Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233000-VII nr. 2

33 000 VII Vaststelling van de begrotingsstaat van het Minsiterie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2012

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

   

blz.

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

3

     

B.

DE BEGROTINGSTOELICHTING

4

     

1.

Leeswijzer

4

     

2.

Beleidsagenda

6

 

Tabel beleidsdoorlichtingen

18

     

3.

Begrotingsartikelen

19

     
 

Bouwen aan de rechtsstaat

 
 

1. Openbaar bestuur en democratie

19

 

2. Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

23

     
 

Bouwen aan wonen

 
 

3. Woningmarkt

25

 

4. Woonomgeving en bouw

32

 

5. Integratie en maatschappelijke samenhang

36

     
 

Bouwen aan de Rijksdienst

 
 

6. Dienstverlenende en innovatieve overheid

41

 

7. Arbeidszaken overheid

47

 

8. Kwaliteit Rijksdienst

51

 

9. Uitvoering Rijkshuisvesting

54

     
 

Vreemdelingen

 
 

10. Vreemdelingen

57

     

4.

Niet-beleidsartikelen

63

 

11. Centraal apparaat

63

 

12. Algemeen

67

 

13. Nominaal en onvoorzien

68

 

14. VUT-fonds

69

     

5.

De baten-lastendiensten

70

5.1

Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR)

70

5.2

Doc-Direkt

75

5.3

Logius

79

5.4

P-Direkt

84

5.5

De Werkmaatschappij (DWM)

92

5.6

FMHaaglanden

96

5.7

Immigratie en Naturalisatiedienst (IND)

101

5.8

Rijksgebouwendienst (RGD)

105

5.9

Dienst van de Huurcommissie (DHC)

112

     

6.

Bijlagen

116

6.1

ZBO’s en RWT’s

116

6.2

Horizontale overzichtsconstructie integratiebeleid etnische minderheden

117

6.3

Extra-comptabel overzicht stedenbeleid 2012

119

6.4

Afkortingen

120

6.5

Trefwoordenlijst

123

     

Internetbijlagen (gepubliceerd op www.rijksbegroting.nl)

 

1

Verdiepingshoofdstuk

 

2

Moties en toezeggingen

 

3

Evaluatie- en overig onderzoek

 

4

Subsidiebijlage

 

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaten van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het jaar 2012 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2012. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2012.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, de verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2012 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze Memorie van Toelichting toegelicht (de zgn. Begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendiensten Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR), Doc-Direkt, Logius, P-Direkt, De Werkmaatschappij (DWM), FMHaaglanden, Immigratie en Naturalisatiedienst (IND), Rijksgebouwendienst (RGD) en de Dienst van de Huurcommissie (DHG) voor het jaar 2012 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze Memorie van Toelichting en wel in de paragraaf inzake de diensten die een baten-lastenstelsel voeren.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner

De Minister voor Immigratie en Asiel,

G. B. M. Leers

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Algemeen

In deze leeswijzer wordt kort ingegaan op de nieuwe structuur van de begroting.

Begrotingsstructuur en budgettaire gevolgen van beleid

Op 20 april 2011 is de Tweede Kamer akkoord gegaan met een aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten» (Kamerstukken II, 31 865, nr. 26). De nieuwe presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien.

Afgesproken is dat departementen de meeste veranderingen pas in de begroting 2013 hoeven door te voeren. Als gevolg van de departementale herindeling dienen voor de ontwerpbegroting 2012 al veel wijzigingen in de begroting (administratie) van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te worden doorgevoerd. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft er daarom voor gekozen de veranderingen reeds in 2012 van toepassing te verklaren op de begroting. Daarmee wordt voorkomen dat er twee jaar achtereen een grote wijziging in de begroting optreedt.

De nieuwe presentatie betekent dat:

  • in deze begroting alle begrotingsartikelen zijn ingevuld volgens de nieuwe voorschriften, inclusief de aanpassing van de tabel Budgettaire gevolgen van beleid. Aan de meerjarige budgettaire reeksen voor subsidies kunnen geen rechten worden ontleend. Door de nieuwe indeling kunnen in de tabellen geen gegevens worden opgenomen voor de jaren 2010 en 2011. Een aantal financiële gegevens over 2011 is wel opgenomen in het verdiepingshoofdstuk;

  • de begroting een centraal apparaatsartikel bevat waarop alle apparaatsuitgaven van het kerndepartement bij elkaar staan (niet-beleidsartikel 11);

  • in de beleidsagenda aan het eind een totaaloverzicht is opgenomen van de beleidsdoorlichtingen;

  • een subsidiebijlage is opgenomen, waarin alle subsidies op het terrein van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties staan.

Diensten die een baten-lastenstelsel voeren

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kent in 2012 negen baten-lastendiensten. De paragraaf over de baten-lastendiensten presenteert de voorgeschreven financiële overzichten ter toelichting op de begrotingsstaat van deze diensten.

De Centrale Archief Selectiedienst (CAS) is per 1 januari 2011 opgegaan in de nieuw opgerichte, tijdelijke baten-lastendienst Doc-Direkt.

4FM is met ingang van 1 januari 2011 uitgebreid met de bedrijfseenheid Fasam van de Werkmaatschappij en heet per medio 2011 FMHaaglanden.

De Immigratie en Naturalisatiedienst, de Rijksgebouwendienst en de Dienst van de Huurcommissie zijn naar aanleiding van de herverkaveling onderdeel van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geworden en het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) is overgeheveld naar het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Baten-lastendiensten van BZK in 2011

begrotingsartikel

bijlage

1. Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR)

6

5.1

2. Doc-Direkt

8

5.2

3. Logius

6

5.3

4. P-Direkt

8

5.4

5. De Werkmaatschappij (DWM)

8

5.5

6. FMHaaglanden

8

5.6

7. Immigratie en Naturalisatiedienst (IND)

10

5.7

8. Rijksgebouwendienst (RGD)

9

5.8

9. Dienst van de Huurcommissie (DHC)

3

5.9

2. BELEIDSAGENDA

1. Inleiding

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is verantwoordelijk voor behoud en bescherming van de democratische constitutionele orde, voor onderhoud en ontwikkeling van de bestuurlijke infrastructuur van de samenleving en de vestiging, huisvesting en leefbaarheid in ons land. Inzet is de democratische gemeenschap van burgers te beschermen en verbeteren. Een Nederlandse samenleving waarin de mensen die hier wonen of zich vestigen tot hun recht komen, samen met anderen, en zo een thuis kunnen maken door hun bijdrage aan die samenleving. Voortdurend streven is om democratische besluitvaardigheid en bestuurlijk handelingsvermogen te versterken onder eerbiediging van burgerlijke en politieke vrijheden, in het belang van die samenleving. BZK is in het bijzonder verantwoordelijk voor de verhouding tussen overheid en burger, voor de toelating en vestiging van vreemdelingen en voor de huisvesting en leefbaarheid.

Het kabinet heeft in de begroting 2012 drie overkoepelende prioriteiten: het huishoudboekje van de overheid op orde brengen, een compacte en krachtige overheid realiseren en meer ruimte creëren voor groei, dynamiek en innovatie. Het ministerie van BZK levert hier een belangrijke bijdrage aan, met als rode draad een hernieuwde invulling van de relatie tussen de overheid en de burger.

Nederland staat voor de niet geringe opgave om als samenleving de gevolgen van de wereldwijde financieel-economische crisis goed door te komen en er sterker uit te komen. Dit is nodig om een antwoord te kunnen bieden op de verschuivende economische werkelijkheid in de wereld, groeiend internationaal contact en afhankelijkheid, nieuwe schaarsten en oude vragen van gelijkheid, gerechtigheid en gemeenschap. Daarbij moet rekening worden gehouden met de vergrijzing en ontgroening in de samenleving en de gevolgen daarvan voor leefomgeving, maatschappelijke behoeften en arbeidsmarkt. De Nederlandse open samenleving met ruimte voor eigenheid, ondernemingszin en kansen, is in de afgelopen jaren veerkrachtig gebleken. Veel mensen met uiteenlopende achtergrond en herkomst weten hier hun weg te vinden en een bestaan op te bouwen. Dat gaat echter niet vanzelf. Aanhoudende zorgen, discussie en negatieve verschijnselen als criminaliteit en overlast onderstrepen dit. Integratie is een blijvende opgave als onderdeel van een breder overheidsbeleid dat is gericht op samenhang en participatie.

Nederland is de economische crisis tot dusverre goed doorgekomen, maar staat nu voor de dringende opgave om de staatshuishouding in korte tijd op orde te brengen met alle maatschappelijke gevolgen en spanningen van dien. Dit vergt forse ingrepen, die worden gebruikt voor vernieuwing en versterking van de basis en fundamenten waarop Nederland de toekomst met vertrouwen tegemoet kan zien. Dat bepaalt ook het beleid op het terrein van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Immigratie en Asiel. Drie samenhangende doelstellingen staan daarbij voorop: het realiseren van een compacte, slagvaardige en dienstverlenende overheid, het realiseren van een immigratie-, asiel- en integratiebeleid dat maatschappelijke ontplooiing ondersteunt en nieuwe achterstanden voorkomt en tenslotte het realiseren van een betrokken en sociaal stabiele samenleving waarin ieder tot zijn recht kan komen.

Bij een compacte overheid gaat het om meer dan het reduceren van de omvang van het overheidsapparaat. Aan de orde is een ingrijpende herziening van het functioneren van de rijksoverheid, een doelmatige verdeling van de overheidstaak binnen een transparante bestuurlijke inrichting en een nieuwe rolverdeling tussen burgers en overheid. Dat laatste zou ook zonder de budgettaire gevolgen van de economische crisis nodig zijn. Een krimpende beroepsbevolking dwingt ook tot een overheid die toe kan met minder ambtenaren en maakt het nodig dat burgers samen met anderen de verantwoordelijkheid nemen voor de eigen woonomgeving. De overheid zal daartoe het zelforganiserend en probleemoplossend vermogen van mensen moeten versterken. De overheid wil burgers in staat stellen inhoud te geven aan hun eigen verantwoordelijkheid om vragen, problemen en uitdagingen waar men mee geconfronteerd wordt samen met anderen aan te pakken en op te lossen en zo de eigen leefomgeving vorm en kwaliteit te geven. Overigens beïnvloeden verschillende maatregelen in het regeerakkoord de positie van kwetsbare groepen. Deze maatregelen worden in nauwe afstemming uitgewerkt en gevolgd.

De samenleving en het steeds intensiever internationaal maatschappelijk verkeer stellen hoge en gedifferentieerde eisen aan het immigratie- en asielbeleid. Dit is een terrein waar de overheid duidelijk en betrokken is, onder verantwoordelijkheid van de Minister voor Immigratie en Asiel. Dit kabinet staat voor ombuiging en beheersing van migratie. Het beleid is (met name bij gezinsmigratie) gericht op beperking en terugdringing van de komst van migranten met weinig perspectief. Echte vluchtelingen zijn en blijven welkom. Dat geldt ook voor mensen die naar ons land komen voor werk, studie of relatie, mits zij in staat zijn zichzelf te onderhouden en een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van ons land. Hoogopgeleide kennismigranten zijn hard nodig met het oog op onze internationale concurrentiepositie, zeker met het vooruitzicht van een krimpende beroepsbevolking en een krapper wordende arbeidsmarkt. De overheid zorgt dat Nederland aantrekkelijk blijft als vestigingsland. Maatschappelijk draagvlak voor immigratie vereist strenge en duidelijke procedures. Aan hen die naar Nederland willen komen zal duidelijk worden gemaakt wat de regels zijn voor immigratie. Illegaal verblijf in Nederland wordt strafbaar. Ook mag er geen twijfel over bestaan dat deze regels worden gehandhaafd.

Een betrokken en sociaal stabiele samenleving impliceert dat van mensen die zich in Nederland vestigen, mag worden gevraagd en verwacht dat zij meedoen in de samenleving. Mensen zijn zelf verantwoordelijk voor hun werk-, woon- en leefsituatie. Een goed functionerende woningmarkt is daar een belangrijke randvoorwaarde voor. De overheid heeft een taak om adequate betaalbare huisvesting mogelijk te maken voor wie daar niet op eigen kracht in kan voorzien.

Op basis van deze visie op de overheid en de geschetste uitdagingen heeft het ministerie van BZK voor 2012 drie prioriteiten:

  • een compacte, slagvaardige en dienstverlenende overheid;

  • een streng en rechtvaardig asiel- en immigratiebeleid;

  • een aangepast beleid voor integratie, burgerschap en woon- en leefomgeving.

2. Een compacte, slagvaardige en dienstverlenende overheid

Het komend jaar worden belangrijke stappen gezet op weg naar een compacte overheid. Dit omvat een doelmatiger taakverdeling in het openbaar bestuur, verbetering van de bedrijfsvoering van de rijksoverheid, een goed functionerende arbeidsmarkt voor ambtenaren, minder regeldruk en afname van het aantal ambtenaren bij de overheid.

Een doelmatiger taakverdeling in het openbaar bestuur

Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen moeten in hun samenhang functioneren als herkenbare eenheid voor burgers en bedrijven. Dit kan alleen als taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden niet versnipperd zijn. In principe zijn overheidstaken over maximaal twee bestuurslagen verdeeld, onder het motto: «je gaat erover of niet». Een doelmatige taakverdeling leidt tot minder bestuurders, minder regels, minder ambtenaren en besparingen.

Taken worden zo dicht mogelijk bij de burger gelegd. Medeoverheden kunnen zo een geïntegreerd beleid voeren dat recht doet aan de specifieke lokale omstandigheden en wensen van mensen. Het kabinet komt met wetsvoorstellen voor een omvangrijke decentralisatie van bestuurstaken. Gemeenten worden verantwoordelijk voor de jeugdzorg, de taken rond begeleiding uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de nieuwe regeling Werken naar Vermogen. De provincies krijgen meer taken op het terrein van het regionaal economisch beleid, natuur, ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer. De waterschappen gaan, naast het Rijk, zelf investeren in de primaire waterkeringen. Gemeenten en waterschappen gaan beter samenwerken op het gebied van de waterketen.

Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zijn tot bestuursafspraken gekomen over de uitgangspunten en het proces bij deze hervormingen. Deze bestuursafspraken bestaan uit het akkoord dat op 21 april 2011 door vertegenwoordigers van Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen is ondertekend en uit de briefwisseling tussen VNG en Rijk en met de andere partijen, naar aanleiding van de uitspraak van het VNG-congres over dit akkoord. Daarmee is er naar het oordeel van betrokkenen een bindende basis voor constructieve samenwerking in de komende jaren bij de aanpak van de vraagstukken en hervormingen waarvoor Nederland geplaatst is.

De bestuurlijke inrichting wordt vereenvoudigd en teruggebracht tot de oorspronkelijke drie bestuurslagen. Daartoe worden de deelgemeenten en de WGR+ regio’s afgeschaft. De bestuurlijke organisatie van de Randstad biedt een bijzondere uitdaging. Tegen de achtergrond van de economische ontwikkelingen is het essentieel om de economische positie van de Randstad in Europa te behouden en versterken. Dat vereist een slagvaardig, samenhangend bestuur over grenzen van gemeenten en provincies heen. Het kabinet sluit daarbij aan bij de bestuurlijke en economische dynamiek in de vleugels van de Randstad en de stedelijke agglomeraties daarin. Het kabinet zal in overleg met betrokken gemeenten en provincies op het terrein van het verkeer en vervoer een voorstel voor krachtige samenwerking uitwerken. Daarnaast wordt de bestuurlijke samenhang (eventueel het samengaan) tussen de provincies Noord-Holland, Utrecht en Flevoland in ogenschouw genomen.

Het aantal politieke ambtdragers in besturen en volksvertegenwoordigingen wordt teruggebracht. Bij de formatie is het aantal bewindspersonen teruggebracht. Een wijziging van de Provincie- en Gemeentewet is voorbereid. De vermindering van het aantal leden van de Staten-Generaal vergt een wijziging van de Grondwet.

Sinds 10 oktober 2010 zijn Bonaire, Saba en Sint Eustatius openbare lichamen die als bijzondere gemeenten in Nederland functioneren. De doelstelling van een compacte en slagvaardige overheid geldt ook voor Caribisch Nederland. De bevolkingsadministraties daar worden verder verbeterd. Met een te ontwikkelen referentiekader wordt een koppeling gelegd tussen de taken van de eilanden en het geld dat zij daarvoor hebben.

Belangrijk onderdeel van een goed en doelmatig openbaar bestuur is de bescherming van onze democratische constitutionele orde. Het gaat om de uitleg en toepassing van de grondwet en om het tijdig onderkennen van risico's en dreigingen. De AIVD doet onderzoek naar organisaties en personen die een (mogelijk) gevaar vormen en zet bestuurders en beleidsmakers aan tot handelen. Hiermee draagt de AIVD bij aan het beschermen van onze democratische rechtstaat.

Een efficiënte en effectieve bedrijfsvoering bij de overheid

Een belangrijke besparing in kosten en menskracht wordt gerealiseerd door de bedrijfsvoering van de overheid slimmer en efficiënter in te richten. Gemeenten, provincies en waterschappen doen dat op hun eigen terrein en binnen hun eigen financiële kaders. Het uitvoeringsprogramma «Compacte Rijksdienst» is kaderstellend bij het opstellen en uitvoeren van plannen voor de inrichting van de bedrijfsvoering van de rijksdienst.

Het gezamenlijk optrekken in de bedrijfsvoering leidt tot aanzienlijke efficiëntiewinst. Als onderdeel van het programma «Compacte Rijksdienst» wordt de rijksbrede infrastructuur voor bedrijfsvoering verder opgebouwd. De overgang van medewerkers van het ene naar het andere departement wordt makkelijker gemaakt. De P&O-taken worden door één expertisecentrum uitgevoerd waarin de acht bestaande expertisecentra opgaan. De inkoop bij het Rijk wordt gebundeld en geprofessionaliseerd. De masterplannen voor de huisvesting in Den Haag en Utrecht worden uitgevoerd. De eerste stappen worden gezet om de facilitaire dienstverlening (zoals catering en schoonmaak) gezamenlijk te regelen.

Om het besparingspotentieel van het programma «Compacte Rijksdienst» optimaal te benutten, is afgesproken dat alle departementen hierin participeren; de rijksbrede aanpak is daarmee onomkeerbaar. Uitgangspunt is dat voor de rijksdienst als geheel besparingen worden gerealiseerd. De uitvoering van het programma is maatwerk en wordt afgestemd op de specifieke mogelijkheden, omstandigheden en karakteristieken van de individuele departementen.

In het kader van een compacte rijksdienst bevat het regeerakkoord financiële taakstellingen voor alle ministeries, ook voor BZK. De invulling van deze taakstelling heeft bij BZK personele consequenties voor alle organisatieonderdelen, zowel voor de uitvoeringsorganisaties als het kerndepartement. BZK versobert bovendien de komende jaren haar bedrijfsvoering en realiseert besparingen uit het programma «Compacte Rijksdienst».

Een betere dienstverlening en minder regeldruk

De dienstverlening en werkprocessen van de overheid worden verder gedigitaliseerd. Dat is gemakkelijker voor burgers en bedrijven en het is goedkoper. Er is een agenda gemaakt voor de «e-overheid» die loopt tot en met 2014. Onderdeel daarvan is dat alle overheden gebruik maken van dezelfde basisregistraties.

Er wordt stevig ingezet op het terugdringen van de regeldruk voor burgers (met vijf procent per jaar na 2012) en professionals. Dit zorgt voor meer gemak en levert voor deze groepen besparingen op. BZK heeft voor het terugdringen van de regeldruk een aanjagende rol richting andere ministeries en medeoverheden. Op eigen terrein vermindert BZK de regeldruk in 2012 door, onder andere, de indiening van een wetsvoorstel om de geldigheidsduur van een paspoort te verlengen van vijf naar tien jaar. Op 1 januari 2012 wordt een nieuw Bouwbesluit ingevoerd. Daarna volgt een fundamentele bezinning op de bouwregelgeving en worden de adviezen van de commissie-Dekker uitgevoerd. Na 2012 zal BZK de regeldruk verder terugdringen door inzet van de «e-overheid» en het plaatsonafhankelijk aanvragen en uitgeven van reisdocumenten. Ten slotte wordt – naar het voorbeeld van «regelarme zorginstellingen» – onderzocht of in het openbaar bestuur kan worden gewerkt met zogenaamde «regelarme zones».

Een goed werkende arbeidsmarkt voor ambtenaren

Het kabinet brengt vanaf deze begroting de statistische informatie arbeidszaken (in verleden de Trendnota) digitaal uit op www.rijksbegroting.nl

De werkgelegenheid in het openbaar bestuur zal door de bezuinigingen dalen. Dat leidt tot personeelsoverschotten. Er ontstaan tegelijkertijd tekorten aan personeel, doordat vraag en aanbod niet op elkaar aansluiten. De verwachting is dat in een aantrekkende arbeidsmarkt veel moeilijk vervulbare vacatures ontstaan. Om te voorkomen dat onnodig beroep wordt gedaan op de externe inhuur van specialisten is het belangrijk dat de arbeidsmobiliteit binnen het openbaar bestuur toeneemt.1 Boventallige medewerkers zullen zoveel mogelijk «van werk naar werk» gaan. Het ambtenarenrecht wordt gelijkgetrokken met het arbeidsrecht. De discussie hierover concentreert zich op het initiatiefvoorstel van Koşer Kaya en Van Hijum, Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren (Kamerstuk 32 550, nr. 5).

Vanwege de gevolgen van de economische crisis en de noodzakelijke bezuinigingen heeft het kabinet in 2011 (net als in 2010) geen extra middelen beschikbaar gesteld voor de lonen van ambtenaren. De daadwerkelijke loonontwikkeling – die in het arbeidsvoorwaardenoverleg tussen overheidswerkgevers en bonden tot stand komt – moet daarom praktisch (tenminste) twee jaar op nul uitkomen.

Bij een goed werkende arbeidsmarkt hoort dat mensen hun werk veilig en integer kunnen doen. Werkgevers moeten zorgen dat hun personeel wordt beschermd tegen agressie en geweld. Het eerder ingezette programma Veilige Publieke Taak wordt tot en met 2014 voorgezet. Veel overheidssectoren hebben een eigen extern integriteitsmeldpunt. Verkend wordt hoe de onderzoekstaken van deze meldpunten kunnen worden vormgegeven in één centraal punt met onderzoeksbevoegdheid.

Tabel 1: Maatregelen 2012 om te komen tot een compacte, slagvaardige en dienstverlenende overheid

a. Een doelmatiger taakverdeling in het openbaar bestuur

• Decentraliseren van taken naar gemeenten, provincies en waterschappen.

• Afschaffen van de WGR+ regio’s en deelraden.

• Meer samenwerking in Noord- en Zuidvleugel van de Randstad.

• Grondwetswijzigingen ter vermindering van het aantal politieke ambtsdragers in besturen en volksvertegenwoordigingen.

• Verbeteren van de kwaliteit van de bevolkingsadministraties op Bonaire, Sint Eustatius en Saba

• Maken van referentiekader om inzicht te krijgen in de taken van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het geld dat zij daarvoor hebben

b. Een efficiëntere en effectievere bedrijfsvoering bij de overheid

• Start van expertisecentrum O&P Rijk. Maatregelen om de overgang van medewerkers van het ene naar het andere departement te vereenvoudigen.

• Terugbrengen van aantal datacenters van het Rijk. Ingebruikname van het eerste datacenter.

• Bepalen welke inkooporganisaties opgaan in een rijksbreed inkoopuitvoeringscentrum. Inrichten van een stelsel van één rijks-Chief Procurement Officer (CPO), categoriemanagers en departementale coördinatie inkoop.

• Uitvoeren van de masterplannen huisvesting Den Haag en Utrecht.

• Shared Service Organisatie ICT (SSO-ICT) van het ministerie van I&M valt als baten-lastendienst onder ministerie BZK. Vijf departementen zijn aangesloten bij SSO-ICT. Toetreding tot FM Haaglanden van ministeries van OCW en VWS. Besluitvorming over toetreding ministeries van FIN, EL&I en AZ.

• Afspraken met grotere uitvoeringsorganisaties over de voorwaarden waaronder zij de facilitaire dienstverlening voor rijksdiensten aanbieden.

c. Een betere dienstverlening en minder regeldruk

• Uitbreiden en vereenvoudigen van elektronische dienstverlening overheid.

• Verdere ontwikkeling e-overheidsvoorzieningen.

• Wetsvoorstel voor verlenging geldigheidsduur van het paspoort van vijf naar tien jaar.

• De paspoortwet wordt ook gewijzigd vanwege het besluit om de identiteitskaart niet meer de formele status van reisdocument te geven. Opnemen van vingerafdrukken bij de aanvraag van de identiteitskaart wordt na die wetswijziging beëindigd.

• Wet basisregistratie personen, het wettelijke kader voor de modernisering van gemeentelijke basisadministratie en het register niet-ingezetenen.

d. Een goed werkende arbeidsmarkt voor ambtenaren

• Uitwerken van voorstellen voor aanpassing van de rechtspositie van ambtenaren.

• Stimuleren dat boventallige ambtenaren «van werk naar werk» gaan.

• Coördineren van arbeidsvoorwaarden in de publieke sector in 2012 in relatie tot de inhouding van de loonbijstelling 2010 en 2011.

• Vervangen van de Commissie Integriteit Overheid door een nieuw meldpunt Integriteitschendingen Overheid met onderzoeksbevoegdheid.

3. Een streng en rechtvaardig asiel- en immigratiebeleid

Nederland blijft bescherming en opvang bieden aan personen die in hun eigen land worden vervolgd. Voor migranten die om andere redenen naar Nederland willen komen, geldt er een selectief toelatingsbeleid. Dit houdt in dat de komst van migranten die de Nederlandse kenniseconomie versterken wordt gestimuleerd en dat de migratie van personen met weinig perspectief wordt beperkt.

Strenge, snelle, duidelijke en zorgvuldige procedures staan centraal. Dat is in het belang van vreemdelingen zelf en in het belang van de samenleving; het draagt bij aan het maatschappelijk draagvlak voor het toelaten van vluchtelingen en immigranten. Daarom worden alle processen van de vreemdelingenketen (van grenstoezicht, toelatingsprocedures tot opvang en vertrek) verbeterd.

Het asielbeleid

In het asielbeleid zijn er drie fasen: mensen komen binnen, doorlopen asielprocedures en mogen blijven of moeten Nederland verlaten. Echte vluchtelingen zijn en blijven welkom. Uitgangspunt is dat mensen snel duidelijkheid krijgen over hun verblijfsperspectief. Daarvoor is een fors pakket aan maatregelen in gang gezet. Het stapelen van procedures wordt tegengegaan. Uitgebreidere toetsing van een eerste asielverzoek en snellere vervolgprocedures moeten onnodig verblijf zonder perspectief voorkomen. Migranten die niet langer recht hebben op verblijf moeten Nederland daadwerkelijk verlaten. Illegaal verblijf in Nederland wordt strafbaar.

Opvang van vluchtelingen in de regio van herkomst geniet de voorkeur. Met name in UNHCR-kader worden initiatieven ondersteund die de opvang en bescherming van vluchtelingen beogen en die, als dat mogelijk en verantwoord is, bijdragen aan de terugkeer. Nederland zet zich hier in Europees verband voor in, onder meer met regionale beschermingsprogramma’s. Het hervestigingsbeleid is het sluitstuk van bescherming in de regio. Hervestiging betekent dat vluchtelingen zich hier mogen vestigen, omdat zij elders in een nood- of uitzichtloze situatie verkeren.

Het immigratiebeleid

In het immigratiebeleid onderscheiden we kennis-, arbeids- en gezinsmigranten. Nederland kent een open economie en een open samenleving met intensieve internationale economische relaties. Hoogopgeleide migranten zijn welkom en nodig voor onze concurrentiepositie. Deze immigratie levert een belangrijke economische bijdrage aan de samenleving.

Nederland heeft een open oog voor de kansen van immigratie, maar ziet ook de consequenties. Een grote instroom van mensen legt veel druk op de samenleving. Nieuwkomers moeten in staat worden gesteld om succesvol te integreren. Dat betekent dat zij de Nederlandse taal spreken, zelfstandig wonen, in hun eigen levensonderhoud voorzien en zich aan de regels houden. Uitgangspunt is dat toegang tot Nederland er alleen is voor wie mee wil en kan doen. De komst van partners en kinderen uit landen van herkomst in opeenvolgende generaties komt het integratieproces niet altijd ten goede. De instroom van migranten die weinig perspectief hebben op een zelfstandig bestaan, wordt ingeperkt. Zo moet een reguliere aanvraag in het buitenland worden gedaan en de beslissing erop moet in het buitenland worden afgewacht. Eisen voor gezinsmigratie worden aangescherpt. Met deze aanscherpingen worden drie doelen nagestreefd: de bevordering van integratie en emancipatie, waarborgen van de financiële onafhankelijkheid van migranten en het bewerkstelligen van effectieve handhaving van de regels. Waar mogelijk worden de aanscherpingen op nationaal niveau doorgevoerd; waar nodig wordt aanpassing van Europese regelgeving bepleit. De aanscherpingen betreffen, bijvoorbeeld, invoering van een wachttermijn, verhoging van de leeftijd voor gezinmigratie, aanscherping van de inkomenseis, eisen stellen aan het niveau van opleiding, aantonen van een band met het gastland en uitsluiting van referenten die zijn veroordeeld voor bepaalde geweldsdelicten. In 2012 treden in dit kader verschillende wijzigingen van het Vreemdelingenbesluit in werking; wijzigingen die in de Europese context moeten worden gerealiseerd hebben een langere looptijd.

Een betere handhaving van het beleid

Illegaal verblijf zal strafbaar worden gesteld als overtreding. Het kabinet komt met een voorstel om de Vreemdelingenwet hiervoor uit te breiden. De strafbaarstelling van illegaal verblijf is geen doel op zichzelf, maar één van de instrumenten om illegale migratie en illegaal verblijf te ontmoedigen. Een goede handhaving begint bij de buitengrenzen van Nederland. De infrastructuur van het grenstoezicht wordt verbeterd, zodat de identiteit van reizigers betrouwbaar en snel kan worden vastgesteld. Het doel is de doorstroom van reizigers aan de buitengrenzen te verbeteren en de (nationale) veiligheid te bevorderen door beter zicht op criminaliteit, terrorisme, illegale immigratie en mensenhandel. BZK zorgt voor een intensiever grenstoezicht door de ontwikkeling van biometrie en door middelen vrij te maken voor keteninformatisering door ICT-projecten, zoals Passenger Related Data Exchange (PARDEX). Dit informatiesysteem voor passagiersgegevens wordt in 2012 verder opgebouwd.

Vreemdelingen die hier rechtmatig verblijven, maar strafrechtelijk zijn veroordeeld, worden eerder Nederland uitgezet. Dit past ook in de bredere aanpak van criminaliteit. Het Vreemdelingenbesluit wordt daarom aangepast.

De Tweede Kamer is in 2011 geïnformeerd over de maatregelen voor een effectievere terugkeer van mensen die niet rechtmatig verblijven in Nederland. Daarbij wordt extra aandacht gegeven aan de terugkeer van gezinnen met kinderen en alleenstaande minderjarigen. Hiervoor worden nieuwe locaties ingericht, als alternatief voor vreemdelingenbewaring. Vrijwillig vertrek geniet de voorkeur en wordt zo veel mogelijk gestimuleerd. Als vreemdelingen niet zelf vertrekken, wordt overgegaan tot gedwongen vertrek.

Een Europese agenda

Een effectief immigratie- en asielbeleid is ook inzet van Nederland in Europa. Veel regelgeving op het gebied van asiel en immigratie is vastgelegd in Europees verband. Het voorkomen van illegale immigratie, het verbeteren van reguliere immigratie en het bevorderen van integratie dragen bij aan een sterker, veiliger en welvarender Europa. De Europese regelgeving biedt lidstaten nu onvoldoende mogelijkheden voor hun ambities op het gebied van een streng en rechtvaardig asiel- en immigratiebeleid. Nederland zal daarom voor haar voorstellen steun blijven zoeken bij andere lidstaten, de Europese Commissie en het Europees Parlement. Veel lidstaten (er)kennen dezelfde problemen rond kansarme migranten als Nederland.

BZK heeft zijn Europese agenda verwerkt in een «roadmap» en een «position paper». Daarin staan voorstellen voor lopende onderhandelingen op basis van wijzigingsvoorstellen van de Europese Commissie (Dublin verordening en de EU-kwalificatierichtlijn) en plannen om de discussie over gevestigde richtlijnen te heropenen (richtlijn vrij verkeer van personen).

Tabel 2: Maatregelen 2012 om te komen tot een streng en rechtvaardig asiel- en immigratiedienst

a. Het asielbeleid

• Versnellen van procedures en inkorten van doorlooptijden.

• Tegengaan van stapeling van procedures.

• Beëindigen van categoriaal beschermingsbeleid.

• Bevorderen van opvang in regio van herkomst.

• Beperken van de rechtsbijstand.

b. Het immigratiebeleid

• Reguliere aanvragen alleen nog vanuit het buitenland.

• Invoeren van scherpere voorwaarden voor gezinsmigratie.

• Bevorderen van kennismigratie.

• Rijkswet Personenverkeer regelt het personenverkeer tussen de landen van het Koninkrijk der Nederlanden.

c. Een betere handhaving van het beleid

• Vernieuwen van grenstoezicht.

• Aanpakken van fraude.

• Aanscherpen van glijdende schaal.

• Strafbaar stellen van illegaliteit.

• Verbeteren van identiteitscontrole.

• Snellere uitzetting van criminele vreemdelingen.

• Verbeteren van terugkeerproces.

• Verder ontwikkelen van INDiGO, zodat de mogelijkheden voor dienstverlening en handhaving optimaal kunnen worden benut.

d. Europese agenda voor het asiel- en immigratiebeleid

• Realiseren van een Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel.

• Vooraf eisen stellen aan langdurig ingezetenen in Europa om startpositie te verbeteren.

4. Integratie en burgerschap; woon- en leefomgeving

De uitgangspunten en oogmerken van het beleid voor zowel integratie en burgerschap als voor de woon- en leefomgeving zijn onlangs in een visie beschreven en aan de Tweede Kamer aangeboden. Mensen zijn zelf verantwoordelijk voor hun bestaan en het samenleven met anderen. De overheid schept mede de voorwaarden die mensen in staat stellen om die verantwoordelijkheid te dragen en daarbij samenwerking en steun te vinden bij anderen. Op die wijze verruimt de overheid het probleemoplossend en zelforganiserend vermogen in de samenleving. De voorwaarden om binnen de samenleving contact, betrokkenheid, samenwerking en burgerschap te vinden en te realiseren, zijn steeds minder vanzelfsprekend en duurzaam naarmate de samenleving meer opgaat in het internationaal maatschappelijk verkeer. Het herstellen en versterken van die algemene voorwaarden in de komende jaren verdienen voorrang boven beleid dat gericht is op bijzondere knelpunten, afzonderlijke bevolkingsgroepen of speciale wijken.

Integratiebeleid op basis van eigen verantwoordelijkheid

Een voorwaarde om binnen de samenleving aansluiting en samenwerking te vinden is kennis van de Nederlandse taal en gewoonten. Van mensen die zich hier mogen vestigen, mag die kennis dan ook worden verlangd. Zij zullen op eigen kosten het vereiste niveau moeten verwerven om het inburgeringexamen te halen. De bestaande bekostiging wordt overeenkomstig de oorspronkelijke opzet afgebouwd. Voor mensen die tijdelijk niet in staat zijn hun opleiding te betalen komt er een sociaal leenstelsel als vangnet.

Het Nederlanderschap is de bekroning van integratie. Hieraan worden extra eisen gesteld. Het Nederlanderschap kan bovendien pas definitief worden verkregen als afstand is gedaan van één of meer andere nationaliteiten waarvan afstand kan worden gedaan. Er komt een voorstel om personen die binnen vijf jaar na het verkrijgen van het Nederlanderschap zijn of worden veroordeeld voor een misdrijf waar twaalf jaar of meer gevangenisstraf op staat, het Nederlanderschap te ontnemen.

Het specifiek integratiebeleid, zoals de aanpak van Marokkaans-Nederlandse en Antilliaans-Nederlandse probleemjongeren, wordt beëindigd. De subsidies voor de samenwerkingsverbanden van minderheden worden geleidelijk afgebouwd. De Wet overleg minderheden wordt ingetrokken. Elke burger moet zelfstandig in staat zijn om een bestaan op te bouwen, zonodig met steun van familie of directe omgeving en door gebruik te maken van de reguliere voorzieningen. Dit betekent dat beleid en uitvoering geschikt moeten zijn om voor alle burgers maatschappelijke problemen effectief aan te pakken.

Sommige vrouwen die in het kader van gezinsvorming of -hereniging naar Nederland komen, komen in een zeer afhankelijke positie terecht. Ze kunnen te maken krijgen met eergerelateerd geweld, polygamie en huwelijksdwang. Deze uitwassen zijn ontoelaatbaar. Maatregelen worden getroffen om, onder meer, de strafbaarstelling van huwelijksdwang aan te scherpen en huwelijksdwang te voorkomen.

Onze samenleving wordt gekenmerkt door een maatschappelijk verkeer waarin men elkaar op herkenbare wijze tegemoet treedt, elkaar in het gezicht kan zien en open communicatie mogelijk is. Herkenbaar optreden en open communicatie zijn zowel fundament als voorwaarde voor een samenleving die berust op gelijkwaardigheid, vertrouwen en persoonlijke verantwoordelijkheid en is daarom van groot belang voor een samenleving als de Nederlandse. Het is fundamenteel strijdig met het karakter van dat maatschappelijk verkeer wanneer personen of groepen mensen zich stelselmatig daaraan onttrekken door hun gelaat te verhullen of onherkenbaar te maken, behoudens uitzonderingen. Het is nog minder goed verenigbaar met de maatschappelijke orde zoals wij die in ons land kennen wanneer in het bijzonder vrouwen zich op deze wijze verhullen als uiting van een eigen, niet gelijkwaardige positie in het openbare leven. De regering komt daarom met een wetsvoorstel voor een algemeen verbod op het dragen van gelaatsbedekkende kleding op openbare plaatsen, in voor publiek toegankelijke gebouwen, bij onderwijsinstellingen, bij zorginstellingen en in het openbaar vervoer.

Met gemeenten, maatschappelijke organisaties en burgers wordt een «agenda hedendaags burgerschap» gemaakt. De agenda moet ertoe leiden dat het zelforganiserende vermogen van burgers wordt vergroot. Bekeken wordt waar publieke taken en verantwoordelijkheden zijn om te vormen tot collectieve taken en verantwoordelijkheden van burgers onderling.

Verbeteren van de werking van de woningmarkt

In juli 2011 is de Woonvisie naar de Tweede Kamer gestuurd. Een heroriëntatie van het woonbeleid is nodig om te komen tot een doelmatiger verdeling van woonruimte, verbetering van de investeringscondities en versterking van het vertrouwen in de woningmarkt. Er is gekozen voor meer keuzevrijheid, zeggenschap en verantwoordelijkheid voor burgers, bedrijven en maatschappelijke instellingen en voor een gerichte en doelmatige inzet van overheidsbeleid. Het kabinet zet in op versterking van het vertrouwen op de koopmarkt, een betere werking van de huurmarkt en verbetering van investeringscondities in de woningbouw.

Het kabinet wil tegemoetkomen aan de toenemende wens tot eigenwoningbezit, ook om de maatschappelijke betrokkenheid van burgers en de stabiliteit van buurten te versterken. Vertrouwen op de koopwoningmarkt is nodig om de woningmarkt als geheel vlot te trekken. Tegen de achtergrond van de stagnerende woningmarkt is de overdrachtsbelasting tot 1 juli 2012 verlaagd van zes naar twee procent. Deze maatregel – in combinatie met de handhaving van de hypotheekrenteaftrek – zorgt voor een forse impuls die de woningmarkt goed kan gebruiken. Uit diverse studies blijkt dat een verlaging van de overdrachtsbelasting een belangrijk positief effect kan hebben op het aantal kooptransacties en de arbeidsmobiliteit. Verder krijgen huurders van een corporatiewoning het recht hun woning tegen een redelijke prijs te kopen.

Op de huurmarkt zal de relatie tussen huurprijs en gewildheid van woningen moeten verbeteren, zodat investeren in en ontwikkelen van huurwoningen (met name in het middensegment) meer gaan lonen en het woningaanbod beter aansluit op de vraag. De hervorming van de huurmarkt is één van de zeventien grote stelselwijzigingen van het kabinet. Daartoe krijgen hogere inkomens (vanaf 43 000 euro) in de gereguleerde huursector een extra huurverhoging van maximaal vijf procent per jaar en worden in het Woningwaarderingsstelsel de huurpunten voor woningen in schaarstegebieden met maximaal 25 punten verhoogd (afhankelijk van de WOZ-waarde). De huur wordt daarmee meer in overeenstemming gebracht met de gewildheid van de woning. Om meer aanbod en keuzevrijheid te realiseren, wordt een gelijk speelveld voor aanbieders op de huurmarkt bevorderd. De activiteiten van de woningcorporaties die niet tot de kerntaken horen, worden strikt gescheiden van hun staatssteunactiviteiten. Aan de groeiende vraag naar woningen in het middensegment kan worden voldaan door het verkopen van woningen aan bewoners of private verhuurders en door corporatiewoningen aan deze doelgroep zonder staatssteun te verhuren. Met corporaties worden daarover afspraken gemaakt. Door aanpassing van de Woningwet stimuleert het kabinet een betere benutting van het vermogen van corporaties en een compacte krachtige corporatiesector die goed samenwerkt met gemeenten. Er komt een beter toezicht op de volkshuisvestings- en financiële prestaties van corporaties.

Mensen wonen in een straat, een buurt, een omgeving. Deze woonomgeving wordt bepaald door de manier waarop mensen met elkaar omgaan. De woonomgeving is een zaak van bewoners zelf, samen met de gemeenten, woningbouwcorporaties, maatschappelijke instellingen en bedrijfsleven. BZK ondersteunt deze partijen met kennis en kunde.

Het stimuleren van de woningbouw en energiebesparing

De bouwsector is door de economische crisis zwaar geraakt. Door innovatie en kostenreductie kan de sector inspelen op veranderende investeringsopgaven en sterker uit de crisis komen. Hier ligt een belangrijke uitdaging voor de sector zelf. Het kabinet wil de sector stimuleren door de investeringscondities voor de bouw te verbeteren. Daarmee wordt ook een belangrijke bijdrage geleverd aan het verbeteren van het verdienvermogen van de Nederlandse economie. Gezamenlijk met de bouwsector, overheden, kennisinstellingen en andere betrokkenen zal een gezamenlijke investerings- en innovatieagenda worden opgesteld. De minister van BZK zet in samenwerking met andere departementen in op een programma om de investeringscondities voor de bouw te verbeteren en het opstellen van de investerings- en innovatieagenda voor de bouw. Er komt meer ruimte voor de woningbouw, in het bijzonder voor kleinschalige uitbreiding en particulier opdrachtgeverschap. BZK maakt afspraken over woningbouwprogramma’s in de gebieden Amsterdam c.a. en Rotterdam c.a.. Regels en procedures worden versneld en verbeterd. Op 1 januari 2012 wordt een nieuw Bouwbesluit ingevoerd. Daarna wordt begonnen met een fundamentele bezinning van de bouwregelgeving en worden de adviezen van de commissie-Dekker uitgevoerd.

Door energiebesparing krijgen mensen meer greep op hun woonlasten. De gebouwde omgeving is goed voor dertig procent van het totale energieverbruik. Dit biedt een groot besparingspotentieel. Energiebesparing levert tevens een belangrijke bijdrage aan het realiseren van de nationale klimaatdoelstellingen. Daarom stimuleert de overheid ook in 2012 energiebesparing.

Tabel 3: Maatregelen 2012 in het integratie- en woonbeleid

a. Het integratiebeleid op basis van eigen verantwoordelijkheid

• De inburgeraar gaat zelf betalen voor zijn inburgering.

• Er komen aanvullende eisen aan het verkrijgen en ontnemen van het Nederlanderschap. Het wordt mogelijk om – bij zware misdrijven – het Nederlanderschap te ontnemen.

• Afschaffen van specifieke integratiemaatregelen. Stopzetten van subsidies voor de samenwerkingsverbanden van minderheden. Intrekken van Wet overleg minderheden.

• Beschikbaar stellen en delen van kennis over integratie, methoden en interventies en de positie van diverse groepen in de samenleving. Benutten van kennis stimuleren.

• Maatregelen om strafbaarstelling huwelijksdwang aan te scherpen en huwelijksdwang te voorkomen.

• Maken van wetsvoorstel om gelaatsbedekkende kleding in de openbare ruimte te verbieden.

• Samen met gemeenten, maatschappelijke organisaties en burgers opstellen van een agenda voor hedendaags burgerschap.

• Aanscherpen van het Actieprogramma Bestrijding Discriminatie.

b. Het verbeteren van de werking van de woningmarkt

• Verlagen van de overdrachtsbelasting van 6 naar 2 procent tot 1 juli 2012.

• Uitwerken van het recht voor huurders om hun woning te kopen.

• Huurverhoging van maximaal 5 procent voor hogere inkomens in gereguleerde woningen.

• Verhogen van huurpunten (WWS) met maximaal 25 punten in schaarstegebieden

• Scheiden van de kerntaken en niet-kerntaken van woningbouwcorporaties.

• Verhuurders gaan door middel van een heffing vanaf 2014 bijdragen aan de huurtoeslag.

• Meer ruimte voor woningbouw, kleinschalige uitbreiding en particulier opdrachtgeverschap.

• IPO, VNG en Rijk stellen samen een visie op stedelijke vernieuwing op.

• Inzichten over effectieve aanpakken beschikbaar stellen in gebieden waar de leefbaarheid onder druk staat. Uitwerken van de adviezen van de commissie-Deetman.

• Start dialoog Rijk met provincies en anticipeerregio’s over regionale aanpak krimpproblematiek.

• Continueren van experimenten in topkrimp- en anticipeerregio’s en ondersteunen met kennis.

• Onderzoeken of bekostigingssystemen op krimpproblemen toegesneden zijn.

• Bevorderen van grensoverschrijdende samenwerking in krimp- en anticipeergebieden.

• Evalueren van preventieve aanpak Ortega-gemeenten («new towns») met experimenten en leertrajecten. Bekijken of deze werkwijze wordt gecontinueerd.

• Maatregelen op gebied van huisvesting van (arbeids-) migranten uit Midden- en Oost-Europa.

• Nationaal programma Rotterdam-Zuid.

c. Het stimuleren van de woningbouw en energiebesparing

• Meer ruimte voor woningbouw, kleinschalige uitbreiding en particulier opdrachtgeverschap.

• Invoeren van nieuw Bouwbesluit per 1 januari 2012.

• Fundamentele bezinning op de bouwregelgeving en uitvoeren van de adviezen van de commissie-Dekker.

• Verkennen van verdienmodellen/financieringsarrangementen woningbouw en maken van een investerings- en innovatieagenda (interdepartementaal programma Investeringscondities Bouw).

• Aanscherpen van de eisen voor duurzaamheid en energieverbruik.

• Herziene Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD) wordt omgezet in nationale wet- en regelgeving.

• Ontwikkelen van een aanpak van bestaande gebouwen («Blok voor Blok») met behulp van een experiment van vijf projecten.

• Invoeren van een energielabel voor nieuwbouw per 1 juli 2012.

• Evaluatie van energiebesparingsconvenanten.

• Bevorderen van innovatie door programma «Energiesprong».

• Verkennen van niet-fiscale prikkels energiebesparing.

• Green Deal voor de Gebouwde Omgeving.

Tabel 4: Beleidsdoorlichtingen

Agendering beleidsdoorlichtingen

Artikel/Operationele doelstelling

2010

(realisatie)

2011

2012

2013

2014

2015

2016

(planning)

1 Openbaar bestuur en democratie

             

1 Bestuurlijke en financiële verhoudingen

   

       

2 Participatie1

             

2 Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst

             

1 Apparaat

             

2 Geheim

             

3 Woningmarkt

             

1 Betaalbaarheid

         

 

2 Onderzoek en kennisoverdracht1

             

4 Woonomgeving en bouw

             

1 Energie en bouwkwaliteit

   

       

2 Woningbouwproductie

           

3 Kwaliteit woonomgeving

       

   

5 Integratie en maatschappelijke samenhang

   

       

1 Faciliteren Inburgering

             

2 Maatschappelijke en economische zelfredzaamheid

             

6 Dienstverlenende en innovatieve overheid

             

1 Verminderen regeldruk

2

       

 

2 Informatiebeleid en ontwikkeling e-overheidsvoorzieningen

2

       

 

3 Betrouwbare levering van e-overheidsvoorzieningen

2

       

 

4 Burgerschap

 

         

5 Reisdocumenten en basisadministratie personen

       

   

7 Arbeidszaken overheid

             

1 Overheid als werkgever

 

         

2 Pensioenen, uitkeringen en benoemingsregelingen1

             

8 Kwaliteit Rijksdienst

             

1 Kwaliteit Rijksdienst

       

   

9 Uitvoering Rijkshuisvesting

             

1 Een doelmatige uitvoeringspraktijk vd Rijkshuisvesting1

             

10 Vreemdelingen

       

   

1 Toegang, toelating en opvang vreemdelingen

             

2 Terugkeer en bewaring vreemdelingen

             
X Noot
1

Deze onderdelen zullen niet in de vorm van een beleidsdoorlichting maar anderszins worden geëvalueerd. Voor artikel 9.1 staat reeds een evaluatieonderzoek gepland. Voor de artikelen 1.2, 3.2 en 7.2 zal een evaluatieonderzoek gepland worden.

X Noot
2

De doorlichting op deze drie operationele doelstellingen is mei 2011 aangeboden aan de Tweede Kamer.

3. DE BEGROTINGSARTIKELEN

Artikel 1. Openbaar bestuur en democratie

A Algemene doelstelling

Een bijdrage leveren aan een goed functionerend openbaar bestuur en democratie.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor het functioneren van het stelsel van het openbaar bestuur, zowel op centraal als op decentraal niveau en binnen de kaders van de regelgeving van de Europese Unie. Hij is verantwoordelijk voor de bestuurlijke organisatie (de Grondwet, de Gemeente- en Provinciewet, de Financiële verhoudingswet en de Wet gemeenschappelijke regelingen), maar ook voor goede bestuurlijke en financiële verhoudingen. Daarmee schept de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties randvoorwaarden voor voldoende bestuurskrachtige gemeenten en provincies, die in staat zijn hun taken – zowel in autonomie als in medebewind – goed te kunnen uitvoeren. Dat draagt bij aan de legitimatie van ons bestuurlijke stelsel. Binnen het openbaar bestuur wordt aan de compacte overheid gewerkt door een doelmatige taakverdeling. In principe worden overheidstaken over maximaal twee bestuurslagen verdeeld.

Een tweede pijler van de legitimatie van het Nederlandse openbaar bestuur betreft het democratische en rechtsstatelijke gehalte van de publieke besluitvorming en beleidsvoering. In dat kader waarborgt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het functioneren van het constitutionele bestel daaronder begrepen het stelsel van de representatieve democratie. Daarbij gaat het in de eerste plaats om de verkiezingen (de Kieswet) voor vertegenwoordigende lichamen op de verschillende bestuurlijke niveaus. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zorgt tevens voor zodanige toerusting van de Kiesraad dat deze zijn wettelijke taken adequaat kan vervullen.

C Beleidswijzigingen

Versnippering van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden worden tegengegaan door een doelmatige verdeling van overheidstaken. Dit wordt onder andere zichtbaar in het overdragen van meer taken en verantwoordelijkheden (Jeugdzorg, delen van de AWBZ) aan gemeenten.

De provincies krijgen taken op het terrein van het regionaal economisch beleid, natuur, ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer. De waterschappen gaan meebetalen aan de bekostiging van de primaire waterkeringen. De WGR+-regio’s worden afgeschaft.

In de Randstad is meer samenwerking nodig over de grenzen van gemeenten en provincies heen, ondersteund door een infrastructuurautoriteit.

Het aantal politieke ambtdragers in besturen en volksvertegenwoordigingen wordt teruggebracht. De Wet financiering politieke partijen wordt verbreed en aangescherpt.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid

(x € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

22 818

22 128

24 397

23 201

23 967

           

Uitgaven

22 818

22 128

24 397

24 201

23 967

           

1.1 Bestuurlijke en financiële verhouding

4 316

5 233

7 738

7 626

7 309

           

Subsidies

3 481

3 475

3 349

3 026

3 026

Oorlogsgravenstichting (OGS)

2 401

2 495

2 495

2 495

2 495

Kenniscentra (EUKN, Urbact, Europa Decentraal)

580

579

554

530

530

Actieprogramma Lokaal Bestuur

500

400

300

0

0

           

Opdrachten

835

1 758

4 389

4 600

4 283

Communicatie, kennisdeling en onderzoek

835

1 758

4 389

4 600

4 283

           

2.2 Participatie

18 502

16 895

16 659

16 575

16 658

           

Subsidies

15 810

15 810

15 810

15 810

15 810

Politieke partijen

15 810

15 810

15 810

15 810

15 810

           

Opdrachten

2 372

650

650

650

650

Communicatie en kennisdeling

350

650

650

650

650

Verkiezingen

2 022

0

0

0

0

           

Bijdragen

320

435

199

115

198

Bijdrage Kiesraad

320

435

199

115

198

           

Ontvangsten

21 965

49 465

24 865

21 965

21 965

D2 Budgetflexibiliteit

De budgetflexibiliteit van de uitgaven is zeer beperkt. Over de uitgaven bestaan bestuurlijke afspraken of de uitgaven zijn verplicht op grond van wetgeving, bijvoorbeeld de subsidie aan de politieke partijen en de Oorlogsgravenstichting.

E Toelichting op de instrumenten

1.1 Bestuurlijke en financiële verhoudingen

Subsidies

Oorlogsgravenstichting (OGS)

Namens de Nederlandse overheid onderhoudt de Oorlogsgravenstichting wereldwijd ongeveer 50 000 graven van Nederlandse oorlogsslachtoffers. Deze graven liggen in meer dan 50 landen, verspreid over vijf continenten. Het zwaartepunt ligt daarbij in Indonesië. Tevens verzorgt de Stichting ruim 10 000 graven van militairen van de geallieerde strijdkrachten in Nederland.

Europese Kenniscentra (EUKN, Urbact, Europa Decentraal)

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties draagt bij aan verschillende Europese kenniscentra. Het European Urban Knowledge Network (EUKN) zorgt voor ontwikkeling en verspreiding van kennis over stedelijke vraagstukken tussen zestien deelnemende lidstaten. Het URBACT II programma richt zich op de ontwikkeling van netwerken van Europese steden en concentreert zich in het bijzonder op duurzame stedelijke ontwikkeling. Het Kenniscentrum Europa Decentraal is een gezamenlijk initiatief van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen dat zich richt op toepassing en verspreiding van kennis en expertise over Europees recht bij de decentrale overheden.

Actieprogramma Lokaal Bestuur

Het Actieprogramma Lokaal Bestuur is een platform voor kennis- en ervaringsuitwisseling tussen gemeenten. Het doel is versterking van het lokaal bestuur en stimulering van het samenspel tussen alle actoren. Het is een gezamenlijk project van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In het werkprogramma staan de thema’s professionalisering, bestuurscultuur en vertrouwen tussen burgers en lokaal bestuur centraal. Doelgroepen zijn raadsleden, wethouders, griffiers, burgemeesters, gemeentesecretarissen en ambtenaren. Het Actieprogramma richt zich ook op de «bijzondere gemeenten» Bonaire, St. Eustatius en Saba.

Opdrachten

Communicatie, kennisdeling en onderzoek

Een belangrijk deel van de middelen op het terrein van de bestuurlijke en financiële verhoudingen zet het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in voor initiatieven op het terrein van kennisdeling en kennisvermeerdering. Met deze middelen worden verschillende publicaties, congressen en onderzoeken op het terrein van het functioneren van het openbaar bestuur gefinancierd. Zo brengt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in 2012 weer het tweejaarlijkse Trendrapport Staat van het Bestuur uit waarin bestuurlijke en financiële ontwikkelingen in het decentraal bestuur centraal staan. Ook financiert het ministerie onderzoeken door derden, zoals het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO).

1.2 Participatie

Politieke participatie door burgers komt met name tot stand bij verkiezingen voor vertegenwoordigende lichamen. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zorgt voor een toegankelijk verkiezingsproces, faciliteert de Kiesraad en subsidieert politieke partijen.

Subsidies

Politieke partijen

Politieke partijen krijgen subsidie op grond van de Wet subsidiëring politieke partijen. Voor de subsidie komen alleen partijen in aanmerking die hebben deelgenomen aan de laatste Eerste Kamer- en Tweede Kamerverkiezingen en daarbij minimaal 1 zetel behaalden.

Tabel 1.1 Subsidies politieke partijen

Kengetallen

Subsidies op grond van de Wet subsidiering politieke partijen

 

Partij

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 20101

Te verlenen subsidie 2011 (indicatief)1

CDA

3 594 445

3 689 447

3 742 373

2 298 892

PvdA

3 076 936

3 123 645

3 101 601

2 897 348

SP

2 382 448

2 394 179

2 521 844

1 777 099

VVD

2 157 409

2 204 470

2 190 702

2 859 367

GL

949 641

967 414

970 819

1 185 832

CU

976 664

986 719

972 612

894 054

D66

625 164

684 230

726 354

1 323 218

SGP

797 339

816 707

784 149

759 937

PvdD

516 274

540 977

547 130

557 827

OSF

370 021

375 589

396 202

396 044

50+

     

224 936

X Noot
1

definitieve vaststelling van de bedragen moet nog plaatsvinden.

Naast de subsidie op grond van de Wet subsidiëring politieke partijen ondersteunt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties lokale raadsleden op het gebied van scholing en vorming. Hiervoor is € 400 000 beschikbaar.

Opdrachten

Communicatie en kennisdeling

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor informatie over verkiezingen, bijvoorbeeld wanneer verkiezingen plaatsvinden en hoe kiezers hieraan kunnen deelnemen. Dit geldt niet alleen voor kiezers in Nederland, maar ook voor kiezers in Caribisch Nederland en de Nederlanders die vanuit het buitenland kunnen deelnemen aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer en het Europees Parlement. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal de komende periode de deelname aan de verkiezingen voor deze laatste groep kiezers vereenvoudigen.

Bijdragen

Kiesraad

De Kiesraad fungeert als centraal stembureau voor de verkiezingen van de Tweede Kamer, de Eerste Kamer en het Europese Parlement en stelt de officiële verkiezingsuitslagen voor deze verkiezingen vast. De Kiesraad is het adviesorgaan voor regering en parlement op het terrein van het kiesrecht en de organisatie en uitvoering van verkiezingen. Nieuwe politieke partijen kunnen zich laten registreren voordat ze als partij (onder die aanduiding) kunnen deelnemen aan verkiezingen. Verder verschaft de Kiesraad desgevraagd informatie aan gemeenten, provincies, politieke partijen, burgers en media. Tijdens verkiezingen wordt hiertoe in samenwerking met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het Informatiepunt Verkiezingen ingericht om specifieke informatievragen te beantwoorden.

Artikel 2. Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

A Algemene doelstelling

Tijdige onderkenning van niet direct waarneembare dreigingen en risico’s voor de (inter)nationale veiligheidsbelangen van de Nederlandse staat en samenleving, en daarop gebaseerde informatieverstrekking aan de partners van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), die daardoor worden aangezet om passende maatregelen te nemen.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor de taakuitvoering van de AIVD. De minister legt zo veel mogelijk in het openbaar verantwoording af aan de Tweede Kamer. Waar dat niet kan, vanwege geheimhoudingsnoodzaak, gebeurt dit via de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) van de Tweede Kamer.

De AIVD staat voor de nationale veiligheid door tijdig dreigingen, politieke ontwikkelingen en risico’s te onderkennen die niet direct zichtbaar zijn. Hiervoor verricht de AIVD onderzoek in binnen- en buitenland met behulp van algemene inlichtingenmiddelen (open bronnen) en bijzondere inlichtingenmiddelen. Op basis van de onderzoeksresultaten zet de AIVD bestuurders, beleidsmakers en andere belanghebbenden op lokaal, nationaal en internationaal niveau aan tot handelen. Hiertoe informeert en adviseert de AIVD zijn afnemers met ambtsberichten en analyses (waaronder openbare publicaties) en door gericht relatiemanagement.

Tabel 2.1 Kengetallen

Kengetallen

Waarde 2009

Waarde 2010

Aantal openbare publicaties

9

7

Aantal ambtsberichten aan het OM

55

64

Aantal ambtsberichten aan ELI1

74

98

Aantal dreigingsinformatieproducten t.b.v. stelsel bewaken en beveiligen (art 6.2.e WIV 2002)

189

140

Aantal dreigingsinformatieproducten t.b.v. beveiligingsbevorderende taak (art 6.2.c WIV 2002)

24

17

Aantal vertrouwensfuncties

73 425

76 129

Aantal door AIVD in behandeling genomen veiligheidsonderzoeken

9 796

8 999

Aantal geweigerde VGB’s (Verklaring van Geen Bezwaar)

645

4492

X Noot
1

Dit zijn berichten aan het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, in het kader van exportcontrole op strategische goederen (o.a. dual use).

X Noot
2

Hiervan hebben 419 weigeringen betrekking op B-vertrouwensfuncties in de burgerluchtvaart.

C Beleidswijzigingen

De AIVD moet snel kunnen inspringen op veranderingen in het dreigingsbeeld, zowel nationaal als internationaal. De dienst moet afgewogen keuzes maken over de inzet op de diverse aandachtsgebieden en werkterreinen. In de jaarplanbrief van de AIVD, die in januari 2012 door de minister aan de Tweede Kamer wordt gezonden, worden de verschuivingen in aandachtsgebieden en prioriteiten nader beschreven. De AIVD blijft investeren in informatisering en digitalisering, in een flexibele organisatie en in strategische (inter)nationale samenwerking.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid

(x € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

200 328

198 440

197 800

195 406

195 160

           

Uitgaven

200 328

198 440

197 800

195 406

195 160

           

2.1 Apparaat

190 560

188 672

188 032

185 638

185 392

           

2.2 Geheim

9 768

9 768

9 768

9 768

9 768

           

Ontvangsten

1 191

8 191

12 691

12 691

12 691

E Toelichting op de instrumenten

Vanwege het bijzondere karakter van dit begrotingsartikel en de gedeeltelijk geheime uitgaven zijn de uitgaven niet nader uitgesplitst en zijn de apparaatuitgaven niet opgenomen in het centraal apparaatartikel (niet-beleidsartikel 11).

Ontvangsten

De stijging van de ontvangsten wordt veroorzaakt doordat de AIVD vanaf 2013 voor het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken tarieven in rekening zal rengen bij de aanvragers.

Artikel 3. Woningmarkt

A Algemene doelstelling

Uitgangspunt voor de regering is het belang van een vrije woningmarkt met steun voor degenen die dat nodig hebben. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties draagt ervoor zorg dat er voldoende goede en betaalbare huisvesting voor iedereen beschikbaar is en met name voor die groepen die vanwege hun inkomenssituatie of andere persoonlijke omstandigheden moeite hebben op eigen kracht in passende huisvesting te voorzien. Woningcorporaties spelen daarbij een belangrijke rol, waarbij het huisvesten van huishoudens met een inkomen tot € 33 614 in sociale huurwoningen tot hun kerntaak behoort.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is systeemverantwoordelijk voor:

  • het via regelgeving bevorderen van een evenwichtige verdeling van de woningvoorraad op grond van de Huisvestingswet en de Rotterdamwet;

  • het zorgen voor een heldere verdeling van rollen en verantwoordelijkheden van de partijen op het terrein van wonen;

  • het scheppen van voorwaarden voor de beschikbaarheid van voldoende betaalbare woningen, onder meer door huurprijsregulering en voorgestelde herzieningswetgeving voor woningcorporaties;

  • betaalbaarheid van wonen – in het bijzonder voor de lagere inkomensgroepen en middeninkomens (onder andere op grond van de Wet op de Huurtoeslag);

  • de beleidsmatige vormgeving van het instrument huurtoeslag en het budgettair beheer hiervan op grond van de Wet op de Huurtoeslag. De uitvoering van de huurtoeslag is, op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) en onder verantwoordelijkheid van de minister van Financiën, belegd bij de Belastingdienst/Toeslagen. Deze dienst is ook verantwoordelijk voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik;

  • het beleid met betrekking tot de huisvesting van bijzondere aandachtsgroepen;

  • het ontwikkelen van kaders om onrechtmatige bewoning tegen te gaan;

  • de beleidsmatige vormgeving en de kwaliteit van het toezicht op woningcorporaties, het uitoefenen van dit toezicht via het Besluit Beheer Sociale Huurwoningen (BBSH) en de verantwoording hierover;

  • het waarborgen van een laagdrempelige huurgeschillen beslechting. In het Burgerlijk Wetboek (art. 7.249 t/m 7.261) is vastgelegd dat huurders en verhuurders een beroep kunnen doen op de Huurcommissie. De organisatie en werkwijze van de Huurcommissie, alsmede de administratieve ondersteuning door de Dienst van de Huurcommissie, is vastgelegd in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uhw).

Grafiek 3.1 Gemiddelde huurstijging, exclusief huurharmonisatie, nominaal en reëel (1997–2010)

Grafiek 3.1 Gemiddelde huurstijging, exclusief huurharmonisatie, nominaal en reëel (1997–2010)

Uit de grafiek blijkt het inflatievolgend huurbeleid vanaf 2007; vanaf dat moment komt de reële huurstijging uit op nul.

C Beleidswijzigingen

In juli 2011 heeft het kabinet de Woonvisie uitgebracht (Kamerstukken II, 32 847, nr. 1). In deze Woonvisie presenteert het kabinet de heroriëntatie van het woonbeleid, die leidt tot een meer doelmatiger verdeling van woonruimte, verbetering van het investeringscondities en versterking van het vertrouwen op de woningmarkt. Het kabinet kiest daarbij voor meer keuzevrijheid, meer zeggenschap en verantwoordelijkheid voor burgers, bedrijven en maatschappelijke instellingen, en een meer gerichte en doelmatige inzet van overheidsbeleid. De Woonvisie gaat nader in op het versterken van het vertrouwen op de koopmarkt, een betere werking van de huurmarkt, het verbeteren van de investeringscondities in de woningbouw.

De rijksoverheid heeft in het verleden via regelgeving, bouwprogrammering en subsidiëring intensief geïntervenieerd in de huur- en koopmarkt. Ongewenste bijeffecten van dit overheidsbeleid op de woningmarkt zijn: inefficiënte inzet van publieke middelen, belemmeringen om te verhuizen, beperkte woonkeuzemogelijkheden voor de burger en een onvoldoende aantrekkelijk investeringsperspectief voor marktpartijen. De bouw- en woningmarkt bevinden zich in een overgangssituatie van sterke groei in het verleden via een forse conjuncturele terugval op dit moment naar een, naar verwachting, meer gematigde ontwikkeling in de komende jaren.

Tegen de achtergrond van de stagnerende woningmarkt heeft het kabinet daarom besloten om de overdrachtsbelasting tijdelijk te verlagen (Kamerstukken II, 31 371, nr. 364). Voor de periode van 15 juni 2011 tot 1 juli 2012 wordt het tarief verlaagd van 6% naar 2%. Deze verlaging van de overdrachtsbelasting in combinatie met de handhaving van de hypotheekrenteaftrek resulteert in een forse impuls die de woningmarkt op dit moment goed kan gebruiken. Diverse studies hebben er de afgelopen jaren op gewezen dat een verlaging van de overdrachtsbelasting de belemmering om te verhuizen vermindert en daarmee voor een betere werking van de woningmarkt zorgt.

Daarnaast heeft het kabinet in 2011 voorstellen aangeboden aan de Tweede Kamer voor een herziening van de Woningwet. De in 2012 geplande invoering van wet- en regelgeving is gericht op het versterken van de relatie op lokaal niveau tussen gemeenten en corporaties, op het versterken van het interne en externe toezicht en op meer waarborgen dat corporaties als maatschappelijke ondernemingen goed functioneren.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3 Woningmarkt

(x € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

2 844 460

2 784 614

2 867 235

2 903 305

2 891 710

           

Uitgaven

2 786 655

2 714 170

2 797 096

2 861 313

2 891 710

           

3.1 Betaalbaarheid

2 778 378

2 708 718

2 789 675

2 853 919

2 884 316

           

Subsidies

41 327

36 890

30 780

27 386

24 494

Bevordering eigen woningbezit

32 982

29 626

23 696

19 864

16 752

Eigen woningenregelingen

6 984

5 903

5 723

6 161

6 381

Woonconsumentenorganisaties

1 361

1 361

1 361

1 361

1 361

           

Bekostiging

2 694 518

2 646 176

2 719 862

2 796 062

2 829 512

Huurtoeslag

2 694 518

2 646 176

2 719 862

2 796 062

2 829 512

           

Opdrachten

3 654

3 663

3 663

3 663

3 663

Beleidsprogramma betaalbaarheid

3 654

3 663

3 663

3 663

3 663

           

Bijdragen

38 879

21 989

35 370

26 808

26 647

Huurcommissie

18 879

11 989

9 770

9 008

8 847

Overige uitvoeringsinstanties

20 000

10 000

25 600

17 800

17 800

           

3.2 Onderzoek en kennisoverdracht

8 277

5 452

7 421

7 394

7 394

           

Subsidies

3 201

1 794

1 794

1 794

1 794

Samenwerkende kennisinstellingen

3 201

1 794

1 794

1 794

1 794

           

Opdrachten

5 076

3 658

5 627

5 600

5 600

Onderzoek en kennisoverdracht

5 076

3 658

5 627

5 600

5 600

           

Ontvangsten

556 140

552 733

1 310 618

1 310 218

1 293 659

D2 Budgetflexibiliteit

Het grootste deel van het budget op dit artikel is juridisch verplicht. Jaarlijks wordt een verplichting aangegaan voor het gehele huurtoeslagbudget voor het begrotingsjaar en de subsidies betreffen de kasuitgaven als gevolg van in het verleden aangegane verplichtingen. De verschillende bijdragen zijn bestuurlijk verplicht en in het begrotingsjaar juridisch gebonden. Voor een beperkt deel van de uitgaven voor onderzoek en kennisoverdracht zijn nog geen verplichtingen aangegaan. Deze middelen worden gedurende het jaar aangewend en zijn deels alternatief aanwendbaar, voor zover niet benodigd voor de uitfinanciering van tot en met 2011 aangegane verplichtingen.

E Toelichting op de instrumenten

3.1 Betaalbaarheid

Subsidies

Bevorderen Eigen Woningbezit

Zoals gemeld aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 32 123 XVIII, nr. 74), is voor nieuwe toekenningen op grond van de Wet BEW geen budget meer beschikbaar. De meerjarig beschikbare middelen dienen uitsluitend voor betaling van in het verleden aangegane verplichtingen. Hiervoor is in 2012 € 33 mln. benodigd. Dit betreft 34 500 bijdragen van gemiddeld € 950.

Eigen woningenregelingen

Ook de in het verleden aangegane verplichtingen op grond van de Eigen woningenregelingen leiden meerjarig tot betaling. In 2012 is hiervoor € 7 mln. benodigd.

Om het eigen woningbezit te bevorderen staat het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties garant voor het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) die de uitvoering verzorgt van de Nationale Hypotheek Garantie. Daarnaast worden door corporaties koopvarianten en verkopen onder voorwaarden ontwikkeld om een eigen woning meer toegankelijk en beter betaalbaar te maken.

Woonconsumentenorganisaties

De Woonbond en de Stichting VACpunt Wonen ontvangen financiële bijdragen voor de uitvoering van een met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties overeen te komen programma van activiteiten op het gebied van kennisoverdracht, voorlichting en scholing. Doel is de positie van de woonconsument te versterken om recht te doen aan hun positie op de woningmarkt.

Bekostiging

Huurtoeslag

Voor de raming van de huurtoeslag (zowel uitgaven als ontvangsten) is als uitgangspunt genomen het budget waar huurtoeslagontvangers uiteindelijk (na definitief toekennen) recht op hebben. Het gaat dan om jaarlijks bijna 1,2 mln. huurders, met een gemiddeld huurtoeslagbedrag van ongeveer € 1 830 (cijfers 2009). Voor de meerjarige ontwikkeling is rekening gehouden met de verwachte huur-ontwikkeling en omvang van de populatie (afhankelijk van demografie en werkloosheidsontwikkeling).

De systematiek van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) betekent dat in eerste instantie de toeslagen voorlopig worden toegekend op basis van door de burger zelf aangeleverde gegevens. Na afloop van het jaar worden de toeslagen definitief vastgesteld op basis van gecontroleerde gegevens. Op basis van uitvoeringsgegevens van de Belastingdienst is in de raming rekening gehouden met het feit dat de voorlopige toekenningen hoger liggen dan wat uiteindelijk bij de definitieve toekenningen wordt vastgesteld. De uitgaven zijn met dit bedrag verhoogd, als spiegelbeeld hiervan is ook een ontvangstenstroom geraamd. Tot slot is in de raming rekening gehouden met het kasritme van de uitvoering, waarbij geldt dat de ontvangsten als gevolg van ingestelde terugvorderingen enige tijd nemen om volledig binnen te komen.

De grafieken 3.2 en 3.3 geven de ontwikkeling van de netto-huurquote weer voor huurtoeslagontvangers (het percentage van het netto inkomen dat wordt besteed aan huur). Hierbij zijn acht huishoudens onderscheiden. Voor elke in de huurtoeslag onderscheiden huishoudcategorie zijn de cijfers berekend voor een huishouden met een minimuminkomen en een huishouden met een inkomen in het inkomensafhankelijke traject. Bij de berekening van de netto huurquote voor de gepresenteerde huishoudens is gerekend met de gemiddelde huur voor de betreffende groep. De huurquoten zijn berekend door het aandeel van de netto huurlasten (huur gesaldeerd met huurtoeslag) in het belastbaar inkomen te berekenen. De huurquote stijgt in 2012 voor alle gepresenteerde huishoudens ten opzichte van 2011. Deze stijging heeft zijn oorzaak in de voorgenomen bezuinigingen via de verhoging van de kwaliteitskortingen in de huurtoeslag.

De nieuwe inzichten in de ontwikkeling van het huurtoeslagbudget en additionele (rijksbrede) problematiek hebben het kabinet doen besluiten de reeds in de begroting 2011 opgenomen taakstelling op de huurtoeslag vanaf 2012 in de tijd te versnellen. Vanaf 2012 wordt een bezuiniging op het huurtoeslagbudget doorgevoerd van € 100 mln., oplopend naar € 150 mln. in 2013. In de begroting 2011 werd nog uitgegaan van een taakstelling van € 52,8 mln. in 2012 oplopend naar € 175,8 mln. in 2015. Deze bezuiniging zal onder andere worden ingevuld door een verhoging van de kwaliteitskortingen in de huurtoeslag met 10%-punt. Voor alle hier gepresenteerde huishoudens is gerekend met een huur die hoger is dan de kwaliteitskortingsgrens, waardoor de verhoging van de kwaliteitskorting een effect heeft op het recht op huurtoeslag en daarmee op de berekende huurquote.

Grafiek 3.2: Huurquote jonger dan 65 jaar

Grafiek 3.2: Huurquote jonger dan 65 jaar

Grafiek 3.3: Huurquote 65 jaar en ouder

Grafiek 3.3: Huurquote 65 jaar en ouder

Opdrachten

Beleidsprogramma betaalbaarheid

BZK voert voor het programma betaalbaarheid verschillende activiteiten uit. Onder andere voor de huurtoeslag, maar ook voor het monitoren en stimuleren van geschikte huisvesting voor ouderen. Een ander belangrijk onderdeel van het programma is het in beeld brengen (en voorkomen) van risico's van eigenwoningbezit en het toezichthouden op woningbouwcorporaties. Voor deze werkzaamheden verleent BZK, samen met huurders, verhuurorganisaties en andere partijen voor woningmarktontwikkeling, opdrachten aan diverse partijen.

Bijdragen

Huurcommissie

Het werkterrein van de Huurcommissie wordt gevormd door het gereguleerde deel van de markt voor huurwoonruimte. Als huurders en verhuurders er onderling niet uitkomen, doet de Huurcommissie op verzoek uitspraken in geschillen tussen huurders en verhuurders over de hoogte van huurprijzen en servicekosten.

De Huurcommissie werkt als opdrachtnemer van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Voor het jaar 2012 wordt een bijdrage van BZK van € 18,9 mln. geraamd. De leges zijn niet kostendekkend.

Voor 2012 worden de onderstaande aantallen en behandeltermijnen verondersteld.

Digitalisering van de interne werkprocessen zal bijdragen tot een verkorting van de behandeltermijnen, waardoor stapsgewijs aan de wettelijke termijnen voldaan zal worden. Voor nadere informatie wordt verwezen naar de baten-lastenparagraaf.

Tabel 3.1

Procedure

Aantallen 2012

Behandeltermijn 2012

Beslechting huurprijsgeschillen

11 250

80% binnen 5 maanden

Beslechting servicekostengeschillen

4 000

80% binnen 5 maanden

Verklaringen over de redelijkheid van de huurprijs in het kader van behandeling van huurtoeslagaanvragen door Belastingdienst

750

nvt

Totaal

16 000

 

Overige uitvoeringsdiensten

De Belastingdienst zal zorg dragen voor de verstrekking van de inkomensgegevens, noodzakelijk voor de uitvoering van de maatregel om een huurstijging van inflatie plus 5% toe te staan voor huurders met een huishoudinkomen hoger dan € 43 000. Bezien wordt waar deze uitvoering wordt gepositioneerd.

3.2 Basisonderzoek en kennisoverdracht

Subsidies

Samenwerkende kennisinstellingen

In afstemming met de eigen activiteiten van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt een gedeelte van het beschikbare budget ingezet voor activiteiten van de volgende kennisinstellingen: Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV), Netherlands Institute for City Innovation Studies (NICIS), Kennis-, Expertise- en Innovatiecentrum Stedelijke Vernieuwing (KEI) en Nederlands instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting (Nirov). Deze vier kennisinstituten hebben in mei 2011 afgesproken te gaan fuseren per 1 januari 2012. Door het samen gaan ontstaat een nationaal kennisinstituut voor stedelijke en regionale ontwikkeling. De gezamenlijke programmering zal leiden tot meer synergie in activiteiten en meer oog voor dwarsverbanden tussen beleidssectoren. Uitvoeren van onderzoek is noodzakelijk voor het onderbouwen van beleid, het verrichten van strategische verkenningen en het bieden van instrumenten aan andere partijen om hun rol en verantwoordelijkheden waar te maken.

Opdrachten

Onderzoek en kennisoverdracht

De activiteiten voor basisonderzoek en kennisoverdracht hebben vooral betrekking op het gebied van de woningmarkt. Het budget wordt besteed aan onder meer verkenningen, de uitvoering van het Woon Onderzoek Nederland 2012, monitoring van beleid en ramingmodellen.

Ontvangsten

Met ingang van het jaar 2014 zijn de inkomsten van de heffingswet verhuurders (van 760 mln. per jaar) opgenomen in de ontvangsten.

Artikel 4. Woonomgeving en bouw

A Algemene doelstelling

Het stimuleren van burgers, decentrale overheden, instellingen en bedrijven om de kwaliteit van woningen en gebouwen te verbeteren en daarmee energie te besparen en woonlasten te beperken. Het bevorderen van de woningbouwproductie waarbij aanbod en diversiteit zoveel mogelijk aansluit bij de woningbehoefte van Nederland. Het stimuleren van burgers en andere partijen om de leefbaarheid in steden en dorpen te bevorderen.

B Rol en verantwoordelijkheid

  • Op basis van de Woningwet (artikel 120), de wet Milieubeheer (hoofdstuk 4) en de Kadasterwet is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk voor het stimuleren van energiebesparing en reductie van CO2-uitstoot binnen de sector gebouwde omgeving. Het belangrijkste instrument om dit te bereiken is het plan van aanpak Energiebesparing Gebouwde Omgeving. Dit plan, mede van belang voor de bijdrage van Nederland aan de Europese CO2 reductiedoelstelling in 2020, biedt een lange termijnvisie en richt zich op medewerking van marktpartijen. Daarnaast zijn er convenanten (Meer Met Minder, Lenteakkoord Energiebesparing in de Nieuwbouw en Energiebesparing Sociale-Huursector), wet- en regelgeving (verplicht energielabel op basis van Energy Performance of Building Directive (EPBD), en onderzoek met als doel het verspreiden van kennis.

  • Op basis van de Woningwet (hoofdstuk 2) is de minister verantwoordelijk voor het opstellen van bouwregelgeving, de naleving hiervan en het stimuleren van bouwkwaliteit.

  • Op basis van de Grondwet, artikel 22 lid 2 en de Woningwet (hoofdstuk V) is de minister verantwoordelijk voor woningbouw; hetgeen de zorg omvat voor voldoende omvang, kwaliteit en differentiatie van de woningvoorraad. Het kabinet wil de sector stimuleren door investeringscondities te verbeteren en belemmeringen weg te nemen, waardoor meer ruimte ontstaat voor kleinschalige natuurlijke groei, het voorzien in eigen woningbehoefte, (collectief) particulier opdrachtgeverschap (CPO) en meegroei,- mantel- en meergeneratie woningen.

  • Op basis van de Woningwet (artikel 80a) heeft de minister een regierol in het leefbaar maken en houden van steden en dorpen, waarbij met name aandacht is voor grote of specifieke problemen in bepaalde gebieden (bijvoorbeeld aandachtswijken en krimpregio’s). De charters tussen Rijk en gemeenten met aandachtswijken en het Actieplan bevolkingsdaling zijn de kaders waarbinnen de minister ondersteunt, stimuleert en faciliteert. Belangrijkste maatregelen hiertoe zijn het aanpassen van belemmerende wet-en regelgeving (bijvoorbeeld via de Rotterdamwet), advisering, kennisoverdracht, monitoring van resultaten (outcomemonitor Wijken, monitor krimpproblematiek en de ISV3-monitor) en het aanspreken van medeverantwoordelijke collega’s, met het oog op een samenhangende aanpak, bij te dragen aan de leefbaarheid.

C Beleidswijzigingen

Voor de gevolgen van de Woonvisie voor dit artikel wordt verwezen naar artikel 3 Woningmarkt.

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Kamerstukken II, 32 660, nr. 17) is opgenomen dat de programmering van de verstedelijking wordt overgelaten aan provincies en gemeenten. Gemeenten zorgen voor de (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering, binnen de provinciale kaders, en de uitvoering van de woningbouwprogramma’s. Provincies voeren, rekening houdend met de rijksdoelstellingen, de regie over de ruimtelijke opgaven van (boven)regionaal belang. In de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad worden de bestaande verstedelijkingsafspraken onderdeel van de integrale aanpak voor deze gebieden. In de andere regio’s is er geen directe rijksbetrokkenheid meer bij de woningbouwprogrammering.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4 Woonomgeving en bouw

(x € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

44 351

41 369

38 671

33 131

33 012

           

Uitgaven

44 033

41 819

38 671

33 131

33 012

           

4.1 Energie en bouwkwaliteit

35 356

22 664

19 186

16 601

16 482

           

Subsidies

25 250

4 000

1 500

0

0

Tijdelijke stimuleringsregeling energiebesparende voorzieningen

7 250

0

0

0

0

Tijdelijke regeling blok voor blok

1 000

0

500

0

0

Innovatieregelingen gebouwde omgeving

17 000

4 000

1 000

0

0

           

Opdrachten

10 106

18 664

17 686

16 601

16 482

Beleidsprogramma Energiebesparing Gebouwde Omgeving

8 707

17 149

16 177

15 098

14 979

Beleidsprogramma bouwregelgeving

1 399

1 515

1 509

1 503

1 503

           

4.2 Woningbouwproductie

2 799

3 140

3 140

3 140

3 140

           

Opdrachten

2 799

3 140

3 140

3 140

3 140

Beleidsprogramma woningbouwproductie

2 799

3 140

3 140

3 140

3 140

           

4.3 Kwaliteit woonomgeving

5 878

16 015

16 345

13 390

13 390

           

Opdrachten

5 878

16 015

16 345

13 390

13 390

Beleidsprogramma woonomgeving

5 878

6 015

6 345

3 390

3 390

Wijkverpleegkundigen

 

10 000

10 000

10 000

10 000

           

Ontvangsten

91

91

91

91

91

D2 Budgetflexibiliteit

Het merendeel van de uitgaven voor de beleidsprogramma’s Energiebesparing Gebouwde Omgeving en Bouwregelgeving is juridisch dan wel bestuurlijk verplicht. De middelen voor de innovatieregelingen gebouwde omgeving zijn benoemd in het plan van aanpak Energiebesparing Gebouwde Omgeving en zijn ten dele juridisch verplicht. Een vermindering van deze bijdragen vergt echter een herziening van de overeenkomsten gesloten tussen het Rijk en respectievelijk Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) en de Coöperatie GEN (Gebieden Energie Neutraal).

E. Toelichting op de intsrumenten

4.1 Energie en Bouwkwaliteit

Subsidies

Tijdelijke stimuleringsregeling Energiebesparende voorzieningen

De uitvoering van de tijdelijke stimuleringsregeling energiebesparende voorzieningen aan woningen loopt in 2012 door. Doel van de tijdelijke regeling is het stimuleren van het treffen van energiebesparende voorzieningen aan woningen, teneinde de energieprestatie van die woningen te verbeteren. Op basis van een maatwerkadvies kan, na het treffen van voorzieningen waardoor de energie-index van een woning is verbeterd, subsidie worden verstrekt aan een eigenaar-bewoner.

Tijdelijke regeling blok voor blok

Het kabinet zet in op een grootschalige bevordering van energiebesparing in bestaande gebouwen onder de naam blok-voor-blok. De kennis en ervaring opgedaan met de in 2011 gestarte pilot (vijf projecten) wordt verspreid onder overheden en marktpartijen. Bij gebleken succes kan een landelijke uitbreiding van tenminste 100 000 woningen per jaar plaatsvinden. In 2012 wordt op basis van opgedane ervaringen een aanzet hiertoe gemaakt.

Innovatieregelingen gebouwde omgeving

De Innovatieagenda Energie Gebouwde Omgeving (IAGO) bestaat uit de uitvoering van praktijkprojecten energiezuinige en innovatieve bouw, maar ook de overdracht van de kennis uit die projecten naar de markt.

Opdrachten

Beleidsprogramma Energiebesparing Gebouwde Omgeving

Het plan van aanpak Energiebesparing Gebouwde Omgeving bestaat uit maatregelen zoals gedragsbeïnvloeding, het verbeteren van de energetische kwaliteit van gebouwen, inzet van wet- en regelgeving, innovatie en kennisoverdracht. Het programma Energiebudgetten is ook in 2012 hierin van belang. Het kabinet doet daarbij een nadrukkelijk beroep op andere overheden, marktpartijen en consumentenorganisaties om een bijdrage te leveren. Door energiebesparing krijgen burgers meer grip op hun woonlasten én krijgt de bouwsector een impuls. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties begeleidt de uitvoering van het plan van aanpak. De uitvoering bestaat uit de implementatie van Europese richtlijnen, monitoring, kennisoverdracht en de uitvoering van tijdelijke regelingen door het Agentschap.NL (zie subsidies hierboven).

Beleidsprogramma bouwregelgeving

Op 1 januari 2012 zal het nieuwe Bouwbesluit in werking treden. Het aantal algemene maatregelen van bestuur zal hierdoor afnemen. De Tweede Kamer wordt in het najaar 2011 bij brief geïnformeerd over de verdere invulling van de bezinning op de bouwregelgeving, zoals benoemd in de Woonvisie en over de implementatie van de aanbevelingen van de Commissie Dekker. Daarnaast verzorgt de adviescommissie brandveiligheid de onafhankelijke advisering over de toepassing van (brandveiligheids)voorschriften en de helpdesk bouwregelgeving ondersteunt door beantwoording van circa 4 000 vragen per jaar.

4.2 Woningbouwproductie

Opdrachten

Beleidsprogramma woningbouw (inclusief particulier opdrachtgeverschap)

Investeringscondities in de bouw worden verbeterd door instrumenten (zoals wet- en regelgeving) beter te benutten. In interdepartementaal verband worden budgetneutrale voorstellen ontwikkeld, gericht op nieuwe verdienmodellen en financieringsarrangementen. Daarnaast wordt kennis ontwikkeld en overgedragen met betrekking tot regionale programmering, planvorming en grondbeleid en -exploitatie. Het Expertteam Eigenbouw biedt bijstand bij vormgeving van eigenbouwbeleid en projectrealisatie bij gemeenten. De aangeboden expertise beslaat een breed terrein zoals advisering in beleid, planopzet en grondverwerving, bouwbegeleiding en opzet van CPO-projecten (inclusief financieringsconstructies).

4.3 Kwaliteit Woonomgeving

Opdrachten

Beleidsprogramma woonomgeving

De meerjarige betrokkenheid bij de wijkaanpak wordt voortgezet, daarbij rekening houdend met de eindrapportage van de visitatiecommissie «Doorzetten en Loslaten» (mei 2011). De opgedane kennis en ervaring uit de wijkaanpak en het stedenbeleid wordt breder ingezet om de leefbaarheid in dorpen en steden te verbeteren. Daarbij is het uitgangspunt, meer zeggenschap en verantwoordelijkheid bij burgers te leggen. Het Landelijk Samenwerkingsverband Aandachtswijken (LSA) ontvangt tot en met 2013 een bijdrage ten behoeve van bewonersparticipatie in de steden, vooral voor aandachtswijken.

Wijkverpleegkundigen

In 2009 is ter uitvoering van motie Hamer (Kamerstukken II, 31 700, nr. 15) structureel € 10 mln. per jaar beschikbaar gesteld voor meer inzet van wijkverpleegkundigen in de aandachtswijken. In 2012 wordt het programma Zichtbare Schakel geëvalueerd. Op basis daarvan wordt bezien op welke wijze dit budget zal worden ingezet.

Artikel 5. Integratie en maatschappelijke samenhang

A Algemene doelstelling

Het bevorderen van maatschappelijke samenhang en sociale stabiliteit door participatie en inburgering, met als doel dat iedereen met een migrantenachtergrond net als iedere andere burger zelfredzaam is en – naar vermogen – deelneemt aan de samenleving.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor de visie van en samenhang binnen het integratiebeleid van het kabinet en de daarvoor benodigde kennis.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties spreekt de vakdepartementen aan op hun verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat hun generieke beleid voor alle burgers even effectief werkt.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Remigratiewet, de Wet inburgering, de Wet inburgering buitenland en de Wet overleg minderhedenbeleid.

De mate waarin de algemene doelstelling van het integratiebeleid wordt gerealiseerd, wordt afgemeten aan de ontwikkeling van drie kengetallen. Op de langere termijn wordt gestreefd naar evenredige participatie van alle bevolkingsgroepen in Nederland op genoemde indicatoren.6

Tabel 5.1
 

2007

2008

2009

2010

2012

Percentage netto-arbeidsparticipatie van de bevolking 15–64 jaar

         

Niet-westerse migranten

53,6

56,9

55,2

52,8

 

Autochtone Nederlanders

68,7

70,0

69,9

69,4

 

Verschil

– 15,1

– 13,1

– 14,7

– 16,6

afname

Percentage met startkwalificatie van de niet schoolgaande bevolking 15–64 jaar

         

Niet-westerse migranten 2e generatie

68,1

67,1

67,4

67,2

 

Autochtone Nederlanders

70,5

71,4

72,2

72,9

 

Verschil

– 2,4

– 4,3

– 4,8

– 5,7

afname

Aantal verdachten per 1 000 van de bevolking van 12 jaar en ouder

         

Niet-westerse migranten

44

41

38

33 *

 

Autochtone Nederlanders

12

11

10

9 *

 

Verschil

32

30

28

24 *

afname

Bron: CBS kernindicatoren jaarlijkse aanlevering conform onderzoeksopdracht

X Noot
*

De cijfers over 2010 zijn voorlopig

C Beleidswijzigingen

Het kabinet wil met regulier beleid de doelstellingen op het terrein van integratie realiseren. Elke burger kan met algemene faciliteiten op het gebied van arbeidsmarkt, onderwijs en wonen een zelfstandig bestaan opbouwen, eventueel ondersteund door familie of naaste omgeving. Beleid moet werken voor alle groepen in de samenleving. Waar dat niet het geval is, wordt bijgestuurd op het algemene beleid en wordt niet langer gegrepen naar specifieke instrumenten.

Het kabinet komt met voorstellen waarmee nieuwkomers zelf verantwoordelijk worden voor het bereiken van het vereiste niveau van taal en kennis om het inburgeringexamen te halen en dragen zelf de kosten. Er komt een sociaal leenstelsel als vangnet voor mensen die niet in staat zijn hun opleiding zelf te betalen.

Het kabinet zet erop in dat kennis over integratie en over de positie van verschillende groepen in de Nederlandse samenleving, effectieve interventies en succesvolle methoden, beschikbaar worden gesteld en dat het benutten ervan actief wordt bevorderd bij algemene instellingen. Waar nodig wordt bijgedragen aan de inzet van de vakdepartementen, bijvoorbeeld bij jeugdzorg, voor- en vroegschoolse educatie, aansluiting van opleidingskeuze op de arbeidsmarkt en de aanpak van overlastgevende en criminele jeugdgroepen.

Integratiesubsidies worden geleidelijk verminderd, met uitzondering van de subsidie aan Vluchtelingenwerk Nederland, die conform het regeerakkoord wordt voortgezet.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 5 Integratie en maatschappelijke samenhang

(x € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

245 233

181 837

94 506

87 988

87 904

           

Uitgaven

251 233

187 837

94 506

87 988

87 904

           

5.1 Faciliteren inburgering

197 293

134 926

36 515

40 512

40 428

           

Opdrachten

11 242

10 785

12 061

17 299

17 287

Programma inburgering

11 242

10 785

12 061

17 299

17 287

           

Bijdragen

186 051

124 141

24 454

23 213

23 141

Gemeenten uitvoering Wet Inburgering

160 005

98 300

0

0

0

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)*

21 956

21 751

20 364

19 123

19 051

Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)

4 090

4 090

4 090

4 090

4 090

           

5.2 Maatschappelijke en economische zelfredzaamheid

53 940

52 911

57 991

47 476

47 476

           

Subsidies

7 032

7 032

7 032

4 272

4 272

Forum

6 000

6 000

6 000

3 240

3 240

Vluchtelingenwerk Nederland

1 032

1 032

1 032

1 032

1 032

           

Opdrachten

9 906

8 876

13 956

6 712

6 712

Programma integratie

8 206

7 176

12 256

5 012

5 012

Remigratie

1 700

1 700

1 700

1 700

1 700

           

Bijdragen

37 002

37 003

37 003

36 492

36 492

Sociale Verzekeringbank (SVB)

37 002

37 003

37 003

36 492

36 492

           

Ontvangsten

32 425

4 425

4 425

4 425

4 425

X Noot
*

Inclusief het bedrag dat DUO uitkeert in het kader van het leenstelsel.

D2 Budgetflexibiliteit

Bij «Faciliteren inburgering» zijn de uitgaven nagenoeg geheel verplicht. Het betreft de bijdragen aan gemeenten en centrale kosten voor bijvoorbeeld het examenstelsel, het leenstelsel en inburgering in de opvang. Een klein deel van het budget is niet juridisch verplicht en is bestemd voor activiteiten zoals monitoring, onderzoek en voorlichting. Deze activiteiten zijn nodig voor uitvoering van de Wet Inburgering en de Wet Inburgering Buitenland.

Bij «Maatschappelijke en economische zelfredzaamheid» zijn de uitgaven eveneens voor het grootste deel verplicht. Het gaat met name om remigratie-uitkeringen. De rechten van degenen aan wie een uitkering is toegekend, kunnen niet worden aangetast.

E Toelichting op de instrumenten

5.1 Faciliteren inburgering

Opdrachten

Programma Inburgering

Een aantal inburgeringstaken wordt centraal gecoördineerd. De uitvoering verloopt via opdrachten aan diverse organisaties voor het onderhoud van de examens, monitoring van de inburgeringsresultaten en het keurmerk inburgering. De regelgeving en de aansturing van de bovengenoemde activiteiten berust bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Als gevolg van de Wet inburgering in het buitenland (WIB) moeten bepaalde groepen vreemdelingen die zich in Nederland willen vestigen het basisexamen inburgering afleggen op een examenlocatie in het buitenland. In dit kader worden opdrachten verleend aan diverse partijen inzake de uitvoering van de Wet inburgering in het buitenland voor het onderhoud van het examenstelsel.

Tabel 5.2 Kengetallen inburgering Nederland1

Kengetallen inburgering Nederland

20102

2011

2012

2013

2014

2015

Aantal deelnemers dat voor het inburgeringsexamen is geslaagd3

27 425

30 000

25 000

15 000

15 000

15 000

Slagingspercentage

72%

65%

70%

70%

70%

70%

X Noot
1

De meetbare gegevens (tabel 5.2 en 5.3) van de onderdelen van het integratiebeleid waarvoor de minister van BZK specifiek verantwoordelijk is, zijn hier opgenomen. Voor de meetbare gegevens inzake de delen van het integratiebeleid die worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bewindslieden van andere departementen zijn de betreffende bewindslieden verantwoordelijk.

X Noot
2

Bron: Informatiesysteem Inburgering (ISI) van DUO, stand per ultimo 2010, peildatum 17 februari 2011.

X Noot
3

De geslaagden per jaar kunnen in datzelfde jaar of in eerdere jaren zijn gestart. Bijvoorbeeld: geslaagden in 2010 zijn dus in 2010 of in eerdere jaren gestart en hebben hun traject in 2010 met succes afgerond.

Bijdragen

Gemeenten uitvoering Wet Inburgering

In 2012 stelt het Rijk nog € 196,7 mln. beschikbaar aan gemeenten om inburgeringsplichtigen een aanbod te kunnen doen. Hiervan is reeds € 36,7 mln. toegevoegd aan het Gemeentefonds voor uitvoeringskosten; het overige budget (€ 160 mln.) wordt ingebracht in het Participatiebudget.

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

DUO ontvangt een bijdrage voor het afnemen van examens, het verstrekken van vergoedingen en de uitvoering van het leenstelsel. Het leenstelsel is vangnet voor mensen die niet in staat zijn hun inburgeringsopleiding zelf te betalen.

Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)

Het COA ontvangt een bijdrage voor de voorinburgering in de centrale opvang.

5.2 Maatschappelijke en economische zelfredzaamheid

Subsidies

Forum

Forum ontvangt als onafhankelijk kennisinstituut op het terrein van multiculturele vraagstukken een subsidie voor het vergaren en beschikbaar stellen van specifieke kennis en expertise op het terrein van integratie aan gemeenten, bedrijven en organisaties en instellingen.

VluchtelingenWerk Nederland

VluchtelingenWerk Nederland ontvangt subsidie in het kader van haar steunfunctie (informatie, advies, training) voor regionale en lokale afdelingen. Vanuit deze afdelingen zetten beroepskrachten en vrijwilligers zich in voor de maatschappelijke begeleiding en integratie van asielgerechtigden.

Opdrachten

Programma integratie

  • Versterking regulier beleid: voor monitoring van het integratieproces, zoals de Jaarrapporten integratie, kennisontsluiting, methodiekontwikkeling, onderzoek en evaluatie worden opdrachten aan diverse partijen verstrekt. Gemeenten zullen worden ondersteund bij het borgen van specifieke kennis en ervaringen in het reguliere beleid. Ook verschijnt elk jaar gelijktijdig met de begroting het Jaarrapport Integratie met een feitelijk overzicht van de ontwikkelingen in de integratie.

  • Maatschappelijke binding en burgerschap: een samenleving op basis van gedeelde belangen en gedeelde verantwoordelijkheid vraagt om een grondhouding van burgerschap. De overheid schept daartoe de voorwaarden. Het kabinet zal vanuit die gedachte met een wetsvoorstel komen dat gelaatsbedekkende kleding in de openbare ruimte verbiedt. Het streven is de wet per 1 januari 2013 in werking te laten treden. Eveneens worden aan diverse organisaties opdrachten verstrekt voor het actieprogramma bestrijding discriminatie en de agenda hedendaags burgerschap.

  • Huwelijk- en gezinsmigratie: in 2012 worden opdrachten verstrekt aan diverse organisaties op het terrein van huwelijks- en gezinsmigratie.

Remigratie

BZK heeft aan het Nederlands Migratie Instituut (NMI) een meerjarige opdracht verstrekt ten behoeve van de voorlichting Remigratiewet voor de periode van 2011–2014.

Tabel 5.3 Kengetallen Aanpak rassendiscriminatie

Aanpak rassendiscriminatie

20071

20081

20092

Aantal meldingen bij een antidiscriminatievoorziening van discriminatie op grond van ras.

1 835

2 003

2 361

X Noot
1

Bron: Kerncijfers 2008; landelijk overzicht van discriminatieklachten geregistreerd bij antidiscriminatiebureaus en meldpunten in Nederland opgesteld door Art. 1, de landelijke vereniging ter voorkoming en bestrijding van discriminatie in samenwerking met de Universiteit van Utrecht

X Noot
2

Bron: voorlopige cijfers Art. 1, de landelijke vereniging ter voorkoming en bestrijding van discriminatie, uit de registratie van de antidiscriminatievoorzieningen in Nederland; het definitieve rapport verschijnt later dit jaar.

Bijdragen

Sociale Verzekeringsbank

Aan de Sociale Verzekeringsbank wordt een bijdrage verstrekt om de Remigratiewet uit te kunnen voeren en de uitkeringen op grond van deze wet te kunnen uitbetalen. Om tegemoet te komen aan twee moties van de Tweede Kamer zullen aanpassingen worden uitgevoerd in de wet en onderliggende regelgeving. De wetswijziging zal volgens planning in 2012 in werking kunnen treden.

Tabel 5.4 Kengetallen Facilitering remigratie

Facilitering remigratie

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Aantal remigranten met een periodieke uitkering per einde jaar

11 386

11 730

12 030

12 300

12 550

12 780

Bron: Jaarlijkse opgave van de Sociale verzekeringsbank (SVB) van het aantal rechthebbenden en de raming daarvan.

Artikel 6 Dienstverlenende en innovatieve overheid

A Algemene doelstelling

Een compacte overheid, door minder regeldruk, voorzieningen voor efficiënt gebruik van overheidsinformatie en het bevorderen van burgerschap.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een regierol voor het verminderen van administratieve lasten en regeldruk voor burgers, professionals en interbestuurlijke regeldruk.

De minister is systeemverantwoordelijk voor het stelsel van basisregistraties. Hij is vanuit de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens verantwoordelijk voor een goed functionerende Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) en vanuit de Paspoortwet verantwoordelijk voor betrouwbare reis- en identiteitsdocumenten. De minister stelt voor de basisregistratie het beleid vast en is verantwoordelijk voor de uitvoering.

De minister is coördinerend verantwoordelijk voor het gebruik en de implementatie van e-overheidvoorzieningen en is als opdrachtgever verantwoordelijk voor de ontwikkeling en het beheer van diverse e-overheidvoorzieningen.

De minister heeft een regierol voor het bevorderen van burgerschap.

C Beleidswijzigingen

Er zijn nieuwe doelstellingen voor de vermindering van regeldruk; de administratieve lasten van burgers moeten vanaf 2013 jaarlijks merkbaar en met 5% verminderen. Voor professionals in de publieke sector moet er sprake zijn van een merkbare vermindering van de regeldruk. Verder worden de interbestuurlijke lasten en uitvoeringskosten teruggedrongen. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een coördinerende rol bij deze vermindering van regeldruk voor burgers, professionals en medeoverheden.

De coördinerende rol houdt in dat het ministerie gegevens van de departementen en medeoverheden verzamelt en controleert over hoeveel administratieve lasten zij veroorzaken door wijzigingen in regelgeving en uitvoering. Daarnaast heeft het ministerie een aanjagende rol richting de andere departementen en medeoverheden en biedt het ministerie handvatten om de regeldruk te verminderen.

Bij een dienstverlenende en innovatieve overheid past ook een toegankelijk gebruik van informatie. Dit speelt een cruciale rol in de implementatieagenda Nationaal uitvoeringsprogramma Dienstverlening en e-overheid (iNUP). Deze richt zich op breed gebruik van de e-overheidsvoorzieningen door overheidsorganisaties voor burgers en bedrijven.

In het beleid staan de gebruikers centraal, is transparantie over het gebruik van gegevens essentieel en staat het principe voorop dat gegevens maar één keer worden gevraagd voor meervoudig gebruik. Daarbij wordt altijd rekening gehouden met de veranderende rol van de overheid. Daarom is optimale benutting van het potentieel de komende periode een belangrijk aandachtspunt.

Daarnaast wil het kabinet de kracht van de samenleving benutten. Dat wil zeggen dat het kabinet ruimte geeft aan initiatieven van burgers die verantwoordelijkheid nemen voor elkaar en voor de samenleving. Ruimte geven betekent toestemming geven voor experimenten met beleid en bestuur, belemmeringen voor het nemen van verantwoordelijkheid opheffen en voorbeelden tonen van hoe het wel kan.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6 Dienstverlenende en innovatieve overheid

(x € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

125 170

104 669

111 362

91 998

89 295

           

Uitgaven

125 170

104 669

111 362

91 998

89 295

           

6.1 Verminderen Regeldruk

2 800

3 100

3 100

3 100

0

           

Opdrachten

2 800

3 100

3 100

3 100

0

Vermindering regeldruk en administratieve lasten

2 800

3 100

3 100

3 100

0

           

6.2 Informatiebeleid en ontwikkeling e-overheidsvoorzieningen

25 166

25 229

25 126

17 482

17 465

           

Opdrachten

17 166

17 229

17 126

9 482

9 465

(door)ontwikkeling e-overheidvoorzieningen

17 166

17 229

17 126

9 482

9 465

           

Bijdragen

8 000

8 000

8 000

8 000

8 000

Implementatie NUP (VNG)

8 000

8 000

8 000

8 000

8 000

           

6.3 Betrouwbare levering van e-overheidsvoorzieningen

45 852

45 138

43 668

42 852

42 707

           

Opdrachten

11 671

11 334

10 414

10 031

9 982

Beheer e-overheidsvoorzieningen

8 563

8 133

7 117

6 635

6 586

Officiële publicaties en wettenbank

3 108

3 201

3 297

3 396

3 396

           

Bijdragen

34 181

33 804

33 254

32 821

32 725

Baten-lastendienst Logius

30 885

30 410

29 764

29 220

29 124

Baten-lastendienst BPR

3 296

3 394

3 490

3 601

3 601

           

6.4 Burgerschap

4 942

4 872

6 544

6 469

6 469

           

Subsidies

4 442

4 372

6 044

5 969

5 969

Comité 4/5 mei

119

119

119

119

119

Huis voor Democratie en rechtstaat

4 323

4 253

5 925

5 850

5 850

           

Opdrachten

500

500

500

500

500

Programma burgerschap

500

500

500

500

500

           

6.5 Reisdocumenten en basisadministratie personen

46 410

26 330

32 924

22 095

22 654

           

Opdrachten

29 510

9 430

16 024

5 095

5 754

Beleid GBA en reisdocumenten

4 758

4 283

4 219

4 104

5 087

Modernisering GBA

8 752

5 147

1 305

991

667

ORRA

16 000

0

10 500

0

0

           

Bijdragen

16 900

16 900

16 900

17 000

16 900

Baten-lastendienst BPR

16 900

16 900

16 900

17 000

16 900

           

Ontvangsten

500

500

500

500

500

           

D2 Budgetflexibiliteit

Voor een beperkt deel van de beleidsuitgaven zijn nog geen verplichtingen aangegaan. Deze middelen worden gedurende het jaar aangewend voor beleidsdoeleinden, waarvoor op dit moment nog geen juridische verplichting is ingesteld. Voor een groot deel zijn er al afspraken vastgelegd met bijvoorbeeld baten-lastendiensten en gemeenten. Deze middelen zijn derhalve niet alternatief aanwendbaar.

E Toelichting op de instrumenten

6.1 Verminderen regeldruk: het terugdringen van de regeldruk voor burgers, professionals en interbestuurlijk

Opdrachten

Vermindering regeldruk en administratieve lasten

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een aanjagende rol richting andere departementen en medeoverheden voor het verminderen van regeldruk. Ondermeer wordt samenwerking gezocht met medeoverheden om ook lokaal de regeldruk terug te dringen. Daarnaast geeft BZK een financiële bijdrage aan het onafhankelijk advies- en toetsingscollege Actal, dat een toets uitvoert op nieuwe, voorgenomen wet- en regelgeving en worden mediationvaardigheden ingezet.

Tabel 6.1

Indicatoren

Beginstand 2010

Streefwaarde 2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Streefwaarde 2015

Vermindering administratieve lasten van de burger in tijd en kosten bij de overheid (t.o.v. het jaar daarvoor)

78,2 mln uur

€ 945,7 mln

0%

0%

– 5%

– 5%

– 5%

Bron: Cijfers aangeleverd door verschillende departementen

6.2 Informatiebeleid en ontwikkeling e-overheidsvoorzieningen: het vergroten van de efficiency en effectiviteit van de overheid bij het gebruik van informatie binnen de overheid en tussen overheid en samenleving

Opdrachten

(Door)ontwikkeling e-overheidsvoorzieningen

In 2012 werkt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verder aan de noodzakelijke (door)ontwikkeling van standaardisatie, architectuur (Nederlandse OverheidsReferentie Architectuur), het identiteitsbeleid (waaronder de uitbouw van het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude) en het coördineren en monitoren van het beleid.

De minister is daarnaast verantwoordelijk voor de (door)ontwikkeling van

e-overheidsvoorzieningen. Deze voorzieningen zijn:

  • Register Niet-ingezetenen (RNi), voorbereiding elektronische Nederlandse IdentiteitsKaart (eNIK) en verbetering authenticatievoorzieningen;

  • verbetering toegankelijkheid overheidinformatie (waaronder open data, webrichtlijnen, Overheid.nl/MijnOverheid), periodieke aanbesteding wettenbank en nog te bepalen voorzieningen naar aanleiding van het kabinetsstandpunt op het rapport «iOverheid» van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).

Bijdragen

Implementatie NUP

Naast de verdere ontwikkeling van het informatiebeleid en de (door)ontwikkeling van e-overheidsvoorzieningen draagt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij aan de implementatie van het beleid voor en de ontwikkeling van de basisregistraties. Hiervoor biedt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties implementatieondersteuning (iNUP) aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten/KING en zorgt het ministerie voor verdere ontwikkeling van het stelsel van basisregisters.

6.3 Betrouwbare levering van e-overheidsvoorzieningen: het efficiënt en effectief leveren van een aantal overheidsbrede e-overheidsvoorzieningen en het stimuleren van het gebruik van deze voorzieningen

Opdrachten

Beheer e-overheidsvoorzieningen

Overheidsorganisaties zijn voor hun bedrijfsvoering gedeeltelijk afhankelijk van de levering van verschillende e-overheidsvoorzieningen. De minister is opdrachtgever voor het beheer van een deel van de e-overheidsvoorzieningen, zoals Burgerservicenummer, DigiD en MijnOverheid. Daarnaast is de minister verantwoordelijk voor het beheer van het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude. De opdrachten voor het beheer van deze e-overheidsvoorzieningen zijn ondergebracht bij diverse uitvoeringsorganisaties.

Officiële publicaties en wettenbank

In opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beheert stichting ICTU officiële publicaties en de SDU de productie Wettenbank en de productie officiële publicaties.

Bijdragen

Baten-lastendienst Logius

Logius beheert DigiD/DigiD buitenland, stelselvoorzieningen digikoppeling, -melding en levering, Public Key Infrastructure (PKI), DigiD-machtiging standaarden/voorzieningen toegankelijkheid overheidsinformatie (waaronder de webrichtlijnen), www.overheid.nl, MijnOverheid en stimuleert het gebruik van deze voorzieningen.

Baten-lastendienst BPR

Baten-lastendienst BPR (Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten) ontvangt voor het beheer van het Burgerservicenummer een bijdrage van het ministerie.

In de bijlagen over de baten-lastendiensten BPR en Logius zijn de meetbare gegevens opgenomen.

6.4 Burgerschap

Subsidies

Het Comité 4 en 5 mei en Huis voor Democratie en Rechtsstaat

Voor het bevorderen van burgerschap worden subsidies gegeven aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei en aan het Huis voor Democratie en Rechtsstaat. De subsidie aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei draagt bij aan de herdenkingen en vieringen die het comité organiseert. Daarnaast voert het Nationaal Comité 4 en 5 mei educatie- en erfgoedprojecten uit. De subsidie aan het Huis voor Democratie en Rechtsstaat draagt bij aan de educatieve activiteiten die het Huis uitvoert ter bevordering van de kennis over de democratische rechtsstaat.

Opdrachten

Programma Burgerschap

De minister is verantwoordelijk voor het bevorderen van actief burgerschap in samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de vakdepartementen en maatschappelijke en bewonersorganisaties. Het project «meer burger, minder overheid» stimuleert het zelforganiserende vermogen van burgers en beoogt:

  • de krachten in de samenleving te vinden die initiatieven ontplooien in collectieve aangelegenheden;

  • knelpunten te identificeren die eigen verantwoordelijkheid nemen in de weg staan en deze waar mogelijk verhelpen;

  • voorwaarden scheppen dat burgers op eigen kracht invulling geven aan hun leven en bijdragen aan de leefomgeving/samenleving.

De minister wil de slag maken van burgerparticipatie (initiatief ligt bij de overheid) naar overheidsparticipatie (initiatief ligt bij burgers en bedrijven). De voorwaarden hiervoor zullen worden opgenomen in de eerder aangekondigde Agenda Hedendaags Burgerschap. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties maakt de agenda in samenspraak met de samenleving. Het is geen statisch document, maar ontwikkelt zich naar mate mensen en organisaties meer activiteiten ontplooien in de samenleving. De opzet is dat aan in de agenda opgenomen ambities wordt gewerkt door Rijk, gemeenten en maatschappelijke organisaties gezamenlijk. Voor de uitvoering op lokaal niveau is – naast primair de inzet van burgers en bedrijven – een stimulerende en faciliterende rol van de gemeenten, met de ondersteuning van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van belang en de inzet van lokale ambtenaren die met burgerparticipatie verder aan de slag willen. Want ook het bestuur zal moeten wennen aan een nieuwe rol. De minister wil dat mensen initiatieven die niet op het lokale niveau thuishoren, maar wel overheidsbetrokkenheid vergen via een rijksloket kunnen melden en daar ook respons op krijgen (Initiatief Rijk). Daarnaast is de minister bereid zich in te zetten voor het zonodig aanpassen van regelgeving en werkwijzen die nu het uitoefenen van verantwoordelijkheden door de samenleving in de weg staan.

6.5 Een betrouwbare GBA en betrouwbare reis- en identiteitsdocumenten

Opdrachten

Beleid GBA en reisdocumenten

In 2012 wordt de kwaliteit van de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) verbeterd. Het actieplan kwaliteit GBA heeft als doel de betrouwbaarheid van de GBA te vergroten. Dit wordt gedaan in samenwerking met Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de gemeenten (motie Heijnen en Bilder, Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200, nr. 34). Daarnaast heeft Caribisch Nederland op dit moment zijn eigen bevolkingsadministratie (PIVA-V) en identiteitskaart (Sedula). In 2012 wordt, in samenwerking met de openbare lichamen, de kwaliteit van PIVA verbeterd en zal een besluit genomen worden over de eventuele vervanging van de Sedula door de Nederlandse identiteitskaart.

Modernisering GBA

De minister is ook opdrachtgever voor de modernisering van de GBA. Onderdeel van het programma is de realisatie van het 24 uur per dag online beschikbaar maken van actuele en betrouwbare persoonsgegevens voor geautoriseerde gebruikers. Dit levert een gestandaardiseerde en moderne uitwisseling van de persoonsgegevens en een betere controle op de kwaliteit van de GBA, zoals is vastgelegd in het bestuurlijk akkoord met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten op 5 maart 2009 (Kamerstukken II, 2008–2009, 27 859, nr. 17).

ORRA

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft het voornemen om de betrouwbaarheid van het aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten te verbeteren door de realisatie van een online raadpleegbare reisdocumentenadministratie (ORRA) die ook een plaatsonafhankelijke aanvraag en uitgifte van reisdocumenten mogelijk moet maken. In 2010 en 2011 is, mede gelet op de besluitvorming over de opslag van de vingerafdrukken in de decentrale reisdocumentenadministraties, een pas op de plaats gemaakt met de realisatie van de ORRA. Er wordt onderzocht op welke wijze de ORRA vorm dient te krijgen.

Bijdragen

Baten-lastendienst BPR

Voor de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) en het uitgeven van betrouwbare reis- en identiteitsdocumenten is de minister opdrachtgever van de baten-lastendienst BPR.

Artikel 7. Arbeidszaken overheid

A Algemene doelstelling

Een (compacte) overheid met voldoende en goed gekwalificeerde, integere medewerkers en politieke ambtsdragers tegen verantwoorde kosten.

B Rol en verantwoordelijkheid

Op grond van onder andere de Ambtenarenwet en de Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties systeemverantwoordelijk voor de coördinatie van het arbeidsvoorwaardenbeleid in de publieke sector, waaronder het creëren van voorwaarden om agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak tegen te gaan. Verder is de minister verantwoordelijk voor het bevorderen van integriteit van ambtenaren en bestuurders en het bevorderen van de professionaliteit van bestuurders. De minister creëert voorwaarden ter bescherming van klokkenluiders binnen de publieke sector. De minister bevordert mobiliteit binnen het openbaar bestuur door belemmeringen weg te nemen en gaat excessieve beloningen in de publieke en semi-publieke sector tegen. Ook bevordert de minister het moderniseren van de rechtspositieregelingen voor politieke ambtsdragers (in het verlengde van de Dijkstal-voorstellen).

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is uitvoeringsverantwoordelijk voor de rechtspositionele regelingen van (voormalige) politieke ambtsdragers, de pensioenregelingen van Nederlandse ambtenaren uit de voormalige overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen, de benoemingen en ontslagen van onder andere burgemeesters, commissarissen der Koningin, leden van de Raad van State en de toekenning van Koninklijke onderscheidingen.

C Beleidswijzigingen

De werkgelegenheid in het openbaar bestuur zal door de bezuinigingen dalen. Dat leidt tot personeelsoverschotten. Er ontstaan tegelijkertijd tekorten aan personeel, doordat vraag en aanbod niet op elkaar aansluiten. De verwachting is dat in een aantrekkende arbeidsmarkt veel moeilijk vervulbare vacatures ontstaan. Om te voorkomen dat onnodig beroep wordt gedaan op de externe inhuur van specialisten is het belangrijk dat de arbeidsmobiliteit binnen het openbaar bestuur toeneemt. Boventallige medewerkers zullen zoveel mogelijk «van werk naar werk» gaan. De rechtspositie van ambtenaren wordt in beginsel gelijk aan die van werknemers in de marktsector.

Vanwege de gevolgen van de economische crisis en de noodzakelijke bezuinigingen heeft het kabinet in 2011 (net als in 2010) geen extra middelen beschikbaar gesteld van de lonen van ambtenaren. De daadwerkelijke loonontwikkeling – die in het arbeidsvoorwaardenoverleg met de bonden tot stand komt moet daarom praktisch (tenminste) twee jaar op nul uitkomen.

Het beleid met betrekking tot een divers samengesteld personeelsbestand is in 2011 afgebouwd. Het realiseren van een divers samengesteld personeelsbestand is een taak voor de individuele overheidswerkgevers. Wel wordt voor hen als ondersteuning de diversiteitsindex in stand gehouden.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 7 Arbeidszaken overheid

(x € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

47 192

45 804

43 335

38 270

41 203

           

Uitgaven

47 192

45 804

43 335

38 270

41 203

           

7.1 Overheid als werkgever

14 244

14 656

12 087

9 522

9 505

           

Subsidies

7 436

7 140

6 162

5 135

4 930

Subsidies Overlegstelsel

3 286

3 240

3 212

3 185

2 980

Subsidies integriteit en professionalisering

2 150

2 150

1 950

1 950

1 950

Subsidies Veilige Publieke Taak

2 000

1 750

1 000

0

0

           

Opdrachten

6 808

7 516

5 925

4 387

4 575

Arbeidsmarktbeleid

3 058

3 516

3 575

3 437

3 625

personele zorg politieke ambtsdragers

950

950

950

950

950

Programma Veilige Publieke Taak

2 800

3 050

1 400

0

0

           

7.2 Pensioenen, uitkeringen en benoemingsregelingen

32 948

31 148

31 248

28 748

31 698

           

Bekostiging

32 948

31 148

31 248

28 748

31 698

Regelingen voor Nederlandse ambtenaren uit de voormalige overzeese gebiedsdelen

22 856

21 056

21 156

18 656

22 056

Pensioenen en uitkeringen Politieke ambtsdragers

9 904

9 904

9 904

9 904

9 454

Benoemingsregelingen politieke ambtsdragers

188

188

188

188

188

           

Ontvangsten

820

820

820

820

820

D2 Budgetflexibiliteit

De budgetflexibiliteit van de uitgaven is beperkt. De geraamde uitgaven voor pensioenen en uitkeringen zijn benodigd voor (toekomstige) aanspraken. Subsidies voor het overlegstelsel liggen vast in beschikkingen.

E Toelichting op de instrumenten

7.1 Overheid als werkgever

Subsidies

Overlegstelsel

Een adequaat overlegstelsel wordt door het subsidiëren van de Stichting Verdeling Overheidsbijdragen (SVO), het Verbond Sectorwerkgevers Overheid (VSO) en de Stichting Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel in stand gehouden. Ook het European Institute for Public Administration ontvangt jaarlijks een bijdrage.

Integriteit en professionalisering

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties werkt aan een modern en goed werkgeverschap. In dat kader worden het Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector (BIOS) en het Burgemeestersfonds gesubsidieerd. BIOS richt zich op het versterken van het integriteitsbesef en het bevorderen van een evenwichtig en samenhangend integriteitsbeleid bij publieke organisaties door kennisdeling en -uitwisseling, zowel nationaal als internationaal, door het organiseren van integriteitsbijeenkomsten, het geven van presentaties, het ontwikkelen van instrumenten en leidraden en het faciliteren van diverse opleidingen en workshops. Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters ontvangt een jaarlijkse bijdrage voor diverse activiteiten ten behoeve van de verdere professionalisering van de uitoefening van de burgemeestersfunctie (een deel van de bijdrage is afkomstig uit de arbeidsvoorwaardenruimte voor burgemeesters).

Veilige Publieke Taak

Een veilige taakuitoefening door personeel met een publieke taak en politieke ambtsdragers is van groot belang voor het openbaar bestuur. Met het expertisecentrum Veilige Publieke Taak richt de minister zich op het stimuleren en ondersteunen van de overheidswerkgevers bij het nemen van hun verantwoordelijkheid hiervoor. Het gaat daarbij met name om het stimuleren van en ondersteunen bij het daadwerkelijk verhalen van schade, het uitwisselen van kennis en ervaringen, de VPT-award en de VPT-beurs.

Opdrachten

Arbeidsmarktbeleid

Met een gericht arbeidsmarkt- en arbeidsvoorwaardenbeleid bevordert de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de overheid als aantrekkelijke werkgever. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties werkt aan een modern en goed werkgeverschap, flexibele overheidsorganisaties, arbeidsparticipatie en de productiviteit. Meer flexibiliteit betreft ook de onderlinge verhoudingen tussen de overheidsorganisaties. In dat kader gaat het onder meer om het wegnemen van belemmeringen voor interbestuurlijke mobiliteit. De minister streeft naar een doelmatiger dienstverlening door het verbeteren van de arbeidsproductiviteit (onder andere het stimuleren van slimmer werken) en het verminderen van de administratieve lastendruk voor de overheidswerknemers.

Personele zorg politieke ambtsdragers

Met het realiseren van een zo breed mogelijke toegang tot bestuurlijke en politieke functies en het verbeteren van de kwaliteit van de functievervulling door politieke ambtsdragers draagt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij aan het goed functioneren van het politieke en bestuurlijke systeem en aan een slagvaardig openbaar bestuur.

Veilige Publieke Taak

Een veilige en integere taakuitoefening voor personeel met een publieke taak en politieke ambtsdragers is van groot belang voor het openbaar bestuur. Met het programma Veilige Publieke Taak richt de minister zich op het voorkomen, beperken en afhandelen van agressie en geweld vanuit de keten van werknemers, werkgevers, politie en openbaar ministerie op lokaal niveau. Het programma kenmerkt zich daarnaast door een dadergerichte aanpak bestaande uit een duidelijke norm, het vergroten van de pakkans en het altijd geven van een reactie naar de dader. In dat kader wordt gewerkt aan het verhogen van de meldings- en aangiftebereidheid en het stimuleren van en ondersteunen bij het daadwerkelijk verhalen van schade door werkgevers, Het programma richt zich verder op het monitoren van de gemaakte afspraken in de opsporing en vervolging, zoals de hogere strafeisen en het verbeteren van de veiligheid in het Openbaar Vervoer.

Tabel 7.1
 

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

1. Aantal onvervulde vacatures in de sectoren Rijk, Provincies, Gemeenten, Rechterlijke Macht, Waterschappen, Onderwijs, Politie en Defensie.

15 600

20 300

20 700

10 500

2. Bevorderen van aantrekkelijk werkgeverschap: Aandeel werknemers, dat tevreden is met de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden

58%

59%

3. Driejarig gemiddelde afwijking in loonontwikkeling overheid t.o.v. de markt

0,4%

0,9%

0,3%

0,40%

7.2 Pensioenen, uitkeringen en benoemingsregelingen

Bekostiging

Regelingen voor Nederlandse ambtenaren uit de voormalige overzeese gebiedsdelen

Voor de pensioenregelingen van (voormalige) Nederlandse ambtenaren uit de voormalige overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen is € 22,8 mln. begroot.

Pensioenen en uitkeringen politieke ambtsdragers

Voor de rechtspositionele regelingen van (voormalige) politieke ambtsdragers is € 9,9 mln. begroot.

Benoemingsregelingen politieke ambtsdragers

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor het benoemen en ontslaan van onder andere burgemeesters, commissarissen van de Koningin, leden van de Raad van State en de toekenning van Koninklijke onderscheidingen.

Artikel 8. Kwaliteit Rijksdienst

A Algemene doelstelling

Een goed presterende rijksoverheid op het gebied van bedrijfsvoering en het bevorderen van de kwaliteit van het management van de Rijksdienst.

B Rol en verantwoordelijkheid

Voor een optimale beleidsvoorbereiding en -uitvoering moet de interne beheersing en sturing van de bedrijfsprocessen in rijksbreed verband op orde zijn. Deze bedrijfsprocessen moeten naast dienstbaar aan het beleid, ook effectief en doelmatig zijn. Daarvoor zijn heldere kaders nodig. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties bepaalt in samenwerking met de andere ministeries deze kaders en brengt daarin meer samenhang, met als doel een beter bestuurbare en meer efficiënte bedrijfsvoering binnen de rijksdienst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor het rijksbrede beleid en de rijksbrede kaders op terreinen als personeel, informatie- en communicatietechnologie (ICT), organisatie, huisvesting, inkoop, facilitaire dienstverlening en beveiliging. Tevens is de minister verantwoordelijk voor de primaire arbeidsvoorwaarden van het Rijk.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties investeert vanuit zijn systeemverantwoordelijkheid in het concernbrede zicht op talent en in specifieke ontwikkeltrajecten voor managers. Daartoe bevordert de minister de uitstroom en flexibiliteit, een kleinere topstructuur van het Rijk, samenwerking tussen leidinggevenden, toekomstgerichtheid van managementtalent en de plaatsing van Nederlandse topposities bij Europese instellingen. Dit laatste gebeurt in samenwerking met het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Vanuit een uitvoerende rol is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk voor de rol van werkgever voor de Topmanagementgroep, daar waar het gaat om benoemingen, arbeidsvoorwaarden en ontslag.

C Beleidswijzigingen

Het programma Compacte Rijksdienst (Kamerstukken II, 2010–2011, 31 490, nr. 1) dat op 17 februari 2011 is aangeboden aan de Tweede Kamer, levert een bijdrage aan de algemene doelstelling. Dit programma is één van de beleidsprioriteiten van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 8 Kwaliteit Rijksdienst

(x € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

28 964

26 480

25 446

24 878

24 818

           

Uitgaven

28 964

26 480

25 446

24 878

24 818

           

8.1 Kwaliteit Rijksdienst

28 964

26 480

25 446

24 878

24 818

           

Subsidies

3 400

3 400

3 400

3 400

3 400

Subsidie A&O-fonds

3 400

3 400

3 400

3 400

3 400

           

Opdrachten

7 828

6 004

5 766

5 765

5 783

Bedrijfsvoering Rijk

7 828

6 004

5 766

5 765

5 783

           

Bijdragen

17 736

17 076

16 280

15 713

15 635

Arbeidsmarkt Communicatie

5 955

5 776

5 576

5 376

5 376

Doc-Direkt

11 781

11 300

10 704

10 337

10 259

           

Ontvangsten

2 550

2 650

2 650

2 650

2 650

D2 Budgetflexibiliteit

Voor een groot deel van de uitgaven, zoals bedrijfsvoering Rijk en bijdrage arbeidsmarktcommunicatie, zijn nog geen juridische verplichtingen aangegaan. Deze middelen worden gedurende het jaar aangewend voor beleidsdoeleinden en zijn in principe alternatief aanwendbaar. Wel is de subsidie aan het A&O-fonds juridisch verplicht. Deze middelen alternatief aanwendbaar maken, vergt een wijziging van een ministeriële regeling waarin een opzegtermijn van drie jaar is vastgelegd. Ook de bijdrage aan Doc-Direkt is juridisch verplicht.

E Toelichting op de instrumenten

Subsidies

Arbeidsmarkt- en opleidingenfonds (A&O-fonds)

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekt jaarlijks aan het A&O-fonds Rijk een subsidie van € 3,4 mln. Deze subsidie is onderdeel van de CAO-afspraken. Het fonds zet de subsidie in voor arbeidsmarktprojecten binnen het Rijk die het bestuur van het A&O-fonds goedkeurt. Jaarlijks wordt hiervoor een beleidsplan gemaakt.

Opdrachten

Bedrijfsvoering Rijk

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor het rijksbrede beleid en kaders voor de bedrijfsvoering. Om de kwaliteit van de rijksdienst te verbeteren wordt in 2012 op het terrein van organisatie en personeel het functiegebouw Rijk bij alle departementen geïmplementeerd. De Belastingdienst implementeert het functiegebouw Rijk later.

Op het gebied van ICT ontwikkelt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties architectuur, kaders en standaarden en het CIO-stelsel om beter grip te krijgen op de grote ICT-projecten. In 2012 zullen 20 000 uniforme digitale werkplekken (DWR cliënts) operationeel zijn. Alle departementen (met uitzondering van Defensie) stappen over op het rijksportaal. Verder worden de departementen ondersteund in hun digitaliseringsproces en bij de invoering van de kaders en standaarden voor een optimale informatiehuishouding. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ontwikkelt de kaders voor de informatiebeveiliging binnen de rijksdienst.

De generieke inkoop, die onder rijksbreed categoriemanagement valt, stijgt met tenminste 50%.

Er wordt verder gegaan met de invoering van de standaardisatie voor de fysieke werkomgeving Rijk.

Rijksbrede kengetallen over de bedrijfsvoering staan vermeld in de jaarrapportage bedrijfsvoering Rijk.

Bijdragen

Arbeidsmarkt Communicatie

Het Expertisecentrum Organisatie & Personeel (EC O&P) van De Werkmaatschappij geeft uitvoering aan het rijksbrede recruitmentprogramma en beheer en doorontwikkeling technische infrastructuur platform mobiliteitssites rijksoverheid.

Doc-Direkt

Per 1 januari 2011 is Doc-Direkt opgericht, de nieuwe archiefbewerkingsorganisatie van het Rijk waarin onder andere de Centrale Archief Selectiedienst (CAS) is opgegaan. Doc-Direkt heeft onder andere als taak de archiefachterstanden (1976–2004) van in totaal 300 km binnen 10 jaar weg te werken. De bijdrage voor 2012 ten behoeve van het wegwerken van de archiefachterstanden is € 11,8 mln. Dit bedrag is overgeheveld vanuit verschillende departementen.

Tabel 8.1 Kengetallen en indicatoren

Indicatoren

Waarde 2010

Streefwaarde 2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013

1. Aantal strekkende kilometers wegwerken archief ná 1975 (cumulatief)

22,4

30

30

30

Bron 1: Doc-Direct

Artikel 9. Uitvoering rijkshuisvesting

A Algemene doelstelling

Het verzorgen van de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Koninklijk Huis, het in stand houden van Rijksmonumenten en het uitvoeren van het Rijkshuisvestingsbeleid.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is op basis van het Besluit Rijksgebouwendienst 1999 (KB), als opdrachtgever en uitvoerder verantwoordelijk voor:

  • de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken;

  • de huisvesting van het Koninklijk Huis, voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat;

  • de instandhouding van de monumenten in beheer van de Rijksgebouwendienst, ook als die naar hun aard niet geschikt zijn voor de huisvesting van rijksdiensten;

  • de doelmatige uitvoeringspraktijk van de rijkshuisvesting binnen de wettelijke en afgesproken kaders.

C Beleidwijzigingen

Er zijn geen beleidswijzigingen.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 9 Uitvoering Rijkshuisvesting

(x € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

58 053

58 413

57 769

58 022

57 616

           

Uitgaven

58 053

58 413

57 769

58 022

57 616

           

9.1 Een doelmatige uitvoeringspraktijk van de rijkshuisvesting

58 053

58 413

57 769

58 022

57 616

           

Bijdragen

58 053

58 413

57 769

58 022

57 616

Bijdrage aan Rgd voor rijkshuisvesting

9 881

10 989

10 357

10 652

10 321

Bijdrage aan Rgd voor monumenten

10 130

10 130

10 130

10 130

10 130

Bijdrage aan Rgd voor huisvesting Koninklijk Huis, HoCoSta's en AZ

38 042

37 294

37 282

37 240

37 165

           

Ontvangsten

2 626

357

357

357

357

D2 Budgetflexibiliteit

De middelen voor het huisvesten van het Koninklijk Huis, de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken zijn belegd met gebruiksvergoedingen voor projecten waarover met de gebruikers afspraken zijn gemaakt. Daarom zijn deze middelen bijna geheel als juridisch verplicht aan te merken. De middelen voor monumenten worden, als ze nog niet juridisch zijn verplicht, als beleidsmatig gebonden beschouwd, gezien de zorg die de Rijksgebouwendienst voor deze monumenten heeft. Ten aanzien van de middelen voor de rijkshuisvesting geldt dat deze grotendeels zijn verplicht.

E Toelichting op de instrumenten

Bijdragen

Bijdrage aan RGD voor Rijkshuisvesting

De Rijksgebouwendienst ontvangt in 2012 € 9,8 mln. om bij te dragen aan de realisatie van rijksdoelstellingen door:

  • te werken aan energiebesparing in de Rijkshuisvesting;

  • de duurzaamheid van de gebouwenvoorraad van het Rijk te verbeteren;

  • de doelmatige werking van het rijkshuisvestingstelsel te bevorderen;

  • bij te dragen aan de totstandkoming van de rijkswerkplek;

  • uitvoering te geven aan professioneel publiek opdrachtgeverschap in de bouw door te zorgen voor zorgvuldig en transparant aanbesteden, coördinatie van publieke aanbestedende diensten en afstemming met de markt;

  • werkzaamheden van de Rijksbouwmeester voor de bevordering en bewaking van de kwaliteit van de architectuur, voor de stedenbouwkundige inpassing en van de beeldende kunst bij het tot stand brengen, wijzigen en beheren van gebouwen, werken en terreinen waarover de zorg van de dienst zich uitstrekt.

Beoogde prestaties voor 2012 zijn:

Functioneel Controleren, Inregelen en Beproeven

Eind 2012 zijn in 900 000 m2 voorraad rijkshuisvesting de maatregelen toegepast van Functioneel Controleren, Inregelen en Beproeven (FCIB). Dat betekent het zodanig inregelen van de klimaatinstallatie in gebouwen dat een optimaal thermisch comfort wordt bereikt bij een minimale verstoring van het bedrijfsproces en een zo laag mogelijk energiegebruik.

Bijdrage aan RGD voor het beheren van monumenten

Financiële bijdrage in 2012 van € 10,1 mln. aan de Rijksgebouwendienst voor het beheren van de monumenten bij de Rijksgebouwendienst en het bevorderen van de gebruiksmogelijkheden en verhuurbaarheid door periodiek onderhoud en herstel.

Beoogde prestaties voor 2012 zijn:

Tabel 9.1 Prestatie-indicator

Prestatie-indicator

Basiswaarde

Peildatum

Streefwaarde

Periode

Aantal monumenten (objecten) in beheer

43 (128)

2011

43 (128)

2012

Gebruiksgraad monumenten

95%

2009

95%

2012

Bron: BZK/Rgd administraties

Toelichting op de indicator: een deel van de monumenten is naar hun aard niet geschikt voor gebruik, zoals gedenknaalden of grafmonumenten. Deze objecten zijn buiten de berekening gehouden.

Bijdrage aan RGD voor de huisvesting van Het Koninklijk Huis, de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken

Deze middelen zijn bedoeld voor betalingen aan de Rijksgebouwendienst om de kosten te dekken van huisvesting van de Hoge Colleges van Staat, het ministerie van Algemene Zaken en de drie staatspaleizen voor gebruik door het Koninklijk Huis. Omdat deze groep gebruikers van rijkshuisvesting buiten het huur-verhuurstelsel voor de rijkshuisvesting valt, worden de uitgaven niet op de begroting van de organisaties zelf, maar op de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoord.

Artikel 10. Vreemdelingen

A Algemene doelstelling

Een gereglementeerde en beheerste toelating tot, verblijf in en vertrek uit Nederland of terugkeer van vreemdelingen, die in nationaal en internationaal opzicht maatschappelijk verantwoord is.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister voor Immigratie en Asiel is systeemverantwoordelijk voor het vreemdelingenbeleid, de coördinatie en afstemming binnen de vreemdelingenketen en voor de uitvoering van het beleid. Goede ketensamenwerking is daarbij van groot belang.

De minister is verantwoordelijk voor de uitvoeringsdiensten Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Deze uitvoeringsdiensten vallen rechtstreeks onder het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De minister onderhoudt bovendien een gezagsrelatie met de Koninklijke Marechaussee (KMar), de Vreemdelingenpolitie en de Zeehavenpolitie. Voor de vreemdelingenbewaring en uitzetcentra van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) is de minister beleidsverantwoordelijk.

Het asiel- en immigratiebeleid is streng en rechtvaardig. Het biedt bescherming aan echte vluchtelingen; zij die worden bedreigd in eigen land. Degene die onterecht een beroep doet op verblijf, moet het land verlaten. Nederland heeft een open oog voor de kansen die immigratie ons biedt. We versterken de immigratie van mensen die een bijdrage leveren aan de samenleving vanwege hun kennis, arbeid, studie of dienstverlening. En we verminderen de migratie van mensen die niet mee willen of kunnen doen.

Om dit te bereiken zijn de inspanningen van het asielbeleid erop gericht een asielzoeker snel te laten weten of hij mag blijven. Procedures worden korter en doorprocederen (het stapelen van procedures) wordt tegengegaan, het categoriaal beschermingsbeleid wordt beëindigd, het terugkeerbeleid wordt effectiever, de rechtsbijstand wordt beperkt en de opvang in de regio wordt bevorderd. Bij een onterecht beroep op bescherming, moet de asielzoeker Nederland verlaten. Uitgangspunt is dat hij of zij vrijwillig vertrekt, dit wordt maximaal gestimuleerd. Mag de asielzoeker blijven, dan volgt zo snel mogelijk huisvesting in een gemeente, zodat de relatief hoge kosten van de opvang kunnen worden beperkt en de nieuwkomer kan gaan participeren in de samenleving.

Het immigratiebeleid is selectief en uitnodigend waar het kan. Dat is nodig om Nederland sterk en weerbaar te houden. Nieuwkomers zijn welkom als ze een bijdrage kunnen leveren aan onze samenleving. De kennis- en arbeidsmigranten zijn hard nodig op de arbeidsmarkt. Voor gezinsmigratie gaan we de toelatingseisen verhogen. Op die manier willen we waarborgen creëren dat mensen hier hun eigen toekomst kunnen opbouwen en niet kansloos langs de kant staan. Het is een eigen verantwoordelijkheid van mensen om zich in te zetten voor een nieuw perspectief. Verblijfsaanvragen worden alleen nog in het buitenland gedaan.

Deze ambities vergen ook aanpassing van Europese wet- en regelgeving. Veel landen om ons heen kennen dezelfde problemen rond kansarme migranten. De collega-ministers zullen samen optrekken om de andere Europese landen te overtuigen van het belang van een gezamenlijk immigratiebeleid dat selectiever en restrictiever is. Ook zoeken we hiervoor steun bij de Europese Commissie en het Europees Parlement. Uitgangspunt is dat in alle lidstaten asielzoekers en migranten gelijk behandeld worden. Ook gaan wij ons inzetten om problemen met bewaking van de Schengen-buitengrens, gezamenlijk aan te pakken. We zetten ons in voor de realisatie van een Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel. Verder zullen we vooraf eisen gaan stellen aan het verblijf van langdurig ingezetenen in Europa om hun startpositie in Nederland te verbeteren.

Handhaving is uiteindelijk een voorwaarde voor een streng en rechtvaardig immigratie- en asielbeleid. Dat begint al bij de toegang tot ons land. We werken aan betere informatie-uitwisseling tussen betrokken diensten, zodat we weten wie binnen komen. Het grensmanagement wordt vernieuwd. Ook pakken we fraude aan. Illegaal verblijf in Nederland wordt strafbaar. Criminele illegalen pakken we harder aan en worden eerder het land uitgezet, de glijdende schaal wordt aangescherpt.

Tabel 10.1 Kengetallen Vreemdelingenketen (in aantallen)
 

2012

2013

2014

2015

2016

Opvang, Toegang, Toelating en Toezicht

         

Asielinstroom

15 000

15 000

15 000

15 000

15 000

Overige instroom

5 810

9 850

9 090

5 880

5 880

Regulier (asielgerelateerd)

2 330

350

350

350

350

           

Instroom in de opvang

15 000

15 000

15 000

15 000

15 000

Uitstroom uit de opvang

16 000

16 000

15 000

15 000

15 000

Gemiddelde bezetting in de opvang

17 155

16 140

15 140

15 140

15 140

           

Machtiging tot voorlopig verblijf (MVV)

11 000

11 000

11 000

11 000

11 000

Verblijfsvergunning regulier (VVR)

27 200

27 200

27 200

27 200

27 200

Toelating en Verblijf (TEV)

42 400

42 400

42 400

42 400

42 400

Visa

4 000

4 000

4 000

4 000

4 000

           

Aantal naturalisatie verzoeken

32 000

35 500

33 500

26 500

26 500

           

Streefwaarden Terugkeer

         

Zelfstandig vertrek

20%

20%

20%

20%

20%

Gedwongen vertrek

30%

30%

30%

30%

30%

Zelfstandig vertrek zonder toezicht

50%

50%

50%

50%

50%

Toelichting op de kengetallen

Als gevolg van de pardonregeling uit 2007 zal vanaf 2012 tot en met 2014 een stijging plaatsvinden van het aantal naturalisatieverzoeken. Vanaf 2012 vallen de procedures «MVV» en «VVR met MVV» samen onder de procedure Toelating en Verblijf (TEV).

C Beleidswijzigingen

In 2012 zal de implementatie van het herziene beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) worden afgerond. Met de herijking van dit beleid wordt sneller duidelijkheid gegeven over het toekomstperspectief van amv’s. Amv’s die na een zorgvuldige procedure worden afgewezen omdat zij geen recht hebben op bescherming, dienen Nederland zo snel mogelijk te verlaten naar een situatie van adequate opvang, bij voorkeur gelegen in de hereniging met hun ouders. Meer dan voorheen zal vorm worden gegeven aan de (duurzame) terugkeer van deze amv’s.

Er komt een wetsvoorstel om de nationaliteitswet te wijzigen conform de wensen uit het regeerakkoord. Daarnaast is de beslissing genomen het taalniveau van de naturalisatietoets in Europees Nederlands te verhogen. De niveauverhoging vraagt een ander examen dat tot nu toe in gebruik is.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 10 Vreemdelingen

(x € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

793 065

763 820

731 821

637 445

636 304

           

Uitgaven

793 065

763 820

731 821

637 445

636 304

           

10.1 Toegang, toelating en opvang vreemdelingen

761 366

737 008

705 607

611 665

610 354

           

Subsidies

7 928

7 861

7 808

7 754

7 741

Vluchtelingenwerk Nederland (VWN)

7 217

7 181

7 144

7 106

7 097

Diverse subsidies Vreemdelingenketen

711

680

664

648

644

           

Opdrachten

45 315

61 986

61 908

17 969

17 966

Programma Vernieuwing Grensmanagement

8 390

13 890

14 890

7 890

7 890

Programma Biometrie

16 500

15 500

17 500

500

500

Programma Optimalisering Proces en Informatievoorziening Vreemdelingenketen

15 800

27 800

24 800

4 800

4 800

Versterking vreemdelingenketen

4 625

4 796

4 718

4 779

4 776

           

Bijdragen

708 123

667 161

635 891

585 942

584 647

Immigratie- en naturalisatiedienst (IND)

282 254

265 108

262 058

243 051

242 422

Centraal Orgaan opvang Asielzoeker (COA)

425 869

402 053

373 833

342 891

342 225

           

10.2 Terugkeer en bewaring Vreemdelingen

31 699

26 812

26 214

25 780

25 950

           

Subsidies

6 800

6 600

6 600

6 400

6 300

REAN-regeling

6 800

6 600

6 600

6 400

6 300

           

Bekostiging

24 899

20 212

19 614

19 380

19 650

Terugkeer vreemdelingen

20 699

20 212

19 614

19 380

19 650

Vreemdelingenbewaring

4 200

       
           

Ontvangsten

467

0

0

0

0

D2 Budgetflexibiliteit

Het grootste gedeelte van de uitgaven is verplicht. Van de programma-uitgaven (waaronder de gelden uit het regeerakkoord) is het merendeel verplicht en worden voor het beperkte vrije gedeelte planningen gemaakt.

E Toelichting op de instrumenten

10.1 Toegang, toelating en opvang vreemdelingen: een zorgvuldige en tijdige afdoening van aanvragen van een verblijfsvergunning of naturalisatieverzoek.

Subsidies

Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland (VWN)

VWN zet zich op basis van de Universele verklaring voor de Rechten van de Mens in voor de bescherming en het behartigen van de belangen van vluchtelingen en asielzoekers. Daarnaast ondersteunt VWN direct of indirect vluchtelingen en asielzoekers bij het opbouwen van een nieuw bestaan in Nederland. Tot slot onderneemt de vereniging activiteiten gericht op de bescherming en belangenbehartiging van vluchtelingen en asielzoekers buiten Nederland, met name in Europa. VWN ontvangt hiervoor een bijdrage van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Diverse subsidies vreemdelingenketen

Hieronder vallen diverse kleine subsidies, waaronder een subsidie voor The Hague Process on Refugees and Migration.

Opdrachten

Het programma Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI) bestaat uit drie deelprogramma’s: het programma Vernieuwing Grensmanagement (VGM), het programma Biometrie in de Vreemdelingenketen (BVK) en het programma Optimalisering Proces en Informatievoorziening Vreemdelingenketen (OPI).

Programma Vernieuwing Grensmanagement (VGM)

Het programma VGM zal in 2012 starten met de verwerving van een informatiesysteem ten einde de verschillende overheidsdiensten in staat te stellen om op een centraal punt alle passagiersgegevens, die overheidsdiensten op grond van hun wettelijke taakuitoefening mogen ontvangen, op te slaan. Naast de informatievoorziening wordt gelijktijdig gewerkt aan het tot stand komen van een Nationaal Informatie- en Analysecentrum Grens waarbij de betrokken diensten samenwerken.

De implementatie van de automatische grenspassage zal verder gefaseerd worden opgeleverd, naast de grenspassage voor EU-onderdanen gaat het daarbij ook om de uitbreiding van Registered Travelers (RT) programma’s.

Programma Biometrie in de Vreemdelingenketen (BVK)

Het programma Biometrie in de Vreemdelingenketen coördineert de implementatie van biometrie en de toepassing van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen. Hiertoe zal de vingerafdruk worden geïmplementeerd in het vreemdelingendocument en zal gestart worden met de aanbesteding van mobiele apparatuur voor het uitlezen van de biometrische kenmerken op het vreemdelingendocument. De implementatie en de gefaseerde uitrol van het EU-visum systeem zal in 2012 worden voortgezet.

Programma Optimalisering Proces en Informatievoorziening Vreemdelingenketen (OPI)

Na het afronden van de omgevingsanalyse zullen quick wins in kaart worden gebracht die in lijn zijn met de toekomstige ontwikkeling van het informatieproces. Concrete projectvoorstellen met de daarbij behorende business case zullen worden opgeleverd.

Versterking Vreemdelingenketen

Op het gebied van informatisering draagt de Basis Voorziening Vreemdelingenketen (BVV) bij aan de versterking van de vreemdelingenketen. De BVV is een centraal informatiesysteem voor de vreemdelingenketen. De recente (technische) ontwikkelingen van de BVV hebben er toe geleid dat de BVV voor de komende jaren een toekomstvast systeem is geworden. Voor de langere termijn worden met de ketenpartners scenario’s ontwikkeld om tot vernieuwing van de keteninformatisering te komen.

Bijdragen

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)

De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) beoordeelt de aanvragen van vreemdelingen die in Nederland willen verblijven of Nederlander willen worden. Daarbij zet de IND in op het versnellen van de doorlooptijden in de procedures.

Tabel 10.2 Streefwaarden doorlooptijden: vreemdelingenzaken waarop binnen de gestelde wettelijke termijn is besloten (in %)
 

2011

2012

2013

2014

2015

Asiel

80

80

80

80

80

Regulier

100

100

100

100

100

Naturalisatie

100

100

100

100

100

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) is de organisatie die zorg draagt voor de opvang van vreemdelingen in Nederland. In opdracht van de Minister voor Immigratie en Asiel biedt het COA de vreemdelingen huisvesting. Het opvangbeleid is gericht op een opvang van asielzoekers gedurende de asielprocedure. Na een eventuele afwijzing van een asielverzoek zal in eerste instantie vanuit deze situatie van opvang met de vreemdeling gewerkt worden aan terugkeer. Na ommekomst van de vertrektermijn zal de opvang in beginsel worden beëindigd, waarna mogelijk nog plaatsing in een locatie voor vrijheidsbeperking aan de orde kan zijn om verder aan het vertrek te werken. In het geval van vergunningverlening is snelle doorstroming naar gemeentelijke huisvesting van belang om op die wijze integratie en participatie te bevorderen. De gemiddelde uitgaven per opvanggerechtigde bedragen in 2012 € 21 862.

Tabel 10.3 Indicatoren: gemiddelde verblijfsduur (in maanden)
 

2012

2013

2014

2015

2016

Gemiddelde opvangduur vergunninghouders na vergunningverlening

3

3

3

3

3

Gemiddelde verblijfsduur opvang

10

9,5

9

8,5

8,5

10.2 Terugkeer en bewaring Vreemdelingen: een zorgvuldige uitvoering van het vreemdelingentoezicht, grenstoezicht en terugkeerbeleid, opdat een vreemdeling die niet of niet meer rechtmatig in Nederland verblijft, Nederland zelfstandig of gedwongen verlaat.

Subsidies

REAN-regeling

De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) werken met elkaar samen op het gebied van zelfstandige terugkeer. IOM kan vreemdelingen die zelfstandig willen vertrekken uit Nederland financieel ondersteunen. De organisatie biedt deze ondersteuning op basis van de REAN-regeling (Return and Emigration of Aliens from the Netherlands). IOM levert een bijdrage aan het faciliteren van vrijwillig terugkeer naar het land van herkomst door onder meer het geven van voorlichting en advies over vrijwillige terugkeer en extra ondersteuning voor kwetsbare groepen. Ook het procesmatig voorbereiden en begeleiden van de terugkeer (zoals het verkrijgen van reisdocumenten) hoort tot de activiteiten van IOM.

Bekostiging

Terugkeer vreemdelingen

De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) draagt bij aan effectieve terugkeer van vreemdelingen die niet (langer) in Nederland mogen blijven. Het terugkeerbeleid is bedoeld om gericht illegaal verblijf van vreemdelingen in Nederland tegen te gaan en te voorkomen. Uitgangspunt is dat vreemdelingen die niet meer rechtmatig in Nederland verblijven, zelfstandig kunnen terugkeren naar het land van herkomst of vertrekken naar een land waar toegang is gewaarborgd. Als hieraan geen gehoor wordt gegeven, vindt de terugkeer gedwongen plaats.

Vreemdelingenbewaring

De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen om onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om meer gebruik te maken van alternatieven voor vreemdelingenbewaring.

De komende periode wordt een aantal van de onderzochte alternatieven voor bewaring op beperkte schaal, door middel van enkele kleinschalige pilots, verkend op praktische uitvoerbaarheid en financiële, juridische en veiligheidsconsequenties.

4. NIET-BELEIDSARTIKELEN

Niet-beleidsartikel 11: Centraal Apparaat

11.1 Apparaatsuitgaven kerndepartement

Op dit artikel staan alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met uitzondering van de AIVD (zie artikel 2). Hiertoe zijn de apparaatbudgetten van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gecentraliseerd volgens de nieuwe definities van het ministerie van Financiën.

Met het hanteren van deze definities is het bundelen van de apparaatbudgetten op de voormalige beleidsartikelen onvoldoende. Zo valt bijvoorbeeld ook externe inhuur, welke voorheen deels werd bekostigd vanuit programma-uitgaven, nu onder de personele component van apparaatsuitgaven.

Aangezien de begrotingsadministratie van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nog niet geheel voorziet in deze werkwijze en definities, is voor de begroting 2012 een inschatting gemaakt van de totale apparaatsuitgaven. Deze inschatting is gemaakt op basis van de realisaties over 2010.

In 2011 wordt het volledige apparaatsbudget van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opnieuw opgebouwd, volgens de nieuw te hanteren definities. Bij Voorjaarsnota 2012 zullen eventuele verschillen tussen deze uitkomsten en de raming worden gecorrigeerd.

Tabel 11.1 Centraal apparaat

(x € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

309 905

287 183

265 616

256 317

253 314

           

Uitgaven

305 445

286 069

264 962

254 851

253 314

           

11.1 Apparaat (exclusief AIVD)

305 445

286 069

264 962

254 851

253 314

           

Ontvangsten

32 232

29 865

29 865

29 865

29 865

Toelichting

In tabel 11.1 zijn de apparaatuitgaven van het kerndepartement opgenomen, inclusief de Dienst Terugkeer en Vertrek. De reeks is exclusief de apparaatuitgaven van de AIVD. Deze zijn, vanwege het specifieke karakter, begroot op het beleidsartikel 2 AIVD.

De apparaatuitgaven kerndepartement betreffen de personele uitgaven (inclusief externe inhuur) en uitgaven aan materieel benodigd voor de ondersteunende processen (bijvoorbeeld huisvesting, opleidingen, ICT/kantoorautomatisering, etc.). In deze totaalreeks vallen ook de bijdragen van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Shared Service Organisaties voor het Rijk, zoals P-direkt, de Werkmaatschappij en de Rijksgebouwendienst.

Vanaf de begroting 2013 zal meer inzicht in de apparaatsuitgaven worden gegeven door deze op te splitsen in personeel (eigen personeel en externe inhuur) en materieel (waarvan ICT/kantoorautomatisering en bijdragen aan Shared Service Organisaties van het Rijk).

11.2 Totaal overzicht Apparaatsuitgaven en -kosten BZK

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is tevens verantwoordelijk voor negen baten-lastendiensten. In de onderstaande tabel zijn de apparaatskosten weergegeven die deze baten-lastendiensten maken voor hun bedrijfsvoering. Deze worden nader toegelicht in de paragraaf met betrekking tot de baten-lastendiensten. Uiteraard zijn de apparaatskosten niet in alle gevallen toe te rekenen aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aangezien enkele baten-lastendiensten rijksbreed werken (dus voor alle departementen).

Naast deze baten-lastendiensten draagt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een bijdrage ook bij aan de taakuitvoering door enkele ZBO’s en RWT’s. Een deel van deze middelen wordt gebruikt voor de bekostiging van personeel en materieel bij deze organisaties. Voor de ZBO’s en RWT’s die een financiële bijdrage van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ontvangen voor de uitvoering van hun taken zijn in tabel 11.2 de totale apparaatskosten opgenomen.

Tabel 11.2 geeft een overzicht van de totale apparaatsuitgaven voor het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de apparaatskosten van de baten-lastendiensten, ZBO’s en RWT’s. Overigens kunnen de onderstaande cijfers niet in één totaalbedrag worden gevat, omdat het zowel uitgaven als kosten van apparaat betreft.

Tabel 11.2 Totaal overzicht apparaatsuitgaven en -kosten BZK (bedragen x 1 000 Euro)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Totaal apparaat ministerie BZK

 

495 006

473 741

451 994

440 489

438 706

Kerndepartement

 

305 446

286 069

264 962

254 851

253 314

AIVD

 

189 560

187 672

187 032

185 638

185 392

Baten-lastendiensten

           

P-Direkt

54 451

54 253

51 612

49 042

48 361

47 710

FMHaaglanden

80 286

94 425

93 016

92 460

91 445

90 937

Werkmaatschappij

96 689

92 994

96 627

97 573

97 762

97 454

Doc-Direkt

24 372

24 866

24 761

24 808

24 829

24 963

BPR

88 058

98 720

100 385

101 853

103 974

106 151

IND

332 877

326 441

312 790

309 110

299 596

309 075

RGD

138 765

129 107

124 493

118 832

114 291

114 146

Logius

74 792

68 329

63 822

65 669

67 373

68 696

Dienst Huurcommissie

18 714

20 859

16 219

14 819

14 269

13 769

ZBO's en RWT’s1

           

– COA

110 000

         

– Stichting Administratie Indonesische Pensioenen

1 400

         
X Noot
1

De apparaatskosten zijn alleen voor 2011 opgenomen omdat over verdere jaren de informatie ontbreekt. De apparaatskosten van de ZBO’s Kiesraad en Huurcommissie zijn niet opgenomen, omdat deze worden bekostigd vanuit respectievelijk het secretariaat van de Kiesraad (artikel 1) en de baten-lastendienst Dienst Huurcommissie.

De Tweede Kamer heeft aangegeven graag inzicht te krijgen in de apparaatsuitgaven per beleidsterrein. In tabel 11.3 is weergegeven wat de apparaatsuitgaven zijn per onderdeel van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Tabel 11.3 Apparaatsuitgaven per beleidsonderdeel (x 1 000 euro)

Directoraat-generaal

Apparaatsuitgaven 2012

Beleidsartikelen

Wonen, Wijken en Integratie

25 706

3, 4 en 5

Bestuur en Koninkrijksrelaties

28 135

1, 6 en 7

Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk

13 821

8

Vreemdelingenzaken (inclusief Dienst Terugkeer en Vertrek)

62 286

10

Algemene Bestuursdienst (Inclusief Top Management Groep (TMG) van het Rijk)

26 444

8

Dienst concernstaf en bedrijfsvoering

147 464

Niet-beleidsartikel 11

Kiesraad

1 580

1

Totaal

305 446

 
11.3 Kleinere overheid

Het kabinet kiest voor een «krachtige, kleine en dienstverlenende overheid». Onderdeel daarvan is een compacte Rijksdienst. In dat kader heeft het kabinet besloten tot financiële taakstellingen voor alle ministeries. In tabel 11.4 zijn de taakstellingen weergegeven die het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de komende jaren moet invullen. Daarna wordt toegelicht op welke wijze deze taakstellingen worden gerealiseerd.

Tabel 11.4 Taakstellingen «Rijk, agentschappen en uitvoerende ZBO’s* (x 1 000 euro)

Omschrijving

2012

2013

2014

2015

structureel

Taakstelling Rijk, Agentschappen en uitvoerende ZBO’s

         

– Efficiencykorting personeel en materieel (generieke deel)

– 14 949

– 33 713

– 48 923

– 64 723

– 73 524

– Aanvullende korting (additionele deel, indien van toepassing)

– 1 300

– 17 458

– 52 014

– 70 449

– 82 663

X Noot
*

Betreft taakstelling na departementale herindeling

Algemeen

De generieke taakstellingen betreffen een efficiencykorting op personele en materiële uitgaven. Daarmee beoogt het kabinet de doelmatigheid van de organisaties te verhogen. Deze generieke taakstelling geldt voor alle onderdelen van het departement.

De additionele taakstelling heeft voor verschillende onderdelen van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uiteenlopende gevolgen, ondermeer wat betreft (financiële) impact en personele bezetting. Ook in de fasering en de aanpak van het uitvoeren van de additionele taakstelling zijn verschillen tussen de organisatieonderdelen te onderkennen.

De invulling van de taakstellingen heeft personele consequenties voor alle organisatieonderdelen van BZK. Rode draad hierbij is:

  • indikken van de topstructuur;

  • waar dat mogelijk en verantwoord kan: het vergroten van de span of control;

  • vermindering van de omvang van de dienstonderdelen.

Nadere toelichting

In totaal gaat het voor heel het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (dus inclusief de baten-lastendiensten) om een vermindering van circa 2 000 functies in de komende jaren. Omdat verreweg de meeste mensen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de uitvoering werken, doen zich daar ook de grootste personele effecten voor. Ook het kerndepartement krimpt de komende jaren. Verder gaat BZK naar een slanke en compacte staf, passend bij het BZK van nu.

Daarnaast wordt bij alle onderdelen ingezet op een verdere versobering van de bedrijfsvoering. Voorbeelden zijn:

  • het sharen van BZK-tv binnen de rijksdienst;

  • geen of zeer terughoudend gebruik van dienstauto’s door directeuren;

  • strak sturen op hoogte van rekening voor de mobiele telefoon en abonnementenadministratie;

  • hergebruik van printercartridges;

  • digitale salarisstroken;

  • versobering van het kerstpakket;

  • verlengen afschrijvingstermijnen ICT;

  • minder reprografie en meer digitaal (norm is digitaal, tenzij..);

  • meer gebruik maken van rijksopleidingen;

  • gebruik van B-merk voor kantoorartikelen en minder postrondes.

Stuk voor stuk levert iedere versobering een beperkt besparingsbedrag op, maar alle kleine bedragen tellen op tot een aanzienlijk bedrag. Gezien de omvang van de totale taakstellingen voor BZK is het van belang ook de mogelijkheden tot besparingen op de bedrijfsvoering optimaal te benutten.

Daarnaast zal het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een deel van de additionele taakstelling realiseren met de besparingen die volgen uit het programma «Compacte Rijksdienst». Dit zijn besparingen door onder meer:

  • het «sharen» en professionaliseren van de inkoopfunctie;

  • het terugdringen van de kosten voor ICT-infrastructuur;

  • het besparen op werkplekbeheer;

  • het «sharen» van documentmanagement taken.

De gevolgen van de additionele taakstelling slaan niet volledig neer op het centraal apparaatartikel. Sommige effecten doen zich voor op de beleidsartikelen. Waar zinvol en relevant is in de beleidsartikelen opgenomen op welke onderwerpen versoberingen worden doorgevoerd. Ook de gevolgen van de generieke taakstelling slaan niet volledig neer op het centraal apparaatartikel aangezien de taakstelling onder meer is doorvertaald naar de baten-lastendiensten.

Artikel 12 Algemeen

A Algemene doelstelling

Op dit artikel worden de centrale onderzoeksbudgetten en de werkzaamheden van internationale zaken begroot.

Tabel 12 Algemeen

(x € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

2 272

2 272

1 480

1 118

3 831

           

Uitgaven

14 084

4 426

2 180

3 475

3 831

           

12.1 Algemeen

1 480

1 480

1 480

1 296

1 296

Opdrachten

1 480

1 480

1 480

1 296

1 296

           

12.2 Verzameluitkeringen

12 604

2 946

700

2 179

2 535

Opdrachten

12 604

2 946

700

2 179

2 535

           

Ontvangsten

0

0

0

0

0

Algemeen

Het budget wordt aangewend voor kennis, onderzoek en internationale zaken. Het gaat om strategisch, beleidsondersteunend en evaluatief onderzoek dat raakvlakken heeft met meerdere beleidsterreinen van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Verder zijn hier de budgetten opgenomen voor het onderhouden en uitbreiden van internationale relaties op het gebied van bestuur.

Het betreffen de uitgaven voor:

  • het plaatsen van ambassaderaden (bilaterale samenwerking en projecten);

  • het coördineren en voorbereiden van de Raad voor Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ Raad);

  • gevolg geven aan de verplichtingen die voortvloeien uit internationale verdragen;

  • het opstellen en (mede) implementeren van besluiten, programma’s en projecten in het kader van de samenwerking binnen de Europese Unie;

  • coördinatie van hoog (ambtelijke) internationale bezoeken;

  • ontwikkeling en uitvoering ten aanzien van informatie uitwisseling.

Verzameluitkering

De verzameluitkering kent zijn wettelijke grondslag in de Financiële-verhoudingswet en keert uit aan de decentrale overheden. In de verzameluitkering zijn de beleidsthema’s gebundeld die maximaal € 10 mln. voor de medeoverheden beslaan. Aanleiding voor de invoering van de verzameluitkering is de behoefte aan een wijze van middelenverstrekking aan de medeoverheden die ruimte biedt voor lokaal maatwerk en die onnodige administratieve lasten voorkomt. Dit te meer gezien de geringe omvang van de middelen.

Artikel 13 Nominaal en onvoorzien
Tabel 13 Nominaal en onvoorzien

(x € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

35 677

16 219

1 972

15 807

15 564

           

Uitgaven

32 277

24 819

10 572

15 807

15 564

           

13.1 Loonbijstelling

4 461

4 098

3 712

3 430

3 397

           

13.2 prijsbijstelling

10 721

5 747

2 631

7 512

6 779

           

13.3 Onvoorzien

17 095

14 974

4 229

4 865

5 388

Artikel 14 VUT-fonds

In de zomer van 2005 hebben de sociale partners bij de overheid een akkoord gesloten over VUT/prepensioen/levensloop (VPL). Een belangrijke afspraak uit dit akkoord vormde het gegeven dat de toekomstige premie van het VUT-fonds zoveel mogelijk stabiel zou moeten blijven. Hierdoor ontstond een liquiditeitsbehoefte bij het fonds voor de periode van de looptijd van het fonds. Hiervoor is een leenovereenkomst tussen de Staat en het fonds gesloten die voor het laatst is herzien in 2009. De overeenkomst bevat een leningplafond van maximaal € 1,8 mld. Het fonds kan op ieder gewenst moment een beroep doen op uitbetaling van een tranche van deze lening. Daarnaast is zij bevoegd een tranche geheel of gedeeltelijk vervroegd af te lossen. Deze werkwijze stelt het fonds in staat in te spelen op actuele liquiditeitsbehoeften. In onderstaande tabel zijn de huidige ramingen opgenomen.

Tabel 14 VUT-fonds

(x € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

100 000

380 000

0

0

0

           

Uitgaven

100 000

380 000

0

0

0

           

14.1 VUT-fonds

100 000

380 000

0

0

0

           

Ontvangsten

14 600

15 400

224 300

740 100

182 700

5. DE BATEN-LASTENDIENSTEN

5.1 Baten-lastendienst Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR)

Inleiding

Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR) is de spil in de identiteitsinfrastructuur voor het vastleggen, beheren, verstrekken en gebruiken van persoonsgegevens voor burgers en organisaties met een publieke taak. BPR is een professionele beheerorganisatie. De belangrijkste producten zijn het beheer van het GBA-stelsel (Gemeentelijke Basisadministratie), het beheer van de reisdocumentenketen en de beheervoorziening voor het Burger Service Nummer (BSN).

Voor deze producten voert BPR onder andere de volgende taken uit:

  • het inrichten en uitvoeren van het beheer voor het GBA-netwerk, de beheervoorziening BSN en de reisdocumentenketen;

  • het bijhouden van een basisregister en signaleringsregister voor reisdocumenten;

  • het autoriseren van afnemers voor het gebruik van gegevens uit de GBA;

  • het geven van voorlichting en ondersteuning aan burgers en overheden over GBA, BSN en reisdocumenten.

Vanuit de expertise van BPR zal tevens een bijdrage geleverd worden aan (nieuwe) taken:

  • de borging van de voorzieningen Sedula, kwaliteit Persoonsinformatievoorziening Nederlandse Antillen en Aruba (PIVA-V) in Caribisch Nederland;

  • ondersteuning van het ontwikkelprogramma modernisering GBA (mGBA) en de voorbereiding voor het beheer van de Basisregistratie Personen (BRP);

  • ondersteuning van het ontwikkelprogramma Register Niet Ingezetenen (RNI) en de voorbereiding van het toekomstige beheer (oktober 2012).

De kosten voor het beheren van de GBA worden doorberekend aan de gebruikers in de vorm van een kostendekkend tarief. Vanaf 2008 is het grootste deel van de overheidsinstellingen overgestapt op budgetfinanciering. Dit betekent dat de afzonderlijke departementen budget hebben overgeheveld naar DGBK. DGBK beheert, in de rol van opdrachtgever, de gelden en betaalt ten behoeve van de afzonderlijke overheidsgebruikers de kosten voor het gebruik van het GBA. De aangesloten overheidsinstellingen ontvangen om deze reden vanaf 2008 geen factuur meer. Voor de overige overheidsinstellingen en private partijen wordt het systeem van tarieffinanciering gecontinueerd in de vorm van een abonnementsprijs. Het Burgerservicenummer (BSN) wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De kosten komen voor rekening van de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De kosten voor het beheren van de reisdocumentenketen en de kosten van de productie en distributie van de reisdocumenten worden gedekt uit het tarief dat BPR in rekening brengt bij de uitgevende instanties. De kosten van de taken in Caribisch Nederland, de ondersteuning van de ontwikkelprogramma’s en de kosten van beheer van de RNI worden betaald door de opdrachtgever Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Exploitatie

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2012 (x € 1 000)
Baten-lastendienst BPR
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Baten

             

Opbrengst moederdepartement

30 234

23 364

31 955

33 255

32 655

32 655

32 655

Opbrengst overige departementen

0

0

0

0

0

0

0

Opbrengst derden

77 934

66 235

67 215

74 455

76 248

78 095

79 996

Rentebaten

79

50

50

50

50

50

50

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

108 247

89 649

99 220

107 760

108 953

110 799

112 701

               

Lasten

             

Apparaatskosten

             

– personele kosten

7 329

7 345

8 175

9 007

8 716

8 855

8 997

waarvan eigen personeel

5 805

5 545

6 375

7 344

7 049

7 190

7 334

waarvan externe inhuur

1 524

1 800

1 800

1 663

1 667

1 665

1 663

– materiële kosten

86 518

80 713

90 545

91 378

93 137

95 119

97 154

waarvan ICT

 

250

250

250

250

250

250

Rentelasten

94

35

0

1 375

1 100

825

550

Afschrijvingskosten

4 422

1 556

500

6 000

6 000

6 000

6 000

– inventaris en installaties

186

500

500

500

500

500

500

– materieel (m)GBA

2 125

0

0

0

0

0

0

– materieel RAAS

2 111

1 056

0

0

0

0

0

– materieel ORRA

0

0

0

5 500

5 500

5 500

5 500

Overige lasten

             

– dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

– bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

98 363

89 649

99 220

107 760

108 953

110 799

112 701

Saldo van baten en lasten

9 884

0

0

0

0

0

0

wv te restitueren aan GBA afnemers

5 408

           

wv te restitueren aan opdrachtgever reisdocumenten

4 476

           

Saldo van baten en lasten

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van BPR is een kostendekkende exploitatie. De baten en lasten bedragen in 2012 € 99,2 mln. Het grootste gedeelte van de lasten (€ 90,5 mln.) betreft de kosten die worden gemaakt voor de productie en distributie van de reisdocumenten, het in stand houden van het GBA-netwerk, het beheer van de centrale verstrekkingsvoorziening van de GBA (GBA-V) en de beheervoorziening BSN, PIVA-V en Sedula. De personele lasten bedragen € 8,2 mln. in 2012. Hierin is rekening gehouden met de rijksbrede doelmatigheidskorting van 1,5% en de nieuwe taken die aan BPR zijn opgelegd. De generieke taakstelling zal gerealiseerd worden door besparingen op de bedrijfsvoering door gebruik maken van diverse SSO’s, minder drukwerk, incompany opleidingen, minder externe inhuur en hergebruik van meubilair. De additionele taakstelling wordt gerealiseerd door hierover afspraken met de opdrachtgevers te maken.

Vanaf 2011 zal er invulling gegeven worden aan de compacte rijksdienst. De hiervoor benodigde investeringen zullen beschikbaar worden gesteld. Op de materiële activa wordt in 2012 € 0,5 mln. afgeschreven. Dit betreft de afschrijving op de kantoorautomatisering en inventaris.

In 2012 stijgen de lasten en daarmee ook de baten. De stijging wordt veroorzaakt door nieuwe opdrachten:

  • Beheer RNI (1 oktober 2012);

  • Beheer PIVA-V en Sedula.

Voor de financiëring van de Online Raadpleegbare Reisdocumentenadministratie (ORRA) was uitgegaan van een financieringsritme die voorzag in een investering in 2013. In 2010 en 2011 is echter, mede gelet op de besluitvorming over de opslag van de vingerafdrukken in de decentrale reisdocumentenadministraties, een pas op de plaats gemaakt met de realisatie van de ORRA. Er wordt onderzocht op welke wijze de ORRA vorm dient te krijgen. De uitkomst daarvan zal de uiteindelijke hoogte van de baten en lasten hiervan bepalen.

De opbrengst van het moederdepartement (€ 32,0 mln.) bestaat uit:

  • de vergoeding van de kosten voor het gebruik van de GBA door de afnemers die met ingang van 1 januari 2008 onder de budgetfinanciering vallen (100 mln. berichten * € 0,10 = € 10 mln.);

  • de vergoeding van rijksleges en gemeentelijke leges voor de verstrekking van de identiteitskaarten aan jeugdigen (470 000 documenten * € 34,67 = € 16,3 mln.);

  • de bijdrage in de kosten van de beheervoorziening BSN (€ 3,0 mln.);

  • de bijdrage in de kosten voor de voorziening PIVA-V en Sedula (0,8 mln.);

  • de bijdrage voor het beheer van de RNI (1,9 mln.).

De opbrengsten van derden (€ 67,2 mln.) bestaan uit:

  • de opbrengsten van de afnemers van de GBA die niet onder budgetfinanciering vallen (60 mln. berichten * € 0,10 = € 6 mln.);

  • de leges voor de reisdocumenten die de uitgevende instanties aan BPR afdragen (1,7 mln. paspoorten * € 23,45 en 1 mln. identiteitskaarten * € 18,15 en spoedtoeslag € 3,2 mln. = € 61,2 mln.).

BPR heeft geen voorzieningen op de balans opgenomen. Het positieve resultaat in 2010 is terugbetaald aan de opdrachtgevers van GBA en Reisdocumenten.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2012 (x € 1 000)
Baten-lastendienst BPR
   

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

1.

Rekening-courant RHB 1 januari (incl. deposito)

59 097

31 947

30 047

30 047

30 047

27 147

27 147

2.

Totale operationele kasstroom

6 286

0

500

6 000

6 000

6 000

6 000

3a.

Totaal investeringen (-/-)

– 154

– 500

– 500

– 28 000

– 500

– 500

– 500

3b.

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

0

         

3.

Totaal investeringkasstroom

– 154

– 500

– 500

– 28 000

– 500

– 500

– 500

4a.

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

– 20 188

0

0

0

– 2 900

0

0

4b.

Eenmalige storting door het moederdepartement(+)

0

0

0

0

0

0

0

4c.

Aflossingen op leningen (-/-)

– 2 123

– 1 400

0

– 5 500

– 5 500

– 5 500

– 5 500

4d.

Beroep op leenfaciliteit (+)

0

0

0

27 500

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

– 22 311

– 1 400

0

22 000

– 8 400

– 5 500

– 5 500

5.

Rekening-courant RHB 31 december (=1+2+3+4)

42 918

30 047

30 047

30 047

27 147

27 147

27 147

N.B.: Maximale roodstand is € 0,5 mln.

In het kasstroomoverzicht is uitgegaan van een investering in de ORRA in 2013 ter grootte van € 27,5 mln. Ook hier bepaalt de uitkomst van het onderzoek naar de wijze waarop de ORRA vorm dient te krijgen, de uiteindelijke hoogte en het tijdstip van deze investering. Voor deze investering zal een leenfaciliteit bij het ministerie van Financiën worden afgesloten, die in vijf jaar wordt afgelost. De kosten van de reisdocumentenadministratie worden verdisconteerd in de kostprijs van het reisdocument.

Voor de eigen organisatie wordt jaarlijks € 0,5 mln. geïnvesteerd in de kantoorautomatisering. Deze investeringen worden uit het eigen vermogen gefinancierd.

Doelmatigheid

De doelmatigheid van BPR wordt inzichtelijk gemaakt door het opnemen van de tarieven voor de reisdocumenten en de GBA en indicatoren met betrekking tot de kwaliteit van deze producten.

Doelmatigheidsindicatoren

Omschrijving Generiek Deel

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Kostprijs GBA bericht in €

0,13

0,10

0,10

0,10

0,10

0,10

0,10

Kostprijs paspoort in €*

22,95

23,70

23,45

24,15

24,88

25,62

26,39

Kostprijs identiteitskaart in €*

17,80

18,34

18,15

18,69

19,26

19,83

20,43

Omzet GBA in €

20 mln.

16 mln.

16 mln.

16 mln.

16 mln.

16 mln.

16 mln.

Omzet reisdocumenten in €

85 mln.

70 mln.

78 mln.

85 mln.

87 mln.

88 mln.

90 mln.

               

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

81

75

95

95

90

90

90

               

Saldo van baten en lasten (%)

0

0

0

0

0

0

0

               

Geretourneerde documenten: Reisdocumenten

nvt

0,20%

0,20%

0,20%

0,20%

0,20%

0,20%

Berichten via netwerk: GBA

nvt

45%

50%

50%

50%

50%

50%

               

Omschrijving Specifiek Deel

             

ICT Diensten

             

Kwaliteitsindicatoren:

             

Beschikbaarheid GBA-V

99,99%

99,90%

99,90%

99,90%

99,90%

99,90%

99,90%

Beschikbaarheid GBA

99,95%

99,00%

99,00%

99,00%

99,00%

99,00%

99,00%

Betrouwbaarheid NGR

99,95%

99,90%

99,90%

99,90%

99,90%

99,90%

99,90%

Betrouwbaarheid BSN

99,94%

99,80%

99,80%

99,80%

99,80%

99,80%

99,80%

Klanttevredenheid**

             
X Noot
*

Door indexering van de productieprijs bij de producent (via meerjarige contracten) stijgt de kostprijs.

X Noot
**

In 2011 wordt er een nulmeting uitgevoerd.

Kostprijs per product

De hoogte van de leges is gelijk aan de kostprijs van de documenten die BPR in rekening brengt bij de uitgevende instanties, zoals de gemeenten, de buitenlandse posten en Caribisch Nederland (Bonaire, Eustatius en Saba). De gepresenteerde kostprijs is exclusief de gemeentelijke leges en eventuele spoedtoeslagen. De verwachting is dat het tarief voor het paspoort en de identiteitskaart per 1 januari 2012 als gevolg van prijsindexering met 2,3% zal toenemen.

Het GBA-tarief is de afgelopen jaren sterk gedaald (tarief in 2008 was 18 cent) door o.a. doelmatigheidsresultaten uit efficiëntere inkoop en aanbesteding. Het tarief voor 2012 is € 0,10 per bericht.

Aantal geretourneerde documenten: Reisdocumenten

Een indicator voor de kwaliteit van het proces van aanvraag, productie en distributie van de reisdocumenten is het aantal geretourneerde documenten. Een document wordt geretourneerd indien de kwaliteit niet voldoet aan de gestelde normen, bijvoorbeeld omdat de foto niet voldoet aan de gestelde eisen, er fouten zijn gemaakt bij het invoeren van de aanvraag of het document is beschadigd tijdens de productie. Het streven is het aantal geretourneerde documenten onder de norm van 0,2% te houden. De voorschriften en procedures voor de uitgevende instanties en de controles daarop als onderdeel van de kwaliteitszorg dragen daaraan bij. Voor het jaar 2012 wordt er uitgegaan van een norm van 0,2% geretourneerde documenten en € 3 mln. uitgegeven documenten per jaar. In 2010 is een score van 0,12% gerealiseerd.

Aantal verzonden berichten via (online) netwerk: GBA

De doelstelling is in 2012 50% van het geraamde totaal aantal berichten (160 mln.) over het netwerk te versturen. In 2010 is een score van 39% (65 mln. berichten online op het totaal van 169 mln. berichten) gerealiseerd.

Beschikbaarheid

De doelstelling in 2012 voor de beschikbaarheid van het GBA netwerk is het halen van de gestelde norm (99,9%). Over 2010 is een beschikbaarheid van 99,9% gerealiseerd. Voor de GBA-V (GBA-Verstrekkingen), NGR (Nieuwe Generatie Reisdocumenten)netwerk en BSN zijn respectievelijk de volgende percentages gerealiseerd, 99,9%, 100% en 99,8%.

5.2 Tijdelijke baten-lastendienst Doc-Direkt

Inleiding

Doc-Direkt bestaat sinds 1 januari 2011 en valt onder het Directoraat-generaal Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk (DGOBR).

De Missie

Doc-Direkt is de rijksbrede shared service organisatie die archieven bewerkt ten behoeve van een toegankelijke, tijdige en transparante informatievoorziening van de rijksoverheid. Doc-Direkt draagt bij aan het zijn van een betrouwbare rijksoverheid.

De Visie

Doc-Direkt zorgt ervoor dat de rijksoverheid op het vlak van documentaire informatiehuishouding in control en op orde is. Dit doen we voor nu, voor morgen en voor later. Doc-Direkt draagt hiermee bij aan de kernwaarden van de democratie en aan goed openbaar bestuur. Doc-Direkt werkt vraaggestuurd, ketengericht, doelgericht en zakelijk dienstverlenend. Doc-Direkt is deskundig, betrouwbaar, vernieuwend en flexibel. Doc-Direkt is een inspirerende organisatie waar professionals met plezier werken.

De Taken

De organisatie Doc-Direkt heeft drie hoofdtaken:

  • 1. beheren en bewerken van de reguliere instroom;

  • 2. wegwerken van de achterstanden van na 1976; alle achterstanden moeten in 2019 (totaal 10 jaar) zijn weggewerkt;

  • 3. oppakken digitale archiefbewerking; m.i.v. 2012 zal het oppakken van de digitale archiefbewerking nader uitgewerkt worden.

Organisatieontwikkeling

Doc-Direkt is een zich nog ontwikkelende nieuwe baten-lastendienst waarbij de personele instroom is gerealiseerd vanuit de diverse ministeries. Het instromende personeel zal (deels) nog moeten worden om- en bijgeschoold. Daarnaast is Doc-Direkt opgericht met (in ieder geval) het doel om in de jaren 2010–2019 een achterstand weg te werken en tegelijk de reguliere aanwas onder controle te houden. Dit houdt een constante werkstroom in van naar berekening 65 km te bewerken archief per jaar. De huidige capaciteit zal dat niet kunnen verwerken, indien er geen nieuwe methode(s) van selectie en verwerking worden geïnitieerd. Derhalve vinden er thans pilots plaats in het kader van de Nieuwe Selectie Aanpak (NSA), die zicht moeten geven op een snellere be- en verwerking van de archieven van het Rijk. De NSA wordt ontwikkeld onder verantwoordelijkheid van het Nationaal Archief in nauwe samenwerking met de zorgdragers/opdrachtgevers van Doc-Direkt.

Exploitatie

Begroting van baten-lastendienst voor het jaar 2012 (x € 1 000)
Baten-lastendienst Doc-Direkt
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Baten

             

Opbrengst moederdepartement

0

13 767

11 781

11 300

10 704

10 337

10 259

Opbrengst overige departementen

0

11 112

13 573

14 079

14 598

14 814

14 892

Opbrengst derden

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

0

24 879

25 354

25 379

25 302

25 151

25 151

               

Lasten

             

Apparaatskosten

             

– Personele kosten

0

14 315

14 315

14 315

14 315

14 315

14 315

– Waarvan eigen personeel

 

13 815

13 815

13 815

13 815

13 815

13 815

– Waarvan externe inhuur

 

500

500

500

500

500

500

– Materiële kosten

0

10 057

10 551

10 446

10 493

10 514

10 648

– Waarvan ICT

 

800

800

800

800

800

800

               

Overige lasten

             

– Rentelasten

0

0

24

29

30

16

7

– Afschrijvingskosten

0

0

214

339

464

306

181

– Dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0