Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433750-VIII nr. 61

33 750 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2014

Nr. 61 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 november 2013

Voor u ligt de Mediabegroting 2014, met de concrete uitwerking van en aanvulling op artikel 15 (media) uit de Rijksbegroting 2014 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW). Ik stuur u deze brief om het budget voor 2014 voor de media-instellingen, alsmede de taken die in de Mediawet 2008 zijn vastgelegd, vast te stellen.

Leeswijzer

De brief is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 1 bevat het financiële kader voor de periode 2014–2018. Ook bevat dit hoofdstuk enkele onderwerpen met een direct gevolg voor de begroting van 2014. Verder bevat hoofdstuk 1 de stand van zaken rondom de frictiekosten, waarmee een aantal media-instellingen te maken heeft. In hoofdstuk 2 vindt u een terugblik op de resultaten van de landelijke publieke omroep in 2012, een doorkijk naar de verwachtingen en doelstellingen voor 2014 en toelichting op de uitwerking van het regeerakkoord (inclusief de veranderingen bij de regionale publieke omroepen). In hoofdstuk 3 geef ik tot slot een toelichting op enkele andere media-instellingen die rechtstreeks door mij worden gefinancierd en geef ik de stand van zaken rond enkele moties en toezeggingen.

Toelichting op de publieke omroep

Een belangrijk onderwerp in deze brief is (de bezuiniging bij) de publieke omroep. In deze inleiding wil ik daarom stilstaan bij de ontwikkelingen die de publieke omroep zowel op de korte als op de lange termijn zal doormaken.

Uiterlijk op 1 januari 2014 kunnen de omroeporganisaties hun erkenning (die recht geeft op zendtijd en bijbehorend budget) voor de periode 2016–2021 aanvragen. Dit betekent dat de omroepen die in het 3-3-2-model fuseren, hun organisaties dan moeten hebben geïntegreerd. Dit is een voorwaarde voor het verkrijgen van een erkenning. Op deze manier kan de bezuiniging van ruim € 127 miljoen die vóór 2016 geeffectueerd zal worden, op een verantwoorde wijze doorgevoerd worden, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van de programmering. Dit kan onder andere bereikt worden door een efficiëntere inrichting van de primaire processen. De NPO en de omroeporganisaties zetten zich vol in voor een soepele overgang naar deze nieuwe werkwijze, zodat de Nederlandse kijker en luisteraar daar zo min mogelijk van merkt.

Tegelijkertijd wordt er via diverse sporen gewerkt aan de toekomst van de publieke omroep na 2016, wanneer de bezuinigingen uit het regeerakkoord van dit kabinet gerealiseerd moeten worden. Allereerst voert de Raad voor cultuur (hierna: RvC) een verkenning uit naar de toekomst van de publieke omroep. Dit advies verwacht ik begin 2014. Daarnaast heb ik in oktober met uw Kamer overlegd over de mogelijkheden tot het vergroten van de eigen inkomsten van de publieke omroep, op basis van het onderzoeksrapport van de Boston Consulting Group (hierna: BCG) uit september 2013.1 Ik zal u in het voorjaar van 2014 informeren over de beleidsagenda die ik op basis van deze onderliggende onderzoeken opstel.

Onderliggende stukken

De NPO heeft op 29 april 2013 de Terugblik 2012 (incl. rapportage naleving Prestatieovereenkomst) toegezonden (bijlage 12). Op 11 juni 2012 heeft het Commissariaat voor de Media (hierna: CvdM) de jaarlijkse verificatie van de naleving van de Prestatieovereenkomst toegestuurd (bijlage 23). Op 10 september 2013 heeft de NPO de Financiële terugblik 2012 (bijlage 34) toegezonden en op 16 september 2013 de Meerjarenbegroting 2014–2018 (bijlage 45). Over deze Meerjarenbegroting 2014–2018 heeft het CvdM op 15 oktober 2013 zijn opmerkingen toegezonden (bijlage 56). In Bijlage 67 staat een toelichting op de post Bijdragen mediabeleid («Bestedingsplan Bijdragen Mediabeleid 2014»).

1. Financieel kader

1.1 Mediabudget

In tabel 1 treft u de bedragen aan zoals die zijn opgenomen in de Rijksbegroting 2014 (inclusief de bezuinigingen).8 Ook is opgenomen het beschikbare budget voor media op basis van de meest recente inzichten in de wettelijke consumentenprijs indexering (€ 28,6 miljoen)9 en reclameontvangsten. De raming van de reclameontvangsten is € 1 miljoen lager dan in de Rijksbegroting 2014. De bezuinigingen voor 2014 op de rijksbijdrage, zoals afgesproken en uitgewerkt in de vorige kabinetsperiode, zijn verwerkt. De mutaties ten opzichte van de ingediende Rijksbegroting 2014 en de bezuinigingen, worden verwerkt in de eerste suppletoire wet 2014 die volgend voorjaar aan uw Kamer wordt aangeboden. In het kader van de Begrotingsafspraken 2014 is een rijksbrede korting op de prijsbijstelling 2014 afgesproken. De structurele dekking van de wettelijke prijsbijstelling 2013 en van de wettelijke prijsbijstelling 2014 voor 2014 en verder worden bij de besluitvorming Voorjaarsnota 2014 betrokken.

Tabel 1: Aansluiting tussen de Rijksbegroting 2014 en de Mediabegroting 2014 voor het beschikbare budget voor media

Bedragen in € 1.000

     
 

2014

 

2014

Ontvangsten

Rijksbegroting

Mutaties

Mediabudget

Rijksbijdragen media

778.791

30.1051

808.896

Inkomsten van de Stichting Etherreclame (Ster)

197.000

– 1.000

196.000

Rente op de algemene mediareserve (AMR)

500

0

500

Beschikbaar budget media

976.291

29.105

1.005.396

X Noot
1

Deze mutatie betreft het volgende: de verhoging van het budget van de regionale omroep met een bedrag van € 1,5 miljoen (€ 143,5 miljoen in plaats van € 142 miljoen), de wettelijke prijsindex 2013 (€ 12,7 miljoen) en de wettelijke prijsindex 2014 (€ 15,9 miljoen) met betrekking tot het jaar 2014.

Ter bepaling van het reële uitgavenkader 2014–2018 ziet het meerjarenbeeld van het beschikbare budget voor media er als volgt uit (tabel 2):

Tabel 2: Meerjarenbeeld van het beschikbare budget voor media op basis van het kabinet-Rutte I, kabinet-Rutte II en op basis van de Begrotingsafspraken 2014

Bedragen in € 1.000

           
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand totale uitgaven van Artikel 15 (Media) van de Rijksbegroting 2014

892.936

977.571

871.820

831.970

783.532

794.093

af: uitgaven overige artikelen1

– 1.300

– 1.280

– 1.280

– 1.279

– 1.279

– 1.279

af: reclame-inkomsten van de

Stichting Ether Reclame (STER)

– 193.000

– 197.000

– 190.000

– 197.000

– 190.000

– 197.000

af: rente op algemene mediareserve

– 500

– 500

– 500

– 500

– 500

– 500

(1) Rijksbijdrage Media excl. Mutaties

698.136

778.791

680.040

633.191

591.753

595.314

Mutaties (Rijksbijdrage Media)

           

bij: verhoging budget Regionale Omroep

 

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

bij: publieke omroep (n.a.v. Begrotingsafspraken 2014)

     

50.000

50.000

50.000

bij: prijsindex 2013 doorwerking 2014 e.v.

 

12.744

10.769

10.839

11.020

11.095

bij: prijsindex 2014

 

15.861

13.846

13.911

13.085

13.158

bij: prijsindexen 2015 t/m 2018

   

7.062

14.259

20.222

27.249

(2) Mutaties

 

30.105

33.177

90.509

95.827

103.002

(3) Rijksbijdrage Media incl. mutaties (1)+(2)

698.136

808.896

713.217

723.700

687.580

698.316

Inkomsten van de Stichting Etherreclame (Ster)

           

Reclame-inkomsten van de Stichting Ether Reclame (STER) volgens de Rijksbegroting 2014

193.000

197.000

190.000

197.000

190.000

197.000

Mutatie raming Ster

 

– 1.000

       

(4) Inkomsten van de Stichting Etherreclame

193.000

196.000

190.000

197.000

190.000

197.000

Rente op algemene mediareserve

           

Rijksbegroting

500

500

500

500

500

500

Mutatie raming rente

0

0

0

0

0

0

(5) Rente op algemene mediareserve

500

500

500

500

500

500

Totaal beschikbaar budget

Media (3)+(4)+(5)

891.636

1.005.396

903.717

921.200

878.080

895.816

X Noot
1

Bekostiging Basisinfrastructuur Cultuur 2013–2016 Vierjaarlijkse instellingen, Subsidies en Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties.

Toelichting

De rijksbijdrage

Het budget voor media wordt gevormd uit de rijksbijdrage, de reclameopbrengsten (Ster-opbrengsten) en de rente op de Algemene Mediareserve (hierna: AMR). De rijksbijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de systematiek van de Mediawet. Dit betekent dat voor deze begroting wordt gerekend met de huishoudensprognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) en met de consumentenprijsindex (hierna: cpi) voor 2014 van het Centraal Planbureau (hierna: CPB). Alvorens de cpi toe te passen, wordt eerst een eventuele taakstelling verwerkt. De prijsstijgingen zijn geraamd op basis van de cpi van 2% in 2014. Ik volg daarmee de ramingen van het CPB zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning 2014 van 17 september 2013. Voor de jaren 2015 tot en met 2018 wordt voorzichtigheidshalve uitgegaan van een cpi van 1,0%. De dekking van de prijsbijstelling tranche 2013 en 2014 voor de jaren 2014 en verder worden betrokken bij de besluitvorming Voorjaarsnota 2014.

De rijksbijdrage wordt vanaf 2014 verhoogd met € 143,5 miljoen vanwege de overheveling van het budget van de regionale omroepen van het provinciefonds naar de mediabegroting. In de Rijksbegroting is een bedrag van € 141,6 miljoen opgenomen. Het verschil van € 1,9 miljoen bestaat uit € 1,5 miljoen extra budget dat conform afspraak met het IPO overgeheveld wordt.10 Verder wordt in de Rijksbegroting € 0,4 miljoen bestemd voor de apparaatskosten van OCW vanwege de overheveling van taken van de provincies naar het Rijk. Voor de bijdrage aan de regionale omroepen heeft dit laatste geen gevolgen. Die wordt in 2014 uit de AMR aangevuld.

Bezuinigingsmaatregelen kabinet-Rutte I

Voor de besparingen op het mediabudget, voor de ZBO-korting van het

kabinet-Rutte I en de toelichtingen daarop, verwijs ik u naar de brief aan de Tweede Kamer van 17 juni 201111 en naar de Mediabegrotingsbrief 2012.12

Bezuinigingsmaatregelen kabinet-Rutte II

Het regeerakkoord kabinet-Rutte II heeft een extra bezuiniging op de publieke omroep opgelegd van € 50 miljoen in 2016, oplopend tot € 100 miljoen structureel vanaf 2017. Ook is er een besparing op ZBO’s opgelegd. In de Begrotingsafspraken 2014 van 11 oktober 2013 is een intensivering van € 50 miljoen in 2016 afgesproken. Per saldo betekent dit voor het mediabudget dat vanaf 2017 een structurele bezuiniging van € 50 miljoen wordt doorgevoerd op het mediabudget. Over de invulling van de bezuiniging heeft uw Kamer op 17 oktober een motie aangenomen.13 In de begroting voor 2017 zal ik uitvoering geven aan deze motie.

Tabel 3a geeft de bezuinigingen weer en tabel 3b bevat een toelichting op de bezuinigingen bij de ZBO’s.

Tabel 3a: Bezuinigingsreeks Media (kabinet-Rutte II)

Bedragen in € 1.000

             
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Besparingen mediabudget

       

0

50.000

50.000

ZBO-korting Rutte II (totaal)

       

375

851

1.038

Besparingen regeerakkoord en ZBO-korting

       

375

50.851

51.038

Tabel 3b: Toelichting op de ZBO-korting Rutte II (conceptverdeling per instelling zoals dat in de Rijksbegroting 2014 opgenomen is)

Bedragen in € 1.000

             
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

ZBO-korting Commissariaat voor de Media (CvdM)

       

202

458

559

ZBO-korting landelijke publieke omroep (NPO)

       

144

327

399

ZBO-korting Stimuleringsfonds voor de Pers (SvdP)

       

29

66

80

Totaal ZBO-korting

       

375

851

1.038

In het regeerakkoord kabinet-Rutte II staan ook afspraken over besparingen binnen de rijksdienst. Het gaat om besparingen die zich richten op onder meer de bedrijfsvoering bij ZBO’s. Deze taakstelling wordt over de departementen versleuteld en in de begroting ingeboekt op basis van de apparaatsuitgaven. Voor OCW geldt een percentage van 4,8% voor 2016, 10,9% voor 2017 en 13,3% voor 2018. Voor het mediabudget betekent dit een bezuiniging van ruim € 1 miljoen structureel vanaf 2018 die wordt verdeeld over de ZBO’s. De hiervoor benodigde wijziging van de mediawet zal nog ingediend worden, nadat de definitieve verdeling per instelling duidelijk is. In tabel 3b staat de voorlopige verdeling van de ZBO-korting Rutte II.

Inkomsten van de Stichting Etherreclame (Ster)

De werkelijke ontvangsten van de Stichting Etherreclame (hierna: Ster) over 2012 bedragen € 210,2 miljoen.14 Daarmee vallen deze € 13,2 miljoen hoger uit dan de € 197 miljoen die in de Rijksbegroting 2012 waren geraamd. De Ster geeft een prognose af voor 2014 van € 196 miljoen. Op basis van de programmering voor het jaar 2014 heeft de dienst Kijk- en Luisteronderzoek (KLO) van de publieke omroep de doorrekening gemaakt van het verwachte kijktijdaandeel15 voor dat jaar. De Ster maakt op basis daarvan een prognose. Voor het jaar 2014 is dat € 196 miljoen. Dat ligt lager dan de realisatie in 2012 doordat keuzes in de programmering vanwege bezuinigingen effect hebben op het te verwachten kijktijdaandeel en de Ster-inkomsten. Het bedrag van € 196 miljoen is nog wel in lijn met de meerjarenreeks zoals nu opgenomen in de Mediabegroting. Ik volg de raming van de Ster en heb een bedrag van € 196 miljoen voor het jaar 2014 opgenomen in deze mediabegroting.

Op basis van een inschatting van autonome ontwikkelingen voorziet BCG een daling van de Ster-inkomsten in de komende jaren.16 In de rijksbegroting worden de inkomsten van de Ster geraamd op basis van de huidige situatie. Daarbij worden de opbrengsten in een evenementenjaar (2014, 2016, 2018) hoger geraamd dan in een niet-evenementenjaar (2015, 2017). Het is op dit moment niet te zeggen welke gevolgen eventuele wijziging van de programmering heeft voor de Ster-inkomsten na 2014. De wijze waarop de programmering – ook na de bezuinigingen – tot stand komt en hoeveel reclame de Ster kan verkopen, is van veel factoren afhankelijk. Niet alleen de ontwikkeling in het kijk- en luistertijdaandeel speelt een rol, maar ook de ontwikkelingen op de reclamemarkt. Verder speelt een rol of de wet- en regelgeving wordt aangepast om meer reclame uit te kunnen zenden. Jaarlijks wordt in de mediabegrotingsbrief een actuele raming van Ster opgenomen voor het eerstkomende jaar. Het geraamde bedrag uit de rijksbegroting wordt daarmee voor dat jaar aangepast.

De verwachte rentebaten op de AMR

Voor het jaar 2014 worden de rentebaten op de AMR geraamd op € 0,5 miljoen. Zij worden ingezet als bijdragen mediabeleid ten behoeve van incidentele activiteiten en tijdelijke projecten. Omdat er nu nog geen duidelijkheid kan worden gegeven over de ontwikkeling van de AMR en de renteontwikkeling vanaf 2014, wordt voorlopig aangenomen dat de renteopbrengst de komende jaren circa € 0,5 miljoen is.

1.2 Uitgaven

De uitgaven uit het mediabudget 2014 stijgen per saldo ten opzichte van 2013. Dit is onder meer het gevolg van de overheveling van het budget van de regionale publieke omroep van het provinciefonds naar de mediabegroting. Daartegenover staan de bezuinigingen en ZBO-kortingen uit het Regeerakkoord kabinet-Rutte I. De uitgaven zijn (tabel 4):

Tabel 4: Uitgaven media

Bedragen in € 1.000

   
 

2013

2014

Uitgaven

   

Landelijke omroep

   

– Budget Landelijke publieke omroep

741.522

706.448

– Filmfonds van de omroep en Telefilm (CoBO)

7.416

7.568

– Stichting BVN

1.401

1.429

– Mediavoorziening Antillen (Caribische mediavoorziening)

300

300

– Index

15.298

14.606

Regionale publieke omroep

N.v.t.

146.370

Minderhedenprogrammering

1.782

799

Stichting Omroep Muziek (tot 1 augustus 2013: Muziekcentrum van de Omroep)

14.581

14.885

Uitzenden en uitzendgereed maken (oud NOB)

24.463

24.962

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

20.925

21.351

Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Mediaproducties (Mediafonds)

18.288

18.653

Stimuleringsfonds voor de Pers (SvdP)

2.300

2.300

Mediawijsheid-expertise centrum

2.000

2.000

Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland (OLON)

518

516

Kabelraden.nl

397

0

Bijdragen mediabeleid

500

500

Commissariaat voor de Media (CvdM)

4.242

4.072

Subtotaal uitgaven

855.932

966.758

Mutatie algemene mediareserve (AMR)

35.704

38.638

Totaal

891.636

1.005.396

Toelichting

Het accres heb ik opgenomen in de uitgaven aan de instellingen net zoals in voorgaande jaren (exclusief het jaar 2012). De uitgaven aan het Stimuleringsfonds voor de Pers (SvdP), het Mediawijsheid-expertise centrum17 en de Bijdragen mediabeleid blijven gelijk ten opzichte van het jaar 2013. Er zijn verder enkele wijzigingen die ik hieronder zal toelichten.

Landelijke en regionale publieke omroep

In paragraaf 1.4 en 1.5 worden de landelijke respectievelijk regionale publieke omroep behandeld.

Minderhedenprogrammering

Het budget voor de Stichting Centrale Programma Organisatie (hierna: CPO) is € 0,8 miljoen. Dit bedrag wordt aangevuld uit de AMR met het niet aangevraagde bedrag van € 0,5 miljoen van het jaar 2013 dat momenteel in de AMR is. Het budget 2014 is bestemd voor de afbouwactiviteiten van CPO die betrekking hebben op het verzorgen van de minderhedenprogrammering. Het beschikbare budget van de minderhedenprogrammering komt vanaf 2015 op nul te staan.

Stichting Omroep Muziek (tot 1 augustus 2013: Muziekcentrum van de Omroep)

Het budget voor de Stichting Omroep Muziek (hierna: SOM) is € 14,9 miljoen. In de SOM zijn sinds augustus 2013 het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor ondergebracht. Tot die tijd waren deze ensembles onderdeel van het Muziekcentrum van de Omroep. Voor een verdere toelichting op de SOM verwijs ik u naar paragraaf 3.2 van deze brief.

Uitzenden en uitzendgereedmaken (oud NOB)

Het budget van Uitzenden en uitzendgereed maken in 2014 bedraagt € 25,0 miljoen. Zie verder paragraaf 1.4 onder «Verkoop NOB-bedrijf».

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

Het budget voor het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (hierna: NIBG) stijgt per saldo in 2014 ten opzichte van het jaar 2013. De stijging betreft het accres. Tegenover de stijging staat een geringe daling vanwege de lagere grondslag voor het jaar 2014,18 omdat de werkelijke uitgaven in 2013 lager waren dan begroot.

Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Mediaproducties (Mediafonds)

Het budget voor het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Mediaproducties (hierna: Mediafonds) stijgt per saldo in 2014 ten opzichte van het jaar 2013. De stijging betreft het accres. Tegenover de stijging staat een geringe daling vanwege de lagere grondslag voor het jaar 2014, omdat de werkelijke uitgaven in 2013 lager waren dan begroot.

Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland (OLON)

Het budget voor de Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland (hierna: OLON) daalt per saldo in 2014 ten opzichte van het jaar 2013. De stijging betreft het accres. Tegenover de stijging staat een daling vanwege de lagere grondslag voor het jaar 2014, omdat de werkelijke uitgaven in 2013 lager waren dan begroot.

Stichting Landelijk Steunpunt Programmaraden (Kabelraden.nl)

Voor 2014 zijn geen uitgaven aan de Stichting Landelijk Steunpunt Programmaraden (hierna: Kabelraden.nl) begroot. Op 5 november heeft de Eerste Kamer een wetsvoorstel over omroepdistributie aangenomen.19 De desbetreffende wetswijziging zal naar verwachting met ingang van 1 januari 2014 in werking treden. Als gevolg daarvan verdwijnen de programmaraden en beëindigt Kabelraden.nl zijn werkzaamheden.

Bijdragen mediabeleid

De renteopbrengst op de AMR is bestemd voor bijdragen aan tijdelijke projecten en incidentele activiteiten die ten goede komen aan de doelstellingen van het mediabeleid. Deze projecten beoordeel ik jaarlijks per aanvraag (zie bijlage 6, onder Bijdragen mediabeleid). De beschikbare rentebaten zijn naar verwachting € 0,5 miljoen (zie paragraaf 1.1, onder De verwachte rentebaten op de AMR).

Commissariaat voor de Media (CvdM)

Uit recente wijzigingen van de mediawet volgen enkele nieuwe incidentele en/of structurele taken voor het CvdM. Hiervoor heeft het CvdM voor 2014 een additioneel bedrag aangevraagd. Het betreft de volgende taken: de monitoring van RTV-pakketten, consumententevredenheid, advisering over frictiekostenregeling Media-instellingen, ledentelling en de financiering van de regionale media-instellingen. Ik heb hiervoor een incidenteel bedrag van € 0,9 miljoen in de mediabegroting voor het jaar 2014 opgenomen. Dit betekent dat het budget van het CvdM van € 4,1 miljoen wordt aangevuld met een incidenteel bedrag van € 0,9 miljoen voor het jaar 2014. Het CvdM krijgt vanaf 2012 een ZBO-korting Rutte I opgelegd, oplopend tot € 0,7 miljoen structureel vanaf 2018. Voor 2014 is de korting € 0,3 miljoen ten opzichte van 2013.

Mutatie algemene mediareserve (AMR)

Een positief saldo van de ontvangsten en uitgaven op de mediabegroting wordt toegevoegd aan de AMR. Een negatief saldo wordt ten laste gebracht van de AMR. Bijdragen uit de AMR worden jaarlijks beoordeeld bij de budgetvaststelling. Conform de reguliere jaarlijkse financiering van de publieke omroep, zullen de beschikbare middelen vanuit de AMR betrokken worden bij de toekenning van het jaarbudget 2014.

Vanwege de bezuinigingen op het mediabudget zijn frictiekosten voorzien. Om deze kosten uit de AMR op te kunnen vangen, is actief naar mogelijkheden gezocht om de AMR op te hogen ten behoeve van de verwachte frictiekosten, zoals is toegelicht in tabel 5 hieronder:

Tabel 5: Meerjarenbeeld mediabudget, uitgaven en mutatie AMR

Bedragen in € 1.000

           
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Totaal beschikbaar mediabudget

891.636

1.005.396

903.717

921.200

878.080

895.816

Totale uitgaven mediabudget

855.932

966.758

913.970

922.627

881.264

890.280

Exploitatiesaldo (mutatie AMR)1

35.704

38.638

– 10.253

– 1.427

– 3.184

5.536

X Noot
1

Exclusief de uitgekeerde bedragen voor frictiekosten.

In 2013 zijn er meerdere mutaties ten laste of ten gunste van de AMR geweest (tabel 6):

Tabel 6: Mutaties AMR 2013 en 2014

Bedragen in € 1.000

   
 

2013

2014

Beginstand

101.082

154.462

Verwacht exploitatiesaldo lopende jaar

35.704

 

Correctie exploitatiesaldo 2012

5.129

 

Meevaller Ster 2012

13.163

 

Bijdrage Ministerie van Buitenlandse Zaken aan frictiekosten Wereldomroep

3.000

 

Terugvordering reserves Landelijke publieke omroep boven de 10%-norm

43.582

 

Onttrekking AMR t.b.v. Meerkosten Super-evenementen NPO 2014

– 13.542

 

Frictiekosten 20121 (mutaties t.o.v. de Mediabegrotingsbrief 2013)

– 2.792

P.M.

Frictiekosten 20131

– 30.863

P.M.

Frictiekosten 20141

P.M.

P.M.

Toevoeging verwacht exploitatiesaldo

 

38.638

Eindstand (prognose)

154.4622

P.M.

X Noot
1

Het gaat om uitgekeerde bedragen.

X Noot
2

Er is verder een aantal aanvragen van verschillende media-instellingen met betrekking tot frictiekosten die op dit moment door mij worden beoordeeld en dus in deze tabel nog niet zijn meegenomen.

2013

Het verwachte exploitatiesaldo voor 2013 kan worden beïnvloed door hogere of lagere reclame-inkomsten (zie paragraaf 1.1 onder Inkomsten van de Stichting Etherreclame). Dit wordt duidelijk in het voorjaar van 2014 bij de jaarrekening van de Ster. De meevaller van de Ster in 2012 (€ 13,2 miljoen) is verwerkt in de prognose van de eindstand van 2013. In de AMR is verder de bijdrage van € 3 miljoen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: Ministerie van BZ) verwerkt. Dit bedrag is bestemd voor de gerealiseerde frictiekosten bij de Wereldomroep. Op grond van de mediawet dienen de reserves van de publieke omroep boven de zogenaamde 10%-norm terug te vloeien naar de AMR. Daarom is er een vordering van € 43,6 miljoen op de landelijke publieke omroep. Tegelijkertijd heeft de NPO in zijn budgetaanvraag € 13,5 miljoen opgenomen ter dekking van additionele kosten voor de super-evenementen in 2014. Zie verder paragraaf 1.4 onder «Maximering reservevorming landelijke publieke omroep totaal». De media-instellingen hebben frictiekosten gemaakt die betrekking hebben op de jaren 2012 en 2013; dit wordt toegelicht in paragraaf 1.3.

2014

Kijkend naar de totale uitgaven van de mediabegroting, vindt er in 2014 een toevoeging aan de AMR plaats van circa € 38,6 miljoen, vanwege de reguliere dotatie AMR in 2014 (€ 5,9 miljoen), de bijgestelde raming van de Ster ten opzichte van de raming van de Rijksbegroting20 in 2014 (– € 1,0 miljoen), de structurele doorwerking van de ingehouden index over 2012 (€ 17,1 miljoen)21 en de dotatie AMR in verband met de korting op het budget van het MCO (€ 16,6 miljoen). De post uit te keren frictiekosten is nog niet ingevuld (P.M. post). Dit komt omdat de aanvragen naar aanleiding van de frictiekostenregeling van de media-instellingen die betrekking hebben op de jaren 2012, 2013 en 2014, maar aangevraagd zullen worden in het jaar 2014, nog niet bekend zijn. De verwachting is dat in 2014 de efficiencymaatregelen op de omroeporganisaties hun beslag krijgen met bijbehorende frictiekosten. De stand van de AMR zal na uitkering van frictiekosten in 2014 naar verwachting beneden de € 100,0 miljoen uitkomen.

Voor de AMR22 ga ik uit van het gewenste minimumniveau van € 90,8 miljoen als ondergrens, zoals in 1992 is bepaald door de Commissie-Van der Zwan.23 Dit bedrag is sinds 1992 nooit geïndexeerd geweest. Gelet op de bezuinigingsopgave voor de landelijke publieke omroep en de overige media-instellingen de komende jaren en de frictiekosten die daar mee gemoeid zullen zijn, is een tijdelijke stijging van de AMR noodzakelijk. Vanaf 2012 tot en met 2014 zijn daarom middelen vrijgemaakt voor het ophogen van de AMR, zodat de frictiekosten gefinancierd kunnen worden en het gewenste minimumniveau van € 90,8 miljoen kan worden behouden; onder meer door de index voor 2012 toe te voegen aan de AMR. Dat betekent onder andere voor 2014 dat er evenals in 2013 € 18,0 miljoen wordt toegevoegd aan de AMR. Jaarlijks kunnen de media-instellingen een bijdrage voor frictiekosten aanvragen.

1.3 Frictiekosten

Het kabinet-Rutte I heeft in 2010 een bezuiniging van € 200 miljoen op het mediabudget opgelegd. Daarnaast is er een ZBO-korting (kabinet-Rutte I) opgelegd van ruim € 1,2 miljoen. De consequenties hiervan voor de

media-instellingen zijn al in eerdere mediabegrotingsbrieven weergegeven.24

Als gevolg van de bezuinigingen zullen de instellingen mogelijk te maken krijgen met frictiekosten. In de brief van 17 juni 2011 aan de Tweede Kamer heeft mijn voorganger laten weten een bijdrage te zullen leveren aan de financiering van de frictiekosten.25 Deze bijdrage zal worden verleend onder de voorwaarde dat de frictiekosten onvermijdelijk zijn, direct het gevolg zijn van het overheidsbesluit om te bezuinigen en niet opgevangen kunnen worden door de instelling zelf.

De instellingen verwachten ruim € 100 miljoen aan bijdragen voor frictiekosten te zullen aanvragen voor de periode 2012–2015. Door tijdig maatregelen te nemen, zoals inhouding van de index 2012 (totaal € 54 miljoen in de jaren 2012, 2013 en 2014), vervroeging van de bezuinigingen van het MCO (totaal € 33 miljoen in de jaren 2013 en 2014) en de inzet van een eerdere meevaller van de Ster (€ 18 miljoen in 2010), worden de komende jaren voldoende middelen toegevoegd aan de AMR om de verwachte frictiekosten te dekken. Bovendien heeft het Ministerie van BZ een bijdrage geleverd van totaal € 10,5 miljoen (€ 7,5 miljoen + € 3 miljoen) voor de frictiekosten 2012 van de Wereldomroep. OCW en BZ dragen beide verantwoordelijkheid voor de vergoeding van frictiekosten als gevolg van het besluit om de Wereldomroep niet langer uit de Mediabegroting te financieren. In tabel 7 staan de uitgekeerde bijdragen voor 2011, 2012 en 2013.

Tabel 7: Totaal Uitgekeerde bijdragen aan frictiekosten uit de AMR n.a.v. de maatregelen van Rutte I

Bedragen in € 1.000

       

Instelling

2011

2012

2013

Totaal

Landelijke publieke omroep

3.450

4.069

7.232

14.752

Wereldomroep

0

25.206

0

25.206

Muziekcentrum van de Omroep (MCO)

57

4.200

22.7271

26.985

Kabelraden.nl

0

0

92

92

Multiculturele Televisie Nederland (MTNL)

0

0

0

0

Commissariaat voor de Media (CvdM)

0

139

811

950

Totaal

3.508

33.613

30.863

67.984

X Noot
1

Hiervan was een bedrag van € 5,5 miljoen bestemd voor het Metropole orkest.

Sinds de Mediabegrotingsbrief 201326 is een bedrag van € 2,8 miljoen uitgekeerd voor frictiekosten ten behoeve van de landelijke publieke omroep dat betrekking heeft op het jaar 2012. Verder laat de bovenstaande tabel zien dat een bedrag van € 30,9 miljoen is uitgekeerd aan verschillende media-instellingen voor frictiekosten dat betrekking heeft op het jaar 2013. Er is verder een aantal aanvragen van verschillende media-instellingen met betrekking tot frictiekosten die op dit moment door mij worden beoordeeld.

Bij de beoordeling van de aanvragen voor een bijdrage in de frictiekosten is rekening gehouden met de mogelijkheid van een instelling om een eigen bijdrage te leveren. De werkelijke frictiekosten zijn daarom hoger dan de uitgekeerde bedragen in tabel 7.

De totale bijdrage van € 68,0 miljoen is € 14,2 miljoen lager dan beschikbaar was uit de AMR.27 Dit overschot voeg ik toe aan het gereserveerde bedrag voor 2014 van € 36,7 miljoen. Daarmee wordt het totale bedrag dat ik in 2014 reserveer in de AMR voor frictiekosten € 51,0 miljoen. De verwachting is dat in 2014 dit gehele bedrag nodig is voor de frictiekosten van vooral de landelijke publieke omroep en het Metropole orkest (hierna: MO).

1.4 Landelijke publieke omroep

De NPO vraagt voor 2014 voor de landelijke publieke omroep een budget aan van € 783,7 miljoen. In de aanvraag is € 25,0 miljoen opgenomen voor de kosten van de beheertaak «uitzendgereed maken en uitzenden», € 7,7 miljoen voor de dotatie aan het CoBO, € 14,9 miljoen ten behoeve van de Stichting Omroep Muziek, € 0,5 miljoen voor naburige rechten, € 1,5 miljoen voor de Stichting BVN en € 0,3 miljoen ten behoeve van Mediavoorziening Antillen (Caribische mediavoorziening). In de aanvraag is € 13,5 miljoen opgenomen voor meerkosten van super-evenementen in 2014.28 Vanwege de afroming van de reserves (zie hierna onder Maximering reservevorming landelijke publieke omroep totaal) zijn er onvoldoende beschikbare middelen om de bekostiging van de rechtencontracten en overige programmakosten te dekken.

In de budgetaanvraag wordt voor 2014 rekening gehouden met een accres van 2% (circa € 15,4 miljoen). Het CvdM adviseert het aangevraagde budget van € 783,7 miljoen toe te kennen. Dit is inclusief € 13,5 miljoen voor de meerkosten van super-evenementen in 2014. Op grond van het bovenstaande stel ik het budget voor de landelijke publieke omroep vast op € 783,7 miljoen.

Besparingen landelijke publieke omroep

Op basis van het onderzoek naar mogelijke besparingen bij de landelijke publieke omroep is een structurele taakstelling van € 127,3 miljoen met ingang van 2015 opgelegd. De verdeling van deze taakstelling over de verschillende onderdelen van de landelijke omroep is mede gebaseerd op het onderzoek van BCG van 16 september 2011.29 Voor de periode 2011–2015 zijn de frictiekosten volgens de NPO naar verwachting € 66,0 miljoen. Een deel van deze frictiekosten wordt gefinancierd uit het eigen vermogen van de omroepen. Het totale bedrag dat uiteindelijk aangevraagd zal worden, is naar verwachting € 45,6 miljoen. Voor 2014 verwacht de landelijke publieke omroep een aanvraag in te dienen voor € 17,7 miljoen.

Korting NPO (kabinet-Rutte I)

De bezuinigingstaakstelling van de NPO loopt op tot € 25,9 miljoen structureel in 2015.30 Daarnaast krijgt de NPO als deeltijd-ZBO vanaf 2012 een ZBO-korting (kabinet-Rutte I) opgelegd, oplopend tot € 0,547 miljoen structureel vanaf 2018.31 In 2014 krijgt de NPO te maken met een bezuiniging van € 12,3 miljoen. Deze bezuiniging wordt opgevangen door efficiencymaatregelen.

Stichting Het Beste van Vlaanderen en Nederland (BVN)

Stichting Het beste van Vlaanderen en Nederland (hierna: BVN) is sinds 2013 een samenwerkingsverband tussen de NPO en de Vlaamse publieke omroep, met elk een jaarlijkse bijdrage aan de begroting van Stichting BVN (de totale begroting is € 4,6 miljoen). De bijdrage van de NPO is € 1,8 miljoen. Hiervan is € 1,5 miljoen afkomstig van het budget van de Wereldomroep dat is toegevoegd aan het budget van de landelijke publieke omroep.

Mediavoorziening Antillen (Caribische mediavoorziening)

Sinds 2013 is aan de taken van de NPO is een mediavoorziening van beperkte omvang toegevoegd voor de Caribische eilanden van het Koninkrijk. Het betreft een voorziening tegen een bedrag van € 0,3 miljoen.

Verkoop NOB-bedrijf

Bij het budget «Uitzenden en uitzendgereedmaken» (zie paragraaf 1.2) gaat het om de kosten voor het uitzendproces voor de publieke omroep. Het budget daarvoor werd oorspronkelijk toegekend aan het Nederlands Omroepproductie Bedrijf (NOB). Door de privatisering van het NOB lopen de uitgaven sinds 2008 via het budget van de landelijke omroep. Het NOB heeft inmiddels alle activiteiten afgestoten en beëindigd. In 2013 is nog een bedrag van € 201.667 ontvangen uit de afwikkeling hiervan. Dit bedrag zal worden overgemaakt naar de NPO conform de afspraken die in 2002 over de opbrengst zijn gemaakt met de Minister van Financiën.

Financieel jaarverslag landelijke publieke omroep 2012

De NPO heeft het financieel jaarverslag van de landelijke publieke omroep samengesteld. Dit jaarverslag bestaat uit de samengevoegde baten en lasten uit de individuele jaarrekeningen van de omroepinstellingen. Het financieel jaarverslag is opgenomen in de Financiële Terugblik 2012 van de NPO.

Uit het exploitatieoverzicht blijkt dat de landelijke publieke omroep als geheel in 2012 een negatief exploitatiesaldo uit gewone bedrijfsvoering behaalde van € 3,4 miljoen (2011: positief € 52,4 miljoen). Dit resultaat bestaat uit het negatieve resultaat van de NPO van € 10,6 miljoen en een positief resultaat bij de omroepen van € 7,2 miljoen. De resultaten zijn verwerkt in het eigen vermogen. Het negatieve exploitatiesaldo in 2012 is ontstaan door de super-evenementen. Naast het resultaat uit gewone bedrijfsvoering is er een negatief resultaat van € 43,6 vanwege de over te dragen reserve voor media-aanbod. In de volgende paragraaf wordt dit toegelicht.

Maximering reservevorming landelijke publieke omroep totaal

Op grond van de besprekingen met de Europese Commissie over staatssteun is de reservevorming van de Nederlandse publieke omroep als geheel aan een maximum gebonden. Het betreft een maximum van 10% van de totale uitgaven van de publieke omroep. Deze wettelijke normering heeft alleen betrekking op de programmareserves van de omroepen en de stichtingsreserve van de NPO. De verenigingsreserves van de individuele omroepen zijn immers al sinds 1993 bevroren en kunnen niet meer groeien. In 2005 heeft de raad van bestuur voor het eerst een bindende regeling afgegeven die stelt dat de reserve voor programmadoeleinden bij een individuele omroep aan de raad van bestuur moet worden overgedragen, wanneer deze uitkomt boven een maximum dat de raad van bestuur jaarlijks vaststelt. Voor de berekening van dit intern vastgesteld maximum, wordt gebruik gemaakt van een staffel lopend van 5% voor een grote omroep tot 20% voor een 2.42 zendgemachtigde.

Uit de Financiële Terugblik 2012 van de NPO blijkt dat de publieke omroep aan het eind van 2012 een totaal aan programmareserves en stichtingsreserve heeft van 14,5% op een totaal uitgavenniveau van € 965 miljoen. Dit is boven de toegestane norm van 10% zoals vastgesteld in de Mediawet.32 Daarom heeft de NPO een schuld van € 43,6 miljoen opgenomen in zijn balans ten gunste van de AMR. Het gaat om bedragen die voor de programmering van de evenementenjaren zijn gereserveerd zoals het WK voetbal en de Olympische Spelen. De publieke omroep gaat hiervoor langlopende verplichtingen aan en reserveert ieder jaar voldoende budget om de extra uitgaven in het jaar van super-evenementen op te vangen. Omdat de reserves nu moeten worden afgeroomd, heeft de NPO in de Meerjarenbegroting 2014 -2018 een aanvraag gedaan voor de meerkosten van de super-evenementen in 2014 voor een bedrag van € 13,5 miljoen. De afroming van de reserves boven 10% van de totale jaaruitgaven van de publieke omroep betekent dat de publieke omroep waarschijnlijk ook voor de komende evenementjaren additioneel budget zal moeten aanvragen om aan de meerjarig aangegane verplichtingen voor super-evenementen te kunnen voldoen. Aangezien er jaarlijks wel steeds afdoende wordt gespaard binnen de publieke omroep zelf en via het afgeroomde bedrag in de AMR gezamenlijk, levert dit geen budgettair probleem op.

Voor 2014 ken ik het bedrag toe door € 13,5 miljoen in mindering te brengen op de schuld. Ook bij een eventueel additioneel budget voor super-evenementen in de toekomst, zal bij de toekenning rekening worden gehouden met de nog openstaande schuldpositie.

Advies CvdM over de meerjarenbegroting NPO

Het CvdM vindt dat in de Meerjarenbegroting 2014–2018 een stap is gezet in de vergroting van de transparantie van budget en uitgaven door de NPO. Over het vervangen van het begrip «indirecte kosten» door het bredere begrip «organisatiekosten» adviseert het CvdM de NPO om vergelijkbare cijfers uit voorgaande jaren op te nemen om de transparantie te vergroten. Ook adviseert het CvdM exploitatietabellen per palet33 op te nemen. Over beide adviezen zal ik met de NPO in gesprek gaan.

Het CvdM merkt op dat de begroting met uitzondering van één onderdeel voldoet aan de eisen die de Mediawet daaraan stelt. Het betreft de financiële middelen voor het verspreiden van het media-aanbod via de verschillende aanbodkanalen. De NPO heeft toegezegd om in de meerjarenbegroting 2015 ook aan deze eis te voldoen. De NPO legt overigens wel achteraf verantwoording af over deze eis uit de Mediawet.

1.5 Regionale publieke omroep

De regionale publieke omroepen worden vanaf 2014 niet langer gefinancierd door de provincies, maar door het Rijk. Het budget daarvoor wordt overgeheveld van het provinciefonds naar de mediabegroting. Deze maatregel uit het regeerakkoord Rutte II beoogt de wettelijke zorgplicht en de financiële verantwoordelijkheid voor de regionale omroepen samen te brengen bij het Rijk. Deze centralisatie van het budget per 1 januari 2014 maakt het ook mogelijk om op termijn verdergaande samenwerking en integratie van taken tussen de regionale en landelijke publieke omroep te realiseren. Het wetsvoorstel dat de overgang regelt, is op 17 oktober 2013 aangenomen door de Tweede Kamer. In de mediabegroting is daarom voor 2014 al rekening gehouden met de overheveling, onder voorbehoud van het definitieve akkoord van de Eerste Kamer. Voor 2014 bedraagt het budget € 146,4 miljoen. Dit is inclusief het accres van 2,0%. Zie hoofdstuk 3 van deze brief voor nadere toelichting.

1.6 Overzicht financieringsstromen publieke omroep en aansluitingen jaarverslagen 2012

Enige jaren geleden heeft de Algemene Rekenkamer (hierna: AR) aanbevelingen gedaan op het gebied van financieringsstromen, kostentoerekening en reservevorming bij omroepverenigingen.34 De AR adviseerde jaarlijks een overzicht op te stellen van de financieringsstromen om de verschillen tussen de jaarverslagen van OCW, het CvdM en het jaarverslag van de landelijke publieke omroep door de NPO (hierna: jaarverslag LPO) toe te lichten. Het gewenste overzicht volgt hieronder.

In de onderstaande tabel (tabel 9) staan de uitgaven volgens het Rijksjaarverslag 2012 van OCW,35 de Kerncijfers 2008–2012 van OCW,36 het Jaarverslag 2012 van het CvdM 37 en het Financieel jaarverslag 2012 LPO:38

Tabel 9: Aansluiting 2012 tussen de verschillende verantwoordingsregimes

Bedragen x € 1 miljoen

               

2012

Jaarverslag

OCW

 

Kerncijfers

OCW

 

Jaarverslag

CvdM

 

Jaarverslag

LPO

 

Landelijke omroepen

769,5

 

745,1

 

753,1

 

776,2

 

Wereldomroep

46,3

 

46,3

 

46,3

 

0,0

 

Overige uitgaven

90,7

 

160,1

 

124,5

 

0,0

 

via CvdM

 

61,2

     

124,5

 

0,0

direct OCW

 

29,5

     

0,0

 

0,0

 

906,5

 

951,5

 

923,9

 

776,2

 

Mutatie AMR

44,9

 

0,0

 

0,0

 

0,0

 

Uitgaven

951,5

 

951,5

 

923,9

 

776,2

 

Aansluiting Jaarverslag OCW en Kerncijfers OCW

De uitgaven aan de landelijke omroepen (€ 769,5 miljoen) zijn in het Jaarverslag OCW € 24,4 miljoen hoger dan in de Kerncijfers OCW (€ 745,1 miljoen).

Dit verschil betreft de post Uitzenden en uitzendgereed maken (circa € 24 miljoen) en de post naburige rechten (€ 0,5 miljoen) die in de Kerncijfers OCW niet meegenomen zijn.

Bij de Wereldomroep (€ 46,3 miljoen) zijn er geen verschillen.

De overige uitgaven in de Kerncijfers OCW zijn niet verder uitgesplitst naar uitgaven via het CvdM en uitgaven direct door OCW. Verder is de mutatie AMR in de Kerncijfers OCW niet zichtbaar. Het totaalbedrag van de uitgaven (€ 951,5 miljoen) is gelijk aan dat in het Jaarverslag OCW.

Aansluiting Jaarverslag OCW en Jaarverslag CvdM

Het CvdM deed in 2012 namens OCW uitgaven aan de landelijke omroepen (€ 753,1 miljoen), de Wereldomroep (€ 46,3 miljoen) en de overige uitgaven39 (€ 124,5 miljoen). Naast de bovenstaande uitgaven die het CvdM namens OCW doet, verzorgt OCW ook direct een aantal betalingen. Deze uitgaven worden daarom niet verantwoord in het Jaarverslag van het CvdM.40 In het totaal is dit een bedrag van € 29,5 miljoen.

De uitgaven aan de landelijke publieke omroepen (€ 753,1 miljoen) zijn volgens het jaarverslag CvdM € 16,4 miljoen lager dan verantwoord in het Jaarverslag OCW (€ 769,5 miljoen). Dit betreft voornamelijk de dotatie aan het CoBO (€ 7,4 miljoen) die in het Jaarverslag OCW verantwoord is onder de overige uitgaven. Hiertegenover staat dat in het jaarverslag CvdM het budget van Uitzenden en uitzendgereed maken (NOB) van € 24,0 is meegeteld bij de overige uitgaven.

Bij de Wereldomroep (€ 46,3 miljoen) zijn er geen verschillen.

De post overige uitgaven via het CvdM is volgens het Jaarverslag CvdM (€ 124,5 miljoen) per saldo € 63,3 miljoen hoger dan verantwoord in het Jaarverslag OCW (€ 61,2 miljoen). Dit verschil bestaat uit de dotatie aan het CoBO (€ 7,4 miljoen) die in het jaarverslag OCW onder de post overige uitgaven is verantwoord. In het Jaarverslag van het CvdM is deze post niet meegenomen. Verder betreft het verschil een voorschot van € 1,0 miljoen dat het MCO al in 2011 heeft ontvangen. Het verschil betreft ook uitgaven aan het NIBG uit andere artikelen (€ 0,9 miljoen). Hiertegenover staat dat in het Jaarverslag van het CvdM een aantal uitgaven (€ 68,8 miljoen)41 bij de overige uitgaven is verantwoord, terwijl bij het Jaarverslag OCW deze uitgaven niet bij de overige uitgaven zijn verantwoord.

De mutatie AMR is € 0 miljoen volgens het Jaarverslag van het CvdM en dat is per saldo € 44,9 miljoen lager dan de verantwoorde mutatie van € 44,9 miljoen in het Jaarverslag OCW. De reden hiervoor is dat de mutaties AMR voornamelijk bij de overige uitgaven zijn meegenomen in het jaarverslag van het CvdM, terwijl bij het Jaarverslag OCW dit als aparte post zichtbaar is. Het bedrag van € 44,9 miljoen is aanwezig in het Jaarverslag van het CvdM bij de baten kant als «Rijksbijdrage o.a. frictiekosten».

Aansluiting Jaarverslag CvdM en Jaarverslag LPO

De uitgaven aan de Landelijke omroepen (€ 753,1 miljoen) zijn volgens het Jaarverslag CvdM € 23,1 miljoen lager dan verantwoord in het Jaarverslag LPO (€ 776,2 miljoen). Het verschil betreffen de bijdrage van de overheid aan Uitzenden en uitzendgereed maken (circa € 24 miljoen) en de bijdrage aan frictiekosten overige omroepen (€ 12,4 miljoen), die bij het CvdM onder de Overige uitgaven staan. Daartegenover staat dat in het Jaarverslag LPO de CoBO-uitgaven (€ 7,4 miljoen) niet zijn meegenomen. Verder heeft het Jaarverslag LPO een bedrag van € 2,8 miljoen verantwoord als incidentele vergoeding voor de frictiekosten van NPO (€ 0,7 miljoen) en van omroepen (€ 2,1 miljoen). Tenslotte heeft de NPO een aantal posten (€ 3,1 miljoen) opgenomen als overlopende passiva.

2. Landelijke publieke omroep

In het eerste hoofdstuk heb ik u het financiële kader geschetst van het mediabeleid voor het komende jaar. In het tweede en derde hoofdstuk vindt u een toelichting op de cijfers uit de begroting. In het tweede hoofdstuk staat de landelijke publieke omroep centraal, met onder andere aandacht voor de naleving van de Prestatieovereenkomst 2010–2015 (zie ook bijlage 1) en de verdere uitwerking van het regeerakkoord op het onderdeel media. Hoofdstuk drie bevat de toelichting bij de andere media-instellingen die deel uitmaken van de mediabegroting en geeft de stand van zaken bij enkele moties van en toezeggingen aan de Tweede Kamer.

2.1 Terugblik 2012

Naleving Prestatieovereenkomst 2010–2015

In de Prestatieovereenkomst 2010–2015 staan 24 afspraken. In 2012 zijn twee afspraken niet gehaald en is één afspraak ten dele gerealiseerd.42 Het merendeel van de prestatieafspraken is gerealiseerd. Zo is het toezicht van de NPO op het aantal websites flink aangescherpt, nadat in eerste instantie het aantal websites flink werd gereduceerd, zoals beloofd was aan mijn voorganger. De regels voor het opzetten van websites zijn aangescherpt en ingebed in het audio- en videobeleid, zodat toezicht kan worden gehouden op de omvang van het aantal websites. Verder heeft de NPO het percentage Nederlandse producties ruimschoots gehaald (84,1% tegen een criterium van 70%), alsook de afspraken over het registeren en verslagleggen van concerten en muziekevenementen (art. 2.3.2) en het ontwikkelen en plaatsen van eigen formats en pilots (art. 2.5).

De eerste afspraak die niet is gehaald, is het verhogen van het bereik onder het aantal kijkers van Nederland 3 in de leeftijd van 20–34 jaar. Een reden die de NPO noemt zijn de vele sportevenementen in 2012, waaronder het EK Voetbal, op Nederland 1. Deze trekken een jongere doelgroep, die daardoor minder naar Nederland 3 kijkt. Nog een belangrijke reden die door NPO genoemd is, zijn de veranderingen in het kijkgedrag in relatie tot het kijkonderzoek.43 Vanwege technologische ontwikkelingen wordt steeds meer op andere apparaten (tablets, laptops) en op andere tijden (on demand video) gekeken. Dit nieuwe kijkgedrag is niet meegenomen in de opzet van het kijkonderzoek. De tweede afspraak die, net als vorige jaren, niet is gehaald is het bereiken van de helft van alle Nederlanders met het audio-aanbod van de NPO. Een belangrijke reden waarom de tweede afspraak niet is gehaald en een afspraak deels niet is gehaald, is dat er wijzigingen in 2012 in de bereiksonderzoeken (bijvoorbeeld het Nationaal Luisteronderzoek) voor radio hebben plaatsgevonden. Deze wijzigingen hebben gevolgen voor de resultaten van de prestatieafspraken over het bereik van de radiozenders van de publieke omroep. Bij de afspraak die deels niet gehaald is, steeg wel het bereik ten opzichte van de nulmeting in 2009.44

Ik ben tevreden over het feit dat de NPO de meeste afspraken heeft gehaald. Desalniettemin constateer ik dat de NPO twee prestatieafspraken niet heeft gehaald en één afspraak deels niet heeft gehaald. Vanwege de bovengenoemde redenen, ben ik van mening dat de NPO niet toerekenbaar tekortgeschoten is. Ik zal de NPO wel nadrukkelijk meegeven dat ze moeten blijven werken aan het bereik van de doelgroep tussen 20–34 jaar. Het bereik van jongeren is immers een belangrijke doelstelling voor de publieke omroep. Dit geldt ook voor de doelstelling omtrent het weekbereik van het audio-aanbod van de NPO onder alle Nederlanders.

In zijn verificatie van de prestatieafspraken (zie bijlage 2) heeft het CvdM als opmerking meegegeven dat het proces van valideren op enkele punten verbeterd kan worden. Ik ben hierover met het CvdM in overleg gegaan, en ga samen met hen en de NPO bekijken hoe het proces van valideren voor de volgende prestatieovereenkomst moet worden ingericht zodat aan de opmerkingen van het CvdM voldaan kan worden. De volgende prestatie-overeenkomst loopt van 2016 tot 2021.

Programmatische terugblik

Ook in 2012 waarderen de Nederlanders hun publieke omroep hoog, namelijk met een 7,2. Het zijn vooral de kwaliteit, de maatschappelijke betrokkenheid, het informatieve karakter, het ruime en afwisselende aanbod en de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van het aanbod die gewaardeerd worden.45

De vier belangrijkste ambities die de publieke omroep zichzelf heeft opgelegd in het concessiebeleidsplan zijn:

  • 1. meer expressie/kunst,

  • 2. een betere representatie van verschillende groepen in de samenleving,

  • 3. meer aandacht voor journalistieke kwaliteit en pluriformiteit,

  • 4. het vergroten van het bereik onder jongeren.

Hoe de NPO deze ambities heeft ingevuld leest u in de Terugblik 2012, bijgevoegd in bijlage 1.

Onafhankelijke producties

Naast de vier genoemde ambities valt op dat de landelijke publieke omroep flink heeft geïnvesteerd in onafhankelijke producties. De landelijke publieke omroep moet minimaal 16,5% van het programmabudget besteden aan onafhankelijke producties.46 Het CvdM heeft geconcludeerd dat de NPO in 2012 30,6% van het budget heeft besteed aan onafhankelijke producties. De NPO investeert hiermee aanzienlijk meer in onafhankelijke product dan het wettelijke voorgeschreven minimum van 16,5%.

2.2 Vooruitblik 2014

Om de bezuinigingen uit het reageerakkoord van Rutte I te halen, moet de NPO in 2014 reorganiseren. De publieke omroep zal zich flink moeten inspannen om ervoor te zorgen dat de kijkers en luisteraars hiervan zo min mogelijk merken. BCG heeft becijferd dat dit moet kunnen. Concreet betekent dit weinig ruimte voor nieuwe ambities voor de komende jaren. Eerst moeten de organisatie en de primaire processen op orde zijn. Uiteraard blijft de NPO zich wel inzetten om de ambities uit het concessiebeleidsplan te realiseren.

2.3 Voortgang uitwerking regeerakkoord

Wijziging Mediawet 2008

De uitvoering van het regeerakkoord Rutte I en Rutte II verloopt voorspoedig. De daarvoor benodigde wetgeving ligt op schema. De Eerste Kamer heeft op 5 november 2013 het wetsvoorstel wijziging van de Mediawet 2008 aanvaard waarmee het stelsel van landelijke publieke omroepen wordt gemoderniseerd.47 Daarnaast is nog een wetsvoorstel in de Eerste Kamer in behandeling. Het betreft hier de wijziging van de Mediawet 2008 in verband met onder meer aanpassing van de rijksmediabijdrage en overheveling van het budget voor de bekostiging van de regionale omroepen van het provinciefonds naar de mediabegroting.48 Deze wetsvoorstellen maken deel uit van een drieluik van wetsvoorstellen om te komen tot een moderne, efficiënte en slagkrachtige publieke omroep. Begin 2014 is de toekomstverkenning van de RvC gereed. In het voorjaar van 2014 zal ik mijn beleidsreactie aan de Kamer zenden. Voor zover wetswijziging nodig is, zal ik zo snel mogelijk daarna een (derde) wetsvoorstel voorbereiden.

Verder heeft de Eerste Kamer op 5 november 2013 ook het wetsvoorstel over omroepdistributie aanvaard.49 Dit wetsvoorstel legt onder meer vast dat het digitale standaardpakket niet kleiner mag zijn dan 30 televisiezenders. Verder regelt dit wetsvoorstel de afschaffing van de lokale programmaraden. De desbetreffende wetswijziging zal naar verwachting met ingang van 1 januari 2014 in werking treden.

Distributie van (interactieve) televisiediensten

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel omroepdistributie is uitgebreid met uw Kamer gesproken over de distributie van interactieve televisiediensten. Op dit moment ben ik bezig met de uitwerking van het amendement en de motie Van Dam/Huizing.50 Ik doe dit langs dezelfde drie lijnen als geschetst in mijn brief van 10 juni 2013.51 De resultaten daarvan zal ik voor het kerstreces per brief naar uw Kamer sturen.

Fusies omroepen

Afgelopen jaar hebben de omroeporganisaties die gaan fuseren in het 3-3-2-model hier hard aan gewerkt. Het wetsvoorstel dat fusies mogelijk maakt, is in de zomer aangenomen door de Tweede Kamer en op 5 november 2013 door de Eerste Kamer. Dit betekent dat de fusieomroepen op 1 januari 2014 van start kunnen gaan in hun nieuwe vorm, met behoud van het budget en de zendtijd van de oorspronkelijke verenigingen tot het einde van de lopende erkenningsperiode.

Alle omroepen moeten in januari 2014 hun erkenningsaanvragen voor de periode 2016–2021 indienen. Het CvdM toetst dan of de omroepen aan de voorwaarden voor erkenning hebben voldaan. Ook de RvC en de NPO worden om advies gevraagd. Het CvdM zal ook de ledentelling doen, met als peildatum 1 april 2014. In juli 2014 kan het CvdM dan de definitieve ledentallen vaststellen. POWned en WNL kunnen kiezen voor een verlengde aspirant-status of voor een definitieve erkenning.52 In het eerste geval sluiten zij aan bij de NTR of een andere omroeporganisatie die daartoe bereid is. In het tweede geval moeten zij onderdak vinden bij een andere omroeporganisatie. Lukt dat niet op eigen kracht, dan voorziet de wet in een aanwijzingsprocedure. Ik zal dan op basis van nadere advisering door RvC, CvdM en NPO beslissen bij welke omroeporganisatie POWned en WNL terechtkomen. Rekening houdend met een eventuele aanwijzingsprocedure voor POWned en WNL zal ik uiterlijk eind juni 2015 een besluit over de erkenningen nemen (zie hierna).

De omroepen en de NPO zijn verder, waar mogelijk, al bezig met het efficiënter inrichten van de organisatie en de belangrijkste operationele processen. Ik heb er vertrouwen in dat de publieke omroep al deze uitdagingen ook komende jaren in gezamenlijkheid het hoofd weet te bieden.

Toekomstverkenning door Raad voor Cultuur (RvC)

Op 16 juli jl. is de RvC gevraagd een verkenning uit te voeren naar de toekomst van de publieke omroep. Centraal staat de vraag welke keuzes de publieke omroep moet maken om zijn maatschappelijke functie in de toekomst te kunnen blijven vervullen en de implicaties daarvan voor de organisatie van de publieke omroep. De noodzaak voor de toekomstverkenning geldt – ondanks de verzachting van de bezuiniging uit Rutte II – onverkort. De uitdagingen waarvoor de publieke omroep staat zijn namelijk onverminderd groot. Het advies van de RvC is begin 2014 gereed. De uitkomsten hiervan worden meegenomen in de integrale beleidsreactie die in het voorjaar van 2014 aan de Tweede Kamer wordt gezonden.

Verhogen eigen inkomsten

Op 30 september jl. is de rapportage van BCG over het verhogen van de eigen inkomsten van de publieke omroep aangeboden aan de Tweede Kamer.53 Het rapport geeft een overzicht van alle mogelijkheden voor de landelijke publieke omroep en de Ster om vanaf 2017 structureel hun eigen inkomsten te verhogen. Ik heb de NPO en de Ster gevraagd om voor het eind van dit jaar een plan van aanpak op te stellen voor verhoging van de eigen inkomsten, met inachtneming van de motie van Van Dam c.s.54 In de integrale beleidsreactie die de Tweede Kamer in het voorjaar van 2014 ontvangt zal de stand van zaken en eventuele vervolgmaatregelen worden beschreven.

2.42-omroepen

De kerkgenootschappen of genootschappen op geestelijke grondslag, aangeduid als de 2.42-omroepen moeten vóór 2016 hun omroepactiviteiten onderbrengen bij een aanverwante omroepvereniging of de NTR. Deze maatregel vloeit voort uit de vereenvoudiging van het bestel die onder Rutte 1 is ingezet. In 2013 zijn de eerste stappen gezet, voornamelijk in de sfeer van huisvesting en overhead. In 2014 wordt hier op voortgebouwd. Deze maatregelen hebben ook financiële gevolgen voor de 2.42-omroepen. De 2.42-omroepen worden in 2014 gekort met € 4,6 miljoen. Per 1 januari 2016 worden de 2.42-omroepen opgeheven. Levensbeschouwelijke programmering blijft echter onderdeel van de wettelijke taakopdracht van de publieke omroep. De aangenomen motie Segers/Heerma verzoekt de regering dit te borgen door in de prestatieovereenkomst 2016–2020 vast te leggen dat jaarlijks € 9 miljoen aan dit type programmering wordt besteed.55 Tijdens de wetsbehandelingen in de Eerste Kamer op 5 november j.l. heeft ook de Eerste Kamer aandacht voor dit onderwerp gevraagd en de wens uitgesproken het bedrag te verhogen. Dit in verband met de Begrotingsafspraken 2014, waarbij er een intensivering van € 50 miljoen op het mediabudget heeft plaatsgevonden. Ik ga hierover in gesprek met NPO en zal de Eerste Kamer informeren over de uitkomsten hiervan.

Mediafonds

Het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Mediaproducties (Mediafonds) bevordert de totstandkoming van cultureel media-aanbod van de landelijke en regionale publieke omroep via radio, tv en internet. Het Mediafonds ontvangt voor het jaar 2014 een budget van circa € 18,7 miljoen. In het kader van de bezuinigingen op het mediabudget is onder Rutte I besloten dat dat het Mediafonds ook een bijdrage moet gaan leveren. Dit betekent dat het budget structureel daalt met circa € 1,6 miljoen vanaf 2015. Inmiddels is besloten om per 2017 het Mediafonds op te heffen. De komende jaren wordt samen met het Mediafonds invulling gegeven aan de afbouw.

Regionale publieke omroepen

Met ingang van 2014 wordt de Mediabegroting met een bedrag van € 143,5 miljoen verhoogd vanwege het centraliseren van het budget voor regionale omroepen. Door deze maatregel uit het Regeerakkoord kabinet-Rutte II worden de regionale publieke omroepen niet langer gefinancierd door de provincies, maar door het Rijk. Het budget is overgeheveld van het provinciefonds naar de begroting van het Ministerie van OCW. Naar aanleiding van mijn toezegging aan de Tweede Kamer is onderzoek gedaan naar de actuele uitgaven van provincies aan de regionale omroepen door het CvdM. Uit dit onderzoek is gebleken dat de werkelijke uitgaven van de provincies aan de regionale omroepen € 143,5 miljoen bedraagt. Dit heeft geresulteerd in een afspraak tussen de fondsbeheerder BZK, IPO en mij over een uitnamebedrag van € 143,5 miljoen euro. Dit bedrag is afwijkend van de € 142 miljoen die in het Regeerakkoord oorspronkelijk was afgesproken, maar sluit beter aan bij de werkelijke situatie waardoor herverdeeleffecten voorkomen worden.

De verdeling van het bedrag over de verschillende regionale publieke omroepen wordt per Mediabesluit vastgelegd. Ook daarbij zal ik zoveel mogelijk aansluiten bij de verdeling op basis van de huidige situatie zodat herverdeeleffecten zoveel mogelijk voorkomen worden.

Vanaf 2014 neemt het CvdM de financiering van de regionale publieke omroepen voor haar rekening. Ik heb de regionale publieke omroepen en de provincies geïnformeerd over de praktische consequenties van deze wetswijziging.

In mijn brief van 15 mei 2013 ben ik ingegaan op de motie Heerma over de functie van de regionale cultuurdrager, calamiteitenzender en de specifieke rol van omrop Fryslân.56 Sinds 1991 fungeren de regionale radiozenders formeel als calamiteitenzender. Dat wil zeggen dat de regionale omroepen in geval van rampen of calamiteiten direct gebruikt moeten kunnen worden voor mededelingen aan burgers van het zogenoemde bevoegd gezag. Met de overheveling van het budget van de regionale omroep wordt ook het budget van de regionale omroep voor de functie van calamiteitenzender overgeheveld.

2.4 Wet normering topinkomens

Per 1 januari 2013 is de Wet normering topinkomens (WNT) in werking getreden. Deze wet geldt ook voor de topfunctionarissen bij de publieke omroep. Voor bestuurders met een aanstelling van voor 1 januari 2013 geldt een overgangstermijn van in totaal 7 jaar, waarin men uiteindelijk onder het WNT-normbedrag dient te komen. Ik heb zittende bestuurders bij de publieke omroep die in voorafgaande jaren boven het WNT-normbedrag uitkwamen gevraagd om op vrijwillige basis al eerder aan het WNT-normbedrag te gaan voldoen. Bijna alle bestuurders in de mediasector die dit betreft, hebben gemeld dat te zullen gaan doen. Dat waardeer ik zeer. Één bestuurder heeft dat niet gedaan. Die heb ik nogmaals gevraagd vrijwillig aan de WNT te gaan voldoen.57 Deze bestuurder heeft aangegeven dit niet te zullen doen.

2.5 BPPO (Beloningskader Presentatoren Publieke Omroep)

Het beloningskader presentatoren publieke omroep (BPPO) is op 1 september 2009 in werking getreden. Het betreft hier verplichte zelfregulering op grond van de Mediawet 2008. In juni 2012 is het BPPO op een aantal onderdelen aangepast. Bij brieven van 4 juli 201258 en 25 september 201259 is de Tweede Kamer nader geïnformeerd over de verdere aanpak.

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel tot modernisering van de landelijke publieke omroep is op 2 juli 2013 de motie Van Dijk60 over de salarissen van bestuurders en presentatoren bij de publieke omroep aangenomen. De motie vraagt de salarissen bij de publieke omroep zo snel mogelijk onder de premiernorm te brengen.

Toegezegd is dat dat zo snel mogelijk gaat gebeuren. Daarbij wordt rekening gehouden met contracten, met datgene wat erover wordt opgenomen in de WNT en met de acties die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ingezet om aanvullende afspraken uit te voeren die in het regeerakkoord zijn opgenomen. Op 10 juli 2013 heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uw Kamer geïnformeerd over de verdere uitwerking.61 Het streven is om op 1 januari 2015 het lagere normbedrag voor topfunctionarissen te laten ingaan (100% ministersalaris in plaats van 130%). Op 1 januari 2017 zou dit maximum normbedrag dan moeten gaan gelden voor alle werknemers in de (semi)publieke sector. Daarvoor moet wel eerst duidelijkheid worden verkregen over juridische, economische en arbeidsrechtelijke aspecten.

3. Overige Media-instellingen en onderwerpen

3.1 Uitbreiding toezichtsbevoegdheden Commissariaat voor de Media

Als naar verwachting de wetsvoorstellen voor modernisering van de landelijke publieke omroep en voor de nieuwe financieringssystematiek van de regionale omroep op 1 januari 201462 in werking treden, zal het handhavingsinstrumentarium van het CvdM worden uitgebreid. Goed bestuur, een deugdelijke administratieve en financiële organisatie en adequate beheersprocessen worden nadrukkelijk wettelijke beoordelingscriteria bij de erkenningsverlening van omroeporganisaties. Ook komen er meer mogelijkheden voor het verminderen en beëindigen van de bevoorschotting en het opleggen van een last onder dwangsom. Deze bepalingen maken het mogelijk om in een vroegtijdig stadium in te grijpen om te voorkomen dat door wanbeheer publieke gelden verkeerd worden besteed.

3.2 Transitie van MCO naar Stichting Omroep Muziek (SOM) en verzelfstandiging van het Metropole orkest (MO)

Voortgang uitwerking Regeerakkoord

In het voorjaar van 2012 ontving mijn voorganger van de NPO een voorstel voor de transitie van twee ensembles (het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor) van het MCO naar de publieke omroep. Het voorstel hield de oprichting in van een Stichting Omroep Muziek («SOM», voorheen bekend onder de werktitel «SOE»). Ik heb de NPO vervolgens gevraagd de uitwerking van dit voorstel ter hand ter hand te nemen. Dit heeft ertoe geleid dat, per 1 augustus 2013 de twee ensembles doorgaan onder de vlag van de SOM. De nieuwe stichting heeft een budgettair kader gekregen van € 14,3 miljoen per jaar (behoudens een eventuele index). Dit is exclusief de bijdrage van de NPO aan de SOM.

Het MO is perspectief geboden op verzelfstandiging op voorwaarde dat er een realistisch ondernemingsplan zou zijn. In het debat over de mediabegroting 2013 heeft de Kamer de motie Van Dam-Huizing ingediend. 63 Deze motie verzocht de regering om naast de gevraagde € 9 miljoen eenmalig ter beschikking te stellen een bedrag van € 3,5 miljoen uit de AMR en eenzelfde bedrag van € 3,5 miljoen uit de cultuurbegroting. Doel hiervan is om het MO in staat te stellen de periode tot 1 januari 2017 te overbruggen. Het kabinet heeft besloten deze motie uit te voeren. Nadat een aangepaste aanvraag voor een bijdrage is ontvangen, heeft het MO op 15 juli 2013 een bijdrage van € 16 miljoen ontvangen voor de periode 2012–2016.

Zowel de SOM als het MO hebben inmiddels een goede start gemaakt in het nieuwe seizoen.

3.3 Mediawijsheid

Het Mediawijsheid Expertisecentrum, Mediawijzer.net bestaat sinds 2009 en helpt burgers en instellingen om op een meer bewuste, kritische en actieve manier om te gaan met media. Het expertisecentrum opereert als netwerkorganisatie met vijf stuurgroepleden bestaande uit het Sectorinstituut Openbare Bibliotheken, ECP, de publieke omroep (NTR), Kennisnet en het NIBG. Inmiddels hebben zich ruim 1000 netwerkpartijen (organisaties uit media- onderwijs- en cultuurveld) bij dit centrum aangesloten.

Het mediawijsheidprogramma loopt tot en met 2014 en krijgt tot die tijd € 2,0 miljoen euro. Dit geld wordt besteed aan het Mediawijsheid Expertisecentrum, de subsidieregeling «innovatieve projecten» en de centrale loketfunctie (bij NIBG). Begin 2014 wordt Mediawijzer.net geëvalueerd. Mede op basis daarvan ga ik bekijken of en in welke vorm het programma wordt voortgezet.

3.4 Radio Nederland Wereldomroep

De Wereldomroep wordt vanaf 1 januari 2013 niet meer uit de Mediabegroting gefinancierd. Een afgeslankte en gereorganiseerde Wereldomroep verspreidt sindsdien onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van BZ het vrije woord. Bij de overdracht is met de Minister van BZ afgesproken dat de Wereldomroep als een financieel weerbare organisatie start bij BZ, zonder verborgen financiële gebreken. Met het oog hierop is aan het CvdM gevraagd om bij de eindafrekening van de jaarrekening 2012 een deel van de verwachte vordering op de Wereldomroep om te vormen tot een achtergestelde lening vanuit de AMR, met behoud van het recht op ontvangst van terug te vorderen middelen. De rest van de vordering vloeit direct terug naar de AMR. Het CvdM is momenteel bezig met de beoordeling van de jaarrekening 2012 en houdt daarbij ook rekening met de kosten van de reorganisatie.

Een van de voormalige taken van de Wereldomroep, namelijk het informeren van Nederlandstaligen in het buitenland blijft onderdeel van het mediabeleid. Dit gebeurt op twee manieren: met de activiteiten van Stichting BVN, samen met de Vlaamse publieke omroep. En het gebeurt door een mediavoorziening voor het Koninkrijk overzee op te zetten, beide onder verantwoordelijkheid van de landelijke publieke omroep. Voor deze taak is in totaal circa € 1,7 miljoen toegevoegd aan het budget van de NPO. Hiervoor maakt de NPO zoveel mogelijk gebruik van de expertise en het personeel van de Wereldomroep.

3.5 Lokale publieke omroep

Vooraf aan het Mediabegrotingsdebat stuur ik u afzonderlijk een brief over de lokale publieke omroep, zoals ik heb toegezegd.64 Hierin zal ik ook antwoord geven op de vraag van lid Verhoeven over financiële problemen bij lokale publieke omroepen.65 Kortheidshalve verwijs ik u naar de inhoud van deze brief.

3.6 Persbeleid

Vooraf aan het Mediabegrotingsdebat stuur ik u afzonderlijk een brief over de pers, zoals ik heb toegezegd.66 Hierin zal ook de evaluatie van de regelingen van het Stimuleringsfonds voor de Pers zijn opgenomen.67 Kortheidshalve verwijs ik u naar de inhoud van deze brief.

3.7 Evenementenlijst

Vooraf aan het Mediabegrotingsdebat stuur ik u afzonderlijk een brief met als bijlage het verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de evenementenlijst, zoals ik heb toegezegd.68

3.8 Uitvoering overige moties en toezeggingen

Boetes uit verenigingsgelden

Op 6 december 2011 heeft het vorige kabinet de Tweede Kamer antwoorden gestuurd op de Kamervragen van het lid Haverkamp (CDA) over de boetes die publieke omroepen moeten betalen als gevolg van wetsovertredingen. Ook tijdens het debat over de mediabegroting op 12 december 2011 is de vraag aan de orde geweest of publieke omroepen boetes uit verenigingsmiddelen zouden moeten betalen in plaats van uit publieke omroepgelden.69 Het CvdM is gevraagd daarover advies uit te brengen. Uit een eerste concept-rapportage blijkt dat de omroepverenigingen in de periode 2011-medio 2013 nauwelijks boetes hebben gekregen.70 Deze betroffen op een enkele uitzondering na, allemaal verkeersboetes. Verder blijkt dat de omroepen een duidelijk beleid hebben voor het toerekenen van boetes, dat aansluit bij de regels voor de financiële verantwoording.71 Verkeersboetes worden doorbelast aan de medewerker of producent die de boete heeft veroorzaakt. Andersoortige boetes worden toegerekend aan de betrokken activiteit. Een boete die betrekking heeft op verzorging van media-aanbod wordt toegerekend aan de productiekosten. Boetes die verband houden met een neven-of verenigingsactiviteit worden toegerekend aan de neven-of verenigingsactiviteit. Een uitzondering is de AVRO. Deze omroepvereniging brengt alle door het CvdM opgelegde boetes, ongeacht de activiteit waarop ze betrekking hebben, ten laste van de vereniging. Sommige omroepen bedingen contractueel dat eventuele boetes, dwangsommen en schadeclaims verhaald worden op programmamakers en producenten. Buiten gebruikelijke aansprakelijkheidsverzekeringen is niet gebleken dat omroepen zich verzekerd hebben tegen boetes en schadeclaims. Voor de hand liggende verklaring daarvoor is dat opzet uitgesloten is van verzekering.

Deze gegevens geven mij geen aanleiding nu te besluiten tot wettelijke maatregelen. Het gaat om zeer weinig boetes, waarvan een deel al door de omroepen zelf ten laste worden gebracht van de vereniging of van de inkomsten uit nevenactiviteiten. Ik zal het CvdM vragen bij de rechtmatigheidscontrole van de jaarrekeningen 2012 nader aandacht te geven aan de verantwoording van boetes.

Aansluiting bij het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM)

Tijdens het Algemeen Overleg over de hoofdlijnen van het mediabeleid op 16 april jl. heeft uw Kamer aandacht gevraagd voor een aantal zenders met een buitenlandse licentie dat zich met hun programma’s richt op het Nederlandse publiek maar niet aangesloten is bij het NICAM (Kijkwijzer).72 Dit betroffen de zenders Foxlife, TLC (themakanaal van Discovery) en 13th Street en Syfy (beide van conglomeraat NBC Universal). In reactie hierop heb ik uw Kamer toegezegd om met deze partijen in overleg te treden. Dit overleg loopt nog. In verband met wisselingen in het management en de nodige afstemming met de juridisch verantwoordelijken in het buitenland vraagt het innemen van een standpunt door deze zenders, in reactie op mijn appel om zich bij het NICAM aan te sluiten, wat meer tijd. Wel kan ik uw Kamer melden dat Foxlife zich afgelopen juli formeel bij het NICAM heeft aangesloten. Uiteraard blijft ook het NICAM zich onverminderd inzetten om niet aangesloten partijen met een buitenlandse licentie te bewegen tot aansluiting bij het Kijkwijzersysteem.

Ter afsluiting

Komend jaar zal voor de publieke omroepen in het teken staan van het uitvoeren van het 3-3-2-model. Veranderingen in de organisatie en primaire processen moeten ertoe leiden dat de publieke omroep een programmering kan bieden zoals we dat van hem gewend zijn, maar dan tegen flink lagere kosten. Ik heb er vertrouwen in dat de publieke omroep deze opdracht met overtuiging zal uitvoeren.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstuk 32 827 nr. 57 (bijlage).

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
3

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
4

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
5

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
6

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
7

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
9

Prijsindex 2013 doorwerking 2014 (€ 12,7 miljoen) en prijsindex 2014 met betrekking tot het jaar 2014 (€ 15,9 miljoen).

X Noot
10

Kamerstuk 33 400-VIII, nr. 165.

X Noot
11

Kamerstuk 32 827, nr. 1.

X Noot
12

Kamerstuk 33 000-VIII, nr. 59.

X Noot
13

Kamerstuk 33 664, nr. 24 -de motie–Verhoeven c.s. over verlagen van de voorgenomen bezuiniging op de regionale omroepen.

X Noot
14

Jaarrekening Ster, 2012.

X Noot
15

Het kijktijdaandeel geeft aan welk deel van de totale kijktijd in die periode is toe te schrijven aan een bepaald programma, zender of zendergroep. Met andere woorden: het kijktijdaandeel is het percentage kijkers naar een programma of zender(groep), gepercenteerd op het totale kijkerspubliek binnen de doelgroep.

X Noot
16

Kamerstuk 32 827, nr. 57 (bijlage).

X Noot
17

In 2014 vindt een evaluatie plaats van het expertisecentrum. Zie verder paragraaf 3.3 (Mediawijsheid).

X Noot
18

Het toegekend bedrag voor het jaar 2013.

X Noot
19

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de verspreiding van televisie- en radioprogrammakanalen door middel van omroepnetwerken en omroepzenders en de vaststelling van de minimale omvang van het standaardpakket televisie- en radioprogrammakanalen (Kamerstuk 33 426).

X Noot
21

Dit bedrag van € 17,1 miljoen is circa € 0,9 miljoen lager dan het eerder aangegeven bedrag van € 18,0 miljoen in de Mediabegrotingsbrief 2013. Dit heeft te maken met het niet krijgen van de index 2012 voor de jaren 2013 en verder voor de Wereldomroep, aangezien deze instelling geen onderdeel meer uitmaakt van de Mediawet 2008.

X Noot
22

Zie paragraaf «2013» onder «1.2 Uitgaven» van de Mediabegrotingsbrief 2013 voor de functies van de AMR, Kamerstuk 33 400 VIII, nr. 80.

X Noot
23

«Onderzoek vermogenspositie omroepen», Commissie van der Zwan, 1992.

X Noot
24

Kamerstuk 33 000 VIII nr. 59 en Kamerstuk 33 400 VIII, nr. 20.

X Noot
25

Kamerstuk 32 827, nr. 1.

X Noot
26

Kamerstuk 33 400 VIII, nr. 20.

X Noot
27

Het totaal beschikbaar bedrag voor het jaar 2013 is per saldo met een bedrag van € 2,2 miljoen hoger dan het is aangegeven in de Mediabegrotingsbrief 2013. Het verschil betreft een bijdrage van € 3,0 miljoen van het Ministerie van BZ voor de frictiekosten van de Wereldomroep. Hiertegenover staat een correctie op de ingehouden index 2012 van de Wereldomroep voor het jaar 2013.

X Noot
28

Olympische Winterspelen en het WK Voetbal.

X Noot
29

Kamerstuk 32 033, nr. 8 (bijlage).

X Noot
30

Kamerstuk 32 827, nr. 1.

X Noot
31

Kamerstuk 32 827, nr. 1 (bijlage).

X Noot
32

Bij de uiteindelijke goedkeuring van de Europese Commissie van de bestaande steunmaatregelen voor de Nederlandse publieke omroep in 2009 is de 10%-norm verbreed tot het totaal van het jaarbudget en is dus van toepassing op alle programmareserves van de publieke omroep én de stichtingsreserve van de NPO.

X Noot
33

Audio en video aanbodkanalen.

X Noot
34

Zie het rapport «Publieke Omroep in beeld. Financiering, bedrijfsvoering en toezicht». Tweede Kamer, vergaderjaar 2007- 2008, 31 557, nrs. 1–2.

X Noot
35

Kamerstuk 33 605 VIII, nr. 1.

X Noot
36

Kamerstuk 33 605 VIII, nr. 6 (bijlage).

X Noot
37

Kamerstuk 33 400 VIII, nr. 148 (bijlage).

X Noot
38

NPO Financiële terugblik 2012 (http://www.publiekeomroep.nl/ ).

X Noot
39

Het gaat onder andere om de volgende posten: MCO, Uitzenden en uitzendgereed maken (NOB), Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG), Multiculturele Televisie Nederland (MTNL), FunX, Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland (OLON), garantiebijdrage NOB, frictiekosten Radio Nederland Wereldomroep 2012 en de frictiekosten overige omroepen.

X Noot
40

Het gaat om de betalingen van bijdragen mediabeleid, overige uitgaven media (niet Mediawet), Kabelraden.nl, het Media -educatie expertisecentrum, het stimuleringsfonds voor de Pers en de apparaatskosten van het CvdM.

X Noot
41

NOB (€ 24,0 miljoen), Garantiebijdrage NOB (€ 3,7 miljoen), Frictiekosten (€ 41,0 miljoen) en Overige kosten van het CvdM (€ 0,2 miljoen).

X Noot
42

Een tabel met een overzicht van alle afspraken en de naleving daarvan in 2010–2012 vindt u in op pagina 11 en 12 van bijlage 2.

X Noot
43

Stichting KijkOnderzoek.

X Noot
44

Een reden voor de achterblijvende resultaten op de audioprestatieafspraken kan de nieuwe weging in het Nationaal Luisteronderzoek zijn die sinds afgelopen jaar wordt toegepast. Deze heeft een negatief effect op het bereik en de luistertijd van alle zenders (zowel publiek als commercieel). De resultaten van het audio-aanbodbereik vallen daardoor lager uit en zijn slecht te vergelijken met voorgaande jaren.

X Noot
45

Imago-onderzoek door Ipsos in opdracht van de publieke omroep. Zie Terugblik 2012 (Bijlage 1 bij deze brief).

X Noot
46

Artikel 2.116 Mediawet 2008 jo. Artikel 14b Mediabesluit 2008.

X Noot
48

Eerste Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 664, nr. A.

X Noot
50

Kamerstuk 33 426, nrs. 36 en 40.

X Noot
51

Kamerstuk 33 426, nr. 21.

X Noot
52

Amendementen Klein en Van Dijk/Van der Ham, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2013, 33 541, nrs. 12 en 33.

X Noot
53

Kamerstuk 32 827, nr. 57.

X Noot
54

Kamerstuk 33 664, nr. 27.

X Noot
55

Kamerstuk 33 541, nr. 22.

X Noot
56

Kamerstuk 33 400 VIII nr. 40.

X Noot
57

Het betreft de algemeen directeur van Ster.

X Noot
58

Kamerstuk 32 827, nr. 40.

X Noot
59

Kamerstuk 32 827, nr. 43.

X Noot
60

Kamerstuk 33 541, nr. 24.

X Noot
61

Kamerstuk 30 111, nr. 64.

X Noot
62

Kamerstuk 33 541, nr. A en Kamerstuk 33 664, nr. 2.

X Noot
63

Kamerstuk 33 400 VIII, nr. 103.

X Noot
64

Kamerstuk 33 400 VIII, nr. 93.

X Noot
65

Schriftelijke vragen 2013Z16219 d.d. 29-08-2013.

X Noot
66

Kamerstuk 33 400, nr. 93.

X Noot
67

Kamerstuk 33 019, nr. 15.

X Noot
68

Kamerstuk 33 541, nr. 6.

X Noot
69

Kamerstuk 33 400 VIII, nr. 126.

X Noot
70

Met boetes wordt hier gedoeld op bestuurlijke boetes, verkeersboetes, openbare orde verstoring, smaad, strafbeschikkingen, fiscale boetes.

X Noot
71

Handboek Financiële Verantwoording landelijke publieke media-instellingen.

X Noot
72

Kamerstuk 32 827, nr. 48.