het overheidsdomein – steeds verder digitaliserende samenleving, zal de nadruk daarbij liggen op het hen leren hoe zij hun zaken zelf digitaal kunnen doen en de weg wijzen naar mogelijkheden om hier hulp bij te krijgen (eigen netwerk of (overheids)instanties).

Achtergrond

In de brief Tussenbalans Digitale overheid5, en ook in voorgaande brieven zoals de Visiebrief Digitaal 20176 zijn de doelen, ontwikkeling en voortgang van het overheidsbrede digitaliseringsproces uitvoerig beschreven. In de Tussenbalans heb ik samen met mijn collega van Economische Zaken aangegeven een gezamenlijke wetgevingsagenda op te stellen voor het elektronisch zakendoen voor burgers en bedrijven met de overheid. In de brief van 25 augustus 2015 is de planning voor dit wetgevingsproces geschetst7. De ontwikkeling van de digitale overheid gaat gestaag voort, zoals ik uw Kamer in het Algemeen Overleg ICT-aangelegenheden, digitale dienstverlening door de overheid van 20 mei jl.8 heb gemeld.

Met de beoogde wetgeving wordt een juridische basis gelegd onder voorzieningen en standaarden van de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI). De GDI draagt bij aan de realisatie van een goed werkende en samenhangende digitale overheid die burgers en bedrijven verwachten: uitvoeringsprocessen zijn op elkaar afgestemd, informatie is makkelijk vindbaar en transacties zijn eenvoudig uitvoerbaar. Door slim te digitaliseren en gebruik te maken van generieke voorzieningen wordt de dienstverlening anders en beter georganiseerd, waardoor het geheel efficiënter wordt. Versnippering van een goed functionerende overheid wordt voorkomen door het gebruik van generieke digitale voorzieningen te bevorderen. Tevens wordt de vindbaarheid, begrijpelijkheid en herkenbaarheid van digitale dienstverlening gewaarborgd.

De keuze voor generieke voorzieningen wordt gezamenlijk door overheidspartijen, Rijk en medeoverheden, gemaakt. Daar waar, gelet op het sectorale karakter van de dienstverlening, generieke voorzieningen minder voor de hand liggen, kunnen standaarden worden aangewezen die zorgen voor interoperabiliteit en/of beveiliging. Een voorbeeld is een standaard, waarmee gezorgd wordt dat rapportages uit private softwarepakketten, kunnen aansluiten op gegevensstandaarden in systemen bij de overheid9. Of een voorziening als Digipoort, het elektronisch postkantoor van de rijksoverheid dat zorgt voor een veilige en snelle verzending van berichten tussen de overheid en bedrijven.

Met de generieke voorzieningen wordt niet beoogd sectorspecifieke dienstverlening over te nemen. Generieke voorzieningen zijn bedoeld om gebruiksgemak en waarborgen voor burgers en bedrijven te bieden. De GDI zorgt voor uniformiteit en standaardisering op het terrein van algemene veilige digitale toegang tot generieke overheidsdienstverlening, uniforme digitale informatieverstrekking door en voor de overheid, veilig en betrouwbaar digitaal verkeer en (kosten)efficiëntie en hergebruik in de digitale gegevenshuishouding. De GDI wordt in toenemende mate gebruikt door bestuursorganen, hun ketenpartners, vele andere publieke organisaties en een aantal private partijen.

In het afgelopen decennium is fors geïnvesteerd in het realiseren van bouwstenen van de GDI, zoals DigiD, het digitale Ondernemersplein en MijnOverheid. Er zijn interbestuurlijke afspraken en convenanten gemaakt over het gebruik van deze generieke voorzieningen en dat heeft ertoe geleid dat stappen zijn gezet in het aansluiten op en het gebruik van de GDI.

Voor een ander deel hebben voorzieningen ook al een wettelijke basis, zoals het Ondernemersplein, dat in de Wet op de Kamer van Koophandel is geregeld, of het centraal informatieloket voor dienstverleners, dat in de Dienstenwet is omschreven.

De beoogde wetgeving vormt het sluitstuk op de vele afspraken, convenanten en coalities van partijen of breidt bestaande wettelijke kaders rond voorzieningen uit.

Het kabinet heeft de in 2014 aangetreden Digicommissaris dan ook de taak gegeven als overheidsbrede regisseur te sturen op de doorontwikkeling van de GDI en het gebruik daarvan te stimuleren10.

Techniekonafhankelijke wetgeving in tranches

Technische innovaties moeten ook in de toekomst onder de wetgeving een plek kunnen krijgen. Wetgeving zal daarom techniekonafhankelijk zijn en bepalingen en bevoegdheden bevatten die noodzakelijk zijn voor de eenduidige informatieverschaffing door, en communicatie met, de overheid voor burgers en bedrijven. De GDI is een dynamisch concept11. Bovendien zal de GDI zich door nieuwe technologische mogelijkheden, doorontwikkelingen, en alternatieve vormen van communicatie verder ontwikkelen. Daarom worden geen voorzieningen in het wetsvoorstel genoemd. Wel worden functionaliteiten omschreven, hetgeen betekent dat de werkzaamheid van een voorziening, of dat wat een voorziening moet kunnen of bieden, wordt vastgelegd. Daarnaast worden randvoorwaarden ingevuld via aanwijzing van standaarden, bijvoorbeeld een standaard voor beveiliging.

In overleg met de rijksoverheid, medeoverheden en overige bestuursorganen, partijen bij de GDI, zal de voorziening bij lagere regelgeving worden aangewezen. Bij dit overleg zal gebruik gemaakt worden van de overlegstructuur van de digicommissaris. Een uitvoeringstoets en inzicht in de financiële consequenties voor de genoemde partijen zijn onderdeel van deze afstemming. Het tempo en de wijze van implementatie ligt bij die partijen zelf. Indien blijkt dat de kosten voor de aansluiting op de aan te wijzen voorziening voor een bepaalde genoemde partij onoverkomelijk zijn, kan de betrokken partij tijdelijk worden uitgezonderd middels een besluit van de ministerraad. Indien de implementatie en aansluiting door een partij op de desbetreffende GDI voorziening ernstig wordt vertraagd en dit het gebruik van deze voorziening door anderen ook hindert, kan de Minister van BZK deze vertraging ter bespreking en besluitvorming voorleggen aan de ministerraad.

Het kabinet kiest ervoor de wetgeving in tranches tot stand te brengen. Mede op basis van de Visiebrief Digitaal 201712 wordt een afweging gemaakt omtrent de onderwerpen die als eerste zouden moeten worden geregeld en de onderwerpen die in de volgende tranches worden uitgewerkt.

In de eerste tranche komen zaken aan bod met de grootste en snelst realiseerbare bijdrage aan de beleidsdoelstellingen van de digitale overheid. Het betreft rechten, verplichtingen en bevoegdheden over identificatie, authenticatie en machtiging zodat burgers en bedrijven eenduidig toegang tot de overheid krijgen, over de ontsluiting van algemene overheids- en persoonsgebonden informatie, over standaarden (waaronder webrichtlijnen en interoperabiliteit), informatieveiligheid, de naleving daarvan en de inrichting van het toezicht daarop. De uitgangspunten voor de eerste tranche, die in deze brief worden benoemd, worden in overleg met betrokken departementen en uitvoeringsorganisaties tot stand gebracht. Het gebruik van kennis en kunde van de uitvoering is van belang. Daarom zal de uitwerking in lagere regelgeving en het vaststellen van de volgende tranches, in overleg met diezelfde partners, kabinet, medeoverheden en uitvoering gebeuren.

Verplichting bestuursorganen

In beginsel worden alle bestuursorganen met deze wetgeving verplicht om aan te sluiten op in lagere regelgeving vastgelegde voorzieningen van de GDI om informatie te ontsluiten, informatie te ontvangen en informatie met burgers en bedrijven uit te wisselen. Bepaalde (categorieën) bestuursorganen (of processen van bestuursorganen), kunnen op grond van de wetgeving tijdelijk worden uitgezonderd indien dat nodig is voor technische verantwoorde of kostenbewuste invoering. Het kan wenselijk zijn, om bepaalde (processen van) bestuursorganen (bijv. bepaalde processen bij het OM en politie, en bestuursorganen zonder openbaar gezag) van de werkingssfeer van deze wet uit te sluiten, indien het vanwege het ontbreken van praktische betekenis niet in de rede ligt dat zij de bepalingen toepassen. Ook van bijvoorbeeld veiligheidsdiensten ligt het mogelijk in de rede dat zij buiten de werkingssfeer van deze wet vallen.

In lagere regelgeving worden uitgezonderde bestuursorganen aangewezen. Wel geldt dat de uitzonderingsmogelijkheid terughoudend moet worden toegepast; nut en noodzaak van een dergelijke aanwijzing moeten worden aangetoond.

Het kan ook zinvol blijken om organisaties, niet zijnde bestuursorganen (bijvoorbeeld bepaalde organisaties die het Burgerservicenummer mogen gebruiken, of essentiële ketenpartners) voor het geheel of een gedeelte van hun werkzaamheden onder de werkingssfeer van de wetgeving te brengen. Dit is echter maatwerk en zal dus van geval tot geval worden bekeken met mijn collega’s in het kabinet.

Non-exclusiviteit

De verplichting voor bestuursorganen laat de mogelijkheid onverlet dat bestuursorganen naast de voorzieningen van de GDI ook andere voorzieningen gebruiken in de communicatie met burgers en bedrijven (non-exclusiviteit).

Om de eenduidigheid ten aanzien van veiligheid en interoperabiliteit van de GDI en andere voorzieningen te waarborgen, gelden ten aanzien van die andere voorzieningen, al dan niet aangesloten op de GDI, dezelfde eisen met betrekking tot veiligheid en interoperabiliteit als voor de GDI. Het is immers belangrijk dat burgers en bedrijfsleven in vergelijkbare situaties hetzelfde niveau van veiligheid van de overheid kunnen verwachten.

Zorgvuldige invoering

Het verplichte gebruik van generieke voorzieningen heeft in potentie impact op bedrijfsprocessen van (mede)overheden en uitvoeringsorganisaties. De invulling van de functionaliteiten in wetgeving vergt dan ook goede afstemming met de partners binnen de GDI. Duidelijk moet zijn dat de verplichting meerwaarde biedt voor burgers en bedrijven in hun gebruikmaking van de diensten van de digitale overheid. Het gaat om voorzieningen waarbij gezamenlijkheid bijdraagt aan een betere digitale dienstverlening.

De invoering vergt zorgvuldigheid. Daarom zal ex-ante onderzoek worden gedaan naar de implicaties van wetgeving op de uitvoering. Dit zal een voortdurend onderwerp van gesprek moeten zijn tussen de partners die gebruikmaken van de GDI. Daar waar nieuwe voorzieningen in de plaats van al bestaande komen, zal de governance en financiering met diezelfde partners vooraf georganiseerd moeten worden. Bij de bouw op projecten van meer dan 5 miljoen euro zal toetsing door Bureau ICT-toetsing niet ontbreken. Overheidsorganisaties zullen een implementatieperiode krijgen. Alle ministers zullen verantwoordelijk worden om op de invoering van deze wetgeving in hun sector te sturen, in samenhang met de implementatie van de sectorspecifieke digitale infrastructuur.

Hierna wordt de opbouw van de eerste tranche van het wetsvoorstel geschetst.

Eenduidige toegang tot de algemene overheidsinformatie

Burgers en bedrijven moeten eenvoudig algemene overheidsinformatie en bekendmakingen kunnen vinden. Voorkomen moet worden dat overheidsinformatie, zoals informatie over openbare registers en databanken en over vergunningen en de rechtsmiddelen die hierbij openstaan, alleen verspreid over meerdere vindplaatsen te vinden zijn. Met wetgeving wordt informatie over het dienstenaanbod van bestuursorganen in elk geval via een generieke voorziening ontsloten. Hiermee wordt de vindbaarheid van overheidsinformatie voor burgers en bedrijven vergroot. Bestaande eigen informatieontsluiting kan blijven bestaan (non-exclusiviteit). Voorts moeten bestuursorganen dezelfde standaarden gaan gebruiken voor het publiceren en onderling uitwisselen van deze informatie. Gebruikmaking van de afgesproken standaarden zorgt voor een betere en betrouwbare samenwerking en informatie-uitwisseling tussen overheden, en dat is noodzakelijk voor het naar burgers en bedrijven kwalitatief kunnen ontsluiten van informatie van de gehele overheid. Uitgangspunt is uiteindelijk te komen tot een samenhangend concept voor de ontsluiting voor zowel burgers als bedrijven.

Eenvoudig overzicht over persoonsgebonden informatie

Ter versterking van hun (informatie)positie in relatie tot de overheid moeten burgers en bedrijven in staat worden gesteld overzicht te krijgen over de persoonsgebonden informatie en de informatie-uitwisseling, die ze met de overheid hebben. Deze informatie moet eenvoudig vindbaar zijn, doordat de toegang tot die informatie samenkomt in één domein en op die wijze eenduidig wordt aangeboden. Herkenbaarheid en overzicht helpt burgers en bedrijven efficiënt zaken te doen met bestuursorganen.

Veel bestuursorganen hebben een directe relatie met burgers of bedrijven. Vaak via eigen portalen waarop kan worden ingelogd, of dienstverlening die machine to machine 13 automatisch binnenkomt, zoals de ondernemer die direct vanuit zijn financiële administratiepakket zijn aangifte kan indienen bij de Belastingdienst. Dat is klantvriendelijk en efficiënt ten aanzien van de dienstverlening door het desbetreffende bestuursorgaan. Burgers en bedrijven hebben echter te maken met meerdere websites waar ze persoonsgebonden informatie moeten ophalen, terwijl ze overzicht en samenhang willen zien in hun contacten met de verschillende bestuursorganen. Daarbij is het uitgangspunt dat de toegang tot persoons- en bedrijfsgebonden informatie aan burgers en bedrijven wordt ontsloten via een generieke voorziening. Overigens hoeft dat niet te betekenen dat de gehele dienstverlening via die voorziening loopt. Het is van belang dat burgers en bedrijven hun persoonsgebonden informatie en diensten van de bestuursorganen wel kunnen bereiken via de verplichte voorziening.

Door met bestuursorganen een gestandaardiseerd en samenhangend gebruik van generieke voorzieningen voor aanbod van overheidsdienstverlening af te spreken, kunnen burgers en bedrijven zich verlaten op ten minste één voorziening van waaruit digitale informatie en informatie-uitwisseling met de overheid betrouwbaar kan worden afgedaan. De hier verplichte generieke ontsluiting van overheidsinformatie draagt bovendien bij aan de vindbaarheid en de duidelijkheid van de dienstverlening aan burgers en bedrijven. Uitgangspunt is ook hier uiteindelijk te komen tot een uniform concept voor zowel burgers als bedrijven.

Eenduidige elektronische toegangsvoorzieningen

Authenticatie (verifiëren van de identiteit), autorisatie (vaststellen van bevoegdheid) en wilsuiting bij het elektronisch/digitaal contact met de overheid moeten betrouwbaar zijn. Burgers en bedrijven kunnen in hun digitaal contact met de overheid beschikken over veilige en betrouwbare authenticatiemiddelen. Dit kan nu met een publiek authenticatiemiddel voor burgers (DigiD) en een privaat middel voor ondernemers (eHerkenning). Er worden met deze wetgeving geen besluiten genomen die in strijd zijn met de afspraken met uw Kamer14 over Idensys.

Verplichting Pas-toe-of-leg-uit-lijst

De overheid kent reeds een zorgvuldige procedure voor het vaststellen van standaarden. Via de governance structuur van de Digicommissaris (waarbinnen het College Standaardisatie is opgenomen) worden standaarden toegevoegd aan de zogenaamde pas-toe-of-leg-uit-lijst. Principe van deze lijst is dat overheden en semioverheden door onderlinge afspraken zijn verplicht om bij de aanschaf van ICT-producten en -diensten te kiezen voor de relevante standaarden van de pas-toe-of-leg-uit lijst. Overheden en semioverheden mogen alleen afwijken (d.w.z. «niet toepassen») ingeval van redenen van bijzonder gewicht15. Met wetgeving (bij AMvB) kunnen standaarden uit deze pas-toe-of-leg-uit-lijst wettelijk verplicht worden gesteld voor bestuursorganen. Behalve uniformering voor burgers en bedrijven, is ook interoperabiliteit van groot belang voor het garanderen van communicatie tussen (ICT-)systemen en het doelmatiger functioneren van de overheid.

Eén van de standaarden die met toepassing van deze regeling zal worden aangewezen is de standaard voor de toegankelijkheid van websites, de zogenoemde webrichtlijnen. De regering is gestart met het ratificatieproces van het VN verdrag voor rechten van mensen met een handicap. Dit brengt de verplichting mee om de toegankelijkheid van overheidswebsites wettelijk te regelen. Een dergelijke verplichting ontstaat ook, indien de Europese richtlijn toegankelijkheid overheidswebsites wordt aangenomen (verwachting medio 2016). Mede met het oog op deze aanstaande internationale verplichtingen en gezien de achterblijvende toepassing van de webrichtlijnen (sinds 2011), heeft de Minister van BZK in het algemeen overleg ICT van 20 mei jl. aangekondigd in de wetgeving GDI de verplichting tot toegankelijke overheidswebsites op te nemen.

Overige verplichtingen betreffen waarborgen voor de betrouwbaarheid en veiligheid van de informatiesystemen die aansluiten op voorzieningen uit de GDI. De veiligheidsnormen zijn gebaseerd op de algemene beginselen van behoorlijk ICT gebruik: beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid (informatiebeveiliging) alsmede authenticiteit, onweerlegbaarheid, transparantie en flexibiliteit. De invulling voor informatiebeveiliging houdt rekening met de afspraken over invoering die al gemaakt zijn in de verschillende overheidslagen of met verschillende ketenpartijen.

Samenhang met andere wetsvoorstellen

De beoogde wetgeving staat niet op zichzelf. Onderstaande wetsvoorstellen betreffen aanpassingen die betrekking hebben op de GDI. Een algemene basis voor het in het regeerakkoord opgenomen recht op elektronisch communiceren met de overheid wordt gelegd in een voorgenomen wijziging van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze wet bevat de algemene regels voor elektronisch verkeer tussen burgers en bestuursorganen. Thans geldt dat een bericht alleen elektronisch aan een bestuursorgaan kan worden gezonden als dat bestuursorgaan die weg heeft opengesteld. Deze regels worden zodanig gewijzigd dat ieder bestuursorgaan een methode moet aanwijzen waarmee elektronische berichten aan dat bestuursorgaan kunnen worden gezonden. Dat kunnen voor verschillende berichten verschillende methoden zijn. Een wetsvoorstel hiertoe wordt voorbereid samen met de Minister van Veiligheid en Justitie.

Het in de Awb te verankeren recht op elektronisch berichtenverkeer met de overheid, vult het kabinet in met de plicht voor bestuursorganen om aangesloten te zijn op de (voorzieningen van de) GDI en deze in hun verkeer met burgers en bedrijven daadwerkelijk te gebruiken.

Op 2 juli jl. heeft uw Kamer ingestemd met het door de Staatsecretaris van Financiën mede namens mij ingediende voorstel voor een Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst (EBV). Deze wet16 biedt de basis voor uitsluitend digitaal berichtenverkeer tussen de Belastingdienst enerzijds en belastingplichtigen, belastingschuldigen en toeslaggerechtigden anderzijds. In artikel X van dat de wet is een brede grondslag opgenomen voor een aantal generieke voorzieningen van de GDI die ook voor berichtenverkeer met de Belastingdienst worden ingezet. Concreet gaat het dan om MijnOverheid, DigiD en DigiD-Machtigen. Deze grondslag is nodig ter ondersteuning van uitsluitend digitale verkeer met de Belastingdienst. Met deze brede basis loopt het kabinet vooruit op de brede wettelijke regeling voor de gehele digitale infrastructuur waarvan in deze brief de contouren zijn geschetst. De regeling in artikel X van genoemd de genoemde wet is op dezelfde leest geschoeid als het beoogde wetsvoorstel voor de GDI en zal vervallen zodra dat wetsvoorstel GDI tot wet is verheven en in werking treedt.

Relevant in het licht van de verwerking van persoonsgegevens in generieke voorzieningen van de GDI is de implementatie, in de Wet bescherming persoonsgegevens, van de Richtlijn 95/46/EG van het Europees parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG 1995, L 281). De EU bereidt een privacyverordening (General Data Protection Regulation) voor, die Richtlijn 95/46/EG zal vervangen, als zij van kracht wordt. De Wbp en straks de EU-verordening stellen eisen aan de onder meer de juridische grondslag en het doel waarvoor persoonsgegevens verwerkt worden. Met het wetvoorstel GDI wordt gezorgd dat de verwerking van persoonsgegevens in voorzieningen van de GDI aan die eisen voldoet.

Een andere algemene wet betreft de Wet elektronische handtekeningen (artikel 3:15a ev. van het Burgerlijk Wetboek). Deze biedt een kader voor toepassing van elektronische handtekening en de rechtsgeldigheid daarvan in elektronische transacties. De regeling in artikel 3:15a ev. BW zal worden aangepast aan de EU-verordening «Elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van de Richtlijn 1999/93/EG», kortweg eIDAS-verordening. Het doel van deze verordening is om burgers en bedrijven de mogelijkheid te geven om hun nationale elektronische identificatiemiddelen (eID's) te gebruiken om toegang te krijgen tot overheidsdiensten in andere lidstaten die gebruikmaken van eID's. De regels die het wetsvoorstel GDI zal stellen over authenticatie zullen in overeenstemming zijn met de eIDAS-verordening.

Ook relevant in het licht van de regulering van de GDI is het wetsvoorstel Digitale publicatie algemene bekendmakingen en mededelingen17, waarin wordt geregeld dat terinzageleggingen en mededelingen die tot nu toe fysiek of in een huis-aan-huisblad plaatsvinden, voortaan kunnen worden gepubliceerd in de Staatscourant, een gemeenteblad, een provinciaal blad, etc. Deze publicaties worden ontsloten met een zoekfunctie op Overheid.nl (onderdeel van de GDI) en een attenderingsfunctie, waarmee belanghebbenden kunnen worden geattendeerd. Deze attendering kan worden aangepast aan de behoefte van de ontvanger (bijvoorbeeld wel/geen attendering, attendering op een bepaalde postcode). De beoogde inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is 1 januari 2018.

Voorts wordt de Handelsregisterwet 2007 aangepast. Het wetsvoorstel bevat maatregelen om de kwaliteit van de geregistreerde gegevens te verbeteren en een efficiënt gegevensverkeer te bevorderen. Beoogd is bijvoorbeeld ondernemers niet meer te vragen het aantal werkzame personen aan Kamer van Koophandel op te geven, maar de gegevens uit de Polisadministratie in het handelsregister op te nemen. Voor het realiseren van de maatregelen uit dit wetsvoorstel worden voorzieningen uit het stelsel van basisregistraties ingezet, dat onderdeel uitmaakt van de GDI. Ook het Handelsregister zelf maakt hier onderdeel van uit.

Planning

Gestreefd wordt het wetsvoorstel voor de eerste tranche bij de voorzitter van de Tweede Kamer eind 2016 aan te bieden. Beleidsmatige wensen bepalen de vormgeving en het tijdstip van inwerkingtreding van de volgende tranches.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Bruggen slaan – Regeerakkoord VVD – PvdA 29 oktober 2012

X Noot
2

Kamerstuk 26 643, nr. 280

X Noot
3

Artikel 32e, Wet Suwi.

X Noot
4

Kamerstuk 34 196, nrs. 13.

X Noot
5

Kamerstuk 26 643, nr. 316

X Noot
6

Kamerstuk 26 643, nr. 280

X Noot
7

Kamerstuk 29 362, nr. 247

X Noot
8

Kamerstuk 26 643, nr. 366

X Noot
9

XBRL (eXtensible Business Reporting Language)

X Noot
10

Kamerstuk 26 643, nr. 314

X Noot
11

Het Nationaal Beraad heeft op 30 september 2014 de definitie van de GDI vastgesteld. Zie hiervoor www.digicommissaris.nl.

X Noot
12

Kamerstuk 26 643, nr. 280

X Noot
13

Technologie die communicatie tussen machines ondersteunt.

X Noot
14

Kamerstuk 26 643, nr. 349

X Noot
16

(Handelingen II 2014/15, nr. 104, item 37)

X Noot
17

Dit wetsvoorstel is aangekondigd in de Visiebrief Digitaal 2017, Kamerstuk 26 643, nr. 280