Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201130880 nr. 11

30 880 Vaststelling van een nieuwe Politiewet (Politiewet 200.)

Nr. 11 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 23 juni 2011

Het voorstel van wet wordt gewijzigd als volgt:

1. De hoofdstukken 1 tot en met 8 komen te luiden:

HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

b. politie: het landelijke politiekorps, bedoeld in artikel 25, eerste lid;

c. korpschef: de korpschef, bedoeld in artikel 27;

d. eenheid: een regionale of landelijke eenheid;

e. regionale eenheid: een regionale eenheid van de politie als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder a;

f. landelijke eenheid: een landelijke eenheid van de politie als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b;

g. regioburgemeester: de door Onze Minister aangewezen burgemeester van de gemeente met het hoogste aantal inwoners in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert;

h. politiechef: het hoofd van een regionale eenheid;

i. taken ten dienste van de justitie:

1°. de uitvoering van wettelijke voorschriften waarmee Onze Minister is belast alsmede de uitvoering van wettelijke voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

2°. de administratiefrechtelijke afdoening van inbreuken op wettelijke voorschriften, voor zover in die voorschriften het toezicht op de uitvoering van de politietaak is opgedragen aan het openbaar ministerie;

3°. de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken, het vervoer van rechtens van hun vrijheid beroofde personen, en de dienst bij de gerechten.

2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde mede verstaan: het waken over de veiligheid van personen.

Artikel 2

Ambtenaren van politie in de zin van deze wet zijn:

a. ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;

b. ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie;

c. vrijwillige ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, onderscheidenlijk voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie;

d. ambtenaren van de rijksrecherche die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, onderscheidenlijk voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de rijksrecherche.

HOOFDSTUK 2. DE UITVOERING VAN DE POLITIETAAK

§ 2.1. De taak van de politie en de politietaken van de Koninklijke marechaussee

Artikel 3

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

Artikel 4

1. Aan de Koninklijke marechaussee, die onder het beheer van Onze Minister van Defensie staat, zijn, onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten, de volgende politietaken opgedragen:

a. het waken over de veiligheid van de leden van het koninklijk huis, in samenwerking met andere daartoe aangewezen organen;

b. de uitvoering van de politietaak ten behoeve van Nederlandse en andere strijdkrachten, alsmede internationale militaire hoofdkwartieren, en ten aanzien van tot die strijdkrachten en hoofdkwartieren behorende personen;

c. de uitvoering van de politietaak op de luchthaven Schiphol en op de andere door Onze Minister en Onze Minister van Defensie aangewezen luchtvaartterreinen, alsmede de beveiliging van de burgerluchtvaart;

d. de verlening van bijstand alsmede de samenwerking met de politie krachtens deze wet, daaronder begrepen de assistentieverlening aan de politie bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit;

e. de uitvoering van de politietaak op plaatsen onder beheer van Onze Minister van Defensie, op verboden plaatsen die krachtens de Wet bescherming staatsgeheimen ten behoeve van de landsverdediging zijn aangewezen, alsmede op het terrein van de ambtswoning van Onze Minister-President;

f. de uitvoering van de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken, waaronder begrepen de bediening van de daartoe door Onze Minister voor Immigratie en Asiel aangewezen doorlaatposten en het, voor zover in dat verband noodzakelijk, uitvoeren van de politietaak op en nabij deze doorlaatposten, alsmede het verlenen van medewerking bij de aanhouding of voorgeleiding van een verdachte of veroordeelde;

g. de bestrijding van mensensmokkel en van fraude met reis- en identiteitsdocumenten;

h. het in opdracht van Onze Minister en Onze Minister van Defensie ten behoeve van De Nederlandsche Bank N.V. verrichten van beveiligingswerkzaamheden.

2. Onder personen die behoren tot de andere strijdkrachten en internationale hoofdkwartieren, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de personen, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Defensie.

3. Onze Minister kan de commandant van de Koninklijke marechaussee algemene en bijzondere aanwijzingen geven, voor zover het betreft:

a. de uitoefening van de taken, bedoeld in het eerste lid, onder a en h;

b. het waken over de veiligheid van door Onze Minister aangewezen personen als bedoeld in het eerste lid, onder b;

c. de uitoefening van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder c, ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de beveiliging van de burgerluchtvaart;

d. de bewaking en beveiliging van de ambtswoning van Onze Minister-President, bedoeld in het eerste lid, onder e.

4. Hoewel bevoegd tot de opsporing van alle strafbare feiten, onthoudt de militair van de Koninklijke marechaussee die is aangewezen krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, zich van optreden anders dan in het kader van de uitvoering van zijn politietaken, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5

Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie kunnen regels worden gegeven over de samenwerking van de politie met de Koninklijke marechaussee.

§ 2.2. Bevoegdheden

Artikel 6

1. De ambtenaar van politie is bevoegd zijn taak uit te oefenen in het gehele land.

2. Hoewel bevoegd in het gehele land, onthoudt de ambtenaar van politie die is tewerkgesteld bij een regionale eenheid, zich van optreden buiten zijn gebied van tewerkstelling, tenzij ingevolge regels, gesteld bij of krachtens de wet, dan wel in opdracht of met toestemming van het bevoegd gezag over de politie.

Artikel 7

1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

2. De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, heeft toegang tot elke plaats, voor zover dat voor het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, redelijkerwijs nodig is.

3. De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van de politietaak, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid of die van de ambtenaar zelf of van derden, en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.

4. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie voor wie aangehouden of rechtens van hun vrijheid beroofde verdachten of veroordeelden worden geleid, is bevoegd te gelasten dat deze aan hun lichaam zullen worden onderzocht, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid of die van de ambtenaar zelf, en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.

5. De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

6. Het eerste tot en met het vijfde lid zijn van toepassing op de militair van de Koninklijke marechaussee, indien hij optreedt in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, en op de militair van enig ander onderdeel van de krijgsmacht die op grond van deze wet bijstand verleent aan de politie.

7. Onze Minister kan bepalen dat de in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde buitengewone opsporingsambtenaren, voor zover door hem hetzij in persoon, hetzij per categorie of eenheid aangewezen, de bevoegdheden omschreven in het eerste en het derde lid kunnen uitoefenen. Alsdan wordt met overeenkomstige toepassing van artikel 9 een ambtsinstructie voor hen vastgesteld.

Artikel 8

1. Een ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak.

2. Gelijke bevoegdheid komt toe aan een buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak.

3. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de militair van de Koninklijke marechaussee, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn politietaak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, en aan de militair van de Koninklijke marechaussee of van enig ander onderdeel van de krijgsmacht die op grond van deze wet bijstand verleent aan de politie.

Artikel 9

1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een ambtsinstructie voor de politie en voor de Koninklijke marechaussee vastgesteld.

2. Indien de militair van enig ander onderdeel van de krijgsmacht op grond van deze wet bijstand verleent aan de politie is de ambtsinstructie van toepassing.

3. In de ambtsinstructie worden regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 6 en 7.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent maatregelen waaraan rechtens van hun vrijheid beroofde personen met het oog op hun insluiting kunnen worden onderworpen, voor zover dit noodzakelijk is in het belang van hun veiligheid of de veiligheid van anderen.

5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op personen die ten behoeve van de hulpverlening aan hen zijn ondergebracht bij de politie of de Koninklijke marechaussee.

6. De ambtenaren die door Onze Minister zijn aangewezen voor het vervoer van rechtens van hun vrijheid beroofde personen, kunnen de bevoegdheden, bedoeld in artikel 7, eerste en derde lid, uitoefenen, dan wel de maatregelen, bedoeld in het vierde lid, treffen, voor zover dit noodzakelijk is om te voorkomen dat de te vervoeren persoon zich onttrekt aan het op hem uitgeoefende toezicht. De eerste volzin is van toepassing voor zover de rechtens van hun vrijheid beroofde personen zijn ondergebracht bij de politie of de Koninklijke marechaussee.

7. De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste en het vierde lid, geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie voor zover het de Koninklijke marechaussee betreft.

Artikel 10

1. Alle ambtenaren die zijn belast met een politietaak, verlenen elkaar wederkerig de nodige hulp en betrachten bij voortduring een eendrachtige samenwerking bij het uitvoeren van die taak. Zij verlenen elkaar zoveel mogelijk de gevraagde medewerking.

2. Zij die op grond van de artikelen 141, onderdeel d, en 142 van het Wetboek van Strafvordering tot opsporing van strafbare feiten bevoegd zijn, werken samen met de politie.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven over de samenwerking van de politie met de buitengewone opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

§ 2.3. Het gezag

Artikel 11

1. Indien de politie in een gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde en ter uitvoering van de hulpverleningstaak, staat zij onder gezag van de burgemeester.

2. De burgemeester kan de betrokken ambtenaren van politie de nodige aanwijzingen geven voor de vervulling van de in het eerste lid bedoelde taken.

Artikel 12

1. Indien de politie optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel taken verricht ten dienste van de justitie, staat zij, tenzij in enige wet anders is bepaald, onder gezag van de officier van justitie.

2. De officier van justitie kan de betrokken ambtenaren van politie de nodige aanwijzingen geven voor de vervulling van de in het eerste lid bedoelde taken.

Artikel 13

1. De burgemeester en de officier van justitie overleggen regelmatig tezamen met het hoofd van het territoriale onderdeel van de regionale eenheid binnen welker grondgebied de gemeente geheel of ten dele valt, en zo nodig met de politiechef, over de taakuitvoering van de politie en over het beleid ten aanzien van de taakuitvoering (driehoeksoverleg).

2. In het driehoeksoverleg worden door de burgemeester en de officier van justitie, op basis van het integraal veiligheidsplan, bedoeld in artikel 148a van de Gemeentewet, en op basis van de doelstellingen ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie afspraken gemaakt over de inzet van de politie ten behoeve van de handhaving van de openbare orde en de hulpverlening, onderscheidenlijk ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie.

Artikel 14

1. Voor zover de Koninklijke marechaussee in een gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde, staat zij onder gezag van de burgemeester. Artikel 11, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. Voor zover de Koninklijke marechaussee optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel taken verricht ten dienste van de justitie, staat zij, tenzij in enige wet anders is bepaald, onder gezag van de officier van justitie. Artikel 12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. Indien de Koninklijke marechaussee optreedt als bedoeld in het eerste of tweede lid, neemt de commandant van de Koninklijke marechaussee deel aan het overleg, bedoeld in artikel 13.

4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de militair van enig ander onderdeel van de krijgsmacht, indien hij bijstand verleent aan de politie.

Artikel 15

1. De burgemeester is aan de gemeenteraad verantwoording schuldig over het door hem uitgeoefende gezag, bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, en 14, eerste en vierde lid.

2. Artikel 180, tweede en derde lid, van de Gemeentewet is van toepassing.

3. Onze Minister kan de burgemeesters en, in geval van een situatie als bedoeld in artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s, de voorzitter van een veiligheidsregio, zoveel mogelijk na overleg met hen, algemene en bijzondere aanwijzingen geven met betrekking tot de handhaving van de openbare orde, voorzover dat noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de Staat of de betrekkingen van Nederland met andere mogendheden, dan wel met het oog op zwaarwegende belangen van de samenleving. De aanwijzingen worden zo enigszins mogelijk schriftelijk gegeven.

Artikel 16

1. Onze Minister kan objecten en diensten aanwijzen waarvan bewaking of beveiliging door de politie noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de Staat of de betrekkingen van Nederland met andere mogendheden, dan wel met het oog op zwaarwegende belangen van de samenleving.

2. De burgemeester draagt zorg voor de uitvoering van een besluit als bedoeld in het eerste lid, voor zover dat geschiedt ter handhaving van de openbare orde.

3. De officier van justitie draagt zorg voor de uitvoering van een besluit als bedoeld in het eerste lid, voor zover dat geschiedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.

Artikel 17

1. Ten behoeve van de toepassing van de artikelen 15, derde lid, en 16, tweede lid, verstrekken de burgemeesters en Onze Minister elkaar de gewenste inlichtingen.

2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid.

HOOFDSTUK 3. HET BELEID TEN AANZIEN VAN DE POLITIE EN DE ORGANISATIE VAN DE POLITIE

AFDELING 3.1. BELEIDS- EN BEHEERSBEVOEGDHEDEN EN KWALITEITSZORG OP RIJKSNIVEAU

Artikel 18

1. Onze Minister stelt, gehoord het College van procureurs-generaal en de regioburgemeesters, ten minste eenmaal in de vier jaar de landelijke beleidsdoelstellingen vast ten aanzien van de taakuitvoering van de politie.

2. Indien daarvoor bijzondere redenen zijn, kunnen de landelijke beleidsdoelstellingen tussentijds worden gewijzigd of aangevuld, gehoord het College van procureurs-generaal en de regioburgemeesters.

3. Zodra de landelijke beleidsdoelstellingen zijn vastgesteld, gewijzigd of aangevuld, zendt Onze Minister deze aan de Staten-Generaal.

Artikel 19

Onze Minister voert, tezamen met de korpschef, periodiek overleg met de regioburgemeesters of een afvaardiging van de regioburgemeesters en de voorzitter van het College van procureurs-generaal over de taakuitvoering door en het beheer ten aanzien van de politie.

Artikel 20

1. Onze Minister stelt, gehoord het College van procureurs-generaal en de regioburgemeesters, met inachtneming van de omstandigheden van de betrokken eenheid, ten minste eenmaal in de vier jaar voor iedere regionale en landelijke eenheid de doelstellingen vast ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen, bedoeld in artikel 18, eerste lid.

2. Indien daarvoor bijzondere redenen zijn, kunnen de doelstellingen voor een regionale of landelijke eenheid tussentijds worden gewijzigd of aangevuld.

Artikel 21

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de vereisten voor een goede taakuitvoering door de politie en de eisen die worden gesteld aan de bekwaamheid van de ambtenaren van politie.

2. Voor zover de regels, bedoeld in het eerste lid, mede van toepassing zijn op de uitvoering van de politietaken door de Koninklijke marechaussee, geschiedt de voordracht voor de algemene maatregel van bestuur door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie.

Artikel 22

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de bewapening, de uitrusting en de kleding van de ambtenaren van politie.

Artikel 23

1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

a. de informatie- en communicatievoorzieningen van de politie en het gebruik daarvan door de politie en door andere organisaties die een taak hebben op het terrein van justitie, openbare orde, veiligheid of hulpverlening, en waarmee de politie ter uitvoering van de politietaak informatie- en communicatievoorzieningen deelt;

b. de informatiebeveiliging door de politie en door andere organisaties als bedoeld in onderdeel a.

2. Voor zover de regels, bedoeld in het eerste lid, van belang zijn voor de uitvoering van de politietaken, bedoeld in artikel 4, kunnen zij, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, mede worden gesteld ten aanzien van de Koninklijke marechaussee.

3. Onze Minister kan de regionale en landelijke eenheden frequenties toewijzen voor de overdracht van gegevens door middel van de daartoe geëigende aangewezen informatie- en communicatievoorzieningen.

Artikel 24

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

a. de doeleinden waarvoor de politie, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet politiegegevens, gegevens verwerkt of verder verwerkt en de categorieën van gegevens die de politie daartoe verwerkt, alsmede over de terbeschikkingstelling van gegevens ten behoeve van de uitvoering van de politietaak en de verstrekking van gegevens aan personen en instanties;

b. de wijze waarop de politie gegevens verwerkt, daaronder begrepen de schrijfwijze en classificatie van gegevens, alsmede de wijze van vermelding van de herkomst van de gegevens.

AFDELING 3.2. DE INRICHTING VAN DE POLITIE

§ 3.2.1. Algemene bepalingen

Artikel 25

1. Er is een landelijk politiekorps dat bestaat uit de volgende onderdelen:

a. regionale eenheden, belast met de uitvoering van de politietaak;

b. een of meer bij ministeriële regeling aan te wijzen landelijke eenheden, belast met de uitvoering van de politietaak;

c. een of meer bij ministeriële regeling aan te wijzen ondersteunende diensten.

2. Er is een regionale eenheid in elk van de arrondissementen, genoemd in de Wet op de rechterlijke indeling.

Artikel 26

De politie heeft rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in een door Onze Minister aan te wijzen gemeente.

§ 3.2.2. De korpschef

Artikel 27

1. De korpschef is belast met de leiding en het beheer van de politie.

2. De korpschef vertegenwoordigt de politie in en buiten rechte.

Artikel 28

1. De korpschef wordt bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen. Over de benoeming worden de regioburgemeesters en het College van procureurs-generaal in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. De korpschef wordt benoemd voor een periode van zes jaren en kan telkens worden herbenoemd voor een periode van drie jaren.

2. De korpschef is een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2, onder a.

3. Bij ministeriële regeling worden ambtenaren van politie aangewezen die deel uitmaken van de leiding van de politie. Zij worden bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen. Over de benoeming worden de regioburgemeesters en het College van procureurs-generaal in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. Onze Minister wijst uit het midden van de leiding van de politie een plaatsvervangend korpschef aan.

Artikel 29

1. De volgende handelingen van de korpschef behoeven de instemming van Onze Minister:

a. het sluiten van overeenkomsten die een door Onze Minister vast te stellen bedrag te boven gaan;

b. het doen van investeringen die een door Onze Minister vast te stellen bedrag te boven gaan;

c. het oprichten of mede oprichten van rechtspersonen dan wel het deelnemen daarin.

2. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Het is de korpschef verboden:

a. leningen aan te gaan anders dan bij Onze Minister van Financiën;

b. overeenkomsten aan te gaan waarbij hij zich verbindt tot zekerheidstelling met inbegrip van zekerheidstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt.

Artikel 30

1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het financieel beheer van de politie.

2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het beheer van de politie door de korpschef.

Artikel 31

Onze Minister kan de korpschef algemene en bijzondere aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van diens taken en bevoegdheden.

Artikel 32

1. De korpschef verstrekt aan Onze Minister, gevraagd en ongevraagd, tijdig de inlichtingen die Onze Minister nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak.

2. Onze Minister kan inzage vorderen van gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de uitoefening van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

§ 3.2.3. Beleids- en beheerscyclus en bekostiging

Artikel 33

Onze Minister stelt jaarlijks ten laste van de begroting van zijn ministerie bijdragen ter beschikking aan de politie.

Artikel 34

Onze Minister stelt jaarlijks een begroting vast voor de politie voor het komende begrotingsjaar alsmede een meerjarenraming voor drie op het begrotingsjaar volgende jaren. De korpschef stelt een ontwerp van een begroting en een ontwerp van een meerjarenraming op.

Artikel 35

Onze Minister stelt jaarlijks een jaarrekening vast van de politie, die vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid van de besteding, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De korpschef stelt een ontwerp van een jaarrekening op.

Artikel 36

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verdeling van sterkte en middelen over de onderdelen van de politie, bedoeld in artikel 25, eerste lid.

Artikel 37

1. De korpschef stelt jaarlijks een beheersplan en een jaarverslag op voor de politie.

2. Het jaarverslag omvat een omschrijving van de door de regionale en landelijke eenheden gerealiseerde activiteiten ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen, bedoeld in artikel 18.

3. Het beheersplan en het jaarverslag worden door Onze Minister vastgesteld.

AFDELING 3.3. DE REGIONALE EENHEDEN

Artikel 38

1. De dagelijkse leiding van een regionale eenheid berust bij de politiechef.

2. De politiechef wordt bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen. Over de benoeming worden de regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. Alvorens het advies wordt uitgebracht, hoort de regioburgemeester de burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert.

Artikel 39

1. De burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert en de hoofdofficier van justitie stellen ten minste eenmaal in de vier jaar, met inachtneming van de doelstellingen, bedoeld in artikel 20, het beleidsplan en jaarlijks het jaarverslag voor de regionale eenheid vast. Het beleidsplan omvat in ieder geval de verdeling van de beschikbare politiesterkte over de onderdelen van de regionale eenheid, rekening houdend met het belang van een goede vervulling van de politietaak in alle betrokken gemeenten. Voorafgaand aan de vaststelling van het beleidsplan hoort iedere burgemeester van een gemeente in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert, de gemeenteraad van die gemeente over het ontwerpbeleidsplan.

2. Indien het beleidsplan of het jaarverslag niet overeenkomstig de eerste volzin van het eerste lid kunnen worden vastgesteld, stelt de regioburgemeester in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie het beleidsplan respectievelijk het jaarverslag vast.

3. Indien de regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie niet met elkaar tot overeenstemming kunnen komen over de in het tweede lid bedoelde stukken, legt de regioburgemeester dit verschil van zienswijze schriftelijk voor aan Onze Minister die alsdan beslist. De regioburgemeester brengt de stukken in overeenstemming met de beslissing van Onze Minister.

4. De regioburgemeester zendt het beleidsplan en het jaarverslag aan Onze Minister en de korpschef.

5. Tegen het besluit tot vaststelling van het beleidsplan, bedoeld in het eerste lid, kan de burgemeester van een gemeente in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert beroep instellen bij Onze Minister. Deze beoordeelt of het beleidsplan op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in de betreffende gemeente.

6. De regioburgemeester brengt het beleidsplan in overeenstemming met het besluit van Onze Minister zonder dat hiervoor de instemming van de burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert en de hoofdofficier van justitie noodzakelijk is.

Artikel 40

1. Onze Minister kan ten aanzien van het beleidsplan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, de nodige aanwijzingen geven aan de regioburgemeester, indien naar het oordeel van Onze Minister het beleidsplan niet of onvoldoende verzekert dat de doelstellingen, bedoeld in artikel 20, eerste lid, kunnen worden verwezenlijkt.

2. De aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, worden schriftelijk gegeven, gehoord de regioburgemeester.

3. De regioburgemeester brengt, voor zover nodig, het beleidsplan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, in overeenstemming met de aanwijzingen, zonder dat hiervoor de instemming van de burgemeesters in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert en de hoofdofficier van justitie noodzakelijk is.

Artikel 41

De regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie overleggen regelmatig met de politiechef.

AFDELING 3.4. DE LANDELIJKE EENHEDEN

Artikel 42

1. Er zijn een of meer landelijke eenheden. Zij zijn belast met een of meer van de volgende taken:

a. de landelijke en specialistische uitvoering van politietaken, in samenwerking met de regionale eenheden, de Koninklijke marechaussee en de in artikel 10, tweede lid, bedoelde personen;

b. het verzamelen, registreren, bewerken, beheren, analyseren en verstrekken van informatie en het verrichten van andere ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de taakuitvoering van de onder a genoemde organen en personen, en de andere bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betrokken organen, alsmede de internationale uitwisseling van informatie en de landelijke voorlichting aan particulieren;

c. het waken over de veiligheid van leden van het koninklijk huis en andere door Onze Minister aangewezen personen.

2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 43

1. Onze Minister kan de betrokken ambtenaren van politie voor zover het de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder a en b, door het daartoe bestemde onderdeel of de daartoe bestemde onderdelen van een landelijke eenheid betreft, de nodige algemene en bijzondere aanwijzingen geven voor de vervulling van die taken, voor zover de politie optreedt bij of krachtens de wet of op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie onder verantwoordelijkheid van Onze Minister.

2. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, komt eveneens toe aan Onze Minister met betrekking tot de vervulling van de taak, bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder c.

3. Indien een regionale eenheid of de Koninklijke marechaussee bijstand verleent aan een landelijke eenheid ten behoeve van de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder c, kan Onze Minister aan de betrokken ambtenaren van politie, onderscheidenlijk de commandant van de Koninklijke marechaussee, de nodige algemene en bijzondere aanwijzingen geven.

Artikel 44

1. Onze Minister kan, indien hij dit nodig acht in verband met de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 42, eerste lid, daarvoor in aanmerking komende bestuursorganen opdragen de noodzakelijke medewerking te verlenen om door hem aangewezen personen tijdelijk van een aan te nemen identiteit te voorzien.

2. De voor de bestuursorganen geldende wettelijke voorschriften ter zake van de verlangde werkzaamheden blijven, voor zover deze in de weg staan aan het verrichten van die werkzaamheden, buiten toepassing.

AFDELING 3.5. RECHTSPOSITIE

Artikel 45

1. Voor zover zij niet bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen, worden de ambtenaren van politie, met uitzondering van de ambtenaren van de rijksrecherche, aangesteld, geschorst en ontslagen door de korpschef.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke andere ambtenaren van politie dan die, bedoeld in de artikelen 28, eerste en derde lid, en 38, tweede lid, worden benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit.

Artikel 46

1. De aanwijzing van het hoofd van een territoriaal onderdeel van een regionale eenheid, bedoeld in artikel 13, geschiedt na verkregen instemming van de burgemeester en de officier van justitie, behoudens indien naar het oordeel van de korpschef goed personeelsbeleid een aanwijzing tot hoofd van een territoriaal onderdeel vergt.

2. Indien het hoofd van een territoriaal onderdeel, bedoeld in het eerste lid, bij herhaling de afspraken over de inzet van de politie, bedoeld in artikel 13, tweede lid, niet heeft uitgevoerd zonder dat daarvoor, naar het oordeel van de burgemeester of de officier van justitie, goede redenen zijn, kan de burgemeester of de officier van justitie Onze Minister verzoeken het hoofd van het territoriale onderdeel uit zijn functie te ontheffen.

Artikel 47

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de politie regels gesteld over de onderwerpen, genoemd in artikel 125, eerste lid, en artikel 125quinquies, eerste lid, van de Ambtenarenwet.

2. Voor de toepassing van de Wet veiligheidsonderzoeken bij de politie wordt Onze Minister aangemerkt als Onze Minister, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet veiligheidsonderzoeken.

3. De ambtenaar van politie die te goeder trouw de bij hem levende vermoedens van misstanden meldt volgens de op grond van het eerste lid vast te stellen regels voor het omgaan met bij een ambtenaar levende vermoedens van misstanden binnen de organisatie waar hij werkzaam is, zal als gevolg van het melden van die vermoedens geen nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie ondervinden tijdens en na het volgen van die procedure.

4. Het tot aanstelling bevoegd gezag van ambtenaren van politie:

a. voert een integriteitsbeleid dat is gericht op het bevorderen van goed ambtelijk handelen en dat in ieder geval aandacht besteedt aan het bevorderen van integriteitsbewustzijn en aan het voorkomen van misbruik van bevoegdheden, belangenverstrengeling en discriminatie;

b. zorgt ervoor dat het integriteitsbeleid een vast onderdeel uitmaakt van het personeelsbeleid in ieder geval door integriteit in functioneringsgesprekken en werkoverleg aan de orde te stellen en door het aanbieden van scholing en vorming op het gebied van integriteit;

c. draagt zorg voor de totstandkoming van een gedragscode voor goed ambtelijk handelen;

d. stelt in overeenstemming met Onze Minister vast op welke wijze jaarlijks verantwoording wordt afgelegd over het gevoerde integriteitsbeleid en over de naleving van de gedragscode.

Artikel 48

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de rangen van de politie.

HOOFDSTUK 4. DE RIJKSRECHERCHE

Artikel 49

1. Er is een rijksrecherche. De rijksrecherche heeft tot taak het doen van onderzoek in opdracht van het College van procureurs-generaal, naar feiten of gedragingen die mogelijk een strafbaar feit opleveren.

2. Het College van procureurs-generaal kan de rijksrecherche belasten met een onderzoek als bedoeld in het eerste lid indien inzet van de rijksrecherche is aangewezen:

a. om iedere schijn van partijdigheid te vermijden bij een onderzoek naar feiten of gedragingen die de integriteit van de overheid kunnen aantasten en zijn begaan door natuurlijke personen of rechtspersonen belast met een publieke taak, of betrokken bij de uitvoering daarvan, of

b. omwille van de bijzondere deskundigheid van de rijksrecherche in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen.

Artikel 50

Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, 9 en 12 is van overeenkomstige toepassing op de rijksrecherche. Bij ministeriële regeling kunnen regels omtrent de vereisten voor een goede taakuitvoering door de politie, gesteld krachtens artikel 21, van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de rijksrecherche.

Artikel 51

Het beheer van de rijksrecherche berust bij het College van procureurs-generaal.

Artikel 52

Het College van procureurs-generaal stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een beleidsplan en jaarlijks een begroting, een financieel verslag en een jaarverslag met betrekking tot de rijksrecherche vast. Deze behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 53

1. De ambtenaren van de rijksrecherche worden aangesteld, geschorst en ontslagen door het College van procureurs-generaal.

2. Het bepaalde krachtens artikel 45, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaren van de rijksrecherche.

3. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 47, eerste en tweede lid, en 48 is van overeenkomstige toepassing op de rijksrecherche.

4. Voor de toepassing van de Wet veiligheidsonderzoeken bij de rijksrecherche wordt Onze Minister aangemerkt als Onze Minister, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet veiligheidsonderzoeken.

Artikel 54

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

a. de doeleinden waarvoor de rijksrecherche, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet politiegegevens, gegevens verwerkt of verder verwerkt en de categorieën van gegevens die de rijksrecherche daartoe verwerkt, alsmede over de terbeschikkingstelling van gegevens ten behoeve van de uitvoering van de politietaak en de verstrekking van gegevens aan personen en instanties;

b. de wijze waarop de rijksrecherche gegevens verwerkt, daaronder begrepen de schrijfwijze en classificatie van gegevens, alsmede de wijze van vermelding van de herkomst van de gegevens.

Artikel 55

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gegeven over de samenwerking van de rijksrecherche met de politie. Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie kunnen regels worden gegeven over de samenwerking van de rijksrecherche met de Koninklijke marechaussee.

HOOFDSTUK 5. BIJSTAND

§ 5.1 Bijstand aan de politie

Artikel 56

1. Behoeft een eenheid bijstand van andere eenheden voor de handhaving van de openbare orde, dan richt de burgemeester een verzoek daartoe aan de korpschef.

2. Behoeft een eenheid bijstand van andere eenheden voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel voor het verrichten van taken ten dienste van de justitie, dan richt de officier van justitie een verzoek daartoe aan de korpschef.

3. Behoudens in spoedeisende gevallen wordt het verzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet gedaan dan nadat de regioburgemeester in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over het verzoek te geven.

4. Indien het in het eerste of tweede lid bedoelde verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, kan de burgemeester onderscheidenlijk de officier van justitie Onze Minister verzoeken de korpschef op te dragen alsnog in de gevraagde bijstand te voorzien.

5. Behoeft een landelijke eenheid bijstand van andere eenheden bij de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder c, dan verstrekt Onze Minister, gehoord het College van procureurs-generaal, aan de korpschef de nodige opdrachten.

Artikel 57

1. De Koninklijke marechaussee kan bijstand verlenen aan de politie.

2. Onze Minister bepaalt, na overleg met Onze Minister van Defensie, of bijstand wordt verleend.

3. Indien bijstand moet worden verleend, bepaalt Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie op welke wijze de bijstand wordt verleend.

Artikel 58

1. In bijzondere gevallen kan bijstand worden verleend door andere delen van de krijgsmacht.

2. Onze Minister bepaalt, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, op welke wijze de bijstand zal worden verleend. Daarbij worden tevens nadere regels of beleidsregels gegeven over de uitoefening van bevoegdheden krachtens deze wet.

Artikel 59

1. Er zijn een of meer bijzondere bijstandseenheden bestaande uit personeel van de politie, de Koninklijke marechaussee of andere delen van de krijgsmacht. Deze bijzondere bijstandseenheden worden belast met bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Defensie aangewezen bijzondere onderdelen van de politietaak.

2. Behoeft de politie, de rijksrecherche of de Koninklijke marechaussee bijstand van een bijzondere bijstandseenheid als bedoeld in het eerste lid, dan richt de officier van justitie, door tussenkomst van het College van procureurs-generaal, een verzoek daartoe aan Onze Minister.

3. Indien bijstand door een bijzondere bijstandseenheid als bedoeld in het eerste lid nodig is, bepaalt Onze Minister of en op welke wijze die bijzondere bijstandseenheid wordt ingezet. Onze Minister stelt Onze Minister van Defensie onverwijld in kennis van de inzet.

4. Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Defensie kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de uitvoering van het tweede en derde lid, alsmede de organisatie van de bijzondere bijstandseenheden.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister en Onze Minister van Defensie kunnen regels worden gesteld over de bewapening, de uitrusting en de bekwaamheid van het personeel van de bijzondere bijstandseenheden.

§ 5.2 Bijstand aan de rijksrecherche

Artikel 60

Behoeft de rijksrecherche bijstand van de politie, dan verstrekt het College van procureurs-generaal op aanvraag van de officier van justitie aan de korpschef de nodige opdrachten en stelt het Onze Minister daarvan in kennis.

§ 5.3 Bijstand aan de Koninklijke marechaussee

Artikel 61

De politie kan bijstand verlenen aan de Koninklijke marechaussee, met inachtneming van de artikelen 62 tot en met 64.

Artikel 62

Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van de politie voor de handhaving van de openbare orde, dan richt Onze Minister van Defensie op aanvraag van de burgemeester een verzoek daartoe aan Onze Minister. Onze Minister verstrekt aan de korpschef de nodige opdrachten en stelt Onze Minister van Defensie daarvan in kennis.

Artikel 63

Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van de politie voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel voor het verrichten van taken ten dienste van de justitie, dan richt Onze Minister van Defensie op aanvraag van de officier van justitie een verzoek daartoe aan het College van procureurs-generaal. Het College van procureurs-generaal verstrekt door tussenkomst van de korpschef aan de betrokken politiechefs de nodige opdrachten en stelt Onze Minister en Onze Minster van Defensie daarvan in kennis.

Artikel 64

1. Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van de politie bij de uitoefening van de taken die zij op grond van artikel 4, derde lid, verricht onder verantwoordelijkheid van Onze Minister, dan verstrekt Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie en na overleg met het College van procureurs-generaal, door tussenkomst van de korpschef aan de betrokken politiechefs de nodige opdrachten.

2. Artikel 4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de politiechef van een regionale eenheid of het hoofd van een landelijke eenheid, voor zover die eenheid bijstand verleent aan de Koninklijke marechaussee als bedoeld in het eerste lid.

HOOFDSTUK 6. TOEZICHT

Artikel 65

1. De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, bedoeld in artikel 57 van de Wet veiligheidsregio’s, is met het oog op een goede taakuitvoering door de politie belast met:

a. het, onverminderd het gezag van de burgemeester en de officier van justitie, houden van toezicht op de taakuitvoering;

b. het houden van toezicht op de kwaliteitszorg door de politie;

c. het houden van toezicht op de kwaliteit van de politieopleidingen en de examinering;

d. het verrichten van onderzoek, indien daar in bijzondere gevallen reden toe is, naar ingrijpende gebeurtenissen waarbij de politie betrokken is, tenzij de Onderzoeksraad voor veiligheid, bedoeld in artikel 2 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, naar het desbetreffende voorval een onderzoek instelt.

2. De inspectie voert haar werkzaamheden uit onder gezag van Onze Minister.

3. De korpschef verleent de inspectie de door deze verlangde ondersteuning bij de uitvoering van de werkzaamheden in het kader van het eerste lid.

Artikel 66

1. De werkzaamheden die in het kader van artikel 65, eerste lid, onder a tot en met d, worden uitgevoerd, worden jaarlijks door Onze Minister vastgesteld.

2. De inspectie rapporteert, gevraagd of ongevraagd, rechtstreeks aan Onze Minister.

3. Onze Minister zendt de Staten-Generaal jaarlijks een door de inspectie opgesteld verslag van de werkzaamheden die in het kader van artikel 65, eerste lid, worden uitgevoerd.

Artikel 67

Met het toezicht bedoeld in artikel 65, eerste lid, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren van de inspectie. Van het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

HOOFDSTUK 7. DE BEHANDELING VAN KLACHTEN

Artikel 68

1. Onze Minister stelt nadere regels vast over de behandeling van klachten over gedragingen van ambtenaren van politie.

2. In de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt voorzien in:

a. de instelling van een of meer commissies, bestaande uit onafhankelijke leden, die op de wijze in de regeling te bepalen zijn belast met de behandeling van en advisering over in de regeling aangewezen categorieën van klachten waarbij zo nodig aandacht wordt geschonken aan de in onderdeel c genoemde aspecten;

b. de registratie van de mondeling en schriftelijk ingediende klachten en, indien beschikbaar, de daarop genomen beslissingen, en

c. een jaarlijkse publicatie van de geregistreerde klachten en beslissingen, waarin wordt aangegeven in hoeverre bepaalde klachten wijzen op structurele tekortkomingen in het functioneren van de politie en waarin, zo nodig, aandacht wordt geschonken aan de middelen om deze tekortkomingen op te heffen.

3. Afdeling 9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de behandeling van klachten als bedoeld in het tweede lid, onder a. Indien een commissie over de klacht zal adviseren, deelt degene die ingevolge artikel 70 verantwoordelijk is voor de behandeling van een klacht dit, in afwijking van artikel 9:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zo spoedig mogelijk aan de indiener van de klacht mede.

Artikel 69

1. Onze Minister van Defensie stelt de regels, bedoeld in artikel 68, eerste lid, vast ten aanzien van klachten over gedragingen van militairen van de Koninklijke marechaussee dan wel van enig ander onderdeel van de krijgsmacht, bij de uitvoering van hun in deze wet omschreven taken.

2. Artikel 68, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 70

1. De korpschef draagt zorg voor de behandeling van een klacht die is ingediend over een gedraging van een ambtenaar van politie die is tewerkgesteld bij een landelijke eenheid of een ondersteunende dienst.

2. De politiechef van de regionale eenheid waarbij de ambtenaar van politie is tewerkgesteld over wiens gedraging een klacht is ingediend, draagt zorg voor de behandeling van deze klacht.

3. De korpschef draagt zorg voor de behandeling van een klacht die is ingediend over een gedraging van de politiechef.

4. Het College van procureurs-generaal draagt zorg voor de behandeling van een klacht die is ingediend over een gedraging van een ambtenaar van de rijksrecherche.

5. Onze Minister draagt zorg voor de behandeling van een klacht die is ingediend over een gedraging van de korpschef en de krachtens artikel 28, derde lid, aangewezen leden van de leiding van de politie.

6. Onze Minister van Defensie draagt zorg voor de behandeling van een klacht die is ingediend over een gedraging van een militair van de Koninklijke marechaussee dan wel van enig ander onderdeel van de krijgsmacht, bij de uitvoering van zijn in deze wet omschreven taken.

Artikel 71

1. Een klacht over een gedraging van een ambtenaar van politie wordt ingediend bij de politiechef.

2. Een klacht als bedoeld in artikel 70, eerste of derde lid, wordt ingediend bij de korpschef.

3. Een klacht over een gedraging van een ambtenaar van de rijksrecherche wordt ingediend bij het College van procureurs-generaal.

4. Een klacht over een gedraging van de korpschef en de krachtens artikel 28, derde lid, aangewezen leden van de leiding van de politie wordt ingediend bij Onze Minister.

5. Een klacht over een gedraging van een militair van de Koninklijke marechaussee dan wel van enig ander onderdeel van de krijgsmacht, bij de uitvoering van zijn in deze wet omschreven taken, wordt ingediend bij Onze Minister van Defensie.

6. Tenzij reeds naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen, wordt van de klacht, onverwijld na de ontvangst ervan, afschrift gezonden aan de burgemeester van de gemeente waar de gedraging waarover wordt geklaagd heeft plaatsgevonden, alsmede aan de hoofdofficier van justitie van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen waar de gedraging waarover wordt geklaagd, heeft plaatsgevonden. De burgemeester en de hoofdofficier van justitie worden in de gelegenheid gesteld over de klacht advies uit te brengen.

Artikel 72

In afwijking van artikel 9:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt de klacht afgehandeld binnen tien weken of, indien een commissie als bedoeld in artikel 68, tweede lid, onder a, is belast met de behandeling van en advisering over de klacht, binnen veertien weken na de ontvangst van het klaagschrift.

HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN

Artikel 73

De Politiewet 1993 wordt ingetrokken.

Artikel 74

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 75

Deze wet wordt aangehaald als: Politiewet, met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

2. De ondertekening komt te luiden:

De Minister van Veiligheid en Justitie,

De Minister van Defensie,

Toelichting

Algemeen

1. Inleiding

De voorliggende nota van wijziging betreft de invoering van een nationaal politiebestel door middel van een nieuwe politiewet. Er komt één landelijk politiekorps. Het doel van de wijzigingen is de organisatie van de politie beter toe te rusten op het veiliger maken van Nederland en het geven van meer ruimte voor de professionaliteit van de politie. De wijzigingen betreffen voornamelijk het bestuur en in het bijzonder het beheer van de politie, waarbij een vereenvoudiging van de beleids- en beheerscyclus en een vermindering van de bestuurlijke drukte worden bewerkstelligd. De minister van Veiligheid en Justitie wordt verantwoordelijk voor het beheer van de nationale politie. De bestaande regeling van het gezag en de taken en bevoegdheden van de politie blijven ongemoeid. Met de voorgestelde wijzigingen wordt de eenheid van de politie versterkt. Die grotere eenheid zal moeten leiden tot een efficiënter en effectiever opererende politie die meer tijd kan besteden aan haar operationele taken en daarmee tot een betere politiezorg. Voorts wordt met de voorgestelde wijzigingen ook een beter democratisch ingebedde politieorganisatie gerealiseerd.

Als gesteld, wil de regering met de vorming van nationale politie onder andere bereiken dat de effectiviteit en doelmatigheid van de politie worden vergroot. Dit wordt gerealiseerd door meer eenheid in organisatie, uitvoering en bedrijfsvoering; door eenvoudiger bestuurlijke aansturing en door schaalvergroting. Schaalvergroting en meer eenheid in beheer gaan niet ten koste van het politiewerk op lokaal niveau. Sterker nog, met de voorgestelde wetswijziging wordt de verbinding tussen het lokale niveau en de politie versterkt (landelijk raamwerk en lokaal maatwerk).

Bij nationale politie staan burgers en agenten centraal. Agenten zullen moeten gaan merken dat het werk makkelijker wordt, burgers zullen moeten gaan merken dat de politiezorg beter wordt en het veiliger wordt.

In deze toelichting wordt eerst kort ingegaan op de gekozen vorm van de nota van wijziging. Vervolgens wordt de aanloop naar het wetsvoorstel beschreven. Startpunt daarbij is de invoering van de Politiewet 1993 en het regionale politiebestel. Daarna zullen verschillende evaluatierapporten met betrekking tot de politie aan bod komen en enkele knelpunten en verbeterpunten die uit deze onderzoeken naar voren zijn gekomen. Vervolgens wordt in het algemene deel de keuze voor een nieuwe politieorganisatie en de redenen voor deze keuze toegelicht.

In het voorliggende wetsvoorstel is, naast de regeling van een nieuwe organisatie van de politie, ook een beperkt aantal andere onderwerpen meegenomen. Deze staan los van het politiebestel maar zijn om juridische of beleidsmatige redenen dringend wenselijk of noodzakelijk. Voorbeelden zijn de wettelijke regeling van de rijksrecherche, een wettelijke grondslag voor het stellen van regels over het gebruik van informatie- en communicatievoorzieningen van de politie door organisaties waarmee de politie samenwerkt, en een wettelijke grondslag voor het gebruik van vrijheidsbeperkende middelen door de politie.

Daar waar in deze toelichting wordt gesproken van «minister», wordt bedoeld: de Minister van Veiligheid en Justitie».

De vorm van de nota van wijziging

Op 21 november 2006 werd het voorstel van wet houdende vaststelling van een nieuwe Politiewet (Politiewet 200., kamerstukken nr. 30 880) ingediend bij de Tweede Kamer. Dat voorstel betreft een herziening van het politiebestel door wijzigingen in het bestuur en in het bijzonder het beheer van de politie aan te brengen.

Zowel in het regeerakkoord als in het gedoogakkoord1 is voorzien dat er een nationale politie komt. Het op 21 november 2006 ingediende wetsvoorstel wordt met het oog op de realisatie van dit voornemen aangepast. Daartoe dient de voorliggende nota van wijziging.

De hoofdstukken 1 tot en met 8 van het wetsvoorstel worden door middel van deze nota van wijziging opnieuw vastgesteld. Voor deze techniek is gekozen omwille van de leesbaarheid van het voorstel. Vrijwel alle artikelen van het wetsvoorstel worden immers gewijzigd en een flink aantal van de artikelen wordt bovendien vernummerd. Een nota van wijziging waarbij de tekst van deze hoofdstukken van het wetsvoorstel niet opnieuw zou worden vastgesteld maar waarbij enkel de wijzigingen per artikel zouden worden weergegeven, wordt zo goed als onleesbaar. Dat argument geldt ook voor de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Door de wijziging van de artikelen uit het wetsvoorstel wordt de memorie van toelichting op een groot aantal punten achterhaald en geeft dus geen juiste toelichting meer op de gewijzigde hoofdstukken 1 tot en met 8. Daarom wordt de (gewijzigde) memorie van toelichting geïncorporeerd in de toelichting bij de nota van wijziging. Op die manier ontvangt uw Kamer één nieuwe doorlopende tekst van de hoofdstukken 1 tot en met 8 met één bijbehorende doorlopende toelichting.

2. Voorgeschiedenis en probleemanalyse

Met de invoering van de Politiewet 1993 werden de 148 gemeentelijke politiekorpsen en het Korps Rijkspolitie omgevormd tot 25 regionale politiekorpsen en het Korps landelijke politiediensten (Klpd). Doel van de bestelwijziging was de organisatie van de politie te verbeteren en een meer adequate taakuitvoering van de politie mogelijk te maken. Deze ingrijpende reorganisatie heeft tot grote veranderingen geleid in het bestuur en de organisatie van de politie.

Sindsdien is een aantal evaluaties van de Politiewet 1993 uitgevoerd. Reeds bij de eerste evaluatie, in 1997, werd door het toenmalige kabinet geconstateerd dat behoefte bestond aan meer centrale sturingsmogelijkheden, vooral ten aanzien van het beheer maar ook op het punt van de doorwerking van landelijke beleidsprioriteiten ten aanzien van de taakuitvoering. Conclusie was dat een heroverweging van het sterke decentrale karakter van het bestel noodzakelijk was.2 Deze eerste evaluatie is in 1998 gevolgd door een meer uitgebreid breedte- en diepteonderzoek, waarbij werd geconcludeerd dat het politiebestel in verschillende opzichten bijzonder ingewikkeld was en zelfs niet goed in elkaar zat.3 Dit heeft geleid tot een aantal aanpassingen van het regionale bestel.

In 2005 heeft de stuurgroep Evaluatie Politieorganisatie het politiebestel doorgelicht. Doel was de verworvenheden en de knelpunten van de huidige politieorganisatie in beeld te brengen, en te bezien of de politieorganisatie voldoende toekomstbestendig is en duurzaam borg staat voor een adequate politiezorg, met inachtneming van nationale, regionale en lokale prioriteiten of dat verdergaande aanpassingen van de politieorganisatie noodzakelijk zijn. Op 30 juni 2005 presenteerde de stuurgroep haar rapport «Lokaal verankerd, nationaal versterkt» met conclusies en aanbevelingen.4

Gelijktijdig met de evaluatie werd een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar mogelijke modellen voor beheer van de politie uitgevoerd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport »Beheer beheerst»5.

Uit de evaluatie bleek dat de organisatie en de werking van de politie onder meer dat de politie als organisatie te zeer verbrokkeld was, dat de samenwerking binnen de politie onvoldoende was en de politie als organisatie geen eenheid vormt. Er waren grote verschillen tussen de politiekorpsen in taakuitvoering en werkwijze en in beheersmatige aangelegenheden als de organisatie en de bedrijfsvoering van de politie. Er ontbrak een zogenoemd «dak op de regio’s» waarmee de ministers eenduidige afspraken kunnen maken. Bestuurlijk gezien signaleerde de stuurgroep het knelpunt dat de functie van het regionale college als bestuurlijk orgaan is uitgehold en werd gewezen op de marginale rol van de gemeenteraden en de zwakke democratische inbedding van het bestel.

De conclusie was dan ook dat een fundamentele wijziging van het politiebestel noodzakelijk was.

Het toenmalige kabinet deelde de opvattingen van de stuurgroep. Het trok de conclusie dat het regionale bestel en vooral het beheer van de politie niet zodanig waren ingericht dat de politie haar taken op een adequate en evenwichtige wijze kon verrichten. Door het beheer centraal te organiseren zou effectiever en efficiënter kunnen worden gewerkt, waardoor de kwaliteit van het politiewerk zou worden vergroot en capaciteit zou kunnen worden vrijgespeeld ten gunste van de operationele taken.

In een kabinetsstandpunt op hoofdlijnen werden de contouren voor een nieuw – landelijk – politiebestel geschetst.5 Kernpunten waren de eenheid van beheer en het meer in evenwicht brengen van de nationale, regionale en lokale belangen. Over dat kabinetsstandpunt is met de Tweede Kamer op 8 en 21 februari 2006 van gedachten gewisseld.7 Vervolgens is op 21 november 2006 het wetsvoorstel ingediend dat met deze nota van wijziging wordt gewijzigd.8

Het opvolgende kabinet van CDA, PvdA en ChristenUnie heeft de Tweede Kamer verzocht de behandeling van dit wetsvoorstel op te schorten. In het Coalitieakkoord9 was overeengekomen dat de samenwerking en het gemeenschappelijke functioneren van de politie moest worden verbeterd en dat indien met de samenwerking onvoldoende voortgang en resultaat zou worden behaald, de behandeling van het wetsvoorstel tot invoering van een landelijk politiebestel, herijkt op basis van de dan ontstane situatie, zou worden voortgezet. Het besluit daarover moest voor eind 2008 worden genomen.

Kort voordien, op 1 mei 2006, was een wijziging van de Politiewet 1993 in werking getreden die zag op het treffen van samenwerkingsvoorzieningen ter bevordering van een doelmatig beheer van de politie op initiatief van de korpsbeheerders10. De voorziening tot samenwerking Politie Nederland, waarin de regiokorpsen en het Klpd hun gemeenschappelijke beheertaken hebben georganiseerd, vindt in deze wet haar grondslag. Bovendien was in het Coalitieakkoord opgenomen dat het wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met versterking van de bevoegdheden op rijksniveau ten aanzien van de politie zo snel mogelijk in werking moest treden.11 In 2007 passeerde dit wetsvoorstel de Eerste Kamer. Weliswaar had de Stuurgroep evaluatie politieorganisatie geconstateerd dat deze wijzigingen van de Politiewet 1993 voor lang niet alle gesignaleerde knelpunten een oplossing zouden kunnen bieden en dat daarom een fundamentele wijziging van het bestel noodzakelijk is. Toch werd met de aanvaarding van beide wetsvoorstellen voor een belangrijk deel tegemoet gekomen aan twee knelpunten. Met de voorziening tot samenwerking Politie Nederland werd de samenwerking op het terrein van het beheer structureel vorm gegeven door de korpsbeheerders. Met de nieuwe taken die de ministers hadden gekregen door de inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met versterking van de bevoegdheden op rijksniveau ten aanzien van de politie komen de landelijke prioriteiten voor de politie niet langer na langdurig overleg met de korpsbeheerders tot stand via convenanten, maar worden ze door de politieministers (thans: de Minister van Veiligheid en Justitie) dwingend vastgesteld. Om tot uitdrukking te brengen dat ook deze op rijksniveau vastgestelde beleidsprioriteiten vooraf waren afgestemd met en gedragen door de korpsbeheerders, de regionale colleges en het College van procureurs-generaal, werden ze aangeduid als Gemeenschappelijke Landelijke Prioriteiten Politie 2008–2011.12

Binnen deze constellatie achtte het toenmalige kabinet het wenselijk dat het regionale bestel nog een kans zou worden geboden. Voortzetting van de behandeling van het aangehouden wetsvoorstel tot invoering van een landelijke politieorganisatie werd daarmee afhankelijk gesteld van de resultaten die eind 2008 zouden zijn behaald door middel van samenwerking tussen de korpsen op de terreinen ICT, personeel, materieel en bovenregionale samenwerking. Met de korpsbeheerders werden daarover specifieke afspraken gemaakt.13 Eind 2008 heeft de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) onderzoek gepubliceerd naar de verwezenlijking van de samenwerkingsafspraken over het totstandbrengen van een uniforme informatiehuishouding bij de politie. Over de bevindingen ten aanzien van de behaalde resultaten heeft het toenmalige kabinet gerapporteerd in het kabinetsstandpunt «Samenwerkingsafspraken en politiewet»14. In dat standpunt heeft het toenmalige kabinet, gelet op de door de korpsen behaalde resultaten, de overtuiging uitgesproken dat verdere verbetering binnen het huidige regionale bestel kon worden gerealiseerd. De geboekte voortgang moest verder worden uitgebouwd en de samenwerking en het gemeenschappelijk functioneren van de politie moest worden geborgd via een aanpassing van de Politiewet 1993. Het kabinetsstandpunt schetste de contouren voor het voorgenomen wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet 1993 ter versterking van de samenwerking en het gemeenschappelijk functioneren van de politie. Ook werd een vervolgonderzoek door de IOOV naar de nog niet volledig gerealiseerde samenwerkingsafspraken aangekondigd. Dat rapport moest begin 2010 verschijnen.

Het ter uitvoering van het kabinetsstandpunt opgestelde wetsvoorstel «versterking samenwerking en gemeenschappelijk functioneren politie» voorzag in de instelling van een korpsbeheerdersberaad dat onder meer wordt belast met het vaststellen en realiseren van gemeenschappelijk beleid op het terrein van de taakuitvoering en het beheer van de politie alsook het bestuur van het Politiedienstencentrum en de Politieacademie. Het Politiedienstencentrum voert op landelijk niveau bedrijfsvoeringstaken uit voor de korpsen. Naast de korpsbeheerders wordt ook de voorzitter van het College van procureurs-generaal lid van het korpsbeheerdersberaad. Het korpsbeheerdersberaad besluit met meerderheid van stemmen, de voorzitter van het College van procureurs-generaal krijgt instemmingsrecht. Het korpsbeheerdersberaad wordt bijgestaan door de raad van korpschefs. Op 11 november 2009 werd het wetsvoorstel voor advies voorgelegd aan de Raad van State.

In het aangekondigde vervolgonderzoek naar de samenwerkingsafspraken trok de IOOV de algemene conclusie dat de beoogde betere samenwerking tussen de korpsen onvoldoende was gerealiseerd en dat de beoogde verbetering van het gemeenschappelijk functioneren van de Nederlandse politie niet was verbeterd. Bij brief van 9 juli 201015 stelde de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, tevens Minister van Justitie, de Tweede Kamer hiervan in kennis, waarbij tevens werd gerefereerd aan de recente problemen met de ICT-voorzieningen van de politie, zoals het langdurig uitvallen van systemen in Noord-Oost-Nederland. De minister concludeerde daarbij dat de «governance» van de informatiehuishouding bij de politie nog onvoldoende op orde is. Dat er nog steeds teveel ruimte is om op regionaal niveau af te wijken van landelijk afgesproken werkwijzen en standaards hetgeen ten koste gaat van de operationele prestaties van de korpsen. Ook was een conclusie dat er nog een slag is te maken in de cultuur van de politieorganisatie waar het gaat om het delen van informatie. Om de genoemde ICT-problemen adequaat op te pakken is eenheid in de aanpak noodzakelijk. Bindende besluitvorming door een meerderheid van de korpsbeheerders voorziet hierin, maar de vraag is daarbij gesteld hoe dergelijke besluitvorming zich verhoudt tot de besluitvorming door de ministers en de regionale colleges. Gelet op de zorgvuldige en consequente aanpak die geboden is bij dit mogelijk zeer ingrijpende vraagstuk, heeft het toenmalige kabinet, gezien zijn demissionaire status, de beantwoording van deze vraag overgelaten aan het volgende kabinet. Het wetsvoorstel is na ontvangst van het advies van de Raad van 2 maart 2010 eveneens tot het aantreden van het nieuwe kabinet stilgelegd.

Het huidige kabinet constateert dat sinds de evaluatie van de politie in 2005 onvoldoende resultaat is geboekt met de samenwerking en het gemeenschappelijk functioneren van de politie. Het bovenvermelde vervolgonderzoek van de IOOV heeft dit duidelijk aangetoond. Daarom heeft het kabinet besloten dat er nationale politie komt onder verantwoordelijkheid van de minister die belast is met de zorg voor veiligheid. Het in 2006 ingediende wetsvoorstel wordt daartoe in aangepaste vorm voortgezet.

3. De hoofdlijnen van de nieuwe politieorganisatie

Het onderhavige wetsvoorstel voor een nationaal politiebestel moet de gesignaleerde knelpunten wegnemen en moet bijdragen aan een politie die in staat is beter invulling te geven aan de eisen die de maatschappij stelt. Nationale politie moet leiden tot meer ruimte voor de professional, minder bureaucratie, minder bestuurlijke drukte, een veiliger leefomgeving en een effectievere opsporing.

De veiligheid voor burgers en het werk van de agent staan centraal bij het vormgeven van de nationale politie. De burgers waar het gaat om een zo goed mogelijke politiezorg. Daartoe zal de politie dicht bij de burger moeten staan. De politie moet hen helpen hun directe omgeving veilig te houden en zal de overlast en veelvoorkomende criminaliteit met succes moeten aanpakken. Ook zal de politie de minder zichtbare, zware, de maatschappij ontwrichtende criminaliteit moeten aanpakken. De agenten mogen een organisatie verwachten waarin zij hun werk zo goed mogelijk kunnen doen. Een organisatie die flexibel en slagvaardig kan inspelen op de continu wijzigende veiligheidsproblemen. Een politiekorps waarin elke agent goed toegerust en opgeleid de straat op gaat. Waarin de professionele ruimte van de medewerkers groot is en de administratieve lasten beperkt zijn. Een politiekorps waarvan de onderdelen goed met elkaar samenwerken, een korps dat functioneert als één eenheid. Een politiekorps dat een goede democratische inbedding heeft en weinig bestuurlijke drukte met zich brengt.

De nationale politie moet haar basis dus hebben dicht bij de burger, in de wijk en in de gemeente. Om dat te borgen, worden in het bestel garanties ingebouwd, die ervoor zullen zorgen dat de politie nog meer dan nu het geval is, dichtbij de burger komt te staan.

Het gezag over de politie wijzigt niet. Dat geldt zowel voor het gezag op lokaal niveau als voor het gezag op landelijk niveau. De burgemeester blijft lokaal verantwoordelijk voor de aansturing van de politie bij het handhaven van de openbare orde en hulpverlening. De officier van justitie blijft de politie aansturen bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en taken ten dienste van de justitie. Om beide gezagdragers beter in staat te stellen om te sturen op het beleid en de inzet van de politie op lokaal niveau zal in de wet, naast de geldende gezagsverhoudingen, het volgende worden vastgelegd.

• Wettelijk wordt vastgelegd wat de functie van de lokale gezagsdriehoek is. In de driehoek overleggen de burgemeester en de officier van justitie tezamen met het hoofd van het territoriale onderdeel van de regionale eenheid binnen welker grondgebied de gemeente geheel of ten dele valt en zo nodig met de politiechef van de regionale eenheid over de taakuitvoering van de politie en over het beleid met betrekking tot de taakuitvoering.

• Ook wordt in de wet opgenomen dat in het driehoeksoverleg door de burgemeester en de officier van justitie op basis van het integraal veiligheidsplan, bedoeld in artikel 148a van de Gemeentewet, en op basis van de doelstellingen ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie afspraken worden gemaakt over de inzet van de politie. De burgemeester heeft hiermee de mogelijkheid afspraken te maken over de bijdrage van de politie aan het door de gemeenteraad vastgestelde integraal veiligheidsplan, conform het voorstel van Wet regierol gemeenten.16 De afspraken over de inzet van de politie in een gemeente worden gemaakt tegen de achtergrond van de beschikbare politiecapaciteit, de prioriteiten uit het integraal veiligheidsplan, de doelstellingen ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de overige taken ten dienste van de justitie en de door de minister voor de betreffende regionale eenheid vastgestelde doelstellingen ter verwezenlijking van de landelijke doelstellingen ten aanzien van de taakuitvoering door de politie.

• Tevens wordt in de wet vastgelegd dat voorafgaand aan de vaststelling van het regionale beleidsplan iedere burgemeester in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert, de gemeenteraad van die gemeente hoort over het ontwerpbeleidsplan.

Daarnaast wordt de positie van de gemeenteraad verder versterkt door in de wet vast te leggen dat de burgemeester verantwoording verschuldigd is aan de gemeenteraad over de uitoefening van zijn gezag over de politie.

Ook wordt wettelijk geregeld dat de aanwijzing van het lokale hoofd van een territoriaal onderdeel van een regionale eenheid, bedoeld in artikel 13, geschiedt na verkregen instemming van de burgemeester en de officier van justitie, behoudens indien naar het oordeel van de korpschef goed personeelsbeleid een aanwijzing als hoofd van een territoriaal onderdeel vergt.

Naast de versterking van de lokale inbedding zal de nationale politie ook een betere democratische inbedding op landelijk niveau krijgen. De verantwoordelijkheid op landelijk niveau voor de politie ligt bij één minister, de Minister van Veiligheid en Justitie. De minister krijgt zodanige taken en bevoegdheden ten aanzien van de politie dat de minister effectief kan sturen op het beheer (bijvoorbeeld ten aanzien van ICT) en de taakuitvoering van de politie. Dit draagt bij aan de eenheid van de politie in beheer en aan het gemeenschappelijk functioneren, waardoor de politie flexibel en slagvaardiger kan inspelen op continu wijzigende veiligheidsproblemen. De minister legt verantwoording af aan de Tweede Kamer. Daarmee is de democratische inbedding op landelijk niveau geregeld. Het huidige zogenoemde «democratisch gat» ten aanzien van het beheer wordt hiermee tevens gedicht.

Het wetsvoorstel voorziet in de oprichting van één landelijk politiekorps met rechtspersoonlijkheid. Met de oprichting van een landelijk politiekorps wordt de eenheid van de politie versterkt. Die grotere eenheid zal leiden tot een efficiënter en effectiever opererende politie die meer tijd besteedt aan haar operationele taken en daarmee een betere politiezorg realiseert. Het ene nationale korps plaatst een tiental hoogwaardige korps eenheden dat belast is met de uitvoering van de politietaak op regionaal niveau en één of meer op landelijk niveau. Het betreft door hun omvang robuuste eenheden die een steviger basis voor de specialistische politietaken bieden.

De regionale eenheden zullen zorg dragen voor de uitvoerende politietaken (bijvoorbeeld basispolitiezorg, opsporing) in hun gebied. Zij doen dat niet autonoom, maar binnen de context van het landelijk korps. De grenzen van deze regionale eenheden zijn congruent aan grenzen van de voorgenomen herziening van de gerechtelijke kaart.

De schaal van de indeling in tien regionale eenheden – in paragraaf 5.4 zal hierop nader worden ingegaan, is ook in het voordeel van de grensoverschrijdende politiesamenwerking, binnen het politiebestel een wezenlijke pijler die zorgvuldig dient te worden geborgd. Grenzen bijvoorbeeld thans negen zelfstandige politieregio’s aan Duitsland, in de voorgestane situatie zullen dat nog slechts drie regionale eenheden zijn, die bovendien onderdeel zijn van één korps. Met deze schaalvergroting zal het aantal aanspreekpunten voor de grensoverschrijdende samenwerking drastisch worden teruggebracht en zal sprake zijn van bundeling van expertise waar het deze samenwerking betreft. Dit zijn factoren die de grensoverschrijdende operationele samenwerking kwalitatief aanmerkelijk zullen kunnen verbeteren.

De landelijke eenheden worden belast met de uitvoering van de politietaak, zoals thans de nationale recherche. Zoals aangegeven wijzigt het gezag niet, ook niet het gezag over de landelijk georganiseerde taken.

Met de toedeling van de uitvoerende politietaken naar de landelijke respectievelijk de regionale eenheden wordt tevens gekomen tot herinrichting van de vele (meer dan 100) bovenregionale samenwerkingsverbanden in het regionale politiebestel. Gekomen zal worden tot een eenduidige toedeling van de taken, zoals bijvoorbeeld belegd bij de huidige Bovenregionale Recherche Teams, naar het regionale dan wel het landelijke niveau.

De ondersteunende diensten zijn niet belast met de uitvoering van de politietaak. Het betreft ondersteunende diensten die zorg dragen voor ondersteunende bedrijfsvoeringstaken van de politie, zoals de ICT, de inkoop, huisvesting, personeelszaken etc. De centralisatie van de bedrijfsvoering zal in belangrijke mate bijdragen aan het doelmatiger werken van de politieorganisatie. De uitvoerende politie-eenheden zijn afnemer van de landelijke diensten.

De leiding van het landelijke korps wordt opgedragen aan een korpschef, die daarmee ook het boegbeeld is van de Nederlandse politie. De korpschef wordt belast met het beheer en de leiding van de politie. De korpschef stelt het ontwerp van de begroting en de meerjarenraming, het beheersplan, het ontwerp van de jaarrekening en het jaarverslag op. De minister stelt deze stukken vast. Tot de leiding behoort de operationele leiding. Het voorgaande impliceert dat de politiechefs van de eenheden hiërarchisch ondergeschikt zijn aan de korpschef. De minister van Veiligheid en Justitie stelt de kaders vast waarbinnen de korpschef zijn taken dient te vervullen. De minister stelt regels en kan aanwijzingen geven aan de korpschef met betrekking tot de uitoefening van diens taken en bevoegdheden. De korpschef is werkzaam onder ministeriële verantwoordelijkheid.

De nationale politie kent op regionaal niveau geen zelfstandige onderdelen met eigen bevoegdheden op het terrein van beheer. Daarmee worden de regionale korpsbeheerders en de regionale colleges overbodig. De vereenvoudiging van de structuur en het bestuur van de politieorganisatie leidt tot een reductie van de bestuurlijke drukte ten aanzien van de politie.

Op regionaal niveau zal er wel structureel overleg plaatsvinden tussen de gezagsdragers over de politie. In de wet zal hiertoe geen regionaal orgaan worden opgenomen. Wel wordt in de wet geregeld dat de burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert tezamen met de hoofdofficier van justitie ten minste eenmaal in de vier jaar het beleidsplan en jaarlijks een jaarverslag vaststellen voor de regionale eenheid. Het regionale beleidsplan bevat in ieder geval de verdeling van de voor de regio beschikbare politiesterkte over de onderdelen van de regionale eenheid, rekening houdende met het belang van een goede vervulling van de politietaak in alle betrokken gemeenten. Voorafgaand aan de vaststelling van het regionale beleidsplan hoort iedere burgemeester in het gebied van de regionale eenheid de eigen gemeenteraad over het ontwerpbeleidsplan. Hiermee wordt de lokale inbedding van de nationale politie verder benadrukt en versterkt.

De wijze waarop het beleidsplan tot stand komt, is niet in de wet voorgeschreven teneinde maatwerk toe te laten. Het ligt, gelet op zijn bijzondere in het voorstel van de wet opgetekende positie, in de rede dat de regioburgemeester het initiatief neemt tot het opstellen van het beleidsplan. De regioburgemeester is een nieuwe figuur in het politiebestel. Het betreft de burgemeester van de gemeente met het hoogste aantal inwoners in het gebied waarin de regionale eenheid haar politietaak uitvoert. Omdat politiecapaciteit per definitie schaars is en het regionale beleidsplan met de voor de regionale eenheid beschikbare sterkte en middelen moet kunnen worden gerealiseerd, is denkbaar dat bij het overleg over de verdeling van de voor de regio beschikbare capaciteit geschillen ontstaan tussen de gezagsdragers onderling. Als het bij de vaststelling van het regionale beleidsplan niet lukt overeenstemming te bereiken, stelt de regioburgemeester in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie het beleidsplan vast. Indien de regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie niet met elkaar tot overeenstemming kunnen komen over het beleidsplan, legt de regioburgemeester dit verschil van zienswijze schriftelijk voor aan de minister die alsdan beslist. De regioburgemeester brengt het beleidsplan in overeenstemming met de beslissing van de minister.

Tegen het besluit tot vaststelling van het beleidsplan kan een betrokken burgemeester beroep instellen bij de minister. Deze beoordeelt of het beleidsplan op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in de betreffende gemeente. De regioburgemeester brengt het beleidsplan in overeenstemming met het besluit van de minister zonder dat hiervoor de instemming van de burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert en de hoofdofficier van justitie noodzakelijk is.

De regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie worden in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over de benoeming van de politiechef. Alvorens het advies wordt uitgebracht, hoort de regioburgemeester de burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert.

Op landelijk niveau worden de regioburgemeesters en het College van procureurs-generaal door de minister gehoord bij het vaststellen van de landelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van de taakuitvoering door de politie. Indien daarvoor bijzondere reden zijn, kan de minister de landelijke beleidsdoelstellingen tussentijds wijzigen of aanvullen, gehoord het College van procureurs-generaal en de regioburgemeesters. Deze landelijke beleidsdoelstellingen, die evenals in de huidige situatie worden vastgesteld door de minister, zien op de aanpak van maatschappelijke veiligheidsproblemen die zich vaak lokaal manifesteren maar die niet altijd als lokale prioriteiten worden benoemd. Vanzelfsprekend zullen de landelijke beleidsdoelstellingen substantiële ruimte laten voor lokaal politiebeleid. Periodiek overlegt de Minister van Veiligheid en Justitie, tezamen met de korpschef, met de regioburgemeesters of een afvaardiging van de regioburgemeesters en de voorzitter van het College van procureurs-generaal over de taakuitvoering door en het beheer ten aanzien van de politie. Ook worden de regioburgemeesters en het College van procureurs-generaal door de minister gehoord over de vaststelling van de doelstellingen voor iedere eenheid ter verwezenlijking van de eerder door hem vastgestelde landelijke beleidsdoelstellingen. De minister zal bij de vaststelling van deze doelstellingen steeds de omstandigheden van de betrokken eenheid in acht nemen.

De minister krijgt ten aanzien van het beleidsplan een aanwijzingsbevoegdheid aan de regioburgemeester indien naar het oordeel van de minister het beleidsplan niet of onvoldoende verzekert dat de doelstellingen ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen worden verwezenlijkt.

4. Eén politiekorps

4.1 Eén landelijk politiekorps

De belangrijkste wijziging ten opzichte van de Politiewet 1993 is gelegen in het feit dat met de inwerkingtreding van de nieuwe politiewet zoals voorgesteld het huidige regionale politiebestel wordt omgevormd tot een nationaal politiebestel bestaande uit één landelijk politiekorps met een eigen publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid. Het doel van deze wijziging is om, op het terrein van zowel het bestuur, het beheer als de taakuitvoering, een grotere eenheid bij de politie te verwezenlijken, wat moet leiden tot een efficiëntere, effectievere en kwalitatief betere politie. De oprichting van één landelijk politiekorps biedt ook mogelijkheden voor een meer ketengerichte samenwerking. Zo zal bijvoorbeeld de samenwerking met het eveneens landelijk georganiseerde openbaar ministerie uniformer en eenvoudiger te realiseren zijn. Door de politie als één korps vorm te geven is het niet langer noodzakelijk dat, zoals nu het geval is, tussen de verschillende bestuurders en beheerders onderhandelingen moeten worden gevoerd om die eenheid te realiseren. Problemen op het gebied van uniforme informatiehuishouding en transparantie van bedrijfsvoeringgegevens kunnen binnen één korps gemakkelijker worden opgelost dan in een situatie met 25 regionale politiekorpsen en één landelijk politiekorps. Ook wordt met de oprichting van één landelijke politiekorps het democratische gat ten aanzien van het beheer gedicht doordat de minister over het beheer verantwoording aflegt aan een rechtstreeks gekozen volksvertegenwoordiging.

Het landelijke politiekorps zal, op grond van artikel 25 van het wetsvoorstel, bestaan uit:

– regionale eenheden (dat zullen er tien zijn), belast met de uitvoering van de politietaak,

– een of meer bij ministeriële regeling aan te wijzen landelijke eenheden, belast met de uitvoering van de politietaak en

– een of meer bij ministeriële regeling aan te wijzen ondersteunende diensten.

De wettelijke beschrijving van de taak van de politie in artikel 3 van het wetsvoorstel, is gelijk aan die in artikel 2 van de Politiewet 1993. Dat artikel is op zijn beurt weer overgenomen uit de Politiewet 1957. Aan de taak van de politie verandert dan ook niets.

Het grote verschil met het huidige bestel is, zoals gezegd, dat de verschillende onderdelen van de politie behoren tot één landelijk korps en niet langer autonoom zijn. De oprichting van het landelijk politiekorps is er vooral op gericht om een grotere eenheid van de thans te verbrokkelde politie te maken. De centralisatie van het beheer dient dit doel. De grotere eenheid in het beheer kan vele organisatorische belemmeringen wegnemen die nu werken als kunstmatige schotten tussen de verschillende onderdelen van de politie. Die grotere eenheid is noodzakelijk omdat een belangrijk deel van de politietaken op alle niveaus moeten worden uitgevoerd, op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau. Dit besef dringt steeds meer door. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de bestrijding van de zware en georganiseerde criminaliteit en de bestrijding van terrorisme. Een effectieve aanpak van deze vormen van criminaliteit vereist inzet van alle onderdelen van de politie en een goede onderlinge samenwerking. Die samenwerking begint met het bijeenbrengen van de bij alle onderdelen van de politie aanwezige informatie voor het opstellen van criminaliteitsbeeldanalyses of de daadwerkelijke aanpak van een criminele organisatie. Binnen één landelijk politiekorps, waarin alle onderdelen gebruik maken van dezelfde opsporings- en bedrijfsvoeringsystemen, is deze informatie vele malen eenvoudiger bijeen te brengen dan in het huidige regionale bestel. Ook zullen binnen één landelijk politiekorps minder belemmeringen bestaan voor operationele samenwerking tussen de verschillende onderdelen.

De rijksrecherche en de Koninklijke marechaussee (verder: de KMar) maken geen deel uit van het landelijke politiekorps. De KMar staat onder het beheer van de Minister van Defensie en het beheer van de rijksrecherche zal bij het College van procureurs-generaal komen te liggen.

4.2 Rechtspersoonlijkheid

In dit wetsvoorstel wordt een landelijk politiekorps met een eigen (publiekrechtelijke) rechtspersoonlijkheid voorgesteld, die in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd door de landelijke korpschef. Vanwege het gegeven dat de politie belast is met de uitvoering van taken primair ten dienste van lokale gezagsdragers is er niet voor gekozen de politie te positioneren als een onderdeel van een ministerie (als onderdeel van een bestuursdepartement of als batenlastendienst). Een dergelijke positie brengt immers het gevaar mee van een te grote en eenzijdige oriëntatie op nationale taken terwijl het zwaartepunt van de taakuitvoering door de politie op lokaal niveau ligt. De keuze voor een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) valt af voor de politie vanwege de gebrekkige maatschappelijke en democratische inbedding die deze vorm voor de «zwaardmacht» van de overheid met zich brengt. Daarom is in artikel 26 van het wetsvoorstel voorgesteld de politie onder te brengen in een daarop toegesneden publiekrechtelijke rechtspersoon (sui generis organisatie) waarbij ook recht wordt gedaan aan de lokale verankering van het politiebestel. Anders gezegd wordt hiermee tot uitdrukking gebracht dat de politie niet het instrument van de minister is, maar primair ten dienste staat van het lokale gezag.

4.3 De korpschef

De korpschef is belast met de leiding en het beheer van de politie. Dit is neergelegd in artikel 27 van het wetsvoorstel. De korpschef is het aanspreekpunt voor de minister. De korpschef functioneert onder ministeriële verantwoordelijkheid. In het artikelsgewijze deel van de toelichting is de verhouding tussen de korpschef en de minister nader gespecificeerd.

Opdat de minister ten volle inhoud kan geven aan zijn verantwoordelijkheid is het van belang dat er heldere en eenduidige inlichtingen- en verantwoordingslijnen van de korpschef naar de minister bestaan en dat de minister over adequate sturingsinstrumenten beschikt (zie paragraaf 4.5).

De korpschef is gehouden de minister tijdig, gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen te geven die de minister nodig heeft om inhoud te kunnen geven aan zijn taak (artikel 32). De inlichtingenplicht van de korpschef jegens de minister omvat tevens het geven van de nodige uiteenzettingen en het afleggen van verantwoording over keuzes die hij heeft gemaakt en beslissingen die hij heeft genomen. Dit kan in voorkomende gevallen aanleiding zijn voor de minister om gebruik te maken van sturingsinstrumenten die hem ter beschikking staan. Zo kan de minister algemene en bijzondere aanwijzingen geven (artikel 31). Bij de hier bedoelde aanwijzingen aan de korpschef gaat het om een normaal sturingsinstrument voor de minister. Dit is anders in de bestaande bestuurlijke verhoudingen binnen het regionale politiebestel, waar aanwijzingen van de minister aan de korpsbeheerder als een «ultimum remedium» worden gezien. Dit instrumentarium, bezien in samenhang overigens met de andere (al dan niet regelgevende) bevoegdheden van de minister, maakt de korpschef zonder enig voorbehoud volstrekt ondergeschikt aan de minister.

De korpschef stelt jaarlijks de het ontwerp van de begroting en de meerjarenraming, het beheersplan, het ontwerp van de jaarrekening en het jaarverslag voor de politie op. Het beheersplan bevat het beleid op het terrein van het beheer. De ministeriële verantwoordelijkheid komt tot uitdrukking door de vaststelling van deze stukken door de minister (artikelen 34, 35 en 37).

De taken van de korpschef zijn meer uitgebreid beschreven in paragraaf 7.3 van het algemene deel van deze toelichting.

De korpschef wordt benoemd bij koninklijk besluit op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie nadat de regioburgemeesters en het College van procureurs-generaal in de gelegenheid zijn gesteld hierover advies uit te brengen. De benoeming geldt voor een periode van zes jaar. Na ommekomst van deze periode kan de korpschef telkens worden herbenoemd voor een periode van drie jaar.

De korpschef is een ambtenaar van politie. Het is vanzelfsprekend dat de korpschef afkomstig is uit de politie dan wel een politieachtergrond heeft. Kennis en ervaring met de politieprofessie is van groot belang om adequaat leiding te geven aan de politieorganisatie.

De korpschef wordt ondersteund door de korpsleiding. Ook voor de leden van de korpsleiding geldt dat zij worden benoemd bij koninklijk besluit op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie nadat de regioburgemeesters en het College van procureurs-generaal in de gelegenheid zijn gesteld hierover advies uit te brengen. Ook de leden van de korpsleiding zijn ambtenaar van politie.

4.4 De regionale eenheden, de landelijke eenheden en de landelijke diensten

Het voorgestelde landelijke politiekorps bestaat uit tien regionale eenheden en één of meer landelijke eenheden, belast met de uitvoering van de politietaak, en daarnaast uit één of meer ondersteunende diensten. Hiermee wordt beoogd te komen tot een grotere eenheid, meer professionaliteit van de politie, meer doelmatigheid en vermindering van de kwetsbaarheid van met name de specialistische taken.

De tien regionale eenheden zullen zorg dragen voor de uitvoerende politietaken (bijvoorbeeld basispolitiezorg, opsporing) in hun gebied.

Voor de eenheid van het landelijke korps is het wenselijk om de organisatie van het korps compact te houden en niet in te veel onderdelen op te splitsen. Ervaring heeft bovendien geleerd dat de huidige schaal van de politieregio’s te klein is om volledig zelfstandig te voorzien in noodzakelijke specialismen. Het gaat hierbij veelal om specialismen op het terrein van de strafrechtelijke rechtshandhaving die onder het gezag staan van de officier van justitie. In het huidige regionale politiebestel is een belangrijk deel van deze specialistische taken daarom ondergebracht bij zeven bovenregionaal georganiseerde teams en het Korps landelijke politiediensten. Een grotere schaal dan die van de huidige politieregio’s is daarom wenselijk.

Met deze constatering is ook een grotere schaal nodig dan de veiligheidsregio’s, die immers gelijk zijn aan de huidige politieregio’s. Van belang is om bij het gewenste schaalniveau van de territoriale onderdelen van de regionale politie-eenheden de territoriale buitengrenzen congruent te houden met de veiligheidsregio’s.

Aansluiting bij de herziene gerechtelijke kaart ligt vervolgens in de rede. Door aansluiting te zoeken bij de herziene gerechtelijke kaart komen er tien robuuste regionale eenheden, waarmee een stevige basis voor de specialistische politietaken ontstaat. Door de herpositionering van de huidige landelijke en bovenregionale taken in de nieuwe regionale en landelijke eenheden kan de bovenregionale laag uit het politiebestel verdwijnen. Dit betekent een verdere vereenvoudiging van de organisatie en de aansturing van de politie, hetgeen zal leiden tot een efficiëntere taakuitvoering met meer slagkracht. Door de één op één congruente indeling van de politie en het openbaar ministerie zal ook de samenwerking tussen de politie en het openbaar ministerie eenvoudiger worden.

Al met al leidt het gekozen uitgangspunt van de één op één congruentie met de gerechtelijke kaart naar onze overtuiging tot de best denkbare indeling van de nationale politie in een beperkt aantal robuuste regionale eenheden. Daarbij is onder meer gekeken naar aspecten van eenheid, sterkte, doelmatigheid en effectiviteit van de regionale eenheden alsook naar aspecten van besturing en aansturing van de politie, samenwerking met veiligheidspartners alsook de bestaande samenwerkingsstructuren en geografische en culturele samenhang.

De indeling in tien regionale eenheden heeft geen nadelig effect op de invloed die de lokale bestuurders hebben op de politie. Het lokale gezag blijft immers ongewijzigd en de wet bouwt waarborgen in voor de versterking van de lokale inbedding (zie paragraaf 5).

De vorming van de nationale politie met daarbinnen de tien regionale eenheden vraagt wel om een aanpassing van de relatie tussen de politieorganisatie en de veiligheidsregio’s. De politie moet en zal uiteraard haar bijdrage blijven leveren aan de taken van de veiligheidsregio’s, zowel in de koude als warme fase. In paragraaf 5.4 wordt hier in meer detail op ingegaan.

De indeling in tien regionale eenheden zal er als volgt uitzien:

NIEUWE SITATIE

1 nationale politie met 10 regionale eenheden

1 nationale politie met 10 regionale eenheden

De landelijke eenheden worden belast met de uitvoering van politietaken op landelijk niveau, zoals bijvoorbeeld de taken die nu bij de nationale recherche zijn ondergebracht. Zoals aangegeven wijzigt het gezag over de landelijk georganiseerde taken niet.

De landelijke diensten zijn niet belast met de uitvoerende politietaak. Het betreft ondersteunende diensten die zorg dragen voor ondersteunende bedrijfsvoeringstaken van de politie, zoals de ICT, de inkoop, huisvesting, personeelszaken etc. De centralisatie van de bedrijfsvoering zal in belangrijke mate moeten bijdragen aan het meer doelmatig werken van de politieorganisatie. De uitvoerende politie-eenheden, zowel de regionale eenheden als de landelijke eenheden, zijn afnemer van de landelijke diensten.

4.5 De sturingsinstrumenten van de Minister van Veiligheid en Justitie

De taken en bevoegdheden van de minister zijn in grote lijnen in te delen in taken en bevoegdheden op het terrein van (het beleid ten aanzien van) de taakuitvoering door de politie en taken en bevoegdheden ten aanzien van het beheer van de politie. Een deel van deze taken en bevoegdheden heeft betrekking op de onderlinge verhouding tussen de minister en de korpschef. Zoals eerder is aangegeven, opereert de korpschef onder ministeriële verantwoordelijkheid. Hieronder zijn de belangrijkste taken en bevoegdheden met een verwijzing naar de artikelen in het wetsvoorstel aangegeven. Deels gaat het hierbij om bestaande taken en bevoegdheden en deels om nieuwe.

Taken en bevoegdheden van de minister op het terrein van de taakuitvoering.

– De minister kan de commandant van de KMar algemene en bijzondere aanwijzingen geven ter zake van bepaalde politietaken van de Koninklijke marechaussee (artikel 4).

– De minister kan in overeenstemming met de minister van Defensie regels geven over de samenwerking van de politie met de KMar (artikel 5).

– Bij algemene maatregel van bestuur wordt een ambtsinstructie voor de politie en voor de KMar opgesteld (artikel 9).

– Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent maatregelen waaraan rechtens van hun vrijheid beroofde personen met het oog op hun insluiting kunnen worden onderworpen (artikel 9).

– De minister kan objecten en diensten aanwijzen waarvan bewaking of beveiliging door de politie noodzakelijk is (artikel 16).

– De minister stelt, gehoord het College van procureurs-generaal en de regioburgemeesters, ten minste eenmaal in de vier jaar de landelijke beleidsdoelstellingen vast ten aanzien van de taakuitvoering door de politie (artikel 18).

– De minister stelt, gehoord het College van procureurs-generaal en de regioburgemeesters, met inachtneming van de omstandigheden van de betrokken eenheid, ten minste eenmaal in de vier jaar voor iedere regionale en landelijke eenheid, de doelstellingen vast ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van de taakuitvoering door de politie (artikel 20).

– Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de vereisten voor een goede taakuitvoering door de politie en de eisen met betrekking tot de bekwaamheid van ambtenaren van de politie (artikel 21).

– De minister stelt het jaarverslag vast (artikel 37).

– De minister kan de regioburgemeester aanwijzingen geven, indien het regionale beleidsplan onvoldoende waarborg biedt dat de voor de betreffende regionale eenheid vastgestelde doelstellingen ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen verwezenlijkt zullen worden (artikel 40).

– Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld van de werkzaamheden van de landelijke eenheden (artikel 42).

– De minister kan de politieambtenaren van een landelijke eenheid voor zover het de uitoefening van specifiek in de wet genoemde taken gaat, algemene en bijzondere aanwijzingen over de taakuitvoering geven. Idem aan politieambtenaren van een regionale eenheid respectievelijk de commandant van de KMar, indien die onderdelen bijstand verlenen aan een landelijke eenheid (artikel 43).

– De minister kan de korpschef opdragen zo nodig alsnog in bijstand te voorzien indien de korpschef eerder een daartoe strekkende verzoek van een burgemeester of officier van justitie geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd (artikel 56).

– De minister beslist op het beroep, ingesteld door een burgemeester tegen het besluit tot vaststelling van het regionale beleidsplan (artikel 39).

– De minister bepaalt, na overleg met de minister van Defensie, of de KMar of een ander krijgsmachtonderdeel bijstand zal verlenen aan de politie en op welke wijze dat zal geschieden (artikelen 57, 58).

– De minister wijst, samen met de minister van Defensie, de bijzondere onderdelen van de politietaak aan waarmee de bijzondere bijstandseenheden zullen worden belast. De minister beslist over de (wijze van) inzet van deze eenheden (artikel 59).

Bevoegdheden van de minister op het terrein van het beheer.

– Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de bewapening, de uitrusting en de kleding van de politie (artikel 22).

– Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gegeven over informatie- en communicatievoorzieningen en informatiebeveiliging (artikel 23).

– Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het beheer van de politie door de korpschef (artikel 30).

– De minister stelt jaarlijks ten laste van de begroting van zijn ministerie bijdragen ter beschikking aan de politie (artikel 33).

– De minister stelt jaarlijks een begroting en een meerjarenraming, alsmede een jaarrekening voor de politie vast (artikelen 34 en 35).

– De minister geeft bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels over de verdeling van sterkte en middelen over de onderdelen van de politie (artikel 36).

– De minister stelt het beheersplan en het jaarverslag vast (artikel 37).

Algemene bevoegdheden van de minister ten aanzien van de korpschef.

– De korpschef wordt bij koninklijk besluit op voordracht van de minister, benoemd, geschorst en ontslagen. Over de benoeming worden het College van procureurs-generaal en de regioburgemeesters in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de bij ministeriële regeling aan te wijzen ambtenaren van politie die deel uitmaken van de leiding van de politie (artikel 28).

– Bepaalde privaatrechtelijke rechtshandelingen behoeven de instemming van de minister (artikel 29).

– De minister kan de korpschef algemene en bijzondere aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van diens taken en bevoegdheden (artikel 31).

– De korpschef verstrekt de minister, gevraagd en ongevraagd, de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen (artikel 32).

– De minister kan inzage vorderen van gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de uitoefening van zijn taak redelijkerwijs nodig is (artikel 32).

5. Lokale inbedding

5.1 Inleiding

In dit onderdeel van de memorie van toelichting komt de lokale inbedding bij de nationale politie aan bod. In de eerste plaats wordt het gezag over de politie belicht. Vervolgens wordt ingegaan op het regionale overleg van burgemeesters en de hoofdofficier van justitie over het regionale beleid op het terrein van de taakuitvoering en de verdeling van de beschikbare politiesterkte over de onderdelen van de regionale eenheid. Daarna wordt ingegaan op de rol van de regioburgemeester. Tenslotte komt de rol van de gemeenteraad aan de orde.

De lokale inbedding van de politie is al sinds jaar en dag een basiswaarde van het politiebestel. Politiezorg moet rekening houden met lokale bijzonderheden en eigenaardigheden. De politieman op de straat moet politiezorg bieden die de burgers, vertegenwoordigd door de gemeenteraad, nodig vinden. In de ene gemeente betekent dat wellicht extra inzet op het verminderen van de overlast door jongeren, terwijl het in een andere gemeente betekent dat er op plaatsen waar veel uitgaansgelegenheden geconcentreerd zijn preventief wordt gefouilleerd. De lokale inbedding van de politieorganisatie is één van de verworvenheden van het huidige bestel die behouden moet blijven en zelfs moet worden versterkt. Die verworvenheid wordt behouden door het lokale gezag over de politie ongemoeid te laten en verder versterkt door de rol van de lokale driehoek en de gemeenteraad bij de aansturing van de politie te vergroten.

5.2 Het gezag over de politie

Gezag kan gedefinieerd worden als «de beslissingsbevoegdheid over de inzet en het optreden van de politie». Gezag uit zich ook in de politieke verantwoordelijkheid voor het optreden van de politie; de burgemeester jegens de gemeenteraad en de Minister van Veiligheid en Justitie – politiek verantwoordelijk voor het handelen van de officier van justitie – jegens het parlement.

De burgemeester behoudt het gezag wat betreft de handhaving van de openbare orde en hulpverlening. De officier van justitie behoudt het gezag wat betreft de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en, tenzij in enige wet anders is bepaald, met betrekking tot de taken verricht ten dienste van de justitie. Dit is bijvoorbeeld het geval in de Vreemdelingenwet 2000 op grond waarvan het gezag over de politie en de KMar met betrekking tot de daar genoemde taken berust bij de Minister voor Immigratie en Asiel. Dit voorstel brengt geen wijzigingen aan in het gezag over de politie.

Om de band tussen politie en lokaal gezag sterker te maken en beide lokale gezagsdragers beter in staat te stellen om te sturen op het beleid en inzet van de politie in de gemeenten, wordt in de wet, naast de geldende gezagsverhoudingen, het volgende vastgelegd.

• Wettelijk wordt vastgelegd wat de functie van de lokale gezagsdriehoek is. In de driehoek overleggen de burgemeester en de officier van justitie tezamen met het hoofd van het territoriale onderdeel van de regionale eenheid binnen welker grondgebied de gemeente geheel of ten dele valt en zo nodig met de politiechef van de regionale eenheid over de taakuitvoering én over het beleid met betrekking tot de taakuitvoering. Dit overleg wordt aangeduid als het driehoeksoverleg. Het driehoeksoverleg vindt in beginsel op gemeentelijk niveau plaats. Het is, als de betrokken gezagsdragers daarmee instemmen, mogelijk dat het driehoeksoverleg op hoger niveau wordt gevoerd door de betrokken gezagsdragers en het hoofd van het territoriale onderdeel van politie. Dat is onder de huidige wetgeving ook zo. De gezagsverhoudingen wijzigen daarbij vanzelfsprekend niet.

• In de wet wordt opgenomen dat in het driehoeksoverleg door de burgemeester en de officier van justitie afspraken worden gemaakt over de inzet van de politie ten behoeve van de handhaving van de openbare orde en de hulpverlening respectievelijk ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie. De afspraken over de inzet van de politie in de gemeente worden door de burgemeester en de officier van justitie gemaakt op basis van het integraal veiligheidsplan en de doelstellingen ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie. Dit alles tegen de achtergrond van de beschikbare sterkte en de voor die regionale eenheid vastgestelde doelstellingen ter verwezenlijking van de landelijke doelstellingen. Het integraal veiligheidsplan bevat het lokale veiligheidsbeleid. Dit plan wordt conform het voorstel van Wet regierol gemeenten eens in de vier jaar vastgesteld door de gemeenteraad en vormt het beleidskader voor alle bij veiligheid betrokken gemeentelijke organisaties en instellingen. De politie is hierbij één van de belangrijkste partners. De afspraken die de burgemeester en de officier van justitie in de driehoek maken kunnen bijvoorbeeld gaan over onder meer de prioriteiten voor de inzet van de politie in de gemeente, de te behalen doelen door de politie, het dienstverleningsniveau van politie aan burgers, zoals aangiftemogelijkheden, (tijden van) bereikbaarheid en beschikbaarheid, de bestrijding van criminaliteit, samenwerking met toezichts- en handhavingsdiensten en private partijen en informatie-uitwisseling. Door hierover afspraken te maken krijgt de burgemeester een instrument in handen waarmee hij vanuit zijn gezagsrol concreter richting kan geven aan de inzet van de politie in zijn gemeente en tevens een betere verbinding kan leggen tussen de inzet van de politie en het lokale veiligheidsbeleid. Dit moet ook leiden tot een versterking van de regierol van de gemeente en een verbeterde samenwerking van de politie met andere veiligheidspartners op lokaal niveau, zoals beoogd in eerdergenoemd wetsvoorstel Regierol gemeenten.

• Ten slotte wordt in artikel 46, eerste lid, wettelijk geregeld dat de aanwijzing van het lokale hoofd van een territoriaal onderdeel van een regionale eenheid, bedoeld in artikel 13, geschiedt na verkregen instemming van de burgemeester en de officier van justitie. Het spreekt voor zich dat hierbij geen afbreuk kan worden gedaan aan de verantwoordelijkheid van de korpschef voor het personeelsbeleid, zodat is voorzien in een uitzondering in het geval naar het oordeel van de korpschef goed personeelsbeleid een bepaalde aanwijzing als hoofd van een territoriaal onderdeel vergt.

Relatie gezag-beheer.

Voor de inrichting van het huidige politiebestel is het onderscheid tussen gezag en beheer bepalend. Dit is niet anders in het bestel dat met het onderhavige wetsvoorstel voor ogen staat. De gezagsdragers – de burgemeester en de officier van justitie – zijn verantwoordelijk voor het optreden van de politie in hun ambtsgebied. Zij kunnen de politie ter zake aanwijzingen geven en bepalen – in onderling overleg – voor welke taken en met welke intensiteit de politie wordt ingezet. Het is aan degene die belast is met het beheer zodanige organisatorische maatregelen te treffen dat de gezagsdragers optimaal inhoud kunnen geven aan hun verantwoordelijkheid. In dit opzicht is beheer een afgeleide functie van gezag: beheer volgt gezag. Dit betekent dat het beleid dat de gezagsdragers – uiteraard met inachtneming van de landelijk vastgestelde doelstellingen – wensen te voeren bepalend is voor de allocatie van middelen, terwijl de (beperkte) beschikbaarheid van die middelen grenzen stelt aan de mogelijkheden die de gezagsdragers hebben. Indien blijkt dat de vraag (gezag) het aanbod (beheer) overtreft, is het aan de gezagsdragers om keuzes te maken en prioriteiten te stellen. De beheerder is verantwoordelijk voor het scheppen van de randvoorwaarden die de politie in staat stellen te voldoen aan de door de gezagsdragers geformuleerde prioriteiten.

5.3 Regionaal overleg gezagsdragers

Zoals al eerder vermeld, houdt de vorming van een landelijk politiekorps met rechtspersoonlijkheid in dat er op regionaal niveau geen zelfstandige onderdelen met een eigen rechtspersoonlijkheid meer zijn. De regionale eenheden zijn onderdeel van het landelijke politiekorps. Er is een regionale eenheid in elk van de arrondissementen; er zijn dus net zoveel regionale eenheden als arrondissementen.

Het voorgestelde nationale politiebestel kent op regionaal niveau geen zelfstandige onderdelen met een eigen rechtspersoonlijkheid. Daardoor zijn in dit nationale politiebestel de regionale korpsbeheerders en de regionale colleges overbodig. Dit leidt tot een aanzienlijke reductie van de bestuurlijke drukte ten aanzien van de politie.

Wel wordt op regionaal niveau voorzien in overleg tussen de lokale gezagsdragers over de politie. In de wet zal hiertoe geen regionaal orgaan worden opgenomen. Wel wordt in de wet geregeld (artikel 39) dat de burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert en de hoofdofficier van justitie ten minste eenmaal in de vier jaar het beleidsplan en jaarlijks een jaarverslag vaststellen voor de regionale eenheid.

Voor de afstemming tussen een deel van de burgemeesters over het regionale beleidsplan (ter voorbereiding op de vaststelling ervan conform artikel 39) kan de schaal van de veiligheidsregio worden benut. Dit ligt met name in de rede omdat de meeste regionale eenheden uit meerdere veiligheidsregio’s (en dus uit veel gemeenten) bestaan. De veiligheidsregio is een verband op het terrein van fysieke veiligheid en rampen- en crisesbeheersing waarbinnen veel ervaring is opgedaan met bestuurlijke afstemming en waar derhalve ook afstemming kan plaatsvinden over veiligheidsvraagstukken in den brede. Dit is in sommige regio’s al gangbaar. Wij zien dat als een goede ontwikkeling.

De wijze waarop het overleg over het regionaal beleidsplan wordt vormgegeven, wordt evenwel niet in de wet voorgeschreven teneinde maatwerk toe te laten. In de nieuwe situatie bestaat er immers nog steeds een zekere variatie in de omvang van de nieuwe regionale politie-eenheden en het aantal gemeenten daarin.

Ook wordt niet wettelijk geregeld dat de regionale politiechef een rol heeft in het overleg tussen de burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert en de hoofdofficier van justitie. Wel ligt het in de rede dat de regionale politiechef bij dit overleg aanwezig is in de rol van adviseur.

Het beleidsplan van de regionale eenheid bevat in ieder geval de verdeling van de voor de regio beschikbare politiesterkte over de onderdelen van de regionale eenheid, rekening houdende met het belang van een goede vervulling van de politietaak in alle betrokken gemeenten. Daarnaast zal het beleidsplan prioriteiten en doelstellingen voor de regionale eenheid bevatten. Tot die doelstellingen behoren in ieder geval de door de minister vastgestelde doelstellingen ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen. Daarnaast is het voor de handliggend om in het beleidsplan in te gaan op bovenlokale integrale veiligheidsvraagstukken zoals de aanpak van criminaliteit, problematiek op het gebied van jeugd en veiligheid, de aanpak van drugs en dergelijke. Verder is het voor de hand liggend de gewenste prestaties van de politie in het regionale beleidsplan op te nemen, om gezagsdragers, conform hun rol, in staat te stellen meer te sturen op gewenste prestaties. Tevens is van belang om een verbinding te leggen met de veiligheidsregio’s en de activiteiten van de politie met betrekking tot rampenbestrijding en crisisbeheersing. Voorafgaand aan de vaststelling van het beleidsplan worden de gemeenteraden in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert, door de betrokken burgemeester gehoord over ontwerp van het regionale beleidsplan.

Vaststelling van het regionale beleidsplan geschiedt bij unanimiteit van stemmen. Nadrukkelijk is niet gekozen voor meerderheidsbesluitvorming omdat daarbij de stem van burgemeesters die niet instemmen met het vaststellen van het regionale beleidsplan, zou kunnen worden «gesmoord» door een meerderheid. Bij de voorgestelde procedure van unanieme besluitvorming kan een individuele burgemeester zijn «lokale belang» krachtig onder de aandacht brengen van de overige burgemeesters en de hoofdofficier van justitie. Het gezamenlijke belang is tot een voor alle partijen aanvaardbaar beleidsplan te komen, niet om tot een beleidsplan te komen waarvoor slechts een meerderheid nodig is. Dat maakt dat ook minderheidsstandpunten worden gehoord en eerder tot een voor alle betrokkenen acceptabel beleidsplan, waarvoor breed draagvlak bestaat, tot stand komt.

Omdat politiecapaciteit per definitie schaars is, is denkbaar dat bijvoorbeeld over de verdeling van de voor de regio beschikbare capaciteit geschillen ontstaan tussen de gezagsdragers onderling. Kan geen unanimiteit worden bereikt, dan stelt de regioburgemeester het beleidsplan vast in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie. Indien de regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie niet met elkaar tot overeenstemming kunnen komen over het beleidsplan, legt de regioburgemeester dit verschil van zienswijze schriftelijk voor aan de minister die alsdan beslist. De regioburgemeester brengt het beleidsplan in overeenstemming met de beslissing van de minister.

Tegen het besluit tot vaststelling van het beleidsplan kan een betrokken burgemeester beroep instellen bij de minister. Deze beoordeelt of het beleidsplan op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in de betreffende gemeente. Op deze manier wordt voorkomen dat de regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie een te grote stempel kunnen drukken op de vaststelling van het regionale beleidsplan. Het is daarnaast een instrument om de gewenste versterking van de positie van de burgemeesters te bewerkstelligen. Het dwingt immers te komen tot een voor alle burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert en de hoofdofficier van justitie aanvaardbaar regionaal beleidsplan.

De regioburgemeester stuurt na vaststelling het beleidsplan en het jaarverslag naar de minister en naar de korpschef. Het regionale beleidsplan dient aan te geven op welke wijze de regionale eenheid de door de minister voor die eenheid vastgestelde doelstellingen ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen zal realiseren. De minister kan daarom (artikel 40) aanwijzingen geven aan de regioburgemeester, indien het beleidsplan niet of onvoldoende verzekert dat de landelijke beleidsdoelstellingen kunnen worden verwezenlijkt.

De regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie overleggen regelmatig met de regionale politiechef. In dit overleg zal de uitvoering van het regionale beleidsplan door de politie aan de orde komen.

Op het moment dat er zich een incidenteel probleem voordoet (bijvoorbeeld een voetbalwedstrijd waarbij rellen verwacht worden of bijvoorbeeld een sterke toename van woninginbraken in een gemeente) waarvoor naar mening van de lokale gezagsdragers tijdelijk extra politie-inzet nodig is, is het aan de lokale gezagsdragers, de burgemeester en de officier van justitie, om hierover afspraken te maken. Evenals nu al het geval is, zal eerst bezien worden of binnen de lokaal beschikbare sterkte tot een afdoende oplossing kan worden gekomen. Als dit niet het geval is, kan de burgemeester dan wel de officier van justitie bijstand vragen. Hiertoe dient de burgemeester of de officier van justitie een verzoek in bij de korpschef (artikel 56). Dat verzoek doet hij evenwel (behoudens in spoedeisende gevallen) pas nadat hij de regioburgemeester in de gelegenheid heeft gesteld over dat verzoek zijn zienswijze te geven. In deze fase kan de regioburgemeester een bemiddelende rol tussen de regionale gezagsdragers vervullen, die er op is gericht het capaciteitsprobleem binnen de regionale eenheid op te lossen en een verzoek om bijstand overbodig te maken.

Indien het verzoek om bijstand door de korpschef geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, kunnen de burgemeester respectievelijk de officier van justitie de minister verzoeken de korpschef op te dragen alsnog in de gevraagde bijstand te voorzien.

5.4. Relatie met de veiligheidsregio

Per 1 oktober 2010 is de Wet op de Veiligheidsregio’s (Wvr) in werking getreden. Alle veiligheidsregio’s zijn volop doende invulling te geven aan de eisen die de nieuwe wet stelt. Deze ontwikkeling moet verder worden doorgezet, de veiligheidsregio is immers ingesteld om burgers beter te beschermen tegen de risico’s van brand, rampen en crises en om de burger betere hulpverlening en nazorg te kunnen geven na een brand, ramp of crisis.

De vorming van de nationale politie met daarbinnen de tien regionale eenheden vraagt om een aanpassing van de relatie tussen de politieorganisatie en de veiligheidsregio’s. De politie moet en zal uiteraard haar bijdrage blijven leveren aan de taken van de veiligheidsregio’s, zowel in de koude als warme fase. Bijvoorbeeld door het aanleveren van informatie ten behoeve van de planvorming of deelname aan multidisciplinaire oefeningen. De politie heeft de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet om haar bijdrage aan de veiligheidsregio te versterken en daardoor een volwaardige deelnemer te zijn binnen de veiligheidsregio. Het is essentieel dat er heldere afspraken zijn over de manier waarop de multidisciplinaire samenwerking op het terrein van de rampen- en crisisbeheersing wordt vormgegeven. Deze afspraken bestonden al in de oude setting en worden derhalve vertaald naar de nieuwe in de invoerings- en aanpassingswet bij dit voorstel. Concreet gaat het bij de samenwerking formeel om de volgende punten:

• Het bestuur van de veiligheidsregio stemt het beleidsplan van de veiligheidsregio af met (onder meer) het beleidsplan van de regionale eenheid. Dit neemt niet weg dat bij het opstellen van het beleidsplan van de regionale eenheid, ook het beleidsplan van de veiligheidsregio als input zal worden gebruikt.

• Het bestuur van de veiligheidsregio nodigt voor de vaststelling van het risicoprofiel in ieder geval de daartoe aangewezen ambtenaar van de politie uit en de desbetreffende hoofdofficier van justitie – zijnde de hoofdofficier van justitie of een door hem daartoe aangewezen plaatsvervangend hoofdofficier van justitie of officier van justitie namens hem – uit. De politie heeft hier een adviserende rol die overigens niet slechts op uitnodiging moet worden ingevuld maar ook uit eigen initiatief.

• Het bestuur van de veiligheidsregio, de korpschef en de desbetreffende hoofdofficier van justitie sluiten een convenant met het oog op de samenwerking bij branden, rampen en crises.

• Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de samenwerking tussen veiligheidsregio’s en tussen de veiligheidsregio’s en de politie en de KMar.

• Het bestuur van de veiligheidsregio heeft de beschikking over een gemeenschappelijke meldkamer die is ingesteld en in stand wordt gehouden door het bestuur of het bestuur van een andere veiligheidsregio ten behoeve van de brandweertaak, de geneeskundige hulpverlening, het ambulancevervoer en de politietaak, met dien verstande dat de korpschef zorg draagt voor het in stand houden van de meldkamer politie, als onderdeel van de meldkamer.

Het bestuur van de veiligheidsregio benoemt de directeur van de meldkamer na overleg met de politie. Essentieel voor de effectieve actie en pro-actie op het gebied van rampenbestrijding en crisisbeheersing is dat er een goede verbinding is tussen bestuur en politie. Net als dat het voor de politie essentieel is te weten wie bestuurlijke doorzettingsmacht heeft in de «warme fase», is het voor het bestuur, en in bijzonder voor de voorzitter veiligheidsregio, essentieel om te weten wie voor hen bij de politie het aanspreekpunt met voldoende mandaat is. Het is aan de korpschef om er voor zorg te dragen dat een goede afstemming tussen de politie en de veiligheidsregio’s tot stand kan komen. Het gaat hierbij niet alleen om een goede afstemming van de territoriale onderverdeling van de regionale eenheden op de indeling van de veiligheidsregio’s. Er dient ook helderheid te bestaan over de vraag welke politiefunctionaris aanspreekpunt is voor de afzonderlijke veiligheidsregio’s.

5.5 De gemeenteraad

Vanuit een oogpunt van een stevige lokale verankering van de politie en de regierol van het gemeentebestuur ten aanzien van het lokale veiligheidsbeleid hecht het kabinet sterk aan inbreng door de gemeenten bij de sturing door de minister op de politie. Voor een verdergaande versterking van de betrokkenheid van de gemeenteraden bij de sturing door de burgemeester op de politie, is het belangrijk dat gemeenteraden zelf investeren in hun bijdrage. Het vaststellen van lokaal veiligheidsbeleid als basis voor de inbreng van de gemeenteraad in het politiebeleid is daarbij van groot belang. Daartoe is een wijziging van de Gemeentewet ingediend, dat er toe strekt de gemeenteraden te verplichten een integraal veiligheidsplan vast te stellen. Het integraal veiligheidsplan en de doelstellingen ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie vormen de basis voor de in het lokale driehoeksoverleg te maken afspraken tussen de burgemeester en de officier van justitie over de inzet van de politie ten behoeve van de handhaving van de openbare orde en de hulpverlening respectievelijk ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van justitie. Het integraal veiligheidsplan is hiermee een belangrijk instrument voor gemeenteraden om invloed te hebben op het lokale politiebeleid. Het is voor de lokale inbedding van groot belang dat gemeenteraden bij hun prioriteitstelling de burger in hun gemeenten actief betrekken.

In de wet zal worden opgenomen dat voorafgaand aan de vaststelling van het beleidsplan iedere burgemeester van een gemeente in het gebied waarin de regionale eenheid zijn taak uitvoert de gemeenteraad van die gemeente hoort over het ontwerpbeleidsplan. De prioriteiten en de doelstellingen voor de regionale eenheid, zoals die worden vastgelegd in het regionale beleidsplan, dienen immers rekening te houden met het belang van een goede vervulling van de politietaak in alle betrokken gemeenten. De raad kan de burgemeester ingevolge artikel 180 Gemeenteraad ter verantwoording roepen over zijn inbreng bij de afstemming over het ontwerpbeleidsplan en de wijze waarop hij daarbij de wensen van de raad heeft betrokken.

Overigens wordt op deze plaats opgemerkt dat de burgemeester zich in de afstemming tussen de gezagsdragers op regionaal niveau niet alleen dient te richten op het belang van goede politiezorg in zijn gemeente maar ook op het belang van goede politiezorg in het gehele gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert.

Het bovenstaande stelt eisen aan de inrichting van de politiële beleidscyclus in relatie tot die van gemeenten en het openbaar ministerie. Om dit proces goed vorm te geven zullen gemeenten, openbaar ministerie en de regionale eenheden procesafspraken moeten maken over de afstemming van de beleidscycli van zowel politie, openbaar ministerie als gemeente.

Aangezien er geen wijzigingen in de gezagsverantwoordelijkheid van de burgemeester zijn aangebracht, blijft de gemeenteraad het orgaan waaraan de burgemeester verantwoording aflegt over het optreden van de politie ter handhaving van de openbare orde en hulpverlening.

Om dit te benadrukken wordt in de wet expliciet vastgelegd dat de burgemeester verantwoording verschuldigd is aan de gemeenteraad over de uitoefening van zijn gezag over de politie. De Raad van State heeft in zijn advies op het wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet 1993 ter versterking van de samenwerking en het gemeenschappelijk functioneren van de politie ook deze suggestie gedaan. Hoewel het strikt genomen in formele zin niet nodig is om deze verantwoordingsplicht over het gezag richting de gemeenteraad in de politiewet vast te leggen (op grond van artikel 180, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester immers al verantwoording verschuldigd over het door hem gevoerde bestuur), wordt er mede gelet op het advies van de Raad van State belang aan gehecht om hieraan in dit wetsvoorstel een bepaling te wijden. Dit vanuit de verwachting dat dit bijdraagt aan het meer in de praktijk brengen van deze verantwoording richting de gemeenteraad. Uiteraard is het hierbij van belang dat de gemeenteraden zich in dit opzicht actief opstellen en waar nodig zelf het initiatief nemen om de burgemeester over het door hem uitgeoefende gezag over de politie ter verantwoording te roepen.

6. Het beleid ten aanzien van de taakuitvoering door de politie

6.1 Inleiding

Op deze plaats wordt ingegaan op de werking van de landelijke en de lokale beleidscyclus en de koppeling hiertussen via de regionale beleidscyclus. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de relatie tussen beleidsvorming, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie.

Onder het beleid ten aanzien van de taakuitvoering wordt verstaan de keuze welke politietaken prioritair zijn en het vaststellen van doelstellingen voor die taken. Het tempo waarin en de wijze waarop en de middelen waarmee de doelstellingen dienen te worden gerealiseerd kunnen ook deel uitmaken van het beleid.

6.2 De landelijke beleidsdoelstellingen

Ten minste eenmaal in de vier jaar stelt de minister landelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van de taakuitvoering door de politie vast. Deze landelijke beleidsdoelstellingen kunnen, als daartoe bijzondere redenen zijn, tussentijds worden gewijzigd of aangevuld. De systematiek voor het vaststellen van de landelijke beleidsdoelstellingen en de verdeling daarvan over de eenheden blijft in essentie ongewijzigd. In alle gevallen hoort de minister voorafgaand de regioburgemeesters en het College van procureurs-generaal. Dat horen kan geschieden tijdens het in artikel 19 bedoelde overleg dat de minister, tezamen met de korpschef, periodiek voert met de regioburgemeesters (of een afvaardiging van hen) en de voorzitter van het College van procureurs-generaal over de taakuitvoering door en het beheer ten aanzien van de politie. Doel van dit horen is te waarborgen dat de landelijke beleidsdoelstellingen goed aansluiten bij onderwerpen die op lokaal en regionaal niveau spelen en daar als prioritair worden gezien. Hiervoor is het van belang dat de regioburgemeesters in het genoemde overleg in staat zijn de wensen en belangen van de burgemeesters uit de regio te vertolken. De landelijke beleidsdoelstellingen zien op de aanpak van maatschappelijke veiligheidsproblemen die zich vaak lokaal manifesteren. Voorbeelden van dergelijke onderwerpen zijn de aanpak van veelplegers en overlast. De minister kan ook landelijke beleidsdoelstellingen benoemen met betrekking tot specifieke taakgebieden die op lokaal niveau vaak niet als prioritair worden gezien, bijvoorbeeld omdat het «onzichtbare» vormen van criminaliteit betreft. Voorbeelden van dergelijke beleidsdoelstellingen zijn internationale rechtshulp en financieel-economische criminaliteit. De minister zal bij de aansturing van of zijn overleg met de ketenpartners van de politie zorg dragen voor een goede aansluiting en opvolging van de landelijke beleidsdoelstellingen van de politie bij de doelstellingen van die ketenpartners. Vanzelfsprekend zullen de landelijke beleidsdoelstellingen substantiële ruimte overlaten in de beschikbare politiecapaciteit voor de realisatie van lokale afspraken over de inzet van de politie.

Indien in de praktijk blijkt dat ondanks de hiervoor beschreven procedure de prioriteiten uit het beleidsplan van de regionale eenheden in de knel dreigen te komen vanwege de nationale prioriteiten, bijvoorbeeld door bijzondere regionale omstandigheden, kan de regioburgemeester dit in bovengenoemd periodiek overleg bij de minister aankaarten.

Met de bevoegdheid om landelijke beleidsdoelstellingen vast te stellen, neergelegd in artikel 18 van het wetsvoorstel, kan de minister, evenals thans, op landelijk niveau sturing geven aan de taakuitvoering door de politie. Zoals opgemerkt, kunnen deze ten minste vierjaarlijks vast te stellen landelijke beleidsdoelstellingen tussentijds worden gewijzigd of aangevuld, doch alleen indien daarvoor bijzondere redenen bestaan. Uit de woorden «bijzondere redenen» volgt al dat in de praktijk terughoudend met deze mogelijkheid zal worden omgegaan. Dit is deels om de politie in staat te stellen de organisatie op de gestelde beleidsdoelstellingen in te richten en deels om niet af te wijken van de eerder vastgestelde beleidsdoelstellingen. Nieuwe beleidsdoelstellingen kunnen immers, bij gelijkblijvende politiecapaciteit, van invloed zijn op de uitvoering van eerder vastgestelde beleidsdoelstellingen.

Zodra de landelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van de taakuitvoering zijn vastgesteld, zendt de minister deze aan de Staten-Generaal (artikel 18).

6.3 De toedeling van landelijke beleidsdoelstellingen naar de regionale en landelijke eenheden

Nadat de landelijke beleidsdoelstellingen zijn vastgesteld, stelt de minister vast welk aandeel de onderscheidenlijke regionale en landelijke eenheden moeten leveren in de verwezenlijking van die landelijke doelstellingen (artikel 20). Bij deze toedeling van de doelstellingen neemt de minister de omstandigheden van de betrokken eenheden in acht, omdat de veiligheids- en criminaliteitssituatie en het aanvankelijke prestatieniveau per eenheid kan verschillen. De gecombineerde prestaties van alle regionale en landelijke eenheden gezamenlijk zullen moeten leiden tot het behalen van de landelijke beleidsdoelstellingen. Het College van procureurs-generaal en de regioburgemeesters worden gehoord over de vaststelling van de bedoelde doelstellingen op het niveau van de regionale en landelijke eenheden.

6.4 Het beleid voor de taakuitvoering van de regionale eenheden

De burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert en de hoofdofficier van justitie stellen ten minste eenmaal in de vier jaar, binnen de voor die regionale eenheid beschikbare sterkte en middelen, het beleidsplan voor de regionale eenheid vast (artikel 39). In het beleidsplan, dat in ieder geval de verdeling van de beschikbare politiesterkte over de onderdelen van de regionale eenheid omvat, is aangegeven hoe de door de minister vastgestelde doelstellingen ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen voor die eenheid zullen worden gerealiseerd. Daarnaast is het voor de hand liggend om in het beleidsplan in te gaan op bovenlokale veiligheidsvraagstukken zoals de aanpak van criminaliteit, problematiek op het gebied van jeugd en veiligheid, de aanpak van drugs en dergelijke. Tevens is van belang om een verbinding te leggen met de veiligheidsregio’s en de activiteiten van de politie met betrekking tot rampenbestrijding en crisisbeheersing.

Het regionale beleidsplan, houdt rekening met het belang van een goede vervulling van de politietaak in alle betrokken gemeenten. Hiertoe kunnen de integrale veiligheidsplannen uit de gemeenten die liggen in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert als uitgangspunt dienen. Deze integrale veiligheidsplannen worden, overeenkomstig het voorstel van Wet regierol gemeenten (32 459), eens in de vier jaar vastgesteld door de gemeenteraad. Gelet op de doorwerking van het gemeentelijke beleid in het politiebeleid is het wenselijk dat de beleidscycli voor de politie en de gemeenten zodanig op elkaar worden afgestemd dat het integrale veiligheidsplannen kort na de vaststelling kunnen doorwerken bij het opstellen van het regionaal beleidsplan politie. Een en ander geldt natuurlijk ook voor het beleid van het openbaar ministerie. Teneinde de ruimte voor maatwerk in de regionale eenheden zo groot mogelijk te houden bevat het wetsvoorstel geen voorschriften over de procedure en de wijze waarop de lokale beleidswensen ten behoeve van het regionale beleidsplan dienen te worden ingebracht.

Voorafgaand aan de vaststelling van het regionale beleidsplan hoort iedere burgemeester in het gebied van de regionale eenheid de eigen gemeenteraad over het ontwerpbeleidsplan. Hiermee wordt de lokale inbedding van de politie verder benadrukt en versterkt.

Vaststelling van het regionale beleidsplan geschiedt bij unanimiteit van stemmen. Kan geen unanimiteit worden bereikt, dan stelt de regioburgemeester het beleidsplan vast in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie. Indien de regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie niet met elkaar tot overeenstemming kunnen komen over het beleidsplan, legt de regioburgemeester dit verschil van zienswijze schriftelijk voor aan de minister die alsdan beslist. De regioburgemeester brengt het beleidsplan in overeenstemming met de beslissing van de minister.

Tegen het besluit tot vaststelling van het beleidsplan kan een betrokken burgemeester beroep instellen bij de minister. Deze beoordeelt of het beleidsplan op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in de betreffende gemeente.

De regioburgemeester zendt het vastgestelde beleidsplan aan de minister en de korpschef. Op landelijk niveau wordt beoordeeld of de doelstellingen ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen op genoegzame wijze in het beleidsplan zijn opgenomen en of aannemelijk is dat deze doelstellingen zullen worden verwezenlijkt. Indien naar het oordeel van de minister het beleidsplan niet of onvoldoende verzekert dat de doelstellingen ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen kunnen worden verwezenlijkt, kan de minister ten aanzien van het beleidsplan op grond van artikel 40 de nodige aanwijzingen geven aan de regioburgemeester. De minister geeft deze aanwijzigen schriftelijk, gehoord de regioburgemeester. De regioburgemeester brengt, voor zover nodig, het beleidsplan in overeenstemming met de aanwijzing van de minister. Instemming van de overige burgemeesters en de hoofdofficier van justitie is in hiervoor niet nodig.

6.5 De verantwoording

De burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert en de hoofdofficier van justitie stellen jaarlijks het jaarverslag voor de regionale eenheid vast (artikel 39). Zodra het jaarverslag is vastgesteld wordt dit aan de minister en de korpschef gezonden.

Vaststelling van het regionale jaarverslag geschiedt bij unanimiteit van stemmen. Kan geen unanimiteit worden bereikt, dan stelt de regioburgemeester het jaarverslag vast in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie. Indien de regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie niet met elkaar tot overeenstemming kunnen komen over het jaarverslag, legt de regioburgemeester dit verschil van zienswijze schriftelijk voor aan de minister die alsdan beslist. De regioburgemeester brengt het jaarverslag in overeenstemming met de beslissing van de minister.

6.6 De beleidscyclus

De beleidscyclus ziet er in grote lijnen als volgt uit.

De landelijke beleidsdoelstellingen (artikelen 18 en 19)

• De Minister stelt ten minste eenmaal in de vier jaar de landelijke beleidsdoelstellingen vast ten aanzien van de taakuitvoering van de politie, gehoord de regioburgemeesters en het College van procureurs-generaal. Indien er bijzondere redenen zijn kunnen de landelijke beleidsdoelstellingen tussentijds worden gewijzigd of aangevuld.

• Zodra de landelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van de taakuitvoering zijn vastgesteld, gewijzigd of aangevuld, doet de minister hiervan mededeling door overlegging ervan aan de Staten-Generaal.

De doelstellingen voor de regionale en landelijke eenheden ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen (artikel 20)

• De minister, gehoord het College van procureurs-generaal en de regioburgemeesters, stelt, met inachtneming van de omstandigheden van de betrokken eenheid, ten minste eenmaal in de vier jaar voor iedere regionale en landelijke eenheid de doelstellingen vast ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen. Indien daarvoor bijzondere redenen zin, kunnen deze doelstellingen tussentijds worden gewijzigd of aangevuld.

Op lokaal niveau maken de burgemeester en de officier van justitie in het driehoeksoverleg op basis van het lokale integraal veiligheidsplan en op basis van de doelstellingen ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie afspraken over de inzet van de politie in de gemeente ten behoeve van de handhaving van de openbare orde en de hulpverlening respectievelijk ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van justitie. Het lokale integraal veiligheidsplan wordt conform voorgesteld artikel 148a van de Gemeentewet (voorstel van Wet regierol gemeenten) eens in de vier jaar vastgesteld door de gemeenteraad.

Het beleid van de regionale eenheden (artikel 39)

• De burgemeesters en de hoofdofficier van justitie stellen ten minste eenmaal in de vier jaar het beleidsplan vast, met inachtneming van de door de minister voor de desbetreffende regionale eenheid vastgestelde doelstellingen ter verwezenlijking van de landelijke doelstellingen. In paragraaf 6.4 is geschetst op welke wijze de vaststelling van het regionale beleidplan geschiedt indien de betrokken burgemeesters en hoofdofficier van justitie niet tot gezamenlijke vaststelling komen. Vanwege de wettelijke verplichting dat de regionale beleidsplannen dienen aan te sluiten op de door de minister vastgestelde landelijke doelstellingen is in de wettekst opgenomen dat er tenminste eenmaal in de vier jaar een beleidsplan wordt vastgesteld. Het kan immers zo zijn dat de landelijke doelstellingen worden aangepast en dat daardoor ook aanpassing van de regionale beleidsplannen noodzakelijk is. Het feit dat doorgaans maar eens in de vier jaar een beleidsplan behoeft te worden vastgesteld, brengt de bestuurlijke drukte terug. Het beleidsplan wordt gezonden aan de minister en de korpschef. De prioriteiten en de doelstellingen voor de regionale eenheid, zoals die worden vastgelegd in het regionale beleidsplan, houden rekening met het belang van een goede vervulling van de politietaak in alle betrokken gemeenten.

• Als het regionale beleidsplan niet of onvoldoende verzekert dat de doelstellingen voor de desbetreffende eenheid ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen onvoldoende kunnen worden verwezenlijkt, kan de minister de nodige aanwijzingen geven aan de regioburgemeester. De regioburgemeester brengt het beleidsplan in overeenstemming met de aanwijzingen, zonder dat daarvoor de instemming van de overige burgemeesters en de hoofdofficier van justitie noodzakelijk is (artikel 40).

Beleidsverantwoording op het niveau van regionale eenheden (artikel 39)

• De burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert en de hoofdofficier van justitie stellen jaarlijks het jaarverslag voor de regionale eenheid vast. In paragraaf 6.5 is geschetst op welke wijze de vaststelling van het jaarverslag geschiedt indien de betrokken burgemeesters en hoofdofficier van justitie niet tot gezamenlijke vaststelling komen.

• Het jaarverslag van de regionale eenheid wordt gezonden aan de minister en de korpschef.

Beleidsverantwoording op landelijk niveau (artikel 37)

• Mede op basis van de jaarverslagen van de regionale eenheden stelt de korpschef het jaarverslag van het landelijke politiekorps op. Het jaarverslag omvat een omschrijving van de door de regionale en landelijke eenheden gerealiseerde activiteiten ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen De minister stelt het jaarverslag vast.

• Het jaarverslag van het landelijke politiekorps wordt toegezonden aan de Staten-Generaal.

7 Beheer

7.1 Inleiding

Beheer betreft de zorg voor de organisatie en instandhouding van de politieorganisatie. Tot het beheer behoort het treffen van maatregelen opdat de politie zo doeltreffend mogelijk functioneert.17 Het gaat bij beheer om onder andere de inrichting van de politieorganisatie (structuur, territoriale en functionele geleding), de werkprocessen, de zorg voor personeel en middelen van de politie, alsmede de verdeling van mensen en middelen over de territoriale en functionele eenheden dan wel de werkprocessen. In deze paragraaf zal worden ingegaan op de taken en bevoegdheden op het terrein van het beheer van de minister en de korpschef, de financiële cyclus, de centrale verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het politiepersoneel en de rechtspositie.

7.2 Beheersbevoegdheden

Zoals aangegeven is de minister verantwoordelijk voor het beheer van de politie. Om zijn verantwoordelijkheid voor het beheer te kunnen waarmaken, krijgt de minister in dit wetsvoorstel een aantal bevoegdheden en sturingsinstrumenten tot zijn beschikking.

Ten eerste stelt de minister jaarlijks de begroting (inclusief meerjarenraming), de jaarrekening en het beheersplan van de politie vast (artikelen 34, 35 en 37).

Voorts worden op grond van artikel 30 van het wetsvoorstel regels gesteld over het financiële beheer van de politie (door de korpschef). Het gaat hierbij om regels die aan de bijdrage aan de politie gesteld kunnen worden en om regels over de inhoud en de inrichting van de begroting en jaarrekening. De procedure voor de vaststelling door de minister van de begroting en jaarrekening van het landelijke politiekorps zullen hier eveneens hun regeling vinden.

Ook geeft de minister bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels over de verdeling van de sterkte en de middelen over de onderdelen van de nationale politie (artikel 36).

Voorts worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 22 van het wetsvoorstel regels gesteld omtrent de bewapening, kleding en uitrusting van de politie.

Daarnaast kan de minister, zoals hiervoor reeds is aangegeven, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 21 van het wetsvoorstel regels geven omtrent de vereisten voor een goede taakuitvoering en de eisen die worden gesteld aan de bekwaamheid van de politieambtenaren. Hierbij kan het gaan om regels met betrekking tot de inrichting van de organisatie met daaraan gekoppeld specifieke kwaliteitseisen ten behoeve van de benoemde organisatie-eenheden en kwaliteitseisen aan de werkprocessen. Bij eisen aan de inrichting valt bijvoorbeeld te denken aan de aanwezigheid van bijzondere recherchespecialismen in elke regionale eenheid. Wat betreft de eisen met betrekking tot de bekwaamheid van ambtenaren van de politie kan het bijvoorbeeld gaan om eisen met betrekking tot de aanstelling van ambtenaren, eisen met betrekking tot taken of functies. Deze eisen moeten in acht worden genomen bij de vaststelling door de minister van de inrichting van het politieonderwijs zoals bedoeld in artikel 14 van de Wet op het LSOP.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gegeven over de informatie- en communicatievoorzieningen van de politie en de informatiebeveiliging door de politie. Voorts kan de minister aan regionale en landelijke eenheden communicatiefrequenties toewijzen (artikel 23).

Naast de meer structurele eisen die bij of krachtens de hierboven genoemde algemene maatregelen van bestuur worden gesteld, krijgt de minister de bevoegdheid om op grond van artikel 30 van het wetsvoorstel regels vast te stellen voor het beheer van de politie door de korpschef. In deze regels kunnen kwantitatieve en kwalitatieve eisen worden gesteld aan het beheer. De regels kunnen alle aspecten van het beheer betreffen. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld ICT en kaders op het vlak van personeelsontwikkeling. Deze laatste categorie van beleidsregels kunnen aspecten betreffen van professionaliteit zoals integriteit en geoefendheid van personeel alsmede de flexibiliteit en diversiteit (streefpercentages) en de inzetbaarheid van het personeel.

Op grond van artikel 31 van het wetsvoorstel kan de minister de korpschef bovendien algemene en bijzondere aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van diens taken en bevoegdheden. Zoals reeds opgemerkt draagt deze aanwijzingsbevoegdheid, anders dan de aanwijzingsbevoegdheden onder de huidige wet, niet het karakter van een «ultimum remedium».

7.3 De korpschef

De korpschef is belast met de leiding en het beheer van de politie (artikel 27, eerste lid). Hij is daarmee hét aanspreekpunt van de politie voor de minister. Over het gevoerde beheer is de korpschef verantwoording schuldig aan de minister (zie ook paragraaf 4.3). In artikel 34, 35 en 37 is bepaald dat de korpschef jaarlijks het ontwerp van de begroting, het ontwerp van de meerjarenraming, het ontwerp van de jaarrekening, een beheersplan en een jaarverslag opstelt. Het beheersplan bevat het beleid op het terrein van het beheer.

Als beheerder heeft de korpschef op het terrein van de bedrijfsvoering en de kwaliteit van de taakuitvoering een sturende en bepalende rol. Het is onder meer de taak van de korpschef om binnen de regels en kaders die de minister geeft, landelijk beleid voor het beheer van de politie te ontwikkelen en uit te voeren. Dat landelijke beleid kan in het beheersplan worden opgenomen en worden doorvertaald naar het ontwerp van de begroting en de meerjarenraming. Te denken valt aan uniform personeelsbeleid (zoals één loopbaanbeleid, competentiemanagement, bevordering van mobiliteit, uniformering en centralisering van de (salaris)administratie etc.) en de ontwikkeling van een uniform huisvestingsbeleid. Ook tot het beheerdomein behoren de realisatie en instandhouding van een uniforme ICT-infrastructuur bij de politie en het wegnemen van technische belemmeringen voor de uitwisseling van informatie tussen onderdelen van de politie onderling en tussen de politie en haar ketenpartners. De korpschef is als beheerder tevens belast met de inrichting van de politieorganisatie (structuur, territoriale en functionele geleding) en zal een organisatie en formatieplan opstellen. Dit plan bevat een overzicht van de organisatiestructuur met de daarin voorkomende functies, zowel kwalitatief als kwantitatief en kan deel uitmaken van het door de minister vast te stellen beheersplan.

7.4. De financiële cyclus

In dit wetsvoorstel zijn de hoofdlijnen van de beleids- en beheercyclus vastgelegd. Deze cyclus zal nader in lagere regelgeving worden uitgewerkt op grond van de artikelen 30 en 36.

De minister is verantwoordelijk voor het begrotingsproces en de financiële verantwoording van de politie. De minister stelt de begroting en jaarrekening vast. De nationale politie hanteert het stelsel van baten en lasten.

Het begrotingsproces zal er op hoofdlijnen als volgt uitzien.

A. Begrotingsproces

• In de departementale begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie zal – gelijk aan de huidige situatie – een beleidsartikel komen waarin de uitgaven en ontvangsten voor de Nederlandse politie zijn opgenomen (artikel 33). Als bijlage bij de departementale begroting wordt ter informatie een indicatieve concept-begroting op hoofdlijnen van de politie meegezonden.

• De minister stelt de begroting vast (artikel 34).

• De korpschef stelt binnen de kaders zoals gesteld door de minister een ontwerp van een begroting en een ontwerp van een meerjarenraming op waarin het budget wordt toegedeeld aan de landelijke eenheden, de landelijke diensten en de regionale eenheden (artikel 36).

B. Verantwoordingsproces

• De korpschef stelt het ontwerp van de jaarrekening en het jaarverslag op. De minister stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast (artikelen 35 en 37).

• De minister verantwoordt de besteding van het totale politiebudget aan de Staten-Generaal in de departementale jaarrekening waarbij ter informatie de (afzonderlijke) jaarrekening van het landelijke politiekorps is gevoegd.

7.6 Personeelsbeleid en rechtspositie

De nieuwe politiewet beoogt de eenheid van de politie te bevorderen. Gezien het belang van personeelsbeleid wordt in deze memorie van toelichting hieraan apart aandacht besteed. De minister krijgt de beschikking over sturingsinstrumenten, waarmee hij kaders voor het personeelsbeleid kan stellen. Te denken valt aan integriteiteisen, diversiteiteisen, mogelijke toegespitste eisen aan de bekwaamheid van medewerkers die zich met specifieke taken bezig houden en eisen aan kleding en uitrusting.

Alle medewerkers in dienst van de rechtspersoon politie krijgen met dit wetsvoorstel de status ambtenaar van politie. De rechtspositie van alle ambtenaren van politie, waar dan ook werkzaam, zal gelijkwaardig zijn. De nu bestaande verschillen in rechtsposities zullen geleidelijk worden opgeheven. Hierover zal nader overleg worden gevoerd met de vakbonden. De rechtspositie en de bezoldiging zullen, zoals in de bestaande situatie, worden neergelegd in algemene maatregelen van bestuur. De politieambtenaren worden aangesteld door de korpschef. De korpschef is ook het bevoegd gezag als het gaat om schorsing en ontslag. Deze bevoegdheden kunnen worden gemandateerd aan de politiechefs.

Gezien de verantwoordelijkheid van de minister voor het beheer van de politie is in dit wetsvoorstel bepaald dat de vaststelling van het arbeidsvoorwaardenbeleid en de daaruit voortvloeiende rechtspositieregelgeving bij de minister ligt (artikel 47). Dit betekent dat de minister verantwoordelijk is voor de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden (waaronder de politie-cao) en de resultaten daarvan vastlegt in de rechtspositieregelgeving. Hiermee wordt ook één uniform arbeidsvoorwaardenpakket voor alle politieambtenaren gewaarborgd. Als gevolg van deze op centraal niveau vastgestelde arbeidsvoorwaarden, wordt voorts de eenduidige toepassing van de rechtspositieregelingen gerealiseerd. De uitvoering van de CAO-afspraken zal door de korpschef geschieden. De korpschef staat de minister bij in de onderhandelingen over bijvoorbeeld een politie-cao of nadere eisen rond bewapening en kleding, of voert deze onderhandelingen namens hem.

De minister zal uitdrukkelijk verantwoordelijk blijven voor het LMD-beleid voor ambtenaren van politie in salarisschaal 15 en hoger. Evenals in de Politiewet 1993 blijft de verantwoordelijkheid van de minister voor de voordracht van Kroonbenoemingen onveranderd. Behoud van de samenhang tussen ontwikkeling en benoemingen is van essentieel belang voor een effectief integraal stelsel voor het landelijk management development (LMD) en benoemingen. Op deze wijze kan de synergie tussen beide processen worden gewaarborgd.

7.7 De Politieacademie (LSOP)

Conform het regeerakkoord gaat de Politieacademie beheersmatig op in de nationale politieorganisatie. De onafhankelijke kwaliteit van het politieonderwijs (waaronder de accreditatie van de opleidingen en de aansluiting met het reguliere onderwijs) zal worden gewaarborgd door een aparte rechtspersoon Politieacademie. Deze rechtspersoon krijgt tot taak het waarborgen en verzorgen van het politieonderwijs alsmede een kennis en onderzoekstaak. Op deze wijze blijven de uitgangspunten van het Politie Onderwijs 2002 gegarandeerd. De korpschef krijgt een belangrijke rol richting deze rechtspersoon. Immers het is van groot belang dat de behoeften van de politie aan onderwijs en onderzoek op adequate wijze worden vertaald in het onderwijs- en onderzoeksaanbod

Opname van de Politieacademie in de nationale politie zal op een later moment op basis van een separaat wetsvoorstel plaatsvinden. Het regeerakkoord kondigt namelijk ook diverse veranderingen aan met betrekking tot de inrichting van het politieonderwijs: verkorting van de duur van de opleiding, meer aansluiting bij het reguliere onderwijs en wijziging van de rechtspositie van aspiranten.

De verantwoordelijkheid voor werving en selectie die de Politieacademie thans heeft zal centraal worden belegd binnen de nationale politie onder verantwoordelijkheid van de korpschef.

De lopende toezegging om de Politieacademie (het LSOP) af te stemmen op de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen18 zal worden betrokken bij de uitvoering van de beleidsvoornemens met betrekking tot de Politieacademie.

8 Rijksrecherche

8.1 Inleiding

De rijksrecherche voorziet in de behoefte aan een opsporingsinstantie die een onafhankelijk, vertrouwelijk en onpartijdig onderzoek kan instellen naar vermeend strafbaar gedrag binnen de overheid, zonder dat het onderzoek beïnvloed wordt door enige vorm van belangenverstrengeling of naar buiten toe de schijn daarvan wekt. De rijksrecherche levert daarmee een belangrijke bijdrage aan het waarborgen van de integriteit van en het vertrouwen in de overheid.

In de Politiewet 1993 wordt de rijksrecherche slechts indirect beschreven. In artikel 43, eerste lid, van de huidige wet, staat dat het College van procureurs-generaal, ten behoeve van door de Minister van Justitie aan te wijzen taken, beschikt over bijzondere ambtenaren van politie. Dit doet geen recht aan de bijzondere positie en het gewicht van de rijksrecherche. Daarom wordt voorgesteld de rijksrecherche als zodanig in hoofdstuk 4 van de wet te benoemen naast de politie en in dit hoofdstuk tevens bepalingen op te nemen met betrekking tot onder andere de taak en het beheer van de rijksrecherche.

De term «bijzondere ambtenaren van politie» uit de huidige wet kan dan vervallen. Ook de rijksrechercheurs zijn immers «ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak». Zij zijn niet zozeer bijzondere ambtenaren, als wel politieambtenaren werkzaam bij een organisatie met een bijzondere taak.

8.2 De verantwoordelijkheid van het College van procureurs-generaal voor de inzet en het beheer van de rijksrecherche

Het College van procureurs-generaal is in dit wetsvoorstel verantwoordelijk voor de beslissing of de rijksrecherche wordt ingezet, alsmede voor het beheer van de rijksrecherche. De ophanging van de rijksrecherche aan het College van procureurs-generaal waarborgt dat de rijksrecherche daadwerkelijk onafhankelijk van belangen en partijen kan opereren.

De beheersmatige ophanging van de rijksrecherche aan het College van procureurs-generaal impliceert dat de rijksrecherche geen onderdeel uitmaakt van de rechtspersoon politie. Daar is bewust voor gekozen, met het oog op de eis van onafhankelijkheid van de rijksrecherche ten aanzien van de politieorganisatie, die voortvloeit uit artikel 2 EVRM (het recht op leven). De positieve verplichting van staten onder artikel 2 EVRM, gelezen in samenhang met de algemene plicht uit artikel 1 EVRM, impliceert dat staten een effectief onderzoek dienen in te stellen naar situaties waarbij burgers als gevolg van geweld om het leven zijn gekomen19. In het geval van betrokkenheid van overheidsfunctionarissen dient de staat te bewerkstelligen dat zij aansprakelijk worden gehouden voor doden die ze hebben veroorzaakt20. Artikel 2 van het EVRM verlangt dan ook dat het onderzoek naar schietincidenten waarbij politieambtenaren zijn betrokken – een belangrijke taak van de rijksrecherche – geschiedt door een voldoende onafhankelijk van de politie gepositioneerde organisatie21.

De positionering van de rijksrecherche bij het hoogste orgaan van het openbaar ministerie is voorts wenselijk met het oog op de onderzoeken die zij verricht naar ernstige strafbare integriteitschendingen als fraude en corruptie binnen de overheid.

Ingevolge het huidige artikel 43, tweede lid, van de Politiewet 1993 is de Minister van Veiligheid en Justitie nog belast met het beheer van de bijzondere ambtenaren van politie. Het feitelijke beheer van de rijksrecherche is echter al per 1 januari 1998 overgegaan naar het College van procureurs-generaal. Het voorliggende wetsvoorstel regelt in artikel 51 dat het beheer van de rijksrecherche formeel wettelijk bij het College van procureurs-generaal wordt ondergebracht. Het College van procureurs-generaal wordt daartoe bijgestaan door de directeur van de rijksrecherche. Nu het College van procureurs-generaal beheerder is van de rijksrecherche regelt het voorgestelde artikel 53 dat de ambtenaren van de rijksrecherche worden aangesteld, geschorst en ontslagen door het College van procureurs-generaal.

Het College van procureurs-generaal blijft net als nu het geval is verantwoordelijk voor de beslissing of de rijksrecherche met een onderzoek zal worden belast. Dit wordt in het voorstel tot uitdrukking gebracht in artikel 49, eerste lid. Een door de rijksrecherche in te stellen onderzoek wordt vervolgens uitgevoerd onder gezag van de officier van justitie.

De Minister van Veiligheid en Justitie is politiek verantwoordelijk voor de inzet van de rijksrecherche en de door haar ingestelde onderzoeken. De politieke verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie voor het openbaar ministerie strekt zich uit tot de wijze waarop het College van procureurs-generaal invulling geeft aan het beheer over de rijksrecherche. De kosten voor de rijksrecherche komen ten laste van zijn begroting. Derhalve wordt voorgesteld te bepalen dat de in artikel 52 genoemde beleids- en beheersstukken steeds de goedkeuring van de Minister van Veiligheid en Justitie behoeven.

8.3 Wettelijke taakomschrijving

Voorgesteld wordt de taak van de rijksrecherche op hoofdlijnen in de wet op te nemen. De meerwaarde van de rijksrecherche als organisatie belast met onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar vermeend strafbaar gedrag binnen de overheid wordt aldus in de wet verankerd.

Op grond van het huidige artikel 43, eerste lid, van de Politiewet 1993, zijn de taken van de bijzondere ambtenaren van politie neergelegd in de Taakbeschikking bijzondere ambtenaren van politie, een regeling van de Minister van Justitie van 25 maart 1994 (Stcrt. 1994, 64). Daar staat slechts in dat de procureur-generaal bijzondere ambtenaren van politie kan belasten met het doen van onderzoek en het verlenen van bijstand. Naar aanleiding van aanbevelingen van de commissie functioneren rijksrecherche22 en om te voorkomen dat de rijksrecherche op te veel zaken wordt ingezet, heeft de toenmalige Minister van Justitie aan het College van procureurs-generaal verzocht een voorstel voor inzetcriteria te doen. Aan de hand van een drietal daartoe door de toenmalige Minister van Justitie geformuleerde algemene uitgangspunten23 heeft het College van procureurs-generaal vervolgens de Aanwijzing Taken en inzet rijksrecherche24 vastgesteld. Inmiddels hebben deze criteria voor inzet van de rijksrecherche zich in de praktijk bewezen. Zij liggen dan ook ten grondslag aan de taakafbakening in dit wetsvoorstel, welke er toe strekt de inzet van de rijksrecherche in beginsel te beperken tot onderzoeken die door een politiekorps of een andere opsporingsdienst niet met de vereiste mate van onafhankelijkheid en onpartijdigheid verricht zouden kunnen worden dan wel tot onderzoeken waarvoor de bijzondere deskundigheid van de rijksrecherche nodig is.

De primaire taak van de rijksrecherche, overeenkomstig genoemde uitgangspunten, is neergelegd in artikel 49, eerste lid en tweede lid, onderdeel a. Het College van procureurs-generaal kan de rijksrecherche belasten met een onderzoek naar feiten of gedragingen die mogelijk een strafbaar feit opleveren, indien inzet van de rijksrecherche is aangewezen om iedere schijn van partijdigheid te vermijden bij een onderzoek naar een feit dat de integriteit van de overheid kan aantasten en dat is begaan door natuurlijke personen of rechtspersonen belast met een publieke taak, of betrokken bij de uitvoering daarvan.

Het voorgestelde onderdeel b van het tweede lid maakt het mogelijk de rijksrecherche bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te belasten met andere onderzoeken naar feiten of gedragingen die mogelijk een strafbaar feit opleveren, doch slechts indien dit is aangewezen gelet op de bijzondere deskundigheid van de rijksrecherche.

Op de verschillende elementen van de taakomschrijving wordt in het artikelsgewijs deel van de toelichting nader ingegaan. Daar zal ook een toelichting worden gegeven op het voorstel om de Minister van Veiligheid en Justitie de bevoegdheid te verlenen de samenwerking tussen de politie en de rijksrecherche te regelen (artikel 55) en om een bepaling over bijstand aan de rijksrecherche op te nemen (artikel 60).

9. Toezicht, bijstand en klachtenbehandeling.

9.1 Toezicht en inspectie

De IOOV houdt toezicht op de taakuitvoering van de politie, de kwaliteitszorg door de politie, de kwaliteit van de politieopleidingen en de examinering en verricht indien daar in bijzondere gevallen reden toe is onderzoek naar ingrijpende gebeurtenissen waarbij de politie betrokken is. Dit laatste tenzij de Onderzoeksraad voor veiligheid een onderzoek instelt naar het desbetreffende voorval.

Het gaat niet om nieuwe taken voor de inspectie maar om een herschikking van taken die een versterking inhoudt van de toezichthoudende taak met betrekking tot kwaliteit van de taakuitvoering van de politie. Dit hangt samen met het vervallen van het toezicht op het beheer van politie omdat de minister geheel verantwoordelijk wordt voor het beheer van de politie. Dat laat onverlet dat de inspectie vanuit haar toezichthoudende rol op de kwaliteit van de taakuitvoering van de politie onderzoek kan doen naar aspecten van de organisatie en bedrijfsvoering van de politie die het beheer raken dan wel delen van het beheer betreffen, maar geen deel uitmaken van de reguliere beheerscyclus. Voorbeelden daarvan zijn de werking van de ICT bij de politie, de kwaliteit van de opsporing en de schietvaardigheid van de politie. Doordat de minister jaarlijks de werkzaamheden van de inspectie vaststelt, is een goede afstemming van deze werkzaamheden op de werkzaamheden van het departement verzekerd.

De inspectie kan bij haar onderzoek de rol betrekken van het bevoegd gezag, te weten de burgemeester en het openbaar ministerie, in relatie tot de uitvoering van de politietaak.

9.2 Bijstand

Ook nu de politie wordt omgevormd tot één landelijk politiekorps, blijft behoefte bestaan aan een bijstandsregeling. De politie kan immers bijstand inroepen van buiten het korps, te weten van de KMar (artikel 57) of andere delen van de krijgsmacht (artikel 58), dan wel van een bijzondere bijstandseenheid als bedoeld in artikel 59. Ook kan de politie zelf bijstand verlenen aan de rijksrecherche (artikel 60) of – in bijzondere gevallen – aan de KMar (artikelen 61 tot en met 64).

Door de vorming van één landelijk korps kan de regeling met betrekking tot bijstandsaanvragen binnen de politie aanzienlijk worden vereenvoudigd. Binnen het korps wordt op bijstandsaanvragen beslist door de korpschef (artikel 56). Een verzoek om bijstand ten behoeve van de handhaving van de openbare orde wordt ingediend door een burgemeester. Gaat het om bijstand ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel voor het verrichten van taken ten dienste van de justitie, dan wordt het verzoek ingediend door een officier van justitie. Dat verzoek doet de burgemeester dan wel de officier van justitie evenwel (behoudens in spoedeisende gevallen) pas nadat hij de regioburgemeester in de gelegenheid heeft gesteld over dat verzoek zijn zienswijze te geven. In deze fase kan de regioburgemeester een bemiddelende rol tussen de regionale gezagsdragers vervullen, die er op is gericht het capaciteitsprobleem binnen de regionale eenheid op te lossen en een verzoek om bijstand overbodig te maken.

Wijst de korpschef het verzoek geheel of gedeeltelijk af, dan kan de burgemeester of de officier van justitie de minister verzoeken de korpschef op te dragen alsnog in de bijstand te voorzien.

9.3 Klachtenbehandeling

Met ingang van 1 maart 2004 is de klachtregeling aangepast aan hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om de beoogde uniformiteit in de behandeling van klachten te realiseren was het van belang dat de klachtregeling van de Awb ook voor de politie ging gelden. Enkele aanvullingen op de klachtregeling van de Awb waren voor de politie noodzakelijk vanwege de specifieke bevoegdheidsverdeling binnen het politiebestel.

Het onderhavige wetsvoorstel sluit zoveel mogelijk aan bij de klachtenregeling zoals deze in maart 2004 is ingevoerd,met dien verstande dat in het wetsvoorstel de vaststelling van de klachtenregeling door de minister geschiedt (artikel 68), dan wel door de Minister van Defensie (artikel 69), voorzover het gedragingen van militairen van de KMar betreft. Alle regionale en landelijke eenheden zullen derhalve één en dezelfde klachtenregeling kennen, waardoor er geen verschillen in klachtenregelingen meer zullen bestaan. Dit draagt bij aan de beoogde uniformiteit in de behandeling van klachten. De politiechef draagt zorg voor de behandeling van een klacht die is ingediend over een gedraging van een ambtenaar werkzaam bij een regionale eenheid. Deze bevoegdheid is aan de politiechef geattribueerd, omdat klachten over ambtenaren van politie, werkzaam bij een eenheid, beter op het niveau van die eenheid kunnen worden behandeld. Een klacht over een gedraging van een ambtenaar werkzaam bij een landelijke eenheid of een klacht over een politiechef wordt behandeld door de korpschef. Een klacht over een gedraging van de korpschef wordt ingediend bij en behandeld door de minister.

9.4 Financiële gevolgen

De vorming van nationale politie zal de effectiviteit en efficiency van de politie moeten verhogen. Uitgangspunt hierbij is dat de kosten van de overhead in mensen en middelen met circa 25% worden teruggedrongen als gevolg van onder andere de bundeling van (bedrijfsvoerings) taken bij de vorming van nationale politie. Recent uitgevoerde studies en business cases naar de bedrijfsvoering bij de politie geven aan dat deze reductie realistisch is. De vorming van de nationale politie zal dan ook, zoals opgenomen in het regeerakkoord, leiden tot besparingen van € 30 mln. in 2013, € 50 mln. in 2014, € 80 mln. in 2015 (in totaal € 160 mln. in deze kabinetsperiode) en oplopen tot € 230 mln. structureel in latere jaren. In het regeerakkoord is voor de invoering van nationale politie € 130 mln. incidenteel beschikbaar gesteld. Daarnaast is er € 100 mln. beschikbaar voor de vorming van een of meer ondersteunende diensten. De inzet van deze budgetten is afhankelijk van het tempo en de fasering van de invoering van nationale politie.

10. Reacties

De conceptnota van wijziging met bijbehorende toelichting is ter consultatie voorgelegd aan het Korpsbeheerdersberaad, het College van procureurs-generaal, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Nederlands Genootschap van Burgemeesters, het Veiligheidsberaad, de Kring van Commissarissen, de Raad voor de Rechtspraak en de Raad van korpschefs.25 Ook is advies uitgebracht door de Politieacademie.25

Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Nederlands Genootschap van Burgemeesters, Korpsbeheerdersberaad, College van procureurs-generaal, Veiligheidsberaad

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters geven in hun gezamenlijk advies aan dat de nota van wijziging ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel een aantal belangrijke verbeteringen bevat. Zij constateren dat de lokale verankering van de politie, zoals bepleit in het – in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten vervaardigde – rapport Sleuren of Sturen is verbeterd: zowel de positie van de gemeenteraad als de functie van de lokale driehoek wordt versterkt.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters bepleiten een gefaseerde invoering van de nationale politie, te beginnen met de centralisatie van het beheer. Gelijktijdige omvorming van 25 politieregio’s naar 10 regionale eenheden zou een te groot beslag op de politieorganisatie kunnen leggen, zo vrezen zij. Ook vinden zij dat de voorgestane bestelwijziging teveel vanuit doelmatigheidsoverwegingen wordt gemotiveerd. Zij erkennen dat vanuit een bedrijfsmatig oogpunt aanzienlijke voordelen kunnen worden behaald, maar benadrukken dat het uiteindelijk gaat om de effectiviteit van de bestelwijziging, in het bijzonder de mate waarin de veiligheidsproblemen die de burger in zijn eigen omgeving ervaart, worden vertaald in beleid. Dat aspect blijft in het voorstel onderbelicht, aldus Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Nederlands Genootschap van Burgemeesters.

De voorgestelde wijziging van het politiebestel is weliswaar ook ingegeven vanuit het oogpunt van een meer doelmatig opererende politie met minder bestuurlijke drukte maar zeker ook vanuit een oogpunt van de verbetering van de kwaliteit van de politiezorg. Het oogmerk van de wijzigingen is om de organisatie van de politie beter toe te rusten op het veiliger maken van Nederland en het geven van meer ruimte voor de professionaliteit van de politie. Met de voorgestelde wijzigingen wordt de eenheid van de politie versterkt. Die grotere eenheid zal moeten leiden tot een efficiënter en effectiever opererende politie die meer tijd kan besteden aan haar operationele taken en daarmee tot een betere politiezorg. Voorts wordt met de voorgestelde wijzigingen ook een beter democratisch ingebedde politieorganisatie gerealiseerd. Gefaseerde invoering van de nationale politie zou betekenen dat slechts een deel van de beoogde doelstellingen wordt gerealiseerd.

Ook het Korpsbeheerdersberaad, het College van procureurs-generaal en het Veiligheidsberaad hebben een gezamenlijk advies opgesteld.

De adviezen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters enerzijds en het Korpsbeheerdersberaad, het College van procureurs-generaal en het Veiligheidsberaad anderzijds komen op een aantal punten goeddeels overeen. Het betreft de verhouding tussen de minister en de nationale politie, de versterking van het lokale gezag, de balans tussen landelijke en lokale prioriteiten, de randvoorwaarden voor de benoeming van de korpschef.

Kritisch zijn al deze geconsulteerden over de verhouding tussen de minister en de nationale politie. Nu de oorspronkelijk voorgestelde directieraad is vervangen door een korpschef die rechtstreeks onder de minister ressorteert, zo geven deze geconsulteerden aan is de democratische inbedding duidelijk versterkt. Het lijkt hen niet logisch dat de minister een ambtenaar, voor wiens handelen hij direct verantwoordelijk is, aanstuurt met behulp van algemene en bijzondere aanwijzingen; dit instrument zou immers meer geëigend zijn in de relatie tot bestuurders. Ook vragen deze geconsulteerden zich af waarom de beheersverantwoordelijkheid niet rechtstreeks wordt belegd bij de minister, die daarin dan wordt bijgestaan door de korpschef, vergelijkbaar met de huidige verhouding korpsbeheerder-korpschef.

Welbewust is ervoor gekozen om de nationale politie op enige bestuurlijke afstand van het departement te plaatsen en onder te brengen in een rechtspersoon sui generis. Hiermee wordt benadrukt dat de politie niet het instrument van de minister is, maar primair ten dienste staat van het lokale gezag. Het beheer en de leiding van de rechtspersoon is opgedragen aan de korpschef, die opereert onder politieke verantwoordelijkheid van de minister. Hierbij past sturing door de minister via algemene en bijzondere aanwijzingsbevoegdheden.

Daarnaast is het de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Nederlands Genootschap van Burgemeesters, het Korpsbeheerdersberaad, het College van procureurs-generaal en het Veiligheidsberaad niet duidelijk waar het werkgeverschap daadwerkelijk wordt belegd. Opgemerkt wordt dat volgens de nota van wijziging de korpschef het bevoegde gezag is waar het gaat om aanstellingen, schorsing en ontslag, terwijl de minister verantwoordelijk is voor het LMD-beleid voor ambtenaren van politie vanaf salarisschaal 15, en voor de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden. Is het niet logischer om al deze verantwoordelijkheden te beleggen bij de minister, zo vragen zij zich af.

Ook hier wordt gewezen op de gekozen constructie van een afzonderlijke rechtspersoon. Alle bij de nationale politie aangestelde ambtenaren van politie zijn in dienst van deze rechtspersoon, waarvan de korpschef de bestuurder en derhalve de werkgever is. Dat de minister de CAO-onderhandelingen zelf voert, hangt samen met het grote financiële belang dat ermee is gemoeid. Overigens wijkt de verantwoordelijkheid van de minister voor het LMD-beleid niet af van zijn huidige.

Voorts vinden de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters, het Korpsbeheerdersberaad, het College van procureurs-generaal en het Veiligheidsberaad het opmerkelijk dat een burgemeester of een hoofdofficier van justitie een verzoek om bijstand door andere regionale eenheden moet indienen bij de korpschef, terwijl bijstandsverzoeken nu volledig via de bestuurlijke lijn lopen.

Daarvoor bestaat een praktische reden. In het nationale politiebestel heeft de korpschef het beste zicht op de beschikbare capaciteit binnen het korps. Wel is in artikel 56 toegevoegd dat behoudens in spoedeisende gevallen het verzoek om bijstand, niet wordt gedaan dan nadat de regioburgemeester in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over het verzoek te geven. Indien de korpschef een verzoek om bijstand afwijst, kan de burgemeester zich tot de minister wenden met het verzoek de korpschef op te dragen alsnog in de gevraagde bijstand te voorzien.

Voor wat betreft de positie van het gezag op lokaal niveau vragen deze geconsulteerden zich af in hoeverre het lokale gezag daadwerkelijk wordt versterkt. Zij menen dat de burgemeester en de officier van justitie, teneinde hun gezag over de politie te kunnen waarmaken, moeten beschikken over passende instrumenten jegens het lokale hoofd van politie. In dit verband stellen zij voor de lokale gezagsdragers een instemmingsrecht bij de benoeming en een adviesrecht bij promotie en ontslag van het lokale hoofd van politie toe te kennen. Daarnaast zouden de lokale gezagsdragers als ultimum remedium de mogelijkheid moeten hebben om het lokale hoofd van politie voor te dragen voor ontslag.

De positie van de lokale gezagsdragers wordt versterkt door in het tweede lid van artikel 13 vast te leggen dat zij in de lokale driehoek op basis van het integraal veiligheidsplan en op basis van de doelstellingen ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie afspraken maken over de inzet van de politie. Voor wat betreft de uitoefening van dit gezag geldt evenals in de huidige situatie dat de burgemeester en de officier van justitie ingevolge de artikelen 11 en 12 beschikken over een algemene aanwijzingsbevoegdheid jegens politieambtenaren, onder wie het hoofd van het territoriale onderdeel van de regionale eenheid binnen welker grondgebied de gemeente geheel of gedeeltelijk is gelegen. De lokale inbedding wordt versterkt door de positie van de gemeenteraad bij de aansturing van de politie te versterken. Zo stelt de gemeenteraad het integraal veiligheidsbeleid vast dat mede de basis vormt waarop de burgemeester en de officier van justitie afspraken maken in de lokale driehoek. Daarnaast is in de wet opgenomen dat de burgemeester aan de gemeenteraad verantwoording schuldig is over het door hem uitgeoefende gezag. Ten slotte is in de wet opgenomen dat voorafgaand aan de vaststelling van het regionale beleidsplan de burgemeester de gemeenteraad hoort over het ontwerpbeleidsplan.

Aanvullend merken de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters met betrekking tot de positie van het gezag op lokaal niveau het volgende op. De doorslaggevende stem die de burgemeester volgens het regeerakkoord heeft bij verschillen van opvatting in de driehoek, is volgens hen in de nota van wijziging niet terug te vinden. Voorts moet de burgemeester afspraken kunnen maken over een gegarandeerde minimumcapaciteit voor de dagelijkse politiezorg, die niet kan worden weggehaald als zich elders binnen het territorium van de regionale eenheid een incident voordoet. Verder dient in de lokale driehoek niet alleen gesproken te worden over de inzet van politie, maar ook over de inzet van overige veiligheidspartners, belast met de uitvoering van het integraal veiligheidsplan.

Zoals aangegeven wijzigt het gezag over de politie niet. Het kan dan ook niet zo zijn dat de ene gezagsdrager in de wet een doorslaggevende rol krijgt bij verschillen van opvattingen over de inzet van de politie in de driehoek. Als uitwerking van het regeerakkoord is ervoor gekozen dat de regioburgemeester in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie het beleidsplan en/of het jaarverslag vaststellen als de burgemeesters van de gemeenten die liggen in de regionale eenheid en de hoofdofficier van justitie deze niet gezamenlijk vaststellen. Het betreft hier overigens geschillen over het beleid en niet over het gezag.

In de lokale driehoek maken de burgemeester en de officier van justitie op basis van het integraal veiligheidsplan en op basis van de doelstellingen ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie afspraken over de inzet van de politie. Het ligt dan ook in de rede dat deze afspraken zich zullen richten op het behalen van onder meer de veiligheidsdoelstellingen uit het integraal veiligheidsplan. Dat impliceert dat in het driehoeksoverleg uiteraard sprake zal zijn van de nodige voortgangsbewaking ten aanzien van de benodigde inzet van de politie daarbij. Over de uitvoering van het integraal veiligheidsplan in brede zin, waarvoor ook de inzet van anderen dan de politie nodig is, wordt uiteraard in de gemeenteraad gesproken.

Een minimaal voorhanden zijnde capaciteit voor politiezorg in elke gemeente die nimmer buiten de gemeente kan worden ingezet, kan niet worden gegarandeerd. Dit zou ten koste gaan van de flexibiliteit van inzet.

Zowel de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters als het Korpsbeheerdersberaad, het College van procureurs-generaal en het Veiligheidsberaad zijn van mening dat er onvoldoende waarborgen zijn voor een evenwichtige balans tussen landelijke en lokale prioriteiten. Gezien de bevoegdheid van de minister om aanwijzingen te geven als naar zijn oordeel de landelijke prioriteiten onvoldoende worden verwezenlijkt, is het volgens deze geconsulteerden noodzakelijk dat de landelijke prioriteiten zich zullen beperken tot het hoogstnodige.

De systematiek waarbij de minister de landelijke beleidsdoelstellingen en de doorvertaling daarvan in doelstellingen ter verwezenlijking van de landelijke beleidsdoelstellingen vaststelt, is ook in de huidige praktijk al wettelijk verankerd. De vrees dat de landelijke doelstellingen te weinig ruimte zouden laten voor de lokale prioriteiten is dan ook niet gegrond. Vooral ook omdat landelijke doelstellingen en lokale prioriteiten uit hun aard niet tegengesteld aan elkaar zijn. Landelijke doelstellingen en lokale prioriteiten komen immers beide voort uit de continu wijzigende veiligheidsproblematiek. In de praktijk hebben de landelijke doelstellingen de afgelopen jaren dan ook veelal betrekking gehad op onderwerpen die ook op lokaal niveau prioriteit hadden, zoals de aanpak van jeugdcriminaliteit, geweld en overlast. In de wet is bovendien opgenomen dat de minister het College van procureurs-generaal en de regioburgemeesters hoort over de vaststelling van de landelijke doelstellingen. De landelijke beleidsdoelstellingen zullen dan ook, zoals reeds opgemerkt, vanzelfsprekend substantiële ruimte overlaten in de beschikbare politiecapaciteit voor de realisatie van lokale afspraken over de inzet van de politie.

Kanttekeningen maken deze geconsulteerden ook bij de benoeming en herbenoeming van de korpschef. Een periode van 6 jaar achten zij erg lang en herbenoeming zou moeten worden gemaximeerd tot eenmaal. Bovendien zouden de regioburgemeesters – en volgens het Korpsbeheerdersberaad, het College van procureurs-generaal en het Veiligheidsberaad – ook het College van procureurs-generaal bij de benoeming van de korpschef geen adviesrecht moeten hebben, maar een instemmingsrecht. Een instemmingsrecht zien deze geconsulteerden graag eveneens toegekend aan burgemeesters en officieren van justitie ten aanzien van de benoeming van – in de bewoordingen van geconsulteerden – lokale politiechefs. Ook zouden lokale gezagsdragers een lokale politiechef in bepaalde situaties moeten kunnen voordragen voor ontslag.

Een benoemingstermijn van 6 jaar is alleszins gebruikelijk voor bestuurders van rechtspersonen, ook rond de politie. Eenzelfde termijn wordt bijvoorbeeld ook gehanteerd bij benoemingen van de huidige korpsbeheerders, waarbij de commissaris van de Koningin en het College van procureurs-generaal evenmin een instemmingsrecht maar een adviesrecht hebben en het aantal herbenoemingsmogelijkheden (voor een periode van telkens 6 jaar) ook daar niet is gemaximeerd. Bovendien wordt in het belang van de continuïteit gehecht aan een benoemingstermijn die ten minste één beleids- en beheerscyclus ruimschoots omvat. Verder zij erop gewezen dat de benoeming, promotie en ontslag van de korpschef primair een beheersaangelegenheid is. Een instemmingsrecht voor de regioburgemeesters en het College van procureurs-generaal ligt daarom niet in de rede. Vanzelfsprekend is het wenselijk om de gezagsdragers te betrekken bij de benoeming van de korpschef. Die betrokkenheid is echter door een adviesrecht voldoende geborgd. Wel zal tegemoet worden gekomen aan het door deze geconsulteerden verlangde instemmingsrecht voor lokale gezagsdragers bij de benoeming van het hoofd van een territoriaal onderdeel van een regionale eenheid. Weliswaar moeten ook deze benoemingen primair worden gezien als een beheersaangelegenheid, maar hier dient het streven naar versterking van de positie van de lokale gezagsdragers doorslaggevend te zijn. Aangezien zij in de lokale driehoek veelvuldig overleg voeren met de lokale politiechef, ligt het in de rede dat de lokale gezagsdragers – evenals onder de Politiewet 1993 het geval is – een instemmingsrecht hebben bij de benoeming van die lokale politiechef.

Voorts bepleiten de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters de mogelijkheid om de functie van korpschef open te stellen voor niet-politiemensen, omdat dit de maatschappelijke oriëntatie van de politieorganisatie ten goede kan komen.

Aan deze wens kan niet worden tegemoetgekomen. De korpschef is een ambtenaar van politie. Het is daarbij vanzelfsprekend dat de korpschef afkomstig is uit de politie dan wel een politieachtergrond heeft. Kennis en ervaring met de politieprofessie is van groot belang om adequaat leiding te geven aan de politieorganisatie.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters merken op dat bij de indeling van de landelijke politie in regionale eenheden de nieuwe gerechtelijke kaart niet per definitie leidend zou moeten zijn. Zij vrezen voor onwerkbare eenheden in met name het noorden en oosten van het land, omdat indeling volgens de gerechtelijke kaart daar geen relatie heeft met de bestuurlijk relevante entiteiten. Zij wijzen erop dat het natuurlijke niveau waarop gemeenten hun beleid met elkaar afstemmen dat van de veiligheidsregio’s is. Nu volgens de toelichting bij de indeling van regionale eenheden in politiedistricten kan worden uitgegaan van de indeling van de veiligheidsregio’s, ligt het voor de hand dat de gemeenten binnen zo’n district hun gemeentelijke veiligheidsplannen bundelen in een districtelijk veiligheidsplan, dat op zijn beurt weer een bouwsteen vormt voor het regionale veiligheidsplan. Volgens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters zou niet alleen dit districtelijk veiligheidsplan – ook districtelijk beleidsplan genoemd – in de wet moeten worden vastgelegd, maar ook de procedure van vaststelling daarvan (te weten door de betrokken burgemeesters en de hoofdofficier van justitie of, indien deze partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, door de voorzitter van het districtsoverleg).

Dat een regionaal beleidsplan tot stand komt op de wijze zoals door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters is geschetst, is denkbaar. Niettemin is het vanuit een oogpunt van deregulering en de wens om zo weinig mogelijk bestuurlijke drukte te organiseren, niet opportuun om wettelijke voorschriften te geven over een districtelijk veiligheids- of beleidsplan en de totstandkoming daarvan. Teneinde ruimte te bieden voor maatwerk is er bovendien voor gekozen om zowel het regionale beleidsplan als de wijze van totstandkoming daarvan zoveel mogelijk vormvrij laten. Juist ook omdat de relatie van de regionale eenheden met de bestuurlijk relevante entiteiten in iedere regio anders is. Het ligt in de rede dat de regioburgemeester het initiatief zal nemen voor een goede bestuurlijke afstemming bij het opstellen van het regionale politiebeleid.

Het Korpsbeheerdersberaad, het College van procureurs-generaal en het Veiligheidsberaad stellen dat de positie van het openbaar ministerie in het wetsvoorstel wordt verzwakt. Deze geconsulteerden geven aan dat de positie van het bestuur en het openbaar ministerie in evenwicht met elkaar moet zijn en op alle niveaus goed geborgd dient te zijn.

Naar aanleiding van dit advies is het wetsvoorstel op onderdelen aangepast. In de wet is artikel 13 lid 2 in die zin gewijzigd dat de afspraken die de burgemeester en de officier van justitie in de «lokale driehoek» maken ook worden gemaakt op basis van het integraal veiligheidsplan en op basis van de doelstellingen op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de overige taken ten dienste van de justitie. Tevens is artikel 39 lid 2 van het wetsvoorstel in die zin gewijzigd dat op regionaal niveau de regioburgemeester nu in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie het regionale beleidsplan vaststelt indien de betrokken burgemeesters en de hoofdofficier van justitie dit plan niet gezamenlijk vaststellen. Het beroepsrecht voor het College van procureurs-generaal dat in het concept-wetsvoorstel was opgenomen komt daarmee te vervallen en wordt vervangen door een opschalingsmechanisme naar de minister indien de regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie er gezamenlijk niet uitkomen. Met deze wijzigingen die een versterking inhouden van de positie van het openbaar ministerie op lokaal en op regionaal niveau is wettelijk geborgd dat de positie van het bestuur en het openbaar ministerie in evenwicht met elkaar zijn.

Het Korpsbeheerdersberaad, het College van procureurs-generaal en het Veiligheidsberaad merken op dat naar hun oordeel zowel het regionale beleidsplan als de regioburgemeester onvoldoende wettelijk verankerd zijn. Volgens hen moet wettelijk geborgd worden dat in het regionale beleidsplan drie soorten prioriteiten evenwichtig worden samengebracht: de prioriteiten van gemeenten zoals vastgelegd in hun lokale integraal veiligheidsplan, de prioriteiten van het openbaar ministerie en de door de minister vastgestelde landelijke prioriteiten. Voorts ervaren deze geconsulteerden het als een gemis dat de vaststelling van het regionale beleidsplan wel is geregeld, maar de voorbereiding ervan niet. Zij bepleiten om de voorbereiding van het regionale beleidsplan bij wet op te dragen aan de regioburgemeester, in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie. Een soortgelijke rol, zo menen zij, zou de hoofdofficier van justitie ook moeten spelen bij de geschillenbeslechting. Zij adviseren daarom in de wet op te nemen dat, indien de burgemeesters en de hoofdofficier van justitie over het vast te stellen regionale beleidsplan geen unanimiteit kunnen bereiken, de regioburgemeester dat beleidsplan vaststelt in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie.

In het wetsvoorstel is het beleidsplan verankerd in artikel 39. In het wetsvoorstel zijn voorschriften omtrent de voorbereiding van het regionale beleidsplan welbewust achterwege gelaten. Dit is gedaan om de betrokkenheid van alle burgemeesters te bevorderen en om aan te geven dat het opstellen van een regionaal beleidsplan hun gezamenlijke verantwoordelijkheid is. In onderling overleg zal een van hen het initiatief moeten nemen tot het opstellen van het beleidsplan. Dat dit door de regioburgemeester ter hand zal worden genomen, ligt in de rede. Wettelijke voorschriften hierover zouden echter afbreuk doen aan het zelfregulerend vermogen van de regionale eenheden.

Het advies om de drie soorten prioriteiten op regionaal niveau samen te brengen is in die zin gehonoreerd dat in artikel 13 tweede lid ook de doelstellingen ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie zijn benoemd. Bovendien is overgenomen het advies om het regionale beleidsplan, indien de burgemeesters en de hoofdofficier van justitie geen overeenstemming bereiken over de vaststelling daarvan, te laten vaststellen door de regioburgemeester in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie. Hierdoor wordt een evenwichtiger positie van de strafrechtelijke handhaving bewerkstelligd. In dit verband is in artikel 39 het tweede lid uitgebreid. Ook is een nieuw derde lid ingevoegd, dat voorziet in een beroepsmogelijkheid op de minister, die over de vaststelling van het regionale beleidsplan beslist in geval de regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie daarover geen overeenstemming kunnen bereiken. Het beroepsrecht voor het College van procureurs-generaal bij de minister tegen de vaststelling door de regioburgemeester van het regionale beleidsplan, kan daardoor vervallen.

In het voorstel van wet is bepaald dat, alvorens de regioburgemeester advies uitbrengt ten aanzien van de te benoemen politiechef, hij voorafgaand alle overige burgemeesters in de regio hoort. Volgens het Korpsbeheerdersberaad, het College van procureurs-generaal en het Veiligheidsberaad zal dit met name in grote regio’s onwerkbaar blijken. Hun advies is om de regioburgemeester tezamen met de regiohoofdofficier van justitie overleg te laten voeren met een delegatie van burgemeesters over de benoeming van de politiechef.

Dit advies wordt niet overgenomen. Uitgangspunt is dat elke burgemeester die het aangaat de gelegenheid moet hebben om over de te benoemen politiechef zijn opvattingen te laten horen. Uiteraard staat het burgemeesters vrij om te bepalen in hoeverre zij zich dienaangaande beperkingen opleggen, bijvoorbeeld door ervoor te kiezen hun stem de doen horen via een afvaardiging uit hun midden. Dit zal echter niet wettelijk worden geregeld.

Tegemoetgekomen is aan de wens van het Korpsbeheerdersberaad, het College van procureurs-generaal en het Veiligheidsberaad om het aantal regionale eenheden niet vast te stellen bij algemene maatregel van bestuur, maar in de wet te noemen. Hiertoe is in het voorstel van wet opgenomen dat in elk van de in de Wet op de rechterlijke indeling genoemde arrondissementen er een regionale eenheid van politie zal zijn.

Kring van commissarissen van de Koningin

De Kring van commissarissen van de Koningin stemt in algemene zin in met de plannen voor nationale politie en ziet met de komst van nationale politie goede mogelijkheden om de organisatie van de politie beter toe te rusten op het veiliger maken van Nederland en het geven van meer ruimte voor professionaliteit voor de politie. Er ontstaan robuuste regionale eenheden die de indeling van het openbaar ministerie en aanverwante ketenorganisaties volgen.

De Kring vraag zich af of met het wetsvoorstel de lokale aansturing van de politie voldoende is geborgd. Daarbij is het van belang dat het gezag van de burgemeester niet alleen in naam maar ook in de praktijk onverlet blijft en zo mogelijk wordt versterkt, zo stelt de Kring. Gemeenten moeten zich verzekerd weten van een minimum aan politiezorg. Burgemeesters moeten met hun gemeenteraad afspraken kunnen maken over het gemeentelijke integrale veiligheidsbeleid, inclusief de politiebijdragen. De Kring bespeurt grote zorgen binnen het openbaar bestuur met betrekking tot het systeem van «checks and balances» tussen landelijke en lokale prioriteiten en het borgen van het bestuurlijk gezag.

Zoals aangegeven wijzigt het gezag over de politie niet en houdt de burgemeester het gezag over de openbare orde en hulpverlening. Zoals hiervoor en in paragraaf 5 is beargumenteerd wordt de lokale aansturing voldoende verzekerd. Wat betreft de zorgen over de «checks and balances» tussen de landelijke en lokale prioriteiten is hiervoor al opgemerkt dat die systematiek ook in de huidige praktijk al wettelijk is verankerd. De vrees dat de landelijke doelstellingen te weinig ruimte zouden laten voor de lokale prioriteiten is dan ook niet gegrond. Vooral ook omdat landelijke doelstellingen en lokale prioriteiten uit hun aard niet tegengesteld aan elkaar zijn. Landelijke doelstellingen en lokale prioriteiten komen immers beide voort uit de continu wijzigende veiligheidsproblematiek. De landelijke beleidsdoelstellingen zullen, zoals reeds opgemerkt, vanzelfsprekend substantiële ruimte overlaten in de beschikbare politiecapaciteit voor de realisatie van lokale afspraken over de inzet van de politie.

Ten aanzien van de rol van de commissaris van de Koningin in het nationale politiebestel geeft de Kring aan dat zij vanuit hun zorgplicht de kwaliteit van het openbaar bestuur te bewaken hun visie op het politietoezicht hebben opgesteld. De rol van de commissaris van de Koningin is die van hoeder van de kwaliteit van het openbaar bestuur in brede zin waaronder ook de bestuurlijke integriteit.

De commissaris van de Koningin kan als rijksorgaan, met inachtneming van de Ambtsinstructie commissaris van de Koning, bij het bewaken van de kwaliteit van het openbaar bestuur, ook de rol van de burgemeester als gezagsdrager over de politie betrekken.

De rol van de commissaris van de Koningin zou zich volgens de Kring tevens kunnen uitstrekken tot geschilbeslechting tussen bestuurders, die in het voorliggende wetsvoorstel aan de regioburgemeester is opgedragen.

In het voorliggende voorstel is, zoals in paragraaf 6.4 aangegeven, de rol voor wat betreft de geschilbeslechting neergelegd bij de regioburgemeester. Het wetsvoorstel bepaalt dat de regioburgemeester in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie uiteindelijk het beleidsplan en het jaarverslag vaststelt als de gezamenlijke burgemeesters en de hoofdofficier van justitie niet tot een vergelijk kunnen komen. Tegen het besluit tot vaststelling van het beleidsplan kan een betrokken burgemeester beroep instellen bij de minister. Deze beoordeelt of het beleidsplan op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in de betreffende gemeente. Op deze manier wordt voorkomen dat de regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie in verhouding tot de andere burgemeesters een te groot stempel kunnen drukken op het regionale beleidsplan. Het is daarnaast een instrument om de gewenste versterking van de positie van het lokale gezag te bewerkstelligen. Het dwingt immers te komen tot een voor de burgemeesters en de hoofdofficier van justitie aanvaardbaar beleidsplan.

Raad van korpschefs

De Raad van Korpschefs heeft in haar reactie aangegeven volledig achter de lijn te staan zoals die in de conceptnota van wijziging is voorgesteld. Nationale politie creëert volgens de Raad van korpschefs de randvoorwaarde tot meer ruimte voor de professional, minder bureaucratie, minder bestuurlijke drukte, een veiliger leefomgeving en een effectievere aanpak van de veiligheidsproblemen. Het vergroten van de slagkracht van de politie en het ruimte bieden aan het vakmanschap zijn volgens de Raad van korpschefs grote winstpunten.

Op een paar punten gaat de Raad van korpschefs meer in het bijzonder in.

Wat betreft de beleids- en beheerscyclus geeft de Raad van korpschefs aan te hechten een duidelijke en evenwichtige bestuurlijke en justitiële inbreng op regionaal niveau.

Hierboven is reeds aangegeven dat naar aanleiding van de ontvangen adviezen door wijziging van artikel 39 lid 2 een meer evenwichtige bestuurlijke en justitiële inbreng op regionaal niveau in de wet is geborgd.

De rol van de korpschef en de rol van de politiechef op respectievelijk landelijk en regionaal niveau doet volgens de Raad van korpschefs onvoldoende recht aan de aan deze functionarissen toebedeelde verantwoordelijkheden. Zij stelt hiertoe onder meer voor in de wet op te nemen dat de korpschef de begroting en de jaarrekening opstelt.

Naar aanleiding van de ontvangen adviezen is de wet aangepast. In artikel 34 is opgenomen dat de korpschef jaarlijks het ontwerp van de begroting opstelt voor de politie voor het komende begrotingsjaar alsmede de meerjarenraming voor drie op het begrotingsjaar volgende jaren. In artikel 35 is opgenomen dat de korpschef jaarlijks de jaarrekening van de politie opstelt.

De Raad van korpschefs ziet een potentiële spanning tussen landelijke en lokale prioriteiten, waarbij zij pleit voor voldoende ruimte voor lokale prioriteiten.

Wat betreft de mogelijke spanning tussen de landelijke beleidsdoelstellingen en de lokale prioriteiten is hiervoor naar aanleiding van de reacties van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Nederlands Genootschap van Burgemeesters, het Korpsbeheerdersberaad, het College van procureurs-generaal, het Veiligheidsberaad en de Kring van commissarissen van de Koningin al aangegeven dat de voorgestelde systematiek ook in de huidige praktijk al wettelijk is verankerd en dat de vrees dat de landelijke doelstellingen te weinig ruimte zouden laten voor de lokale prioriteiten niet gegrond is. Vooral ook omdat landelijke doelstellingen en lokale prioriteiten uit hun aard niet tegengesteld aan elkaar zijn.

De Raad van korpschefs pleit voor een adviesrecht voor de korpschef en de politiechefs bij het stellen van de prioriteiten.

Het College van procureurs-generaal en de regioburgemeesters worden gehoord over de landelijke doelstellingen. De korpschef niet omdat de korpschef geen beleidsbepaler is waar het gaat om de taakuitvoering door de politie. Ook op het niveau van de regionale eenheden heeft de politiechef om dezelfde reden geen wettelijke rol waar het gaat om het vaststellen van het regionale beleidsplan. Op deze punten wijkt het voorliggende wetsvoorstel overigens niet af van de huidige wet. Een en ander geldt ook voor het hoofd van het territoriale onderdeel van de politie in het driehoeksoverleg. In dit overleg maken de gezagsdragers afspraken over de inzet van de politie.

Ook vreest de Raad van korpschefs dat de geschetste cyclus de bestuurlijke drukte en de administratieve last kan doen toenemen. Zij adviseert met het oog hierop een landelijk beleidsplan in de wet op te nemen en de bedrijfsvoeringonderwerpen in de begroting op te nemen waardoor het beheersplan overbodig zou worden.

Teneinde de bestuurlijke drukte en de administratieve lasten zoveel mogelijk te beperken bevat het wetsvoorstel een minder complexe besturing van de politie en tevens een minder complexe beleids- en beheercyclus. Naar aanleiding van de vrees die de raad uit dat de bestuurlijke drukte en de administratieve lasten toe lijken te nemen, is hieronder op hoofdlijnen geschetst hoe met het voorliggende wetsvoorstel de bestuurlijke drukte en de administratieve lasten worden teruggebracht.

Op het niveau van de regionale en de bovenregionale eenheden nemen de bestuurlijke drukte en de administratieve lasten ten opzichte van het regionale politiebestel sterk af. Door het beheer op landelijk niveau te beleggen, behoeft op het regionale en het bovenregionale niveau geen jaarlijkse begroting en meerjarenraming, jaarrekening, organisatie en formatie te worden opgesteld. Ook de complexe besturing van de bovenregionale teams (BRT’s) zoals opgetekend in de Regeling nationale en bovenregionale recherche komt te vervallen omdat de taken van deze teams bij de landelijke en/of de regionale eenheden worden ondergebracht. De bijzonder complexe aansturing van de voorziening tot samenwerking Politie Nederland (vtsPN) die een aantal landelijke bedrijfsvoeringstaken voor de politie uitvoert, behoort met de opname van die taken in de nationale politie eveneens tot het verleden.

De wet schrijft nog wel voor dat tenminste eens in de vier jaar op regionaal niveau een beleidsplan en jaarlijks een jaarverslag dient te worden vastgesteld. De vaststelling van deze stukken geschiedt door de betrokken burgemeesters en de hoofdofficier van justitie gezamenlijk. Door de gezamenlijke vaststelling is verzekerd dat alle partijen zich kunnen vinden in de door hen vastgestelde stukken en dat deze stukken dus evenwichtig zijn opgesteld. Indien het niet lukt om tot gezamenlijke vaststelling van het beleidsplan te komen dan stelt de regioburgemeester in overeenstemming met de hoofdofficier het beleidsplan vast. Tegen dit besluit kunnen de betrokken burgemeesters bij de minister in beroep gaan. Hiervoor is uitgebreid op de vaststelling van het beleidsplan en de mogelijkheid beroep aan te tekenen in gegaan.

Wat betreft het landelijke beleid op het terrein van de taakuitvoering wordt in beginsel volstaan met het eenmaal in de vier jaar vaststellen van landelijke beleidsdoelstellingen. Die termijn van vier jaar is gekozen om de politie goed in staat te stellen zich te richten op de landelijke doelstellingen. Indien daarvoor bijzondere redenen zijn, kunnen de landelijke doelstellingen tussentijds worden gewijzigd of aangevuld. Dit om flexibiliteit in de systematiek in te bouwen. Het kan immers zo zijn dat gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen een bijstelling of een wijziging van de landelijke doelstellingen wenselijk of noodzakelijk is.

Met de landelijke doelstellingen heeft de minister een bewezen instrument voor het op hoofdlijnen sturen van de taakuitvoering door de politie. Een landelijk beleidsplan is derhalve niet nodig en niet in de wet opgenomen mede omdat een dergelijk beleidsplan het gevaar in zich bergt van toenemende bestuurlijke drukte en administratieve lasten.

In de wet is wel een landelijk beheersplan opgenomen omdat het beheer van het landelijke korps op landelijk niveau is belegd en het wenselijk is om in de beheerscyclus het landelijke beheersbeleid op te nemen. Dit is immers van invloed op de begroting en meerjarenraming. De korpschef stelt het ontwerp van de begroting en de meerjarenraming, het beheersplan, het ontwerp van de jaarrekening en het jaarverslag op. De minister stelt deze stukken vast.

De Raad van korpschefs meent dat er een te beperkte rol is voor de korpschef. Gepleit wordt voor het vergroten van de zeggenschap van de korpschef door het opnemen van een adviesrecht voor de korpschef inzake de beleidscyclus, beheer en kwaliteitszorg.

Wat betreft de beleidscyclus is hierboven al aangegeven dat, evenals in de huidige wet, geen adviesrecht voor de korpschef in de wet is opgenomen bij het vaststellen van het beleid omdat hij geen beleidsbepaler is. Het feit dat dit adviesrecht niet in de wet is opgenomen, laat overigens onverlet dat de korpschef wel kan adviseren. Dit kan op landelijk niveau bijvoorbeeld in het overleg dat de minister, tezamen met de korpschef, periodiek voert met (een afvaardiging van) de regioburgemeesters en de voorzitter van het College van procureurs-generaal over de taakuitvoering door en het beheer ten aanzien van de politie. Ook op regionaal en op lokaal niveau kunnen politiefunctionarissen adviseren over het beleid. Dat zal niet anders zijn dan in de huidige situatie.

Wat betreft het beheer en kwaliteitszorg is de Raad van korpschefs voorstander van een adviesrecht voor de korpschef bij het vaststellen van de daarop betrekking hebbende lagere regelgeving.

Evenals in de huidige wetgeving is afgezien van het in de wet vastleggen van dit adviesrecht. In de praktijk echter zal de minister, evenals in de huidige situatie, bij het opstellen en/of het vaststellen van deze regelgeving de korpschef betrekken.

Wat betreft de benoemingen stelt de Raad van korpschefs voor dat de korpschef de voordracht doet voor de benoeming van de overige leden van de korpsleiding en de politiechefs van de regionale eenheden.

Daargelaten dat de «voordracht» tot benoeming wordt gedaan door de minister aan de Koningin, wordt aan de wens van de raad tegemoetgekomen. Aangezien de desbetreffende functionarissen na hun benoeming ondergeschikt zijn aan de korpschef, ligt diens betrokkenheid bij de voorafgaande procedure voor de hand. Het spreekt daarom vanzelf dat de minister de korpschef zal horen omtrent een voorgenomen benoemingsvoordracht. Uiteraard zal de korpschef naar zijn oordeel geschikte kandidaten kunnen aanbevelen bij de minister.

Overgenomen is ook het advies van de Raad van korpschefs om te voorzien in de mogelijkheid om over een gedraging van de korpschef een klacht in te dienen bij de minister. De minister is ook degene die voor de behandeling van een dergelijke klacht zorgdraagt. De artikelen 70 en 71 (respectievelijk 72 en 73 in het concept-wetsvoorstel zoals dat ter consultatie is aangeboden) zijn hiertoe aangepast.

Reactie Raad voor de rechtspraak

De Raad voor de rechtspraak (hierna: de Raad) heeft, gehoord de gerechten, met instemming ervan kennisgenomen dat de grenzen van de tien regionale eenheden blijkens de toelichting congruent zijn aan de grenzen van de gerechtelijke kaart, die thans worden herzien. De Raad gaat er vanuit dat zowel de begrenzing als de benaming van de betreffende regionale eenheden aansluit bij de indeling van de gerechtelijke kaart.

In artikel 25, tweede lid, is neergelegd dat er een regionale eenheid is in elk van de arrondissementen, genoemd in de Wet op de rechterlijke indeling. Daarmee is voorzien in de territoriale congruentie tussen de arrondissementen en de regionale eenheden van het korps; er zijn net zoveel regionale eenheden als er arrondissementen zijn en de gebiedsgrenzen van beide zijn identiek. De namen van de regionale eenheden zijn geen onderwerp van wettelijke regeling.

De Raad refereert voorts aan het op dit moment bij de Tweede Kamer in behandeling zijnde voorstel van wet tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de samenvoeging van de politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland tot de nieuwe politieregio Gooi-Flevoland en het treffen van een aantal tijdelijke voorzieningen in verband daarmee (Kamerstukken II 2010/11, 32 527). Als gevolg van de in dat wetsvoorstel voorgestelde fusie van twee politieregio’s ontstaat tijdelijk territoriale incongruentie, en als gevolg daarvan organisatorische last voor de rechtspraak. In lijn met het advies over dit wetsvoorstel van de Raad aan de Tweede Kamer van 6 oktober 2010, adviseert de Raad de voorgestelde samenvoeging van de genoemde twee politieregio’s tegelijk met de landelijke ontwikkelingen op dit terrein te realiseren. De landelijke ontwikkelingen worden immers met voortvarendheid ter hand genomen. Dit maakt dat er volgens de Raad nog minder reden is om daarop middels een versnelde samenvoeging van de betrokken politieregio’s vooruit te lopen.

Het wetsvoorstel dat de samenvoeging van de regionale politiekorpsen Gooi en Vechtstreek en Flevoland regelt, is op 1 oktober 2010 ingediend bij de Tweede Kamer. In beginsel staat de samenvoeging van de politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland niet in de weg aan de plannen voor het nieuwe politiebestel. De samenvoeging van de politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland kan in principe gewoon doorgang vinden. Echter, als de ene ontwikkeling de andere belemmert of als beide ontwikkelingen elkaar in de tijd te zeer naderen, zal een heroverweging plaatsvinden.

Reactie Politieacademie

De Politieacademie onderschrijft het voorstel om «de academie nog niet mee te nemen in het wetsvoorstel». Gegeven dat uitgangspunt zijn er naar het oordeel van de Politieacademie diverse punten die al wel uitgewerkt zouden moeten worden. In grote lijnen gaat de Politieacademie in haar reactie in op de rol van de Politieacademie binnen de nationale politie en de juridische inbedding van de Politieacademie tot nu toe. Ook geeft de Politieacademie een reactie op de conceptnota van wijziging. Bij dat laatste concentreert zij zich op de inbedding van de Politieacademie en haar taken binnen de nationale politie.

De richting die wordt ingeslagen met betrekking tot de politieacademie is in paragraaf 7.7 uiteengezet. De opmerkingen van de Politieacademie over de concept nota van wijziging zullen daarbij waar dat aan de orde is worden meegenomen Het spreekt voor zich dat hierover ook de andere betrokken partijen zullen worden geconsulteerd. In samenwerking met het ministerie van OCW wordt aan de uitwerking gewerkt waar het betreft de borging van de onafhankelijke kwaliteit van het onderwijs, waaronder de accreditatie van de opleidingen en de aansluiting met het reguliere onderwijs.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Artikel 1 van het wetsvoorstel geeft een aantal begripsbepalingen. Daar waar in het vervolg van het wetsvoorstel wordt gesproken over «Onze Minister» wordt de Minister van Veiligheid en Justitie bedoeld. Het begrip «politie» verwijst steeds naar het landelijke politiekorps, die op grond van artikel 25 bestaat uit regionale eenheden, landelijke eenheden en een of meer ondersteunende diensten. De onderdelen van de politie vormen tezamen één landelijke politieorganisatie welke op grond van artikel 26 van het wetsvoorstel rechtspersoonlijkheid bezit. De rijksrecherche maakt derhalve geen deel uit van de rechtspersoon politie, hetgeen niet wegneemt dat de ambtenaren van de rijksrecherche wel worden aangemerkt als ambtenaren van politie (zie paragraaf 8.1 van het algemeen deel van de toelichting).

Onder «korpschef» wordt verstaan de ambtenaar van politie die aan het hoofd staat van het landelijke politiekorps. Er is dus in het nieuwe politiebestel nog slechts één korpschef. De politieambtenaren die aan het hoofd staan van de regionale eenheden worden in het wetsvoorstel aangeduid als «politiechef»; zij zijn ondergeschikt aan de korpschef.

Onder «regionale eenheid» respectievelijk «landelijke eenheid» wordt verstaan een van de regionaal respectievelijk landelijk georganiseerde eenheden van het nationale politiekorps, belast met de uitvoering van de politietaak. De ondersteunende diensten vallen derhalve niet onder het begrip «eenheid».

De «regioburgemeester» is de burgemeester van de gemeente met het grootste aantal inwoners in het gebied waarin een regionale eenheid de politietaak uitvoert. Om mogelijke onduidelijkheden te voorkomen over de vraag welke gemeente het hoogste aantal inwoners heeft en derhalve de regioburgemeester «levert», is vastgelegd dat de Minister van Veiligheid en Justitie de regioburgemeester aanwijst. Het ligt in de rede dat de minister zich hierbij baseert op de meest recente cijfers van het Centraal bureau voor de statistiek (CBS). Het is nadrukkelijk géén discretionaire bevoegdheid.

De definitie van de «taken ten dienste van de justitie», alsmede het tweede lid, is overgenomen uit de Politiewet 1993, met dien verstande dat de uitvoering van wettelijke voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 in onderdeel i, onder 1°, nu zijn geëxpliciteerd. De uitvoering van voorschriften bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 waren altijd begrepen onder dit artikelonderdeel27 maar de uitvoering ervan berust nu niet meer bij de Minister van Veiligheid en Justitie maar bij de Minister voor Immigratie en Asiel. Om die reden is onderdeel 1° opgesplitst in de uitvoering van voorschriften waarmee de Minister van Veiligheid en Justitie is belast en voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000. Een inhoudelijke wijziging is hiermee uitdrukkelijk niet bedoeld.

In het tweede lid is geëxpliciteerd dat persoonsbeveiliging is gericht op de voorkoming van strafbare feiten en om die reden deel uitmaakt van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Indien de politie optreedt ter beveiliging van personen staat zij in het decentrale domein dan ook onder gezag van de officier van justitie. Op grond van artikel 43, tweede lid, van het wetsvoorstel, vindt persoonsbeveiliging in het centrale domein, conform de Politiewet 1993, plaats onder rechtstreekse verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie.

Artikel 1, derde lid, van de Politiewet 1993 over het aanwijzen van een fungerend hoofdofficier van justitie indien in een arrondissement twee regio’s zijn gelegen, is overbodig geworden, omdat deze situatie zich niet langer zal voordoen.

Artikel 2

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 3 van de Politiewet 1993, zij het dat in het wetsvoorstel is neergelegd, hetgeen in de praktijk reeds het geval is, dat vrijwillige ambtenaren ook aangesteld kunnen worden voor de uitvoering van ondersteunende taken ten dienste van de politie. Voorts kunnen vrijwillige ambtenaren inmiddels worden belast met dezelfde executieve politietaken als de «gewone» politieambtenaren mits zij voldoen aan dezelfde opleidingseisen. Zo zal een vrijwillige surveillant of vrijwillige politiemedewerker bijvoorbeeld alleen aangesteld worden als hij dezelfde politieopleiding volgt of gevolgd heeft als zijn reguliere evenknie; alsdan mag hij op die voet ook dezelfde werkzaamheden verrichten. De delegatiegrondslag van artikel 5 van de Politiewet 1993, op grond waarvan regels gegeven kunnen worden over de taken die kunnen worden uitgevoerd door vrijwillige ambtenaren, behoeft in het wetsvoorstel dan ook niet meer terug te komen. Het Besluit taken vrijwillige ambtenaren van politie komt daarmee te vervallen. Krachtens de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 48 kunnen vrijwillige ambtenaren alle rangen bij de politie vervullen, mits zij aan de daarvoor gestelde eisen voldoen.

In artikel 3, tweede lid, van de Politiewet 1993 wordt bepaald dat onder ambtenaren van politie worden begrepen de bijzondere ambtenaren van politie. Het begrip «bijzondere ambtenaren van politie» ziet op de rijksrechercheurs. Ook de rijksrechercheurs zijn «ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak». Zij zijn niet zozeer bijzondere ambtenaren, als wel politieambtenaren werkzaam bij een organisatie met een bijzondere taak: de rijksrecherche. In het voorgestelde artikel 2 wordt dan ook gestipuleerd dat onder ambtenaren van politie voorts worden begrepen de ambtenaren van de rijksrecherche. Bij de rijksrecherche werken naast de rijksrechercheurs – ambtenaren aangesteld voor de uitvoering van de politietaak – ook niet-executieve ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere ondersteunende taken. In artikel 43, eerste lid, van de Politiewet 1993 worden zij nog apart genoemd. Op de rijksrecherche is nader ingegaan in hoofdstuk 8 van het algemeen deel. Zie ook de toelichting bij de artikelen 49 en volgende.

Artikel 3

De herziening van het politiebestel laat de taak van de politie ongemoeid. De omschrijving van de politietaak in artikel 2 van de Politiewet 1993 kan dan ook zonder wijziging worden overgenomen in het wetsvoorstel.

Artikel 4

De taken van de KMar in artikel 4 zijn overgenomen uit artikel 6, eerste lid, van de Politiewet 1993. Teneinde daarover geen enkel misverstand te laten bestaan, is in het eerste lid vastgelegd dat de KMar onder het beheer van de Minister van Defensie staat.

Artikel 5

Dit artikel biedt, net als artikel 48 van de Politiewet 1993, de mogelijkheid om regels te geven over de samenwerking tussen de KMar en de politie, waaronder zowel de regionale als de landelijke eenheden worden begrepen. Een kenmerk van de samenwerking, waaraan doelmatigheidsoverwegingen ten grondslag liggen, is wederkerigheid. Dit betekent dat beide partijen denken en handelen vanuit gemeenschappelijke belangen en vanuit het belang om het functioneren naar buiten toe mogelijk te maken of te verbeteren. Binnen de samenwerking benutten de politie en de KMar elkanders specifieke kennis en ervaring om de kennis en vaardigheden te onderhouden en uit te bouwen. De taakstelling van de politie respectievelijk de KMar blijft hierbij intact.

Artikel 6

Dit artikel heeft dezelfde strekking als artikel 7 van de Politiewet 1993. De ambtenaar van politie is bevoegd zijn taak uit te oefenen in het gehele land, dus ook buiten het werkgebied van de regionale eenheid waar hij is tewerkgesteld, maar hij onthoudt zich in beginsel van optreden buiten dat werkgebied. Een optreden daarbuiten doet evenwel geen afbreuk aan de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid, ofwel aan de rechtmatigheid van het optreden. De instructienorm van het tweede lid blijft ook onder de nieuwe wet relevant nu in de situatie zoals wordt voorgestaan weliswaar sprake zal zijn van slechts één Nederlandse politieorganisatie, doch binnen deze organisatie regionale eenheden blijven bestaan. Anders dan onder de Politiewet 1993, waarin de ambtenaren van politie in dienst zijn van ofwel een van de 25 regionale politiekorpsen ofwel het KLPD, zullen onder de nieuwe wet alle ambtenaren van politie worden aangesteld in algemene dienst van de politie. In artikel 6 wordt dan ook niet langer gesproken van het «gebied van aanstelling» maar van het «gebied van tewerkstelling».

Artikelen 7 tot en met 9

Deze artikelen, waarin regels zijn gesteld omtrent de bevoegdheden tot geweldgebruik, veiligheidsfouillering, binnentreden bij hulpverlening en identiteitscontrole, zijn, op één element na, inhoudelijk gelijk aan de artikelen 8, 8a en 9 van de Politiewet 1993. Het element waarin het voorgestelde artikel 7, eerste lid, verschilt van de Politiewet 1993, betreft een specifieke wettelijke grondslag voor de bevoegdheid tot het gebruik van vrijheidsbeperkende middelen, die hieronder zal worden toegelicht.

Dit wetsvoorstel introduceert in artikel 7, eerste lid, een specifieke wettelijke grondslag voor het gebruik van vrijheidsbeperkende middelen door ambtenaren van politie. Het voorstel beoogt daarmee in het bijzonder drie doelstellingen te verwezenlijken. In de eerste plaats het bieden van een specifieke wettelijke grondslag voor het gebruik van handboeien door speciale eenheden (zoals aanhoudings- en ondersteuningseenheden en bijzondere bijstandseenheden) bij personen die niet van hun vrijheid zijn beroofd. Een tweede doelstelling betreft het bieden van een specifieke wettelijke basis voor het blinddoeken door speciale eenheden van personen die wel van hun vrijheid zijn beroofd. Een derde doelstelling van dit voorstel betreft het creëren van een specifieke wettelijke grondslag voor het algemeen gebruik van handboeien en het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting van vreemdelingen.

Aanleiding voor dit element van het wetsvoorstel is een aantal rapporten van de Nationale ombudsman (hierna te noemen: ombudsman) waarin deze het optreden van arrestatieteams uitdrukkelijk toetst aan het recht op onaantastbaarheid van het lichaam zoals opgenomen in artikel 11 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (rapporten 2003/351 t/m 2003/354). Op grond daarvan komt de ombudsman tot de conclusie dat voor het aanleggen van handboeien bij een niet-verdachte en het omdoen van een blinddoek een wettelijke basis ontbreekt. De ombudsman spreekt echter wel begrip uit voor deze maatregelen, nu zij dienen om de veiligheid van de betrokken politieambtenaren in gevaarlijke situaties te waarborgen. Dit neemt voor de ombudsman niet weg dat het noodzakelijk is dat er een nadere bezinning plaatsvindt over de vraag hoe het gebruik van deze dwangmiddelen in overeenstemming met de Grondwet en internationaalrechtelijke verplichtingen moet worden genormeerd.

De ombudsman heeft dit per brief onder de aandacht van de toenmalige Ministers van BZK en Justitie gebracht. Naar aanleiding daarvan is besloten om een expliciete wettelijke basis te creëren voor de noodzakelijk geachte maatregelen bij een aanhouding uitgevoerd door leden van speciale eenheden.

Aan de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechausse en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie) zullen enkele voorschriften ten aanzien van het gebruik van handboeien en blinddoeken worden toegevoegd. Speciale eenheden krijgen daarmee de bevoegdheid om een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd ten behoeve van het ordelijk verloop van een aanhouding en vervoer te blinddoeken, alsmede om handboeien aan te leggen bij personen die niet van hun vrijheid worden beroofd.

Voor zover de wijziging voorziet in een expliciete, formeelwettelijke grondslag voor het gebruik van handboeien, sluit zij bovendien aan bij een al eerder gedane suggestie hieromtrent door de ombudsman.*

Met het nieuwe artikel 7, eerste lid, ligt de formeelwettelijke basis voor de bevoegdheid tot het omleggen van handboeien voortaan in de Politiewet zelf. Die basis wordt thans ontleend aan artikel 15, vierde lid, van de Grondwet; van een nieuwe bevoegdheid is op dit punt dan ook geen sprake.

Omdat er in de praktijk ook behoefte blijkt te bestaan aan het gebruik van andere vrijheidsbeperkende middelen dan handboeien (bijvoorbeeld hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting van vreemdelingen), voorziet de nieuwe bepaling ook in de formeelwettelijke grondslag dáárvoor. De wijziging komt het rechtswaarborgkarakter van de bevoegdheidsgrondslag ten goede.

De wijze waarop het gebruik van vrijheidsbeperkende middelen wordt geregeld, sluit aan bij de wijze waarop het gebruik van geweld is geregeld. De systematiek is als volgt. In de nieuwe Politiewet staat de algemene bevoegdheid tot het gebruik van geweld, respectievelijk vrijheidsbeperkende middelen, waarbij een aantal algemene criteria wordt gesteld. De uitwerking van specifieke geweldmiddelen of vrijheidsbeperkende middelen geschiedt, net als onder de Politiewet 1993, in de Ambtsinstructie, krachtens artikel 9, derde lid, van het wetsvoorstel. Daarbij worden voor de onderscheiden bevoegdheden specifieke criteria gesteld. Zo blijven de voorschriften ten aanzien van het gebruik van handboeien tijdens vervoer onverminderd opgenomen in artikel 22 van de Ambtsinstructie.

Eén voorwaarde die aan van het gebruik van geweld in artikel 7 is gesteld, ontbreekt bij de vrijheidsbeperkende middelen. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf. Deze voorwaarde wordt gezien de aard van de bevoegdheid niet gesteld aan het gebruik van vrijheidsbeperkende middelen.

Artikel 10

Dit artikel is inhoudelijk identiek aan de artikelen 10 en 11 van de Politiewet 1993.

Artikelen 11, 12 en 14

Het lokale gezag over de politie zal, gelet op het belang dat wij hechten aan de lokale verankering van de politie, niet wijzigen. De burgemeester zal de politie lokaal aansturen op het terrein van de handhaving van de openbare orde en de hulpverlening en de officier van justitie zal de politie aansturen op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Ook het lokale driehoeksoverleg, waarin de burgemeester en de officier van justitie in aanwezigheid van het lokale hoofd van politie de feitelijke inzet van de politie afstemmen, blijft derhalve bestaan (zie ook de toelichting op artikel 13).

Artikel 14 regelt, gelijk artikel 15 van de Politiewet 1993, het gezag over de KMar. Ook hier is de taak – handhaving van de openbare orde of strafrechtelijke handhaving – bepalend voor het gezag. Ten opzichte van artikel 15 van de Politiewet 1993 zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht welke ertoe strekken het artikel te verduidelijken. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel 13

Artikel 13 is ten opzichte van artikel 14 van de Politiewet 1993 op twee punten inhoudelijk gewijzigd. In de eerste plaats wordt vastgelegd dat in het driehoeksoverleg niet alleen wordt gesproken over de (concrete) taakuitvoering van de politie, maar ook over het gemeentelijk beleid en het beleid van het openbaar ministerie ten aanzien van die taakuitvoering. In het driehoeksoverleg zal daarover afstemming plaatsvinden.

In de tweede plaats wordt wettelijk vastgelegd dat de burgemeester en de officier van justitie in het driehoeksoverleg op basis van het integraal veiligheidsplan en de doelstellingen ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving afspraken maken over de inzet van de politie ten behoeve van de handhaving van de openbare orde, respectievelijk ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde (en de taken ten dienste van de justitie).

Ingevolge het wetsvoorstel regierol gemeente (32 459) stelt de gemeenteraad een integraal veiligheidsplan op. Het omvat de doelen die de gemeente op het terrein van de veiligheid nastreeft. Vanzelfsprekend kunnen die doelen gevolgen hebben voor de strafrechtelijke handhaving. Immers, als de gemeenteraad de aanpak van overlast wil prioriteren, zal de inzet van het openbaar ministerie daarbij noodzakelijk zijn. Het ligt dan ook in de rede dat voorafgaand aan de vaststelling van het integrale veiligheidsplan overleg met het openbaar ministerie plaatsvindt. Dat resulteert erin dat het integrale veiligheidsplan ingevolge het wetsvoorstel óók voorziet in een omschrijving van de inspanningen die van anderen worden verwacht (voorgestelde artikel 148a, tweede lid, Gemeentewet). Dat is ten aanzien van het openbaar ministerie ook benadrukt in de toelichting bij het wetsvoorstel (nr. 3, p. 8).

De vaststelling van het integrale veiligheidsplan, met daarin de volgens de gemeenteraad benodigde inspanning van het openbaar ministerie, is niet in juridische zin bindend voor het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie is immers exclusief verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.

Afspraken over de inzet van de politie worden in het driehoeksoverleg door de burgemeester en officier van justitie gemaakt. Daarbij dienen eerder gemaakte afspraken tussen de gemeente en het openbaar ministerie met betrekking tot het integrale veiligheidsplan als basis. Dat is in lijn met het wetsvoorstel regierol gemeente.

Artikel 15

Teneinde zowel de positie van de burgemeester als lokale gezagsdrager als de rol van de gemeenteraad in het politiebestel te versterken, wordt in nieuwe artikel 15 expliciet vastgelegd dat de burgemeester aan de gemeenteraad verantwoording schuldig is over het door hem uitgeoefende gezag over de politie. Hoewel de burgemeester op grond van artikel 180, eerste lid, van de Gemeentewet reeds aan de raad verantwoording schuldig is over alle handelingen die de burgemeester als ambtsdrager verricht, blijkt dat dit voor wat het gezag over de politie betreft nog niet in alle gemeenten even goed uit de verf komt. Door de verantwoordingsplicht expliciet te koppelen aan het uitgeoefende gezag over de politie, wordt feitelijk de rol van de raad en daarmee de lokale inbedding van de politie versterkt.

Het derde lid is overgenomen uit artikel 16, tweede en derde lid, van de Politiewet 1993 met dien verstande dat de (rol van) commissaris van de Koning in het artikel komt te vervallen. Het vervallen van de rol van de commissaris van de Koning is de reden dat artikel 16 van de Politiewet 1993 in dit wetsvoorstel niet terugkomt. De aanwijzingsbevoegdheid van de minister aan de burgemeesters en, in specifieke gevallen, de voorzitter van de veiligheidsregio is echter onverminderd nodig, bijvoorbeeld in het kader van het stelsel van bewaken en beveiligen.

Artikel 16

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 15a van de Politiewet 1993. Het creëert een grondslag voor het aanwijzen van objecten en diensten voor welker veiligheid de rijksoverheid een bijzondere verantwoordelijkheid heeft. In het tweede lid wordt bepaald dat de burgemeester zorg dient te dragen voor de uitvoering van een besluit waarbij objecten of diensten worden aangewezen, voor zover dat geschiedt ter handhaving van de openbare orde. De officier van justitie is krachtens het derde lid belast met de uitvoering van een besluit als bedoeld in het eerste lid, voorzover dat geschiedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.

Artikel 17

Dit artikel is overgenomen uit artikel 17 van de Politiewet 1993. Voor de officier van justitie kent de wet geen vergelijkbare bepaling, omdat daarin artikel 129 van de Wet op de rechterlijke organisatie reeds voorziet.

Artikelen 18 tot en met 20

De artikelen 18 tot en met 20, met betrekking tot de landelijke beleidsdoelstellingen, zijn in paragrafen 6.2 en 6.3 van het algemeen deel van de toelichting uitvoerig besproken.

De in dit wetsvoorstel voorgestelde regeling is ontleend aan de regeling in de huidige wet, dat ook een systeem van door de minister vastgestelde hoofdlijnen van het beleid kent. Artikel 18, eerste lid, wijkt in twee opzichten af van artikel 43a van de Politiewet 1993. In de eerste plaats wordt expliciet vastgelegd dat de landelijke beleidsdoelstellingen door de minister worden vastgesteld, gehoord het College van procureurs-generaal en de regioburgemeesters. Het ligt in de rede dat het overleg, bedoeld in artikel 19, hiervoor wordt gebruikt. Dit sluit aan bij de huidige praktijk, waarbij met het College van procureurs-generaal en de korpsbeheerders overleg wordt gevoerd alvorens de hoofdlijnen van het beleid worden vastgesteld.

In de tweede plaats beperken de landelijke beleidsdoelstellingen zich tot de taakuitvoering van de politie. De hoofdlijnen van beleid, bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Politiewet 1993, hebben ook betrekking op het te voeren beheer van de politie en zijn in dat opzicht bindend voor de korpsbeheerders. Nu de eindverantwoordelijkheid voor het beheer in de nieuwe wet bij de minister komt te liggen, ligt het niet in de rede dat voor het beheer landelijke beleidsdoelstellingen worden geformuleerd naast alle instrumenten waarover de minister in het nieuwe stelsel beschikt om het beheer vorm te geven.

In het algemeen deel van deze toelichting is reeds gememoreerd dat de landelijke beleidsdoelstellingen vanzelfsprekend substantiële ruimte overlaten in de beschikbare politiecapaciteit voor de realisatie van lokale afspraken over de inzet van de politie.

Bij de totstandkoming van de landelijke beleidsdoelstellingen zal uiteraard afstemming plaatsvinden met de Minister voor Immigratie en Asiel. Die afstemming houdt verband met de bijzondere positie van de Minister voor Immigratie en Asiel ten opzichte van de politie. Ingevolge artikel 48 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft de Minister voor Immigratie en Asiel immers het gezag over de politie voor zover het betreft het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen.

In artikel 19 wordt vastgelegd dat de minister, tezamen met de korpschef, periodiek overleg voert met de regioburgemeesters of een afvaardiging van de regioburgemeesters en de voorzitter van het College van procureurs-generaal over de taakuitvoering door en het beheer ten aanzien van de politie. Door te bepalen dat «de minister, tezamen met de korpschef, periodiek overleg voert» wordt verduidelijkt dat de korpschef als vertegenwoordiger van de politieprofessie in het overleg de minister ondersteunt. Dit staat er uiteraard niet aan de weg dat ter ondersteuning van de minister andere ambtenaren, zoals de directeur-generaal Politie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, bij het overleg aanwezig zijn.

De regioburgemeesters bepalen zelf of zij gezamenlijk aan het overleg deelnemen dan wel een afvaardiging aan het overleg laten deelnemen. Dit kan mede afhankelijk zijn van de agenda van het overleg. Het is niet nodig dit nader wettelijk te regelen.

De minister, gehoord het College van procureurs-generaal en de regioburgemeesters, stelt, met inachtneming van de omstandigheden van de betrokken eenheid, krachtens artikel 20 voor iedere (landelijke en regionale) eenheid de doelstellingen vast ter verwezenlijking van de eerder door hem vastgestelde landelijke beleidsdoelstellingen. Het gaat hierbij om de «vertaling» van de landelijke beleidsdoelstellingen naar de afzonderlijke eenheden. Dit kan worden beschouwd als het equivalent van de landelijke doelstellingen per regio, bedoeld in artikel 43b, eerste lid, van de Politiewet.

Artikelen 21 en 22

Deze artikelen bevatten grondslagen voor het bij of krachtens amvb stellen van regels omtrent de vereisten voor een goede taakuitvoering door de politie respectievelijk omtrent een aantal specifiek omschreven onderwerpen aangaande het beheer van de politie. De Minister van Veiligheid en Justitie draagt verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de taakuitvoering door de politie en is derhalve verantwoordelijk voor het stellen van regels omtrent de vereisten voor een goede taakuitvoering. Daartoe behoren, naast de eisen die worden gesteld aan de bekwaamheid van ambtenaren van politie, bijvoorbeeld de eisen die worden gesteld aan de inrichting van de werkprocessen van politie zoals opsporing, en vereisten omtrent specialismen waarover een eenheid al dan niet zelfstandig dient te beschikken alsmede daaraan te stellen kwaliteitseisen. Ook regels omtrent de bewapening, de uitrusting en de kleding van politieambtenaren vallen hieronder.

Indien de regels omtrent de vereisten voor een goede taakuitvoering ook van belang zijn voor de uitvoering van politietaken door de KMar wordt de voordracht voor de algemene maatregel van bestuur gedaan in overeenstemming met de Minister van Defensie. Daarbij kan worden gedacht aan regels over ICT.

In de algemeen geformuleerde grondslagen van artikel 21 en 22 is een veelheid aan huidige grondslagen vervat, zo kunnen onder meer de regelingen die op basis van de artikelen 45 en 46 van de Politiewet 1993 zijn vastgesteld, op deze nieuwe artikelen worden gebaseerd.

Artikel 23

In verband met toenemende samenwerking van politie met andere organisaties met taken op het terrein van justitie, openbare orde, veiligheid of hulpverlening is het wenselijk dat de politie met deze organisaties informatie- en communicatievoorzieningen kan delen. Het delen van deze voorzieningen dient vanzelfsprekend met de nodige waarborgen te worden omkleed. Derhalve wordt in artikel 23 geëxpliciteerd dat de regels die kunnen worden gesteld ten aanzien van de informatie en communicatievoorzieningen van de politie, en het gebruik daarvan, mede het gebruik door deze organisaties kan betreffen.

Wij benadrukken dat van een ongebreideld gebruik van politievoorzieningen door derden geen sprake zal zijn. Het bereik van artikel 23 wordt ingekaderd door de Wet politiegegevens. Bij ministeriële regeling zal dat kader verder worden ingeperkt, bijvoorbeeld door middel van de bepaling dat derden slechts toegang tot de voorzieningen hebben indien dit noodzakelijk is voor de samenwerking met de politie en pas na toestemming van de Minister van Veiligheid en Justitie. Soms gaat het om de toegang tot informatie als zodanig, bijvoorbeeld bij informatie-uitwisseling binnen de geïntegreerde meldkamer en de samenwerking op het gebied van de aanpak van veelplegers. Veelal echter ligt de nadruk niet zozeer op het gebruik van informatie, maar op het gebruik van voorzieningen. Te denken valt aan het gebruik van C2000-apparatuur door zogeheten bijzondere gebruikers (zoals douane) en gelieerden. Uiteraard zullen daarvoor beveiligingsmaatregelen worden getroffen. Ook daarvoor zullen bij ministeriële regeling regels worden gesteld.

Artikel 24

Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de terminologie en systematiek van de Wet politiegegevens. Een artikel van deze strekking is nodig omdat de Wet politiegegevens bevoegdheid verleent tot het verwerken van gegevens, maar geen grondslag biedt voor het opleggen van een verplichting daartoe. Er is behoefte aan wettelijke waarborgen om te verzekeren dat registers in stand worden gehouden en dat, indien ontwikkelingen op nationaal niveau of internationaal terrein die eisen, nieuwe registers worden aangelegd. Voorts moet onder andere invloed kunnen worden uitoefenend op de wijze van inrichting alsmede de beschikbaarstelling en verstrekking van gegevens. Benadrukt zij dat de Wet politiegegevens een volledig dekkend stelsel biedt voor de verwerking van gegevens. Het voorgestelde artikel 24 strekt er slechts toe de bevoegdheid te verlenen om daar waar de politie op grond van de Wet politiegegevens een eigen afweging kan maken, voorschriften te geven.

Artikelen 25 en 26

Wij stellen voor het regionale politiebestel om te vormen tot één landelijke politieorganisatie. Artikel 25 van het wetsvoorstel bepaalt uit welke onderdelen de politie zal bestaan. De regionale en landelijke eenheden alsmede de ondersteunende diensten worden onderdeel van één rechtspersoon: de landelijke politieorganisatie. De keuze voor een landelijke politieorganisatie met rechtspersoonlijkheid is toegelicht in paragraaf 4.2 van het algemeen deel. De keus voor rechtspersoonlijkheid is, naast de in het algemeen deel genoemde redenen, ingegeven door de noodzaak om aan het vermogensrechtelijk verkeer deel te kunnen nemen, bijvoorbeeld om materieel te kopen.

Het gaat, zoals gezegd, om een publiekrechtelijke rechtspersoon. Een dergelijke rechtspersoon wordt ingevolge artikel 1, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bij wet ingesteld. De wet bepaalt de taak van de publiekrechtelijke rechtspersoon, alsmede het bestuur en de inrichting ervan.

De civielrechtelijke aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen van een politieambtenaar zal komen te liggen bij het landelijke politiekorps als rechtspersoon.

In het algemeen deel van deze toelichting (paragraaf 4.1) is reeds ingegaan op de koppeling van het aantal regionale eenheden aan de in het nog in te dienen wetsvoorstel herziening gerechtelijke kaart voorziene tien arrondissementen. In het tweede lid van artikel 25 is, vooruitlopend op deze herziening, reeds een koppeling gelegd tussen de regionale eenheden en de arrondissementen, zoals die worden geregeld in de Wet op de rechterlijke indeling. Uit het artikellid volgt dat er zoveel regionale eenheden als arrondissementen zijn. Voor het geval dit voorstel van wet eerder wet wordt en inwerking treedt dan het nog in te dienen wetsvoorstel herziening gerechtelijke kaart, zal in de nog in te dienen invoeringswet een zodanige voorziening worden getroffen dat er reeds tien regionale eenheden zullen zijn gedurende de periode dat er nog geen tien arrondissementen zijn.

Artikel 27

De taak van de korpschef kwam uitvoerig aan de orde in het algemeen deel van de toelichting.

In aanvulling daarop verdient vermelding dat de korpschef als orgaan van de rechtspersoon politie is belast met de leiding en het beheer van die rechtspersoon. Ingevolge het tweede lid vertegenwoordigt de korpschef in die hoedanigheid de politie in en buiten rechte, derhalve zowel in procedures voor een rechter, als bij het verrichten van rechtshandelingen zoals het sluiten van overeenkomsten. De korpschef kan vertegenwoordigingsbevoegdheden overigens mandateren aan de politiechefs.

De taakomschrijving van de korpschef in dit artikel impliceert dat hij onder meer is belast met de inrichting van de organisatie. Dat doet hij uiteraard binnen de gestelde kaders, dat wil zeggen gegeven de begroting en met inachtneming van eventuele (in algemene maatregelen van bestuur of ministeriële regelingen neergelegde) algemeen verbindende voorschriften of aanwijzingen.

De taakomschrijving impliceert voorts dat de korpschef werkgever is van de bij de politie werkzame personen. Ook voor zijn rol als werkgever geldt dat hij deze invult binnen de bij of krachtens de wet gestelde kaders. Alhoewel de minister door middel van deze kaders betrokken is bij en invloed heeft op het personeelsbeleid, is hij geen werkgever. De minister is immers geen onderdeel van de rechtspersoon politie.

Artikel 28

Artikel 28, eerste lid, bepaalt dat de benoeming, de schorsing en het ontslag van de korpschef bij koninklijk besluit geschiedt. Over de benoeming worden de regioburgemeesters en het College van procureurs-generaal in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen

De benoemingsperiode van zes jaar met een mogelijke herbenoeming voor telkens drie jaar is essentieel met het oog op continuïteit van beleid en beheer. Zo kent de landelijke beleidscyclus in beginsel een vierjaarlijkse termijn. Om deze cyclus steeds goed te kunnen starten en afronden is het gewenst dat de korpschef langer dan vier jaar aanblijft.

Met het tweede lid wordt bewerkstelligd dat de korpschef een executief politieambtenaar is, hetgeen gezien zijn taakomschrijving (artikel 27) niet automatisch het geval is. Primair is de korpschef immers orgaan van de rechtspersoon politie. In het algemeen deel van deze toelichting is reeds uiteengezet (paragraaf 4.3) waarom het van belang is dat aan het hoofd van het landelijke korps een politiefunctionaris staat, die ook als zodanig voor zowel de politieorganisatie als de buitenwereld herkenbaar is.

Het derde lid ziet op de leden van de korpsleiding. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wie van die korpsleiding deel uitmaken en wordt uit het midden van deze korpsleiding een plaatsvervangend korpschef aangewezen. De benoeming als lid van de korpsleiding zal uiteraard gebeuren aan de hand van een omschrijving van de functie die deze ambtenaren van politie verrichten. De aangewezen leden van de korpsleiding worden, net als de korpschef, bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen. Eén van de leden van de korpsleiding wordt aangewezen als plaatsvervangend korpschef.

Artikel 29

In dit artikel wordt bepaald voor het verrichten van welke rechtshandelingen de korpschef instemming van de minister behoeft. Het betreft rechtshandelingen die aanzienlijke financiële consequenties kunnen hebben zoals het sluiten van overeenkomsten en het doen van investeringen boven een bepaald door de minister vast te stellen bedrag of rechtshandelingen die de verantwoordelijkheid van de ministers in het geding kunnen brengen. Zo kan de minister zijn instemming aan het deelnemen of (mede) oprichten van een rechtspersoon tevens onthouden in verband met het doel van deze rechtspersoon dat onvoldoende aansluit op de bij of krachtens de wet omschreven taken van de korpschef. Het is vanzelfsprekend dat de korpschef reeds in een vroeg stadium in overleg treedt met de minister indien hij voornemens is een handeling te verrichten die vermoedelijk de instemming van de minister vereist.

Op grond van de Comptabiliteitswet 2001 kan de korpschef leningen aangaan bij het ministerie van Financiën in het kader van schatkistbankieren of het geïntegreerd middelenbeheer ter financiering van de materiële vaste activa. Daartoe zal de politieorganisatie geplaatst worden op de zogenoemde a-lijst van de Comptabiliteitswet 2001. Artikel 48 van de Comptabiliteitswet 2001 gaat uit van een mogelijkheid bij het Rijk te lenen voor rechtspersonen met een wettelijke taak. Voor de politieorganisatie is het onwenselijk dat er elders geleend wordt, derhalve is in het derde lid van dit artikel bepaald dat het de korpschef verboden is om anders dan uit ’s Rijks kas te lenen. Ook is het de korpschef verboden om borg te staan.

Artikel 30

Artikel 30 bevat twee grondslagen voor regels betreffende het beheer van de politie. Het eerste lid bevat een grondslag om bij ministeriële regeling regels te stellen over het financieel beheer van de politie. Bij het opstellen van deze regels zal zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de krachtens de Comptabiliteitswet 2001 gestelde bepalingen met betrekking tot batenlastendiensten. In verband daarmee zal het opstellen van deze regels in overleg met de Minister van Financiën geschieden. Het tweede lid bevat een grondslag om bij ministeriële regeling regels te stellen over het beheer van de politie door de korpschef.

Artikel 31

De voorgestelde aanwijzingsbevoegdheid strekt zich uit tot alle taken en bevoegdheden van de korpschef en is een essentieel sturingsinstrument door middel waarvan de minister inhoud kan geven aan zijn verantwoordelijkheid voor de politie. Het parlement kan de minister aanspreken op het al dan niet gebruik maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid.

De voorgestelde aanwijzingsbevoegdheid heeft als gevolg dat de korpschef volstrekt ondergeschikt wordt aan de minister. Dat is hij immers niet vanzelf, omdat hij primair orgaan van de rechtspersoon politie is. Evenmin wordt hij vanzelf (dat wil zeggen zonder de voorgestelde aanwijzingsbevoegdheid) volledig aan de minister ondergeschikt door het feit dat hij krachtens artikel 28, tweede lid, ambtenaar van politie is belast met de uitvoering van de politietaak. Het feit dat hij over de uitvoering van al zijn taken en bevoegdheden aanwijzingen kan ontvangen maakt hem wel ondergeschikt; hij zal immers aan die aanwijzingen gevolg dienen te geven. Zijn ondergeschiktheid aan de minister moet worden onderscheiden van de ondergeschiktheid van bijvoorbeeld een directeur-generaal, die uit hoofde van zijn aanstelling formeel ondergeschikt is aan de minister. Om die reden is in het voorstel van wet voorzien in een aantal bepalingen (bijvoorbeeld de verplichting informatie te verstrekken in artikel 32 en de aanwezigheid van de korpschef in het overleg tussen de minister en regioburgemeesters en de voorzitter van het College van procureurs-generaal in artikel 19) die voor een «gewoon» ondergeschikte ambtenaar overbodig zouden zijn.

Omdat de aanwijzingsbevoegdheid van de minister jegens de korpschef, anders dan geldt ten aanzien van de aanwijzingsbevoegdheid jegens de korpsbeheerder in de huidige Politiewet 1993, een regulier sturingsinstrument zal zijn, ligt een rechterlijke toetsing van deze aanwijzingen niet voor de hand. Reden waarom in de invoeringswet bij dit wetsvoorstel zal worden geregeld dat tegen aanwijzingen jegens de korpschef geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.

Artikel 32

Op grond van artikel 32 is de korpschef gehouden de minister, gevraagd en ongevraagd, tijdig alle inlichtingen te verstrekken die hij voor de uitoefening van hun onderscheiden taken nodig heeft. Dit betreft derhalve alle informatie die hij behoeft om zijn verantwoordelijkheid voor het landelijke beleid ten aanzien van de taakuitvoering, het beheer van de politie en de kwaliteit van de taakuitvoering door de politie te kunnen effectueren. De informatieplicht omvat bijvoorbeeld informatie benodigd om toezicht op de taakuitvoering (door de Inspectie OOV uit te voeren) en op het financiële beheer te kunnen uitoefenen. Het betreft bijvoorbeeld ook de geregelde verstrekking van informatie om de minister in staat te stellen beleid te ontwikkelen voor bijvoorbeeld beheersaangelegenheden of voor voorzieningen die de kwaliteit van de taakuitvoering verbeteren. Daarnaast gaat het natuurlijk om de verstrekking van informatie in concrete gevallen. De verplichting omvat de plicht om informatie te verstrekken omtrent de landelijke eenheden, waartoe in de Politiewet 1993 in artikel 38a, vierde lid, was voorzien. Een dergelijke afzonderlijke grondslag is in de huidige systematiek, waarbij alle eenheden onderdeel zijn van één landelijke korps, niet meer nodig.

Het tweede lid geeft de minister, in het verlengde van de informatieplicht uit het eerste lid, de bevoegdheid inzage te vorderen van gegevens en bescheiden, voorzover dit voor de uitoefening van hun onderscheiden taken nodig is. De toezichthoudende ambtenaren van de IOOV komt op grond van artikel 5:16 en 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht deze bevoegdheid eveneens toe.

Artikelen 33 tot en met 37

De financiële cyclus en de beheerscyclus, zoals deze zijn neergelegd in de artikelen 33 tot en met 37 van het wetsvoorstel, zijn toegelicht in paragraaf 7.4. De financiële cyclus kan nader in lagere regelgeving worden uitgewerkt (artikel 30). Op de delegatiegrondslag in artikel 36 is ingegaan in paragraaf 7.2.

Artikel 38

Ingevolge artikel 38 berust de dagelijkse leiding van een regionale eenheid bij de politiechef. De politiechef wordt bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen. Over de benoeming worden de regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. De regioburgemeester hoort daartoe eerst de burgemeester van de gemeenten in het gebied van de regionale eenheid.

Artikelen 39 tot en met 41

Deze artikelen zijn uitvoerig besproken in het algemeen deel van deze toelichting (paragrafen 5.3, 6.4 en 6.6).

In aanvulling daarop kan over artikel 39 nog het volgende worden opgemerkt. Het uitgangspunt van dit artikel is dat het beleidsplan (en het jaarverslag) door de burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert en de hoofdofficier gezamenlijk wordt vastgesteld. De wet regelt niet de wijze waarop dat geschiedt. In het algemeen deel van de toelichting is daar al het een en ander over gezegd. Indien het beleidsplan niet op deze wijze kan worden vastgesteld, wordt het door de regioburgemeester in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie vastgesteld. In het uitzonderlijke geval dat de regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie geen overeenstemming kunnen bereiken, voorziet het derde lid erin dat uiteindelijk de minister beslist. Dit derde lid is ontleent aan artikel 29 van de huidige wet.

In vijfde lid is het beroepsrecht van de burgemeester tegen het beleidsplan geregeld. Daarover is in het algemeen deel van deze toelichting al een en ander opgemerkt.

Het beleidsplan wordt overeenkomstig het eerste lid van artikel 39 vastgesteld. De minister beoordeelt of het beleidsplan op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan een goede vervulling van de politietaak in de betreffende gemeente. De regioburgemeester brengt ingevolge het zesde lid, als dat nodig is naar aanleiding van de beslissing van de minister, het beleidsplan met die beslissing in overeenstemming. Daarvoor is geen instemming van de betrokken burgemeesters en hoofdofficier van justitie nodig.

Artikel 42

In artikel 42 is neergelegd dat er een of meer landelijke eenheden kunnen zijn. Zij zijn ingevolge artikel 25, eerste lid, onder b, onderdeel van het landelijke politiekorps.

De taken waarmee de landelijke eenheden kunnen worden belast zijn overgenomen uit artikel 38, eerste lid, van de Politiewet 1993. Deze taken worden thans door het KLPD vervuld.

Voor zover de in het tweede lid bedoelde regels betrekking hebben op de (samenwerking met de) KMar, worden deze regels uiteraard afgestemd met de Minister van Defensie.

Artikel 43

Dit artikel is grotendeels gelijk aan artikel 38a van de Politiewet 1993, met dien verstande dat het niet meer betrekking heeft op de taken van het KLPD maar op de taken van een landelijke eenheid. Het artikel verschaft de minister bevoegdheden ten aanzien van de taken die een landelijke eenheid rechtstreeks onder verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie uitvoert.

Anders dan in artikel 38a richten de aanwijzingen van de minister, die met betrekking tot deze taken het gezag heeft, zich niet tot de korpschef maar tot de ambtenaren van politie die met de uitvoering van een taak van een landelijke eenheid is belast (eerste lid). Dat is in lijn met de aanwijzingen die in het kader van het gezag door de burgemeester (artikel 11, tweede lid) en de officier van justitie (artikel 12, tweede lid) aan de betrokken ambtenaren van politie kunnen geven.

De hierbedoelde aanwijzingen, die dus voortvloeien uit het gezag dat de minister in de hier bedoelde gevallen heeft, moeten worden onderscheiden van de aanwijzingen die de minister ingevolge artikel 31 aan de korpschef kan geven. Die laatste aanwijzingen hebben betrekking op de taken van de korpschef en worden door de minister gegeven als politiek verantwoordelijke voor de politie.

Artikel 44

Dit artikel is gelijk aan artikel 42a van de Politiewet 1993.

Artikelen 45 tot en met 48

Op de bepalingen met betrekking tot rechtspositie is ingegaan in paragraaf 7.6 van het algemeen deel.

Artikel 46 regelt de betrokkenheid van de lokale gezagdragers bij de aanwijzing van het hoofd van een territoriaal onderdeel van een regionale eenheid, bedoeld in artikel 13. Ingevolge het eerste lid, dienen de burgemeester en de officier van justitie met de aanwijzing van dit hoofd in te stemmen, behoudens indien naar het oordeel van de korpschef goed personeelsbeleid een bepaalde aanwijzing als hoofd vergt. In het tweede lid is voorzien in een regeling die het mogelijk maakt dat de lokale gezagsdragers de minister verzoeken het betreffende hoofd van het territoriale onderdeel uit zijn functie te ontheffen. Dat verzoek moet worden gezien als een ultimum remedium in het geval het betreffende hoofd, naar het oordeel van de gezagsdragers, herhaaldelijk en zonder goede reden de afspraken over de inzet van de politie, zoals die in de driehoek zijn gemaakt, niet uitvoert. Daarbij moet uiteraard worden gedacht aan ernstige gevallen waarbij afspraken over de politie-inzet niet zijn nagekomen. Het spreekt voor zich dat naar aanleiding van een eventueel tekortschieten bij de uitvoering van deze afspraken in eerste instantie met het betreffende hoofd nadere afspraken worden gemaakt. Eerst als dat naar het oordeel van (één van) de gezagsdragers structureel geen effect sorteert, is het verzoek aan de minister aan de orde.

Artikel 47 is gelijk aan artikel 50 van de Politiewet 1993.

Artikel 49

In paragraaf 8.1 is reeds toegelicht waarom wordt voorgesteld de taak van de rijksrecherche op hoofdlijnen in de wet op te nemen.

In het eerste lid van artikel 49 is neergelegd dat de rijksrecherche onderzoek verricht naar feiten of gedragingen die mogelijk een strafbaar feit opleveren. De rijksrecherche verricht feitenonderzoeken en opsporingsonderzoeken. Met een feitenonderzoek wordt beoogd het inzichtelijk maken van de feiten; er behoeft nog geen sprake te zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan het plegen van een strafbaar feit en er kunnen nog geen opsporingsbevoegdheden of dwangmiddelen worden toegepast. Het moet bij een feitenonderzoek gaan om gedragingen waaraan een strafrechtelijk aspect kleeft, maar de voorwaarden waaronder een opsporingsonderzoek in de zin van het Wetboek van Strafvordering een aanvang kan nemen behoeven nog niet te zijn vervuld. Dit komt in het voorgestelde eerste lid tot uitdrukking in de woorden «die mogelijk een strafbaar feit opleveren». Een feitenonderzoek kan worden gevolgd door een opsporingsonderzoek.

Ingevolge het tweede lid, onderdeel a, van artikel 49, zijn rijksrechercheonderzoeken primair gericht op natuurlijke personen of rechtspersonen belast met een publieke taak, of betrokken bij de uitvoering daarvan». Onder publieke taak wordt verstaan iedere als zodanig aan de overheid opgedragen taak. Deze taak zal meestal berusten op een wettelijk voorschrift doch een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is niet vereist.

De rijksrecherche onderzoekt feiten of gedragingen die de integriteit van de overheid kunnen aantasten. Daaruit volgt dat de vermeende delicten van een zekere ernst moeten zijn. De rijksrecherche zal in beginsel dan ook uitsluitend opsporingsonderzoeken verrichten naar misdrijven. Een en ander is nader uitgewerkt in de Aanwijzing Taken en inzet rijksrecherche van het College. De integriteit van de overheid zal bovendien in de meeste gevallen pas in het geding zijn wanneer de onderzochte feiten of gedragingen verband houden met de uitvoering van een overheidstaak.

Niet alle feiten of gedragingen die de integriteit van de overheid kunnen aantasten en die zijn begaan door personen met een publieke taak zullen door de rijksrecherche onderzocht worden. De rijksrecherche is immers niet met uitsluiting van andere opsporingsinstanties belast met het verrichten van deze onderzoeken. Zo vertoont met name de taak van de bureaus interne onderzoeken binnen de politiekorpsen raakvlakken met de taak van de rijksrecherche. Gesteld voor de vraag of in een voorliggend geval de feiten of gedragingen onderzocht dienen te worden door de rijksrecherche zal het College steeds moeten beoordelen of de aard van het onderzoek inzet van de rijksrecherche vereist om iedere schijn van partijdigheid bij dit onderzoek te vermijden.

In onderdeel a van het tweede lid is de primaire taak van de rijksrecherche neergelegd. Het voorgestelde onderdeel b van het tweede lid biedt het College de mogelijkheid om de rijksrecherche te belasten met andere onderzoeken naar feiten of gedragingen die mogelijk een strafbaar feit opleveren, doch slechts indien dit is aangewezen gelet op de bijzondere deskundigheid van de rijksrecherche.

Zo achten wij de inzet van de rijksrecherche aangewezen in verband met de bestrijding van ambtelijke corruptie gepleegd in het buitenland. Sedert 1 februari 2001 is de Nederlandse rechtsmacht voor in het buitenland gepleegde ambtelijke corruptie aanmerkelijk verruimd. In verband met de bij de rijksrecherche opgebouwde expertise op het terrein van corruptie heeft het College de rijksrecherche ook een belangrijke rol gegeven bij de bestrijding van buitenlandse corruptie.

Inzet van de rijksrecherche kan voorts zijn aangewezen in uitzonderlijke gevallen van zeer ernstig geweld tegen de politie, waarin de collegiale emoties binnen het opsporingsapparaat dusdanig hoog zijn opgelopen dat enkel en alleen al daardoor elk door een korps zelf in te stellen onderzoek de schijn van partijdigheid draagt. Ook in dergelijke gevallen is de rijksrecherche gelet op haar bijzondere deskundigheid de meest aangewezen instantie om een onderzoek in te stellen.

Artikel 49, tweede lid, onderdeel b, schrijft voor dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen de rijksrecherche omwille van haar bijzondere deskundigheid kan worden ingezet anders dan in de gevallen welke worden bestreken door onderdeel a.

Artikel 50

Artikel 2, onderdeel d, bepaalt dat onder ambtenaren van politie worden begrepen de ambtenaren van de rijksrecherche. Bepalingen gesteld bij of krachtens dit wetsvoorstel welke verplichtingen of bevoegdheden bevatten voor ambtenaren van politie, zoals artikel 7, eerste en derde lid, of artikel 8, eerste lid, zijn derhalve ook van toepassing voor de rijksrechercheurs. Artikel 50 verklaart daarnaast enkele bepalingen die gericht zijn tot de politie van overeenkomstige toepassing op de rijksrecherche. Dit is nodig omdat de rijksrecherche, met het oog op de vereiste onafhankelijkheid, geen deel uitmaakt van de politieorganisatie. Het betreft de artikelen 3, 9 en 12. De rijksrecherche is belast met een deel van de politietaak zoals omschreven in artikel 3. Artikel 49 bepaalt vervolgens waartoe de politietaak van de rijksrecherche is beperkt. De ambtsinstructie voor de politie en de KMar, welke onder andere de voorwaarden bevat waaronder geweldmiddelen mogen worden toegepast en die wordt vastgesteld op grond van artikel 9 dient ook van toepassing te zijn op de rijksrecherche. Voorts is artikel 12, waarin het gezag van de officier van justitie bij optreden ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde is neergelegd, van overeenkomstige toepassing op de rijksrecherche. Artikel 50 van het wetsvoorstel maakt het de Minister van Veiligheid en Justitie voorts mogelijk om regels omtrent de vereisten voor een goede taakuitvoering of omtrent het beheer, waaronder de bewapening, gesteld bij of krachtens de 21 en 22 van overeenkomstige toepassing te verklaren op de rijksrecherche.

Artikelen 51 en 52

Voor een toelichting op deze artikelen zij verwezen naar paragraaf 8.2 van het algemeen deel.

Artikel 53

Gelijk de huidige situatie zijn de rechtspositieregelingen en het Besluit rangen politie van overeenkomstige toepassing op de ambtenaren van de rijksrecherche. Ambtenaren van de rijksrecherche ingedeeld in schaal 15 of hoger worden benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van de minister.

Artikel 54

De rijksrecherche houdt net als de politiekorpsen registers bij die van essentieel belang zijn voor de vervulling van de verantwoordelijkheid van de minister voor de nationale en internationale strafrechtshandhaving. Ten aanzien van deze registers wordt de hoofdregel, neergelegd in de Wet politiegegevens, gevolgd dat de beheerder van de rijksrecherche ook de beheerder van de registers bij de rijksrecherche is. Het is evenwel belangrijk dat er waarborgen zijn om te verzekeren dat registers in stand worden gehouden en dat, indien ontwikkelingen op nationaal niveau of internationaal strafrechtelijk terrein die eisen, nieuwe registers worden aangelegd. Voorts moet onder andere invloed kunnen worden uitoefenend op de wijze van inrichting alsmede de beschikbaarstelling en verstrekking van gegevens. De formulering van artikel 54 is gelijk aan die van artikel 24. Overigens zullen met het oog op de uitwisseling van gegevens tussen de regionale en landelijke eenheden en de rijksrecherche de regels over de wijze waarop de gegevens worden verwerkt, gelijkluidend zijn aan de op grond van artikel 24 onderdeel b gestelde regels voor de politie.

Artikel 55

In de Politiewet 1993 zijn geen bepalingen opgenomen over de samenwerking tussen politiekorpsen en de rijksrecherche. In artikel 55 wordt voorgesteld om de minister de bevoegdheid te verlenen de samenwerking met de rijksrecherche te regelen. Een vorm van samenwerking tussen de rijksrecherche, de regionale en landelijke eenheden en de KMar is bijvoorbeeld reeds vastgelegd in de Regeling criminele inlichtingen eenheden. Voorts is denkbaar dat in de toekomst een vorm van meer structurele of veel voorkomende samenwerking tussen de rijksrecherche en de regionale en landelijke eenheden geregeld zal worden met het oog op bijvoorbeeld de uitoefening van specialistische taken waarin wordt vastgelegd dat en op welke wijze specialisten van de reguliere politie samenwerken met de rijksrecherche. Daarbij zal er steeds voor gewaakt moeten worden dat de samenwerking niet ten koste gaat van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid welke de rijksrecherche bij haar onderzoeken dient te garanderen. Tenslotte kan gedacht worden aan een samenwerkingsregeling die het voor de rijksrecherche mogelijk maakt om gebruik te maken van gemeenschappelijke diensten die worden verzorgd door de korpschef , zoals ICT-voorzieningen.

Artikel 56

In algemene zin heeft bijstand een incidenteel karakter, ingegeven door een tekort aan een voor de taak noodzakelijk geachte kwaliteit of kwantiteit aan personeel of materieel.

Indien een eenheid bijstand behoeft wordt daartoe door de betreffende gezagdrager een verzoek gericht aan de korpschef, die vervolgens op het verzoek beslist en, indien van toepassing, in de gevraagde bijstand voorziet. Daartoe verstrekt hij de nodige opdrachten aan de betreffende politiechef of het betreffende hoofd van een landelijke eenheid. Omdat alle eenheden onderdeel vormen van één landelijk politiekorps is het niet nodig in de wet te regelen dat de korpschef deze opdrachten kan geven. De politiechef en het hoofd van een landelijke eenheid zijn daardoor immers aan de korpschef ondergeschikt.

In het derde lid is voorzien in een rol voor de regioburgemeester. Deze moet worden gezien als een bemiddelende, vóórdat het daadwerkelijk tot een verzoek om bijstand komt. De regioburgemeester zal in deze rol bezien of er toch een mogelijkheid is om te voorzien in de door de burgemeester of officier van justitie gewenste capaciteit binnen de regionale eenheid. Het kan bijvoorbeeld gaan om een onvoorziene demonstratie, waarvoor de burgemeester extra inzet van de politie wenst en waarin binnen de regionale eenheid alleen aan kan worden voldaan door op andere plekken tijdelijk aan inzet in te leveren. De regioburgemeester kan in die situaties tussen de gezagsdragers bemiddelen teneinde te voorkomen dat bijstand aan een andere regionale eenheid moet worden gevraagd.

De concrete situatie bepaalt de wijze waarop een en ander zal verlopen. Met name zal de termijn waarbinnen de benodigde extra inzet nodig is, bepalend zijn voor de aard en omvang van de bemiddelende inspanningen van de regioburgemeester. In spoedeisende gevallen kan de burgemeester respectievelijk de officier van justitie om bijstand vragen zonder dat eerst de regioburgemeester het verzoek beziet.

Indien de burgemeester of de officier van justitie van de korpschef niet de gevraagde bijstand krijgen, kunnen zij de minister verzoeken daarin alsnog te voorzien. De minister doet dat in voorkomende gevallen door een opdracht te verstrekken aan de korpschef.

Het vijfde lid ziet op bijstand aan de landelijke eenheid die is belast met het waken over de veiligheid van leden van het Koninklijk Huis en andere door de minister aangewezen personen (zogeheten beveiliging in het centrale domein). Over die taak heeft de minister het gezag.

Artikel 57

Artikel 57 regelt de verlening van bijstand door de KMar aan de politie. De procedure volgens welke de bijstand wordt verleend is gelijk aan de procedure in de Politiewet 1993. Het criterium «in bijzondere gevallen» dat onder de Politiewet 1993 wordt gehanteerd voor bijstandsverlening door de KMar, komt in het wetsvoorstel echter niet meer terug. Het criterium «in bijzondere gevallen» strekte ertoe bijstandverlening door de KMar te beperken tot situaties waarin de reguliere politie niet in de benodigde bijstand kan voorzien. Deze getrapte systematiek, waarbij eerst de capaciteit bij de politie volledig moet zijn uitgeput alvorens een verzoek om bijstand tot de KMar mag worden gericht, is echter niet altijd doelmatig. Vanzelfsprekend moet de politie zo zijn ingericht dat zij in beginsel zelf alle voorzienbare verstoringen van de rechtsorde het hoofd kan bieden. Daarnaast moet het evenwel mogelijk zijn omwille van redenen van snelheid of doelmatigheid te kiezen voor bijstand door de KMar. Deze mogelijkheid is ook van belang om de geoefendheid van eenheden van de KMar die bijstand verlenen, zoals de mobiele eenheid van de KMar, op peil te houden.

Artikel 58

Dit artikel voorziet, net als artikel 59 van de Politiewet 1993, in de mogelijkheid van bijstandsverlening door andere delen van de krijgsmacht dan de KMar. Bijstand van de krijgsmacht komt vooral aan de orde als specifieke materiële of personele capaciteit nodig is. Voorgesteld wordt derhalve om voor bijstand door de krijgsmacht, anders dan de KMar, wel het criterium «bijzondere gevallen» te hanteren om aan te geven dat de krijgsmacht uitsluitend ter bijstand wordt geroepen als de noodzaak daartoe bestaat.

Artikel 59

Het onderhavige artikel van het wetsvoorstel komt ten dele overeen met het bepaalde in artikel 60 van de Politiewet 1993. De wijzigingen die zijn aangebracht ten opzichte van dat artikel houden verband met de herstructurering van het stelsel van speciale eenheden. Bij brief van 3 juni 2005 is de Tweede Kamer in kennis gesteld van de beoogde inrichting van het nieuwe stelsel (Kamerstukken II 2004/05, 29 754, nr. 23).

Zoals in voormelde brief reeds is uiteengezet, noopt de bestrijding van de hedendaagse verschijningsvormen van terrorisme tot inzet van flexibele en wendbare eenheden. Praktijkervaringen wijzen uit dat een gemengde bijzondere bijstandseenheid, bestaande uit disciplines van zowel politie als krijgsmacht, in staat is om zeer uiteenlopende vormen van ernstig geweld dan wel terrorisme, het hoofd te bieden. Met het oog op de inzet van deze gemengde eenheden wordt in het eerste lid van het onderhavige artikel niet meer gesproken van bijstandseenheden, bestaande uit personeel van de politie, onderscheidenlijk de KMar en andere onderdelen van de krijgsmacht, zoals de eerste volzin van het eerste lid van artikel 60 van de Politiewet 1993 luidt, maar van eenheden, bestaande uit personeel van de politie, de KMar of andere delen van de krijgsmacht.

De huidige aansturing van de diverse bijzondere bijstandseenheden is complex van aard. Om adequaat te kunnen reageren op terrorisme en situaties van grof geweld is voorts besloten deze aansturing te stroomlijnen. Daartoe was het voornemen reeds om de bevoegdheid om een eenheid in te zetten exclusief te verlenen aan de Minister van Justitie. Dat voornemen wordt deels «ingehaald» door de in het algemene deel reeds toegelichte situatie dat nu nog maar sprake is van één politieminister, die van Veiligheid en Justitie. Die minister bepaalt voortaan volgens dit voorstel zelfstandig of en op welke wijze de voorgenomen inzet zal mogen plaatsvinden; hij behoeft in dat kader in beginsel geen andere ministers te raadplegen. Om te kunnen bepalen welke of, en zo ja welke eenheid moet worden ingezet, worden op basis van generieke inzetscenario’s, welke zijn afgestemd met de Minister van Defensie, nadere criteria uitgewerkt. De Minister van Defensie wordt onverwijld van de inzet op de hoogte gesteld. Het voorafgaande is tot uitdrukking gebracht in het derde lid van het onderhavige artikel.

Het initiatief tot inzet van een bijstandseenheid gaat uit van het openbaar ministerie. Indien een korps, de rijksrecherche, of de KMar in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde bijstand behoeft van een bijzondere bijstandseenheid, dan richt de officier van justitie, door tussenkomst van het College van procureurs-generaal, een verzoek daartoe aan de Minister van Veiligheid en Justitie (tweede lid). De procedures die gelden krachtens artikel 60 van de Politiewet 1993 zijn opgenomen in de Regeling Bijzondere Bijstandseenheden. In overeenstemming met de andere bepalingen betreffende bijstand worden de procedurevoorschriften opgenomen in het wetsartikel zelf.

Het vierde lid bevat de grondslag om regels en nadere regels te stellen omtrent uitvoering van het tweede en derde lid. Daarbij kan worden gedacht aan de hierboven genoemde inzetscenario’s.

Het vijfde lid geeft een grondslag voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels over de bewapening, uitrusting, bekwaamheid en organisatie van de bijzondere bijstandseenheden. Een aparte grondslag voor bewapening, uitrusting en bekwaamheid (naast onder meer artikel 22 van de wet) is nodig om ook regels te kunnen stellen voor de uitrusting en bewapening van defensie-personeel dat onderdeel uitmaakt van een bijzondere bijstandseenheid.

Artikel 60

De huidige Politiewet 1993 kent geen bepalingen over bijstand voor de bijzondere ambtenaren van politie. De rijksrecherche is echter een relatief kleine organisatie zodat bijstand van de reguliere politie meer dan eens nodig zal zijn. Daarbij kan gedacht worden aan capacitaire bijstand of aan specialistische expertise als digitaal of financieel rechercheren, observeren en andere technische recherche. De meerwaarde van de rijksrecherche is gelegen in het kunnen optreden, onafhankelijk van de instanties waarbinnen onderzoek wordt verricht opdat iedere schijn van partijdigheid of belangenverstrengeling voorkomen kan worden. Dit biedt de nodige waarborgen voor alle betrokken personen, ook voor de personen wier handelen of nalaten wordt onderzocht.

Gelet op het uitgangspunt dat de rijksrecherche alleen wordt ingezet indien een onpartijdig onderzoek is geboden, dient bij een gezamenlijk onderzoek de regie en de verantwoordelijkheid voor dat onderzoek bij de rijksrecherche te worden gelegd. Immers, er is formeel sprake van een rijksrechercheonderzoek en alleen dan kan de verlangde onpartijdigheid bij een gezamenlijk onderzoek voldoende worden gewaarborgd.

Artikelen 61 tot en met 64

Deze artikelen openen de mogelijkheid van «omgekeerde» bijstand door de politie aan de KMar. De artikelen zijn ontleend aan de artikelen 60b tot en met 60d van de Politiewet 1993, met dien verstande dat in artikel 61 de woorden «in bijzondere gevallen» niet terugkomen. Dat houdt verband met hetgeen hierboven bij artikel 57 is opgemerkt over bijstand van de KMar aan de politie. In het verlengde daarvan kan ook bij de hier regelegde omgekeerde bijstand het bedoelde criterium vervallen.

Artikel 65

De hoofdlijnen van dit artikel zijn ontleend aan artikel 53a van de Politiewet 1993. In dit artikel worden de toezichthoudende taken en bevoegdheden genoemd die door de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid worden uitgeoefend. De inspectie wordt aangestuurd door het hoofd van de inspectie. Het aanstellen van het hoofd van de inspectie geschiedt door de minister.

De formulering van de toezichthoudende taken van de inspectie in het eerste lid is deels ontleend aan artikel 53a, eerste lid, onderdelen c tot en met e. De onderdelen a en b van dat artikel zijn niet overgenomen. In plaats daarvan is in onderdeel a, in algemene zin bepaald dat de inspectie toezicht houdt op de taakuitvoering van de politie. Het toezicht op de taakuitvoering laat vanzelfsprekend de zeggenschap van het bevoegd gezag (burgemeester en officier van justitie) ten aanzien van de politie in concrete zaken onverlet. Het toezicht op het beheer van politie is komen te vervallen, omdat de minister geheel verantwoordelijk wordt voor het beheer van de politie. Dit laat onverlet dat de inspectie toezicht kan houden op de organisatie en bedrijfsvoering van de politie waar deze de kwaliteit van de taakuitvoering raakt zoals bijvoorbeeld ten aanzien van onderwerpen als ICT, de kwaliteit van de opsporing, schietvaardigheid en dergelijke. Het toezicht op de kwaliteitszorg wordt niet gewijzigd.

In het tweede lid wordt tot uitdrukking gebracht dat de inspectie zijn werkzaamheden onder gezag van de minister uitoefent.

Het derde lid is ontleend aan het zesde lid van artikel 53a van de huidige wet. De korpschef verstrekt kosteloos aan de inspectie alle gegevens en inlichtingen die voor de uitoefening van haar taak noodzakelijk zijn. De korpschef verleent de inspectie toegang tot en inzage in gegevens en bescheiden voor zover dat voor de uitoefening van haar taak noodzakelijk is. De inspectie bepaalt de termijn waarbinnen en de wijze waarop deze gegevens worden verstrekt. Gezien de ondergeschikte positie van de regionale en landelijke eenheden ten opzichte van de korpschef wordt de plicht medewerking te verlenen met deze bestelwijziging aan de korpschef opgelegd.

Artikel 66

Het eerste lid van dit artikel is ontleend aan artikel 53a, tweede lid, van de Politiewet 1993. De inspectie rapporteert ingevolge het tweede lid aan de minister maar heeft een zekere mate van zelfstandigheid: rapporten worden, voorzien van een oordeel van de minister over de inhoud, aan de Tweede Kamer aangeboden.

De Minister van Veiligheid en Justitie zendt het door de inspectie opgestelde verslag van de werkzaamheden, overeenkomstig de huidige praktijk, aan de Staten-Generaal. De zelfstandige positie van de inspectie komt overigens ook tot uitdrukking in de positionering van de IOOV binnen het departement. De inspectie valt rechtstreeks onder de secretaris-generaal.

De inspectie legt jaarlijks een plan van werkzaamheden aan de minister voor, houdende de werkzaamheden die in het kader van artikel 65, eerste lid, onder a tot en met c, worden uitgevoerd. De inspectie is bevoegd tot het verrichten van niet in het jaarplan opgenomen of aanvullende werkzaamheden, nadat daarover met de minister is overlegd. Jaarlijks stelt de inspectie een verslag op over de uitkomsten van de toezichtswerkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Dit verslag wordt aangeboden aan de Tweede Kamer

Artikel 67

In het eerste lid is bepaald dat de aanwijzing van ambtenaren van de inspectie die met het toezicht zijn belast geschiedt bij besluit van de minister. Dit lid is ontleend aan artikel 53a, vijfde lid, van de Politiewet 1993. De ambtenaren van de inspectie die met het toezicht zijn belast, hebben alle op grond van afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter beschikking staande toezichtbevoegdheden. Dit komt overeen met hetgeen ten aanzien van deze ambtenaren in artikel 55a, vijfde lid, van de Politiewet 1993 is geregeld. Aanwijzing van de ambtenaren behoeft niet op naam te geschieden. Het aanwijzen van alle met het toezicht belaste ambtenaren is voldoende onderscheidend.

Artikelen 68 tot en met 72

De klachtregeling zoals voorgesteld in de artikelen 68 tot en met 72 is, zoals reeds is toegelicht in paragraaf 9.3, zoveel mogelijk overgenomen uit de klachtregeling in de Politiewet 1993. Enkele wijzigingen ten opzichte van de huidige regeling zijn echter onontkoombaar.

De politieklachtregeling in de Politiewet 1993 is bij wet van 4 december 2003 (Wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de politieklachtregeling aan hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht, Stb. 501), aangepast aan hoofdstuk 9 van de Awb waarin regels zijn gesteld over de behandeling van klachten door bestuursorganen. Gelet op de specifieke bevoegdheidsverdeling binnen het politiebestel, blijven aanvullende bepalingen in de Politiewet echter noodzakelijk. De Awb gaat immers uit van een situatie waarin burger en ambtenaar met slechts één bestuursorgaan van doen hebben. De Politiewet 1993 daarentegen maakt onderscheid tussen beheer en gezag en ook het gezag wordt nog gekenmerkt door dualisme. Binnen de politieorganisatie is zonder nadere regeling derhalve niet direct duidelijk wie het verantwoordelijke bestuursorgaan is in de zin van de Awb. In de Politiewet wordt dan ook vastgelegd welk bestuursorgaan verantwoordelijk is voor behandeling van een klacht. Uitgangspunt is dat de beheerder zorgdraagt voor de behandeling van de klacht terwijl de gezagsdragers in de gelegenheid worden gesteld over de afhandeling daarvan te adviseren.

Voor de keuzes die zijn gemaakt bij de invulling van de politieklachtregeling wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 4 december 2003.

Artikel 70, eerste lid, bepaalt dat klachten die betrekking hebben op gedragingen van ambtenaren van politie die zijn tewerkgesteld bij een landelijke eenheid, met uitzondering van de politiechef zelf, door de korpschef worden behandeld. Klachten die betrekking hebben op gedragingen van ambtenaren van politie die zijn tewerkgesteld bij een regionale eenheid, worden door de politiechef behandeld. Niettegenstaande de wens de klachtbehandeling te uniformeren wordt de klachtbehandeling in dat geval niet bij het bestuursorgaan korpschef gelegd, maar de bevoegdheid aan de politiechef geattribueerd aangezien we er zeer aan hechten dat de klachten lokaal afgehandeld worden. De afstand tussen korpschef en het gebied waarbinnen de regionale eenheid de politietaak uitvoert zal voor een goede en bevredigende klachtbehandeling veelal te groot zijn. De politiechef die, onder verantwoordelijkheid van de korpschef, het dagelijkse beheer van zijn korps voert, is ook degene die het best kan toezien op het functioneren van de politieambtenaren binnen zijn korps. Klachten over de politiechef worden door de korpschef behandeld.

Klachten over ambtenaren van de rijksrecherche en militairen van de KMar of van een ander onderdeel van de krijgsmacht, worden niet behandeld door de korpschef of de politiechef maar ingediend bij en behandeld door het College van procureurs-generaal, respectievelijk de Minister van Defensie. Zij zijn immers beheerder van deze organisaties.

Klachten over de korpschef worden ingediend bij en behandeld door de minister.

Het is niet nodig om conform artikel 65 van de Politiewet 1993 in artikel 71 een doorzendplicht op te nemen; de plicht tot het doorzenden van een klacht die voor een ander bestuursorgaan is bestemd volgt reeds uit artikel 2:3 van de Awb.

Artikel 74

In het voorgestelde artikel 74 is de mogelijkheid neergelegd voor verschillende tijdstippen van inwerkingtreding voor artikelen of onderdelen daarvan. Wij hebben dit gedaan omdat thans niet valt te overzien of er wellicht bepalingen zijn die nadat de wet het Staatsblad heeft bereikt eerst op een later tijdstip in werking kunnen treden.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

De minister van Defensie,

J. S. J. Hillen


X Noot
1

Kamerstukken II 2010/11, 32 417, nr. 15.

X Noot
2

«Politiewet 1993, een eerste beoordeling» Kamerstukken II 1996/97, 25 195, nr. 1.

X Noot
3

«Evaluatie Politiewet 1993 – breedteonderzoek» en «Evaluatie Politiewet 1993 – diepteonderzoek», Den Haag, 1998.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2004/05, 29 628, nr. 23.

X Noot
5

Kamerstukken II, 2005/06, 29 628, nr. 25.

X Noot
7

Kamerstukken II, 2005/06, 29 628, nr. 33.

X Noot
8

Kamerstukken II, 2006/07, 30 220, nrs. 1–3.

X Noot
9

Kamerstukken II, 2006/07, 30 891, nr. 4.

X Noot
10

Wet van 28 april 2005, Stb. 242.

X Noot
11

Wet van 26 april 2007, Stb. 180.

X Noot
12

Kamerstukken II, 2006/07, 29 628, nr. 50.

X Noot
13

Kamerstukken II, 2006/07, nr. 6.

X Noot
14

Kamerstukken II, 2008/09, 29 628, nr. 110.

X Noot
15

Kamerstukken II, 2009/10, 29 628, nr. 217.

X Noot
16

Kamerstukken II, 2010/11, 32 459, nrs. 1–3.

X Noot
17

Kamerstukken II, 1991/92, 22 562, nr. 3, blz. 41.

X Noot
18

Kamerstukken II 2007/08, 25 268, nr. 49, p. 3–4.

X Noot
19

(EHRM (GC), 8 juli 1999, Çakici – Turkije (appl. no. 23657/94), r.o. 86).

X Noot
20

(EHRM, 13 juni 2002, Anguelova – Bulgarije (appl. no. 38361/97; EHRC 2002, 63, GdJ), r.o. 137).

X Noot
21

(EHRM, 10 november 2005, Ramsahai – Nederland, no. 52391/99, r.o. 405–408).

X Noot
22

Het rapport van de commissie functioneren rijksrecherche – getiteld «Naar gerichte inzet en sturing» – is bij brief van 17 mei 2000 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 1999–2000, 26 084, nr. 5). De commissie onderschreef zonder meer de noodzaak van het bestaan van de rijksrecherche, maar uitte ook kritiek op haar functioneren. De commissie concludeerde onder andere dat onvoldoende selectieve inzetcriteria leidden tot een te brede taakstelling voor de rijksrecherche.

X Noot
23

Brief van 17 mei 2000 aan de Tweede Kamer, Kamerstukken II 1999–2000, 26 084, nr. 5.

X Noot
24

Stcrt. 2002, 15, pag. 9.

X Noot
25

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
27

Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 22 562, 1991/92, nr. 3, p. 8.

XNoot
*

Kamerstukken II, 1998/99, 26 445, nr. 2. p. 126.