Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433612 nr. A;23

33 612 Structuurvisie Windenergie op land

A/ Nr. 23 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU EN VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Ter Griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 1 april 2014.

De wens dat over de structuurvisie overleg gewenst wordt kan door of namens één van de Kamers te kennen worden gegeven uiterlijk op 27 mei 2014.

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 maart 2014

Op 28 maart 2014 heeft het kabinet de Structuurvisie Windenergie op Land (SvWOL) vastgesteld. Daarmee is het ruimtelijk beleid voor het realiseren van tenminste 6.000 megawatt (MW) windenergie op land in 2020 van kracht geworden. Wij bieden u hierbij de definitieve Structuurvisie Windenergie op Land met bijlagen aan1. Deze brief gaat in op achtergrond, voorgeschiedenis en betekenis van de SvWOL. Daarnaast gaan wij specifiek in op plaatsing van windturbines op de Afsluitdijk.

Aanleiding en voorgeschiedenis SvWOL

Het voornemen om een structuurvisie voor Windenergie op land op te stellen, is aangekondigd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De belangrijkste reden voor het ontwikkelen van de SvWOL is de wens van het kabinet om grootschalig windenergievermogen te concentreren in de daarvoor meest geschikte gebieden. Op die manier kan de landschappelijke versnippering en verstoring worden beperkt. Bovendien zal het aanwijzen van gebieden voor grootschalige windenergie in een structuurvisie de procedures voor realisatie van grote windprojecten versnellen.

De SvWOL is van belang om de doelstelling van 14% hernieuwbare energie in 2020 te realiseren. Dit houdt in de eerste plaats verband met het aanwijzen van gebieden voor grote windprojecten. Daarnaast heeft het kabinet in januari 2013 resultaatafspraken gemaakt met de provincies (vertegenwoordigd door het IPO) over het plaatsen van in totaal minimaal 6.000 MW windvermogen (grote en kleine projecten) in 2020. Op 27 januari 2014 zijn deze afspraken herbevestigd en vervolgens als onderdeel in de SvWOL opgenomen. Zowel het kabinet als de twaalf provinciale besturen zijn de verplichting aangegaan zich in te zetten voor het waarmaken van deze afspraken. Dit gebeurt op basis van de eigen onderscheiden bevoegdheden en in goed overleg. Voor het bewaken van de voortgang is een kernteam ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van Rijk, IPO, de sector (NWEA), de natuur- en milieufederaties en de netbeheerders.

Inhoud en betekenis SvWOL

In de SvWOL zijn in overleg met de provincies 11 gebieden in Nederland aangewezen voor grootschalige opwekking van windenergie.

Hiermee biedt de SvWOL het ruimtelijk kader voor grootschalige windprojecten (meer dan 100 MW), waarop de rijkscoördinatieregeling (RCR) van rechtswege van toepassing is. Dit kader is te zien als een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van minimaal 6.000 MW windenergie op land. De in de SvWOL beschreven resultaatafspraken met IPO zijn daartoe evenzeer van belang.

Voordat de SvWOL is vastgesteld, is in 2012 en 2013 eerst een ontwerp-SvWOL (Kamerstuk 33 612, nr. 1) ontwikkeld en gepubliceerd. Bij het opstellen van dit ontwerp is tevens een planmilieueffectrapport (plan-MER) gemaakt overeenkomstig de Wet milieubeheer. Van 19 april tot en met 30 mei 2013 is er de mogelijkheid geweest om zienswijzen in te dienen op de ontwerp-SvWOL en het bijhorende plan-MER.

In totaal zijn er 151 unieke zienswijzen binnengekomen. De Commissie voor de m.e.r. heeft advies uitgebracht over het plan-MER. De zienswijzen zijn beantwoord in een Nota van Antwoord, die is bijgevoegd. De Nota van Antwoord bevat tevens de reactie op het advies van de Commissie voor de m.e.r.

Op basis van de ontwerp-SvWOL en de antwoorden op schriftelijke Kamervragen daarover (Kamerstuk 33 612, nr. 4), is er op 20 juni 2013 een debat met de Tweede Kamer geweest (Kamerstuk 33 612, nr. 20). Op 2 juli 2013 is de motie Albert de Vries-Houwers (Kamerstuk 33 612, nr. 18) aangenomen. Over de uitvoering van deze motie en de kennisontwikkeling over laagfrequent geluid van windturbines ontvangt u separaat een brief (Kamerstuk 33 612, nr. 22).

De inspraakreacties, de aanbevelingen van de Commissie m.e.r. en de uitkomsten van het debat met de Tweede Kamer zijn bij de totstandkoming van de definitieve SvWOL betrokken. De aangepaste structuurvisie Windenergie is gedigitaliseerd en objectgericht gemaakt zoals vastgelegd in de Wro. De gedigitaliseerde, definitieve SvWOL is beschikbaar op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Afsluitdijk

Op 17 december 2013 bent u schriftelijk geïnformeerd over de conclusies uit het onderzoek naar de mogelijkheid van plaatsing van windturbines op de Afsluitdijk (Kamerstuk 33 612, nr. 21). Zoals hierboven aangegeven zijn op 27 januari 2014 de resultaatafspraken over windenergie op land tussen het Rijk en de provincies over 6.000 MW windenergie op land herbevestigd. De provincies hebben gebieden aangewezen waar windenergie gerealiseerd gaat worden. De Afsluitdijk is hier geen onderdeel van. Het kabinet heeft er daarom voor gekozen om de Afsluitdijk niet op te nemen in de SvWOL. De mogelijke ontwikkeling van windenergie op de Afsluitdijk wordt door het kabinet gezien in het licht van de doelstelling van 16% duurzame energie in 2023.

Realisatie windenergie op land

Op dit moment is het opgestelde windenergievermogen in Nederland 2.465 MW en hebben de provincies in hun ruimtelijke plannen 5.451 MW aan ruimte gereserveerd. De provincies hebben aangegeven uiterlijk 30 juni 2014 de resterende opgave tot 6.000 MW in ruimtelijke plannen vast te zullen leggen. Dit is één van de prestatieafspraken die Rijk en provincies met elkaar zijn overeengekomen. Met een gezamenlijke monitoring (Rijk, Provincies en windsector) zal de komende tijd de actuele situatie in beeld worden gebracht. Na 30 juni 2014 zullen wij uw Kamer informeren over de resultaten en de stand van zaken omtrent de RCR-windenergieprojecten, zoals toegezegd in het AO Energie op 18 februari 2014.

Met de resultaatafspraken met de provincies, de acties die voortvloeien uit het Energieakkoord en de ruimtelijke facilitering die de SvWOL biedt, ligt er een totaalpakket dat de realisatie van 6.000 MW windvermogen op land in 2020 mogelijk maakt. Daarmee zet het kabinet – samen met alle betrokken partijen – een belangrijke stap in de uitvoering van het Energieakkoord en de realisatie van de doelstelling voor hernieuwbare energie.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer