Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201129544 nr. 333

29 544 Arbeidsmarktbeleid

Nr. 333 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 juli 2011

Op verzoek van uw vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken informeer ik u over de ontwikkelingen met betrekking tot het bestuursakkoord in het algemeen en over de gesprekken die met het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UvW) in het kader van de uitvoering van het bestuursakkoord worden gevoerd. Met deze brief doe ik tevens gestand aan de toezegging tijdens het dertigledendebat van 30 juni jl. (Handelingen II 2010/11, nr. 100), over de uitvoering door gemeenten van de Wet werken naar vermogen. Ik heb uw Kamer toegezegd haar te informeren over de stand van zaken rond het bestuursakkoord.

De ledenvergadering van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft op 8 juni jl. vastgesteld dat zij het onderhandelaarsakkoord voor haar rekening kan nemen met uitzondering van onderdeel 6.1 «werken naar vermogen» dat zij niet voor haar rekening kan nemen. Ik heb u in een brief als reactie op deze uitkomst laten weten dat het kabinet dit besluit niet anders kan begrijpen dan als een afwijzing van het onderhandelaarsakkoord. Op 14 juni jl. heeft de VNG het kabinet een brief gestuurd waarin zij aangeeft hoe volgens haar de stemming op de ledenvergadering uitgelegd kan worden als aanvaarding van het onderhandelaarsakkoord.

Ik kan u berichten dat ik op 5 juli jl. een reactie aan de VNG heb gegeven op haar brief aan het kabinet. Mijn brief aan de VNG treft u als bijlage aan.1 Met de in de brief geschetste stap van het kabinet biedt het onderhandelaarsakkoord voor beide partijen een bindende basis voor constructieve samenwerking in de komende jaren. Uit de reactie van de VNG leid ik af dat ook de VNG dit zo ziet. Daarmee is er een basis en kader voor beide partijen voor samenwerking, met dien verstande dat de inzet van de beschikbare middelen op één onderdeel nog voorwerp is van nader overleg.

Op deze wijze meent het kabinet dat er alsnog een basis is gevonden voor uitvoering van de afspraken van het onderhandelaarsakkoord. Evenals de VNG dit doet met betrekking tot onderdeel 6.1 stelt het kabinet zich daarbij vrijer op ten opzichte van dit onderdeel en de afspraak over het niet belasten van de vorming en het functioneren van de regionale uitvoeringsdiensten met de in de startnota voorziene korting op het gemeentefonds.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.