Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233161 nr. 9

33 161 Wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en enige andere wetten gericht op bevordering deelname aan de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidsvermogen en harmonisatie van deze regelingen (Invoeringswet Wet werken naar vermogen)

Nr. 9 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 10 april 2012

1

Inleiding

1

2

Ondersteuning naar werk

20

3

Loondispensatie

59

4

Wet sociale werkvoorziening (Wsw)

93

5

Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong)

121

6

Overige aspecten

130

7

Ontvangen commentaren en adviezen

142

8

Financiële aspecten

143

9

Artikelsgewijze toelichting

154

HOOFDSTUK 1 INLEIDING

De regering heeft met belangstelling kennis genomen van de vragen die de fracties hebben gesteld en van de opvattingen van de leden van de fracties over het wetsvoorstel. In deze nota naar aanleiding van het verslag gaat de regering in op de vragen en opmerkingen van de verschillende fracties. Om vragen zoveel mogelijk in samenhang te beantwoorden, is de regering op een aantal plaatsen afgeweken van de volgorde van het verslag. Als dit het geval is, dan staat in het verslag een verwijzing naar de plaats waar de regering de vraag heeft beantwoord.

Dit hoofdstuk gaat in op de algemene uitgangspunten van de Wet werken naar vermogen. In dit hoofdstuk staat de reactie op de vragen over de arbeidsmarkt. Ook zijn in dit hoofdstuk de vragen over de algemene monitoring en evaluatie beantwoord (paragraaf 1.2). De vragen over monitoring die betrekking hebben op een specifiek onderwerp, zijn in het hoofdstuk over het betreffende onderwerp beantwoord. In paragraaf 1.3, Integrale aanpak, staan niet alleen de antwoorden op de vragen over de andere decentralisaties, maar ook de antwoorden op vragen naar de relatie met de Wet Werk en Bijstand. Vragen die uw Kamer heeft gesteld die specifiek zijn gericht op de overige onderwerpen van het wetsvoorstel, zijn in de overige hoofdstukken beantwoord.

1.0 Inleiding

Met het wetsvoorstel Invoeringswet Wet werken naar vermogen (WWNV) kiest de regering voor een transparant en activerend stelsel dat mensen meer kansen biedt op de arbeidsmarkt. De WWNV biedt één regeling voor alle mensen die (deels) kunnen werken in een reguliere baan. Deze mensen zijn nu nog aangewezen op uiteenlopende regelingen, zoals de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) en de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). De regering verwacht dat iedereen in zijn eigen bestaan voorziet. De uitkeringsvoorwaarden zijn hierop gericht. Alleen waar dat niet lukt, ontvangen mensen ondersteuning en eventueel begeleiding. Werk gaat boven een uitkering; de WWNV regelt dat mensen niet worden beoordeeld op hun beperkingen, maar op hun mogelijkheden om te werken. De regering wil met de WWNV bereiken dat meer mensen met een arbeidsbeperking bij een gewone werkgever aan de slag gaan.

Hiervoor is een fundamentele omslag in denken nodig over omgaan met mensen met een arbeidsbeperking. Voor vooroordelen is geen plaats meer. Mensen met een arbeidsbeperking kunnen meer dan vaak wordt gedacht. Dat verdient erkenning. Niet door hun zwakte te bevestigen, maar door hen op hun mogelijkheden en verantwoordelijkheden aan te spreken. Wie dat niet doet, neemt mensen niet serieus en schrijft ze af.

Individueel, maatschappelijk en financieel belang nieuwe aanpak

De leden van de fractie van de VVD, PvdA, SP, ChristenUnie en GroenLinks vragen of het kabinet de aanname nader met feiten kan onderbouwen dat de vergrijzing in de komende jaren zal leiden tot krapte op de arbeidsmarkt. Deze leden vragen ook naar de kansen voor de doelgroep van Werken naar Vermogen. Dit mede in het licht van uitspraken van werkgevers, vakbonden en van CPB en SCP tijdens de hoorzitting in de Tweede Kamer van 13 maart 2012 over de Wet werken naar vermogen. Verder vraagt de SP-fractie of de regering kan onderbouwen waarom er geen verdringingseffecten ontstaan in de onderkant van het loongebouw.

De arbeidsmarkt wordt op lange termijn krapper. Het advies van de onafhankelijke commissie Arbeidsparticipatie (beter bekend als de commissie Bakker) gaat uit van een daling van het arbeidsaanbod en een tekort op de arbeidsmarkt van 700 000 mensen in 2040.1 Om dit rapport te citeren: «De conclusie is helder. Meer werk moet worden gedaan door minder mensen. Dat leidt onvermijdelijk tot structurele tekorten op de arbeidsmarkt». Een groot aantal andere onderzoeken2 bevestigt de analyse dat de vergrijzing zal leiden tot krapte op de arbeidsmarkt. Vooral in sectoren als de zorg, het onderwijs en de techniek worden grote tekorten verwacht. De vergrijzing stelt de arbeidsmarkt dus niet alleen voor een kwantitatieve uitdaging (voldoende mensen), maar ook voor een kwalitatieve uitdaging (aansluiting tussen vraag en aanbod).

Volgens de Raad voor Werk en Inkomen (RWI, Arbeidsmarktanalyse 2010) zal de potentiële beroepsbevolking in het jaar 2025 dalen met circa 300 duizend personen tot circa 9,8 miljoen. Volgens het Research centrum voor onderwijs en arbeidsmarkt (ROA) zal de instroom van jongeren die voor het eerst de arbeidsmarkt betreden, onvoldoende zijn om de uitstroom van ouderen te compenseren. Nu al kampen sectoren met tekorten aan arbeidskrachten, zowel laag- als hoogopgeleid. In de heroverweging werkloosheid (2010) is gewezen op de verwachte toename van krapte in sectoren die groeien.

Een krappe arbeidsmarkt biedt vooral kansen aan mensen die voor werk aangewezen zijn op de onderkant van de arbeidsmarkt. TNO3 bijvoorbeeld, ziet kansen voor mensen met een handicap bij een krappe arbeidsmarkt; zeker in combinatie met de trend van maatschappelijk verantwoord ondernemen en de toenemende medisch technische mogelijkheden. Het verleden laat zien dat een krappe arbeidsmarkt leidt tot een hogere participatie en lagere werkloosheid onder bijvoorbeeld allochtonen en lager opgeleiden, zowel in absolute zin als in vergelijking met andere groepen op de arbeidsmarkt. Dat is onder andere te verklaren door het feit dat werkgevers in een krappe arbeidsmarkt minder kritisch kunnen zijn. De statistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek4 bevestigen dat in economisch goede tijden ook mensen met een zwakke Arbeidsmarktpositie profiteren.

Minder arbeidsaanbod als gevolg van de vergrijzing en ontgroening leidt overigens niet één op één tot langdurige krapte op de arbeidsmarkt. De verwachte daling van het arbeidsaanbod spreidt zich over meerdere decennia uit, waardoor de arbeidsmarkt de tijd heeft zich aan te passen. Ook een in de tijd gespreide daling van het aanbod veroorzaakt zichtbare spanningen op de arbeidsmarkt.5 Het is echter niet goed mogelijk die te kwantificeren.

Analyses van het Centraal Planbureau (CPB) geven aan dat er op lange termijn geen sprake is van structurele verdringingseffecten als gevolg van een toename van het arbeidsaanbod. Een hoger arbeidsaanbod vertaalt zich vrijwel volledig in meer werkgelegenheid en welvaart.6 Bij de doorrekening van de economische effecten van het coalitieakkoord stelt het CPB dan ook dat de hervorming van de Wajong leidt tot een stijging van de structurele werkgelegenheid en de hervorming van de Wsw tot een hogere reguliere werkgelegenheid.7 Op korte termijn staat de arbeidsmarkt in het teken van oplopende werkloosheid. Op lange termijn leidt de vergrijzing tot een dalende beroepsbevolking en spanningen op de arbeidsmarkt.

De regering vindt het onverstandig om af te zien van het verhogen van het arbeidsaanbod omdat er op korte termijn onvoldoende banen zouden zijn. Er zijn belangrijke lessen te trekken uit de situatie van tien jaar terug. Ook toen stagneerde de economie en liep de werkloosheid op. En ook toen heeft het kabinet maatregelen genomen die mensen aanzetten zich op de arbeidsmarkt aan te bieden. Het kabinet versterkte het arbeidsaanbod door onder andere de invoering van de WWB, de hervorming van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), het afschaffen van de Vervroegde Uittreding (VUT) en het aanscherpen van de sollicitatieplicht. Deze maatregelen droegen bij aan het latere stevige herstel. Tijdens dit herstel nam de arbeidsparticipatie sterk toe en daalde de werkloosheid van 6,5 procent in 2005 tot 3,8 procent in 2008. Hieruit blijkt dat de mensen die door het gevoerde beleid naar de arbeidsmarkt zijn toegetrokken voor het overgrote deel ook werk hebben gevonden. Het instrument loondispensatie draagt hier ook aan bij. Tijdens het Rondetafelgesprek op 14 maart jongstleden heeft het CPB aangegeven hier positieve effecten van te verwachten.

De leden van de PvdA-fractie en de fractie van het CDA vragen waarop de regering baseert dat er jaarlijks circa 10 000 banen beschikbaar komen voor de jongeren die jaarlijks naar schatting instromen in de WWNV. Zij vragen tevens hoe deze regering denkt nog eens 20 000 banen beschikbaar te krijgen voor de mensen die nu op de wachtlijst van de WSW staan. Tenslotte vragen de leden van de PvdA-fractie hoe de regering denkt de 80 000 banen beschikbaar te krijgen voor de nu werkzoekende Wajongers.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in hoeverre de regering de kans op werk voor mensen met een arbeidsbeperking ook een belangrijke factor vindt om rekening mee te houden. Tevens vragen zij hoe groot de regering de kansen schat voor mensen met een arbeidsbeperking om werk te vinden.

Het is niet aan de overheid om de genoemde aantallen banen te scheppen of beschikbaar te maken. De overheid definieert kaders en schept randvoorwaarden. De memorie van toelichting geeft aan dat dit wetsvoorstel beoogt mensen met arbeidsvermogen zoveel mogelijk aan de slag te helpen bij reguliere werkgevers.

Het aantal arbeidsplaatsen staat niet vast. Het verhogen van het arbeidsaanbod stimuleert de werkgelegenheid en daarmee de economische ontwikkeling. Dit geldt ook voor het verhogen van het arbeidsaanbod aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Enige honderdduizenden mensen uit Midden- en Oosteuropese landen (MOE-landers) hebben recent binnen een kort tijdsbestek een baan weten te vinden, vaak in laaggeschoold werk en ook toen de arbeidsmarkt ruimer werd.

De Nederlandse arbeidsmarkt is dynamisch. CBS-cijfers laten zien dat er jaarlijks meer dan een miljoen mensen aan het werk gaan of van baan wisselen. Verreweg de meeste aanpassingen komen vanzelf tot stand. Het is belangrijk voor de samenleving dat mensen met een uitkering meegaan in die dynamiek. De cijfers laten zien dat het mogelijk is meer mensen in een uitkering aan werk te helpen: 150 000 à 200 000 mensen in de bijstand kunnen aan de slag. Volgens CBS-gegevens heeft circa de helft een startkwalificatie en de andere helft niet. Van de 800 000 vacatures in de afgelopen twaalf maanden was ongeveer een kwart voor functies zonder startkwalificatie (200 000). De overige (600 000) betroffen functies met startkwalificatie. Werkenden vervullen een aanzienlijk deel (ongeveer 50 procent) van de vacatures, maar wat betreft de andere helft acht de regering het realistisch dat feitelijk circa 100 000 vacatures geschikt zijn voor bijstandsgerechtigden zonder startkwalificatie, en circa 300 000 voor bijstandsgerechtigden met startkwalificatie. Uiteraard geldt daarbij dat voor deze vacatures ook anderen dan bijstandsgerechtigden in aanmerking komen. Niettemin staat vast dat er voortdurend vraag is in het segment van de arbeidsmarkt waar mensen die straks in de WWNV zitten in mee kunnen doen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de regering de uitgesproken verwachting gaat monitoren dat er op termijn nieuwe banen bijkomen rond het wettelijk minimumloon. Zij vragen tevens op welke termijn dit dan gaat gebeuren en hoeveel extra banen dan worden verwacht.

Nederland kent circa 2,2 miljoen laaggeschoolde banen.8 Dat zijn banen waar geen formele opleiding voor nodig is – de zogeheten elementaire banen – maar ook banen op voortgezet middelbaar beroepsonderwijs (vmbo)- of middelbaar beroepsonderwijs (mbo)1 niveau, minder dan het startkwalificatieniveau. Dit is bij elkaar circa 30 procent van de totale werkgelegenheid. De afgelopen decennia is de absolute hoeveelheid laaggeschoold werk in Nederland redelijk gelijk gebleven, terwijl het aantal laagopgeleiden gestaag is gedaald.9

Dit wetsvoorstel beoogt het inschakelen in regulier werk van mensen die nu nog veelal noodgedwongen aan de kant staan, door het voor werkgevers mogelijk te maken hen te betalen naar hun loonwaarde die onder het wettelijk minimumloon ligt. Door het ontsluiten van dit potentieel verwacht het kabinet inderdaad een stijging van het aantal banen met een betaling onder en op het minimumloonniveau. Het CBS (Statline) presenteert met enige regelmaat overzichten van de aantallen banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, uitgedrukt als percentage van het wettelijk minimumloon.

De leden van de CDA-fractie vragen of het onder de huidige economische omstandigheden is te verwachten dat de doelgroep van de WWNV zich duurzaam een plek op de reguliere arbeidsmarkt kan verwerven. Zij vragen tevens wat het risico is op draaideurwerkloosheid en terugval in de uitkering.

Het risico op draaideurwerkloosheid is beperkt. Het CBS constateert dat 12 procent van de totale instroom in de periode januari 2004 tot en met juni 2006 eerder in de bijstand zat.10 Dit onderzoek gaat over een periode met een eveneens ruimere arbeidsmarkt. Later onderzoek van IWI (thans Inspectie SZW) voor de vier grote steden bevestigt dit beeld.11 IWI concludeert dat het grootste deel van de mensen die vanuit de WWB werk vinden, ook uit de WWB blijft: 12 procent komt binnen zes maanden weer terug in de uitkering, 84 procent is na een jaar nog steeds uit de uitkering. Persoonskenmerken zoals geslacht, leefvorm, leeftijd en etniciteit, spelen nauwelijks een rol bij het al dan niet duurzaam vertrekken naar werk.

Het aantal Wajongers dat werkt, is toegenomen van 47 600 eind 2009 naar 50 400 eind 2010 en naar 52 500 eind juni 2011. Een meerderheid van hen werkt nu voor het eerst in een gewone baan.12 Wajongers in de leeftijdsgroep tot 35 jaar met een tijdelijk contract stromen in 14 procent van de gevallen door naar een vaste baan. Voor degenen met een tijdelijk contract zonder Wajong-uitkering is dat 19 procent.12 Ook tijdelijke contracten zijn belangrijk, want deze kunnen een opstap zijn naar een langdurig dienstverband en/of meehelpen aan het opdoen van arbeidsritme.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering het gegeven beoordeelt dat de WWNV zoveel mogelijk mensen in een vast dienstverband wil krijgen in het licht van het feit dat er steeds minder vaste contracten worden gegeven. De leden van de SP-fractie vragen daarnaast te concretiseren hoeveel vaste arbeidscontracten bij reguliere werkgevers dit wetsvoorstel oplevert voor mensen met een beperking. Welke doelstelling hanteert de regering hierbij, zo vragen deze leden. Ook vragen deze leden welk type dienstverbanden de regering in petto heeft voor mensen met een beperking na invoering van de WWNV.

De regering zet zich met de WWNV in om mensen zo veel mogelijk te laten werken bij reguliere werkgevers. De regering wil het zo aantrekkelijker en eenvoudiger maken voor werkgevers om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen. De introductie van het instrument loondispensatie betekent voor veel mensen meer kans op werk bij een regulier bedrijf, voor wie dat perspectief nu nog ontbreekt.

De regering heeft zich hierbij niet uitgelaten over de contractvorm. Het afsluiten van een dienstverband is de verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer. De regering treedt niet in deze verantwoordelijkheid. De regering vindt bemiddeling en re-integratie naar flexibele banen ook (zoals tijdelijke banen) wenselijk. Recent heeft het kabinet dit aangegeven in de reactie op het aan de Tweede Kamer aangeboden rapport van de Inspectie SZW Iedereen aan de slag: 13 «Uit de rapportage blijkt dat zowel het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) als gemeenten flexibel werk steeds meer benutten als uitstroommogelijkheid. Flexibel werk vormt vaak een opstap naar vast werk en is een goede manier om arbeidsritme en werkervaring op te doen. Om die redenen is de regering van mening dat het aanvaarden van flexibel werk niet een vrijblijvende keuze mag zijn, wat het volgens het rapport in de praktijk vaak is.» Uit het IWI rapport blijkt dat met name gemeenten hieraan meer aandacht kunnen besteden, met name voor mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Het is begrijpelijk dat werkgevers in de huidige economische omstandigheden terughoudend zijn met het aanbieden van vaste contracten. Echter, in een langer termijn perspectief blijkt het aandeel flexibele contracten nauwelijks toe te nemen.14

Het is niet bekend hoeveel vaste contracten dit wetsvoorstel gaat opleveren. De  regering hanteert geen streefcijfers. Er zijn immers externe factoren (conjunctuur) waar gemeenten geen invloed op hebben. Bovendien strookt dit niet met de decentralisatie van verantwoordelijkheden die de WWNV tot stand brengt. Het vergroten van het aantal vaste arbeidscontracten is op zichzelf beschouwd geen doel van de WWNV. De regering wil met de WWNV bereiken dat meer mensen met een arbeidsbeperking bij een gewone werkgever aan de slag gaan. De regering streeft hierbij naar duurzame plaatsing. Daarbij hoeft niet noodzakelijkerwijs sprake te zijn van een vast arbeidscontract. Een tijdelijk contract en/of een detachering kan immers ook een duurzame plaatsing zijn of worden. De regering beschouwt tijdelijk werk in ieder geval als een betere optie dan helemaal geen werk. Werken blijft in alle gevallen aantrekkelijker dan met een uitkering thuis zitten, want werk biedt de mogelijkheid tot ontplooiing en in een eigen inkomen te voorzien.

De leden van de SP-fractie hebben vragen gesteld naar het aantal banen voor jonggehandicapten en bijstandsgerechtigden met een beperking. Zij hebben de vragen als volgt gespecificeerd:

  • het aantal jonggehandicapten met op dit moment een vast arbeidscontract bij een reguliere werkgever;

  • het aantal jonggehandicapten met op dit moment een tijdelijk arbeidscontract bij een reguliere werkgever;

  • het aantal jonggehandicapten in het afgelopen jaar die via een tijdelijk contract zijn doorgestroomd naar een vaste aanstelling;

  • het aantal bijstandsgerechtigden met een beperking die het afgelopen jaar in vaste dienst zijn genomen bij een reguliere werkgever;

  • het aantal bijstandsgerechtigden met een beperking die het afgelopen jaar in tijdelijke dienst zijn genomen bij reguliere werkgevers.

  • het aantal bijstandsgerechtigden die het afgelopen jaar via een tijdelijk contract zijn doorgestroomd naar een vaste aanstelling;

  • het aantal bijstandsgerechtigden die gedurende een bepaalde periode aan het werk zijn geweest met behoud van uitkering.

Eind juni 2011 werkten 52 500 jongehandicapten (Wajong), van wie 26 900 bij een reguliere werkgever en 25 600 in de Wsw. Daarmee werken er voor het eerst meer jongehandicapten in een reguliere baan dan in de Wsw. Gemeten als percentage van alle jonggehandicapten werkt er 24,9 procent. Dat percentage is ongeveer stabiel sinds eind 2009. 15

UWV heeft recent gekeken naar de duurzaamheid van banen voor jonggehandicapten. Daarvoor heeft UWV een analyse gemaakt van degenen die eind 2009 een baan hadden (sw, vast/tijdelijk) en die vergeleken met de situatie één jaar later (Kennisverslag UWV 2011-III). Van de Wajongers met een baan eind 2009 was eind 2010 80 procent de gehele periode aan het werk geweest.

Iets minder dan de helft van de werkende Wajongers had eind 2009 een baan bij een reguliere werkgever. Deze groep was gelijkelijk verdeeld over vaste en tijdelijke banen. Vooral jongere werkzame Wajongers hebben vaak een tijdelijke baan bij een reguliere werkgever (72 procent), terwijl Wajongers ouder dan 35 jaar juist vaker een vaste baan hebben (73 procent).

UWV heeft vervolgens de doorstroom van Wajongers tot 35 jaar met een tijdelijk contract vergeleken met reguliere jongere werknemers met een tijdelijk contract. Hieruit blijkt dat het percentage voor Wajongers niet sterk afwijkt van leeftijdsgenoten. Tijdelijk werkende Wajongers in die leeftijdsgroep stromen in 14 procent van de gevallen door naar een vaste baan. Voor degenen met een tijdelijk contract zonder Wajong-uitkering is dat 19 procent.

Voor bijstandsgerechtigden met een beperking zijn deze gegevens niet voorhanden.

Vogens het CBS werkten in 2010 37 000 bijstandontvangers in de leeftijd 15–64 jaar ten minste 12 uur per week. Hoeveel bijstandgerechtigden met een tijdelijk contract werken en doorstromen naar vast werk is niet bekend.

De leden van de fractie van D66 zijn benieuwd naar het aantal gehuwden, het aantal alleenstaanden, het aantal inwonende kinderen en het aantal alleenstaande ouders dat naar verwachting een beroep zal doen op de WWNV.

Bij aanvang van de WWNV is de WWNV-populatie gelijk aan de WWB-populatie. In tabel 1 staan de percentages per leefvorm in de WWB van eind 2011. Deze percentages geven een indicatie van de verschillende leefvormen bij aanvang van de WWNV. Het CBS rapporteert niet wie van deze mensen inwonende kinderen zijn. Uit een bestandskoppeling tussen CBS en Gemeentelijk Basis Administratie (GBA) met gegevens uit 2008 bleek het te gaan om circa 5 procent van het aantal mensen in de WWB. In de loop der tijd veranderen deze percentages geleidelijk door maatregelen die in de WWB zijn genomen, zoals de huishoudinkomenstoets en doordat twee nieuwe groepen toetreden tot de WWNV: mensen die niet in aanmerking komen voor de Wajong en mensen die niet meer in aanmerking komen voor de Wsw. Het is niet bekend wat de uiteindelijke aantallen per leefvorm zullen zijn. Temeer omdat ook niet-uitkeringsgerechtigden een beroep kunnen doen op de WWNV voor ondersteuning bij re-integratie en werken met loondispensatie.

Tabel 1.1 WWB naar leefvorm in procenten
 

%

Alleenstaande

62%

Alleenstaande ouder

25%

Gehuwden en ongehuwd samenwonenden

13%

Anders

1%

Totaal

100%

Bron: CBS Bijstanduitkeringstatistiek 2011-IV

De leden van de PvdA-fractie vragen op welke wijze de regering de vacatures die door de vergrijzing zouden ontstaan geschikt gaat maken voor mensen met een arbeidsbeperking.

De overheid heeft hier een faciliterende en stimulerende rol. Gemeenten hebben een breed palet aan re-integratie instrumenten, voldoende om mensen met een arbeidsbeperking aan de slag te helpen. Mensen met een arbeidsbeperking die ondersteuning nodig hebben om te kunnen werken, kunnen bij hun gemeente hiervoor noodzakelijke voorzieningen aanvragen, zoals bijvoorbeeld: brailleapparatuur, een doventolk, «jobcarving» of een jobcoachvoorziening. Ook kan het nodig zijn de werkplek bij het bedrijf waar zij (gaan) werken aan te passen. Een concreet voorbeeld betreft een pilot met de Wajong adviesvoucher, die van 15 februari 2010 tot 29 april 2011 heeft plaatsgevonden. Deze pilot was opgezet om werkgevers te stimuleren de mogelijkheden te verkennen om jonggehandicapten in dienst te nemen. De Wajong adviesvoucher is een methode voor ondernemers om gratis advies te krijgen van een re-integratiebedrijf over de mogelijkheden om binnen hun bedrijf Wajongers te plaatsen door middel van het aanpassen/creëren van functies, de zogenaamde jobcarving. Uit de eindrapportage blijkt dat bij gemiddeld 85 procent van de deelnemende bedrijven mogelijkheden zijn voor het plaatsen van één of meer Wajongers. 60 procent van deze bedrijven heeft na afronding van het adviestraject besloten om te zoeken naar een passende kandidaat voor het opgestelde Wajongprofiel. In 40 procent van de gevallen is tot nu toe ook daadwerkelijk een Wajonger geplaatst.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering van mening is dat er voldoende prikkels in de wet zitten om te voorkomen dat er een verdringing aan de onderkant van de arbeidsmarkt is door «euroflex»: mensen uit Midden- en Oost-Europa en ontvangen hierop graag een toelichting.

Bij loondispensatie gaat het om banen waarvoor de werkgever minder dan het wettelijk minimumloon betaalt. Daarmee zijn deze banen wat betreft beloning afgeschermd van de reguliere arbeidsmarkt. Alleen mensen die deze banen nodig hebben om aan de slag te komen, komen hiervoor in aanmerking.

Mentaliteitsomslag

De leden van de fractie van de Christen-Unie wijzen erop dat de regering aangeeft dat er een inspanning van alle betrokkenen – de mensen zelf, de overheid, de uitvoering en de werkgevers – vereist is. Zij vragen op welke wijze en met welke maatregelen de regering de vereiste mentaliteitsomslag binnen de samenleving gaat realiseren.

De WWNV is de volgende stap in een reeks van hervormingen waarbij de focus wordt verlegd van wat mensen niet kunnen naar wat ze wel kunnen. De mentaliteitsomslag dat mensen met een arbeidsbeperking meer kunnen dan vaak wordt gedacht, is al begin jaren «90 ingezet met belangrijke wijzigingen in de sociale zekerheid, zoals de invoering van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de WWB en de nieuwe Wajong. Dit heeft zijn vruchten afgeworpen. Het aantal arbeidsongeschikten is sterk afgenomen. De invoering van de WWB heeft bijgedragen aan beheersing van het bijstandsvolume. Ook stijgt het aantal werkende Wajongers.16 Maar het kan en moet beter. De regering ziet dit wetsvoorstel als de volgende stap op weg naar een activerender sociale zekerheid.

De regering geeft met de WWNV gemeenten de instrumenten en de middelen om mensen met een arbeidsbeperking meer kans te bieden op de arbeidsmarkt.

De regering ondersteunt dit met twee campagnes. Een online campagne gericht op jongeren waarbij de nadruk ligt op eigen verantwoordelijkheid en de vraag »hoe kom ik aan werk?». De campagne is voor en door jongeren die elkaar hierbij helpen. Daarnaast start een campagne die werkgevers stimuleert mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen.

De Wet werken naar vermogen in perspectief

De leden van de fractie van D66 constateren dat wordt gesteld dat de aanwas in de bijstand sinds de invoering van de Wet werk en bijstand (WWB) met 20 procent omlaag is gegaan en zijn benieuwd hoeveel van deze daling te wijten is aan afwenteling op de Wajong door gemeenten.

De leden van de D66-fractie veronderstellen terecht dat een deel van de groep die voor uitstroom uit de bijstand heeft gezorgd als gevolg van de invoering van de WWB, is overgegaan naar de Wajong. In het in 2011 verschenen CPB rapport over de toename van de Wajong-instroom sinds 2004,17 concludeert het CPB dat de toename van de Wajong instroom nauw samen blijkt te hangen met de decentralisering van de Wwb. Het is echter niet duidelijk welk aandeel in de genoemde 20 procent het betreft.

De regering wijst de leden van de fractie van D66 erop dat dit de ingezette koers van het kabinet met de Wwnv ondersteunt. Door één regeling te creëren voor iedereen die deels kan werken en die nu nog een beroep doet op uiteenlopende regelingen als de WWB, de Wajong en de Wsw, vermindert de regering het risico op afwenteling. Door de WWNV krijgen gemeenten een grotere financiële prikkel om mensen aan de slag te helpen. Niet de weg naar de meest gunstige uitkeringsvoorwaarden, maar de weg naar werk staat centraal.

Een nieuwe stap naar een activerender sociale zekerheid

De leden van de VVD-fractie constateren dat in de memorie van toelichting wordt aangegeven dat van de 355 duizend mensen in de bijstand ongeveer 40 procent langer dan vijf jaar van een uitkering leven. Deze leden vragen de regering aan te geven hoe de verdeling is over jaren, en hoeveel mensen bijvoorbeeld langer dan tien jaar in de bijstand leven.

Onderstaande tabel geeft de verblijfsduur in de bijstand weer. De tabel is samengesteld op basis van het aantal huishoudens in de bijstand eind eerste kwartaal 2011 (Bron: CBS). Het totaal in de tabel (314 duizend) is lager dan de genoemde 355 duizend; het gaat hier immers om het aantal huishoudens, niet om het aantal mensen. Hieruit blijkt dat circa 40 procent van de huishoudens langer dan vijf jaar in de uitkering zit. Tevens blijkt dat circa 20 procent langer dan tien jaar in de bijstand zit.

Tabel 1.2 Aantal bijstandshuishoudens naar verblijfsduur in jaren

Aantal bijstandshuishoudens naar verblijfsduur in jaren ( aantallen x 1 000)

 

<1

1-<2

2-<3

3-<4

4-<5

5-<10

10+

totaal

Totaal

89

48

26

19

14

49

69

314

percentage van totaal

28%

15%

8%

6%

5%

16%

22%

100%

De VVD-leden constateren dat het aantal Wajongers de laatste jaren sterk is toegenomen. Deze leden vragen of de regering een recent cijfermatig overzicht kan verstrekken van de instroom en van de totale Wajongpopulatie van de afgelopen 10 jaar.

Onderstaande grafieken laten de jaarlijkse instroom in de Wajong en het jaarlijkse aantal Wajongers vanaf 2002 zien.

Grafiek 1.1 Instroom Wajong

Grafiek 1.1 Instroom Wajong

Grafiek 1.2 Aantal Wajongers

Grafiek 1.2 Aantal Wajongers

De leden van de SP-fractie merken op dat de gegevens en aannames zijn gebaseerd op een doorrekening van het CPB uit 2010. Zij geven aan dat het voor een realistisch beeld zeer wenselijk en noodzakelijk is om deze te bezien aan de hand van de laatste ramingen van het CPB. Zij vragen of de regering hiertoe bereid is. Indien dit niet het geval is, vragen zij dit nader te motiveren.

De regering ziet geen aanleiding om de ramingen op het terrein van WWNV opnieuw te bezien. Het CPB heeft aan de hand van de laatste ramingen ook geen nieuwe inzichten over de financiële gevolgen van deze wet. Overigens houdt de regering in het gewone jaarlijkse proces van de opstelling van de begroting rekening met de actuele CPB-inzichten over de macro-economische ontwikkeling.

Historisch gegroeide verschillen in bestaande regelingen

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel en onderschrijven de doelstelling om de verschillende sociale voorzieningen terug te brengen naar hun essentie. Zij hechten aan een heldere afbakening van de onderscheiden voorzieningen, waardoor verkeerde prikkels kunnen worden voorkomen en vragen of de structuur van het wetsvoorstel hiervoor optimale voorwaarden schept. Daarnaast onderschrijven de leden van de SGP-fractie in belangrijke mate de sociale en financiële redenen die de regering aanvoert voor wijziging van het sociale zekerheidsstelsel. Het historisch gegroeide systeem bevat volgens deze fractie bovendien te weinig samenhang en kent verkeerde prikkels. De leden van de SGP-fractie vragen zich af in hoeverre het wetsvoorstel de geschetste problemen ondervangt.

De regering is het met de leden van de SGP-fractie eens dat het huidige systeem van sociale voorzieningen weinig samenhang bevat en verkeerde prikkels kent. Het rapport «Op afstand van de arbeidsmarkt» (april 2010), dat is gemaakt in het kader van de Brede Heroverwegingsoperatie, gaat uitvoerig in op de knelpunten in de huidige regelingen. Het sociale zekerheidsstelsel is historisch gegroeid tot hoe het er nu uitziet. Dit heeft geleid tot een groot aantal regelingen met verschillende polisvoorwaarden, re-integratiemogelijkheden, uitvoering en financiering. Deze verschillen zijn afhankelijk van het moment waarop of de omstandigheden waaronder de beperking is ontstaan. Ook kan ongelijkheid in polisvoorwaarden en financiering ervoor zorgen dat sommige regelingen een aanzuigende werking hebben. Zo is gebleken dat de financiële verantwoordelijkheid voor de WWB, gemeenten ertoe heeft aangezet om uitkeringsgerechtigden door te verwijzen naar de Wajong. Uit verschillende onderzoeken18 blijkt dat financiële prikkels ook het gedrag van mensen kunnen bepalen. Zo blijkt uit het onderzoek van Fenger c.s. van de Erasmus universiteit dat als de ene regeling voordeliger is of prettiger is dan de andere, mensen toegang proberen te krijgen tot de meest voordelige regeling.

De regering creëert met de WWNV één regeling voor iedereen die (deels) kan werken en die nu nog een beroep doet op uiteenlopende regelingen als de WWB, de Wajong en de Wsw. De polisvoorwaarden zijn daarbij voor iedereen gelijk. In antwoord op de leden van de SGP-fractie kan de regering melden dat de WWNV zorgt voor een heldere afbakening tussen mensen die in aanmerking komen voor de WWNV, Wajong of Wsw.

De Wajong blijft bestaan voor mensen die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. Het begrip arbeidsvermogen zorgt voor een duidelijke afbakening tussen de WWNV (arbeidsvermogen) en de Wajong (duurzaam geen arbeidsvermogen). Mensen kunnen niet tot beide doelgroepen behoren.

De regering kiest ervoor om de Wsw terug te brengen tot waar deze voorziening oorspronkelijk voor was bedoeld: werk mogelijk maken voor mensen die uitsluitend in een beschutte werkomgeving kunnen werken. Hiermee realiseert de regering voor de toekomst een duidelijke afbakening tussen de WWNV (reguliere arbeidsmarkt) en de Wsw (beschutte omgeving). Ook hier geldt straks dat mensen niet tot beide doelgroepen kunnen behoren. Tot slot regelt de regering dat de nieuwe indicaties voor de Wsw en de Wajong elkaar uitsluiten. Hiermee wordt ook een goede afbakening tussen de Wsw en de Wajong gerealiseerd.

1.1 Doel

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich af op welke wijze de regering denkt haar kerndoel van deze wet te verwezenlijken en tegelijkertijd ruim 2 miljard euro te kunnen bezuinigingen.

Met de WWNV beoogt de regering het sociale zekerheidsstelsel activerender te maken. De regering ziet, in tegenstelling tot de leden van de GroenLinks-fractie, geen tegenstrijdigheid tussen het vergroten van de arbeidsparticipatie van mensen met een arbeidsbeperking en het realiseren van besparingen. Met het wetsvoorstel WWNV denkt de regering beide doelen te kunnen realiseren.

De gemeenten krijgen vanaf 2013 de beschikking over een gebundeld re-integratiebudget, waardoor ze meer vrijheid krijgen bij de inzet van deze middelen. Uit diverse onderzoeken blijkt dat de gemeenten de effectiviteit van de inzet van re-integratie budgetten kunnen verbeteren.19 De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft in zijn brieven van 27 mei 201120 en nog onlangs in zijn brief van 22 maart 2012 aan uw Kamer en bij verschillende debatten met uw Kamer uiteengezet dat er ruimte is voor efficiencyverbeteringen bij de uitvoering van re-integratie en de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Gemeenten kunnen re-integratiemiddelen selectiever en vraaggerichter inzetten. Zij moeten en kunnen daarin scherpere keuzes maken.

Daarnaast is in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) vastgelegd dat gemeenten en UWV samenwerken bij de regionale werkgeversdienstverlening. Er komt één aanspreekpunt voor werkgevers in elke arbeidsmarktregio. Op deze manier stimuleert de regering de totstandkoming van de samenwerking tussen gemeenten en UWV in de arbeidsmarktregio’s.

De decentralisaties in onder andere de (jeugd)zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) stellen de gemeenten verder in staat om een samenhangende aanpak te ontwikkelen voor mensen met een (grotere) afstand tot de arbeidsmarkt.

De bezuinigingen die de leden van de fractie noemen, worden overigens niet van de ene op de andere dag gerealiseerd, maar over een lange reeks van jaren opgebouwd, door minder instroom in de Wsw en de Wajong en door efficiëntere inzet van re-integratie budgetten. Pas op de lange termijn (rond 2045) is sprake van een structurele bezuiniging van 1,8 miljard.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat er na de invoering van de WWNV geen sprake is van één regeling voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt, maar van diverse regelingen. Deze leden willen weten waarom de regering er niet voor heeft gekozen om de Wsw integraal op te nemen binnen de WWNV. Zij vragen zich af of dit niet zou bijdragen aan een grotere effectiviteit en efficiëntie.

De regering deelt niet de mening van de leden van de ChristenUnie-fractie. De WWNV biedt straks één regeling voor iedereen die (deels) kan werken en die nu nog een beroep doet op uiteenlopende regelingen als de WWB, de Wajong en de Wsw. De regering heeft ervoor gekozen om de Wsw in de toekomst te behouden voor mensen die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken. De instroom vanaf 2013 in de Wsw is daarmee een wezenlijk andere dan de instroom in de WWNV.

De leden van de fracties van de PvdA, SP en ChristenUnie vragen de regering wat de concrete doelstelling en streefcijfers van dit wetsvoorstel is ten aanzien van de arbeidsparticipatie voor de komende jaren. Zij vragen hoeveel meer mensen na de invoering van dit wetsvoorstel geplaatst dienen te zijn en wanneer de wet volgens de regering geslaagd is.

De regering wil met de WWNV bereiken dat meer mensen met een arbeidsbeperking kans maken op regulier werk. De WWNV bevat concrete maatregelen om dat mogelijk te maken. De regering hanteert geen streefcijfers. Ten eerste zijn er externe factoren, zoals de conjunctuur, die buiten de invloed van gemeenten liggen. Ten tweede strookt dit niet met de decentralisatie van verantwoordelijkheden die met de WWNV tot stand wordt gebracht.

De SP-fractie vraagt de regering om een inhoudelijke reactie op zoveel kritiek en weerstand tegen dit wetsvoorstel uit de samenleving.

De regering ziet ook de brede steun voor de uitgangspunten van de wet. Velen bevestigen de noodzaak van een stap naar een activerender en transparanter stelsel van sociale zekerheid dat mensen beoordeelt op hun mogelijkheden en niet op hun beperkingen. Dit wetsvoorstel maakt die stap mogelijk. Het wetsvoorstel betekent een grote hervorming van het sociale zekerheidsstelsel. Daarnaast zal er meer moeten worden bereikt met minder financiële middelen. Het is begrijpelijk dat dit leidt tot vragen.

1.2 Maatregelen, monitoring en evaluatie

De leden van de CDA-fractie vragen waarom deze wet niet zoals gebruikelijk wordt geëvalueerd. De leden van de PvdA-fractie vragen of en wanneer de regering voornemens is om de Kamer een plan van aanpak toe te sturen over de wijze waarop de regering de werking van de WWNV gaat monitoren, zowel de effecten als de effectiviteit. Leden van diverse fracties (PvdA, Groen Links en ChristenUnie) vragen zich dan af op welke wijze het kabinet de werking van deze wet gaat monitoren (zowel de gevolgen als de effectiviteit). De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke wijze en wanneer de Kamer tussentijds wordt geïnformeerd over de werking en resultaten van de WWNV. De leden van de ChristenUnie-fractie willen ook weten of bij de monitor gekeken zal worden naar de verschillen in effectiviteit van de re-integratie bij verschillende gradaties van arbeidsongeschiktheid van personen.

Net als de leden van deze fracties acht het kabinet inzicht in de werking van de WWNV van belang. Voor het instrument loondispensatie is een evaluatie voorzien. Tevens zal monitoring plaatsvinden. Het kabinet heeft geen bezwaar tegen een evaluatie van de WWNV na vijf jaar.

Een plan van aanpak voor monitoring en evaluatie zal het kabinet uw Kamer zo spoedig mogelijk doen toekomen. Daarin zal het kabinet ingaan op de benodigde wijziging van bestaande statistieken om de effecten van de WWNV te kunnen volgen en welke gegevens extra verzameld moeten worden. Voor de WWNV, de «nieuwe» en de «oude» Wajong en «nieuwe» en «oude» Wsw worden de instroom, het zittend bestand en de uitstroom gevolgd. Ook de instroom in de Wajong in 2012 wordt gevolgd. Deze groep is en wordt in 2012 beoordeeld op basis van het oude arbeidsongeschiktheidscriterium. Als mensen uit deze groep niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, eindigt hun recht op de Wajong in december 2013 en kunnen zij ondersteuning vanuit de WWNV aanvragen.

De monitor geeft ook inzicht in het opstellen van verordeningen, de inrichting van de werkgeversbenadering, knelpunten in de uitvoering en goede voorbeelden.

Omdat de WWNV de mate van arbeidsongeschiktheid niet bepaalt, richt de monitor zich daar niet op. Maar de monitor kijkt wel naar de verschillen in loonwaarde bij mensen die met loondispensatie werken.

Overigens zullen meerdere veranderingen gelijktijdig optreden en spelen er veel externe factoren mee. Daarom kan de effectiviteit van ieder instrument niet altijd precies worden vastgesteld.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de regering voornemens is haar beleid bij te sturen als blijkt dat de kern van de wet, namelijk het duurzaam naar werk begeleiden van mensen, in de praktijk niet waargemaakt kan worden.

De regering zal bij de evaluatie van de WWNV meten of het doel van de WWNV voldoende wordt gerealiseerd. Mocht dit niet het geval zijn, dan ligt het voor de hand dat de regering op basis van de uitkomsten van de evaluatie het beleid verder monitort en bijstuurt.

De leden van de PvdA-fractie vragen welke waarborgen er zijn voor de burgers als de gemeente de wet niet naar behoren uitvoert en het gemeentelijk toezicht tekortschiet.

Iedere burger kan via de Algemene wet bestuursrecht gemeenten aanspreken op fouten in de uitvoering. Daarnaast kunnen mensen via de lokaal georganiseerde cliëntenparticipatie invloed uitoefenen op de kwaliteit van de uitvoering door de gemeente.

De WWNV gaat bewust uit van horizontale verantwoording, waarbij de beoordeling van een juiste uitvoering primair door de Gemeenteraad geschiedt. Uitgangspunt is vertrouwen in de lokale colleges en gemeenteraden. Indien de gemeentelijke uitvoering echter fundamentele tekortkomingen vertoont, kan het Rijk maatregelen nemen. Afhankelijk van de tekortkoming kan dat een aanwijzing zijn op grond van de WWNV of een maatregel op grond van de Gemeentewet.

1.3 Integrale aanpak

De antwoorden op vragen over het compensatiebeginsel die uw Kamer in dit hoofdstuk heeft gesteld, zijn behandeld in hoofdstuk 2.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de kansen die de regering ziet voor integrale benadering van de verschillende beleidsterreinen gericht op participatie. De leden van de CDA-fractie vragen hoe deze wet samenhangt met de overige decentralisaties in de jeugdzorg en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten AWBZ/Wmo. Ook de leden van de SP-fractie en de PvdA-fractie vragen naar de samenhang van dit wetsvoorstel met de wetsvoorstellen decentralisatie van de AWBZ, decentralisatie van de jeugdzorg en het passend onderwijs.

De verschillende hervormingen hebben dezelfde focus. Alle hervormingen zijn gericht op versterking van de eigen kracht van mensen, op beter ondersteunen door meer maatwerk mogelijk te maken en op een meer doelmatige inzet van middelen. Gemeenten staan het dichtst bij de burger. Gemeenten hebben om die reden gevraagd om een versterking van hun takenpakket21. Door decentralisatie van de jeugdzorg, begeleiding uit de AWBZ en werken naar vermogen krijgen de gemeenten meer mogelijkheden om preventie en maatwerk in samenhang in te zetten. Zij kunnen een lokaal samenhangend stelsel van maatschappelijke ondersteuning bieden op belangrijke leefgebieden van mensen: opvoeding, zorg, welzijn, arbeidsparticipatie en inkomensondersteuning. De financiële baten van investeringen in preventie komen met de decentralisaties bij gemeenten zelf te liggen. Dit leidt tot betere ondersteuning van mensen en tot een doelmatiger inzet van middelen. Bijvoorbeeld door vermindering van het aantal betrokken instanties (achter-de-voordeur-aanpak) bij een gezin.

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre er aansluitingen zijn in de diverse voorstellen ter versterking van de integrale aanpak op decentraal niveau en welke aansluitingen liggen in het onderhavige wetsvoorstel.

De WWNV stelt gemeenten in staat een samenhangende aanpak te ontwikkelen voor mensen met een (grotere) afstand tot de arbeidsmarkt. Dat vraagt ook inzet op andere terreinen waarvoor gemeenten nu verantwoordelijk zijn of binnenkort worden, zoals (jeugd)zorg, welzijn, schuldhulpverlening en begeleiding vanuit de AWBZ. In het wetsvoorstel Passend Onderwijs is bijvoorbeeld opgenomen dat samenwerkingsverbanden in het onderwijs over het ondersteuningsplan overleg moeten voeren met gemeenten. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt het voor de gemeente beter mogelijk om jongeren met een beperking niet alleen te helpen naar maatschappelijke participatie, maar vooral naar arbeidsparticipatie. Daarnaast staan in dit voorstel de financiële prikkels goed voor een gemeente om ook al in de jeugdzorg of welzijnstrajecten oog te hebben voor arbeidsdeelname van jongeren en hun ouders.

De WWNV stelt gemeenten, in samenhang met de andere decentralisaties onder andere AWBZ/Wmo, Jeugdzorg, maar ook speciaal onderwijs in staat meer dan nu de regie te pakken en een samenhangende aanpak te ontwikkelen voor mensen met een (toekomstig) afstand tot de arbeidsmarkt. De leden van de VVD-fractie vragen of in dit kader ook binnen het kabinet een coördinatie, een samenwerkingsvorm is van de verschillende bewindspersonen.

De staatssecretaris van SZW heeft, gezamenlijk met de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), breed bestuurlijk overleg gevoerd met een groot aantal landelijke en regionale organisaties over de aansluiting zorg, onderwijs en arbeidsmarkt voor kwetsbare jongeren.

Verder ondersteunt het kabinet in samenwerking met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en Divosa de gemeenten, aanbieders en cliënt- en patiëntorganisaties bij de implementatie van de verschillende decentralisaties. Dat gebeurt in de Transitiebureaus voor Wmo, WWNV en jeugd. Door samenwerking tussen de transitiebureaus zorgt het kabinet voor afstemming tussen de verschillende implementatietrajecten.

De ministerraad heeft de minister van SZW aangewezen als coördinerend bewindspersoon voor de samenhang van regeerakkoordmaatregelen in het sociale domein. Hij voert in dit kader overleg met de bij de decentralisaties betrokken bewindspersonen. De betrokken departementen zullen, in samenwerking met gemeenten, de bedoelde en onbedoelde effecten van de samenloop van decentralisaties volgen voor burgers en in het bijzonder voor de kwetsbare groepen én voor gemeenten. Bij onbedoelde effecten zoekt het kabinet samen met betrokken partijen naar een oplossing.

De fracties van de PVV, de SP en de ChristenUnie vragen welke maatregelen worden genomen om de aansluiting van school naar werk te verbeteren.

De aansluiting tussen school en werk moet beter. Daarom wordt in het voortgezet speciaal onderwijs de totstandkoming van werkscholen ondersteund en wordt geëxperimenteerd met de inzet van de kenniscentra voor beroepsonderwijs (project Boris). Ook wordt het voortgezet speciaal onderwijs meer arbeidsmarktgericht gemaakt, met onder meer toegespitste kerndoelen en verplichte stages in het profiel arbeidsmarktgericht.

In het mbo wordt de kwalificatiestructuur herzien voor een betere aansluiting op de arbeidsmarkt en het vervolgonderwijs. Dit is ook gericht op de sectoren waar personeelstekorten zijn of dreigen, met name de techniek en zorg.

Het realiseren van werkplekken bij werkgevers wordt gestimuleerd met instrumenten als de no-riskpolis, social return, Wet Vermindering Afdrachtskorting onderwijs (WVA-onderwijs) (werkleerplekken) en proefplaatsingen.

Om jongeren te bewegen ook zelf verantwoordelijkheid te nemen, heeft het kabinet de huidige WWB activerender gemaakt.

De leden van de fracties van de PvdA en de ChristenUnie stellen vast dat het kabinet aangeeft de arbeidsmarktgerichtheid van het speciaal onderwijs te willen vergroten. Zij vragen welke acties het kabinet daartoe wil ondernemen en welke resultaten deze acties binnen welke periode concreet moeten opleveren.

Het kabinet wil meer uit het speciaal onderwijs halen en wijzigt daarom de Wet op de expertisecentra. 22 Er komen drie uitstroomprofielen. Het uitstroomprofiel «arbeidsmarktgericht» wil leerlingen die geen voortgezet onderwijs (vo)-diploma kunnen halen maar wel kunnen werken, succesvol toeleiden naar de arbeidsmarkt, indien mogelijk met een duurzaam arbeidscontract. De leerlingen krijgen aan het eind een voortgezet speciaal onderwijs (vso)-getuigschrift. Ook bevat het profiel verplichte stages. De leerlingen behalen als het even kan certificaten die in de bedrijfstak herkenbaar zijn. Daarnaast krijgen de leerlingen een zogenoemd overgangsdocument mee, waaruit hun kennis, vaardigheden en ondersteuningsbehoefte blijkt. Dit wetsvoorstel voor het voortgezet speciaal onderwijs gaat naar verwachting op 1 augustus 2013 in.

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering uiteen wil zetten hoe de financiering van de werkschool geregeld is. Zij willen weten of er bijvoorbeeld een mogelijkheid is voor gemeenten om aanvullende bekostiging te ontvangen voor begeleiding van deze jongeren.

De werkschool is voor jongeren in het praktijkonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs die niet in staat zijn een vo-diploma te halen, maar wel op de arbeidsmarkt mee kunnen doen. De werkschool is geen school, maar een netwerk van organisaties in een arbeidsmarktregio. Zij werken samen om leerlingen aan een baan te helpen. De deelnemende partijen financieren de werkschool met hun eigen middelen. Er is dus geen sprake van aanvullende bekostiging voor gemeenten. Uitgangspunt bij deze aanpak is dat als alle partijen hun eigen expertise en instrumenten inzetten voor de samenwerking in de werkschool, zij hun eigen wettelijke kerntaken beter kunnen uitoefenen. De ministeries van OCW, SZW, VWS en Veiligheid en Justitie (VenJ) hebben gezamenlijk een subsidie verstrekt aan de landelijke Stichting De Werkschool om de totstandkoming van de regionale werkscholen te ondersteunen.

De leden van de fracties van de PvdA, het CDA en de SP fractie stellen dat de voorzieningen voor jongeren met een arbeidsbeperking uit het vso en Praktijkonderwijs (PrO) die thuis wonen, vervallen. De leden vragen hoe groot de regering het aantal schoolverlaters schat dat om die reden de aansluiting met de arbeidsmarkt zal verliezen in verband met het ontbreken van een disciplinerende en stimulerende invloed van een uitkeringsverstrekker.

Het klopt niet dat de voorzieningen voor thuiswonende jongeren met een arbeidsbeperking vervallen. Mensen met een arbeidsbeperking die ondersteuning bij arbeidsinschakeling nodig hebben, kunnen bij hun gemeente noodzakelijke voorzieningen aanvragen om te kunnen werken. Evenmin vervallen met de WWNV voorzieningen die jongeren nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen, bijvoorbeeld een brailleregel. Deze voorzieningen worden verstrekt op grond van de Wet overige OCW-subsidies (WOOS) onder verantwoordelijkheid van de minister van OCW. Deze wet wijzigt met de inwerkingtreding van de WWNV inhoudelijk niet.

Om bij te houden waar jongeren uit deze onderwijssoorten terecht komen, zet de minister van OCW een uitstroommonitor voor het voortgezet speciaal onderwijs op. De minister vraagt daarnaast de Inspectie voor het Onderwijs een themaonderzoek uit te voeren naar onder andere de uitstroombestemmingen van de leerlingen en het duurzame karakter van hun werkplekken.

De leden van de SP-fractie vragen of het mogelijk is om via het onderwijs de begeleiding te regelen voor de stage met uitzicht op werk. Indien het antwoord hierop ja is, vragen zij of de regering voornemens is dit recht op te nemen in dit voorstel. Indien het antwoord nee is, vragen zij hoe de regering dit wil regelen nu veel begeleiders en jobcoaches door de wet op het passend onderwijs en de bezuinigingen al ontslagen worden.

Begeleiding tijdens de stage als onderdeel van de opleiding is een taak voor het onderwijs. In de schooljaren 2009–2010 en 2010–2011 is een experiment uitgevoerd met de inzet van een stagejobcoach. De uitkomst van dit experiment was dat de inzet van een stagejobcoach een te kostbaar instrument is om er de overgang van school naar werk mee te bevorderen. Gemeenten kunnen wel re-integratievoorzieningen aanbieden aan jongeren die nog op school zitten. Het gaat dan om 16- en 17-jarigen die nog onder de leerplicht of kwalificatieplicht vallen en voor wie de gemeente een leerwerktraject zinvol acht, en waar kosten van ondersteuning nodig zijn. Daarnaast konden Pro en vso scholen in het kader van actie C van de Subsidieregeling Europees Sociaal Fonds (ESF) in het aanvraagtijdvak van 15 maart tot en met 30 maart 2012 subsidie aanvragen voor activiteiten die de overgang van school naar de arbeidsmarkt van hun leerlingen bevorderen. Jongeren met een arbeidsbeperking die na school ondersteuning bij arbeidsinschakeling nodig hebben, kunnen die noodzakelijke voorzieningen om te kunnen werken bij hun gemeente aanvragen. Dit kan bijvoorbeeld een voorziening voor begeleiding of jobcoaching zijn.

De leden van de VVD-fractie vragen te concretiseren wat de regering bedoelt met de opmerking dat oplossingen voor participatieproblemen vaak in een eerder stadium liggen en vaak op een ander beleidsterrein dan waar het probleem manifest wordt.

Belemmerende factoren voor participatie op de arbeidsmarkt ontstaan vaak al op jonge leeftijd of liggen op terreinen die buiten de directe invloedsfeer van het arbeidsmarktbeleid vallen. Het gaat dan bijvoorbeeld om opvoedingsproblemen, psychische problematiek, onderwijs- en taalachterstanden. Een concreet voorbeeld waarin de problemen op het terrein van participatie veroorzaakt worden door problemen op een ander terrein, betreft de onvoldoende focus op arbeidstoeleiding in het voortgezet speciaal onderwijs. Het kabinet wil om deze reden meer uit het speciaal onderwijs halen en wijzigt daarom de Wet op de expertisecentra.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een toelichting of de vier-weken termijn voordat een beroep kan worden gedaan op een WWNV-uitkering en daarmee de bijbehorende ondersteuning niet tot een ongewenst gat leidt tussen school en werk. Deze leden vragen verder hoe de vier-weken termijn zich verhoudt tot het belang om onderbrekingen in de aansluiting tussen school en werk of in de aansluiting tussen werk en werk zoveel als mogelijk te voorkomen. Ook hebben deze leden gevraagd of de wachttijd van vier weken voor jongeren onder de 27 jaar na een korte werkperiode steeds opnieuw geldt. Verder willen de leden van deze fractie weten of het aannemen van werk dan niet onaantrekkelijk wordt.

Opleiding en werk kunnen alleen een succes worden met eigen inzet en initiatief. Dat blijkt ook uit het rapport van IWI «Dat Werkt». 23 De jongere is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het vinden van werk, ook direct na afloop van de schoolperiode. De vier weken zoekperiode stimuleert jongeren maximaal om zelf initiatief te nemen. Pas als de jongere ondanks deze inspanningen er niet in slaagt een baan te vinden, kan een beroep worden gedaan op ondersteuning.

Bijstand is een laatste vangnet. Uitgangspunt is dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor een inkomen om in zijn bestaan te voorzien. Alleen als (volledig) werk niet of tijdelijk niet mogelijk is, kan een beroep op bijstand worden gedaan. Voor een jongere geldt een zoektijd van vier weken voordat hij een aanvraag voor bijstand kan doen. In die vier weken moet hij zoeken naar werk en (vanaf 1 juli 2012) ook naar scholingsmogelijkheden. Dat kan ook tijdelijk werk zijn. Als vier weken zoektijd niet tot resultaat heeft geleid, kan de jongere eventueel een bijstandsaanvraag doen.

Eenmaal in de bijstand is een ieder verplicht om er alles aan te doen om zo snel mogelijk weer uit de uitkeringssituatie te komen. Bij aanvaarding van werk met inkomen boven de bijstandsnorm, eindigt het recht op bijstand. Indien de jongere slechts korte tijd werkt en zich opnieuw bij UWV meldt, dan zal de jongere weer eerst zelf vier weken moeten zoeken naar werk en scholingsmogelijkheden. Werken blijft in alle gevallen aantrekkelijker dan met een uitkering thuis zitten, want werk biedt de jongere de mogelijkheid om zich te ontplooien en in een eigen inkomen te voorzien.

De leden van de fractie van D66 vragen naar de samenhang van de WWNV met regelingen als de AWBZ of Wmo. Zij vragen of de introductie van de WWNV het beroep op de AWBZ of Wmo laat stijgen. Verder vragen de leden van de GroenLinks fractie zich af hoeveel extra middelen er worden overgeheveld naar de Wmo en AWBZ om het extra beroep op deze voorzieningen te financieren.

De verschillende hervormingen hebben dezelfde focus. Door decentralisatie van de jeugdzorg, decentralisatie van de begeleiding uit de AWBZ en de invoering van de Wet werken naar vermogen krijgen de gemeenten meer mogelijkheden om preventie en maatwerk in samenhang in te zetten. De financiële baten van investeringen in preventie komen met de decentralisaties bij gemeenten zelf te liggen. Dit leidt tot betere ondersteuning van mensen en tot een meer doelmatige inzet van middelen. Bijvoorbeeld door vermindering van het aantal betrokken instanties bij een gezin. De prikkel in de WWNV is erop gericht om mensen zoveel mogelijk naar werk te begeleiden. Het is voor gemeenten financieel onaantrekkelijk om mensen die wel zouden kunnen werken, te plaatsen in een traject dat niet naar arbeid leidt. Het kabinet hevelt geen extra middelen over naar de Wmo en de AWBZ.

De leden van de VVD-fractie, de PvdA-fractie, de ChristenUnie-fractie en de CDA-fractie vragen in hoeverre het mogelijk is om de overgang vanuit de Wsw naar arbeidsmatige dagbesteding en vice versa te versoepelen.

De verschillende overgangen tussen participatievormen worden versoepeld door de regie over een breed terrein aan gemeenten te geven. Door decentralisatie van de jeugdzorg, begeleiding uit de AWBZ en werken naar vermogen krijgen de gemeenten meer mogelijkheden om preventie en maatwerk in samenhang in te zetten. Zij kunnen een lokaal samenhangend stelsel van maatschappelijke ondersteuning realiseren op belangrijke leefgebieden van mensen: opvoeding, zorg, welzijn, arbeidsparticipatie en inkomensondersteuning.

In een eerdere brief is de regering ingegaan op voorbeelden van mogelijke verbindingen tussen de Wmo, de WWB, de Wsw en de Wet investeren in jongeren, WIJ).24 Het gaat dan bijvoorbeeld om het volgende: werkzoekenden laten instromen in de functie van hulp in het huishouden, jeugdigen krijgen werk of vervullen een stageplek in de zorg of het welzijnswerk en werkzoekenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt doen vrijwilligerswerk als onderdeel van een re-integratietraject.

De ministeries van SZW en VWS vervaardigen nu een handreiking voor gemeenten en aanbieders die ingaat op de mogelijke nieuwe verbindingen die de WWNV en de decentralisatie van begeleiding biedt. De verbinding dagbesteding en Wsw is één van de thema’s. Gemeenten ontvangen deze handreiking in het tweede kwartaal 2012.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of arbeidsmatige dagbesteding volgens de regering bij kan dragen aan het vinden van werk. Zij vragen of arbeidsmatige dagbesteding al of niet binnen de Wmo en de AWBZ dan ook mogelijk is als maatschappelijke tegenprestatie.

De dagbesteding via de AWBZ is bedoeld voor mensen met een (matige of zware) beperking en heeft tot doel de bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en het voorkomen van opname in een instelling of verwaarlozing van de cliënt. De dagbesteding is niet gericht op het vinden van werk.

Zowel de Wmo als de WWNV draagt gemeenten op om burgers maximaal te ondersteunen om te participeren. De compensatieplicht in het kader van de Wmo is erop gericht dat burgers met beperkingen door hun gemeente in staat worden gesteld om dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daarover regie te voeren. In overleg met betrokkene kan de gemeente bepalen wat de beste invulling van de compensatieplicht is.

De gemeente kan van mensen met een uitkering op basis van de WWNV (nu WWB) een tegenprestatie naar vermogen vragen in de vorm van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden. De invulling ervan behoort tot de beleidsvrijheid van de gemeente. Het ligt niet voor de hand om dagbesteding te zien als een tegenprestatie. Dagbesteding is gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en kan niet verplicht worden opgelegd. De tegenprestatie daarentegen kan worden opgedragen om iets terug te doen voor de samenleving die de kosten van de uitkering opbrengt. Daarbij zullen gemeenten rekening dienen te houden met de specifieke omstandigheden van de belanghebbende.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het klopt dat mensen met werkvermogen alleen nog voor een ZorgZwaartePakket in aanmerking kunnen komen zonder de functie begeleiding.

Dat klopt niet. Alleen de extramurale begeleiding wordt gedecentraliseerd. Mensen met werkvermogen kunnen in principe ook in aanmerking komen voor een ZorgZwaartePakket. Begeleiding kan van dit pakket een onderdeel uitmaken.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven welke maatregelen uit 2011 en 2012 zullen leiden tot een groter beroep op bijzondere bijstand? Zij vragen tevens of kan worden gemotiveerd en inzichtelijk gemaakt waarop de veronderstelling is gebaseerd dat een verhoging van 90 miljoen euro van het budget voor de bijzondere bijstand volstaat om deze effecten op te vangen.

De regering heeft vanwege de noodzaak om de uitgaven te beperken, het huishoudboekje van de overheid op orde te brengen en de economie draaiend te houden, inmiddels een groot aantal maatregelen genomen. In veel gevallen raken deze maatregelen de inkomens van burgers. Het kabinet heeft zich ingespannen om de effecten van de bezuinigingen op de koopkracht zo evenwichtig mogelijk te verdelen over verschillende groepen. Hierbij is ook rekening gehouden met het uitgangspunt dat werken lonend moet zijn en blijven. Door goed te kijken naar de invulling van bezuinigingen en generieke maatregelen in de sfeer van belastingen en premies is het dit kabinet gelukt om – ondanks de noodzakelijke ombuigingen – tot een evenwichtig koopkrachtbeeld te komen. Hierbij heeft het kabinet de groep van huishoudens op het minimumniveau die er meer dan 5 procent op achteruit gaan, weten te beperken tot minder dan 10 000. Voor degenen met de laagste inkomens die desondanks in de verdrukking komen, is voor 2012 90 miljoen euro extra beschikbaar gesteld voor bijzondere bijstand. Gezien de omvang van de doelgroep acht de regering dit voldoende.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe het staat met de uitvoering van de motie Sterk, waarin de regering wordt gevraagd om een regeling binnen de bijzondere bijstand uit te werken voor de onvermijdbare kosten voor levensonderhoud van gezinnen met drie of meer volwassen personen die wel willen werken naar niet kunnen werken of niet langer in staat zijn om te werken.

Over de mogelijkheden van de inhoudelijke invulling van de motie Sterk via de verlening van bijzondere bijstand heeft overleg plaatsgevonden met de VNG, Divosa en een aantal gemeenten. De regering betrekt de uitkomsten van dit overleg bij de besluitvorming over de wijze waarop de motie Sterk zal worden uitgevoerd en zal uw Kamer hierover zo spoedig mogelijk informeren.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoeveel mensen met een arbeidsbeperking die onder de WWNV vallen te maken krijgen met de huishoudinkomenstoets. Ook willen zij weten hoe werken voor deze mensen aantrekkelijk wordt gemaakt nu de inkomsten gekort worden op de uitkering van andere gezinsleden.

Het kabinet verwacht dat in de structurele situatie circa 12 000 mensen met een arbeidsbeperking die onder de WWNV vallen te maken krijgen met de huishoudinkomenstoets. In de eerste jaren van de WWNV gaat het om enkele duizenden mensen. Dat aantal loopt langzaam op.

Werken wordt bijvoorbeeld aantrekkelijk gemaakt door het instrument loondispensatie. Dat is beschikbaar voor mensen met een arbeidsbeperking die onder de huishoudinkomenstoets vallen en geen 100 procent maar wel ten minste 20 procent van het minimumloon verdienen. Een gezinslid dat met loondispensatie werkt, heeft recht op fiscale arbeidskorting. Die wordt niet afgetrokken van de loonaanvulling. Het netto inkomen voor werkende gezinsleden komt hierdoor hoger uit dan voor gezinnen in de WWNV die niet werken. Hoe meer gezinsleden gaan werken, hoe groter dit effect.

HOOFDSTUK 2 ONDERSTEUNING NAAR WERK

Dit hoofdstuk behandelt de vragen over de ondersteuning naar werk (hoofdstuk 2 van de memorie van toelichting). Dit hoofdstuk gaat in op arbeidsinschakeling en re-integratie, re-integratie-instrumenten, plichten en sancties en (regionale) werkgeversdienstverlening. Ook beantwoordt dit hoofdstuk de vragen over het compensatiebeginsel en de mogelijkheid van detachering. Antwoorden op vragen over de arbeidsmarkt staan in hoofdstuk 1.

2.1 Arbeidsinschakeling en re-integratie

Middelen in gebundeld re-integratiebudget

De leden van de fractie van de VVD vragen wat de regering vindt van de bezwaren van een aantal gemeenten dat het gehele re-integratie budget opgaat aan de sw-sector.

De leden van de CDA-fractie constateren dat in de memorie van toelichting wordt gesteld dat vele Wsw’ers in staat zijn om -met begeleiding- bij een gewone werkgever te werken. Zij vragen hoe dit te rijmen valt met de halvering van het budget waaruit die begeleiding moet worden betaald. Daarnaast stellen zij dat uit berekeningen van Cedris25 blijkt dat 80 procent van het budget opgaat aan loonkosten van de huidige Wsw’ers. Biedt dat nog voldoende mogelijkheden om medewerkers en werkgevers op een goede manier te begeleiden? In het wetsvoorstel wordt in de Wsw 22 050 euro per plek beschikbaar gesteld. Onderzoeksbureau K+V heeft berekend dat de reële kosten 27 000 euro bedragen. De leden van de fractie van het CDA vragen of kan worden aangegeven wat naar het oordeel van de regering de reële kosten per plek zijn.

De leden van de fractie van de SP vragen of de regering erkent dat door voorliggend wetsvoorstel te weinig geld beschikbaar is voor goede begeleiding en ondersteuning, waardoor werkgevers niet over de streep worden getrokken om mensen met een beperking in dienst te nemen.

De leden van de fractie van de SP vragen of het mogelijk is dat gemeenten vanwege de forse bezuinigingen op de re-integratiebudgetten moeten gaan werken met een wachtlijst voor re-integratie. Verder vragen de leden van deze fractie hoe een gemeente moet handelen op het moment dat het budget op is maar jonggehandicapten of bijstandsgerechtigden wel voorzieningen nodig hebben om de reguliere arbeidsplek te behouden.

De leden van de ChristenUnie-fractie stellen dat vanuit de VNG wordt aangegeven dat ruim de helft van de middelen voor re-integratie volledig zullen opgaan in de financiering van de sw. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering deze conclusie onderschrijft en zo nee, waarom dan niet. Deze leden vragen of de financiële positie van sw-bedrijven van invloed zal zijn op de beschikbaarheid van re-integratie instrumenten voor de andere doelgroepen binnen de WWNV.

Omdat gemeenten vanaf 2013 het «oude» zittende bestand aan Wsw’ers in de Wsw moeten houden stellen de leden van de fractie van GroenLinks dat 80 procent van het totale budget aan slechts 5 procent van de doelgroep besteed moet worden. Het overige deel van de doelgroep, de WWB-gerechtigden, Wajongers en niet-uitkeringsgerechtigden, is voor zijn of haar begeleiding naar werk aangewezen op de resterende 20 procent van het budget.

De leden van de GL-fractie stellen dat door het financiële kader en de verplichting om het «oude» zittende bestand Wsw’ers in de Wsw te houden worden de re-integratie en uitstroom mogelijkheden van WWB-gerechtigden, Wajongers, Wsw’ers en niet-uitkeringsgerechtigden in grote mate wordt beperkt. Nu gemeenten slechts 20 procent van het budget over hebben om Wajongers, WWB-gerechtigden, Wsw’ers en niet-uitkeringsgerechtigden aan het werk te helpen vragen de leden van de GroenLinks-fractie zich of daarmee de omvang en kwaliteit van de re-integratie-inspanningen niet dusdanig zwaar onder druk zal komen te staan waardoor deze groepen onvoldoende maatwerk geboden krijgen om duurzaam naar werk begeleid te kunnen worden.

De VVD-leden constateren dat voor wat arbeidsinschakeling en het hanteren van re-integratie middelen de gemeenten een grotere rol krijgen. Uit diverse onderzoeken blijkt zoals ook opgenomen in de memorie van toelichting dat gemeenten vaak dure re-integratie-instrumenten inzetten en dat de effecten van deze instrumenten kan worden verbeterd. Hoe valt deze verbetering volgens de regering te bewerkstelligen?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een toelichting waarom gemeenten met de beleidvrijheid die zij hebben ten aanzien van de besteding van het re-integratiebudget er beter in zullen slagen de grotere groep moeilijk te bemiddelen personen aan het werk te helpen, terwijl hier minder budget tegenover staat.

In het kader van de kabinetsformatie heeft de VNG in 2010 aan de formateur de notitie «Het perspectief van gemeenten» aangeboden. Daarin stelt de VNG dat: 3.4 Bij werk (o.a. Wajong, SW, WWB) moet worden gekozen voor een integrale benadering voor de verschillende doelgroepen ongeacht hun uitkeringsrechten. Met decentralisatie en maatwerk kunnen dan veel kosten worden bespaard en wordt de effectiviteit van re-integratie verhoogd. Met de WWNV geeft het kabinet invulling aan bovenstaand punt.

In zijn brief van 27 mei 2011 heeft de staatssecretaris van SZW uiteengezet dat gemeenten in 2015 een gebundeld re-integratiebudget van 2,6 miljard euro ontvangen voor uitvoering van de Wsw en voor de re-integratie van overige groepen in de WWNV.26 Uitgaande van 1,8 miljard euro voor circa 81 000 Wsw-plekken zouden gemeenten in 2015 circa 800 miljoen kunnen besteden aan trajecten en begeleidingskosten voor de WWNV-doelgroep. In de structurele situatie is er in het gebundeld re-integratiebudget 1,9 miljard beschikbaar, waarvan circa 670 miljoen euro voor de financiering van 30 000 Wsw-plekken en 1,2 miljard euro voor re-integratievoorzieningen voor de WWNV-doelgroep. Het beschikbare bedrag voor re-integratie bij gemeenten neemt dus geleidelijk toe van 722 miljoen in 2012 tot circa 800 miljoen in 2015 en ruim 1,2 miljard structureel.

In het gebundelde budget zijn de middelen opgenomen die worden overgeheveld van UWV voor jongeren met een arbeidsbeperking die niet meer in aanmerking komen voor de Wajong. In 2015 gaat het om circa 60 miljoen euro, structureel om circa 115 miljoen euro. Ook hevelt de regering geleidelijk middelen over van de Ziektewet-uitgaven van UWV aan gemeenten in verband met de inzet van de no-riskpolis. In 2015 bedraagt de overheveling circa 5 miljoen euro, structureel circa 40 miljoen euro. Ten slotte blijven in het gebundelde re-integratiebudget middelen beschikbaar voor werkplekaanpassingen en begeleiding van mensen die niet meer in aanmerking komen voor de Wsw. In 2015 gaat het om bijna 50 miljoen euro, structureel om bijna 380 miljoen euro.

Het bovenstaande betekent dat de ontwikkeling van de bedragen die gemeenten ontvangen voor de re-integratievoorzieningen voor de WWNV-doelgroep gelijke tred houden met de toename van de omvang van de WWNV-doelgroep. De stelling van de leden van de GroenLinks-fractie «dat 80 procent van het totale budget aan slechts 5 procent van de doelgroep besteed moet worden» onderschrijft de regering niet.

Het is aan de gemeenten om met deze middelen op een effectieve en efficiënte wijze hun verantwoordelijkheid voor Wsw’ers en de re-integratie van de WWNV-doelgroep in te vullen.

De gemeenten kunnen met minder middelen voor de uitvoering van de Wsw toe. Enerzijds omdat het aantal Wsw’ers van jaar op jaar gaat afnemen en anderzijds omdat er ruimte is voor een efficiëntere inzet van middelen; hierdoor is minder geld per Wsw-plek nodig. De efficiencykorting op de Wsw bedraagt van 2012 op 2015 jaarlijks 3,6 procent.

De VNG gaat er in haar berekeningen vanuit dat de middelen die gemeenten per Wsw-plek ontvangen voor de nieuwe instroom in beschutte werkplekken toereikend zijn.27

Voor het zittend bestand gaat de VNG er vanuit dat structureel een rijksbijdrage nodig is van 27 000 euro per plek. De VNG geeft hiermee aan geen enkele mogelijkheid te zien tot het verlagen van kosten, verhogen van opbrengsten of het verbeteren van efficiency. Dit scenario leidt er toe dat de Wsw-uitgaven een groot beslag leggen op het gebundeld re-integratiebudget. In de berekening van de VNG zou in 2015 2 177 miljoen aan de Wsw opgaan aan circa 81 000 plekken. Gemeenten zouden dan nog ruim 400 miljoen te besteden hebben aan trajecten en begeleidingskosten. De regering acht dit een irreële voorstelling van zaken. In zijn brieven van 27 mei 2011 en van 22 maart 2012 en bij verschillende debatten in de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van SZW uiteengezet dat er ruimte is voor efficiencyverbeteringen bij de uitvoering van de Wsw en ook bij de uitvoering van re-integratie.

Ook de commissie Toekomst en Transitie Sociale Werkvoorziening, ingesteld door de VNG en Cedris, onderschrijft de noodzaak tot hervorming van de uitvoering van de Wsw. De commissie onder voorzitterschap van de heer Westerlaken is van mening dat «in de toekomst een uitvoering van de Wsw mogelijk is die past binnen de huidige en toekomstige financiële kaders».28

Dat er ruimte is voor kostenefficiëntere uitvoering kan als volgt geïllustreerd worden.

Inzet op werk bij reguliere werkgever kritische succesfactor

  • Er zijn grote verschillen tussen sw-bedrijven onderling: sommige maken al jarenlang winst, andere draaien al jarenlang verlies.

  • Het bedrijfsresultaat kan verbeterd worden door meer in te zetten op begeleid werken (onder de cao van een reguliere werkgever) en/of op detachering van Wsw-geïndiceerden.

  • Uit de indicatiestelling blijkt dat bijna 50 procent van de doelgroep bij een reguliere werkgever zou kunnen werken. Er zijn grote verschillen tussen gemeenten in de mate waarin Wsw’ers extern, buiten het sw-bedrijf, werken. Sommige gemeenten hebben bijna 20 procent van hun populatie bij een reguliere werkgever in loondienst werken (begeleid werken), bij een landelijk gemiddelde van 6 procent.

  • Het aantal Wsw-medewerkers dat op detacheringsbasis werkt varieert tussen gemeenten onderling tussen 1 procent en bijna 75 procent.

Mogelijkheden voor verlaging kosten

  • De loonkosten maken op dit moment circa 73 procent van de totale kosten uit. Die dalen uit zichzelf al: de dure doelgroep van voor 1998 wordt steeds kleiner en maakt in 2015 naar schatting nog maar circa 40 procent van het bestand uit (2009: 53 procent).

  • Gemeenten kunnen verder sturen op de loonkosten, bijvoorbeeld door de ruimte in de Wsw-cao te gebruiken. Nieuwe instroom kan (maximaal) 5 jaar worden beloond op 100 procent WML.

  • Indien het gemiddelde loonniveau (nu 125 procent van het WML) daalt met 10 procent dan bespaart dit tentatief circa 200 miljoen op de loonkosten.

  • Er zijn ook mogelijkheden in de toepassing van loonschalen, periodieken, secundaire arbeidsvoorwaarden (bijvoorbeeld vervoersvoorzieningen). Voorts is er volgens de VNG op dit moment sprake van een zeer dure pensioenregeling.29

  • Door meer mensen extern te laten werken kan er bespaard worden op allerlei kosten, zoals huisvesting en facilitaire zaken.

  • Daarnaast is er het autonome effect van de daling van het zittend Wsw-bestand. Omdat van de uitstroom van circa 6 procent jaarlijks één derde wordt opgevuld door nieuwe mensen, neemt het bestand af. Hierdoor vallen ook (indirecte) kosten weg.

Mogelijkheden voor hogere opbrengsten

  • Door meer mensen bij reguliere werkgevers te laten werken kunnen de opbrengsten worden verhoogd.

  • Voor Wsw’ers die bij of voor een andere werkgever werken, krijgt de Wsw-uitvoerder een inleenvergoeding.

  • Ook hier doen zich grote verschillen voor, variërend van 6 000 tot 16 000 euro, bij gemiddeld circa 10 000 euro. Er is ruimte om inkomsten te vergroten door een marktconforme tariefstelling te hanteren. Wanneer deze gemiddelde inleenvergoeding met 1 000 euro stijgt, betekent dit een stijging van inkomsten van 30 miljoen euro op jaarbasis.

  • Het netto resultaat van kapitaalintensieve productieactiviteiten is vaak zwaar verlieslatend. Dit resultaat kan worden verbeterd door – in plaats van op deze verliesgevende werksoorten in te zetten – arbeidsontwikkeling en het plaatsen van mensen bij reguliere werkgevers en/of op werkzaamheden in de dienstverlenende sector, zoals schoonmaak, de groenvoorziening en postbezorging. Het mes snijdt dan aan twee kanten; de kosten gaan omlaag en de opbrengsten gaan omhoog.

De transitie naar een efficiëntere bedrijfsvoering is geen eenvoudige opgave. De commissie Toekomst en Transitie Sociale Werkvoorziening ziet in de overgangsperiode risico’s.

Om gemeenten bij het transitieproces te ondersteunen heeft het kabinet een herstructureringsfaciliteit gecreëerd. Het Rijk stelt daarvoor in de periode van 2012 tot 2018 400 miljoen euro aan gemeenten beschikbaar.30 Het is aan gemeenten om, afhankelijk van de lokale omstandigheden, het einddoel van de herstructurering te bepalen en de wijze waarop dat doel bereikt gaat worden.

Door een efficiëntere uitvoering van de Wsw te realiseren houden gemeenten middelen beschikbaar voor de re-integratie van de overige groepen in de WWNV. Het door de VNG geschetste beeld van gemeenten die niet of nauwelijks middelen hebben voor de re-integratie van niet-Wsw’ers hoeft zich dan ook niet voor te doen.

In haar berekeningen is de regering er vanuit gegaan dat in het gebundelde re-integratiebudget 2015 (fictief) circa 800 miljoen euro voor de re-integratie van de overige groepen in de WWNV beschikbaar is. Gemeenten kunnen hiermee een breed scala aan re-integratie-instrumenten voor ondersteuning van de groepen in de WWNV financieren.

De middelen voor de aanvullende uitkering bij loondispensatie worden gefinancierd uit het I-deel. Gemeenten hoeven dus niet, zoals nu bij loonkostensubsidie, een beroep te doen op het gebundeld re-integratiebudget voor deze kosten.

Re-integratie instrumenten kunnen efficiënter ingezet worden. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat re-integratie:

  • selectiever kan: nog te veel geld wordt ingezet voor mensen die op eigen kracht de arbeidsmarkt op kunnen;31

  • effectiever kan: uit onderzoek blijkt dat de netto effectiviteit van re-integratiebeleid varieert tussen de 2 procent en 20 procent.32 Deze resultaten moeten (en kunnen) omhoog. Kennis van wat wel en niet werkt bij re-integratie leidt tot minder verspilling; 33

  • vraaggerichter kan: re-integratie gericht op de vraag van de werkgever vergroot kans op werk;33 en

  • goedkoper kan: trajecten van gemeenten zijn met gemiddeld 10 000 euro twee a drie keer zo duur als trajecten bij UWV voor Wajong (3500 euro – 3 800 euro) en Werkloosheidswet (WW) (4 600 euro).34 In 2010 ging nog ongeveer een kwart van het re-integratiebudget op aan gesubsidieerde banen »oude stijl». Instroom- en doorstroombanen (ID-banen) zijn al in 2004 afgeschaft. Het is de keuze van gemeenten zelf om deze dure voorziening in stand te houden. Gemeenten die deze dure voorziening afbouwen, creëren ruimte om het beschikbare budget efficiënter in te zetten. In welk tempo dit gebeurt is aan gemeenten. Zij kunnen zelf kiezen hoe het re-integratiebeleid wordt ingevuld.

Toepassing van deze uitgangspunten leidt ertoe dat met de beschikbare middelen en instrumenten gemeenten in staat zijn mensen met afstand tot de arbeidsmarkt te ondersteunen. Een verdere professionalisering van casemanagers is hierbij noodzakelijk. Hiertoe investeert het ministerie van SZW tot 2014 bijna 2 miljoen in het programma «Impuls Vakmanschap». De focus van dit programma ligt op bevordering van methodisch werken door de uitvoering, zodanig dat casemanagers methodieken hanteren waarvan bewezen is dat deze effectief zijn. Re-integratie vereist maatwerk en moet worden ingezet voor de juiste mensen en op een juist tijdstip. De impuls wordt door Divosa en de VNG uitgevoerd. Het einddoel is te komen tot een hogere effectiviteit van re-integratiebeleid.

De leden van de fractie van de SP vragen hoeveel van de beschikbare middelen de regering inzet om langdurige begeleiding en ondersteuning te geven aan mensen met een beperking.

De middelen voor begeleiding en ondersteuning aan mensen met een beperking vormen onderdeel van het gebundelde re-integratiebudget. Voor mensen die niet meer in aanmerking komen voor de Wsw blijven middelen voor ondersteuning bij re-integratie beschikbaar in het gebundelde re-integratiebudget.

Voor mensen die niet meer in aanmerking komen voor de Wajong, worden middelen overgeheveld van UWV naar het gebundelde re-integratiebudget voor gemeenten. In 2015 bedraagt deze overheveling 58 miljoen euro. Structureel (vanaf 2019) gaat het om 116 miljoen euro.

Gemeenten bepalen zelf hoe zij de middelen in het gebundelde re-integratiebudget inzetten voor begeleiding en ondersteuning van hun doelgroepen.

De leden van de fractie van de SP vragen hoe een gemeente moet handelen op het moment dat het budget op is, maar jonggehandicapten of bijstandsgerechtigden wel voorzieningen nodig hebben om de reguliere arbeidsplek te behouden.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of gemeenten aanvragen voor werkvoorzieningen af kunnen wijzen omdat het geld op is.

De regering gaat er vanuit dat gemeenten bij een effectieve en efficiënte inzet over voldoende middelen beschikken voor begeleiding en ondersteuning van de WWNV-doelgroep. Het is aan de gemeenten om te bepalen hoe zij de middelen in het gebundelde re-integratiebudget inzetten. Gemeenten zijn verplicht om bij verordening regels te stellen voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen voor deze doelgroep. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om aanvragen voor werkvoorzieningen gemotiveerd af te wijzen.

De leden van de SP-fractie vragen wat de oorzaken zijn van de lagere arbeidsparticipatie van mensen met een beperking of grote afstand tot de arbeidsmarkt.

De factoren die de lagere arbeidsparticipatie verklaren, zijn dezelfde die door dit wetsvoorstel worden aangepakt. Voor het laten toenemen van de arbeidsparticipatie van mensen met een beperking is in de eerste plaats nodig dat de beeldvorming verandert. Dit vraagt om een cultuurverandering bij alle betrokkenen, zodat ook daadwerkelijk de focus is op wat iemand wel kan wat betreft werk. Daarvoor is nodig dat veel meer dan voorheen het onderwijs, de zorg en de re-integratie zijn gericht op arbeidsparticipatie. Een belangrijke bijdrage hieraan wordt geleverd door het activerender maken van het sociale zekerheidsstelsel. Het bestaan van verschillende regelingen zorgde ervoor dat niet de nadruk lag op de kortste weg naar werk, maar naar de regeling met de aantrekkelijkste voorwaarden.

Voor mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt geldt dat vaak eerst een belemmering uit de weg moet worden geruimd, voordat iemand in aanmerking komt voor een baan. Dat kan onvoldoende opleiding zijn of oorzaken in de persoonlijke sfeer.35

Al deze factoren dragen bij aan een lagere arbeidsparticipatie. Dit wetsvoorstel reikt instrumenten aan om belemmeringen te verminderen en kansen te vergroten. Deze moeten tezamen met de noodzakelijke cultuurverandering bij alle betrokkenen ervoor zorgen dat de arbeidsparticipatie gaat stijgen.

Gemeenten hebben in 2015 circa 2,6 miljard euro voor het re-integratiebudget inclusief beschut werk. De leden van de fractie van de VVD vragen zich af op welke wijze wordt bijgehouden hoe deze gelden worden besteed en hoe de resultaten van de re-integratie inzet worden gemonitord.

Het college van een gemeente stelt op basis van het door het Rijk verstrekte participatiebudget jaarlijks een begroting op, houdt vervolgens bij hoe deze gelden worden besteed en legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Met behulp van een SISA36 -bijlage bij de jaarrekening wordt aan het Rijk verantwoording afgelegd over de rechtmatige besteding van het geld dat gemeenten ontvangen voor de uitvoering van de Wsw en WWNV.

Daarnaast brengen de statistieken Bijstandsuitkeringen, statistiek re-integratie gemeenten en de statistiek Wet sociale werkvoorzieningen in beeld hoeveel mensen een inkomensvoorziening ontvangen, hoeveel mensen op een Wsw-plek werken en hoeveel mensen re-integratieondersteuning krijgen.

Het CBS koppelt deze statistieken met de polisadministratie en legt de resultaten vast in het jaarlijkse onderzoek «Uitstroom naar werk».

De leden van de fractie van de VVD vragen of er een benchmark wordt opgezet zodat gemeenten ook best practices met elkaar kunnen delen.

Het kabinet is het met de leden van de VVD-fractie eens dat een benchmark voor gemeenten toegevoegde waarde heeft. In de zogenoemde Kernkaart is reeds voor alle gemeenten informatie beschikbaar over het WWB-budget, uitkeringen en re-integratie, zodat zij hun prestaties onderling kunnen vergelijken.

Tijdens de plenaire behandeling van de SZW-begroting 201237 heeft de staatssecretaris van SZW toegezegd dit instrument te verbeteren. Hierdoor ontstaat meer inzicht in en transparantie over de prestaties van gemeenten bij het terugdringen van hun bijstandsbestand. Daar wordt nu aan gewerkt. Het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen levert, na consultatie bij een aantal gemeenten, deze zomer een ontwerp op van een verbeterde kernkaart. Het streven is deze nieuwe kernkaart voorjaar 2013 operationeel te hebben.

De leden van de fractie van GroenLinks-fractie vragen zich af waarom er, anders dan de één loket maatregel, geen specifiek beleid gericht op het betrekken van werkgevers als partner is opgenomen.

De regering geeft gemeenten beleidsvrijheid bij het invullen van de regionale werkgeversdienstverlening. Samenwerking met UWV is hierbij van belang. Gemeenten kunnen zo de aanpak afstemmen op de specifieke regionale situatie. Het is zaak dat gemeenten werkgevers daarbij betrekken: zij creëren immers het werk en nemen mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan.

Het Rijk faciliteert werkgevers om afspraken met gemeenten te maken. De staatssecretaris van SZW heeft de Tweede Kamer op 1 februari 2011 per brief geïnformeerd over de maatregelen van het kabinet en andere partijen om te bevorderen dat er werkplekken voor mensen met een arbeidsbeperking beschikbaar komen bij werkgevers.38 De maatregelen betreffen onder andere het invoeren van loondispensatie, het verbeteren van de regionale werkgeversdienstverlening en diverse maatregelen om de professionaliteit van de uitvoering te verbeteren.

Compensatiebeginsel

De leden van de VVD-fractie en de PvdA-fractie vragen in hoeverre het compensatiebeginsel uit de Wmo bijdraagt aan passend maatwerk bij de ondersteuning ten behoeve van (arbeids)participatie.

De leden van de fractie van het CDA vragen of is overwogen om het compensatiebeginsel uit de Wmo ook in de WWNV te brengen.

De leden van de fractie van D66 vragen naar de voor- en nadelen van het introduceren van een compensatieplicht in de WWNV, analoog aan de Wmo.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom de regering binnen de WWNV niet gekozen heeft voor een compensatiebeginsel zoals dat binnen de Wmo van toepassing is. Deze leden vragen tevens of een compensatiebeginsel in de WWNV, net als bij de Wmo, had kunnen bijdragen aan de totstandkoming van passend maatwerk aan ondersteuning om participatie en zelfredzaamheid van mensen mogelijk te maken. Genoemde leden vragen indien dit niet het geval is, waarom niet en welke bezwaren er volgens de regering zijn tegen het invoeren van een compensatiebeginsel binnen de WWNV.

Uit oogpunt van integraal beleid is het een goede gedachte om te kijken hoe de systemen van de verschillende stelsels op elkaar aansluiten. De mogelijkheden om lokaal maatwerk te bieden en zoveel mogelijk uit te gaan van de zelfredzaamheid en eigen mogelijkheden van mensen zijn zowel in de WWNV als de Wmo goed verankerd.

Net als in de Wmo staat in de WWNV de eigen verantwoordelijkheid van mensen centraal. Mensen zijn zelf verantwoordelijk om werk te kunnen vinden en te behouden. Degenen die niet zelfstandig de arbeidsmarkt kunnen betreden, kunnen een beroep doen op ondersteuning van de gemeente. De gemeente beslist over de noodzaak, vorm en inhoud hiervan.

Gemeenten zijn verantwoordelijk om de benodigde ondersteuning bij arbeidsinschakeling te bieden en -indien nodig- voor het bepalen en aanbieden van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Via de verordening die gemeenteraden ingevolge de WWNV dienen vast te stellen, geven gemeenten invulling aan hun beleid voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Daarbij moeten zij aandacht besteden aan de verschillende doelgroepen en passend maatwerk bieden. In het voorschrift om bij verordening regels te stellen is opgenomen dat gemeenten extra aandacht moeten besteden aan de nieuwe doelgroepen die met de WWNV onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid komen te vallen, onder wie ook niet-uitkeringsgerechtigden. Gemeenten moeten de beschikbare middelen daarbij evenwichtig inzetten.

Op deze wijze wordt inhoud gegeven aan de aanspraak op ondersteuning van mensen uit de WWNV-doelgroep tegenover de gemeente. Een cruciaal verschil tussen de Wmo en de WWNV is dat de Wmo een aanspraak kent op een resultaat en de WWNV een aanspraak op ondersteuning en/of een voorziening.

Gemeenten moeten op grond van de WWNV de arbeidsinschakeling faciliteren. De wet definieert niet het uiteindelijke resultaat – arbeidsinschakeling – van de inzet van de voorziening. Dit zou volgens de regering ook te ver gaan: gemeenten kunnen niet verantwoordelijk worden gehouden voor de arbeidsinschakeling. Dan zouden gemeenten ook onvoldoende werkaanbod of de afwezigheid van een startkwalificatie moeten compenseren. Dat is niet reëel. Uiteindelijk zijn mensen primair zelf verantwoordelijk om een baan te verkrijgen of een startkwalificatie te behalen. De resultaten die de gemeente onder de Wmo moet behalen, liggen veel meer binnen het bereik van de gemeente.

Opname van de compensatieplicht in de WWNV, zoals geformuleerd in de Wmo, ligt daarmee niet in de rede.

2.2 Instrumenten

Algemeen

In de memorie van toelichting wordt gesproken over de inzet van voorzieningen zoals brailleapparatuur, doventolk of jobcoach. De leden van de fractie van de SP vragen of de regering een schematisch overzicht kan geven van alle voorzieningen die onder de wet werken naar vermogen vallen, inclusief premiekortingen, etc.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke instrumenten vanuit de WWNV beschikbaar zijn om deze groep mensen (jongeren onder de 27 jaar) naar werk te begeleiden.

De leden van de fractie van de SP vragen of de regering per voorziening de criteria die gelden om hiervoor in aanmerking te komen kan omschrijven.

Deze leden vragen ook of de regering kan toelichten hoe lang iemand aanspraak kan maken op een dergelijke voorziening evenals het gebruik en de effectiviteit van de voorzieningen.

De leden van de PvdA-fractie en de ChristenUnie-fractie vragen of de regering een totaaloverzicht kan geven van de instrumenten en de bijbehorende budgetten die UWV in het kader van de nieuwe Wajongwet (ingangsdatum 1 januari 2010) heeft voor re-integratie van Wajongers en in welke mate, zowel qua instrumenten als budgetten, dit beschikbaar komt voor gemeenten per 1 januari 2013. De leden van de PvdA-fractie vragen tot slot hoe het budget dat meegaat naar gemeenten zich verhoudt tot de huidige UWV-uitgaven aan werknemersvoorzieningen (en zelfstandigenvoorzieningen).

UWV heeft op grond van de Wajong die op 1 januari 2010 van kracht is geworden een aantal instrumenten om Wajongers naar werk te begeleiden. Deze instrumenten staan in de wet.39 Als UWV oordeelt dat een voorziening of instrument nodig is, kunnen instrumenten als een re-integratietraject, loondispensatie, een werkvoorziening, een proefplaatsing of het doen van een passend werkaanbod worden ingezet. Daarnaast kunnen ook instrumenten worden ingezet die elders wettelijk zijn geregeld, zoals een no-riskpolis op grond van de Ziektewet (ZW) of een premiekorting arbeidsgehandicapten voor de werkgever. Tot slot kan UWV ook Wajongers direct bemiddelen naar werk, al dan niet op basis van convenanten die daarover met werkgevers zijn gesloten.

De begroting van SZW stelt jaarlijks aan UWV re-integratiemiddelen beschikbaar voor de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen, zoals een jobcoach of werkplekaanpassingen. Voor de inzet van zowel re-integratietrajecten als werkvoorzieningen beschikt UWV over een taakstellend budget. UWV stuurt op een selectieve en effectieve inzet van de beschikbare middelen. Deze middelen worden geleidelijk overgeheveld naar gemeenten voor de arbeidsondersteuning van jonggehandicapten die onder de WWNV gaan vallen. Een deel van deze re-integratiemiddelen blijft beschikbaar voor arbeidsondersteuning door UWV voor het zittend bestand Wajong.

Onderstaande tabel geeft de verdeling van de beschikbare re-integratiemiddelen Wajong over gemeenten en UWV weer.

Tabel 2.1 Verdeling re-integratie Wajong over UWV (inclusief REA-instellingen) en gemeenten

Verdeling re-integratie Wajong over UWV (inclusief REA-instellingen) en gemeenten

 

(in miljoenen euro)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Re-Wajong UWV

173

146

138

129

118

102

87

Overheveling naar gemeenten

14

43

58

72

87

101

116

Bij een aantal instrumenten kunnen geen budgetten worden overgedragen, omdat aan het instrument geen budget verbonden is. Zo gaat het bij een proefplaatsing bijvoorbeeld om werken met behoud van uitkering en bij loondispensatie om het ontheffen van een werkgever om het minimumloon te betalen.

Het is niet mogelijk om op voorhand de instrumenten te benoemen die gemeenten zullen inzetten en de criteria die gelden om voor deze instrumenten in aanmerking te komen, zoals de leden van de SP-fractie, de PvdA-fractie en de ChristenUnie-fractie vragen. Gemeenten zijn op grond van de WWNV zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij de ondersteuning van WWNV-ers naar werk inrichten en welke instrumenten zij daarbij inzetten. Voor jongeren tot 27 jaar zijn in beginsel dezelfde instrumenten beschikbaar als voor andere WWNV’ers. Gemeenten bepalen de daadwerkelijke inzet ervan.

De regering verwacht dat gemeenten in hun communicatie naar werkgevers ruimschoots aandacht zullen besteden aan het instrumentarium dat zij voor deze doelgroep inzetten. Het wetsvoorstel verplicht de gemeente tevens beleid vast te stellen voor de gemeentelijke no-riskpolis en voorzieningen voor mensen met beperkingen.

De leden van de fracties van de SP, het CDA, de VVD, de ChristenUnie en de PvdA vragen of de regering kan bevestigen dat ook na invoering van de WWNV het mogelijk blijft om mensen op detacheringsbasis bij werkgevers aan de slag te helpen. De leden van de fractie van de SP en het CDA vragen daarbij of de regering erkent dat werkgevers vooral baat hebben bij praktische ondersteuning en detacheringsconstructies en zo ja, waarom het wetsvoorstel niet voorziet in dergelijke praktische hulp, zoals jobcoaches en begeleiding.

De regering kan deze leden bevestigen dat ook na inwerkingtreding van de WWNV gemeenten, al dan niet via sw-bedrijven, het instrument (groeps)detachering kunnen inzetten. Gemeenten hebben beleidsvrijheid in de wijze waarop zij mensen naar werk begeleiden. Detacheringen behoren, ook nu al, tot de mogelijkheden. Gemeenten kunnen beleidsregels opstellen voor detacheringsbanen en het inzetten van praktische hulp op de werkvloer zoals begeleiding door een jobcoach. Het is aan de afzonderlijke gemeente om te bepalen of deze instrumenten worden ingezet.

De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel 16 en 17 jarige jongeren er sinds 1 januari 2009 gebruik hebben gemaakt van re-integratievoorzieningen en hoe effectief dat was.

De regering gaat er vanuit dat de leden van de PVV-fractie doelen op de mogelijkheid voor gemeenten om re-integratievoorzieningen aan te bieden aan jongeren die nog op school zitten. Gegevens over aantallen 16 en 17 jarigen jongeren die van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt en effectiviteit van de inzet zijn niet beschikbaar. Dit is een dusdanig kleine groep jongeren dat hiervan geen statistiek wordt bijgehouden.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in hoeverre het wetsvoorstel nadelige gevolgen heeft voor het vrijmaken van middelen door gemeenten voor de re-integratie van mensen met een taalachterstand.

Als van iemand in de WWNV op basis van een individuele beoordeling blijkt dat hij of zij niet of in onvoldoende mate de Nederlandse taal beheerst, zoals noodzakelijk voor het verkrijgen en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan dient de betrokkene zelf deze belemmering weg te nemen. Gemeenten kunnen, net als nu het geval is, hiervoor middelen uit het participatiebudget inzetten als de betrokkene de taalcursus niet zelf kan betalen.

De leden van de fractie van de SP vragen of de regering erkent dat voor een groot deel van de mensen met een beperking structurele en langdurige begeleiding en ondersteuning nodig is om zich op de arbeidsmarkt en de samenleving te handhaven. Zo ja, dan vragen genoemde leden op welke wijze deze structurele en langdurige begeleiding is geregeld.

Inderdaad zal gelden dat voor een deel van de mensen met een beperking langdurige begeleiding op de werkplek nodig kan zijn om bij een reguliere werkgever te kunnen blijven werken. Welke begeleiding dat is en voor hoe lang, is individueel maatwerk. Gemeenten nemen daarover regels op in de gemeentelijke verordening.

No-riskpolis

Vrijwel alle fracties hebben vragen gesteld over de no-riskpolis. Daarop gaat de regering hieronder in. Voor de overzichtelijkheid zijn de vragen gegroepeerd naar thema:

  • huidig gebruik van de no-riskpolis;

  • gemeentelijke no-riskpolis;

  • no-riskpolis en UWV;

  • de betekenis van de no-riskpolis voor werkgevers;

  • overige vragen over de no-riskpolis.

Voorafgaand: het kader

De no-riskpolis is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om mensen met arbeidsbeperkingen aan te nemen. Een no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Dit instrument is nu beschikbaar onder de huidige Wajong en ook gemeenten hebben zelf dit instrument reeds ontwikkeld en toegepast. Kenmerkend voor de WWNV is dat gemeenten de ondersteuning naar en bij werk uitvoeren, ook voor jongeren met arbeidsmogelijkheden die voorheen in de Wajong zouden zijn gekomen. Daarbij is ruimte voor maatwerk. Daaruit vloeit voort dat de eventuele inzet van een no-riskpolis in eerste instantie ook decentraal, door gemeenten, wordt bepaald en ingezet. Gemeenten kunnen op grond van de WWNV in een verordening zelf de hoogte en duur van de no-riskpolis bepalen voor WWNV’ers met beperkingen. Nadat de WWNV’er twee jaar zelfstandig minimaal het minimumloon heeft verdiend, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar UWV. Daarbij gelden de gebruikelijke regels voor reguliere werknemers met beperkingen.

Huidig gebruik van de no-riskpolis

UWV voert de no-riskpolis voor de huidige Wajongers uit. De leden van de VVD-fractie vragen de regering aan te geven hoeveel naar verwachting gebruik zal worden gemaakt van dit instrument. De leden van de fracties van VVD, PVV en D66 vragen hoeveel no-riskpolissen gemeente al hebben ingezet de afgelopen jaren voor mensen in de WWB en de WIJ. De leden van de D66-fractie zijn benieuwd bij hoeveel mensen en bij welk percentage van de totale doelgroep dit instrument wordt gebruikt. De leden van de D66-fractie en de PVV-fractie vragen of er informatie bekend is over de effectiviteit van het aanbieden een no-riskpolis.

Gemeenten kunnen in de huidige situatie al gebruik maken van de no-riskpolis voor mensen die tot de gemeentelijke doelgroep behoren. Dit is gemeentelijke beleidsvrijheid. Een aanzienlijk deel van gemeenten maakt gebruik van de regeling «nieuwe start zonder risico» die door de VNG en een verzekeraar is opgezet en die voorziet in een no-riskpolis voor de huidige gemeentelijke doelgroep40. Deze polis vergoedt loonschade bij ziekteverzuim. Volgens de informatie op de website heeft een derde van de gemeenten een polis afgesloten; dit geldt voor tweederde van de grote 30 gemeenten. Verdere gegevens, bijvoorbeeld over de aantallen polissen, gemiddelde omvang van de dekking (bijv. de duur van de dekking) en resultaten (hoeveel mensen zijn ermee aan het werk geholpen) zijn niet bekend. Het gebruik van de no-riskpolis zal vanwege deze beleidsvrijheid per gemeente verschillen.

Over de effectiviteit van de no-riskpolis is voor zover bekend geen onderzoeksmateriaal voorhanden. Wel blijkt, bijvoorbeeld uit de derde tussenrapportage voor de pilot loondispensatie, dat werkgevers een no-riskpolis een belangrijk instrument vinden.41

Werkgevers die iemand met een beperking in dienst willen nemen, willen vooraf duidelijkheid over de financiële gevolgen mocht iemand onverhoopt wegens ziekte uitvallen. De wetenschap dat zij voor de doorbetaling van loonkosten bij ziekte geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd kan werkgevers over de streep trekken om iemand aan te nemen. Duidelijkheid vooraf is dus van groot belang. In de fase waarin de no-riskpolis wordt toegekend, zijn er voor de gemeente nog geen kosten. Die kosten worden pas gemaakt wanneer iemand wegens ziekte uitvalt, naarmate de duur van de ziekte korter is, zijn de kosten lager.

Gemeentelijke no-riskpolis

De leden van de PvdA-fractie vragen voor wie de no-riskpolis nu bedoeld is: voor de hele doelgroep WWNV of voor alleen de groep met loondispensatie. Verder vragen deze leden of het aan de gemeente is om dit te bepalen. De leden van de CDA-fractie hebben dezelfde vraag.

De leden van de SP-fractie informeren wat de reden is dat de no-riskpolis alleen geldt voor mensen met een arbeidsbeperking en voor de doelgroep loondispensatie. De leden van de D66 fractie vragen zich af of het klopt dat het instrument van de no-riskpolis voor alle mensen in de WWNV ingezet mag worden. Zo ja, dan zijn de leden benieuwd waarom er een discrepantie zit in de doelgroepen voor de no-riskpolis en de premiekorting arbeidsgehandicapten.

Volgens de memorie van toelichting moet in een verordening vastgelegd worden hoe het beleid is bij no-riskpolis voor doelgroep loondispensatie en doelgroep arbeidshandicap. De leden van de fracties van de PvdA, het CDA en de ChristenUnie vragen waarom dat onderscheid wordt gemaakt en wie vaststelt dat er sprake is van een arbeidshandicap en hoe de uitspraak wordt geformaliseerd, zodat je er als klant rechten aan kunt ontlenen.

Jonggehandicapten met arbeidsvermogen gaan tot de doelgroep van de WWNV behoren. Het gaat om een kwetsbare doelgroep en daarom regelt het wetsvoorstel – via een nieuw artikel 3a van de Wet op het participatiebudget – dat gemeenten in een verordening beleid dienen vast te leggen over de hoogte en duur van de no-riskpolis.

Deze verordeningsplicht geldt niet voor alle WWNV’ers, maar alleen voor twee groepen die beperkingen hebben. De eerste groep betreft mensen die tot de doelgroep van loondispensatie behoren en dus vanwege een verstandelijke, lichamelijke en/of psychische beperking, dan wel om andere redenen, niet zelfstandig 100 procent van het minimumloon kunnen verdienen. Hiermee wordt echter niet volstaan. De tweede groep betreft mensen die wel zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen, maar die een beperking hebben. Deze twee groepen vallen op grond van het wetsvoorstel ook onder de doelgroep van de premiekorting arbeidsgehandicapten.

De gemeente stelt vast of iemand een arbeidsbeperking heeft en onder de doelgroep van de verordening valt. Bij mensen die loondispensatie werken, loopt dit gelijk op met de vaststelling of iemand voor dat instrument in aanmerking komt. Bij mensen die wel het minimumloon kunnen verdienen, beoordeelt de gemeente zelfstandig of sprake is van een beperking.

In beide gevallen leidt de gemeentelijke no-riskpolis tot een besluit ten aanzien van de werkgever. De WWNV’er is hierbij niet direct betrokken en kan hieraan dus ook geen rechten ontlenen, de no-riskpolis en een eventueel daar uit voortvloeiende vergoeding geldt immers voor de werkgever.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nader kan toelichten waarom gemeenten voor mensen die met loondispensatie werken voor de volledige duur van de loondispensatie verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de no-riskpolis. Zij vragen verder of dit kan betekenen dat gemeenten voor mensen die duurzaam niet het WML kunnen verdienen te allen tijde verantwoordelijk blijven.

Door de WWNV wordt de gemeente onder andere verantwoordelijk voor de arbeidsondersteuning van mensen die duurzaam niet het WML kunnen verdienen. Zolang iemand loondispensatie nodig heeft, zal de gemeente verantwoordelijk zijn, zij geeft immers de dispensatie. Dit betekent ook dat de gemeente beoordeelt welke overige voorzieningen nodig zijn voor het werk en ingezet moeten worden door de gemeente. De no-riskpolis is een van die voorzieningen. Mensen vallen voor wat betreft de inzet van voorzieningen niet langer onder de gemeente, als ze minimaal twee jaar zelfstandig minimaal het minimumloon verdienen. Dan geldt dat werkgevers en werknemers, net zoals bij iedere andere werknemer die voor het kunnen uitvoeren van zijn werk een voorziening nodig heeft, bij UWV een dergelijke voorziening kunnen aanvragen (inclusief no-riskpolis).

De leden van de SP-fractie vragen waarom gemeenten een maximumduur voor de no-riskpolis in een verordening moeten opnemen.

Werknemers en werkgevers, maar ook de gemeentelijke uitvoering, moeten van meet af aan helderheid hebben over hoogte en duur van de no-riskpolis. Vooral werkgevers, die door de no-riskpolis gedekt zijn tegen het risico op ziekte, moeten weten hoe lang die dekking duurt.

No-riskpolis en UWV

De leden van de VVD-fractie vragen om een nadere toelichting waarom er niet is gekozen om één uitvoeringsorganisatie (gemeente of UWV) verantwoordelijk te maken voor het hanteren van het instrument no-risk bij mensen met een beperking die zelfstandig het WML kunnen verdienen.

Dit zou tot onevenwichtigheden leiden in de systematiek. Gemeenten zouden dan niet alle instrumenten in handen hebben om mensen aan de slag te helpen. Daarom heeft de regering daar niet voor gekozen. Het is immers van belang dat gemeenten decentraal beleid kunnen voeren met ruimte voor maatwerk bij de arbeidsondersteuning van WWNV’ers.

Wat betreft de no-riskpolis is nu al sprake van een volgtijdelijk systeem dat aansluit bij de fase waarin de cliënt verkeert.

In de huidige situatie hebben gemeenten de eerste twee jaar de re-integratieverantwoordelijkheid voor de WWB-populatie. Gemeenten kunnen de eerste twee jaar zelf voorzien in een gemeentelijke no-riskpolis voor WWB’ers. Na twee jaar is aansluitend een no-riskpolis van UWV op grond van de Ziektewet mogelijk. De no-riskpolis van UWV is landelijk geregeld en kent een brede doelgroep, waartoe ook mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (Wet werken en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)/ Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz)/ Wajong) behoren.

De WWNV behoudt deze systematiek, maar legt wel een scherper accent op de gemeentelijke verantwoordelijkheid om mensen met beperkingen te begeleiden naar werk, omdat vanaf 2013 mensen met arbeidsbeperkingen tot de doelgroep van de WWNV gaan behoren. Daarom wordt de verantwoordelijkheid van gemeenten voor de gemeentelijke no-riskpolis versterkt met een verordeningsplicht voor WWNV’ers met beperkingen. Het uitgangspunt van gemeentelijke beleidsvrijheid brengt mee dat gemeenten daarbij vrij zijn de hoogte en duur van de no-riskpolis zelf te bepalen. Daardoor kunnen zij maatwerk leveren.

Als de gemeentelijke verantwoordelijkheid ophoudt – nadat iemand twee jaar zelfstandig minimaal het minimumloon heeft verdiend – dan valt de cliënt onder de verantwoordelijkheid van UWV. Een werkgever kan dan voor hem zo nodig aanspraak op een no-riskpolis van UWV doen.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de overweging is voor UWV om na twee jaar een no-riskpolis aan te bieden en wat is de mogelijkheid voor UWV om de hoogte en duur daarbij zelf te bepalen. Na twee jaar dienstverband wordt UWV verantwoordelijk voor de no-riskpolis. UWV kan echter alleen de no-riskpolis uitvoeren voor werknemers met een structureel functionele beperking, terwijl de doelgroep voor loondispensatie van gemeenten breder is. Zowel de leden van de PvdA-fractie als de leden van de CDA-fractie vragen hoe UWV dit moet oplossen.

UWV voert ten aanzien van de no-riskpolis wettelijke bepalingen uit die aangeven wie ervoor in aanmerking komt. Hoogte en duur liggen in de wet vast.42 De grens van twee jaar is gekozen om continuïteit te bieden en uit oogpunt van consistentie met de bestaande systematiek. Ook nu geldt dat als iemand twee jaar in het kader van de WWB onder de verantwoordelijkheid van de gemeente viel, de gemeente UWV kan verzoeken om te beoordelen of een no-riskpolis aangewezen is. De eerste twee jaar is doorgaans nodig om een stabiele werksituatie op te bouwen, dan kan ondersteuning vanuit gemeenten gewenst zijn.

De no-riskpolis van UWV is wettelijk bepaald en maakt onderdeel uit van de Ziektewet. De duur en de hoogte zijn daarin wettelijk verankerd, in lijn met het karakter van de werknemersverzekeringen. UWV kan hier niet van afwijken.

WWNV’ers komen op grond van dit wetsvoorstel in aanmerking voor een no-riskpolis van UWV wanneer zij twee jaar zelfstandig het minimumloon hebben verdiend en een structureel functionele beperking hebben. Van zo’n beperking zal in elk geval sprake zijn wanneer een werknemer met loondispensatie heeft gewerkt. In de toelichting op het wetsvoorstel staat reeds dat dit in lagere regelgeving wordt vastgelegd. Deze nadere regelgeving geeft UWV houvast in de uitvoering. Het door de leden van de PvdA fractie en de leden van de CDA-fractie veronderstelde probleem voor UWV treedt daardoor niet op.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarop de aanname van de regering is gebaseerd dat als mensen vanuit de WWNV twee jaar op het WML werken, ze een stabiele plek op de arbeidsmarkt hebben. Kan de regering cijfers geven waarmee deze stelling te onderbouwing is, zo vragen deze leden.

De leden van de SP-fractie vragen of het klopt dat als mensen twee jaar het WML verdienen er sprake is van een stabiele plek op de arbeidsmarkt en dat zij na deze periode vallen onder de voorziening van de WIA, waarbij de no-riskpolis geldt voor de gehele periode dat de werknemer in dienst is.

De uitvoeringspraktijk laat zien dat jonggehandicapten die starten op de arbeidsmarkt vaak kortdurende arbeidsrelaties hebben.43 De praktijk wijst uit dat voor een bepaalde termijn arbeidsondersteuning nodig is. De periode van twee jaar sluit aan bij de huidige taakverdeling tussen gemeenten en UWV ten aanzien van de no-riskpolis. Gemeenten hebben de eerste twee jaar de re-integratieverantwoordelijkheid voor de WWB-populatie. Eerst na twee jaar is een no-riskpolis van UWV op grond van de Ziektewet mogelijk.

Mensen uit de WWNV-doelgroep die twee jaar het minimumloon hebben verdiend, hebben naar het oordeel van de regering een stabiele arbeidspositie. Zij kunnen dan, indien nodig, een beroep doen op ondersteunende instrumenten van UWV, zoals de no-riskpolis op grond van de Ziektewet of werkvoorzieningen op grond van de WIA. De duur van de no-riskpolis op grond van de Ziektewet is daarbij bepaald op vijf jaar. Deze periode geldt ook voor andere reguliere werknemers die tot de doelgroep van de no-riskpolis op grond van de Ziektewet behoren (zoals mensen met een uitkering op grond van de WIA/WAO/WAZ).

De leden van de SP-fractie vragen wat de reden is dat er zo’n groot onderscheid is tussen de no-riskpolis van de gemeenten en die van UWV.

Gemeenten moeten hun beleid inzake de no-riskpolis nog vaststellen. Het is voorbarig om nu al te concluderen dat er sprake is van een groot onderscheid tussen gemeenten en UWV.

De regering verwacht dat gemeenten bij het formuleren van hun beleid nadrukkelijk rekening zullen houden met de wensen van werkgevers. Zij kunnen bijvoorbeeld samenwerken met werkgevers en UWV op het regionaal niveau en zo tot afstemming komen. Het is in het belang van gemeenten om optimale dienstverlening aan werkgevers aan te bieden. Dit wetsvoorstel geeft hiervoor de kaders, het is aan gemeenten om deze decentraal uit te werken.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of voor de huidige Wajongers UWV de no-riskpolis blijft uitvoeren.

UWV blijft verantwoordelijk voor de huidige Wajongers, het zogenoemde zittend bestand Wajong. UWV blijft daarom ook verantwoordelijk voor de no-riskpolis voor deze groep.

De betekenis van de no-riskpolis voor werkgevers

De leden van de SGP-fractie wijzen op het belang dat werkgevers zo min mogelijke zorgen en risico’s hebben bij het in dienst nemen van mensen uit de WWNV-doelgroep. De leden van de SGP-fractie vragen of werkgevers er bijvoorbeeld op kunnen vertrouwen dat de no-riskpolis ononderbroken beschikbaar is voor werknemers uit de WWNV die zelfstandig het minimumloon gaan verdienen.

Deze leden vragen voorts waarom de beschikbaarheid van de no-riskpolis beperkt wordt tot vijf jaar. Erkent de regering, zo vragen deze leden verder, dat deze beperking een wezenlijke belemmering kan zijn voor werkgevers om mensen uit de doelgroep in dienst te nemen, terwijl de kosten voor inzet van de no-riskpolis relatief beperkt zijn voor de groep werknemers die langer dan vijf jaar zonder problemen in dienst is. Geeft een kosten-batenanlyse niet aan dat het voordeliger is deze beperking te schrappen, zo vragen deze leden.

Met de leden van de SGP-fractie is de regering van mening dat het voor werkgevers aantrekkelijk moet zijn om mensen uit de WWNV-doelgroep in dienst te nemen. De WWNV geeft de kaders aan waarmee gemeenten verdere invulling kunnen geven aan het beleid. Gemeenten zullen daarbij met name naar werkgevers voldoende helderheid dienen te verschaffen over de vergoeding bij ziekte om werkgevers over de streep te trekken. Daarom voorziet de WWNV in een verordeningsplicht voor gemeenten. De gemeente dient daarin de hoogte en duur van de gemeentelijke no-riskpolis te bepalen; de gemeente kan de duur echter niet op nul stellen.

Aansluitend op de gemeentelijke no-riskpolis kan, nadat de WWNV’er twee jaar het minimumloon heeft verdiend, een beroep worden gedaan op een no-riskpolis op grond van de Ziektewet. Die heeft een duur van vijf jaar, net zoals dat nu al geldt bij uitstroom uit de WIA/WAO naar een dienstbetrekking. De no-riskpolis van gemeenten en UWV biedt dus langer dan 5 jaar dekking van het ziekterisico. De regering verwacht niet, gegeven de verantwoordelijkheid van gemeenten en de no-riskpolis van UWV, dat de duur van de no-riskpolis een belemmering is voor werkgevers om mensen uit de doelgroep in dienst te nemen.

Overigens blijft voor de huidige Wajongers (zittend bestand) en mensen die nu begeleid werken op grond van de Wsw de no-riskpolis van onbepaalde duur gehandhaafd.

De leden van de PvdA-fractie vragen, net als de leden van de fractie van de ChristenUnie, of werkgevers te maken krijgen met mensen met arbeidsbeperkingen die afkomstig zijn van verschillende gemeenten of van UWV waardoor werkgevers worden geconfronteerd met verschillende no-riskpolissen (verschillen in duur, hoogte en voorwaarden) of zelfs geen no-riskpolis.

Uitgangspunt van de WWNV is dat gemeenten beleidsruimte hebben om landelijke beleidskaders uit te werken in eigen gemeentelijk beleid. Dat betekent onvermijdelijk dat er toepassingsverschillen tussen gemeenten kunnen bestaan en ook verschillen met UWV.

Dat is geen nieuw verschijnsel: gemeenten beschikken nu reeds over omvangrijke beleidsruimte. Een aanzienlijk deel van de gemeenten maakt overigens gebruik van de regeling «nieuwe start zonder risico» die samen met de VNG en een verzekeraar is opgezet en die voorziet in een no-riskpolis voor de huidige gemeentelijke doelgroep.44 Deze polis vergoedt loonschade bij ziekteverzuim. Dit illustreert dat gemeenten creatieve maatwerkoplossingen zoeken en vinden en er ook voor kunnen kiezen samen te werken met andere gemeenten.

Dit wetsvoorstel bevat een verordeningsplicht die gemeenten verplicht hun beleid inzake de no-riskpolis in een verordening vast te leggen. Het is dus niet mogelijk dat een gemeente geen no-riskpolis heeft.

De regering verwacht dat gemeenten bij het formuleren van hun beleid nadrukkelijk rekening zullen houden met de wensen van werkgevers. Zij kunnen bijvoorbeeld samenwerken met werkgevers en UWV op regionaal niveau en zo tot afstemming komen. Het is immers ook in het belang van gemeenten zelf om optimale dienstverlening aan werkgevers aan te bieden. Dit wetsvoorstel geeft hiervoor de kaders, het is aan gemeenten om deze decentraal uit te werken.

Voorts is in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet SUWI vastgelegd dat gemeenten en UWV samenwerken ten aanzien van de regionale werkgeversdienstverlening. Er komt één aanspreekpunt voor werkgevers in elke arbeidsmarktregio.

De leden van de fracties van de PvdA, het CDA, de VVD en de ChristenUnie stellen vragen over de relatie no-risk polis en WIA. Ten eerste, of het voor de werkgever aantrekkelijker is om een Wajonger van UWV aan te nemen dan een jongere met een arbeidshandicap van de gemeente, omdat de werkgever bij een Wajonger beschermd is tegen een verhoogde premie WIA, wanneer een werknemer onverhoopt toch de WIA instroomt en bovendien beschermd is tegen ziektekosten omdat de no-riskpolis van UWV duurt zolang de werknemer in dienst is. Ten tweede vragen de leden van de VVD-fractie of de werkgever, in geval van een no-riskpolis, een re-integratieverantwoordelijkheid heeft jegens de zieke werknemer die onder de WWNV valt.

Ten aanzien van de relatie no-risk polis en WIA bevestigt het kabinet dat het niet de bedoeling is dat werkgevers die iemand met beperkingen uit de WWNV-doelgroep in dienst nemen, later worden geconfronteerd met hogere kosten voor de uitkeringen in verband met de werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkeringen). Dit zou werkgevers er immers van kunnen weerhouden iemand uit de WWNV-doelgroep in dienst te nemen. De regering zal in een nota van wijziging de huidige «no-riskpolis» in de WGA verruimen met de WWNV-doelgroep met beperkingen. Dit is een technische wijziging van de «no-riskpolis» in de WGA die daarmee het verschil in positie wegneemt. Ten tweede bevestigt het kabinet dat de werkgever in geval van een no-riskpolis een re-integratieverantwoordelijkheid heeft jegens de zieke werknemer die onder de WWNV valt. Deze verantwoordelijkheid vloeit voort uit het Burgerlijk Wetboek (BW). Het BW verplicht de werkgever bij ziekte van een werknemer gedurende maximaal 104 weken tenminste 70 procent van het loon door te betalen. De werkgever is voorts verplicht een zieke werknemer binnen deze periode te re-integreren naar eigen werk of ander passend werk. Uiteraard geldt dit alleen als het dienstverband wordt voortgezet. De no-riskpolis betreft alleen de vergoeding voor loondoorbetaling, maar heeft geen gevolgen voor de andere verplichtingen van de werkgever.

Overige vragen over de no-riskpolis

Bij inzet van de no-riskpolis door UWV blijft de werkgever verantwoordelijk voor de re-integratieverplichtingen op grond van de Wet verbetering poortwachter. De leden van de PvdA-fractie en de leden van de CDA-fractie vragen hoe dat zit met werknemers met loondispensatie van de gemeenten.

De regering zal een nota van wijziging voorstellen voor de Wet Verbetering Poortwachter (WVP) waardoor het regime van die wet eveneens gaat gelden voor WWNV’ers.

Werkgevers zijn op grond van de WVP verantwoordelijk voor de re-integratie van hun zieke werknemers. Voor zieke werknemers die geen werkgever hebben, is UWV verantwoordelijk; hierbij geldt ook zoveel mogelijk het regime van de WVP.

De regering vindt het belangrijk dat ook voor de WWNV-doelgroep zoveel mogelijk het regime van de WVP gaat gelden. Dit betekent dat de gemeente voor de WWNV-doelgroep de rol krijgt die het UWV heeft voor zieke werknemers die geen werkgever hebben.

De uitvoeringspraktijk van de WVP laat zien dat zieke werknemers actief dienen te worden begeleid en dat daarbij bepaalde stappen worden gevolgd, die gericht zijn op de re-integratie van de cliënt.

Het wetsvoorstel regelt al dat gemeenten verantwoordelijk blijven voor de re-integratie van WWNV’ers die bijvoorbeeld met loondispensatie gaan werken in loondienst, maar hun baan verliezen wegens ziekte.

Ter invulling hiervan regelt de nota van wijziging dat voor gemeenten dezelfde re-integratieverplichtingen gelden die nu al gelden voor UWV ten aanzien van Ziektewet-gerechtigden. Hiermee vindt de beoogde aansluiting bij de WVP plaats.

Van gemeenten wordt verwacht dat zij bij ziekte een dossier bijhouden, een plan van aanpak opstellen en hieraan met de WWNV’er uitvoering geven. Wanneer de ziekte twee jaar duurt, dient de gemeente samen met de WWNV’er een re-integratieverslag op te stellen dat ingediend wordt bij UWV. Conform het huidige regime voor ZW-gerechtigden, zal UWV het re-integratieverslag toetsen en de uitkomsten van deze toetsing terugleggen bij gemeenten, zodat gemeenten hieruit lessen trekken voor de praktijk. Deze aanpak geeft gemeenten een goed handvat om de re-integratie te bevorderen en beperkt daarmee het risico dat ziekte leidt tot hogere ZW/WIA-uitgaven.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan toelichten wanneer en op welke manier de voorgestelde delegatiebepaling zal worden ingevuld en waarom artikel 29b ZW per ministeriële regeling regels stelt voor de toepassing en uitvoering van lid 2 van dat artikel. Deze leden vragen ook hoe de regering de rol van de Kamer ziet bij het stellen van deze regels en wanneer en op welke manier de voorgestelde delegatiebepaling zal worden ingevuld.

De voorgestelde delegatiebepalingen (lid 9 en 10) van artikel 29b van de Ziektewet zullen na parlementaire goedkeuring van de WWNV worden ingevuld. Deze regelingen kunnen dan op

1 januari 2013 in werking treden, samen met de WWNV. Het gaat om regels die noodzakelijk zijn om de no-riskpolis bij de Ziektewet te kunnen uitvoeren. Dit zijn ministeriële regelingen die de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op basis van de wet kan treffen.

Het gaat niet om een nieuwe bepaling: artikel 29b van de Ziektewet kent thans vergelijkbare delegatiebepalingen naar een ministeriële regeling, namelijk voor werknemers met arbeidsbeperkingen die vanuit de WWB zijn gaan werken. Bij de voorgestelde delegatiebepalingen gaat het onder meer om een invulling van de doelgroep van mensen met structureel functionele beperkingen. Zoals de toelichting aangeeft is de regering voornemens om in elk geval hieronder de mensen te laten vallen die met loondispensatie werken. Zij komen voor een no-riskpolis van UWV in aanmerking als zij twee jaar het minimumloon hebben verdiend.

Premiekorting en mobiliteitsbonus

De leden van de fracties van de PvdA , de SP en de ChristenUnie vragen wat de regering bedoelt met het bezien van de modaliteiten tot omvorming van de premiekorting naar een mobiliteitsbonus, in samenhang met de aanpak van werkgevers om banen beschikbaar te stellen voor mensen uit de doelgroep. De leden van de fractie van de VVD en de SGP vragen wanneer de uitwerking van de mobiliteitsbonus wordt verwacht. De leden van de fractie van de VVD vragen of bij de uitwerking van de mobiliteitsbonus rekening wordt gehouden met de verzilveringsproblematiek. De leden van de fractie van de SGP vragen hoe de regering de regeling beter beschikbaar wil maken voor kleine werkgevers en of zij terecht veronderstellen dat de mobiliteitsbonus een toeslag is en geen belastingkorting.

In het kader van het vitaliteitspakket beziet het kabinet de omvorming van bestaande premiekortingsregelingen in mobiliteitsbonussen.45 Op overeenkomstige wijze beziet het kabinet de modaliteiten van de omvorming naar een mobiliteitsbonus van de premiekorting arbeidsgehandicapten. Het kabinet verwacht hier de komende maanden nader uitwerking aan te kunnen geven. Een dergelijke mobiliteitsbonus is geen toeslag, maar een korting op af te dragen premies die een werkgever kan toepassen. Bij de uitwerking zal de vraag worden meegenomen of verzilvering in voldoende mate kan plaatsvinden. In dit verband is van belang dat met ingang van 2012 de verzilveringsproblematiek sterk is verbeterd. Vanaf 1 januari 2012 mag de werkgever de vermindering van de premieafdracht namelijk toepassen op een bredere basis dan voorheen. Zo mag hij deze toepassen op de premies voor de sectorfondsen WW, waardoor de grondslag is verbreed46. Het voorliggende wetsvoorstel voorziet er in dat de huidige premiekorting gaat gelden voor een grotere groep. De premiekorting arbeidsgehandicapten wordt uitgebreid tot werknemers die vanuit de WWNV gaan werken met het instrument loondispensatie. De regering is van mening dat door de verbreding van de doelgroep de regeling in hoge mate bijdraagt aan het bevorderen van de arbeidsmarktkansen van de doelgroep van de WWNV.

De leden van de fractie van de VVD en CDA vragen naar het gebruik van de huidige premiekortingsregeling. De leden van de fractie van het CDA vragen aanvullend of de regering de regeling effectief vindt en of de regeling voldoende bekend is bij werkgevers.

De premiekorting arbeidsgehandicapten stimuleert werkgevers om werknemers met een arbeidsbeperking in dienst te nemen, doordat de werkgever gedurende 3 jaar wordt gecompenseerd voor eventuele hogere kosten (bijvoorbeeld kosten voor begeleiding in het bedrijf). De premiekorting bedraagt 2 042 euro (voor Wajongers 3 402 euro). De regering vindt dit instrument van groot belang. Werkgevers worden ermee gestimuleerd werknemers met een arbeidsbeperking in dienst te nemen. Bekend is dat werkgevers veel belang hechten aan enige compensatie van bijkomende kosten bij het in dienst nemen van iemand met arbeidsbeperkingen (bijvoorbeeld kosten van begeleiding) en aan lage administratieve lasten. De premiekorting voorziet hierin. De premiekorting arbeidsgehandicapten is qua uitvoering eenvoudig en kan door werkgevers zelf worden toegepast. Er zijn dus weinig administratieve lasten. Ten aanzien van het gebruik geldt dat het aantal lopende dienstverbanden waarop de premiekorting werd toegepast in zowel 2010 als in 2011 circa 27 000 mensen bedroeg. Uit onderzoek van Regioplan ten behoeve van de tweede Wajongmonitor onder werkgevers blijkt dat het overgrote deel van de werkgevers bekend is met de beschikbare instrumenten.47 Desalniettemin kan de bekendheid van de beschikbare instrumenten nog worden vergroot, met name voor werkgevers zonder arbeidsgehandicapten in dienst. Het ligt in de rede dat gemeenten in hun contacten met werkgevers de beschikbare instrumenten nadrukkelijk onder de aandacht brengen. Het is immers ook in het belang van gemeenten zelf om optimale dienstverlening aan werkgevers aan te bieden en zo de bereidheid van werkgevers te vergroten om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen.

De leden van de fractie van de VVD vragen welke groepen onder de groep werknemers vallen die naar het oordeel van UWV een structurele functionele beperking hebben. De leden van de fractie van D66 vragen of met de aanpassing van de doelgroepomschrijving voor de premiekorting arbeidsgehandicapten extra of minder mensen in aanmerking komen voor de premiekorting ten opzichte van de huidige situatie. En zo ja, dan vragen de leden van de fractie van D66 om aan te geven welke groepen er bij gaan komen of er buiten gaan vallen.

UWV beoordeelt -ook nu al- of er sprake is van structurele functionele beperkingen. Het gaat bijvoorbeeld om mensen die hulpmiddelen nodig hebben om te kunnen werken, zoals werkplekaanpassingen, brailleapparatuur, aangepast vervoer, etc. De premiekorting arbeidsgehandicapten wordt uitgebreid tot werknemers die vanuit de WWNV gaan werken met het instrument loondispensatie. De groep die in aanmerking komt voor de premiekorting, wordt daardoor groter dan voorheen.

Voorzieningen

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom er in tegenstelling tot de bestaande wetgeving geen aandacht meer wordt geschonken aan bijzondere categorale voorzieningen voor slechtzienden en blinden.

De WWNV kent voor de verstrekking van werkvoorzieningen een andere structuur dan de huidige Wet WIA en Wet Wajong. Ondersteuning naar en bij werk wordt decentraal door gemeenten uitgevoerd. Om gemeenten maatwerk te kunnen laten leveren, is het belangrijk dat gemeenten de inzet bepalen van voorzieningen die nodig zijn om te kunnen werken. Gemeenten zijn verplicht om in een verordening te omschrijven onder welke voorwaarden mensen met een arbeidsbeperking voor welke voorzieningen in aanmerking komen. Ook regelt de verordening hoe de uitkering ten behoeve van de re-integratievoorzieningen evenwichtig over verschillende doelgroepen wordt verdeeld. Daarbij zal specifieke aandacht zijn voor mensen die vanwege een arbeidsbeperking een grotere afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Dit kan het geval zijn bij slechtzienden en blinden.

De benodigde middelen voor de inzet van voorzieningen – waaronder voorzieningen voor slechtzienden en blinden – worden geleidelijk van UWV naar gemeenten overgeheveld. Een deel blijft beschikbaar voor ondersteuning door UWV voor het zittend bestand Wajong.

De leden van de SP-fractie vragen waarom de regering er niet voor kiest de uitvoering van de voorzieningen voor mensen met een beperking in het algemeen en de jongeren in het bijzonder, bij UWV te laten.

Indien de werkvoorzieningen bij UWV zouden blijven, zou dit de integrale aanpak van gemeenten beperken. De WWNV stelt gemeenten in staat een samenhangende aanpak te ontwikkelen voor mensen met een (grote) afstand tot de arbeidsmarkt. Belangrijk is dat gemeenten daarbij over een breed instrumentarium kunnen beschikken en zo maatwerk kunnen leveren. Van belang is dat gemeenten dit instrumentarium kunnen inzetten in samenhang met voorzieningen op andere terreinen waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn of binnenkort worden, zoals (jeugd)zorg, welzijn, schuldhulpverlening en begeleiding vanuit de AWBZ. Een aspect van deze samenhangende aanpak is dat gemeenten zelf kunnen bepalen hoe zij de uitvoering van voorzieningen voor het werk vormgeven. Het bij UWV laten van de uitvoering sluit hier niet op aan.

De leden van de PvdA-fractie vragen aandacht voor de situatie dat een werkgever iemand uit de doelgroep WWNV in dienst neemt en er na ingang van het dienstverband blijkt dat een voorziening nodig is. Zij vragen of de werkgever daar dan recht op heeft.

De leden van de ChristenUnie-fractie stellen een nagenoeg gelijke vraag. Zij vragen op welke ondersteuning vanuit de WWNV een werkgever recht heeft als de werkgever een werknemer uit de doelgroep van de WWNV aanneemt en na de ingang van het dienstverband blijkt dat een voorziening nodig is.

De leden van de PvdA-fractie vragen verder wat de procedure is rond werknemers en zelfstandigen die een verlenging nodig hebben voor een lopende voorziening.

Gemeenten kunnen ten behoeve van mensen uit de WWNV-doelgroep voorzieningen beschikbaar stellen voor de ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze kunnen ook worden verstrekt na ingang van het dienstverband. Het is ook mogelijk een werkgever een vergoeding te geven voor voorzieningen ten behoeve van zijn werknemer. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een noodzakelijke aanpassing van de werkplek waarbij het gaat om voorzieningen die naar hun aard verbonden zijn met het bedrijf en niet meeneembaar zijn. Het is belangrijk dat gemeenten de werkgevers zoveel mogelijk maatwerk bieden.

Werknemers en zelfstandigen die onder de WWNV vallen, kunnen zich voor een verlenging van een lopende voorziening wenden tot de gemeente. Het betreft dan bijvoorbeeld werknemers met loondispensatie of zij die, startend vanuit de WWNV, nog geen twee jaar WML hebben verdiend. Werknemers en zelfstandigen, die onder de WWNV vallen, kunnen zich wenden tot het UWV.

De leden van de PvdA-fractie hebben een vraag gesteld over de situatie dat iemand vanuit WWNV werk vindt op WML niveau en van de gemeente een begeleidingsvoorziening krijgt die permanent noodzakelijk is om te kunnen werken. De leden van de PvdA-fractie vragen of UWV na twee jaar verplicht is deze voorziening over te nemen. Zij vragen zich af hoe het zit met personen die wel deze voorziening nodig hebben maar geen structureel functionele beperkingen hebben.

UWV kan op grond van de Wet WIA voorzieningen verstrekken aan mensen die met ondersteuning van de gemeente zijn gaan werken en twee jaar het minimumloon hebben verdiend. Voorwaarde om voor voorzieningen op grond van de Wet WIA in aanmerking te kunnen komen, is dat er bij de betrokkene sprake is van een structurele functionele beperking. De overgang van verantwoordelijkheid van lopende voorzieningen die door de gemeente zijn verstrekt, gaat gepaard met een aanvraag. Op basis van de Wet WIA en beleidsregels van UWV beoordeelt UWV of de voorziening op basis van de Wet WIA wordt toegekend. Het is afhankelijk van het type begeleiding of deze permanent kan worden toegekend. Begeleiding in de vorm van een voorleeshulp voor blinden, kent bijvoorbeeld geen limitering in tijd. Voor begeleiding in de vorm van jobcoaching gaat UWV-beleid er vanuit dat deze bij eenzelfde werkgever standaard voor maximaal drie jaar wordt toegekend. In uitzonderingssituaties kan UWV de voorziening langer laten doorlopen.

De leden van de SP-fractie vragen of het recht van doven en slechthorenden op een tolk in de werkvoorziening en de coördinerende en toetsende rol van UWV in deze onder de WWNV blijft bestaan. Zo ja, waaruit blijkt dat dan. Zo nee, waarom niet.

Mensen die werkzaam zijn in de sociale werkvoorziening en voor wie op het werk een tolk noodzakelijk is, kunnen hiervoor een beroep doen op het sw-bedrijf. De Wsw-doelgroep is uitgesloten van de aanspraak op inzet van de werkvoorzieningen van UWV, omdat die taak onder de verantwoordelijkheid van gemeenten valt. Dat is nu al zo en blijft zo na inwerkingtreding van de WWNV. UWV had en heeft hier dus geen coördinerende en toetsende rol.

Starten als zelfstandige

De leden van de VVD-fractie ondersteunen de mogelijkheid om arbeidsgehandicapten ook te begeleiden naar het starten als zelfstandige. Zij vragen zich af wat de mogelijkheden op dit moment zijn en vragen of de regering meer instrumenten ziet om dit verder te stimuleren. Daarnaast vragen deze leden zich af welke kansen de WWNV met zich meebrengt voor mensen met verminderd verdienvermogen die een stap willen zetten naar zelfstandig ondernemerschap in plaats van werkzaam zijn in loondienst. Zij vragen welke instrumenten voor deze mensen worden ingezet om dit te bevorderen.

De regering stelt het op prijs dat de leden van de VVD-fractie de mogelijkheid ondersteunen om arbeidsgehandicapten ook te begeleiden naar het starten als zelfstandige. Mensen met een arbeidsbeperking die willen starten als zelfstandige kunnen nu ondersteuning krijgen in het kader van de Wet WIA of de Wajong48. Ook bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden kunnen een beroep doen op de Wet WIA. UWV kan voorzieningen als een starterskrediet, hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen verstrekken. Ook kan UWV een vergoeding geven voor de aanpassing van de arbeidsplaats. Starters kunnen tot maximaal een jaar na de start voor begeleiding in aanmerking komen. De regering vindt de huidige instrumenten voor startende zelfstandigen met een arbeidsbeperking voldoende.

Na inwerkingtreding van de WWNV zijn gemeenten verantwoordelijk voor de voorzieningen van bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking die starten als zelfstandige. Een gemeente kan hun ondersteuning bieden vanuit het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Zijn er naast inkomensondersteuning en krediet op grond van het Bbz nog andere ondersteunende voorzieningen nodig – bijvoorbeeld begeleiding, hulpmiddelen en een aanpassing van de arbeidsplaats – dan kunnen gemeenten die vergoeden uit het participatiebudget.

Het Bbz is er voor mensen die zich volledig op het zelfstandig ondernemerschap richten en na een startperiode op eigen benen kunnen staan. Gemeenten kunnen bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking die door een verminderd verdienvermogen onvoldoende inkomsten kunnen verwerven als zelfstandig ondernemer, ook laten starten als zelfstandige zonder het Bbz toe te passen. De voorwaarde geldt dan niet dat men na de startperiode zelfstandig een inkomen moet kunnen verdienen en niet meer afhankelijk is van een uitkering. Gemeenten kunnen ondersteunende voorzieningen bieden vanuit het participatiebudget en het inkomen aanvullen tot de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Gemeenten bepalen zelf of zij voor bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden de start als zelfstandige de meest geschikte weg naar integratie op de arbeidsmarkt vinden.

De leden van de VVD-fractie merken op dat een zelfstandige bij wie het inkomen twee jaren achter elkaar ten minste het WML bedraagt voor de voorzieningen een beroep kan doen op de Wet WIA. Deze leden vragen de regering dit nader uiteen te zetten, nu de WIA immers een werknemersverzekering is.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat wanneer een zelfstandige die gestart is vanuit de WWNV, twee jaar een inkomen ter hoogte van het minimumloon verdient, hij/zij een beroep kan doen op de WIA-voorzieningen. Zij vragen waarom er wordt gesproken over de eis van het minimumloon.

De leden van de PvdA-fractie merken voorts op dat pagina 10 van de memorie van toelichting meldt dat wanneer een zelfstandige die gestart is vanuit de WWNV twee jaar inkomen ter hoogte van het minimumloon verdient, een beroep kan doen op de WIA-voorzieningen. Zij vragen waarom er wordt gesproken over de eis van het minimumloon.

De Wet WIA kent sinds 2010 de mogelijkheid om voorzieningen toe te kennen aan bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking die willen starten als zelfstandige.49 Met de inwerkingtreding van de WWNV komt die mogelijkheid voor deze groep te vervallen. Dan is de gemeente verantwoordelijk voor de ondersteuning bij de start als zelfstandige.

Voor mensen uit de WWNV-doelgroep die in loondienst gaan werken en voorzieningen nodig hebben en twee jaar het minimumloon hebben verdiend, wordt aangenomen dat zij een stabiele plek op de arbeidsmarkt hebben. Dan komen zij voor de verstrekking van voorzieningen onder de werknemersverzekeringen te vallen en kunnen zij een beroep doen op de Wet WIA. De regering heeft deze lijn doorgetrokken naar mensen met een arbeidsbeperking die vanuit de WWNV als zelfstandige zijn gestart. Ook zij kunnen een beroep doen op de Wet WIA, nadat is voldaan aan de eis van twee jaar het minimumloon verdienen.

2.3 Plichten en sancties

Algemeen

De leden van de fractie van D66 zijn benieuwd welke sollicitatie- en re-integratieplicht er geldt voor de groep alleenstaande ouders met kinderen jonger dan zes jaar en of deze afwijkt voor de rest van de mensen in de WWNV. Indien voor alleenstaande ouders een soepeler regime geldt, dan zijn de leden benieuwd naar de financiële consequenties van het gelijktrekken van de sollicitatie- en re-integratieplicht.

De WWNV brengt geen wijzigingen aan in het regime van sollicitatie- en re-integratieplichten.

De leden van ChristenUnie-fractie vragen om welke redenen (werk)stages, vrijwilligerswerk en mantelzorg wel of niet als maatschappelijke tegenprestatie worden aangemerkt.

Het college van burgemeester en wethouders bepaalt de invulling van de tegenprestatie. Zij beoordeelt welke maatschappelijk nuttige activiteiten als tegenprestatie kunnen worden aangemerkt. Een tegenprestatie hoeft niet direct gericht te zijn op arbeidsinschakeling, maar mag die in elk geval niet in de weg staan.

Of (werk)stages als tegenprestatie kunnen worden opgelegd, hangt van de specifieke situatie af. Vaak zijn (werk)stages gericht op re-integratie of onderdeel van een opleiding.

Vrijwilligerswerk is geen tegenprestatie. Vrijwilligerswerk vindt plaats op eigen initiatief. De tegenprestatie daarentegen wordt opgedragen door de gemeente. De tegenprestatie kan alleen worden verlangd bij het ontvangen van een uitkering.

Mantelzorg kan ook niet als tegenprestatie worden opgelegd. Mantelzorg is langdurige zorgverlening voor zieke familieleden of vrienden. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie. De tegenprestatie daarentegen is bedoeld om iets terug te doen voor de samenleving die de kosten van de uitkering opbrengt.

Verordeningsplicht

De leden van de fractie van de VVD vragen op welke termijn deze leden het wetsvoorstel tegemoet kan zien dat de toepassing van het sanctieregime in geval van overtreding van de inlichtingenverplichting wettelijk verplicht.

Het wetsvoorstel «Aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving» is op 20 maart 2012 ingediend bij de Tweede Kamer.

De leden van de VVD-fractie zijn verheugd dat gemeenten de beschikking krijgen over één gebundeld re-integratiebudget, waardoor er meer vrijheid ontstaat om dit budget naar eigen inzicht efficiënt en effectief in te zetten. Deze leden vragen hoe volgens de regering valt te voorkomen dat gemeenten re-integratie alleen hanteren voor mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt.

In dit kader vragen de leden van de PvdA-fractie of de regering vindt dat het voor gemeenten financieel het aantrekkelijkst is wanneer ze hun bestand «afromen», dus eerst de gemakkelijkst werkzoekenden re-integreren. Ook vragen deze leden of dat betekent dat de moeilijker te re-integreren groepen of niet-uitkeringsgerechtigden daardoor achterin de rij staan.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering erkent dat er een (perverse) prikkel wordt geïntroduceerd waardoor gemeenten vanwege de forse korting op de re-integratiebudget alleen zullen inzetten op mensen met een hoge loonwaarde, omdat dit voor gemeenten het goedkoopst is, zoals nu bijvoorbeeld al gebeurt in de gemeente Amsterdam.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke gronden de regering denkt dat gemeenten mensen die behoren tot de meest moeilijk te re-integreren doelgroep gaan helpen als gemeenten daar geen financiële prikkel toe hebben.

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het re-integratiebeleid van de WNV-doelgroep, inzet van re-integratie-instrumenten is een decentrale afweging. De meeste gemeenten weten dat het gebruik van re-integratiemiddelen voor mensen met goede kansen op werk weinig zin heeft, deze mensen komen ook zonder hulp aan een baan. De regering ziet dat steeds meer gemeenten vooral investeren in personen die hulp nodig hebben – zoals langdurig werklozen en laagopgeleide werklozen – om een baan te bemachtigen. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is de zogenoemde participatieladder. Volgens Divosa hanteert 83 procent van de gemeenten de participatieladder.50 Verhoudingsgewijs wordt volgens Divosa veel geïnvesteerd in personen op trede drie; personen die re-integratie ondersteuning nodig hebben om verdere stappen te kunnen maken.51 Gemeenten hebben er financieel ook meer baat bij als zij re-integratie instrumenten inzetten voor personen die deze daadwerkelijk nodig hebben.

Onderzoek laat wel zien dat hulp aan mensen met een relatief kleine afstand tot de arbeidsmarkt, in de vorm van arbeidsbemiddeling, sollicitatietrainingen en dergelijke, effectief is.52 Re-integratietrajecten werken ook heel goed bij niet-uitkeringsgerechtigden, omdat zij gemotiveerd zijn om te gaan werken.53

De leden van de VVD-fractie willen graag weten wat de prikkels voor gemeenten zijn om niet-uitkeringsgerechtigden aan het werk te krijgen.

Volgens de CDA-fractie en de PvdA-fractie toont onderzoek aan dat de ervaring met bedienen van de niet-uitkeringsgerechtigden door gemeenten tot op heden slecht is verlopen, ondanks bepalingen in een verordening. Zij vragen op welke gronden de regering denkt dat in de huidige situatie met lage budgetten jongeren met een handicap (met ouders met inkomen) en lage verdiencapaciteit, dus behorend tot de meest moeilijk te re-integreren doelgroep, wel geholpen worden als de gemeenten daar geen financiële prikkel toe hebben. De leden van de CDA-fractie vragen tevens of een niet-uitkeringsgerechtigde recht op ondersteuning verliest.

De CDA- en PvdA-fractie refereren aan onderzoek dat bij de regering niet bekend is. Wel bekend is onderzoek van UWV en het CBS, waaruit naar voren komt dat er in totaal ruim 1,3 miljoen niet-uitkeringsgerechtigden in Nederland zijn. Dit zijn mensen die geen beroep op een uitkering (kunnen) doen en geen onderwijs (meer) volgen. Van hen willen er circa 300 000 werken.54

Bij UWV Werkbedrijf staan ruim 100 000 niet-uitkeringsgerechtigden ingeschreven. Zij kunnen gebruikmaken van de basisdienstverlening van UWV. Het zijn vooral de mensen met een redelijke baankans die zich melden bij UWV. Re-integratie van deze groep blijkt effectief, vooral omdat het om zeer gemotiveerde mensen gaat.55 De ingezette re-integratiemiddelen zijn hierop afgestemd en betreffen vooral begeleiding, sollicitatietraining en hulp bij bemiddeling.

Gemeenten hebben er belang bij om ook niet-uitkeringsgerechtigden aan een baan te helpen omdat hiermee de arbeidsparticipatie stijgt. Dit komt de samenleving ten goede. Een hoge participatie zorgt ook voor meer sociale cohesie, betere gezondheid en minder criminaliteit.

Verder is de actieve betrokkenheid van gemeenteraden bij de inzet en vormgeving van het gemeentelijke re-integratiebeleid belangrijk. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor een evenwichtige aanpak van de verschillende doelgroepen. Dit zal worden vastgelegd in een verordening.

In antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie of niet-uitkeringsgerechtigden recht op ondersteuning zullen verliezen geldt dat de toekomstige situatie voor niet-uitkeringsgerechtigden niet wezenlijk zal verschillen van de huidige situatie van niet-uitkeringsgerechtigden. Met de WWNV is loondispensatie juist een extra mogelijkheid om aan een baan te komen voor niet-uitkeringsgerechtigden die niet zelfstandig het WML kunnen verdienen.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoe wordt voorkomen dat niet-uitkeringsgerechtigden straks uit beeld verdwijnen en onnodig buiten het arbeidsproces komen te staan. De leden van de fractie van D66 vragen welke waarborgen zijn ingebouwd voor niet-uitkeringsgerechtigden en welke mogelijkheden op ondersteuning niet-uitkeringsgerechtigden hebben. De leden van de fractie van de SGP vragen welke verantwoordelijkheid de regering ziet weggelegd voor gemeenten met betrekking tot niet-uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking. Op welke minimale vorm van ondersteuning kunnen zij rekenen, zo vragen zij. Ook vragen deze leden op welke wijze is geregeld dat gemeenten in hun verordening aandacht besteden aan niet-uitkeringsgerechtigden. Tevens vragen de leden van de SGP-fractie welke inspanningen gemeenten moeten doen indien een niet-uitkeringsgerechtigde met loondispensatie aan de slag wil. Tot slot vragen deze leden hoe wordt onderzocht of gemeenten ook daadwerkelijk werk maken van hun verantwoordelijkheid.

De leden van de fractie van de SP vragen op welke wijze de regering wil voorkomen dat jongeren met een beperking die straks helemaal nergens meer recht op hebben, zo’n 6 000 jongeren per jaar, toch de nodige begeleiding en ondersteuning krijgen die noodzakelijk is.

Mensen hebben in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid om werk te vinden. Wanneer dit bijvoorbeeld door een arbeidsbeperking op eigen kracht niet mogelijk is, kan de gemeente ondersteuning bieden. Dat geldt ook voor niet-uitkeringsgerechtigden. Binnen deze eigen verantwoordelijkheid past ook dat niet-uitkeringsgerechtigden zich zelf bij de gemeente moeten melden als re-integratieondersteuning nodig is.

Gemeenten krijgen met dit wetsvoorstel expliciet de opdracht zorg te dragen voor de re-integratie van niet-uitkeringsgerechtigden. Het is aan gemeenten om te bepalen welk instrument daarbij wordt ingezet. Dit kan ook de inzet van loondispensatie betekenen. Zoals in antwoord op de vorige vraag is aangegeven hebben gemeenten een direct belang bij een hogere arbeidsparticipatie van niet-uitkeringsgerechtigden.

Gemeenten krijgen de plicht om in de verordening het gemeentelijk beleid met betrekking tot re-integratie van niet-uitkeringsgerechtigden vast te leggen. De regering vraagt daarbij specifieke aandacht voor mensen die vanwege een arbeidsbeperking een grotere afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Het gaat dan zowel om mensen met een WWNV-uitkering als om niet-uitkeringsgerechtigden. De gemeenteraad houdt toezicht op de uitvoering van dit beleid door de gemeente.

Indien een niet-uitkeringsgerechtigde met loondispensatie wil gaan werken, kan hij de gemeente verzoeken een aanvraag voor een toegangstoets te doen.

De leden van de PvdA-fractie vragen op welke wijze de wet de garantie biedt dat ook mensen met een zwaardere beperking aanspraak kunnen maken op ondersteuning bij hun re-integratie in de WWNV. De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze de regering voorkomt dat gemeenten ervoor kiezen alleen de mensen met een kortere afstand tot de arbeidsmarkt te re-integreren en mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt werkloos thuis op de bank laten zitten.

De WWNV verplicht gemeenten een verordening op te stellen met specifieke aandacht voor mensen die vanwege een arbeidsbeperking een grotere afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Gemeenten geven in deze verordening aan onder welke voorwaarden mensen met een arbeidsbeperking voor welke voorzieningen in aanmerking komen. Op deze wijze wordt veiliggesteld dat gemeenten ook aandacht besteden aan de mensen met een zwaardere arbeidsbeperking en grotere afstand tot de arbeidsmarkt.

De leden van de fractie van de SP vragen of de gemeenten met deze nieuwe wet verplicht zijn om iedereen (bijstandsgerechtigden, jonggehandicapten en niet-uitkeringsgerechtigden) die zich bij de gemeente meldt voor re-integratie te helpen.

De WWNV maakt gemeenten verantwoordelijk voor de ondersteuning bij arbeidsinschakeling van zowel bijstandsgerechtigden als niet-uitkeringsgerechtigden. Gemeenten moeten aan deze verantwoordelijkheid zelf invulling geven. Uitgangspunt daarbij is dat gemeenten uitsluitend ondersteuning bieden aan mensen die dat nodig hebben, maar daartoe niet verplicht zijn als uit de beoordeling van de persoonlijke omstandigheden blijkt dat mensen geen ondersteuning nodig hebben.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering nader kan preciseren welke elementen gemeenten moeten opnemen in een gemeentelijke verordening naar aanleiding van dit wetsvoorstel.

Met artikel IV onderdeel D van het wetsvoorstel Wet werken naar vermogen wordt in artikel 3a Wet participatiebudget vastgelegd welke zaken gemeenten in een verordening  vast dienen te leggen. In dit nieuwe artikel 3a wordt de verordeningsplicht opgenomen die in hoofdstuk 2 van het algemene deel van de memorie van toelichting is besproken. De verordening regelt:

  • a. de inhoud van de re-integratievoorzieningen voor de verschillende doelgroepen en de evenwichtige verdeling over de doelgroepen;

  • b. de inzet van de Wsw-voorzieningen met daarbij de bepaling dat ten minste eenderde van de uitstroom uit de Wsw-diensbetrekkingen van werknemers door natuurlijk verloop wordt aangewend voor nieuwe dienstbetrekkingen voor personen die in aanmerking komen voor beschutte arbeid op grond van het nieuwe criterium;

  • c. de inhoud van de gemeentelijke no-riskpolis, dat wil zeggen de vergoedingen aan de werkgever indien een werknemer ziek wordt, terwijl sprake is van een dienstbetrekking met loondispensatie of een andere dienstbetrekking waarnaar het college de werknemer heeft toegeleid die nog geen twee jaar duurt. Het gaat er om dat in de verordening wordt bepaald wat de hoogte en de duur van de vergoeding aan de werkgevers is.

  • d. de inhoud van de scholings- en opleidingsvoorzieningen, die de gemeente aanbiedt aan een persoon, die op een participatieplaats werkzaam is (onbeloonde additionele werkzaamheden) zoals geregeld in artikel 10a, vijfde lid WWNV) en de premie, die wordt verstrekt als beloning voor voldoende medewerking aan de arbeidsinschakeling (artikel 10a, zesde lid). De hoogte van de premie dient gerelateerd te zijn aan de armoedeval.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om een toelichting op welke doelgroepen de verordening precies ziet.

De verordening ziet op: mensen met een WWNV-uitkering, mensen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden. De verordening regelt ook de aanspraak op voorzieningen door werkgevers en instellingen, die een bijdrage leveren aan arbeidsinschakeling.

Tot slot bevat de verordening regels voor de inzet van Wsw-dienstbetrekkingen voor de brede doelgroep uit de Wet participatiebudget. Deze doelgroep omvat alle in Nederland woonachtige Nederlanders en vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven en ouder zijn dan 18 jaar of jonger dan 18 jaar aan wie vrijstelling van de kwalificatieplicht is verleend.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering nader kan toelichten wat zij verstaan onder «het evenwichtig inzetten van de middelen». De leden van de SP-fractie vragen ook wat de regering verstaat onder een evenwichtige besteding. Deze leden vragen ook op welke wijze gemeenten de middelen uit het re-integratiebudget voor verschillende doelgroepen (jonggehandicapten, bijstandsgerechtigden, vluchtelingen, niet-uitkeringsgerechtigden) moeten inzetten. De leden van de fractie van de PvdA vragen of de regering een concreet voorbeeld heeft hoe beschikbare middelen evenwichtig kunnen worden ingezet.

Bij een evenwichtige inzet van de middelen doelt de regering op het beschikbaar zijn van re-integratievoorzieningen voor de verschillende doelgroepen. De regering vraagt daarbij specifieke aandacht voor mensen die vanwege een arbeidsbeperking een grotere afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Dit betekent niet dat voor alle groepen evenveel geld moet worden ingezet. Gemeenten hebben beleidsvrijheid om het participatiebudget naar eigen inzicht te besteden en maatwerk aan mensen te leveren. Het is aan het lokale bestuur, gegeven de specifieke kenmerken en omstandigheden van de doelgroep, invulling te geven aan het begrip «evenwichtig», onder horizontaal toezicht van de gemeenteraad.

De leden van de fractie van de SP vragen hoe de regering gaat voorkomen dat jonggehandicapten die vanwege de gezinsbijstand geen uitkering krijgen, zich wel melden bij de gemeente voor hulp bij het zoeken naar regulier werk. Ook vragen deze leden op welke wijze de regering ervoor gaat zorgen dat de niet-melders in beeld blijven. Tevens vragen de leden van de fractie van de SP welke garantie de staatssecretaris biedt dat de groep jonggehandicapten die nog thuis woont straks niet wordt uitgesloten van ondersteuning bij de arbeidsparticipatie. Ook vragen deze leden of de staatssecretaris mogelijkheden ziet voor een aparte regeling om deze garantie te bieden.

Mensen hebben bovenal een eigen verantwoordelijkheid om werk te vinden. Wanneer dit bijvoorbeeld door een arbeidsbeperking op eigen kracht niet mogelijk is, kan de gemeente ondersteuning bieden. Dat geldt ook voor niet-uitkeringsgerechtigden. In tegenstelling tot wat de leden van de SP-fractie menen, wil de regering niet voorkomen dat niet-uitkeringsgerechtigden zich bij de gemeente melden.

Jongeren zonder Wajong-uitkering die behoren tot een gezin met gezinsbijstand zijn als gezinslid uitkeringsontvanger en zodoende bekend bij de gemeente. Als iemand jonger is dan 27 jaar moet de gemeente in samenspraak met de jongere een plan van aanpak opstellen waarin wordt opgenomen hoe de ondersteuning bij arbeidsinschakeling eruit ziet en welke verplichtingen van de jongere daar tegenover staan. Daarnaast krijgen gemeenten de plicht om in de verordening ook het gemeentelijk beleid met betrekking tot re-integratie van niet-uitkeringsgerechtigden vast te leggen. Hierin nemen gemeenten op onder welke voorwaarden niet-uitkeringsgerechtigden in aanmerking komen voor voorzieningen. De gemeenteraad houdt toezicht op de uitvoering van dit beleid door de gemeente.

2.4 Werkgeversdienstverlening

Bereidheid werkgevers

De leden van de fractie van het CDA vragen de regering om een nadere onderbouwing van de stelling in het wetsvoorstel dat bij werkgevers bereidheid bestaat om personen met een arbeidsbeperking werk te bieden. Ook de leden van de fractie van de SP vragen aan de regering om uiteen te zetten waarom volgens haar de werkgevers bereid zijn mensen met een arbeidsbeperking aan te nemen en daarbij belang hebben. De leden van deze fractie melden daarbij dat de werkgevers bij het rondetafelgesprek detacheringsconstructies bejubelen maar dat van duurzaam aannemen nauwelijks sprake is. Volgens de leden van de fractie van de SP spreken de cijfers de regering tegen. Deze leden vragen of het gewoon wensdenken is om de bezuinigingen die gepaard gaan met dit wetsvoorstel maar binnen te harken over de ruggen van de mens en samenleving. Deze leden vragen ook wat de reden is dat de regering weigert het wetsvoorstel aan te passen nu blijkt (uit onderzoeken en uit de hoorzitting) dat werkgevers onder de huidige voorwaarden nauwelijks bereid zijn om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen.

Werkgevers hebben er belang bij om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt werk te bieden. Op termijn zal de beroepsbevolking als gevolg van vergrijzing en ontgroening krimpen. Het zal steeds lastiger worden om aan mensen te komen voor de vacatures die ontstaan. Werkgevers zullen daarom al het mogelijke arbeidspotentieel moeten benutten om straks in hun personeelsbehoefte te kunnen voorzien. Dit biedt kansen aan mensen met een arbeidsbeperking.

De regering is het oneens met de leden van de fractie van de SP dat de cijfers de regering tegenspreken en dat er sprake is van wensdenken. Ook leidt de WWNV niet tot «het binnenharken van bezuinigingen over de ruggen van de mens en de samenleving». Met de WWNV wil de regering er juist voor zorgen dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk gaan bij een gewone werkgever.

Kansen voor mensen met een arbeidsbeperking zijn er nu al. Dit blijkt uit de stijging van het aantal werkende Wajongers. Zo laat het recent gepubliceerde UWV Kennisverslag een stijging zien: tussen juni 2010 en juni 2011 zijn veel meer Wajongers aan het werk gegaan dan een jaar eerder (bijna 52 500 werkten in juni 2011 tegenover 48 700 een jaar eerder). Deze groei is volledig toe te schrijven aan het aantal Wajongers dat een baan heeft gevonden bij een reguliere werkgever. Hierdoor is het aantal Wajongers dat bij een reguliere werkgever werkt voor het eerst groter dan het aantal dat werkt in een sociale werkplaats. Daarnaast onderstrepen verschillende onderzoeken de bereidheid van werkgevers om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen.56

De bereidheid van werkgevers blijkt ook uit de stijging van het aantal cao-afspraken met bepalingen over het bieden van stage- en werkplekken aan werknemers met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt (de WWNV-doelgroep). Uit de Najaarsrapportage cao-afspraken blijkt dat sociale partners in 45 van de 100 onderzochte cao’s afspraken hebben gemaakt over de bevordering van instroom van werknemers met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt.

De proef met de Wajong-adviesvoucher laat eveneens zien dat er interesse is en mogelijkheden zijn bij werkgevers.57 Uit de eindrapportage die u op 27 februari 2012 is toegezonden blijkt dat bij gemiddeld 85 procent van de deelnemende bedrijven mogelijkheden zijn voor het plaatsen van één of meer Wajongers.

Aansprekend zijn ook de vele landelijke bedrijven, ondernemers binnen het midden en kleinbedrijf en regionale werkgeversnetwerken die initiatieven starten om WWNV’ers werkplekken te bieden.58

Vanwege de gebleken bereidheid bij werkgevers, ziet de regering geen aanleiding om het wetsvoorstel of de financiële paragraaf aan te passen.

De leden van de fractie van het CDA wijzen op recent onderzoek van UWV waaruit blijkt dat een meerderheid van de bedrijven (71 procent) die geen arbeidsgehandicapten in dienst had, dit ook nooit heeft overwogen te doen. In 2010 was dit percentage nog 60 procent. Het onderzoek laat zien dat de meeste bedrijven bekend zijn met subsidieregelingen voor arbeidsgehandicapten, maar dat dit niet leidt tot grotere bereidheid om arbeidsgehandicapten aan te nemen. De leden van de fractie van het CDA vragen een reactie van de regering hierop.

De regering heeft kennis genomen van het onderzoek van UWV «Vacatures in Nederland 2011». Uit het onderzoek blijkt onder meer dat 13 procent van de bedrijven arbeidsgehandicapten in dienst heeft. Tevens blijkt dat de meerderheid van de werkgevers (82 procent) de maatregelen kent om arbeidsgehandicapten in dienst te nemen. Daarnaast constateert de CDA-fractie terecht dat 71 procent van de bedrijven nooit heeft overwogen om een arbeidsgehandicapte in dienst nemen, terwijl 29 procent dit wel heeft overwogen.

Het onderzoek onderstreept enerzijds dat een substantieel deel van de werkgevers al aan het nadenken is over het in dienst nemen van mensen met een arbeidsbeperking. Anderzijds geeft het onderzoek aan dat er verbetering mogelijk is. De regering wil dit onder meer realiseren door het voor werkgevers aantrekkelijker en eenvoudiger te maken om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen. De regering wil dit via de WWNV realiseren, onder meer door het uitbreiden van de gereedschapskist van gemeenten met het instrument loondispensatie en door de regionale dienstverlening aan te laten sluiten bij de vraag van werkgevers.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering bekend is met de uitkomsten van de pilot «meer werkplekken bij werkgevers» en waarom de uitkomsten van deze pilot, zoals geëvalueerd door Regioplan, niet worden genoemd bij de voorbeelden. Ten aanzien van deze projecten willen de leden van de PvdA-fractie en de leden van de CDA-fractie tevens graag weten hoeveel Wajongers er geplaatst zijn bij de (toonaangevende) bedrijven die werkgelegenheidsinitiatieven gestart zijn voor Wajongers en Wsw’ers. Daarbij vragen de leden van de PvdA-fractie en de leden van de CDA-fractie een onderscheid te maken naar tijdelijke contracten en vaste dienstverbanden en doorstroom. De leden van de SP-fractie vragen het oordeel van de regering over het feit dat de pilot «Meer plekken bij werkgevers» ondanks forse inspanningen nauwelijks werkplekken voor mensen met een beperking heeft opgeleverd.

De pilot «Meer werkplekken bij werkgevers» is niet bedoeld om zo veel mogelijk werkplekken te realiseren, maar beoogt om meer kennis te vergaren over hoe werkgevers gestimuleerd en ondersteund kunnen worden om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en te houden. De werkgevers en kenniscentra die meedoen aan deze pilot hebben allemaal aangegeven meer ruimte in de (aan hen gelieerde) organisaties te willen creëren voor mensen met een arbeidsbeperking. Zij verwachten op de langere termijn een tekort aan personeel en willen onderzoeken of en hoe mensen met een arbeidsbeperking kunnen participeren in reguliere functies. Deze pilot stelt dus de vraag van de werkgever centraal en het maken van de juiste «match». De inspanningen zijn erop gericht om ervaring op te doen met en werkwijzen te ontwikkelen voor het aan de slag helpen en houden van mensen met een arbeidsbeperking. Het monitoren en evalueren kan leiden tot lessen voor uitvoering en beleid.

In de memorie van toelichting staat een groot aantal bedrijven vermeld: Asito, Albron, Alliander, Apollo Vredestein, Autotaalglas, De Bijenkorf, C 1000, DELTA N.V., DOW Benelux B.V., DSM, Van Ganse Groep, Ikea, Joulz, KPN, Ordina, Randstad, Scapino, Sligro, Tata Steel, Unilever, VDL en Vebego. Zij geven alle zelf aan meer ruimte in de (aan hen gelieerde) organisaties te willen creëren voor mensen met een arbeidsbeperking. De bedrijven ontvangen daarvoor geen financiële ondersteuning.

Aantallen plaatsingen zijn niet te geven. Evenmin zijn cijfers beschikbaar over het onderscheid naar tijdelijke contracten, vaste dienstverbanden en doorstroom. De eerstvolgende voortgangsrapportage, die rond de zomer 2012 verschijnt, zal een overzicht van gerealiseerde plaatsingen bevatten, zo is afgesproken in de begeleidingscommissie van het onderzoek naar de pilots werken naar vermogen. Hierin zitten ondermeer werkgevers en vakbonden. De eerste resultaten van de pilot «Meer werkplekken bij werkgevers» onderstrepen het belang van een duidelijk regionaal aanspreekpunt voor werkgevers en een goede registratie van werkzoekenden. Beide punten staan ook in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet SUWI. Daarnaast zijn de stichting Locus (een initiatief dat voortkomt uit de projecten met de toonaangevende werkgevers) en «De Normaalste Zaak» (een bedrijvennetwerk voor organisaties die open staan voor de kansen en mogelijkheden van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt) een direct resultaat van deze pilot.

De regering wil met de WWNV bereiken dat meer mensen met een arbeidsbeperking bij een gewone werkgever aan de slag gaan. De leden van de fractie van de VVD-leden en de leden van de fractie van de SP vragen zich af of er op dit moment cijfers bekend zijn over het aantal mensen dat met een arbeidsbeperking in Nederland aan de slag is bij een gewone werkgever en in hoeverre de regering ook concrete doelen voor ogen heeft die moeten leiden tot een hoger aantal mensen met een arbeidsbeperking dat aan de slag komt bij reguliere werkgevers.

Op grond van de meest recente gegevens waren er eind september 2008 circa 772 000 mensen met een Arbeidsongeschiktheidsuitkering (AO), van wie er 202 000 (26 procent) werkzaam waren (CBS Statline). Hiervan hadden 43 000 mensen inkomsten uit arbeid als werknemer in de sociale werkvoorziening. Verder hadden 27 000 mensen werk als zelfstandige. Per saldo waren 132 000 mensen met een AO-uitkering werkzaam bij reguliere werkgevers.

Voor meer cijfers over arbeidsbeperkten en werk verwijst het kabinet naar de monitor arbeidsbeperkten en werk 2007–2010 die op 27 februari 2012 naar de Kamer is gezonden.59

De leden van de fractie van de PVV wijzen erop dat door de uitvoering van de nieuwe Wajong een toename van het aantal werkende Wajongers bestaat. De leden van de fractie van de PVV vragen welke factoren hebben geleid tot deze positieve ontwikkeling en hoe deze in de WWNV zijn verwerkt.

De regering ziet het als een positieve ontwikkeling dat het aantal werkende Wajongers stijgt. De stijging doet zich voor sinds de invoering van de nieuwe Wet Wajong op 1 januari 2010.

Een essentieel uitgangspunt van deze wet is dat de mogelijkheden van Wajongers en de ondersteuning in het vinden en behouden van een baan centraal staan, en niet hun beperkingen. Daarnaast kunnen Wajongers en werkgevers aanspraak maken op ondersteuning, bijvoorbeeld in de vorm van loondispensatie of een jobcoach. Tevens is vastgesteld dat voor het vinden van werkplekken voor Wajongers een actieve werkgeversbenadering noodzakelijk is. Al deze succesfactoren zijn verwerkt in het wetsvoorstel WWNV.

De leden van de D66-fractie zijn benieuwd naar de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie Koser Kaya60 en vragen in hoeveel procent van de cao’s er afspraken zijn gemaakt over het aannemen van mensen met een arbeidshandicap.

De Motie Koser Kaya verzoekt de regering, om cao’s die geen aandacht schenken aan banen voor mensen met een arbeidshandicap, niet meer algemeen verbindend te verklaren. In de brief van

28 november 2011 is het kabinet uitvoerig ingegaan op het instrument van het algemeen verbindend verklaren van cao-bepalingen in relatie tot het bereiken van beleidsdoelen.61 Het kabinet wil resultaten op het terrein van de arbeidsvoorwaarden primair bereiken via centrale afspraken met sociale partners. Om te beoordelen of sociale partners genoeg inspanningen leveren, worden de afspraken op cao-niveau gemonitord. Kabinet en sociale partners blijven in gesprek over de voortgang en zullen zo nodig nadere maatregelen overwegen. Dit kunnen nadere inspanningen zijn van sociale partners, maar ook wet- en regelgeving die het maken van concrete afspraken stimuleren.

Het kabinet heeft met de werkgeversorganisatie VNO-NCW afspraken gemaakt om concrete kansen voor mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt te realiseren. Werkgevers stellen zich ten doel deze kabinetsperiode 5 000 extra werkervaringsplaatsen te realiseren. Tevens blijven werkgevers de arbeidsdeelname van werknemers met een zwakke(re) arbeidsmarktpositie via cao-afspraken bevorderen. Uit de najaarsrapportage cao-afspraken 2011 blijkt dat sociale partners in 45 van de 100 onderzochte cao’s afspraken hebben gemaakt over de bevordering van instroom van werknemers met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Voorbeelden hiervan zijn de cao’s van de uitzendondernemingen voor vaste medewerkers en DSM.

De leden van de fractie van D66 vragen de regering hoe het staat met de gesprekken met sociale partners over het gebruik van de laagste loonschalen in cao’s en welk percentage van de werknemers onder een cao valt waarbij de laagste loonschalen onbenut zijn.

De afstand tussen de laagste loonschalen en het WML is in de afgelopen jaren meerdere malen besproken met sociale partners. Sociale partners erkennen het belang van een beperkte afstand tussen de laagste loonschaal en het WML om zo meer mensen aan de slag te krijgen. Gevolg is dat de afstand in het afgelopen decennium is afgenomen. In 2000 bedroeg de gemiddelde afstand nog 6,3 procent. In 2011 is het verschil gedaald tot gemiddeld 3,4 procent. In ongeveer de helft van de onderzochte cao’s, starten de laagste cao schalen op WML-niveau. Er zijn geen gegevens beschikbaar over de mate waarin de laagste loonschalen in een cao worden benut.

Sociale partners geven aan dat de afstand al voldoende is beperkt. Zij zien geen aanleiding om de laagste loonschalen verder te verlagen. Sociale partners voelen zich verantwoordelijk voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Daarom stellen werkgevers zich ten doel deze kabinetsperiode 5 000 extra werkervaringsplaatsen te realiseren. Tevens blijven werkgevers de arbeidsdeelname van werknemers met een zwakke(re) arbeidsmarktpositie via cao-afspraken bevorderen.

Ondersteuning door het Rijk

De leden van de ChristenUnie-fractie en de leden van de CDA-fractie vragen welke positieve prikkels de WWNV geeft voor werkgevers om in het huidige economische klimaat mensen met een arbeidsbeperking en afstand tot de arbeidsmarkt een kans te geven. De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering werkgevers gaat ontzorgen. De leden van de VVD-fractie vragen hoe tegemoet zou moeten worden gekomen aan de ondersteuning en hoe deze ondersteuning eruit kan zien. De leden van de SGP-fractie constateren dat voor het bieden van kansen op regulier werk de rol van het midden en kleinbedrijf van groot belang is. Deze leden vragen welke inspanningen de regering verricht om de condities juist voor werkgevers in deze sector zo gunstig mogelijk te maken.

De regering kiest in haar beleid voor activering, het verkleinen van de armoedeval en het vergroten van mogelijkheden om werken te laten lonen. Hiervoor heeft ze een aantal maatregelen genomen, zoals de aanpak van de armoedeval voor alleenstaande ouders door omvorming van de kindregelingen, het verruimen van de bijverdienmogelijkheden voor alleenstaande ouders, de aanpassingen van de WWB per 1 januari 2012, de geleidelijke afbouw van de overdraagbaarheid van de dubbele heffingskorting in het refentieminimumloon en het voornemen om gemeenten meer handvatten te geven bij de naleving van ieders plicht om het beroep op de bijstand zo beperkt mogelijk te houden.

De WWNV past naadloos in deze op versterking van het aanbod op de arbeidsmarkt gerichte beleid dat ook in het huidige economische klimaat hard nodig is. Immers, de economische groei mag zijn stilgevallen, op de arbeidsmarkt is nog steeds een grote dynamiek en door de vergrijzing komen er ook de nodige banen vrij.

De regering wil het voor werkgevers aantrekkelijk en eenvoudig maken om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen, zodat de bereidheid van werkgevers omgezet kan worden in concrete arbeidsmarktkansen. Hierbij is goede dienstverlening door UWV en gemeenten aan werkgevers essentieel. De vraag van werkgevers staat hierbij centraal. De verantwoordelijkheid voor deze werkgeversdienstverlening ligt bij gemeenten en UWV. De regering ondersteunt hen hierbij, onder meer door:

  • Het kabinet stelt via de WWNV aan gemeenten per 2013 het instrument loondispensatie beschikbaar. Werkgevers betalen met loondispensatie alleen dat deel dat de werknemer arbeidsproductief is en worden dus volledig gecompenseerd voor de verminderde arbeidsproductiviteit van de werknemer. Dit als aanvulling op de huidige voorzieningen en mogelijkheden om werkgevers te stimuleren en te ondersteunen, zoals de proefplaatsing, begeleiding op de werkplek, de no-riskpolis, werkplekaanpassingen en de mogelijkheid tot detachering.

  • Daarnaast zijn werkgeversservicepunten ingesteld om werkgevers rompslomp uit handen te nemen.

  • Door het stimuleren van de totstandkoming van de samenwerking tussen gemeenten en UWV in circa 30 arbeidsmarktregio’s, waarbij elke regio één loket voor werkgevers heeft. Deze decentrale aanpak brengt het arbeidsaanbod ook beter bij het Midden- en Kleinbedrijf (MKB). In het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet SUWI is vastgelegd dat gemeenten en UWV samenwerken ten aanzien van de regionale werkgeversdienstverlening. Er komt één aanspreekpunt voor werkgevers in elke arbeidsmarktregio.

De staatssecretaris van SZW heeft met de brief over «maatregelen ter bevordering van werkplekken voor mensen met een arbeidsbeperking» van 1 februari 2012 aangegeven met werkgeversorganisatie VNO-NCW te hebben afgesproken dat werkgevers deze kabinetsperiode 5 000 extra werkervaringsplaatsen realiseren.62 Ook blijven werkgevers de arbeidsdeelname van werknemers met een zwakke(re) arbeidsmarktpositie via cao-afspraken bevorderen en organiseert SZW samen met werkgevers, gemeenten en UWV een bijeenkomst over het realiseren van extra mogelijkheden voor de doelgroep.

De maatregelen van werkgevers, het kabinet en andere partijen komen bovenop de vele ondersteuningsmogelijkheden en initiatieven die de laatste jaren in gang zijn gezet om werkgevers te benaderen, hen te stimuleren en te ondersteunen bij het in dienst nemen van mensen met een arbeidsbeperking. Initiatieven van uitvoeringsorganisaties als UWV, gemeenten, sociale werkvoorzieningsbedrijven en re-integratiebureaus, maar ook van bijvoorbeeld werkgevers, CNV-jongeren, verschillende kenniscentra, de Startfoundation, MVO-Nederland, de AWVN, het Revalidatiefonds, Kroon op het Werk, Cross-over, de Lucille Werner Foundation en vele anderen. Daarbij is geïnvesteerd in betere dienstverlening (werkpleinen, werkgeversservicepunten, ontsluiten van bestanden), communicatiecampagnes (Ikkan) en projecten om ervaring op te doen met het aanpassen van functies en methodieken om werkgevers te ondersteunen (onder andere de pilots werken naar vermogen). Ook neemt het Rijk zelf initiatieven om meer werkplekken voor mensen met een beperking te realiseren, zoals het toepassen van het zogenoemde social return in aanbestedingen en het streven naar meer werkplekken voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt bij de Rijksoverheid.

De leden van de CDA-fractie vragen op welke manier de 5 000 aangekondigde werkervaringsplaatsen worden ingevuld. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke concrete afspraken de regering gaat maken met sociale partners over de participatie van werknemers met arbeidsbeperkingen.

De leden van de fractie van de SP vragen of de regering met VNO-NCW afspraken heeft gemaakt om naast de 5 000 werkervaringsplaatsen ook structurele arbeidsplekken beschikbaar te stellen voor mensen met een beperking. Tevens vragen deze leden naar de reactie van de regering op de uitspraak van VNO/MKB dat baanbehoud nu de eerste prioriteit heeft en dat zij niet bezig zijn met het scheppen van arbeidsplekken met een arbeidsbeperking. Ook vraagt de SP of de regering kan bevestigen en toelichten hoe het staat met de 10 000 banen die de PvdA heeft afgesproken met de voorzitter van de VNO-NCW. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke maatregelen de regering neemt om te voorkomen dat mensen met een arbeidsbeperking als gevolg van de crisis niet aan het werk komen.

De regering vindt het vanzelfsprekend van belang dat werkgevers zich richten op behoud van werkgelegenheid. Daarnaast is er ruimte voor het maken van afspraken over het scheppen van plekken voor mensen met een arbeidsbeperking. De regering heeft met VNO-NCW afgesproken dat werkgevers zich tot doel stellen deze kabinetperiode 5 000 extra werkervaringplaatsen te realiseren. Tevens blijven werkgevers de arbeidsdeelname van werknemers met een zwakke(re) arbeidsmarktpositie via cao-afspraken bevorderen. De Tweede Kamer is hierover per brief van

1 februari 2012 geïnformeerd. 63

De extra werkervaringsplaatsen geven gemeenten de mogelijkheid meer mensen die vanwege een arbeidsbeperking onvoldoende werkervaring hebben, geplaatst te krijgen. Stage- en werkervaringsplaatsen zijn een goede opstap naar een meer structurele arbeidsrelatie. Deze afspraken met VNO-NCW zijn een extra impuls om de bereidheid die bij veel werkgevers aanwezig is, om te zetten in concrete arbeidsmarktkansen.

Voor vragen over de 10 000 banen die de PvdA heeft afgesproken met VNO-NCW verwijst de regering naar een van beide partijen. Het is aan deze partijen om informatie te verstrekken over de stand van zaken.

Het kabinet begeleidt de extra inspanning van werkgevers met verschillende maatregelen die voor werkgevers een stimulans zijn om mensen met een beperking in dienst te kunnen nemen. Achtereenvolgens gaat het om: het invoeren van loondispensatie, het verbeteren van de regionale werkgeversdienstverlening en diverse maatregelen om de professionaliteit van de uitvoering te verbeteren. Op deze wijze maakt de regering het voor werkgevers aantrekkelijker om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en vergroot de regering de kansen voor mensen uit de doelgroep om aan de slag te komen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering sociale ondernemingen fiscaal gaat ondersteunen, of waarom de regering hiervoor niet kiest.

Zoals eerder gemeld, vindt de regering het effectiever om generieke maatregelen te nemen die «socialer ondernemen» bij alle werkgevers stimuleert.64 Sociale ondernemers ervaren bij het in dienst nemen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt dezelfde knelpunten als reguliere werkgevers. Het is dus belangrijk dat zij voor dezelfde ondersteunende maatregelen in aanmerking komen die deze knelpunten kunnen wegnemen, zoals werkplekaanpassingen, extra begeleiding, compensatie voor verminderde arbeidsproductiviteit en premiekorting.

De leden van de fractie van de SP vragen of de regering bereid is om de werkgeversaanpak drastisch aan te passen, zodat mensen met een beperking daadwerkelijk een baan aangeboden krijgen. De leden van de ChristenUnie-fractie verzoeken een onderbouwing te geven hoe het wetsvoorstel bijdraagt aan een grotere bereidheid van werkgevers om mensen met een arbeidsbeperking daadwerkelijk aan te nemen.

Veel werkgevers zijn nu al bereid om mensen met een arbeidsbeperking een werkplek te bieden. Diverse rapporten, afspraken en lopende projecten tonen dat aan.63 De regering wil het voor werkgevers aantrekkelijk en eenvoudig maken om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen. De  bereidheid van werkgevers kan zo omgezet worden in concrete arbeidsmarktkansen.

Goede dienstverlening van UWV en gemeenten aan werkgevers is essentieel. De vraag van werkgevers staat hierbij centraal. De verantwoordelijkheid voor deze werkgeversdienstverlening ligt bij gemeenten en UWV. De Tweede Kamer is per brief van 1 februari 2012 geïnformeerd over de maatregelen die kabinet en andere partijen nemen ter bevordering van meer werkplekken voor mensen met een arbeidsbeperking.38 De maatregelen betreffen onder meer het invoeren van loondispensatie, het verbeteren van de regionale werkgeversdienstverlening en diverse maatregelen om de professionaliteit van de uitvoering te verbeteren.

De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de Rijksoverheid, een van de grootste werkgevers in Nederland, het goede voorbeeld gaat geven voor reguliere werkgevers. De leden van de fractie van D66 zijn benieuwd naar de meest recente cijfers over het aantal mensen met een arbeidshandicap dat de overheid zelf in dienst heeft. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering zelf voornemens is om extra werkplekken bij het Rijk ter beschikking te stellen voor mensen uit de doelgroep van de WWNV.

In 2010 waren 659 medewerkers uit de geïndiceerde groepen werkzaam bij het Rijk.

Het Rijk heeft als werkgever met ingang van 2011 een algemene quotumregeling ingevoerd. Deze regeling houdt in dat het Rijk structureel een aantal (werk)ervaringsplaatsen ter grootte van

1 procent van de bezetting in fte’s reserveert voor geïndiceerde doelgroepen met een (lange) afstand tot de arbeidsmarkt. Op 31 december 2010 bedroeg de formatie 114 000 medewerkers, hetgeen wil zeggen dat in 2011 het aantal van 1 140 plaatsingen geldt. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als sectorwerkgever Rijk verantwoordelijk voor het personeel binnen de Rijksoverheid, heeft uw Kamer bij brief van 28 april 2011 de ambities van het Rijk als werkgever uiteen gezet.65 De meest recente cijfers over deze ambities zullen worden gepresenteerd in de jaarrapportage bedrijfsvoering Rijk, die in mei 2012 aan de Kamer wordt gezonden.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het kabinet bereid is om verschillende arbeidsmarktinitiatieven te ontplooien en uit te werken.

De regering neemt en ondersteunt tal van initiatieven op het terrein van de arbeidsmarkt met als inzet om werkplekken te realiseren voor mensen met een arbeidsbeperking.66

Niettemin is het vooral aan partijen in de regio om aan de slag te gaan met het arbeidsmarktbeleid. Werkgevers zoeken hun werknemers doorgaans immers op regionaal niveau. Daarbij is het van belang dat gemeenten en UWV samenwerken bij het verlenen van diensten aan werkgevers en bij taken voor de regionale arbeidsmarkt. Gemeenten hebben bij de totstandkoming van dit beleid in de regio een logische voortrekkersrol. Gemeenten kunnen zo de verbinding maken tussen het arbeidsmarktbeleid en aanpalende terreinen als onderwijs, welzijn en zorg. UWV verstrekt hierbij periodiek arbeidsmarktinformatie ten behoeve van de arbeidsmarktregio’s.

De leden van de CDA-fractie vragen op welke faciliteiten of regelingen een werkgever recht heeft als die een arbeidsgehandicapte werknemer in dienst neemt en hoe de regering het geheel aan bestaande regelingen beoordeelt. Ook vragen de leden van de CDA-fractie of de regering bereid is om zoveel mogelijk faciliteiten voor werkgevers van een arbeidsgehandicapte werknemer samen te voegen tot een heldere en overzichtelijke regeling. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of er enige zekerheid bestaat over de beschikbaarheid van instrumenten uit de gereedschapskist binnen de WWNV voor werkgevers en werknemers. En de leden van de VVD-fractie vragen de regering aan te geven wat de bekendheid bij werkgevers is van het huidige instrumentarium dat beschikbaar is om mensen aan de slag te helpen. Ook vragen deze leden hoe de regering de bekendheid van het instrumentarium gaat bevorderen na invoering van de WWNV.

Gemeenten zijn in de WWNV zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij de ondersteuning van WWNV-ers naar werk inrichten en welke instrumenten zij daarbij kiezen.

Gemeenten beschikken over een «gereedschapskist» met instrumenten en voorzieningen zoals: proefplaatsingen, scholing, detachering, ondersteuning in de vorm van een jobcoach, werkplekaanpassingen en de no-riskpolis. Volgens de regering beschikken gemeenten hiermee over een toereikende set instrumenten en hebben gemeenten zekerheid over de instrumenten die zij op basis van de WWNV kunnen inzetten. Uiteraard is het aan de gemeente om maatwerk te bieden en daarom steeds te bezien of zij instrumenten inzetten voor specifieke werkzoekenden en werkgevers en zo ja, welke. Via de verordening geven gemeenten invulling aan deze verantwoordelijkheid. Gemeenten leggen in de verordening vast  onder welke voorwaarden mensen met een arbeidsbeperking voor welke voorzieningen in aanmerking komen. Het staat gemeenten vrij daarbij mogelijke faciliteiten samen te voegen tot één regeling.

Werkgevers zijn goed bekend met de huidige ondersteuningsmogelijkheden, zo blijkt uit cijfers. Het recente onderzoek «Vacatures in Nederland 2011», dat onderzoeksbureau APE uitvoerde in opdracht van UWV, laat zien dat de meeste werkgevers subsidieregelingen voor arbeidsgehandicapten kennen. Een vergelijkbare conclusie volgt uit onderzoek van Cedris (2011): 79 procent van de bedrijven waarbij medewerkers zijn bevraagd die verantwoordelijk zijn voor het aannemen van personeel, kent de ondersteunende regelingen. 67 De bekendheid van instrumenten wordt ondersteund door middel van websites, brochures en gerichte campagnes.

De leden van de fractie van de PvdA en de leden van de CDA-fractie vragen welke partijen worden uitgenodigd voor de Werktop en welke concrete resultaten het kabinet van deze top verwacht.

Het beoogde resultaat van de top is om extra mogelijkheden voor de doelgroep (werknemers met een afstand tot de arbeidsmarkt) te realiseren, waardoor het arbeidspotentieel van deze werknemers beter kan worden benut.

De bij de organisatie betrokken partijen, VNO-NCW, SZW, VNG en UWV, zijn met elkaar in gesprek over de te organiseren bijeenkomst. Hierbij maken deze partijen ook afspraken over wie zij zullen uitnodigen.

Regionale aanpak

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de samenwerking tussen gemeenten binnen arbeidsmarktregio’s ten aanzien van werkgevers gestalte krijgt, hoe transparantie in het arbeidsaanbod wordt verkregen en hoe private intermediairs worden betrokken bij de uitvoering.

UWV en gemeenten zijn ervoor verantwoordelijk dat er een landelijk loket/aanspreekpunt komt voor werkgevers, zodat landelijk opererende werkgevers landelijk afspraken kunnen maken. Tevens zullen gemeenten en UWV zorgen voor één aanspreekpunt voor werkgevers in iedere arbeidsmarktregio. Ook werken UWV en gemeenten samen bij de registratie van werkzoekenden en vacatures. Het zoveel mogelijk vacatures en werkzoekenden in één systeem brengen (inzichtelijk op werk.nl) vergroot de transparantie op de arbeidsmarkt. Dit is vastgelegd in het wetvoorstel tot wijziging van de Wet SUWI.

Het is aan gemeenten en UWV om bij de vorming van regionaal arbeidsmarktbeleid en regionale werkgeversdienstverlening ook private intermediairs te betrekken. Dat gebeurt ook al. Zo heeft UWV afspraken gemaakt met uitzendbureaus over speeddates met werkzoekenden en dient iedere werkzoekende zich in te schrijven bij minimaal één uitzendbureau.

De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel gemeenten en regio’s hebben aangegeven met elkaar te gaan samenwerken om de doelgroepen binnen de WWNV beter te kunnen begeleiden en plekken in de sw-bedrijven te waarborgen. Ook de leden van de ChristenUnie-fractie willen weten hoe de samenwerking tussen gemeenten actief wordt bevorderd om te voorkomen dat gemeenten het allemaal zelf gaan proberen en langs elkaar heen werken.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen verder om een nadere toelichting over hoe de regering gaat zorgen dat gemeenten over voldoende expertise beschikken om mensen met een arbeidsbeperking succesvol naar werk te begeleiden.

Gemeenten hebben op grond van de Wet SUWI al de verplichting om regionaal arbeidsmarktbeleid te voeren. Het ministerie van SZW heeft gemeenten en regio’s in de afgelopen jaren op verschillende manieren ondersteund om de samenwerking tussen gemeenten te bevorderen. Zo zijn er samenwerkingsverbanden tot stand gekomen en hebben gemeenten goede ervaringen opgedaan met regionale samenwerking in het kader van het Actieplan Jeugdwerkloosheid. Het is zaak dat gemeenten die samenwerking borgen en verder versterken.

Om gemeenten voor te bereiden op de WWNV hebben SZW, VNG en Divosa het Transitiebureau Werken naar vermogen opgericht. Deze drie organisaties werken daarbij nauw samen met onder andere Cedris, UWV en de Programmaraad. Via het Transitiebureau worden gemeenten ondersteund op zowel bestuurlijk als uitvoerend niveau bij de implementatie van de WWNV. Zo is een regionale ondersteuningsstructuur opgezet waarin 30 coordinatoren in de arbeidsmarktregio’s de ondersteuning op zich nemen.

De Programmaraad is een samenwerkingsverband van VNG, UWV en Divosa. De Programmaraad heeft een gezamenlijke koers vastgesteld voor het regionaal arbeidsmarktbeleid en de samenwerking tussen gemeenten en UWV. De Programmaraad heeft «aanjagers» aangesteld die de regio’s hierbij gaan helpen.

UWV en gemeenten maken voorts afspraken over de wijze waarop de expertise van het UWV wordt overgedragen aan gemeenten. Het ministerie van SZW ondersteunt het Transitiebureau en de Programmaraad financieel.

De bij het Transitiebureau en de Programmaraad betrokken organisaties organiseren meerdere regionale en landelijke bijeenkomsten, wisselen maandelijks kennis en ervaringen uit en ontwikkelen- waar mogelijk gezamenlijk- ondersteunende producten, zoals handreikingen.

In de bestuursafspraken van Rijk met de gemeenten is afgesproken dat gemeenten zelf met een voorstel komen voor een landelijk dekkende regio-indeling. De VNG heeft aan gemeenten gevraagd om uiterlijk dit voorjaar kenbaar te maken hoe zij de indeling van de arbeidsmarktregio’s zien en welke gemeenten zullen gaan samenwerken aan een gezamenlijke regionale aanpak van werkgeversdienstverlening. De VNG zal de stand van zaken daarna met de staatssecretaris van SZW bespreken.

Op Rijksniveau vindt afstemming plaats over de verschillende decentralisatietrajecten. De staatssecretaris van SZW voert overleg met zijn collega’s van VWS en OCW om gezamenlijk zorg te dragen voor samenhang tussen deze trajecten. De Ministerraad heeft de minister van SZW aangewezen als coördinerend bewindspersoon voor de samenhang van regeerakkoordmaatregelen in het sociale domein.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering reageert op de vrees van werkgevers dat het neerleggen van aanpakken, voorzieningen en polisvoorwaarden bij gemeenten, leidt tot grotere complexiteit. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of er tussen mensen met een arbeidsbeperking die onder verschillende regimes vallen concurrentie tussen deelgroepen kan ontstaan omdat de verschillende regimes niet allemaal even aantrekkelijk hoeven te zijn voor werkgevers.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen ook in hoeverre het ontstaan van verschillende regimes (oude instroom Wajong, nieuwe instroom WWNV, verschillen tussen gemeenten) tot een grotere bureaucratische belemmering voor werkgevers leidt. De leden van SGP-fractie vragen zich af hoe wordt voorkomen dat werkgevers met verschillende systemen te maken krijgen, waardoor de bereidheid van werkgevers onder druk kan komen te staan. De leden van de fractie van de PvdA vragen of werkgevers die meerdere werknemers hebben uit de doelgroep, afkomstig van verschillende gemeenten, met net zoveel regelingen geconfronteerd kunnen worden.

De vrees voor grotere complexiteit is ongegrond. Het wordt eenvoudiger; de WWNV biedt één regeling voor alle mensen die (deels) kunnen werken in een reguliere baan. Werkgevers delen werkzoekenden niet in in doelgroepen, zij kijken naar wie geschikt is. Daarbij willen zij graag één aanspreekpunt bij de overheid waar ze met hun vragen rond werk en inkomen terecht kunnen. Daarom is in het voorstel tot wijziging van de Wet SUWI (aangenomen door de Tweede Kamer op 28 februari 2012) opgenomen dat gemeenten en UWV in alle arbeidsmarktregio’s zorgen voor één regionaal loket voor werkgevers.

Het opzetten van een gezamenlijk regionaal loket stimuleert samenwerking en afstemming van dienstverlening. Met een gezamenlijke regionale aanpak kunnen gemeenten en UWV voorkomen dat concurrentie ontstaat tussen doelgroepen en kan de inzet van instrumenten worden gestroomlijnd. Zo kan maximaal worden ingespeeld op de behoeften van werkgevers. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat gemeenten zelf bepalen hoe zij hun dienstverlening inrichten. Als zij andere keuzes maken dan nabijgelegen gemeenten, kunnen verschillen blijven bestaan.

In het kader van het ondersteunen van afstemming en samenwerking, steunt de regering activiteiten van de al eerder genoemde stichting Locus. De organisatie maakt het voor werkgevers mogelijk om met meerdere gemeenten en sw-bedrijven uit verschillende regio’s tot één afspraak te komen. Locus bevordert hiermee dat gemeenten hun voorwaarden onderling afstemmen en dat het voor werkgevers makkelijker wordt om uit verschillende gemeenten mensen in dienst te nemen.

Werkgeversdienstverlening overig

De leden van de Pvda-fractie vragen op welke wijze is getoetst dat de in de WWNV voorziene ontzorging van de werkgevers daadwerkelijk aansluit bij de wensen van de werkgevers.

Het kabinet heeft veelvuldig contact met werkgevers over hun wensen en over de knelpunten waartegen zij aanlopen op de arbeidsmarkt. Zo zijn werkgevers betrokken bij diverse projecten van de pilots werken naar vermogen.68

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre wordt voorkomen dat de administratieve lasten voor werkgevers toenemen door het in dienst nemen van mensen uit de WWNV. Ook vragen de leden van de VVD-fractie de regering aan te geven wat de administratieve lasten zijn en de inhoudelijke nalevingskosten van het aanvragen van re-integratie-instrumenten door werkgevers.

De regering streeft ernaar de administratieve lasten voor de werkgevers zoveel mogelijk te beperken. Gemeenten hebben er belang bij om zoveel mogelijk mensen bij werkgevers te plaatsen en zullen zich overeenkomstig de bestuursafspraken inzetten om administratieve lasten te beperken. De administratieve lasten voor bedrijven als gevolg van de WWNV blijven per saldo gelijk. Er is slechts sprake van een verschuiving van administratieve lasten: minder in relatie tot de Wajong en Wsw en meer in relatie tot de WWNV. Aan het wetsvoorstel zijn geen inhoudelijke nalevingskosten verbonden.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering bekend is met het quotasysteem in Duitsland voor mensen met een beperking. De leden van de PvdA-fractie vragen dit quotasysteem toe te lichten en de resultaten hiervan bekend te maken.

De regering kent het quotumsysteem in Duitsland. De Commissie Fundamentele Herbezinning Wsw heeft in 2008 onderzoek laten doen naar buitenlandse ervaringen met arbeidsvoorzieningen voor gehandicapten. Uit dit onderzoek van APE69 blijkt dat Duitsland een quotumverplichting van vijf procent kent voor bedrijven met meer dan 19 medewerkers. Voldoet een bedrijf niet aan zijn quotumverplichting, dan moet het – afhankelijk van de mate van tekortschieten – een boete betalen. Of iemand arbeidsgehandicapt is en meetelt voor het voldoen aan de quotumverplichting, bepaalt een afzonderlijke organisatie.

Het Duitse systeem kent daarnaast verschillende subsidies en voorzieningen voor werkgevers. Zo kunnen werkgevers die arbeidsgehandicapten een leerwerkovereenkomst of vaste aanstelling bieden subsidies ontvangen tot 100 procent van de leerwerkovereenkomst en 80 procent van het overeengekomen salaris.

Het rapport van APE geeft aan dat in 2005 770 445 (geregistreerde) arbeidsgehandicapten bij grote bedrijven werkten en 120 700 (geregistreerde) arbeidsgehandicapten bij kleinere bedrijven. Het percentage vervulde quotum kwam daarmee in 2005 op 4,2 procent.

De leden van de PvdA-fractie vragen de reactie van de regering op de voorbeeldwerkgevers die het bezwaarlijk vinden om mensen in dienst te hebben die onder het WML moeten werken.

De regering vindt dat iedereen die in een uitkering zit en kan werken, naar vermogen moet werken. Voor mensen die niet zelfstandig het WML kunnen verdienen, biedt loondispensatie een nieuwe kans. Bovendien leidt werken met loondispensatie in de regel tot een hoger inkomen dan de uitkering. De periode dat het totaalinkomen onder het minimumloon uitkomt heeft de regering gemaximeerd: na zeven jaar wordt het inkomen uit arbeid aangevuld tot minimumloon, onder voorwaarden kan dat ook na vijf of negen jaar. Indien werkgevers principiële bezwaren hebben tegen het betalen onder het WML, staat het hen vrij werknemers meer te betalen.

De regering wijst op voorbeelden van werkgevers die loondispensatie positief vinden. Zij noemen loondispensatie een «eerlijk» instrument: eerlijk voor de gemeente en voor de klant en eerlijk naar de werkgever toe. Ook omdat het langjarig kan worden toegepast. Het feit dat werknemers langdurig in dienst kunnen zijn bij de werkgever, waarbij de werkgever over de hele looptijd van het dienstverband loondispensatie kan toepassen, sluit aan bij de economische realiteit van werkgevers «Natuurlijk betaal ik alleen voor wat hij presteert. Dat lijkt me niet meer dan normaal: je betaalt voor wat je krijgt. Anders had ik er niet eens over nagedacht: je moet wel een bedrijf draaiende houden.» 70

HOOFDSTUK 3 LOONDISPENSATIE

Dit hoofdstuk behandelt de vragen over het instrument loondispensatie (hoofdstuk 3 van de memorie van toelichting). Dit hoofdstuk gaat in op de pilot loondispensatie, de doelgroep, de toegangstoets, de loonwaardebepaling, de tijdelijkheid van het instrument, de aanvullende uitkering en overige aspecten als werknemersverzekeringen en pensioenopbouw. Ook behandelt dit hoofdstuk de vragen over de technische bijlage bij de memorie van toelichting.

Een aantal leden heeft in het verslag bij dit hoofdstuk vragen gesteld over de arbeidsmarktsituatie. De antwoorden op deze vragen staan in hoofdstuk 1. De antwoorden op de bij dit hoofdstuk gestelde vragen over de werkgeversdienstverlening staan in hoofdstuk 2 en de antwoorden op de bij dit hoofdstuk gestelde vragen over de uitvoeringskosten van gemeenten staan in hoofdstuk 8.

3.0 Inleiding

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich af waarom de regering zo nadrukkelijk kiest voor loondispensatie als «hoofd» instrument in de begeleiding naar werk.

Loondispensatie is niet het hoofdinstrument om mensen naar werk te begeleiden. Loondispensatie is een aanvulling op de gereedschapskist met re-integratie-instrumenten waarover gemeenten op dit moment beschikken. De regering voegt het instrument loondispensatie toe, omdat de arbeidsmarkt niet voor iedereen die straks onder de WWNV valt even toegankelijk is. Dit geldt voor mensen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Met het instrument loondispensatie maakt de regering het voor werkgevers aantrekkelijk om mensen met een verminderde verdiencapaciteit aan het werk te helpen.

De leden van de SP-fractie vragen de regering toe te lichten hoe het instrument loondispensatie precies werkt in het geval iemand parttime gaat werken (zoals de meeste jonggehandicapten). Daarnaast vragen zij waarom het dan niet «voor de hand ligt om het loon aan te vullen tot het minimumloon». Zij willen weten waarom er geen duidelijke regeling is voor parttime werkende arbeidsgehandicapten, terwijl een groot deel van de mensen met een beperking bij een regulier bedrijf parttime werkt.

Iemand die tot de doelgroep loondispensatie behoort en dus per uur niet het wettelijk minimumloon kan verdienen, kan parttime werken. Als hij parttime werkt met loondispensatie, en daarmee in staat is tot regelmatige arbeid, heeft hij in beginsel recht op een loonaanvulling tot maximaal het minimumloon. De WWNV is een vangnet voor wie dat nodig heeft. Voor mensen die wel meer kunnen werken, maar dat nalaten te doen, kan dit gevolgen hebben voor de hoogte van de loonaanvulling. Iedereen heeft immers een eigen verantwoordelijkheid om te voorzien in het eigen bestaan.

Als iemand werkt met loondispensatie, omdat hij per uur niet het minimumloon kan verdienen, en daarnaast parttime werkt, omdat hij door zijn beperking niet meer uren kan werken, vult de gemeente het loon wel aan tot maximaal minimumloon.

De regering ziet niet in waarom een aparte regeling voor mensen die parttime kunnen werken nodig zou zijn. Ook voor deze mensen biedt de WWNV volop kansen.

De leden van de CDA- en de PvdA-fractie willen weten of loondispensatie gevolgen heeft voor de langdurigheidstoeslag en zo ja welke. De leden van de SP-fractie vragen of werknemers die gaan werken met loondispensatie hun rechten op de inkomensondersteunende regelingen zoals bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag behouden.

Het wetsvoorstel brengt geen wijziging in de gemeentelijke bevoegdheid tot het verlenen van categoriale en individuele bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag. Personen van 21 tot 65 jaar die langdurig over een laag inkomen beschikken, geen in aanmerking te nemen vermogen en geen uitzicht op inkomensverbetering hebben, hebben recht op een langdurigheidstoeslag. Het is aan de gemeente om te bepalen of een belanghebbende die werkzaam is mét loondispensatie, aan genoemde voorwaarden van de langdurigheidstoeslag voldoet. Ook ten aanzien van de verlening van bijzondere bijstand geldt dat de gemeente het recht daarop beoordeelt en vaststelt. Net als bij de beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag speelt de aard van het inkomen van de belanghebbende daarbij geen rol.

Pilot loondispensatie

De leden van de PvdA-fractie geven aan dat in de memorie van toelichting wordt gesteld dat loondispensatie voor zowel werkgevers, betrokkenen als gemeentes aantrekkelijk is. Zij vragen of de regering dit nader kan motiveren, omdat uit het recente rapport pilot loondispensatie blijkt dat dit niet ondubbelzinnig gesteld kan worden. Verder vragen zij of de regering nader kan onderbouwen waarom het voor de werkgever financieel en administratief aantrekkelijker zou zijn om mensen met een arbeidsbeperking onder het minimumloon te betalen in plaats van het verstrekken van een loonkostensubsidie. De leden van de SP-fractie vragen of de regering erkent dat het instrument door werkgevers en gemeenten als «veel te moeilijk en ingewikkeld» benoemd wordt.

De inzet van loondispensatie heeft de volgende voordelen voor verschillende groepen:

  • Loondispensatie helpt werknemers, die niet in staat zijn het minimumloon te verdienen, om aan werk te komen bij een reguliere werkgever. Meer productiviteit betekent in beginsel een hoger inkomen. Dit stimuleert werknemers om zich maximaal te ontwikkelen.

  • Gemeenten kunnen meer mensen aan de slag helpen en een besparing op uitkeringslasten realiseren.

  • Werkgevers betalen alleen voor de productiviteit die de werknemer levert. Verder besparen zij op de afdracht van werkgevers- en pensioenpremies. De werkgever betaalt bij loondispensatie uitsluitend premies over het gedispenseerde loon. Bij een loonkostensubsidie betaalt de werkgever deze premies over het gehele (cao-) loon. Loondispensatie is administratief aantrekkelijk voor werkgevers wanneer de gemeente de administratieve lasten rondom een plaatsing voor zijn rekening neemt («ontzorgen»).

Het klopt dat enkele werkgevers en gemeenten hebben aangegeven dat zij het instrument loondispensatie ingewikkeld vinden. Zoals gezegd, kunnen gemeenten het de werkgever makkelijk maken door de administratie rondom loondispensatie te verzorgen. Voor gemeenten speelt mee dat zij voor het eerst ervaring opdoen met dit instrument. Uit de tussenrapportage blijkt overigens dat na een trage start het aantal proefplaatsingen en dienstverbanden fors is toegenomen.71 De kennis en ervaring die de pilotgemeenten opdoen, wordt gebruikt om andere gemeenten te ondersteunen bij de brede invoering van loondispensatie.

De leden van de GroenLinks fractie zijn verbaasd over het feit dat de regering met de plannen rondom loondispensatie vooruit loopt op de uitkomst van de pilots die waren bedoeld om nader inzicht te krijgen op de betekenis van het instrument loondispensatie. Zij vragen zich af waarom het kabinet hier zo bewust voor kiest omdat volgens hen de (tussen)evaluatie die er nu over de pilots ligt verre van positief is. De SP-fractie vraagt wat de reden is dat de regering de conclusie uit de rapportage pilot loondispensatie – dat er geen eenduidig antwoord is te geven op de vraag of loondispensatie bijdraagt aan het verhogen van de arbeidsparticipatie van mensen met een beperking – niet overneemt en dit instrument uit het wetsvoorstel schrapt.

Loondispensatie is geen nieuw instrument. UWV past het instrument al toe in de Wajongregeling. Ongeveer een derde van alle Wajongers die bij een reguliere werkgever werken, doet dit met behulp van loondispensatie. Eind 2009 waren dat er 7 500 en inmiddels ca. 9000.72

De regering heeft besloten loondispensatie al vanaf 2013 breed in te voeren. Meedoen naar vermogen dient een sociaal en economisch belang. Iedereen die kan werken is straks nodig. Te veel mensen staan nu nog langs de kant. Met loondispensatie krijgen gemeenten een extra instrument om mensen met een verdiencapaciteit onder het minimumloon aan het werk te helpen. Gemeenten hebben zelf ook aangegeven graag snel over dit instrument te willen beschikken.

Het doel van de pilot loondispensatie is om gemeenten kennis en ervaring op te laten doen in het toepassen van loondispensatie. De pilot levert waardevolle informatie op. De regering deelt derhalve niet de opvatting van de leden van de GroenLinks-fractie dat de tussenevaluatie over de pilots «verre van positief» is. De regering gebruikt de kennis die gemeenten opdoen bij de vormgeving van de wet- en regelgeving WWNV. Het Transitiebureau WWNV zal de opgedane ervaring delen met andere gemeenten (informatiebijeenkomsten, stappenplan, handreiking). Zo kunnen gemeenten zich goed voorbereiden op de inwerkingtreding van de WWNV per 1 januari 2013.

De rapportage waarnaar de leden van de fractie van de SP verwijzen betreft een tussenrapportage. De Pilot loopt door tot eind 2012. De vraag van deze leden of een eenduidig antwoord gegeven kan worden gegeven op de vraag of loondispensatie bijdraagt aan het verhogen van de arbeidsparticipatie van mensen met een beperking kan dan ook op basis van deze tussenrapportage niet worden beantwoord. De tussenrapportage geeft de regering dan ook geen enkele aanleiding het instrument loondispensatie uit het wetsvoorstel te schrappen.

De leden van de SP-fractie wijzen er op dat uit de laatste rapportage loondispensatie blijkt dat er slechts 96 dienstverbanden zijn geregistreerd, waarvan alweer 14 dienstverbanden zijn beëindigd. Volgens de leden zouden slechts 82 mensen van de meer dan 1 000 aangemelde personen via loondispensatie aan het werk zijn geholpen. Zij vragen of de regering kan toelichten hoe deze cijfers zich verhouden tot de uitspraak dat de arbeidsparticipatie van mensen met een beperking stijgt. Voorts vraagt de SP-fractie of de regering het realistisch acht om honderdduizenden mensen aan het werk te helpen, in ieder geval tienduizenden per jaar met loondispensatie, terwijl in 1,5 jaar tijd slechts 82 mensen aan het werk zijn geholpen met dit instrument.

De regering benadrukt dat het doel van de pilot niet het plaatsen van zo groot mogelijke aantallen mensen is. Het instrument loondispensatie is in de pilot immers aan een beperkt aantal gemeenten beschikbaar gesteld. Het hoofddoel van de pilot is om gemeenten kennis en ervaring op te laten doen in het toepassen van loondispensatie. De regering gebruikt deze kennis bij de vormgeving van de wet- en regelgeving WWNV.

Overigens is het aantal mensen dat aan de pilots meedoet in de laatste onderzoeksperiode fors gestegen. Er zijn wel grote verschillen tussen gemeenten in gerealiseerde aantallen. Gemeenten als Enschede, Oldenzaal, Oss en sw-bedrijf WNK (regio Alkmaar) zijn succesvol. Andere gemeenten hadden eind november 2011 nog geen of weinig plaatsingen.73 Het succes hangt vooral af van draagvlak en gevoel van urgentie bij gemeenten en het goed organiseren van de manier waarop werkgevers worden benaderd.

De regering geeft gemeenten met loondispensatie een extra instrument om mensen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen aan het werk te helpen. De regering wijst erop dat het doel niet is om zoveel mogelijk mensen met loondispensatie aan het werk te helpen. Loondispensatie is alleen voor mensen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. Gemeenten hebben, naast loondispensatie, een groot aantal andere instrumenten tot hun beschikking om mensen aan de slag te helpen vanuit een uitkering.

De regering ziet mogelijkheden om meer mensen dan nu met een arbeidsbeperking aan het werk te krijgen bij reguliere werkgevers. De cijfers uit de Monitor Wajong74 lieten al een toename zien van het aantal werkende Wajongers. Ook het recent gepubliceerde UWV Kennisverslag laat een stijging zien: tussen juni 2010 en juni 2011 zijn veel meer Wajongers aan het werk gegaan dan een jaar eerder: bijna 52 500 tegenover 48 700 een jaar eerder. Deze groei is volledig toe te schrijven aan het aantal Wajongers dat een baan heeft gevonden bij een reguliere werkgever. Hierdoor is het aantal Wajongers dat bij een reguliere werkgever werkt voor het eerst groter dan het aantal dat werkt in een sociale werkplaats.

De leden van de ChristenUnie-fractie en de GroenLinks-fractie stellen vast dat uit de evaluatie van de pilots loondispensatie blijkt dat loondispensatie op zich zelf niet voldoende is om mensen met een arbeidsbeperking aan te nemen. De leden van de Groenlinksfactie vragen op welke bronnen het kabinet zich baseert als zij stelt dat dit wel voldoende is. De leden van de ChristenUie-fractie wijzen er op dat ook de Raad van State aangeeft dat loonwaarde weliswaar van belang is, maar niet de enige relevante overweging zal vormen voor het al dan niet bieden van werk aan personen met een arbeidsbeperking. Zo zullen ongetwijfeld ook de kosten van eventueel noodzakelijke begeleiding en technische voorzieningen onderdeel kunnen vormen van de bedrijfseconomische afweging, aldus de Raad van State.

De regering stelt zich niet op het standpunt dat loondispensatie op zichzelf voldoende is om mensen met een arbeidsbeperking aan te nemen. De regering deelt de constatering van de Raad van State dat de loonwaarde van de potentiële werknemer weliswaar van belang is, maar dat ook zaken als kosten van begeleiding en technische voorzieningen belangrijk zijn. Gemeenten kunnen vanuit het gebundeld re-integratiebudget in de kosten hiervan voorzien.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven op welke manier de uitkomsten van de pilots werken naar vermogen die nu nog lopen, betrokken gaan worden bij de uitwerking van dit wetsvoorstel.

De pilots «werken naar vermogen» lopen door tot eind 2012. De regering blijft de pilots volgen en zorgt dat de ervaringen worden gebruikt bij de uitwerking van de lagere regelgeving voor de WWNV. Ook zorgt de regering er voor dat de kennis en ervaringen uit de pilots via het Transitiebureau WWNV worden verspreid naar de uitvoerders.

De leden van de fractie van de SP vragen welke garanties de regering (wettelijk) heeft ingebouwd om ervoor te zorgen dat werknemers na een tijdelijk contract ook voor vast worden aangesteld ondanks dat werkgevers dan meer moeten bijdragen in de loonkosten. Tevens vragen deze leden of de regering kan toelichten of werknemers die met loondispensatie aan het werk zijn ook na drie tijdelijke contracten in vaste dienst moeten worden genomen.

De arbeidsovereenkomst en de duur ervan is een zaak tussen werkgever en werknemer. Partijen dienen daarbij artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek in acht te nemen. Dit artikel regelt de voorwaarden op basis waarvan een tijdelijke arbeidsovereenkomst kan worden omgezet in een vaste arbeidsovereenkomst. Het is de regering niet duidelijk waarom de leden van de SP-fractie menen dat omzetting van een tijdelijk naar een vast contract leidt tot hogere loonkosten voor de werkgever. Ook bij een vast contract kan er loondispensatie worden toegepast.

3.1 Doelgroep

De leden van de fractie van de SP vragen of de regering kan toelichten of een taalachterstand alleen (bijvoorbeeld bij bijstandsgerechtigden met een vluchtelingenachtergrond) ook een reden kan zijn om te kiezen voor loondispensatie. De leden van de fractie van de ChristenUnie geven aan dat voor mensen zonder arbeidsbeperking met een bijstandsuitkering tevens beargumenteerd zou kunnen worden dat een extra prikkel zoals bij loondispensatie een positief effect heeft op de inzet van de mensen, maar hiervoor wordt loondispensatie niet ingezet. Deze leden vragen daarom waarom de regering juist voor mensen met een arbeidsbeperking van mening is dat een extra prikkel noodzakelijk is. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering met concrete voorbeelden kan toelichten wat bij de voorwaarden voor loondispensatie onder andere redenen valt.

In tegenstelling tot wat de leden van de fractie van de ChristenUnie aangeven, komt het instrument loondispensatie niet alleen beschikbaar voor mensen met een arbeidsbeperking. Loondispensatie komt beschikbaar voor mensen in de WWNV die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. De regering is niet voornemens deze doelgroep verder uit te breiden. Loondispensatie moet worden beperkt tot de gevallen waarin het écht nodig is. Dit waarborgt een effectieve inzet van de arbeidscapaciteit. Dit is zowel in het belang van de arbeidsmarkt als van de werknemer zelf.

Als van iemand in de WWNV op basis van een individuele beoordeling blijkt dat hij of zij niet of in onvoldoende mate de Nederlandse taal beheerst, zoals noodzakelijk voor het verkrijgen en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan dient de belanghebbende deze belemmering zelf weg te nemen. Indien de belanghebbende hieraan niet wil meewerken, dan worden maatregelen getroffen.

Enkel het hebben van een taalachterstand kan niet leiden tot de inzet van het instrument loondispensatie. Een taalachterstand leidt immers niet per se tot een verminderde productiviteit.

De regering heeft op dit moment nog geen concrete voorbeelden van andere redenen.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering inzet van loondispensatie zowel voor mensen met een oude als met een nieuwe indicatie beschut werk niet mogelijk maakt. Geldt in ieder geval ten aanzien van werknemers met een oude indicaties niet dat hun de mogelijkheid moet worden geboden met loondispensatie bij een regulier werkgever aan de slag te gaan, zo vragen zij.

Gemeenten bieden mensen met een Wsw-indicatie een Wsw-dienstbetrekking aan op basis van artikel 2 Wsw. In het kader van de loonwaardebepaling wordt de loonwaarde van de nieuwe instroom vergeleken met de loonwaarde van het huidige personeel in het sw-bedrijf. De gemiddelde loonwaarde van de nieuwe instroom is gelijk of iets lager dan de loonwaarde van het huidige personeel. Met een loon van gemiddeld 120 procent komt de loonwaarde daarmee boven de 100 procent WML uit. Daarmee vervalt de grond voor het inzetten van loondispensatie.

Een groot deel van de mensen met een oude Wsw-indicatie kan begeleid werken. Deze groep kan wel gebruikmaken van loondispensatie op vrijwillige basis buiten de Wsw.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven waarom personen die minder dan 20 procent van het minimumloon kunnen verdienen niet in aanmerking kunnen komen voor loondispensatie bij een reguliere werkgever. Tevens vragen zij waarom wordt uitgesloten dat iemand die in aanmerking kan komen voor een indicatie Wsw toch aan de slag kan gaan bij een reguliere werkgever.

In de nieuwe situatie is het uitgesloten dat iemand die bij een gewone werkgever kan werken een Wsw-indicatie krijgt. Net als nu, kent de Wsw ook straks (Wsw 2013) een ondergrens. Mensen met een loonwaarde lager dan 20 procent vallen onder de ondergrens voor de Wsw. Voor mensen met een loonwaarde onder de 20 procent is de verdiencapaciteit dusdanig gering dat de investering die moet worden gemaakt om iemand aan het werk te helpen niet in verhouding staat tot het doel. Deze mensen kunnen mogelijk gebruikmaken van arbeidsmatige dagbesteding.

De leden van de fractie van de VVD vragen zich af of voor het gebruik van loondispensatie door de werkgever in de cao uitdrukkelijk moet zijn geregeld dat afwijking van het functieloon mogelijk is. Wat te doen als het een standaard cao is, zo vragen deze leden. De werkgever mag dan geen mensen in dienst nemen tegen afwijkende arbeidsvoorwaarden. Zij vragen of deze cao dan wordt overruled door de loondispensatie.

Op grond van artikel 10 c WWNV mag de werkgever afwijken van het rechtens geldende loon. Dit wil zeggen dat als er een cao van toepassing is, er van het cao-loon afgeweken mag worden. In dat geval betaalt de werkgever een percentage (loonwaarde) van het cao loon. Het maakt niet uit wat er ten aanzien van het loon in de cao is geregeld, de bepaling in de WWNV gaat voor.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de betaling conform het cao-loon zich verhoudt met de loonwaardebepaling die gerelateerd wordt aan het wettelijk minimumloon. Stel, iemand heeft een loonwaarde van 30 procent van het Wettelijk minimumloon (WML) en de werkgever moet het geldende cao-loon betalen: wat betekent dit in de praktijk voor het salaris van de werknemer en de aanvulling vanuit de gemeente, zo vragen deze leden.

Bij de loonwaardebepaling wordt in een specifieke functie op een specifieke werkplek gekeken wat de productiviteit van iemand met loondispensatie is in vergelijking met een «reguliere» werknemer. Die vergelijking leidt tot een percentage dat de productiviteit weergeeft van deze betrokkene in relatie tot de «reguliere» werknemer. Dit percentage wordt toegepast op het rechtens geldende loon van de «reguliere» werknemer; dat kan het geldende cao-loon zijn. Het resultaat is dan de loonwaarde van die persoon in die bepaalde functie.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat er gebeurt als de loonwaarde boven de 100 procent van het minimumloon uitkomt. Wat betekent dit voor gemeente, werkgever en werknemer, willen zij weten.

In dat geval komt iemand niet meer voor loondispensatie in aanmerking. De gemeente trekt de beschikking voor loondispensatie in; een eventuele loonaanvulling komt te vervallen. De werkgever moet vanaf dat moment het rechtens geldende loon betalen aan de werknemer.

De leden van de fractie van D66 zijn benieuwd naar de inschatting van de regering over het aantal mensen dat (jaarlijks) gebruik gaat maken van loondispensatie. De leden van de fractie van D66 vragen welk percentage van het totaal verwachte WWNV-bestand dat is.

De leden van de D66-fractie vragen hoe groot naar verwachting de gemiddelde overheidsbijdrage per persoon aan de loondispensatie is. Zij vragen hierbij tevens wat de totale uitgaven aan loondispensatie in 2013, 2014, 2015 en structureel zijn. Daarbij vragen de leden van de D66-fractie of de regering een inschatting heeft gemaakt van welk deel van deze uitgaven naar personen gaat die ook zonder loondispensatie aan de slag waren gekomen (deadweight loss). En hoe deze verwachtingen zich verhouden tot de recente evaluaties over loondispensatie.

De leden van de D66-fractie vragen hoeveel procent van de mensen die onder het oude regime zouden instromen in de Wsw, maar onder het nieuwe regime niet meer, het naar verwachting niet zal lukken om werk te vinden en dientengevolge een beroep zal doen op een uitkering onder de WWNV.

De leden van de fractie van D66 constateren dat er in de structurele situatie 53 000 mensen niet meer in de Wsw zullen instromen, maar onder de WWNV gaan vallen. De leden van de fractie van D66 vragen of de regering kan toelichten hoeveel mensen die door de nieuwe criteria niet meer in de Wsw zullen instromen, naar verwachting bij een reguliere werkgever een baan vinden.

De regering stelt aan gemeenten het instrument loondispensatie ter beschikking om de toegang tot de arbeidsmarkt te verbeteren van mensen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. Het is op voorhand niet in te schatten hoeveel mensen of hoeveel procent van het WWNV-bestand via dit instrument daadwerkelijk aan het werk zullen komen. Er bestaat geen registratie van mensen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. Het is dus niet bekend hoe groot de potentiële doelgroep voor het instrument loondispensatie is. De constatering van de leden van de D66-fractie dat er op de lange termijn (rond 2045) naar verwachting circa 53 000 mensen zijn die niet meer in de Wsw kunnen instromen en onder de WWNV vallen is juist. In 2015 gaat het om circa 8 000 mensen.

De feitelijke inzet van het instrument loondispensatie is afhankelijk van de inzet van werkgevers, gemeenten en de mensen zelf. Gemeenten hebben, naast loondispensatie, een groot aantal andere instrumenten tot hun beschikking om mensen aan de slag te helpen vanuit een uitkering. Voorbeelden hiervan zijn jobcoaching, werkplekaanpassingen, scholing en trajecten. Gemeenten beslissen over de noodzaak, vorm en inhoud van de re-integratieondersteuning. Het is hierdoor ook niet op voorhand aan te geven welk deel van het gebundelde re-integratiebudget gemeenten vanaf 2013 zullen inzetten voor bijvoorbeeld begeleidingskosten en werkplekaanpassingen. Om dezelfde reden heeft de regering geen inschatting gemaakt van de eventuele onnodige inzet van middelen («deadweight loss») bij de inzet van middelen voor loondispensatie. Daarbij merkt de regering op dat er op het gebundelde re-integratiebudget een taakstellende korting is verwerkt. Deze korting zal leiden tot een selectievere en effectievere inzet van re-integratiemiddelen, waardoor ook de onnodige c.q. de niet-effectieve inzet van re-integratie zal afnemen.

Zoals in hoofdstuk 1 aangegeven, is er voortdurend vraag in het segment van de arbeidsmarkt waar mensen die niet meer in de Wsw instromen en straks in de WWNV zitten in mee kunnen doen. De regering verwacht dan ook dat er straks meer mensen kans op een (reguliere) baan zullen hebben dan bij ongewijzigd beleid.

Medische urenbeperking

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom er voor mensen met een urenbeperking die naar vermogen werken geen aanvullingsregeling is, zodat zij net als anderen tenminste het WML kunnen verdienen wanneer zij werken naar vermogen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een toelichting hoe werken loont voor mensen met een medische urenbeperking, aangezien de loonaanvulling tot het wettelijk minimumloon alleen geldt voor mensen die voltijd werken.

De WWNV is een vangnet voor mensen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien. Het inkomen dat iemand zelf verwerft wordt aangevuld tot het toereikende sociaal minimum. De regering heeft ervoor gekozen het instrument loondispensatie en de daarbij behorende eventuele loonaanvulling enkel beschikbaar te stellen voor mensen die zonder loondispensatie niet aan de slag kunnen omdat zij niet zelfstandig het WML kunnen verdienen. Mensen met een medische urenbeperking hebben het instrument loondispensatie niet nodig. Mensen met een medische urenbeperking zijn volledig productief per uur en kunnen op uurbasis ten minste het minimumloon verdienen. De werkgever kan met deze mensen gewoon een arbeidsovereenkomst sluiten voor het aantal uren per week dat zij kunnen werken en hen daarvoor ook conform de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag naar evenredigheid belonen. Het college vult het inkomen dat iemand met een medische urenbeperking zelf verwerft -indien nodig- met bijstand aan tot het toereikende sociaal minimum.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat loondispensatie betekent voor de rechtsgelijkheid van mensen met een arbeidsbeperking die wel onder het wettelijk minimumloon betaald kunnen worden.

Mensen die per uur volledig arbeidsproductief zijn, kunnen door een werkgever in dienst worden genomen en worden beloond conform de regels van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Dit is anders voor mensen met een beperkte arbeidsproductiviteit per uur. Zij kunnen vanwege die beperking vaak niet zelfstandig aan het werk komen bij een reguliere werkgever. Daarom wil de regering voor hen het instrument loondispensatie beschikbaar stellen. Doordat helder is aangegeven voor wie en met welk doel loondispensatie kan worden ingezet, is er binnen de doelgroep sprake van rechtsgelijkheid.

De leden van de CDA-fractie vragen of het medisch urencriterium wordt vastgelegd in overleg met behandelend artsen, UWV en werknemer met een beperking. Ook vragen zij hoe hier mee wordt omgegaan in relatie tot studiefinanciering.

De verzekeringsarts van UWV bepaalt bij de claimbeoordeling WIA of er sprake is van een medische urenbeperking. Hij doet dit op basis van eigen onderzoek, het gesprek met de cliënt en eventueel informatie van behandelend artsen. Bij de studiefinanciering wordt op verschillende manieren rekening gehouden met studenten die een beperking hebben. In hoofdstuk 5 (Wajong) wordt nader ingegaan op de studieregeling.

3.2 Toegangstoets

Waarom een toegangstoets?

De leden van de VVD-fractie vragen naar de mening van de regering over de oproep in het veld om de toegangstoets in de WWNV te schrappen en welke bezwaren daaraan kleven. Tevens vragen zij hoe de toegangstoets zich verhoudt tot de loonwaardebepaling. Is het vaststellen van iemands loonwaarde via een methode die voldoet aan de eisen in de algemene maatregel van bestuur niet voldoende waarborg dat iemand niet onterecht beneden het WML beloond wordt, zo vragen deze leden.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering denkt over de redenering dat gemeenten geen financieel belang zullen hebben bij het niet juist toepassen van de loonwaardebepaling. Immers, ook bij de toegangstoets mag de gemeenten zelf bepalen door welke onafhankelijke derde partij die wordt gedaan, zeggen deze leden. Wat is dan de meerwaarde volgens de regering, zo vragen deze leden. Deze leden willen weten of bij de loonwaardebepaling niet daarnaast door de onafhankelijke derde zou kunnen worden beoordeeld of er geen andere functies zijn waar wel boven WML zelfstandig kan worden verdiend waardoor er uiteindelijk geen aanspraak kan worden gemaakt voor loondispensatie

De leden van de CDA-fractie vragen wat de toegangstoets nu precies toetst en waarom deze niet te integreren is in de loonwaardemeting om een deel van de bureaucratie terug te dringen. De leden van de PVV-fractie vragen naar de argumenten van de regering om een toegangstoets voor loondispensatie in te voeren. De leden van de D66-fractie vragen wat precies de toegevoegde waarde van deze toets is. De leden van de fractie van de Christen Unie vragen om een nadere toelichting waarom de regering de toegangstoets niet schrapt om loondispensatie eenvoudiger in de uitvoering te maken.

De leden van de SGP-fractie vragen wat de meerwaarde is om eerst via een algemene toegangstoets vast te stellen of iemand tot de doelgroep behoort, terwijl altijd op concreet niveau bekeken moet worden welke mogelijkheden er in een concrete functie zijn. Deze leden vragen of het niet logisch is met een proefplaatsing te onderzoeken welke mogelijkheden belanghebbende heeft en op basis daarvan vast te stellen of iemand tot de doelgroep behoort. De leden van de SGP-fractie vragen hoe de regering voorkomt dat de inzet van loondispensatie door de beperkende voorwaarden in het wetsvoorstel onwerkbaar wordt, dan wel dat de voorgestelde systematiek oplossingen belemmert die juist voor alle betrokkenen beter zouden zijn. Zij vragen in dat licht ook of de regering alternatieven onderzoekt om tot een integratie van de loonwaardebepaling en de toegangstoets te komen, zodat dubbel werk kan worden vermeden.

De regering vindt dat alleen van het minimumloon mag worden afgeweken als dat écht nodig is. Dit is in het belang van de arbeidsmarkt – het voorkomt verdringing – en in het belang van de werknemer zelf. De toegangstoets voorkomt dat het instrument loondispensatie wordt ingezet voor mensen die dit niet nodig hebben.

Loonwaardebepaling alleen is minder geschikt om vast te stellen of de inzet van het instrument loondispensatie noodzakelijk is. De loonwaardebepaling bepaalt alleen de loonwaarde in een specifieke functie op een specifieke werkplek; iemand kan in een andere functie wellicht wel het minimumloon verdienen. Daarom heeft de regering gekozen om eerst een toegangstoets te doen. Zo wordt loondispensatie alleen ingezet voor mensen die het nodig hebben.

Omdat de toegangstoets en loonwaardebepaling een verschillend doel dienen, ziet de regering op voorhand integratie van beide als problematisch. De toegangstoets vindt immers plaats voordat iemand bij een potentiële werkgever aan de slag is in een specifieke functie op een specifieke werkplek. De regering vindt overigens dat het naast elkaar bestaan van een toegangstoets en loonwaardebepaling niet leidt tot een onwerkbare situatie. Dit blijkt niet uit de tussentijdse rapportages over de pilots loondispensatie die de staatssecretaris van SZW op 13 maart 2012 aan de Tweede Kamer heeft gestuurd.75

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering bevreesd is dat er mogelijk op verkeerde wijze gebruik gemaakt kan worden van loondispensatie, dan wel dat ongewenste effecten optreden. Zij vragen of de belangen van gemeenten en werkgevers niet belangrijke waarborgen zijn dat de inzet van loondispensatie voor alle betrokken partijen een positief resultaat oplevert.

De regering is van mening dat afwijken van het minimumloon (loondispensatie) alleen mag als het écht nodig is. De toegangstoets moet voorkomen dat een gemeente zich concentreert op een functie waarin iemand niet het minimumloon kan verdienen, terwijl hij dit in een andere functie wel kan. In dat laatste geval is het instrument loondispensatie niet nodig. Op het moment dat iemand het instrument loondispensatie wel nodig heeft om de arbeidsmarkt te kunnen betreden, vindt de loonwaardemeting plaats. De belangen voor zowel werkgever als gemeente lopen daarin parallel. De werkgever wil een reële prijs betalen voor de geleverde productiviteit. Dit is ook in het belang van de gemeente. Een loonwaarde die de werkgever herkent, vergoot de kans op een duurzame plaatsing.

Periodieke toegangstoets

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de meerwaarde van de periodieke toegangstoets bij het instrument loondispensatie en of het denkbaar is om een eenvoudiger systematiek te maken is met minder administratieve lasten. Ook de leden van de PvdA-fractie vragen welke functie de periodieke toegangstoets bij loondispensatie vervult. Zij vragen de regering tevens om nader te motiveren welke belangen van werknemers en werkgevers hiermee gediend zijn.

De periodieke toegangstoets voorkomt dat iemand met loondispensatie blijft werken terwijl dit niet meer nodig is. De werknemer heeft er belang bij omdat bij de periodieke toegangstoets wordt gekeken of hij of zij op eigen kracht het minimumloon kan verdienen. De regering ziet geen direct belang voor de werkgever bij de periodieke toegangstoets.

De leden van de VVD-fractie vragen wat het voor de werkgever betekent wanneer uit de periodieke toegangstoets blijkt dat iemand niet langer tot de doelgroep behoort waar loondispensatie kan worden toegepast.

Als uit de periodieke toegangstoets blijkt dat iemand niet langer tot de doelgroep van loondispensatie behoort, dan wordt de beschikking tot loondispensatie ingetrokken. De werkgever heeft dan niet langer toestemming om de werknemer minder dan het gangbare loon te betalen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen de regering toe te lichten waarom de periode genoemd in artikel 10b WWB per algemene maatregel van bestuur wordt bepaald. Tevens willen deze leden weten wanneer/op welke termijn de regering deze delegatiebepaling nader gaat invullen en hoe de Kamer hierover wordt geïnformeerd.

Daarnaast willen deze leden weten of de lengte van deze periode effecten heeft op het aantal personen dat in de doelgroep loondispensatie valt. Zo ja, dan vragen deze leden wat deze effecten zijn. Zo nee, dan willen zij weten waarom niet.

In het algemeen worden uitsluitend de hoofdelementen van een regeling bij wet geregeld. Dit zijn in ieder geval de reikwijdte en de structurele elementen uit de regeling. De uitwerking hiervan, zoals de periode voor de periodieke herhaling van de toegangstoets, wordt in lagere regelgeving geregeld. De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom juist de toegangstoets bij algemene maatregel van bestuur nader wordt ingevuld. Deze aanpak ligt voor de hand: de criteria voor de toegangstoets sluiten aan bij die voor de Wsw-indicatie en de Wajong-claimbeoordeling. Ook die criteria worden nader ingevuld via een algemene maatregel van bestuur.

Uitvoering toegangstoets: onafhankelijke derde

De leden van de VVD-fractie constateren dat gemeenten zelf de toegangstoets niet mogen uitvoeren, maar een onafhankelijke derde moeten kiezen. Ook het Rijk heeft belang bij een juiste en uniforme toegangstoets. Hoe meent de regering dit te kunnen waarborgen als gemeenten de ruimte hebben om zelf een onafhankelijke derde te kunnen inschakelen, vragen deze leden. Zij vragen zich ook af of het niet voor de hand ligt dat er één onafhankelijke partij komt die de toegangstoets afneemt. De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd hoe te waarborgen is dat verschillende onafhankelijke partijen de toegangstoets op dezelfde wijze uitvoeren. Zij vragen of dit ook betekent dat deze partijen gecontroleerd moeten worden of ze daadwerkelijk goed toetsen.

Artikel 10 e, eerste lid, van de WWNV geeft aan dat er nadere regels komen voor de mensen die met loondispensatie werken. In een algemene maatregel van bestuur wordt vastgelegd dat de gemeente daarvoor een toegangstoets moet laten afnemen door een onafhankelijke derde. De regering legt in deze algemene maatregel van bestuur nadere regels vast voor de uitvoering van de toegangstoets. Dit stelt de uniformiteit van de uitvoering ervan veilig.

De leden van de VVD-fractie vragen of de gemeente kan beoordelen of een advies zorgvuldig tot stand is gekomen, nu gemeente geen bevoegdheid hebben om een inhoudelijk oordeel te vellen over het advies.

De gemeente moet per advies nagaan of de correcte procedure is gevolgd en of het advies getuigt van een zorgvuldige beoordeling van de situatie en de omstandigheden van de cliënt. Het advies moet daarnaast helder en duidelijk zijn en deugdelijk zijn gemotiveerd.

De leden van de fractie van D66 vragen of het klopt dat er in dit wetsvoorstel geen verdere kwaliteitseisen worden gesteld aan deze onafhankelijke derde. Betekent dit dat de gemeente in principe iedere persoon of organisatie de toegangstoets mag laten uitvoeren, zo vragen deze leden. De leden van de SP-fractie vragen of de regering mogelijkheden ziet om informatie van deskundigen (zoals begeleiders, instellingen, familieleden) mee te nemen bij de uitvoering van de toegangstoets.

Niet iedere persoon of organisatie mag de toegangstoets uitvoeren. De toegangstoets moet worden uitgevoerd door een onafhankelijke derde. In het wetsvoorstel WWNV worden geen verdere kwaliteitseisen gesteld aan deze onafhankelijke derde. De verdere kwaliteitseisen worden geregeld in lagere regelgeving. Zo wordt bijvoorbeeld vastgelegd dat de onafhankelijke derde zo nodig een arbeidsdeskundige, een arts of een andere deskundige inschakelt. Deze derde moet beoordelen wanneer dit nodig is. Een arbeidsdeskundige, een arts of een andere deskundige dient in ieder geval ingeschakeld te worden als er tegenstrijdige informatie is of als er gerede twijfel is of iemand tot de doelgroep behoort. Als de derde een arbeidsdeskundige, een arts of een andere deskundige inschakelt, dient de derde ervoor te zorgen dat deze deskundige ook beschikt over voldoende deskundigheid. De onafhankelijke derde bepaalt zelf welke deskundigen zij betrekt bij de uitvoering van de toegangstoets.

Toegangstoets en UWV

De leden van de fractie van de PvdA-fractie vragen waarom de toegangstoets niet wordt belegd bij UWV. De leden van de SP-fractie vragen of de toegangstoets voor de loondispensatie ook kan worden uitgevoerd door UWV.

Het is mogelijk dat gemeenten aan UWV vragen om de toegangstoets uit te voeren. De regering heeft er niet voor gekozen om gemeenten hiertoe te verplichten.

Bezwaar en beroep toegangstoets

De leden van de VVD-fractie en de leden van de D66-fractie vragen in welke gevallen een gemeente mag weigeren om een toegangstoets uit te voeren.

De gemeente kan een verzoek om een toegangstoets alleen weigeren als de betreffende persoon in het jaar voorafgaand aan die aanvraag al een aanvraag heeft ingediend (zie artikel 10b, tweede lid).

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of de uitkomst van de toegangstoets voor de loondispensatie niet overeen kan komen met toetsen in het kader van de nieuwe Wajong of Wsw. Zij willen weten of het bijvoorbeeld (theoretisch) mogelijk is dat UWV iemand een Wajong-uitkering weigert, omdat hij een arbeidsvermogen heeft van meer dan 20 procent en dat uit de toegangstoets voor de loondispensatie komt dat hij juist minder dan 20 procent arbeidsvermogen heeft. Als dit het geval is, dan willen zij weten wat de gevolgen zijn van die verschillende uitkomsten.

Een dergelijk geval kan zich in theorie voordoen. Dat is inherent aan een systeem met meerdere uitvoerders: UWV en gemeenten. De regering wil dit risico echter tot een minimum beperken. Daarom worden de grenzen tussen de Wajong, de Wsw en het instrument loondispensatie zo gedefinieerd dat zij op elkaar aansluiten. Daarbovenop regelt de regering in een algemene maatregel van bestuur dat bij de toegangstoets eventueel beschikbare informatie van UWV over een eerdere Wajong claimbeoordeling of Wsw-indicatie moet worden gebruikt.

Werken met behoud van uitkering

De gemeenten kan iemand die algemene bijstand ontvangt een beperkte periode – maximaal drie maanden – met behoud van uitkering laten werken bij de potentiële werkgever. De leden van de VVD-fractie vragen zich af of dit enkel geldt voor personen die in aanmerking komen voor loondispensatie, of voor iedereen in de WWNV.

Iedereen in de WWNV die een uitkering ontvangt, kan gedurende die periode werken met behoud van uitkering.

3.3 Loonwaardebepaling

Experiment loonwaarde

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nader kan aangeven welke verschillende loonwaardemethoden gehanteerd worden in de pilot loondispensatie en hoe deze onderling van elkaar verschillen. De leden van de fracties van het CDA en de PvdA constateren dat uit de pilots blijkt dat bij het meten van de loonwaarde de gehanteerde methodieken enorm uit elkaar lopen: zo meet de ene methodiek 40 procent loonwaarde en een andere methodiek 85 procent loonwaarde bij dezelfde persoon. Hoe denkt de regering te voorkomen dat uitkeringsgerechtigden de dupe worden van de willekeur aan methodieken, zo vragen deze leden. De leden van de SGP-fractie constateren dat er uiteenlopende methoden van loonwaardebepaling zijn, die tot sterk uiteenlopende resultaten leiden. De leden van de fractie van de SP constateren dat de diverse loonwaardebepalingen die in Nederland gebruikt worden heel diverse resultaten en uitkomsten opleveren. Op welke wijze gaat de regering ervoor zorgen dat er een uniforme loonwaardebepaling tot stand komt vragen deze leden.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe wordt voorkomen dat het toepassen van verschillende methoden voor de loonwaarde meting in vergelijkbare gevallen tot andere uitkomsten leidt. Deze leden tevens willen weten of er een uniforme definitie van het begrip loonwaarde komt en zo ja hoe deze dan luidt.

De pilot loondispensatie kent zes loonwaardemethoden: Dariuz, VTA, Activa, Arbolab, Competensys (loonbalans) en Matchcare. UWV gebruikt daarnaast haar eigen methode bij de toepassing van loondispensatie in de Wajong.

In de pilot zijn de zeven methodes nader onderzocht. Het is juist dat de zeven methodieken voor dezelfde cliënten tot verschillende resultaten leiden, oplopend tot ruim 40 procent. Deze verschillen zijn verklaarbaar en komen voort uit verschillen in definities en uitvoering van de loonwaardebepalingen. Het kabinet vindt dergelijke verschillen onwenselijk. De hoogte van de loonwaarde bepaalt immers wat iemand die werkt met loondispensatie aan inkomen ontvangt. Een zo uniform mogelijke bepaling van de loonwaarde is daarnaast in het belang van de betrokken werkgever en de gemeente. Het uitgangspunt is immers dat de werkgever (uitsluitend) voor de geleverde arbeidsproductiviteit betaalt.

Het onderzoeksbureau Research voor Beleid doet een aantal aanbevelingen om de verschillen te verkleinen tot een bandbreedte van tien procent. Het kabinet neemt die over. Zo zal de definitie van loonwaarde wordt aangescherpt. Ook zal een norm worden vastgelegd waartegen de arbeidsprestatie van de werknemer moet worden afgezet.

Deze aanbevelingen verwerkt het kabinet in de lagere regelgeving van de WWNV. De aanbieders van de methoden zien mogelijkheden om nog voor de zomer 2012 hun methodiek aanpassen om tot meer uniforme uitkomsten te komen.

Uitvoering loonwaardebepaling

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de mogelijkheid bestaat dat er verschillende methodes gehanteerd kunnen worden. Zij willen weten of dit met zich meebrengt dat de uitkomsten van de loonwaarden verschillend kunnen zijn voor eenzelfde geval. Ook vragen zij zich af of dit niet tot verwarring leidt bij werkgevers wanneer er bij verschillende gemeenten verschillende methodes en mogelijk dus verschillende loonwaardes worden bepaald. Verder willen deze leden weten wie de loonwaarde bepaalt. De leden van de fractie van D66 vragen waarom er niet is gekozen voor uniform systeem (gelijk voor alle gemeenten) om de loonwaarde vast te stellen.

De leden van de PvdA vragen waarom de regering kiest voor meerdere methodieken voor loonwaardebepaling en niet voor een instrument zodat iedereen volgens hetzelfde zoveel mogelijk wetenschappelijk onderbouwde systematiek meet. En wat is de reden dat de regering niet kiest voor het beleggen van de uitvoering van de toegangstoets bij UWV, vragen deze leden. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom er geen landelijke methodiek voor het meten van de loonwaarde komt.

De leden van de fractie van de PvdA en de fractie van het CDA vragen of een eenduidige loonwaardemeting voor grote werkgevers niet aantrekkelijker is om meerdere werkzoekenden uit de doelgroep van verschillende gemeenten aan te nemen.

De WWNV wordt decentraal uitgevoerd door gemeenten. Gemeenten dragen het financiële risico voor de uitvoering  van de WWNV. Om dit risico te kunnen dragen, krijgen zij een ruime mate van beleidsruimte. Daarom is in de WWNV, net als in de WWB, geregeld dat de gemeente beslist over de noodzaak, vorm en inhoud van re-integratieondersteuning. Hieruit volgt dat gemeenten vrij kunnen kiezen wie zij de loonwaardebepaling laten uitvoeren. Gemeenten kunnen dat UWV laten doen, maar zij kunnen ook een andere onafhankelijke derde inschakelen.

Zoals eerder beschreven neemt de regering een aantal maatregelen om te komen tot een zo uniform mogelijke loonwaardebepaling. Om te voorkomen dat werkgevers te maken krijgen met meerdere methodieken, kunnen gemeenten de voorwaarden voor de inzet van loondispensatie (toegangstoets/loonwaardemeting) organiseren op regionaal niveau. Om regionale samenwerking te borgen, heeft de regering in het voorstel tot wijziging van de Wet SUWI (aangenomen door de Tweede Kamer op 28 februari jl.) opgenomen dat gemeenten en UWV zorgen voor 1 regionaal loket voor werkgevers.

Voorts ondersteunt de regering activiteiten van stichting Locus. Deze organisatie bevordert dat gemeenten hun voorwaarden onderling afstemmen en dat het voor werkgevers makkelijker wordt om uit verschillende gemeenten mensen in dienst te nemen. Deze coördinerende activiteiten maken het voor landelijke werkgevers mogelijk om met meerdere gemeenten uit verschillende regio’s tot één afspraak te komen.

De leden van de VVD fractie vragen of de mogelijkheid bestaat dat de partij die de toegangstoets doet ook de loonwaarde vaststelt.

Ja, dit is mogelijk.

De leden van de SGP-fractie vragen om een toelichting op de regels die momenteel gelden voor de loonwaardebepaling door UWV en welke mate van vrijheid er is om tot een voor alle partijen bevredigende oplossing te komen. Zij vragen op welke manier de criteria voor loonwaardebepaling door UWV zich verhouden tot de regeling van loonwaardebepaling in het wetsvoorstel.

De loonwaardebepaling door UWV wordt uitgevoerd door een gecertificeerd arbeidsdeskundige. Hier ligt een verzekeringsgeneeskundige beoordeling aan ten grondslag. Bij de aanvang van het dienstverband wordt de loonwaarde globaal geschat. De definitieve beoordeling gebeurt als de werknemer al een tijdje werkt, maar uiterlijk na drie maanden. De beoordeling wordt herhaald als de klant of de werkgever erom vraagt. Ook kan UWV het initiatief hiertoe nemen, omdat UWV groei in de loonwaarde verwacht. Dit laatste is met name bij jongeren tot 27 jaar het geval.

De loonwaardemethodiek van UWV voldoet aan de vereisten voor loonwaardebepaling in het wetsvoorstel en de nadere regelgeving.

Lagere regelgeving

De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering al iets meer kan zeggen over de algemene maatregel van bestuur die nadere regels stelt voor het bepalen van de loonwaarde.

De algemene maatregel van bestuur bepaalt dat bij het meten van de loonwaarde alleen mag worden gekeken naar de arbeidsprestatie. Andere kosten als werkplekaanpassingen, begeleiding en ziekteverzuim tellen niet mee bij het bepalen van de loonwaarde. Zo ontvangt de werknemer echt het loon dat past bij zijn productiviteit. Tevens wordt in de algemene maatregel van bestuur vastgelegd dat de maximale termijn voor de periodieke loonwaardebepaling drie jaar is voor mensen van 27 jaar en ouder en twee jaar voor mensen onder de 27 jaar.

De leden van de PvdA-fractie vragen aan de regering om toe te lichten waarom de periode genoemd in artikel 10c WWB per algemene maatregel van bestuur bepaald wordt. Wanneer/op welke termijn gaat de regering deze delegatiebepaling nader invullen vragen deze leden en hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd. Zij vragen of de lengte van deze periode effecten heeft op het aantal personen dat in de doelgroep loondispensatie valt en zo ja, wat zijn deze effecten. Zo nee, waarom kan de regering dit niet vragen deze leden.

De leden van de fractie van D66 constateren dat per algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld voor het bepalen van de loonwaarde. De leden zijn benieuwd waarom er niet voor is gekozen om dit per wet vast te stellen.

De regering regelt, vanuit het oogpunt van toegankelijke regelgeving een aantal aspecten met betrekking tot de loonwaardebepaling welbewust in lagere regelgeving. In het algemeen worden uitsluitend de hoofdelementen van een regeling bij wet geregeld. Dit betreft in ieder geval de reikwijdte en de structurele elementen uit de regeling. In de algemene maatregel van bestuur wordt geregeld dat de maximale termijn voor de periodieke loonwaardebepaling drie jaar is voor mensen van 27 jaar en ouder en 2 jaar voor mensen onder de 27 jaar. De regering kan geen inschatting geven van het effect van de maximale termijn voor de periodieke loonwaardebepaling op het aantal mensen dat in de doelgroep loondispensatie valt. Dit zal moeten blijken uit de evaluatie van loondispensatie.

De Tweede Kamer zal, na publicatie in het Staatsblad van de algemene maatregel van bestuur met de nadere uitwerking van de loonwaardebepaling, schriftelijk worden geïnformeerd.

Bezwaar en beroep loonwaarde

De leden van de fractie van de VVD constateren dat zowel voor de toegangstoets als voor de loonwaardebepaling de mogelijkheid bestaat voor betrokkene om bezwaar en/of beroep in te dienen. Kan de regering nader toelichten waarom dit opportuun is, vragen deze leden, en voorziet de regering niet het risico op lange juridische procedures. Temeer het instrument alleen tijdelijk mag worden toegepast en er een periodiek een nieuwe toegangstoets en loonwaardebepaling dient plaats te vinden en bij jongeren tot 27 jaar zelfs vaker. Verder vragen zij hoe de regering het risico inschat dat dit ook zal betekenen dat het instrument loondispensatie minder zal worden gebruikt als werkgevers ook kunnen kiezen voor een meer eenvoudig instrument, detachering.

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht is er een bezwaar en beroepsmogelijkheid bij besluiten met een rechtsgevolg. Hiervan is sprake bij de toegangstoets en de loonwaardebepaling.

Uit de pilot loondispensatie blijkt overigens niet dat dit ook leidt tot (lange) juridische procedures. Derhalve verwacht de regering niet dat de mogelijkheid tot bezwaar en beroep werkgevers zal weerhouden van het in dienst nemen van mensen met loondispensatie.

Het is overigens een onjuiste constatering dat het instrument alleen tijdelijk mag worden toegepast. De gemeente dient na maximaal drie jaar te kijken of iemand nog tot de doelgroep loondispensatie behoort en wat de loonwaarde is. Behoort iemand nog steeds tot de doelgroep, dan kan het instrument loondispensatie toegepast blijven.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het ook mogelijk is dat de werkgever bezwaar en beroep kan aantekenen tegen de uitkomst van een loonwaardemeting en zo ja, hoe. Tevens vragen deze leden of de regering nader kan toelichten wat de consequenties voor gemeenten zijn als achteraf blijkt na vernietiging van de beschikking dat er een te hoge of te lage loonwaardebepaling heeft plaatsgevonden en wat er bijvoorbeeld gebeurt als de loonwaarde (na eventueel bezwaar en beroep) hoger uitvalt. Dan heeft de werknemer te weinig loon ontvangen. Heeft de werknemer dan een vordering op de werkgever of de gemeente, vragen deze leden en kunnen de gemeenten de geleden schade vervolgens ook verhalen op de onafhankelijke derde die deze toetsen uitvoert.

De werkgever kan bezwaar en beroep instellen tegen de loonwaarde die de gemeente heeft vastgesteld en de daaruit voortvloeiende hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid. Blijkt daaruit dat die aanspraak te hoog is vastgesteld, dan geeft de gemeente een nieuwe beschikking af met de nieuwe loonwaarde. De gemeente – dus niet de werknemer – vergoedt de loonkosten die de werkgever te veel aan de werknemer heeft betaald (artikel 10c, zesde lid WWNV). Daarnaast volgt uit het zesde lid dat deze verlaging van de aanspraak op het loon pas kan plaatsvinden nadat tegen de beslissing op bezwaar geen rechtsmiddelen open staan of de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

Blijkt uit bezwaar en beroep dat de loonwaarde te laag is vastgesteld, dan geeft de gemeente ook een nieuwe beschikking af. Die bevat de nieuwe hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid. De werkgever betaalt de werknemer de loonkosten die te weinig zijn betaald.

Gemeenten kunnen de geleden schade niet op de onafhankelijke derde verhalen. Zij hebben het besluit immers zelf genomen. Indien zij van mening waren dat het advies van de onafhankelijke derde op een onzorgvuldige manier tot stand was gekomen, dan hadden zij het advies niet moeten overnemen.

Onderhandelingsruimte

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de uitkomst van de loonwaardebepaling het inkomen bepaalt of dat de uitkomst de start is van een onderhandelingsproces. Deze leden vragen ook hoe wordt voorkomen dat de uitkomst van de loonwaardebepaling niet bepalend is. Hoe wordt voorkomen dat de hoogte van de loonwaarde onderwerp van onderhandeling wordt tussen de gemeente en de werkgever. De leden van de fractie van het CDA vragen of er voor gemeenten ook ruimte is om in onderhandeling met werkgever te variëren met vastgestelde loonwaarde. De prijs kan immers per regio variëren afhankelijk van het aanbod. De leden van de fractie van de SP vragen of de loonwaardebepaling een vast gegeven is, of dat deze nog onderhandelbaar tussen werkgevers en gemeenten.

De vastgestelde loonwaarde bepaalt de hoogte van het inkomen. Dat komt niet in een onderhandelingsproces tot stand.

De werkgever betaalt bij de inzet van het instrument loondispensatie een loon dat overeenkomt met de productiviteit van een werknemer. Als gevolg van onderhandelen kan een werknemer minder loon ontvangen dan hij op basis van zijn productiviteit zou moeten krijgen. Een toename van de productiviteit leidt dan ook niet tot een hoger inkomen. Dit vermindert ook de prikkel voor de werknemer om zich te ontwikkelen. Het is dan mogelijk dat hij wel productiever is geworden, maar dat niet merkt in zijn loon (omdat de werkgever een lager loon onderhandeld heeft).

Periodieke loonwaardemeting

De leden van de fracties van de PvdA en het CDA constateren dat er wordt gesteld dat na maximaal drie jaar een loonwaardemeting uitgevoerd moet worden en dat dit voor jongeren sneller moet. Waarom wordt voor hen geen maximaal termijn gesteld, bijvoorbeeld een jaar, vragen deze leden.

De WWNV bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de maximale termijn waarna een nieuwe loonwaardebepaling dient te worden uitgevoerd. De regering zal vastleggen dat deze termijn drie jaar is voor mensen van 27 jaar en ouder en twee jaar voor mensen onder de 27 jaar.

De leden van de fractie van het CDA en van de PvdA vragen of iemand zelf een loonwaardemeting kan aanvragen en zo nee, waarom niet.

Ja, de werknemer kan zelf vragen om een nieuwe loonwaardebepaling.

Loonwaardemethoden specifiek

De leden van de Pvda-fractie vragen of mensen met psychiatrische problematiek (wisselende gevolgen van beperking) wel beoordeeld kunnen worden via de loonwaardemeetinstrumenten die nu voorliggen. Zij vragen zich af hoe de wisselende arbeidsprestaties als gevolg van de psychische handicap worden meegewogen.

Ja, dat kan. De loonwaarde-instrumenten die in de pilot loondispensatie worden gebruikt houden rekening met wisselende arbeidsprestaties.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een nadere toelichting welke rechten cliënten hebben ten aanzien van de loonwaardebepaling. Welke mogelijkheden hebben zij om bewaar te maken tegen een vastgestelde loonwaarde zonder dat er sprake is van grote drempels om het bezwaar te kunnen maken, zo willen deze leden weten.

De werknemer is een belanghebbende bij de beschikking die de werkgever ontvangt naar aanleiding van de loonwaardebepaling. De werknemer kan dus bezwaar en beroep aantekenen.

De leden van de fractie van GroenLinks fractie vragen zich af waarom de regering er vanuit gaat dat de loonwaarde op voorhand accuraat vastgesteld kan worden. De loonwaarde kan immers pas daadwerkelijk worden vastgesteld als iemand gematched wordt op een concrete functie en deze functie enige tijd heeft kunnen uitvoeren stellen deze leden.

Het klopt niet dat de regering er vanuit gaat dat de loonwaarde «op voorhand accuraat» kan worden vastgesteld. De WWNV regelt dat een loonwaarde alleen op de werkplek in een concrete functie kan worden vastgesteld en dus niet voordat iemand een werkplek heeft.

De leden van de SGP-fractie vragen of het niet de voorkeur verdient om het borgen van onafhankelijkheid vooral te richten op de loonwaardebepaling.

De regering vindt onafhankelijkheid zowel van belang bij de loonwaardemeting als bij de toegangstoets. De toegangstoets bepaalt immers of iemand met loondispensatie mag werken en daarmee onder het minimumloon beloond mag worden.

De leden van de fractie van de VVD vragen aan de regering of zij nader uiteen kan zetten waarom een gemeente waar iemand die met loondispensatie werkt naar toe is verhuisd gehouden zou zijn om aanvullende uitkering te betalen, terwijl de oude gemeente verantwoordelijk blijft voor de toepassing van het instrument van de loondispensatie voor de duur van het dienstverband. Zij willen weten of het niet zo zou moeten zijn dat toepassing van een loonwaarde methode geen verschil van uitkomst zou moeten hebben en welke gemeente verantwoordelijk is als de loonwaarde verandert gedurende het dienstverband.

Loonaanvulling is een vorm van algemene bijstand. In de WWNV wordt straks – net als nu in de WWB – de woongemeente verantwoordelijk voor het verstrekken van de uitkering. Hierop is de financieringssystematiek ingericht. Verhuist iemand die met loondispensatie werkt, maar bij dezelfde werkgever blijft werken, dan blijft de gemeente die de beschikking tot loondispensatie voorafgaand aan de dienstbetrekking heeft afgegeven verantwoordelijk voor het uitvoeren van de toegangstoets en de loonwaardebepaling. Reden hiervoor is dat de regering kleine veranderingen tussen de verschillende loonwaardebepalingen door verhuizing wil voorkomen.

3.4 Tijdelijk instrument

Kan de regering een inschatting geven over het aantal mensen waarbij de loondispensatie langer zal doorlopen dan de eerste drie jaar omdat na deze eerste periode blijkt dat de loonwaarde nog steeds onder het wettelijk minimumloon ligt, zo vragen deze leden.

Nee, de regering kan hiervan geen inschatting maken.

De leden van de VVD-fractie constateren dat loondispensatie alleen tijdelijk (maximaal drie jaar) mag worden toegepast. Zij vragen of dit drie jaar bij een werkgever is of kan dit ook drie keer een jaar zijn.

Het is onjuist dat het instrument loondispensatie alleen tijdelijk mag worden toegepast. Het instrument kan structureel worden toegepast zolang iemand tot de doelgroep behoort. Om vast te stellen of dit het geval is, voert de gemeente na maximaal drie jaar een periodieke toegangstoets uit.

De leden van de VVD-fractie vragen of niet in ieder geval bij een nieuwe baan een nieuwe loonwaarde wordt bepaald.

Een loonwaarde wordt gemeten in een specifieke functie op een specifieke werkplek. Krijgt iemand een nieuwe baan, dan dient derhalve een nieuwe loonwaardebepaling te worden uitgevoerd.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de prikkel is voor een werkgever om de loonwaarde opnieuw vast te stellen.

De werkgever betaalt bij de inzet van het instrument loondispensatie een loon dat overeenkomt met de productiviteit van een werknemer. Om ervoor te zorgen dat de werkgever een eerlijke prijs blijft betalen – niet te weinig en niet te veel – zal de loonwaarde periodiek opnieuw moeten worden vastgesteld.

De leden van de fracties van CDA en PvdA vragen of een tijdelijke situatie negen jaar kan bedragen (tijdelijke arbeidsovereenkomst is maximaal drie jaar).

Loondispensatie kan worden toegepast zolang iemand tot de doelgroep behoort en een productiviteit onder het minimumloon heeft. De genoemde periode van negen jaar is de maximale termijn voor werken onder het minimumloon. Daarna volgt een aanvulling tot het minimumloon.

De (duur van een) arbeidsovereenkomst is een zaak tussen werkgever en werknemer. In artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek (ketenbepaling) zijn de voorwaarden geregeld op basis waarvan een tijdelijke arbeidsovereenkomst  over kan gaan naar een vaste arbeidsovereenkomst.

3.5 Loonaanvulling

De leden van de VVD-fractie stellen dat iemand die werkt met loondispensatie en vervolgens over voldoende bestaansmiddelen komt te beschikken het recht op loonaanvulling verliest. Zij vragen of de regering kan aangeven in hoeverre dit in de toekomst tot praktische problemen leidt.

De leden van de fractie van D66 constateren dat op pagina 25 van de Memorie van Toelichting staat dat iemand die werkt met loondispensatie en vervolgens over voldoende bestaansmiddelen komt te beschikken, het recht op zijn loonaanvulling verliest. De leden zijn benieuwd of in die context met bestaansmiddelen op de vermogenstoets wordt gedoeld, of ook op inkomenstoets.

Daarnaast geven de leden van de VVD-fractie het voorbeeld van een alleenstaande die werkt met loondispensatie en loonaanvulling en die boven de maximaal toegestane vermogensgrens komt. Hij verliest vervolgens zijn loonaanvulling en komt snel weer onder de vermogensgrens. Dan heeft hij weer recht op loonaanvulling. Zij vragen om de visie van de regering.

De leden van de VVD-fractie merken terecht op dat als iemand aan het werk is met loondispensatie en over voldoende bestaansmiddelen komt te beschikken, het recht op loonaanvulling eindigt. Dit past bij de gedachte van WWNV als vangnet en is niet anders dan de huidige systematiek van de WWB. Daarbij wijst de regering erop dat de toegang tot het instrument loondispensatie niet komt te vervallen, indien iemand niet-uitkeringsgerechtigde wordt. Zij kunnen dus met dit instrument blijven werken.

Op pagina 22 van de memorie van toelichting wordt gedoeld op de middelentoets: de toets op zowel inkomen als vermogen op grond van paragraaf 3.4 van de WWB.

De leden van de fractie van de VVD vragen zich af of gemeenten als zij dat willen toch het inkomen uit arbeid mogen aanvullen, ongeacht de verdiencapaciteit, tot 100 procent van het minimumloon.

De leden van de SP-fractie vragen hoeveel gemeenten voornemens zijn de loondispensatie aan te vullen tot 100 procent van het minimumloon en hoeveel gemeenten voornemens zijn de loondispensatie aan te vullen tot slechts het sociaal minimum.

In artikel 10d WWNV staat de formule om de hoogte van de loonaanvulling te berekenen. De gemeente dient in de eerste fase het inkomen uit arbeid aan te vullen tot een bedrag tussen minimaal de bijstandsnorm en maximaal het minimumloon en in de tweede fase tot minimumloon als iemand naar vermogen werkt (na zeven, negen of vijf jaar).

De hoogte van de loonaanvulling kan, net zoals de «gewone» algemene bijstand, op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWNV worden afgestemd op individuele omstandigheden. Daarnaast kan de loonaanvulling op grond van artikel 18, tweede lid, worden verlaagd.

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre deze regering rekening heeft gehouden met de samenloop tussen de huishoudtoets en de inzet van het instrument loondispensatie.

De regering houdt hier rekening mee. Dit betekent dat de inkomsten uit arbeid van de werknemer die deel uitmaakt van een gezin, worden verrekend met de gezinsnorm. Ook voor deze groep wordt het financieel aantrekkelijk om te gaan werken. Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat de fiscale arbeidskorting niet in mindering wordt gebracht op de gezinsnorm. Hierdoor komt het netto inkomen voor gezinsleden die werken hoger uit dan voor gezinsleden in de WWNV die niet werken. Dit effect wordt aanzienlijk versterkt als meer gezinsleden gaan werken.

De leden van de fractie van de SP vragen de regering of hij het wenselijk acht dat mensen zeven jaar lang onder het wettelijk minimumloon kunnen worden betaald door een werkgever. Daarnaast willen zij weten wat de reactie van de regering is op de uitspraken van een aantal grote werkgevers dat werken onder het minimumloon «gênant» is.

De regering vindt dat iedereen die kan werken, naar vermogen moet werken. Werk gaat boven een uitkering. Voor mensen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen, biedt loondispensatie een kans op werk. Bovendien leidt werken met loondispensatie in de regel tot een hoger inkomen dan de uitkering. Indien werkgevers principiële bezwaren hebben tegen het betalen onder het WML, mogen zij hun werknemers meer te betalen.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering de mening deelt dat we in Nederland niet voor niets het minimumloon kennen en dat iedereen die naar vermogen werkt, tenminste het minimumloon moet verdienen. Indien de regering het hier mee eens is, wil zij weten of de regering bereid is dit onderdeel uit de wet te schrappen. Als dit niet het geval is, willen de leden van de SP-fractie weten of de regering het werk van mensen met een beperking die naar vermogen werken minder waard vindt dan het werk van een topbestuurder die naar vermogen werkt en een miljoenenbonus meekrijgt voor falend bestuur zoals bij Vestia en PostNL.

De regering vindt niet dat mensen met een beperking die naar vermogen werken minder waard zijn dan topbestuurders of andere mensen. De regering laat mensen in hun waarde door ze aan te spreken op hun verantwoordelijkheid, niet door ze weg te zetten in een uitkering.

Loondispensatie biedt een kans aan mensen die op dit moment nog niet participeren op de arbeidsmarkt, omdat zij niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Met loondispensatie kunnen zij aan de slag bij een reguliere werkgever. Het is socialer mensen niet onnodig thuis te laten zitten, maar hen aan het werk te helpen. Werk zorgt immers voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De regering is dan ook niet bereid om het onderdeel loondispensatie uit de wet te schrappen.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan onderbouwen waarom het instrument loondispensatie geen ondermijning is van het wettelijk minimumloon.

Leidt loondispensatie niet tot een geleidelijke aantasting van het wettelijk minimumloon, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

Sommige mensen zijn niet in staat zelfstandig het wettelijk minimumloon te verdienen. Het instrument loondispensatie staat uitsluitend voor deze groep mensen open. Om die reden is de regering van mening dat er geen sprake is van aantasting van het wettelijk minimumloon.

De leden van de SP-fractie vragen de regering toe te lichten hoe zeven jaar werken onder het minimumloon voor mensen met een arbeidsbeperking een prikkel kan zijn om regulier werk te aanvaarden. Daarnaast willen zij weten of de regering meent dat betaling onder het minimumloon een prikkel is om productiever te worden. Zij vragen om een toelichting van de regering hoe deze prikkel ervoor zorgt dat de beperking van mensen zal verminderen en zij dus productiever kunnen worden.

Iedereen die kan werken, werkt naar vermogen. Als mensen met loondispensatie aan het werk gaan, leidt dit in de regel tot een hoger inkomen dan enkel de uitkering. Ook wanneer mensen productiever worden, stijgt in de regel het totale inkomen. Mensen hebben dus een prikkel om zich te ontwikkelen. Als er geen ontwikkeling meer mogelijk is en zij naar vermogen werken, kunnen zij na vijf jaar in aanmerking komen voor een aanvulling tot minimumloon. Er zijn ook mensen die het instrument loondispensatie slechts tijdelijk nodig hebben als opstap naar werk zonder loondispensatie. Omdat het totale inkomen is gemaximeerd op het minimumloon, wordt uitstroom naar werk zonder loondispensatie voor deze mensen maximaal gestimuleerd.

De leden van de SP-fractie willen weten welk perspectief een werknemer heeft op een betere toekomst als iemand zeven jaar lang nooit meer kan verdienen dan 100 procent van het wettelijk minimumloon en geen enkel recht heeft op reguliere arbeidsvoorwaarden (zoals inkomen op cao niveau en de aanvullende arbeidsvoorwaarden).

Loondispensatie biedt mensen perspectief. Omdat sommige mensen niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen, kunnen zij nu niet structureel aan de slag. Met loondispensatie kunnen zij dit wel. Zij hebben dan in de regel een inkomen dat hoger is dan de uitkering.

Het is onjuist, zoals de leden van de SP-fractie stellen dat iemand die met loondispensatie werkt, geen recht heeft op aanvullende arbeidsvoorwaarden. Mensen die met loondispensatie werken hebben recht op de aanvullende arbeidsvoorwaarden (zoals vakantiedagen), die niet zijn verbonden aan (de hoogte van) het loon.

De leden van de fractie van de SP geven aan dat uit de rapportage pilot loondispensatie blijkt dat mensen er wel 100 euro op achteruit kunnen gaan als zij via loondispensatie aan het werk worden geholpen. Zij vragen vervolgens welke maatregelen de regering gaat nemen om ervoor te zorgen dat werken ook voor deze mensen loont.

De tussenrapportage bevat het signaal dat werken in enkele gevallen niet loonde. De rapportage beschrijft dat bestaande gemeentelijke regelingen kunnen leiden tot een inkomensachteruitgang. Zo bleek bij één van de gemeenten een participatievergoeding daarvan de oorzaak te zijn. Met gemeenten zal worden besproken hoe zij met dit type regelingen om kunnen gaan.

De leden van de VVD-fractie vragen of het klopt dat wanneer iemand werkzaam is met het instrument loondispensatie, hij of zij twee loonstrookjes ontvangt, namelijk loon van de werkgever en een toeslag van de gemeente. Verder vragen zij of er volgens de regering mogelijkheden zijn om dit te vereenvoudigen en terug te brengen naar één inkomensstrook.

De regering bevestigt dat iemand die met loondispensatie aan het werk gaat en loonaanvulling van de gemeente ontvangt, twee loonstrookjes en twee betalingen krijgt. De regering is er niet van overtuigd, dat gezamenlijke uitbetaling van loon en loonaanvulling wenselijk is, gezien de juridische, praktische en fiscale bezwaren. Ook blijkt de behoefte van betrokkenen om één loonstrookje te ontvangen niet groot.

Zoals gemeld in mijn brief aan uw Kamer van 30 november 201176, heeft in 2011 onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijkheid en wenselijkheid om, op verzoek van de werknemer, loon en loonaanvulling bij loondispensatie gezamenlijk te laten uitbetalen door de werkgever, waardoor één loonstrookje mogelijk zou zijn. Uit het onderzoek is het volgende naar voren gekomen:

  • Voor het overhevelen van bruto loonaanvulling door de gemeente naar de werkgever en het bruto samenvoegen van loonaanvulling en loon, bestaat geen juridische grondslag.

  • Circa 35 procent van de ondervraagden tijdens genoemd onderzoek gaf aan specifieke voorkeur voor gezamenlijke uitbetaling te hebben. Circa 40 procent maakt het niet uit of loon en loonaanvulling gezamenlijk worden uitbetaald of niet.

  • Zou een juridische grondslag worden gecreëerd voor het bruto samenvoegen van loon en loonaanvulling door de werkgever, dan heeft dit het onbedoelde gevolg dat de loonaanvulling fiscaal als loon wordt behandeld.

  • Werkgevers zijn bang voor meer administratieve lasten vanwege controle en aansluiting van loon op (mutaties van) de loonaanvulling. Ook worden zij door werknemers aangesproken met inhoudelijke vragen over de loonaanvulling en kunnen zij door colleges in terugvorderingsprocedures worden betrokken.

  • Werknemers zullen zich minder bewust zijn van de verplichtingen (zoals de inlichtingenplicht) verbonden aan hun loonaanvulling.

De leden van de fractie van D66 constateren dat uit de grafiek in de technische bijlage bij de Memorie van Toelichting blijkt dat loondispensatie voor gehuwden en alleenstaande ouders een zeer geringe financiële prikkel geeft om te gaan werken. Zij vragen of er nagedacht is over mogelijkheden om deze financiële prikkel te vergroten. Ook vragen zij of er bijvoorbeeld overwogen is om de extra inkomsten verkregen via loondispensatie uit te zonderen voor de inkomenstoets, en wat de budgettaire consequenties hiervan zouden zijn.

De leden van de fractie van de VVD constateren dat (logischerwijs) een alleenstaande er relatief het meest op vooruitgaat als deze meer gaat werken. Zij vragen of de regering ook heeft overwogen de hoogte van de loonaanvulling zo aan te passen zodanig dat er bijvoorbeeld een (meer) rechte lijn ontstaat voor gezinnen of de alleenstaande ouder. Dat maakt werken immers nog meer lonend.

Werk gaat boven een uitkering. De regering vindt daarnaast de financiële prikkel voor alleenstaande ouders en gehuwden passend en toereikend. De regering heeft niet overwogen om deze financiële prikkel te vergroten. Het vergroten van de financiële prikkel heeft tot gevolg dat werken met loondispensatie meer oplevert dan werken in een reguliere baan. Mensen zullen daardoor minder snel overstappen naar een reguliere baan, omdat dat voor hen financieel minder aantrekkelijk is. Dit belemmert de uitstroom uit de uitkering.

Tevens vragen de leden van de fractie van D66 hoe de grafiek (zoals op pagina 24 van de Memorie van toelichting) eruit ziet voor een 19-jarige die aan de slag gaat met loondispensatie en waarvan de twee ouders ook in de WWNV zitten.

Een 19-jarige die aan de slag gaat met loondispensatie en wiens ouders ook in de WWNV zitten, zal te maken krijgen met de huishoudinkomenstoets. Hierdoor zullen zijn inkomsten verrekend worden met de uitkering van zijn ouders.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar een beschouwing over de samenloop van de fiscaliteit en de WWNV. Zij vragen op welke wijze mensen die voltijds werken tegen 40 procent van het WML gebruik kunnen maken van de arbeidskorting, die er juist is ter bestrijding van de kosten van arbeid en van de inkomensafhankelijke combinatiekorting die er toch is om de combinatie arbeid/zorg mogelijk te maken. Deze leden vragen om een rekenvoorbeeld met een loonstrookje van:

  • een alleenstaande, die 40 procent WML verdient en aanvulling krijgt in vergelijking met iemand die 70 procent WML verdient (beiden met een voltijdsbaan).

  • een gehuwd iemand die 40 procent WML verdient.

Zij vragen welke heffingskortingen in deze situaties verzilverd kunnen worden en welke niet. Ook vragen zij als iemand voltijds werkt, maar geen aanspraak kan maken op de arbeidskorting, of de regering dat een onbedoeld effect van de wet acht.

De arbeidskorting is afhankelijk van de hoogte van het inkomen uit arbeid. Er is geen relatie met het aantal gewerkte uren. Hierdoor kan het voorkomen dat mensen die wel voltijds werken, niet het volledige bedrag aan arbeidskorting krijgen. Dit is het geval bij mensen die een arbeidsinkomen verdienen dat lager is dan 21 057 euro. Omdat deze grens hoger ligt dan het minimumloon, ontvangen mensen die het minimumloon verdienen niet de volledige arbeidskorting.

Het doel van deze vormgeving van de arbeidskorting is om mensen te stimuleren meer loon te verdienen. In de WWNV geldt hetzelfde uitgangspunt. Meer werken loont. Dit stimuleert hen om zich maximaal te ontwikkelen. De regering vindt het dan ook niet erg dat mensen die met behulp van loondispensatie aan de slag gaan en voltijds werken, (nog) niet in alle gevallen de maximale arbeidskorting ontvangen.

Voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt dat voor zover deze verzilverd kan worden, deze wordt verrekend met de loonaanvulling. De onderstaande tabel laat voor twee gevallen zien hoe het loonstrookje er op jaarbasis uitziet, op basis van de voorbeelden van de leden van de CDA-fractie. De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn in deze voorbeelden volledig verzilverbaar.

Tabel 3.1 Overzicht loonstrookje/loonaanvulling (cijfers 2012)
 

Alleenstaande

Gehuwde

Loonwaarde

40%

70%

40%

Bruto loon

7 527

13 173

7 527

Te betalen belasting

496

1 883

496

w.v. verrekende algemene heffingskorting

2 033

2 033

2 033

w.v. verrekende arbeidskorting

140

754

140

Netto loon

7 031

11 290

7 031

       

Loonaanvulling

5 659

3 382

9 055

       

Totaal netto inkomen

12 690

14 672

16 086

Loonaanvulling technische bijlage

De leden van de fractie van de VVD stellen dat de loonaanvulling de volgende uitgangspunten heeft. De uitkeringsnorm voor de betreffende groep is het beginpunt. Het eindpunt is 100 procent van het referentieminimumloon. Zij willen weten of dit het referentieminimumloon het minimumloon per maand of per uur betreft.

Het eindpunt betreft het van toepassing zijnde sociaal minimum voor gezinnen (referentieminimumloon) per maand.

De leden van de VVD-fractie gaan er vanuit dat het in de vorige vraag genoemde eindpunt per maand is, aangezien dit ook op dit moment zo is in de bijstand. Als dat zo is (en als de loonwaarde wordt gebaseerd op het minimumuurloon) vragen de leden of dit dan betekent dat de gemeenten bij het startpunt van een alleenstaande van 18 jaar meer aan loonaanvulling betaalt dan een 24-jarige alleenstaande. Er moet immers aangevuld worden tot 70 procent van het referentieminimumloon.

Het eindpunt van de formule is het sociale minimum voor gezinnen dat van toepassing is. Het sociaal minimum voor gezinnen (eindpunt) ligt lager voor een 18-jarige dan voor een 24-jarige. Dit volgt uit de bijstandsnormen zoals opgenomen in artikel 21 van de huidige WWB. De gemeente hoeft bij een 18-jarige dus niet meer loonaanvulling te betalen.

De leden van de fractie van de VVD vragen of voor de loonaanvulling voor de werknemer die deel uitmaakt van een gezin geldt dat enkel de fiscale arbeidskorting overblijft omdat de rest van het inkomen verrekend wordt met de huishoudinkomenstoets. De leden van de VVD stellen dat voor werknemers van 21 tot 65 jaar die alleenstaand of alleenstaande ouder zijn, respectievelijk als beginpunt 70 procent en 90 procent van het referentieminimumloon geldt. Zij vragen waarom voor werknemers van 18, 19 of 20 jaar een andere beginnorm geldt en wat deze norm is. Bovendien willen ze weten waarom de eindnorm afwijkt van de groep 21 tot 65 jarigen.

Als een werknemer deel uitmaakt van een gezin met gezinsbijstand, wordt het gehele inkomen uit arbeid met de gezinsbijstand verrekend. De werknemer mag de fiscale arbeidskorting behouden; deze wordt vrijgelaten.

Voor werknemers van 18, 19 of 20 jaar geldt een lagere bijstandsnorm. De normen zijn opgenomen in artikel 20 en 21 WWB en gelden straks ook in de WWNV. Omdat het sociaal minimum voor 18 tot 20 jarigen lager ligt en omdat de van toepassing zijnde (bijstands)norm het startpunt vormt, is het startpunt voor werknemers van 18, 19 of 20 jaar lager.

Het eindpunt van de formule is het van toepassing zijnde sociaal minimum voor gezinnen. Voor de hoogte hiervan maakt de leeftijd ook uit. Het sociaal minimum voor gezinnen ligt immers lager bij jongeren.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan ingaan op de redenen waarom de arbeidskorting in elk van de drie geschetste figuren verschilt.

Bij de groep alleenstaanden is in 2013 10 procent van de arbeidskorting vrijgehouden. Dit neemt de komende jaren toe met vijf procentpunt per jaar. Dit is het gevolg van de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon. Alleenstaande ouders en gezinnen waarvan één iemand werkt (alleenverdieners) ontvangen dezelfde arbeidskorting. Omdat de arbeidskorting bij een alleenverdiener ten opzichte van de alleenstaande ouder een iets kleiner onderdeel uitmaakt van het totale netto inkomen lijkt de arbeidskorting in de grafiek bij de alleenverdiener lager uit te komen. Dit is echter niet het geval.

De leden van de SP-fractie vragen de regering om een schematisch overzicht van de inkomsten per jaar voor gezinnen en alleenstaanden bij het gebruik van het instrument loondispensatie bij een loonwaarde van 20 procent, 30 procent, 40 procent, 50 procent, 60 procent, 70 procent, 80 procent, 90 procent en 100 procent.

Tabel 3.2 Netto inkomen

Loonwaarde (%)

Totaal netto inkomen gezinnen (bij een functieloon van WML, inclusief arbeidskorting)

Totaal netto inkomen alleenstaanden (bij een functieloon van WML, inclusief arbeidskorting)

20

16 016

11 422

30

16 051

12 149

40

16 086

12 691

50

16 204

13 264

60

16 452

13 967

70

16 700

14 671

80

16 949

15 375

90

17 197

16 079

100

17 445

16 743

Aanvulling tot maximaal het wettelijk minimumloon

De leden van de SP-fractie vragen of de regering bereid is om twintig of dertig procent inkomen in te leveren omdat zij dan harder gaat werken en zo nee waarom zij daar wel vanuit gaan bij dit wetsvoorstel. Zij twijfelen eraan of de laagste inkomens met beperking harder gaan werken als zij minder gaan verdienen. Zij vinden het wetsvoorstel penny wise, pound foolish, omdat mensen rond moeten komen van een te laag salaris en hiermee het tegenovergestelde wordt bereikt door kosten van armoede, ziekte en criminaliteit als gevolg van werkloosheid en oneerlijke verdeling. De SP-fractie vraagt of de regering economische zelfstandigheid van belang vindt voor mensen met een beperking en/of grote afstand tot de arbeidsmarkt en wat de doelstelling is.

De regering verbaast zich over de aanname van de leden van de SP-fractie dat mensen die aan het werk gaan met loondispensatie twintig of dertig procent van hun inkomen moeten inleveren. Het tegenovergestelde is het geval. Werken met loondispensatie leidt in de regel tot een hoger inkomen dan de uitkering. Ook wanneer werknemers productiever worden, leidt dit in de regel tot een hoger inkomen. Dit stimuleert mensen hun arbeidsvermogen maximaal te ontwikkelen en het beste uit zichzelf te halen.

Met de WWNV wil de regering economische zelfstandigheid bevorderen door uit te gaan van mogelijkheden en verantwoordelijkheid van mensen. Gemeenten krijgen daarbij de mogelijkheid om mensen die niet zelf het minimumloon kunnen verdienen, te ondersteunen met loondispensatie.

De regering bestrijdt dat werken met loondispensatie leidt tot hogere maatschappelijke kosten. Mensen thuis laten zitten met een uitkering, dát verhoogt het risico op armoede en op sociale uitsluiting77. Werk daarentegen zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt mensen kansen om volop mee te doen in de samenleving. Werk maakt niet alleen mensen zelf, maar de samenleving als geheel weerbaar.

De leden van de SP-fractie vragen zich af of het feit dat de regering het wettelijk minimumloon een aantal jaren loslaat voor mensen met een arbeidsbeperking, betekent dat het doel is om het WML in Nederland af te schaffen. Zij vragen of de regering deelt dat hier sprake is van discriminatie en waarom regering niet kiest voor inclusie en gelijkwaardigheid in plaats van exclusie en ongelijkwaardigheid en het creëren van tweederangs werknemers qua rechten en salaris. De SP-fractie wil verder weten of de regering het wenselijk vindt dat met deze wet een nieuwe onderklasse wordt vergroot en bestendigd en welke maatregelen zij gaat nemen om dit te voorkomen. De fractie vraagt de regering om toe te lichten wat het wetsvoorstel betekent voor de groei van het aantal werkende armen.

De regering heeft niet het doel om het wettelijk minimumloon af te schaffen. Het doel van het wetsvoorstel  is om de arbeidsmarkt ook toegankelijk te maken voor mensen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Dit is geen discriminatie of uitsluiting, integendeel. Het biedt mensen die nu géén of weinig kans maken wél de mogelijkheid om op de arbeidsmarkt mee te draaien. Werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. Werk leidt tot inclusie en meer gelijkwaardigheid. De regering pakt met de maatregelen in de WWNV het probleem van ongelijkheid en exclusie aan. Nu staan velen op de wachtlijst voor de Wsw, zitten in de Wajong of werken niet terwijl dat wel zou kunnen. Zij doen niet mee en staan aan de kant. De regering wil dan ook benadrukken dat zij de stellingen van de leden van de SP-fractie in het geheel niet deelt.

De leden van de PvdA-fractie en de leden van de CDA-fractie vragen wat precies wordt bedoeld met «gedurende een periode van 7 jaar» in verband met werken onder WML (Wijziging WWB art. 10d, lid 3a). De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of wordt gedoeld op een aaneengesloten periode of alle perioden van werken met loondispensatie bij elkaar opgeteld. Bovendien willen zij weten of deze periode van werken bij eenzelfde werkgever moet plaatsvinden en of de periode door ziekte kan worden onderbroken.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten of iemand die wisselt van werkgever gedurende de loondispensatie opnieuw aan de termijn van zeven jaar moet beginnen of dat de uitgediende termijn wordt overgenomen door de nieuwe werkgever.

De termijn van zeven jaar uit het derde lid, onderdeel a, van artikel 10d WWNV omvat alle perioden die iemand met loondispensatie heeft gewerkt. Heeft iemand in totaal zeven jaar met loondispensatie gewerkt en voldoet hij aan de overige voorwaarden, dan komt hij in aanmerking voor aanvulling tot minimumloon. Iemand hoeft daarvoor niet de gehele termijn bij dezelfde werkgever te hebben gewerkt. Als iemand wisselt van baan heeft dit geen gevolgen. Ziekte tijdens dienstverband telt mee voor de termijn van zeven jaar. Werkloosheid en de periode dat iemand (zonder dienstverband) in de Ziektewet zit, tellen niet mee. Het gaat namelijk om de periodes dat de werknemer in dienst is bij de werkgever en de werkgever tijdens dit dienstverband gedispenseerd is van het betalen van het gangbare loon. Dit is wel het geval als er sprake is van dienstverband, maar bij werkloosheid en Ziektewet niet.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een toelichting welke prikkel loondispensatie mensen biedt die al op hun maximale vermogen zitten. Heeft het werken onder het wettelijk minimumloon dan geen demotiverend effect, zo vragen deze leden.

Werk is meer dan alleen een inkomen. Werk zorgt ervoor dat je meedoet, collega’s hebt en een bijdrage levert aan de samenleving. Overigens is het aantal jaren dat iemand met recht op loonaanvulling een totaal inkomen onder minimumloon heeft aan een maximum gebonden. Na deze periode krijgt de werknemer het loon aangevuld tot het minimumloon. De regering voegt daar aan toe dat onnodig thuiszitten met een uitkering in ieder geval demotiverender werkt dan met perspectief op WML volledig meedraaien in een baan.

3.5 Overige aspecten loondispensatie

Gelijke behandeling

De leden van de PvdA-fractie en van de SP-fractie vragen of het betalen van een lager loon dan het wettelijk minimumloon (juridisch en verdragstechnisch) slechts onder strikte voorwaarden voorbehouden is aan mensen met een beperking. De leden van de SGP-fractie vragen in dit kader of de regering uiteen wil zetten op welke gronden het binnen het kader van Europese en internationale verdragen is toegestaan werknemers gedurende een aantal jaren onder het minimumloon te betalen. De leden van de PvdA-fractie vragen wat volgens het kabinet het gevolg is van de analyse van de Commissie gelijke behandeling (CGB) voor de mogelijkheden van het inzetten van loondispensatie. De leden van de SP-fractie vragen of de regering uitgebreid kan toelichten (met bronnen en onderzoek) waarom het instrument loondispensatie niet discriminatoir zou zijn.

De normen uit internationale verdragen op het gebied van gelijke behandeling bij arbeid, zijn omgezet in Nederlandse wetgeving, waaronder de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) .

De WGBH/CZ verbiedt het maken van onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte bij arbeid. De werkgever van werknemers met een arbeidsbeperking moet in beginsel op grond van artikel 2 van deze wet naar gelang de behoefte zorgen voor doeltreffende aanpassingen, tenzij deze voor hem een onevenredige belasting vormen.

Wanneer iemand met een arbeidsbeperking, ondanks aanpassingen, niet in staat is zijn functie volledig te vervullen, is onderscheid toegestaan. Er is dan geen sprake van gelijkwaardig werk. Loondispensatie kan alleen worden ingezet voor mensen die niet in staat zijn hun functie, ondanks aanpassingen, volledig te vervullen. De regering borgt dit door de toepassing van de toegangstoets, een periode van werken met behoud van uitkering en de loonwaardebepaling. Er is dus altijd sprake van maatwerk om te bepalen of afwijking van het minimumloon gerechtvaardigd is.

Verzekering werknemersverzekeringen

De leden van de VVD-fractie, de PvdA-fractie en de CU-fractie vragen hoe de regering wil omgaan met de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur te regelen dat uitkeringslasten ZW en WIA van mensen die, werkend vanuit de WWNV, ziek zijn geworden, ten laste worden gebracht van de gemeente waar de betreffende werknemer woont. De regering zegt van deze mogelijkheid gebruik te zullen maken als blijkt dat sprake is van bovenmatige verstrekking. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nader kan toelichten hoe dit wordt gemonitord, en hoe zij tot de conclusie van bovenmatige verstrekking wil komen. De leden van de SGP-fractie vragen in dit verband of de regeling ten aanzien van bovenmatige verstrekking van uitkeringen op grond van de WIA of de ZW alleen betrekking heeft op werknemers die minimaal twee jaar zelfstandig het minimumloon verdienen.

Om de normale schommelingen in het aantal ZW- en WIA-verstrekkingen in beeld te krijgen, zal de regering een nulmeting laten uitvoeren. Deze nulmeting is in het najaar van 2012 klaar. Aan de hand van de uitkomsten zal het kabinet vervolgens bepalen  via welke indicator(en) en drempelwaarde(n) bij vervolgmetingen kan worden vastgesteld of het aantal ZW/WIA-verstrekkingen «bovenmatig» is. De eerste vervolgmeting van de monitor gaat over de jaren 2013 en 2014. Ik zal de Tweede Kamer van de uitkomsten van nulmeting en vervolgmetingen op de hoogte stellen.

Het gaat om mensen die in de ZW/WIA terechtkomen na onder de WWNV met loondispensatie te hebben gewerkt; of die zelfstandig minimaal wettelijk minimumloon hebben verdiend en binnen twee jaar zijn uitgevallen.  De vervolgmetingen zullen uitwijzen of het aantal aan hen verstrekte ZW/WIA-uitkeringen bovenmatig is of niet.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan uitleggen wat de hoogte van een uitkering in de Ziektewet is voor iemand die werkte met loondispensatie. Zij wijzen erop dat op dit moment iemand in de Ziektewet minimaal het minimumloon krijgt. Zij vragen hoe dit zich verhoudt met met onderhavig wetsvoorstel waarbij mensen die met loondispensatie werken juist niet het minimumloon kunnen verdienen.

De hoogte van een uitkering op grond van de Ziektewet bedraagt 70 procent van het loon (dagloon) dat een werknemer verdiende. De uitkering kan in uitzonderingsgevallen hoger zijn (namelijk 100 procent in plaats van 70 procent), bijvoorbeeld als er sprake is van ziekte wegens zwangerschap of bevalling. Omdat de uitkering gebaseerd wordt op het verdiende loon, kan de uitkering ook lager zijn dan het minimumloon, bijvoorbeeld als iemand in deeltijd heeft gewerkt. Iemand met een uitkering op grond van de Ziektewet krijgt (ook als iemand niet met loondispensatie werkte) dus niet per definitie minimaal het minimumloon.

De Ziektewetuitkering voor de werknemer met loondispensatie is per definitie lager dan het minimumloon: zijn loon was immers ook lager dan het minimumloon. Dit in antwoord op de vraag van deze leden. Als de Ziektewetuitkering lager is dan het voor hem geldende sociaal minimum, kan hij op grond van de Toeslagenwet een aanvulling krijgen tot het sociaal minimum. De Ziektewetuitkering en toeslag kunnen samen echter niet hoger zijn dan het loon dat hij verdiende. Wanneer de betrokkene daarmee een inkomen heeft dat ligt onder het relevante sociaal minimum en deze persoon voldoet aan alle overige voorwaarden, dan is een beroep op de bijstand (WWNV) mogelijk.

De leden van de VVD-fractie vragen waarop de periode van twee jaar gebaseerd is waarbinnen de werknemers met loondispensatie onder de re-integratieverantwoordelijkheid van gemeentes vallen, ook als zij een ZW- of WIA-uitkering hebben.

Dit is een misverstand. Werknemers met loondispensatie vallen voor de gehele duur dat zij met loondispensatie werken onder de re-integratieverantwoordelijkheid van gemeenten. De re-integratieverantwoordelijkheid van gemeenten geldt ook als zij een ZW-of WIA-uitkering hebben. Ook hier geldt geen periode van twee jaar.

De periode van twee jaar geldt wel voor werknemers die vanuit de WWNV gaan werken en zelfstandig tenminste het minimumloon verdienen. Wanneer twee jaar het minimumloon is verdiend is er sprake van een stabiele arbeidspositie. Vallen WWNV’ers uit wegens ziekte en loopt het dienstverband door dan is uiteraard de werkgever altijd primair verantwoordelijk voor re-integratie. Vallen WWNV’ers binnen twee jaar na aanvang van de dienstbetrekking uit wegens ziekte en is er geen werkgever meer, dan blijven zij voor hulp bij re-integratie onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen; vallen zij na twee jaar uit, dan vallen zij onder de verantwoordelijkheid van UWV. De periode van twee jaar sluit aan bij de verantwoordelijkheid die gemeenten hebben voor de no-riskpolis en de verstrekking van voorzieningen. Ook hierbij geldt een periode van twee jaar.

Ter verduidelijking een tabel over de re-integratieverantwoordelijkheid voor personen die door het college naar werk worden toegeleid:

Tabel 3.3 Verantwoordelijk voor de re-integratie bij ziekte
 

Verantwoordelijk voor de re-integratie bij ziekte

Werken met loondispensatie

Gemeente/geen beperking in tijd

   

Werken zonder loondispensatie; dienstverband bestaat nog

Werkgever/gedurende twee jaar ziekte, maximaal tot einde dienstverband

   

Werken zonder loondispensatie; dienstverband afgelopen en ZW/WIA uitkering

Uitval binnen twee jaar werken

Gemeente

Uitval na twee jaar werken

UWV

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering de ontwikkeling ziet in de Ziektewet en de vangnet-WGA in relatie tot de nieuwe WWNV.

De leden van de VVD-fractie verwijzen naar de regeringsvoornemens omtrent de modernisering van de Ziektewet en de premiedifferentiatie in de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) voor de vangnetters. Deze voorgenomen aanpassingen zien ook op werknemers die vanuit werken met loondispensatie en in de Ziektewet of de WGA terecht komen.

De leden van de VVD-fractie vragen aan de hand van concrete voorbeelden toe te lichten wat de gevolgen zijn voor mensen die vanuit de WWNV aan het werk zijn gegaan en in de WIA terechtkomen. Deze leden vragen daarbij hoe de mate van het loonverlies voor mensen met een beperkt verdienvermogen wordt bepaald en of hierbij wordt uitgegaan van de daadwerkelijke genoten loonwaarde of de maximale loonwaarde. Ook willen deze leden weten hoe de bepaling van het loonverlies van de WIA aansluit op de loonwaarde die gebruikt wordt in de WWNV.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe UWV deze persoon moet schatten. De leden van de CDA-fractie vragen in het verlengde hiervan welke schattingsbesluiten van toepassing zijn op de groep mensen die werkt onder wet werken naar vermogen. Deze leden vragen tevens of het klopt dat deze mensen als zij twee jaar ziek zijn, per definitie 100 procent arbeidsongeschikt zijn. Daarbij vragen de leden van de CDA-fractie twee rekenvoorbeelden voor de hoogte van de WIA-uitkering bij 40 procent en 60 procent loonwaarde.

Mensen die werken met loondispensatie zijn verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Dat betekent dat bij ziekte de werkgever een loondoorbetalingsverplichting heeft en dat – als hun dienstverband afloopt – zij in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de ZW. Na twee jaar ziekte kan recht ontstaan op een WIA-uitkering. De voorwaarden van de WIA zijn onverkort op deze groep mensen van toepassing. De mate van loonverlies wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij mensen die hebben gewerkt zonder loondispensatie. Uitgangspunt daarbij is het verdiende loon. De loonwaarde kan liggen tussen de 20–100 procent van het minimumloon. Het inkomensverlies wordt vervolgens bepaald door dit verdiende loon af te zetten tegen het loon dat men nog zou kunnen verdienen in een andere functie. Hierbij wordt gekeken naar functies uit het CBBS-systeem van het UWV. Het gaat hierbij om functies op minimaal het minimumloon. Voor mensen die hebben gewerkt met loondispensatie zal het UWV geen functie op het minimumloon kunnen duiden. Immers deze mensen zijn gaan werken met loondispensatie omdat een baan op het minimumloon voor hen niet mogelijk was. Het is niet waarschijnlijk dat bij de WIA-beoordeling zou blijken dat deze mensen alsnog wel zouden kunnen werken in een functie op het minimumloon. Omdat er voor hen geen functie op het minimumloon te duiden zal zijn, betekent dit dat zij volledig arbeidsongeschikt worden verklaard.

Hieronder staan twee rekenvoorbeelden over wat mensen die met loondispensatie hebben gewerkt aan arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen. In het eerste geval heeft iemand gewerkt met loondispensatie tegen een loonwaarde van respectievelijk 40 procent en in het tweede geval tegen een loonwaarde van 60 procent. Voor deze voorbeelden is een minimumloon van 1 500 euro bruto per maand verondersteld.

  • 1. Iemand werkt met loondispensatie met een loonwaarde van 40 procent. Dat is 600 euro. Deze persoon krijgt een WIA-uitkering ter hoogte van 70 procent van 600 euro, oftewel 420 euro.

  • 2. Iemand werkt met loondispensatie met een loonwaarde van 60 procent. Dat is 900 euro. Deze persoon krijgt een WIA-uitkering ter hoogte van 70 procent van 900 euro, oftewel 630 euro.

Voor beide voorbeelden geldt dat er geen functie geduid kan worden op het minimumloon voor deze mensen. In beide voorbeelden worden zij daarom aangemerkt als volledig arbeidsongeschikt. Wanneer er geen kans is op herstel, is er sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en kunnen deze mensen in aanmerking komen voor een Inkomensvoorziening Volledig en duurzaam Arbeidsongeschikten (IVA)-uitkering, waarbij een uitkeringspercentage van 75 procent geldt.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe groot de kans is dat ex WWNV’ers in aanmerking komen voor een IVA-uitkering. Daarnaast vragen deze leden of het gebruik van de WIA niet betekent dat iedereen in de IVA terechtkomt omdat mensen überhaupt niet het minimumloon kunnen verdienen.

Het kabinet heeft geen gegevens over hoeveel mensen die hebben gewerkt met loondispensatie bij ziekte uiteindelijk in de IVA zullen instromen. Mensen die hebben gewerkt met loondispensatie en die arbeidsongeschikt raken, zullen in de huidige systematiek allen volledig arbeidsongeschikt worden verklaard, aangezien het niet waarschijnlijk is dat zij in een functie op het minimumloon kunnen werken. Dit is natuurlijk niet wenselijk. De regering zal deze systematiek daarom nog nader bekijken. Overigens is alleen in het geval dat er geen kans is op herstel, is er sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en kunnen deze mensen in aanmerking komen voor een IVA-uitkering.

De leden van de VVD-fractie vragen wat er gebeurt als iemand een WGA-uitkering krijgt en daarmee onder het sociaal minimum komt.

Wanneer iemand een WGA-uitkering heeft die lager is dan het relevante sociaal minimum dan kan deze persoon daarnaast recht hebben op een aanvulling vanuit de Toeslagenwet. Deze vult het inkomen aan tot het sociaal minimum maar maximaal tot het loon dat men daarvoor verdiende. Wanneer de betrokkene dan nog steeds een inkomen heeft dat ligt onder het relevante sociaal minimum en deze persoon voldoet aan alle overige voorwaarden, is een beroep op de bijstand (WWNV) mogelijk.

De leden van de fractie van de PvdA hebben een aantal vragen ten aanzien van de situatie dat een iemand met loondispensatie heeft gewerkt, ontslagen wordt uit die baan en daardoor een WW-uitkering krijgt. De vraag die deze leden hebben is of deze persoon bij ziekte recht heeft op een ZW-uitkering en of het hierbij uitmaakt dat deze persoon een WWNV-aanvulling krijgt. Vervolgens vragen deze leden wie er verantwoordelijk is voor de re-integratie in het geval er in deze situatie sprake is van een aanvulling vanuit de WWNV en wanneer er in deze situatie geen aanvulling is vanuit de WWNV.

Het is inderdaad zo dat wanneer een werkloze werknemer die een WW-uitkering ontvangt ziek wordt, deze persoon na 13 weken ziekte een uitkering krijgt op grond van de Ziektewet. Mensen die met loondispensatie hebben gewerkt blijven onder de re-integratieverantwoordelijkheid van de gemeente vallen, ook als zij een WW- of ZW-uitkering ontvangen. Daarbij is het niet van belang of zij nog een aanvulling krijgen vanuit de WWNV.

De leden van de SGP-fractie vragen wat de mogelijkheden zijn om aanspraak te maken op de ZW of WIA voor de werknemers die nog geen twee jaar zelfstandig het minimumloon verdienen.

De termijn van twee jaar waar de SGP-fractie op doelt, is alleen relevant voor de vraag wie de re-integratieverantwoordelijkheid draagt. Ze heeft geen consequenties voor het recht op ZW of WIA voor de betrokkene.

De leden van de VVD-fractie vragen of de WW-uitkering van 75 procent en daarna 70 procent gebaseerd wordt op het minimumloon of op de loonwaarde.

De hoogte van de WW-uitkering wordt gebaseerd op het laatstverdiende loon (dagloon) dat de werknemer heeft verdiend in het jaar voordat hij werkloos werd. Voor werknemers die een baan met loondispensatie hebben, betekent dit dat de WW-uitkering gebaseerd wordt op het laatstverdiende loon, de voor hen geldende loonwaarde.

De leden van de VVD-fractie vragen wat het risico is dat gemeenten mensen vanuit de WWNV via een tijdelijke werkplek indirect doorgeleiden naar een uitkering waar het UWV verantwoordelijk voor is. In het verlengde hiervan vragen deze leden hoe de regering dit denkt te kunnen voorkomen.

Het kabinet zal de ontwikkeling van het aantal ZW- en WIA-uitkeringen voor mensen, die vanuit de WWNV aan het werk gegaan zijn, nauw monitoren. Daarnaast introduceert dit wetsvoorstel de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur te regelen dat de uitkeringslasten ZW en WIA van deze groep ten laste worden gebracht van de gemeente waar de betreffende werknemer woont. Van deze mogelijkheid zal gebruik worden gemaakt als uit de monitoring blijkt dat sprake is van bovenmatige verstrekking van ZW- en WIA-uitkeringen aan mensen die vanuit de WWNV aan het werk zijn gegaan.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of er criteria zijn voor de potentiële werkgever om een arbeidsrelatie aan te gaan zodat loondispensatie kan worden toegepast.

Nee, er zijn geen speciale criteria voor een potentiële werkgever.

De leden van de fractie van de PvdA vragen in geval dat iemand werkt met loondispensatie en er WW-recht ontstaat (bijvoorbeeld faillissement werkgever), wie dan verantwoordelijk is voor de re-integratie als er geen uitkeringsaanvulling is op grond van de WWNV, UWV of gemeente.

Tevens vragen deze leden wie verantwoordelijk is voor de re-integratie als er wel uitkeringsaanvulling is op grond van de WWNV, UWV of gemeente.

Tot slot vragen deze leden of als UWV verantwoordelijk is, hoe UWV dan kan re-integreren als UWV loondispensatie niet kan inzetten voor een WW-er en wie een eventuele voorziening dient te treffen.

Als een niet-uitkeringsgerechtigde werkt met loondispensatie en er een WW-recht ontstaat, ontvangt deze niet-uitkeringsgerechtigde alleen een uitkering op grond van de WW. Als iemand met loondispensatie werkt die wel loonaanvulling krijgt en er een WW-recht ontstaat dan ontvangt hij een uitkering op grond van de WW met een aanvulling door de gemeente tot het relevante bijstandsniveau. Hoewel UWV verantwoordelijk is voor de WW-uitkering, blijft in beide gevallen de gemeente verantwoordelijk voor de re-integratie. Dit geldt zowel voor de WWNV-er als de niet- uitkeringsgerechtigde.

Pensioenopbouw

De leden van de fractie van de VVD vragen welke concrete effecten het onderhavig wetsvoorstel heeft voor de pensioenopbouw van mensen die gaan werken met het instrument loondispensatie en of de regering kan aangeven wat de stand van zaken is over het mogelijk maken in pensioenregelingen dat mensen met loondispensatie ook daadwerkelijk pensioen kunnen opbouwen.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering van plan is om concrete stappen te nemen, bijvoorbeeld door convenanten of andere afspraken te maken met sociale partners en de pensioen- en verzekeringswereld, om zo pensioenopbouw voor werknemers met loondispensatie mogelijk te maken. De leden vragen indien dit het geval is, op welke wijze en wanneer dit zal gebeuren en indien dit niet het geval is waarom dat niet gebeurt.

De regering is niet verantwoordelijk voor de pensioenopbouw van werknemers in het bedrijfsleven. Werknemers en werkgevers dragen hiervoor de gezamenlijke verantwoordelijkheid.

De Stichting van de Arbeid heeft in de zomer van 2010 de partijen die betrokken zijn bij pensioenregelingen opgeroepen om pensioenopbouw mogelijk te maken voor mensen die met loondispensatie werken. De regering onderschrijft de oproep van de Stichting van de Arbeid.

Mensen die met loondispensatie (gaan) werken bouwen vaak geen of nauwelijks pensioen op. Dit wordt veroorzaakt doordat pensioenopbouw vaak plaatsvindt over loon vanaf een in de pensioenregelingen opgenomen drempelbedrag, de franchise. Het loon van mensen die met loondispensatie werken zal meestal niet boven de franchise uitkomen, waardoor geen pensioenopbouw plaatsvindt.

Het is aan werkgevers en werknemers in de besturen van de pensioenfondsen om een besluit te nemen naar aanleiding van de oproep van de Stichting van de Arbeid. Voor pensioenopbouw bij loondispensatie zou dezelfde methode kunnen worden gehanteerd als voor deeltijders vaak het geval is. De Pensioenfederatie heeft desgevraagd laten weten, dat het Pensioenfonds voor Metaal en Techniek zijn pensioenregeling heeft aangepast. Een aantal pensioenfondsen past de deeltijdvariant in een individueel geval op verzoek van werkgever en werknemer wel toe, ook al is de pensioenregeling nog niet aangepast. De Pensioenfederatie heeft verder aangegeven, dat de meeste pensioenfondsen de kwestie nog niet hebben opgepakt, dan wel in de loop van 2012 een besluit zullen nemen over de wijziging van hun pensioenregeling.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om een nadere uitleg bij welke pensioenfondsen mensen met loondispensatie ondergebracht worden, en in hoeverre het wisselen van pensioenfondsen dan als gevolg van kortdurende banen extra negatieve effecten heeft op de pensioenopbouw.

De regering is niet verantwoordelijk voor het regelen en uitvoeren van pensioenen van werknemers in het bedrijfsleven. Werkgevers en werknemers dragen hiervoor de gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Voor mensen die met loondispensatie bij een werkgever werken, geldt dezelfde pensioenregeling bij hetzelfde pensioenfonds als voor mensen die zonder loondispensatie bij die werkgever werken.

Zoals eerder aangegeven, heeft de Stichting van de Arbeid de partijen die betrokken zijn bij pensioenregelingen opgeroepen om pensioenopbouw mogelijk te maken voor mensen die met loondispensatie werken. Indien alle pensioenfondsen hun pensioenregeling aanpassen, zal in dat opzicht geen effect optreden bij wisseling van werkgever en daardoor pensioenfonds.

Een werknemer die als gevolg van het wisselen van werkgever bij een ander pensioenfonds terechtkomt, heeft een wettelijk recht om het pensioen over te dragen naar het nieuwe fonds. Voor mensen met loondispensatie gelden hierbij dezelfde voorwaarden als voor mensen die zonder loondispensatie bij een werkgever werken.

Tot slot mag de pensioenuitvoerder op grond van de Pensioenwet een klein pensioen afkopen. Onder een klein pensioen wordt in 2012 een pensioen ten bedrage van 438,44 euro per jaar verstaan. Ook hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen mensen die met loondispensatie hebben gewerkt en mensen die zonder loondispensatie hebben gewerkt.

Evaluatie instrument loondispensatie

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven waarom er gekozen is voor een termijn van drie jaar om het instrument loondispensatie te evalueren.

De effecten op arbeids- en inkomensontwikkeling bij mensen met loondispensatie kunnen alleen vastgesteld worden met meetgegevens over een periode van voldoende lengte. Tegelijk is het belang van een inzicht hierin groot. De regering zal de effecten duiden zodra hierover betrouwbare uitspraken te doen zijn. De regering acht een termijn van drie jaar hiervoor een realistische termijn.

De leden van de fractie van D66 zijn benieuwd naar de inschatting van de regering over het aantal mensen dat (jaarlijks) gebruik gaat maken van loondispensatie (absoluut en als percentage van het totaal verwachte WWNV-bestand). De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of in de evaluatie van loondispensatie tevens het aantal mensen dat dankzij loondispensatie een baan heeft gevonden betrokken wordt en welke verwachtingen de regering hierover concreet heeft. De leden van de CDA- en PvdA fractie vragen of naast de drie onderwerpen in de evaluatie van de loondispensatie ook onderzocht wordt wat de effectiviteit van loondispensatie is, hoeveel mensen er meer mee aan de slag zijn gekomen en gebleven, de kosten, de cliëntbeleving, de ervaring van werkgevers etc.

Bij de evaluatie van loondispensatie worden aspecten als ervaringen van werkgevers en werknemers, effectiviteit, kosten en het aantal mensen dat met loondispensatie een baan heeft gevonden, betrokken. De evaluatie van loondispensatie komt nader aan bod in het plan van aanpak voor monitoring en evaluatie van de WWNV dat de staatssecretaris van SZW uw Kamer zo spoedig mogelijk zal doen toekomen.

De feitelijke inzet van het instrument loondispensatie is afhankelijk van de inzet van werkgevers, gemeenten en de mensen zelf. Gemeenten hebben, naast loondispensatie, een groot aantal andere instrumenten tot hun beschikking om mensen aan de slag te helpen vanuit een uitkering. Voorbeelden hiervan zijn jobcoaching, werkplekaanpassingen, scholing en trajecten. Gemeenten beslissen over de noodzaak, vorm en inhoud van de re-integratieondersteuning. Er is dan ook op voorhand geen concrete verwachting ten aanzien van het aantal mensen dat met loondispensatie zal gaan werken te geven.

Vergelijking met loonkostensubsidie

De leden van de fractie van de PvdA en de leden van de fractie van de SP vragen in hoeverre gemeenten de mogelijkheid houden om loonkostensubsidie in te zetten wanneer zij dat beter achten dan loondispensatie. De leden van de SGP-fractie vragen of het mogelijk blijkt om bijvoorbeeld loonkostensubsidie in te zetten.

Gemeenten bepalen zelf de vorm, duur en inhoud van re-integratieondersteuning. Gemeenten behouden de mogelijkheid om het instrument loonkostensubsidie in te zetten.

De leden van de SP-fractie vragen de regering de verschillen toe te lichten tussen loonkostensubsidie en loondispensatie. De leden van zowel de PvdA-fractie als de SP-fractie verzoeken de regering om een overzicht van de kosten van beide instrumenten voor gemeenten, werkgever en Rijk. De leden van de fractie van de SP willen graag een overzicht van de kosten bij een loonwaarde van 25 procent, 50 procent en 75 procent en een overzicht van het inkomen van betrokkenen in het geval van loonkostensubsidie dan wel loondispensatie bij een verdiencapaciteit van 25 procent, 50 procent en 75 procent.

Loondispensatie heeft een aantal voordelen ten opzichte van het alternatief: loonkostensubsidie.

De regering wil zoveel mogelijk mensen een kans op werk bieden. Met loondispensatie kunnen met hetzelfde budget meer mensen aan de slag worden geholpen.

De gemeente hoeft bij loondispensatie slechts het loon aan te vullen tot maximaal 100 procent van het minimumloon. Bij loonkostensubsidie vergoedt de gemeente de werkgever het verschil tussen de productiewaarde en het functieloon: het rechtens geldende loon dat iemand krijgt voor het uitoefenen van zijn functie. Dit loon zal in de regel hoger zijn dan 100 procent van het minimumloon.

Ook voor mensen zelf is het instrument loondispensatie interessant. Wanneer werknemers productiever worden, leidt dit in de regel tot een hoger inkomen. Dit stimuleert mensen hun arbeidsvermogen maximaal te ontwikkelen en het beste uit zichzelf te halen. Bij loonkostensubsidie merken mensen zelf niets van een hogere productiviteit: alleen de werkgever merkt dit voordeel. Overigens hebben gemeenten beleidsvrijheid bij het bepalen van de hoogte van de loonkostensubsidie.

De regering stelt met loondispensatie een extra instrument beschikbaar voor gemeenten. Maar gemeenten kunnen er ook nog steeds voor kiezen om loonkostensubsidie in te zetten.

Onderstaande tabel laat een vergelijking zien van loonkostensubsidie en loondispensatie. Omdat gemeenten beleidsvrijheid hebben bij het bepalen van de hoogte van de loonkostensubsidie, vindt er bij loonkostensubsidie niet altijd een loonwaardebepaling plaats.

Als wordt aangenomen dat een gemeente een loonkostensubsidie van 9 500 euro verstrekt (dit is gelijk aan 50 procent van het minimumloon), kan de volgende vergelijking worden gemaakt. Onder deze aanname zijn bij inzet van een loonkostensubsidie de kosten per persoon voor de overheid 9 500 euro en de kosten voor de werkgever 14 593 euro. Bij een gelijke loonwaarde zijn bij loondispensatie de kosten voor de werkgever ongeveer een derde lager en voor de gemeente ongeveer de helft. De tabel laat zien dat de kosten van loonkostensubsidie voor de overheid hoger zijn dan de inzet van loondispensatie. Loondispensatie geeft werkgevers dus een grotere prikkel om werknemers met een lage loonwaarde aan te nemen, tegen lagere kosten voor de overheid.

Tabel 3.4 Netto inkomen werknemer en kosten voor de overheid/de werkgever bij een alleenstaande met loonkostensubsidie en loondispensatie op jaarbasis
 

Netto inkomen

Kosten overheid1

Kosten werkgever2

Loonkostensubsidie met cao-loon van 110% WML

16 720

9 500

14 593

       

Loondispensatie, 25% loonwaarde

11 785

7 081

5 447

Loondispensatie, 50% loonwaarde

13 264

4 900

10 894

Loondispensatie, 75% loonwaarde

15 023

3 002

16 341

HOOFDSTUK 4 WET SOCIALE WERKVOORZIENING

In dit hoofdstuk worden de vragen beantwoord over de wijzigingen in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). De vragen over de omvang van de financiële middelen voor de uitvoering van de Wsw die vanaf 2013 zijn opgenomen in het gebundeld re-integratiebudget, zijn beantwoord in hoofdstuk 2. De vragen betreffende het overgangsrecht Wsw worden in hoofdstuk 6 beantwoord.

4.0 Inleiding

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering van mening is dat de voorspelling dat dit voorstel een sterfhuisconstructie is voor de Wsw ongegrond is en dit toe te lichten. De leden van de SP-fractie vragen waarom is gekozen voor een sterfhuisconstructie voor de sociale werkplaatsen.

Er is geenszins sprake van een «sterfhuisconstructie». Het beeld dat de leden van de SP-fractie schetsen, herkent de regering niet. In de structurele situatie blijven 30 000 plekken beschikbaar voor Wsw-geïndiceerden.

De leden van de fractie van de PvdA en SP vragen of de regering de taak van de Wsw louter ziet als het mogelijk maken van werk voor diegenen die nergens anders dan in een beschutte werkomgeving terecht kunnen. Zij vragen of de regering de functie van het sw-bedrijf als leerwerkbedrijf/mens ontwikkelbedrijf laat varen.

Het doel van de WWNV is om de Wsw weer terug te brengen tot waar deze oorspronkelijk voor bedoeld was: werkgelegenheid bieden voor mensen die zijn aangewezen op arbeid in een beschutte omgeving. Gemeenten en werknemers houden daarbij de opdracht te werken aan het behoud en bevordering van de arbeidsbekwaamheid en het verkrijgen van arbeid onder normale omstandigheden. De uitvoering van de Wsw is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Het is aan gemeenten om te bepalen welke keuzes zij daarbij maken. Het behoud van de functie van het lokale sw-bedrijf als leer/werkbedrijf of mensontwikkelbedrijf kan één van die keuzes zijn.

De leden van de PvdA fractie constateren dat de regering in de memorie van toelichting stelt dat de Wsw 2,5 keer groter is dan was beoogd bij de inwerkingtreding in 1969 en vragen of de regering hiermee bedoelt dat de laatste jaren mensen onterecht in de Wsw zijn toegelaten. Ook de leden van de CDA-fractie vragen zich, naar aanleiding van pagina 3 van de memorie van toelichting, af of er de laatste jaren onterecht mensen in de Wsw zijn toegelaten. Indien dit het geval is vragen de leden van de PvdA-fractie en van de CDA-fractie naar de oorzaak hiervan.

Het is niet zo dat mensen onterecht in de Wsw zijn gekomen. Ook in de huidige situatie kunnen mensen alleen in de Wsw komen als ze een indicatiebeschikking hebben. De nu geldende criteria zijn echter dusdanig geformuleerd dat mensen ook een beschikking voor de Wsw krijgen, als ze begeleid kunnen werken bij een reguliere werkgever. Een belangrijk doel van de huidige Wsw is om mensen met een Wsw-indicatie zo regulier mogelijk te laten werken. Dit doel wordt onvoldoende gerealiseerd. Minstens de helft van de mensen krijgt bij de beschikking het advies begeleid werken. In de praktijk maakt slechts vijf procent daadwerkelijk de overstap naar een dienstverband bij een reguliere werkgever. De huidige Wsw stimuleert gemeenten, sw-bedrijven en Wsw’ers te weinig om bij een reguliere werkgever te werken. De regering verwijst hiervoor ook naar het antwoord op de vraag van de leden van de SP-fractie over de fuikvorming in de sociale werkvoorziening. De Wsw wordt met dit wetsvoorstel in de toekomst weer teruggebracht tot een voorziening voor mensen die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken. Mensen die een beroep doen op de Wsw, maar vanwege hun arbeidsvermogen ook bij een gewone werkgever aan de slag kunnen, kunnen via de WWNV aan werk worden geholpen.

De leden van de SP-fractie vragen de regering of deze erkent dat een baan in de sociale werkplaats voor mensen met een indicatie hen economische zelfstandigheid geeft.

Werk zorgt voor economische zelfstandigheid, draagt bij aan gevoel van eigen waarde en biedt kansen om mee te doen in de samenleving. Het onlangs verschenen rapport «Voorbestemd tot achterstand?» van het SCP78 laat zien dat werk nog steeds één van de belangrijkste factoren is om uit de armoede te ontsnappen. Werk biedt bovendien structuur en is een belangrijke voorwaarde om deel te nemen aan de maatschappij. Dit verklaart waarom mensen die werken minder sociaal uitgesloten zijn, terwijl het ontvangen van een uitkering, volgens het SCP, de kans daarop juist vergroot. Dat geldt ook voor mensen die werkzaam zijn met een Wsw-indicatie. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het realiseren van arbeidsplaatsen voor Wsw’ers die aansluiten bij hun mogelijkheden en capaciteiten. Dat kan werk zijn in een beschutte werkomgeving (sociale werkplaats), maar ook arbeid die vanuit een detacheringsverband wordt verricht bij een reguliere werkgever of werk in dienst van een reguliere werkgever. Economische zelfstandigheid wordt dus niet exclusief vanuit de sociale werkplaats gerealiseerd.

De leden van de fractie van de ChristenUnie geven aan dat de regering constateert dat er in geen enkel ander land zoveel mensen in de sociale werkvoorziening werken. Deze leden vragen in hoeverre de situaties in de diverse landen vergelijkbaar zijn, gezien verschillen in omstandigheden, wet- en regelgeving en definities van groepen.

Internationaal vergelijkend onderzoek naar de Wsw is lastig. In verschillende landen worden de doelgroep en het beleid anders gedefinieerd. Wel kan in het algemeen worden gesteld dat in Nederland, in vergelijking met andere landen, relatief zeer veel mensen werken in een (vergelijkbare) Wsw-voorziening. De kosten in Nederland zijn in internationaal perspectief bovengemiddeld hoog.

De leden van de GroenLinks fractie vragen de regering waarom zij ervoor kiest om het beschut werk geen onderdeel te laten zijn van de WWNV.

De regering heeft ervoor gekozen om de Wsw te behouden voor mensen die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken. De doelgroep voor de Wsw 2013 is daarmee een wezenlijk andere dan de doelgroep WWNV.

Oorzaken van te weinig uitstroom naar werk

De leden van de VVD-fractie constateren dat in de memorie van toelichting gesteld wordt dat het voor bestaande Wsw-werknemers gelet op hun geldende cao financieel niet aantrekkelijk is om bij een reguliere werkgever aan de slag te gaan en vragen of er geen (financiële) prikkels te bedenken zijn om dit te stimuleren. De leden van de fractie van de SGP vragen aan te geven welke reële prikkels er zijn tot werken naar vermogen voor het zittend bestand binnen Wsw, gelet op de bescherming die het wetsvoorstel voor deze groepen biedt.

De (financiële) beschutting van de Wsw heeft voor mensen vaak een grotere aantrekkingskracht dan werken bij een reguliere werkgever. Ook het rapport van de commissie De Vries «Werken naar vermogen» 79 gaat in op het feit dat de prikkels voor betrokkenen verkeerd staan om uitstroom naar werk bij reguliere werkgevers te bevorderen. De arbeidsvoorwaarden zijn de verantwoordelijkheid van werkgevers (de gemeenten) en werknemers. Hoewel Wsw-geïndiceerden niet in staat zijn zelfstandig het WML te verdienen is het gemiddelde beloningsniveau 125 procent WML. Een op de acht Wsw-geïndiceerden verdient meer dan 140 procent WML. Het is ontegenzeggelijk juist dat deze arbeidsvoorwaarden ertoe kunnen leiden dat werknemers om deze reden de overstap naar regulier werk niet maken. De huidige Wsw kent een prikkel om mensen met een Wsw-indicatie ertoe te bewegen wel de overstap naar regulier werk te maken. Wsw-werknemers zijn verplicht om, voorzover zij daartoe in staat worden geacht, mee te werken aan het behoud dan wel het bevorderen van de arbeidsbekwaamheid en aan het verkrijgen van arbeid onder normale omstandigheden (artikel 6 van de Wsw). Indien een Wsw-werknemer daar niet aan meewerkt, kan een gemeente de dienstbetrekking opzeggen.

Gemeenten krijgen de beschikking over een ongedeeld re-integratiebudget en hebben een financiële prikkel om mensen buiten te plaatsen. Gemeenten kunnen kosten besparen door meer mensen, ook uit het zittend bestand, extern te plaatsen en bij een reguliere werkgever te laten werken. Zij hebben beleidsvrijheid in het inzetten van financiële prikkels daarbij. Gemeenten kunnen onder andere mensen met een Wsw-dienstbetrekking die vrijwillig een begeleidwerken dienstbetrekking aangaan met een premie belonen. De kosten van de premie kunnen worden betaald uit het participatiebudget. Gemeenten kunnen de uitstroom ook combineren, eventueel samen met de premie, met een terugkeergarantie bij het sw-bedrijf. Tenslotte blijkt dat een aantal Wsw-ers het prettiger vindt zonder Wsw-dienstverband te werken (bijvoorbeeld bij hetzelfde bedrijf als waar zij ingehuurd werden), omdat zij zich dan een volwaardiger werknemer voelen. Ook dat kan een reden zijn voor de stap naar regulier werk.

De leden van de SP-fractie vragen de regering wat zij verstaat onder fuikvorming in de sociale werkvoorziening. Zij vragen de regering daarbij een kwalitatieve en kwantitatieve omschrijving te geven van fuikvorming in de sociale werkplaats.

In de rondetafelgesprekken hebben de aanwezige sw-bedrijven aangegeven dat de cao-lonen in de Wsw de uitstroom uit de Wsw belemmert. De (financiële) beschutting van de Wsw heeft voor mensen vaak een grotere aantrekkingskracht dan werken bij een reguliere werkgever. Ook de rapporten van de commissie De Vries en de commissie Westerlaken gaan in op het feit dat de prikkels voor betrokkenen verkeerd staan om uitstroom naar werk bij reguliere werkgevers te bevorderen. Hoewel Wsw-geïndiceerden niet in staat zijn zelfstandig het WML te verdienen, is het gemiddelde beloningsniveau 125 procent WML. De ervaring leert dat als mensen eenmaal in de Wsw werkzaam zijn, zij nauwelijks doorstromen naar begeleid werken bij een reguliere werkgever. Op dit moment werken ruim tweeënhalf keer zoveel mensen in de Wsw als was beoogd bij de inwerkingtreding van de Wsw in 1969. In 2010 werkte ongeveer 6 procent van het gehele bestand begeleid in dienst van een reguliere werkgever. De uitstroom naar reguliere arbeid uit het Wsw-bestand bedroeg in 2010 ongeveer 1 procent van de totale uitstroom.

De leden van de VVD-fractie constateren dat momenteel slechts 5 procent van de mensen met een Wsw-indicatie begeleid gaan werken bij een reguliere werkgever, terwijl uit de indicaties juist blijkt dat minstens de helft van hen met enige begeleiding aan de slag kan bij een reguliere werkgever. Deze leden vragen zich af welke begeleiding die mensen nodig hebben om bij een reguliere werkgever aan de slag te gaan.

Het begeleiden van mensen met een Wsw-indicatie is maatwerk en kan sterk verschillen van geval tot geval en van sw-bedrijf tot sw-bedrijf. Hiervan vindt geen centrale registratie plaats. Op de vraag in welke mate mensen met een Wsw-indicatie begeleiding nodig hebben valt derhalve geen algemeen antwoord op te geven.

De PvdA-fractie vraagt welke bronnen zijn geraadpleegd voor de figuur 4.1 op pagina 28 van de memorie van toelichting.

De grafiek op pagina 26 van de memorie van toelichting is gebaseerd op informatie uit de brief van de staatssecretaris van SZW van 27 mei 201180 en op een rapport van SEO: Sector- en bedrijfsinformatie Sociale Werkgelegenheid en arbeidsintegratie 2008, oktober 2009.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering cijfers en onderzoeken kan overleggen over het aantal werknemers met een indicatie voor de sociale werkplaats die er inkomen op achteruit zijn gegaan bij overstap naar een reguliere werkgever.

Nee, daarover beschikt de regering niet. Echter, uit de rapporten van de Commissie De Vries81 en de Commissie Westerlaken82 blijkt dat de arbeidsvoorwaarden in de Wsw een belangrijke belemmering zijn voor de overstap naar werk bij een reguliere werkgever.

4.1 De Wsw vanaf 2013

Wsw vanaf 1 januari 2013 beperkt tot beschut werken

De leden van de fractie van het CDA, de ChristenUnie en de VVD vragen of de regering kan aangegeven waarom is gekozen voor een verschil in arbeidsvoorwaarden voor de Wsw en de WWNV. Zij vragen of dit geen perverse prikkel oplevert en een extra druk op de wachtlijst voor de Wsw. Ook de leden van de SGP-fractie vragen in te gaan op het gevolg van het wetsvoorstel dat werknemers in de sociale werkvoorziening minimaal het minimumloon ontvangen, terwijl uitkeringsgerechtigden op grond van de WWNV met een dikwijls hogere loonwaarde hooguit het minimumloon kunnen verdienen.

In het regeer- en gedoogakkoord is afgesproken dat de Wsw blijft bestaan voor de nieuwe instroom die alleen beschut werk kan doen. De arbeidsvoorwaarden voor de Wsw zijn een zaak van de werkgevers (gemeenten) en vakbonden. Het Rijk treedt daar niet in.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering ervoor kiest de werknemersstatus te handhaven voor mensen binnen beschut werk, wanneer de situatie ontstaat dat door de beperkingen van het financiële kader geen ruimte is om deze werknemers meer te betalen dan het minimumloon. Deze leden vragen welke bezwaren er zijn om het beschut werk te positioneren als regeling binnen de WWNV, met behoud van de onafhankelijke indicatiestelling door UWV.

De regering vindt het wenselijk de Wsw als aparte voorziening te laten bestaan voor mensen die alleen in een beschutte werkgeving kunnen werken en niet bij een reguliere werkgever met ondersteuning. Daarmee wordt geborgd dat voor een kwetsbare groep een passende vorm van arbeidsparticipatie blijft bestaan.

Huidige Wsw-indicatie

De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel mensen onder de huidige regelgeving jaarlijks een Wsw-indicatie krijgen. Deze leden vragen tevens hoeveel mensen naar verwachting onder de nieuwe criteria jaarlijks een Wsw-indicatie krijgen.

Voorts vragen deze leden naar de achtergrond van de stelling dat het aantal mensen met een Wsw-indicatie met 2/3 afneemt door de aanscherping van de indicatiecriteria. De leden van de fractie van D66 vragen hoe de inschatting dat de nieuwe indicatiecriteria tot een afname van 2/3 leidt tot stand is gekomen. Tevens vragen zij of de nieuwe indicatiecriteria bijvoorbeeld steekproefsgewijs zijn getest.

In 2010 hebben 14 611 mensen een eerste indicatie Wsw gekregen.83 Na inwerkintreding van de WWNV wordt de toegang tot de Wsw beperkt tot mensen die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken. UWV heeft onderzoek gedaan naar de werking van de aangescherpte indicatiecriteria. Daaruit blijkt dat 68 procent van de mensen niet meer in aanmerking komt voor een indicatie beschutte arbeid als gevolg van de aangescherpte indicatiecriteria. Dit correspondeert met de afname van de instroom in beschutte arbeid met 2/3.

Aanpassing indicatie noodzakelijk

De leden van de PvdA-fractie vragen naar het nut van een Wsw-indicatie wanneer er geen enkele zekerheid is dat iemand ooit aan de beurt komt.

Iemand die niet regulier kan werken en alleen beschut werk kan doen, kan zonder indicatie geen Wsw-dienstbetrekking krijgen. Ten opzichte van de huidige situatie, waarin mensen die wel regulier werk kunnen doen en ook een indicatie kunnen krijgen, betekent dit een aanscherping die leidt tot minder geïndiceerden. Dat is in het voordeel van mensen die zijn aangewezen op beschut werk.

Nieuwe indicatie beschut werk

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan garanderen dat UWV bij de indicatiestelling gebruik maakt van de deskundigheid bij de Ggz over de arbeidsmogelijkheden van de patiënt.

Artikel 3, lid 3, van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken regelt dat het onderzoek door UWV adequaat wordt verricht door personen die over voldoende deskundigheid beschikken. Vervolgens bepaalt een ministeriële regeling wanneer bij het onderzoek een arbeidsdeskundige, een arts en een psycholoog worden betrokken. Deze artikelen blijven in de nieuwe situatie gehandhaafd.

De leden van de fracties van de VVD en SGP vragen de regering om een toelichting wanneer iemand onder de nieuwe indicatie beschut werken kan gaan werken binnen de Wsw, mogelijk gestaafd met voorbeelden. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke criteria na 1 januari 2013 precies gaan gelden voor de Wsw-indicatie en wat de verschillen zijn ten opzichte van de huidige criteria. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen ook of een Wsw-indicatie alleen kan worden verkregen op grond van een koppeling met de loonwaarde (20 procent ondergrens) of dat een Wsw-indicatie ook op andere gronden mogelijk is en zo ja,wat deze gronden dan zijn.

Hoofdstuk 4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel bevat op hoofdlijnen de criteria om in aanmerking te komen voor «beschut werken» in de Wsw vanaf 2013. Deze criteria worden nader uitgewerkt in het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken. De aanpassing van dit Besluit kent een voorhangprocedure. Na instemming door de Tweede Kamer met de Invoeringswet Wet werken naar vermogen, zal het Besluit in beide Kamers worden voorgehangen.

De leden van de VVD-fractie vragen of de mogelijkheid bestaat dat iemand zich na verloop van tijd kan ontwikkelen voorbij de bovengrens voor beschut werken en indien dat het geval is wat de consequenties daarvan dan zijn.

Iemand kan zich inderdaad ontwikkelen tot voorbij de bovengrens. De gemeente kan dan UWV verzoeken om een herindicatie, om vast te laten stellen of iemand nog tot de doelgroep van de Wsw behoort. Mensen die daarbij de indicatie verliezen, behoren niet meer tot de doelgroep. Verlies van indicatie is echter geen directe reden voor ontslag. Gemeenten hebben de plicht zorg te dragen voor een passend alternatief. Gemeenten kunnen de dienstbetrekking pas opzeggen indien betrokkene niet meewerkt aan het verkrijgen van een alternatieve dienstbetrekking dan wel een aanbod voor passende arbeid onder normale omstandigheden heeft geweigerd.

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre het voor een Wsw-werknemer loont om aan de slag gaat met loondispensatie bij een reguliere werkgever.

Het is voor een Wsw-werknemer niet lonend om met loondispensatie bij een reguliere werkgever aan de slag te gaan. Iemand kan dan immers maximaal het WML verdienen. Wsw-werknemers verdienen in ieder geval minimaal het WML en zij kunnen nu op grond van de huidige Wsw-cao ook meer dan het WML verdienen.

Overigens is in het wetsvoorstel bepaald dat het niet mogelijk is een Wsw-dienstbetrekking aan te gaan met behulp van loondispensatie. Mensen met een nieuwe Wsw-indicatie zijn enkel in staat onder beschutte omstandigheden te werken. Zij zijn met dit wetsvoorstel uitgesloten van inzet van loondispensatie.

De leden van de van de PvdA en ChristenUnie vragen of mensen die vanaf 1 januari 2013 een Wsw-indicatie krijgen, met loondispensatie aan de slag kunnen gaan.

Mensen met een Wsw-indicatie die is afgegeven na inwerkingtreding van de WWNV, krijgen die indicatie omdat ze enkel in beschutte omstandigheden kunnen werken. Dit betekent dat zij niet bij een reguliere werkgever kunnen werken. In het wetsvoorstel zijn zij uitgesloten van de doelgroep voor loondispensatie.

Mensen zonder Wsw-indicatie waarvoor werk bij een reguliere werkgever wel mogelijk is, hebben geen toegang meer tot de Wsw. Voor hen is inzet van loondispensatie wel mogelijk.

De leden van de fractie van de PVV vragen op welke wijze de kwaliteit van de indicatiestelling Wsw van UWV gewaarborgd wordt.

UWV zal, net als nu, de indicatie voor de toekomstige Wsw uitvoeren. Het kabinet zorgt op deze manier voor een onafhankelijke keuring en behoud van de bestaande expertise. Het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken stelt nadere regels over het onderzoek van UWV of iemand tot de doelgroep behoort. UWV voert het onderzoek uit op basis van de methodiek zoals beschreven in zijn handboek Wsw. Op dit moment ontwikkelt UWV een inhoudelijke richtlijn en een instrument om de ondergrens van de Wsw te kunnen bepalen.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de Wsw’er zelf kan vragen om een herindicatie in de nieuwe Wsw.

Het aanvragen van een Wsw-indicatie gebeurt op vrijwillige basis. Op grond van artikel 12, derde lid, van de Wsw, heeft de betrokkene de mogelijkheid om de gemeente te verzoeken om de indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking in te trekken. Betrokkene kan op een later moment opnieuw een indicatiebeschikking voor de Wsw aanvragen.

De leden van de fractie van D66 vragen naar voorbeelden van verschillende vormen van een arbeidshandicap die onder de nieuwe criteria geen recht meer geven op een Wsw-indicatie.

Of mensen in de toekomst wel of geen toegang hebben tot de Wsw is niet uit te drukken in vormen van een arbeidshandicap. Iemand krijgt een Wsw-indicatie als hij voldoet aan de vier criteria voor de ondergrens en aan één van de twee criteria voor de bovengrens. Er wordt daarbij niet gekeken naar de arbeidshandicap an sich. De criteria worden nader uitgewerkt in het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken. Dit Besluit wordt voorgehangen in beide Kamers na instemming met de WWNV.

De leden van de PvdA-fractie en de D66-fractie vragen of een Wsw-indicatie, ook na de aanscherping – een voorliggende voorziening blijft voor dagbesteding (via AWBZ of Wmo). De leden van de PvdA-fractie vragen, indien het antwoord nee is, hoe een groter beroep op VWS-middelen kan worden voorkomen. Hetzij via de AWBZ, hetzij via de Wmo.

Mensen kunnen vrijwillig een Wsw-indicatie aanvragen, het is geen verplichting. Wanneer mensen een Wsw-indicatie hebben, blijft bij de beoordeling van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor dagbesteding de Wsw gelden als voorliggende voorziening. Zodra begeleiding (waaronder dagbesteding) wordt overgeheveld naar de gemeente (Wmo), valt dit onder de compensatieplicht en zal het CIZ niet meer indiceren voor begeleiding, waaronder dagbesteding. Het is vanaf dat moment (2013, nieuwe instroom en herindicaties, 2014 zittend bestand dagbesteding) aan de gemeente om te bepalen hoe zij wil omgaan met dagbesteding van Wsw-geïndiceerden. De compensatieplicht in de Wmo ten aanzien van begeleiding biedt burgers daarbij de garantie dat zij door hun gemeente in staat worden gesteld om dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daarover regie te voeren. Een burger heeft recht op een feitelijk resultaat.

De leden van de GroenLinks-fractie en PvdA-fractie vragen of mensen met een werkvermogen nog in aanmerking komen voor dagbesteding. De leden van de ChristenUnie-fractie veronderstellen dat mensen die arbeidsvermogen hebben, geen indicatie dagbesteding AWBZ kunnen krijgen. Deze leden vragen of de kans op het vinden van werk voor deze groep afneemt voor mensen met arbeidsvermogen die begeleiding nodig hebben en dit nu niet meer krijgen.

Het kabinet heeft het voornemen om de begeleiding, waaronder dagbesteding, vanaf 1 januari 2013 over te hevelen van de AWBZ naar de gemeente in het kader van de Wmo. Het is vanaf dat moment (2013 nieuwe instroom en herindicaties, 2014 zittend bestand) aan de gemeente om te bepalen hoe zij wil omgaan met dagbesteding binnen de kaders van de Wmo.

Het gaat zowel bij de Wmo als bij de WWNV om individueel maatwerk per cliënt. Daarbij verwacht het kabinet dat de gemeente integraal (zowel vanuit de Wmo als de WWNV) kijkt wat het beste is om de individuele cliënt te ondersteunen om te gaan participeren in de samenleving c.q. duurzaam te participeren op de arbeidsmarkt. Het kan zijn dat iemand zodanige beperkingen heeft, dat hij in beginsel wel arbeidsvermogen heeft, maar feitelijk nog niet in staat is aan het arbeidsproces deel te nemen. In die omstandigheden kan de gemeente, vanuit het belang van participatie (deelname aan het maatschappelijk verkeer), een voorziening in de vorm van dagbesteding aanbieden.

Ondergrens

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat de ondergrens voor arbeidsvermogen voor de WWNV en de Wsw hetzelfde is. De leden vragen wat nu precies het verschil is of iemand voor de Wsw geïndiceerd wordt gezien het feit dat beiden een ondergrens van 20 procent arbeidsvermogen kennen.

Na invoering van de WWNV zullen alleen mensen voor de Wsw worden geïndiceerd die niet bij een reguliere werkgever aan de slag kunnen en die zijn aangewezen op een beschutte werkomgeving. Naast een ondergrens van 20 procent arbeidsvermogen worden mensen in het kader van de indicatiestelling voor de Wsw op meer criteria beoordeeld dan bij de WWNV. Hoofdstuk 4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel bevat op hoofdlijnen de criteria om in aanmerking te komen voor «beschut werken» in de Wsw vanaf 2013. Deze criteria worden nader uitgewerkt in het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken. De aanpassing van dit Besluit kent een voorhangprocedure. Na instemming door de Tweede Kamer met het wetsvoorstel, zal het Besluit in beide Kamers worden voorgehangen.

De leden van de fractie van de VVD vragen wat er gebeurt met mensen die onder de ondergrens van de Wsw vallen.

De ondergrens voor Wsw-arbeid markeert het verschil tussen mensen die in het geheel geen mogelijkheden hebben tot arbeidsparticipatie en mensen die uitsluitend in de beschutte omgeving van de Wsw kunnen werken. In het geval iemand onder de ondergrens van de Wsw valt, dan zijn er afhankelijk van de situatie verschillende mogelijkheden. Iemand kan een Wajonguitkering krijgen als wordt voldaan aan de overige voorwaarden voor de Wajong en kan mogelijk, indien aan de voorwaarden wordt voldaan, dagbesteding via de AWBZ of Wmo aangeboden krijgen. Ook als iemand geen Wajonguitkering krijgt en aan de voorwaarden voldoet kan deze persoon mogelijk in de dagbesteding via de AWBZ of Wmo actief zijn.

De leden van de fractie van de VVD vragen wat er wordt bedoeld met het criterium «de inwerktijd voor de eenvoudigste functie van tenminste twee functies die iemand kan vervullen».

Hiermee bedoelt de regering dat iemand verschillende functies moet kunnen vervullen: van verschillend functieniveau of in verschillende branches binnen de Wsw. De inwerktijd voor de eenvoudigste functie mag niet langer zijn dan tien weken. Dit criterium is één van de vier criteria voor het bepalen van de ondergrens Wsw. Het draagt er aan bij dat de werkzaamheden kunnen worden ingepast in het arbeidsproces.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe hoog het minimumpercentage is dat iemand kan leveren uitgedrukt in een percentage van het minimumloon voordat men toegang krijgt tot de Wsw.

Voor toegang tot de Wsw moeten mensen in staat zijn om ten minste twintig procent van het minimumloon te kunnen verdienen. Dit is één van de vier criteria voor het bepalen van de ondergrens voor de Wsw. Daarnaast moet ook aan de overige drie criteria zoals vermeld in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (hoofdstuk 4) worden voldaan. De criteria worden nader uitgewerkt in het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken. De aanpassing van dit Besluit kent een voorhangprocedure. Na instemming door de Tweede Kamer met de Invoeringswet Wet werken naar vermogen, zal het Besluit in beide Kamers worden voorgehangen.

De leden van de fractie van de VVD vragen wat de doorslaggevende criteria zijn om mensen aan te wijzen voor een beschutte werkplek of voor een Wajong-uitkering.

De bovengrens van de Wajong is in de nieuwe situatie gelijk aan de ondergrens van de Wsw. Deze grens markeert het verschil tussen mensen die duurzaam helemaal geen mogelijkheden hebben tot arbeidsparticipatie (Wajong) en mensen die die mogelijkheden wel hebben, maar alleen in een beschutte omgeving (Wsw). Voldoet iemand niet aan één van de vier ondergrenscriteria voor de Wsw, dan zijn er geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie en kan iemand in aanmerking komen voor een Wajonguitkering, als diegene aan de overige voorwaarden voor de Wajong voldoet. UWV voert de beoordeling uit voor zowel Wajong als Wsw.

Bovengrens

De regering geeft aan dat de indicatiecriteria voor onder- en bovengrens onverlet laten dat er sprake kan zijn van een arbeidsproductiviteit met een behoorlijke mate van economische betekenis. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toelichten waar gemiddeld vanuit wordt gegaan. De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet uitgaat van een bepaalde gemiddelde loonwaarde van mensen die vanaf 2013 zijn aangewezen op beschut werk en zo ja waar dan mee gerekend wordt.

Een Wsw-indicatie is met ingang van 2013 alleen nog beschikbaar voor mensen die uitsluitend in een beschermde omgeving arbeid kunnen verrichten. Er is echter geen directe relatie vast te stellen tussen de criteria voor «beschut werk» en de verdiencapaciteit. Voor het verkrijgen van een Wsw-indicatie wordt enkel een ondergrens aan verdiencapaciteit gebruikt. Deze ondergrens ligt op 20 procent WML. De criteria voor het verkrijgen van een Wsw-indicatie hebben vervolgens betrekking op de reden waarom iemand alleen in een beschermde omgeving kan werken. Er zijn bijvoorbeeld veel technische aanpassingen in de werkplek noodzakelijk of er is permanente begeleiding nodig. Over het algemeen hebben mensen die uitsluitend onder deze omstandigheden kunnen werken een lage verdiencapaciteit. Dit hoeft echter niet altijd het geval te zijn. In de budgettaire ramingen, heeft de regering een conservatieve aanname gehanteerd van een arbeidsproductiviteit van gemiddeld 30 procent WML voor de mensen die vanaf 2013 zijn aangewezen op beschut werk. Dit is lager dan de productiviteit van de huidige Wsw’ers, die gemiddeld ongeveer de helft van het wettelijk minimumloon met hun arbeidsvermogen verdienen84.

De duur van de indicatie

De leden van de fractie van de SP vragen waarom de periodieke herindicatie voor mensen met een indicatie voor de sociale werkplaats wordt geschrapt en alleen op aanvraag van het college kan plaatsvinden. Daarbij vragen zij of werknemers, begeleiders, instellingen of de sociale werkplaats kunnen verzoeken om een herindicatie en hoe vaak de gemeente een herindicatie kan vragen.

De indicatie voor de Wsw vindt na inwerkingtreding van de WWNV alleen plaats voor mensen die uitsluitend in de beschutte werkomgeving van de Wsw kunnen werken. Daarom is er in beginsel geen maximale of minimale geldigheidsduur meer. UWV kan op verzoek van het college wel herindicaties verrichten. Er is geen wettelijke limiet hoe vaak de gemeente om een herindicatie kan verzoeken.

Verplicht beleid voor beschut werk

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering kiest voor een aanpak waarbij per gemeente via een verordeningsplicht een waarborg is ingebouwd dat minimaal één op de drie plekken die jaarlijks vrijkomen, bestemd moeten worden voor nieuwe plekken. Deze leden vragen of de regering hiermee de in het verleden door verdwijnen van industrieën ontstane scheefgroei van sw-bedrijven in de verschillende regio’s niet intact laat. Deze leden vragen daarbij hoe het valt te rechtvaardigen dat bijvoorbeeld een persoon op de wachtlijst met een beschutte indicatie in een krimpregio zoals in Zuid-Limburg met vanuit de historie een groot gegroeide Wsw voorzieningschap veel eerder in aanmerking zal komen voor een plaats dan bijvoorbeeld elders in het land waar het dichtbevolkt is, maar van oorsprong een kleiner werkvoorzieningschap is.

De leden van de SGP-fractie vragen hoe de regering rekening houdt met de verschillen tussen gemeenten met betrekking tot het aantal Wsw’ers dat volgens deze leden mede door beleid van het Rijk is ontstaan. Deze leden vragen of het niet de voorkeur verdient om bijvoorbeeld kleinere gemeenten met een relatief hoge populatie mogelijkheden te geven voor een sterkere daling van het aantal Wsw’ers dan op grond van het wetsvoorstel mogelijk is. Zij vragen of de regering dergelijke alternatieven heeft onderzocht die op stelselniveau wel kunnen leiden tot behoud van een derde van het aantal plaatsen.

De leden van de SGP-fractie constateren terecht dat er grote verschillen bestaan in het relatieve aantal Wsw-plekken per gemeente. Ook de door de VNG en Cedris ingestelde adviescommissie «Toekomst en transitie sociale werkvoorziening» geeft in haar rapport «Goed benut, goed bestuurd» aan dat er grote verschillen bestaan in het relatieve aantal Wsw-plekken per gemeente. Dit is zo gegroeid, doordat tot 1998 de regionale werkloosheid meespeelde in de indicatiestelling. Dit verklaart echter maar een deel van de verschillen in aantallen Wsw-plekken tussen gemeenten. Een steeds kleiner aandeel van het zittend bestand wordt gevormd door de doelgroep van voor 1998. De mate waarin kleine gemeenten een groter aandeel in de taakstelling hebben heeft mede te maken met locale omstandigheden. In diverse kleine gemeenten zijn instellingen gevestigd met een grote groep mensen die in aanmerking komen voor een Wsw-indicatie.

De huidige taakstelling in de Wsw wordt sinds 1998 verdeeld op basis van het aantal Wsw-geïndiceerden op de wachtlijst en het aantal mensen met een Wsw-dienstbetrekking in een gemeente. Daardoor hebben gemeenten met een gemiddeld hogere behoefte een relatief groot bestand. Omdat de huidige taakstelling aansluit bij de individuele behoefte in een gemeente sluit de verdeling van het totale aantal plekken aan bij de gemiddelde behoefte van de betreffende gemeente. Om deze redenen heeft de regering er voor gekozen de nieuwe instroom in de Wsw per gemeente te relateren aan de uitstroom uit de Wsw.

Met de huidige systematiek waarbij een taakstelling wordt verdeeld, is het aantal mensen met een Wsw-indicatie dat wacht op een Wsw-plek in een gemeente met veel Wsw-plekken groter dan het aantal mensen dat wacht in een gemeente met weinig Wsw-plekken. De samenstelling van het bestand bepaalt in welke mate er Wsw-plekken vrijkomen. Het is derhalve niet per definitie juist dat in een gemeente met een groot aantal Wsw-plekken mensen met een Wsw-indicatie sneller in aanmerking komen voor een Wsw-plek dan mensen met een Wsw-indicatie in een gemeente met weinig plekken.

De leden van de SGP-fractie vragen op welke wijze de instroom in de Wsw door gemeenten moet worden berekend. In tegenstelling tot de wettekst meldt de toelichting dat deze berekening op jaarbasis dient te geschieden. Deze leden ontvangen graag een nadere toelichting op de te volgen procedure. De leden van de fracties van de SGP, de PvdA en de ChristenUnie vragen daarnaast om verduidelijking of het bij de uitstroom uit de Wsw die gemeenten voor 1/3 moeten opvullen gaat om de totale uitstroom, of om de uitroom als gevolg van natuurlijk verloop.

Gemeenten hebben beleidsvrijheid in het nader invulling geven aan de verordeningsplicht. In de verordeningsplicht is opgenomen dat gemeenten tenminste één op de drie vrijgekomen plekken herbezetten. Deze herbezetting heeft betrekking op uitstroom uit het zittend bestand. Onder natuurlijk verloop en uitstroom uit het zittend bestand worden alle wijzen van beëindiging van dienstbetrekkingen verstaan. Uit de verordeningsplicht in het wetsvoorstel blijkt onvoldoende dat uitstroom uit dienstbetrekkingen aangegaan na inwerkingtreding van de WWNV volledig dient te worden herbezet. Bij nota van wijziging wordt derhalve de verordeningsplicht in artikel IV onderdeel D op dit punt aangepast.

De leden van de fractie van D66 constateren dat gemeenten in de verordeningen dienen vast te leggen dat minimaal een derde deel van de plekken die jaarlijks vrijkomen doordat mensen de Wsw verlaten, moeten worden opgevuld in het kader van beschut werk. Daarmee wordt beoogd om een waarborg te creëren voor het aantal te realiseren nieuwe plekken. De leden vragen de regering waarom dit is vastgesteld op een derde. Deze leden vragen de regering hoe zich dit verhoudt tot pagina 3 van de memorie van toelichting waaruit blijkt dat de helft van de instroom in sociale werkplaatsen niet bij een reguliere werkgever (ook niet met begeleiding) aan de slag kan.

Met de inwerkingtreding van de WWNV worden de voorwaarden voor een Wsw-indicatie aangescherpt. Alleen mensen die enkel beschut kunnen werken, krijgen een Wsw-indicatie. Daarnaast worden de indicatiecriteria voor de ondergrens in de Wsw aangescherpt. Mensen die in aanmerking willen komen voor een Wsw-indicatie dienen onder andere minimaal een verdiencapaciteit te hebben van 20 procent van het WML. De mensen die voorheen bij een Wsw-indicatie het advies begeleid werken kregen (circa 50 procent) komen niet meer in aanmerking voor een Wsw-indicatie. Samen met het aanscherpen van de ondergrens komt circa een derde van de huidige indicatieverzoeken in aanmerking voor een Wsw-indicatie op basis van de nieuwe criteria.

De leden van de fractie van D66 vragen of het klopt dat als de gemiddelde leeftijd in een gemeente laag is, het vertrek uit de Wsw waarschijnlijk ook laag is omdat weinig mensen met pensioen gaan.

Deze veronderstelling klopt niet. Pensionering is volgens de gegevens van de Wsw-statistiek85 weliswaar de belangrijkste redenen voor vertrek uit de Wsw, maar zeker niet de enige. Pensionering zorgt voor 45 procent van de uitstroom. Andere redenen zijn: beëindigen van tijdelijke contracten, beëindigen van het contract in de proeftijd, ontslag op eigen verzoek, onvoldoende medewerking en het niet meer behoren tot de doelgroep. Het kabinet is overigens van plan bij het verdeelsysteem van het participatiebudget over gemeenten rekening te houden met de individuele Wsw-uitstroom per gemeente.

De leden van de D66-fractie vragen of het klopt dat een lage uitstroom niet hoeft te betekenen dat de behoefte aan plekken voor nieuwe instroom ook laag is. Tevens vragen zij of het klopt dat de behoefte aan nieuwe plaatsen in zo’n gemeente waarschijnlijk zelfs hoger is dan gemiddeld, omdat mensen vaak al op jongere leeftijd instromen. Deze leden vragen waarom er niet is gekozen voor een waarborg van het aantal nieuwe plekken te baseren op het aantal mensen dat daadwerkelijk beschutte werkplaats nodig heeft (het aantal indicaties in de regio) in plaats van op de uitstroom. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie, de SGP, D66 en de PvdA vragen waarom er voor is gekozen om de omvang van de nieuwe instroom in de Wsw te relateren aan de omvang van de huidige uitstroom, en niet aan de spreiding van de nieuw af te geven indicaties voor beschut werk.

Het is een juiste constatering dat een lage uitstroom niet hoeft te betekenen dat de behoefte aan plekken laag is. Er is echter geen direct verband tussen een lage uitstroom en een gemiddeld hogere behoefte. De taakstelling in de Wsw wordt verdeeld op basis van het aantal Wsw-geïndiceerden op de wachtlijst en het aantal mensen met een Wsw-dienstbetrekking in een gemeente. Daardoor hebben gemeenten met een gemiddeld hogere behoefte een relatief groot bestand. Omdat de huidige taakstelling aansluit bij de individuele behoefte in een gemeente sluit de verdeling van het absolute aantal plekken aan bij de gemiddelde behoefte van de betreffende gemeente. Om deze redenen heeft de regering ervoor gekozen de nieuwe instroom in de Wsw te relateren aan de uitstroom uit de Wsw.

De leden van de SGP-fractie vragen op welke wijze de stelling dat gemeenten beleidsvrijheid krijgen om een plaats binnen beschut werk aan te bieden te verenigen is met de verplichting om een vooraf bepaald deel van de uitstroom weer op te vullen.

De gemeenten krijgen beleidsvrijheid in het bepalen van de volgorde waarin mensen met een Wsw-indicatie een Wsw-dienstbetrekking krijgen aangeboden. De verplichting om één op de drie vrijgevallen plekken op te vullen met nieuwe instroom betreft een minimum. Gemeenten hebben beleidsvrijheid in het invullen van meer plekken.

De leden van de SGP-fractie vragen of de verplichting om als gemeente een op de drie vrijgekomen plekken op te vullen niet te rigide is en tot ongewenste resultaten kan leiden. Dit vereiste kent immers geen koppeling aan het aantal personen met indicaties voor de Wsw dat in een gemeente woonachtig is. Bovendien blijven gemeenten met veel Wsw-plekken een hogere belasting houden.

De taakstelling in de Wsw wordt verdeeld op basis van het aantal Wsw-geïndiceerden op de wachtlijst en het aantal mensen met een Wsw-dienstbetrekking in een gemeente. Het aantal geïndiceerden in een gemeente bepaald de behoefte voor het aantal Wsw-plekken. Gemeenten met een gemiddeld hogere behoefte hebben derhalve een relatief grote taakstelling. De regering is derhalve van mening dat het koppelen van de verplichting om één op de drie vrijgekomen Wsw-plekken op te vullen met de uitstroom voor de desbetreffende gemeenten niet te rigide is.

De leden van de SP-fractie vragen of gemeenten ook meer plekken beschikbaar mogen stellen voor nieuwe instroom in de Wsw. Deze leden vragen daarbij of iedereen die op de wachtlijst staat (zowel van voor als na 15 mei 2011) aanspraak kan maken op deze vrijkomende werkplekken.

Het staat gemeente vrij om meer vrijgekomen Wsw-plekken op te vullen met nieuwe instroom. Gemeenten leggen in de verordening vast hoeveel plekken zij minimaal invullen en op welke wijze deze plekken aan mensen met een Wsw-indicatie worden aangeboden. Iedereen met een Wsw indicatie, zowel van voor als na 15 mei 2011, kan door een gemeente een Wsw-dienstbetrekking worden aangeboden.

De leden van de SP-fractie constateren dat er in totaal blijven 30 000 werkplekken in heel Nederland beschikbaar blijven. De leden van de fractie van de SP willen weten of het mogelijk is dat bepaalde gemeenten zich in de praktijk meer gaan toeleggen op beschut werk dan andere gemeenten.

Dat is mogelijk. Het wetsvoorstel staat dit niet in de weg. Gemeenten dienen in hun verordening vast te leggen dat minimaal één op de drie plekken die jaarlijks vrijkomen doordat mensen de Wsw verlaten, bestemd moeten worden voor nieuwe plekken voor mensen die afhankelijk zijn van beschut werk.

De leden van de VVD-fractie vragen of het in de toekomst naar 2050 mogelijk is dat gemeenten niet in staat zullen zijn om een derde deel van de plekken die vrijkomen in te vullen, door onvoldoende aanbod van mensen met indicatie beschut werk en vragen wat daarvan de consequenties zal zijn.

Deze constatering is juist. Het kan zijn dat een gemeente op de langere termijn geen mensen met een Wsw-indicatie meer in haar bestand heeft om te plaatsen op een vrijgekomen Wsw-plek. De gemeente hoeft deze plek niet op te vullen, maar houdt deze plek beschikbaar voor het moment dat iemand uit de gemeente een Wsw-indicatie ontvangt.

De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze wettelijk verankerd is dat in elke gemeente beschutte werkplekken beschikbaar blijven voor mensen met een beperking.

Met de WWNV dienen gemeenten op basis van de Wet participatiebudget in een verordening vast te leggen dat één op de drie vrijgekomen plekken beschikbaar moet zijn voor nieuwe instroom in beschut werk.

De leden van de PVV-fractie en van de VVD-fractie vragen hoe er wordt getoetst wat er in de verordening staat en in hoeverre deze wordt nageleefd. De leden van de PVV fractie vragen welke sancties de overheid kan opleggen wanneer gemeenten zich niet houden aan het opvullen van minimaal een op de drie plekken wanneer deze plekken vrijkomen in de sociale werkplaats.

Het vaststellen van een verordening is een taak van de gemeenteraad. Daarbij dient de gemeenteraad te toetsen of daarin voldoende inhoud wordt gegeven aan wat in artikel 3a van de Wet participatiebudget is voorgeschreven. Vervolgens ziet de gemeenteraad er op toe of het college op juiste wijze uitvoering geeft aan deze regels bij het opvullen van leegkomende plaatsen in de sociale werkvoorziening.

Via de Wsw-statistiek volgt het Rijk de mate waarin vrijgekomen Wsw-plekken worden opgevuld.

Het Rijk zal er voor zorg dragen dat de 1/3 norm stevig zal worden gehandhaafd.

De leden van de VVD fractie vragen of de regering kan uitleggen waarom er een vrijstelling van de re-integratieverplichting geldt voor Wsw-geïndiceerden en waarom deze voor de bestaande groep gehandhaafd blijft.

In de huidige uitkeringswetten hebben mensen met een Wsw-indicatie een vrijstelling voor re-integratie. Het kabinet is van mening dat iedereen met een uitkering de plicht heeft om mee te werken aan re-integratie. Derhalve wordt deze categorische vrijstelling uit deze wetten geschrapt. Inzet van re-integratieondersteuning is maatwerk. Gemeenten en UWV kunnen van persoon tot persoon bepalen in hoeverre re-integratieondersteuning wordt ingezet voor de doelgroep. In het regeer- en gedoogakkoord is afgesproken dat de wettelijke rechten en plichten voor het zittend bestand worden gerespecteerd. Voor mensen met een oude indicatie (doelgroep artikel 19) blijft daarom de vrijstelling voor re-integratie in de diverse uitkeringswetten van kracht.

De leden van de VVD-fractie vragen een overzicht van de verschillen tussen gemeenten in interne en externe (begeleid werken, detachering) plaatsing van Wsw’ers.

Zoals de regering in hoofdstuk 2 van de nota naar aanleiding van het verslag betoogt, kan het bedrijfsresultaat verbeterd worden door meer in te zetten op begeleid werken (onder de cao van een reguliere werkgever) en/of op detachering van Wsw-geïndiceerden. Er zijn grote verschillen tussen gemeenten in het aandeel Wsw’ers dat extern werkt. Onderstaande tabel laat die onderlinge verschillen voor een aantal gemeenten in drie categorieën goed zien. Zo varieert het aandeel Wsw’ers dat begeleid werkt van 0,38 procent tot 33,33 procent. Het percentage gedetacheerde Wsw’ers varieert van 1,45 procent tot 73,14 procent.

Tabel 4.1 Aandeel Wsw detacheringen en Wsw begeleid werken in aantal gemeenten

Wsw detacheringen

Wsw begeleid werken

Gemeente

aandeel

gemeente

aandeel

Oost-Flakkee

1,45%

Borger-Odoorn

0,38%

Hulst

2,44%

Loon op Zand

0,60%

Wijdemeren

2,44%

Bellingwedde

0,60%

Amsterdam

41,01%

Amsterdam

11,49%

Rotterdam

28,17%

Rotterdam

10,34%

Utrecht

30,50%

Utrecht

1,01%

Den Haag

16,38%

Den Haag

4,44%

Groesbeek

71,43%

Terschelling

25,00%

Asten

72,41%

Niedorp

27,27%

Helmond

73,14%

Muiden

33,33%

De staatssecretaris van SZW is voornemens om een overzicht te publiceren waarin per gemeente de omvang van het aandeel detacheringen en het aandeel begeleid werk wordt aangegeven. Dit overzicht zal gepubliceerd worden op het gemeenteloket. Op deze wijze wordt het voor gemeenten inzichtelijk hoe zij presteren ten opzichte van andere gemeenten. Deze informatie zal ook worden meegenomen in de benchmark, waar in hoofdstuk 2 op is ingegaan naar aanleiding van vragen van de leden van de VVD-fractie. Daarmee kunnen gemeenten zich ook op dit punt onderling met elkaar vergelijken.

De leden van de fractie van het CDA en GroenLinks vragen of de regering een toelichting kan geven op de te verwachten gevolgen van het wetsvoorstel voor de wachtlijst voor beschut werk. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wanneer de regering verwacht dat de huidige wachtlijsten in de Wsw weggewerkt kunnen zijn.

Na inwerkingtreding van WWNV kan binnen de groep die in aanmerking komt voor de Wsw het volgende onderscheid worden gemaakt.

Tabel 4.2 Wsw-indicatie volgens oude en nieuwe criteria
 

indicatie

herindicatie

indicatie vóór 15 mei 2011

oude criteria

oude criteria

indicatie na 15 mei 2011, op moment van herindicatie werkzaam in Wsw

oude criteria

oude criteria

indicatie na 15 mei 2011, op moment van herindicatie op «wachtlijst»

oude criteria

nieuwe criteria

indicatie na inwerkingtreding WWNV

nieuwe criteria

nieuwe criteria

Het is aan gemeenten om te bepalen wie van deze groepen in aanmerking komt voor een Wsw-plek. Daarbij zij aangetekend dat van de groep die geherindiceerd gaat worden op basis van de nieuwe criteria (derde regel in de tabel) naar verwachting circa tweederde zijn Wsw-indicatie verliest. Gegeven de gemeentelijke beleidsvrijheid om te bepalen wie in aanmerking komt voor een Wsw-plek is het niet goed te voorspellen hoe de groep die wacht op een Wsw-dienstbetrekking zich zal ontwikkelen.

De leden van de CDA-fractie stellen dat op basis van de verwachte uitstroom uit de Wsw er de komende 10 jaar in totaal ongeveer 16 000 mensen kunnen instromen. De wachtlijst voor de Wsw is nu al ongeveer 20 000 mensen. De leden van de CDA-fractie en van de PvdA-fractie vragen wat er gebeurt met de mensen die straks een Wsw-indicatie hebben, maar voor wie er nog geen plek is in de Wsw. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke instrumenten gemeenten kunnen inzetten voor mensen die vanaf 1 januari 2013 een Wsw-indicatie krijgen, maar geen plek hebben binnen de sociale werkvoorziening.

Gemeenten moeten hun beleid voor beschut werk en de re-integratie van mensen met een arbeidsbeperking straks vastleggen in een verordening. Voor de mensen met een indicatie op basis van de oude criteria geldt dat deze mensen zijn vrijgesteld van de re-integratieplicht. Wel kan een gemeente voor hen op basis van vrijwilligheid re-integratieinstrumenten inzetten, inclusief loondispensatie voor een dienstbetrekking bij een reguliere werkgever. Mensen met een indicatie op basis van de nieuwe criteria krijgen wel een re-integratieplicht. Ook voor hen kan de gemeente een re-integratievoorziening inzetten. Na inwerkingtreding van WWNV geldt voor zowel mensen met een oude als de nieuwe Wsw-indicatie dat het aanvaarden van reguliere arbeid (met loondispensatie) buiten de Wsw, behoudt van de indicatie.

De leden van de SP-fractie vragen wat de reden is dat de zorgplicht en het wachtlijstbeheer voor gemeenten bij mensen met een indicatie voor de sociale werkplaats worden geschrapt.

De WWNV houdt een decentralisatie van bevoegdheden en taken van Rijk naar gemeenten in.

Gemeenten krijgen beleidsvrijheid ten aanzien van de zorgplicht en het wachtlijstbeheer. Bij deze decentrale verantwoordelijkheid passen geen centrale voorschriften over het wachtlijstbeheer.

De leden van de SP-fractie vragen of het schrappen van het wachtlijstbeheer betekent dat gemeenten zelf mogen bepalen welke mensen met een indicatie een baan krijgen in de sociale werkplaats. Zij willen daarbij weten op welke wijze wordt gegarandeerd dat mensen niet worden «voorgetrokken» of «achtergesteld» door de gemeenten als het gaat om de toewijzing van een arbeidsplek in de sociale werkplaats. Tevens vragen deze leden of de regering kan toelichten welke consequenties dit heeft voor mensen met een indicatie voor de sociale werkplaats en of het theoretisch mogelijk is dat iemand met een dergelijke indicatie door de gemeente niet meer wordt geholpen en langdurig thuis achter de geraniums komt te zitten.

Tenslotte vragen de leden van de SP-fractie wat het vervallen van de wachtlijst voor mensen die op de wachtlijst staan en niet behoren tot de groep die onder de WWNV gaat vallen (indicatie voor 15 mei 2011) betekent en of zij hun rechten en plichten en daarmee de volgorde op de wachtlijst behouden.

De WWNV zet de gemeentelijke zorgplicht om in een verplicht gemeentelijk beleid voor beschut werken. In de huidige wet hebben gemeenten de mogelijkheid om, in afwijking van de wet, de volgorde op de wachtlijst te bepalen. Met onderhavig wetsvoorstel komt de voorgeschreven volgorde te vervallen. Gemeenten krijgen meer beleidsvrijheid om te bepalen wie en op welk moment een voorziening beschut werken krijgt aangeboden. Dit past bij het uitgangspunt van decentrale uitvoering.

Gemeenten dienen dit beleid in een verordening vast te leggen. Het is aan de gemeenteraad op de uitvoering hiervan toezicht te houden.

De leden van de SP-fractie vragen welke wettelijke verplichting gemeenten nog hebben om mensen met een indicatie voor de sociale werkplaats naar een reguliere werkplek dan wel een baan in de sociale werkplaats te begeleiden?

De WWNV bepaalt dat gemeenten in een verordening zowel het beleid voor beschut werken als het re-integratiebeleid voor mensen met een arbeidsbeperking vastleggen. Voorwaarde daarbij is dat de gemeente vastlegt dat minimaal één op de drie jaarlijks vrijkomende plekken doordat mensen de Wsw verlaten, bestemd worden voor nieuwe instroom van mensen die afhankelijk zijn van beschut werk.

De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze gemeenten inzicht houden in de omvang en ontwikkeling van de groep werknemers die zijn geïndiceerd voor de sociale werkplaats.

Gemeenten zijn, net zoals dat nu het geval is, verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wsw. Zij dienen het beleid voor beschut werken in een verordening vast te leggen. Daarvoor dienen zij ook zicht te hebben op de omvang en ontwikkeling van de doelgroep voor de Wsw. De wijze waarop gemeenten dat doen is aan de gemeenten. De gemeente doet de aanvraag bij UWV voor een Wsw-indicatie. Gemeenten beschikken dus over de informatie van alle Wsw-geïndiceerde inwoners.

De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze de sociale werkplaatsen het verlies van 60 000 arbeidskrachten moeten opvangen. Zij vragen welke invloed dit heeft op de productie en de toekomstbestendigheid van de sociale werkplaatsen.

De regering wil de Wsw terugbrengen naar waar deze voor was bedoeld: beschut werk. De WWNV doet een beroep op de veranderkracht en het innovatief vermogen van gemeenten en hun sw-bedrijven om dat te realiseren. Om het transitieproces te ondersteunen wordt een herstructureringsfaciliteit gecreëerd. Het doel van deze faciliteit is om de transformatie richting een efficiëntere bedrijfsvoering van de sector te ondersteunen. Het Rijk stelt daarvoor in de periode 2012–2018 400 miljoen euro beschikbaar. De gemeenten hebben daarbij een grote mate van beleidsvrijheid, net als nu bij de uitvoering van de Wsw. In hoofdstuk 2 van deze nota naar aanleiding van het verslag gaat de regering uitgebreid in op de mogelijkheden die gemeenten hebben om de Wsw kostenefficiënter uit te voeren.

De leden van de SP-fractie vragen de regering of zij het wenselijk acht dat er nog meer sociale werkplaatsen de deuren moeten sluiten vanwege de bezuinigingen. Deze leden vragen of de regering voornemens is in te grijpen wanneer sociale werkplaatsen in Nederland failliet dreigen te gaan.

Gemeenten gaan over de wijze waarop de Wsw wordt uitgevoerd en hoe de herstructurering wordt vormgegeven. Gemeenten maken daarin hun eigen keuzes. De regering ondersteunt gemeenten tijdens het transitieproces naar een efficiëntere bedrijfsvoering met een herstructureringsfaciliteit van 400 miljoen euro.

De staatsecretaris van SZW heeft in zijn brieven van 27 mei 201180 en van 22 maart 201286 en bij meerdere gelegenheden in debatten met de Tweede Kamer, zoals het 30-ledendebat van 1 maart 2012, uiteengezet welke mogelijkheden gemeenten hebben om de inkomsten te verhogen, de uitgaven te verlagen en/of efficiënter te gaan werken. In de brief van 22 maart heeft de staatssecretaris van SZW aangegeven dat hij er van uit gaat dat gemeenten in staat zijn te komen tot een efficiënte uitvoering van de WWNV.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de gemeente in het kader van het beleid voor beschut werken niet kan worden voorgeschreven welke aanspraak er is op een PGB-Wsw. Immers, op basis van het gemeentelijk beleid zal toch ook duidelijk zijn wie op welke moment in aanmerking komt voor een plek binnen beschut werk.

In de huidige wet is er een recht op een PGB voor begeleid werken voor mensen die op de wachtlijst staan. De nieuwe wet zet de gemeentelijke zorgplicht om in verplicht gemeentelijk beleid voor beschut werken en het wettelijk voorgeschreven wachtlijstbeheer vervalt. Daarom schrijft de wet niet voor wie recht heeft op een vrijkomende plek en dat daaraan de mogelijkheid voor een PGB moet worden gekoppeld. Gemeenten zijn, overeenkomstig de decentrale verantwoordelijkheid, vrij zelf regels te stellen voor het aanbieden van een dergelijk instrument.

4.2 Verantwoordelijkheidsverdeling

De leden van de fracties van de PVV en de SP vragen welke verantwoordelijkheid de regering heeft ten aanzien van het pensioenfonds voor mensen in de sociale werkvoorziening.

Aanvullende pensioenen zijn een zaak van sociale partners. Werkgevers, in dit geval de gemeenten, en werknemersorganisaties zijn verantwoordelijk voor de pensioenregeling die is afgesproken. Het pensioenfonds is verantwoordelijk voor de uitvoering van de pensioenregeling. De regering heeft hierin geen verantwoordelijkheid op dit vlak.

De leden van de SP-fractie vragen naar de betrokkenheid van de rijksoverheid bij het Pensioenfonds voor Werk en Re-integratie (PWRI) tot 1998.

De rijksoverheid heeft in 1996 in het bestuurlijk overleg met de VNG afspraken gemaakt over de overdracht van het werkgeverschap per 1 januari 1998 aan de gemeenten. Pensioenen worden gefinancierd door kapitaaldekking. Voor die overdracht is destijds actuarieel en onafhankelijk vastgesteld welke middelen het pensioenfonds nodig had om de reeds opgebouwde pensioenaanspraken gestand te doen. Het Rijk heeft gemeenten met de overdracht voldoende middelen meegegeven om aan deze reeds opgebouwde verplichtingen te kunnen voldoen. Sinds de overdracht van het werkgeverschap naar gemeenten in 1998 is de rijksoverheid niet meer betrokken bij de pensioenafspraken voor werknemers in de sociale werkvoorziening.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen wat het effect is van beperking van de instroom in de Wsw is op de pensioenen van de huidige Wsw’ers. De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vast dat als gevolg van de dalende instroom in de sw-bedrijven de dekkingsgraad van het betreffende pensioenfonds zal afnemen en vraagt waarom de regering deze zorgen niet deelt. Deze leden vragen of de regering heeft berekend hoe groot de tekorten in de pensioenvoorziening Wsw als gevolg van deze dalende instroom zijn en wat de consequenties hiervan voor de huidige en toekomstige Wsw’ers zijn en vraagt de regering of zij kan garanderen dat de pensioenen van de betrokkenen niet in het gevaar komen als gevolg van de bezuinigingen die voortkomen uit het wetsvoorstel. Ook de leden van de SP-fractie vragen of de regering kan aangeven welke specifieke aandacht zij gaat besteden aan de financieringsproblematiek voor het Pensioenfonds voor Werk en Re-integratie (PWRI) die het gevolg zijn van onderliggend wetsvoorstel en vraagt of de regering bereid is om met de PWRI en gemeenten oplossingen te zoeken voor dit probleem en te onderzoeken op welke wijze het pensioenfonds voor mensen met een arbeidsbeperking ook in de toekomst kan blijven bestaan.

Aanvullende pensioenen vallen onder de verantwoordelijkheid van sociale partners. Het kabinet heeft daarom geen berekening gemaakt. Berekeningen van het pensioenfonds van de sociale werkvoorziening (PWRI) geven aan dat een lagere instroom in de Wsw bij continuering van de huidige pensioenregeling leidt tot een hogere pensioenpremie voor de toekomstige pensioenopbouw; de gemiddelde leeftijd van de deelnemers in het pensioenfonds neemt immers geleidelijk toe.

Grotere druk op de betaalbaarheid van pensioenregelingen als gevolg van vergrijzing en/of daling van het aantal deelnemers is overigens geen nieuw gegeven. Dit geldt voor pensioenfondsen in het algemeen, net als het feit dat heroverweging van inhoudelijke afspraken in pensioenregelingen aan de orde zijn. Het pensioenfonds en de sociale partners in de sociale werkvoorziening zijn verantwoordelijk om te bepalen hoe ze de kosten en de ambitie van de pensioenvoorziening op elkaar af willen stemmen in het licht van een vergrijzend werknemersbestand. Zij hebben daarvoor ook de gelegenheid, omdat de daling van het werknemersbestand in de Wsw zich voltrekt over een periode van naar verwachting ruim 40 jaar.

Gezien het feit dat de wet gepaard gaat met flinke bezuinigingen vragen de leden van de GroenLinks-fractie wat de gevolgen zijn van de afspraak dat gemeenten maximaal het WML vergoed krijgen voor de pensioenen van mensen met een Wsw-dienstbetrekking.

Zoals in de hoofdlijnennotie en de WWNV is opgenomen, is de bekostiging van gemeenten per arbeidsplaats voor de nieuwe instroom gebaseerd op het beloningsniveau van het WML. Het staat sociale partners uiteraard vrij om een hogere beloning dan het WML overeen te komen. De meerkosten zijn dan voor rekening van de werkgever (de gemeenten). Aanvullende pensioenen vallen onder de verantwoordelijkheid van sociale partners. Werkgevers (in dit geval de gemeenten) en werknemersorganisaties zijn verantwoordelijk voor de pensioenregeling die is afgesproken. Het pensioenfonds is verantwoordelijk voor de uitvoering van de pensioenregeling.

De leden van de fracties van de PvdA en de SP vragen of het klopt dat de gemeenten verantwoordelijk blijven voor de arbeidsvoorwaarden van de mensen die met een indicatie werken in de sociale werkplaats. Deze leden vragen hoe dit zich verhoudt tot de stelling dat het salaris van de werknemers op het WML wordt vastgezet.

Gemeenten blijven inderdaad verantwoordelijk voor de arbeidsvoorwaarden van mensen die met een indicatie werken in de sociale werkplaats. Het kabinet treedt niet in die verantwoordelijkheid. In de hoofdlijnennotie en in de WWNV staat dat de bekostiging aan gemeenten per arbeidsplaats voor de nieuwe instroom wordt gebaseerd op een beloning ter hoogte van het WML. Het staat sociale partners uiteraard vrij om een hogere beloning dan het WML overeen te komen. De meerkosten zijn voor rekening van de werkgever, in casu de gemeenten.

De leden van de SP-fractie vragen of dat de regering van mening is dat werknemers met een beperking die naar vermogen werken niet meer dan het WML verdienen en in welke mate daarbij sprake is van economische zelfstandigheid.

Met de WWNV wordt de nieuwe instroom in beschut werk in dienst genomen op basis van regulier arbeidsrecht. De Wet op het minimumloon is daarbij van toepassing. De regering is van mening dat daarbij sprake is van economische zelfstandigheid.

De leden van de SGP-fractie vragen op welke wijze op stelselniveau gewaarborgd is dat elk sw-bedrijf aansluiting kan vinden bij een gemeente. Deze leden wijzen in dit verband op de bijzondere positie van Proson.

Gemeenten of gemeenschappelijke regelingen blijven ook na inwerkingtreding van de WWNV verantwoordelijk voor het uitvoeren van de Wsw (voor de betreffende inwoners). De gemeente kan, net als nu, de uitvoering onderbrengen bij sw-bedrijven. Dat kunnen er afhankelijk van de lokale situatie ook meer dan één zijn. De gemeente vult zelf in welke afspraken zij maakt met deze sw-bedrijven.

4.3 Zittend bestand Wsw

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre er onderscheid wordt gemaakt tussen de bestaande groep mensen die werkzaam zijn volgens een cao in de Wsw en mensen die vanaf 2013 instromen.

Mensen met een Wsw-indicatie die een dienstbetrekking krijgen aangeboden zullen na inwerkingtreding van de WWNV, net als nu, een dienstbetrekking aanboden krijgen op grond van artikel 2 Wsw. In beide situaties gaat het om een arbeidsovereenkomst onder burgerlijk recht. De arbeidsvoorwaarden in de Wsw blijven, ook na inwerkingtreding van de WWNV, de verantwoordelijkheid van de werkgevers (gemeenten) en de werknemers (vakbonden).

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre het gerechtvaardigd is dat mensen die na inwerkingtreding in de Wsw instromen minder zullen verdienen dan bestaande oude groepen.

De vaststelling van de arbeidsvoorwaarden in de Wsw is een verantwoordelijkheid van de werkgevers (gemeenten) en de werknemers (vakbonden). De regering ziet hierin voor zichzelf geen rol.

De VVD-fractie vraagt of de regering het verstandig acht dat voor de nieuwe groep een cao wordt afgesloten.

De arbeidsvoorwaarden in de Wsw zijn een verantwoordelijkheid van de werkgevers (gemeenten) en de werknemers (vakbonden). Mensen die in de Wsw instromen krijgen een artikel 2 Wsw-dienstbetrekking en komen onder de werkingssfeer van de huidige cao. In hoeverre de arbeidsvoorwaarden voor de nieuwe instroom worden gewijzigd is aan de sociale partners.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering er over denkt om cao’s voor de Wsw niet algemeen verbindend te verklaren.

Het is niet nodig de Wsw-cao algemeen verbindend te verklaren. De arbeidsvoorwaarden in de Wsw worden vastgesteld in het overleg tussen de werkgevers (gemeenten) en de werknemers (vakbonden). De VNG sluit namens de gemeenten de cao met de vakbonden. Daardoor krijgt de cao werking voor bij de VNG aangesloten gemeenten. Omdat alle gemeenten lid zijn van de VNG krijgt deze cao directe werking voor alle gemeenten.

De leden van de fracties van de PvdA en de SP vragen of de regering op de hoogte is van het feit dat de Wsw-cao uitgaat van vijf jaar wettelijk minimumloon voor mensen die instromen in de Wsw en dat deze maatregel een van de maatregelen is die cao-partijen hebben genomen om de uitstroom uit de Wsw te bevorderen.

De regering weet dat de huidige cao uitgaat van vijf jaar WML voor nieuwe instroom. Nieuw is dat dit is opgenomen om meer mensen uit de Wsw te laten stromen. De regering vindt het positief dat de sociale partners met een beloning ter hoogte van het WML gedurende een periode van vijf jaar willen bijdragen aan het voorkomen dat de Wsw-cao een drempel vormt voor mensen om een dienstbetrekking bij een reguliere werkgever te accepteren.

De leden van de SP-fractie vragen of werknemers met een tijdelijk contract die worden ontslagen onder de zorgplicht van gemeenten blijven vallen. Zij willen weten of de ontslagen werknemers met een tijdelijk contract de indicatie behouden. Tenslotte vragen zij of het klopt dat voor deze werknemers het wachtlijstbeheer niet vervalt en zij recht blijven behouden op de plek op de wachtlijst waarop zij worden teruggeplaatst.

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor alle mensen met een Wsw-indicatie. Dat blijft zo met de invoering van de WWNV. Het beëindigen van een tijdelijk contract is geen reden voor het vervallen van de indicatie. Voor de hele doelgroep Wsw vervalt het wettelijk wachtlijstbeheer. In plaats daarvan worden gemeenten verplicht het beleid voor beschut werken in een verordening vast te leggen.

De leden van de SP-fractie vragen hoeveel werknemers met een tijdelijk contract sinds het aantreden van het huidige kabinet zijn ontslagen of hun baan kwijtgeraakt. Deze leden vragen of de regering de Kamer een overzicht per gemeente kan toesturen.

De regering merkt op dat in geval van beëindiging of aflopen van tijdelijke contracten er geen sprake is van ontslagen.

De uitstroom uit de Wsw over de afgelopen jaren is voor ongeveer 20 procent het gevolg van het niet verlengen van tijdelijke contracten. De laatste cijfers waarover de regering beschikt zijn uit 2010.85 Toen ging het bij 21 procent van de uitstroom (1367 mensen) om het beëindigen van een tijdelijk contract. De regering beschikt niet over cijfers per gemeente.

De leden van de SP-fractie vragen of ontslagen werknemers – na beëindiging van de WW-rechten – te maken krijgen met de huishoudinkomenstoets voor bijstandsgerechtigden.

Dat klopt. Deze ontslagen werknemers kunnen, wanneer zij geen andere baan kunnen vinden en de WW-rechten zijn beëindigd, een beroep doen op de WWNV. In de WWNV geldt de huishoudinkomenstoets.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering het onderzoek van Nautus beoordeelt waaruit blijkt dat de huidige werknemers van de sociale werkplaats kunnen worden ontslagen om bedrijfseconomische redenen, om hen vervolgens onder het wettelijke minimumloon aan het werk te zetten. Deze leden vragen of de regering dit verstaat onder «behoud van rechten en plichten» en de juiste uitvoering daarvan.

De regering ziet geen enkele reden voor ontslagen om bedrijfseconomische redenen, gegeven de beschikbare rijksbijdrage en de overige financiële mogelijkheden van gemeenten. De regering heeft kennis genomen van het advies dat Nautus aan gemeenten geeft over de mogelijkheden voor het beëindigen van een Wsw-dienstverband. De regering voorziet risico’s voor gemeenten in dit scenario. Mensen met een Wsw-dienstbetrekking hebben een dienstbetrekking naar burgerlijk recht. Onder bepaalde omstandigheden kan deze dienstbetrekking worden beëindigd. Voor ontslag om bedrijfseconomische redenen dienen gemeenten echter advies te vragen aan UWV. Gemeenten dienen aannemelijk te maken dat zij gegeven de financiële omstandigheden niet in staat zijn de dienstbetrekkingen te handhaven. UWV zal bij deze beoordeling de beschikbare rijksbijdrage en de overige financiële mogelijkheden van een gemeente laten meewegen. Gemeenten krijgen de beschikking over een gebundeld re-integratiebudget. Daarnaast ondersteunt het rijk de herstructurering van de sw-sector door gemeenten met de herstructureringsfaciliteit. UWV zal daarom waarschijnlijk negatief adviseren op ontslag om bedrijfeconomische redenen. Mocht UWV toch een positief advies afgegeven dan kan UWV bij dit advies de wederindiensttredingsvoorwaarde betrekken. Deze voorwaarde houdt in dat de werkgever binnen 26 weken geen andere (Wsw-) werknemer(s) in dienst mag nemen voor dezelfde werkzaamheden. Aan deze voorwaarde zal niet snel voldaan kunnen worden, gelet op de verplichting dat gemeenten een derde van de vrijgevallen plekken moeten opvullen.

Mocht toch tot ontslag om bedrijfseconomische redenen worden overgegaan, dan heeft de Wsw-werknemer te allen tijde de mogelijkheid om naar de rechter te stappen voor een toets op kennelijk onredelijk ontslag. Indien blijkt dat een werknemer is ontslagen om aan de toepassing van de Wsw-cao te ontkomen zal de rechter dit – naar verwachting – zwaar laten wegen. De regering acht het daarom onwaarschijnlijk dat dit een begaanbare weg zal zijn.

Ernst&Young heeft op verzoek van een gemeente het advies beoordeeld. Ernst&Young geeft ook aan dat het advies van Nautus financiële en juridische risico’s voor gemeenten met zich meebrengt en de door Nautus voorgespiegelde besparingen niet waar zal maken.

Binnen het Transitiebureau WWNV is afgesproken dat SZW de verschillende partners (VNG, Divosa, Cedris, UWV) informeert over bovenstaande zienswijze en dat de partners deze informatie via de reguliere kanalen beschikbaar zullen stellen aan hun leden.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom er niet is gekozen voor een herkeuring van het huidige bestand in de Wsw en of dit niet een enorme verspilling van talent is, aangezien 50 procent in staat is om (begeleid) te werken bij een reguliere werkgever. Verder vragen deze leden hoeveel mensen uit het huidige bestand onder de nieuwe criteria geen Wsw-indicatie meer zouden krijgen.

In het regeerakkoord is afgesproken dat Wsw-geïndiceerden met een Wsw-dienstbetrekking of een begeleid werken dienstbetrekking die werkzaam zijn op 1 januari 2013 na de invoering van de WWNV hun wettelijke rechten en plichten behouden. De indicatiestelling wordt aangescherpt, zodat de Wsw vanaf 1 januari 2013 alleen toegankelijk wordt voor mensen die uitsluitend «beschut» kunnen werken. De regering heeft op basis van het nieuwe Wsw-criterium een inschatting gemaakt over de terugloop van het Wsw-bestand en de daarvan afgeleide taakstelling. Ervaringsgegevens van UWV leiden tot de vaststelling dat circa twee derde van de mensen die nu een Wsw-indicatie aanvragen met de aangescherpte indicatiecriteria niet meer tot de Wsw-doelgroep zullen behoren.87

De leden van de fracties van de ChristenUnie en van het CDA vragen hoe het behoud van huidige rechten en plichten van Wsw’ers zich verhoudt tot het beëindigen van tijdelijke arbeidscontracten.

De huidige systematiek van rechten en plichten in de Wsw wijzigt niet voor mensen die op dit moment een Wsw-indicatie hebben. Het hebben van een tijdelijk arbeidscontract, inclusief de mogelijkheid van het niet verlengen daarvan, is daar onderdeel van. Het werken met tijdelijke contracten is gebruikelijk in de sw-sector. Uit de Wsw-statistiek 201085 blijkt dat 21 procent van de uitstroom het gevolg is van beëindiging van een tijdelijk contract.

4.4 Financiering Wsw

Naar een gebundeld re-integratiebudget

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de bijzondere positie voor slechtzienden en blinden met een hogere rijksbijdrage in de Wsw vervalt en hoe de kansen voor deze groep zijn om aan het werk te komen. Tevens vragen zijn op welke wijze de continuïteit van de expertise voor de begeleiding wordt gewaarborgd.

Met de wijziging van de Wsw in 1998 zijn alle Wsw-werknemers van de blindenwerkplaats Proson en Blizo ingedeeld in de arbeidshandicap «ernstig». Op dit moment tellen mensen met een Wsw-indicatie met arbeidshandicapcategorie «ernstig» voor 1,25 mee in de verdeling en realisatie. Ook in het kader van de verdeling van de middelen voor het zittend bestand Wsw blijven, vanaf 2013, mensen met een arbeidshandicapcategorie ernstig in de berekening voor 1,25 meegeteld worden.

Na inwerkingtreding van de WNNV komt bij de indicatiestelling het onderscheid in arbeidshandicapcategorie te vervallen. Gemeenten krijgen de beschikking over een ongedeeld re-integratiebudget en bepalen zelf hoeveel middelen zij vanuit het participatiebudget inzetten voor het realiseren van een Wsw-dienstbetrekking. Gemeenten kunnen met de sw-bedrijven die gespecialiseerd zijn in werk voor slechtzienden en blinden afspraken maken over de continuïteit van de expertise voor de begeleiding van deze groep.

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre van gemeenten een eigen gemeentelijke bijdrage wordt verwacht voor de financiering van de sw-sector. Deze leden, en de leden van de PvdA-fractie vragen wat het aandeel daarvan is binnen het gemeentefonds, binnen het cluster Werk en Inkomen. De leden van de PvdA-fractie wijzen op de stelling in de memorie van toelichting dat de rijksvergoeding voor de Wsw nooit is bedoeld om alle kosten van gemeenten te vergoeden. Deze leden en de leden van de CDA-fractie, vragen hoe dit zich verhoudt met de zorgplicht die gemeenten hebben en de bestuurlijke afspraak uit 1998 dat de gemeentelijke bijdrage beperkt is (destijds landelijk omgerekend 45 miljoen euro).

Sinds de totstandkoming van de Wsw in 1966 is er sprake van een gemeentelijke bijdrage. De gemeentelijke bijdrage is gebaseerd op het uitgangspunt dat «gemeentebesturen binnen de gestelde grenzen zoveel mogelijk ruimte moet worden gelaten om naar eigen inzicht en plaatselijke behoeften een beleid te voeren».88 Daarnaast is er een rijksbijdrage en zijn er de eigen opbrengsten uit de productie van de sw-bedrijven. Het rijksbeleid is tot op dit moment gebaseerd op deze driedeling in financieringsbronnen.

In 1997 heeft het toenmalige kabinet met de VNG afgesproken dat partijen zich zouden inspannen de gemeentelijke bijdrage terug te brengen tot 100 miljoen gulden. De staatsecretaris van SZW heeft in zijn brieven van 27 mei 201189 en van 22 maart 201286 en bij meerdere gelegenheden in debatten met de Tweede Kamer, zoals het 30-ledendebat van 1 maart 2012, uiteengezet welke mogelijkheden gemeenten hebben om de inkomsten te verhogen, de uitgaven te verlagen en/of efficiënter te gaan werken. In de brief van 22 maart heeft de staatssecretaris van SZW aangegeven dat hij er van uit gaat dat gemeenten in staat zijn te komen tot een efficiënte uitvoering van de WWNV.

Het aandeel binnen het gemeentefonds is niet aan te geven. Het gemeentefonds kent een globale verdeling. Centraal uitgangspunt van het gemeentefonds is dat gemeenten nadrukkelijk de eigen bevoegdheid hebben om te bepalen hoeveel ze feitelijk uitgeven aan de verschillende gemeentelijke beleidsterreinen en welke daarbij prioriteit hebben.

De leden van de fractie van D66 zijn benieuwd waarom ervoor is gekozen om de financiering van de Wsw toe te voegen aan het re-integratiebudget in plaats van het I-deel.

In het regeer- en gedoogakkoord is de afspraak gemaakt om de middelen voor re-integratie en Wsw te bundelen in één ontschot budget. De lasten voor de Wsw zijn een resultante van de kosten voor lonen en begeleiding van mensen met een Wsw-indicatie en de inkomsten. De Wsw kan derhalve worden gekenmerkt als een voorziening voor werk en sluit daarom het beste aan bij financiering uit het participatiebudget.

De leden van de fractie van de SP vragen wat de rechten op inkomensondersteunende toeslagen en voorzieningen zijn bij salarissen tussen het WML en 120 procent van het WML. Ook vragen zij bij welk inkomensniveau er geen enkel recht meer bestaat op toeslagen en andere inkomensondersteunende voorzieningen. Zij vragen of dit uitgebreid schematisch toegelicht kan worden.

Onderstaande tabel geeft voor het jaar 2012 schematisch weer waar 100 procent tot 120 procent van het minimumloon ligt, ten opzichte van de afbouwgrenzen van de verschillende toeslagen. Het bovenste blokje geeft het inkomen tussen 100 en 120 procent van het WML weer. Daarna volgt het afbouwtraject van de huurtoeslag (alleenstaand en meerpersoons), kindgebonden budget, zorgtoeslag (alleenstaand en meerpersoons) en kinderopvangtoeslag (1e en 2e kind). Zoals te zien is, zijn er verschillen in de punten waar de toeslagen worden afgebouwd. Ook is duidelijk dat de inkomensgrenzen tot waar er toeslag wordt gegeven per toeslag verschillen.

Figuur 4.1 Afbouwgrenzen toeslagen

Figuur 4.1 Afbouwgrenzen toeslagen

De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vast dat de gemeenten bij de eerder overeengekomen arbeidsvoorwaarden de WWNV en de bijbehorende financiële consequenties niet konden zien aankomen en vragen de regering om een toelichting of een betere financiële overgangsregeling niet gerechtvaardigd is.

De arbeidsvoorwaarden in de Wsw zijn een verantwoordelijkheid van de werkgevers (gemeenten) en de werknemers (vakbonden). De WWNV bespaart op de (fictieve) rijksbijdrage per Wsw-plek. In de brief van 22 maart 201290 heeft de staatssecretaris van SZW aangegeven dat hij, gezien de mogelijkheden die gemeenten hebben om inkomsten te verhogen, kosten te verlagen en/of efficiënter te gaan werken, er van uit gaat dat gemeenten in staat zijn te komen tot een efficiënte uitvoering van de WWNV. Voor de transitieperiode in de sociale werkvoorziening heeft het kabinet voor de periode van 2012–2018 een herstructureringsfaciliteit van 400 miljoen euro beschikbaar gesteld.

Verdeling van de Wsw-middelen

Gemeenten krijgen binnen de huidige Wsw voor mensen met arbeidshandicapcategorie ernstige met een factor van 1,25 gefinancierd. De leden van de SP-fractie stellen dat de nieuwe instroom in de sociale werkplaatsen vooral voor mensen met een ernstige beperking nog toegankelijk zal zijn. Deze leden vragen waarom gemeenten daarom geen vergoeding per werkplek krijgen van 22 050 euro vermenigvuldigd met een factor 1,25.

Na inwerkingtreding van de WWNV vervalt het onderscheid in arbeidshandicapcategorie. Gemeenten krijgen een ongedeeld re-integratiebudget en bepalen zelf hoeveel geld zij vanuit het gebundelde participatiebudget inzetten voor het realiseren van een Wsw-dienstbetrekking.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten waarom er in artikel 2 Wet participatiebudget per algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de verdeling van de uitkering over de Colleges en de gegevens die ten grondslag liggen aan die verdeling en de samengestelde delen van die uitkering. Deze leden vragen hoe de regering de rol ziet van de Kamer bij het verdelen van deze uitkering en de gegevens die hieraan ten grondslag liggen.

De staatssecretaris van SZW heeft in de antwoorden op vragen van de Tweede Kamer over de hoofdlijnennotitie91 aangegeven dat VNG en kabinet op grond van het onderhandelaarsakkoord gezamenlijk een verdeelsystematiek voor het gebundelde participatiebudget zouden uitwerken. Over de verdeling van het SZW-deel in het participatiebudget heeft de staatssecretaris van SZW bestuurlijk overleg gevoerd met VNG. Daarbij was uitgangspunt dat de herverdeeleffecten voor gemeenten tot een minimum worden beperkt. Verdere informatie over de verdeling treft u hieronder aan.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de nieuwe verdelingssystematiek uiterlijk in het voorjaar van 2012 zla zijn uitgewerkt. Zij vragen wat de huidige stand van zaken hiervan is.

De leden van de fracties van D66 en de VVD vragen de regering om nader in te gaan op de verdeling van de re-integratiemiddelen over de gemeenten. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen daarbij of ook aandacht wordt besteed aan de verdeling van de middelen tussen beschut werk in het kader van de Wsw en onbeschut werk in het kader van de WWNV.

Gemeenten ontvangen na de inwerkingtreding van de Invoeringswet WWNV budget voor het geleidelijk afnemende zittend bestand Wsw, het realiseren van nieuwe beschutte arbeidsplaatsen en voor het aanbieden van re-integratievoorzieningen. Conform de bestuursafspraken tussen het kabinet en de VNG is voor de verdeling van dit gebundelde re-integratiebudget na goed overleg met gemeenten en de VNG een nieuw verdeelsysteem opgesteld. Uitgangspunt daarbij is de herverdeeleffecten voor gemeenten tot een minimum te beperken.

Om dit mogelijk te maken is de regering voornemens de verdeling van het budget dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ter beschikking stelt, op basis van drie bestanddelen met elk een eigen verdeelsleutel te berekenen. De drie bestanddelen zijn de middelen voor de Wsw-werknemers die voor 1 januari 2013 zijn ingestroomd (Wsw zittend bestand), de middelen voor Wsw-werknemers die na 31 december 2012 zijn ingestroomd (Wsw nieuwe instroom) en de middelen voor de kosten van de re-integratievoorzieningen als geregeld in de WWNV en de IOAW en IOAZ.

Verdeelsleutel Wsw zittend bestand

De regering is voornemens de verdeelsleutel Wsw zittend bestand te baseren op een individueel per gemeente berekend resterend aantal Wsw-werkplekken op basis van de actuarieel berekende uitstroom. Uitgangspunt bij deze verdeelsleutel is maximale zekerheid voor gemeenten dat de geprognosticeerde uitstroom van het bestand aansluit bij de werkelijke uitstroom. In 44 procent van de gemeenten in Nederland is sprake van een taakstelling in 2012 van minder dan 100 arbeidsjaren. Omdat afwijkingen van de actuariële berekening voor deze gemeenten relatief grote financiële gevolgen hebben, is de regering deze gemeenten tegemoetgekomen. Voor deze gemeenten wordt een dempingmechanisme in het model opgenomen, waarbij voor de verdeling van deze gemeenten de voorspelde afbouw van het aantal arbeidsjaren met een jaar vertraging doorwerkt in de verdeling van de middelen. Met deze demping is een bedrag gemoeid van circa 0,7 procent van het bestanddeel dat wordt verdeeld voor zittend bestand.

Verdeelsleutel Wsw nieuwe instroom

Gemeenten moeten in hun verordening vastleggen dat één op de drie vrijgekomen plekken beschikbaar wordt gesteld en opgevuld met nieuwe instroom. Daarom is de regering voornemens de verdeelsleutel «Wsw nieuwe instroom» vast te stellen op een derde van de berekende Wsw-uitstroom.

Verdeelsleutel kosten van re-integratievoorzieningen

De verdeelsleutel van de middelen voor re-integratievoorzieningen wordt niet aangepast ten opzichte van de bestaande verdeelsleutel. Doordat de criteria voor de toetreding tot de Wajong en de Wsw worden aangescherpt, zal de instroom bij gemeenten toenemen, maar het effect op de totale doelgroep van gemeenten is de eerste jaren nog beperkt. De regering verwacht daarom op korte termijn geen grote herverdeeleffecten, zodat de bestaande verdeelsleutel gehandhaafd kan blijven. Met VNG en Divosa heeft de staatssecretaris van SZW afgesproken dat in 2013 wordt gestart met de herziening van deze verdeelsleutel ten behoeve van de verdeling van de middelen vanaf het jaar 2015. VNG en Divosa zullen hierbij worden betrokken.

De bovenstaande verdeelsystematiek is in goed overleg met gemeenten en VNG tot stand gekomen en wordt via een herziening opgenomen in de algemene maatregel van bestuur participatiebudget. Op basis van deze algemene maatregel van bestuur worden de middelen uit het gebundelde re-integratiebudget verdeeld en samen met de middelen voor integratie en volwasseneneducatie aan de gemeenten beschikbaar gesteld in de vorm van een ontschot participatiebudget.

De leden van de PvdA-fractie, de CDA-fractie en de ChristenUnie-fractie stellen dat de wet extra risico’s lijkt mee te brengen voor regio’s met een kwetsbare werkgelegenheid. Zij stellen dat dit vaak regio’s zijn met een kwetsbare werkgelegenheid zijn. Zij vragen hoe de regering deze risico’s met de invoering van deze wet denkt te ondervangen.

De efficiencytaakstelling in de Wsw betekent dat er per Wsw-plek minder geld beschikbaar komt voor de uitvoering van de Wsw. In zijn brief van 22 maart 201290 heeft de staatssecretaris van SZW aangegeven dat hij, gezien de mogelijkheden die gemeenten hebben om inkomsten te verhogen, kosten te verlagen en/of efficiënter te gaan werken, er van uit gaat dat gemeenten in staat zijn te komen tot een efficiënte uitvoering van de WWNV.

Voor de transitieperiode heeft het kabinet bovendien een herstructureringsfaciliteit van 400 miljoen euro beschikbaar gesteld. Deze middelen worden over de gemeenten verdeeld op basis van het taakstellend aantal Wsw-plekken in 2012. Gemeenten met een groot aandeel Wsw’ers krijgen een groot aandeel in de middelen uit de herstructureringsfaciliteit. De gekozen verdeling is daarmee evenwichtig en voorkomt juist dat gemeenten of regio’s onevenredige risico’s lopen.

4.5 Herstructurering van de sw-sector

De leden van de VVD-fractie stellen dat de gemeenten voor 30 april aanstaande, na vaststelling in de gemeenteraad, hun herstructureringsplannen moeten indienen. De leden van de fractie van de VVD vragen in hoeverre de regering op dit moment taxeert of dit voor alle gemeenten ook haalbaar is.

De regering heeft op dit moment geen signalen van gemeenten dat indiening voor 1 mei 2012 niet haalbaar is.

De leden van de VVD-fractie merken op dat de bijdrage uit het herstructureringsfonds over vele verschillende jaarschijven wordt verdeeld en dat voor 2012 een beperkt bedrag beschikbaar is. De leden van de fractie van de VVD vragen welke gevolgen dit volgens de regering heeft voor de snelheid van de transitie en welke risico’s dit oplevert voor gemeenten die snel een omslag willen maken.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de regering de verwachting deelt dat de herstructurering van de sociale werkvoorziening juist in de beginfase om investeringen zal vragen, en vragen of de regering daarvoor een bedrag van 10 miljoen in 2012 toereikend acht.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de voeding van de herstructureringsfaciliteit niet direct met een substantieel bedrag start, terwijl de noodzaak van herstructurering en de daaraan verbonden kosten juist in de beginjaren sterk gevoeld worden. Deze leden vragen op welke wijze de opbouw van de voeding van de herstructureringsfaciliteit dienstbaar is aan een succesvol proces van herstructurering.

De middelen in de herstructureringsfaciliteit komen volgens onderstaande reeks in de SZW-begroting beschikbaar.

Tabel 4.3 Omvang herstructureringsfaciliteit sw-sector

Bedragen in miljoenen euro

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Totaal

10

60

120

60

50

50

50

Totaal 2012–2018 = 400 miljoen

             

De regering acht het niet direct aannemelijk dat gemeenten al in 2012 hoge herstructureringskosten hebben. Verwacht wordt dat de meeste gemeenten in 2012 bezig zijn met het opstellen van de plannen en voorbereidingen treffen voor de uitvoering ervan. De taakstellende ombuigingen op het Wsw-domein – beperken instroom en verlagen fictieve subsidie per plek – vinden vanaf 2013 gefaseerd plaats. Te verwachten is dat de herstructureringskostenkosten zich ook gefaseerd in de tijd zullen voordoen. Als de plannen zijn ingediend ontstaat er beter zicht op de spreiding van de benodigde herstructureringskosten over de verschillende jaren.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom het advies van de commissie-Westerlaken om juist in de startfase al een aanzienlijk bedrag ter beschikking te stellen, in de orde van grootte van 100 miljoen euro, niet is overgenomen.

De leden van de fractie van de SP vragen hoe groot de kans is dat het extra budget van 100 miljoen aangesproken gaat worden. Deze leden vragen of de regering de huidige tussenstand van aanvragen van gemeenten aan de Kamer kan doen toekomen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie willen weten waarom de regering, gezien de verwachte problemen in de overgangsjaren, het budget voor 100 miljoen dat later nog toegevoegd kan worden aan het transitiefonds, niet naar voren haalt.

De regering gaat er vanuit dat gemeenten met de middelen die beschikbaar komen via de herstructureringsfaciliteit in staat zijn de herstructurering van de Wsw op een goede manier uit te voeren. Zoals de staatssecretaris van SZW heeft uiteengezet in zijn brief van 15 november 201192 hebben gemeenten bij de vormgeving van de herstructurering een grote mate van beleidsvrijheid, net als nu bij de uitvoering van de Wsw.

In 2014 zal een onafhankelijke commissie de stand van zaken in de uitvoering van de plannen en de voortgang van de herstructurering beoordelen, inclusief de financiële aspecten. De commissie adviseert de minister van SZW of naar haar oordeel aanvullende maatregelen en/of middelen noodzakelijk zijn. De commissie kan ook vaststellen dat er geen aanvullende maatregelen en/of middelen nodig zijn. Mocht de commissie adviseren dat extra middelen noodzakelijk zijn, dan houdt zij er rekening mee dat bovenop de 400 miljoen euro in het fonds dit maximaal kan gaan om de gereserveerde RUD-gelden.93

Op dit moment zijn er nog geen aanvragen voor de herstructureringsfaciliteit ingediend.

Een onafhankelijke commissie beoordeelt de aanvragen voor de herstructureringsfaciliteit van gemeenten en adviseert de Staatssecretaris van SZW over de toekenning van het beschikbare budget. De leden van de fractie van de SP vragen wie er in deze onafhankelijke commissie zitten (naam en functie).

De staatssecretaris van SZW verwacht binnenkort de namen van de leden van commissie bekend te kunnen maken.

HOOFDSTUK 5 WAJONG

Dit hoofdstuk gaat in op de vragen over de Wajong zoals die vanaf 1 januari 2013 zal gelden. Dit hoofdstuk gaat ook in op de vragen over de jonggehandicapten met arbeidsvermogen die op grond van de huidige Wajong al recht op een uitkering hebben (jaargang 2012 en de herindeling van het zittende bestand Wajong). In de paragraaf over de herindeling staan ook de antwoorden op de vragen over de re-integratie van het zittende bestand Wajong. Ten slotte geeft dit hoofdstuk antwoord op vragen over de studieregeling. Vragen over het Wajong-overgangsrecht worden beantwoord in hoofdstuk 6, andere vragen over re-integratie worden beantwoord in hoofdstuk 2 en vragen over budgettaire consequenties in hoofdstuk 8.

5.0 Inleiding

De leden van de fractie van de PvdA zijn benieuwd naar het aantal huidige Wajongers dat thuis woont. Daarnaast vragen deze leden hoeveel huidige Wajongers hun Wajong-uitkering zouden verliezen in het hypothetische geval dat zij onder de huishoudinkomenstoets zouden vallen.

UWV houdt niet bij of een Wajonger thuis woont of niet. Deze informatie is immers niet relevant voor het recht op of de hoogte van de uitkering. Niettemin zijn voor de budgettaire ramingen van het wetsvoorstel gegevens van UWV van 2008 gekoppeld met de gemeentelijke basisadministratie GBA. Daaruit blijkt dat in 2008 28 procent van de Wajongers bij de ouder(s) woonde. De Wajong kent geen huishoudinkomenstoets en de Wajong-uitkering is uitgezonderd van het huishoudinkomen in de WWNV (nu nog WWB). Geen enkele Wajonger verliest dus de uitkering hierdoor.

De leden van de SP-fractie geven aan dat de nieuwe jonggehandicapten straks onder de gezinsbijstand vallen. Deze leden willen weten of de regering kan toelichten of deze jongeren wel een indicatie krijgen als jonggehandicapte, zodat zij wel aanspraak kunnen maken op re-integratievoorzieningen van gemeenten.

Vanaf 1 januari 2013 komen jongeren met arbeidsmogelijkheden niet langer in aanmerking voor de Wajong. Deze is immers voor jonggehandicapten die duurzaam geen arbeidsmogelijkheden hebben. Jongeren met een beperking vallen vanaf dat moment onder de WWNV. Zowel WWNV’ers als niet uitkeringsgerechtigden vallen onder de verantwoordelijkheid van gemeenten. Zij kunnen aanspraak maken op re-integratievoorzieningen. Hiervoor is geen indicatie als «jonggehandicapte» nodig.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom er niet voor is gekozen om alle gedeeltelijk arbeidsongeschikte Wajongers onder de WWNV te laten vallen.

Het kabinet volgt met de gemaakte keuze de afspraken die voortvloeien uit het regeer- en gedoogakkoord. Daarom is gekozen voor overgangsrecht, zoals neergelegd in de WWNV.  Alle Wajongers die recht op arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben gekregen vóór 1 januari 2012 blijven in de Wajong, ook als zij gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn.

5.1 Wajong vanaf 2013

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre het nieuwe criterium een absolute maat is. De mate van arbeidsongeschiktheid kan toch verschillen per baan, zo vragen deze leden.

Het nieuwe criterium is in zoverre de absolute maat, dat het uitgaat van het begrip arbeidsvermogen en het ontbreken daarvan. Dit is een wezenlijk andere benadering dan de loonvergelijking: de vergelijking tussen wat de betrokkene theoretisch, ondanks zijn beperkingen, nog kan verdienen en wat hij vroeger verdiende. De loonvergelijking wordt gehanteerd bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen in het kader van de Wet WIA, WAZ en WAO. Deze vergelijking past daar ook bij, omdat mensen voorafgaand aan de aanvraag hebben gewerkt en loon verdiend. Voor de Wajong is de loonvergelijking niet geschikt: de Wajonger heeft voor zijn aanvraag immers nooit gewerkt.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe en door wie wordt gemeten of een arbeidsgehandicapte de afgelopen tien jaar geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft gehad.

In het geval dat iemand op zijn achttiende, tijdens studie of binnen vijf jaar daarna, geen arbeidsmogelijkheden heeft, waarbij geen sprake is van een duurzame situatie, kan hij alsnog worden aangemerkt als jonggehandicapte, indien hij tien jaar achter elkaar geen mogelijkheden tot werken heeft. UWV gaat na of iemand in die tien jaar arbeidsvermogen heeft gehad, bijvoorbeeld door te kijken of hij gedurende die tien jaar gewerkt heeft.

De leden van de fractie van de VVD vragen of iemand met arbeidsmogelijkheden moet voldoen aan alle vier genoemde criteria. Ook vragen deze leden de regering om aan te geven wanneer de inwerktijd en de werkbegeleiding dusdanig zijn dat iemand geen arbeidsmogelijkheden heeft.

Ja, alleen iemand die aan alle vier de criteria voldoet, heeft arbeidsvermogen. Dat kan dan zijn in de beschutte omgeving van de Wsw (wat beoordeeld wordt door UWV), of bij een reguliere werkgever. Voldoet iemand niet aan één of meer van deze vier criteria, dan heeft hij geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Deze vier criteria worden momenteel uitgewerkt in het Schattingsbesluit. Dit Besluit wordt na behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer voorgehangen.

De leden van de PvdA- en de ChristenUnie-fractie vragen hoe het kabinet de objectiviteit van de Wajong claimbeoordeling garandeert, nu het begrip «duurzaam arbeidsongeschikt» het verschil maakt tussen recht op WWNV of recht op Wajong. Daarnaast willen de leden van de ChristenUnie-fractie weten of het klopt dat de bewijslast bij mensen, waarbij UWV meent dat iemand in aanmerking komt voor de groep kan werken naar vermogen, bij de betrokkene ligt. Waarom is hiervoor dan gekozen, zo vragen deze leden.

UWV is onafhankelijk en heeft bovendien jarenlange expertise op dit gebied. Hiermee is de objectiviteit van de claimbeoordeling gegarandeerd. Bij de claimbeoordeling is geen sprake van een «bewijslast» voor betrokkene.

Het begrip jonggehandicapte

De leden van de VVD-fractie vragen tot wanneer het mogelijk is dat iemand op latere leeftijd stelt al op 18-jarige leeftijd duurzaam geen arbeidsmogelijkheden gehad te hebben en wordt aangemerkt als arbeidsgehandicapte. Daarnaast vragen deze leden hoe wordt beoordeeld of men op de leeftijd van 18 jaar al duurzaam geen arbeidsmogelijkheden had.

De instroom in de Wajong op latere leeftijd kent in de nieuwe situatie geen maximumleeftijd, evenmin als dat het geval is in de huidige Wajong. UWV onderzoekt of het duurzame gebrek aan arbeidsmogelijkheden ook al bestond op de leeftijd van 18 jaar. UWV heeft jarenlange expertise met de Wajong en zal op basis van de beschikbare gegevens moeten beoordelen of dit inderdaad zo is.

De leden van de PvdA-fractie vragen of Wajongers die werken en geen aanvulling ontvangen en die binnen 5 jaar uitvallen na invoering WWNV, terugvallen in oude Wajong regeling.

Wajongers die werken en onder de Wajong vallen, behouden hun uitkeringsrechten op grond van de Wajong. Zij kunnen inderdaad onder bepaalde voorwaarden binnen vijf jaar terugvallen op de Wajongregeling. Deze terugvalmogelijkheid is zowel in de oude Wajong (van vóór 2010) als de nieuwe Wajong (vanaf 2010) opgenomen.

Uitsluitingsgronden

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten waarom in artikel 1a:7 Wajong per AMvB kan worden bepaald dat de uitsluitingsgrond genoemd onder (e) niet geldt voor vreemdelingen die rechtmatig verblijf in Nederland hebben volgens artikel 8, onderdeel g of h van de Vreemdelingenwet 2000. Zij vragen hoe de regering de rol van de Kamer ziet bij het al dan niet geldend verklaren van uitsluitingsgronden. Daarnaast willen de leden van de PvdA-fractie een toelichting waarom bij de AMvB, genoemd in artikel 1a:7 Wajong, gebruik wordt gemaakt van een kan-bepaling en zij willen weten op welke manier de voorgestelde delegatiebepaling uit artikel 1a:7 van de Wajong zal worden ingevuld.

Met de bepaling uit artikel 1a:7 Wajong is geen verandering beoogd ten opzichte van huidig beleid. Ook de oude en de nieuwe Wajong (hoofdstuk 3 en 2) kennen deze delegatiegrond. De genoemde algemene maatregel van bestuur is overigens niet getroffen en wordt naar verwachting vooralsnog ook niet getroffen.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering enkele voorbeelden te geven van (categorieën) van personen die buiten de uitsluitingsgronden van artikel 1a:7 van de Wajong zullen vallen.

Iemand heeft, als er geen uitsluitingsgronden uit artikel 1a:7 Wajong zijn, in beginsel recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wajong, op voorwaarde dat hij voldoet aan de overige voorwaarden. Een voorbeeld van een uitsluiting is detentie. Een Wajonger die gevangen zit, raakt vanaf dat moment zijn Wajong-uitkering kwijt. Komt hij weer vrij, dan herleeft zijn uitkering. Hetzelfde geldt voor een Wajonger die naar het buitenland verhuist. Verhuist hij weer naar Nederland, dan herleeft zijn uitkering.

Inkomstenverrekening

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering wil toelichten waarom zij vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid en vanuit het oogpunt van de kansen van uitkeringsgerechtigden ervoor gekozen heeft geen partner- en middelentoets te hanteren voor Wajongers met arbeidsmogelijkheden die voor 2012 zijn ingestroomd.

Jonggehandicapten die ingestroomd zijn vóór 1 januari 2012, behouden hun recht op arbeidsondersteuning (in het geval van Wajongers ingestroomd op of na 1 januari 2010) of arbeidsongeschiktheidsuitkering (in het geval van Wajongers ingestroomd vóór 1 januari 2010). Er is geen aanleiding hierin wijzigingen aan te brengen.

Het proces van indicatie

De leden van de PvdA-fractie willen weten of het klopt dat iemand die een verzoek indient voor een Wajonguitkering bijna automatisch eindigt als behorend tot de doelgroep WWNV als UWV vaststelt dat er sprake is van arbeidsmogelijkheden. Deze leden stellen dat bij afwijzing van de Wajongclaim immers een aanvraag bijstandsuitkering zal volgen en dat een ambtshalve vaststelling (art 10b) dan aan de orde is.

Iemand die afgewezen wordt door UWV voor een Wajonguitkering omdat hij arbeidsvermogen heeft, kan bij de gemeente een aanvraag indienen voor ondersteuning op grond van de WWNV. Met ambtshalve vaststelling wordt bedoeld dat het initiatief voor het instrument loondispensatie bij de gemeente ligt. Dit is iets anders dan de situatie wanneer betrokkene zelf een aanvraag voor loondispensatie indient. In beide gevallen wordt met de toegangstoets onderzocht of iemand in aanmerking komt voor het instrument loondispensatie.

De leden van de D66-fractie vraagt hoe de indicaties voor de Wsw, de Wajong en loondispensatie zich tot elkaar verhouden. Daarnaast willen deze leden weten wat de mogelijkheden zijn om deze indicaties te stroomlijnen.

UWV gebruikt voor het beoordelen of er sprake is van duurzaam geen arbeidsvermogen dezelfde vier criteria als bij het vaststellen of iemand enkel beschut kan werken. Voldoet iemand niet aan één of meer van deze vier criteria, dan heeft hij geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. UWV dient dan nog de vraag te beoordelen of er sprake is van duurzaamheid.

Voldoet iemand aan alle vier de criteria, dan is er arbeidsvermogen. UWV dient dan, indien een aanvraag voor Wsw-indicatie is ingediend, te beoordelen of iemand enkel beschut kan werken om vast te stellen of hij in aanmerking komt voor een Wsw-indicatie. Hiermee zijn de indicaties van de Wajong en Wsw op elkaar aangesloten.

Als iemand meer arbeidsvermogen heeft dan nodig voor de Wsw, kan hij, al dan niet met loondispensatie, bij een reguliere werkgever werken. Of sprake is van een beperking of andere reden waardoor iemand niet het wettelijk minimumloon kan verdienen, maar wel in staat is tot regelmatige arbeid wordt met een toegangstoets vastgesteld. De regering zal in een algemene maatregel van bestuur regelen dat bij de toegangstoets loondispensatie eventueel beschikbare informatie van UWV over een eerdere Wajong claimbeoordeling of Wsw-indicatie gebruikt moet worden. Op die manier sluit de toegangstoets voor de loondispensatie aan op de Wajong en Wsw.

De leden van de ChristenUnie-fractie en Pvda-fractie vragen of het participeren in vrijwilligerswerk of (arbeidsmatige dagbesteding) gezien wordt als indicatie voor het indelen in de groep kan werken met vermogen. Deze leden vragen tevens of deze indeling leidt tot verlies of uitsluiting van deelname aan arbeidsmatige dagbesteding in het kader van de Wmo en AWBZ.

De Wajong is vanaf 1 januari 2013 alleen toegankelijk voor mensen die duurzaam geen mogelijk

heden hebben tot arbeidsparticipatie. Mensen met arbeidsvermogen komen niet in de Wajong, maar in de WWNV. Het UWV voert de indicatie voor de Wajong uit. De beoordeling door UWV vindt plaats op grond van de wet Wajong en het zogenoemde schattingsbesluit, niet op grond van de vraag of iemand vrijwilligerswerk verricht of deelneemt aan dagbesteding. Het kan zijn dat iemand zodanige beperkingen heeft, dat hij in beginsel wel arbeidsvermogen heeft, maar feitelijk nog niet in staat is aan het arbeidsproces deel te nemen. In die omstandigheden kan de gemeente, vanuit het belang van participatie (deelname aan het maatschappelijk verkeer), een voorziening in de vorm van dagbesteding aanbieden.

5.2 Jaargang 2012

Wajongers 2012 worden in 2014 overgedragen naar gemeenten. De leden van de fractie van de PvdA vragen wat er gebeurt met de medische gegevens.

De medische gegevens worden niet aan de gemeente over gedragen. UWV beheert deze gegevens voor de gemeente. Indien de gemeente er om vraagt, verstrekt UWV de medische gegevens aan een arts. Dit kan alleen met toestemming van de cliënt.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat er gebeurt met de lopende re-integratietrajecten die door UWV zijn ingezet voor Wajongers die ingestroomd zijn in 2012 en worden overgedragen aan gemeenten.

Op grond van dit wetsvoorstel worden mensen die in 2012 instromen in de Wajong en arbeidsvermogen hebben per 1 januari 2014 overgedragen aan gemeenten. UWV zal de jongere hierover zorgvuldig informeren en zorg dragen voor een «warme» overdracht van lopende dossiers naar gemeenten. De afwikkeling van lopende trajecten valt hier ook onder. Dit is vooral een zaak voor de uitvoering.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de gemeente een vervolgmeting door UWV uit dient te laten voeren als iemand uit deze groep werkt met loondispensatie, op basis van het principe dat werkgevers maar met één methodiek te maken krijgen.

Gemeenten zijn niet verplicht de methodiek van UWV toe te passen bij een nieuwe loonwaardebepaling. Dat hoeft dus ook niet bij iemand die met loondispensatie werkt en per 1 januari 2014 overgaat naar de gemeente. Het staat gemeenten vrij een loonwaardemethodiek te kiezen. Dit past bij de decentralisatiegedachte. Overigens hoeft er bij overgang van UWV naar gemeenten niet direct een nieuwe loonwaardebepaling plaats te vinden: de loonwaarde verandert hierdoor immers niet.

5.3 Herindeling zittend bestand: vóór 2012

Vraag naar arbeidsvermogen centraal in procedure herindeling

Jonggehandicapten die voor 2010 een Wajong-aanvraag hebben ingediend, zijn nog niet geïndiceerd op arbeidsvermogen en krijgen hier voor het eerst mee te maken. UWV kiest voor een zo eenvoudig mogelijke procedure die Wajongers zo min mogelijk belast. UWV bekijkt of zij op basis van de bekende gegevens in de dossiers iemand al kunnen indelen. De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering hiervoor kiest en niet bijvoorbeeld voor een nieuwe herkeuring.

De regering kiest voor een procedure die zo min mogelijk belasting met zich mee brengt voor de mensen om wie het gaat en voor UWV. Dat gebeurt door een efficiënt gebruik te maken van feiten die uit dossiers al bekend zijn. Waar gegevens al bekend zijn, hoeft in principe geen nieuw spreekuurcontact met een professional meer plaats te vinden. Een nieuw onderzoek vindt in deze gevallen alleen plaats als de betrokkene het niet eens is met de voorgenomen indeling. Zo wil de regering de uitvoeringskosten beperkt houden.

In de memorie van toelichting staat dat er voor Wajongers van voor 2010 die niet gewerkt hebben, geen Wsw-indicatie hebben, geen re-integratietraject gevolgd hebben en geen arbeidsmogelijkheden hebben, geen onderzoek hoeft te komen naar de duurzaamheid. De leden van de PvdA-fractie vragen, of dit betekent dat deze groep niet onderzocht wordt, of dat er alleen een onderzoek komt of men al dan niet arbeidsmogelijkheden heeft. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nader kan toelichten waarom zij er vanuit gaat dat voor de groep Wajongers van vóór 2010, die op 31 december 2013 geen arbeidsvermogen hebben, aan te nemen is dat deze situatie duurzaam is en die duurzaamheid niet nader wordt onderzocht. Deze leden vragen of hiermee niet teveel mensen worden afgeschreven. Ook de leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarop de aanname is gebaseerd, dat deze mensen een te grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben om in de toekomst nog werk te vinden.

Voor de groep Wajongers die is ingestroomd vóór 2010 wordt onderzocht of zij wel of geen arbeidsvermogen hebben. Is dat niet het geval, dan wordt vervolgens de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsmogelijkheden aangenomen. Dit wordt niet nader onderzocht. Mensen in deze groep hebben in ieder geval al vier jaar (namelijk van vóór 2010) een Wajonguitkering. Hebben zij de laatste jaren niet gewerkt of geprobeerd te werken, dan is de kans dat zij nog arbeidsmogelijkheden ontwikkelen, te verwaarlozen. Als betrokkenen er zelf anders over denken, kunnen zij een beoordeling aanvragen of bezwaar aantekenen.

De leden van de SGP-fractie vragen of alle uitkeringsgerechtigden na herkeuring een beschikking krijgen met de inschatting van UWV.

Alle uitkeringsgerechtigden die worden heringedeeld ontvangen over het definitieve oordeel van UWV een beschikking. Hiertegen is bezwaar en beroep mogelijk.

De leden van de VVD-fractie vragen of de Wajongers van voor 2010 ook de mogelijkheid hebben om bezwaar in te dienen tegen de beoordeling van UWV op de indeling, en of zij daarbij recht hebben op een keuring door een arts.

Iedereen die wordt heringedeeld kan bezwaar indienen tegen de definitieve beschikking van het UWV over de herindeling. Dat geldt dus ook voor de groep Wajongers van vóór 2010. Voordat een beslissing op het bezwaarschrift tegen een dergelijke beschikking wordt genomen, vindt een beoordeling door een verzekeringsarts plaats.

Re-integratie zittend bestand Wajong

De leden van de VVD-fractie vragen wat volgens de regering een selectieve inzet is.

Uitgangspunt van het beleid is dat re-integratie selectief wordt ingezet, wanneer het vinden van werk op eigen kracht niet mogelijk is. De belangrijkste verantwoordelijkheid voor het vinden van werk ligt bij de uitkeringsontvanger. De uitvoering zal steeds een professionele afweging moeten maken of iemand op eigen kracht werk kan vinden of dat begeleiding nodig is en zo ja, in welke vorm en intensiteit. Het is bijvoorbeeld niet altijd nodig dat een traject wordt ingezet. De inzet voor re-integratie kan ook op andere wijze plaatsvinden, bijvoorbeeld door naleving van de aan de uitkering verbonden plichten of door bemiddeling naar een werkplek, die een werkgever beschikbaar heeft.

De leden van de VVD-fractie vragen of bij de re-integratie bijvoorbeeld ook een onderscheid wordt gemaakt tussen Wajongers die onder de oude Wajong-regeling vallen en die onder de nieuwe wet na 2010 vallen, omdat deze eersten bijvoorbeeld geen re-integratieverplichting kennen. Ook vragen deze leden aan te geven wat de voordelen zijn van de Wajongers die onder de nieuwe Wajong vallen in tegenstelling tot de oude. De leden van de VVD-fractie stellen voorts de vraag of het niet mogelijk zou moeten zijn dat Wajongers die vallen onder de oude regeling vrijwillig zouden kunnen overstappen naar de nieuwe Wajong-regeling. Deze leden informeren of de regering het eens is dat ook de groep in de oude Wajong de mogelijkheid zou moeten krijgen om ondersteuning naar werk te verkrijgen met de daarbij behorende rechten en plichten. Deze leden wijzen erop dat nu ook voor jongehandicapten die voor 1 januari 2010 een aanvraag hebben ingediend en arbeidsmogelijkheden hebben de uitkeringssituatie verandert omdat zij immers met werk een aanvullende inkomen kunnen verdienen. De leden van de VVD-fractie zijn verder benieuwd wat de inzet van de regering is bij het overleg over de verdere uitwerking van de gewenste re-integratie inzet tussen de Staatssecretaris en UWV en wanneer de uitkomsten hiervan zijn te verwachten.

De overstapmogelijkheid houdt in dat iemand met een uitkering op grond van de oude Wajong94 UWV vraagt om toegelaten te worden tot het regime van de nieuwe Wajong die vanaf 1 januari 2010 van kracht is. Op zich biedt de huidige wet de mogelijkheid om een algemene maatregel van bestuur te treffen die de keuze voor een overstap naar de nieuwe Wajong opent (artikel 8:10 van de Wet Wajong). Van deze wettelijke mogelijkheden is tot dusver geen gebruik gemaakt, onder meer omdat prioriteit gegeven is aan de implementatie van de nieuwe Wajong.

De nieuwe Wajong biedt jongeren met een beperking een extra stimulans richting werk. In de nieuwe Wajong staat het vinden en behouden van werk en de ondersteuning daarbij centraal, in de oude Wajong staat de uitkering nog centraal. De nieuwe Wajong heeft ook een meer activerende uitkeringsstructuur («werken moet lonen»). De nieuwe Wajong kent voorts een evenwicht van rechten en plichten, met striktere re-integratieverplichtingen ten opzichte van de meer vrijblijvende verplichtingen uit de oude Wajong. Dit evenwicht van rechten en plichten doet een beroep op jonggehandicapten om mee te werken aan het vergroten van hun arbeidsmogelijkheden.

De suggestie van deze leden om het mogelijk te maken dat Wajongers die vallen onder de oude Wajongregeling vrijwillig kunnen overstappen naar de nieuwe Wajongregeling spreekt mij aan.

De overstapmogelijkheid heeft uiteraard gevolgen voor de uitvoering en ook financiële gevolgen. Voorts is van belang vanaf wanneer de overstapmogelijkheid zou kunnen worden ingevoerd. Ik wil deze aspecten de komende weken nader onderzoeken in overleg met UWV.

De leden van de SGP-fractie vragen aan te geven welke reële prikkels er zijn tot werken naar vermogen voor het zittend bestand binnen de Wajong, gelet op de bescherming die het wetsvoorstel voor deze groepen biedt.

Mensen die voor 1 januari 2012 zijn ingestroomd in de Wajong, behouden hun rechten op grond van de Wajong en gaan dus niet over naar gemeenten. UWV is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze wet. UWV beschikt daarbij over een aantal instrumenten en een taakstellend re-integratiebudget dat op grond van de begroting van het Ministerie van SZW jaarlijks ter beschikking wordt gesteld. UWV legt hierover verantwoording af via de reguliere rapportages en via bestuurlijk overleg. Voorts is van belang dat ik naar aanleiding van de vragen van de leden van de VVD-fractie heb toegezegd nader onderzoek te zullen doen naar de overstapmogelijkheid van de oude naar de nieuwe wajong. De nieuwe Wajong die sinds 2010 van kracht is, kent een betere balans tussen rechten en plichten en een beter inkomensaanvullingsregime.

Uitstroom uit de huidige Wajong

De leden van de VVD-fractie merken op dat volgens het CBS het aantal jongeren tot 27 jaar met een Wajong-uitkering in de eerste helft van 2011 verder is toegenomen. Uit dezelfde cijfers van het CBS blijkt dat er juist minder Wajongers tot 27 jaar volledige arbeidsongeschikt worden. Deze leden vragen of de regering kan aangeven waarom ondanks de nieuwe Wajong de instroom sneller blijft stijgen.

De instroom in de Wajong stijgt niet, maar daalt juist. De totale jaarlijkse instroom in de Wajong is gedaald van 17 800 in 2010 tot 16 300 in 2011. Het is voor het eerst sinds 2001 dat de jaarlijkse instroom in de Wajong daalt in vergelijking met het voorgaande jaar.

De gegevens die het CBS presenteert, gaan niet over het totaal aantal mensen in de Wajong, maar over een subgroep, namelijk het aantal tot 27 jaar. Deze subgroep is de eerste helft van 2011 groter geworden. Dit ligt voor de hand, omdat er de aflopen jaren meer jongeren van 18 jaar de Wajong instroomden dan in het voorgaande jaar. Hierdoor is het aantal mensen dat aan de voorkant (als ze 18 zijn) de subgroep Wajongers-tot-27 instroomt groter dan het aantal mensen dat aan de achterkant uit deze subgroep stroomt (als ze 27 zijn).

5.4 Studieregeling

De leden van de VVD-fractie vragen nadere toelichting waarom er geen bijzondere studieregeling zou moeten gelden voor jongeren met een handicap die gaan studeren. Daarnaast vragen deze leden of er andere mogelijkheden dan een studieregeling in de Wajong zijn waar jongeren met een handicap een beroep op zouden kunnen doen voor de meerkosten vanwege hun handicap tijdens de studie. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of met het ministerie van OCW de mogelijkheid is besproken om de huidige studieregeling Wajong om te zetten in een verhoogde WSF-regeling voor jongeren met een beperking. Deze leden willen weten welke argumenten ertoe hebben geleid studerenden met een beperking niet tegemoet te komen. De leden van de fractie van D66 vragen of de regering heeft overwogen de studieregeling in stand te houden voor mensen met een beperkte verdiencapaciteit. Deze leden willen weten wat hiervan de voordelen en nadelen en de budgettaire consequenties zijn. Daarnaast verzoeken deze leden de regering dezelfde vragen te beantwoorden voor de beleidsoptie waarbij er een studieregeling geldt voor alle mensen in de WWNV. De leden van de SP-fractie vragen waarom de regering ervoor kiest jonggehandicapten in de toekomst geen studiefaciliteiten meer aan te bieden. Deze leden vragen daarnaast op welke wijze de regering denkt dat dit zal bijdragen aan de participatie, emancipatie en integratie van jongeren met een handicap. De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom de regering heeft gekozen voor het uit de wet halen van de studieregeling.

Het volgen van een opleiding is wat de regering betreft gericht op ontwikkeling en toeleiding naar de arbeidsmarkt. Scholieren en studenten die bezig zijn met het verbeteren van hun kansen op de arbeidsmarkt zijn nog in ontwikkeling en komen daarom volgens de nieuwe criteria vanaf 2013 niet in aanmerking voor Wajong. Mensen die vanaf 2013 de Wajong instromen, hebben geen arbeidsvermogen en geen perspectief op ontwikkeling van het arbeidsvermogen. Omdat arbeidsmarktperspectief voor hen ontbreekt, acht de regering een studieregeling in de Wajong daarom niet logisch, niet consistent en overbodig.

In de WWNV wordt niet gekeken naar wat mensen niet kunnen, maar naar wat ze wél kunnen. Onderscheid maken binnen de doelgroep naar mensen met een arbeidsbeperking past derhalve niet bij de uitgangspunten van de WWNV. In de huidige WWB is studiefinanciering een voorliggende voorziening, die passend en toereikend wordt geacht. De WWNV heeft dezelfde vangnetfunctie als de WWB nu. Een uitkering bovenop de studiefinanciering past hier niet bij.

De regering vindt het belangrijk dat scholieren en studenten met een beperking naar school kunnen en/of een studie kunnen volgen en steunt hen wel degelijk. Voor mensen die niet de mogelijkheid hebben bij te verdienen naast de studiefinanciering, bestaan verscheidene mogelijkheden tot extra ondersteuning. Allereerst bestaat de mogelijkheid binnen het stelsel van studiefinanciering bij te lenen. Daarnaast kunnen zij in aanmerking komen voor een verlenging van de prestatiebeurs of een extra uitloopjaar voordat de langstudeerdersboete aan de orde is. Ook kennen opleidingen diverse mogelijkheden voor studenten met een beperking ten aanzien van extra ondersteuning. Studenten met een beperking kunnen een aanvraag indienen voor categoriale bijzondere bijstand als tegemoetkoming in de kosten verbonden aan ziekte of handicap.

Zoals aangegeven heeft het kabinet beleidsmatige bezwaren tegen een studieregeling in de WWNV. Daarnaast zijn ook extra kosten verbonden aan een dergelijke studieregeling. Een studieregeling in de WWNV voor mensen met een beperkte verdiencapaciteit kost structureel circa 43 miljoen euro per jaar. Hierbij gaat de regering uit van een vergelijkbare uitkering als in de huidige studieregeling in de Wajong: 25 % van het wettelijk minimumloon. De structurele situatie zou reeds bereikt worden in 2015. De kosten van de keuringen zijn dan nog niet meegerekend. De huidige financiële kaders bieden geen ruimte voor een dergelijke studieregeling.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke financiële middelen er blijven vanuit welke regelingen voor ondersteuning, hulpmiddelen en aanpassingen van de studieplek en adl-zorg blijven om mensen met beperkingen in staat te stellen een studie te volgen.

Studenten met een beperking kunnen categoriale bijzondere bijstand vragen als tegemoetkoming in de kosten van ziekte of handicap. Zij kunnen daarnaast voor hulpmiddelen en aanpassingen die nodig zijn om het onderwijs te kunnen volgen, een beroep blijven doen op de Wet overige OCW-subsidies. Voor hulp bij algemene dagelijkse levensbehoeften (adl) kan een studerende verzekerde een beroep doen op noodzakelijke persoonlijke verzorging en verpleging vanuit de AWBZ als er geen andere voorliggende voorzieningen zijn.

HOOFDSTUK 6 OVERIGE ASPECTEN

Dit hoofdstuk gaat in op vragen over het overgangsrecht voor de Wajong en de Wsw (inclusief wachtlijst). Tevens staan in dit hoofdstuk antwoorden op vragen over hoe de financiering van de WWNV en het gebundeld re-integratiebudget eruit gaan zien. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op vragen over de regeldruk en op internationale aspecten.

6.1 Overgangsrecht

Overgangsrecht Wajong

De regering geeft aan dat in het kader van overgangsrecht Wajong jonggehandicapten die een aanvraag hebben ingediend voor 1 januari 2010 in de oude Wajong blijven en hun recht behouden op een uitkering en dat voor jonggehandicapten in de nieuwe Wajong die in 2010 en 2011 zijn ingestroomd hun recht behouden op ondersteuning en uitkering, met de daarbij behorende rechten en plichten. De leden van de fractie van de VVD vragen de regering om uitleg waarom er verschil wordt gemaakt tussen deze twee groepen in recht op uitkering voor de oude Wajong en recht op uitkering en ondersteuning voor de nieuwe Wajong en of sprake is van een andere problematiek.

De vraag van de leden van de VVD-fractie over de mogelijkheid voor jonggehandicapten die vóór 1 januari 2010 een aanvraag hebben ingediend om ondersteuning naar werk te verkrijgen, wordt in hoofdstuk 5 beantwoord.

Op 1 januari 2010 is de nieuwe Wajong in werking getreden. Jonggehandicapten die vóór 1 januari 2010 een aanvraag hebben ingediend vallen onder de oude Wajong. In de oude Wajong staat het recht op inkomensbescherming voorop. Mensen in die regeling ontvangen een uitkering, gerelateerd aan hun arbeidsongeschiktheidspercentage. Als zij willen werken, kunnen zij UWV om ondersteuning vragen.

Met de nieuwe Wajong is het recht op arbeidsondersteuning voorop komen te staan. Mensen in de nieuwe Wajong, die op of na 1 januari 2010 een aanvraag hebben ingediend, worden door UWV ondersteund bij het vinden en behouden van een baan. Als zij met die baan niet voldoende inkomen kunnen verwerven, kunnen zij een aanvraag indienen voor inkomensondersteuning.

De WWNV beoogt niet het onderscheid tussen de oude en nieuwe Wajong op te heffen. De uitkeringsrechten veranderen niet, met uitzondering van de aanpassing van de hoogte van de uitkering voor Wajongers, die arbeidsvermogen hebben.

Aangegeven wordt dat UWV Wajongers tijdig en adequaat zal informeren over de gevolgen die de wetswijziging met zich meebrengt voor de verschillende Wajonggroepen. De leden van de VVD-fractie vragen een toelichting wanneer dit wordt gedaan en hoe. De leden van de fractie van D66 constateren dat vanaf de indiening van dit wetsvoorstel, de nieuwe instroom in de Wajong wordt geïnformeerd dat zij mogelijk vanaf 2014 onder de WWNV vallen. De leden zijn benieuwd of de instroom tussen 1 januari 2012 en de indiening van dit wetsvoorstel ook zijn geïnformeerd. Indien dit niet het geval is vragen zij of de regering bereid is om deze groep op korte termijn alsnog te informeren.

UWV zal Wajongers, die voor 1 januari 2012 zijn ingestroomd, vóór 1 januari 2014 (de datum dat de verlaging uitkering van Wajongers met arbeidsvermogen ingaat) een brief sturen met de mogelijke gevolgen van deze wetswijziging. Dit gebeurt hetzij bij de uitnodiging voor een onderzoek om vast te stellen of iemand kan werken, dan wel bij de mededeling dat iemand op basis van dossieronderzoek voorlopig is ingedeeld.

Wajongers, die instromen in 2012, ontvangen nu bij de beschikking op de aanvraag al een bijlage over de mogelijke wijzigingen in hun situatie vanaf 2014. Jonggehandicapten, die zijn ingestroomd tussen 1 januari 2012 en de indiening van het wetsvoorstel zullen een dezer dagen een brief ontvangen, die hen wijst op de mogelijke overgang naar de WWNV per 1 januari 2014.

Tabel 6.1 Situatie per jaar voor de verschillende jaargangen Wajong
 

Wajong

vóór 2010

Wajong

2010 en 2011

Wajong

instroom in 2012

Wajong

instroom vanaf 2013

Situatie 2012 en 2013

Geen onderscheid naar arbeidsvermogen

Onderscheid in uitkeringsregeling, werkregeling, en studieregeling

Nieuwe instroom vanaf 2013;

alleen duurzaam geen arbeidsvermogen

Situatie vanaf 2014

Herindeling naar arbeidsvermogen:

– Duurzaam geen arbeidsvermogen: 75% WML

– Met arbeidsvermogen:

° Wajong vóór 2010, 2010/2011: 70% WML

° Wajong instroom in 2012: WWNV

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nader kan uitleggen waarom wordt aangegeven dat wanneer de bestaande groepen in de Wajong overgebracht worden van UWV naar gemeenten dit risico’s mee zal brengen voor een goede en effectieve uitvoering van de WWNV door gemeenten. Deze leden willen daarnaast weten of de VNG deze opvatting van de regering deelt.

Indien alle Wajongers met arbeidsvermogen worden overgeheveld naar gemeenten, betekent dit dat meer dan 100 000 Wajongers in één keer naar de WWNV overgaan. Dit zou uitvoeringstechnisch een te grote belasting voor gemeenten zijn. Een onmiddellijke overheveling is, gelet op de grote uitvoeringsconsequenties, noch in het belang van de gemeenten, noch in het belang van de mensen zelf. De regering heeft ook uitdrukkelijk in hun belang de keuze gemaakt voor continuïteit.

Overgangsrecht Wsw’ers

De leden van de CDA-fractie vragen of mensen die de stap naar een reguliere werkgever met begeleid werken hebben gemaakt, en na 15 mei 2011 weer op de wachtlijst komen omdat het dienstverband is geëindigd, volgens de nieuwe criteria worden beoordeeld, wanneer ze op 1 januari 2013 nog steeds op de wachtlijst staan.

Bepalend is of beëindiging van het dienstverband samenhangt met vervallen van de indicatie doordat mensen zich ontwikkelen. In dat geval komt deze persoon niet terug op de wachtlijst. Hij heeft immers geen indicatie meer. Mensen met een indicatie van vóór 15 mei 2011 worden ongeacht het hebben van een dienstbetrekking geherindiceerd op basis van de oude criteria.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de positie is en wat de rechten zijn van mensen die een Wsw-indicatie hebben gekregen voor 15 mei 2011 en die op 1 januari 2013 nog niet aan het werk zijn.

De herindicatie van mensen die al voor 15 mei 2011 op de wachtlijst stonden, geschiedt op basis van de oude criteria.95 Zij behouden derhalve de mogelijkheid in te stromen in een beschutte werkplek.

De leden van de SGP-fractie vragen of hun veronderstelling klopt dat de Wsw alleen toegankelijk is voor personen die voor 15 mei 2011 op de wachtlijst stonden dan wel personen die na 15 mei 2011 onder de nieuwe voorwaarden in aanmerking komen voor de Wsw.

Iedereen met een Wsw-indicatie heeft toegang tot de Wsw. Voor mensen met een indicatie op basis van de nieuwe criteria is het niet mogelijk om via een dienstbetrekking onder begeleid werken (artikel 7 Wsw) aan de slag te gaan. Deze groep kan alleen onder beschutte omstandigheden werken.

Tabel 6.2 Overzicht overgangsrecht indicatiestelling
 

Indicatie

Herindicatie

Mogelijkheid instroom

Vóór 15 mei 2011

Oude criteria

Oude criteria

– Beschut werk

– Begeleid werk

Na 15 mei 2011, op moment van herindicatie werkzaam in Wsw

Oude criteria

Oude criteria

– Beschut werk

– Begeleid werk

Na 15 mei 2011, op moment van herindicatie op wachtlijst

Oude criteria

Nieuwe criteria

– Na herindicatie alleen beschut werk

Na inwerkingtreding WWNV

Nieuwe criteria

Nieuwe criteria

– Beschut werk

De leden van de fractie van de PvdA en de SP vragen of de huidige rechten en plichten van de huidige Wsw-ers in tact blijven en wat dit concreet betekent.

De huidige systematiek van rechten en plichten in de Wsw verandert niet voor mensen die op dit moment een Wsw-indicatie hebben. Dit betekent concreet dat zowel voor als na inwerkingtreding van de WWNV dienstbetrekkingen worden aangeboden op grond van artikel 2 van de Wsw, dat het om dienstbetrekkingen naar burgerlijk recht gaat en dat werkgevers (de gemeenten) en werknemers de arbeidsvoorwaarden regelen.

De leden van de CDA-fractie, de CU-fractie en de SP-fractie vragen hoe het behoud van rechten en plichten van de huidige Wsw-ers zich verhoudt tot de Wsw-ers die werkzaam zijn in een sw-bedrijf dat failliet gaat. De leden van de SP-fractie vragen zich af hoe het behoud van deze rechten en plichten zich verhoudt tot het sluiten van een sociale werkplaats, zoals Top Craft. Tevens vragen de leden van de CDA-fractie hoe het zit met het behoud van rechten en plichten van Wsw-ers waar gemeenten onvoldoende budget hebben om het Cao-loon te betalen.

De staatsecretaris van SZW heeft in zijn brieven van 27 mei 201196 en van 22 maart 201286 en bij meerdere gelegenheden in debatten met de Tweede Kamer, zoals het 30-ledendebat van 1 maart 2012, uiteengezet welke mogelijkheden gemeenten hebben om de inkomsten te verhogen, de uitgaven te verlagen en/of efficiënter te gaan werken. In de brief van 22 maart heeft de staatssecretaris van SZW aangegeven dat hij er van uit gaat dat gemeenten in staat zijn te komen tot een efficiënte uitvoering van de WWNV.

Mensen met een Wsw-dienstbetrekking op grond van artikel 2 van de Wsw, hebben een arbeidsovereenkomst met de gemeente. Zou een sw-bedrijf, dat de Wsw in opdracht van het College van B&W uitvoert, failliet gaan, dan behouden de Wsw-ers hun dienstbetrekking. Zij hebben immers geen arbeidsovereenkomst met het sw-bedrijf, maar met de gemeente. Op grond van zijn verantwoordelijkheid als werkgever dient de gemeente zorg te dragen voor ander werk.

De leden van de SP-fractie vragen of de werknemers die in het verleden uit de sociale werkplaats met een terugkeergarantie zijn gedetacheerd of naar een begeleid werken plek zijn gegaan deze terugkeergarantie behouden naar de werkplek die zij hadden voordat zij werden «uitgeplaatst». Of dat deze werknemers op de wachtlijst worden geplaatst die per intreding van de wet wordt opgeheven.

De huidige Wsw kent geen terugkeergarantie naar de oude Wsw-plek. Er is wel een voorrangsgarantie die de terugkeer naar de wachtlijst regelt op basis van de oorspronkelijke datum van indicatiestelling. De nieuwe wet kent geen bepalingen over het wachtlijstbeheer door de gemeente. De mensen die gebruik maken van de voorrangsgarantie behouden hun indicatie. Gemeenten kunnen mensen met een Wsw-dienstbetrekking stimuleren begeleid te gaan werken door in de verordening een terugkeergarantie in een Wsw-dienstbetrekking op te nemen.

De leden van de SP-fractie vragen of het mogelijk is dat werknemers na beëindiging van het tijdelijke contract gaan vallen onder de WWNV en met een salaris onder het wettelijk minimumloon (loondispensatie) aan het werk worden gezet bij reguliere werkgevers.

Mensen met een Wsw-indicatie van wie het tijdelijk contract afloopt, behouden hun indicatie. Is dat een indicatie volgens de oude criteria, dan behouden zij hun vrijstelling van de re-integratieplicht. Wel kan de gemeente deze mensen op vrijwillige basis in aanmerking laten komen voor het instrument loondispensatie. Gaat het om een indicatie beschut werk volgens de nieuwe criteria, dan is het instrument loondispensatie niet aan de orde, omdat zij enkel beschut kunnen werken.

Het «oude» bestand Wsw’ers komt niet meer in aanmerking voor begeleiding naar regulier werk, zo menen de leden van de GroenLinks-fractie. Deze leden vragen zich af waarom de regering ervoor kiest om het «oude» bestand Wsw’ers het recht op re-integratie te ontnemen.

Het is onjuist dat het «oude» bestand Wsw’ers niet meer in aanmerking komt voor begeleiding naar regulier werk. Een Wsw-werknemer moet mee blijven werken aan het behoud dan wel het bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid en aan het verkrijgen van arbeid onder normale omstandigheden, voor zover hij dat kan (art. 6 lid 1 Wsw). Artikel 4 van de Wsw verandert ook niet. Dit bepaalt: «Het college bevordert de inschakeling in het arbeidsproces van de werknemers van wie bij herindicatiebeschikking is vastgesteld dat zij in staat zijn om arbeid te verrichten onder normale omstandigheden». Wsw’ers die op de wachtlijst staan met een oude indicatie blijven vrijgesteld van de re-integratieplicht.

Nu de sw-bedrijven door bezuinigingen steeds verder in problemen komen is het maar de vraag of de banen van het «oude» bestand Wsw’ers verzekerd zijn, zo stellen de leden van de fractie van GroenLinks. Deze leden, en de leden van de CDA-fractie vragen zich af of en op welke wijze het kabinet het «oude» bestand Wsw’ers werk garandeert.

Het wetsvoorstel wijzigt de wettelijke rechten en plichten van mensen die werkzaam zijn in de sociale werkvoorziening met een Wsw-indicatie niet. De staatsecretaris van SZW heeft in zijn brieven van 27 mei 201180 en van 22 maart 201286 en bij meerdere gelegenheden in debatten met de Tweede Kamer, zoals het 30-ledendebat van 1 maart 2012, uiteengezet welke mogelijkheden gemeenten hebben om de inkomsten te verhogen, de uitgaven te verlagen en/of efficiënter te gaan werken. In de brief van 22 maart heeft de staatssecretaris van SZW aangegeven dat hij er van uit gaat dat gemeenten in staat zijn te komen tot een efficiënte uitvoering van de WWNV.

De leden van de SGP-fractie willen weten hoe de regering de vrijstelling van de re-integratieplicht voor personen die voor 15 mei 2011 enkel in het bezit zijn van een Wsw-indicatie rechtvaardigt.

De invoering van de WWNV verandert niets in de systematiek van rechten en plichten van Wsw’ers die op dit moment een Wsw-indicatie hebben en die voor 15 mei 2011 hebben verkregen. Onderdeel van deze rechten en plichten is de vrijstelling van de re-integratieplicht.

6.2 Financieringssystematiek inkomensdeel

In deze paragraaf worden vragen beantwoord over onder andere de raming van het macrobudget, de verdeelsystematiek en de incidentele- en meerjarige aanvullende uitkering.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering kan aangeven hoeveel middelen gemeenten van het inkomensdeel kunnen vrijspelen door een effectieve uitvoering. Ook vragen deze leden wat de regering vindt van de redenering dat gemeenten als het ware bestraft worden voor een effectieve uitvoering omdat de middelen worden afgeroomd naar aanleiding van de uitgaven die het jaar daarvoor hebben plaatsgevonden. Daarnaast vragen de leden van de fractie van de VVD en de leden van de fractie van de ChristenUnie zich af in hoeverre er volgens de regering nog sprake is van een prikkel bij gemeenten om de uitvoering zo effectief mogelijk te organiseren als het vrijgekomen budget door de inzet van loondispensatie terugvloeit naar het Rijk. De leden van de fractie van de VVD vragen ten slotte, of de regering het met hen eens is dat goed gedrag moet worden beloond en slecht gedrag moet worden bestraft.

De regering is het met de leden van de fractie van de VVD eens dat gemeenten zoveel mogelijk moeten worden gestimuleerd om de uitvoering zo effectief mogelijk vorm te geven. In de financieringssystematiek van het inkomensdeel heeft de regering daartoe de nodige prikkels ingebouwd op macroniveau (voor alle gemeenten tezamen) en op het niveau van individuele gemeenten.

Het landelijke macrobudget voor alle gemeenten tezamen wordt jaarlijks afgestemd op de totale kosten die voor uitkeringen nodig zijn. De raming van dit macrobudget is onder andere gebaseerd op de gemeentelijke realisaties in het voorgaande jaar. In het jaar zelf wordt deze raming niet meer aangepast voor gemeentelijke realisaties. De reden hiervoor is dat de verantwoordelijkheid van gemeentelijk beleid en uitvoering bij de gemeente ligt. Daarom worden alle gemeenten tezamen geprikkeld om zo activerend mogelijk beleid te voeren. In het jaar na het uitvoeringsjaar worden de gemeentelijke realisaties uit het voorgaande jaar wel weer in de raming van het macrobudget meegenomen. Daarmee wordt het macrobudget bij voordelige gemeentelijke realisaties lager, maar bij tegenvallende resultaten ook hoger. Het Rijk draagt hierbij dus het risico.

Onderstaande tabel bevat de overschotten en tekorten die gemeenten in de afgelopen jaren hebben gerealiseerd. In 2009–2011 hebben gemeenten te maken gekregen met de gevolgen van de afspraken uit het bestuursakkoord van 2007–2011. Met ingang van 2012 wordt het macrobudget weer vastgesteld volgens de systematiek van vóór het bestuursakkoord uit 2007. In onderstaande tabel geven de jaren tot en met 2007 een globale indicatie van de hoeveelheid middelen die gemeenten kunnen vrijspelen door een effectieve uitvoering.

Tabel 6.3 Landelijke overschotten en tekorten inkomensdeel 2004 – 2010 (in miljoenen euro)1
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Overschot of tekort

304

233

11

30

70

– 109

– 369

Individuele gemeenten kunnen door effectieve uitvoering van beleid de uitgaven beperken en zo middelen vrijspelen. Iedere volledige uitkering die een gemeente minder hoeft te verstrekken levert direct een besparing op ter hoogte van de prijs van die uitkering (de gemiddelde prijs van een uitkering bedraagt ruim 14 000 euro per jaar). Individuele gemeenten kunnen ook meerjarig middelen overhouden: Het aandeel van het landelijke (macro-)budget dat een gemeente ontvangt, wordt zoveel mogelijk met het objectief verdeelmodel vastgesteld en hangt daardoor niet af van de gemeentelijke uitgaven. Door een besparing van de gemeente neemt het budgetaandeel van die gemeente dus niet af. De individuele gemeente heeft daarmee meerjarig voordeel van effectief beleid.

Het budgetaandeel voor kleine gemeenten (minder dan 25 000 inwoners) wordt vastgesteld op basis van hun historische uitgaven. Het budget van middelgrote gemeenten (25 000–40 000 inwoners) wordt deels vastgesteld met objectieve factoren en deels op basis van hun historische uitgaven. De reden hiervoor is dat het voor kleinere gemeenten technisch niet mogelijk is gebleken om middels objectieve factoren een budgetaandeel te bepalen. Daarnaast spelen toevalsfactoren voor deze gemeenten een grotere rol. Bij gemeenten waarvan het budget op basis van historische uitgaven wordt vastgesteld werken besparingen niet meerjarig door. Deze gemeenten lopen anderzijds ook minder risico.

Met het oog op een nieuwe integrale verdeelsystematiek per 2014 is het ministerie van SZW reeds gestart met een onderzoek. Dit onderzoek richt zich op een passende financieringssystematiek met prikkelwerking voor alle gemeentegrootten.

De leden van de fractie van de VVD, alsmede de leden van de fracties van het CDA, de SP en de ChristenUnie vragen wat de regering vindt van het idee om (een deel van) de gerealiseerde besparingen op het inkomensdeel vanwege succesvol toepassen van het instrument loondispensatie in te zetten voor de begeleiding van mensen die met loondispensatie aan de slag gaan.

Gemeenten ontvangen middelen voor begeleiding via het ontschotte participatiebudget. Het budget voor uitkeringen wordt verstrekt via het inkomensdeel. Ook de loonaanvulling bij loondispensatie kan worden bekostigd via het inkomensdeel. Individuele gemeenten kunnen door effectieve inzet van het instrument loondispensatie en ook door effectief beleid te voeren de uitgaven ten laste van het inkomensdeel beperken, en zo middelen overhouden. Deze middelen mogen zij vrij besteden. Zo kunnen gemeenten een overschot desgewenst besteden voor de begeleiding van mensen die met loondispensatie aan de slag gaan.

Bij de vaststelling van het macrobudget voor uitkeringen (het inkomensdeel) is het uitgangspunt dat het Rijk zich baseert op de verwachte uitkeringen en loonaanvullingen voor een bepaald jaar. De ramingen bij dit wetsvoorstel zijn daar ook op gebaseerd. De implicatie van de vraag is om het inkomensdeel hoger dan dat vast te stellen. Dit leidt dus onvermijdelijk tot toenemende kosten voor het Rijk. Dit acht de regering ongewenst.

De leden van de fractie van het CDA constateren dat de regering er bij de berekening van het inkomensdeel WWB voor 2012 op basis van de CPB-ramingen van uit gaat dat het bijstandsvolume in 2012 zal uitkomen op 304 000 uitkeringen. Daarnaast constateren deze leden dat cijfers van het CBS laten zien dat het aantal mensen in de WWB en WIJ op dit moment op ca. 317 000 uitkeringen ligt en dat er geen sprake is van een substantieel dalende trend. De leden van de fractie van het CDA vragen daarop of de regering een dergelijke daling onder de huidige onzekere economische omstandigheden realistisch acht en of er reden is om nog eens kritisch te kijken naar de betrouwbaarheid van de volumeramingen die het CPB op dit moment maakt voor de WWB en de WIJ.

Het macrobudget van 2012 voor inkomensvoorzieningen is in september 2011 voorlopig vastgesteld. Daarna wordt het macrobudget voor 2012 nog op twee reguliere momenten aangepast voor onder andere nieuwe inzichten in de conjuncturele ontwikkeling. Deze aanpassingen vinden plaats bij de vaststelling van het nader voorlopige macrobudget in juni 2012, en bij de vaststelling van het definitieve macrobudget in september 2012. De huidige raming is gebaseerd op de inzichten in de conjunctuur uit september 2011. Bij de twee nog resterende vaststellingen van het macrobudget voor 2012 zal rekening worden gehouden met de meest actuele inzichten in de conjunctuur. De regering ziet geen reden tot zorg, omdat er dit jaar nog twee momenten volgen waarop het macrobudget aangepast zal worden.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de regering kan aangeven of er een onafhankelijk onderzoek komt naar de hoogte van het inkomensdeel WWB in 2010 en 2011, zoals dat was opgenomen in het onderhandelaarsakkoord tussen het Rijk en de VNG. Ook constateren de leden van de fractie van het CDA op grond van cijfers van de VNG dat gemeenten meer eigen risico hebben dan de in het bestuursakkoord uit 2007 overeengekomen 12 500 uitkeringen. Hierop vragen de leden van de fractie van het CDA of dit volgens de regering acceptabel is. Tenslotte vragen de leden van de fractie van het CDA of dit niet op gespannen voet staat met artikel 69 van de WWB waarin is staat dat er in principe voldoende budget moet zijn om alle uitkeringen te kunnen betalen.

Zowel kabinet als VNG stellen zich vrijer op ten aanzien van het onderdeel «werken naar vermogen» in de bestuursafspraken 2011–2015. De regering zal daarom dan ook geen onafhankelijk onderzoek doen naar de hoogte van het inkomensdeel in 2010 en 2011. Per brief van 6 oktober 201097 en 27 oktober 201198 hebben respectievelijk de minister en de staatssecretaris van SZW uw Kamer geïnformeerd dat de macrobudgetten conform de afspraken in het bestuursakkoord uit 2007 zijn vastgesteld. Uitdrukkelijk is ook afgesproken dat de afspraken gelden in voor- en tegenspoed.

Met betrekking tot het uitgangspunt van toereikendheid van het inkomensdeel heeft de regering in de begrotingen en jaarverslagen van het ministerie van SZW van de afgelopen jaren verantwoord dat het macrobudget toereikend wordt vastgesteld, met inachtneming van de afspraken uit het bestuurakkoord uit 2007.

In de memorie van Toelichting van de WWNV en in de brief van 27 oktober 201198 heeft de Staatssecretaris van SZW uw Kamer ook geïnformeerd dat vanaf 2012 het macrobudget weer wordt vastgesteld conform de systematiek zoals die gold vóór de periode van het bestuursakkoord uit 2007. De regering verwacht daarmee dat soortgelijke landelijke tekorten als in de laatste jaren zich niet meer zullen voordoen.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering kan aangeven binnen welke termijn het verdeelmodel voor het inkomensdeel zal worden aangepast en of gemeenten daarbij worden betrokken. Ook vragen deze leden zich af of, voordat een nieuw verdeelmodel wordt ontwikkeld, ook onderzoek wordt gedaan naar de achterliggende succesfactoren bij gemeenten die goed hebben gepresteerd onder het vigerende model.

Met de inwerkingtreding van de WWNV wijzigt de doelgroep die recht heeft op een inkomensvoorziening. In 2013 wordt hier via een tijdelijke voorziening rekening mee gehouden. Met het oog op de verdeling van het inkomensdeel voor 2014 en verder streeft het kabinet ernaar om één integrale verdeelsystematiek met prikkelwerking te kunnen hanteren voor de gehele WWNV en de bijbehorende doelgroep. Onderdeel van dit project is een verkenning waarbij onder andere ook de werking van de huidige verdeelsystematiek wordt betrokken.

Zowel voor de verdeling van middelen in 2013 als voor de verdeling van 2014 en verder, is reeds een onderzoek en een project gestart, waarbij de VNG, Divosa en diverse gemeenten zijn betrokken.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de financiële gevolgen voor gemeenten indien de verwachtingen voor de werkgelegenheid waarop de WWNV is gebaseerd niet worden gerealiseerd. Daarnaast vragen de leden van de fractie van de PvdA of gemeenten voortaan worden gecompenseerd voor foute prognoses van het CPB met betrekking tot de ontwikkeling van het aantal bijstandsgerechtigden en voor onjuist ingeschatte beleidseffecten.

De financieringssystematiek, waarbij de stimulans voor gemeenten om goed te presteren is gelegen in het inkomensdeel, is gebaseerd op een budgettering van middelen. Er vindt geen nacalculatie plaats op basis van de feitelijke bijstandsuitgaven. De raming op basis waarvan het macrobudget wordt vastgesteld, wordt zo zorgvuldig mogelijk gemaakt. De meest actuele inzichten in de conjunctuur en effecten van Rijksbeleid worden daarin meegenomen. Dit gebeurt niet alleen bij de voorlopige vaststelling, maar ook nog bij de definitieve vaststelling van het macrobudget in het uitvoeringsjaar zelf. Daarnaast worden in de raming de realisaties van de voorgaande jaren meegenomen. De regering is van mening dat het macrobudget daarmee met de grootst mogelijke zorgvuldigheid wordt vastgesteld en dat er geen reden is tot wijziging van deze systematiek.

De leden van de VVD-fractie vragen, onder verwijzing naar de verlenging van de MAU-uitkeringen over 2012, of de regering ook over 2013 van plan is de MAU-uitkeringen ambtshalve te verlengen in afwachting van een nieuw model.

De ambtshalve verlenging van een zevental meerjarige aanvullende uitkeringen (MAU) vindt zijn oorzaak in de bijna afgeronde evaluatie van de MAU. De invoering van de WWNV heeft hierbij geen rol gespeeld. Voor de verdeling van het inkomensdeel voor 2013 is het huidige model nog de basis en is er geen aanleiding tot eenzelfde maatregel. Voor de verdeling van het inkomensdeel vanaf 2014 is het ministerie van SZW reeds gestart met een onderzoek om te komen tot een aangepaste integrale verdeling. In dat verband wordt bezien wat de gevolgen voor de MAU-uitkeringen vanaf 2014 zijn.

De leden van de fractie van de VVD vragen om een overzicht hoeveel gemeenten in de jaren 2006–2011 te maken hebben met overschotten en tekorten op de het WWB-inkomensdeel na verdiscontering van tekorten op het macrobudget. Zij vragen daarbij onderscheid te maken tussen de drie gemeentegrootteklassen.

Onderstaande tabel bevat een overzicht van het landelijk overschot of tekort. In de tabel is tevens het aantal gemeenten met een overschot of tekort in de jaren 2004–2011 opgenomen. Deze analyse is uitgevoerd onder verdiscontering van de factor tekorten op het macrobudget voor de jaren 2009, 2010 en 2011. Omdat de gegevens over 2011 nog niet geheel beschikbaar zijn is het inzicht voor dat jaar nog voorlopig.

Tabel 6.4 Landelijk overschot/tekort vóór en na verdiscontering

Bedragen in miljoenen euro’s

2004

2005

2006

2007

2008

20091

20101

20112

Overschot/tekort landelijk

304

233

11

30

70

– 109

369 

– 675

Na verdiscontering tekorten op het macrobudget

304

233

11

30

70

0

0

0

X Noot
1

Tekorten op het macrobudget zijn verdisconteerd.

X Noot
2

Voorlopige cijfers, de gegevens van 8 gemeenten ontbreken hierin nog.

– Gegevens zijn omgerekend in gemeente-indeling 2011.

– Inwonertal 1-1-2011 is bepalend voor indeling in grootteklasse.

– Er is geen rekening gehouden met toegekende aanvullende uitkeringen.

Tabel 6.5 Aantal gemeenten met overschotten en tekorten (na verdiscontering van tekorten op het macrobudget)

Aantallen gemeenten

2004

2005

2006

2007

2008

20091

20101

20111 2

< 25 000 inwoners

 

 

 

 

 

 

 

 

Overschot

113

103

155

86

93

42

54

84

Tekort

95

105

53

122

115

166

154

118

25 000 – 40 000 inwoners

 

 

 

 

 

 

 

 

Overschot

56

56

75

40

59

28

24

35

Tekort

45

45

26

61

42

73

77

64

>= 40 000 inwoners

 

 

 

 

 

 

 

 

Overschot

59

76

60

65

69

70

51

55

Tekort

50

33

49

44

40

39

58

54

X Noot
1

Tekorten op het macrobudget zijn verdisconteerd.

X Noot
2

Voorlopige cijfers, de gegevens van 8 gemeenten ontbreken hierin nog.

– Gegevens zijn omgerekend in gemeente-indeling 2011.

– Inwonertal 1-1-2011 is bepalend voor indeling in grootteklasse.

– Er is geen rekening gehouden met toegekende aanvullende uitkeringen.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering kan verklaren waarom grensgemeenten een groter risico lopen op tekorten in het model en op welke wijze deze gemeenten daarin worden gecompenseerd.

Gemeenten met een meerjarig tekort kunnen onder voorwaarden in aanmerking komen voor financiële compensatie op het budget via de meerjarige aanvullende uitkering (MAU-uitkering). In de periode 2009–2011 hebben 37 gemeenten, waaronder ook gemeenten in de grensregio, hierop een beroep gedaan.

Bij de beoordeling van een aantal MAU-verzoeken is geconstateerd dat het objectief verdeelmodel de objectieve uitgaven onderschat voor gemeenten aan de grens met Duitsland. De MAU compenseert de betreffende gemeenten daarvoor. Het kabinet streeft ernaar om met ingang van 2014 één integrale verdeling met prikkelwerking te hanteren voor de gehele WWNV en de bijbehorende doelgroep. De inzichten vanuit de MAU, onder andere met betrekking tot de positie van grensgemeenten, zullen bij dit onderzoek worden betrokken.

De leden van de fractie van het CDA vragen of er gemeenten zijn die in 2010 een tekort hadden van meer dan 10 procent op het inkomensdeel van de WWB en waarvan het verzoek om een incidentele aanvullende uitkering (IAU-uitkering) is afgewezen en of de afwijzing is toe te schrijven aan tekortkomingen in de uitvoering van de bijstand. Als dit niet het geval is, dan vragen de leden van de fractie van het CDA zich af waarom deze gemeenten toch geen beroep kunnen doen op de vangnetfunctie van de WWB.

Aan de incidentele aanvullende uitkering (IAU-uitkering) zijn voorwaarden verbonden. De Toetsingscommissie WWB beoordeelt de verzoeken van gemeenten en geeft een zwaarwegend advies over het toekennen of afwijzen van een verzoek.

De belangrijkste inhoudelijke voorwaarde voor het recht op een IAU-uitkering is dat sprake moet zijn van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt. De regelgeving bevat afwijzingsgronden die verband houden met bijvoorbeeld een onrechtmatige wetsuitvoering of het behoren tot de doelgroep van de meerjarig aanvullende uitkering. Daarnaast kan, afhankelijk van de gemeentegrootte, in beleid en uitvoering van de gemeente aanleiding worden gevonden om een verzoek toe te kennen of af te wijzen.

In 2011 hebben 259 gemeenten een verzoek om een incidentele aanvullende uitkering over 2010 ingediend. Hiervan zijn op advies van de Toetsingscommissie WWB 33 verzoeken afgewezen. Deze 33 afwijzingen zijn onder te verdelen naar afwijzingsgronden:

  • 2 gemeenten zijn afgewezen vanwege onrechtmatige uitvoering.

  • 6 gemeenten hadden geen recht op een IAU-uitkering omdat zij een verzoek tot een MAU-uitkering in hadden moeten dienen.

  • 10 grote gemeenten zijn afgewezen omdat er geen uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt was.

  • 3 grote gemeenten zijn afgewezen omdat het tekort (mede) het gevolg was van keuzes in beleid en uitvoering.

  • 12 middelgrote gemeenten zijn afgewezen omdat er geen uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt was en er geen aanleiding in beleid en uitvoering was het verzoek toe te kennen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen de regering om aan te tonen op welke wijze en in welke jaren gemeenten via het inkomensdeel een (krachtige) prikkel ervaren om met het instrument loondispensatie te besparen op de uitkeringslasten. De leden van de fractie van het CDA, de SGP en de ChristenUnie vragen zich af of de wet voldoende financiële prikkels bevat voor gemeenten om mensen met loondispensatie bij een gewone werkgever aan het werk te helpen.

Individuele gemeenten kunnen door effectief beleid te voeren en effectief gebruik te maken van het instrument loondispensatie de uitkeringslasten beperken en zo middelen overhouden. Een gemeente kan aanzienlijk besparen op de uitkeringslasten door iemand uit de uitkering aan het werk te helpen (de gemiddelde prijs van een uitkering bedraagt ruim 14 duizend euro per jaar). Als een gemeente iemand gedeeltelijk vanuit de uitkering aan het werk helpt door de inzet van het instrument loondispensatie bespaart de gemeente daarmee direct op de uitkeringslasten. Doordat de werkgever een loon betaalt komt dan alleen nog de loonaanvulling – die lager is dan de uitkering – voor rekening van de gemeente.

6.3 Regeldruk

De leden van de VVD-fractie constateren dat het voor werkgevers belangrijk is dat zij zo min mogelijk administratieve last ervaren bij het in dienst nemen van mensen met een arbeidsbeperking. Deze leden vragen in hoeverre gemeenten in staat zullen zijn het instrument loondispensatie op eenvoudig en effectieve wijze uit te voeren. Ook de leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen gesteld over de administratieve lasten voor werkgevers. Zo vragen deze leden waarom de regering niet inzet op het verlagen van de administratieve lasten voor werkgevers om mensen met een arbeidsbeperking aan te nemen, zodat deze belemmering wordt weggenomen. Ook vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie of de regering kan onderbouwen in hoeverre de administratieve lasten bij loondispensatie voor werkgevers lager zijn dan bij loonkostensubsidie.

De regering wil het voor werkgevers aantrekkelijk en eenvoudig maken om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen, zodat de bereidheid van werkgevers omgezet kan worden in concrete arbeidsmarktkansen. Hierbij is goede dienstverlening door UWV en gemeenten aan werkgevers essentieel. De vraag van werkgevers staat hierbij centraal. De verantwoordelijkheid voor deze werkgeversdienstverlening ligt bij gemeenten en UWV. De regering is het met de leden van de VVD-fractie eens dat werkgevers zo min mogelijk administratieve last willen ervaren bij het in dienst nemen van mensen. De WWNV zorgt per saldo niet voor meer administratieve lasten voor bedrijven. Zo zijn de administratieve lasten voor werkgevers bij loondispensatie gelijk aan de administratieve lasten bij loonkostensubsidies.

De samenwerking tussen gemeenten en werkgevers is belangrijk voor het doen slagen van de WWNV. Gemeenten kunnen werkgevers administratieve lasten uit handen nemen (ontzorgen). De regering ondersteunt hen hierbij, onder meer door:

  • via de WWNV per 2013 het instrument loondispensatie beschikbaar te stellen. Werkgevers betalen met loondispensatie alleen dat deel dat de werknemer arbeidsproductief is en worden dus volledig gecompenseerd voor de verminderde arbeidsproductiviteit van de werknemer. Dit als aanvulling op de huidige voorzieningen en mogelijkheden om werkgevers te stimuleren en te ondersteunen, zoals de proefplaatsing, begeleiding op de werkplek, de no-riskpolis, werkplekaanpassingen en de mogelijkheid tot detachering. Daarnaast zijn werkgeversservicepunten ingesteld om werkgevers rompslomp uit handen te nemen.

  • het stimuleren van de totstandkoming van de samenwerking tussen gemeenten en UWV in circa 30 arbeidsmarktregio’s, waarbij elke regio één loket voor werkgevers heeft. Deze decentrale aanpak brengt het arbeidsaanbod ook beter bij het MKB. In het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet SUWI is vastgelegd dat gemeenten en UWV samenwerken ten aanzien van de regionale werkgeversdienstverlening. Er komt één aanspreekpunt voor werkgevers in elke arbeidsmarktregio.

In antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie of gemeenten in staat zullen zijn om het instrument loondispensatie op een eenvoudige en effectieve wijze uit te voeren kan worden vermeld dat Rijk, de VNG, en Divosa met elkaar het Transitiebureau WNV hebben opgericht. Dit Transitiebureau ondersteunt gemeenten bij de implementatie van de wetgeving. De invoering van loondispensatie is één van de thema’s die hierbij aan bod komt. Zo wordt er voor gemeenten een handreiking voor het werken met loondispensatie ontwikkeld. De pilot loondispensatie levert daarnaast ook veel kennis en ervaring op voor gemeenten over de toepassing van het instrument loondispensatie.

6.4 Internationale aspecten

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering de raakvlakken van de WWNV met het door Nederland ondertekende Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van Personen met een Handicap kan toelichten. Zij vragen de regering gemotiveerd aan te geven of de WWNV voldoet aan de plichten die dit verdrag aan de Staat stelt. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wanneer de regering het genoemde verdrag gaat ratificeren.

De staatssecretaris van VWS heeft de Kamer op 7 november 2011 meegedeeld de definitieve besluitvorming in het kabinet over ratificatie voor te bereiden.99 De voorbereiding om te komen tot een mogelijke ratificatie van het verdrag vindt nu plaats. Daarbij bekijkt de regering welke verplichtingen het verdrag voor Nederland met zich meebrengt en hoe wetgeving en beleid in Nederland zich tot deze verplichtingen verhouden. Daarin wordt de WWNV meegenomen.

De leden van de ChristenUnie-fractie en van de SP vragen om een toelichting hoe de vrijblijvendheid van gemeenten voor de inzet van voorzieningen voor mensen met een arbeidsbeperking zich verhoudt tot de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte en het VN-verdrag voor rechten van mensen met een beperking.

De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte en het overigens nog niet geratificeerde VN- Verdrag Inzake de Rechten van Personen met een Handicap stellen verplichtingen aan een aanbieder op het terrein van arbeid. Die aanbieder moet voor een werknemer met een handicap of chronische ziekte doeltreffende aanpassingen aanbrengen zodat die werknemer arbeid kan verrichten, tenzij die aanpassingen voor de aanbieder een onevenredige belasting vormen. De werkgever moet in beginsel de bedoelde aanpassingen treffen.

De regering vindt het onjuist om de beleidsvrijheid die gemeenten hebben bij de inzet van voorzieningen bij de ondersteuning van de arbeidsinschakeling van mensen met een arbeidsbeperking, te kenschetsen als «vrijblijvend». Mensen met een arbeidsbeperking die ondersteuning nodig hebben om te kunnen werken, kunnen bij hun gemeente daarvoor noodzakelijke voorzieningen aanvragen De aanspraak hierop staat in artikel 10 van de wet. Gemeenten worden daarnaast verplicht het gemeentelijke beleid met betrekking tot de re-integratie van mensen met een arbeidsbeperking in een verordening vast te leggen.  In die verordening zullen gemeenten omschrijven onder welke voorwaarden  mensen met een arbeidsbeperking voor welke voorzieningen in aanmerking komen. Ook dient de verordeningsplicht er toe gemeenten aan te laten geven hoe deze voorzieningen evenwichtig over de verschillende doelgroepen worden verdeeld. Dit wordt geregeld in artikel 3a van de Wet Participatiebudget.

De leden van de CDA-fractie vragen of de WWNV getoetst is aan de herziene code inzake sociale zekerheid, die Nederland heeft geratificeerd maar die nog niet in werking is getreden.

Ja. De WWNV is getoetst aan de bestaande internationaalrechtelijke verplichtingen, waaronder de herziene Code inzake sociale zekerheid. De wetgever heeft, bij de totstandkoming van de goedkeuring van de herziene code, al vastgesteld dat Nederland met de WWB voldoet aan de in dat verdrag genoemde normen.100 Ook met het vangnet dat de WWNV biedt, voldoet Nederland aan de normen van de herziene Code.

De leden van de SP-fractie vragen hoe het instrument loondispensatie zich verhoudt tegenover Europese regelgeving en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het instrument loondispensatie heeft zowel te maken met de arbeidsmarkt als de sociale zekerheid. Juridisch bindende Europese regelgeving is er op deze terreinen niet. Wel leggen de Lidstaten in het arbeidsmarktbeleid, aangezet door Europese beleidsdoelstellingen en richtsnoeren, steeds meer nadruk op activering en re-integratie, met als doel: het bevorderen van de re-integratie van mensen met een zwakke arbeidsmarktpositie. De WWNV past naar de overtuiging van de regering goed in het op EU-niveau voorgestane beleid.

Het EVRM gaat niet over de wijze waarop de aangesloten landen hun sociale zekerheid of arbeidsmarkt inrichten. Het EVRM speelt bij de sociale zekerheid alleen een rol als er sprake kan zijn van het ontnemen van uitkeringen in dit geval eigendomsrechten (artikel 1 van het Eerste Protocol, behorende bij het EVRM) in relatie tot (het gelijke behandelings-) artikel 14 van het EVRM. Het gaat hier om de introductie van loondispensatie en niet om eigendomsontneming en daarom is het niet relevant om aan het EVRM te toetsen.

HOOFDSTUK 7 ONTVANGEN COMMENTAREN EN ADVIEZEN

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat bij de stemming over het bestuursakkoord is gebleken dat gemeenten de uitvoering van de WWNV van de hand wijzen vanwege de financiële condities. Deze leden vragen of het niet zorgelijk is dat de beoogde uitvoerder van de wet, de uitvoering van de wet met deze financiële voorwaarden niet ziet zitten en hoe de regering denkt het vertrouwen van de gemeenten tijdig terug te winnen.

De VNG heeft tijdens de kabinetsformatie in 2010 de formateur een notitie aangeboden.101 Daarin stelt de VNG in paragraaf 3.4 dat: «Bij werk (onder andere Wajong, SW, WWB) moet worden gekozen voor een integrale benadering voor de verschillende doelgroepen ongeacht hun uitkeringsrechten. Met decentralisatie en maatwerk kunnen dan veel kosten worden bespaard en wordt de effectiviteit van re-integratie verhoogd.» Het kabinet vult deze integrale benadering in met het wetsvoorstel Wet werken naar vermogen.

Het kabinet heeft in brieven aan de Tweede Kamer van 27 mei 201180 en 27 maart 2012102 aangegeven dat er binnen de financiële voorwaarden voldoende mogelijkheden zijn voor gemeenten om met de beschikbare middelen tot een effectieve uitvoering te komen. De regering gaat er vanuit dat gemeenten, zoals zij in hun eigen notitie hebben aangegeven, in staat zijn tot een efficiënte uitvoering van de WWNV.

Het Rijk, de VNG en Divosa voelen zich gezamenlijk verantwoordelijk voor de implementatie van de WWNV. Daarom hebben deze partijen met elkaar het Transitiebureau Werken naar vermogen opgericht. Het Transitiebureau heeft als doel gemeenten op zowel bestuurlijk als ambtelijk niveau tijdig voor te bereiden op de inwerkingtreding van de WWNV. Het Transitiebureau werkt nauw samen met gemeenten, UWV en Cedris. Het Transitiebureau luistert daarbij goed naar wat de gemeenten nodig hebben en ondersteunt het proces in gemeenten. Zo is er een regionale ondersteuningsstructuur opgezet in de dertig arbeidsmarktregio’s.

Het Rijk informeert gemeenten actief over de plannen voor de WWNV zodat gemeenten tijdig kunnen implementeren. Dat gebeurt bijvoorbeeld door te spreken op regionale bijeenkomsten en door informatiebijeenkomsten te organiseren.

HOOFDSTUK 8 FINANCIËLE EFFECTEN

In dit hoofdstuk worden de vragen over de financiële effecten van de WWNV beantwoord.

De vragen van de leden van de PvdA-fractie en de CDA-fractie waar de regering op baseert dat er jaarlijks circa 10 000 banen beschikbaar komen voor jongeren met een arbeidsbeperking die instromen in de WWNV en de 20 000 banen voor mensen op de wachtlijst Wsw zijn beantwoord in hoofdstuk 1. De vragen van de leden van de PvdA-fractie over de pilot «Meer werkplekken bij werkgevers» zijn beantwoord in hoofdstuk 2. De vragen van de leden van de D66-fractie en de SGP-fractie over respectievelijk de afname van het zittend Wsw-bestand met 2/3 en hoe gemeenten de nieuwe instroom in de Wsw/beschut werk moeten berekenen zijn beantwoord in hoofdstuk 4. De vragen van de leden van de VVD-fractie over het monitoren van de besteding van het re-integratiebudget en over het opzetten van een bench mark om best-practices te kunnen delen zijn in hoofdstuk 2 beantwoord. De vragen van de leden van de fracties van het CDA en de SGP over de fasering van de middelen in de herstructureringsfaciliteit zijn beantwoord in hoofdstuk 4.

8.1 Inleiding

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven wat op dit moment de uitkeringslasten zijn van de Wajong, Wsw, WWB en WIJ en hoe deze uitkeringslasten zich in de toekomst ontwikkelen.

De regering heeft in bijgaande tabel, op basis van de begroting 2012, de ontwikkeling van de uitkeringslasten Wajong en WWB voor de jaren 2012–2016 opgenomen. De WIJ is niet afzonderlijk opgenomen in de tabel, omdat deze wet met ingang van 2012 is opgegaan in de WWB. Omdat de regering vanaf 2013 het macrobudget Wsw samenvoegt met het re-integratiebudget WWB bevat de tabel vanaf 2013 de «ontschotte» SZW-bijdrage aan het Participatiebudget.

Tabel 8.1 Uitkeringslasten Wajong, WWB en macrobudget Wsw

Bedragen in miljoenen euro

2012

2013

2014

2015

2016

Wajong uitkeringslasten

2 158

2 646

2 519

2 544

2 567

WWB Inkomensdeel

4 198

4 206

4 256

4 386

4 467

Wsw-macrobudget

2 339

       

Participatiebudget SZW-bijdrage

722

2 952

2 700

2 594

2 584

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering de onderbouwing van de verschillende aannames van de besparingen nader kan toelichten. Daarbij vragen zij in hoeverre de regering van mening is dat de raming van het «weglekeffect» nog steeds accuraat is. Ook verzoeken zij de regering toe te lichten wat mogelijke gevolgen kunnen zijn van een toename van het aantal WWB-uitkeringen ten opzichte van de huidige raming. De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering nader kan toelichten hoe het kan dat het wetsvoorstel leidt tot hogere kosten voor de bijstand.

Een nadere toelichting op de onderbouwing van de besparingen staat in de «Analyse economische effecten financieel kader» van het CPB.103 De regering is van mening dat de raming van het «weglekeffect» nog steeds accuraat is. Komen er meer WWB-uitkeringen dan de huidige raming, dan zal de regering dit bij een actualisering van de WWB-ramingen meenemen. Het definitieve budget voor het inkomensdeel voor het jaar t wordt namelijk vastgesteld op basis van de actuele inzichten in de conjuncturele ontwikkelingen in september van datzelfde jaar t.

Het beperken van de toegang tot de Wajong tot mensen zonder arbeidsvermogen en het beperken van de toegang tot de Wsw tot beschutte arbeid leidt ertoe dat meer mensen onder de WWNV gaan vallen. Een deel van die mensen komt in aanmerking voor een uitkering of loonaanvulling vanuit de WWNV. Dit leidt tot hogere WWNV-uitkeringslasten. Per saldo echter leidt het wetsvoorstel tot een forse netto besparing op de uitgaven van de sociale zekerheid.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het klopt dat in tabel 8.1 van de memorie van toelichting de reeks voor maatregel 3 niet juist is. Indien dit het geval is dan vragen deze leden of dit alsnog wordt aangepast, ook in de toekomstige verantwoordingsstukken. Ook vragen de leden van de PvdA-fractie waarom de uitvoeringskosten Wajong, de uitvoeringskosten UWV voor de beperking toegang Wsw en de toevoeging aan het gemeentefonds in verband met het totaalakkoord uitvoeringskosten niet zijn meegenomen in tabel 8.1 van de memorie van toelichting.

De reeks voor maatregel 3 in tabel 8.1 van de memorie van toelichting is juist. De regering presenteert in tabel 8.1 zoals aangegeven de netto-besparingen van de verschillende WWNV-maatregelen voor het totale uitgavenbeeld van het Rijk. In die tabel is voor de overzichtelijkheid een aantal posten bij elkaar opgeteld.

Voor maatregel 3 uit tabel 8.1 geldt dat de toegang tot de Wsw met ingang van 2013 wordt beperkt. Dat is een jaar eerder dan was afgesproken in het coalitieakkoord. De extra besparingen die hierdoor ontstaan blijven beschikbaar voor de Sw-sector en worden gebruikt als voeding voor de herstructureringsfaciliteit. De netto-besparing voor het Rijk in tabel 8.1 is dus het saldo van deze twee reeksen.

Tabel 8.2 Opbouw netto-besparing beperking toegang Wsw

Bedragen in miljoenen euro

2013

2014

2015

2016

structureel

Netto-opbrengst voor WWNV in tabel 8.1

0

– 30

– 100

– 119

– 650

De netto-reeks in tabel 8.1 is het saldo van:

         

Netto-besparing beperken Wsw in tabel 8.4

– 30

– 100

– 134

– 151

– 650

Voeding herstructureringsfaciliteit via versnellen beperking Wsw in tabel 8.9

30

70

34

32

0

De regering heeft met UWV afspraken gemaakt over de besparingen van dit wetsvoorstel op de uitvoeringskosten Wajong en Wsw. Die zijn gespecificeerd in de tabellen 8.3 en 8.6 van de memorie van toelichting. Deze besparingen staan niet in de overzichtstabel 8.1 met netto-opbrengsten: ze zijn volledig ingezet voor de toevoeging voor uitvoeringskosten aan het gemeentefonds (tabel 8.10 memorie van toelichting) en de financiering van de herstructureringsfaciliteit (tabel 8.9 memorie van toelichting).

De leden van de fractie van de PvdA en de SP vragen of de regering kan toelichten waar in de CPB-analyse van de economische effecten van het financieel kader van het coalitieakkoord staat dat er naar verwachting meer mensen vanuit een uitkering bij een reguliere werkgever aan het werk gaan.

Het CPB meldt in zijn «Analyse economische effecten financieel kader» op bladzijde 17 dat de hervorming van de Wajong leidt tot een stijging van de werkgelegenheid. Ook geeft CPB aan dat de hervorming van de Wsw de reguliere werkgelegenheid vergroot, omdat mensen sterker worden gestimuleerd een reguliere baan te accepteren.

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering in het financieel kader een algemene besparing heeft ingeboekt met het oog op de te boeken winst door de inzet van loondispensatie, zonder koppeling aan de instroom vanuit specifieke uitkeringsregelingen als gevolg van invoering van het wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering er vanuit is gegaan dat de mensen die geen toegang meer hebben tot de Wajong en onder de WWNV komen te vallen aan de slag zullen gaan met loondispensatie. Tevens vragen deze leden of de gemeenten extra uitkeringslasten vergoed krijgen als er van deze groep minder mensen aan de slag gaan dan gedacht of op basis van een lagere loonwaarde.

Per saldo is er in het financiële kader geen netto-besparing ingeboekt voor het instrument loondispensatie. De verwerking van loondispensatie in de begroting vergt een ramingstechnische veronderstelling over de omvang van de begeleidingskosten (inclusief werkplekaanpassingen) bij de inzet van dit instrument en de loonaanvulling. Begeleidingskosten komen namelijk ten laste van het gebundelde re-integratiebudget en loonaanvullingen ten laste van het inkomensdeel WWNV.

Voor de nieuwe doelgroep in de WWNV zijn begeleidingskosten gereserveerd. De regering gaat ervan uit dat de groep die bij ongewijzigd beleid via Wsw of Wajong zou werken straks in de WWNV met loondispensatie aan de slag gaat. Dit zijn naar verwachting circa 10 000 mensen in 2015; dit aantal loopt daarna verder op. Deze mensen ontvangen van de gemeente een loonaanvulling op het bedrag dat de werkgever betaalt, in plaats van een volledige WWNV-uitkering. Dit bespaart circa 50 miljoen euro in 2015 op het inkomensdeel WWNV. De regering stelt dit bedrag beschikbaar voor begeleidingskosten in het gebundelde re-integratiebudget. Per saldo kent de begroting hiermee geen netto-besparing voor het instrument loondispensatie.

Hiermee spreekt de regering geen verwachting uit over de verwachte inzet van het instrument loondispensatie voor de totale WWNV-doelgroep, die naast de nieuwe doelgroep ook bestaat uit mensen uit het zittend bestand van de WWB. De feitelijke inzet van het instrument loondispensatie is afhankelijk van de inzet van werkgevers, gemeenten en de mensen zelf. Gemeenten hebben, naast loondispensatie, een groot aantal andere instrumenten tot hun beschikking om mensen aan de slag te helpen vanuit een uitkering. Voorbeelden hiervan zijn jobcoaching, werkplekaanpassingen, scholing en trajecten. Gemeenten beslissen over de noodzaak, vorm en inhoud van de re-integratieondersteuning

Het gebundeld re-integratiebudget omvat in 2015 circa 2,6 miljard euro en structureel circa 1,9 miljard euro. Rekeninghoudend met de bijdrage voor 81 000 Wsw-plekken in 2015 en 30 000 plekken structureel zouden gemeenten in 2015 ongeveer 800 miljoen euro en structureel ruim 1,2 miljard euro kunnen besteden aan trajecten en begeleidingskosten voor de WWNV-doelgroep. Dit betekent dat de ontwikkeling van de bedragen die gemeenten ontvangen voor re-integratie van de WWNV-doelgroep gelijke tred houden met de ontwikkeling van de WWNV-doelgroep.

Bij de ramingssystematiek van het inkomensdeel WWB houdt de regering rekening met realisaties over het voorgaande jaar. Derhalve worden de effecten van loondispensatie op de uitkeringslasten meegenomen in de raming.

8.2 Beperking instroom Wajong

De leden van de PvdA-fractie vragen of het klopt dat er per jaar circa 10 000 jongeren met een arbeidsbeperking die voorheen een Wajonguitkering hadden kunnen krijgen en onder de werkregeling hadden gevallen een beroep op de WWNV kunnen doen voor ondersteuning en begeleiding naar werk. Tevens vragen deze leden of voor deze groep het budget van UWV naar gemeenten overgeheveld wordt van 14 miljoen euro en of voor deze jongeren met arbeidscapaciteit een gemiddeld budget van 1 400 euro beschikbaar is (voor beoordeling doelgroep loondispensatie, loonwaardebepalingen, re-integratie, begeleiding etc).

De regering verwacht dat jaarlijks circa 10 000 mensen minder in de Wajong zullen komen dan bij ongewijzigd beleid het geval was geweest. Niet al deze mensen zullen een beroep doen op de WWNV: een aantal van hen studeert bijvoorbeeld. Hierdoor zal per jongere die een beroep doet op WWNV meer beschikbaar zijn dan de genoemde 1 400 euro. Overigens worden de schotten in het re-integratiebudget voor gemeenten weggehaald, waardoor de gemeenten het totale budget zo efficiënt en effectief mogelijk kunnen inzetten voor de totale groep mensen in de WWNV.

De kosten van gemeenten voor de toegangstoets en de loonwaardebepaling zijn uitvoeringskosten. Die worden gefinancierd uit het gemeentefonds en komen dus niet ten laste van het re-integratiebudget. De regering heeft voor de uitvoeringskosten separaat middelen overgeheveld naar het gemeentefonds. Die staan in de tabel 8.10 van de financiële paragraaf van de memorie van toelichting.

8.3 Herindeling zittend bestand Wajong en uitkeringsverlaging voor mensen die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn

De leden van de fractie van de VVD en de PvdA vragen welk budget UWV heeft om Wajongers te ondersteunen naar werk. Daarnaast vragen de leden van de fractie van de PvdA of dit budget toereikend is om de gewenste omvang van werkende Wajongers te bereiken en hoeveel Wajongers naar verwachting de komende jaren aan de slag komen vanuit UWV.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een toelichting over de omvang van het budget dat UWV houdt voor de re-integratie van mensen die voor 2012 in de Wajong zijn ingestroomd. Hoeveel heeft UWV per Wajonger voor de re-integratie te besteden, zo vragen deze leden. Deze leden willen weten of iedereen die dat nodig heeft met dit budget ook ondersteuning kan ontvangen.

Gemeenten worden met ingang van 2013 verantwoordelijk voor jongeren met een arbeidsbeperking en ontvangen daarvoor een geleidelijk toenemend bedrag aan re-integratiemiddelen. Bij UWV blijft dan voor het zittend bestand Wajong de onderstaande reeks bedragen beschikbaar.

Tabel 8.3 Re-integratie Wajong UWV

Bedragen in miljoenen euro

2013

2014

2015

2016

Re- integratie Wajong UWV

173

146

138

129

Met deze middelen heeft UWV in 2015 gemiddeld circa 1 150 euro te besteden per Wajonger met arbeidsmogelijkheden, nu is dat gemiddeld circa 1 250 euro. UWV zal naar verwachting minder middelen nodig hebben voor de inkoop van re-integratietrajecten. Dit instrument is doorgaans meer nodig voor nieuwe instroom. Voor het zittend bestand ligt het accent van de re-integratiemiddelen de komende jaren steeds meer op de werkvoorzieningen om Wajongers die werken of gaan werken aan het werk te houden.

UWV heeft voorts al een paar jaar een taakstellend budget voor de inkoop van trajecten, en sinds 2012 ook een taakstellend budget voor werkvoorzieningen. Dit betekent dat UWV deze middelen selectief en effectief dient in te inzetten. Daarnaast kan UWV ook begeleiding bieden in de vorm van directe bemiddeling naar werk of via gerichte instrumenten, zoals de proefplaatsing. Naar het oordeel van de regering zijn de middelen voor UWV toereikend voor de gewenste selectieve en effectieve inzet.

De Wajongmonitor laat zien dat er eind 2010 circa 50 000 Wajongers aan het werk zijn.104 Omdat het zittend bestand Wajong bij UWV in de toekomst geleidelijk kleiner wordt, zal ook het aantal werkende Wajongers naar verwachting geleidelijk dalen. De regering verwacht dat de beschikbare re-integratiemiddelen toereikend zijn wanneer UWV deze op een selectieve en effectieve wijze inzet.

De leden van de ChristenUnie-fractie en de leden van de VVD-fractie vragen om een nadere uitleg over het bedrag van 90 miljoen euro aan uitvoeringskosten voor UWV voor de herbeoordeling van 206 000 Wajongers, terwijl aangeven is dat de herbeoordeling zoveel mogelijk zal geschieden op basis van reeds bekende informatie. Waarin zitten de extra uitvoeringskosten van UWV, zo vragen deze leden.

Zowel de papieren beoordeling als de beoordeling door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vraagt extra capaciteit van professionals. Gelet op de grootte van het bestand zijn hiervoor de genoemde extra middelen noodzakelijk.

De leden van de D66-fractie vragen wat de budgettaire consequenties zouden zijn als alle gedeeltelijk arbeidsongeschikte Wajongers onder de WWNV zouden vallen. Daarnaast vragen deze leden hoeveel mensen van deze groep naar verwachting een baan vinden en hoeveel mensen naar verwachting zouden terugvallen op de WWNV.

Het onder de WWNV brengen van alle gedeeltelijk arbeidsongeschikte Wajongers die zijn ingestroomd tot en met 2011 zou een extra budgettaire opbrengst betekenen. Deze mensen zullen immers niet allen een (volledige) WWNV-uitkering ontvangen. Een deel kan met loondispensatie en een loonaanvulling aan de slag gaan. Een deel van de mensen komt niet in de WWNV terecht vanwege een baan of als gevolg van de huishoudinkomens- en/of vermogenstoets.

De door D66 voorgestelde benadering zou de regering ten opzichte van het regeerakkoord circa 240 miljoen euro in 2015 extra opleveren. Wel zullen er eenmalige kosten moeten worden gemaakt voor implementatie en extra herbeoordelingen van in totaal circa 100 miljoen euro.

8.4 Beperking instroom Wsw

De leden van de VVD-fractie vragen de regering een reactie op het commentaar van het CPB tijdens de hoorzitting WWNV. Het CPB beaamde het signaal van de VNG dat individuele gemeenten behoorlijk nadeel kunnen ondervinden van de verlaging van de rijksbijdrage per sw-plek, omdat het lastig is de loonkosten zelf bij te passen gegeven het volume.

Het CPB heeft bij de doorrekening van het coalitieakkoord aangegeven «dat de budgetten voor de Wajong, Wsw en de WWB worden samengevoegd, wat tot een efficiëntere besteding van het geld leidt».103 Het CPB laat desgevraagd weten geen nadere studie te hebben gedaan naar de onderbouwing van de door de VNG gepresenteerde uitkomsten. In algemene zin ziet het CPB dat gemeenten voor een opgave staan om het feitelijk kostenniveau per Wsw-er af te stemmen op de lagere rijksbijdrage. Deze opgave zal, al naar gelang de lokale situatie, per gemeente kunnen variëren. Met zijn brieven van 27 mei 201180 en 22 maart 201286 heeft de staatssecretaris van SZW uiteengezet dat er ruimte is voor een kostenefficiëntere uitvoering van de Wsw.

De leden van de VVD-fractie vragen waarop het Rijk de bekostiging per arbeidsplaats aan gemeenten voor de nieuwe instroom Wsw vanaf 1 januari 2013 op het beloningsniveau van 100 procent van het WML heeft gestoeld.

Onder verwijzing naar de financiële bijlage bij het regeerakkoord, waarin staat dat «het subsidiebedrag per Wsw-plek zal worden afgestemd op eerder doorgevoerde wijzigingen in de wsw-cao», vragen de leden van de PvdA-fractie of het kabinet kan aangeven hoe de teruglopende subsidie naar 22 050 euro per plek opgevangen wordt door wijzigingen in de Wsw-cao.

De bekostiging per Wsw-plek is gebaseerd op het regeerakkoord. Dat bepaalt dat het subsidiebedrag per Wsw-plek zal worden afgestemd op eerder doorgevoerde wijzigingen in de Wsw-cao. De Wsw-cao biedt de mogelijkheid om nieuwe instroom 5 jaar lang te belonen op het niveau van het WML.

De Wsw-cao is geen verantwoordelijkheid van het Rijk. Met de genoemde brieven van 27 mei 2011 en 22 maart 2012 heeft de staatssecretaris van SZW uiteengezet dat er ruimte is voor een kostenefficiëntere uitvoering van de Wsw. De VNG heeft aangegeven dat dit bedrag van 22 050 toereikend is voor de nieuwe instroom beschutte arbeid.105

De leden van de PvdA- en de SP-fractie geven aan dat binnen de huidige Wsw mensen met een ernstige beperking met een factor 1,25 worden gefinancierd. Zij stellen dat de nieuwe Wsw alleen toegankelijk is voor mensen met ernstige beperkingen en vragen de regering of gemeenten dan ook een vergoeding krijgen van 22 050 euro per plek, vermenigvuldigd met factor 1,25. Ook de leden van de SGP-fractie vragen of de verhoogde bekostiging voor werknemers in de sociale werkvoorziening met een ernstige beperking blijft bestaan.

De regering houdt in het kader van de verdeling van de middelen in het participatiebudget voor de afbouw van het zittend bestand in de Wsw rekening met de arbeidshandicapcategorie van de Wsw-werknemer. Voor de berekening van het aandeel in de middelen voor het zittend bestand worden mensen met een arbeidshandicapcategorie «ernstig» meegeteld voor 1,25. Met de inwerkingtreding van de WWNV vervalt het onderscheid in arbeidshandicapcategorie voor de nieuwe instroom. Overigens krijgen gemeenten een gebundeld re-integratiebudget ter beschikking en bepalen zij zelf hoeveel middelen zij vanuit het Participatiebudget inzetten voor het realiseren van een Wsw-dienstbetrekking.

De leden van de D66-fractie vragen hoeveel financiële ruimte gemeenten zouden krijgen door de mogelijkheid tot herkeuring van het zittend bestand Wsw.

In het regeerakkoord staat dat de huidige wettelijke rechten en plichten van het zittend bestand worden gerespecteerd. De regering vindt het daarom niet zinvol in te schatten wat de eventuele financiële consequenties voor gemeenten zouden zijn als zij de mogelijkheid tot herkeuring van het zittend bestand Wsw zouden krijgen.

De leden van de fractie van D66 vragen de regering of het klopt dat gemeenten meer kwijt zijn aan één beschutte werkplaats dan aan één uitkering via de WWNV. Ook vragen deze leden of het klopt dat gemeenten een financiële prikkel hebben om mensen met een Wsw-indicatie in een WWNV-uitkering te krijgen in plaats van een beschutte werkplaats. Zij vragen of de regering dit wenselijk vindt.

Een beschutte werkplaats kost meer dan een uitkering via de WWNV. De kosten van een Wsw-plek worden betaald uit het gebundelde re-integratiebudget. Gemeenten hebben een financiële prikkel om iemand uit de uitkering te houden. Dit levert de gemeenten immers een besparing op het inkomensdeel van de WWNV op, die vrij besteedbaar is. De regering hecht er aan dat de Wsw in de toekomst toegankelijk blijft voor mensen die alleen in een beschutte omgeving kunnen werken. De regering schrijft voor dat gemeenten het beleid voor de inzet van Wsw-dienstbetrekkingen vastleggen in een gemeentelijke verordening. Onderdeel van deze verordeningsplicht is dat gemeenten vastleggen dat minimaal één op de drie plekken die jaarlijks vrijkomen doordat mensen de Wsw verlaten, bestemd moet worden voor nieuwe plekken voor mensen die afhankelijk zijn van beschut werk.

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering de komende jaren loon- en prijsindexatie toekent. Deze leden vragen op welke wijze het besluit hierover zich verhoudt tot de voorgenomen bezuinigingen op grond van het regeerakkoord.

De regering besluit ieder jaar in de Voorjaarsnota over de toekenning van de loon- en prijsindexatie. Dit zal de komende jaren niet anders zijn.

8.5 Gerichte re-integratie en begeleiding ontschotte WWB, Wsw en Wajong

De leden van de SP-fractie vragen de regering toe te lichten wat de totale ombuigingen (per jaar en structureel) zijn op het re-integratiebudget sinds 2008.

Ten opzichte van de begroting 2008 hebben de afgelopen jaren de volgende ombuigingen plaatsgevonden op het zogenoemde flexibel re-integratiebudget:

Tabel 8.4a Ombuigingen op het flexibel re-integratiebudget sinds 2008

Bedragen in miljoenen euro

2012

2013

2014

2015

2016

Ombuiging begroting 2009

Ombuiging begroting 2010

– 71

– 59

– 110

– 110

– 110

Ombuiging begroting 2011

– 143

– 143

– 143

– 143

– 143

Het regeerakkoord bevat een taakstellende korting op het (gebundelde) re-integratiebudget van WWB, Wsw en Wajong. De korting loopt op van bruto 400 miljoen euro in 2012 tot 690 miljoen euro in 2015. De grondslag voor de korting is door de samenvoeging van budgetten vanaf 2013 breder. Daarbij is er rekening mee gehouden dat in het gebundelde re-integratiebudget geld beschikbaar blijft voor begeleiding en ondersteuning van mensen die – anders dan nu – niet meer in aanmerking komen voor de Wsw of de Wajong, als gevolg van de aangescherpte toegangscriteria.

Tabel 8.4b Ombuigingen op het flexibel re-integratiebudget sinds 2008

Bedragen in miljoenen euro

2012

2013

2014

2015

2016

Ombuiging begroting 2012 (regeerakkoord, MvT tabel 8.8)

– 400

– 490

– 620

– 690

– 684

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nader uiteen kan zetten wat de opbouw van bedragen is in het gebundeld re-integratiebudget.

Onderstaande tabel zet de opbouw van het gebundelde re-integratiebudget uiteen. De samengevoegde budgetten re-integratie WWB, Wsw en de overgehevelde middelen van re-integratie Wajong en de no-riskpolis (1 t/m 4) staan afzonderlijk weergegeven. Daarna volgen de korting als gevolg van de maatregel voor het beperken van de instroom in de Wsw en de korting op het gebundelde budget (6 en 7). Het saldo is het beschikbare gebundelde re-integratiebudget voor gemeenten. De reeks op regel 8 van deze tabel sluit aan bij de cijfers uit tabel 8.8 van de memorie van toelichting.

Tabel 8.5 Opbouw re-integratie- en participatiebudget

Bedragen in miljoenen euro

2012

2013

2014

2015

2016

structureel

1

Re-integratiebudget WWB1

1 122

1 134

1 083

1 083

1 083

1 083

2

Macrobudget Wsw1

2 339

2 339

2 339

2 339

2 339

2 339

3

Overheveling reintegratie Wajong

14

43

58

72

116

4

Overheveling no-riskpolis

2

5

7

9

41

5

Gebundeld budget zonder korting

 

3 489

3 470

3 487

3 503

3 579

6

Beperking instroom Wsw (tabel 8.5)

 

– 47

– 150

– 203

– 235

– 1 193

7

Korting gebundeld budget (tabel 8.8)

– 400

– 490

– 620

– 690

– 684

– 500

8

Gebundeld re-integratiebudget

 

2 952

2 700

2 594

2 584

1 886

De leden van de PvdA-fractie en de leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering kan toelichten op basis van welke aannames de bedragen van de bezuinigingen vanaf 2012 op het ontschotte re-integratiebudget zijn berekend. De leden van de PvdA-fractie en de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten in hoeverre bij de aannames van de bezuinigingen op het re-integratiebudget rekening is gehouden met het feit dat meer mensen dan voorheen onder de doelgroep van de re-integratie zullen vallen.

De regering vindt dat re-integratiemiddelen efficiënter en effectiever ingezet kunnen worden. Daarom geldt voor het gebundelde re-integratiebudget een taakstellende korting. Die loopt op van bruto 400 miljoen euro in 2012 tot 690 miljoen euro in 2015 en bedraagt structureel 500 miljoen euro. Het structurele bedrag is lager, omdat de regering rekening houdt met het geleidelijk verminderen van het aantal Wsw-arbeidsplaatsen van circa 90 000 plaatsen nu naar 30 000 plaatsen structureel.

De regering heeft rekening gehouden met het feit dat meer mensen dan voorheen onder de doelgroep van de re-integratie zullen vallen. Daarom bundelt zij de bestaande budgetten voor Wsw en re-integratie met ingang van 2013. Het gebundelde budget bevat daarmee middelen voor werkplekaanpassingen en begeleiding van personen die vanaf 2013 niet meer in de Wsw kunnen instromen. Daarnaast hevelt de regering uit het re-integratiebudget Wajong van UWV vanaf 2013 geleidelijk budget over naar gemeenten; dit loopt op tot structureel 116 miljoen euro. Hiermee kunnen gemeenten de ondersteuning, begeleiding en voorzieningen, zoals werkplekaanpassingen, betalen van de nieuwe instroom van mensen met een arbeidsbeperking.

De leden van de CDA-fractie merken op dat in het regeerakkoord werd uitgegaan (op basis van inschattingen van het CPB) van een stijging van de bijstandsuitgaven met structureel 200 miljoen euro als gevolg van een korting op de gemeentelijke re-integratiemiddelen van 400 miljoen euro per 2012. De leden vragen waarom de regering er in de huidige begroting voor 2012 van uit gaat dat de bijstandsuitgaven met 100 miljoen euro zullen toenemen, terwijl er nog steeds evenveel gekort wordt op de re-integratiemiddelen. Ze verzoeken de regering aan te geven waarop de meer optimistische inschatting is gebaseerd.

Het CPB is bij zijn doorrekening van het financieel kader uitgegaan van een structureel uitverdieneffect van 50 procent voor re-integratie. Bij de korting op de gemeentelijke re-integratiemiddelen van 400 miljoen euro in 2012 is in het financieel kader daarom rekening gehouden met 200 miljoen euro hogere uitkeringslasten WWNV.

Het CPB heeft die raming in het Centraal Economisch Plan 2012 verfijnd.106 Het CPB stelt het uitverdieneffect van de korting in 2012 op 25 procent en vanaf 2013 op 50 procent. De belangrijkste reden is dat de uitgaven aan re-integratie vertraagd doorwerken in de daaruit voortvloeiende eventuele besparingen op de uitkeringslasten. Het uitverdieneffect van de korting op re-integratie treedt daardoor ook iets later op.

De korting met 400 miljoen euro op het re-integratiebudget leidt aldus in 2012 tot een toename van de geraamde uitkeringslasten WWNV van 100 miljoen euro. Zo is het ook verwerkt in de begroting van SZW voor 2012.

De regering geeft aan het aantal WWB-uitkeringen kan toenemen als gevolg van het weglekeffect, dat op basis van de CPB-doorrekening uit 2010 van het regeerakkoord wordt geraamd op 100 miljoen in 2012 en 200 miljoen structureel vanaf 2013. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in hoeverre de regering van mening is dat de raming van het weglekeffect nog steeds accuraat is gezien de huidige recessie.

De regering hanteert net als het CPB ook in tijden van laagconjunctuur voor het weglekeffect een percentage van 50 procent.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten op welke manier in de toekomst rekening wordt gehouden met de omvang van het participatiebudget ten aanzien van werknemersvoorzieningen (werkplekaanpassing, jobcoaching, brailleleesregel, en dergelijke) voor de groep die straks geen Wsw-indicatie meer krijgt.

De middelen voor begeleiding voor de groep mensen die straks geen Wsw-indicatie meer krijgt, worden vanaf 2013 overgeheveld van het huidige macrobudget Wsw naar het gebundeld re-integratiebudget. Daarnaast zullen vanaf 2013 jonggehandicapten met arbeidsvermogen in de WWNV instromen. Daarom hevelt de regering uit het re-integratiebudget Wajong van UWV geleidelijk geld over naar het gebundelde re-integratiebudget van gemeenten. Dat bedrag loopt op tot structureel 116 miljoen euro. Hiermee kunnen gemeenten de ondersteuning, begeleiding en voorzieningen, zoals werkplekaanpassingen en jobcoaches, betalen van mensen met een arbeidsbeperking.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de no-risk polis door gemeenten wordt gefinancierd en of hier ook financiële middelen vanuit fondsen voor in aanmerking komen.

Gemeenten financieren de no-risk polis uit het gebundelde re-integratiebudget. Het gebundeld re-integratiebudget wordt gefinancierd uit de algemene middelen van het Rijk en niet uit de fondsen.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven wat de kosten zijn die samenhangen met het gebruik van de no-risk polis.

Gemeenten zijn vrij in hoe ze het geld uit het gebundelde re-integratiebudget inzetten. Daarom zal het feitelijke gebruik van de no-risk polis per gemeente verschillen. De regering voegt in verband met de no-risk polis een bedrag toe aan het gebundeld re-integratiebudget dat oploopt van 2 miljoen euro in 2013 tot 41 miljoen euro (tabel 8.7) structureel vanaf 2045.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de financiële gevolgen voor gemeenten indien de verwachtingen voor de werkgelegenheid waarop de WWNV is gebaseerd niet worden gerealiseerd. Daarnaast vragen de leden van de fractie van de PvdA of gemeenten voortaan worden gecompenseerd voor foute prognoses van het CPB met betrekking tot de ontwikkeling van het aantal bijstandsgerechtigden en voor onjuist ingeschatte beleidseffecten.

De financieringssystematiek, waarbij de stimulans voor gemeenten om de WWNV zo effectief mogelijk uit te voeren is gelegen in het inkomensdeel, is gebaseerd op een budgettering van middelen. Er is geen nacalculatie op basis van de feitelijke bijstandsuitgaven.

De regering maakt een zo zorgvuldig mogelijke raming op basis waarvan het macrobudget wordt vastgesteld. Daarin worden de meest actuele inzichten in de conjunctuur en effecten van rijksbeleid meegenomen. Dit gebeurt niet alleen bij de voorlopige vaststelling, maar ook nog bij de definitieve vaststelling van het macrobudget in het uitvoeringsjaar zelf. Daarnaast worden in de raming de realisaties van de voorgaande jaren meegenomen. De regering is van mening dat het macrobudget daarmee met de grootst mogelijke zorgvuldigheid wordt vastgesteld.

8.6 Herstructureringsfaciliteit Wsw

De leden van de PvdA-fractie geven aan dat regel 3 van tabel 8.9 van de memorie van toelichting een «aanvullende bijdrage vanuit het ministerie van SZW» bevat en vragen of de staatssecretaris kan aangeven uit welk budget deze aanvullende bijdrage van 80 miljoen komt.

In hoofdstuk 8 «Financiële effecten» van de memorie van toelichting van de WWNV staat op regel 3 de zogenoemde «aanvullende bijdrage SZW aan de herstructureringsfaciliteit» weergegeven. Deze aanvullende bijdrage van 80 miljoen euro vanuit het ministerie van SZW komt uit een verzamelpost die is opgebouwd uit diverse bijstellingen binnen de SZW-begroting.

8.7 Uitvoeringskosten WWNV

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan aangeven welke bedragen er voor de jaren 2013 tot en met 2015 geraamd zijn voor de uitvoeringskosten van alleen de WWNV. Zij merken op dat door de aanscherping van de Wajong en de Wsw er gedurende een lange periode extra uitkeringsgerechtigden in de WWNV stromen, naar schatting van de regering oplopend tot 160 000 mensen structureel vanuit de Wajong en 53 000 mensen vanuit de Wsw. De leden van de PvdA vragen of de regering kan aangeven op welke rijksbijdrage aan uitvoeringskosten de gemeenten in deze structurele situatie kunnen rekenen. Zij vragen of het in tabel 8.10 genoemde bedrag van 27 miljoen euro structureel dat vervolgens meeloopt in de accressystematiek van het gemeentefonds hiervoor niet veel te laag is.

De leden van de fractie van de PvdA vragen tevens of het kabinet kan aangegeven wat bedoeld wordt met een totaalakkoord. Dit in het licht van het feit dat gemeenten niet hebben getekend voor het onderdeel Werken naar Vermogen binnen het bestuursakkoord.

Voor de uitvoeringskosten hevelt de regering onderstaande bedragen over naar het gemeentefonds. Structureel – na 2015 – loopt 27 miljoen euro mee in de zogenoemde accressystematiek van het gemeentefonds.

Tabel 8.6 Toevoeging uitvoeringskosten aan gemeentefonds

Bedragen in miljoenen euro

 

2012

2013

2014

2015

structureel

Toevoeging aan gemeentefonds in verband met uitvoeringskosten

4

18

27

27

Dit bedrag was onderdeel van «het totaalakkoord» tussen kabinet en VNG. Hoewel kabinet en VNG zich vrijer opstellen ten aanzien van het onderdeel «werken naar vermogen» in het onderhandelaarsakkoord107, houdt de regering voor de uitvoeringskosten in het wetsvoorstel vast aan de betreffende passage over uitvoeringskosten. In deze benadering zijn de gevolgen voor de uitvoeringskosten van een aantal maatregelen in samenhang bezien. Dit zijn de uitvoeringskosten in verband met de uitvoering, implementatie en transitie van de WWNV inclusief de uitvoering van loondispensatie (beide vanaf 2013), de Wet WWB-maatregelen, de afschaffing van de WWIK en de Wet afbouw dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon (AHK) en het wetsvoorstel redesign UWV Werkbedrijf (de laatste vier maatregelen vanaf 2012).

Deze benadering leidt per saldo tot een toevoeging aan het gemeentefonds oplopend tot 27 miljoen euro vanaf 2015. Het gemeentefonds wordt derhalve niet gekort voor de eerder genoemde maatregelen uit het regeerakkoord op het terrein van het ministerie van SZW. Het bedrag dat het kabinet hierdoor niet uit het gemeentefonds haalt loopt op van 11 miljoen euro in 2013 tot 13 miljoen euro in 2015 en 30 miljoen euro structureel.

Dit biedt bij elkaar naar de mening van de regering gemeenten voldoende financiële armslag voor de in- en uitvoering van de genoemde wetsvoorstellen.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering een inschatting kan geven van de uitvoeringskosten van het toepassen van het instrument loondispensatie, vanaf de toegangstoets per cliënt en in hoeverre daarmee rekening is gehouden in het budget voor de uitvoeringskosten voor gemeenten.

De leden van de PvdA-fractie geven aan dat het proces van loondispensatie uit een flink aantal verplichte stappen bestaat en vragen of de regering een inschatting kan geven van de uitvoeringskosten van het totale proces van loondispensatie, vanaf de toegangstoets, per cliënt. Tevens vragen deze leden in hoeverre daar in het budget voor uitvoeringskosten voor gemeenten rekening mee is gehouden. De leden van de PvdA-fractie vragen verder op welke wijze gemeenten worden gecompenseerd voor uitvoeringskosten van werknemersvoorzieningen, waaronder de kosten van een eventueel deskundigenadvies.

De leden van de D66-fractie vragen wat de jaarlijkse kosten zijn die het laten uitvoeren van de toegangstoetsen naar verwachting met zich meebrengt voor gemeenten. Deze leden vragen tevens wat naar verwachting de gemiddelde kosten per uitvoeringstoets zijn.

Het bedrag dat is toegevoegd aan het gemeentefonds voor uitvoeringskosten, na 2015 structureel 27 miljoen euro, vloeit voort uit een benadering waarin de doorwerking van de uitvoeringskosten WWNV naar het gemeentefonds is bezien in samenhang met andere maatregelen uit het regeerakkoord op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De uitvoeringskosten van het instrument loondispensatie zijn hier onderdeel van. Er wordt geen nader onderscheid gemaakt tussen gemeentelijke taken.

De regering merkt hierbij op dat gemeenten veel beleidsvrijheid hebben bij de uitvoering van de gehele WWNV en een eigen invulling kunnen geven aan die uitvoering, uiteraard binnen de wettelijke kaders. Bij deze beleidsvrijheid past financiering van de uitvoeringskosten via de algemene uitkering van het gemeentefonds.

De leden van de CDA-fractie vragen of alle uitvoeringskosten die UWV voor de uitvoering van de Wajong ontvangt per 2013 overgeheveld worden naar het gemeentefonds. Zo niet, waarom niet?

Nee. UWV blijft ook na 2013 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wajong. UWV behoudt hiervoor een toereikend bedrag aan uitvoeringskosten.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Dit hoofdstuk beantwoordt de vragen over de artikelsgewijze toelichting bij de memorie van toelichting. Een aantal leden heeft bij de artikelsgewijze toelichting vragen gesteld over de verordeningsplicht. Deze vragen zijn beantwoord in hoofdstuk 2. De vragen over de lagere regelgeving voor de toegangstoets en loonwaardebepaling bij loondispensatie, algemene vragen over de aanvullende uitkering bij loondispensatie en vragen over werknemersverzekeringen bij loondispensatie, zijn in hoofdstuk 3 beantwoord. De vragen over de verdeling van het participatiebudget zijn beantwoord in hoofdstuk 4.

Loondispensatie in de WWNV

De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering aangeeft dat mensen met alleen een medische urenbeperking zijn uitgesloten van loondispensatie omdat er geen dispensatie van de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag hoeft te worden verleend. De leden van de VVD-fractie vragen zich af of het juist is dat de WWNV dus kijkt naar het minimumuurloon en of dit het minimumuurloon op basis van een 36-urige of een 40-urige werkweek betreft. Ook vragen deze leden of er ook rekening gehouden wordt met het minimumuurloon van jongeren onder de 23 jaar. Als dit zo is, willen de leden van deze fractie weten wat er gebeurt met een jongere van 18 jaar die een loonwaarde heeft van 20 procent van het WML. Verder willen zij weten of deze loonwaarde op zijn 19e jaar automatisch lager wordt dan de 20 procent omdat het WML stijgt. De leden van de PvdA-fractie vragen welk wettelijk minimumloon wordt bedoeld in de artikelen 6, lid 1 onderdeel e WWNV en artikel 10c, lid 5. Ook vragen deze leden of het voor personen onder 23 jaar om het jeugd-WML gaat dan wel het wettelijk minimumloon voor personen van 23 jaar en ouder.

Voor de toepassing van het instrument loondispensatie wordt gekeken naar de productiviteit die iemand heeft. Daarbij wordt gekeken naar het toepasselijke minimumloon per maand bij voltijdse arbeid. Ook het toepasselijke minimumjeugdloon is van toepassing. In een algemene maatregel van bestuur zal worden aangegeven dat de gemeente hier in principe van een 36-urige werkweek dient uit te gaan. De loonwaarde wordt daarbij uitgedrukt in een percentage van het toepasbare loon. Stijging van de leeftijd brengt in de loonwaarde dus geen verandering.

Artikel 10e WWNV maakt melding van een algemene maatregel van bestuur in artikel 10d WWNV, zo stellen de leden van de PvdA-fractie en ChristenUnie-fractie vast. Zij vragen de regering om een toelichting waar in artikel 10d sprake is van een algemene maatregel van bestuur en wat deze behelst. Deze leden willen weten wanneer de voorgenomen maatregelen bij algemene maatregel van bestuur nader worden uitgewerkt en of de Kamer hierover wordt geïnformeerd.

Artikel 10e WWNV bepaalt dat met of krachtens een algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld om artikel 10d WWNV uit te voeren. De regering acht het bij nader inzien niet nodig deze nadere regels te stellen. Daarom wordt artikel 10e WWNV bij nota van wijziging  aangepast, zodat er geen verplichting meer is tot het stellen van nadere regels ter uitvoering van artikel 10d, maar een bevoegdheid.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of onder niet-uitkeringsgerechtigde in de definitie van de doelgroep loondispensatie wordt verstaan de niet-uitkeringsgerechtigde volgens artikel 19 WWNV of de niet-uitkeringsgerechtigde volgens artikel 19 WWNV én volgens artikel 10d WWNV. Indien het laatste het geval is, dan concluderen deze leden dat een niet-uitkeringsgerechtigde recht op loondispensatie heeft, maar geen recht op een aanvullende uitkering.

De definitie van een niet-uitkeringsgerechtigde staat in artikel 6, eerste lid, onderdeel a van de WWNV. De regering stelt het instrument loondispensatie – zoals de leden van de PvdA fractie terecht concluderen- ook beschikbaar voor de groep niet-uitkeringsgerechtigden. Zij hebben geen aanvullende uitkering nodig, omdat zij zelf over voldoende middelen van bestaan beschikken. Niet- uitkeringsgerechtigden gaan er wel in inkomen op vooruit: zij hebben immers het loon uit arbeid en de fiscale arbeidskorting. Deze groep wordt dus ook geprikkeld om aan het werk te gaan.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het feit dat een niet uitkeringsgerechtigde recht heeft op loondispensatie maar niet op loonaanvulling, zich verhoudt tot de in artikel 10d WWNV neergelegde imperatieve bevoegdheid tot verstrekking van een aanvullende uitkering. De leden stellen dat zolang loondispensatie aan de orde is, de gemeente algemene bijstand verstrekt in de vorm van een aanvullende uitkering. De hoogte, zo stellen zij, wordt berekend aan de hand van de in artikel 10d WWNV neergelegde formule.

De loonaanvulling is een vorm van algemene bijstand en dus zijn op de loonaanvulling dezelfde voorwaarden van toepassing als op de «gewone» algemene bijstand (met uitzondering van de artikelen die in artikel 10d WWNV worden uitgezonderd). Een niet-uitkeringsgerechtigde heeft dus geen recht op loonaanvulling.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het de bedoeling is dat iemand voor loondispensatie in aanmerking kan komen wanneer deze per werkdag 15 euro kan verdienen en één werkdag in de maand werkt. Indien dit het geval is, willen deze leden weten of de redactie van artikel 10c, lid 5, onderdeel a WWNV wel aansluit op deze situatie.

De regering herkent de berekening in het voorbeeld van de leden van de PvdA-fractie niet. De doelgroep van loondispensatie bestaat uit mensen die met voltijdse arbeid niet in staat zijn het minimumloon te verdienen. Ook wordt in de nota van wijziging geregeld dat mensen in staat moeten zijn tot regelmatige arbeid. De nadere uitwerking van wat onder «in staat zijn tot regelmatige arbeid» wordt verstaan zal bij algemene maatregel van bestuur plaatsvinden. Voorwaarde zal in ieder geval zijn dat zij een loonwaarde van 20 procent van het minimumloon hebben.

Wet sociale werkvoorziening

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom er in een algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld voor de bepaling van de doelgroep Wsw. Tevens vragen zij zich af hoe de Kamer hierover wordt geïnformeerd.

In het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken is nu al een nadere concretisering van de criteria voor de indicatiestelling voor de Wsw uitgewerkt. Dit Besluit zal bij algemene maatregel van bestuur worden aangepast. De aanpassing van dit Besluit kent een voorhangprocedure. Nadat de Kamer met de Invoeringswet Wet werken naar vermogen heeft ingestemd, zal het Besluit in beide Kamers worden voorgehangen.

De leden van de fractie van D66 constateren dat de gemeente UWV kan verzoeken om een herindicatie Wsw. De leden vragen om een verduidelijking. Zij vragen of dit artikel zo kan worden uitgelegd dat gemeenten de mogelijkheid hebben om iemand met een Wsw-dienstbetrekking te laten herindiceren op basis van de nieuwe criteria. Tevens vragen deze leden of de nieuwe criteria ook gelden voor mensen die onder de oude criteria zijn ingestroomd. Tot slot vragen deze leden welke consequenties de gemeente eraan kan verbinden als iemand bij de herindicatie niet voldoet aan de nieuwe criteria.

Mensen met een indicatie die is afgegeven vóór 15 mei 2011 worden bij herindicatie geïndiceerd op basis van de oude criteria. Mensen met een indicatie van na 15 mei 2011 (maar vóór inwerkingtreding van de WWNV) worden op datum van herindicatie geïndiceerd op basis van de oude criteria indien zij in de sociale werkvoorziening aan het werk zijn. Staan zij echter nog op de wachtlijst, dan worden zij geïndiceerd op basis van de nieuwe criteria. Mensen met een indicatie na 15 mei 2011 die op de datum van herindicatie nog op de wachtlijst staan, krijgen geen nieuwe indicatie als zij niet voldoen aan de nieuwe criteria voor de Wsw. Dat is het geval wanneer zij onder de ondergrens vallen (Wajong) of boven de bovengrens uitkomen en eventueel met begeleiding regulier kunnen werken. UWV informeert de mensen die na 15 mei 2011 hierover een indicatieverzoek indienen.

De leden van de PvdA-fractie willen een toelichting waarom in artikel 12 Wsw per algemene maatregel van bestuur wordt bepaald aan welke categorieën mensen de gemeente een dienstbetrekking voor het verrichten van arbeid onder aangepaste en beschutte omstandigheden kan aanbieden. Deze leden vragen wanneer deze delegatiebepaling nader is ingevuld en hoe de Kamer hierover wordt geïnformeerd.

Het huidige artikel 12, zesde lid, van de Wsw bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld in welke gevallen geïndiceerden beschikbaar zijn voor een dienstbetrekking. De Afdeling advisering Raad van State heeft echter geadviseerd om de delegatiebepaling in artikel 12, vierde lid van de Wsw te preciseren en toe te lichten. Naar aanleiding hiervan heeft de regering besloten de delegatiebepaling te schrappen en de regels voor beschikbaarheid van geïndiceerden in de wet zelf op te nemen. De omstandigheden waaronder een geïndiceerde niet beschikbaar is om een dienstbetrekking te aanvaarden staan in artikel 12, vierde lid van de Wsw. In het vierde lid, onderdeel b komt te staan dat een persoon wiens vrijheid hem rechtens is ontnomen niet beschikbaar is. Het vijfde lid regelt dat dat onderdeel niet geldt voor bepaalde bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën mensen die hun straf buiten een justitiële inrichting uitzitten. Dit is een gebruikelijke bepaling in socialezekerheidswetten.108 De algemene maatregel van bestuur die deze categorieën uitzondert is het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid. Dit besluit zal worden aangepast. Na instemming door de Kamer met het wetsvoorstel zal het besluit in beide Kamers worden voorgehangen.

Wajong

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom in artikel 1a:5 Wajong per algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen wordt verstaan. Daarnaast vragen zij hoe de regering de rol van de Kamer ziet bij de definitiebepaling van «inkomen».

De regering ziet geen aanleiding om de definitiebepaling van «inkomen» voor hoofdstuk 1 van de Wajong op een andere manier in te vullen. Net als bij andere wetten wordt het begrip «inkomen» in lagere regelgeving gedefinieerd.

De leden van de fractie van de PvdA vragen de regering bij de algemene maatregel van bestuur, genoemd in artikel 1a:5 Wajong toe te lichten onder welke voorwaarden het gedeeltelijk, niet, of niet langer genoten inkomen in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.

De betreffende bepaling in artikel 1a:5 Wajong staat in alle socialeverzekeringswetten waarin de delegatiegrondslag is opgenomen van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. De vraag van deze leden betreft de situatie dat iemand naast de Wajong-uitkering ook recht heeft op een andere uitkering. Als die andere uitkering niet of niet geheel wordt uitbetaald in verband met bijvoorbeeld een opgelegde maatregel vanwege het niet nakomen van een verplichting, dan wordt voor de inkomensverrekening in de Wet Wajong die andere uitkering meegeteld alsof hij wel geheel wordt uitbetaald.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten waarom in artikel 1a:7 Wajong per kan worden bepaald dat de uitsluitingsgrond genoemd onder (e) niet geldt ten aanzien van vreemdelingen die rechtmatig verblijf in Nederland hebben volgens artikel 8, onderdeel g of h van de Vreemdelingenwet 2000. Zij vragen hoe de regering de rol van de Kamer ziet bij het al dan niet geldend verklaren van uitsluitingsgronden. Daarnaast willen de leden van de PvdA-fractie een toelichting waarom bij de algemene maatregel van bestuur, genoemd in artikel 1a:7 Wajong, gebruik wordt gemaakt van een kan-bepaling. Ook willen zij weten op welke manier de voorgestelde delegatiebepaling uit artikel 1a:7 van de Wajong zal worden ingevuld.

Met de bepaling uit artikel 1a:7 Wajong is geen verandering beoogd ten opzichte van huidig beleid. Ook in de oude en de nieuwe Wajong (hoofdstuk 3 en 2) wordt deze delegatiegrond genoemd.

De betreffende algemene maatregel van bestuur is overigens niet getroffen en zal naar verwachting vooralsnog ook niet getroffen worden.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering enkele voorbeelden te geven van (categorieën) van mensen, die buiten de uitsluitingsgronden van artikel 1a:7 van de Wajong zullen vallen.

Als niet sprake is van uitsluitingsgronden uit artikel 1a:7 Wajong heeft iemand in beginsel recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wajong, mits hij voldoet aan de overige voorwaarden. Als voorbeeld van een uitsluiting kan het volgende genoemd worden. Een Wajonger die in detentie raakt, wordt vanaf dat moment uitgesloten van zijn Wajong-uitkering. Als hij weer vrij komt, herleeft zijn uitkering weer. Hetzelfde geldt als een Wajonger naar het buitenland gaat. Als hij weer terugverhuist naar Nederland, herleeft zijn uitkering weer.

De leden van de fractie van de PvdA vragen de regering om een toelichting waarom er in artikel 1a:12 Wajong per ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de gegevens die door de jonggehandicapte bij de aanvraag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan UWV worden verstrekt. Daarnaast willen zij weten hoe de regering de rol van de Kamer ziet bij het stellen van deze regels.

Met de bepaling uit artikel 1a:12 Wajong is geen verandering beoogd ten opzichte van huidig beleid. Ook in de huidige Wajong wordt deze delegatiegrond genoemd.

Er is overigens nog geen ministeriële regeling die nadere regels stelt met betrekking tot gegevens die de jonggehandicapte bij aanvraag aan het UWV dient te verstrekken. De regering is vooralsnog ook niet voornemens een dergelijke regeling op te stellen.

De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vast dat de algemene maatregel van bestuur over het nieuwe schattingsbesluit nog niet is gepubliceerd en dat het niet helder is hoe UWV de beoordeling gaat doen. Deze leden vragen wanneer hier meer duidelijkheid over komt en wanneer de algemene maatregel van bestuur beschikbaar komt.

Het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten wordt aangepast omdat de indicatie voor de Wajong wijzigt. Daarnaast wordt in dit Schattingsbesluit nader geregeld hoe bij de herindeling moet worden beoordeeld of er al dan niet arbeidsvermogen is. Voor het Schattingsbesluit geldt een voorhangprocedure. Het gewijzigde Schattingsbesluit zal naar verwachting snel na de stemming in de Tweede Kamer over dit wetsvoorstel worden voorgelegd aan de Eerste en Tweede Kamer.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom er in artikel 3:8a Wajong per algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van een jonggehandicapte. Deze leden vragen hoe de regering de rol van de Kamer ziet bij het stellen van deze regels. Ook vragen zij of de regering voorbeelden kan noemen van regels met betrekking tot de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van een jonggehandicapte.

Het voorgestelde artikel 3:8a Wajong regelt dat jonggehandicapten die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben een uitkering van 75 procent van het wettelijk minimumloon ontvangen. Jonggehandicapten die arbeidsmogelijkheden hebben, krijgen een uitkering van 70 procent. Om te bepalen wie al dan niet kan werken, vindt een zogenoemde «herindeling» plaats. De regels die per algemene maatregel van bestuur worden gesteld zijn regels om de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van de mensen met een Wajong-uitkering te kunnen beoordelen. Deze regels worden opgenomen in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

Voor het Schattingsbesluit geldt een voorhangprocedure. Naar verwachting zal het gewijzigde Schattingsbesluit snel na de stemming in de Tweede Kamer over dit wetsvoorstel worden voorgelegd aan de Eerste en Tweede Kamer.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten wat de afwijkende procedure, genoemd in artikel 8:10b Wajong kan inhouden. Wat kunnen eventuele gevolgen van een afwijkende procedure zijn voor betrokkenen, zo vragen deze leden.

De afwijkende procedure gaat over de beoordeling of de jonggehandicapte wel of geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft in het kader van de herindeling. De procedure wijkt in zoverre af dat er bij de herindeling in beginsel geen volledige beoordeling zal plaatsvinden, zoals het huidige Schattingsbesluit voorschrijft. Zo’n volledige beoordeling is ook niet nodig: betrokkenen zijn al bekend bij UWV en UWV kan veelal bestaande gegevens gebruiken. Het Schattingsbesluit zal worden aangepast op deze procedure. Er zullen regels worden opgenomen hoe in deze gevallen de beoordeling moet plaats vinden of er al dan niet arbeidsmogelijkheden zijn. Als de jonggehandicapte dit wil, kan echter altijd om een volledige beoordeling verzocht worden.

SUWI

De leden van de PvdA-fractie wensen een toelichting op artikel 30d Wet SUWI waarin wordt geregeld dat er per algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor het besluit over de indicatie van UWV en de advisering en de wijze waarop de indicatie tot stand komt. De leden vragen zich af hoe de regering de rol van de Kamer hierbij ziet en wanneer en op welke manier de voorgestelde delegatiebepaling zal worden ingevuld.

Artikel VIII, onderdeel E wijzigt artikel 30d, tweede lid van de Wet SUWI. Daarmee vervalt de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen over de minimale en maximale duur van de indicatiebeschikking zoals afgegeven door UWV. De aanpassing van de algemene maatregel van bestuur kent een voorhangprocedure. Na instemming door de Kamer met de Invoeringswet Wet werken naar vermogen zal het Besluit in beide Kamers worden voorgehangen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen de regering toe te lichten waarom er in artikel 32c Wet SUWI bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld voor de door het UWV te verstrekken subsidie aan een rechtspersoon die door scholing arbeidsinschakeling bevordert. Deze leden vragen ook hoe de regering de rol van de Kamer ziet bij het stellen van deze regels. Zij vragen aan te geven of de regering voornemens is de voorgestelde delegatiebepaling te benutten en op welke wijze.

De bepaling creëert geen nieuwe bevoegdheid, maar hevelt een bestaande bevoegdheid in de

Wajong over naar de Wet SUWI. De wijziging van artikel 32c van de Wet SUWI is een technische wijziging. Ze is nodig omdat in de Wajong vanaf 2013 alleen nog jonggehandicapten terechtkomen die niet kunnen werken. Daarmee vervalt de grondslag voor de subsidieregeling op basis van de Wajong. Het voorgenomen artikel 32c van de Wet SUWI zal de bestaande Subsidieregeling scholing jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen, die het UWV al geruime tijd uitvoert, voortzetten. De huidige toelatingscriteria voor instroom op de scholingstrajecten veranderen

daarom niet.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, P. de Krom


X Noot
1

Advies Commissie Arbeidsparticipatie, 16 juni 2008, «Naar een toekomst die werkt».

X Noot
2

Bijvoorbeeld: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) Werkbedrijf, mei 2011, «Vergrijzing en krapte op de arbeidsmarkt 2011»; SEO, 2010, «Bridging the gap: International Database on Employment and Adaptable Labour»; Verbond sectorwerkgevers overheid e.a., 2010, «De Grote Uittocht»; T. Knaap en L. Bovenberg, 2003, «Vergrijzing, aanvullende pensioenen en de Nederlandse economie».

X Noot
3

TNO (2012), Arbobalans 2011. Kwaliteit van de arbeid, effecten en maatregelen in Nederland.

X Noot
4

CBS, Statline.

X Noot
5

J. Theeuwes, 2011, «Jaarboek Overheidsfinanciën 2011», hoofdstuk 8.

X Noot
6

Zie CPB, 2011, «Varianten SAFFIER II».

X Noot
7

CPB, 2010, «Analyse economische effecten financieel kader», p17.

X Noot
8

SCP (2010), Minder werk voor laagopgeleiden? Ontwikkelingen in baanbezit en baankwaliteit 1982–2008.

X Noot
9

SCP (2010), Minder werk voor laagopgeleiden? Ontwikkelingen in baanbezit en baankwaliteit 1982–2008.

X Noot
10

A. van Poeijer, «Meerdere keren zonder werk», in: Sociaaleconomische trends, CBS, 1e kwartaal 2009, p. 23–28. Dit betreft personen die in de periode januari 2004 tot en met juni 2006 meerdere keren instroomden in een uitkering of zich als niet-werkende werkzoekende bij het toenmalig CWI lieten registreren zonder WW- of bijstandsuitkering.

X Noot
11

IWI, Perspectief op duurzame uitstroom uit de WWB, 2009.

X Noot
12

UWV Kennisverslag 2012-I.

X Noot
13

Kamerstukken II, 2011–2012, 33 000 XV, nr. 66.

X Noot
14

Zie R. Dekker, H. Houwing en L. Kösters, «Doorstroom van flexwerkers, Economisch Statistische Berichten, 4628, 3 februari 2012, pp. 70–73.

X Noot
15

Kennisverslag UWV 2012-I.

X Noot
16

De cijfers uit de Monitor Wajong[1] lieten al een toename zien van het aantal werkende Wajongers. Ook het recent gepubliceerde UWV Kennisverslag laat een stijging zien: tussen juni 2010 en juni 2011 zijn veel meer Wajongers aan het werk gegaan dan een jaar eerder (bijna 52 500 tegenover 48 700 een jaar eerder). Deze groei is volledig toe te schrijven aan het aantal Wajongers dat een baan heeft gevonden bij een reguliere werkgever.

X Noot
17

«Van Bijstand naar Wajong», CPB Policy Brief 2011/09, 7 oktober 2011.

X Noot
18

SZW/Meccano Werkt de WWB?, december 2007;

M. Fenger c.s. 2011; De responsiviteit en legitimiteit van sociaal beleid, Erasmus universiteit NSOB Riant aan de kant: Een analyse van de invloed van uitkeringsvoorwaarden op werkloosheidsduur»;

Rapport Statistiek en Onderzoek GAK, juli 1991.

X Noot
19

Onder andere: SEO, Gemeentelijk re-integratiebeleid vergeleken, 2011 en IWI, Participatie in uitvoering, december 2010.

X Noot
20

Kamerstukken II, 2011–2012, 28 719, nr. 78.

X Noot
21

VNG-inzet kabinetsformatie, «Het perspectief van gemeenten» (paragraaf 3: «de taken van gemeenten»), 5 augustus 2010.

X Noot
22

Kamerstukken II, 2011–2012, nr. 32 812.

X Noot
23

Kamerstukken II, 2010–2011, 24 515, nr. 209.

X Noot
24

Kamerstukken II, 2009–2010, 29 538, nr. 108.

X Noot
26

Kamerstuk II, 2010–2011, 28 719, nr. 78.

X Noot
27

Persbericht VNG, 201 gemeenten in het rood door sociale werkvoorziening, 14 maart 2012.

X Noot
28

Commissie Westerlaken, Rapport goed benut, goed gestuurd, 2011, blz. 25.

X Noot
29

Brief VNG aan ABVAKABO FNV over Wsw-cao, 11 mei 2011.

X Noot
30

Kamerstukken II, 2011–2012, 29 817, nr. 75.

X Noot
31

Inspectie SZW, Iedereen aan de slag.

X Noot
32

Kamerstukken II, 2010–2011, 28 719, nr 76.

X Noot
33

RWI, Re-integratiemarktanalyse, 2011.

X Noot
34

SEO Economisch Onderzoek, Kosten en resultaten van re-integratie, 2010.

X Noot
35

Zie bijvoorbeeld het rapport van SEO (2006), Kosten en baten van reïntegratie. Op basis van ondermeer dit onderzoek concludeert het Plan van Aanpak re-integratie (Kamerstukken II, 2008–2009, 28 719, nr. 60) tot een selectieve inzet van re-integratie, gericht op het uit de weg ruimen van belemmeringen bij juist deze groep.

X Noot
36

SISA staat voor Single Information, Single Audit.

X Noot
37

Handelingen II, 2011–2012, 33 000-XV, nr. 36.

X Noot
38

Kamerstukken II, 2011–2012, 29 544, nummer 370.

X Noot
39

Hoofdstuk 2, afdeling 5 van de Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.

X Noot
41

Kamerstukken II 2011–2012, 29 544,  nr. 386. Hieruit blijkt dat 28 procent van de werkgevers (32) een no-riskpolis/voorzieningen als een belangrijke reden zien om arbeidsplaatsen beschikbaar te stellen.

X Noot
42

Dit is geregeld in artikel 29b van de Ziektewet. De no-riskpolis op grond van de Ziektewet geldt in beginsel de eerste vijf jaar van het dienstverband, duurt maximaal twee jaar en bedraagt 70 tot 100 procent van het dagloon. Voor mensen die onder de huidige Wajong vallen en mensen die nu begeleid werken op grond van de huidige Wsw is de duur van deze no-riskpolis onbeperkt.

X Noot
43

Uit de Eerste Wajongmonitor volgt dat eind 2009 bijna 25 procent van alle Wajongers werkte. Ook volgt uit deze monitor dat meer Wajongers op enig moment in een jaar onderdeel zijn van het arbeidsproces dan de cijfers van het aantal Wajongers op het meetmoment weergeven. Bij veel jonge Wajongers wordt het arbeidspatroon nog gekenmerkt door veel kortdurend werk. Hierdoor ligt het totale percentage dat werkt of recent heeft gewerkt bij Wajongers die recent zijn ingestroomd in een jaar zo’n 10 procent hoger dan op het meetmoment.

X Noot
45

Kamerstukken II , 2010–2011, 32 043, nr. 71, brief vitaliteitspakket.

X Noot
46

De Kamer is hierover geïnformeerd per brief van 4 juli 2011 (Kamerstukken II, 2010–2011, 29 544, nr. 329).

X Noot
47

De Kamer is over de uitkomsten van de tweede Wajongmonitor geïnformeerd per brief van 1 juli 2011 (Kamerstukken II, 2010–2011, 29 817, nr. 73).

X Noot
48

Artikel 34a van de Wet WIA en artikel 2:23 in de Wet Wajong.

X Noot
50

Divosa (2011), Divosa-monitor 2011 – deel 1. Grenzen verleggen. Sociale diensten en participatiebevordering.

X Noot
51

Divosa, Participatie in ontwikkeling, 2010.

X Noot
52

zie RWI, Re-integratiemarkt analyse 2011 en APE (2009), Evaluatie Mentoraat bij re-integratie coaching, 2011

X Noot
53

RWI, Kansen bekeken. Vervolganalyse van het onbenut arbeidspotentieel onder niet-uitkeringsgerechtigden in de krachtwijken, 2010

X Noot
54

CBS (2011), Stijgende werkloosheid, stagnerende participatie. Het participatiepotentieel in 2010.

X Noot
55

Bron: RWI (2010), Kansen bekeken. Vervolganalyse van het onbenut arbeidspotentieel onder niet-uitkeringsgerechtigden in de krachtwijken.

X Noot
56

Dit blijkt uit diverse onderzoeken zoals Cedris (2011), Ecorys (2009), Cross-over 2009, ABU (2009) en de Monitor Wajong, Kamerstukken II, 2010–2011, 29 817, nummer 57 en 73.

X Noot
57

Kamerstukken II, 2011–2012, 33 000-XV, nr. 66.

X Noot
58

Enkele voorbeelden: het Slotervaartziekenhuis, Annie Connect, Asito, Albron, Autotaalglas, De Bijenkorf, Blomsma Print & Sign, C1000, DSM, Van Gansewinkel Groep, Heineken, Ikea, KPN, Nedco, Nuon, Randstad, Philips, Scapino, Sligro, Tata Steel, Unilever, Vebego. het Atlantpartnership, het sociaal akkoord Rivierenland en het Werkgeversakkoord Midden Brabant.

X Noot
59

Kamerstukken II, 2011–2012, 33 000-XV, nr. 66.

X Noot
60

Kamerstukken II, 2010–2011, 29 544, nr. 309.

X Noot
61

Kamerstukken II, 2011–2012, 29 544, nr. 359.

X Noot
62

Kamerstukken II, 2011–2012, 29 544, nummer 370.

X Noot
63

Kamerstukken II, 2011–2012, 29 544, nummer 370.

X Noot
64

Kamerstukken II, 2010–2011, 26 448, nr. 462, Kamerbrief betreffende «monitor arbeidsmarkt en rapporten».

X Noot
65

Kamerstukken II, 2010–2011, 32 501, nr. 13 en 19.

X Noot
66

Kamerstukken II, 2011–2012, 29 544, nr. 370.

X Noot
67

Newcom Research en Consultancy: Cedris Werkgeversonderzoek, 2011.

X Noot
68

Regioplan , Meer werkplekken bij werkgevers: derde tussenrapportage pilot werkgevers, 2011.

X Noot
69

APE, Buitenlandse ervaringen met arbeidsvoorzieningen voor gehandicapten, 2008.

X Noot
70

Research voor Beleid, Van deelnemer naar werknemer: loondispensatie en loonwaarde in de praktijk, 2012.

X Noot
71

Kamerstukken II, 2011–2012, 29 544 nr. 386.

X Noot
72

Zie ook antwoord op kamervragen-Karabulut, Kamervragen (aanhangsel) 2011–2012, 1574 herdruk.

X Noot
73

Van deelnemer naar werknemer: loondispensatie en loonwaarde in de praktijk, derde voortgangsrapportage, Research voor Beleid, 2012

X Noot
74

Kamerstukken II 2010–2011, 29 817, nummer 57 en 73

X Noot
75

Kamerstukken II, 2011–2012, 29 544 nr. 386.

X Noot
76

Kamerstukken II, 2011–2012, 29 544, nr. 362.

X Noot
77

CBS/SCP (2011) Armoedesignalement.

X Noot
1

Bij de kosten voor de overheid is bij de loondispensatie de netto loonaanvulling opgenomen.

X Noot
2

Bij de kosten voor de werkgever is gekeken naar de bruto loonkosten inclusief premies werknemersverzekeringen, exclusief premiekorting arbeidsgehandicapten. Het verschil tussen het netto inkomen en de kosten werkgever zijn de loonheffing en werknemerspremies.

X Noot
78

SCP, Voorbestemd tot achterstand? Armoede en sociale uitsluiting in de kindertijd en 25 jaar later, 2011.

X Noot
79

Werken naar vermogen, Advies van de commissie fundamentele herbezinning Wsw.

X Noot
80

Kamerstukken II, 2010–2011, 28 719, nr. 78.

X Noot
81

Werken naar Vermogen – Advies van de commissie fundamentele herbezinning Wsw, pg. 17.

X Noot
82

Goed benut, goed bestuurd – Advies commissie toekomst en transitie sociale werkvoorziening, 2011, pg. 14.

X Noot
83

Wsw-statistiek 2010, Research voor Beleid.

X Noot
84

SEO, Sector- en bedrijfsinformatie Sociale Werkgelegenheid en arbeidsintegratie 2008, oktober 2009.

X Noot
85

Research voor Beleid, Wsw-statistiek 2010.

X Noot
86

Kenmerk: WNV/2012/4393.

X Noot
87

Nader rapport n.a.v. advies Raad van State, onderdeel 2c.

X Noot
88

Kamerstukken II, 1965–1966, 8 906, nr. 3.

X Noot
89

Kamerstukken II, 28 719, nr. 78.

X Noot
90

Kenmerk: WNV/2012/4393.

X Noot
91

Kamerstukken II, 2010–2011, 29 544, nr. 303.

X Noot
92

Kamerstukken II, 2011–2012, 29 817, nr. 75

X Noot
93

«Deze middelen zijn gereserveerd op de aanvullende post, zodat de mogelijkheid is gecreëerd de door het kabinet gevoelde bijzondere verantwoordelijkheid voor de hervorming van de sw-sector financieel te vertalen, indien noodzakelijk en blijkend uit de evaluatie van die hervorming, twee jaar na de start.» (Brief aan TK d.d. 23 september 2011, Verwerking efficiencykorting RUD in begroting, minister BZK, 33 000-B, nr. 3).

X Noot
94

Het betreft hierbij rechten op grond van een aanvraag die voor 1 januari 2010 is ingediend.

X Noot
95

Zie memorie van toelichting op het wetsvoorstel, paragraaf 6.1.3 (Kamerstukken II, 2011–2012, 30 161, nr. 3).

X Noot
96

TK 2010–2011, 28 719, nr. 78.

X Noot
1

Voor 2011 zijn nog geen definitieve cijfers beschikbaar, uit voorlopige cijfers blijkt voor dat jaar een tekort van 675 mln euro.

X Noot
97

Kamerstukken II, 2010–2011, 30 545 nr. 96.

X Noot
98

Kamerstukken II, 2010–2011, 30 545 nr. 109.

X Noot
99

Kamerstukken II, 2011–2012, 29 355, nr. 53.

X Noot
100

Kamerstukken II, 2007–2008, 31 283, nr. 3.

X Noot
101

VNG, Het perspectief van gemeenten, 2010.

X Noot
102

Kamerstukken II, 2011–2012, 33 161, nr. 7.

X Noot
103

CPB notitie Analyse economische effecten financieel kader, 27 september 2010.

X Noot
104

UWV, Wajongmonitor 2010, juni 2011.

X Noot
105

201 gemeenten in het rood door sociale werkvoorziening, Persbericht VNG, 14 maart 2012.

X Noot
1

zie ontwerpbegroting SZW 2011

X Noot
106

CPB, Centraal economisch Plan, maart 2012.

X Noot
107

Kamerstukken II, 2010–2011, 29 544 nr. 333.

X Noot
108

Zie bijvoorbeeld artikel 19 van de Werkloosheidswet en artikel 13 van de Wet werk en bijstand.