Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433612 nr. 45

33 612 Structuurvisie Windenergie op land

Nr. 45 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 16 juli 2014

De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft op 24 april 2014 overleg gevoerd met Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus van Infrastructuur en Milieu en Minister Kamp van Economische Zaken over:

  • de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu d.d. 20 december 2013 inzake de ontwerp-Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee (Kamerstuk 33 561, nr. 7);

  • de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu d.d. 31 maart 2014 inzake de structuurvisie Windenergie op land (Kamerstuk 33 612, nr.23);

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 31 januari 2013 inzake de afspraken over wind op land met IPO (Kamerstuk 33 400-XII, nr.54);

  • de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu d.d. 17 december 2013 inzake windturbines op de Afsluitdijk (Kamerstuk 33 612, nr. 21);

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu d.d. 31 maart 2014 over laagfrequent geluid van windturbines (Kamerstuk 33 612, nr. 22);

  • de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu d.d. 14 april 2014 met de beantwoording van de vragen van de commissie over de ontwerp-Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee (Kamerstuk 33 561, nr. 9);

  • de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu d.d. 14 april 2014 met het uitstelbericht inzake de Haalbaarheidsstudie Windenergie op Zee binnen de 12 mijlszone (Kamerstuk 33 561, nr.10);

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 7 april 2014 met een afschrift van het antwoord op de brief van de Waddeneilanden over het onderzoek nearshore windenergie.

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu, Van Dekken

De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu, Sneep

Voorzitter: Van Dekken

Griffier: Jansma

Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Van Dekken, Dik-Faber, De Graaf, Paulus Jansen, Klein, Litjens, Agnes Mulder, Van Tongeren, Jan Vos, Van Veldhoven en Albert de Vries,

en Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus van Infrastructuur en Milieu en Minister Kamp van Economische Zaken, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministerie.

Aanvang 10.04 uur.

De voorzitter: Ik open het algemeen overleg van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu over de windenenergiegebieden. Ik heet welkom de Minister van Infrastructuur en Milieu, de Minister van Economische Zaken en hun ambtelijke staf. Ik heet ook de mensen op de publieke tribune van harte welkom. Zij zijn met velen gekomen. Dat is mooi om te zien. Veel mensen volgen het debat via internet en televisie. Het zal vandaag dus niet liggen aan een gebrek aan betrokkenheid bij het onderwerp.

In eerste termijn hanteren we een spreektijd van ongeveer zeven minuten en twee interrupties. Ik probeer een beetje flexibel te zijn. De PvdA opereert vandaag met een tweetal woordvoerders.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Voorzitter. Vandaag begin ik mijn betoog met een aantal passages uit mijn betoog van vorig jaar juni. Toen spraken we ook over wind op land. Ik zal achtereenvolgens ingaan op wind op land, wind op zee en op een paar algemene punten.

De structuurvisie Windenergie op land is een stapje in de goede richting. Ik val maar direct met de deur in huis. De CDA-fractie maakt zich zorgen over de manier waarop de overheid inwoners van dit land betrekt bij de energietransitie. Al verschillende keren heeft mijn fractie aangedrongen op een visie van het kabinet op de maatschappelijke kant van de energietransitie. Die betreft niet alleen een technologische omslag van fossiele naar duurzame energie, maar ook een verandering in de samenleving, van een top-downaanpak naar een aanpak van onderop, van een sterk regisserende overheid naar een dienende overheid en van passieve inwoners naar participerende inwoners. In de ogen van de CDA-fractie zou de overheid niet over de hoofden van de inwoners heen plannen moeten maken voor windenergie. De overheid moet de samenleving meenemen en betrekken bij de plannen. Anders valt het draagvlak voor de energietransitie weg. Dit heb ik vorig jaar juni gezegd. Helaas heeft dit kabinet heel weinig stappen gezet om veranderingen aan te brengen. Het had er echt een randvoorwaarde van kunnen maken. Mijn fractie vraagt de Minister daarom om de mogelijkheden voor zowel planparticipatie als financiële participatie bij windenergieprojecten wettelijk te verankeren.

Gelukkig zagen de mensen van het SER-energieakkoord de meerwaarde er wel van in. Participatie, compensatie en lokaal eigenaarschap zijn dan ook in het energieakkoord terechtgekomen. Helaas laat de uitwerking lang op zich wachten, waardoor de onrust toeneemt. Alle projecten lopen namelijk door. Het CDA geeft het kabinet een dikke onvoldoende voor het creëren van draagvlak voor windenergie. Dit is niet de manier om met mensen om te gaan.

Ik noem een voorbeeld. In Drenthe wordt gedaan alsof er draagvlak is, terwijl er in werkelijkheid sprake is van grote tegenstand. De gemeenten sturen het CDA brieven over dit onderwerp. Vindt de Minister dat alles nog steeds goed gaat? Wat leert zij van het proces? Het draagvlak is voor het CDA belangrijk. Op deze manier halen we de doelstelling natuurlijk nooit. We moeten samenwerken met de mensen en geen besluiten nemen over de ruggen van mensen heen. Iedereen moet er immers in toenemende mate aan meebetalen. De bezwaren zullen dan ook niet van de lucht zijn en veel projecten zullen nog afvallen. We moeten kunnen laten zien dat we serieus inzetten op hernieuwbare energie. Laten we vast beginnen met zonne-energie en energiebesparing. Dit levert werkgelegenheid op.

Een positief voorbeeld van een andere aanpak is de NDSM-werf in Amsterdam, die samen met bedrijven en inwoners in gesprek is over de mogelijkheden. De uitkomst is nul bezwaren. In Delfzijl gaat het ook goed.

Het CDA is niet van plan om de structuurvisie aan te nemen voordat de gedragscode er is. Ik zal hierover een motie indienen. Mijn fractie ziet graag dat er gewerkt wordt aan wettelijke verankering met oog voor maatwerk. Wanneer gaat dit gebeuren? In het verlengde hiervan geeft het CDA de Friezen graag meer tijd voor het bekijken van een alternatief traject om de Friese doelstelling te halen. Ook Groningen is aan het kijken naar een alternatief zoekgebied en heeft meer tijd nodig. Gunt de Minister hun deze tijd? En neemt zij de verantwoordelijkheid voor de doelstelling als daarmee het draagvlak wél gerealiseerd kan worden? Ook op dit punt heb ik een motie klaarliggen.

Dan kom ik op de discussie over wind op zee. Er komt een haalbaarheidsstudie over de nearshore, want die is er nog niet en de m.e.r.-studie is kritisch. Rond mei komt er ook nog een werkgelegenheidsrapport. Dan zullen we zien wat de effecten van de windindustrie voor de werkgelegenheid zijn, ook op zee. De provincie Groningen pleit voor een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) voor windenergie in het defensiegebied boven de Wadden. Wat het CDA betreft, zijn de havens van Groningen er klaar voor en worden er goede kansen geboden voor windenergie en werkgelegenheid. In het onderzoek van de provincie Groningen naar de mogelijkheden in het defensiegebied staat dat de kosten behoorlijk omlaag kunnen. Dit is een wenkend perspectief voor alle belastingbetalers. Natuurlijk moeten we ook bekijken op welke wijze we dan omgaan met Defensie. Zij levert immers in. Hoe wordt zij gecompenseerd? Het lijkt mijn fractie de moeite van het onderzoeken waard. Hoe staan de Ministers hier tegenover? Het park Gemini boven de Wadden is gegund en wordt momenteel gerealiseerd. Verschillende parken kunnen op hetzelfde netwerk worden aangesloten. Dit zal kostenvoordelen met zich meebrengen.

De Commissie voor de m.e.r. lijkt inderdaad aan te geven dat de ontwerpstructuurvisie Wind op zee tekortschiet. Wat gaat de Minister doen om de zaken te verbeteren? Hoe wordt de kosteneffectiviteit van een bepaald gebied meegewogen? Hoe realiseert de Minister een zo effectief mogelijke bekabeling? Welke samenwerking is mogelijk met Duitsland en België?

Als we het schema voor windenergie op zee bekijken, dan moet er vanaf 1 januari 2015 ingetekend kunnen worden voor de eerste fase van de SDE-plusregeling. Wij vragen ons af of dit gerealiseerd zal worden. Hoe zit het met de al eerder aangewezen gebieden die in 2015 aanspraak kunnen maken op de SDE-plus? Kan de Minister hierop ingaan? Gaat de Minister TenneT aanwijzen als verantwoordelijke voor de meest efficiënte bekabeling op zee en wie houdt er toezicht?

In zijn algemeenheid worden er veel vragen gesteld over de kosten van windenergie, zowel op zee als op land. Het zou goed zijn als de Minister nog eens helder aangeeft hoe kosteneffectief het is, ook aan de vele mensen die hier vandaag aanwezig zijn en de mensen die het volgen via internet. Een windpark op een meer is immers duurder dan een windpark op land. Hoe gaan we hier goed mee om, ook als we het draagvlak erin meenemen?

We willen graag dat de Minister de voortgang op dit dossier goed monitort. Hij zal dit ongetwijfeld doen, maar we willen graag nog eens van hem horen hoe het staat met windenergie op zee, windenergie op land en het draagvlak. Ook wil mijn fractie helderheid over de vraag welke doelen we wel halen en welke doelen niet. Moeten we in de tussentijd misschien nog andere zaken doen in de energiemix voor hernieuwbare energie? Mijn fractie wordt graag halfjaarlijks geïnformeerd over de monitoring.

Als we niets doen aan ons klimaat, kunnen we een mondiale temperatuurstijging verwachten. Voor een land aan de zee als het onze is dat geen aanlokkelijk perspectief. Het CDA wil de problemen die we nu al kunnen zien aankomen, niet doorschuiven naar de volgende generaties. Het kiest voor de lange termijn, voor een toekomst voor onze kinderen en voor een eerlijke economie.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Voorzitter. Als Nederland er dit keer wel in slaagt om windparken voor de kust te krijgen, kan het ze het beste Poetin 1 en Poetin 2 noemen. Oud-Minister Cramer van de PvdA wilde jaren geleden al 6.000 MW op zee, maar er ligt nog geen tiende hiervan. Als Poetin of koning Abdullah van Saudi-Arabië geen motivatie zijn voor minder olie, kolen en gas, dan is het onlangs verschenen rapport van het IPCC, het klimaatpanel van de Verenigde Naties, dat wellicht wel. Hierin staat dat de broeikasuitstoot de afgelopen tien jaar sneller is gestegen dan ooit tevoren. Energieproductie levert de grootste bijdrage aan de uitstoot, zo'n 35%. Ons land heeft de beste ingenieursbureaus, offshorebedrijven, waterbouwers en havens ter wereld. Nederland kan wereldspeler zijn op het terrein van duurzame energie, maar blijft steken op een armzalige 4% duurzame energie van het totale energieverbruik. Mijn PvdA-collega's herkennen deze tekst ongetwijfeld onmiddellijk. Deze komt namelijk uit hun verkiezingsprogramma.

In de afgelopen weken, maanden en jaren heb ik veel voor- en tegenstanders van wind gesproken. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat 80% van de Nederlanders graag windenergie wil. Slechts 30% van de Nederlanders is negatief over een windmolen als deze zichtbaar in de buurt staat. GroenLinks vindt net als mijn collega van het CDA draagvlak bijzonder belangrijk. Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie-Van Tongeren, waarin een pleidooi wordt gehouden voor burgerparticipatie in windprojecten, zowel inspraak als financiële participatie? Aangezien de motie nu bijna twee jaar oud is, neem ik aan dat de Ministers kunnen vertellen hoe het ermee staat. Er is een geopolitieke noodzaak en een klimaatnoodzaak, en we kunnen er werkgelegenheid in vinden. Er kan maatschappelijk draagvlak worden opgebouwd, mits het goed gebeurt. De Ministers kunnen dan voortvarend aan de slag voor echte Hollandse wind. Minister Kamp en Minister Schultz leggen op tv graag enthousiast uit waarom zaken als een nieuwe snelweg, 130 km/u rijden of gaswinning nodig zijn. Graag zie ik de Ministers ook net zo regelmatig en enthousiast op tv vertellen waarom er windenergie moet komen. Wellicht kan Minister-President Rutte ook een keer in zijn persconferentie uitleggen waarom investeren in windenergie zo goed is voor de Nederlandse economie en waarom het kabinet het enthousiast ondersteunt.

Ik loop mijn inhoudelijke punten stuk voor stuk af. GroenLinks is bang dat twee discussies door elkaar gaan lopen. Ik doel op de discussie over nearshore, die nu nog niet verder is dan het discussiestadium, en de discussie over een snelle realisatie van wind op zee op aangewezen plekken op een flink eind uit de kust, zodat mensen die het lelijk vinden er geen last van hebben. Zijn de Ministers het met mij eens dat de nearshorediscussie niet de uitrol van wind moet verstoren?

Mevrouw Mulder stelde een vraag over het tijdpad. De geplande systematiek van de gezamenlijke concessie, de vergunningen en de SDE-beschikking zijn positief. Het tijdpad is echter krap. Ik wil graag een toezegging van Minister Kamp dat we het gaan halen. Waarom denkt hij het te halen? Krijgen we een eerste tender in maart 2015, zodat de ontwikkelingen nog in 2015 van start kunnen? Onder welke omstandigheden en wanneer zet Minister Kamp de extra 375 miljoen, die gereserveerd is, in? Heeft hij al een invulling voor dit bedrag in gedachten? Wat gebeurt er met de bestaande concessies uit de tweede tenderronde? Als hierover nu nog geen duidelijkheid is, wil ik graag weten wanneer dit wel het geval zal zijn. Liggen de concessies in de weg bij grootschalige uitrol? Wanneer gaan de Ministers met de concessiehouders in overleg?

In wind op land zit helaas een vertraging, die door onder meer GroenLinks is voorspeld. De motie-Dikkers, waardoor de gehele ontwikkeling zes maanden is stilgelegd, heeft deels voor de vertraging gezorgd. Dit is alleszins jammer. Het schept immers onduidelijkheid, zowel voor voorstanders als voor tegenstanders. Mensen kunnen hun huis niet verkopen, omdat er misschien iets komt of misschien ook niet. Mensen kunnen niet investeren, omdat er misschien iets komt of misschien ook niet. Ik hoor graag van de Ministers hoe het proces verloopt. Gaan we de tijdslijnen halen? Ik heb al eerder gevraagd om reservegebieden voor wind op land aan te wijzen om vertragingen te voorkomen. Dit zou in de eerste helft van 2014 gebeuren. Hoe staat het met de reservelocaties? Er zijn verschillende locaties in Nederland waar de bewoners instemmen met het plaatsen van windmolens, waar de overheden het prima vinden of waar ze niemand in de weg staan. Er ligt een aangenomen motie van het CDA en GroenLinks om op de Afsluitdijk wind te realiseren. Een ander voorbeeld is het NDSM-terrein. Maar ook in Groningen en Zaandam zijn er meerdere plekken waar een en ander zo van start kan.

De planning van het Interprovinciaal Overleg (IPO) leidt tot nog meer vertraging. Straks zitten we in 2017 met een flink aantal locaties dat niet te ontwikkelen is en is er geen tijd meer voor het aanwijzen van reservegebieden waar geen weerstand is. Hoe voorkomen de Ministers deze vertraging?

Dan kom ik op de eventuele grondprijsspeculatie. Ik heb inzage gehad in een aantal pachtcontracten voor windmolens. Ik heb ook wat kaarten gezien waarop staat wie welke grondposities ingenomen heeft en ik heb gekeken bij de Grondbank van het Rijk op welke wijze de grondprijs voor windmolens tot stand komt. Als ik het goed begrijp, wordt voor een windmolen een tien keer hogere grondprijs gevraagd dan voor een kolencentrale. Ik hoor graag van de Ministers hoe het zit. Dit is een ongelooflijk slechte zaak. De doelstelling van het kabinet is toch om te komen tot zo veel mogelijk schone energie. Er is nog een ander enorm negatief effect. Als het Rijk zo'n hoge prijs vraagt voor de grond, dan zullen particulieren vragen of zij hetzelfde bedrag mogen vangen. Bovendien gaat gedurende een periode van twintig jaar een gedeelte van de SDE-plussubsidie van Minister Kamp naar Minister Dijsselbloem. Ik heb begrepen dat er verschillen van inzicht zijn tussen het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Economische Zaken over de vraag of het rondpompen van subsidiegeld van het ene Ministerie naar het andere een handige zaak is of niet. Hoeveel geld van de SDE-plussubsidie gaat er in de voorliggende plannen naar Minister Dijsselbloem? En hoe staat het met de grondprijzen bij de windparken? Ik hoor namelijk verhalen dat we bij bijvoorbeeld de N33 al op de zesde of de zevende variant zitten. Dit heeft niet zozeer te maken met de beste locatie, waarbij bewoners allemaal op geruime afstand zitten van de windmolens, als wel met de ingenomen grondposities. GroenLinks vindt dit onwenselijk.

Ik sluit af met een vraag. Ik heb een aantal moties ingediend over het bevorderen van wind op zee en op land. Vanwege de tijd zal ik ze niet noemen. Hoe staat het met de uitvoering ervan?

De heer Albert de Vries (PvdA): Voorzitter. Nu de gebieden voor wind op land zijn aangewezen, begint het moeilijkste werk. Nederland is een heel dichtbevolkt land en bij windmolens spelen allerlei factoren, zoals geluidsoverlast, slagschaduw en aantasting van natuur en landschap een rol. Het vraagt om zorgvuldigheid. De PvdA is voor een blijvende rol van de provincies. Met name de betrokkenheid van bewoners kan veel beter dan tot nu toe het geval is. Er moeten ten minste drie afspraken worden gemaakt.

Ten eerste dienen overlast en schade zo veel mogelijk te worden beperkt. Dit dient de hoofdzaak te zijn in de puzzel waar de molens moeten komen. Tegelijkertijd moet er natuurlijk ook voor worden gezorgd dat de molens rendement opleveren. We moeten immers rendabele investeringen doen. Het oplossen van de puzzel moet leidend zijn en niet de grondeigendom van initiatiefnemers of de grenzen van een plangebied. Zijn de Ministers dit met mijn fractie eens? Voorkomen is beter dan genezen. Als er echter toch sprake is van schade en waardedaling voor bewoners, dan dient de planschade vergoed te worden. Bewoners moeten vooraf weten waar zij aan toe zijn. Om die reden verzoekt de PvdA om verplicht te stellen dat vooraf door erkende taxatiebureaus inschattingen worden gemaakt van planschade. Zijn de Ministers hiertoe bereid?

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Ik ben blij om te horen dat de PvdA voor de inwoners gaat staan. Vorig jaar heeft de PvdA echter nog tegen de motie van de ChristenUnie en het CDA gestemd. Hoe moet ik dat rijmen?

De heer Albert de Vries (PvdA): Wij hadden toen ingeschat dat de betrokkenheid van bewoners van onderop georganiseerd zou worden. We moeten constateren dat deze betrokkenheid veel te veel is uitgebleven. Daarom moet er nu echt nadruk op komen te liggen. Mijn fractie is ervan overtuigd dat op dit punt ingezet moet worden.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Het probleem is nooit de betrokkenheid van onderop geweest. Er was betrokkenheid van inwoners. Deze hebben laten zien waar volgens hen de problemen zaten. We hadden een wettelijk kader moeten meegeven en een fatsoenlijke gedragscode, waaraan inwoners hadden kunnen refereren. De PvdA heeft het vorig jaar keihard laten liggen. Jammer.

De heer Albert de Vries (PvdA): De rest van mijn betoog kom ik een eind in de richting van mevrouw Mulder. Ik vind immers dat de gedragscode ...

De voorzitter: U moet nog even wachten met het voortzetten van uw betoog.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Is dit nu een opstapje naar verdere vertraging door de PvdA van de uitrol van wind op land? Zowel in het regeerakkoord als in het verkiezingsprogramma van de PvdA, waaruit ik zojuist een stukje voorlas, wordt steeds de nadruk gelegd op het belang van schone energie en het verkrijgen ervan. Nu gaan we het in werkelijkheid doen en is er zelfs geld geregeld. En dan hoor ik nu over een stapje naar een motie, waarin staat dat we eerst allerlei dingen moeten uitzoeken, alvorens we verder kunnen. Deze wordt ongetwijfeld gesteund door de PvdA en de VVD.

De heer Albert de Vries (PvdA): De PvdA blijft vasthouden aan de taakstelling van 6.000 MW windenergie op land. Het jaar 2020 moet gehaald worden. Dit laat onverlet dat bewoners grote belangen hebben en dat er zorgvuldigheid geboden is bij het uitrollen. Er moeten nog allerlei procedures en onderzoeken worden gedaan. Tegelijkertijd kan bijvoorbeeld het planschadeonderzoek, dat ik zojuist noemde, gemakkelijk plaatsvinden. In de praktijk gebeurt het vaker dat gemeenten vooraf inschattingen maken voor projecten.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik wijs op de aangenomen motie-Van Tongeren waar de PvdA voor heeft gestemd. Wat de heer De Vries nu vraagt, is in 2012 al aan het kabinet gevraagd. De PvdA heeft ook Ministers in het kabinet zitten. Hoe kan het dat de PvdA nu plotseling of weer ontdekt dat ze iets wil wat ze in 2012 ook al wilde, maar wat steeds maar niet gebeurt? Waar zit het probleem? Dringt de PvdA niet hard genoeg aan of stribbelt de VVD te zwaar tegen? Hoe kan dit nu?

De heer Albert de Vries (PvdA): In de praktijk zien bewoners geen beweging, vooral zij die in grote onzekerheid verkeren. Mevrouw Van Tongeren zei net dat woningen minder waard worden zonder dat precies duidelijk is wat er gebeurt. Daarom is duidelijkheid nodig. Deze kan worden verkregen door vooraf inschattingen te maken van de concrete plannen die straks gerealiseerd worden.

De heer Paulus Jansen (SP): Het is positief dat de heer De Vries zegt dat de planschade vergoed moet worden. Dat is uiteraard een wettelijk recht. Een bottleneck hierbij is het eigen risico. Is de heer De Vries met de SP-fractie van mening dat er voor de omwonenden onder de streep een zwart en geen rood bedrag moet staan? Dit is mogelijk als de planschade volledig wordt vergoed, zonder eigen risico, en er een andere vorm van compensatie plaatsvindt, bijvoorbeeld in de vorm van gratis stroom, afhankelijk van de afstand tot de molen.

De heer Albert de Vries (PvdA): Op de participatiemogelijkheden van bewoners kom ik later in mijn betoog te spreken. Mijn fractie vindt niet dat we voor deze operatie andere planschaderegelingen moeten maken dan voor andere grote ruimtelijke infrastructurele projecten in Nederland. We moeten gebruikmaken van de normale regelingen, maar mensen moeten wel weten waar ze aan toe zijn. Kan het kabinet derhalve verplicht stellen dat er vooraf inschattingen worden gemaakt van de schade die mensen kunnen lijden?

De heer Paulus Jansen (SP): Constateert de heer De Vries ook dat er voor veel mensen die niet willen of kunnen participeren of die geen eigen geld erin willen steken, onder de streep een rood bedrag overblijft? Kortom, wat is volgens de PvdA-fractie de oplossing voor mensen die in de buurt van een windpark wonen en geen geld willen of kunnen investeren, maar die onder de streep wel schade hebben?

De heer Albert de Vries (PvdA): Ik kom zo terug op de manieren waarop participatie mogelijk moet worden gemaakt. Je kunt ook participeren zonder dat je zelf liquiditeit inzet. Er zijn allerlei voorstellen van energiemaatschappijen om mensen deelnemer te laten worden en hun energierekening te vereffenen. Het is heel laagdrempelig en zou echt een goede mogelijkheid zijn.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Er wordt gewerkt aan een gedragscode. Hierin participeren alle milieuorganisaties en, als het goed is, ook alle provincies. In de gedragscode staat iets over de manier waarop je kunt nadenken over participatie. Zo'n gedragscode is natuurlijk een redelijk los instrument, zeker als nog niet duidelijk is of alle provincies daadwerkelijk tekenen. Is de PvdA het met D66 eens dat we de gedragscode op een goede manier moeten verankeren, zodat het een van de prestatieafspraken wordt tussen het Rijk en de provincies? In de gedragscode onderschrijven alle partijen de manier waarop ze met moeilijke kwesties willen omgaan.

De heer Albert de Vries (PvdA): De PvdA is het met D66 eens. Ik zal er dadelijk nog iets over zeggen. Het kabinet moet veel meer de regie nemen in de totstandkoming van de gedragscode. Ook bewoners moeten hierin partij worden. Tot nu toe zijn ze dat niet, hetgeen een omissie is.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): De heer De Vries en ik leggen gezamenlijk bij de Ministers de vraag neer hoe we ervoor kunnen zorgen dat de gedragscode er echt komt, dat hij verankerd is en dat hij door alle provincies wordt gedragen en onderschreven.

De voorzitter: Dit was geen vraag.

De heer Klein (50PLUS): De heer De Vries introduceert een apart model waarbij planschade vooraf wordt ingeschat, zodat mensen duidelijkheid hebben. Werkt het ook andersom? Kan de Minister ook zeggen dat we moeten afzien van het plaatsen van windturbines op een bepaalde locatie, omdat het veel te duur wordt?

De heer Albert de Vries (PvdA): Het inschatten van planschade is een indicatieve benadering. Het geeft voor zowel de bewoner als de initiatiefnemer een beeld van wat er aan de hand is. Het kan voor initiatiefnemers een signaal zijn dat er heel grote bedragen aan planschade uitbetaald moeten worden. Ik verwacht echter niet dat het nodig zal zijn. Als initiatiefnemers rekening houden met de opvattingen van bewoners, neem ik aan dat ze de molens zo zullen plaatsen dat de schade wordt beperkt. Je moet natuurlijk voorkomen voordat je gaat genezen, maar op zich kan het een signaal zijn.

De heer Klein (50PLUS): De vraag van de heer De Vries of de Minister van tevoren kan inschatten of er een extra kostenverhogend element zit aan het realiseren van windturbines op land, stelt het kosteneffectiviteitsplaatje in de waagschaal.

De heer Albert de Vries (PvdA): Dit is geen vraag, maar een stelling. Die wil ik graag weerleggen. Het inschatten van planschade is het vooruithalen van een wettelijk traject. Je maakt vooraf een indicatie. Op zich zijn het geen heel dure trajecten, zeker niet als het geconcentreerd voor een heleboel woningen tegelijkertijd kan plaatsvinden. Iedereen weet waar hij aan toe is. Bewoners moeten veel meer worden geïnformeerd en betrokken. Mijn fractie meent dat het er echt bij hoort en heeft zelfs, indien nodig, een motie klaarliggen.

Mijn fractie heeft het idee dat er een valse start is gemaakt met de planning voor windmolens op land. We hebben de Elverdingmethodiek en hebben bij het project Rijksbesluiten Amsterdam–Almere–Markermeer (RAAM) gezien dat het betrekken van bewoners in de praktijk veel beter kan. In het energieakkoord staat de gedragscode. Bij het opstellen van deze gedragscode moeten niet alleen de Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA) en de natuurorganisaties worden betrokken, maar ook een vertegenwoordiging van de bewoners, zoals de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines (NLVOW). Het kabinet moet hierin de regie nemen en het niet volledig aan de markt overlaten. Ook hierover heeft mijn fractie een motie klaarliggen.

Vervolgens moet worden geborgd dat bewoners kunnen delen in de winst die met de exploitatie van windparken wordt behaald. Deze winst mag niet grotendeels bij grondeigenaren en ontwikkelaars terechtkomen. Het geniet de voorkeur van de PvdA dat bewoners mede-eigenaar kunnen worden van windparken, al dan niet voorgefinancierd via de energieleverancier en al dan niet in coöperatief verband. Zijn de Ministers bereid om deze voorwaarde aan initiatiefnemers te stellen? Bewoners moeten in ieder geval zelf kunnen bepalen op welke wijze zij participeren en moeten niet alleen een beperkt keuzemenu van de initiatiefnemer voorgelegd krijgen. Zijn de Ministers het met de PvdA eens?

Over de uitwerking van de drie punten heb ik nog een algemene opmerking en een aantal specifieke opmerkingen per provincie. Bewoners moeten bij de inpassingsplannen een beroep op expertteams kunnen doen. Dit heeft de Kamer met het aannemen van de motie-Albert de Vries/Houwers uitgesproken. De motie beoogt meer dan hetgeen Staatssecretaris Mansveld in haar brief schrijft. Deze gaat niet alleen over de uitleg aan bewoners door deskundigen, maar vooral over het meedenken met bewoners over de wijze waarop hinder en vooral geluidshinder in specifieke situaties het best kan worden voorkomen. Onderschrijven de Ministers deze uitleg van de motie?

In Friesland bestaat verzet tegen het plan om op grote schaal molens in het IJsselmeer te bouwen. Er is een positief initiatief genomen om voor een deel van het park te zoeken naar alternatieven en goedkopere oplossingen die meer draagvlak hebben. Het is positief, omdat naast de Friese Milieu Federatie en het Platform Duurzaam Fryslân namens de Friese windondernemers, ook het comité Hou Friesland Mooi namens de bewoners is betrokken. Zijn de Ministers bereid om in het IJsselmeerplan geen onomkeerbare stappen te zetten boven 250 MW en om die 250 MW zo ver mogelijk van de kust te situeren?

De PvdA begrijpt de argumenten om nu geen project op de Afsluitdijk toe te voegen. In overleg met de provincies Friesland en Noord-Holland moet echter de mogelijkheid voor later worden opengehouden, in ieder geval wat betreft het gedeelte tussen de twee sluizen. De PvdA wil ook het Noordzeekanaalgebied in Noord-Holland als optie houden. Voor het project N33 in Groningen zijn heel veel varianten onderzocht. De zesde variant in de Eekerpolder scoort veruit het best. De provincie Groningen wil een verdiepend onderzoek doen naar deze variant. Zij verzoekt om een lopende rijkscoördinatieregelingprocedure (RCR-procedure) voor het gebied N33 aan te houden tot de uitkomsten van het onderzoek beschikbaar zijn. Dit verzoek wordt gesteund door vele betrokkenen, onder wie de bewoners die worden ondersteund door de eerder genoemde NLVOW. De PvdA vindt dat het verzoek moet worden gehonoreerd. Zijn de Ministers het hiermee eens? Ook hierover heeft de PvdA een motie voorbereid.

In de Drentse veenkoloniën is er massaal verzet. Het proces is hier op zijn zachtst gezegd aanvankelijk erg ongelukkig verlopen, buiten de bewoners om. Het draagvlak kan op basis van de gebiedsvisie van de provincie worden vergroot, zeker als ook de bewoners een stem krijgen bij de uitwerking. Zijn de Ministers bereid om in Drenthe de provinciale gebiedsvisie als uitgangspunt te nemen? Willen zij nog eens met de provincie Zuid-Holland spreken over de betrokkenheid van bewoners bij Goeree-Overflakkee?

De PvdA steunt de taakstelling, maar er moet nu snel zekerheid komen. Mijn fractie wil graag voor 1 september een onafhankelijke toets van het aandeel dat de provincies met zekerheid kunnen realiseren in de elf door hen aangewezen gebieden. We verwachten voor 1 december een overzicht van de capaciteit die de provincies met zekerheid op kleinere locaties kunnen realiseren, een overzicht van de oude molens die zij denken te kunnen saneren, en een overzicht van locaties die eventueel nog aanvullend zijn voor het halen van hun aandeel in de taakstelling.

De heer Jan Vos (PvdA): Voorzitter. We praten vandaag over windenergie op land en windenergie op zee. Hierover is veel te doen. Misschien is het goed om nog eens te benadrukken waarom de PvdA duurzame energie zo belangrijk vindt. In Nederland wekken we zo'n 4,5% van onze energie duurzaam op. Samen met Malta en Luxemburg hangen we onderaan alle ranglijsten van de Europese Unie. Waarom wil de PvdA zo graag meer duurzame energie? Hiervoor zijn drie redenen. Zij wil graag energieonafhankelijk worden, omdat zij niet afhankelijk wil zijn van het gas van Poetin. De PvdA wil graag groene energie, omdat fossiele energie de boel vervuilt en de aarde opwarmt. Helaas raakt ons gas in Groningen vanaf 2020 op, los van het feit dat er aardbevingen zijn ontstaan. Het is dus hoognodig dat we hierin investeren. Er worden veel bedragen genoemd, zoals 18 miljard voor wind op zee. Dit is een geaccumuleerd bedrag dat geldt tot 2038. We geven straks miljarden per jaar uit aan duurzame energie, maar geen 18 miljard in één keer, zoals door sommigen wordt gesuggereerd.

We hebben een fors debat over de vraag waar de windmolens moeten komen. Ik begrijp dat mensen deze niet in hun achtertuin willen, omdat ze last hebben van de slagschaduw. Ik heb er ook begrip voor dat mensen die in Zandvoort wonen, de windmolens niet voor hun kust willen. Mensen in Brabant willen geen schaliegas, mensen in Groningen willen geen aardbevingen en mensen in Rotterdam willen geen uitstoot van kolencentrales voor hun deur. We moeten echter wel energie opwekken, ook duurzame energie. We gaan dus investeren in windmolens. Ik complimenteer het kabinet en de ambtenaren van het Ministerie van Economische Zaken en van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Zij hebben keihard gewerkt om de afspraken uit het regeerakkoord verder vorm te geven, op te zetten en uit te werken.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): De heer Vos zegt dat we er 18 miljard voor uittrekken en dat we het echt serieus nemen in deze kabinetsperiode. Ik heb net betoogd dat een flink deel van die 18 miljard gedurende ruim twintig jaar van het ene Ministerie naar het andere Ministerie gaat voor hoge grondprijzen. Heeft de heer Vos hier een mening over?

De heer Jan Vos (PvdA): De 18 miljard heeft betrekking op wind op zee. De grondprijzen waarover mevrouw Van Tongeren het heeft, hebben betrekking op wind op land. Het zijn separate doelstellingen, die mevrouw Van Tongeren uit elkaar moet houden. Natuurlijk zijn haar vragen legitiem. Ook ik ben heel benieuwd naar de antwoorden van het kabinet.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Dus de PvdA steunt mogelijkerwijs het standpunt van GroenLinks dat het kabinet de grondprijzen niet mag opdrijven en dat de onrendabele top, de SDE-plus, niet voor een flink deel weer bij het Rijk mag terechtkomen?

De heer Jan Vos (PvdA): Het lijkt mij duidelijk dat ook de PvdA de meest kostenefficiënte manier wil om duurzame energie te realiseren. We gaan geen belastinggeld over de balk gooien en we gaan ook geen loopjes creëren waarbij overheidsgeld op de ene manier wordt binnengehaald en vervolgens op de andere manier wordt uitgegeven. Maar nogmaals, ik ben erg benieuwd naar de antwoorden van het kabinet.

Ik schets het perspectief nog even helder. Gisteren werd bekend dat het kabinet van Groot-Brittannië vijf grote windparken op zee gaat bouwen van in totaal 3.200 MW. Straks staat er in Groot-Brittannië alleen op zee 10.000 MW opgesteld versus de 4.450 MW die Nederland tot 2023 wil bijplaatsen. Denemarken wint de helft van alle energie uit windenergie op land en op zee. Dat land heeft dezelfde startpositie gehad, maar is eerder begonnen. In 2020 is de helft van alle energie duurzaam. Degenen die het heel merkwaardig en raar vinden wat we doen, moeten om zich heen kijken of een keer op een reis gaan en zien hoe het in andere landen in Europa gaat.

Ik heb een aantal vragen. In het energieakkoord is afgesproken dat het geld voor wind op zee vrijkomt als er een 40% kostenreductie wordt gerealiseerd. De industrie heeft zichzelf een opgave gesteld. Wij als overheid moeten dus de nodige slagkracht en snelheid tonen.

Als het goed is, wordt voor 2015 een tender gehouden voor bestaande vergunningen. Deze hebben eerder meegedongen, maar zijn vooralsnog afgevallen. De PvdA vindt het zonde om dergelijke omvangrijke vergunningen die jaren werk hebben gekost, weg te gooien. Klopt het dat er speciaal voor deze vergunningen een tenderronde komt? Zo ja, wanneer?

Dan kom ik op het net op zee. Mijn fractie heeft vernomen dat de Minister bezig was met een netontwikkelingsplan, maar dat dit van de baan is. De benodigde wetgeving wordt in stroom verwerkt. Dit betreft echter een veel grotere wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet, met het risico dat er jarenlange vertraging zal ontstaan. Dit is niet acceptabel; niet voor de industrie, maar ook zeker niet voor de Partij van de Arbeid. Hoe staat het er nu precies voor? Wanneer kan de Minister duidelijkheid geven over het net op zee?

De voorzitter: Ik moet u onderbreken. Uw tijd raakt op. U kunt nog één vraag stellen. Andere vragen kunnen dan mee in een tweede termijn die we ongetwijfeld zullen hebben. Is dat bij dezen afgesproken?

De heer Jan Vos (PvdA): Ja, dat is akkoord. Mijn fractie begrijpt niet waarom TenneT geen opdracht krijgt om het netwerk voor wind op zee uit te rollen. Zij overweegt een motie op dit punt.

Tot slot kom ik op de tenderrondes. Vanaf 2015 moet er elk jaar een tenderronde worden gehouden. Dit betekent dat er snel duidelijkheid moet worden gegeven. Wanneer komt deze duidelijkheid?

De heer De Graaf (PVV): Ik heb van de PvdA twee verhalen gehoord. Het eerste verhaal luidt dat het te laat is en dat we een valse start hebben gehad. Toen de PVV een aantal jaren geleden dezelfde verhalen vertelde, werd zij weggehoond. Maar goed, we zijn blij met het ietwat late inzicht dat ook de mensen in het land erbij betrokken moeten worden en dat je soms naar deze mensen moet luisteren. Dit is de PvdA natuurlijk vreemd. Maar oké, zij is geschrokken. Ze staat in de peilingen op elf zetels en moet dus gaan luisteren. Vervolgens houdt de heer Vos een verhaal waarin hij onderdelen weglaat, waaronder de groei van de wereldbevolking en de groei van de energievraag. Hij geeft aan dat we niet afhankelijk moeten zijn van Saudi-Arabië en Poetin. In een zogenaamd dichtgetimmerd betoog zegt hij eigenlijk dat de burger verder zijn bek moet houden. Kan de heer Vos uitleggen hoe de ene PvdA te rijmen valt met de andere PvdA? Er zit veel licht tussen. De ene zegt dat we moeten luisteren naar de mensen in het land en de andere zegt dat de burger zijn bek moet houden. Hoe gaat dat?

De voorzitter: Bek is mond.

De heer Jan Vos (PvdA): Als je als politieke partij of als leider van een politieke partij tegen je collega's of burgers zegt dat zij hun mond maar moeten houden, lopen zij weg. Dus ook als politieke partij is het beter dat je goed luistert naar de burger. Tegelijkertijd moet je gedurende de periode dat je gekozen bent leiderschap tonen, en soms impopulaire maatregelen nemen of maatregelen waarbij je een balans moet vinden tussen de belangen van diverse groepen. De heer De Graaf hoort hier twee geluiden. Enerzijds moet er goed worden geluisterd naar de burger en moet ervoor worden gezorgd dat iedereen datgene krijgt waarop hij of zij recht heeft, binnen de mogelijkheden die we hebben. Anderzijds is het in de politiek nodig dat er op een verantwoorde en bestuurlijk ingestelde manier leiding wordt gegeven en dat er dus niet aan de zijlijn wordt geroepen. Hiervoor heeft de PvdA altijd gekozen en gestaan. Ik begrijp dat zij impopulair is geworden. In een democratie mag je een aantal jaren aan de macht zijn. Ik ga ervan uit dat de PvdA pas aan het einde van de termijn door de kiezer wordt afgerekend. Dan spreken de heer De Graaf en ik elkaar opnieuw.

De heer De Graaf (PVV): De heer Vos geeft amper antwoord op mijn vraag, maar dat maakt niet uit. Er zaten nog wat punten in mijn vraag, te weten de groei van de wereldbevolking, de groei van de energievraag en ook de groei van de Nederlandse bevolking. Deze zijn niet meegenomen in het betoog van de heer Vos. Met alle windturbines die de heer Vos zo graag wil, gaan we een en ander niet opvangen. Het zijn overigens turbines en geen molens en het zijn geen windparken, maar windcentrales. Met al die turbines dekken we maar een paar procentjes. Uiteindelijk betreft het minder dan 1% wereldwijd. We gaan heel Nederland en de zee volplempen met die ondingen. We jagen de burger op kosten. De burger betaalt een opslag op zijn energierekening, maar moet ondertussen wel zijn mond houden. En dan hoopt de heer Vos ook nog dat hij achteraf positief wordt afgerekend. Hoe gaat dit dan? Hoe neemt hij de groei van de energievraag mee in zijn betoog?

De heer Jan Vos (PvdA): Ik begrijp niet zo goed wat er aan mij wordt gevraagd. Het is helder dat wij in Nederland groeien van 4,5% duurzame energie nu naar 14% duurzame energie in 2020 en 26% in 2023. Meer dan 40 Nederlandse bedrijven en milieuorganisaties, van Tata Steel tot Greenpeace, hebben hierover gezamenlijke afspraken gemaakt. Deze zijn vastgelegd in het energieakkoord. Heel Nederland en ook alle politieke partijen staan erachter, met uitzondering van enkele verontruste burgers die terecht verhaal komen halen. Het akkoord gaan we dus uitvoeren. Hierin verschilt Nederland niet van andere landen. Zoals de heer De Graaf weet, is ook in Denemarken 95% van alle politici het met deze politiek eens. Er is één partij, de zusterpartij van de PVV, die zich ertegen verzet. Dat is haar recht in een democratie. De PVV kan dit ook doen, maar de PvdA kiest een andere koers. Voorlopig gaan we de koers gewoon varen.

De heer Litjens (VVD): Voorzitter. Het is altijd fijn om in betogen van collega's die ons meenemen door Europa of soms nog iets verder de wereld in, te horen hoe het met duurzame energie in andere gebieden staat. Dat roept bij mij de vraag op waarom we niet veel meer in Europees verband samenwerken. Dit debat gaat over de structuurvisies Windenergie op zee en Windenergie op land. De Europese samenwerking is wellicht iets meer voor een algemeen overleg inzake energie en laat ik graag over aan mijn collega, de heer Leegte.

Windmolens draaien op subsidie. Dat kan. Als je besluit dat dit belangrijk is, dan is het die prijs waard. Laten we het wel zo slim mogelijk doen. Daarbij geldt niet alleen het kostenaspect, maar gelden ook andere zaken. Er moet instemming, medewerking en bij voorkeur draagvlak zijn voor de plannen. Als ik de structuurvisie Windenergie op land bekijk, moet ik het IPO complimenten geven voor het feit dat het met een bod van 6.000 MW is gekomen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Kan ik uit de start van het betoog van de heer Litjens afleiden dat de VVD constateert dat windmolens op subsidie draaien, maar dat hij daarachter staat en het geld er graag aan uitgeeft?

De heer Litjens (VVD): Als mevrouw Van Veldhoven het woord «graag» weglaat, kan ik me erin vinden.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Maar als de heer Litjens het er niet graag aan uitgeeft, heeft hij alle mogelijkheden om er verandering in te brengen. Zijn partij zit immers in het kabinet. Zegt de VVD nu dat het de besteding van het geld waard is, en dat we het daarom doen? Het gaat om veel geld. D66 vindt het het geld zeer waard, omdat we voor een enorme uitdaging staan, zoals energieonafhankelijkheid van een land als Rusland. Vindt de VVD dit ook?

De heer Litjens (VVD): Ja, wij hebben ons gecommitteerd aan 6.000 MW op land en aan 4.500 MW op zee. We weten welk prijskaartje eraan hangt en snappen dat er de komende jaren 18 miljard in wordt gestopt. Wij hopen echter dat al die fantastische ingenieurs en sterke ondernemers in Nederland, die veel innovatiekracht bezitten – ze zijn zojuist al door mevrouw Van Tongeren aangehaald – manieren ontwikkelen waarop het efficiënter en goedkoper kan, en die wellicht gevolgen hebben voor het geld dat we erin moeten steken. We kunnen elders het geld immers ook goed gebruiken.

De heer Jan Vos (PvdA): Waar elders zou de heer Litjens het geld in willen steken? In bijvoorbeeld kernenergie? De Engelse overheid kiest kernenergie namelijk als optie. Het staat bij de VVD ook altijd hoog op het lijstje. In Engeland wordt € 0,11 per kilowattuur gesubsidieerd. Wist de heer Litjens dit? Weet hij dat de looptijd van het contract 35 jaar is? Weet hij dat er ook een inflatiecorrectie in zit, zodat er in Engeland uiteindelijk € 0,20 per kilowattuur voor energie wordt gesubsidieerd en dat het duurder is dan wind op zee? Wat vindt de heer Litjens hiervan?

De heer Litjens (VVD): Het antwoord op de vraag of ik het wist, is ja. Het college dat de heer Vos nu geeft, heeft hij zojuist entre nous gegeven toen de heer De Vries sprak. Het voordeel van iemand die zo graag zijn kennis deelt, is dat je uitgebreid de mogelijkheid hebt om het op te nemen. Dat heb ik gedaan. Het is goed om de discussie over technieken niet hier te voeren, maar om in een algemeen overleg inzake energie de degens hierover te kruisen met collega Leegte. Het is leuk dat de heer Vos erbij is, maar dit debat gaat over ruimtelijke inpassing en de bijbehorende problemen.

Mijn complimenten aan het IPO. Het is namelijk best een klus om met zo'n bod te komen. Ik heb er wel vragen over. De afgelopen tijd hebben veel berichten ook de VVD bereikt. Sommige voorbeelden zijn al genoemd. Veendam is zojuist door de heer De Vries aangehaald. In Goeree-Overflakkee staat een project van 260 MW in de planning. Mijn fractie krijgt zo nu en dan het idee dat er alternatieve mogelijkheden zijn die binnen de tijd passen, die hetzelfde rendement opleveren en die ook binnen dezelfde subsidievoorwaarden passen, maar die op dit moment niet onderzocht worden of geen kans krijgen. Ik behoor tot de coalitie maar niet tot het kabinet, zoals mevrouw Van Veldhoven net zei. Zijn de Ministers bereid om echt ruimte voor de alternatieven te bieden, in de wetenschap dat het wellicht wat extra tijd kost? Mijn fractie gaat ervan uit dat windmolenparken of -centrales of hoe je ze ook noemt, niet worden neergezet voor een periode van vijf jaar, maar dat ze er langere tijd zullen staan. Sommige mensen gaan ervan uit dat ze er tot in de eeuwigheid staan en dat ze telkens vernieuwd worden. Mijn fractie hoopt dat er op termijn slimmere manieren met minder impact voor de burger worden verzonnen en dat we het een tijdelijk verschijnsel kunnen laten zijn. Mijn fractie gaat ervan uit, kijkend naar de vergunningen en vergunningstermijnen, dat de windmolenparken er een hele tijd staan. Zorgvuldigheid is ook het durven bekijken van alternatieve locaties. Deze kunnen veelal lokaal op meer draagvlak rekenen. De VVD krijgt stellig de indruk dat dit ook geldt voor de zesde variant van de N33 bij Veendam, die zojuist werd aangehaald. Zij ziet graag dat de alternatieven echt een kans krijgen.

Een jaar of twee geleden heeft mijn collega Leegte een motie ingediend om meer te werken met functionele vergunningen. Deze is aangenomen. Is hiermee iets gebeurd? Mijn fractie constateert dat vergunningen die worden afgegeven vrij gedetailleerd omschreven zijn. Er is omschreven welke techniek het betreft, wat de hoogte van de palen is, de spanwijdte van de bladen et cetera. Als gedurende de periode tussen het afgeven van een vergunning en het bouwen van de molens nieuwe technieken mogelijk worden en er een wijziging optreedt, moet er een nieuwe vergunning worden aangevraagd. Een en ander past immers niet meer binnen de verleende vergunning. Is er een mogelijkheid om met functionele vergunningen te werken, waarin een aantal kaders wordt gegeven waarbinnen er mogelijkheden voor innovatie zijn, zonder dat het hele vergunningentraject opnieuw moet?

Wat de VVD betreft is met 6.000 MW op land de rek er wel uit. Er is nog werk te verzetten, zoals het zoeken naar locaties waarvoor meer draagvlak bestaat. Mijn fractie heeft stellig de indruk dat ze er zijn. Hierover heb ik net een vraag gesteld. Als je windenergie verder uitbreidt, moet je het op zee doen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): De heer Litjens zegt in een tussenzinnetje dat de rek op land er nu wel uit is. Betekent dit dat de VVD meer dan 6.000 MW aan windmolens op land uitsluit? Hoe staat de VVD tegenover de expliciete opening die ik in de stukken zag om na deze 6.000 MW bijvoorbeeld op de Afsluitdijk nog windmolens te plaatsen?

De voorzitter: Ik wijs mevrouw Van Veldhoven op het feit dat zij door haar interrupties heen is. We houden het bij één vraag.

De heer Litjens (VVD): De VVD gaat ervan uit dat van alle plannen die op dit moment zijn ingediend, een aantal mogelijk de eindstreep niet haalt. Het is altijd goed om reservecapaciteit voorhanden te hebben. Wellicht kan zo'n reservelocatie hiervoor dienen. Het is echter heel verstandig om zo'n plan op zijn merites te beoordelen. Je moet goed kijken naar zaken die spelen en niet alleen naar de vraag of de locatie hinder oplevert voor mensen. Kan het plan bijvoorbeeld de veiligheidstoets doorstaan?

Mijn fractie gaat ervan uit dat het nog een hele heisa wordt om de 6.000 MW te halen. Tegen die tijd zullen er tal van nieuwe initiatieven en methoden zijn ontwikkeld.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Ik hoopte dat de VVD-fractie de Ministers ook zou bevragen over de sloopregeling. Een collega van de heer Litjens heeft hierover een motie ingediend. Het CDA is heel benieuwd naar de voortgang en hoopt dat de VVD dit ook is. Kan de heer Litjens hierop ingaan?

De heer Litjens (VVD): Ik was niet van plan om er iets over te vragen. Als mevrouw Mulder iets wil weten over de voortgang, is het verstandig dat zij de vraag in tweede termijn stelt. Ik ben echter niet de voorzitter.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Misschien kan de Minister er alsnog op ingaan. Dat zou mooi zijn.

De voorzitter: Mevrouw Mulder stelt deze vraag dus eigenlijk via de heer Litjens en de voorzitter aan het kabinet. Dit is een beetje een vreemde figuur en dit gaan we zo niet doen. Er werd een vraag gesteld aan de heer Litjens en die heeft antwoord gegeven.

De heer Litjens (VVD): We kennen de voorzitter niet alleen als streng en rechtvaardig, maar inmiddels ook als heel creatief en soms een beetje vergeetachtig op heel specifieke punten.

De voorzitter: Op namen.

De heer Litjens (VVD): Het geeft helemaal niets.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Het is goed om te zien dat de beide coalitiepartijen langzamerhand tot inkeer komen en standpunten van de oppositie overnemen. De PvdA is ineens voorstander van het participatiemodel en de verankering ervan. De VVD-fractie wil ook kijken naar reservelocaties, omdat er locaties vanuit de 6.000 MW kunnen afvallen. Wat moeten we dan? Waarom heeft de VVD-fractie vorig jaar de voorstellen van de ChristenUnie om reservelocaties aan te wijzen zo categorisch afgewezen?

De heer Litjens (VVD): Omdat de VVD ervan uitgaat dat de opdracht aan het IPO om met een bod voor 6.000 MW te komen op een fatsoenlijke manier wordt afgehandeld. Hierbij zou ook worden gekeken naar kansrijke locaties die op draagvlak kunnen rekenen. Mijn fractie constateert dat dit bij een aantal locaties wel degelijk het geval is, maar bij een aantal niet. Er zullen ongetwijfeld juridische procedures worden gevoerd. Ik sluit het niet uit. Dat is een eufemisme. Ik snap dat het zinvol is om te zoeken naar reservelocaties, maar dat moet je pas doen op het moment dat de noodzaak hiervoor zich ook daadwerkelijk aandient. Zover zijn wij nog niet.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Wanneer de noodzaak zich aandient. De VVD-fractie weet dat de realisatie van een windpark een ongelofelijk lange doorlooptijd heeft. Ik zie natuurlijk in het land dat er locaties met draagvlak worden aangewezen. Deze zijn vorig jaar ook door de ChristenUnie in het debat gebracht als reservelocaties. We hebben het kabinet gevraagd om ermee aan de slag te gaan met het oog op de lange doorlooptijd. Alle procedures moeten immers zorgvuldig doorlopen worden. Waarom heeft de VVD-fractie het vorig jaar allemaal zo drastisch terzijde geschoven, terwijl we kunnen zien dat er op zijn minst onzekere factoren zijn in de 6.000 MW?

De heer Litjens (VVD): Zover zijn we nog lang niet. Ik heb zojuist aangegeven dat voor de VVD de eerste opgave is om ervoor te zorgen dat het bod van het IPO voor 6.000 MW op een fatsoenlijke manier tot stand komt en dat de alternatieven die door de provincies worden aangedragen, serieus een kans krijgen. Deze vraag heb ik zojuist aan de Minister gesteld. Als blijkt dat er een noodzaak is om te komen tot alternatieve locaties, dan zal mijn fractie die stap alsnog zetten.

De heer De Graaf (PVV): De heer Litjens zei zojuist dat we nog moeten zoeken naar draagvlak. Ik ben met een vergrootglas door Nederland gereisd om te zoeken naar draagvlak voor het bouwen van meer windreactoren, maar ik heb het niet gevonden. Waar denkt de heer Litjens het draagvlak te vinden?

De heer Litjens (VVD): Windreactoren. Mijn complimenten aan de heer De Graaf, die mijn naam inderdaad goed uitspreekt. Ik noem de N33 bij Veendam, waar door omwonenden en een provinciebestuur wordt gevraagd om een alternatief in overweging te nemen dat tot aanmerkelijk minder overlast leidt. Het is een mooi voorbeeld om aan te tonen dat iets wel degelijk op basis van draagvlak tot stand kan komen. Dat is ook de reden om dit soort zaken serieus in overweging te nemen. Het kost inderdaad veel tijd en het zijn lange routes. Mevrouw Dik-Faber heeft het zojuist al gezegd. Bij wind op land is de impact vaak groot en is het volgens de VVD noodzakelijk dat een en ander zorgvuldig gebeurt. Hierdoor duurt het wellicht iets langer, maar mijn fractie is bereid om deze prijs te betalen.

De heer De Graaf (PVV): De VVD heeft in haar verkiezingsprogramma opgenomen dat 12% van de energie duurzaam moet worden opgewekt. Dit gebeurt voornamelijk door het verstoken van biomassa. Amerikaanse bomen uit oerbossen worden opgestookt om het percentage te halen. De VVD weet ook dat het percentage duurzame energie dat op de stenen tafelen staat geschreven, in 2020 gerealiseerd moet zijn. Er zit verder geen enkele rationale achter. Ik zei net al dat de windturbines of windreactoren bijna nihil zullen bijdragen aan het halen van het percentage. Hoe kan de VVD zich nog tegenover de mensen in het land verantwoorden voor het beleid dat zij op dit punt voert?

De heer Litjens (VVD): Ik snap dat de heer De Graaf deze vraag stelt, aangezien het inderdaad ingewikkeld is om je tegenover de burger te verantwoorden als je in de politiek zit voor beslissingen die je neemt en de consequenties die eruit voortvloeien. In het verleden hebben we gemerkt dat het voor sommige partijen zo ingewikkeld is dat ze vervolgens besluiten om het maar niet te doen. Dat kan. Wij doen dat niet. Wij klappen de handen niet stuk op windenergie. Wij committeren ons echter wel aan het energieakkoord. Wij committeren ons ook aan 6.000 MW op land en om en nabij 4.500 MW op zee. Daar staan wij voor. Wij weten dat het soms tot pijnlijke situaties leidt. Wij willen dat het zorgvuldig gebeurt en vervolgens gaan we verantwoorden. We doen het al jaren op deze manier.

Wat wind op zee betreft, heb ik natuurlijk naar alle kaartjes gekeken. Er lijkt weinig sprake van een gerichte of overkoepelende visie over het aanleggen van wind op zee. De ronde 2-vergunningen bij de Hollandse kust zijn lukraak verspreid. Het zijn vaak kleine vlekjes die ver van elkaar af liggen. Mijn fractie constateert uit rapporten van vele deskundigen dat het clusteren van windmolenparken voordeel kan bieden. Komt er ook een overkoepelende visie, een soort routekaart of een masterplan – het maakt niet uit welk woord je ervoor gebruikt – waarin staat dat het slimmer, goedkoper en met minder subsidiegeld kan? Is er bijvoorbeeld clustering van windmolenparken mogelijk, zoals bij IJmuiden Ver of de locatie boven de Wadden op 60 tot 70 kilometer uit de kust? Kan de infrastructuur slimmer worden aangelegd, waarbij je niet allerlei verschillende parken hebt maar één cluster van parken, zodat je gebruik kunt maken van één heel groot stopcontact of stekkerdoos of hoe we het in technische termen ook noemen? Ik vraag dit niet alleen vanuit het oogpunt van kostenbeheersing, maar ook vanuit het oogpunt van veiligheid. Mijn fractie constateert dat veel plannen inzake wind op zee veiligheidsaspecten kennen. Het is een ongelooflijk druk bevaren locatie, zeker voor de kust. Hoe verder op zee, hoe veiliger het wellicht is.

De heer Paulus Jansen (SP): Ik constateer ook op dit punt voortschrijdend inzicht bij de VVD-fractie, wat heel fijn is. Ik kan me herinneren dat de SP een jaar of zes geleden al eens voorstelde om een bestemmingsplan op zee te maken, waarin we dit soort zaken ruimtelijk goed regelen. De VVD was daar toen tegen. Er ligt nog een aangehouden motie van de Kamerleden Jansen en Vos naar aanleiding van het debat over ALDEL en gaswinning, waarin wordt gevraagd om opdracht te geven aan TenneT om een stopcontact op zee te realiseren en een logisch netwerk uit te rollen. Beluister ik goed dat de heer Litjens zegt dat ook de VVD de tijd rijp vindt om de knoop door te hakken, dat het nu moet gebeuren en dat het in wezen de meest goedkope manier is om de taakstelling waar te maken?

De heer Litjens (VVD): De heer Jansen kan zijn zegeningen tellen. Ziet de Minister ook een rol voor TenneT? De VVD namelijk wel. Zij ziet graag dat er serieus wordt gekeken naar de mogelijkheid om TenneT een regisserende rol te geven bij het aanleggen van de infrastructuur. Ik ben technisch niet voldoende onderlegd om te beoordelen of het de kabel én het stopcontact betreft of alleen de kabel. Degenen die dit betwijfelen, moeten contact opnemen met mijn vrouw.

De voorzitter: Dit roept op een of andere manier een vervolgvraag op bij de heer Jansen. Ik vermoed dat deze niet gerelateerd zal zijn aan de vrouw van de heer Litjens.

De heer Paulus Jansen (SP): Ik waardeer het altijd enorm als Kamerleden een vrouw hebben met een technische knobbel.

Begrijp ik echter goed dat de heer Litjens zegt dat bundeling economisch gezien heel verstandig lijkt? De denkrichting van de heren Jansen en Vos in januari of februari was dat we in ieder geval ook het cluster ten noorden van de Wadden prioritair zouden moeten ontwikkelen, omdat daar nu al twee grote parken komen. Is dit ook de denkrichting van de VVD-fractie?

De heer Litjens (VVD): Ik probeer me zo afzijdig mogelijk te houden van het exact bepalen op welke plekken het het best en slimst is, het meeste oplevert et cetera. Er zijn ongelofelijk veel mensen die er meer van weten dan ik. De clustering van parken en het slimmer aanleggen van de infrastructuur die over het algemeen vrij duur is, brengen mogelijk kostenreductie met zich mee. Kan het clusteren van parken op zee consequenties hebben voor de ronde 2-vergunningen? Kun je ronde 2-vergunningen oprooien en gunnen of verplaatsen naar IJmuiden Ver? Ik weet niet of er forse consequenties aan zitten. Het wat leger houden van de Hollandse kust is echt geen onbelangrijk aspect, ook uit veiligheidsoverwegingen. Ongeveer een dag nadat het conceptrapport over de nearshore veiligheidsaspecten in De Telegraaf was verschenen, lazen wij al reacties van het Rotterdams Havenbedrijf over het feit dat er forse veiligheidsaspecten aan de Maasvlakte zitten, hoe logisch of hoe goed de locatie ook lijkt. Hoe dichter je bij de kust komt, hoe groter het probleem is.

We hebben een ruimtelijk instrumentarium met planschaderegelingen. Mijn fractie zal niet zwaaien met allerlei moties, maar zij wil wel graag weten of de Minister van mening is dat het huidige planschade-instrumentarium van voldoende toepassing is op de problematiek.

Aan nearshore is zojuist kort gerefereerd. Als het goed is, spreken we hierover in mei. Mijn fractie zal het rapport van de Minister afwachten.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Voorzitter. De politieke actualiteit noodzaakt ons wederom om goed na te denken over onze energievoorziening. Ik verwijs naar de situatie in Oekraïne en Rusland. Deze noopt ons om na te denken over duurzame energie. De ChristenUnie wil dat we echt onafhankelijk worden van oliesjeiks en gasbaronnen.

In het debat van een jaar geleden stond voor de ChristenUnie participatie centraal. We hebben toen veel gesproken over de noodzaak van een goede participatie. Ik heb gewezen op gebieden waar het de vraag was of er net zoveel verzet zou zijn geweest tegen de komst van windmolens als er een goede participatie en een goede communicatie waren geweest, en als burgers de mogelijkheid hadden gehad om financieel mee te profiteren. We zijn een jaar verder en nu ligt er een definitieve structuurvisie. Nog steeds zijn er stapels reacties van burgers. Ook vanmorgen hebben we weer een petitie in ontvangst genomen. Burgers worden verwezen naar de verdere uitwerkingen op projectniveau. Aangezien de structuurvisie Wind op land alleen globaal gebieden aanwijst, lijkt het voor de betrokken mensen zeer onbevredigend. Eerlijk gezegd, is het ook voor mij heel onbevredigend. Het blijft immers onduidelijk of we de doelstelling überhaupt gaan halen.

Eerder in het debat werd al verwezen naar de motie inzake participatie, die vorig jaar door het CDA en de ChristenUnie is ingediend. Het is jammer dat de motie het toen niet heeft gehaald. Deze had vroegtijdig meer duidelijkheid gegeven. Er is echter voortschrijdend inzicht. We gaan alsnog werken aan een model voor participatie. Hier ben ik blij mee. Er wordt door energiebedrijven gewerkt aan een gedragscode participatie. Hoe staat het hiermee? Op welke manier worden omwonenden standaard betrokken bij participatie en krijgen zij compensatie? De ChristenUnie vindt het belangrijk dat het begrip «omwonenden» niet te smal wordt uitgelegd. Ook mensen die op een aantal kilometers van een windpark wonen, moeten de kans krijgen om te participeren en moeten, indien nodig, ook compensatie krijgen. Bevat de gedragscode wel een harde en dwingende eis aan gemeenten, provincies en bedrijven om omwonenden te laten participeren? Hoe verplichtend is het? Wie handhaaft de gedragscode, IPO of VNG? Het zijn veel vragen.

Het vaststellen van locaties voor wind op land is een half jaar uitgesteld. Er is nu tot 1 januari 2017 de tijd om de haalbaarheid van locaties vast te stellen en meer procedures te doorlopen. De tijd begint te dringen, laat staan dat er op dat moment nog naar alternatieven kan worden gekeken. Het kabinet is nog steeds optimistisch over het halen van de doelstelling van 6.000 MW. Zijn er echter geen reservelocaties nodig om deze te halen? Op veel locaties lopen initiatiefnemers al tegen belemmeringen aan, zoals draagvlak, natuur en milieu of radarbesluiten. Van de elf locaties van meer dan 100 MW is het maar de vraag of de projecten haalbaar zijn. Ik vrees dat we ons rijk rekenen en dat we straks op verschillende plaatsen zullen aanlopen tegen het feit dat projecten niet realistisch zijn. Ik hoor hierop graag een reactie van de Ministers.

Ik kom op het windpark Friesland. Er zijn plannen voor een fors windpark in het IJsselmeer, maar er is ook veel verzet ontstaan. Als we de kosten voor de SDE-plus bekijken, is de locatie fors duurder ten opzichte van wind op land. Er wordt onderzoek gedaan naar geschikte locaties op land in Friesland. Dit is een proces van onderop, waar tegelijkertijd wordt gewerkt aan draagvlak. Ook wordt bij de locaties op land al gekeken naar de haalbaarheid, bijvoorbeeld wat betreft radarinstallaties, draagvlak en natuur. Waarom is er, ondanks de goede alternatieven, toch gekozen voor molens in het IJsselmeer? Eerder heeft de Tweede Kamer mijn motie hierover verworpen. Kan het kabinet nogmaals de locatie in het IJsselmeer heroverwegen en in ieder geval de locaties voor wind op land niet op voorhand blokkeren? Het is belangrijk dat we integraal kijken naar het IJsselmeer. Het IJsselmeer wordt straks aan alle kanten omringd door windprojecten. Ook in dat opzicht is het niet verstandig om te kiezen voor een locatie in het IJsselmeer.

Een interessante locatie voor windmolens is de Afsluitdijk. Er is een mooi onderzoek gedaan met als resultaat drie mogelijke opties voor molens op of langs de dijk. Het onderzoek geeft aan dat het tot anderhalf keer zo duur is om stroom op te wekken via een windmolenpark in het IJsselmeer. Alleen daarom is het al interessant om serieus te kijken naar molens langs of op de Afsluitdijk. In december zegde de Minister op basis van het onderzoek toe om met de regio te spreken over bestuurlijk draagvlak voor de molens. Is het draagvlak er inmiddels? In januari stelde de Minister dat ze de provincies heeft laten weten dat ze de Afsluitdijk vooral als optie ziet voor de periode na 2020, omdat de doelstelling voor duurzame energie dan omhoog gaat van 14% naar 16%. Maar waarom pas na 2020? Windmolens langs de dijk kunnen een alternatief zijn voor andere locaties die gevoeliger liggen. En ook als het kabinet de molens voor 2023 wil realiseren, moeten we vandaag beginnen. Ook dan is er nog veel onderzoek nodig. Voor de Minister valt de variant met molens op de dijk aan de Waddenzeezijde af, omdat het de aanpak van de Afsluitdijk zou vertragen. Zijn er echter geen mogelijkheden om deze vertraging te voorkomen? We hebben weleens vaker procedures versneld met een spoedwet. Daarnaast is er nog de Crisis- en herstelwet.

Vanuit de provincie Groningen wordt gepleit voor een andere variant van windpark N33 die op meer draagvlak kan rekenen. Hiervoor is verdiepend onderzoek nodig. De provincie pleit ervoor om de lopende RCR-procedure aan te houden. De ChristenUnie vindt het goed als er een plan komt met meer draagvlak, maar het afgesproken vermogen voor de provincie moet wel op tijd worden gehaald. Is het mogelijk om de nieuwe variant mee te nemen in de verdere uitwerking, inclusief de voorwaarden van de gemeente Menterwolde, zonder de RCR-procedure te vertragen?

Ik heb nog een vraag over de ozb. Hierover heb ik eerder ook schriftelijke vragen gesteld. Een deel van de extra ozb-opbrengst door windmolens op land wordt verevend. Dit betekent dat gemeenten die windparken toestaan, een deel van de ozb-opbrengst weer moeten afstaan aan andere gemeenten die geen windmolenprojecten realiseren. Uit jurisprudentie blijkt dat 58% van de waarde van windmolens niet wordt meegenomen in de bepaling van de WOZ-waarde. Desondanks wordt er nog altijd een deel van de ozb-opbrengst verevend. Hierop ontvang ik graag een reactie van het kabinet. Eventueel zal ik op dit punt een motie indienen.

In 2019 moet volgens het energieakkoord 450 MW aan windmolens op zee in bedrijf zijn. Gezien de doorlooptijd van vier jaar moet de aanbesteding in 2015 gedaan worden. Is de Minister van plan om in het eerste kwartaal van 2015 de aanbestedingsprocedure te openen? De wet inzake windenergie op zee, het kavelbesluit, wordt eind 2015 of begin 2016 verwacht. Het is nodig dat er meer langetermijnzekerheid komt voor investeerders en dat een en ander niet afhangt van dit kabinet of deze Ministers. Voelt de Minister voor het instellen van een uitvoeringsorganisatie of een projectteam? Het gaat immers om grote bedragen en een groot infrastructureel project.

Ik heb ook een vraag over het medegebruik. In de huidige vergunningen is sprake van een verbod op medegebruik. Ik doel dan op recreatie en visserij. In Engeland is het anders. Daar staat de windsector open voor medegebruik. Hoe wil de Minister de belemmeringen wegnemen voor recreatie, scheepvaart en visserij? Ook op dit punt overweeg ik een motie.

Buiten de twaalfmijlszone zijn windparken niet of nauwelijks te zien vanaf de kust. Op sommige plekken kan nearshore een optie zijn, zeker wanneer er draagvlak is en er geen negatieve gevolgen zijn voor natuurgebieden. Er zijn echter ook begrijpelijke bezwaren. Hiervan hebben we allemaal kennis kunnen nemen. Windmolens op vijf kilometer uit de kust kunnen bezwaren opleveren voor bijvoorbeeld zandwinning, visserij, toerisme en de scheepvaart. Hoe gaat de Minister om met nearshorewindparken? Wanneer kan de Kamer het onderzoek naar nearshore ontvangen? Mijn pleidooi, ook richting mijn collega's, is om niet te vroeg conclusies te trekken. Wind op land stuit op weerstand. Nearshore stuit ook op weerstand, maar we kunnen niet alles de zee in schuiven. Dat is niet alleen ecologisch zeer bezwaarlijk, maar ook onbetaalbaar.

Tot slot kom ik op het stopcontact op zee. Het stopcontact is nu al mogelijk. TenneT gaat enkele onderzoeken uitvoeren, maar is nog niet definitief de uitvoerder. Wat houdt de Minister tegen? Wordt het besluit over het net op zee nog dit jaar genomen? Het net op zee moet slim worden aangelegd. Bestaande lijnen kunnen bijvoorbeeld gereed worden gemaakt voor extra capaciteit. Mijn fractie wil niet te veel duindoorsnijdingen.

Ik rond af en kom terug op het begin van mijn betoog. De ChristenUnie wil dat Nederland onafhankelijk wordt van oliesjeiks en gasbaronnen. We moeten fors inzetten op duurzame energie in het belang van ons milieu. Mijn fractie wil geen kolencentrales die vervuilend zijn voor onze leefomgeving. Zij wil geen schaliegas. Dit is echt geen optie voor de toekomst, ook niet als het Groningse gas vermindert. We moeten inzetten op duurzame energie. Dat geeft ook een impuls aan onze werkgelegenheid.

De heer Klein (50PLUS): Voorzitter. 50-plussers hebben een zware verantwoordelijkheid voor de volgende generaties, zowel qua zekerheid voor duurzame energielevering als qua zorg voor de leefomgeving. Hierin zit een balans en een afweging om te voorkomen dat we onomkeerbare ontwikkelingen realiseren. We hebben eerder uitgesproken dat wij de doelstelling van 14% duurzame energie in 2020 steunen. Het is natuurlijk onzinnig om te zeggen dat je daarmee onafhankelijk bent van andere landen, aangezien je nog 86% op andere manieren moet opwekken. Deze afspraak is echter gemaakt om te komen tot een betere toekomst.

Het doel is 14%. Windenergie en de opwekking ervan zijn een middel en geen doel. Het gaat om de wijze waarop je zo dicht mogelijk tot die 14% kunt komen. Er zijn alternatieven die een heel goede bijdrage kunnen leveren, maar waaraan nog het een en ander zal moeten gebeuren. Als je bijvoorbeeld de structuurvisie Wind op land bekijkt en het proces dat loopt, zit er op een gegeven een grens aan wat acceptabel is qua windturbineprojecten op land. In het IPO zijn hierover afspraken gemaakt. Mijn fractie is voorstander van de doelstelling van 6.000 MW per provincie. De vraag is echter of je deze per se via windenergie moet realiseren. Misschien moet je veel meer creativiteit bij de provincies laten en hun de ruimte geven voor alternatieven, niet alleen qua locaties, maar ook qua energieopwekking, zoals het opzetten van zonneparken. Geef de provincies de ruimte op het moment dat zij niet tot de aanwijzing van goede locaties komen vanwege allerlei redenen die vaak genoemd zijn. Ook andere sprekers hebben reeds gezegd dat het bij wind op land uiteraard heel belangrijk is om goed te kijken naar de acceptatie van windturbines. Je moet voornamelijk bekijken of je er zelf ook voordeel bij hebt. Dat is participatie de andere kant op. Op het moment dat de windmolen draait, moet je je bedenken dat ook jouw elektriciteitsrekening lager wordt. Dit kan een acceptatievoordeel zijn.

Ik kom op wind op zee. De technische vragen die zijn gesteld, zijn uitvoerig beantwoord. Wanneer we een en ander in ruimtelijke zin bekijken, moeten we het traject ook ruimtelijk door. Anders ontstaan er allerlei vertragingen. Er zit nog een andere kant aan. Mevrouw Mulder heeft gevraagd wat de kosten en baten zijn van voornamelijk de wind-op-zeeprojecten. Kan de Minister van Economische Zaken deze afzetten tegen investeringen in alternatieven voor geothermie, brandstofcellen en getijdenenergie, die uiteraard ook heel belangrijke energiebesparingstechnieken zijn? Kortom, het gaat om de mix die er uiteindelijk toe moet leiden dat de hernieuwde energiedoelstelling van 14% duurzame energie wordt gehaald. Mijn fractie acht het van wezenlijk belang om steeds meer duidelijkheid en daarmee ook maatschappelijke acceptatie te krijgen, opdat er wordt geïnvesteerd in zaken die daadwerkelijk goed zijn. Ik heb nog enigszins het beeld van de heer Vermeend van vorige week voor ogen. Hij zei dat er wellicht veel geld wordt geïnvesteerd in een verouderde techniek. Als je nu fors gaat investeren in nieuwe energietechnieken, bijvoorbeeld in de brandstof- en waterstofcellen, kun je uiteindelijk veel betere resultaten behalen dan wanneer je doorgaat op een weg die wellicht doodlopend is. Graag hoor ik een reactie van de Ministers op mijn betoog.

De heer Paulus Jansen (SP): Voorzitter. We gaan het vandaag vooral hebben over de ruimtelijke inpassing van wind. We hebben echter niet voor niks ook de Minister van Economische Zaken uitgenodigd. Er is namelijk een heel sterke relatie tussen enerzijds de manier van inpassing en ruimtelijke regie en anderzijds de kosten. Bij interruptie is al het stopcontact op de Noordzee aan de orde geweest. Dit voorbeeld illustreert dat als je als overheid verstandig opereert en ervoor zorgt dat je een economische uitrol mogelijk maakt, je al gauw 20% bespaart op de kilowattuurprijs voor wind op zee. Het brengt een enorm kostenvoordeel met zich mee, zeker als we het samen met de Noordzeelanden doen. De vaste commissie voor Economische Zaken is in het najaar op bezoek geweest in Noorwegen. Zij denkt dat daar, en ook in Duitsland, veel mogelijkheden liggen. Het zou goed zijn als de twee bewindspersonen op dit punt wat meer de regie nemen, maar dat is natuurlijk niet de aard van liberale Ministers. De SP-fractie meent echter dat een goede regie, zowel aan de energetische kant, via een soort elektriciteitsplan, als aan de ruimtelijke kant voorwaardenscheppend is. Het proces van idee tot realisatie, dat nu bij veel plannen tergend lang duurt, kan hierdoor worden bekort. Dit scheelt ook veel in de kosten. Graag hoor ik hierop een reactie van beide bewindspersonen.

Ik heb enkele algemene opmerkingen over wind. De SP-fractie onderschrijft de doelstelling van het SER-advies en de afspraken die hierin gemaakt zijn. Zij schat overigens in dat deze heel ambitieus zijn. De lat ligt niet laag, maar behoorlijk hoog. Er spelen allerlei langetermijnaspecten, zoals het klimaatprobleem en op termijn de schaarste in eigen fossiele energiebronnen in Europa, oftewel de geopolitieke kwetsbaarheid van Europa.

De portemonnee van de huishoudens in Nederland en de economie vormen een belangrijk punt. Mijn fractie denkt dat de Nederlandse huishoudens en onze bedrijven erbij gebaat zijn om nu te investeren, gezien het feit dat de prijzen voor fossiele energie de afgelopen twintig jaar gemiddeld twee keer sterker zijn gestegen dan de inflatie. Op dit moment is de stijging even tot stilstand gekomen door de economische crisis. Mijn fractie voorspelt echter dat de langetermijntrend doorgaat als de wereldeconomie aantrekt. Als de Chinezen, Indiërs en Brazilianen hun deel van de koek gaan inkopen, heeft dat mondiaal effect op de energieprijs. De kost gaat voor de baat uit. Investeren in duurzame energie is een verstandig economisch beleid. Op deze manier zorgen we er in wezen ook voor dat onze kinderen straks in Nederland betaalbare stroom uit het stopcontact krijgen.

De SP-fractie is ervan overtuigd dat investeren in wind verstandig is. Dit wil niet zeggen dat zij ook bereid is om te tekenen bij het kruisje. Zij realiseert zich terdege dat windmolens in ons dichtbevolkte land, en in iets mindere mate ook op zee, concurreren met ander gebruik en bijna altijd wel iemand in de weg staan. In dat opzicht is de discussie vergelijkbaar met die over autowegen, spoorlijnen, vliegvelden, afvalverbrandingen of hoogspanningstracés. Als de windparken er toch moeten komen, moet je zorgen voor een goede ruimtelijke inpassing, strenge eisen stellen aan het minimaliseren van de hinderfactoren en de mensen in de directe omgeving die nadeel ondervinden van zo'n park fatsoenlijk compenseren. Mijn fractie is niet gelukkig met het feit dat de geluidnorm voor windparken op dit moment gebaseerd is op de normgrens, waarbij nog altijd 9% van de blootgestelden gehinderd wordt. Dit is te veel. In 2012 heeft mijn fractie de motie-Dikkers gesteund, waarin gevraagd wordt om de provincies wat extra tijd te geven voor de inpassing. Mijn fractie heeft toen aangegeven dat de provincies met behulp van de rijksprojectenprocedure niet gedwongen moeten worden om meer windparken toe te laten dan het aantal dat volgt uit de afgesproken verdelingen. De SP steunt deze overigens. Kan het kabinet bevestigen dat de lijn nog steeds is dat provincies zijn gehouden aan een taakstelling, maar dat zij zelf mogen beslissen of ze het erbij laten of nog verder willen gaan?

De compensatie voor omwonenden is nog steeds onvoldoende geregeld. De SP wil dat planschade volledig wordt vergoed zonder eigen risico. Zij wil ook dat er een landelijke regeling komt voor participatie en gratis stroom voor de omwonenden in de directe omgeving. Ook dit is een verantwoordelijkheid van de Minister. Graag ontvang ik een toezegging op voornoemde punten. Mijn fractie heeft al vaker geadviseerd om wat deze punten betreft ook eens over de grens te kijken. In Duitsland en Denemarken zijn de zaken veel beter geregeld.

Vanwege het ambitieuze bouwprogramma dringt de SP-fractie erop aan om een bedrag uit te trekken voor meer onafhankelijk onderzoek naar de externe effecten van windparken, bij voorkeur tezamen met onze buurlanden. Enkele factoren die veel onrust veroorzaken, zijn geluid, inclusief laagfrequent geluid, externe veiligheid, zicht- en lichthinder en waardedaling van woningen. Er wordt nu wel heel snel geconcludeerd dat er niets aan de hand is en dat de zeurpieten hun mond moeten houden. Meer kennis kan enerzijds bijdragen aan een groter draagvlak voor de relatief nieuwe ontwikkeling en anderzijds aanleiding zijn voor het aanpassen van de normen, als deze bij nader inzien toch niet zo passend zijn. Is het kabinet hiertoe bereid?

Ik kom op de structuurvisie Wind op land. Er is nu een aantal gebieden aangewezen waar projecten van meer dan 109 KW gerealiseerd kunnen worden. Hierover heeft mijn fractie enkele vragen. Alle provincies moeten voor 30 juni hun taakstelling hebben vastgelegd in een ruimtelijke structuurvisie. Ze hebben nog maar twee maanden. Gaan ze deze datum halen? Wat is de consequentie voor de provincies die het niet halen? In paragraaf 2.5 van de rijksstructuurvisie staat dat dan de rijksprojectenprocedure wordt ingezet. In een aantal provincies, zoals Groningen, Friesland en Drenthe, is echter de totale plancapaciteit groter dan de taakstelling en is men op dit moment bezig om een optimale inpassing te regelen. Met andere woorden, biedt het kabinet nog ruimte om dat te doen? Ja of nee?

Een aantal woordvoerders heeft de locatie N33 te Groningen al genoemd. Mijn fractie steunt het voorstel om daar goed te kijken naar het alternatief, dat veel meer draagvlak lijkt te hebben. Hetzelfde geldt voor Drenthe. Mijn fractie vraagt zich bovendien af of de provincies Noord-Holland en Friesland de ruimte hebben om de Afsluitdijk als een alternatief te zien voor andere locaties – de SP zou hier voor zijn – of dat het een extraatje is.

Voor wind op zee zijn nu vier gebieden aangewezen die samen goed zijn voor maximaal 13.000 MW plancapaciteit. Dit lijkt best ruim, maar toch zou de locatie ten noorden van de Waddeneilanden groter moeten worden. Daar is het Geminipark al gegund en de aansluitkosten voor een extra park in hetzelfde gebied zijn veel lager dan bij versnipperde aanleg. Anderen hebben het ook al gezegd. Bovendien kun je een tandemkabel aanleggen, waardoor de capaciteit van de molens toeneemt, wat gunstig is voor de economie. Ook wordt efficiënter onderhoud vanuit de Eemshaven mogelijk, waardoor de kansen van deze haven als uitvalsbasis voor dit deel van de Noordzee verbeteren. De SP-fractie dringt erop aan om de locatie ten noorden van de Wadden te vergroten, ook als dit betekent dat het oefengebied van de luchtmacht qua vorm iets moet worden aangepast. Is het kabinet hiertoe bereid?

Op dit moment zijn de windparken op zee gesloten voor alle scheepvaart. Is dit vanwege veiligheidsredenen? Kleine vaartuigen kunnen geen schade toebrengen aan de onderbouw. Daarvoor hoef je de doorvaart niet te verbieden. Als de toervaart door deze maatregel gedwongen wordt om mee te varen met de scheepvaartroutes, worden de veiligheidsrisico's juist groter. Het risico speelt vooral bij nearshorewindparken, waarover we nog een apart debat zullen hebben. Het zou echter goed zijn als het kabinet nu de doorvaartregeling voor kleine vaartuigen tegen het licht houdt. Is de Minister van Infrastructuur en Milieu hiertoe bereid?

Ik rond af. Het kabinet realiseert zich nog onvoldoende dat voor wind op land een verbetering van draagvlak cruciaal is en dat er niet alleen voor de lagere overheden, maar ook voor het kabinet zelf een taak ligt in de vorm van een betere planschaderegeling, een wettelijke regeling voor een betere balans tussen baten en lasten voor omwonenden en een nader onderzoek naar de effecten van windparken.

De heer De Graaf (PVV): Voorzitter. Ik vraag me bijna af waar ik moet beginnen. Ik heb nu zoveel zinloos gewauwel gehoord, bijvoorbeeld over een gedragscode. We kennen in Nederland het bestuursrecht dat ooit ontworpen is om mensen in het land te beschermen tegen hun eigen overheid. Een gedragscode is elitair en onnodig en wordt absoluut niet door heel Nederland gedragen, zoals de heer Vos zojuist stelde. Dat leverde hem terecht gehoon op uit de zaal. Het bestuursrecht moet de burgers beschermen tegen de overheid, maar ondertussen worden de mensen in het land vermalen in het huis van Thorbecke. Het ziet er een beetje uit als het huis dat gek maakt uit het album van Asterix. Je gaat normaal naar binnen met een opdracht en komt er gek uit. De mensen die erin zitten, voelen zich ook zo. Dit krijg ik te horen als ik gesprekken in het land voer. De mensen weten niet meer waar ze moeten zijn. Sterker nog, een windturbine in Noord-Holland is door een rechter illegaal verklaard, maar het ding blijft gewoon staan en achteraf wordt het bestemmingsplan aangepast. Dat is de situatie waarmee we zitten. De mensen in het land worden niet meer beschermd tegen hun eigen overheid. Participatie achteraf is too little too late. Dat soort zaken heeft geen enkele zin, en het energieakkoord met die gedragscode evenmin. Het zijn krokodillentranen. Het zijn noodkreten van afkalvende partijen die de mensen in het land hebben vernacheld. Ze weten het allemaal beter. Ook het CDA spreekt stoere taal, maar zal straks gewoon voor stemmen. De SDE-plus komt eigenlijk uit de koker van de heer Verhagen, die toch echt een CDA-Minister was. Maar ja, alle partijen zijn geschrokken, omdat het volk ineens niet meer luistert. De kleren zonder keizer.

Ik noem een aantal feiten over windenergie. Windturbines leveren geen bijdrage aan CO2-reductie, als die al nodig is. De opwarming staat immers al stil sinds de laatste Elfstedentocht, terwijl de CO2-uitstoot is toegenomen. Er is dus sprake van een grote discrepantie. Het kan niet. In Duitsland werken ze op de achtergrond aan een soort Wende van de Energiewende. Door de Energiewende is de stroomprijs in Duitsland intussen twee keer zo hoog als bijvoorbeeld in de Verenigde Staten en vindt er de-industrialisatie plaats. Ook in Nederland zien we signalen in die richting. De windturbines kosten iedereen geld, zowel de bedrijven als de mensen in het land, die een opslag op hun energierekening krijgen. Het betreft nu een tientje per maand. Het gaat naar € 90 per maand in 2020, alleen maar omdat ergens het jaartal van 2020 vandaan komt. Er is in Nederland nog nooit een analyse gemaakt van nut en noodzaak van het bouwen van al die windturbines. Ik roep het kabinet op om deze analyse alsnog te maken. We horen namelijk van iedereen over de noodzaak, terwijl deze noodzaak alleen maar gebaseerd is op het voorzorgsprincipe. Wij hebben als mens van de natuur de beperking meegekregen dat we niet verder kunnen denken dan twee generaties na ons. We willen dat het voor onze kleinkinderen beter achterblijft. We horen nog de verhalen van twee generaties terug, van opa, over de goede oude tijd, terwijl het toen veel minder was. Als we de afgelopen 200 jaar het voorzorgsprincipe hadden gevolgd, hadden we nu niet een levensverwachting van rond de 80 jaar maar waren we nog steeds 50 jaar geworden. Dan hadden we geen hygiëne, geen medicijnen, geen asfalt, geen ontwikkelingen en geen economie gehad. Dan hadden we hier ook niet gezeten. Het voorzorgsprincipe vertroebelt iedere discussie over de windenergie. Ik roep het kabinet nu op om ermee te stoppen en om eens te kijken naar het nut in plaats van alleen de noodzaak op basis van door de groensocialisten gegeven stenen tafelen van het groene ecologiegeloof. Ik word er kotsmisselijk van, evenals mijn partij en veel mensen in het land.

De opslag op de energierekening heb ik genoemd. Er is sprake van een windmaffia. Kijk naar de mensen die al veroordeeld zijn en gewoon een nieuw windbedrijf starten. Ik heb het dan over Econcern, die de enige winnaar is. De onafhankelijkheid van andere landen, die door andere woordvoerders werd genoemd, is een schertsargument. Ik heb daarnet al gezegd dat onze afhankelijkheid van energie zal toenemen. De wereldbevolking groeit, de bevolking van Nederland groeit en we hebben steeds meer apparaten. In het Reformatorisch Dagblad heb ik de oplossing van de PvdA gelezen. Die luidt dat we de schommelingen in windenergie kunnen opvangen met gascentrales, maar ook door de PvdA te laten bepalen wanneer je de wasmachine mag aanzetten. Hoe totalitair wil je het hebben? Dat is de achtergrond van het hele groensocialistische geloof.

Het energieakkoord en de bijschakeling van gascentrales heb ik genoemd. Iedereen hier is verantwoordelijk. Ik heb nog een aantal vragen aan het kabinet.

Een aantal wetenschappers heeft gezegd dat de te bouwen windparken het moment waarop fossiele brandstoffen zijn uitgeput, niet zullen uitstellen. Van enige besparing op het gebruik van fossiele brandstoffen is geen sprake. Graag ontvang ik hierop een reactie.

De heer Paulus Jansen (SP): Ik heb een vraag over de economie en de opmerking dat de PvdA wil bepalen wanneer je je machine mag aanzetten. Ik zit er vrij goed in, kan ik zeggen. Ik ben een van de inspiratoren van de ontwikkeling dat je als consument gebruik kunt maken van goedkope stroom. Op het moment dat alle windmolens tegelijkertijd draaien, zegt een schakelaar in je wasmachine dat het interessant is om de wasmachine te laten draaien, omdat er geld kan worden bespaard. Ik kan mij niet voorstellen dat de PVV of haar achterban dit geen aantrekkelijke optie vindt. Wat is erop tegen om te profiteren van goedkope stroom?

De heer De Graaf (PVV): Het is een schertsargument. Het gaat erom dat we pieken en dalen hebben. Het gaat er niet om wanneer je, in dit geval, goedkoper de was kunt doen. Dat is een schertsargument om het probleem van de fluctuatie in de windenergie te kunnen opvangen, omdat die rotmolens maar bij een paar windkrachtjes draaien. De rest van de tijd moeten we het opvangen met gascentrales of het bijstoken van biomassa. Hierdoor gaan Amerikaanse oerbossen en natuurgebieden verloren. Dit moeten we niet willen.

De heer Jansen zegt dat windenergie aantrekkelijk is voor de consument en dat het goedkoper is, omdat hij een totalitair ideetje aan de man wil brengen. Het probleem van de fluctuaties in windenergie wordt achter het gordijn gehouden.

De heer Paulus Jansen (SP): Bij kernenergie, de hobby van de PVV, werkt het exact hetzelfde. 's Nachts draaien de kernreactoren in Frankrijk namelijk door. Daarom is nachtstroom goedkoper dan dagstroom. Daar laat iedereen zijn wasmachine op nachtstroom draaien. In wezen is het exact hetzelfde mechanisme als met wind. De PVV vindt kernenergie perfect, maar windenergie vindt ze opeens onacceptabel. Kan de heer De Graaf mij uitleggen welke filosofie daarachter zit?

De heer De Graaf (PVV): Jazeker, ik heb het net al uitgelegd. Bij kernenergie is er geen schertsargument achter het gordijn. Die kernenergiecentrale draait inderdaad 's nachts door. Het is inderdaad een hobby van de PVV. Geef de wereld, maar ook Nederland, de ruimte. Zet 2020 niet zo stevig neer. Zet die hakken niet in het 2020-zand. We hebben namelijk nog heel veel fossiele brandstoffen. Deze zullen we zeker tot 2050 nodig hebben om in de energiebehoefte te voorzien. De heer Klein van 50PLUS heeft al gezegd dat we die 86% toch ergens vandaan moeten halen. Daarover wordt hier niet gesproken. Geef bijvoorbeeld de ontwikkeling met thorium, die in India en China reeds in een verder stadium is dan hier, een kans. Thorium is nog veiliger dan de huidige veilige kernenergie. Dit wordt onderstreept door het feit dat er in Nederland nog nooit een dode is gevallen als gevolg van kernenergie. Er is wel een kerngeleerde overleden. Deze kreeg echter een klap van een provisorische windmolen in zijn eigen achtertuin, wat overigens ernstig genoeg is. Hij is de enige kerndode die er in Nederland gevallen is.

Het is inderdaad een hobby van de PVV, maar wel een realistische, om iedereen wat meer lucht te geven en geen belastinggeld uit de zak te trekken en in de subsidiepot van de windmaffia te stoppen.

De heer Jan Vos (PvdA): Het is leuk om af en toe een grapje te maken, maar er wordt nu een scherts gemaakt van het energiebeleid. Wat is de visie van de PVV op de manier waarop we in de toekomst aan de toenemende vraag voldoen? Ik wijs op de groei van de wereldbevolking en de apparaten die we nodig hebben. Ook wijs ik er nogmaals op dat andere landen veel verder zijn. De heer De Graaf spreekt van piekproductie. In Denemarken draait in een goede maand 68% van de energie op wind. In Spanje is dit zelfs nog meer. In sommige perioden wordt daar 100% van de elektriciteitsvraag met wind gedekt. De heer De Graaf heeft het over «rotmolens» en «dat beetje wind». Ik heb er begrip voor dat hij af en toe wil aanzetten tot debat. Het is echter een heel serieuze vraag waarmee veel mensen te maken hebben. Ik heb een serieuze vraag aan de heer De Graaf. Graag verneem ik de visie van de PVV op de manier waarop we in de toekomst energie moeten opwekken. Iedereen begrijpt immers dat de thoriumcentrale niet gaat werken.

De voorzitter: De heer De Graaf hoeft geen uitvoerige visie te geven. Hij kan gewoon beknopt antwoord geven op de vraag.

De heer De Graaf (PVV): In de laatste zin van de heer Vos zit weer de aanname van de PvdA dat zij het beter weet dan de bevolking. De heer Vos zegt dat we allemaal weten dat het niets gaat worden. Ik zou zeggen: kijk eens wat verder buiten de eigen socialistische kring. Wat de visie van de PVV betreft, zal ik een heel kort antwoord geven. Deze heb ik net gegeven.

De heer Jan Vos (PvdA): Ik constateer dat het stil blijft bij de PVV als er gevraagd wordt om een eigen visie. We horen alleen maar kritiek op een partij die wél verantwoordelijkheid neemt en die samen met andere landen in Europa probeert om het serieuze probleem op te lossen, hoe moeilijk het ook is.

De heer De Graaf (PVV): We kennen de constateringen van de heer Vos. Hij weet het beter dan iedereen in Nederland en iedereen moet naar de heer Vos luisteren. Als het aan hem lag, zou het hier een Vosocratie zijn. Daarmee kunnen we natuurlijk niet verder. Het is geen doen om op deze manier het land te regeren. Ik heb een bloedserieus betoog over energie gehouden. Er zat zelfs een stukje emotie in, omdat ik me echt boos maak en me terecht zorgen maak over al die mensen in Nederland die onder de Vosocratie lijden.

De voorzitter: U gaat heel hard en ik snap de emotie ook wel. U hebt nog een paar minuten voor uw betoog. Er is echter nog een vraag van mevrouw Dik-Faber.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): De heer De Graaf gaf aan dat kernenergie een hobby van de PVV is. Het is eerlijk gezegd wel een gevaarlijke hobby. Kernenergie lijkt schoon. Het afval, dat niet afbreekbaar is, vormt echter een groot probleem. Hiervoor moeten we een oplossing bedenken. Ik ontvang graag een reactie van de heer De Graaf.

De heer De Graaf geeft aan dat er geen doden vallen door kernenergie. Er vallen wel doden door kolencentrales. Ik heb het even opgezocht. De universiteit van Stuttgart heeft het onderzocht. De 300 grootste kolencentrales van Europa veroorzaken jaarlijks vroegtijdig overlijden van 22.000 mensen die gemiddeld elf jaar eerder sterven dan normaal. Dit komt neer op een verlies van 240.000 levensjaren. In Nederland hebben we het dan over 1.480 levensjaren. Dus kolencentrales veroorzaken wel doden. Wat is het antwoord van de PVV-fractie hierop?

De heer De Graaf (PVV): Dat is een duidelijk verhaal. Kolencentrales veroorzaken doden. Het is een heel ernstig verhaal, maar het grappige is dat de levensverwachting in Nederland nog steeds ieder jaar met één maand toeneemt. Hoe kan mevrouw Dik-Faber dit verklaren? Ik kan het heel simpel zeggen: van leven ga je dood. En bij alles wat we hier in het leven hebben, vallen slachtoffers. Ik zei dat in Nederland nog geen enkele kerndode te betreuren is geweest. Maar ondertussen zijn er wel twee monteurs op Goeree-Overflakkee bij Sint Philipsland jammerlijk en veel te vroeg overleden. Zij vonden de dood in november. Hierover heb ik me vreselijk opgewonden, omdat er voor deze mannen geen reddingsmogelijkheden waren. Ik heb hierover tweemaal Kamervragen gesteld en ik kom er later dit parlementaire jaar op terug.

Kolencentrales stoten inderdaad dingen uit. Daarbij laten we de ontwikkeling toe om filters en dergelijke te installeren. Hieraan wordt hard gewerkt. Wat thorium betreft, zegt mevrouw Dik juist dat we dat niet moeten willen. Daarbij hebben we juist lucht nodig om aan ontwikkelingen te werken. Het geeft afval, maar minder en minder langdurig afval dan de huidige kernenergie. Het is echter wel een oplossing voor de toekomst. De bodem van de wereld ligt immers vol met thorium om de komende1,9 miljoen jaar 10 miljard inwoners van energie te voorzien voor € 0,70 per jaar.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Ik heb geen antwoord gehoord op mijn vraag. De levensverwachting neemt toe door gezondere voeding en medische wetenschap. Maar wat zegt de heer De Graaf tegen al die inwoners van Rotterdam waar nu een nieuwe kolencentrale wordt geopend? Ik hoor van de PVV-fractie alleen maar een ontkenning over het afval van kernenergie. Volgens mij is dit vraagstuk voor de mensheid een maatje te groot. De PVV onderschat het probleem.

De heer De Graaf (PVV): Ik snap de oproep. Daar ligt ook de hypocrisie van de ChristenUnie. Een kolencentrale mag niet, maar een windturbine wel. Bij de een zeggen we dat het allemaal niet mag, en bij de ander moeten de mensen de lasten maar op de koop toenemen en krijgen ze achteraf nog een beetje inspraak en samenspraak. Dat is nu het probleem waarvoor we hier aan tafel zitten en de reden waarom de zaal helemaal vol zit.

Ik heb nog een paar vragen over. Het klopt dat de windparken van betekenis zijn voor de energietransitie in Nederland. Ze dragen ertoe bij dat een hoger percentage van de totaal verbruikte energie koolstofarm wordt opgewekt. Dit percentage bedraagt 1,9%. Graag hoor ik hoe de Minister dit ziet. Maar, nog erger, die 1,9% kost de burger en de bedrijven 60 miljard euro. Het is de grootste verspilling van gemeenschapsgeld in de geschiedenis van dit mooie land, zo schrijft Pieter Lukkes in de brief die we allemaal gekregen hebben. Voor nu is het nog «dit mooie land», want dadelijk zitten we allemaal achter de tralies. Lukkes schrijft ook dat de ernstige problemen met windenergie in de hand zijn gewerkt door het feit dat het windenergiegebeuren zich in een monopoloïde omgeving afspeelt.

Mijn laatste punt betreft de horizonvervuiling. We hebben straks geen horizon meer in Nederland, maar een horizonverdwijning. Ik ben van plan om hierover een motie in te dienen. Op 18 november 1970 sprak Klaas van Dijk, oud-Kamerlid van de VVD, als eerste over horizonvervuiling. Maar sinds Brussel erbij is gekomen, is het allemaal geen probleem meer en moeten we onze nazaten opschepen met een wereld die er minder mooi uitziet, namelijk met staketsels of betonnen funderingen. Dan moeten we hun uitleggen waarom deze er in Nederland zijn. Het is vergelijkbaar met de koepeltjes in Albanië, toen Enver Hoxha dood was. Toen wist men ook niet meer waarom ze er waren.

Mijn laatste punt betreft de vleermuizen en vogels die het slachtoffer zullen worden. Dit onderwerp is helemaal weggemoffeld in het debat. Als de dieren in de buurt komen van een windturbine, worden hun longen opgeblazen. Ze raken de bladen niet eens. Het is een vreselijke dood. Gelet op de geluidshinder, de verrommelde landschappen, het gezondheidsverlies en het verlies aan sociale cohesie, is windenergie geen opmaat naar een duurzame samenleving.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Voorzitter. In de politiek moet er iets te kiezen zijn. Dat is vandaag duidelijk. We zien een redelijk contrast tussen de laatste inbreng en mijn inbreng vandaag namens D66. Het is niet het enige terrein waarop mijn fractie van mening verschilt met de PVV.

Eindelijk gaat Nederland grotere stappen nemen richting duurzame energie. D66 pleit hier al jaren voor. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft duidelijk onderbouwd waarom windenergie een belangrijk onderdeel moet zijn van de doelstelling, als we deze willen halen. Teneinde windenergie nu en ook in de toekomst te laten groeien, is het belangrijk om goed te luisteren naar de mensen die ermee te maken krijgen en om hen op een goede manier te betrekken bij de keuzes en projecten.

Het kabinet heeft in zijn structuurvisie Windenergie op land elf zoekgebieden aangewezen. Dit is goed nieuws, aangezien er de komende jaren wel 4.000 MW tot 5.000 MW aan wind gebouwd moet worden. De Minister heeft met de provincies afspraken gemaakt over de invulling van hun opgave. Het heeft maar liefst zeven jaar geduurd, maar uiteindelijk waren de provincies eruit. Voor de zomer moet in alle structuurvisies staan aangegeven wat de zoeklocaties zijn. Hoe monitort de Minister of de plannen van de provincies realistisch zijn, bijvoorbeeld wat betreft de capaciteit van de molens die ze er willen neerzetten of de inpasbaarheid in een natuurgebied? Kan er snel duidelijkheid komen over de ecologische en juridische risico's van windparken bij Natura 2000-gebieden? Je wilt niet, als je al een heel stuk verder in het traject zit, opeens moeten constateren dat het er toch niet kan, terwijl je het van tevoren hadden kunnen weten. Zijn de prognoses voor sommige gebieden, zoals het IJsselmeer, de Emmapolder of Groningen, niet te positief? Wordt bij de gebiedskeuzes ook het bijbehorende kostenplaatje bekeken? Een windpark in het IJsselmeer is namelijk een stuk duurder dan een ernaast. Blijft er genoeg ruimte over voor lagere overheden en ondernemers om initiatieven op te zetten, zoals in Noordoost Friesland? Is de Minister bereid, nu zij toch ervaring opdoet met haalbaarheidsstudies op het terrein van windenergie, om van de zomer snel een haalbaarheidsstudie uit te voeren op de provinciale structuurvisies die we dan inmiddels met elkaar hebben ontvangen, zodat we ook kunnen beoordelen of het noodzakelijk is en, zo ja, in welke provincies het noodzakelijk is om ook uit te kijken naar reservelocaties.

Grote projecten vallen onder de RCR om grote stappen te kunnen maken. Soms is het hard nodig. Maar ook dan moet je blijven nadenken. Als er op een later moment in het proces een reëel alternatief is, moet dat een kans krijgen. Dat is het geval bij de N33 in Groningen. Het alternatief wordt gedragen door de provincie en door de bewoners, en heeft een plan-m.e.r. dat positiever uitpakt dan de alternatieven die op tafel liggen. Is de Minister dit met mij eens? De harde eisen die ik noemde, stel ik overigens niet voor niets. Een alternatief mag niet alleen ter tafel worden gebracht om uitstel van besluitvorming te krijgen. Als het echt een beter plan betreft, moeten we de ogen openhouden.

Het is in ieder geval belangrijk om in 2016, als we ook het energieakkoord evalueren, de werking van de RCR nog eens tegen het licht te houden en te bezien hoe onze ervaringen met het belangrijke instrument op dat moment zijn.

De doelen van het energieakkoord zijn nationale doelen. Hiermee gaan zeer grote investeringen gepaard. Ook wordt aan de politiek gevraagd om het regelgevend kader ondersteunend te laten zijn. Het is heel mooi dat de Minister met de provincies een monitoringsgroep heeft opgezet om de voortgang van de doelen te monitoren. Om de informatiepositie van de Tweede Kamer te versterken, ziet mijn fractie graag dat de uitrol van wind op land en wind op zee de status van groot project krijgt. Hiervoor zal ik in een komende procedurevergadering bij de collega's een voorstel indienen.

Dan kom ik op de omwonenden. In 1850 stonden er in Nederland zo'n 9.000 windmolens, een veelvoud van het aantal dat er in 2020 moet staan. Van deze 9.000 waren de meeste klein particulier bezit of bezit van een corporatie. Op zich is het dus niets nieuws. Hoe zorgen we ervoor dat ook nu burgers, omwonenden, corporaties kunnen meedenken over of deelnemen in windmolens? Hoe kunnen we zo veel mogelijk win-winsituaties creëren? Ik begrijp dat er gewerkt wordt aan een gedragscode. Hoe staat het hiermee? Gaan alle provincies tekenen? Hoe zorgen we ervoor dat de gedragscode de basis wordt voor de uitrol door heel Nederland? Hoe verankeren we het gebruik van zo'n gedragscode? Hierover sprak ik al eerder met de PvdA.

Ook bij wind op zee is flinke haast geboden om de doelen van 2020 te halen. Alle hens aan denk, zou ik bijna zeggen. In 2015 moet er flink worden aanbesteed. Wanneer komt de Minister met duidelijkheid over de details hiervan? Op mijn initiatief zijn eerder bestaande vergunningen verlengd tot 2020. De inpassing van de bestaande vergunningen in de nieuwe situatie is echter niet altijd ideaal. Hoe zorgen we ervoor dat snelheid, zekerheid en efficiency elkaar vinden? Hoe zorgen we voor een snelle uitrol en aansluiting tegen lage kosten? Kan de Minister aangeven of bestaande vergunninghouders de mogelijkheid krijgen om hun oude vergunningen in te ruilen voor een nieuwe? Kunnen zij op een of andere manier voorrang krijgen zodat we met elkaar kunnen komen tot een efficiënte uitrol op zee en toch ook recht kunnen doen aan de voorlopers die als eersten hun nek hebben uitgestoken en als eersten geld hebben geïnvesteerd in het krijgen van de vergunningen? Mogen ze nieuwe technologie toepassen, zonder dat alles opnieuw moet, zodat we de innovatieslag die we sinds het moment van de vergunningaanvraag hebben gemaakt, nu meteen kunnen implementeren?

Efficiency is ook te behalen als het Rijk voortaan het ruimtelijk voorwerk doet voor vergunningverlening. De Denen hebben hier positieve ervaringen mee. We willen dat het meer gebeurt. Verkort de lasten voor ontwikkelaars en versnel de procedures, maar doe deze wel zorgvuldig, ook wat betreft de natuurwaarde op zee. Kan de Minister aangeven hoe het proces er de komende jaren uitziet? Hoe gaat hij de aanbevelingen van de Commissie voor de m.e.r. opvolgen? Daar waar het de zorgvuldigheid betreft en bijvoorbeeld ook de natuurgebieden op zee, heeft de Commissie voor de m.e.r. nog een aantal aandachtspunten aangegeven.

Hoe harder het waait, hoe lager de kosten. Boven de Waddenzee zit je eerder in een zone met hardere wind. Is er met Defensie overlegd over de afweging om het oefengebied op die locatie te handhaven dan wel te verplaatsen in relatie tot wind op zee?

Ik had het net al even over het toepassen van innovatie. Het PBL heeft berekend dat veel economische baten van windenergie liggen in het zorgen voor innovatie. Hoe zorgen we ervoor dat we hiervoor ruimte houden?

Wind op zee heeft de toekomst en we moeten groot denken. In de ogen van mijn fractie ligt het derhalve voor de hand dat het stroomnet op zee een overheidstaak wordt, dat TenneT het net op zee uitrolt en beheert. Dit lijkt mijn fractie ook goedkoper dan allemaal losse lijnen, omdat dan efficiënt gepland kan worden en ook met een toekomstige aansluiting op het Noordzeenet rekening kan worden gehouden. Hoe staat het met de voortgang van het Noordzeenet? Welke investeringen vergt de aanleg door TenneT precies? Hoeveel goedkoper is het dan het aanleggen via private lijnen? Ik heb bedragen gehoord van 35% tot 40% lager. Ik hoor echter graag de bevestiging van de Minister van dit soort efficiencypercentages. Welke kapitaalinjectie is nodig om het voor elkaar te krijgen? Op welke termijn kunnen we hierover besluiten? We hebben allemaal haast. Als we kunnen bijdragen aan een snelle besluitvorming, doen we dat graag.

Mijn fractie waardeert ook de voortvarendheid waarmee de Ministers de uitrol van windenergie vormgeven. Het draait erom nu de juiste keuzes te maken. Een transitie kun je niet half doen, zeker niet de energietransitie. Het gaat altijd met hobbels. Er is echter maar één route en die is vooruit.

De vergadering wordt van 11.54 uur tot 12.11 uur geschorst.

De voorzitter: We gaan door met de beantwoording van het kabinet in de eerste termijn. De woordvoerders mogen één interruptie plegen. Dit heeft te maken met het feit dat we het debat daadwerkelijk om 14.00 uur moeten afronden. Inmiddels is ook een VAO aangekondigd. Dit VAO start waarschijnlijk iets later, om 14.30 uur. Zie hier de tijdspanne waarin we hebben te opereren. Ik heb beide Ministers gevraagd om kort en bondig te antwoorden.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voorzitter. Er liggen twee structuurvisies van mijn ministerie voor. De eerste, Wind op zee, bevindt zich nog in de ontwerpfase. De tweede structuurvisie, Wind op land, is in de definitieve fase. Hiervoor vragen wij goedkeuring van de Kamer. Daarnaast zijn er vragen gesteld over de haalbaarheidsstudie, die zich richt op het zoeken naar locaties binnen de twaalfmijlszone. Hierop zal ik dadelijk ingaan. Er zijn ook vragen gesteld over de milieueffecten van de windmolens. Deze zal ik straks namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu behandelen.

Minister Kamp zal ingaan op de discussie over nut en noodzaak van duurzame energie, de uitrol en de afspraken met het IPO op het terrein van wind op land, en ook de discussie over kavels en vergunningen. Als we eenmaal besloten hebben waar we het gaan doen, hoe gaan we het dan precies doen? Mocht er sprake zijn van overlap, dan zeggen mijn collega en ik er misschien beiden wat over.

Ik begin met de structuurvisie Wind op land. Deze structuurvisie is in samenwerking met het IPO tot stand gekomen. In tegenstelling tot in het verleden, toen initiatiefnemers eigenlijk gewoon in hun gebieden aan de slag konden onder een rijkscoördinatieregeling, hebben Minister Kamp en ik gezegd dat het veel aantrekkelijker is als een provincie in overleg met de bewoners en belanghebbenden tot geschikte locaties komt. Er ligt nu een structuurvisie voor, waarin voor 6.000 MW aan wind staat opgenomen. Er is al 2.450 MW gerealiseerd, maar er zal nog een en ander aan oude molens afgebroken worden. In totaal kom je op zo'n 4.000 MW uit. Het is een flinke opgave, die noodzakelijk is om je hoeveelheid duurzame energie te halen in het jaar 2020 en later ook in 2023. Wij snappen heel goed dat het de nodige discussie teweegbrengt als er een groter park bij jou in de buurt gepland staat. De vragen gaan voornamelijk over participatie. Hierop zal ik uitgebreid ingaan. Vervolgens zal ik bij wind op land nog iets zeggen over de reservelocaties en de alternatieven die worden aangedragen door de diverse partijen.

Ik begin met participatie. De zorg is uitgesproken dat wij er niet veel mee gedaan hebben in de afgelopen periode. Dit is echter niet het geval. Ik hoop de Kamer hiervan te kunnen overtuigen. Natuurlijk zeggen wij ook dat het complex is. Aan de ene kant betrekken we de provincies erbij om de meest geschikte gebieden aan te wijzen. Natuurlijk kunnen individuen het daarmee oneens zijn en kunnen zij andere ideeën of misschien wel goede alternatieven hebben. Ik hecht eraan dat partijen in de verschillende fases van de besluitvorming in de gelegenheid worden gesteld om ook hun belangen in te brengen. Dit doen we nu ook al intensief bij infrastructuurprojecten, maar dat zou je ook hier moeten doen. Dat is ook de reden waarom in de Omgevingswet wordt geregeld dat de participatie verplicht is in het planproces bij alle grote ruimtelijke projecten. Ook is er de uitvoering van de motie-Dik-Faber/Van Veldhoven, waarin gevraagd wordt om de toepassing van de Code Maatschappelijke Participatie en het spelregelkader, dat uiteindelijk een rol zal krijgen. De gedragsregels zijn dus op rijksniveau vastgelegd. De gedragscode voor de sector kunnen wij niet vastleggen. Dat moet de sector zelf doen. Hieraan wordt op dit moment intensief gewerkt. Participatie wordt geborgd in de Omgevingswet. In de verkenningsfase zal iedereen de gelegenheid hebben om mogelijke oplossingen voor ontwikkelopgaven voor te dragen. Dit gaat dus ook gelden voor energieprojecten die nu nog onder de huidige RCR vallen. Dat is het wat. Het hoe is een vormvrije kwestie en wordt vormgegeven door de diverse partijen. Het Rijk heeft een en ander vastgelegd en de sector moet het voor zichzelf ook vastleggen. Wij kunnen helpen om de regio wat meer ervaring te laten opdoen met de uitgebreidere vorm van participatie, bijvoorbeeld door te bekijken of het kennisplatform voor wind en de kennistafel die wordt georganiseerd, kunnen meedenken over de wijze waarop je een participatieproject zo goed mogelijk vormgeeft.

Dan is er de vraag gesteld of de NLVOW ook betrokken kan worden bij de discussie over participatie. De NWEA is de organisatie die de gedragscode ontwikkelt. Zij doet dit in overleg met de natuur- en milieuorganisaties, het IPO en de VNG. Het zal me niet verbazen als ze de NLVOW er al bij betrokken heeft, maar ik heb er ook geen bezwaar tegen als dit nog niet het geval is. We zullen aangeven dat het de wens is.

Er is gevraagd naar de financiële participatie. Minister Kamp zal straks hierop ingaan als het gaat over de coöperatieconstructies.

Er zijn ook vragen gesteld over planschade. Ik gaf net al aan dat ik het heel belangrijk vind om de omgeving erbij te betrekken. Een zorgvuldige participatieaanpak in de geest van Sneller en Beter van de commissie-Elverding is heel belangrijk. Het compenseren van omwonenden is van een andere orde. Het is namelijk niet vanzelfsprekend dat een windmolen altijd leidt tot materiële of immateriële schade die gecompenseerd moet worden. Dit moet je bekijken. Op het verhalen van planschade zijn de bestaande regels van toepassing. Iedereen kan een beroep doen op de wettelijke regeling. Ik zie niet in waarom je voor planschade door een windmolen een ander traject zou moeten volgen dan voor alle andere vormen van planschade die door ingrepen in de ruimte ontstaan. Ik verwijs naar de regels die er zijn inzake planschade. Hieraan wil ik vasthouden.

De heer Paulus Jansen (SP): Ik heb een vraag over de planschade. Ik had wel verwacht dat de Minister zou zeggen dat we geen uitzondering gaan maken voor een specifieke categorie, in dit geval windparken. Ik kan me er iets bij voorstellen. De essentie van mijn bijdrage was echter dat er voor de omwonenden onder de streep een zwart bedrag moet staan en geen rood bedrag. Je kunt denken aan een optelsom van de planschade plus een vergoeding voor gratis stroom in de directe nabijheid, zodat dit leidt tot een positief bedrag, deels eenmalig en deels ieder jaar. Steunt de Minister deze denkrichting?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik ga niet zozeer in op de schade, maar vooral op het momentum waarop je naar de planschade kijkt. Bij zo'n ruimtelijke reservering weet je nog niet waar in het gebied de plannen gerealiseerd zullen worden en waar de contracten worden aangevraagd. Op het moment dat er een contract is en de uitvoering zal plaatsvinden, wordt de planschade opgemaakt. Of het dan zal leiden tot een plus of een min, kan ik niet zeggen. Per windmolen hangt het natuurlijk af van de situatie en van de inschatting die gemaakt wordt door de onafhankelijke commissie die erop toeziet. Sowieso kan ik niet op voorhand gratis stroom uitdelen. Evenmin kan ik bij voorbaat zeggen dat het altijd tot een plus leidt. Mensen moeten conform de spelregels, die we voor alle vormen van planschade in het land hebben, op een eerlijke manier een oordeel krijgen over de planschade die zij hebben en de compensatie die ze ervoor krijgen.

De heer Paulus Jansen (SP): De heer De Vries had het voornamelijk over het moment waarop je de planschade vaststelt. Het gaat er mij om dat er op dit moment door het eigen risico onder de streep standaard een min, oftewel een rood bedrag, staat. Als we niks doen aan het systeem, blijft de weerstand van omwonenden, die er per saldo altijd op achteruitgaan, bestaan. Ziet de Minister het feit dat het probleem niet is opgelost niet als de grootste belemmering om 6.000 MW op land op een soepele manier geregeld te krijgen?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Daarom is het ook zo belangrijk om de participatie goed te organiseren. Vanuit participatie kun je gezamenlijk komen tot een slimmere invulling van de plannen of een andere manier van vormgeven. Ik heb er veel ervaring mee. Bij bijvoorbeeld het project Ruimte voor de Rivier is een bedreiging, namelijk rivierverruiming, uiteindelijk voor veel partijen omgezet in een kans. Hierbij is van belang dat de lokale overheden, de lokale initiatiefnemers of de rijksoverheid – het hangt een beetje af van de vraag waar het plaatsvindt – goed bekijken op welke wijze een en ander gezamenlijk kan worden vormgegeven. Betekent het dan dat ieder individu er tevreden over zal zijn of dat iedereen in de plus geraakt? Het is mogelijk, maar ik wil het niet toezeggen. Dat zou tot een heel complexe situatie leiden in de jurisprudentie betreffende alle andere ruimtelijke maatregelen die we nemen. Er kan in dit land dan geen paal meer worden verzet, omdat niemand nog iets durft te doen. Het leven bestaat uit plussen en minnen. We moeten vooral proberen om de mensen goed aan de voorkant te betrekken, ook andere typen stakeholders, om te bezien of we er allemaal een beetje beter uit kunnen komen.

Ik kom op de locaties voor wind op land. Enkele commissieleden hebben gevraagd hoe het nu zit, of ik het allemaal wel ga halen en of ze het op een bepaald moment moeten monitoren. Hoe zit het met de afspraak? Er zijn toch ook projecten waarvoor nu alternatieven worden voorgedragen? Minister Kamp zal zo dieper ingaan op een aantal RCR-projecten, waaronder de N33. De principeafspraak is dat de provincies gezamenlijk 6.000 MW aan locaties leveren. Als de provincies dit niet halen-- ze moeten het voor juni in hun provinciale plannen hebben vastgelegd – zullen zij zelf komen aanzetten met reservelocaties om uiteindelijk in januari 2018 te kunnen starten met de uitgifte van de terreinen. Er is een mogelijkheid om binnen de door hen zelf aangewezen locaties te komen tot alternatieven en reserves. Ik ga nu niet van rijkswege andere locaties aanwijzen. Pas op het moment dat de provincies het niet waarmaken, komen we op de discussie over de alternatieven. Pas als de provincies niet op tijd met reservelocaties komen, zal het Rijk aangeven waar het eventueel anders kan. Ik kom hier zo meteen op in het kader van de Afsluitdijk. Eind juni moeten de provincies ruimtelijk gereserveerd hebben, zodat de bouw kan starten op 1 januari 2018. Als er in een regio locaties zijn die op meer draagvlak kunnen rekenen, en provincies zien dit zelf ook, zullen er ongetwijfeld mogelijkheden zijn.

Eind juni 2014 is een belangrijk ijkmoment. Ook D66 vroeg of ik een check kan doen op de provinciale structuurvisies. Wij gaan ervan uit dat de provincies het gaan halen. Ze liggen op schema, maar we houden natuurlijk in de gaten of het ook allemaal zo gebeurt. Met het IPO is duidelijk afgesproken hoe de verdeling over de provincies is, zodat deze ook makkelijk kan worden gecheckt.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Mijn vraag was niet zozeer of de provinciale structuurvisies er in juni zijn, als wel of datgene wat in die structuurvisies vastligt, ook gebaseerd is op plannen waarvan we redelijkerwijs kunnen aannemen dat ze realistisch zijn en dat ze datgene opbrengen waarvoor de provincies intekenen. Ik heb gesproken over het soort molens waarvan de provincies uitgaan en over de Natura 2000-gebieden. Natuurlijk komt er voor alle projecten nog een project-m.e.r. Dan weet je het pas zeker. Maar op basis van een soort quickscan moet je in ieder geval kunnen aangeven welke provincie hoeveel risicogebieden heeft. Dan kun je provincies vroegtijdig waarschuwen en vragen alvast na te denken over reservelocaties.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Op basis van de gezamenlijke monitoring van het Rijk, de provincie en de windsector zal ik bekijken of de provincies in de door hen vastgestelde ruimtelijke plannen voldoende ruimte hebben gereserveerd om in totaal 6.000 MW in heel Nederland mogelijk te maken. De volgende fase is inderdaad dat de Commissie voor de m.e.r. ook een oordeel geeft over de relativiteitswaarde. De provincies liggen op schema. Wij gaan ervan uit dat het gehaald wordt. We hebben nog twee maanden, dus we zullen erbovenop blijven zitten.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Je hebt kwantiteit en kwaliteit. De kwantiteit komt straks in de plannen. Die plannen zullen er best zijn, als de Minister er duidelijke afspraken over heeft gemaakt met de provincies. Vervolgens gaat het om de kwaliteit van de plannen. Als we in de monitoringsgroep de voortgang monitoren van datgene wat op een gegeven moment gerealiseerd wordt, komen we er pas op een laat moment achter dat het misschien allemaal niet zo rooskleurig is als we het ons hadden voorgesteld. Op dat moment ben je echter al een aantal jaren verder, terwijl je nu met een soort quickscan in ieder geval de risico's die in de een of andere provinciale structuurvisie vastliggen, al naar voren kunt halen. Je kunt dan tijdig de risico's signaleren, terwijl de provincie aan zet blijft.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Wij bekijken kritisch of de gebieden die provincies hebben aangeleverd wel kunnen. In een structuurvisie bekijken wij als Rijk of ze niet botsen met andere, bijvoorbeeld nationale, belangen. Maar het blijft natuurlijk een aanwijzing van een ruimer gebied. Uiteindelijk moet je weten waar een initiatiefnemer iets wil gaan doen. Daarom knippen we het in twee fasen op. We bekijken niet alleen of er genoeg ruimte is gereserveerd, maar we kijken ook naar de waarde van de ruimte, oftewel het «no regrets» waarover mevrouw Van Veldhoven het al had. Bij de Commissie voor de m.e.r. komt de uiteindelijke verdieping op het moment dat je ook weet welk gebied gekozen gaat worden.

Ik kom op de alternatieve locaties. Ik zei reeds dat de provincies tijd en ruimte hebben om ook met andere onderdelen aan de slag te gaan, bijvoorbeeld als hiervoor meer draagvlak bestaat. De ruimtelijke uitwerking van de locaties blijft bij de provincies. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor windpark Friesland, waarmee de provincie aan de slag kan gaan. Zij moet zich voornamelijk richten op een tijdelijke realisatie, maar heeft wel de mogelijkheid en de ruimte om binnen de door haar eigen aangewezen ruimtes verschillende varianten te sturen.

Ik zal wat specifieker zijn. Er is bijvoorbeeld gevraagd waarom ik de Afsluitdijk niet als alternatief neem. Er lag een motie-Holtakkers/Van Tongeren van de Kamer om de Afsluitdijk in de toekomst van windmolens te voorzien. De vorige keer heb ik al aangegeven dat de Afsluitdijk wat mij betreft een goede locatie is voor windturbines. De motie is aangenomen, dus de Kamer is dezelfde mening toegedaan. Het waait er vaak en hard. Wij hebben er echter voor gekozen om de provincies locaties te laten aandragen. Dat hebben ze ook gedaan voor de 6.000 MW. Ik laat de Afsluitdijk een rol spelen in de volgende fase, namelijk het bereiken van de doelstelling van 16% duurzame energie. De provincies hebben nu geen belangstelling voor de Afsluitdijk geuit in plaats van andere projecten. Ik geef invulling aan de motie-Holtakkers/Van Tongeren. Wij zullen deze verder bekijken en ook bezien of deze kan worden uitgevoerd. De vraag was of ik dat niet meteen al kan doen en of ik het niet nu al kan vormgeven. We kunnen nu niet verder met de Afsluitdijk, ook omdat we bezig zijn met de aanpassing ervan. Werk met werk maken, gaat niet goed en zal juist een procedurele vertraging van enkele jaren opleveren. Je moet namelijk een nieuw ontwerp maken als je en-en wilt doen. In de commissie inzake de Afsluitdijk, die weliswaar een andere samenstelling kent, wordt al heel lang gewacht op het aannemen van de maatregelen die nodig zijn.

Het onderzoek van AT Osborne hebben we al wel laten doen. Dit laat zien dat de locatie aan de IJsselmeerzijde zich beter leent voor de realisatie van windmolens dan de dijk aan de Waddenzeezijde. Dit geeft weer welke zaken we bestuderen. Als je besluit om de Afsluitdijk te doen, kan het interfereren met locaties in de Wieringermeer en het IJsselmeer. Partijen kunnen zich vervolgens afvragen of ze het nog wel willen. Uiteindelijk zul je beide locaties nodig hebben. De Afsluitdijk gaan we dus in de volgende fase doen.

Ik ga over op wind op zee. Bij wind op zee zijn er in de ontwerpstructuurvisie twee extra gebieden aangewezen. Ik begin met het defensieterrein boven Groningen. Enkele Kamerleden hebben mij gevraagd of ik niet aan de slag kan gaan ten noorden van de Waddenzee in het defensiegebied. Ik zou dan volgens hen veel kunnen besparen en een betere verbinding kunnen aanleggen met het noorden. Natuurlijk hebben wij dit ook bekeken. Financieel en ruimtelijk gezien ziet het er aantrekkelijk uit. Het militaire vlieggebied, EHD 42, wordt echter nationaal en internationaal gebruikt voor vlieg- en schietoefeningen door jachtvliegtuigen. Aangezien deze vliegtuigen heel hard vliegen en het bereik van de raketten zeer groot is, heb je een groot gebied nodig. Omdat de raketten en kogels in zee terechtkomen, kun je er geen permanente installaties onder plaatsen. Dit geldt voor windmolenparken, maar bijvoorbeeld ook voor olie- en gaswinning. Verkleining van het gebied is niet aan de orde, omdat je een substantieel deel van het gebied nodig hebt voor manoeuvreerruimte. Verplaatsing van het gebied naar elders is ook niet aan de orde. Er is eigenlijk geen ander gebied mogelijk, ook internationaal niet, omdat alle geschikte locaties al in gebruik zijn. Bestaande alternatieven zijn heel ver weg en worden ook al gebruikt. Dat is het knelpunt. Het is niet zo dat er niet naar gekeken is. Het is niet zo dat we het geen interessant alternatief vinden. Er is echter op dit moment geen andere mogelijkheid voor die vlieg- en schietoefeningen dan het huidige defensieterrein.

Er is gevraagd naar het medegebruik van windmolenparken op zee. Op dit moment wordt met de betrokken sectoren onderzocht welke vormen van medegebruik mogelijk zijn en hoe het zit met de doorvaart. De uitkomsten zullen worden verankerd in het Nationaal Waterplan 2 (NWP 2) dat eraan komt. Dergelijke elementen zullen hierin opgenomen worden.

Er zijn veel vragen gesteld over TenneT en de infrastructuur. Hierop zal Minister Kamp terugkomen.

Ik kom kort op de haalbaarheidsstudie naar de nearshore. Minister Kamp en ik hebben deze studie ingesteld omdat wij willen bekijken op welke wijze je windenergie zo kosteneffectief mogelijk kunt regelen. Op land is het misschien het goedkoopst, maar er is ook weinig ruimte beschikbaar. Buiten de twaalfmijlszone is de ruimte vrij groot, maar zijn de kosten weer heel hoog. We wilden ook graag bekijken wat er binnen de twaalfmijlszone mogelijk is. Wij zijn er nog niet mee klaar, omdat het niet alleen de kosten betreft. Het gaat ook over vaarroutes, ecologie, visserij, havens en van alles en nog wat. Het is goed als de discussie over de structuurvisie Wind op zee in een wat verder stadium is, zodat we goed kunnen zien hoe het staat met de locaties en we uiteindelijk ook beter naar het totaalplaatje kunnen kijken. Ik heb de Kamer aangegeven dat we eind mei met de haalbaarheidsstudie komen. Misschien is het handiger om het iets later te doen, als blijkt dat het verstandig is om de haalbaarheidsstudie tezamen met de definitieve structuurvisie Wind op zee en de uitrolstrategie te behandelen. Ik vraag hiervoor alvast wat ruimte.

Dan is er gevraagd naar de milieueffecten, waaronder de geluidseffecten, en de ingestelde expertcommissie. Volgens mij vroeg de PvdA de vorige keer om zo'n expertteam op het terrein van geluid. Ik gaf toen aan dat alles past binnen de geluidsregels die we kennen, maar dat het goed is om met zo'n expertteam te komen. In een pilot inzake geluid wordt momenteel uitgewerkt op welke wijze de bewoners een beroep kunnen doen op de expertise. Het team zal niet enkel vertellen hoe het zit, maar ook nadenken over de vraag wat je ermee kunt doen. Ik betrek de NLVOW er graag bij. Die denkt al mee over de opzet van het kennisplatform voor wind.

Volgens mij heeft de Staatssecretaris toegezegd om kennis inzake geluid te vergroten en beschikbaar te stellen. Zij heeft onlangs ook een brief met rapporten naar de Tweede Kamer gestuurd. Als er extra kennis op de diverse terreinen komt, zal ik deze graag ter beschikking stellen aan de regio. Dit is ook het doel van het kennisplatform.

Ik meen dat de heer Jansen vroeg of de geluidsnorm wordt aangepast als de inzichten veranderen. Als uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke uitgangspunten niet meer kloppen, dan ligt een aanpassing van de normering voor de hand. Tot nu toe hebben wij die gegevens nog niet. Maar nogmaals, wij dragen altijd verantwoordelijkheid voor wat we doen. Als blijkt dat de oorspronkelijke uitgangspunten niet meer kloppen, moeten we overgaan tot aanpassing.

Tot slot heeft de heer De Graaf een vraag gesteld over de vleermuizen en andere dieren die de dupe zijn van de windmolens. D66 heeft gevraagd naar de ecologische risico's van Natura 2000. De aanwezigheid van vleermuizen speelt natuurlijk een rol bij de ruimtelijke inpassing van windmolens. Dit is ook vereist vanuit de Habitatrichtlijn, vanuit de Natura 2000-richtlijn. De vraag van de heer De Graaf verbaasde mij enigszins. Als we namelijk spreken over de aanleg van snelwegen, zit hij er totaal anders in. Hij is er helaas niet om antwoord te geven. Een en ander wordt op projectniveau goed bekeken. Dit is ook een taak van de provincie.

Ik heb geprobeerd om de vragen zo veel mogelijk te bundelen. Veel vragen overlappen elkaar namelijk. Ik hoop dat iedereen zichzelf erin herkent. Zo niet, dan hoor ik het wel.

Minister Kamp: Voorzitter. U hebt mij gevraagd om een beknopte beantwoording, omdat u voor 14.00 uur klaar wilt zijn. Over nut en noodzaak van de transitie naar duurzame energie zal ik derhalve niets zeggen. Op mondiaal niveau zijn er conclusies getrokken op basis van onderzoek. De Europese Unie heeft een richtlijn afgegeven. De politieke partijen hebben in hun verkiezingsprogramma's ambities vastgelegd. De VVD noemt 14% duurzame energie in 2020, D66 16% en de PvdA 18%. Uiteindelijk is er een regeerakkoord met 16% duurzame energie in 2020. Dit is verder uitgewerkt in het energieakkoord, waarin staat dat de 16% op een verantwoorde manier in 2023 kan worden gerealiseerd. De politiek heeft zich erbij aangesloten door steun te geven aan het energieakkoord. Daar werken we nu naartoe. We moeten ons realiseren – de woordvoerders zullen dit ook doen – dat het realiseren van 16% duurzame energie in 2023 een ongekende opgave is. We moeten onze huidige hoeveelheid wind op zee vertwintigvoudigen. Vertwintigvoudigen! We moeten een groot aantal nieuwe windmolens op land plaatsen en alle andere mogelijkheden voor de opwekking van duurzame energie maximaal benutten. Als we 6.000 MW aan wind op land en 4.500 MW op zee realiseren en alle andere mogelijkheden maximaal benutten, dan kunnen we de opgave die we onszelf hebben opgelegd, 16% in 2023, met overtuiging realiseren. Het betekent echter dat we zeer gericht moeten zijn op de uitvoering. Als we de zaak ingewikkeld maken met moties, allerlei verfijningen aanbrengen, veranderingen en alternatieven in beeld brengen en aanpassingen en onderzoeken vragen, raken we steeds verder af van het realiseren van de doelstelling. Ik ben verantwoordelijk voor het realiseren van de doelstelling. Ik zal proberen om de zaak zo praktisch mogelijk te houden en ervoor te zorgen dat we op een verantwoorde manier de doelstelling van 16% in 2023 halen.

De heren Litjens en Vos hebben iets gezegd over de gevolgen voor wind op zee. Voor wind op zee hadden we vergunningen afgegeven in het jaar 2009. Sinds 2009 is er natuurlijk veel gebeurd. Door de VVD is naar voren gebracht dat je eigenlijk met flexibele vergunningen zou moeten werken. Als een windmolen pas vijf jaar na vergunningverlening wordt gerealiseerd, is het jammer om te zeggen dat een eventuele nieuwe techniek niet gebruikt kan worden omdat we de oude vergunning nog hebben. Bovendien zijn de vergunningen in 2009 verleend met het idee dat er een kabel naar land wordt gebracht op het moment dat de windparken op zee gerealiseerd zijn. Maar inmiddels zijn we erachter dat het naar land brengen van al die kabels veel duurder is dan het neerleggen van een soort netwerk op zee. Als je ervoor kiest om een netwerk op zee neer te leggen, moet je wel zorgen voor geclusterde kavels en windparken op de goede plek. Dan kun je het netwerk op een goede manier benutten. Als je daarnaast nog allerlei geïsoleerde windparken hebt, die eigenlijk aparte kabels naar het land moeten hebben, dan wordt het een rommeltje.

Er ligt een motie dat de oude vergunningen uit 2009 verlengd moeten worden. Ik denk niet dat die vergunningen tot de aanleg van windparken leiden. In het energieakkoord staat dat het Rijk de regie voor wind op zee ter hand moet nemen. Anders krijgen we het niet voor elkaar om de doelstellingen te realiseren. Het Rijk maakt de structuurvisie over mogelijke locaties op zee. Vervolgens komt het met een wet waarin staat op welke wijze het gerealiseerd moet worden. Het Rijk wijst de kavels aan, de ene na de andere. In een bepaald jaar, bijvoorbeeld 2015, pakken we een kavel – waarschijnlijk wordt het Borssele – en dan mogen de mensen met voorstellen komen om op die kavel volgens onze voorwaarden een windpark te realiseren. Degene die met het beste voorstel komt, krijgt het windpark toegewezen. De oude vergunningen uit 2009 zijn hiervoor verder niet relevant. Dit geldt eigenlijk ook voor alle kavels die volgen, gezien de nieuwe procedure waarvoor we hebben gekozen. In het energieakkoord is ervoor gekozen dat de regie bij het Rijk ligt. Het Rijk komt met een wet en wijst de kavels aan. Als je volgens de nieuwe procedure de tender voor een kavel wint, dan krijg je daarvoor de vergunning en de subsidie. Wij zorgen er ook voor dat de zaak geregeld is wat betreft de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Wij zorgen voor het hele pakket. Datgene wat je met het Rijk van doen hebt, zoals vergunningen en subsidies, wordt in één keer afgegeven. Degene die de vergunning krijgt, kan direct op de uitvoering overgaan. De nieuwe aanpak is een andere dan die we in 2009 voor ogen hadden. De nieuwe aanpak is doelmatig, bespaart kosten en is absoluut noodzakelijk om de grote opgave die we hebben te realiseren.

Ik kom op de opgave voor wind op land. Ik zal zo ingaan op Groningen en Drenthe waarover opmerkingen zijn gemaakt.

De heer Litjens (VVD): Alvorens we overgaan op wind op land, stel ik nog wat vragen over wind op zee. De Minister ziet in dat het inderdaad verstandig is of kan zijn om te werken met flexibele vergunningen. Hierover is al eerder een motie ingediend en aangenomen. Mijn vraag van zojuist was of de systematiek al gehanteerd wordt. Ik beluister dat de Minister het met verschillende Kamerleden eens is dat het verstandiger is om te clusteren en dat de ronde 2-vergunningen mogelijk niet verlengd worden. Er is ook gevraagd of er een mogelijkheid bestaat om de ronde 2-vergunningen op preferente wijze een plek te geven bij de offshore-locaties die zullen worden aangewezen. Het antwoord hierop heb ik nog niet helemaal gehoord.

Minister Kamp: Ik wil geen verwachtingen wekken wat betreft de oude vergunningen uit 2009. Toen was sprake van een heel andere systematiek. Nu hebben we op grond van het energieakkoord gekozen voor de systematiek die ik net heb uitgelegd. Wij maken een wet, waarin het allemaal wordt ingevuld. Deze wet wil ik graag per 1 juli 2015 in werking laten treden. Dan kan ik eind 2015 de eerste tender doen, waarschijnlijk voor het windpark bij Borssele. Dan kunnen we in 2015 concreet worden en in 2016 en 2017 de benodigde stappen zetten om in 2023 ook het einddoel te realiseren. Dat is de nieuwe werkwijze. In 2009 zijn allerlei vergunningen afgegeven, maar ik kan deze niet inpassen in de nieuwe systematiek. Als men toevallig een oude vergunning heeft voor het gebied bij Borssele en men denkt wederom te kunnen meespelen, moet men aan de tender meedoen. Ik wil geen verwachtingen wekken. We zijn inmiddels vijf jaar verder. Er is sprake van een heel andere situatie en een veel grootschaliger opgave dan we toen voorzagen. We moeten het nu op een andere manier aanpakken om de kosten te beheersen.

Het clusteren is in overeenstemming met het energieakkoord en zal worden uitgewerkt in de wet waarover ik net sprak. Ik zal ervoor zorgen dat de wet tijdig bij de Kamer is. Ik hoop dat de Tweede Kamer de wet snel behandelt. Ik zal dit ook aan de Eerste Kamer vragen. Ik wil namelijk graag in 2015 de eerste tender voor elkaar krijgen.

Ik kom op de flexibele vergunningen. De heer Leegte van de VVD had groot gelijk. Die flexibele vergunning moet er absoluut komen. Overleg met de industrie, de ervaringen in het buitenland en onze eigen ervaringen leiden tot de nieuwe wet. We zullen de flexibele vergunning optimaal toepassen en de doorlooptijd van het proces flink verkorten. We geven ook de voorwaarden aan, waaraan je in een kavel moet voldoen. Deze gelden voor het gehele windpark en niet enkel per windmolen. Dit betekent dat je op het laatst mogelijke moment op basis van nieuwe technieken je plannen nog kunt aanpassen.

Bij wind op zee zullen we optimaal gebruikmaken van de flexibele vergunning. Ik wil deze ook graag invoeren voor wind op land. We moeten ons echter realiseren dat bij de vergunningen voor wind op land ook allerlei omwonenden betrokken zijn, met hun belangen. Daarbij geldt niet alleen het belang van degene die het park gaat realiseren, maar ook het belang van de bewoners. Een vergunning werkt beide kanten op. Momenteel bekijk ik op welke wijze ik het principe van flexibele vergunningen ook op land optimaal kan hanteren.

Ik heb al een paar dingen gezegd over wind op zee, maar ik kom er straks nog op terug bij de beantwoording van specifieke vragen die aan mij zijn gesteld.

Over participatie heeft mijn collega al het nodige gezegd. Ik heb het voornamelijk over de financiële participatie, die noodzakelijk is. Bij de vergunningverlening voor de rijkscoördinatieparken hanteert het Rijk de lijn dat de initiatiefnemers met de mensen in het gebied moeten spreken over financiële participatie en hieraan invulling moeten geven. Ook vragen we provincies en gemeenten om dit consequent te doen. We zijn heel blij dat ook de branchevereniging van plan is om financiële participatie te introduceren en hiervoor een werkwijze ontwikkelt, waarbij wij ondersteuning bieden. Financiële participatie moet er komen. Dit kan op allerlei manieren. We willen niet voorstellen hoe het moet gebeuren. Dit moet door de initiatiefnemers met de betrokkenen worden gedaan. Het kan in de vorm van een lagere prijs voor de elektriciteitsrekening, maar er kan ook een voorziening in het gebied gefinancierd worden. Er zijn allerlei varianten mogelijk. Deze laten we graag aan de initiatiefnemers over. Het is echter duidelijk dat het moet gebeuren. We willen de mogelijkheden zo ruim mogelijk laten. Zowel de overheid als de industrie vindt dat het moet gebeuren en werkt er op dezelfde manier aan. We hebben de goede aanpak gekozen. Bij de projecten Wieringermeer, Goeree-Overflakkee en Flevoland gebeurt een en ander reeds. Hierover kunnen we tevreden zijn.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Het is natuurlijk heel goed dat er hard wordt gewerkt aan de gedragscode. Dat is nodig. In het SER-energieakkoord is afgesproken dat de code in 2013 gereed zou zijn. De projecten lopen intussen door. Inwoners zijn ongerust. Wanneer komt de code en is het dan ook een gedragen code? Alle partijen die de Minister noemt, zitten al aan tafel. Maar waar zitten de inwoners? Hoe kunnen zij er invloed op uitoefenen, zodat we echt kunnen zeggen dat het een gedragen gedragscode is? Het CDA wil dat het uiteindelijk wettelijk wordt verankerd. Dit is toegezegd. Ik heb nog geen datum gehoord wanneer dit zal gebeuren. Mijn fractie wil hierover duidelijkheid. Het zijn twee processen, twee sporen naast elkaar. De projecten gaan allemaal door en dan wordt het een soort mosterd na de maaltijd. Mijn fractie wil dit echt voorkomen. Graag ontvang ik een reactie van de Minister.

Minister Kamp: Niemand houdt initiatiefnemers tegen om met financiële participatie aan de slag te gaan. Het is verstandig dat ze dat doen. Wij als Rijk eisen het voor onze eigen projecten. We zeggen tegen provincies en gemeenten dat ze het moeten doen. Deze zijn zeer gemotiveerd om het te doen. De brancheorganisatie geeft aan dat ze het wil. Als je als initiatiefnemer in een gebied iets voor elkaar wilt krijgen, is het belangrijk dat je draagvlak onder de bevolking hebt. De initiatiefnemers zijn dus ook gemotiveerd. Het gaat nu om het vormgeven. Als je het allemaal in een wet vastlegt, wordt het er niet beter van. Het is veel beter om de houding van de overheden en de industrie te laten zoals ik net heb beschreven, en om vervolgens vanuit de branchevereniging modellen aan te reiken, zodat iedere initiatiefnemer er gebruik van kan maken.

Ik zal erop toezien dat er nu al gewerkt wordt op de manier die ik net heb omschreven en dat de gedragscode er voor de zomer is. Zo geven we dit belangrijke onderwerp de aandacht die het verdient.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Ik dank de Minister voor zijn toezegging dat de gedragscode er voor de zomer is. Die is namelijk ontzettend belangrijk. Het is ook belangrijk dat de inwoners erover kunnen meedenken door middel van de belangenverenigingen die op dit punt actief zijn.

In een van de RCR-projecten schrijft de Minister dat er draagvlak is. In een brief van de gemeenten Borgen-Odoorn en Aa en Hunze staat echter dat het draagvlak er volgens hen niet is. Ze zijn nu bezig met een onderzoek. Hoe kijkt de Minister daar tegenaan?

Minister Kamp: Mevrouw Mulder zal zich met haar ervaring realiseren dat de spanning die we op dit moment hebben tussen initiatiefnemers, overheden en belanghebbenden er altijd zal blijven. Iedereen heeft zijn eigen invalshoek. Iedereen heeft zijn eigen belang en probeert hier optimaal voor op te komen. Het is echt niet zo dat wij alles met beslissingen, gedragscodes en procedures kunnen oplossen. Voor wind op land hebben we bereikt dat de provincies ervan overtuigd zijn dat de 6.000 MW voor 2020 wordt gerealiseerd. We hebben daar afspraken over kunnen maken. Dat is van groot belang. Het moet met aparte projecten. We gaan het per project volgen om te zien of het gebeurt op de manier die we hebben afgesproken. Als er ergens iets misgaat, hebben we afgesproken dat de provincie zorgt voor een alternatieve locatie. Deze moet tijdig ontwikkeld kunnen worden, zodat we ook daar in 2020 die windmolens gerealiseerd hebben. Deze werkwijze geeft natuurlijk spanning. Initiatiefnemers hebben al grond gekocht en de provincie heeft een visie. Wij hebben op onze beurt een RCR en een structuurvisie Wind op land. Dus er zijn allerlei spanningen. Deze moeten per project worden opgelost, waarbij we de procedures die zijn vastgesteld zo goed mogelijk volgen.

Er hoort enige flexibiliteit bij. Voor de kwestie in Drenthe heb ik aangegeven hoe het zit, voornamelijk wat betreft het plan De Drentse Monden en Oostermoer. Daar heb ik een flexibiliteit gegeven van 150 MW tot 185 MW. De provincie en de initiatiefnemer hebben allebei een eigen benadering. Uiteindelijk zal ik proberen om deze met elkaar in overeenstemming te brengen. Als dat niet lukt, zal ik een afweging maken op basis van alle belangen. Zo zal het in de praktijk blijven gaan.

De heer Albert de Vries (PvdA): Ik hoor wat de Minister zegt. Ik dacht echter dat de afspraak was dat de provincies hun bod gestand doen. De provincie heeft een gebiedsvisie en daar staat zij achter. Tegelijkertijd verzekert zij dat haar volume gerealiseerd zal worden. Dat is in de provincie Groningen aan de orde. De Minister komt nog op de N33, maar ik heb maar één interruptie en die gebruik ik nu. Bij de N33 geldt precies hetzelfde. De provincie constateert dat er draagvlak is als je er een klein beetje flexibiliteit in pompt. Dit geldt ook voor Friesland, waar verzet is tegen het plan om windmolens in het IJsselmeer te plaatsen. De PvdA vraagt het kabinet om de provincies de ruimte te geven die hun is geboden, onder de voorwaarde dat ze natuurlijk tijdig aan hun volume voldoen. De Minister zegt eigenlijk dat hij er wel heen fietst.

Minister Kamp: Het is dezelfde PvdA-fractie die er sterkt op aandringt dat we onze doelstellingen voor 2020 en 2023 halen. De heer Vos van de PvdA heeft mij vaak gezegd dat hij wil dat ik in de periode tot 2020 en 2023 voldoende concrete stappen zet, zodat hij er vertrouwen in kan hebben dat ook ik mijn doelstellingen haal. Hij noemt nu Drenthe, Friesland en Groningen. Ik weet niet of ik voldoende tijd heb om op alle drie de projecten lang in te gaan. Ik heb al iets gezegd over de provincie Drenthe. Ik respecteer haar gebiedsvisie. Er is daar sprake van lopende trajecten en initiatiefnemers die grondposities hebben. In dat geheel van gebiedsvisie en lopende trajecten moet ik ervoor zorgen dat er een zorgvuldig besluit wordt genomen.

Laat ik kort ingaan op het project N33, waarover de heer Vos en bijna alle andere woordvoerders iets hebben gezegd. De locatie van het windpark N33 is al sinds de jaren negentig zeer geschikt bevonden door de provincie. Juist omdat de provincie het steeds zo consequent deed, hebben wij het opgenomen in onze structuurvisie die inmiddels is vastgesteld. De rijkscoördinatieregeling loopt op dit moment vier jaar en nadert haar afronding. Als de N33 in de structuurvisie staat als geschikte locatie, kun je niet zeggen dat je gaat bekijken of er een alternatief denkbaar is. Het alternatief is bij de heer Vos naar voren gebracht en hij brengt het op zijn beurt bij mij naar voren. Hierover kun je het nodige zeggen. De alternatieve locatie is niet vergeleken met de beste opstellingsvariant die er is voor het gebied N33. Hierdoor komt de N33 er wat minder goed uit. De gemeente Menterwolde en de NLVOW zijn voorstander van het alternatief, maar zeggen erbij dat de windmolens 1.500 tot 2.000 meter van de huizen af moeten worden geplaatst. Als je aan die voorwaarde wilt voldoen, is een grootschalig windpark op die locatie onmogelijk. Bovendien hebben de huidige initiatiefnemers grond gekocht op basis van het feit dat er door de overheden een zeer lange periode consistent gewerkt is aan de plannen voor de realisatie van de N33. Als we hiervan afwijken, zitten deze mensen met een probleem. Zij vinden dat de procedure netjes moet worden afgemaakt en hebben er grote bezwaren tegen als dit niet gebeurt. Als wij overgaan naar een andere locatie, terwijl we in de structuurvisie hebben gezegd dat de N33 geschikt is, scheppen we een enorm precedent. Al die andere geschikte gebieden komen dan ook op losse schroeven te staan. Als je immers een locatie achteraf als ongeschikt bestempelt, waarom zou je dat bij de andere dan niet doen? Je plaatst zo de gehele structuurvisie op losse schroeven. Daarbij komt het feit dat de vertraging als gevolg van een nieuwe locatie minimaal twee jaar bedraagt. Je loopt het risico op een grote claim. Ik vraag me ook sterk af of het alternatief beter is, omdat niet de goede vergelijkingen zijn gemaakt. Het ligt allemaal niet zo gemakkelijk als de heer Vos wellicht denkt. Ik zal zeker met de betrokken bestuurders overleg voeren, maar ik geef de heer Vos mee dat ik de RCR die in gang is gezet en bijna ten einde is, netjes tot een einde wil brengen. Daarnaast wil ik niet in april al afwijken van een structuurvisie die we in maart hebben vastgesteld. Als we dat gaan doen, komt er weinig terecht van de PvdA-ambitie om de doelstelling daadwerkelijk te realiseren.

De heer Albert de Vries (PvdA): Mijn fractie schat het net even iets anders in. Zij meent dat snelheid ook samenhangt met draagvlak. Er is nu beweging onder de bevolking om mee te denken over alternatieven. Waar eerst alleen verzet was, worden nu stappen gezet om mee te denken. Per saldo kun je hiermee winst behalen. We kunnen niet alleen het primaat bij de grondeigenaren en de initiatiefnemers laten. Wij moeten ervoor zorgen dat onze inwoners straks ook accepteren dat we deze grote ingreep – dat is het immers – in hun landschap gaan doen. Daarom pleit mijn fractie ervoor om in de provincies Drenthe, Friesland en Groningen ruimte te geven voor alternatieven.

Minister Kamp: De heer De Vries doet een heel forse uitspraak. Hij zegt dat we moeten afwijken van een structuurvisie die net is vastgesteld. Dan moeten we iets doen waarvan ik net gezegd heb dat het onmogelijk is. De voorwaarde dat de molens op 1.500 tot 2.000 meter afstand van de huizen moeten worden geplaatst, maakt het onmogelijk om een grootschalig plan op de alternatieve locatie te realiseren. De heer De Vries geeft aan dat hij over die vertraging van minimaal twee jaar heen wil stappen. Hij schept een precedent, waarmee ook andere plannen uit de structuurvisie in gevaar kunnen worden gebracht. Het is heel onverstandig als de heer De Vries dit doet. Als we op deze manier bezig gaan met de grootschalige opgave voor wind op zee en wind op land, kan ik de heer De Vries garanderen dat we de transitie naar 14% en 16% duurzame energie niet gaan realiseren.

Tegen mevrouw Mulder heb ik reeds gezegd dat ik probeer om de eerste tender voor wind op zee in 2015 te laten plaatsvinden. Ik schets nog even de huidige situatie. Er ligt een windmolenpark bij Egmond op 15 kilometer van de kust. We hebben het windmolenpark Amalia op 23 kilometer van de kust. Windmolenpark Borssele, waarover ik net sprak, komt ten minste 22 kilometer uit de kust te liggen. En windmolenpark Lugteduinen, dat ook al ver in procedure is, ligt op 23 kilometer van de kust.

We spreken steeds over de twaalfmijlszone. 12 mijl is 22 kilometer. Alle parken die ik net heb genoemd, liggen binnen de twaalfmijlszone of er vlak in de buurt. Het is derhalve heel verstandig om te doen wat Minister Schultz net zei. We krijgen binnenkort als bewindspersonen de haalbaarheidsstudie voor de twaalfmijlszone onder ogen. Voor de zomer krijgen we de structuurvisie. Op grond van die informatie kunnen we een routekaart vaststellen voor de wijze waarop we het gaan doen. Ik heb nu alvast verklapt dat ik van plan ben om de routekaart in 2015 te laten starten en dat ik van plan ben om met Borssele te beginnen. Het geheel zal ik bij de Kamer in beeld brengen. Naar aanleiding van de routekaart kunnen we bespreken of de afwegingen die er gemaakt zijn ook de steun van de Kamer krijgen.

Ik ben al ingegaan op de vragen van de heer Litjens over clustering. Ik ben het op dit punt met hem eens. Ik ben het eveneens met hem eens over de flexibele vergunningen. Ik ben mijn betoog begonnen met de N33, waarover ook de heer Litjens gesproken heeft.

De heer De Vries heeft aangegeven dat de NLVOW betrokken moet worden bij allerlei plannen. Dit lijkt me heel verstandig. De NLVOW zal ook zeker rechtstreeks in contract moeten treden met de brancheorganisatie NWEA. Beide koepels kunnen dan afstemmen wat de beste manier is om bij concrete projecten met elkaar te overleggen.

Ik heb gesproken over financiële participatie. Met name de heer Vos, maar ook anderen, hebben gesproken over het net op zee en de verbindingen tussen alle windmolenparken op zee. Oorspronkelijk hadden we de gedachte om windmolenparken te laten aanleggen en dan de kabels van de windmolenparken naar het land te brengen. Later hebben we ons echter gerealiseerd dat het beter is om te clusteren, de clusters onderling te verbinden en een slimme verbinding met het land te maken. Hiernaar hebben we onderzoek laten instellen. Het onderzoek wijst uit dat je hiermee efficiencyvoordelen en kostenbesparingen kunt realiseren. Het lijkt erop dat TenneT de geschikte partij is om het uit te voeren. Het heeft echter grote consequenties voor TenneT, aangezien het bedrijf meer geld nodig heeft. Wij zijn aandeelhouder van TenneT, dus dat moeten we financieel regelen. Ook moeten we volgens de nieuwe procedure het netwerk op zee goed afstemmen met het wetsvoorstel inzake wind op zee. Als ik voor de zomer naar de Kamer kom met mijn brief over de routekaart voor wind op zee, kom ik ook direct met een besluit inzake het net op zee. Hierin zal ik aangeven op welke wijze het moet gebeuren en wat de rol van TenneT hierin is. Voor de zomer kom ik ook naar de PvdA-fractie met duidelijkheid op dit punt.

De PvdA-fractie heeft terecht gewezen op de les die getrokken kan worden uit de ervaringen in de ons omringende landen. We hebben in Nederland veel ervaring met wind op zee, maar de omringende landen hebben dat ook. We hebben het allemaal afgetapt. We hebben tezamen met de industrie en mede op basis van de buitenlandse ervaringen het wetsvoorstel inzake wind op zee gemaakt, evenals het nieuwe kavelsysteem waarbij de vergunningen en subsidie in een keer worden verstrekt en de regie bij het Rijk ligt. We blijven de komende maanden contact houden met bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk en Denemarken om optimaal van hun recente ervaringen te profiteren.

Over de tender heb ik genoeg gezegd, ook naar aanleiding van de vragen van de PvdA. De tenderrondes blijken uit de routekaart waarmee ik straks kom.

Over het defensieterrein ten noorden van de Waddeneilanden heeft mijn collega gesproken. Mevrouw Van Tongeren redeneerde dat het Rijk de grote opdrijvende factor is achter de kosten die worden gemaakt, omdat de initiatiefnemers bedragen moeten betalen aan de grondeigenaren. Deze bedragen worden volgens mevrouw Van Tongeren opgedreven door het Rijk. Dit is een vergissing. Deze worden door het Rijk juist naar beneden gedrukt. Op grond van de oude Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie-regeling (MEP) en SDE-regeling is een bepaalde marktverhouding ontstaan, waardoor er hoge prijzen worden betaald aan grondeigenaren. Ik heb het recentelijk vergeleken met Duitsland. Wat Duitsland betaald heeft, ligt in dezelfde orde van grootte van wat wij in Nederland betalen. Maar het is nog steeds veel. Het zou naar beneden moeten. Ik hoop dat dit gebeurt, omdat de markt gaat werken. Als iemand veel vraagt, gaat zo'n initiatiefnemer naar een ander die het voor minder wil doen. Marktwerking is het beste antwoord. We zitten altijd beneden het gemiddelde en er niet boven. Daarnaast hebben wij in de SDE-plusregeling het bedrag dat subsidiabel is voor de grondkosten bij een wind-op-landproject nog eens met 10% verlaagd. Ik zal bekijken of we deze ontwikkeling kunnen doorzetten. Ik kan mevrouw Van Tongeren geruststellen. Het krijgt de aandacht die het verdient. De rol die wij spelen is anders dan zij dacht en acht zij waarschijnlijk wenselijk.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik heb drie vragen gesteld over het grondbeleid. Mijn eerste vraag heeft de Minister beantwoord. Mijn tweede vraag betreft het tabelletje dat voor mijn neus ligt en dat afkomstig is van de site van het Rijk. Hierin staat dat bij vergelijking van de grondprijs voor kolen en wind die voor wind tot tien keer zo hoog is, afhankelijk van de wijze waarop je hem berekent. Mijn derde vraag was hoeveel subsidiegeld er eigenlijk wordt rondgepompt. Hoeveel SDE-plusgeld, dat ergens heen gaat omdat er pacht moet worden betaald aan de grondbank, komt uiteindelijk weer bij Minister Plasterk of Minister Dijsselbloem terecht?

Minister Kamp: Kolen en wind vergelijken, heeft geen zin. Bij kolen koop je een kavel op een groot industrieterrein, waarop je een kolencentrale zet. Je kunt bekijken welk prijs per meter voor de kolencentrale is betaald en deze vergelijken met de prijs per meter ingeval een boer een grote windmolen achter zijn schuur neerzet. Dat is echter een heel andere situatie. De boer is echt niet bereid om voor een grote windmolen bij zijn boerderij dezelfde prijs te accepteren als voor een industrieterrein. Daar moet echt anders onderhandeld worden en dat gebeurt ook. Dat doet de markt. De vraag was of wij als overheid een opdrijvend effect hebben. Het antwoord is nee. Wij hebben juist een naar beneden drukkend effect.

Hoe zit het dan met mijn collega Dijsselbloem? Wij proberen als Rijk ervoor te zorgen dat de prijs zo laag mogelijk wordt door de SDE-plusregeling aan te passen en ervoor te zorgen dat we beneden het gemiddelde zitten. Wat er dan uiteindelijk betaald moet worden vanwege het gebruik van rijksgrond, komt bij de Minister van Financiën terecht. Maar ja, dat is niet anders. Als mevrouw Van Tongeren er inzicht in wil hebben en wil weten welke bedragen het betreft, zal ik de bedragen een keer verzamelen en deze aan haar geven. Laat mevrouw Van Tongeren zich niet ongerust maken. We drijven de zaak niet op. Ik zit er op dezelfde manier in als zij.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik weet dat deze Minister echt probeert te realiseren wat in het energieakkoord staat. Ik doe liever nog iets meer. Ik ben echter blij dat de Minister inzicht wil geven in de hoeveelheid geld die weer naar de rijksgrond gaat. Mijn fractie blijft het toch uiterst merkwaardig vinden dat voor schone windenergie, een doelstelling van het kabinet, een tien keer hogere grondprijs betaald wordt dan voor een kolencentrale. Als de windmolen er staat, kan er immers nog gewoon gebruik worden gemaakt van de grond eromheen. Van de sector hoor ik dat er een behoorlijke topprijs wordt betaald. Er wordt gezegd dat de bingo valt in het dorp als er een windpark komt. Mij is verteld dat dit onder meer komt door het feit dat het Rijk de prijs vrij hoog vaststelt en dat de particulier deze volgt. De Minister zegt echter dat dit absoluut niet het geval is.

Minister Kamp: Precies, ik ontken dit. Het is niet zo dat het Rijk een hoge prijs vaststelt en dat de rest wordt uitgelokt om dit ook te doen. Wij vormen juist een prijsdrukkende factor.

Mevrouw Van Tongeren heeft ook gevraagd om invulling te geven aan het bedrag van 375 miljoen. Dit bedrag betreft de algemene reservepot die in de berekening van het energieakkoord is opgenomen voor eventuele tegenvallers bij de uitvoering. Laten we die pot vooral nog even behouden. Deze is bedoeld voor de periode tot 2023, een periode van negen jaar. We zijn net begonnen om het energieakkoord in te vullen. We worstelen momenteel met de kolencentrales. Er spelen allerlei andere zaken, zoals wind op zee. Ook op het terrein van geothermie is van alles gaande. Het is goed om de pot nog even te laten zitten, de ontwikkelingen af te wachten en er dan verstandige dingen mee te doen.

De heer Vos sprak over 18 miljard aan kosten voor wind op zee. Deze uitspraak werd ook door de heer De Graaf gedaan. De formele subsidietoezeggingen die we denken te doen, bedragen maximaal 18 miljard. Zoals de heer Vos weet, is dit op basis van de huidige elektriciteitsprijs. Wij denken dat de kosten 9 miljard zijn. Als de huidige elektriciteitsprijs standhoudt, zullen we onze ambitie van 4.450 MW voor wind op zee realiseren tegen een bedrag van in totaal 9 miljard.

De heer De Graaf is er niet, maar ook hij goochelt met cijfers. Hij zegt bijvoorbeeld dat de mensen in het land € 90 per maand moeten gaan betalen voor de windmolens. In werkelijkheid leidt onze opgave voor wind op land en wind op zee om de doelstelling van 2023 te halen ertoe, dat op een gegeven moment, ergens in de jaren twintig, per huishouden een bedrag van € 226 per jaar moet worden betaald. Ik duik in mijn dikke stapel papier om het exacte bedrag te vinden.

De voorzitter: Ondertussen kan ik mededelen dat de heer De Graaf afwezig is, omdat hij aanwezig moet zijn bij de regeling van werkzaamheden.

Minister Kamp: Ik had het mis. Het betreft een bedrag van maximaal € 237 per gemiddeld huishouden per jaar in het jaar 2023. Het loopt daarna af tot € 121 per jaar in het jaar 2032. Het is mooi dat de heer De Graaf € 90 per maand roept, maar dat bedrag staat dus heel ver van de werkelijkheid. Het is goed om dat onder ogen te zien.

In de benadering van mevrouw Dik-Faber kon ik mij grotendeels vinden. Zij vroeg zich af wanneer de conclusies over wind voor de kust worden getrokken. Hierop ben ik zojuist ingegaan. Mevrouw Dik-Faber maakte ook de verstandige opmerking dat er eigenlijk een uitvoeringsorganisatie nodig is om het grote project van wind op zee te realiseren. Ik geloof ook dat zo'n organisatie nodig is. Mevrouw Dik-Faber kent nu de procedure. We maken één nieuwe wet en nemen als Rijk de regie in de hand. Wij zullen de kavels uitgeven. Wat de invulling van de kavels betreft, zijn we flexibel. We koppelen de vergunningen aan de subsidie, zodat deze in één keer kunnen worden verleend. Een team van 45 mensen van I en M en van EZ werkt hieraan. We werken ook heel nauw samen met het bedrijfsleven. De huidige ad-hocorganisatie voldoet. We zullen de komende tijd blijven volgen of het geformaliseerd moet worden. Ik denk niet dat het nodig is, als het materieel maar werkt. Op dit moment gaat het op de manier die mevrouw Dik-Faber wenst.

De heer Klein (50PLUS): De Minister gaat vanwege de tijd lekker snel door. Ik heb echter een korte vraag naar aanleiding van zijn opmerking dat de daadwerkelijke kosten voor wind op zee geen 18 miljard maar 9 miljard bedragen. Daarnaast ontzenuwt de Minister terecht het fabeltje dat het € 90 per maand kost. Kan de Kamer goed inzicht in de cijfers krijgen, opdat zij het helder op haar netvlies heeft? Wellicht hebben we het reeds ontvangen. Dan is het ten overvloede. Maar liever twee keer goed geïnformeerd, dan dat er misverstanden blijven bestaan.

Minister Kamp: De heer Klein krijgt onwaarschijnlijk veel papier aangereikt. Vanzelfsprekend heeft hij niet op ieder moment ieder stuk papier in zijn gedachten. Het is al een keer aan de Kamer gezonden. Ik neem apart contact met de heer Klein op om hem te wijzen op het stuk waarin het staat. Het betreft een heel gespecificeerd overzicht, waarin van jaar tot jaar de kosten worden weergegeven voor het realiseren van de doelstelling van 16% duurzame energie in 2023. In het overzicht wordt bovendien een onderscheid gemaakt tussen de kosten voor een huishouden, een mkb-bedrijf, een industrieel bedrijf en een energie-intensief bedrijf.

De heer Klein heeft ook gesproken over alternatieven voor wind op zee. Ik ben erg geïnteresseerd in alternatieven. Het is heel mooi dat wij de SDE-plusregeling hebben. Op basis hiervan komen wij met een bedrag dat we willen betalen. We beginnen laag. In de loop van het jaar wordt het bedrag bij de verschillende inschrijvingen steeds hoger. Iedereen kan met voorstellen komen. Het maakt mij niet uit of het groen gas, aardwarmte, wind op land of zonnepercelen betreft. Het is allemaal prima. Wie voor het laagste bedrag volgens de regels duurzame energie wil produceren, mag dat en krijgt een subsidietoezegging. De enige uitzondering die we hebben gemaakt, is voor wind op zee. Wind op zee is namelijk goed voor 3% van de taakstelling van 16% in 2023. De heer De Graaf zegt dat alles wat we nu met wind doen, goed is voor 1,9% van de totale doelstelling van 16%. Dat is onzin. Wind op zee is goed voor 3% en wind op land is goed voor 2,6%. Dat is samen 5,6% en dus geen 1,9%. Wind op zee is zo'n grootschalig project en zo technisch en wettelijk gecompliceerd, dat we er een apart project van maken. Dat betreft die routekaart waarmee ik kom. Dat is de nieuwe wet, die uitgifte per kavel. Een en ander laten we dus parallel lopen. Dat wil echter niet zeggen dat alle alternatieven hiermee in de verdrukking komen. Wij gaan ervan uit, net zoals het PBL, dat we alle technische mogelijkheden van de alternatieven optimaal moeten benutten om de doelstelling te halen.

De heer Jansen heeft gesproken over de afstemming van de wind-op-zeeactiviteiten met Duitsland. Hij deed de suggestie om het netwerk dat daar gerealiseerd wordt aan ons netwerk te knopen. Dat heeft niet veel zin. Duitsland richt zich voornamelijk op het gebied ten noorden van de Waddeneilanden in de richting van de Oostzee. Daar worden de Duitse windmolenparken gerealiseerd. Wij doen het aan de westelijke kant. Wij zitten vooral voor onze kust en dan wat verderop. Het zijn twee gescheiden gebieden. Je kunt er dus geen gezamenlijk netwerk van maken. We hebben een goed overleg met de Duitsers. Als er mogelijkheden zijn om dingen samen te doen, zullen we dat zeker doen. We hebben echter een apart netwerk nodig, net zoals de Duitsers, de Denen en de Engelsen.

De heer Jansen vroeg zich af of de provincies verder mogen gaan met wind op land, buiten de 6.000 MW waarmee ze nu bezig zijn. Wij als Rijk handelen de plannen van meer dan 100 MW volgens onze structuurvisie af. De provincies hebben ook allemaal hun eigen visie. De voorstellen die daar binnenkomen zullen op basis hiervan worden afgehandeld. Als de provincies binnen hun visie meer ruimte vinden dan nodig is voor de 6.000 MW en zij dus boven de 6.000 MW komen, ga ik applaudisseren. Dat zou prachtig zijn, aangezien ik meer megawatts heel goed kan gebruiken. Wat mij betreft is er geen belemmering.

De heer Jansen heeft vragen gesteld over het oefengebied voor Defensie. Mijn collega heeft hierop geantwoord. De heer Jansen heeft ook gesproken over compensatie voor en financiële participatie van omwonenden. Hierop zijn mijn collega en ik ook ingegaan.

Mevrouw Van Veldhoven vroeg hoe wij de wind-op-landontwikkeling monitoren. Ik heb net al aangegeven dat wij dit per project zullen doen. Het is ingewikkeld genoeg. We kunnen niet hebben dat initiatiefnemers, gemeenten, provincies en het Rijk langs elkaar heen werken. We gaan het gezamenlijk per project volgen.

Flexibiliteit is mogelijk, mits deze past binnen de procedures. Als de procedures echter op gang zijn en de beslissingen eenmaal genomen zijn, dan ben ik een diesel en ga ik door. Ik moet immers de doelstelling halen en laat me daar niet door allerlei zijwegen van afhouden. Het eindresultaat telt. We hebben procedures, wetten en structuurvisies. Er wordt veel gepraat. Er worden uiteindelijk keuzes gemaakt en beslissingen genomen en dan gaat het om de uitvoering.

Ik wil de RCR graag tegen het licht houden. Ik kan de Kamer alvast verklappen dat de RCR prima werkt en dat we hiermee flinke tijdswinst behalen. Er moet gedacht worden aan drie tot vier jaar waarover we vroeger wel veertien jaar deden. Het gaat echt veel beter. Andere landen zijn er ook erg in geïnteresseerd. We houden de RCR graag een keertje voor de Kamer tegen het licht, zodat we ook eens een compliment van mevrouw Van Veldhoven kunnen incasseren.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Daar heeft de Minister toch geen klagen over?

Minister Kamp: Over participatie, de bestaande vergunningen en ook Defensie heb ik gesproken. Ik geloof niet dat ik vragen heb laten liggen. Ik ga er echter van uit dat de voorzitter de woordvoerders ter controle nog een tweede termijn geeft.

De voorzitter: Dat is inderdaad de bedoeling. Het wordt overigens een heel korte tweede termijn. Ik rond het debat namelijk daadwerkelijk om 14.00 uur af. We hanteren een spreektijd van één minuut.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Voorzitter. Helaas wil de Minister geen extra tijd gunnen aan Friesland en Groningen. Mijn fractie betreurt dit en zal hierover een motie indienen.

Mijn fractie zal ook een motie over draagvlak indienen. Daarnaast heeft zij een vraag over een onderzoek inzake geluidsoverlast. Het kennisplatform wordt ingericht en het CDA vraagt zich af of er ook onderzoek naar geluidsoverlast kan worden gedaan, wetende dat een aantal wind-op-landprojecten zal starten.

Ik kom op de sloop van de oude molens. De VVD heeft hierover eerder een motie ingediend. Mijn fractie is benieuwd hoe het ermee staat.

Het defensiegebied ten noorden van de Wadden zou niet mogelijk zijn, omdat er nog volop defensieactiviteiten in uitvoering zijn. Mijn fractie vraagt zich af of er toch nog een gesprek kan plaatsvinden met het Ministerie van Defensie, juist omdat de internationalisering toeneemt en er in Europa veel meer zal worden samengewerkt. Kan er nog eens kritisch worden gekeken naar andere gebieden waar de oefeningen eventueel ook kunnen plaatsvinden?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Voorzitter. Ik kom op de Afsluitdijk. Als ik het goed gelezen heb, zegt de haalbaarheidsstudie van AT Osborne dat wind op de Afsluitdijk zonder vertraging kan worden ingepast, mits het aan de IJsselmeerkant is. De Minister zei net iets anders. Hierover krijg ik graag helderheid.

Dan kom ik op de vergunningen voor wind op zee. Ik ben ongelofelijk tevreden met deze Minister over het feit dat we een compleet pakket hebben met vergunningen, natuurvergunning en subsidie in één keer. Mijn herinnering was echter dat in het energieakkoord staat dat ook naar de oude vergunninghouders wordt gekeken. Hierover krijg ik ook graag helderheid.

Ik kom op de grondprijzen. De Minister is van VVD-huize en gelooft in marktwerking. Het geven van SDE-plusgeld maakt de grond niet goedkoper. Ik ben derhalve erg benieuwd naar de cijfers die we gaan krijgen. Ik hoop van harte dat de Minister gelijk heeft. Op basis van wat ik tot nu toe gezien heb, is dat echter niet zo. Ik wacht de gegevens graag af en anders geef ik het een vervolg in een set schriftelijke vragen.

De heer Albert de Vries (PvdA): Voorzitter. Ik kom eerst op de gedragscode. De Minister wil die geheel overlaten aan de sector. Mijn fractie heeft gemerkt dat het echter heel traag en stroperig verloopt. Zij ziet graag dat de Ministers enige regie nemen om partijen op gang te krijgen en dat zij ook de NLVOW erbij betrekken om omwonenden een stem te geven.

Mijn tweede punt betreft de planschade. Ik heb gevraagd om initiatiefnemers te verzoeken en zo nodig te verplichten om vooraf inschattingen van planschade te maken. Mijn fractie acht dit echt nodig. De Minister heeft mijn vraag hierover nog niet expliciet beantwoord.

Tot slot kom ik op de kwesties in Groningen, Friesland en Drenthe. De Minister trekt een parallel met treinen. Ons land heeft echter slechte ervaringen met snelle treinen. We moeten zorgvuldig te werk gaan en zorgen voor draagvlak. Als hiervoor een extra stapje gezet moet worden binnen de termijn en binnen het mandaat dat we aan de provincies hebben gegeven, dan moet hiervoor ruimte worden geboden.

De heer Jan Vos (PvdA): Voorzitter. Ik heb twee punten. Het eerste punt betreft het aanwijzen van TenneT. Het is duidelijk dat hiervoor een financiering moet worden geregeld. Dit staat los van het feit dat het bedrijf het sowieso moet gaan doen. Als dat helder is, kan TenneT aan de slag. Ik waardeer de toezegging van de Minister dat hij er op korte termijn een besluit over neemt.

Het tweede punt betreft de fasering van wind op zee en het niet betrekken van bestaande vergunningen, zoals de Minister het verwoordt. Ik begrijp heel goed wat de Minister zegt. Als we de bestaande vergunningen niet betrekken bij de besluitvorming, voorzie ik dat een en ander heel krap wordt. Kan de Minister mij garanderen dat we binnen de doelstellingen blijven die in het energieakkoord en het regeerakkoord zijn vastgelegd, ingeval we de bestaande vergunningen niet betrekken bij de nieuwe procedure die de Minister voorstelt?

De heer Litjens (VVD): Voorzitter. Ik dank beide bewindspersonen voor hun beantwoording en voor een aantal toezeggingen. Ik ben blij dat de systematiek van de flexibele vergunning gehanteerd zal worden. Ik sluit mij gemakshalve aan bij de woorden van de heer De Vries over de ruimte voor alternatieven binnen de gestelde kaders. Mijn fractie ziet graag dat hier oog voor is. Meer heb ik niet toe te voegen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Voorzitter. Allereerst kom ik op de participatie. Heb ik goed begrepen dat de sector werkt aan een code en dat het gebruik ervan wordt verankerd in de Omgevingswet? Heb ik goed begrepen dat het Rijk in ieder geval voor de eigen projecten participatie eist en dat provincies en gemeenten dit ook zullen doen, waardoor er in feite vanaf nu geen enkel project meer wordt gerealiseerd zonder participatie?

Voor de zomer worden de besluiten genomen over het net op zee en de rol van TenneT. De Minister is nog in gesprek met het Ministerie van Financiën. Ik ben heel benieuwd naar het besluit. Het is belangrijk dat dit op korte termijn genomen wordt. Het is goed om te horen dat er een projectteam is geformeerd. Ik vraag me af of het geen steviger positie moet krijgen, juist om het buiten de politieke context te plaatsen-- hoor wie het zegt – omdat het om grootschalige investeringen gaat en we investeerders langjarige zekerheid willen bieden.

Ik ben zeer benieuwd naar de haalbaarheidsstudie voor nearshore. Het is goed dat we niet al een standpunt innemen alvorens de uitkomst bekend is.

De Minister kent de positie van de ChristenUnie over het IJsselmeer. Ik blijf bij het feit dat we wind op land moeten realiseren. Hiervoor wordt naar draagvlak gezocht. In het IJsselmeer willen we het niet.

Ik heb nog geen reactie gekregen op mijn vragen over het medegebruik door de visserij en de recreatiesector. Ook mijn vraag over de ozb en verevening is onbeantwoord gebleven.

De heer Klein (50PLUS): Voorzitter. Ik heb twee korte opmerkingen. Mijn pleidooi was dat fixatie op doelstellingen voor wind op land en wind op zee niet ten koste mag gaan van de budgetten om alternatieve technieken te ontwikkelen, omdat deze op termijn wellicht veel meer perspectief bieden. De Minister heeft hierop voor dit moment naar tevredenheid geantwoord in het kader van het SDE-plustraject.

Tevens heb ik gevraagd in hoeverre alternatieven, zoals biogasinstallaties of zonnepanelen, een mogelijkheid zijn voor provincies om snel nog een extra zet te geven om hun aandeel in de doelstelling van 6.000 MW te realiseren. Bestaat hiervoor ruimte?

De heer Jansen (SP): Voorzitter. De Minister van Economische Zaken zegt dat het geen meerwaarde heeft om met de Duitsers samen te werken, omdat de parken te ver uit elkaar liggen. Dat toont aan hoe gebrekkig de ruimtelijke ordening van Nederland en die van Duitsland op elkaar zijn afgestemd. Daarin ligt nu juist meerwaarde. In Nederland hanteren we het zogeheten «n-1-principe, waarbij hoogspanningslijnen altijd tweezijdig ontsloten worden om het risico op stroomuitval te beperken. Dat zou je op deze manier ook kunnen regelen. De interconnectie kun je ermee combineren. Het idee van een Noordzeepark is juist dat we een «één plus één is drie»-effect bereiken. Zowel de Minister van Economische Zaken als de Minister van Infrastructuur en Milieu heeft het besef dat er enorme inverdieneffectieven mogelijk zijn.

Over financiële participatie wordt gezegd dat we het standaard in de RCR meenemen. Als er echter niets wordt geregeld over de omvang is het een wassen neus. De contante waarde moet er in principe voor zorgen dat er onder de streep, individueel of collectief, een plus overblijft. Dat is een reden waarom mensen het zien zitten. Op het moment dat we met een rood bedrag blijven zitten, voorspel ik dat het verzet blijft bestaan en daarmee ook de vertraging. De SP denkt dat een wettelijke basis voor de regeling noodzakelijk is.

Ik snap dat Defensie graag met vliegtuigen vliegt over het gebied ten noorden van de Wadden. Ik constateer echter ook dat Defensie op dit punt de flexibiliteit van een stuk beton heeft. Ze heeft maar één stand: we vliegen daar en we blijven er vliegen. Volgens de SP-fractie kan de vorm van het oefengebied van Defensie iets worden uitgerekt, waardoor we net die 1.000 MW kunnen realiseren die de rentabiliteit van het park verhoogt. Is de Minister bereid om op dit punt nog iets te doen? Anders overweeg ik hierover een motie in te dienen.

Mijn laatste punt betreft extern onderzoek. Het kabinet kijkt serieus naar nieuwe onafhankelijke onderzoeken en naar de vraag wat deze opleveren aan kennis. De vraag was of de Ministers, gezien het feit dat er miljarden in de sector worden geïnvesteerd – het betreft geen 18 miljard maar 9 miljard – bereid zijn tot een klein stukje cofinanciering van het wetenschappelijk onderzoek, waardoor de kennis sneller vermeerdert en het draagvlak verbetert?

De heer De Graaf (PVV): Voorzitter. Ik was in de plenaire zaal. Windmolens zijn miljoenen verslindende onzin. Laten we eerlijk zijn, windmolens zijn lelijk. Ze zijn een vloek in de openbare ruimte en helemaal in een leeg polderlandschap. Werkelijk iedereen is het hierover eens. Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die windmolens mooi vindt. Het grappige of wrange in dit verband is natuurlijk het feit dat de windmolenlobby uit natuur- en milieuactivisten bestaat, die hiermee duidelijk laten blijken geen oog voor schoonheid te hebben. Het zijn halvegaren die denken dat de wereld ten onder gaat als zij hun gelijk niet halen. Ze worden gesteund door bouwbedrijven en elektriciteitsbedrijven die het geen reet kan schelen dat die palen de facto nauwelijks energie opleveren, zolang er maar royale subsidies zijn om ze te kunnen bouwen. Wat windmolens ten principale tot een vloek in het landschap maakt, is het feit dat ze bewegen en dat ze, zelfs als ze keurig naast elkaar in het gelid staan, nooit synchroon bewegen. Het wiekt en het wentelt maar alsof het niets is, om nog maar te zwijgen van die paar met panne die er altijd tussen staan. Die wieken en wentelen niet, wat het wieken en wentelen van de andere molens alleen maar opvallender maakt. Er is natuurlijk wel meer wat beweegt in het landschap, maar niets beweegt zo tegennatuurlijk als een windmolen. Zelden of nooit komt een overheid terug op dom beleid. Dom beleid wordt altijd tot in het absurde doorgezet. Dat is de dynamiek van de vooruitgang. Het wordt gestuurd door domheid en dat leidt weer tot wedstrijden die heroïsche beelden opleveren. Weg met al die molens! Dat is mijn standpunt. Dit is een column van Martin Bril uit 2006. Het waren niet eens mijn eigen woorden, maar ik ben het er hartgrondig mee eens. Zo te zien in de zaal, geldt dit voor meer mensen.

Tijdens mijn afwezigheid ben ik via whatsapp op de hoogte gehouden van de antwoorden van de bewindslieden. Daarin heb ik nog geen geruststelling kunnen ontdekken voor de mensen in de zaal en al die miljoenen mensen in Nederland. Om die reden zal ik straks een aantal moties indienen. Tot slot doe ik de oproep om te stoppen met dom beleid.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Voorzitter. We moeten ons niet te rijk rekenen met wat we hebben en wat de provincies gaan indienen. Daarom doe ik nogmaals het verzoek om snel te kijken naar de haalbaarheid van de plannen en een quickscan uit te voeren. Dan hebben we een helder beeld van de economische en juridische risico's, in ieder geval in relatie tot Natura 2000. We weten immers hoe complex de regelgeving is en hoe weinig ruimte erin zit. Laten we alsjeblieft vroegtijdig de risico's onderkennen en ons niet rijk rekenen.

Dan kom ik op de gedragscode. Natuurlijk moeten we als Rijk niet bepalen wat er in de gedragscode staat. Dat is inderdaad iets wat heel lokaal afhankelijk is. We kunnen echter wel bepalen dat de gedragscode er moet komen. Ik roep de Ministers op om er bij de provincies op aan te dringen dat de gedragscode er tegen de zomer is, tegelijkertijd met de provinciale structuurvisies.

Het is mooi dat de Minister toezegt om de RCR te evalueren. Hij hengelt enigszins naar een complimentje. Dit ben ik niet van hem gewend, maar bij dezen. Ik ken de Minister als ambitieus. Laten we bekijken wat er beter kan. Dit zal misschien ook voor de RCR gelden.

Ik complimenteer de Ministers met de voortvarende aanpak van wind op zee. Ik had dit al gedaan, dacht ik.

Ik kom nog even op het punt van de bestaande vergunninghouders. Zij staken als eersten hun nek uit. Ik begrijp dat er juridische barrières zijn aan wat je kunt doen. Laten we echter bekijken wat we wel kunnen doen, ervan uitgaande dat we een en ander efficiënt willen vormgeven.

Tot slot heb ik volgens mij nog geen antwoord gekregen op mijn vraag over de kapitaalinjectie van TenneT, de korting die deze zal opleveren en het Noordzeenet.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voorzitter. Door het CDA is gevraagd of het kennisplatform ook de geluidsoverlast kan onderzoeken. In het verleden zijn per project onderzoeken uitgevoerd. Dit zal ook in de toekomst zo blijven. De resultaten bleven altijd binnen de geluidsnormen. Ik begrijp echter dat er behoefte is om te kijken naar andere typen geluid, zoals het laagfrequente geluid. Er is zeker ruimte bij het kennisplatform om dit type onderzoek mee te nemen. Ervaringen met de pilot inzake geluid worden meegenomen in de opzet van een breder kennisplatform. Daarin kan ook naar andere aspecten worden gekeken.

Dan is er gevraagd naar de sloop van oude molens. Wat gebeurt hiermee? De sanering en herstructurering van de oude turbines is nodig om de 6.000 MW te realiseren. Het speelt met name in Friesland en Flevoland. De oplossingen moeten op lokaal projectniveau worden gevonden. Daarvoor is aparte regelgeving vanuit het Rijk niet nodig.

Het CDA en ook de SP vroegen of we in gesprek kunnen gaan met het Ministerie van Defensie over het defensieterrein. Het is geen kwestie van starheid. Ik heb namelijk uitgebreid benoemd waarom het van belang is om het terrein te behouden. Defensie zegt niet op voorhand nee, omdat ze aan alle terreinen wil vasthouden. Ik heb een inhoudelijke motivatie gegeven. Dit laat onverlet dat ik met Defensie wil spreken over de varianten die de SP noemde, zoals het eraf halen van 1.000 meter waarmee het probleem zou zijn opgelost. Ik kan het nog een keer vragen, maar het is niet zo dat het nu ineens erg anders ligt. Ik zal er nog een keer serieus induiken, maar volgens mij is de motivering die ik gegeven heb redelijk stevig.

Dan kom ik bij de vraag van GroenLinks over de Afsluitdijk. We hebben enigszins langs elkaar heen gesproken. Ik gaf aan dat het erg complex is als je bij het project Afsluitdijk de windmolens zou plaatsen op de dijk aan de Waddenzijde. Dan moet je namelijk verschillende procedures doorlopen en dat heeft effect op het totaalproject. AT Osborne heeft inderdaad gezegd dat de locatie aan de IJsselmeerzijde zich beter leent voor de realisatie van windmolens en ook veel minder interfereert met het project Afsluitdijk. Ik denk dat we daar hetzelfde inzitten.

De heer De Vries gaf aan dat hij geen antwoord heeft gehad op zijn vraag over planschade. Ik heb er wel iets over gezegd, maar kwam daarna in debat met de heer Jansen over andere facetten van planschade. Hierdoor is het misschien wat minder duidelijk geworden. Ik vind het betrekken van de omgeving en een zorgvuldige participatieaanpak heel belangrijk. Ook het compenseren van omwonenden is van belang. Het is echter niet vanzelfsprekend dat de komst van een windmolen ook altijd leidt tot materiële of immateriële schade die gecompenseerd moet worden. Dit kun je pas bekijken als je concreet weet welke projecten waar worden uitgevoerd. Het is heel complex om het aan de voorkant te doen en wijkt af van de planschadeafspraken op andere terreinen, waarbij ruimtelijke ingrepen worden gedaan. Mensen hebben recht op het verhalen van planschade, maar ik wil hiervoor niet afwijken van ons huidige totale planschadeverhaal, los van het feit dat we op basis van de ruimtelijke reserveringen nog niet weten waar de molens gerealiseerd worden en we alleen maar een breed gebied zien. In de eerste termijn heb ik gezegd dat ik echt wil vasthouden aan de bestaande regels voor het verhalen van planschade. Het is een wettelijke regeling waarop iedereen een beroep kan doen.

De ChristenUnie heeft gevraagd hoe het zit met de participatie. De participatiemogelijkheden voor het Rijk, de provincies en de gemeenten worden geregeld in de Omgevingswet. Naar aanleiding van een andere motie hebben het Rijk, de provincies en gemeenten zich gecommitteerd aan het opstellen van een gedragscode. De sector werkt op dit moment aan het «hoe» door een gedragscode op te stellen. De heer De Vries vroeg of dit betekent dat wij er helemaal geen regie op voeren. Als het tot moeilijkheden leidt of als men het problematisch vindt, heb ik aangeboden dat we via het kennisplatform voorbeeldprocessen verschaffen. Tot nu heb ik echter het gevoel dat de sector het redelijk goed doet.

De ChristenUnie vroeg nog naar het medegebruik. Deze vraag heb ik al beantwoord, maar ik zal dit nogmaals doen. Op dit moment wordt met de betrokken sectoren onderzocht welke vormen van medegebruik en doorvaart er mogelijk zijn. Dit wordt verankerd in het NWP 2.

Mevrouw Van Veldhoven vroeg hoe het kabinet windmolenparken denkt te realiseren in Natura 2000-gebieden. Daarvoor is onderzoek nodig op projectniveau, op het moment dat de concrete projecten worden aangemeld. De ervaring met windpark Noordoostpolder geeft mij het vertrouwen dat er maatregelen zijn die de negatieve effecten kunnen mitigeren. Uit een passende beoordeling van de structuurvisie blijkt dat de toets van alternatieven, dwingende redenen en compensatie (ADC) voor specifieke projecten niet op voorhand kansloos is. Het is niet nodig nu al specifieker te kijken naar deelgebieden of alternatieven. Dit wordt immers per project gedaan.

Kunnen we even snel kijken naar de haalbaarheid? In de monotoringsteams zullen we gezamenlijk met het Rijk, het IPO, de VNG en de sector via de realiteitscheck per project kijken naar de haalbaarheid. We zijn vooralsnog positief over de haalbaarheid, gezien de berichten van de provincies.

Minister Kamp: Voorzitter. Mevrouw Mulder vroeg hoe het zit met de oude molens. In de eerste plaats kunnen we vaststellen dat er geen probleem is met de oude molens. Er blijven op dit moment geen oude molens staan. Dit komt omdat er vaak al afspraken zijn gemaakt bij de vergunningverlening of dat er regels zijn binnen een gemeente over het opruimen van oude molens. De eigenaren van de oude molens hebben er ook belang bij om ze af te breken. Vaak kunnen ze ze verkopen, omdat ze in het oosten van Europa opnieuw worden neergezet. Het is echter wel nuttig om de situatie met de oude molens voor de Kamer in beeld te brengen, in het bijzonder voor mevrouw Mulder, omdat het in de toekomst natuurlijk meer zal gaan spelen dan nu. Ik zal de Kamer er derhalve binnenkort over informeren.

Mevrouw Van Tongeren heeft gesproken over de Afsluitdijk. Mijn collega is er al op ingegaan. Om de doelstelling voor wind op land te realiseren, kijk ik vooruit tot 2020 en voor wind op zee tot 2023. Om die doelstelling van 16% tussen 2020 en 2023 te realiseren, wil ik graag een grotere bijdrage aan wind op land. Daar hoort de Afsluitdijk ook bij. Er is dus geen enkel beletsel van mijn kant om het op dezelfde positieve wijze te benaderen als mijn collega doet.

Mevrouw Van Tongeren heeft weer gesproken over de grondprijzen. Ik heb al gezegd dat wij als Rijk met onze grondprijs beneden het gemiddelde zitten. In een subsidieregeling hebben wij de grondprijzen verlaagd. Nederland is nog steeds een vrij land. Als ik een stuk land heb en iemand wil er een windmolen neerzetten, dan vraag ik daar een bedrag voor. En als hij dat niet wil betalen, is dat jammer. Als hij een bod doet dat ik bij nader inzien acceptabel vind, dan accepteer ik het en mag de windmolen er komen. Als we het echter niet eens worden, gaat het niet door. De markt zal moeten werken. We hebben hier beschermd eigendom. Als initiatiefnemer kun je niet zomaar besluiten om op de grond van een ander een windmolen neer te zetten. Je zult er afspraken over moeten maken. De overheid wil er graag aan bijdragen dat de markt goed werkt. Ik zal het volgen en mijn eigen mogelijkheden benutten om ervoor te zorgen dat het eerder tot lagere dan tot hogere prijzen leidt.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik had een derde vraag aan de Minister gesteld over de vergunningen voor wind op zee. Volgens mij stond namelijk in het energieakkoord dat de oude vergunningen op een of andere manier zouden meegaan, omdat ze nodig zijn om de tijdslijnen te halen.

Minister Kamp: Zo is het ook. Ik wil niet bij voorbaat zeggen dat alle oude vergunningen de prullenbak in kunnen, maar ik wil absoluut geen verwachtingen wekken. De heer Litjens gaf aan dat de techniek snel verandert en dat je flexibele vergunningen moet verschaffen. De vergunningen uit 2009 zijn gebaseerd op techniek uit 2007 en 2008. Stel dat ik die vergunningen in 2014 of 2015 alsnog laat uitvoeren. Dan staan er in bijvoorbeeld 2019 windmolenparken met techniek uit 2007 en 2008. Daar kan ik me weinig bij voorstellen. Verder hebben wij vastgesteld dat regie door het Rijk nodig is om de zaak te realiseren. Er is een wet nodig op grond waarvan je kavels kunt uitgeven met alle vergunningen en subsidies. Ook moet op efficiënte wijze een netwerk worden gerealiseerd om alles met elkaar te verbinden. Op dit moment zie ik niet op welke wijze de oude vergunningen kunnen worden ingepast en welke meerwaarde ze hebben. Het is mooi als een oude vergunning voor een bepaalde kavel meedoet aan zo'n tender en wint, terwijl deze in 2009 heeft verloren. Het gaat immers om vergunningen die bij de tender zijn afgevallen. Maar laten we elkaar niets wijsmaken. Ik zie zo niet hoe deze vergunningen tot iets kunnen leiden, ondanks wat erover gezegd is, onder andere in het energieakkoord.

Volgens mevrouw Dik-Faber komen er geen wind-op-landprojecten meer zonder participatie. Dat weet ik niet. Het kan zijn dat in een bepaald gebied mensen geen belangstelling hebben voor participatie. Het kan ook zijn dat mensen zulke eisen stellen dat alle redelijkheid weg is en er geen overeenkomst tot stand kan komen. Ik begrijp de bedoeling van mevrouw Dik-Faber. Zij zegt dat je voor wind op land draagvlak nodig hebt en dat je daar de mensen bij moet betrekken. Daar moet je je best voor doen. Er moet overlegd worden en er moet creativiteit zijn. Dit ben ik allemaal met haar eens. Op die manier gaan we het dus doen.

Ik heb gezegd dat er een materieel projectteam is. Mevrouw Dik-Faber zei even «formeel», maar het is materieel. Volgens mij loopt het goed. We werken er met 40 tot 50 man aan in ambtelijke sfeer. We kunnen het goed coördineren, in samenwerking met het bedrijfsleven. Als de huidige vorm voldoet, gaan we ermee door. Als ik denk dat het anders moet, doen we dat. Het gaat er mij om dat de doelstelling wordt gerealiseerd.

Over de ozb heb ik nog geen antwoord gegeven aan mevrouw Dik-Faber. De ozb wordt maar voor een heel klein deel verevend via het Gemeentefonds. Het overgrote deel van de ozb-opbrengsten komt toe aan de gemeente zelf. Bij een windpark komen de ozb-opbrengsten toe aan de gemeente binnen wier grenzen het park staat. Voor het betrekken van mensen uit de omgeving is de ozb geen goed instrument. Dit kan veel beter via financiële participatie. Naar aanleiding van Kamervragen over dit onderwerp heb ik reeds op 16 januari in detail informatie verstrekt.

De heer Klein vroeg zich af of provincies met creatieve ideeën kunnen komen en een deel van de 6.000 MW wind op land mogen realiseren met bijvoorbeeld een mooi plan voor groen gas. Het antwoord is nee. Laat hen alle mooie plannen op het terrein van groen gas, aardwarmte, zonnepanelen vooral realiseren. Dat is prachtig en we zetten er maximaal op in. Maar daarnaast wil ik ook de wind op land realiseren. De afspraken die ik over de 6.000 MW heb gemaakt, wil ik nakomen.

De heer Jansen sprak opnieuw over de afstemming met Duitsland. Ik spreek hem niet tegen. Als er gezamenlijk opgetrokken kan worden met Duitsland, moeten we dat zeker doen. Wij zijn attent geweest tegen de Duitsers, zijn dat nog steeds en zullen dat ook blijven. We zullen samen met hen de mogelijkheden blijven verkennen. Ik ben erg geïnteresseerd in het samen optrekken met de Duitsers, ook op het terrein van wind op zee. Als er zich mogelijkheden voordoen, zal ik ze zeker niet laten liggen. Ik blijf de mogelijkheden actief volgen.

De heer De Graaf haalde met genoegen de heer Bril aan, die onlangs nog in het nieuws was vanwege het feit dat hij in dezelfde column betaald reclame maakte voor Volvo. Hij sprak over «halfgare maffia» en «het allemaal geen reet kunnen schelen». In werkelijkheid gaat het erom dat veel mensen zich bewust zijn van de klimaatrisico’s die we lopen. We willen graag de afhankelijkheid van enkele landen voor onze energievoorziening doorbreken. De transitie naar duurzame energie kan hieraan bijdragen. Die transitie maken we nu met brede steun, waarvoor ik erkentelijk ben.

Mevrouw Van Veldhoven vroeg naar de kapitaalinjectie die aan TenneT moet worden gegeven. Ik weet nog niet precies hoe het zal lopen en hoe de routekaart eruit zal zien. Als de routekaart voor de verschillende kavels van wind op zee er is, kunnen we bekijken op welke wijze het net vormgegeven moet worden en weten we ook meer over de kosten. We zullen het volgen en bekijken of en op welke manier we als Rijk het extra bedrag dat nodig is kunnen opbrengen. Ik heb geen weerstand tegen TenneT. Het is ons eigen overheidsbedrijf. Het is heel geschikt voor de uitvoering van de huidige plannen. Voor de zomer zal ik de Kamer informeren over de conclusies op dit punt.

De voorzitter: Ik dank beide bewindslieden hartelijk. Ik heb de volgende toezeggingen genoteerd:

  • De Minister van Economische Zaken heeft toegezegd dat de gedragscode voor de zomer naar de Kamer wordt gestuurd.

  • De Minister van Economische Zaken heeft toegezegd om de Kamer voor de zomer te informeren over de routekaart.

  • De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft toegezegd om met de Minister van Defensie te overleggen over de locatie van het oefengebied ten noorden van de Waddeneilanden.

Om 18.00 uur zal er een VAO plaatsvinden, dat is aangevraagd door mevrouw Van Tongeren van GroenLinks.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Minister Kamp heeft net ook toegezegd dat de Kamer een brief ontvangt over de toekomstige sloop van windmolens. Minister Schultz heeft toegezegd dat zij laagfrequent geluid zal meenemen in de onderzoeken door het kennisplatform.

De voorzitter: Ik ga ervan uit dat dit zo is. Het is aldus besloten.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Minister Kamp heeft mij toegezegd dat er nadere informatie komt over de grondprijzen en over de hoeveelheid geld die naar de domeinen gaat.

Minister Kamp: Ja, dat zal ik doen.

De voorzitter: Dan noteren we ook deze toezegging. Ik dank de mensen op de publieke tribune hartelijk voor hun aanwezigheid. Voor velen was het heel vroeg. Sommigen waren hier al gisteravond. Dit zegt heel veel over het belang van het dossier en de mate waarin mensen erbij betrokken zijn en zullen blijven. Wij waarderen het zeer en zijn hen er erkentelijk voor. Ik dank de mensen ook voor hun discipline, want her en der spelen er behoorlijk veel emoties. Ik weet dit, omdat ik ben geboren in de provincie Groningen. Ik dank alle aanwezigen en sluit het algemeen overleg.

Sluiting 13.55 uur.