Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132417 nr. 15

32 417 Kabinetsformatie 2010

Nr. 15 BRIEF VAN DE INFORMATEUR

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 oktober 2010

Hierbij zend ik u, daartoe gemachtigd door Hare Majesteit de Koningin, afschrift van het eindverslag van mijn werkzaamheden met daarbij gevoegd het regeerakkoord van de fracties van VVD en CDA en het gedoogakkoord van de fracties van VVD, PVV en CDA. Bijgevoegd is tevens de bij beide akkoorden behorende «Analyse economische effecten financieel kader» van het Centraal Planbureau d.d. 27 september 2010, kenmerk 2010/33.1

Mr. I. W. Opstelten

AAN DE KONINGIN

Den Haag, 7 oktober 2010

Majesteit,

Op 13 september 2010 heeft U mij verzocht om, met inachtneming van hetgeen in het eindverslag van informateur mr. H. D. Tjeenk Willink is opgenomen, mijn onderzoek voort te zetten naar de spoedige totstandkoming van een stabiel kabinet van VVD en CDA dat met de steun van de PVV kan rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal.

Tussentijds heb ik U ook enkele malen op de hoogte mogen stellen van mijn informatiewerkzaamheden.

Ter uitvoering van de mij gegeven opdracht heb ik vanaf maandag 13 september tot en met donderdag 30 september, met uitzondering van de weekeinden, vrijwel dagelijks besprekingen gevoerd met de voorzitters van de fracties van VVD, PVV en CDA, veelal vergezeld van een lid van hun fractie in de Tweede Kamer (VVD, CDA) respectievelijk het Europees Parlement (PVV). Op dinsdag 5 oktober zijn de besprekingen afgerond.

Bij de hervatting van de werkzaamheden tot voortzetting van mijn onderzoek op maandag 13 september hebben de drie fractievoorzitters hun vertrouwen uitgesproken in een goed verloop van het informatieproces. De werkzaamheden zijn voortgezet op basis van de informatie en de resultaten zoals die bestonden op vrijdag 3 september 2010.

Vanaf maandag 20 september is gesproken over tekstvoorstellen ten behoeve van een regeerakkoord tussen de fracties van VVD en CDA en een akkoord tussen de fracties van VVD, PVV en CDA («gedoogakkoord») zoals toegelicht in mijn eindverslag aan U van 4 september jl. De departementale indeling en de verdeling van posten tussen bewindspersonen van VVD en CDA zijn eveneens onderwerp van bespreking geweest. Op zaterdag 25 september voerde ik voorts een gesprek met de voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), mw. A. Jorritsma-Lebbink, en de voorzitter van het Interprovinciaal Overleg (IPO), de heer J. Franssen.

In zijn eindverslag van 13 september jl. heeft informateur Tjeenk Willink een beschouwing gewijd aan de rol en positie van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Leden van de Eerste Kamer richtten eerder een brief aan mij waarin zij de aandacht vestigden op de positie van de Eerste Kamer. Ik onderschrijf hetgeen informateur Tjeenk Willink in zijn eindverslag heeft opgenomen over de Eerste Kamer. De weergave van zijn gesprek met de voorzitter van de Eerste Kamer en zijn analyse laten geen misverstand bestaan over de eigen positie van de Eerste Kamer, ook ten opzichte van de Tweede Kamer waar het politieke primaat berust. De Eerste Kamer is, evenals de Tweede Kamer, medewetgever en controleur en vormt een «chambre de réflexion» die, met inachtneming van positie van de Tweede Kamer, de toetsing van wetgevingskwaliteit als haar eerste taak ziet. De Eerste Kamer heeft niet gevraagd wijziging te brengen in de staatkundige verhoudingen en evenmin als zodanig betrokken te worden in het proces van kabinetsformatie, anders dan door het optreden van de voorzitter als een van Uw vaste adviseurs. Gelet op het voorgaande heb ik evenmin reden gezien hierin verandering te brengen.

In het genoemde eindverslag gaf informateur Tjeenk Willink in overweging na te gaan of voor de Europese agenda en andere hoofdpunten van kabinetsbeleid op steun van andere fracties dan de fracties van VVD en CDA in de Tweede Kamer kan worden gerekend. Naar aanleiding hiervan is het volgende relevant. Uit de hieronder beschreven instemming van de fracties van VVD en CDA met het regeerakkoord en de fracties van VVD, PVV en CDA met het gedoogakkoord blijkt, zoals gebruikelijk, dat het kabinet bij het debat over de regeringsverklaring kan rekenen op steun van een meerderheid van de Tweede Kamer. Dit geldt eveneens voor de behandeling in de Tweede Kamer van voorstellen van het kabinet tot uitvoering van het gedoogakkoord. Ten aanzien van voorstellen tot uitvoering van de overige onderdelen van het regeerakkoord heeft de PVV-fractie verzekerd dat deze geen steun zal geven aan moties van wantrouwen of afkeuring die betrekking hebben op de inhoud van het regeerakkoord. Uit het genoemde eindverslag van informateur Tjeenk Willink is bovendien gebleken dat geen van de zeven overige fracties bij voorbaat heeft aangegeven geen steun te zullen geven aan voorstellen van het kabinet. De voorzitters van de fracties van VVD, PVV en CDA hebben hiervan kennis genomen bij de hervatting van hun besprekingen op 13 september. Op grond hiervan zie ik, alles bijeen genomen, voldoende basis voor een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal.

Na afronding van de onder mijn voorzitterschap gevoerde besprekingen over de inhoud van de akkoorden en na doorrekening van de resultaten hiervan door het Centraal Planbureau (CPB), is op woensdag 29 september aan de fracties van VVD, PVV en CDA een concept van beide akkoorden ter bespreking voorgelegd.

De voorzitters van de drie fracties hebben op donderdag 30 september onder mijn leiding de wijzigingsvoorstellen van de drie fracties besproken en verwerkt in de concept-akkoorden. Op basis hiervan hebben de fractievoorzitters van VVD en CDA vervolgens de wijzigingen van de beide concept-akkoorden opnieuw aan hun fracties voorgelegd en heeft de voorzitter van de PVV-fractie de wijzigingen van het concept-gedoogakkoord aan zijn fractie voorgelegd. De voorzitter van de VVD-fractie heeft mij vervolgens op dezelfde dag laten weten dat zijn fractie instemde met het concept-regeerakkoord en het concept-gedoogakkoord. De voorzitter van de PVV-fractie heeft mij donderdag 30 september geïnformeerd dat zijn fractie instemde met de wijzigingen van het concept-gedoogakkoord en de overeengekomen politieke samenwerking tussen VVD, PVV en CDA. De voorzitter van de CDA-fractie informeerde mij dat het overgrote deel van zijn fractie had ingestemd met de inhoud van beide concept-akkoorden. Hij meldde voorts dat zijn fractie unaniem had besloten de besluitvorming over de beide concept-akkoorden aan te houden tot na het op 2 oktober te houden CDA-congres en dat de uitkomsten hiervan zwaar zouden wegen bij de besluitvorming van zijn fractie. Op donderdag 30 september heb ik vervolgens, daartoe door U gemachtigd, een afschrift van beide concept-akkoorden en een bijbehorend document van het CPB ter kennisneming aan de voorzitter van de Tweede Kamer doen toekomen en een afschrift hiervan aan de voorzitter van de Eerste Kamer gezonden.

Op dinsdag 5 oktober heeft de voorzitter van de CDA-fractie mij geïnformeerd dat zijn fractie unaniem instemde met beide concept-akkoorden. De fractievoorzitters van VVD en CDA bereikten overeenstemming over een verdeling van de posten in het kabinet op basis van gelijkwaardigheid tussen beide coalitiepartners. Het beoogde kabinet telt dan zes ministers van VVD-huize, onder wie de minister-president, en zes ministers van CDA-huize alsmede vier staatssecretarissen van VVD-huize en vier staatssecretarissen van CDA-huize. Dit dient de stabiliteit van het kabinet. Hierboven ben ik reeds ingegaan op de aanwezigheid van een voldoende basis voor een vruchtbare samenwerking van het beoogde kabinet van VVD en CDA met de Staten-Generaal.

Op donderdag 7 oktober hebben de voorzitters van de fracties van VVD, PVV en CDA onder mijn voorzitterschap het concept van dit eindverslag besproken en onderschreven. In deze gezamenlijke bespreking heeft de voorzitter van de CDA-fractie gelet op de actualiteit op verzoek van de voorzitter van de PVV-fractie en de voorzitter van de VVD-fractie herbevestigd dat zijn fractie unaniem instemde met beide concept-akkoorden en steun zal geven aan de uitvoering van de daarin opgenomen maatregelen. Daarmee hebben de drie fractievoorzitters geconcludeerd dat op basis van beide bijgevoegde akkoorden en hun onderlinge samenhang kan worden overgegaan tot de formatie van een stabiel kabinet bestaande uit VVD en CDA dat met de steun van de PVV kan rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal en dat een formateur, van VVD-huize, kan worden aangewezen.

Op grond van deze bevindingen mag ik U aanbevelen de heer drs. M. Rutte te benoemen tot formateur en hem te belasten met de vorming van een kabinet bestaande uit VVD en CDA.

Met gevoelens van hoge achting,

Mr. I. W. Opstelten

Vrijheid en verantwoordelijkheid

Regeerakkoord VVD-CDA

Inhoudsopgave

Inleiding

5

1.

Bestuur

6

2.

Buitenland

8

3.

Economie

10

4.

Financiën

14

5.

Gezondheid

16

6.

Immigratie

20

7.

Infrastructuur

26

8.

Onderwijs

29

9.

Ouderenzorg

32

10.

Veiligheid

35

11.

Werk en sociale zekerheid

39

12.

Wonen

41

   

Bijlage: financieel kader

43

Inleiding

Vrijheid en verantwoordelijkheid

Het kabinet combineert realisme over de grote problemen van vandaag met optimisme over de toekomst. Nederland kan vanuit kracht crises bestrijden. We gaan letterlijk en figuurlijk werk maken van het oplossen van problemen.

Het huishoudboekje van de staat – van ons allemaal dus – moet in balans komen. Niet als doel op zich, maar om de samenleving nu en straks houdbaar te laten zijn. We willen onze kinderen niet met onze schulden opzadelen.

Dit kabinet gelooft in een overheid die alleen dat doet wat zij moet doen, liefst zo dicht mogelijk bij mensen. Dan kan de overheid weer een bondgenoot worden van burgers. Daarom snijden we in taken en subsidies en vermindert de bestuurlijke drukte door een heldere toedeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Hierdoor kan het aantal politici en ambtenaren fors dalen.

Werk en welvaart hangen meer dan ooit af van de concurrentiekracht van Nederland in een snel veranderende wereld. Ook daarom willen we ons land sterker maken. Nederland wil een ambitieus, toonaangevend land zijn in Europa en in de wereld. Dat vergt ruimte voor ondernemerschap. En durf om ongebaande paden te betreden. Kwaliteitsverbetering – bijvoorbeeld in onderwijs, zorg en duurzaamheid – zit vaker in slimme vernieuwingen dan in geld en regels.

Het kabinet wil op tal van terreinen orde op zaken stellen en de balans tussen rechten en plichten herstellen. Naast kansen bieden betekent dat grenzen stellen èn handhaven. Lik op stuk en vandalen laten betalen. Investeren in veiligheid met 3000 extra agenten. Maar ook politiekosten doorberekenen waar dat logisch is. Vakmanschap in het onderwijs, bij de politie en in de zorg weer de ruimte en het respect geven die het verdient. Niet de tekentafel maar de mens staat centraal.

Ieder mens heeft recht op zelfbeschikking; verdient de kans het beste uit zichzelf te halen en zich te ontplooien. We schrijven niemand af, maar spreken iedereen aan. Een baan is immers de beste sociale zekerheid. Natuurlijk zorgen we samen voor wie echt niet kan meedoen. De vergrijzing noopt tot een nieuwe kijk op de arbeidsmarkt. Zo is er een rechtstreeks verband tussen voldoende handen aan het bed straks en het besluit de AOW-leeftijd op te trekken nu.

De gelijkwaardigheid van alle mensen staat voor het kabinet centraal. We beoordelen mensen niet op hun afkomst maar op hun toekomst, niet op hun geloof maar op hun gedrag, niet als groep maar als individu. De overheid behandelt alle burgers en ingezetenen van ons land gelijk en discrimineert niet. Vrijheid van onderwijs behoort tot het fundament van onze constitutie. De grondwettelijk verankerde godsdienstvrijheid omvat alle godsdiensten en levensovertuigingen. VVD en CDA zien de islam – anders dan de PVV – als religie en zullen daar naar handelen. De verklaring die ten grondslag ligt aan de politieke samenwerking is hier duidelijk over.

De overheid beschermt de vrijheid van mensen en komt in actie als het algemeen belang dat vraagt. Vrijheid is begrensd door wettelijke regels. Alle scholen dienen de kernwaarden van de rechtsstaat te erkennen en uit te dragen. Een open en levendig maatschappelijk en politiek debat is van vitaal belang voor onze democratie. Dat debat hoort middenin de samenleving plaats te vinden en bij voorkeur niet in de rechtszaal.

Het kabinet respecteert internationale verdragen. Ook verdragen bieden burgers en hun grondrechten bescherming. Daar waar nieuw nationaal beleid op juridische grenzen stuit zal Nederland zich binnen de Europese Unie of in ander verband inzetten voor wijziging van de betreffende verdragen, richtlijnen of afspraken.

Minderheidskabinetten zijn in Nederland niet gebruikelijk. Dit akkoord is tot stand gekomen door besprekingen over een regeerakkoord tussen de coalitiefracties van VVD en CDA.

Daarnaast is een gedoogakkoord overeengekomen tussen de fracties van VVD, PVV en CDA dat betrekking heeft op immigratie, integratie, asiel, veiligheid, ouderenzorg en het overeengekomen bezuinigingspakket. De ingrijpende besluiten die in het gedoogakkoord zijn opgenomen hebben de steun van de fracties van VVD, PVV en CDA. Bij voorstellen uit het regeerakkoord kan de PVV-fractie tegenstemmen. Moties van wantrouwen en afkeuring zullen – voor zover het maatregelen uit het regeerakkoord betreft – door de PVV niet worden gesteund.

Ook over de grens van de politieke samenwerking tussen de fracties van VVD, PVV en CDA heen streeft het kabinet naar draagvlak voor daadkrachtig beleid. In het belang van de toekomst van Nederland.

1. Bestuur

Het bestuur zal worden georganiseerd vanuit de principes «Je gaat erover of niet» en «Je levert tijdig». Alleen dan kan een krachtige, kleine en dienstverlenende overheid worden gevormd met minder belastinggeld, minder ambtenaren, minder regels en minder bestuurders.

  • Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen beperken zich tot hun kerntaken. De kerntaken van provincies liggen op de gebieden ruimte, economie en natuur.

  • Taken van het bestuur worden op een zo dicht mogelijk bij de burger gelegen niveau gelegd.

  • Per terrein zijn ten hoogste twee bestuurslagen betrokken bij hetzelfde onderwerp.

  • Het kabinet komt met voorstellen tot vermindering van het aantal bestuurders in colleges van burgemeester en wethouders, besturen van waterschappen, gedeputeerde staten van provincies. Het aantal leden van het kabinet wordt verminderd.

  • Het kabinet komt met voorstellen tot vermindering van het aantal volksvertegenwoordigers in gemeenteraden, waterschapsbesturen, provinciale staten en de Staten-Generaal. Bij het aantal leden van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer gaat het om vermindering met een derde van elke Kamer.

  • Het aantal ministeries daalt.

  • Het kabinet komt met een voorstel tot opschaling van het provinciaal bestuur in de Randstad (Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland), ook om nieuwe bestuurlijke hulpstructuren te voorkomen.

  • Het kabinet komt met voorstellen om bevoegdheden op het gebied van vervoer en infrastructuur van rijk, provincies, regio’s en gemeenten in de Randstad over te dragen aan een te vormen Infrastructuurautoriteit.

  • Het kabinet komt met een voorstel dat inhoudt dat gemeenteraden de waterschapsbesturen kiezen.

  • Gemeentelijke herindeling komen alleen van onderaf tot stand. De provincie heeft een actieve rol bij de oplossing van bestuurlijke en financiële knelpunten.

  • Het kabinet komt met voorstellen tot afschaffing van de WGR+ en deelgemeenten c.q. deelgemeenteraden.

  • Taakdifferentiatie op gemeentelijk niveau wordt vaker mogelijk gemaakt.

  • Het aantal ambtenaren bij alle bestuurslagen wordt verminderd, onder meer door decentralisatie en taakverschuiving richting provincies en gemeenten waarbij de focus komt te liggen op de kerntaken van de provincies in het ruimtelijk en economisch domein en het natuurbeleid.

  • Er wordt door de rijksoverheid verder gewerkt aan de vorming van een rijksinspectie en centralisatie van bedrijfsvoering (o.a. ICT, inkoop, huisvesting, auditdiensten, facilitaire diensten) met een adequate aansturing en doorzettingsmacht voor de verantwoordelijke bewindspersoon.

  • De regeldruk, met name voor professionals en burgers, en de interbestuurlijke lasten worden verder verminderd.

  • Sanering van het aantal specifieke uitkeringen wordt voortgezet.

  • Voor het Gemeentefonds en het Provinciefonds wordt, met inachtneming van reeds gemaakte afspraken, het uitgangspunt «trap op, trap af» weer ingevoerd.

  • De overheid betaalt facturen binnen dertig dagen. Op termijnoverschrijding volgen in beginsel boetes.

  • In een taalwet worden de gelijke rechten van de Nederlandse taal en de Friese taal binnen de provincie Friesland gewaarborgd.

  • De territoriale integriteit van het Koninkrijk wordt onverkort gehandhaafd.

  • Het kabinet komt met een voorstel dat inhoudt dat Nederland naar een paspoortgeldigheid van 10 jaar gaat.

  • Het kabinet komt met voorstellen die het eenvoudiger maken voor Nederlanders in het buitenland om hun stem uit te brengen bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer en het Europees Parlement.

Het kabinet bevordert de emancipatie.

  • Het kabinet staat ook borg voor de emancipatie van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen en transgenders en zal daartoe concreet beleid ontwikkelen.

  • Gewelddadige misdrijven met een discriminatoire achtergrond c.q. een discriminatoir motief dienen zwaarder te worden gestraft. Het Openbaar Ministerie zal hiermee bij de strafeisen dienaangaande rekening houden.

2. Buitenland

Het kabinet ziet het als zijn taak de veiligheid en het welzijn van Nederland en de Nederlanders te bevorderen en de Nederlandse belangen veilig te stellen. Ons externe beleid, waarbij Nederland internationaal een krachtige en zelfbewuste rol speelt, draagt daaraan bij. De huidige internationale uitdagingen en conflicten en de Nederlandse financieel-economische situatie maken het noodzakelijk scherpere keuzes te maken in het externe beleid en om geïntegreerd beleid te voeren. De internationale aspecten van andere delen van het kabinetsbeleid worden meer gecoördineerd.

Het externe beleid, waarvoor de minister van Buitenlandse Zaken als coördinerend bewindspersoon eerstverantwoordelijk is, zal zich daarom in het bijzonder richten op bevordering van internationale stabiliteit en veiligheid, energie- en grondstoffenzekerheid, bevordering van de internationale rechtsorde, alsmede bevordering van handels- en economische belangen van Nederland en Nederlandse bedrijven.

De Nederlandse rechtsstatelijke verworvenheden, de internationale solidariteit die in ontwikkelingssamenwerking tot uitdrukking komt en de blijvende betrokkenheid bij Europese samenwerking en integratie zijn traditioneel kenmerkend voor het Nederlands buitenlands beleid. Nederland neemt zijn internationale verantwoordelijkheden in Europees en bondgenootschappelijk verband (NAVO) serieus, komt op voor nationale (economische) belangen en de bescherming van mensenrechten wereldwijd en steunt actief de internationale strijd tegen terrorisme.

Nederland maakt deel uit van Europa: geografisch, historisch, cultureel en economisch. Europa is essentieel voor onze welvaart, vrijheid en veiligheid. Blijvende betrokkenheid bij het Europese proces is daarom in het directe belang van Nederlandse burgers en bedrijven. Binnen een Unie van 27 leden is besluitvorming ook een kwestie van het sluiten van compromissen. Bij positiebepaling houdt Nederland onze structurele belangen voor ogen.

De Europese Unie kan echter niet onbeperkt uitbreiden. Ook mogen Europese uitgaven, beleidsontwikkeling en overdracht van nationale competenties naar het Europese niveau niet ongehinderd toenemen. De EU dient zich te beperken tot de kerntaken die gericht zijn op welvaart, vrijheid en veiligheid. Subsidiariteit is een cruciaal uitgangspunt: dat wat beter op het niveau van de lidstaten kan worden geregeld, moet niet in Brussel worden besloten. Deregulering moet ook in de EU een doelstelling zijn. Regels die daarentegen wel zinvol zijn, moeten worden gehandhaafd en voor ieder uniform gelden. Het kabinet streeft tevens naar één vergaderplaats van het Europees Parlement.

Hervorming van de Europese begroting is noodzakelijk, waarbij de afdrachten van de lidstaten aan de EU evenwichtiger en transparanter moet worden. Het kabinet zal zich inzetten voor een substantiële vermindering van de afdrachten door Nederland aan de EU in de onderhandelingen over de komende financiële perspectieven.

Toetreding van nieuwe lidstaten tot de EU vindt plaats wanneer zij voldoen aan de strikte criteria daarvoor, met name de Kopenhagen-criteria, waaronder het absorptievermogen van de EU, en de uitbreidingsstrategie van 2006.

Met het verdrag van Lissabon is voor de komende periode de grens bereikt van overdracht van nationale bevoegdheden aan de EU. Binnen de bestaande context moet de EU optimaal en ten dienste van de burger functioneren. De aandacht moet primair uitgaan naar financiële soberheid, het bevorderen van economische groei, verbetering van de juridische en veiligheidssamenwerking en het effectiever en samenhangender maken van het externe beleid.

  • Verzoeken om een bijdrage te leveren aan internationale missies van de NAVO en de EU worden in het perspectief van internationale verantwoordelijkheid en nationale belangen overwogen. Deze missies, en dus ook de Nederlandse bijdragen, vinden in toenemende mate in gemengde civiel-militaire samenstelling plaats. Naast de krijgsmacht leveren ook de rechterlijke macht, politie en andere bestuurlijke disciplines hieraan hun bijdrage. Waar mogelijk dienen deze missies, of delen daarvan, gefinancierd te worden vanuit de begrotingsmiddelen voor Ontwikkelingssamenwerking. Het kabinet zet zich in voor aanpassing van de DAC (Development Assistance Committee van de OESO)-ODA (Official Development Assistance)-criteria opdat vredesmissies in ontwikkelingslanden onder ontwikkelingssamenwerking vallen. Tegen de achtergrond van de recente discussies, zal het kabinet, rekening houdend met de motie-Peters/Pechtold, op korte termijn een artikel 100-besluit aan de Kamer voorleggen. Nederland neemt actief deel aan missies die de koopvaardij beschermen tegen piraterij en zet zich in voor berechting van piraten in de regio.

Nederland wil verder investeren in de band met de staat Israël. Nederland blijft daarbij voorstander van een alomvattend vredesakkoord tussen Israël en de Palestijnen. Een twee-staten-oplossing, met als uitgangspunt de grenzen van 1967, vormt hierbij het uitgangspunt. Nederland blijft in de bevordering hiervan bilateraal en multilateraal een actieve rol spelen.

Een groot deel van ons nationaal inkomen en werkgelegenheid verdient Nederland door internationale investeringen, handel en export. Om de Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen te kunnen laten concurreren op de Europese en internationale markten, moet de overheid haar internationale (economische) relaties actiever invullen. De minister van Economische Zaken coördineert internationaal ondernemen, in nauwe afstemming met de minister van Buitenlandse Zaken. Economische diplomatie wordt een zwaardere component in het werk van ambassades en consulaten. Het postennetwerk wordt herzien opdat er een kleiner en goedkoper maar flexibeler netwerk ontstaat, gebruik makend van verdere samenwerking met andere (EU-)landen en digitale mogelijkheden.

Het kabinet zet zich in voor een steeds belangrijker wordende rol voor de EDEO (diplomatieke dienst van de EU) op het punt van consulaire zaken en visa.

Den Haag wordt bevorderd als vestigingsplaats voor internationale instellingen, mede gelet op het economisch belang. Het kabinet streeft ernaar het NAVO Joint Forces Command in Brunssum te behouden.

Het ontwikkelingsbeleid wordt fundamenteel herzien en gemoderniseerd, waarbij het rapport «Minder pretentie, meer ambitie» van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid als leidraad dient. Uitgangspunt hierbij is te gaan van hulp naar investeren, met als doel zelfredzaamheid in ontwikkelingslanden. Het kabinet zet daartoe in op coherentie van beleid, economische groei en handelsbevordering. De inzet wordt gericht op minder partnerlanden en minder sectoren om de effectiviteit te bevorderen. Begrotingssteun wordt niet gegeven als sprake is van corruptie, schending van mensenrechten en onvoldoende good governance.

Binnen het budget voor Ontwikkelingssamenwerking zal een sterke uitbreiding plaatsvinden van mogelijkheden voor het bedrijfsleven. Ontwikkeling van de private sector zal één van de speerpunten worden, evenals het bijdragen aan het behalen van de Millennium Development Goals. In de ontwikkelingssamenwerking zal gezocht worden naar meer samenhang met het brede buitenlands beleid. Daarnaast wordt gefocust op thema’s waar Nederland goed in is (onder meer watermanagement, landbouw en maatschappelijk middenveld). Het 3D-beleid wordt voortgezet en interdepartementaal beleid wordt bevorderd op onder meer de gebieden van veiligheid, klimaat, gezondheidszorg, energie, water en landbouwproductie. De in Nederland aanwezige expertise wordt daarbij ingezet.

Het kabinet kiest voor een veelzijdig inzetbare krijgsmacht met het daarbij behorende ambitieniveau zoals uitgewerkt in het eindrapport Verkenningen «Houvast voor de krijgsmacht van de toekomst» (2010). De krijgsmacht is ook een volwaardige veiligheidspartner in de strijd tegen drugs, terrorisme, illegale immigratie en piraterij.

De F-16’s zijn aan vervanging toe. De regering schaft in 2011 een tweede JSF (Joint Strike Fighter)-testtoestel aan voor deelname aan de internationale operationele test- en evaluatiefase. Het kabinet komt in nauw overleg met de Tweede Kamer tot een Veteranenwet. Het kabinet zal de begroting van Defensie langs de lijnen van het primaire proces van defensie inrichten. Hierbij worden de personele gereedheid, materiële gereedheid en geoefendheid binnen de begroting geoormerkt.

3. Economie

In een open wereldeconomie is versterking van het concurrentievermogen van de Nederlandse economie essentieel. De ontwikkeling en groei van de economie vormt de basis van onze werkgelegenheid, welvaart en voorzieningen. Nederland beschikt over een goede uitgangspositie door bedrijven en sectoren die wereldwijd opereren en exporteren, een gunstige ligging en vestigingsklimaat en een goed opgeleide beroepsbevolking. De ambitie is deze positie voor de toekomst te verzekeren, uit te breiden en te versterken. De overheid geeft richting aan deze ambitie door een faciliterend en stimulerend beleid op het gebied van infrastructuur, onderwijs, arbeidsmarkt, belastingen en regeldruk. De Europese Unie en de World Trade Organisation (WTO) zijn belangrijke kaders waarbinnen een gelijk speelveld voor ondernemers en consumenten wordt gerealiseerd. Om de concurrentiekracht van het bedrijfsleven te versterken voert de overheid ook een gericht beleid ter bevordering van innovatie en ondernemerschap, onder meer door stimulering van samenwerking tussen bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid. Innovatie is voor alle sectoren van het bedrijfsleven van vitaal belang bij de productontwikkeling en export

Combinatie en bundeling van het algemene en specifieke economisch beleid, het beleid ten aanzien van de agrofoodsector en het beleid inzake innovatie in één ministerie biedt de basis voor een meer integrale en effectieve beleidsinzet ter versterking van de concurrentiekracht van de Nederlandse economie binnen de EU en in de wereld. De landbouw is een belangrijke sector die zwaar moet meewegen in het economisch beleid.

Het ministerie van Economische Zaken wordt daarom uitgebreid met deze taken en gaat functioneren als een ministerie van Economie, Landbouw en Innovatie. Dit heeft tot taak een concurrerend, algemeen ondernemingsklimaat te bevorderen en zal – in aanvulling daarop – een stimulerend beleid ontwikkelen voor de huidige en toekomstige economische topgebieden van Nederland, zoals water, voedsel, tuinbouw, high tech, life sciences, chemie, energie, logistiek en creatieve industrie. Dit beleid richt zich integraal op alle relevante vestigings- en ondernemingscondities voor de topgebieden, waaronder regeldruk, aanbestedingsbeleid, duurzaamheid, fiscaliteit, hoofdkantoren, onderzoek en innovatie, exportbevordering en financiering. Het groene onderwijs blijft aan de sector gekoppeld en draagt wezenlijk bij aan de kwaliteit en toekomst van de agrofoodsector. In 2011 zal het kabinet dit nieuwe bedrijfslevenbeleid vastleggen in een nota.

De middelen die beschikbaar zijn voor de versterking van de positie van bedrijven en ondernemers worden herijkt en op een meer eenvoudige wijze toegankelijk gemaakt.

  • Bestaande middelen voor export, innovatie en internationaal ondernemen worden gebundeld in een «Homogene groep Economische Topgebieden».

  • Subsidies worden alleen verstrekt indien de effectiviteit ervan is bewezen. Dit leidt onder meer tot inkrimping van het AgentschapNL.

  • Er komt meer focus en massa in de subsidies, onder meer voor topgebieden, door herijking, bundeling en vereenvoudiging.

  • Er komt een nieuwe, geïntegreerde ondernemersfaciliteit op basis van de bestaande fiscale faciliteiten. Deze faciliteit zal gericht zijn op het bevorderen van winstgevend ondernemerschap en de belemmerende marginale druk uit de zelfstandigenaftrek wegnemen.

  • Het vestigingsklimaat zal verbeteren door een budgetneutrale grondslagverbreding in de vennootschapsbelasting in combinatie met generieke en specifieke tariefverlaging.

  • De verlaging van subsidies wordt gecompenseerd door lastenverlaging via de vennootschapsbelasting en Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO).

Versterking van de innovatiekracht van het bedrijfsleven is cruciaal voor de economische ontwikkeling in de toekomst. Nieuwe producten, technologieën en werkwijzen zorgen voor vergroting van de export en werkgelegenheid. Een goede samenwerking tussen bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid is hierbij van groot belang. De samenhang tussen kennis, wetenschap, toegepast onderzoek en innovatiebeleid wordt versterkt.

  • Het innovatiebeleid, de coördinatie hiervan en het loket voor innovatiemiddelen worden geconcentreerd bij het ministerie van Economische Zaken, met inbegrip van de middelen waarover Onderwijs en andere ministeries thans beschikken.

  • Innovatiesubsidies worden via een revolverend fonds verstrekt, zodat succesvolle innovaties zich terugbetalen.

  • De WBSO wordt ruimer uitgevoerd, evenals de Innovatie Prestatie Contracten en de Kenniswerkersregeling.

  • Er komt meer aandacht voor kennisvalorisatie ten behoeve van het bedrijfsleven, vooral het midden- en kleinbedrijf (MKB).

Het is voor de economische ontwikkeling en innovatie belangrijk dat bedrijven geclusterd kunnen opereren, zoals Greenports, waaronder de Greenports Venlo, Westland en de Bollenstreek Brainport Zuid-Oost Nederland, de Food Valley in Wageningen, de Maintenance Valley in Midden- en West Brabant, de Energy Valley in Groningen, de nanotechnologie in Twente en Delft, de Zuidas in Amsterdam, Schiphol en de haven van Rotterdam. Deze clusters worden maximaal gefaciliteerd. Ook de regionaal geclusterde bedrijven krijgen de ruimte.

  • Het regionaal economisch beleid van de rijksoverheid wordt geschrapt en gedecentraliseerd.

  • Regionale ontwikkelingsmaatschappijen worden betrokken bij de verdere vormgeving van regionale economieën.

De Nederlandse agrofoodsector bekleedt een internationale koppositie en is onderdeel van de oplossing voor de (inter)nationale uitdagingen rond voedselzekerheid, armoedebestrijding, energie, water, klimaat, vrede en stabiliteit. De land- en tuinbouw verdienen versterking, nationaal, Europees en mondiaal. Gerichte investering in innovatie en verduurzaming in de agrofood-, tuinbouw- en visserijsector is nodig om de koppositie te behouden. Hierbij blijft een goede wisselwerking tussen kennis, praktijk en beleid een sleutelfactor voor succes in innovatie. Alle agrofoodsectoren (incl. tuinbouw en visserij) verdienen ontwikkelingsperspectief, richting innovatie en verduurzaming. Het beleid versterkt de economische kracht van ondernemers.

Het Europees Landbouw- en Visserijbeleid (GLB/GVB) is belangrijk voor voedselzekerheid en voedselveiligheid, voor natuur- en landschap en de economie. Een gelijk speelveld op EU- en WTO-niveau is voor Nederlandse ondernemers essentieel. Om te kunnen blijven investeren blijft het Europees budget van belang. Het kabinet gaat bij de voorbereiding van de financiële perspectieven in de EU voor de periode vanaf 2013 ten aanzien van het gemeenschappelijk landbouwbeleid uit van een gelijk speelveld en de belangen van de Nederlandse agrofoodsector. Nederlandse ondernemers worden gestimuleerd om de marktoriëntatie, concurrentiekracht, innovatievermogen en duurzaamheid van de agrarische sector en het platteland te versterken.

Voor het leveren van diensten aan de gemeenschap (landschap en natuur) en voor bovenwettelijke maatschappelijke prestaties (o.a. diergezondheid, dierenwelzijn, milieu- en waterbeheer) worden agrarische ondernemers beloond.

Ondernemers en bedrijven, met name het MKB, worden meer ondersteund bij hun contacten met de overheid.

  • Ondernemers zullen voor al hun overheidszaken terecht kunnen bij één loket, een «Ondernemersplein».

  • Het MKB verdient meer kansen bij aanbestedingen door de overheid. Cluster- en raamcontracten worden teruggedrongen; de omzeteis gaat omlaag. Als een bedrijf met succes een aanbestedingsprocedure heeft doorstaan, moet de erkenning voor meerdere jaren zijn geregeld.

  • Zelfstandigen zonder personeel (ZZP-ers) krijgen eveneens meer kansen bij aanbestedingen door de overheid.

  • Er komt een actieplan tot verlaging van administratieve lasten voor ZZP-ers.

De druk van administratieve lasten en regels voor bedrijven en burgers gaat omlaag.

  • Administratieve lasten en regeldruk voor bedrijven dienen in 2012 ten opzichte van 2010 met 10% te zijn afgenomen. Het gaat hierbij onder meer om uniformering van het loonbegrip, aanpak van de loonsomheffing, verkorting van de winstaangifte en vereenvoudiging van de regelgeving inzake BV’s.

  • Het aantal statistische uitvragen door het Centraal Bureau voor de Statistiek gaat drastisch omlaag.

  • Na 2012 vindt een jaarlijkse reductie van 5% van de administratieve lasten plaats.

  • Actal wordt, budgetneutraal omgevormd en met behoud van de taken voor bedrijven en burgers, een organisatie die extern toetst op basis van concrete klachten van het bedrijfsleven waarbij «naming and shaming» niet zijn uitgesloten.

  • Per 1 januari 2011 komt er een zogeheten «inspectievakantie» voor het bedrijfsleven. Bij deugdelijke zelfregulering (certificering) kan met minder inspectieonderzoeken per bedrijf worden volstaan.

  • Als te laat op een vergunningsaanvraag wordt beslist, wordt de vergunning zoveel mogelijk automatisch verleend, met uitzondering van het vreemdelingenbeleid.

  • Evenals de verwijderingsbijdrage voor kleine huishoudelijke apparaten verdwijnt ook de verwijderingsbijdrage voor witgoed, zoals airconditioners, wasmachines en koelkasten in 2011.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen is belangrijk. Ondernemingen tonen aandacht voor mensen, milieu en maatschappij. Het gaat hierbij onder meer om de belangen van alle betrokkenen, met inbegrip van de aandeelhouders, om continuïteit en duurzaamheid, zowel ten aanzien van de omgeving, de klant en het product.

De huidige situatie op het gebied van de koopzondagen blijft gehandhaafd.

Energie

Nederland moet voor de voorziening van energie minder afhankelijk worden van andere landen, hoge prijzen en vervuilende brandstoffen. De energiezekerheid moet worden vergroot en er komt meer aandacht voor het verdienpotentieel op energiegebied. De Europese doelen voor een duurzame energievoorziening zijn leidend. Dit betekent 20% CO2-reductie en 14% duurzame energie in 2020.

  • Om de CO2-reductie te realiseren en minder afhankelijk te worden bij de energievoorziening, is meer kernenergie nodig. Aanvragen van vergunningen voor de bouw van een of meer nieuwe kerncentrales die voldoen aan de vereisten, worden ingewilligd. Opslag van CO2 kan ondergronds plaatsvinden met inachtneming van strenge veiligheidsnormen en lokaal draagvlak. Deze opslag komt pas aan de orde na verlening van de vergunning voor een nieuwe kerncentrale.

  • Het kabinet beoogt een «Green Deal» met de samenleving, mede door voortzetting en versterking van de nationale aanpak van energiebesparing. De verlening van vergunningen voor lokale, kleinschalige productie van energie en warmte wordt eenvoudiger.

  • De energietransitie berust op innovatie door goede samenwerking tussen bedrijfsleven en kennisinstellingen, ondernemingszin bij de ontwikkeling en export van nieuwe producten op dit gebied en enkele maatregelen die hieraan bijdragen. Het kabinet bevordert onderzoek naar en toepassing van nieuwe energiebronnen.

  • De opwekking van duurzame energie moet zo snel mogelijk concurrerend worden maar verdient in de overgangsfase stimulering. Hiertoe wordt de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) geleidelijk omgevormd in een SDE+ regeling. De financiering van de SDE+ vindt plaats door een opslag op de energierekening. De opbrengst van de SDE+ wordt direct ingezet voor duurzame energieprojecten. De SDE+ wordt, zoals vastgelegd in het financieel kader, geen regeling met een open einde.

Naast deze algemene maatregelen ter ondersteuning van de energietransitie, zijn ook meer gerichte, specifieke maatregelen nodig om de economie toekomstbestendiger en sterker te maken.

De energietransitie wordt ook in internationaal verband bevorderd.

  • In internationaal verband zet het kabinet in op versterking van het Initiatief Duurzame Handel, met inzet van middelen voor Ontwikkelingssamenwerking, en uitbreiding hiervan naar CO2-intensieve sectoren.

  • In de Europese Unie richt het kabinet zich onder meer op een CO2-efficiëntienorm voor elektriciteitscentrales, scherpe milieu-eisen aan producten, emissie-eisen aan alle transportmiddelen en een Europees energienet, ook op de Noordzee.

  • Het kabinet zet in op doorlichting van de wereldwijde broeikasgasemissiehandel ten aanzien van de betrouwbaarheid van emissierechten, zoals die uit het Clean Development Mechanism.

  • De energie-infrastructuur blijft in publieke handen.

Natuur

Een goed natuurbeheer en het op peil houden van de biodiversiteit zijn belangrijk, ook voor recreatief gebruik. De provincies krijgen meer zeggenschap over het natuurbeheer. De ecologische hoofdstructuur (EHS) wordt in 2018 herijkt gerealiseerd, onder meer door grensverlegging, strategische inzet van ruilgronden en ontstapeling van gebiedscategorieën, met maximale inzet op beheer en minimaal op verwerving. Dat kan dus betekenen dat er minder wordt aangekocht. Vooruitlopend op de herijking worden onder andere de robuuste verbindingen geschrapt. Beheer vindt bij voorkeur langjarig plaats door agrariërs, andere particulieren en terreinbeherende organisaties die samenwerken om meer effectiviteit te bereiken. De programmatische aanpak stikstof (PAS) blijft nodig voor een goed samengaan van economie en ecologie. Bij de uitvoering van de opgaven voor de EHS en Natura2000 worden ruimte en toekomstperspectieven voor ondernemers zoveel mogelijk meegewogen. De rek en ruimte binnen de toepasselijke Europese richtlijnen worden optimaal benut. Uitgangspunten voor de EU-richtlijnen zijn dat economie en ecologie in evenwicht zijn en dat maatregelen haalbaar en betaalbaar moeten zijn. Nationale koppen op de Europese regelgeving worden opgespoord en verwijderd.

Dierenwelzijn

Het dierenwelzijn wordt bevorderd. Het kabinet zet in op hogere eisen aan dierenwelzijn in de EU ten behoeve van een gelijk speelveld.

  • In elk geval zet het kabinet in op EU-regelgeving tot vermindering van transporten over lange afstand van slachtvee en het mogelijk maken van het vaccineren in plaats van het doden van dieren ter beperking van dierziekten.

  • Het kabinet zet in op alternatieven voor dierproeven.

  • Misstanden bij dierenfokkers worden aangepakt.

  • Illegale handel in exotische diersoorten wordt effectiever bestreden.

  • Dierenmishandeling wordt harder aangepakt, onder meer door 500 animal cops (dierenpolitie).

  • Er komt een apart alarmnummer voor dieren in nood en dierenmishandeling waaraan ook de dierenambulance zal worden gekoppeld (bijvoorbeeld 1-1-4 «red een dier»).

4. Financiën

Het kabinet wil de overheidsfinanciën weer gezond maken. Door de vergrijzing, de kredietcrisis en de Europese schuldencrisis is het saneren van de overheidsfinanciën een harde noodzaak. Doen we dat niet, dan schuiven we bezuinigingen en de gevolgen daarvan voor de maatschappij en de economie simpelweg door naar de toekomst ten laste van onze kinderen.

Het kabinet hecht er aan de begroting snel en blijvend op orde te brengen. De wereldwijde financiële en economische crisis trof Nederland hard en heeft de overheidsfinanciën verder verslechterd. Het overheidstekort bedraagt in 2011 bijna 4% van het bruto binnenlands product (BBP). De overheidsschuld loopt op tot meer dan 66% BBP. De economie trekt inmiddels weer aan. Maar het herstel is broos en onvoldoende om de teruggang in de jaren van de crisis te compenseren.

Nederland heeft solide overheidsfinanciën nodig. Dankzij een relatief goede uitgangspositie is het vertrouwen van de financiële markten in de Nederlandse overheidsfinanciën groot. Dat kan zo blijven, als Nederland het sterk opgelopen tekort snel aanpakt door de overheidsuitgaven terug te dringen.

Het kabinet streeft ernaar in 2015 uitzicht op begrotingsevenwicht te hebben. Nederland voldoet daarmee ook ruimschoots aan de vereisten van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP). Het kabinet kiest voor budgettaire sanering en economisch herstel. Het totaal van de maatregelen verbetert de lange termijn houdbaarheid van de overheidsfinanciën.

Totaaloverzicht (in € mld, +/+ is saldoverbeterend)

2011

2012

2013

2014

2015

struc

Terugdraaien eigen betalingen zorg (MLT)

0,00

– 0,31

– 0,64

– 0,95

– 1,26

– 1,26

mbuigingen

1,54

5,60

9,38

13,36

18,26

25,42

Intensiveringen

– 0,48

– 1,91

– 2,60

– 2,94

– 3,51

– 4,73

Lasten

0,38

0,77

1,47

2,22

1,34

2,21

Subtotaal

1,44

4,16

7,61

11,69

14,83

21,64

Aansluiting MN / MLT 2011–2015 (stand september 2010)

1,43

2,36

2,79

2,97

3,14

3,14

Totaal

2,9

6,5

10,4

14,7

18,0

24,8

De ombuigingen van het vorige kabinet zoals voorgesteld in de begroting 2011 worden overgenomen.

Het kabinet stelt een ambitieus pakket van maatregelen voor dat de lange termijn houdbaarheid van de overheidsfinanciën fors verbetert en de economie versterkt. Door de voorgestelde maatregelen stijgt de werkgelegenheid op lange termijn met één procent. Tot 2015 ligt de groei van de economie en de consumptie lager dan wat we gewend waren voor de crisis. Dat neemt niet weg dat we nog altijd mogen rekenen op een gemiddelde economische groei van 1¼ procent. Het totaal van de maatregelen drukt volgens het CPB de mediane koopkracht met ½%-punt per jaar. Inclusief het basispad resulteert een koopkrachtdaling van ¼% per jaar. De totale koopkrachtdaling voor werknemers is volgens het CPB afgerond 0 per jaar.

Begrotingsbeleid

Het kabinet houdt vast aan het trendmatige begrotingsbeleid. De uitgaven en de ontvangsten worden gescheiden. Alle conjunctuurgevoelige uitgaven worden weer onder de kaders gebracht. Meevallende rente-uitgaven leiden niet tot extra ruimte. Daarmee kunnen de risico’s voor de overheidsfinanciën beter worden beheerst. Het geeft ook meer zekerheid worden voor het realiseren van de budgettaire doelstelling. Aan de inkomstenkant wordt via een inkomstenkader automatische stabilisatie mogelijk gemaakt.

Indien Nederland voldoet aan de medium term objective-doelstelling van het SGP en het feitelijk EMU (Europese Monetaire Unie)-saldo bij de besluitvorming over de lastenkant in augustus meerjarig een overschot laat zien dan wordt 50% van het overschot bestemd voor aflossing van de staatsschuld en zal een lastenverlichting van 50% van het overschot boven de 0% BBP worden gegeven. Het feitelijk EMU-saldo wordt berekend inclusief de tariefverlaging, rekeninghoudend met toepassing van het vorenstaande en een behoedzame raming voor het saldo van de medeoverheden. 

Ook dragen de begrotingsregels (een nieuwe set zal gepubliceerd worden) bij aan de beheersing van de begroting. Met het oog op het beperken van risico’s worden de begrotingsregels over het verstrekken van garanties aangescherpt. Belastinguitgaven in enge zin worden beter gemonitord. Additioneel ingrijpen is vereist wanneer het EMU-saldo zich niet ontwikkelt in lijn met de afspraken uit het SGP of met budgettaire doelstellingen. Hiervan is sprake indien het geraamde EMU-saldo 1 procentpunt negatiever is dan het saldopad na doorrekening van het regeerakkoord.

De belegde ruimte in het Fonds Economische Structuurversterking (FES) van middelen op het gebied van Verkeer en Vervoer, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Duurzaamheid en Kennis en Innovatie wordt overgeheveld naar het Infrastructuurfonds respectievelijke de departementale begrotingen. Er vindt deze periode geen additionele voeding plaats van het FES. De onbelegde ruimte komt ten goede aan de algemene middelen.

Bij de budgettaire verwerking van dit akkoord zijn de bedragen in de financiële bijlage leidend. Ombuigingen worden geboekt op het betreffende begrotingshoofdstuk; intensiveringen worden aangehouden in enveloppen op de aanvullende post.

5. Gezondheid

Gezondheid

Een kwalitatief hoogstaande, toegankelijke en betaalbare gezondheidszorg is cruciaal voor een samenleving. Mensen hebben recht op de beste zorg die er is. In Nederland is de zorg over het algemeen goed toegankelijk. Maar de kwaliteit van de zorg kan nog beter, en de kosten – die onevenredig oplopen – moeten beter worden beheerst. Daarnaast dreigen er in de toekomst forse personeeltekorten in de zorg.

Het kabinet zet in op betere basiszorg dichter bij huis.

  • Kwalitatief goede basiszorg moet zo dicht mogelijk bij de patiënt worden georganiseerd: huisartsenzorg, wijkverpleegkundigen, thuiszorg, apothekers, fysiotherapeuten, regionale ziekenhuizen die basiszorg leveren en anderen werken samen in een netwerk van zorg in de wijken en dorpen. Het kabinet zet in op versterking van betere zorg dichtbij huis. Alle zorgverleners kunnen zelfstandig de taken uitvoeren waar zij het beste in zijn (taakherschikking).

  • Zorg die nu in ziekenhuizen wordt verleend, maar beter door de huisarts kan worden gegeven, gaat terug naar de huisarts. Het kabinet stimuleert zorgverlening die in samenhang wordt gegeven (ketenzorg).

  • De bereikbaarheid van huisartsen dient te verbeteren. Daartoe worden initiatieven gesteund die de bereikbaarheid verbeteren.

Zorginnovatie gaat in Nederland te traag, nieuwe behandelmethoden vinden moeizaam hun weg naar het verzekerd pakket. Het kabinet wil de toelatingsprocedures versnellen, bijvoorbeeld door het instellen van een experimenteer-DBC (Diagnosebehandelingcombinatie).

• Fusieverbod zorgaanbieder en zorgverzekeraar

De zorgverzekeraar koopt zorg in voor de bij hem verzekerde mensen. Kwaliteit, dienstverlening en een scherpe prijs moeten in deze inkoop doorslaggevend zijn. Dat kan alleen als de zorgverzekeraar niet ook zelf (concurrerend) zorgaanbod in bezit heeft. De afwegingen over zorginkoop worden daarvan onzuiver. Nieuw initiatief moet een eerlijke kans krijgen. Dat is van groot belang voor verbetering van kwaliteit, dienstverlening en verlaging van de prijs.

• Topzorg

Hoe zeldzamer, ingewikkelder, innovatiever een behandeling is, hoe groter de noodzaak deze behandeling te concentreren in een paar (top)ziekenhuizen. Ervaring die artsen hierdoor kunnen opdoen met de behandeling van zeldzame ziekten, aanschaf van dure nieuwe apparatuur en snelle terugkoppeling van resultaten zijn hiervoor belangrijke argumenten. Dit zal resulteren in kwalitatief betere topzorg.

• Geneesmiddelen

Het preferentiebeleid dient te worden voortgezet om de geneesmiddelenprijzen onder controle te houden. Daarom dient er ook een nieuw vergoedingensysteem te komen voor apothekers waarbij er per geleverde dienst een tarief wordt vastgesteld en de bonussen verdwijnen.

Het huidige berekeningsmodel voor geneesmiddelenprijzen functioneert onvoldoende. Een goed functionerend geneesmiddelenvergoedingssysteem vereist dat ieder jaar een herberekening plaatsvindt van de vergoedingslimieten. Dit is echter sinds 1998 niet meer gebeurd. Daarom wordt een heldere keuze gemaakt: of er wordt weer jaarlijks herberekend, of er komt een nieuw systeem waarmee geneesmiddelenprijzen worden berekend.

• Stringenter pakketbeheer

Het verzekerd pakket wordt stringenter beheerd, waarbij toelating van innovaties tot het verzekerde pakket eenduidiger, samenhangend en consequenter worden beoordeeld; verouderde behandelingsmethoden worden uit het pakket verwijderd en behandelingen die afwijken van richtlijnen vergen toestemming vooraf van de zorginkoper.

Er wordt een aantal pakketmaatregelen genomen.

Collectieve vergoeding van IVF (in-vitrofertilisatie)-behandelingen wordt beperkt tot de eerste behandeling.

Het kabinet verhoogt het aantal zelf te betalen dan wel aanvullend te verzekeren behandelingen fysiotherapie tot 15. Het betreft alleen volwassenen.

Aandoeningen met een lage ziektelast, die eerder als ongemak dan als ziekte worden gekenschetst, worden uit het pakket gehaald en naar aanvullende verzekeringen overgeheveld.

Buiten de EU zal geen werelddekking voor zorg meer gelden uit het basispakket. Hierbij is verondersteld dat bilaterale verdragen met Turkije, Marokko, Tunesië, Kaapverdië, Kroatië, Bosnië-Herzegovina en de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië worden aangepast dan wel opgezegd. Voor aanpassing is instemming van de verdragspartner vereist. Stemt deze niet toe in wijziging dan zal het gewenste beleid gerealiseerd worden door het opzeggen van het verdrag.

• Winstuitkering in de zorg

In 2006 is gekozen voor een zorgstelsel dat uitgaat van beloning naar prestatie. Dat proces is nog niet afgerond en daarom bevinden we ons op dit moment in een ongunstige situatie (het slechtste van twee werelden). Om een grote kwaliteitsslag te kunnen maken, is geld nodig. Dit geld hoeft niet alleen van de overheid te komen. Als er extra geld uit de private markt de zorgsector kan worden ingetrokken zal dit tot grote verbeteringen kunnen leiden. Om dit geld aan te kunnen trekken, is het nodig dat ook rendement kan worden gemaakt. Daarom wordt een gereguleerde winstuitkering in de zorg ingevoerd. Dat moet er toe leiden dat extern (privaat) kapitaal voor de zorg beschikbaar komt. Met dit externe kapitaal kunnen zorginnovaties, kwaliteitsverbeteringen, een betere patiëntenlogistiek en betere dienstverlening worden ontwikkeld. Overige maatregelen die in dit kader nodig zijn:

  • Het uitbreiden van de vrije prijsvorming, het zogenaamde het B-segment.

  • Het verbeteren van de prijs – kwaliteitsverhouding door de invoering van uniforme productdefinities (DOT’s).

  • De afschaffing van de functionele bekostiging vanwege het gelijktrekken van de bekostigingssystematiek. In de bekostigingssystematiek worden ook kwaliteitscriteria opgenomen.

  • Het in verantwoord tempo afschaffen van de ex-post compensaties voor zorgverzekeraars.

  • Winstuitkering mogelijk maken onder voorwaarden die ervoor zorgen dat de publieke belangen van het zorgstelsel gewaarborgd zijn. Er wordt geen winst uitgekeerd gedurende de eerste drie jaar na het moment van investeren. Er wordt pas winst uitgekeerd na een positieve beoordeling van vooraf gestelde minimumkwaliteitseisen door een onafhankelijke toezichthouder en na een positieve beoordeling van de financiële buffers, bijvoorbeeld op basis van minimale solvabiliteitseisen. Instrumenten en regelgeving om cruciale zorg te waarborgen bij financiële problemen van ziekenhuizen worden zoveel mogelijk gericht op eigen verantwoordelijkheid van ziekenhuizen en een early warning systeem.2

  • Er komt een ziekenhuiskader. Om te voorkomen dat cherrypicking plaatsvindt in de zorg, worden zelfstandige behandelcentra gedurende de overgangsfase ook onder het ziekenhuisregime gebracht.

Verbeteren governance

De positie van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis wordt ten opzichte van de medisch specialisten versterkt.

Stimuleren zelfmanagement cliënt

Het gebruik van e-mental health wordt bevorderd om de zelfredzaamheid van cliënten te vergroten.

BTW-Compensatiefonds

Er wordt een BTW-compensatiefonds voor de zorg ingevoerd. Hierdoor kan meer werk worden uitbesteed en kunnen de efficiency en kwaliteit toenemen.

Overheveling revalidatiezorg naar de zorgverzekeringswet

Revalidatiezorg heeft een kortdurend karakter en past daardoor goed binnen de zorgverzekeringswet. Daarom wordt de revalidatiezorg overgeheveld van de AWBZ (Algemene wet bijzondere ziektekosten) naar de zorgverzekeringswet.

Beperken gouden handdrukken zorg

Gouden handdrukken in de zorg worden tot een minimum beperkt. Wettelijk wordt geregeld dat maximaal 75 000 euro als ontslagvergoeding mag worden verstrekt aan zorgbestuurders.

Numerus fixus

Om aan de vraag van een kwart meer artsen in 2025 tegemoet te komen wordt de numerus fixus in lijn met het rapport van de Raad voor de Volksgezondheid in 5 jaar afgeschaft. Het afschaffen van de numerus fixus is ook een randvoorwaarde voor goede marktwerking in de zorg.

Geestelijke gezondheidszorg (ggz)

  • Goede geestelijke gezondheidszorg voor wie dat nodig heeft, blijft verzekerd. Hierbij is goed functionerende 1e lijn zorg essentieel. Het opzetten van goede ggz-ketenzorg in de 1e lijn wordt bevorderd.

  • De eigen bijdragen in de eerste lijn-ggz worden verhoogd en voor de tweede lijn-ggz wordt een eigen bijdrage ingevoerd. Een deel van de tweede lijn-ggz zorg dient te worden uitgevoerd in de eerste lijn.

  • Ggz-cliënten die niet komen opdagen bij een afspraak, gaan alsnog de kosten van de afspraak betalen.

  • Het aantal zittingen bij een eerstelijns psycholoog dat vergoed wordt in het basispakket, wordt verlaagd van 8 naar 5.

  • Grotere doelmatigheid in de ggz-sector moet worden nagestreefd.

Jeugdzorg

Er bestaat grote zorg over het functioneren van de jeugdzorg. De huidige manier waarop de jeugdzorg is georganiseerd en opereert zal een wezenlijke verandering moeten ondergaan. De effectiviteit van de jeugdzorg moet worden verbeterd door een stelselherziening. Het kabinet zal hiertoe de volgende maatregelen nemen:

  • Er moet één financieringssysteem komen voor het huidige preventieve beleid, de huidige vrijwillige provinciale jeugdzorg, de jeugd LVG (licht verstandelijk gehandicapten) en jeugd-ggz.

  • In lijn met het advies van de Parlementaire Werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg, worden gefaseerd alle taken op het gebied van jeugdzorg overgeheveld naar de gemeenten. Het betreft hier: jeugd-ggz (zowel AWBZ als Zorgverzekeringswet), provinciale jeugdzorg, gesloten jeugdzorg, jeugdreclassering, jeugdbescherming en licht verstandelijk gehandicapte jeugd. Preventie en vrijwillige hulpverlening wordt in goede afstemming met gedwongen hulpverlening georganiseerd door (samenwerkende) gemeenten.

  • De Centra voor Jeugd en Gezin die inmiddels gerealiseerd zijn, zullen bij de overheveling naar de (samenwerkende) gemeenten gaan dienen als front office voor alle jeugdzorg van de gemeenten.

Rookverbod

Het huidige rookverbod wordt versoepeld. Het rookverbod werkt in de meeste horecagelegenheden goed. De horeca is voor het overgrote deel rookvrij geworden. Maar in veel kleine cafés, waar geen personeel in dienst is, is geen behoefte aan een rookverbod. Het kabinet is voornemens om horeca met minder dan 70 m2 bedrijfsruimte naar Duits voorbeeld vrij te stellen van het rookverbod.

Sport

Sport heeft een belangrijke functie in de maatschappij en de economie. Kinderen en jongeren kunnen zich dankzij sport gezonder en socialer ontwikkelen. Volwassenen en ouderen die sporten blijven fitter en gezonder. Het zijn vooral scholen, sportverenigingen en sportclubs, het liefst zo dicht mogelijk bij mensen in de buurt, die deze positieve impuls mogelijk maken. Sport in alle wijken is goed voor de gezondheid, maar ook voor de veiligheid.

  • Het kabinet streeft naar meer sportlesuren in basis-, beroeps- en voortgezet onderwijs.

  • Het kabinet zal met de VNG (Vereniging van Nederlandse gemeenten) bevorderen hoe sport en sportvoorzieningen bij wijkplannen een integraal onderdeel kunnen worden van het verbeteren van de leefbaarheid.

Samenwerking tussen de overheid, de sportsector en het bedrijfsleven is nodig om topsport en breedtesport in Nederland te bevorderen. Private studiebeurzen voor topsporters zijn een voorbeeld van een initiatief dat zo tot stand zou kunnen komen.

Topsportevenementen in Nederland dragen bij aan een topsportklimaat. Nederland werkt op die manier toe naar het bereiken van een Olympisch niveau. Het kabinet steunt de kandidatuur van Nederland en België voor de organisatie van het WK-voetbal in 2018/2022 en wil de Olympische Spelen 2028 en de Paralympische Spelen in Nederland. Daarbij moet natuurlijk wel helder zijn dat de Nederlandse overheid de baas blijft tijdens deze evenementen en niet het IOC of de FIFA.

Het kabinet zal bevorderen dat een groter aandeel van de loterij opbrengsten aan sport kan worden besteed.

6. Immigratie

Algemeen

Het asiel- en migratiebeleid is streng maar rechtvaardig. Ombuiging, beheersing en vermindering van de immigratie zijn geboden en urgent gelet op de maatschappelijke problematiek. Verwezenlijking hiervan behoort tot de primaire doelstellingen van het te voeren kabinetsbeleid. Rechtvaardig omdat mensen rechten hebben en het kabinet dit als uitgangspunt neemt. Nederland zal vluchtelingen blijven beschermen en opvangen waar het, overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag, gaat om slachtoffers van vervolging voor wie Nederland de eerste veilige plek is. Dit kan niet gelden voor asielzoekers die economische migranten blijken te zijn. Daarom wordt zo snel mogelijk vastgesteld tot welke categorie de asielzoeker behoort en of deze hier kan blijven of Nederland moet verlaten. Het migratiebeleid, met name het beleid inzake de gezinsmigratie, is gericht op beperking en terugdringing van de komst van migranten met weinig perspectief. Dit om de integratieproblematiek beter aan te pakken, mede gelet op de participatie van degenen die worden toegelaten. Het kabinet zal hiertoe de mogelijkheden voor een restrictief en selectief migratiebeleid binnen de bestaande juridische kaders, waaronder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), zoveel mogelijk benutten, zowel door voorstellen tot wet- en regelgeving als door intensivering van controle, handhaving en uitvoering van bestaande voorschriften, met inbegrip van nieuwe informatiesystemen, uitwisseling van gegevens en technieken voor identiteitsvaststelling. Hierbij werkt het kabinet waar mogelijk samen met andere landen, met name aangrenzende EU-lidstaten en landen buiten de EU waaruit migranten afkomstig zijn. Het terugkeer- en uitzetbeleid wordt aangescherpt. Illegaal verblijf wordt strafbaar.

Uitzetting van strafrechtelijk veroordeelde vreemdelingen vindt eerder en vaker plaats. Tegen mensensmokkel wordt hard opgetreden. Effectieve integratie van nieuwkomers en bevolkingsgroepen is een veelomvattend en veeleisend proces dat voor de gehele samenleving van groot belang is. Hiervoor geldt bij uitstek dat participatie in de samenleving vraagt om een toereikende kwalificatie in taal en opleiding. Inburgering van toegelaten asielzoekers en migranten op een adequaat niveau is voor henzelf en hun kinderen de sleutel tot een volwaardige deelname aan de samenleving in werk en onderwijs. Dit mag worden verwacht van nieuwkomers. Zij zijn hiervoor zelf verantwoordelijk. Het uitblijven van deze inspanningen kan in het kader van de sociale zekerheid en in het belang van de arbeidsparticipatie, niet zonder gevolgen blijven. De tijdelijke verblijfsvergunning zal bij niet slagen voor het inburgeringsexamen worden ingetrokken behoudens uitzonderingen.

Bij de uitvoering van het voorgenomen beleid neemt het kabinet tevens initiatieven tot aanpassing van EU-richtlijnen en, indien er voor belangrijke maatregelen geen andere alternatieven blijken te zijn, eventueel, in overleg met andere lidstaten, tot wijziging van verdragen. Realisering van het gehele pakket van maatregelen op het gebied van asiel en migratie zal feitelijk leiden tot een zeer substantiële daling van de instroom.

Asiel

De opvang van asielzoekers vindt bij voorkeur plaats in het land of de regio van herkomst.

Het kabinet streeft naar een doeltreffende uitvoering van het Dublin-verdrag, de Dublin-verordening en de bijbehorende regelgeving waarbij het asielverzoek wordt behandeld door de lidstaat die daarvoor verantwoordelijk is. Nederland draagt actief bij aan de opvang elders en de behandeling van asielverzoeken door de verantwoordelijke lidstaat door samenwerking met de betrokken landen en met internationale organisaties zoals de UNHCR.

Het categoriaal beleid vervalt, met inbegrip van de wettelijke grondslag.

De behandeling van aanvragen voor asiel vindt zo effectief, efficiënt en zorgvuldig mogelijk plaats

  • De mogelijkheden tot het stapelen van procedures worden beperkt, procedures worden versneld, de rechtsbijstand wordt zo aangepast dat na de behandeling van de eerste aanvraag prikkels voor nieuwe procedures worden weggenomen (toepassing van «no cure no fee» in vervolgprocedures) en de uitspraak in een voorlopige voorziening kan niet altijd in Nederland worden afgewacht

  • Er wordt optimaal ingezet op het tegenwerpen van het ontbreken van identiteitsgegevens bij ongedocumenteerde asielzoekers.

  • Bij de behandeling van de aanvraag voor asiel wordt fraude tegengegaan, onder meer door uitwisseling van informatie en nieuwe technieken voor identiteitsvaststelling.

  • De bewijslast wordt, binnen de grenzen van de jurisprudentie van de Raad van State, meer naar de aanvrager verschoven en verzwaard.

  • Het kabinet zet in op een wijziging van de EU-kwalificatierichtlijn om de bewijslast naar de aanvrager te verschuiven ten aanzien van het aantonen van (het ontbreken van) vluchtalternatieven.

Nareizende gezinsleden van asielzoekers zullen niet meer automatisch een asielstatus krijgen maar onder het reguliere beleid voor gezinsmigratie worden gebracht waarbij geen vereisten worden gesteld aan het inkomen of inburgering in het buitenland.

Bij de komst van alleenstaande, minderjarige vreemdelingen richt de inzet zich maximaal op zo spoedig mogelijke terugkeer onder de voorwaarde van lokale opvang. Daarvoor is het nodig dat uit het budget voor Ontwikkelingssamenwerking investeringen plaatsvinden in extra lokale opvang zoals weeshuizen. Verder wordt ingezet op aanpassing van de EU-terugkeerrichtlijn (2008/115) terzake.

Gezinsmigratie

Bij gezinsmigratie gaat het om de komst van gezinsleden van personen die legaal in Nederland verblijven. Zo kan een migratieketen ontstaan waarbij in elke generatie opnieuw partners, vaak verwanten, en kinderen uit het land van herkomst naar Nederland komen met de nadelige gevolgen vandien voor het integratieproces dat zo bij herhaling op achterstand raakt. De negatieve spiraal van deze keten wordt doorbroken door hogere eisen te stellen aan deze wijze van gezinsvorming en gezinshereniging waaronder zodanige opleidingseisen dat een kansrijke integratie bij voorbaat verzekerd is. Het kabinet zet hierbij tevens in op wijziging van de Europese richtlijn. Gelet op het voorgaande zal het kabinet met verschillende voorstellen en verschillende maatregelen komen.

  • De mogelijkheid van gezinsvorming en gezinshereniging wordt beperkt tot partners die gehuwd zijn of met wie een geregistreerd partnerschap is aangegaan en minderjarige kinderen.

  • Voor hun toelating gaat als vereiste gelden dat de referent al tenminste een jaar legaal in Nederland verblijft behoudens kennismigranten.

  • Verder gaan als nieuwe vereisten voor toelating voor gezinsmigranten gelden dat zij moeten beschikken over een zelfstandige huisvesting en een ziektekostenverzekering.

  • De termijn waarna gezinsmigranten een zelfstandige verblijfsvergunning kunnen krijgen wordt verlengd van drie naar vijf jaar behoudens bijzondere omstandigheden.

  • De leges voor gezinsmigratie worden zoveel mogelijk kostendekkend gemaakt.

  • Het beleid tegen schijnhuwelijken en huwelijksdwang wordt verscherpt en de handhaving geïntensiveerd.

  • Huwelijksdwang is verboden en wordt strafbaar gesteld.

  • In principe worden huwelijken tussen neven en nichten verboden.

  • Polygame huwelijken worden niet erkend.

  • De exameneisen in de Wet inburgering buitenland gaan omhoog.

Belangrijke nieuwe eisen aan gezinsmigratie kunnen bijvoorbeeld worden gerealiseerd bij aanpassing van de EU-richtlijn inzake gezinshereniging (2003/86).

Daarbij zal het kabinet onder meer inzetten op:

  • verhoging van de leeftijdseis voor de partner naar 24 jaar

  • toelating van maximaal een partner in de tien jaar

  • verhoging van de inkomenseis naar tenminste 120% van het minimumloon

  • invoering van een borgsom

  • invoering van een toets waaruit blijkt of de band met Nederland groter is dan de band met andere landen en

  • uitsluiting van de mogelijkheid gezinsleden toe te laten van personen die veroordeeld zijn wegens bepaalde geweldsdelicten.

  • Tot slot zal met het oog op het belang van kwalificatie ten behoeve van participatie en integratie worden ingezet op opneming in deze richtlijn van de mogelijkheid opleidingseisen te stellen aan gezinsmigranten.

Nederland is op deze manier in staat mensen die hier rechtmatig zijn gekomen volwaardig te laten deelnemen aan de samenleving.

Arbeidsmigratie

Verlening van een vergunning aan arbeidsmigranten die niet afkomstig zijn uit de EU en geen kennismigrant zijn, kan pas plaatsvinden indien de werkgever aantoont dat hij geen werknemers uit Nederland of landen van de EU en de Europese Economische Ruimte (EER) heeft kunnen vinden. Voor de tewerkstellingsvergunning geldt het vereiste dat de werkgever tenminste het wettelijk minimumloon betaalt. Voor arbeidsmigranten zal het minimumvereiste van het wettelijk minimumloon gaan gelden. Voor Roemenen en Bulgaren blijft voorts het vereiste van een tewerkstellingsvergunning gelden tot 1 januari 2014 indien de huidige omstandigheden ongewijzigd blijven. Het kabinet zal onderzoeken of en in hoeverre aanscherping van het arbeidsmigratiebeleid mogelijk en wenselijk is.

Het kabinet zal ervoor zorg dragen dat de bevordering van de kenniseconomie door alle genomen maatregelen niet wordt belemmerd. De kennismigrantenregeling is van groot belang maar het kabinet zal onderzoeken of misbruik plaatsvindt. Eventueel kan op basis hiervan een nadere opleidingseis worden gesteld.

Immigratie algemeen

Om in bredere zin de migratie van kansarme migranten te beperken, de integratie te bevorderen en fraude en misbruik te bestrijden, worden onder meer vergunningseisen aangescherpt, het terugkeerbeleid geïntensiveerd en illegaliteit aangepakt. Wat het eerste betreft, gaat het om de aanvraag voor een reguliere vergunning in het buitenland, de vereisten voor verlening van een permanente vergunning, de toepassing van de discretionaire bevoegdheid en de intrekking van een vergunning bij verblijf in het buitenland.

Hoofdregel bij de aanvraag voor een reguliere vergunning is dat deze in het buitenland wordt gedaan. Dit vereiste vormt tevens een drempel voor de aanvraag van een reguliere vergunning door degenen die een nieuwe procedure starten nadat hun aanvraag voor asiel in Nederland is afgewezen. In de loop der jaren zijn verschillende uitzonderingen gemaakt op de regel dat de aanvraag in het buitenland plaatsvindt. Het kabinet zal een voorstel doen dat inhoudt dat aanvragen voor een reguliere vergunning in het buitenland worden ingediend.

  • Dit houdt in dat een in Nederland ingediende reguliere aanvraag dan buiten behandeling wordt gesteld zodat geen sprake meer is van rechtmatig verblijf.

  • Het voorstel houdt tevens in dat alle humanitaire en medische overwegingen in het verlengde van de asielprocedure ambtshalve door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zullen worden beoordeeld en dat alle zogenaamde M50-loketten worden afgeschaft.

  • Vooruitlopend hierop zal het kabinet de vrijstellingen van het vereiste van een machtiging tot verblijf schrappen voor degenen die gedurende hun minderjarigheid vijf jaren achtereen rechtmatig in Nederland verbleven en voor degenen die in aanmerking komen voor terugkeer naar Nederland op grond van de Remigratiewet.

Aan de verlening van een permanente verblijfsvergunning asiel wordt het vereiste van een behaalde startkwalificatie verbonden, behoudens bijzondere omstandigheden. Het kabinet zal inzetten op een wijziging van de EU-richtlijn langdurig ingezetenen (2003/109) voor invoering van het vereiste van een startkwalificatie voor reguliere aanvragen.

Bij vergunningverlening op grond van toepassing van de discretionaire bevoegdheid zal terughoudendheid het uitgangspunt zijn.

Intrekking van tijdelijke en permanente verblijfsvergunningen kan plaatsvinden tijdens of na een periode van verblijf buiten Nederland. Het kabinet zal de geldende richttermijnen bekorten en de uitzondering voor detentie schrappen waarna intrekking zal plaatsvinden.

Verder is intrekking van tijdelijke verblijfsvergunningen en het niet verlenen van permanente verblijfsvergunningen aan de orde indien blijkt dat de vergunninghouder niet of niet langer voldoet aan het inkomensvereiste behoudens bijzondere omstandigheden. In dit kader gaan de IND en de gemeenten nauwer samenwerken.

Het terugkeer- en uitzetbeleid wordt geïntensiveerd.

  • In internationale contacten en het bilateraal verkeer met andere landen zal hierop kabinetsbreed worden ingezet.

  • Bij de uitvoering krijgen gezinnen met kinderen prioriteit.

  • Zo nodig wordt de capaciteit voor handhaving uitgebreid.

Illegaliteit in de zin van een onrechtmatig verblijf van vreemdelingen in Nederland, vormt een belangrijk probleem. Deze illegaliteit gaat vaak gepaard met diverse vormen van overlast en criminaliteit, waaronder mensensmokkel, en met een verblijf in mensonterende omstandigheden. Dit tast ook het draagvlak voor het asiel- en migratiebeleid aan en heeft een negatief effect op het integratieproces.

  • Het kabinet zal inzetten op strafbaarstelling van illegaliteit en de handhaving hiervan vooral richten op criminele en overlastgevende personen met het oogmerk deze zo snel mogelijk het land uit te zetten.

  • Deze maatregelen vormen onderdeel van een bredere aanpak van criminaliteit bij vreemdelingen. Deze houdt tevens in dat vreemdelingen die hier rechtmatig verblijven maar strafrechtelijk zijn veroordeeld eerder het land worden uitgezet. Hiertoe zal het kabinet de zogenaamde glijdende schaal aanscherpen.

  • Mensenhandel wordt steviger aangepakt. Misbruik van de verblijfsregeling voor slachtoffers van mensenhandel wordt tegengegaan.

  • Er zal vaker gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid van ongewenstverklaring en beëindiging van het verblijfsrecht van strafrechtelijk veroordeelde burgers van EU-lidstaten. Voor verruiming van deze mogelijkheid zal het kabinet inzetten op een wijziging van de EU-richtlijn inzake vrij verkeer (2004/38).

  • Grensoverschrijdende criminaliteit die in Nederland plaatsvindt door in andere landen verblijvende vreemdelingen, illegalen en mensensmokkelaars, wordt harder aangepakt, onder meer door mobiele grenscontroles van de Koninklijke Marechaussee.

  • De aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt afgewezen indien de aanvrager illegaal in Nederland verblijft of heeft verbleven tenzij medische gronden zich hiertegen verzetten of de aanvrager behoort tot de categorie alleenstaande minderjarige vreemdelingen of getuigen-aangevers van mensenhandel. Het kabinet zal inzetten op een zodanige wijziging van de EU-richtlijn vrij verkeer dat aan beide genoemde categorieën niet de categorie van gezinsvorming/gezinshereniging behoeft te worden toegevoegd (richtlijn 2004/38).

De mogelijkheden om radicale geestelijke bedienaren niet tot Nederland toe te laten of Nederland uit te zetten worden maximaal benut indien toetsing aan de openbare orde of de nationale veiligheid hiertoe aanleiding geeft.

Het kabinet komt met een voorstel voor een Rijkswet personenverkeer die berust op het uitgangspunt van wederkerigheid en tevens de mogelijkheid omvat wederzijds eisen te stellen aan de toelating en het verblijf tot en de terugkeer naar landen van het Koninkrijk (Curaçao, Aruba, St. Maarten en Nederland).

In Europees verband zet het kabinet erop in dat bij de Schengen-evaluatie van Roemenië en Bulgarije de tweejaarlijkse voortgangsrapportages over corruptie en juridische hervormingen in deze landen worden betrokken. Indien uit deze rapportages blijkt dat zij niet voldoen aan de strikte criteria, geeft Nederland geen steun aan volledige toetreding van Roemenië en Bulgarije tot Schengen en opheffing van de interne grenscontroles in de EU en zullen Bulgarije en Roemenie niet worden toegelaten tot Schengen.

Het kabinet zet in de EU in op een regeling die inhoudt dat lidstaten niet kunnen besluiten tot een generaal pardon.

Het kabinet wil af van de «Europa-route» (route waarbij gezinsmigranten uit derde landen nationale toelatingsvereisten van EU-lidstaten omzeilen c.q. waarbij voor gezinsmigranten voor EU-onderdanen niet de gangbare eisen worden gesteld) die dan ook zal moeten worden gesloten.

Integratie

Van ieder die naar Nederland komt om zich hier te vestigen, mag worden verwacht dat hij of zij zich houdt aan de regels die hier gelden en actief deelneemt aan de samenleving door beheersing van de Nederlandse taal, het volgen van onderwijs en werk. Kwalificatie is de sleutel tot succesvolle participatie en integratie. Naarmate kwalificatie eerder plaatsvindt, stijgen de kansen op integratie. Daarom is het belangrijk (hogere) taal- en opleidingseisen te verbinden aan toelating tot en verblijf in ons land.

  • De erkenning van diploma’s die buiten de EU zijn behaald en van elders verworven competenties vindt door het daartoe bevoegde instituut plaats met inachtneming van Nederlandse normen en zal zoveel mogelijk worden bespoedigd. Zo worden ook deze migranten kansrijker.

  • Migranten en asielzoekers dragen zelf zorg voor hun inburgering in ons land. Voor degenen die hiervoor over onvoldoende middelen beschikken, komt het kabinet met een sociaal leenstelsel dat inhoudt dat de lening wordt terugbetaald. Uitgangspunt voor het kabinet is dat het niet slagen voor het inburgeringsexamen, behoudens bijzondere omstandigheden, leidt tot intrekking van de tijdelijke reguliere verblijfsvergunning.

  • Het kabinet zet zich ervoor in het Associatie-akkoord EU-Turkije zodanig aan te passen dat inwoners van Turkije onder de inburgeringsplicht komen te vallen.

Het kabinet beëindigt het diversiteits/voorkeursbeleid op basis van geslacht en etnische herkomst. Selectie moet plaatsvinden op basis van kwaliteit. Er komt een meldcode voor cultureel bepaald huiselijk geweld en kindermishandeling. Het kabinet komt met een voorstel voor een algemeen verbod op gelaatsbedekkende kleding zoals boerka’s. In voorschriften wordt opgenomen dat de politie en leden van de rechterlijke macht geen hoofddoek dragen.

Er wordt bezuinigd op de subsidies van de rijksoverheid op het gebied van integratie met uitzondering van de subsidie aan Vluchtelingenwerk. Het kabinet zal geen subsidie geven aan organisaties die activiteiten ondernemen die zich tegen de integratie richten.

Verkrijging van het Nederlanderschap vormt de bekroning van kwalificatie, participatie en integratie.

  • Het kabinet komt met een voorstel dat de minimumtermijn voor naturalisatie in meer gevallen op vijf jaar stelt en dat de vereisten voor naturalisatie aanvult met een kwalificatievereiste, een middelenvereiste en een aanscherping van het openbare orde vereiste waaronder het vereiste van het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling met uitzonderingen voor een veroordeling op grond van het jeugdstrafrecht, een veroordeling tot gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of een veroordeling tot boetes ter hoogte van negentig dageenheden. Voor optanten komt er een taaleis.

  • Het voorstel van het kabinet houdt tevens in dat het Nederlanderschap pas definitief wordt verkregen indien afstand is gedaan van een of meer andere nationaliteiten waarvan afstand gedaan kan worden.

  • Het kabinet zal met een voorstel komen om personen die binnen vijf jaar na verkrijging van het Nederlanderschap veroordeeld zijn of worden voor een misdrijf waar 12 jaar of meer op staat, het Nederlanderschap te ontnemen. Hiertoe wordt gepoogd binnen het kader van het europees verdrag inzake nationaliteit te komen tot een ruimere uitleg van artikel 7d. Indien deze ruimere uitleg niet mogelijk zal blijken te zijn, zal met de verdragsluitende partijen worden overlegd om te komen tot een wijziging van het verdrag. Indien voor 1 januari 2012 blijkt dat de verdragsluitende partijen niet tot een dergelijke wijziging bereid zijn zal de Nederlandse wetgeving zodanig worden gewijzigd dat de eerste vijf jaar sprake is van een voorwaardelijke verkrijging van de Nederlandse nationaliteit die, met inachtneming van de aangescherpte afstandseis, van rechtswege definitief wordt tenzij men veroordeeld wordt voor een misdrijf waar 12 jaar of meer op staat.

Het zwaarwegende belang van arbeidsparticipatie en integratie in Nederland heeft ook gevolgen voor de inrichting van het stelsel van sociale zekerheid.

  • Indien gedrag of kleding van iemand feitelijk zijn kansen op beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt beperkt, volgt een weigering, korting of intrekking van een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Zo nodig zal het kabinet daartoe met een voorstel komen.

  • In het kader van de sociale zekerheid verdient de verhouding met het land van herkomst van migranten en asielzoekers eveneens aandacht. Het kabinet zet in op het zoveel mogelijk verkrijgen van medewerking van lokale autoriteiten in deze landen bij de controle en handhaving van de vermogenstoets in de WWB.

Het kabinet streeft naar beperking van de export van sociale voorzieningen, onder meer door

  • stopzetting van de export van kinderbijslag en het kindgebonden budget naar landen buiten de EU en

  • hantering van het woonlandbeginsel bij de AOW-tegemoetkoming en de WGA-vervolguitkering.

7. Infrastructuur

Nederland heeft een goede infrastructuur van wegen en openbaar vervoer nodig die optimale bereikbaarheid biedt aan mensen en bedrijven. Goede doorstroming op het wegennet is belangrijk voor de bloedsomloop van de economie. Mensen hebben de vrije keuze zich te verplaatsen. De files worden aangepakt en de mobiliteit wordt verbeterd ter versterking van de economische groei en een schoner milieu.

  • Er komt geen kilometerheffing.

  • Verschuiving van vaste lasten naar variabele lasten is mogelijk door verhoging van accijnzen op brandstoffen onder gelijktijdige en evenredige verlaging van vaste lasten. Het kabinet zet hiervoor in op overleg met de buurlanden en binnen de EU.

  • Er wordt 500 miljoen extra geïnvesteerd in wegen en spoor

  • De overheid werkt met het bedrijfsleven aan aanvullende maatregelen ter bestrijding van files zoals parkeer- en reisvoorzieningen, transferia, carpooling, goede fietsvoorzieningen, incidentenmanagement en de intensivering van telewerken.

  • Het kabinet investeert in de binnenvaart om wegen en milieu te ontlasten.

Er komt een uitbreiding van het dynamische systeem van maximumsnelheden.

De maximumsnelheid op autosnelwegen gaat omhoog naar 130 km/u. Ook op andere wegen wordt de maximumsnelheid herbeoordeeld. Indien nodig voor de luchtkwaliteit, geluidsbelasting of verkeersveiligheid geldt een lagere maximumsnelheid.

Zodra de speekseltests naar drugs betrouwbaar zijn, worden deze ingezet om het gebruik van drugs in het verkeer terug te brengen.

Het openbaar vervoer moet toegankelijker, betrouwbaarder en efficiënter worden.

  • De grensregio’s worden beter bereikbaar voor treinverkeer.

  • Er komt een grensoverschrijdende ontwikkeling van het treinverkeer in grensregio’s waaronder aansluiting op buitenlandse hogesnelheidstreinen.

  • Het programma Hoogfrequent Spoor dat is gericht op spoorboekloos reizen, wordt uitgevoerd, rekening houdend met de woon- en leefomgeving.

  • Er komen sneller aanpassingen van stations en treinen om de toegankelijkheid van het openbaar vervoer voor mensen met een beperking te verbeteren.

  • De veiligheid in het openbaar vervoer wordt verbeterd. Werkgevers in het openbaar vervoer nemen de aangifte over van werknemers die het slachtoffer van geweld zijn geworden.

Schiphol is van groot belang voor de Nederlandse economie en krijgt, overeenkomstig de afspraken die zijn gemaakt aan de «Alders-tafels» (overlegtafels over de toekomst van de luchthavens Lelystad, Eindhoven, Schiphol en hun omgeving), de ruimte verder uit te groeien tot een duurzame en concurrerende luchthaven. Kwalitatieve groei van het wereldwijde verbindingennetwerk is essentieel.

  • De overheid ziet hierbij toe op een concurrerend kostenniveau.

  • Het beleid is gericht op een wereldwijde aanpak van emissiehandel zodat er een gelijk speelveld is.

Ook bij regionale luchthavens dient de luchtvaart de economische ontwikkeling.

Goederenvervoer is van oudsher een belangrijke pijler van de Nederlandse economie. De haven van Rotterdam speelt daarin essentiële rol. Het kabinet ondersteunt met kracht de verdere ontwikkeling van het haven- en industriegebied door de aanleg van een nieuw havengebied (Tweede Maasvlakte) met de bijbehorende natuurcompensatie. Zo kan de Rotterdamse haven zijn internationaal concurrerende positie voor de overslag van goederen behouden en verder uitbreiden.

Bij de aanleg en het onderhoud van de infrastructuur van wegen en openbaar vervoer worden meer voordelen bereikt door het aangaan van nauwere samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven.

  • Er start landelijk een groot aantal publiek-private infrastructuurprojecten.

  • De regel dat publiek-private samenwerking in een keer ten laste van de begroting komt, wordt bezien.

  • Aanleg en gebruik van additionele infrastructuur, zoals supersnelwegen, kunnen worden gefinancierd door investeringen van bijvoorbeeld pensioenfondsen en tolheffing. Er komt geen tolheffing voor het gewone wegennet.

  • Er komt een verplichte aanbesteding voor het openbaar vervoer in de drie grootste steden waarbij kwaliteit en goede en actuele reisinformatie wezenlijke onderdelen van de aanbestedingseisen vormen.

  • Het hoofdrailnet verdient een sterke verbetering van kwaliteit en effectiviteit waarbij grote besparingen optreden.

De wijze van besluitvorming door de overheid over de aanleg van infrastructuurprojecten wordt versneld en vereenvoudigd.

  • Het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport (MIRT) wordt verlengd van 2020 naar 2028. Hierbij krijgen brainports, mainports en greenports prioriteit. Provincies en regio’s kunnen MIRT-investeringen voorfinancieren en zullen, volgens te maken afspraken, vaker het voortouw en de eindverantwoordelijkheid hebben. Er komen afspraken met provincies en grote gemeenten over het meebetalen aan infrastructuur, in elk geval voor bovenwettelijke inpassingen.

  • De aanpak van Randstad Urgent (programma bestaande uit een aantal projecten met een gezamenlijke aanpak van problemen in de Randstad op het gebied van o.a. bereikbaarheid, economie en leefomgeving door het kabinet, provincies, gemeenten en stadsregio’s) wordt voortgezet en uitgebreid naar andere delen van het land.

  • Het kabinet voert de adviezen uit van de commissie Versnelling besluitvorming infrastructurele projecten (commissie-Elverding).

  • Het kabinet komt met voorstellen tot bundeling en vereenvoudiging van wet- en regelgeving op het gebied van het omgevingsrecht en versobering en modernisering van de Algemene wet bestuursrecht.

Vergroting van de waterveiligheid van onze door rivieren doorsneden delta blijft een kerntaak van de overheid en is nodig om te kunnen blijven voldoen aan geldende normen.

  • Achterstallig onderhoud op dit gebied wordt uitgevoerd.

  • Er wordt gewerkt aan veilige dijken en waterkeringen.

  • De kustwering wordt versterkt.

  • Er komen geen nieuwe besluiten tot ontpoldering, bestaande plannen worden heroverwogen.

  • Nu de verdieping van de Westerschelde is afgerond, wordt er in overleg met Vlaanderen een alternatief ontwikkeld voor de ontpoldering van de Hedwigepolder in Zeeuws-Vlaanderen. Daarbij wordt ook gedacht aan de plannen die eerder door de Zeeuwse waterschappen zijn ontwikkeld.

  • Het kabinet zal de voorstellen van de Deltacommissie nader bekijken en uitwerken in het MIRT.

  • Het kabinet en de betrokken overheden komen tot een doelmatiger waterbeheer.

  • Het Besluit beheer Haringvlietsluizen («Kierbesluit») wordt ingetrokken.

Ruimtelijke ordening en Milieu

Ruimtelijke ordening

In de ruimtelijke ordening vindt een integrale afweging plaats van verschillende belangen waarbij de besluitvorming zo transparant mogelijk gaat plaatsvinden en zo dicht mogelijk bij degenen die het direct aangaat.

  • Het kabinet komt met voorstellen de ruimtelijke ordening meer over te laten aan provincies en gemeenten.

  • Het toezicht en de regie op het gebied van ruimtelijke ordening en volkshuisvesting gaat naar de provincies.

Milieu

Het behoud en de verbetering van een gezonde leefomgeving voor nu en later vraagt duurzame antwoorden op de omgang met fossiele brandstoffen en de druk van milieuvervuiling op lucht, water en bodem. Bij nieuwe regelgeving is een gelijk speelveld in de EU en de wereld belangrijk. De aanpak van de druk op leefomgeving en milieu is niet alleen een zaak van de overheid maar biedt ook kansen aan economische groei en ontwikkeling. Bedrijven dragen bij aan een beter milieu en maken winst door op dit gebied nieuwe producten te ontwikkelen en hun export te vergroten. Het innovatiebeleid bevordert dit.

  • Het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit wordt verder uitgevoerd met uitzondering van de maatregelen die samenhangen met de kilometerheffing.

  • Het kabinet zet in op een gelijk speelveld in Europa met betrekking tot de normen ten aanzien van emissies, geluid en trillingen van voertuigen, openbaar vervoer, luchtvaart en scheepvaart om het woon- en leefmilieu minder te belasten.

  • De fiscale stimulering van de aanschaf en het leasen van milieuvriendelijke auto’s wordt voortgezet met een meer transparante tariefstelling en toespitsing op absolute milieuprestaties.

  • De kwaliteit van oppervlaktewater wordt verbeterd, met name in stedelijke gebieden.

  • Bij de verwerking en het beheer van afval gaan overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen nauwer samenwerken.

  • Het kabinet komt met voorstellen de milieuregelgeving te vereenvoudigen en te moderniseren en de Crisis- en herstelwet permanent te maken.

8. Onderwijs

Nederland heeft de ambitie om te behoren tot de top vijf van kenniseconomieën.

Dit vraagt om versterking van de kwaliteit van het onderwijs en bevordering van hogere prestaties.

In alle opleidingen komt de kerntaak van het geven van goed onderwijs in voldoende contacturen centraal te staan. Management en staf zijn hieraan dienstbaar. Vakmensen moeten hun vak kunnen uitoefenen. De overhead wordt beperkt, er komt meer ruimte voor vakmanschap in het onderwijs. Om te komen tot meer excellent onderwijs is meer structuur en focus op kennis nodig. Er wordt toegewerkt naar een absolute kwaliteitsnorm waarbij de toegevoegde waarde zwaarder meeweegt. Ieder talent telt, of het nu jongeren betreft met een beperking, de gouden handen in het beroepsonderwijs of de knappe koppen op de universiteit. Presteren is geen vies woord maar een noodzakelijke voorwaarde. Iedereen in het onderwijs wordt hierop aangesproken: ouders, leraren, leerlingen en schoolbestuurders: de basis op orde, de lat omhoog. De aansluiting tussen de verschillende vormen van onderwijs wordt verbeterd.

De gebouwen, infrastructuur en faciliteiten in het onderwijs worden in weekeinden en vakanties meer gebruikt voor opleidings- en scholingsactiviteiten zoals zomerscholen en leven lang leren-activiteiten. Op adviesraden en instituten vindt een efficiencykorting plaats via de bijdrage aan deze instellingen die niet raakt aan het primaire onderwijsproces maar de bestuurlijke drukte en overbodige stapeling van instituties in het onderwijs terugdringt.

De prioriteiten binnen de onderwijsbegroting worden herschikt ten gunste van de kwaliteit van het onderwijs.

De basis voor de kenniseconomie wordt in elk deel van het onderwijs op orde gebracht. De kerntaak van basisscholen ligt bij taal en rekenen.

  • Kinderen met een grote taalachterstand gaan met dwang en drang deelnemen aan vroeg- en voorschoolse educatie.

  • Ouders zijn mede verantwoordelijk (ook financieel) voor de taalontwikkeling van hun kinderen.

  • De keuze voor pakket, loopbaan of studie wordt vereenvoudigd, onder meer door doorlopende leerlijnen, het volgen van lessen en colleges in vervolgonderwijs en studiekeuzegesprekken.

  • Er komen verplichte leerlingvolgsystemen met uniforme toetsen in het primair en voortgezet onderwijs.

  • Scholen gaan roosters zonder tussenuren maken en voorkomen lesuitval.

  • Het aantal voortijdig schoolverlaters wordt door het programma «Aanval op de uitval», het pakket aan extra maatregelen dat schooluitval actief bestrijdt, teruggebracht tot hoogstens 25 000.

  • Het kabinet komt met een actieplan tegen laaggeletterdheid.

De prestaties in het onderwijs gaan omhoog. Jongeren worden op alle niveaus voorbereid op een meer internationale arbeidsmarkt. Er komen meer goede en professionele leerkrachten.

  • De toegevoegde waarde (leerwinst) gaat zwaarder wegen bij de beoordeling van scholen en instellingen waarbij scholen ook het predicaat excellent kunnen verdienen.

  • Het programma Leerkracht van Nederland, het actieplan om het lerarentekort aan te pakken en de kwaliteit en positie van leraren te versterken, wordt voortgezet.

  • Er komt meer ruimte voor prestatiebeloning, zowel van personen als van teams.

  • De kwaliteitsverhoging van de lerarenopleiding wordt voortgezet.

  • In de PABO komt differentiatie die leidt tot een brede bevoegdheid voor de hele basisschool maar een specifieke bekwaamheid voor het jongere of oudere kind

  • Binnen een jaar komt de sector met een beroepsregister waarbij de inschrijving is gekoppeld aan een periodiek bijscholingsvereiste

Het hoger en wetenschappelijk onderwijs heeft een kwaliteitsimpuls nodig. Het is van groot belang dat Nederlandse studenten veel beter onderwijs krijgen zodat zij beter zijn voorbereid op de arbeidsmarkt. Nederland moet excellente docenten en studenten kunnen aantrekken en Nederlandse toppers kunnen vasthouden. Belangrijk wetenschappelijk onderzoek moet in Nederland kunnen worden gedaan. Ook het omzetten van de resultaten van dit onderzoek naar de markt moet worden verbeterd.

  • Maatregelen en geld zijn nodig om een forse kwaliteitsimpuls te kunnen geven. Dit kabinet maakt geld vrij om het primaire onderwijsproces te versterken. Ten behoeve daarvan zijn met name die onderdelen van de begroting, die niet bijdragen aan het primaire proces, geschrapt of verminderd.

  • Ook aan de student wordt een investering gevraagd in zijn eigen toekomst, in ruil voor veel beter onderwijs. Daarom wordt voor de masterfase een sociaal leenstelsel ingevoerd. De opbrengsten hiervan komen geleidelijk vrij en zullen dus ook geleidelijk in de kwaliteit van het onderwijs worden geïnvesteerd

  • Het kabinet bevordert dat onderzoek plaatsvindt in samenwerking met bedrijfsleven, overheid en universiteiten

  • Het opzetten van bedrijfjes bij universiteiten wordt bevorderd.

  • Het rapport van de commissie Toekomstbestendigheid hoger onderwijs (commissie-Veerman) wordt uitgevoerd, met inbegrip van ruimte voor selectie, op kwaliteit gerichte bekostiging met minder perverse financiële prikkels en het stimuleren van excellentie.

  • De basisbeurs en aanvullende beurs blijven bestaan in de bachelorfase.

  • Om het studierendement te verhogen zal van langstudeerders een hoger collegegeld worden gevraagd.

  • De numerus fixus zal binnen vijf jaar worden afgeschaft.

  • Er komt meer ruimte voor specialisatie van onderwijsinstellingen, zo kunnen instellingen uitgroeien tot topinstelling op een bepaald gebied.

  • De doelmatigheid van de kennisinfrastructuur wordt verbeterd door besparing op systeemkosten, het tegengaan van versnippering en bevordering van samenwerking.

Er zijn betere vakmensen nodig voor de 21e eeuw. Waar mogelijk wordt de oriëntatie in het onderwijs op ondernemerschap en arbeidsmarkt versterkt door samenwerking met het bedrijfsleven.

  • Meer mensen die werkzaam zijn in het bedrijfsleven gaan tegelijk les geven op scholen.

  • Binnen de daarvoor geschikte vakken komt meer aandacht voor ondernemerschap.

  • Het MBO zoekt meer aansluiting bij de arbeidsmarkt en biedt geen nieuwe opleidingen aan die daar niet bij passen.

  • Bij de bekostiging van het beroepsonderwijs zal de tevredenheid van het bedrijfsleven worden meegewogen.

  • MBO-1 wordt betrokken bij de ontwikkeling van werkscholen.

  • De drempelloze instroom in MBO-2 verdwijnt.

  • Het VMBO-MBO2 experiment wordt structureel voortgezet en uitgebreid waardoor meer ruimte ontstaat voor vakcolleges.

  • Bij selectieve doorstroom van MBO naar HBO wordt de centrale examinering van kernvakken betrokken.

Aan de vrijheid van onderwijs zoals gewaarborgd door art. 23 Grondwet, wordt niet getornd. Dit neemt niet weg dat (zeer) zwakke scholen sneller, binnen een jaar, het onderwijsproces op orde moeten hebben. Zo niet, dan wordt tot sluiting overgegaan. Uit onderzoek is gebleken dat het islamitisch onderwijs zwakke kanten kent qua bestuurskracht, onderwijskwaliteit, burgerschapsvorming (rechtsstaat) en rechtmatigheid van de besteding van middelen. Uit onderzoek is verder gebleken dat ook scholen met een radicaal vernieuwend onderwijsconcept deze problemen kennen. Deze scholen zullen dus sneller met sluiting geconfronteerd worden. Bij de beoordeling weegt eveneens zwaar hoe scholen aandacht geven aan integratie. Scholen worden gestimuleerd contracten te sluiten met ouders over bijvoorbeeld het meedoen aan oudergesprekken, tegengaan van verzuim en spijbelen, fatsoenlijk gedrag en het spreken van Nederlands op school.

Cultuur

De overheid schept condities op het gebied van kunst en cultuur die de kwaliteit verhogen en de toegankelijkheid waarborgen. Uitgangspunt is dat in alle regio’s een hoogwaardig cultureel aanbod blijft bestaan. Het kabinet wil meer ruimte geven aan de samenleving en het particulier initiatief en de overheidsbemoeienis beperken. Kunst en cultuur zijn tenslotte ook van en voor de samenleving. Bij verstrekking van subsidies wordt voortaan eerst gekeken naar de mogelijkheden eigen inkomsten te verwerven. Er komt meer aandacht voor de verdiencapaciteit van cultuur.

  • Er wordt bezuinigd op de middelen voor kunst en cultuur.

  • De cultuurkaart en de innovatie- en matchingregeling worden geschrapt.

  • Met name de fondsen worden samengevoegd en omgevormd tot een cultureel investeringsfonds.

  • Het kabinet komt met een voorstel voor een «Geefwet».

  • Culturele instellingen en kunstenaars worden meer ondernemend en gaan een groter deel van hun inkomsten zelf verwerven.

  • De creatieve industrie draagt door innovatie bij aan economische ontwikkeling.

Behoud en onderhoud van monumenten blijven taken van de overheid. Hierbij verdient herbestemming de aandacht, evenals behoud van het religieus erfgoed. Actieve cultuurparticipatie blijft ook van belang, met name bij de beoefening van amateurkunst en volkscultuur en bij bibliotheekbezoek. De uitgaven aan behoud en beheer van cultureel erfgoed, bibliotheken en het Nationaal Archief worden zoveel mogelijk ontzien.

Internet

Het kabinet bevordert een vrij en open internet.

Media

De publieke omroep heeft als opdracht dat er een kwalitatief hoogwaardig programma-aanbod is voor een breed publiek. Omroepverenigingen en hun leden waarborgen de pluriformiteit van het bestel.

Dit bestel wordt doelmatig, open en bestuurbaar gehouden.

  • Er wordt bezuinigd op de publieke omroep zonder de kwaliteit aan te tasten. Indien hierdoor het aanbod verschraalt vervalt er een televisienet.

  • Themakanalen worden alleen uit de eigen middelen van omroepen gefinancierd.

  • Waar mogelijk vindt een bundeling of nauwere samenwerking van omroepverenigingen plaats.

  • De Nederlandse Publieke Omroep (NPO) krijgt een taakstellende bezuiniging en reduceert bureaucratie, management en coördinatie in de verhouding met de omroepen en laat hen meer ruimte. De NPO beperkt zich tot audiovisuele taken.

  • Het muziekcentrum voor de omroep wordt afgeschaft.

  • De Wereldomroep richt zich op zijn kerntaken waaronder het brengen van het vrije woord en wordt gefinancierd uit de begroting voor Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking

  • De beschikbaarheid van programmagegevens wordt verruimd.

  • Landelijke en regionale publieke omroepen worden meer geïntegreerd, bijvoorbeeld door regionale vensters op een landelijk net. Besparingen komen ten goede aan de regionale omroep.

Het kabinet komt met voorstellen voor de volgende concessieperiode die ingaat in 2015 ten aanzien van het aantal netten, de vorm van lidmaatschap van de omroepverenigingen en de bovengrens van 400 000 leden.

9. Ouderenzorg

Steeds meer mensen worden ouder en blijven langer gezond en dat is mooi. Echter door de vergrijzing worden steeds meer ouderen vroeg of laat afhankelijk van zorg. Zij vallen terug op hun sociale netwerken en op collectief georganiseerde zorg. De zorg staat onder druk. De kosten lopen op en forse personeelstekorten dienen zich aan. We zijn het echter aan de ouderen die ons land hebben opgebouwd verplicht om zorg te dragen voor een goede oude dag, voor kwalitatief goede en toegankelijke zorg. Voor een sterke vermindering van uitdroging, doorligwonden en ondervoeding en voor een einde aan 24-uursluiers. Hiervoor is een compact kwalitatief programma voor de ouderenzorg samengesteld. We willen (veel) meer zorgmedewerkers, meer (bij)scholing, meer rechten, meer en betere kwaliteitsnormen, een sterkere Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), minder overhead, minder regeldruk, meer buurtzorg, kleinere zorginstellingen en meer maatregelen tegen ouderenmishandeling.

Binnen de gezondheidszorg verdienen ouderen, langdurig zieken en gehandicapten bijzondere aandacht. Het gaat om mensen die thuis afhankelijk zijn van zorg of mensen die in instellingen moeten wonen. De wensen en (on)mogelijkheden van deze mensen en hun omgeving zijn leidend. Mensen hebben behoefte aan zorg op buurt- en wijkniveau. De huisarts en de wijkverpleging staan daarin centraal. De schaal van de instellingen moet terugkeren naar de menselijke maat. De instellingen voor ouderenzorg krijgen meer financiële ruimte en kunnen weer investeren in kwaliteit van zorg en zorgpersoneel. Instellingen worden zo gestimuleerd om aan hoge kwaliteitsstandaarden te voldoen. Instellingen die onder de maat presteren zal de Inspectie hard aanpakken. De rechten van de patiënten in de instellingen worden uitgebreid.

• Een betere ouderenzorg

Het kabinet streeft naar verbetering van de kwaliteit van de ouderenzorg. Hiervoor is bijna 1 miljard euro vrijgemaakt. De zogenaamde zorgzwaartepakketten, inclusief de opleidingen, worden kostendekkend gemaakt. Zo krijgen zorginstellingen meer financiële armslag. Hierdoor kunnen 12 000 extra medewerkers aan het werk voor de dagelijkse verzorging van onze ouderen en gehandicapten. Daarnaast zal geïnvesteerd worden in de kwaliteit van zorg en personeel.

• Kwaliteit van instellingen voor ouderenzorg

Om de kwaliteit van de instellingen te verbeteren zal het veld ondersteund worden bij het opstellen van normen en het uitwisselen van best practices. Intercollegiale toetsing zal worden bevorderd. Er wordt daartoe een kwaliteitsinstituut opgericht ter ondersteuning van de instellingen in de ouderenzorg. Normen uit kwaliteitsprogramma’s die zich inmiddels bewezen hebben, zoals onder andere programma tegen doorliggen en ondervoeding, worden sectorbreed ingevoerd door ze op te nemen in de kwaliteitsnormen van de IGZ. Normen uit toekomstige nieuwe kwaliteitsprogramma’s moeten, zodra zij zich bewezen hebben, ook onderdeel worden van de kwaliteitsnormen van de IGZ.

• Patiëntenrechten

De rechten van patiënten worden versterkt. Hierbij is het uitgangspunt dat de rechten individueel afdwingbaar dienen te zijn, maar dat tevens geborgd moet worden dat er sprake is van redelijkheid en billijkheid bij de uitvoering van deze rechten. Dit wordt geregeld via een Wet Cliëntenrechten Zorg. Daarnaast komt er voor bewoners van instellingen een specifieke Zorginstellingen Beginselenwet die concrete rechten voor bewoners van zorginstellingen regelt zoals het recht om elke dag te douchen en dagelijks desgewenst enige tijd in de buitenlucht door te brengen.

• Inspectie voor de Gezondheidszorg

Het toezicht op de instellingen voor ouderenzorg wordt anders vormgegeven. Raden van Bestuur worden expliciet verantwoordelijk en aanspreekbaar op het functioneren van hun instellingen. De Inspectie voor de Volksgezondheid zal minder papieren verantwoording vragen en meer inspectie op de werkvloer uitvoeren. (Zware) Sancties volgen bij geconstateerde onregelmatigheden. De inspectie krijgt naast de reeds bestaande bevoegdheid van het uitdelen van boetes, ook de bevoegdheid een bevel te geven bij een structurele situatie van onverantwoorde zorg.

Bij goed presterende instellingen kan worden volstaan met toezicht door de IGZ op het systeem dat instellingen zelf hanteren voor het bewaken van kwaliteit. Interne systemen van goed presterende instellingen zorgen voor permanente feed back over de kwaliteit van de instelling. Klachten kunnen door de instelling zelf worden afgehandeld, bijvoorbeeld door gebruikmaking van een externe klachtencommissie.

Bij minder goed of slecht presterende instellingen zal de inspectie streng moeten toezien op de instelling zelf. De inspectie zal inspecteren op de werkvloer, ook via onaangekondigde bezoeken waarbij bijvoorbeeld mystery guests ingezet kunnen worden.

Naast het reguliere klachtenrecht komt er een mogelijkheid om bij ernstige klachten over persoonlijke verzorging en persoonlijke bejegening direct bij de IGZ te kunnen klagen. De inspectie komt bij zeer ernstige klachten onmiddellijk in actie (niet pas bij een structureel patroon van klachten). Men heeft altijd de mogelijkheid om bij de individueel geschonden rechten naar de rechter te stappen.

• Buurtzorg

De thuiszorg heeft flinke problemen zoals kwaliteitsverlies, vergrijzing, stijgende kosten en gebrek aan personeel. Buurtzorg richt zich niet op productie of het aantal uren zorg maar op duurzame zorguitkomsten: gezondheidswinst, oplossingen voor de cliënt, kwaliteit van leven en zorgonafhankelijkheid. Een belangrijk deel van de activiteiten van buurtzorg is de inschakeling van en afstemming met andere zorgprofessionals. De huisarts en de wijkverpleegkundige zijn hierin de belangrijkste schakels. Hij of zij weet wat er speelt en houdt alles scherp in de gaten. Buurtzorg is effectiever, het aantal uren per cliënt per jaar is lager, de doorlooptijd is korter en de hoeveelheid ongeplande zorg is lager. Naast «beter» is buurtzorg ook «goedkoper».

• Kleinere zorginstellingen

Het kabinet zal bevorderen dat er kleinere zorginstellingen komen. Een optimale schaalgrootte van zorginstellingen zorgt voor meer efficiëntie, lagere kosten, meer integraliteit, hogere klanttevredenheid en betere zorg. Het kabinet zal zorgen dat de schaalgrootte van zorginstellingen optimaliseert. Het ontstaan van zorggiganten wordt teruggedrongen.

Maatregelen die de kleinschaligheid kunnen bevorderen zijn ondermeer:

  • Een zorgspecifieke fusietoets door de IGZ en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) voorafgaand aan een eventuele mededingingstoets door de Nederlandse Mededigingsautoriteit (NMa).

  • De bevoegdheid van IGZ om een zorginstelling op te splitsen vanwege kwaliteitsargumenten. Hiertoe moet de relevante wetgeving (o.a. de Kwaliteitswet, het rechtspersonenrecht) worden gewijzigd.

• Minder overhead

Het kabinet streeft ernaar de overhead in de gezondheidszorg substantieel terug te dringen. Daartoe zal een normering per sector worden vastgesteld. In de gezondheidszorg hoort niet het management maar de uitvoering – en dus de werkvloer – centraal staan te staan. Het moet mogelijk zijn carrière te maken op de werkvloer. De verpleging en verzorging moeten hun vak terug krijgen zonder overbodige administratieve belasting. Het kabinet is bovendien voornemens een experiment met regelarme zorginstellingen te starten. Daartoe zal een inventarisatie worden gemaakt van regels in de zorg die afgeschaft kunnen worden en waarvan twijfel is over de noodzaak. De opbrengsten van het terugdringen van de overhead gaat terug naar de zorginstelling.

• Stop ouderenmishandeling

Het kabinet zal extra maatregelen nemen om ouderenmishandeling tegen te gaan, zoals een verplichte verklaring omtrent gedrag voor betaald zorgpersoneel.

Er komt een richtlijn ouderenmishandeling.

Het project stop ouderenmishandeling wordt voortgezet.

Er komt een meldplicht voor ouderenmishandeling.

Systeemkeuzes in de AWBZ

  • Omschakeling van handelingsfinanciering naar uitkomstfinanciering voor de AWBZ

    De huidige wijze van financiering per handeling in de AWBZ wordt veranderd in financiering op resultaat. Zo komt de behoefte van de patiënt centraal te staan. Dit leidt tot meer innovatie, minder bureaucratie op de werkvloer (zoals minutenregistraties), betere kwaliteit en meer doelmatigheid.

  • Wettelijke verankering persoonsgebonden budget

    Het persoonsgebonden budget (PGB) biedt cliënten een grote keuzevrijheid om de zorg in te richten zoals zij dat willen. Om dit recht onverkort te handhaven wordt de PGB-subsidieregeling opgeheven en worden PGB’s wettelijk verankerd, met in achtneming van bestaande financiële kaders.

  • Scheiden wonen en zorg

    In de AWBZ wordt overgegaan tot het scheiden van wonen en zorg. Hierdoor krijgen bewoners meer keuzevrijheid. Zorginstellingen zullen zich beter gaan richten op de woonwensen van cliënten. Ter compensatie van de extra woonlasten, wordt de huidige intramurale eigen bijdrage verlaagd. Bewoners die de woonlasten financieel niet kunnen dragen, komen in aanmerking voor de huurtoeslag. Voorwaarde voor de invoering is dat de achterblijvende partner op woonlasten niet financieel achteruit gaat ten opzichte van het huidige systeem en er voldoende eenpersoonskamers beschikbaar zijn.

  • Overhevelen functies dagbesteding en begeleiding naar de wet maatschappelijke ondersteuning

    De functies dagbesteding en begeleiding kunnen het best dichtbij de cliënt geregeld worden. Zij passen daarom beter binnen de systematiek van de wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) dan bij de AWBZ. De gemeente kent deze mensen en hun situatie beter dan de logge zorgkantoren. Daarom worden de functies dagbesteding en begeleiding overgeheveld van de AWBZ naar de Wmo.

  • Aansturing AWBZ

    Binnen de AWBZ vindt een aantal hervormingen plaats. Verzorging, verpleging, intramurale geestelijke gezondheidszorg en gehandicaptenzorg blijven onderdeel van de AWBZ. Momenteel wordt gewerkt met zorgkantoren per regio. Hun taken en de risico’s zullen door de zorgverzekeraars worden overgenomen. Dit zorgt er voor dat patiënten qua medische zorg nog maar met één loket te maken hebben. Het zorgt voor doelmatigheidsprikkels doordat zorgverzekeraars de instellingen zullen controleren op efficiency en kwaliteitsverbetering.

10. Veiligheid

Veiligheid is een kerntaak van de overheid. Randvoorwaarde voor vrijheid en vertrouwen is een omgeving die niet onveilig is en waar geen gevoelens van onveiligheid heersen. Het moet veiliger worden op straten, in wijken en de openbare ruimte. Het daadkrachtig aanpakken van straatterreur, overlast, intimidatie, agressie, geweld en criminaliteit vraagt om een zichtbaar, gezaghebbend en doortastend optreden van politie en justitie.

Overlast, agressie, geweld en criminaliteit worden directer en effectiever aangepakt.

  • Het kabinet komt met een voorstel tot verruiming van de mogelijkheid tot preventief fouilleren.

  • Het kabinet komt met een voorstel dat zwaardere straffen stelt op geweld tegen politie, brandweer, ambulancepersoneel en andere gezagsdragers.

  • Er komt meer cameratoezicht.

Grensoverschrijdend gedrag van risicojongeren, individueel en in bendes, wordt teruggedrongen, ook door consequent lik op stuk te geven, zoals door oppakken, berechten en direct straf ten uitvoer brengen. Waar mogelijk wordt snelrecht toegepast (o.a. night courts)

  • Voor een zinvolle en effectieve aanpak van deze groep wordt gezocht naar een combinatie van straf, verwijdering van de straat, uitvoering van opgedragen werkzaamheden en heropvoeding vanuit het verblijf thuis en op school. Deze strafdienstplicht wordt bijvoorbeeld opgelegd bij vernieling, bedreiging en vermogensdelicten. Ook het betalen van schadevergoeding, afnemen van crimineel verkregen bezit of winsten, aansprakelijk stellen van de ouders en een meldingsplicht op het politiebureau kunnen deel uitmaken van deze maatregel. Bij onvoldoende medewerking of recidive kan de strafdienstplicht worden aangevuld met nachtdetentie. De aanpak is gericht op resocialisatie van de dader ten behoeve van onderwijs en arbeidsparticipatie. De veiligheidshuizen kunnen hierbij een rol vervullen.

  • Het kabinet zal een voorstel voorbereiden voor een adolescentenstrafrecht voor de groep van 15 tot 23 jaar.

  • Kinderen die jonger zijn dan twaalf jaar en overlast veroorzaken of criminaliteit plegen worden zo vroeg mogelijk in beeld gebracht zodat hun probleemgedrag direct en tijdig behandeld kan worden. Hun ouders worden eerder en meer financieel aansprakelijk gesteld. Dit geldt ook in het geval van oudere kinderen.

Het kabinet komt met voorstellen om in het volwassenenstrafrecht minimumstraffen in te voeren voor de gevallen waarin een persoon binnen tien jaar opnieuw wordt veroordeeld voor een misdrijf waarop wettelijk een maximumstraf van twaalf jaar of meer is gesteld. De rechter kan in individuele, zeer specifieke omstandigheden van het geval gemotiveerd afwijken van de minimumstraf. In een wetsvoorstel zullen deze specifieke omstandigheden worden uitgewerkt, evenals de hoogte van de minimumstraf per delict. Bij recidive wordt als minimumstraf tenminste de helft van het maximum van de gevangenisstraf opgelegd die naar de wettelijke omschrijving op het betreffende delict als maximumstraf is gesteld.

Daders moeten in hun eigen omgeving worden aangepakt. Veiligheidshuizen spelen hierbij een belangrijke rol. De veiligheidshuizen, samenwerkingsverbanden van verschillende organisaties, gaan dadergericht te werk bij het terugdringen van overlast, huiselijk geweld en criminaliteit. De voordelen van deze wijze van preventief werken hebben tot goede resultaten geleid. De veiligheidshuizen zullen worden voortgezet en verder ontwikkeld.

Sluiting van instellingen waarin strafbare feiten zijn gepleegd door oproepen en aanzetten tot geweld is nodig en zal zoveel mogelijk worden bevorderd door inzet van de beschikbare middelen.

Het kraakverbod wordt actief en prioritair gehandhaafd.

De veiligheid in het openbaar vervoer wordt verbeterd. Werkgevers in het openbaar vervoer nemen de aangifte over van werknemers die het slachtoffer van geweld zijn geworden. Dit geldt ook voor andere publieke sectoren zoals scholen, ziekenhuizen, brandweer en ambulance.

Dierenmishandeling wordt harder aangepakt, onder meer door 500 animal cops (dierenpolitie).

Er komt een apart alarmnummer voor dieren in nood en dierenmishandeling waaraan ook de dierenambulance zal worden gekoppeld (bijvoorbeeld 1-1-4 «red een dier»).

Overlast en criminaliteit die verband houden met prostitutie en de handel in verdovende middelen worden teruggedrongen.

  • Coffeeshops worden besloten clubs die alleen voor meerderjarige inwoners van Nederland toegankelijk zijn op vertoon van een clubpas.

  • Er komt een afstand van tenminste 350 meter tussen scholen en coffeeshops.

  • De minister verscherpt het landelijk beleid en ziet erop toe dat gemeenten het afstandscriterium en de overige relevante delen van het landelijk beleid in hun vergunningen handhaven.

  • Het kabinet komt met voorstellen zwaardere straffen te stellen op de (voorbereiding van) in- en uitvoer, teelt en (georganiseerde) handel van drugs en tot aanpassing van het onderscheid tussen harddrugs en softdrugs.

  • Vanwege de vrouwenhandel en vrouwenuitbuiting (loverboys-problematiek) gaat de minimumleeftijd voor prostituees omhoog naar 21 jaar. Vrouwenhandel wordt intensiever opgespoord en harder aangepakt. De bestuurlijke aanpak wordt onder meer via de BIBOB-wetgeving geïntensiveerd.

Zware delicten als gewelds- en zedendelicten zijn niet alleen zeer ingrijpend en traumatisch voor de slachtoffers en hun naaste omgeving, met name als het toegebrachte leed onherstelbaar is, maar zij raken ook in brede zin het vertrouwen in de rechtsorde en de veiligheidsbeleving van burgers. De bescherming van de samenleving tegen de daders maakt toereikende (gevangenis)straffen en maatregelen daarom noodzakelijk.

  • Bij ernstige gewelds- en zedendelicten wordt verzekerd dat de persoon na zijn veroordeling in eerste aanleg en hangende beroep of cassatie in hechtenis blijft of wordt genomen.

  • Bij het oplossen van cold cases wordt herziening ten nadele (wetsvoorstel 32 044) mogelijk met terugwerkende kracht en tegelijkertijd ook voor de delicten doodslag en gewelds- en zedendelicten met dodelijke afloop. Daartoe worden, indien noodzakelijk, de verjaringstermijnen voor doodslag en enige andere gewelds- en zedendelicten aangepast.

  • Het kabinet komt met voorstellen tot verlenging van de verjaringstermijn van ernstige gewelds- en zedendelicten.

  • De instroom in de TBS wordt beperkt, zonder de risico’s voor de samenleving uit het oog te verliezen.

  • De longstay-afdelingen worden versoberd indien dit niet leidt tot onbeheersbaarheid

  • In aansluiting op de reeds voorgenomen aansluiting van GGZ op het justitieel traject komt er een onderzoek naar permanent toezicht op zedendelinquenten die de TBS-behandeling hebben afgerond.

  • De aanwijzingsbevoegdheid van de bewindspersoon wordt vergroot en de contracten met particuliere TBS-instellingen en GGZ-instellingen worden versoberd zonder de risico’s voor de samenleving uit het oog te verliezen.

  • Het kabinet komt met een voorstel dat inhoudt dat een TBS-gestelde bij onttrekking aan zijn verlof tenminste een jaar lang geen verlof krijgt tenzij zwaarwegende persoonlijke omstandigheden zich daartegen verzetten.

  • Indien een dader taakstraffen of maatregelen niet voltooit of voorwaarden bij voorwaardelijke straffen niet nakomt, wordt zoveel mogelijk verzekerd dat vrijheidsbeneming van de dader volgt.

Daders worden harder aangepakt, slachtoffers krijgen een sterkere positie.

  • De ondersteuning van slachtoffers wordt verbeterd.

  • Er komt een beslagtitel in het strafrecht om in een vroeg stadium beslag te leggen op middelen van verdachten die onder meer ten goede kunnen komen aan de schadevergoeding en proceskosten van slachtoffers.

  • In een aanwijzing aan het Openbaar Ministerie en politie wordt vastgelegd dat personen die zichzelf in eigen huis of bedrijf verdedigen tegen overvallers of inbrekers niet worden geconfronteerd met een aanhouding tenzij de rechter-commissaris op vordering van het OM besluit tot inbewaringstelling van de zelfverdediger omdat er duidelijke aanwijzingen zijn van eigenrichting.

Er komt een intensivering van de snelheidscontroles als de verkeersveiligheid in het geding is. Bij substantiële snelheidsovertredingen volgen zwaardere boetes.

De politie gaat effectiever functioneren ten behoeve van de veiligheid van burgers en dieren.

  • Het kabinet breidt de operationele sterkte van de politie uit met 3000 agenten, waaronder 500 animal cops (dierenpolitie) voor het bestrijden van dierenmishandeling. Ook de recherche en de justitiële keten worden uitgebreid.

  • Bij de vorming van gecombineerde teams van de politie en andere diensten zal de krijgsmacht vaker worden ingezet.

  • De aanrijtijden van de politie worden verbeterd, zowel in de stedelijke gebieden als in de gebieden daarbuiten.

  • Het kabinet komt met richtlijnen of, zo nodig, regelgeving om te verzekeren dat burgers overal snel en eenvoudig aangifte kunnen doen en tijdig informatie ontvangen over wat er met hun aangifte gebeurt.

  • Bonnenquota verdwijnen en worden niet door iets vergelijkbaars vervangen

  • Bij de vaststelling van de landelijke en regionale prioriteiten in jaarplannen komt in de prioritering meer nadruk te liggen op de lokale knelpunten in de buurten en wijken.

Er komt een nationale politie onder verantwoordelijkheid van de minister die belast is met de zorg voor veiligheid. De minister wordt eindverantwoordelijk voor het beheer. Er komen tien politieregio’s waarbij de grenzen van de tien arrondissementen van de gerechtelijke kaart leidend zijn. De burgemeester blijft verantwoordelijk voor de openbare orde, capaciteitsinzet voor lokale taken en het vergunningenbeleid. Bij geschillen in een regio over de inzet van de politie wordt de beslissing genomen door de regioburgemeester bij wie het gezag berust, gehoord de regionale hoofdofficier van justitie en de regionale politiechef. De regioburgemeester (de burgemeester van de grootste gemeente in de regio) stemt daartoe af met de burgemeesters in de regio. Bij geschillen over de inzet van de politie die de regio overstijgen, beslist de minister of degene die hij daartoe gemandateerd heeft. In de regio’s beslist de driehoek over de inzet waarbij de burgemeester een beslissende stem heeft. Het wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet (30 880) wordt aangepast aan het voorgaande.

De organisatie van de politie wordt efficiënter en effectiever.

  • De duur van de opleiding van de politie wordt beperkt met behoud van kwaliteit.

  • Het kabinet komt met voorstellen tot aanpassing van de Arbeidstijdenwet en de Landelijke Arbeidstijdenregeling politie die het voor de politie mogelijk maken eenvoudiger meer ruimte te vinden voor uitvoering van de primaire taken.

  • Bureaucratie, overhead en procedures worden teruggedrongen. Er komt meer ruimte voor het vakmanschap van de politie. Dit leidt tot meer blauw op straat.

Het kabinet komt met een voorstel inzake doorberekening van veiligheidskosten voor vergunningplichtige commerciële evenementen van incidentele aard.

Er komt een uitbreiding van het dynamische systeem van maximumsnelheden.

De maximumsnelheid op autosnelwegen gaat omhoog naar 130 km/u. Ook op andere wegen wordt de maximumsnelheid herbeoordeeld. Indien nodig voor de luchtkwaliteit, geluidsbelasting of verkeersveiligheid geldt een lagere maximumsnelheid.

Zodra de speekseltests naar drugs betrouwbaar zijn, worden deze ingezet om het gebruik van drugs in het verkeer terug te brengen.

Voertuigherkenning draagt bij aan preventie en vereenvoudiging van opsporing en vervolging van strafbare feiten en aan de handhaving van fiscale verplichtingen. Hiertoe komt er een bredere inzet van systemen van automatische nummerplaatherkenning.

Het kabinet zal privatisering voorbereiden van voor het gevangeniswezen relevante taken met het oog op versobering en kosteneffectiviteit. Hierbij betrekt het kabinet de resultaten van de onderzoeken die in 2005 en 2009 zijn verricht naar de privatisering van het gevangeniswezen in het Verenigd Koninkrijk.

De informatieveiligheid en bescherming van persoonsgegevens worden verbeterd.

  • Voorgenomen maatregelen inzake opslag, koppeling en verwerking van persoonsgegevens worden zoveel mogelijk voorzien van een horizonbepaling en bij de voorbereiding nadrukkelijk getoetst aan effectiviteit.

  • Het kabinet komt met een voorstel voor een meldplicht voor alle diensten van de informatiemaatschappij, waaronder de overheid, in geval van verlies, diefstal of misbruik van persoonsgegevens waarbij alle datalekken worden gemeld aan de nationale toezichthouder die boetes kan opleggen indien de meldplicht niet wordt nageleefd.

  • Het toezicht op grootschalige informatiseringsprojecten en het oplossen van automatiseringsproblemen wordt structureel aangescherpt.

  • Het kabinet komt met een integrale aanpak van cybercrime.

11. Werk en sociale zekerheid

De economische crisis en oplopende begrotingstekorten maken hervormingen en bezuinigingen noodzakelijk. Het kabinet kiest voor maatregelen die eraan bijdragen dat iedereen zo veel mogelijk naar vermogen participeert in de samenleving. Doel is om mensen perspectief te geven op werk en inkomen, het draagvlak te versterken onder onze sociale voorzieningen en het bestrijden van dreigende personeelstekorten. Anderzijds moet aan mensen die niet kunnen werken bestaanszekerheid worden geboden. Het beleid van het kabinet draagt bij aan herstel van werkgelegenheid en behoud van solidariteit van werkenden met uitkerings- en pensioengerechtigden.

  • Het kabinet streeft naar een sociaal akkoord met werkgevers en werknemers over de maatregelen die nodig zijn uit de crisis te komen.

  • Het kabinet bevriest de lonen in collectieve sector (exclusief zorg) in 2011.

  • Voor topinkomens in de collectieve sector wordt de hoogte van de ontslagvergoeding gemaximeerd op 75 000 euro.

De krapte op de arbeidsmarkt die in de toekomst dreigt, in combinatie met de toegenomen economische dynamiek, vraagt om mobiliteit en weerbaarheid van mensen op de arbeidsmarkt. Een grotere flexibiliteit is ook nodig om de groeiende tegenstelling tussen mensen met vaste contracten en flexwerkers (uitzendkrachten, tijdelijke contracten, zelfstandigen zonder personeel) tegen te gaan. Zelfstandigen zonder personeel leveren een belangrijke bijdrage aan ondernemerschap en dynamiek op de arbeidsmarkt.

  • Het kabinet wil bevorderen dat werkgevers en werknemers afspraken maken over scholing en langdurige inzetbaarheid. Hierdoor neemt de werkzekerheid van werknemers op een dynamische arbeidsmarkt toe.

  • Zelfstandigen zonder personeel krijgen een reële kans op overheidsopdrachten. Er komt een eenduidige definitie van zelfstandigen zonder personeel in alle wetgeving.

  • Ambtenarenrecht wordt gelijkgetrokken met het arbeidsrecht. Voor de overgang van werk naar werk voor ambtenaren moeten dezelfde voorwaarden gelden als voor werknemers in de private sector.

De krimp van de beroepsbevolking en de toename van het aantal 65-plussers maken langer doorwerken noodzakelijk. Alleen zo kan het draagvlak onder de AOW voor de toekomst worden veiliggesteld. Alleen zo voorkomen we dat grote personeelstekorten ontstaan in sectoren zoals het onderwijs, de zorg alsmede in de private sector.

  • De AOW-leeftijd wordt verhoogd naar 66 jaar.

  • Bovendien zal het kabinet een voorstel doen om in lijn met de afspraak die sociale partners onderling hebben gemaakt de AOW-leeftijd op den duur te koppelen aan de levensverwachting waarbij minimaal met worden voldaan aan de 0,7% houdbaarheidsopbrengst.

  • De fiscale bijdrage aan de pensioenopbouw via het Witteveenkader wordt in 2013 beperkt in verband met de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd.

  • Alleen CAO’s die aandacht besteden aan leeftijdsbewust personeelsbeleid en duurzame inzetbaarheid (scholing) worden algemeen verbindend verklaard.

  • Premiekorting voor werkgevers die oudere werklozen in dienst nemen en ouderen in dienst houden, wordt gehandhaafd.

  • Voor een robuust en toekomstbestendig pensioenstelsel is meer deskundigheid, versterking van intern toezicht, transparantie in beleggingen en pensioenopbouw noodzakelijk.

  • Vrijwillig langer doorwerken na de pensioengerechtigde leeftijd blijft aantrekkelijk.

Het kabinet wil mensen in staat stellen een goede balans te vinden tussen betaald werk, zorgtaken, vrijwilligerswerk, scholing en vrije tijd. Een werkelijke verhoging van de arbeidsparticipatie kan alleen worden bereikt als er genoeg mogelijkheden zijn om werk op flexibele wijze te combineren met andere activiteiten.

  • Vitaliteitsregeling. De levensloopregeling en het spaarloon worden geïntegreerd tot een regeling die ondersteunt in zorgtaken, in het volgen van scholing, het opzetten van eigen bedrijf, demotie of deeltijdpensioen. De regeling kan niet worden gebruikt voor vervroegd uitreden.

  • Tegengaan belemmeringen voor thuis- en telewerken. Stringente Arbo-regels met betrekking tot thuiswerkplekken worden opgeheven. Dit helpt ouders om werk met zorgtaken te combineren en is goed tegen de files.

  • Beperken vrijstelling van sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar. De uitzonderingsgrond in de WWB voor alleenstaande ouders wordt hersteld en de vrijlating voor het werken in deeltijd voor deze ouders wordt verruimd naar 120 euro.

Kindregelingen

Het kabinet blijft via de kinderbijslag ouders in de kosten van kinderen ondersteunen. De kindregelingen (kinderopvang en kindgebonden budget) staan in het teken van bevordering van de eigen verantwoordelijkheid van ouders. Het kabinet hecht aan goede en betaalbare kinderopvang. Na onstuimige groei van het deel dat de overheid bijdraagt aan kinderopvang, is een correctie nodig, zodat ouders proportioneel bijdragen. Ouders houden de keuze tussen georganiseerde opvang en gastouderopvang.

Werk boven uitkering

Mensen mogen niet afhankelijk worden gemaakt van een uitkering. Voorkomen moet worden dat mensen te snel worden afgeschreven en permanent langs de kant staan. In de bijstand zal een wettelijke plicht tot tegenprestatie naar vermogen komen.

Het kabinet wil toe naar één regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt, die de WWB, Wajong en de WSW hervormt. Hierdoor kunnen de gemeenten meer mensen laten participeren, budgetten gerichter en effectiever inzetten en kosten besparen. Voor jongeren die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn blijft de Wajong bestaan. Mensen met een indicatie voor een beschutte werkplek houden toegang tot de WSW. Huidige WSW-ers worden niet herkeurd en kunnen gewoon op hun WSW-werkplaats blijven werken. Arbeidsgehandicapten met een beperkte verdiencapaciteit worden zoveel mogelijk via loondispensatie aan de slag geholpen bij reguliere werkgevers. Voor deze groep is een regeling voor begeleid werken beschikbaar, met loonaanvulling tot maximaal het wettelijk minimumloon en persoonlijke voorzieningen (begeleiding, aanpassing werkplek). Overige middelen voor re-integratie worden alleen nog selectief ingezet voor kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt.

In de WWB wordt de bijstand voor inwonenden afgeschaft en wordt de toets op het partnerinkomen vervangen door een toets op het huishoudinkomen. Voor jongeren tot 27 jaar geldt dat zij werken, leren of stage lopen. De voorwaarden en sancties voor jongeren tot 27 jaar die een beroep doen op de bijstand (Wet investeren Jongeren) worden aangescherpt. Zolang men zich kan scholen, dient een beroep op studiefinanciering te worden gedaan; dat gaat boven bijstand.

  • De dubbele heffingskorting in referentieminimumloon wordt geleidelijk afgebouwd (vanaf 2012 in 20 jaar). Hierdoor wordt voorkomen dat het steeds minder aantrekkelijker wordt om vanuit de bijstand een baan te aanvaarden.

  • De inkomensgrens van gemeentelijk minimabeleid wordt genormeerd. Het is niet acceptabel dat mensen die gaan werken vanuit een uitkering er in inkomen op achteruit gaan doordat ze allerlei gemeentelijke toeslagen en voordeeltjes mislopen.

  • Bij investeren en aanbestedingen van diensten moet de Rijksoverheid net als veel gemeenten aandacht besteden aan stage- en leerwerkplekken voor kwetsbare groepen.

  • Hardere aanpak fraude uitkeringen. Fraude met uitkeringen ondermijnt de solidariteit. Onterecht verstrekte uitkeringen zullen daadwerkelijk worden teruggevorderd, ongeacht de hoogte van de fraude. Bijstandgerechtigden worden bij fraude bestraft met het inhouden van de uitkering gedurende drie maanden.

  • Het kabinet wil de regeldruk en de bureaucratie in de sociale zekerheid terugdringen door minder en gerichter toezicht door de Arbeidsinspectie.

12. Wonen

In het beleid en de regelgeving op het gebied van volkshuisvesting komt meer ruimte voor het bedrijfsleven in de bouw en voor verschillen tussen regio’s.

  • Het kabinet komt met voorstellen die meer ruimte bieden voor meegroeiwoningen, mantelzorgwoningen en meergeneratiewoningen.

  • Het kabinet voert de adviezen van de commissie Fundamentele Verkenning Bouw (commissie-Dekker) uit.

  • Het kabinet komt met voorstellen die meer ruimte bieden voor specifiek beleid in de volkshuisvesting en voor woningbouw op basis van kleinschalige, natuurlijke groei.

  • Het kabinet komt met voorstellen met meer ruimte voor maatwerk in de volkshuisvesting zodat zowel binnen steden als in kleine kernen ruimte is om in de eigen woningbehoefte te voorzien door middel van sociale stijging en doorstroming.

  • Er komt meer ruimte voor kleinschalige bouwlocaties, ook in het Groene Hart, en (collectief) particulier opdrachtgeverschap.

  • Er komt in het ruimtelijke ordeningsbeleid aandacht voor krimpregio’s. In samenwerking met krimpregio’s wordt gezocht naar maatregelen om deze regio’s nieuwe impulsen en ontwikkelingsmogelijkheden te geven.

Een vrije woningmarkt is van belang maar met steun voor degenen die het nodig hebben.

De woningcorporaties vervullen hierin een rol voor degenen die geen toegang hebben tot de koopmarkt en door investeringen van maatschappelijk belang. De sociale huursector wordt meer toegespitst op degenen die geen alternatieven hebben.

  • Het kabinet komt met voorstellen om het functioneren van woningcorporaties als ondernemingen met een maatschappelijke taak te verbeteren en het externe toezicht door een woonautoriteit te verzekeren.

  • Huurders van een corporatiewoning krijgen het recht hun woning tegen een redelijke prijs te kopen.

  • De toewijzing van sociale huurwoningen wordt stapsgewijze beperkt tot lagere inkomengroepen.

  • Voor huishoudens met een inkomen tot 43 000 euro stijgen de huren bij gereguleerde woningen niet met meer dan de inflatie.

  • De doorstroming op de huurmarkt wordt bevorderd door voor huurders van een gereguleerde woning met een huishoudinkomen van meer dan 43 000 euro een maximale huurstijging van inflatie + 5% toe te staan.

  • Samenwerking tussen woningcorporaties, thuiszorg en andere maatschappelijke organisaties wordt bevorderd door belemmerende regelgeving weg te nemen.

  • De «Vogelaarheffing» wordt afgeschaft.

Bijlage

Begrotingsbeleid

Het kabinet wil de overheidsfinanciën weer gezond maken. Door de vergrijzing, de kredietcrisis en de Europese schuldencrisis is het saneren van de overheidsfinanciën een harde noodzaak. Doen we dat niet, dan schuiven we bezuinigingen en de gevolgen daarvan voor de maatschappij en de economie simpelweg door naar de toekomst ten laste van onze kinderen. Het bezuinigingspakket biedt onderliggend uitzicht op begrotingsevenwicht. Hiermee zal Nederland naar verwachting ook voldoen aan de vereisten van het Stabiliteits- en Groeipact.

Voor het budgettair beleid wordt vastgehouden aan het trendmatige begrotingsbeleid, waarbij de uitgaven en ontvangsten worden gescheiden. Het budgettair beleid wordt aangescherpt conform de adviezen uit het dertiende rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte. Zo worden alle conjunctuurgevoelige uitgaven weer onder de kaders gebracht en wordt voorgesteld om meevallende rente-uitgaven niet tot extra ruimte te laten leiden. Daarmee worden de neerwaartse risico’s beter beheerst en kan meer zekerheid worden verkregen over het realiseren van de budgettaire doelstelling. Aan de inkomstenkant wordt gewerkt met een inkomstenkader, waardoor de automatische stabilisatie aan de inkomstenkant mogelijk wordt gemaakt.

Indien Nederland voldoet aan de MTO-doelstelling van het SGP en het feitelijk EMU-saldo bij de besluitvorming over de lastenkant in augustus meerjarig een overschot laat zien dan wordt 50% van het overschot bestemd voor aflossing van de staatsschuld en zal een lastenverlichting van 50% van het overschot boven de 0% BBP worden gegeven. Het feitelijk EMU-saldo wordt berekend inclusief de tariefverlaging, rekeninghoudend met toepassing van het vorenstaande en een behoedzame raming voor het saldo van de medeoverheden. 

Ook dragen de begrotingsregels (een nieuwe set zal gepubliceerd worden) bij aan de beheersing van de begroting. Met het oog op het beperken van risico’s worden de begrotingsregels over het verstrekken van garanties aangescherpt. Belastinguitgaven in enge zin worden beter gemonitord.

Additioneel ingrijpen is vereist wanneer het EMU-saldo zich niet ontwikkelt in lijn met de afspraken uit het Stabiliteits- en Groeipact of met budgettaire doelstellingen. Hiervan is sprake indien het geraamde EMU-saldo 1 procentpunt negatiever is dan het saldopad na doorrekening van het regeerakkoord.

De belegde ruimte in het Fonds Economische Structuurversterking (FES) van middelen op het gebied van Verkeer en Vervoer, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Duurzaamheid en Kennis/Innovatie wordt overgeheveld naar het Infrastructuurfonds respectievelijke de departementale begrotingen. Er vindt deze periode geen additionele voeding plaats van het FES. De onbelegde ruimte komt ten goede aan de algemene middelen.

Bij de budgettaire verwerking van dit akkoord zijn de bedragen in de financiële bijlage leidend. Ombuigingen worden geboekt op het betreffende begrotingshoofdstuk; intensiveringen worden aangehouden in enveloppen op de aanvullende post en jaarlijks tranchegewijs uitgedeeld.

Totaaloverzicht (in € mld, +/+ is saldoverbeterend)

2011

2012

2013

2014

2015

struc

Terugdraaien eigen betalingen zorg (MLT)

0,00

– 0,31

– 0,64

– 0,95

– 1,26

– 1,26

Ombuigingen

1,54

5,60

9,38

13,36

18,26

25,42

Intensiveringen

– 0,48

– 1,91

– 2,60

– 2,94

– 3,51

– 4,73

Lasten

0,38

0,77

1,47

2,22

1,34

2,21

Subtotaal

1,44

4,16

7,61

11,69

14,83

21,64

Aansluiting MN / MLT 2011–2015 (stand september 2010)

1,43

2,36

2,79

2,97

3,14

3,14

Totaal

2,9

6,5

10,4

14,7

18,0

24,8

Totaal budgettair

In de onderstaande tabellen is het totaal aan ombuigingen en intensiveringen per thema weergegeven.

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

A

Kleinere overheid

0,2

1,2

2,7

4,1

6,1

6,6

B

Subsidies

0,2

0,5

0,8

1,1

1,4

2,5

C

Immigratie en Integratie

0,0

0,0

0,0

0,1

0,1

0,1

D

Internationale samenwerking

0,4

0,9

0,8

1,8

1,9

1,9

E

Gematigde loonontwikkeling

0,8

0,8

0,8

0,9

0,9

0,9

F

Inkomensoverdrachten

0,0

1,5

2,7

3,6

4,3

9,0

G

Onderwijs

0,0

0,5

1,0

1,1

1,3

1,5

H

Zorg (CARE)

0,0

0,0

0,1

0,3

0,7

0,9

I

Zorg (CURE)

0,0

0,2

0,3

0,3

1,4

1,8

J

Overig

0,0

0,0

0,1

0,1

0,2

0,4

 

totaal

1,5

5,6

9,4

13,4

18,3

25,4

 

Intensiveringen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

A

Zorg (CARE)

0,0

– 0,9

– 0,9

– 0,9

– 0,9

– 0,9

B

Veiligheid

– 0,4

– 0,4

– 0,4

– 0,5

– 0,5

– 0,5

C

Immigratie en Integratie

0,0

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

D

Infrastructuur

0,0

0,0

– 0,1

– 0,2

– 0,5

– 0,5

E

Kwaliteit onderwijs

0,0

– 0,5

– 1,0

– 1,1

– 1,3

– 1,5

F

Natuur en leefomgeving

0,0

0,0

– 0,1

– 0,2

– 0,3

– 1,4

 

totaal

– 0,5

– 1,9

– 2,6

– 2,9

– 3,5

– 4,7

 

Lasten

2011

2012

2013

2014

2015

struc

1

Podiumkunsten, kunst en verzamelvoorwerpen naar 19%

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

2

Afschaffen heffingskortingen box 3

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

3

Doorwerkbonus één jaar opschuiven

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

4

Aftrek levensonderhoud kinderen beperken tot 21 jaar

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

5

Giftenaftrek beperken tot ANBI’s met renseigneringsplicht

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

6

Leeftijdsgrens jongste kind naar 12 jaar bij alleenstaande (aanvullende) ouderkorting

0,0

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

7

Assurantiebelasting: gezinnen

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

8

Witteveen aanpassen (taakstellend)

0,0

0,0

0,7

0,7

0,7

0,7

9

Schrappen uitzonderingen OAHK (cohorten 63–72 en gezinnen met jonge kinderen)

0,0

0,2

0,2

0,3

0,3

0,4

10

Assurantiebelasting: bedrijven

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

11

Terugsluis bedrijven

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

12

Lastenverlichting bedrijfsleven (i.p.v. subsidies EZ)

0,0

– 0,1

– 0,3

– 0,4

– 0,5

– 0,5

13

SDE-plusheffing

0,0

0,0

0,1

0,2

0,3

1,4

14

Doorstroming huurmarkt

0,0

0,0

0,0

0,8

0,8

0,8

15

Vitaliteitsregeling

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

16

Effect ombuigingen cure

0,0

– 0,2

– 0,2

– 0,3

– 1,2

– 1,5

 

totaal

0,4

0,8

1,5

2,2

1,3

2,2

OMBUIGINGEN

A. Kleinere overheid

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

A

Kleinere overheid

0,20

1,17

2,74

4,10

6,14

6,56

1

Taakstelling Rijk, agentschappen en uitvoerende ZBO's

  

0,44

1,08

1,52

1,79

2

Nationale politie

– 0,09

– 0,04

0,03

0,05

0,08

0,23

3

Kosten evenementen

 

0,03

0,03

0,03

0,03

0,03

4

Rechtsbijstand

   

0,05

0,05

0,05

5

Toespitsen hoger beroep, cassatie

  

0,01

0,01

0,01

0,01

6

Minder groepstaakstraffen

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

7

Griffierechten

  

0,24

0,24

0,24

0,24

8

Politieonderwijs

    

0,06

0,06

9

ANPR (uitgavenkant)

   

0,01

0,01

0,01

10

verkorten RAIO-opleiding

    

0,00

0,01

11

Meldkamers

    

0,01

0,05

12

Plukze

– 0,01

– 0,01

– 0,01

0,00

0,02

0,04

13

Toezicht beroepsgroepen

   

0,01

0,01

0,01

14

Politietoezichthouder

 

0,01

0,02

0,03

0,03

0,04

15

Montfransgelden

 

0,08

0,08

0,08

0,08

0,08

16

Doelmatige inzetbaarheid Defensie en minder JSF’s

0,20

0,40

0,50

0,50

0,50

0,50

17

Stopzetten ISV/BLS

    

0,23

0,23

18

Leefomgeving en natuur

      
 

Schrappen bijdrage Afvalfonds

  

0,12

0,12

0,12

0,12

 

Bundeling verantwoordelijkheden waterschappen

  

0,01

0,02

0,02

0,02

 

Bodembescherming: minder beschikkingsmomenten

 

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

 

Efficiency winst uitvoering natuurbeheer

 

0,01

0,02

0,03

0,04

0,04

 

Geen inzet SBB buiten EHS (inclusief verkoop gronden)

  

0,01

0,02

0,03

0,04

 

Versoberingsmaatregelen

  

0,01

0,02

0,03

0,03

 

Afschaffen RodS

0,04

0,04

0,04

0,01

0,01

0,01

 

Ontstapeling gebiedscategorieën

0,01

0,02

0,02

0,02

0,03

0,03

 

Bodemsanering NS

    

0,01

0,01

 

Geluidsanering spoor doorberekenen

    

0,00

0,00

 

Gebiedsconcessies natuurgebieden

0,00

0,01

0,02

0,03

0,03

0,03

 

Bovenplanse verevening voor natuurinvesteringen

  

0,00

0,01

0,01

0,01

 

Kosten MER commissie doorberekenen

   

0,01

0,01

0,01

 

Robuuste verbindingen schrappen

0,01

0,03

0,04

0,05

0,05

0,05

19

Breder toepassen PPS bij aanleg infrastructuur

  

0,01

0,03

0,05

0,05

20

Verhogen opbrengst spoorsector en meer doelmatigheid

    

0,16

0,16

21

Aanbesteden OV grote steden

  

0,06

0,06

0,12

0,12

22

Niet invoeren kilometerheffing

 

0,04

0,04

0,04

0,30

0,00

23

Hogere gebruiksvergoeding spoor

    

0,05

0,05

24

Temporisering en versobering kaderrichtlijn water

0,02

0,02

0,02

0,04

0,05

0,05

25

Ruimtelijke inpassing bovenwettelijk

 

0,02

0,03

0,05

0,05

0,05

26

Vereenvoudiging omgevingsrecht

   

0,05

0,05

0,05

27

Doorwerking GF/PF via normeringssystematiek

 

0,31

0,70

1,06

1,34

1,34

28

Overige maatregelen openbaar bestuur

      
 

a. Taakverbreding provincies

 

0,13

0,13

0,10

0,09

0,09

 

b. Maatregelen waterschappen

 

0,00

0,00

0,05

0,10

0,10

 

c. vermindering aantal politieke ambtsdragers (25%)

 

0,00

0,00

0,00

0,12

0,12

 

d. verminderen aantal leden Staten-Generaal (33%)

     

0,01

29

Opzetten van regionale omgevingsdiensten

 

0,05

0,08

0,10

0,10

0,10

30

Overhevelen zorg voor jeugd naar gemeenten

    

0,08

0,30

31

Takenpakket publieke omroep

  

0,05

0,10

0,20

0,20

Toelichting

  • 1. De besparing bij het Rijk, ZBO’s en agentschappen wordt als volgt verdeeld:

    • a. Alle departementen (incl. baten-lastendiensten en uitvoerende ZBO’s) krijgen, bovenop de 231 mln waartoe het demissionaire kabinet reeds heeft besloten, een taakstelling van afgerond 1,5% (netto) per jaar in de periode 2013–2015 oplopend tot afgerond 4,5% (netto) in 2015 op personeel en materieel. In de grondslag zijn de gebruikelijke onderdelen van het rijk meegenomen, inclusief de begrotings- en premiegefinancierde ZBO’s3. Dit is exclusief de tariefgefinancierde delen van baten-lastendiensten (vanaf 2013) en ZBO’s. Daarvoor geldt wel dat deze onderdelen ook een efficiencyslag kunnen maken.

    • b. Daarboven komen er kortingen die ingevuld moeten worden met een vermindering van taken dan wel versoberingen. Departementen waarvoor aanzienlijke extensiveringen of verschuivingen van beleids- of uitvoeringsverantwoordelijkheid gewenst worden geacht krijgen een extra taakstelling. Het gaat hierbij om de departementen VROM, VenW, SZW, BuZa, EZ, BZK (excl. KLPD), LNV, OCW en Defensie (kerndepartement+baten-lastendiensten en MIVD). Dit leidt tot een aanvullende korting.

Deze variant leidt tot de volgende opbouw van de financiële taakstellingen in 2015.

Besparing per departement (netto, in mln. euro)

Generiek

Additioneel

Totaal

AZ

1

0

1

HCvS

12

0

12

BuZa (incl. Postennetwerk)

21

46

67

Jus (incl. ondersteuning OM+ZM + deel J&G)

175

0

175

BZK (excl. KLPD)

29

63

92

OCW (incl. deel J&G)

31

69

100

Financiën

139

0

139

Defensie (kerndep.+agentschappen+MIVD)

33

73

106

VROM (incl. WWI)

23

50

72

V&W

61

135

196

EZ (incl. Agentschap NL)

27

102

128

LNV

35

80

115

SZW (incl. deel J&G, UWV)

91

198

288

VWS (incl. deel J&G)

25

0

25

Totaal

702

815

1 517

De verdeling over de jaren is per departement als volgt:

Besparing per departement (in mln. euro)

2012

2013

2014

2015

Struc (2018)

AZ

0

0

1

1

2

HCvS

0

6

9

12

14

BuZa (incl. Postennetwerk)

0

18

48

67

78

Jus (incl. ondersteuning OM+ZM + deel J&G)

0

62

119

175

206

BZK (excl. KLPD)

0

25

67

92

109

OCW (incl. deel J&G)

0

27

72

100

117

Financiën

0

46

93

139

163

Defensie (kerndep.+agentschappen+MIVD)

0

29

77

106

125

VROM (incl. WWI)

0

20

52

72

85

V&W

0

53

142

196

231

EZ (incl. Agentschap NL)

0

34

94

128

151

LNV

0

31

83

115

135

SZW (incl. deel J&G, UWV)

0

80

209

288

339

VWS (incl. deel J&G)

0

7

16

25

30

Totaal

0

439

1 080

1 517

1 785

In de verdeling is rekening gehouden met extra besparingsverlies in de jaren 2012 en 2013 bij departementen met een aanvullende taakstelling. Taakstellingen van een dergelijke omvang kunnen niet worden ingevuld louter door het natuurlijk verloop van personeel. De regelingen die nodig zijn om ambtenaren af te laten vloeien brengen incidenteel kosten met zich mee. Er is rekening mee gehouden dat de additionele besparingen in 2012 volledig weglekken doordat incidentele kosten moeten worden gemaakt. Voor 2013 is ervan uitgegaan dat deze kosten de helft bedragen van de additionele besparingen in dat jaar. Deze kosten zijn in de departementale bedragen verwerkt. Ter beperking van dit besparingsverlies wordt het arbeidsrechtelijk regime voor ambtenaren (incl. onderwijs) gelijk gesteld aan dat in de marktsector. Hiermee kan mogelijk het budgettair veronderstelde besparingsverlies worden voorkomen. Departementen zullen vanaf het begin voortvarend van start gaan om de jaarlijkse taakstelling te realiseren.

Besparingen kunnen worden behaald door een vergaande standaardisering en samenwerking binnen de bedrijfsvoering van de «kernministeries» van de rijksdienst. De minister van BZK wordt verantwoordelijk gesteld voor de kaderstelling en het SGO voor het zware uitvoerings-programma dat hiervoor nodig is. Ook clustering van uitvoeringdiensten biedt aanzienlijke besparingsmogelijkheden. Besparingen zitten in sterke vereenvoudiging en standaardisering van processen, outsourcing en daarna samenvoeging. Gestart kan worden met de clustering van diensten rijksincasso, subsidies (inclusief uitvoering EU-subsidies) en vastgoed.

Verdergaand zou naar centralisatie van huisvestingsbudgetten gekeken kunnen worden. Ministeries gaan dan – zoals nu – niet meer over hun eigen huisvestiging. Door centralisatie kan op den duur een beter leegstandsbeheer worden gevoerd door optimalisatie van de werkplekken. Het gaat hierbij om budgetten voor huisvesting (incl. nutsvoorziening), facilitaire diensten, vervoer en gebouw- en werkplek gerelateerde ICT. Budgetten die onlosmakelijk zijn verbonden met het primaire proces moeten, om de integrale (beleids)afweging te kunnen blijven maken, nadrukkelijk niet gecentraliseerd worden.

  • 2. Er komt een nationale politie onder verantwoordelijkheid van de minister die belast is met de zorg voor veiligheid. Hierin gaan de regionele korpsen, het KLPD, de Voorziening tot samenwerking Politie Nederland en de Politieacademie op. Er komen tien politieregio's waarbij de grenzen van de tien arrondissementen van de gerechtelijke kaart leidend zijn. Het wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet (30 880) wordt aangepast aan het voorgaande.

  • 3. Per 2012 worden de kosten van politie-inzet doorberekend aan de organisatie van een evenement. (Dit is conform maatregel 35 van Brede Heroverweging (BHO) 15)

  • 4. Besparingen in de rechtsbijstand worden gerealiseerd door het invoeren van de mogelijkheid om zonder tussenkomst van een advocaat een echtscheiding bij de rechter aan te vragen en door aanpassingen en/of niet-indexeren van de tarieven van de advocatuur in de gesubsidieerde rechtshulp. (Dit is conform maatregel 50 van BHO 15)

  • 5. In de civiele rechtspraak wordt de meervoudige rechtspraak beperkt. Alle civiele kantonzaken zullen in hoger beroep enkelvoudig worden behandeld. (Dit is conform BHO 15, maatregel 41)

  • 6. 90% van de huidige groepstaakstraffen wordt vervangen door individuele taakstraffen. (Deze maatregel is conform BHO15, maatregel 44)

  • 7. De rechtspraak wordt per 2013 bekostigd door degenen die daar gebruik van maken. Personen met lage inkomens worden gecompenseerd. (Dit komt overeen met maatregel 28 van BHO 15, zij het met versnelde invoering.)

  • 8. Aspiranten bij politie en Kmar ontvangen niet langer een salaris dan wel bijdrage in hun kosten voor levensonderhoud. Daarnaast wordt de opleidingsduur aan de politie-academie bekort. (Dit komt overeen met de maatregelen 29 en 37 van de BHO 15.)

  • 9. Door structureel gebruik te maken van automatische nummerplaatherkenning (ANPR) wordt 14 mln. aan extra strafrechtelijke inkomsten gegenereerd.

  • 10. De opleiding tot Rechterlijk Ambtenaar in Opleiding (RAIO) wordt bekort.

  • 11. Het aantal meldkamers wordt gereduceerd tot één meldkamerorganisatie met drie locaties.

  • 12. De activiteiten in het kader van het afnemen van met misdrijf verkregen financieel voordeel worden geïntensiveerd.

  • 13. De kosten van het toezicht op onder andere notarissen wordt vanaf 2014 doorberekend aan de beroepsgroep zelf, evenals de kosten van de tuchtrechtspraak. (Betreft maatregel 33 uit BHO 15).

  • 14. De functie van politietoezichthouder wordt ingevoerd. Dit type agent heeft minder (gewelds)bevoegdheden.

  • 15. Per 2012 vallen de zgn. Montfransgelden (voor sociale veiligheid) vrij. De hiermee bekostigde activiteiten worden niet gecontinueerd.

  • 16. De besparingen worden voor structureel 0,4 mld gerealiseerd met het uitgangspunt van een veelzijdig inzetbare krijgsmacht. Het totaal aantal aan te schaffen jachtvliegtuigen wordt verder verminderd om een additionele structurele besparing te realiseren van 0,1 mld in de exploitatie. Besparingen in de eerste jaren (taakstellend) worden gerealiseerd door o.a. aanpassing van de investeringsquote en in deze kabinetsperiode, op het 2e testtoestel na, geen JSF-toestellen aan te schaffen.

  • 17. De budgetten voor het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) en Budget Locatiegebonden Subsidies (BLS) worden geheel afgeschaft nadat de huidige juridisch verplichte convenantperiode afloopt.

  • 18. De totale besparing bedraagt 390 mln en wordt o.a. ingevuld door maatregelen uit de heroverwegingsvariant Maatschappelijk Efficiënt en Solide (MES), exclusief gebiedsgericht beheer bodemsanering, recentralisatie ILG en zelfrealisatie Nationale Landschappen. De maatregelen uit de heroverweging volgen de volgende invalshoeken: herziening wet- en regelgeving, verbeteren governance, alternatieve financiële arrangementen (vervuiler betaalt-principe en profijtbeginsel) en ambities aanpassen. Daar bovenop worden er gronden van Staatsbosbeheer verkocht en wordt RodS afgeschaft. De beschikbare middelen om robuuste verbindingen (incl. de Oostvaarderswold) binnen de EHS te realiseren worden geschrapt.

  • 19. De toegestane uitgaven aan beschikbaarheidsvergoedingen in het infrafonds wordt verhoogd van 10% naar 20%, waardoor meer PPS projecten kunnen worden opgestart. Ervaring met PPS projecten leert dat een efficiencywinst van 10% op infrastructuurprojecten goed haalbaar is. Verhoging van het aandeel PPS projecten leidt tot een besparing van structureel ca. 50 mln. (BHO 3, maatregel 2.3).

  • 20. Door efficiencyverbetering kan de opbrengst van de spoorsector worden vergroot (hogere concessieopbrengst, lagere rijksbijdrage aan ProRail).

  • 21. Door openbare aanbesteding van het stadsvervoer in de G3-stadsregio’s kan structureel ca 120 mln bespaard worden. De rijksbijdrage aan de BDU voor de drie grote stadsregio’s wordt met dit bedrag beperkt.

  • 22. Door af te zien van invoering van de kilometerheffing kan het hiervoor gereserveerde investeringsbedrag bespaard worden (BHO 3, maatregel 3.2.1).

  • 23. De kosten voor het gebruik van het spoor worden doorberekend aan de vervoerders (BHO 3, maatregel 3.3.1).

  • 24. In de periode tot 2027 wordt ca. 7 mld uitgegeven aan de Kader Richtlijn Water, waarvan ruim 3/4 wordt gedragen door regionale overheden. Door versobering en temporisering van de uitvoering van de rijksdoelstellingen wordt de bijdrage van het Rijk aan de Kader Richtlijn Water structureel met 50 mln verlaagd.

  • 25. Het Rijk betaalt bij de inpassing van rijksinfrastructuur alleen de meest kosteneffectieve maatregelen om te voldoen aan de wettelijke vereisten. (BHO 3, maatregel 4.1)

  • 26. Door het vereenvoudigen en stroomlijnen van het omgevingsrecht kan door kortere looptijden en minder bezwaarprocedures minimaal 10% bespaard worden op de plankosten die overheden, burgers en bedrijven moeten maken om ruimtelijke projecten te realiseren. Dat betekent dat op termijn een besparing gerealiseerd kan worden van 50 mln op het Infrastructuurfonds. Deze maatregel ligt in het verlengde van de Crisis- en Herstelwet.

  • 27. De ontwikkeling van de rente-uitgaven van het Rijk zijn niet langer relevant voor de ontwikkeling van het GF en PF. De normeringssystematiek «samen de trap op, samen de trap af» wordt verder met ingang van 2012 weer in werking gesteld, waarbij de begroting 2011 als startpunt geldt.

  • 28. Overige maatregelen openbaar bestuur:

    • a. De onderdelen van de EHS en ILG (incl. aandeel DLG, Subsidie Agrarisch Natuurbeheer, ganzenbeheer en het faunafonds) die na ombuigingen resteren en de Regionale Historische Centra worden gedecentraliseerd naar provincies met een korting op het budget van 25%. De huidige eigendomsverdeling van de grondvoorraad van DLG blijft gehandhaafd. De doelstelling EHS wordt neerwaarts bijgesteld. De wettelijke normering van de provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting wordt zodanig aangescherpt dat de kortingen niet worden afgewenteld (op autobezitters).

    • b. Een deel van de rijkstaken op terrein van water (beheer en onderhoud van primaire waterkeringen) wordt overgedragen aan waterschappen. Dit leidt tot een besparing op de rijksbegroting (Infrastructuurfonds). Waterschappen kunnen deze taken structureel financieren uit de efficiencywinsten uit operatie-Storm (eigen voorstel waterschappen). De eerste jaren financieren ze dit zelf voor door in te teren op hun vermogen (zonder extra lastenverhoging). De waterschapsbesturen worden indirect gekozen door gemeenteraden.

    • c. Verminderen van het aantal politieke ambtsdragers bij provincies, gemeenten en waterschappen levert een besparing op de loonkosten en de kosten aan directe ondersteuning (Variant BHO 18).

    • d. Verminderen van het aantal leden van de Staten-Generaal met éénderde levert een besparing op van 6 mln structureel. Hiervoor is een grondwetswijziging nodig.

  • 29. Door het oprichten en uitbouwen van regionale uitvoeringsdiensten (RUD’s) boeken decentrale overheden efficiencywinst op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Er is uitgegaan van een ingroeimodel van 4 jaar waarbij rekening is gehouden met invoeringskosten het eerste jaar. De besparingen worden afgeroomd via een verlaging van het provincie- en/of gemeentefonds.

  • 30. Gemeenten worden financieel en uitvoeringstechnisch verantwoordelijk voor de uitvoering van alle jeugdzorg die nu onder het Rijk, de provincies, de gemeenten, de AWBZ en de ZvW valt. Alle gelden die hier momenteel in omgaan zullen (inclusief 90 mln die provincies vanuit hun algemene middelen inzetten voor jeugdzorg), verminderd met een efficiencykorting (300 mln), worden overgeheveld naar gemeenten. Door het samenvoegen van de verschillende financieringsstromen en het laten vervallen/anders vormgeven van het recht op zorg zijn gemeenten in staat maatwerk te leveren en kan het stelsel van zorg voor jeugdigen doelmatiger en doeltreffender worden vormgegeven.

  • 31. Er vindt een bezuiniging plaats op de publieke omroep alsmede o.a. de themakanalen en het muziekcentrum voor de omroep. Hiertoe zal met ingang van 2016 het stelsel worden gewijzigd (de huidige erkenningperiode loopt tot en met 2015). Op grond van de mogelijkheden binnen het huidige stelsel worden vanaf 2013 de uitgaven aan de publieke omroep stapsgewijs verlaagd. Hiertoe zal per 1 januari 2013 een nieuwe Mediawet van kracht worden. De 200 mln taakstellende structurele besparing zal, indien dat een verschraling van kwaliteit tot gevolg mocht hebben, leiden tot één publiek net minder.

B. Subsidies

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

B

Subsidies

0,17

0,50

0,84

1,13

1,38

2,51

 

EZ

      

1

SDE

  

0,05

0,09

0,09

1,20

2

Themagerichte innovatiesubsidies

0,03

0,08

0,16

0,22

0,30

0,30

3

Ondernemingsklimaatsubsidies

0,02

0,06

0,12

0,14

0,20

0,20

4

VROM

      
 

SMOM-subsidie beëindigen

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

 

Instrumenten gebiedsontwikkeling

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

 

Bufferzones decentraliseren of stopzetten

   

0,01

0,01

0,01

 

Waddenfonds decentraliseren met efficiencykorting

0,00

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

 

Verdroging-budget duurz. ondernemen, duurzaam bodemgebruik en milieukwaliteit

   

0,02

0,02

0,02

 

Onderzoek en materieel

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

 

Taakstelling diverse kleine subsidies

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

 

Subsidies roetfilters geen vervolg geven

0,00

     
 

ProMT subsidies

  

0,00

0,00

0,00

0,00

 

OCW

      

5

Cultuursubsidies

0,03

0,05

0,10

0,15

0,20

0,20

6

Taakstelling

 

0,14

0,14

0,14

0,13

0,13

 

VWS

      

7

Taakstelling

0,01

0,04

0,07

0,10

0,10

0,10

 

LNV

      

8

Taakstelling subsidies / verkoop gronden ZBO's LNV

0,02

0,03

0,04

0,05

0,05

0,03

 

V&W

      

9

Taakstelling

0,01

0,03

0,04

0,06

0,08

0,08

10

Korting BDU/exploitatiebijdrage regionaal OV

0,03

0,06

0,09

0,12

0,16

0,20

 

SZW

      

11

Taakstelling

  

0,01

0,01

0,02

0,02

Toelichting

  • 1. De SDE stopt per 1-1-2011 en wordt omgevormd tot een SDE+ regeling. De reeds aangegane verplichtingen voor de SDE worden nog uit algemene middelen gefinancierd. Deze verplichtingen lopen af naar € 0 in 2029. Hiermee wordt een ombuiging gerealiseerd van 1,2 mld. De huidige verplichtingen MEP en SDE blijven uit algemene middelen gefinancierd.

  • 2. Innovatiemiddelen op de EZ-begroting worden geschrapt, waarbij de nadruk ligt op themagerichte innovatiesubsidies (o.a. Syntens, luchtvaartbeleid, ruimtevaartbeleid en innovatieprogramma’s).

  • 3. De besparing wordt gerealiseerd door het schrappen van subsidies gericht op het ondernemingsklimaat en internationale bedrijfslevenprogramma’s (onderdeel van HGIS, non-ODA). Het regionaal economisch beleid wordt waar mogelijk versoberd gedecentraliseerd (o.a. pieken in de delta en bedrijventerreinen).

  • 4. De totale besparing ad structureel 51 mln. wordt o.a. gerealiseerd door diverse ombuigingen op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu, zoals o.a. het afschaffen van subsidieregelingen voor milieuorganisaties, internationaal milieubeleid en een decentralisatie van het Waddenfonds (inclusief efficiencykorting bespaart dit 5 mln).

  • 5. De uitgaven aan cultuur worden verlaagd. De versobering heeft betrekking op de vierjarige- en langjarige cultuursubsidies, de Cultuurfondsen en overige programmakosten. De uitgaven aan behoud en beheer cultureel erfgoed, bibliotheken en het Nationaal Archief worden zoveel mogelijk ontzien. Uitgangspunt is dat in alle regio's een hoogwaardig cultureel aanbod blijft bestaan. Er komt een Geefwet.

  • 6. Deze ombuiging wordt gerealiseerd door een maximale omzetting van alle specifieke subsidies in de lumpsum, onder aftrek van de reeks ad 135 mln. Deze ombuiging komt in de plaats van de besparing op de Kinderopvangtoeslag in de Miljoenennota 2011.

  • 7. Dit betreft een taakstellende bezuiniging op subsidies van VWS voor onder andere beïnvloeding leefstijl, anti-roken en patiëntenverenigingen (opbrengst 50 mln). Voor de overige 50 mln. zal VWS een taakstelling ingeboekt krijgen.

  • 8. Verschillende subsidies op het LNV-domein komen te vervallen en daarnaast worden extra gronden uit de ZBO’s onder LNV verkocht. Met uitzondering van subsidies die reeds meelopen in de decentralisatie van de EHS en het ILG, betreft het ondermeer subsidies op het terrein van duurzaam ondernemen, innovatie en onderzoeksprogramma's DLO.

  • 9. De subsidies op het terrein van VenW worden beperkt. Daarbij zal het huidige takenpakket van het KNMI nader worden bezien (evt. privatisering).

  • 10. De rijksbijdrage aan de Brede Doeluitkering Verkeer en Vervoer wordt beperkt met 5%. Daarnaast wordt de reële groei van de BDU afgeroomd met 1,1% per jaar. Deze maatregel is aanvullend op de maatregel om het OV in de grote steden openbaar aan te besteden (BHO, maatregel 2.1.2).

  • 11. De subsidies op het terrein van SZW worden taakstellend beperkt.

C. Immigratie & Integratie

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

C

Immigratie en Integratie

0,00

0,02

0,04

0,06

0,08

0,11

1

Einde aan specifiek integratiebeleid

 

0,01

0,01

0,01

0,02

0,03

2

Leges regulier verhogen

  

0,01

0,01

0,03

0,03

3

Beperken instroom en verkorten doorlooptijden (max.)

 

0,01

0,02

0,03

0,03

0,03

4

Rationalisatie COA

   

0,00

0,01

0,02

5

Leges twv kostendekkend maken

  

0,00

0,00

0,00

0,00

6

Gevolgen onttrekken aan verplichte inburgering

pm

pm

pm

pm

pm

pm

Toelichting

Bij immigratie worden maatregelen genomen die een beperking van de kosten van de vreemdelingenketen en dempende werking op de instroom van asielzoekers tot gevolg hebben. Zo worden de doorlooptijden bij de IND en de Rechtbanken versneld. Dit heeft een kortere verblijfsduur van asielzoekers in de opvang tot gevolg. Verder worden de d-gronden voor asiel (art 29 VW2000) afgeschaft en er wordt een grotere verantwoordelijkheid voor het aantonen van zijn of haar identiteit bij de vreemdeling gelegd. Nederland blijft hiermee voldoen aan haar internationale verplichtingen. Dit levert 30 mln structureel op (grotendeels gebaseerd op BHO variant 14 A). Daarnaast worden de leges voor reguliere aanvragen kostendekkend gemaakt. Dit levert structureel 25 mln op (vanaf 2014).

Er wordt uiterlijk in 2013 een sociaal leenstelsel ingevoerd ten behoeve van inburgeringscursussen (zie onder de intensiveringen). Tot slot wordt het specifieke integratiebeleid geheel afgeschaft (dit betreft het integratiebeleid wat op artikel 4 van de oude begroting van Wonen Wijken en Integratie stond). Dit levert structureel 29 mln op (grotendeels gebaseerd op BHO variant 14 D3).

D. Internationale samenwerking

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

D

Internationale samenwerking

0,41

0,91

0,75

1,79

1,86

1,86

1

Ontwikkelingssamenwerking gemiddeld op 0,7% BNP-ODA per jaar in kabinetsperiode

0,34

0,84

0,66

0,69

0,75

0,75

2

Toerekening conform ODA-criteria

0,06

0,06

0,06

0,06

0,06

0,06

3

HGIS/vrijwillige afdrachten internationale organisaties

0,01

0,01

0,03

0,04

0,05

0,05

4

EU-afdracht

   

1,00

1,00

1,00

Toelichting

  • 1. De besparing wordt gerealiseerd door de uitgaven voor OS van 0,8% BNP-ODA terug te brengen naar gemiddeld 0,7% BNP-ODA (vanaf 2012) per jaar in de kabinetsperiode (inclusief internationaal klimaatbeleid).

  • 2. Volgens internationale afspraken is het mogelijk om de toerekening aan ODA te verhogen met 60 mln, door onder andere een hogere EU-toerekening en meer kosten toe te rekenen voor vrijwillige terugkeer asielzoekers.

  • 3. Vrijwillige bijdragen aan internationale organisaties worden verminderd of gestopt. De besparing bedraagt 0,05 mld, waarvan 0,04 mld op de begroting van buitenlandse zaken (zie bijlage 4 van BHO 13).

  • 4. Het ingeboekte bedrag heeft betrekking op het behouden van de huidige korting van 1 miljard op de EU-afdracht.

E. Gematigde loonontwikkeling

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

E

Gematigde loonontwikkeling

0,79

0,81

0,83

0,86

0,87

0,87

1

Loonontwikkeling collectieve sector

0,79

0,81

0,83

0,86

0,87

0,87

Toelichting

  • 1. De lonen in de collectieve sector (excl. zorg) worden in 2011 bevroren (nominaal nul). Dit betekent dat ook de loonbijstelling tranche 2011 voor wat betreft de ruimte voor contractloon (cls) niet wordt uitgedeeld. Mocht geen overeenstemming met de bonden worden bereikt over een nominale nullijn, dan vindt een wetswijziging plaats om het zogenoemde overeenstemmingvereiste te wijzingen ter voorkoming van besparingsverlies dan wel afwenteling op het voorzieningenniveau/programma-uitgaven.

F. Inkomensoverdrachten

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

F

Inkomensoverdrachten

– 0,04

1,48

2,72

3,59

4,34

9,01

1

AHK in referentieminimumloon afbouwen in 20 jaar

 

0,06

0,11

0,16

0,21

1,00

2

Bevriezen doelgroep zorgtoeslag

 

0,60

1,30

1,70

2,10

2,90

3

Beperken/samenvoegen Wajong, WSW en re-integratiebudgetten

      
 

Beperken Wajong tot volledig en duurzaam arbeidsongeschikten

 

0,02

0,04

0,07

0,09

0,90

 

Verlagen uitkering gedeeltelijk arbeidsongeschikten

– 0,03

– 0,03

– 0,03

0,05

0,10

0,00

 

Beperken nieuwe instroom WSW tot beschutte arbeid + loondispensatie voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten:

   

0,03

0,10

0,65

 

Maatregelen WWB

 

0,05

0,10

0,10

0,10

0,10

 

Gerichte re-integratie en begeleiding ontschotte WWB, Wajong en WSW (netto)

 

0,20

0,29

0,42

0,49

0,30

 

Gerichte re-integratie WW (bruto korting 0,1)

 

0,05

0,05

0,05

0,05

0,05

 

Gerichte bemiddeling

 

0,03

0,05

0,08

0,10

0,10

4

Maatregelen kindgebonden budget

 

0,20

0,21

0,22

0,23

0,23

5

Aanpassingen kinderopvangtoeslag

 

0,11

0,15

0,18

0,20

0,20

6

Afschaffen WWIK

 

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

7

Woonlandbeginsel WIA, ANW, AKW/WKB

– 0,01

0,01

0,01

0,02

0,02

0,03

8

Normeren lokaal inkomensbeleid

 

0,04

0,04

0,04

0,04

0,04

9

Uitzendbureaus bij ziekte verantwoordelijk voor werknemers

 

– 0,01

0,02

0,02

0,02

0,02

10

Selectieve en gerichte schuldhulpverlening

 

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

11

AOW vanaf pensioneringsdatum

 

0,07

0,07

0,07

0,07

0,07

12

Aanpak fraude

 

0,05

0,09

0,14

0,18

0,18

13

Niet exporteren kinderbijslag buiten EU

   

0,01

0,01

0,01

14

Verlengen termijn zelfstandig verblijfsrecht huwelijksmigranten

   

0,01

0,01

0,01

15

Geen AOW tegemoetkoming bij onvolledige opbouw

 

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

16

Vermogenstoets zorgtoeslag

  

0,17

0,17

0,17

0,17

17

Vermogenstoets kindgebonden budget

  

0,02

0,02

0,02

0,02

18

Verhogen AOW-leeftijd

     

2,00

Toelichting

  • 1. De afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting (ahk, in de fiscaliteit al vanaf 2009 afgebouwd) wordt doorvertaald naar de uitkeringshoogte (excl. AOW). Hierbij is uitgegaan van afbouw in 20 jaar met ingang van 2012.

  • 2. Vanaf 2012 worden in 4 gelijke stappen de normpercentages voor alleenstaanden en meerpersoonshuishoudens verhoogd van 2,7% naar 3,5% respectievelijk van 5% naar 7%, en het afbouwpercentage van 5% naar 6,5% in 2015. Het budgettaire beslag van de zorgtoeslag wordt hierdoor constant gehouden in de periode tussen 2010 en 2015, waarmee wordt voorkomen dat het aantal huishoudens dat zorgtoeslag ontvangt sterk oploopt.

  • 3. De bestaande budgetten voor WAJONG, WSW en WWB worden ontschot. Met ingang van 1-1-2012 wordt de Wajong alleen toegankelijk voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. De bestaande Wajong-populatie zal vanaf 1-1-2012 worden ingedeeld in «volledig en duurzaam» arbeidsongeschikt en «gedeeltelijk» arbeidsongeschikt, waarbij de uitkering van gedeeltelijk arbeidsongeschikten per 1-1-2014 wordt verlaagd naar 70% WML. Huidige WSW-ers worden niet herkeurd. De WSW blijft bestaan voor mensen die geïndiceerd zijn voor een beschutte werkplek. Het systeem van loondispensatie dat in de Wajong bestaat wordt ook mogelijk voor nieuwe instroom met een indicatie «begeleid werken». Deze mensen ontvangen een beloning (loon en/of een aanvulling daarop) tot maximaal WML. Bestaande groepen worden ontzien. Wel zal hierdoor de wachtlijst in de WSW worden beperkt. Het subsidiebedrag per WSW-plek zal worden afgestemd op eerder doorgevoerde wijzigingen in de WSW-CAO. Door samenvoeging van de re-integratie en begeleidingsbudgetten kunnen deze middelen gerichter en efficiënter worden ingezet, waarbij speciale aandacht zal worden besteed aan mensen met een arbeidshandicap. Ook het budget voor bemiddeling van het UWV zal gerichter worden ingezet.

  • 4. In de WWB wordt de bijstand voor inwonenden afgeschaft en wordt de toets op het partnerinkomen vervangen door een toets op het huishoudinkomen (met een beperkte vrijlatingsregeling voor minderjarige kinderen). De voorwaarden en sancties voor jongeren tot 27 jaar die een beroep doen op de bijstand (Wet investeren Jongeren) worden aangescherpt. Bij vaststelling van het zogenoemde I-deel wordt hier rekening mee gehouden. De wet Vazalo zal niet in werking treden.

  • 5. De verhoging van de tegemoetkoming van het kindgebonden budget (WKB) in 2011, wordt per 1 januari 2012 teruggedraaid. Daarnaast wordt met deze maatregel het kindgebonden budget vanaf 2012 tot en met 2015 niet jaarlijks geïndexeerd en wordt per 2012 de oploop in het kindgebonden budget afgeschaft vanaf het derde kind.

  • 6. Kinderopvangtoeslag. Per 1 januari 2012 worden drie maatregelen getroffen. In de eerste kind tabel wordt de vaste voet lineair afgebouwd van 33,3% naar 0 (BHO 5, p. 78, nr. 7). In de tweede kind tabel wordt het subsidiepercentage versneld afgebouwd naar 64% (BHO 5, p. 78, nr. 14). Tot slot wordt het maximum uurtarief verlaagd richting € 5,–. De invulling van deze laatstgenoemde maatregel wordt komend voorjaar in samenhang bezien met de invulling van de ombuigingen in de kinderopvangtoeslag die onderdeel uitmaken van de maatregelen vanaf 2012 uit de Miljoenennota.

  • 7. De WWIK wordt m.i.v. 2012 afgeschaft, waardoor dezelfde polisvoorwaarden gaan gelden als in de WWB.

  • 8. Invoering van het woonlandbeginsel voor de WIA, ANW, AKW/KGB leidt tot een verlaging van de uitkeringen. Het woonlandbeginsel wordt m.i.v. 2012 toegepast op alle landen.

  • 9. Om de armoedeval te beperken wordt de inkomensgrens van het gemeentelijk inkomensbeleid genormeerd op maximaal 110% WML, zodat inkomensaanvullingen gerichter worden verstrekt.

  • 10. Uitzendwerkgevers worden verantwoordelijk voor twee weken loondoorbetaling bij ziekte van hun werknemers.

  • 11. Met ingang van 2012 kan beroep worden gedaan op een meer selectieve en gerichte toepassing van schuldhulpverlening en nazorg.

  • 12. Het recht op de AOW-uitkering gaat m.i.v. 2012 in, op de dag dat men de AOW-leeftijd heeft bereikt.

  • 13. Uitkeringsfraude wordt harder aangepakt. Uitkeringsfraude wordt bestraft met het inhouden van de uitkering gedurende 3 maanden.

  • 14. De kinderbijslag en het kindgebonden budget worden niet meer buiten de EU geëxporteerd.

  • 15. Het recht op bijstand voor immigranten hangt samen met het rechtmatig verblijf in Nederland. Alleen wanneer een migrant over een geldige verblijfstitel beschikt kan deze een beroep doen op de bijstand. Huwelijksmigranten kunnen na 3 jaar een zelfstandige verblijfsvergunning aanvragen, voor andere migranten geldt een termijn van 5 jaar. De jareneis voor het verkrijgen van een zelfstandige verblijfsvergunning voor huwelijksmigranten wordt verhoogd van 3 naar 5 jaar. Dit levert een besparing op in de bijstand.

  • 16. De aow-tegemoetkoming wordt niet meer uitgekeerd aan personen die een onvolledige aow-uitkering hebben en in dat kader een aanvullende bijstandsuitkering aanvragen.

  • 17. Mensen met een box 3 vermogen boven de IB-vrijstelling plus 80 000 euro hebben geen recht op zorgtoeslag.

  • 18. Mensen met een box 3 vermogen boven de IB-vrijstelling plus 80 000 euro hebben geen recht op kindgebonden budget.

  • 19. De AOW-leeftijd wordt per 1 januari 2020 verhoogd naar 66 jaar.

G. Onderwijs

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

G

Onderwijs

0,00

0,54

0,98

1,10

1,33

1,45

1

Efficiencykorting raden en instituten

 

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

2

PO Gewichtenregeling

 

0,01

0,03

0,04

0,05

0,05

3

PO Budgettering Passend onderwijs

 

0,05

0,30

0,30

0,30

0,30

4

VO verminderen aantal profielen HAVO/VWO

   

0,02

0,05

0,05

5

VO vereenvoudigen bekostigingsmodel, tegengaan vertraging en versnellen excellente leerlingen

  

0,05

0,06

0,06

0,06

6

MBO Vereenvoudiging kwalificatiestructuur, tegengaan vertraging, verkorten en intensiveren (doorlopende) leerlijnen, kenniscentra breder organiseren.

  

0,03

0,05

0,14

0,16

7

MBO invoeren leeftijdsgrens 30 jr voor bekostiging

  

0,08

0,11

0,17

0,17

8

VO efficiencykorting lesmateriaal

   

0,03

0,03

0,03

9

HO geen OV-jaarkaart langstudeerders

  

0,01

0,01

0,03

0,03

10

HO aflossingstermijn van 15 naar 20 jaar

     

0,01

11

HO Invoeren sociaal leenstelsel masterfase

    

0,02

0,11

12

HO langstudeerders

      
 

a) verhoging collegegeld met € 3 000

 

0,18

0,17

0,15

0,14

0,14

 

b) efficiencykorting instellingen met € 3 000 per student

 

0,19

0,17

0,16

0,14

0,14

 

c) gedragseffect (in vier jaar oplopend tot 25%)

  

0,03

0,06

0,09

0,09

13

Efficiency onderzoek en innovatie

 

0,09

0,09

0,09

0,09

0,09

Toelichting

  • 1. Een efficiencykorting op adviesraden en instituten via de bijdrage van instellingen. Deze korting mag niet raken aan het primaire onderwijsproces en moet de bestuurlijke drukte en overbodige stapeling van instituties in het onderwijs terugdringen.

  • 2. De maatregel betreft het aanpassen van het totaalbudget voor de gewichtenregeling als gevolg van het dalend aantal doelgroepleerlingen. De besparing in de tabel is gebaseerd op het constant houden van het bedrag per schoolgewicht op het niveau van schooljaar 2010–2011.

  • 3. De invoering van passend onderwijs wordt voortgezet. Daarbij wordt het totale budget voor passend onderwijs gebudgetteerd en met € 300 mln verlaagd, puttend uit de voorstellen van de heroverwegingscommissie. Ter voorkoming van weglek worden LWOO en PRO tevens gebudgetteerd.

  • 4. In HAVO en VWO wordt het aantal profielen teruggebracht. De efficiencywinst blijft deels bij scholen; € 50 mln wordt ingeboekt.

  • 5. Het bekostigingsmodel wordt vereenvoudigd, daarbij wordt tevens ingezet op het versnellen van excellente leerlingen en het tegengaan van vertraging. Dit impliceert dat er voor scholen meer ruimte moet komen om het onderwijsproces in te richten. Door aanscherping van de exameneisen wordt diploma-inflatie voorkomen.

  • 6. De maatregel betreft het vereenvoudigen van de kwalificatiestructuur (waaronder het verminderen van het aantal opleidingen in relatie tot de arbeidsmarkt en het vereenvoudigen van de kwalificatiedossiers), het tegengaan van studievertraging en verkorten en intensiveren van (doorlopende) leerlijnen. Dit wordt via het bekostigingsysteem geregeld. De efficiencywinst boven de taakstelling blijft bij de scholen. Diploma-inflatie wordt voorkomen door versterking van onafhankelijke examinering en daarbij het centraal examineren van kernvakken.

  • 7. De maatregel introduceert een nieuwe leeftijdsgrens van 30 jaar voor publieke bekostiging van mbo-opleidingen.

  • 8. Door de invoering van gratis schoolboeken en toenemende digitalisering van lesmateriaal is er sprake van een bewuster inkoopbeleid. Op het budget voor lesmateriaal wordt daarom een efficiencykorting toegepast.

  • 9. De OV-kaart voor langstudeerders (nominaal+1) wordt afgeschaft.

  • 10. De terugbetalingstermijn voor studieleningen wordt met vijf jaar verlengd.

  • 11. Er wordt een sociaal leenstelsel ingevoerd voor studenten in de Masterfase. Fiscale weglek wordt voorkomen.

  • 12. Het collegegeld voor studenten die langer dan 1 jaar uitlopen in hun studie wordt verhoogd met € 3 000,–. De verhoging van de collegegelden voor de langstudeerders en een aanvullende efficiencykorting voor langstudeerders (eveneens 3 000 euro) worden in mindering gebracht op het instellingsbudget. In de raming is rekening gehouden met een gedragseffect van 25%, te bereiken in 4 jaar. De rijksbijdrage aan de instellingsbudgetten wordt navenant verlaagd. Fiscale weglek wordt voorkomen.

  • 13. Door schaalvergroting en door de samenwerking met het bedrijfsleven en onderzoeksinstituten te verbeteren is het mogelijk pro rato een efficiencykorting toe te passen op middelen voor onderzoek op universiteiten en praktijkgericht onderzoek op hogescholen.

H. Zorg (Care)

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

H

Zorg (CARE)

– 0,01

– 0,04

0,10

0,34

0,65

0,89

1

Scheiden wonen en zorg

    

0,10

0,30

2

Omschakeling handelingsfinanciering naar uitkomstfinanciering

     

0,00

3

Revalidatiezorg naar de Zvw

    

0,05

0,05

4

Functies dagbesteding en begeleiding naar de WMO

– 0,01

– 0,06

– 0,04

0,14

0,14

0,14

5

BTW-compensatiefonds care

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

6

Vermogensinkomensbijtelling AWBZ

  

0,08

0,08

0,08

0,08

7

Eigen bijdrage jeugdzorg breed

    

0,07

0,07

8

Beperken doelgroep AWBZ

 

0,02

0,06

0,12

0,21

0,25

Toelichting

  • 1. In de AWBZ wordt scheiden wonen en zorg doorgevoerd. Dit levert 0,1 mld aan doelmatigheidswinst op in 2015 en structureel 0,3 mld. Compensatie vindt plaats via een verlaging van de intramurale eigen bijdrage en verhoging van de huurtoeslag, waardoor gemiddeld op macroniveau geen koopkrachteffecten optreden.

  • 2. Kabinet is voornemens over te stappen naar een bekostigingssysteem gebaseerd op uitkomst/resultaat in plaats van handelingen ten einde de prikkelstructuur te verbeteren. De exacte vormgeving dient nader te worden uitgewerkt.

  • 3. Revalidatiezorg gaat over van de AWBZ naar de Zvw. Dit levert 0,05 mld. doelmatigheidswinst op wanneer de ex post risicoverevening volledig is vervallen en de revalidatiezorg meeloopt in de ex ante risicoverevening.

  • 4. De functies dagbesteding en begeleiding gaan over van de AWBZ naar de WMO. 2013 is een overgangsjaar, waarbij gemeenten verantwoordelijk zijn voor de mensen die zich na 1 januari 2013 melden. Vanaf 2014 ligt de verantwoordelijkheid geheel bij gemeenten. De eerste jaren leidt de overheveling tot transitiekosten; de opbrengst van 0,14 mld vanaf 2014 is een netto reeks.

  • 5. Introductie van een BTW compensatiefonds wordt onderzocht.

  • 6. De bijtelling voor het vaststellen van de eigen bijdrage AWBZ op basis van het box 3 vermogen wordt verhoogd van 4% naar 8% op het verzamelinkomen. Dit levert vanaf 2013 0,08 mld op.

  • 7. Binnen de jeugdzorg breed wordt een eigen bijdrage ingevoerd. Bij uithuisplaatsing wordt deze bijdrage (ten minste) gelijk gemaakt aan de besparing die in een gezin optreedt als gevolg van het uithuis plaatsen van een kind. Concreet wordt hierbij dan uitgegaan van een eigen bijdrage van 3 400 euro per kind per jaar. Daarnaast wordt er een eigen bijdrage ingevoerd voor (ouders van) jeugdigen die AWBZ zorg ontvangen. En verder wordt een eigen bijdrage ingevoerd in de extramurale jeugdzorgverlening. Rekening houdend met de inningskosten leveren deze maatregelen 0,07 mld op.

  • 8. In lijn met veel van de ons omringende landen wordt het IQ-criterium voor recht op zorg in de AWBZ aangepast (BHO 12, p. 91, maatregel 4). De opgenomen besparingsreeks is voor de AWBZ taakstellend.

I. Zorg (Cure)

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

I

Zorg (CURE)

0,02

0,21

0,28

0,33

1,44

1,83

1

Marktwerking (uitbreiden B-segment, invoering DOT, afschaffen FB vanwege gelijktrekken bekostigingssystematiek, in verantwoord tempo afschaffen van de ex-post verevening)

   

0,04

0,09

0,33

2

Stringenter pakketbeheer

 

0,03

0,04

0,05

0,07

0,07

3

Verbeteren governance en beperken gouden handdrukken

 

0,01

0,01

0,01

0,01

0,11

4

Maatregelen GGZ

      
 

Driedrempelvariant eigen bijdrage GGZ

 

0,04

0,04

0,04

0,04

0,04

 

Zelf betalen no-show GGZ

 

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

 

Stimuleren zelfmanagement cliënt (E-health) en versterking eerstelijns GGZ

    

0,05

0,05

 

Versterken kwaliteit GGZ

 

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

 

Verlagen aantal zittingen eerstelijns psycholoog

 

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

 

Doelmatigheidsmaatregelen GGZ (scenario B IBO GGZ)

     

0,05

5

IVF slechts 1 behandeling vergoed

 

0,00

0,03

0,03

0,03

0,03

6

Fysiotherapie pas vergoed bij meer dan 15 behandelingen

 

0,03

0,03

0,03

0,03

0,03

7

Naar aanvullende verzekeringen overhevelen van aandoeningen met lage ziektelast

    

1,00

1,00

8

BTW-compensatiefonds cure

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

9

Aanpassing WGP basis

pm

pm

pm

pm

pm

pm

10

Werelddekking zorg buiten EU uit het basispakket

 

0,03

0,06

0,06

0,06

0,06

11

Toetsing rechtmatigheid van vergoeding conform ZVW

0,02

0,04

0,04

0,04

0,04

0,04

Toelichting

  • 1. De lijn, die vanaf 2006 met de Zvw is ingezet ten aanzien van de marktwerking in de curatieve zorg, wordt doorgetrokken conform BHO 11 variant B. Zo wordt DOT per 2012 ingevoerd en het B-segment uitgebreid onder gelijktijdige vergroting van risicodragendheid van verzekeraars voor de kosten van somatische zorg. De transitiefase dient behoedzaam ingericht te worden waarbij aandacht is voor de volgtijdelijkheid van de diverse te nemen stappen/maatregelen. Door het loslaten van de 10% kortingsgrens van collectiviteiten en een verbod op gelegenheidscollectiviteiten worden werkgevers geprikkeld tot het maken van afspraken over verzekerde prestaties en ingekochte zorg voor hun werknemers. Daarnaast wordt de toetreding van nieuwe aanbieders vergemakkelijkt, door inbreng van risicodragend kapitaal toe te staan. Winstuitkering wordt onder voorwaarden mogelijk gemaakt. Er wordt geen winst uitgekeerd gedurende de eerste drie jaar na het moment van investeren. Er wordt pas winst uitgekeerd na een positieve beoordeling van vooraf vastgestelde minimumkwaliteitseisen door een onafhankelijke toezichthouder, en na een positieve beoordeling van financiële buffers. Instrumenten en regelgeving om cruciale zorg de waarborgen bij financiële problemen van ziekenhuizen worden zoveel mogelijk gericht op eigen verantwoordelijkheid van ziekenhuizen en een early warning systeem. Voorwaarden hierbij is dat verzekeraars voldoende geprikkeld worden en macrobeheersing mogelijk is. Om de macrobeheersbaarheid van de zorguitgaven te realiseren resteren ten principale nog twee instrumenten: verkleinen van de collectieve pakketaanspraken en het verhogen van eigen betalingen. Verder wordt het wetsvoorstel Wet Marktordening Gezondheidszorg (WMG) doorgezet waar mee wordt beoogd de macro beheersing van de uitgaven in ieder geval in de transitiefase te versterken. De exacte juridische implicaties en gevolgen zijn afhankelijk van de uiteindelijk gekozen praktische invulling van de instrumenten uit het wetsvoorstel en dienen voor invoering nader te worden onderzocht. Tevens worden de geïnitieerde maatregelen ter bevordering van samenhangende sturing op kwaliteit, richtlijnconformiteit, verzekerde aanspraak en pakketbeheer voortgezet en verankerd middels samenvoeging van relevante instituties op dit terrein in een Kwaliteitsinstituut. Deze set aan maatregelen levert in 2015 0,09 en structureel 0,325 mld op.

  • 2. Over de toelating tot het collectief verzekerde basispakket wordt expliciet vooraf besloten, op basis van noodzakelijkheid, (kosten)effectiviteit en uitvoerbaarheid. Verouderde behandelingsmethoden en die niet voldoen aan de gestelde criteria worden uit het collectief verzekerde basispakket verwijderd. Stringent pakketbeheer vereist een aanpassing van de Zvw en een uitbreiding van de taak van de pakketbeheerder (CVZ). Deze maatregelen beperken de toekomstige groei van de zorguitgaven en leveren 0,025 mld in 2012 oplopend tot structureel 0,065 mld. op.

  • 3. De verantwoordelijkheid voor kwaliteit en de positie van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis wordt ten opzichte van de medisch specialisten versterkt. Dit wordt gerealiseerd door het wetsvoorstel WMG door te zetten, inclusief de implementatie van het beheersmodel medisch specialisten (ook m.b.t. tot hen die werkzaam zijn in Zelfstandige Behandelcentra) en de Wet Cliëntenrechten Zorg (WCZ). Daarnaast wordt de inzet van onder andere physician assistent (PA) en verpleegkundig specialisten (VS) geoptimaliseerd. Hiertoe zal de benodigde behandelingsvrijheid van niet-artsen geborgd worden in protocollen en relevante wet- en regelgeving zoals de Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BiG). Het beloningsbeleid van zorginstellingen verandert wanneer de wet normering topinkomens (WNT) in huidige vorm wordt aangenomen. Instellingen kunnen de bespaarde middelen zelf besteden, bijvoorbeeld aan kwalitatief betere zorg. Zorgkantoren houden bij het onderhandelen over tarieven rekening met het gevoerde beloningsbeleid. Tezamen leveren deze maatregelen structureel 0,02 mld. op.

  • 4. In de GGZ worden diverse maatregelen doorgevoerd. Zo wordt de eigen bijdrage in de eerstelijns GGZ en tweedelijns GGZ verhoogd (€ 155 voor 8 sessies eerstelijns en € 175 tweedelijns boven de 1 800 behandelminuten € 250 extra) en wordt het no-show tarief in de curatieve GGZ afgeschaft. Dit betekent dat de aanbieder de betreffende DBC voor de no-show niet meer kan declareren ten laste van het verzekerde pakket. Tevens wordt de eerstelijns GGZ versterkt, om zo tegen te gaan dat in de tweedelijn GGZ zorg wordt geleverd die (goedkoper) in de eerste lijn kan worden geleverd ook wordt het maximum aantal vergoede zittingen ELP (eerstelijns psycholoog) verlaagd van 8 naar 5. Als laatste wordt in de GGZ volledige risicodragendheid van verzekeraars voor de curatieve GGZ inclusief invoering van prestatiebekostiging ingevoerd en wordt de macronacalculatie voor de geneeskundige GGZ uiterlijk in 2015 afgeschaft. De totale structurele besparing van alle maatregelen is 0,12 mld.

  • 5. Op dit moment worden 3 IVF behandelingen collectief vergoed. Dit wordt beperkt tot 1e behandeling. Dit levert een besparing op van 0,025 mld.

  • 6. Het aantal fysiotherapiebehandelingen die cliënten zelf moeten betalen wordt verhoogd tot 15. Dit levert een besparing op van 0,03 mld.

  • 7. Verzekerde prestaties (geneeskundige zorg, geneesmiddelen en GGZ-zorg) gericht op behandeling van een lage ziektelast worden uit het basispakket gelicht; hiervoor kunnen aanvullende verzekeringen worden afgesloten. Dit leidt tot een structurele besparing van 1,0 mld.

  • 8. Introductie van een BTW compensatiefonds wordt onderzocht.

  • 9. Nadere bestudering moet uitwijzen of het mogelijk is om het aantal referentielanden voor de WGP uit te breiden dan wel te wijzigen.

  • 10. Het afschaffen van de werelddekking (buiten de EU) moet leiden tot een daling van de uitgaven met 0,03 mld vanaf 2012, oplopend tot 0,06 mld vanaf 2013.

  • 11. Een strenger toezicht door de NZa (o.m. door een verlaging van de tolerantiegrens bij accountantscontroles van 5% naar 3%) zal tot een kostenbesparing van 0,04 mld.

J. Overig

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

J

Overig

0,00

0,01

0,10

0,07

0,18

0,35

1

Opbrengst licenties

 

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

2

Differentiëren heffings- en invorderingsrente met 1,5%

0,00

0,00

0,09

0,06

0,17

0,34

  • 1. Introductie van licentie-fee voor (of veiling van) vergunningen voor de exploitatie van internetkansspelen/loterijen.

  • 2. Er wordt een differentiatie aangebracht in de heffings- en invorderingsrente (HIR) van 1,5% tussen de te betalen en de te ontvangen HIR. De te betalen rente blijft 2,5%, de door de bedrijven en burgers te ontvangen rente bedraagt 1% (o.b.v. stand Q4 2010). De structurele opbrengst van 344 mln wordt behaald in 2017.

INTENSIVERINGEN

A Zorg (ouderenzorg CARE)

 

Intensiveringen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

A

Zorg (CARE)

0,01

0,86

0,86

0,86

0,86

0,86

1

ZZP's inclusief opleidingen

 

0,82

0,82

0,82

0,82

0,82

2

Verstevigen Inspectie

 

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

 

1) verbeteren kwaliteitsnormen

      
 

2) uitbreiden bevoegdheden

      
 

3) introduceren individueel klachtenrecht

      

3

Ouderenmishandeling

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

 

1) richtlijn ouderenmishandeling

      
 

2) meldplicht ouderenmishandeling

      
 

3) verlengen project «Stop Ouderenmishandeling»

      
 

4) VOG voor zorgpersoneel en vrijwilligers

      

4

Taakstellend nader in te vullen

 

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

5

Terugdraaien eigen betalingen care en cure

0,00

0,92

1,22

3,47

4,87

4,87

 

Terugdraaien eigen risico MLT (cure)

0,00

0,62

0,61

2,58

3,70

3,70

 

Terugdraaien eigen betalingen MLT (care)

0,00

0,25

0,51

0,74

0,97

0,97

 

Terugdraaien eigen betalingen MLT WMO

0,00

0,05

0,10

0,15

0,20

0,20

Toelichting

  • 1. De prijzen van de zogenaamde zorgzwaartepakketten, inclusief de opleidingen, worden verhoogd. Daarnaast wordt de maatregel «verlaging contracteerruimte AWBZ» van ca. 142 mln structureel ongedaan gemaakt, voor 32 mln gedekt door een aanscherping op het geneesmiddelenterrein. De totale intensivering bedraagt daarmee 0,85 mld.

  • 2. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zal uitgebreider gebruik maken van bestaande (tuchtrecht, bevel e.d.) en recent verkregen bevoegdheden (Wubhv), intensiever toezien op opstellen en naleving van kwaliteitsnormen en gebruik maken van individuele klachten (die door klachtbehandelings-instanties worden behandeld) voor de uitvoering van risicogestuurd toezicht gericht op structurele tekortkomingen in de zorg.

  • 3. Er zullen maatregelen worden getroffen om oudermishandeling tegen te gaan.

  • 4. Een taakstellende nader in te vullen intensivering.

  • 5. Het verhogen van de eigen betalingen in de ouderenzorg uit de MLT wordt niet overgenomen, waardoor de totale intensiveringen in de ouderenzorg uitkomen op ongeveer 2 mld (0,86 + 0,97 + 0,20). Het verplicht eigen risico, zoals is verondersteld in de MLT, wordt ook niet overgenomen. Wel handhaaft het kabinet de voorgestelde verhoging van het eigen risico met 40 euro per 2012. Hierdoor resteert een intensivering ten opzichte van het basispad, die deels gedekt wordt door doorvoeren van bezuinigingen in de curatieve zorg. Voorzover er geen dekking is voor de intensivering, worden de hogere zorguitgaven afgedekt door een hogere zorgpremie.

B Veiligheid

 

Intensiveringen

2011

2012

2013

2014

2015

Struc

B

Veiligheid

0,40

0,42

0,44

0,46

0,47

0,47

1

Politie

0,30

0,32

0,34

0,36

0,37

0,37

2

Justitie keten (OM en ZM)

0,10

0,10

0,10

0,10

0,10

0,10

Toelichting

  • 1. Met dit bedrag kunnen 500 animal cops en 2500 meer agenten gefinancierd worden dan zonder deze intensivering het geval zou zijn.

  • 2. De uitbreiding van de operationele sterkte van de Politie leidt tot meer druk op de rest van de keten: daarom vinden intensiveringen plaats ten behoeve van vervolging (OM) en berechting (ZM).

C Immigratie en Integratie

 

Intensiveringen

2011

2012

2013

2014

2015

Struc

C

Immigratie en Integratie

0,05

0,07

0,09

0,10

0,05

0,05

1

Maximaal versnellen asielprocedures (extra capaciteit IND)

0,003

0,003

0,003

0,003

0,003

0,003

2

Strafbaar stellen illegaliteit/ontwikkelen systeem biometrische gegevens

0,010

0,016

0,019

0,021

0,004

0,004

3

Sluitende controle/handhaving op referent naleving Vreemdelingewetgeving (extra capaciteit IND en Vreemdelingenpolitie)

0,015

0,020

0,030

0,032

0,012

0,012

4

Verkorten procedures i.g.v. fraude/bedrog/criminaliteit

0,002

0,002

0,002

0,002

0,002

0,002

5

AMV's versneld terugsturen+uitbreiden opvangcapaciteit land van herkomst

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

6

Onmiddellijke heroverweging alle vergunningen categoriaal beleid (extra capaciteit IND)

0,002

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

7

Uitbreiding politieliaisons bij ambassades

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

8

Reeds bij eerste aanvraag voor gezinsvorming strikt checken bij indicaties van fraude of misbruik

0,003

0,003

0,003

0,003

0,003

0,003

9

MVV alleen uit het buitenland + schrappen uitzonderingen: extra inzet IND buitenland

0,002

0,002

0,002

0,002

0,002

0,002

10

Intensiveren grenscontroles: project PARDEX (mensenhandel, controle documenten etc.)

0,004

0,010

0,015

0,016

0,009

0,009

11

Intensieve controle op criminaliteit en inkomensvereiste automatiseren

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

12

Standaard/sluitende controle op gebruik Europa-route (extra capaciteit IND)

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

13

Intensiveren controle op arbeids- en kennismigranten: extra capaciteit IND

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

14

Daadwerkelijk intrekken verblijfsvergunning i.g.v. beroep op bijstand door vreemdeling (uitbreiding handhavingscapaciteit/koppeling systemen UWV en SVB)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

15

Dubbel check door IND op inwilligingen verblijfsaanvragen door aparte unit (incl. einde behandelquota beslismedewerkers)

0,004

0,004

0,004

0,004

0,004

0,004

16

Intensiveren controle op arbeids- en kennismigranten (extra capaciteit arbeidsinspectie en DUO)

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

17

Sociaal leenstelsel inburgering

  

0,01

0,01

0,01

0,01

Op het gebied van immigratie wordt een pakket van maatregelen genomen dat enerzijds misbruik zoveel mogelijk moet inperken en anderzijds procedures zoveel mogelijk moet versnellen, zonder concessies aan de kwaliteit van beoordelingen te doen. Dit wordt onder andere bewerkstelligd door middel van extra capaciteit bij de IND, strengere controles en een betere (geautomatiseerde) gegevensuitwisseling. 

Op het gebied van integratie wordt vanaf 2013 een sociaal leenstelsel inburgering ingevoerd, omdat naar een stelsel wordt toegewerkt waarbij de kosten bij de inburgeraar wordt neergelegd.

D Infrastructuur

 

Intensiveringen

2011

2012

2013

2014

2015

Struc

D

Infrastructuur

  

0,10

0,20

0,50

0,50

 

Extra wegen en spoor

  

0,10

0,20

0,50

0,50

Toelichting

Het budget voor aanleg van wegen en ook spoor wordt verhoogd.

E Onderwijs

 

Intensiveringen

2011

2012

2013

2014

2015

Struc

E

Kwaliteit onderwijs

0,00

0,54

0,98

1,10

1,33

1,45

1

PO uitbreiding doelgroep VVE

 

0,03

0,05

0,05

0,05

0,05

2

PO/VO/MBO Versterken centrale een uniforme toetsing, mede t.b.v. meten leerwinst

 

0,08

0,08

0,08

0,08

0,08

3

PO/VO/MBO professionalisering onderwijspersoneel

 

0,10

0,15

0,15

0,15

0,15

4

PO/VO/MBO prestatiebeloning op basis van objectief gemeten leerwinst

 

0,01

0,02

0,04

0,20

0,25

5

PO/VO hoogbegaafden

 

0,02

0,03

0,03

0,03

0,03

6

PO/VO taal en rekenen

 

0,02

0,02

   

7

PO meer schakelklassen en summercourses

 

0,04

0,05

0,05

0,05

0,05

8

VO/MBO plusvoorzieningen en wijkscholen

 

0,03

0,03

0,03

0,03

0,03

9

MBO Kwaliteitsverbetering

  

0,15

0,15

0,15

0,15

10

HO verhogen intensiteit onderwijs

 

0,05

0,13

0,21

0,23

0,30

11

Kwaliteitsimpuls/reservering ramingsrisico

 

0,07

0,18

0,22

0,27

0,27

12

Innovatie en onderzoek

 

0,09

0,09

0,09

0,09

0,09

Toelichting

  • 1. Het bereik van VVE wordt via de wet OKE groter. Door middel van sterkere drang (via consultatiebureau, jeugdzorg, huisartsen, WMO-loket) wordt de doelgroep sterker gestimuleerd om deel te nemen aan VVE. Gemeenten zijn vrij om de voorschoolse educatie sterker te verbinden aan basisonderwijs.

  • 2. Er wordt geïnvesteerd in de centrale en/of uniforme toetsing op het PO, VO en MBO zodat de leerwinst objectief kan worden gemeten door de onderwijsinspectie. Daartoe wordt onder meer in het PO een centrale begin- (groep 3) en eindtoets verplicht en wordt in het MBO onafhankelijke examinering versterkt waarbij kernvakken centraal worden geëxamineerd.

  • 3. Er wordt geïnvesteerd in de kwaliteit van PABO’s en lerarenopleidingen, gekoppeld aan centrale examinering op basis van de Kennisbasis. Het al door de sector in ontwikkeling zijnde scholingsregister wordt uitgebreid met een verplichting voor het onderhoud en waar nodig verhoging van kennis en vaardigheden van docenten en schoolleiders. Hiervoor wordt extra scholingsbudget beschikbaar gesteld.

  • 4. Geobjectiveerd goede prestaties van docenten worden sterker beloond door het introduceren van opbrengstgerichte financiële beloningen voor (teams van) leraren.

  • 5. Er ontstaat meer ruimte voor extra lessen en een passend aanbod voor hoogbegaafde leerlingen.

  • 6. De invoering van referentieniveaus voor taal en rekenen wordt extra ondersteund.

  • 7. De intensivering betreft een uitbreiding van het aantal schakelklassen en summercourses.

  • 8. De intensivering betreft het structureel financieren van de plusvoorzieningen en de wijkscholen. Door middel van intensievere begeleiding van (potentiële) vsv-ers in het vmbo en mbo wordt het aantal voortijdig schoolverlaten teruggedrongen.

  • 9. De schooluitval in het MBO wordt bestreden door intensivering van de onderwijstijd in het eerste jaar, intensieve begeleiding, loopbaanoriëntatie en coaching.

  • 10. Er wordt geïnvesteerd in het verhogen van de intensiteit van het onderwijs in het Hoger Onderwijs. Intensieve studiebegeleiding en onderwijsprogrammering zijn nodig om de student te motiveren, uit te dagen en te binden.

  • 11. In het budgettair kader is de post kwaliteitsimpuls opgenomen oplopend tot € 270 mln in 2015 De bedoeling is dat deze middelen ten goede komen aan de kwaliteit van het onderwijs, waaronder ook het opvangen van de leerlingenramingen.

  • 12. Dit betreft extra geld voor onderzoek en innovatie.

F Natuur en leefomgeving

 

Intensiveringen

2011

2012

2013

2014

2015

Struc

F

Natuur en leefomgeving

0,03

0,03

0,13

0,23

0,30

1,40

1

Programmatische aanpak stikstof

0,03

0,03

0,03

0,03

  

2

Invoering SDE+

  

0,10

0,20

0,30

1,40

Toelichting

  • 1. Om de economische ontwikkeling te stimuleren en tegelijkertijd de milieucondities te verbeteren om de teruggang van biodiversiteit te remmen wordt er tijdelijk geïnvesteerd in de Programmatische Aanpak Stikstof.

  • 2. Het kabinet verbetert de SDE tot een meer efficiënte «SDE+», voor een deel gefinancierd uit een opslag op de energierekening4 (elektriciteit en gas) en mogelijk voor een deel uit een kolen- en gasbelasting voor grote stroomproducenten (rekening houdend met het internationale speelveld en EU wetgeving). De vervuiler betaalt is uitgangspunt bij de SDE+. Met het oog op de beheersbaarheid worden de uitgaven en ontvangsten samenhangend met de SDE+ regeling op de begroting verwerkt. De verdeling van de opslag over burgers en bedrijven is in lijn met de opbrengst van de Energiebelasting (circa 50% burgers en 50% bedrijven) en evenredig verdeeld over gas en elektriciteit. De totale uitgaven voor MEP/SDE en SDE+ bedragen in 2015 en verdere jaren maximaal 1,4 mld. In 2014 vindt een evaluatie plaats van de kosten en baten van het beleid mede in de context van het Europese beleid. Bij de evaluatie komen in ieder geval de actuele kostenraming, de mogelijke import en de optie van een verplicht aandeel duurzaam aan de orde.

LASTEN

 

Lasten

2011

2012

2013

2014

2015

struc

  

0,38

0,77

1,47

2,22

1,34

2,21

1

Podiumkunsten, kunst en verzamelvoorwerpen naar 19%

0,09

0,09

0,09

0,09

0,09

0,09

2

Afschaffen heffingskortingen box 3

0,12

0,12

0,12

0,12

0,12

0,12

3

Doorwerkbonus één jaar opschuiven

 

0,13

0,13

0,13

0,13

0,13

4

Aftrek levensonderhoud kinderen beperken tot 21 jaar

 

0,13

0,13

0,13

0,13

0,13

5

Giftenaftrek beperken tot ANBI’s met renseigneringsplicht

0,00

0,00

0,04

0,04

0,04

0,04

6

Leeftijdsgrens jongste kind naar 12 jaar bij alleenstaande (aanvullende) ouderkorting

 

0,25

0,25

0,25

0,25

0,25

7

Assurantiebelasting: gezinnen

0,19

0,19

0,19

0,19

0,19

0,19

8

Witteveen aanpassen (taakstellend)

  

0,70

0,70

0,70

0,70

9

Schrappen uitzonderingen OAHK (cohorten 63–72 en gezinnen met jonge kinderen)

 

0,15

0,20

0,25

0,31

0,40

10

Assurantiebelasting: bedrijven

0,06

0,06

0,06

0,06

0,06

0,06

11

Terugsluis bedrijven

– 0,06

– 0,06

– 0,06

– 0,06

– 0,06

– 0,06

12

Lastenverlichting bedrijfsleven (i.p.v. subsidies EZ)

 

– 0,12

– 0,25

– 0,37

– 0,50

– 0,50

13

SDE-plusheffing

  

0,10

0,20

0,30

1,40

14

Doorstroming huurmarkt

0,00

0,00

0,00

0,76

0,76

0,76

15

Vitaliteitsregeling

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

16

Effect ombuigingen cure

– 0,02

– 0,17

– 0,23

– 0,27

– 1,18

– 1,50

17

Doorwerking terugdraaien eigen risico cure op zvw-premie

0,00

0,61

0,58

2,52

3,61

3,61

  • 1. Podiumkunsten (niet circussen en bioscopen) en kunst en verzamelvoorwerpen worden onder het hoge tarief gebracht.

  • 2. In box 3 worden de diverse vrijstellingen (van de 1,2% rendementsheffing) behouden. De extra heffingskortingen die 1,3% van deze vrijstelling bedragen komen te vervallen, het gaat hierbij om: heffingskortingen voor groen beleggen, sociaal-ethisch beleggen, cultureel beleggen en beleggingen in durfkapitaal. Tevens vervalt de Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal en de (nog niet ingevoerde) tijdelijke vrijstelling etc. (2011–2015) i.v.m. het Alternext amendement.

  • 3. De ingangsleeftijd van de doorwerkbonus wordt 1 jaar later. Deze doorwerkbonus geldt voor oudere werknemers met een inkomen vanaf € 9 041, loopt geleidelijk op en is leeftijdsafhankelijk. Een werknemer die in belastingjaar 62 wordt krijgt momenteel € 2 340 per jaar, deze categorie schuift een jaar op.

  • 4. De aftrek voor levensonderhoud kinderen wordt beperkt van kinderen tot 30 jaar naar kinderen tot 21 jaar. Deze bedraagt momenteel een vast bedrag afhankelijk van de leeftijd en de mate van onderhoud.

  • 5. De giftenaftrek wordt beperkt tot giften aan Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI’s) en er komt een renseigneringsplicht voor de instelling die de gift heeft ontvangen. Er komt een Geefwet in de wet IB2001 en de successiewet om de geeffaciliteiten te stroomlijnen.

  • 6. Bij de alleenstaande (aanvullende) ouderkorting wordt de leeftijdsgrens voor het jongste kind naar 12 jaar verlaagd. Deze bedraagt momenteel voor de alleenstaande ouderkorting 27 jaar en voor de aanvullende alleenstaande ouderkorting 16 jaar.

  • 7. De assurantiebelasting wordt met 2% verhoogd, hiervan slaat 75% neer bij burgers en 25% bij bedrijven (zie ook 10).

  • 8. Te beginnen in 2013 wordt het Witteveenkader aangepast. Daardoor kunnen vanaf dat moment minder pensioenaanspraken met fiscale faciliëring worden opgebouwd. De richtleeftijd wordt verhoogd naar 66 jaar en de maximale jaarlijkse opbouwpercentages worden aangepast. De structurele opbrengst van deze aanpassing bedraagt 0,7 mld.

  • 9. Op dit moment is voor kostwinnergezinnen met jonge kinderen (t/m 5 jaar) en gezinnen met een niet-werkende partner die is geboren voor 1/1/1972 de volledige algemene heffingskorting overdraagbaar. Dit wordt in 13 jaar versoberd: de uitzondering voor gezinnen met jonge kinderen komt geheel te vervallen. De leeftijdsgrens voor niet-werkende partners schuift op naar 1/1/1963.

  • 10. Zie 7.

  • 11. Via Vpb en Wbso wordt de lastenverzwaring als gevolg van 10 voor bedrijven teruggesluisd.

  • 12. Ter compensatie van lagere subsidies aan de uitgavenkant worden de lasten voor bedrijven met 0,5 mld via de Vpb en Wbso verlaagd.

  • 13. Het kabinet verbetert de SDE tot een meer efficiënte «SDE+», voor een deel gefinancierd uit een opslag op de energierekening5 (elektriciteit en gas) en mogelijk voor een deel uit een kolen- en gasbelasting voor grote stroomproducenten (rekening houdend met het internationale speelveld en EU wetgeving). De verdeling van de opslag over burgers en bedrijven is in lijn met de opbrengst van de Energiebelasting (circa 50% burgers en 50% bedrijven) en evenredig verdeeld over gas en elektriciteit.

  • 14. Voor huurders van gereguleerde woningen met een huishoudinkomen tot 43 000 zal de maximale jaarlijkse huurstijging gelijk aan de inflatie zijn. De doorstroming op de huurmarkt wordt bevorderd door voor huurders van een gereguleerde woning, met een huishoudinkomen van meer dan 43 000 euro, jaarlijks een maximale huurstijging van inflatie+5% toe te staan. Dit gaat in per 1 juli 2011. Het aantal WWS-punten wordt in regio's met schaarste verhoogd met maximaal 25-punten, afhankelijk van de WOZ-waarde. Verhuurders, die meer dan 10 woningen verhuren, zullen bijdragen aan de huurtoeslag middels een jaarlijkse heffing met een opbrengst van 0,76 mld in 2015. Huurders van woningcorporaties krijgen het recht om hun woning tegen een redelijke prijs te kopen.

  • 15. De spaarloon- en levensloopregeling worden budgetneutraal geïntegreerd in een nieuwe vitaliteitsregeling.

  • 16. De ombuigingen in de cure leiden tot een lagere zvw-premie.

  • 17. Het terugdraaien van de verhoging van het eigen risico uit het basispad MLT impliceert een hogere nominale zvw-premie.

Gedoogakkoord VVD-PVV-CDA

Inhoudsopgave

Inleiding

65

1.

Immigratie

65

2.

Veiligheid

71

3.

Ouderenzorg

75

4.

Financiën

78

   

Bijlage I: verklaring van 30 juli 2010

80

   

Bijlage II: financieel kader

81

Inleiding

Dit akkoord van de fracties van VVD, PVV en CDA berust op de politieke samenwerking die is toegelicht in de verklaring van 30 juli 2010 (bijlage I).

1. Immigratie

Algemeen

Het asiel- en migratiebeleid is streng maar rechtvaardig. Ombuiging, beheersing en vermindering van de immigratie zijn geboden en urgent gelet op de maatschappelijke problematiek. Verwezenlijking hiervan behoort tot de primaire doelstellingen van het te voeren kabinetsbeleid. Rechtvaardig omdat mensen rechten hebben en het kabinet dit als uitgangspunt neemt. Nederland zal vluchtelingen blijven beschermen en opvangen waar het, overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag, gaat om slachtoffers van vervolging voor wie Nederland de eerste veilige plek is. Dit kan niet gelden voor asielzoekers die economische migranten blijken te zijn. Daarom wordt zo snel mogelijk vastgesteld tot welke categorie de asielzoeker behoort en of deze hier kan blijven of Nederland moet verlaten. Het migratiebeleid, met name het beleid inzake de gezinsmigratie, is gericht op beperking en terugdringing van de komst van migranten met weinig perspectief. Dit om de integratieproblematiek beter aan te pakken, mede gelet op de participatie van degenen die worden toegelaten. Het kabinet zal hiertoe de mogelijkheden voor een restrictief en selectief migratiebeleid binnen de bestaande juridische kaders, waaronder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), zoveel mogelijk benutten, zowel door voorstellen tot wet- en regelgeving als door intensivering van controle, handhaving en uitvoering van bestaande voorschriften, met inbegrip van nieuwe informatiesystemen, uitwisseling van gegevens en technieken voor identiteitsvaststelling. Hierbij werkt het kabinet waar mogelijk samen met andere landen, met name aangrenzende EU-lidstaten en landen buiten de EU waaruit migranten afkomstig zijn. Het terugkeer- en uitzetbeleid wordt aangescherpt. Illegaal verblijf wordt strafbaar.

Uitzetting van strafrechtelijk veroordeelde vreemdelingen vindt eerder en vaker plaats. Tegen mensensmokkel wordt hard opgetreden. Effectieve integratie van nieuwkomers en bevolkingsgroepen is een veelomvattend en veeleisend proces dat voor de gehele samenleving van groot belang is. Hiervoor geldt bij uitstek dat participatie in de samenleving vraagt om een toereikende kwalificatie in taal en opleiding. Inburgering van toegelaten asielzoekers en migranten op een adequaat niveau is voor henzelf en hun kinderen de sleutel tot een volwaardige deelname aan de samenleving in werk en onderwijs. Dit mag worden verwacht van nieuwkomers. Zij zijn hiervoor zelf verantwoordelijk. Het uitblijven van deze inspanningen kan in het kader van de sociale zekerheid en in het belang van de arbeidsparticipatie, niet zonder gevolgen blijven. De tijdelijke verblijfsvergunning zal bij niet slagen voor het inburgeringsexamen worden ingetrokken behoudens uitzonderingen.

Bij de uitvoering van het voorgenomen beleid neemt het kabinet tevens initiatieven tot aanpassing van EU-richtlijnen en, indien er voor belangrijke maatregelen geen andere alternatieven blijken te zijn, eventueel, in overleg met andere lidstaten, tot wijziging van verdragen. Realisering van het gehele pakket van maatregelen op het gebied van asiel en migratie zal feitelijk leiden tot een zeer substantiële daling van de instroom.

Asiel

De opvang van asielzoekers vindt bij voorkeur plaats in het land of de regio van herkomst.

Het kabinet streeft naar een doeltreffende uitvoering van het Dublin-verdrag, de Dublin-verordening en de bijbehorende regelgeving waarbij het asielverzoek wordt behandeld door de lidstaat die daarvoor verantwoordelijk is. Nederland draagt actief bij aan de opvang elders en de behandeling van asielverzoeken door de verantwoordelijke lidstaat door samenwerking met de betrokken landen en met internationale organisaties zoals de UNHCR.

Het categoriaal beleid vervalt, met inbegrip van de wettelijke grondslag.

De behandeling van aanvragen voor asiel vindt zo effectief, efficiënt en zorgvuldig mogelijk plaats

  • De mogelijkheden tot het stapelen van procedures worden beperkt, procedures worden versneld, de rechtsbijstand wordt zo aangepast dat na de behandeling van de eerste aanvraag prikkels voor nieuwe procedures worden weggenomen (toepassing van «no cure no fee» in vervolgprocedures) en de uitspraak in een voorlopige voorziening kan niet altijd in Nederland worden afgewacht

  • Er wordt optimaal ingezet op het tegenwerpen van het ontbreken van identiteitsgegevens bij ongedocumenteerde asielzoekers.

  • Bij de behandeling van de aanvraag voor asiel wordt fraude tegengegaan, onder meer door uitwisseling van informatie en nieuwe technieken voor identiteitsvaststelling.

  • De bewijslast wordt, binnen de grenzen van de jurisprudentie van de Raad van State, meer naar de aanvrager verschoven en verzwaard.

  • Het kabinet zet in op een wijziging van de EU-kwalificatierichtlijn om de bewijslast naar de aanvrager te verschuiven ten aanzien van het aantonen van (het ontbreken van) vluchtalternatieven.

Nareizende gezinsleden van asielzoekers zullen niet meer automatisch een asielstatus krijgen maar onder het reguliere beleid voor gezinsmigratie worden gebracht waarbij geen vereisten worden gesteld aan het inkomen of inburgering in het buitenland.

Bij de komst van alleenstaande, minderjarige vreemdelingen richt de inzet zich maximaal op zo spoedig mogelijke terugkeer onder de voorwaarde van lokale opvang. Daarvoor is het nodig dat uit het budget voor Ontwikkelingssamenwerking investeringen plaatsvinden in extra lokale opvang zoals weeshuizen. Verder wordt ingezet op aanpassing van de EU-terugkeerrichtlijn (2008/115) terzake.

Gezinsmigratie

Bij gezinsmigratie gaat het om de komst van gezinsleden van personen die legaal in Nederland verblijven. Zo kan een migratieketen ontstaan waarbij in elke generatie opnieuw partners, vaak verwanten, en kinderen uit het land van herkomst naar Nederland komen met de nadelige gevolgen vandien voor het integratieproces dat zo bij herhaling op achterstand raakt. De negatieve spiraal van deze keten wordt doorbroken door hogere eisen te stellen aan deze wijze van gezinsvorming en gezinshereniging waaronder zodanige opleidingseisen dat een kansrijke integratie bij voorbaat verzekerd is. Het kabinet zet hierbij tevens in op wijziging van de Europese richtlijn. Gelet op het voorgaande zal het kabinet met verschillende voorstellen en verschillende maatregelen komen.

  • De mogelijkheid van gezinsvorming en gezinshereniging wordt beperkt tot partners die gehuwd zijn of met wie een geregistreerd partnerschap is aangegaan en minderjarige kinderen.

  • Voor hun toelating gaat als vereiste gelden dat de referent al tenminste een jaar legaal in Nederland verblijft behoudens kennismigranten.

  • Verder gaan als nieuwe vereisten voor toelating voor gezinsmigranten gelden dat zij moeten beschikken over een zelfstandige huisvesting en een ziektekostenverzekering.

  • De termijn waarna gezinsmigranten een zelfstandige verblijfsvergunning kunnen krijgen wordt verlengd van drie naar vijf jaar behoudens bijzondere omstandigheden.

  • De leges voor gezinsmigratie worden zoveel mogelijk kostendekkend gemaakt.

  • Het beleid tegen schijnhuwelijken en huwelijksdwang wordt verscherpt en de handhaving geïntensiveerd.

  • Huwelijksdwang is verboden en wordt strafbaar gesteld.

  • In principe worden huwelijken tussen neven en nichten verboden.

  • Polygame huwelijken worden niet erkend.

  • De exameneisen in de Wet inburgering buitenland gaan omhoog.

Belangrijke nieuwe eisen aan gezinsmigratie kunnen bijvoorbeeld worden gerealiseerd bij aanpassing van de EU-richtlijn inzake gezinshereniging (2003/86).

Daarbij zal het kabinet onder meer inzetten op:

  • verhoging van de leeftijdseis voor de partner naar 24 jaar

  • toelating van maximaal een partner in de tien jaar

  • verhoging van de inkomenseis naar tenminste 120% van het minimumloon

  • invoering van een borgsom

  • invoering van een toets waaruit blijkt of de band met Nederland groter is dan de band met andere landen en

  • uitsluiting van de mogelijkheid gezinsleden toe te laten van personen die veroordeeld zijn wegens bepaalde geweldsdelicten.

  • Tot slot zal met het oog op het belang van kwalificatie ten behoeve van participatie en integratie worden ingezet op opneming in deze richtlijn van de mogelijkheid opleidingseisen te stellen aan gezinsmigranten.

Nederland is op deze manier in staat mensen die hier rechtmatig zijn gekomen volwaardig te laten deelnemen aan de samenleving.

Arbeidsmigratie

Verlening van een vergunning aan arbeidsmigranten die niet afkomstig zijn uit de EU en geen kennismigrant zijn, kan pas plaatsvinden indien de werkgever aantoont dat hij geen werknemers uit Nederland of landen van de EU en de Europese Economische Ruimte (EER) heeft kunnen vinden. Voor de tewerkstellingsvergunning geldt het vereiste dat de werkgever tenminste het wettelijk minimumloon betaalt. Voor arbeidsmigranten zal het minimumvereiste van het wettelijk minimumloon gaan gelden. Voor Roemenen en Bulgaren blijft voorts het vereiste van een tewerkstellingsvergunning gelden tot 1 januari 2014 indien de huidige omstandigheden ongewijzigd blijven. Het kabinet zal onderzoeken of en in hoeverre aanscherping van het arbeidsmigratiebeleid mogelijk en wenselijk is.

Het kabinet zal ervoor zorg dragen dat de bevordering van de kenniseconomie door alle genomen maatregelen niet wordt belemmerd. De kennismigrantenregeling is van groot belang maar het kabinet zal onderzoeken of misbruik plaatsvindt. Eventueel kan op basis hiervan een nadere opleidingseis worden gesteld.

Immigratie algemeen

Om in bredere zin de migratie van kansarme migranten te beperken, de integratie te bevorderen en fraude en misbruik te bestrijden, worden onder meer vergunningseisen aangescherpt, het terugkeerbeleid geïntensiveerd en illegaliteit aangepakt. Wat het eerste betreft, gaat het om de aanvraag voor een reguliere vergunning in het buitenland, de vereisten voor verlening van een permanente vergunning, de toepassing van de discretionaire bevoegdheid en de intrekking van een vergunning bij verblijf in het buitenland.

Hoofdregel bij de aanvraag voor een reguliere vergunning is dat deze in het buitenland wordt gedaan. Dit vereiste vormt tevens een drempel voor de aanvraag van een reguliere vergunning door degenen die een nieuwe procedure starten nadat hun aanvraag voor asiel in Nederland is afgewezen. In de loop der jaren zijn verschillende uitzonderingen gemaakt op de regel dat de aanvraag in het buitenland plaatsvindt. Het kabinet zal een voorstel doen dat inhoudt dat aanvragen voor een reguliere vergunning in het buitenland worden ingediend.

  • Dit houdt in dat een in Nederland ingediende reguliere aanvraag dan buiten behandeling wordt gesteld zodat geen sprake meer is van rechtmatig verblijf.

  • Het voorstel houdt tevens in dat alle humanitaire en medische overwegingen in het verlengde van de asielprocedure ambtshalve door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zullen worden beoordeeld en dat alle zogenaamde M50-loketten worden afgeschaft.

  • Vooruitlopend hierop zal het kabinet de vrijstellingen van het vereiste van een machtiging tot verblijf schrappen voor degenen die gedurende hun minderjarigheid vijf jaren achtereen rechtmatig in Nederland verbleven en voor degenen die in aanmerking komen voor terugkeer naar Nederland op grond van de Remigratiewet.

Aan de verlening van een permanente verblijfsvergunning asiel wordt het vereiste van een behaalde startkwalificatie verbonden, behoudens bijzondere omstandigheden. Het kabinet zal inzetten op een wijziging van de EU-richtlijn langdurig ingezetenen (2003/109) voor invoering van het vereiste van een startkwalificatie voor reguliere aanvragen.

Bij vergunningverlening op grond van toepassing van de discretionaire bevoegdheid zal terughoudendheid het uitgangspunt zijn.

Intrekking van tijdelijke en permanente verblijfsvergunningen kan plaatsvinden tijdens of na een periode van verblijf buiten Nederland. Het kabinet zal de geldende richttermijnen bekorten en de uitzondering voor detentie schrappen waarna intrekking zal plaatsvinden.

Verder is intrekking van tijdelijke verblijfsvergunningen en het niet verlenen van permanente verblijfsvergunningen aan de orde indien blijkt dat de vergunninghouder niet of niet langer voldoet aan het inkomensvereiste behoudens bijzondere omstandigheden. In dit kader gaan de IND en de gemeenten nauwer samenwerken.

Het terugkeer- en uitzetbeleid wordt geïntensiveerd.

  • In internationale contacten en het bilateraal verkeer met andere landen zal hierop kabinetsbreed worden ingezet.

  • Bij de uitvoering krijgen gezinnen met kinderen prioriteit.

  • Zo nodig wordt de capaciteit voor handhaving uitgebreid.

Illegaliteit in de zin van een onrechtmatig verblijf van vreemdelingen in Nederland, vormt een belangrijk probleem. Deze illegaliteit gaat vaak gepaard met diverse vormen van overlast en criminaliteit, waaronder mensensmokkel, en met een verblijf in mensonterende omstandigheden. Dit tast ook het draagvlak voor het asiel- en migratiebeleid aan en heeft een negatief effect op het integratieproces.

  • Het kabinet zal inzetten op strafbaarstelling van illegaliteit en de handhaving hiervan vooral richten op criminele en overlastgevende personen met het oogmerk deze zo snel mogelijk het land uit te zetten.

  • Deze maatregelen vormen onderdeel van een bredere aanpak van criminaliteit bij vreemdelingen. Deze houdt tevens in dat vreemdelingen die hier rechtmatig verblijven maar strafrechtelijk zijn veroordeeld eerder het land worden uitgezet. Hiertoe zal het kabinet de zogenaamde glijdende schaal aanscherpen.

  • Mensenhandel wordt steviger aangepakt. Misbruik van de verblijfsregeling voor slachtoffers van mensenhandel wordt tegengegaan.

  • Er zal vaker gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid van ongewenstverklaring en beëindiging van het verblijfsrecht van strafrechtelijk veroordeelde burgers van EU-lidstaten. Voor verruiming van deze mogelijkheid zal het kabinet inzetten op een wijziging van de EU-richtlijn inzake vrij verkeer (2004/38).

  • Grensoverschrijdende criminaliteit die in Nederland plaatsvindt door in andere landen verblijvende vreemdelingen, illegalen en mensensmokkelaars, wordt harder aangepakt, onder meer door mobiele grenscontroles van de Koninklijke Marechaussee.

  • De aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt afgewezen indien de aanvrager illegaal in Nederland verblijft of heeft verbleven tenzij medische gronden zich hiertegen verzetten of de aanvrager behoort tot de categorie alleenstaande minderjarige vreemdelingen of getuigen-aangevers van mensenhandel. Het kabinet zal inzetten op een zodanige wijziging van de EU-richtlijn vrij verkeer dat aan beide genoemde categorieën niet de categorie van gezinsvorming/gezinshereniging behoeft te worden toegevoegd (richtlijn 2004/38).

De mogelijkheden om radicale geestelijke bedienaren niet tot Nederland toe te laten of Nederland uit te zetten worden maximaal benut indien toetsing aan de openbare orde of de nationale veiligheid hiertoe aanleiding geeft.

Het kabinet komt met een voorstel voor een Rijkswet personenverkeer die berust op het uitgangspunt van wederkerigheid en tevens de mogelijkheid omvat wederzijds eisen te stellen aan de toelating en het verblijf tot en de terugkeer naar landen van het Koninkrijk (Curacao, Aruba, St. Maarten en Nederland).

In Europees verband zet het kabinet erop in dat bij de Schengen-evaluatie van Roemenië en Bulgarije de tweejaarlijkse voortgangsrapportages over corruptie en juridische hervormingen in deze landen worden betrokken. Indien uit deze rapportages blijkt dat zij niet voldoen aan de strikte criteria, geeft Nederland geen steun aan volledige toetreding van Roemenië en Bulgarije tot Schengen en opheffing van de interne grenscontroles in de EU en zullen Bulgarije en Roemenie niet worden toegelaten tot Schengen.

Het kabinet zet in de EU in op een regeling die inhoudt dat lidstaten niet kunnen besluiten tot een generaal pardon.

Het kabinet wil af van de «Europa-route» (route waarbij gezinsmigranten uit derde landen nationale toelatingsvereisten van EU-lidstaten omzeilen c.q. waarbij voor gezinsmigranten voor EU-onderdanen niet de gangbare eisen worden gesteld) die dan ook zal moeten worden gesloten.

Integratie

Van ieder die naar Nederland komt om zich hier te vestigen, mag worden verwacht dat hij of zij zich houdt aan de regels die hier gelden en actief deelneemt aan de samenleving door beheersing van de Nederlandse taal, het volgen van onderwijs en werk. Kwalificatie is de sleutel tot succesvolle participatie en integratie. Naarmate kwalificatie eerder plaatsvindt, stijgen de kansen op integratie. Daarom is het belangrijk (hogere) taal- en opleidingseisen te verbinden aan toelating tot en verblijf in ons land.

  • De erkenning van diploma’s die buiten de EU zijn behaald en van elders verworven competenties vindt door het daartoe bevoegde instituut plaats met inachtneming van Nederlandse normen en zal zoveel mogelijk worden bespoedigd. Zo worden ook deze migranten kansrijker.

  • Migranten en asielzoekers dragen zelf zorg voor hun inburgering in ons land. Voor degenen die hiervoor over onvoldoende middelen beschikken, komt het kabinet met een sociaal leenstelsel dat inhoudt dat de lening wordt terugbetaald. Uitgangspunt voor het kabinet is dat het niet slagen voor het inburgeringsexamen, behoudens bijzondere omstandigheden, leidt tot intrekking van de tijdelijke reguliere verblijfsvergunning.

  • Het kabinet zet zich ervoor in het Associatie-akkoord EU-Turkije zodanig aan te passen dat inwoners van Turkije onder de inburgeringsplicht komen te vallen.

Het kabinet beëindigt het diversiteits/voorkeursbeleid op basis van geslacht en etnische herkomst. Selectie moet plaatsvinden op basis van kwaliteit. Er komt een meldcode voor cultureel bepaald huiselijk geweld en kindermishandeling. Het kabinet komt met een voorstel voor een algemeen verbod op gelaatsbedekkende kleding zoals boerka’s. In voorschriften wordt opgenomen dat de politie en leden van de rechterlijke macht geen hoofddoek dragen.

Er wordt bezuinigd op de subsidies van de rijksoverheid op het gebied van integratie met uitzondering van de subsidie aan Vluchtelingenwerk. Het kabinet zal geen subsidie geven aan organisaties die activiteiten ondernemen die zich tegen de integratie richten.

Verkrijging van het Nederlanderschap vormt de bekroning van kwalificatie, participatie en integratie.

  • Het kabinet komt met een voorstel dat de minimumtermijn voor naturalisatie in meer gevallen op vijf jaar stelt en dat de vereisten voor naturalisatie aanvult met een kwalificatievereiste, een middelenvereiste en een aanscherping van het openbare orde vereiste waaronder het vereiste van het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling met uitzonderingen voor een veroordeling op grond van het jeugdstrafrecht, een veroordeling tot gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of een veroordeling tot boetes ter hoogte van negentig dageenheden. Voor optanten komt er een taaleis.

  • Het voorstel van het kabinet houdt tevens in dat het Nederlanderschap pas definitief wordt verkregen indien afstand is gedaan van een of meer andere nationaliteiten waarvan afstand gedaan kan worden.

  • Het kabinet zal met een voorstel komen om personen die binnen vijf jaar na verkrijging van het Nederlanderschap veroordeeld zijn of worden voor een misdrijf waar 12 jaar of meer op staat, het Nederlanderschap te ontnemen. Hiertoe wordt gepoogd binnen het kader van het europees verdrag inzake nationaliteit te komen tot een ruimere uitleg van artikel 7d. Indien deze ruimere uitleg niet mogelijk zal blijken te zijn, zal met de verdragsluitende partijen worden overlegd om te komen tot een wijziging van het verdrag. Indien voor 1 januari 2012 blijkt dat de verdragsluitende partijen niet tot een dergelijke wijziging bereid zijn zal de Nederlandse wetgeving zodanig worden gewijzigd dat de eerste vijf jaar sprake is van een voorwaardelijke verkrijging van de Nederlandse nationaliteit die, met inachtneming van de aangescherpte afstandseis, van rechtswege definitief wordt tenzij men veroordeeld wordt voor een misdrijf waar 12 jaar of meer op staat.

Het zwaarwegende belang van arbeidsparticipatie en integratie in Nederland heeft ook gevolgen voor de inrichting van het stelsel van sociale zekerheid.

  • Indien gedrag of kleding van iemand feitelijk zijn kansen op beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt beperkt, volgt een weigering, korting of intrekking van een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Zo nodig zal het kabinet daartoe met een voorstel komen.

  • In het kader van de sociale zekerheid verdient de verhouding met het land van herkomst van migranten en asielzoekers eveneens aandacht. Het kabinet zet in op het zoveel mogelijk verkrijgen van medewerking van lokale autoriteiten in deze landen bij de controle en handhaving van de vermogenstoets in de WWB.

Het kabinet streeft naar beperking van de export van sociale voorzieningen, onder meer door

  • stopzetting van de export van kinderbijslag en het kindgebonden budget naar landen buiten de EU en

  • hantering van het woonlandbeginsel bij de AOW-tegemoetkoming en de WGA-vervolguitkering.

2. Veiligheid

Veiligheid is een kerntaak van de overheid. Randvoorwaarde voor vrijheid en vertrouwen is een omgeving die niet onveilig is en waar geen gevoelens van onveiligheid heersen. Het moet veiliger worden op straten, in wijken en de openbare ruimte. Het daadkrachtig aanpakken van straatterreur, overlast, intimidatie, agressie, geweld en criminaliteit vraagt om een zichtbaar, gezaghebbend en doortastend optreden van politie en justitie.

Overlast, agressie, geweld en criminaliteit worden directer en effectiever aangepakt.

  • Het kabinet komt met een voorstel tot verruiming van de mogelijkheid tot preventief fouilleren.

  • Het kabinet komt met een voorstel dat zwaardere straffen stelt op geweld tegen politie, brandweer, ambulancepersoneel en andere gezagsdragers.

  • Er komt meer cameratoezicht.

Grensoverschrijdend gedrag van risicojongeren, individueel en in bendes, wordt teruggedrongen, ook door consequent lik op stuk te geven, zoals door oppakken, berechten en direct straf ten uitvoer brengen. Waar mogelijk wordt snelrecht toegepast (o.a. night courts)

  • Voor een zinvolle en effectieve aanpak van deze groep wordt gezocht naar een combinatie van straf, verwijdering van de straat, uitvoering van opgedragen werkzaamheden en heropvoeding vanuit het verblijf thuis en op school. Deze strafdienstplicht wordt bijvoorbeeld opgelegd bij vernieling, bedreiging en vermogensdelicten. Ook het betalen van schadevergoeding, afnemen van crimineel verkregen bezit of winsten, aansprakelijk stellen van de ouders en een meldingsplicht op het politiebureau kunnen deel uitmaken van deze maatregel. Bij onvoldoende medewerking of recidive kan de strafdienstplicht worden aangevuld met nachtdetentie. De aanpak is gericht op resocialisatie van de dader ten behoeve van onderwijs en arbeidsparticipatie. De veiligheidshuizen kunnen hierbij een rol vervullen.

  • Het kabinet zal een voorstel voorbereiden voor een adolescentenstrafrecht voor de groep van 15 tot 23 jaar.

  • Kinderen die jonger zijn dan twaalf jaar en overlast veroorzaken of criminaliteit plegen worden zo vroeg mogelijk in beeld gebracht zodat hun probleemgedrag direct en tijdig behandeld kan worden. Hun ouders worden eerder en meer financieel aansprakelijk gesteld. Dit geldt ook in het geval van oudere kinderen.

Het kabinet komt met voorstellen om in het volwassenenstrafrecht minimumstraffen in te voeren voor de gevallen waarin een persoon binnen tien jaar opnieuw wordt veroordeeld voor een misdrijf waarop wettelijk een maximumstraf van twaalf jaar of meer is gesteld. De rechter kan in individuele, zeer specifieke omstandigheden van het geval gemotiveerd afwijken van de minimumstraf. In een wetsvoorstel zullen deze specifieke omstandigheden worden uitgewerkt, evenals de hoogte van de minimumstraf per delict. Bij recidive wordt als minimumstraf tenminste de helft van het maximum van de gevangenisstraf opgelegd die naar de wettelijke omschrijving op het betreffende delict als maximumstraf is gesteld.

Daders moeten in hun eigen omgeving worden aangepakt. Veiligheidshuizen spelen hierbij een belangrijke rol. De veiligheidshuizen, samenwerkingsverbanden van verschillende organisaties, gaan dadergericht te werk bij het terugdringen van overlast, huiselijk geweld en criminaliteit. De voordelen van deze wijze van preventief werken hebben tot goede resultaten geleid. De veiligheidshuizen zullen worden voortgezet en verder ontwikkeld.

Sluiting van instellingen waarin strafbare feiten zijn gepleegd door oproepen en aanzetten tot geweld is nodig en zal zoveel mogelijk worden bevorderd door inzet van de beschikbare middelen.

Het kraakverbod wordt actief en prioritair gehandhaafd.

De veiligheid in het openbaar vervoer wordt verbeterd. Werkgevers in het openbaar vervoer nemen de aangifte over van werknemers die het slachtoffer van geweld zijn geworden. Dit geldt ook voor andere publieke sectoren zoals scholen, ziekenhuizen, brandweer en ambulance.

Dierenmishandeling wordt harder aangepakt, onder meer door 500 animal cops (dierenpolitie).

Er komt een apart alarmnummer voor dieren in nood en dierenmishandeling waaraan ook de dierenambulance zal worden gekoppeld (bijvoorbeeld 1-1-4 «red een dier»).6

Overlast en criminaliteit die verband houden met prostitutie en de handel in verdovende middelen worden teruggedrongen.

  • Coffeeshops worden besloten clubs die alleen voor meerderjarige inwoners van Nederland toegankelijk zijn op vertoon van een clubpas.

  • Er komt een afstand van tenminste 350 meter tussen scholen en coffeeshops.

  • De minister verscherpt het landelijk beleid en ziet erop toe dat gemeenten het afstandscriterium en de overige relevante delen van het landelijk beleid in hun vergunningen handhaven.

  • Het kabinet komt met voorstellen zwaardere straffen te stellen op de (voorbereiding van) in- en uitvoer, teelt en (georganiseerde) handel van drugs en tot aanpassing van het onderscheid tussen harddrugs en softdrugs.

  • Vanwege de vrouwenhandel en vrouwenuitbuiting (loverboys-problematiek) gaat de minimumleeftijd voor prostituees omhoog naar 21 jaar. Vrouwenhandel wordt intensiever opgespoord en harder aangepakt. De bestuurlijke aanpak wordt onder meer via de BIBOB-wetgeving geïntensiveerd.

Zware delicten als gewelds- en zedendelicten zijn niet alleen zeer ingrijpend en traumatisch voor de slachtoffers en hun naaste omgeving, met name als het toegebrachte leed onherstelbaar is, maar zij raken ook in brede zin het vertrouwen in de rechtsorde en de veiligheidsbeleving van burgers. De bescherming van de samenleving tegen de daders maakt toereikende (gevangenis)straffen en maatregelen daarom noodzakelijk.

  • Bij ernstige gewelds- en zedendelicten wordt verzekerd dat de persoon na zijn veroordeling in eerste aanleg en hangende beroep of cassatie in hechtenis blijft of wordt genomen.

  • Bij het oplossen van cold cases wordt herziening ten nadele (wetsvoorstel 32 044) mogelijk met terugwerkende kracht en tegelijkertijd ook voor de delicten doodslag en gewelds- en zedendelicten met dodelijke afloop. Daartoe worden, indien noodzakelijk, de verjaringstermijnen voor doodslag en enige andere gewelds- en zedendelicten aangepast.

  • Het kabinet komt met voorstellen tot verlenging van de verjaringstermijn van ernstige gewelds- en zedendelicten.

  • De instroom in de TBS wordt beperkt, zonder de risico’s voor de samenleving uit het oog te verliezen.

  • De longstay-afdelingen worden versoberd indien dit niet leidt tot onbeheersbaarheid

  • In aansluiting op de reeds voorgenomen aansluiting van GGZ op het justitieel traject komt er een onderzoek naar permanent toezicht op zedendelinquenten die de TBS-behandeling hebben afgerond.

  • De aanwijzingsbevoegdheid van de bewindspersoon wordt vergroot en de contracten met particuliere TBS-instellingen en GGZ-instellingen worden versoberd zonder de risico’s voor de samenleving uit het oog te verliezen.

  • Het kabinet komt met een voorstel dat inhoudt dat een TBS-gestelde bij onttrekking aan zijn verlof tenminste een jaar lang geen verlof krijgt tenzij zwaarwegende persoonlijke omstandigheden zich daartegen verzetten.

  • Indien een dader taakstraffen of maatregelen niet voltooit of voorwaarden bij voorwaardelijke straffen niet nakomt, wordt zoveel mogelijk verzekerd dat vrijheidsbeneming van de dader volgt.

Daders worden harder aangepakt, slachtoffers krijgen een sterkere positie.

  • De ondersteuning van slachtoffers wordt verbeterd.

  • Er komt een beslagtitel in het strafrecht om in een vroeg stadium beslag te leggen op middelen van verdachten die onder meer ten goede kunnen komen aan de schadevergoeding en proceskosten van slachtoffers.

  • In een aanwijzing aan het Openbaar Ministerie en politie wordt vastgelegd dat personen die zichzelf in eigen huis of bedrijf verdedigen tegen overvallers of inbrekers niet worden geconfronteerd met een aanhouding tenzij de rechter-commissaris op vordering van het OM besluit tot inbewaringstelling van de zelfverdediger omdat er duidelijke aanwijzingen zijn van eigenrichting.

Er komt een intensivering van de snelheidscontroles als de verkeersveiligheid in het geding is. Bij substantiële snelheidsovertredingen volgen zwaardere boetes.

De politie gaat effectiever functioneren ten behoeve van de veiligheid van burgers en dieren.

  • Het kabinet breidt de operationele sterkte van de politie uit met 3000 agenten, waaronder 500 animal cops (dierenpolitie) voor het bestrijden van dierenmishandeling. Ook de recherche en de justitiële keten worden uitgebreid.

  • Bij de vorming van gecombineerde teams van de politie en andere diensten zal de krijgsmacht vaker worden ingezet.

  • De aanrijtijden van de politie worden verbeterd, zowel in de stedelijke gebieden als in de gebieden daarbuiten.

  • Het kabinet komt met richtlijnen of, zo nodig, regelgeving om te verzekeren dat burgers overal snel en eenvoudig aangifte kunnen doen en tijdig informatie ontvangen over wat er met hun aangifte gebeurt.

  • Bonnenquota verdwijnen en worden niet door iets vergelijkbaars vervangen

  • Bij de vaststelling van de landelijke en regionale prioriteiten in jaarplannen komt in de prioritering meer nadruk te liggen op de lokale knelpunten in de buurten en wijken.

Er komt een nationale politie onder verantwoordelijkheid van de minister die belast is met de zorg voor veiligheid. De minister wordt eindverantwoordelijk voor het beheer.

Er komen tien politieregio’s waarbij de grenzen van de tien arrondissementen van de gerechtelijke kaart leidend zijn. De burgemeester blijft verantwoordelijk voor de openbare orde, capaciteitsinzet voor lokale taken en het vergunningenbeleid. Bij geschillen in een regio over de inzet van de politie wordt de beslissing genomen door de regioburgemeester bij wie het gezag berust, gehoord de regionale hoofdofficier van justitie en de regionale politiechef. De regioburgemeester (de burgemeester van de grootste gemeente in de regio) stemt daartoe af met de burgemeesters in de regio. Bij geschillen over de inzet van de politie die de regio overstijgen, beslist de minister of degene die hij daartoe gemandateerd heeft. In de regio’s beslist de driehoek over de inzet waarbij de burgemeester een beslissende stem heeft. Het wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet (30 880) wordt aangepast aan het voorgaande.

De organisatie van de politie wordt efficiënter en effectiever.

  • De duur van de opleiding van de politie wordt beperkt met behoud van kwaliteit.

  • Het kabinet komt met voorstellen tot aanpassing van de Arbeidstijdenwet en de Landelijke Arbeidstijdenregeling politie die het voor de politie mogelijk maken eenvoudiger meer ruimte te vinden voor uitvoering van de primaire taken.

  • Bureaucratie, overhead en procedures worden teruggedrongen. Er komt meer ruimte voor het vakmanschap van de politie. Dit leidt tot meer blauw op straat.

Het kabinet komt met een voorstel inzake doorberekening van veiligheidskosten voor vergunningplichtige commerciële evenementen van incidentele aard.

Er komt een uitbreiding van het dynamische systeem van maximumsnelheden.

De maximumsnelheid op autosnelwegen gaat omhoog naar 130 km/u. Ook op andere wegen wordt de maximumsnelheid herbeoordeeld. Indien nodig voor de luchtkwaliteit, geluidsbelasting of verkeersveiligheid geldt een lagere maximumsnelheid.

Zodra de speekseltests naar drugs betrouwbaar zijn, worden deze ingezet om het gebruik van drugs in het verkeer terug te brengen.

Voertuigherkenning draagt bij aan preventie en vereenvoudiging van opsporing en vervolging van strafbare feiten en aan de handhaving van fiscale verplichtingen. Hiertoe komt er een bredere inzet van systemen van automatische nummerplaatherkenning

Het kabinet zal privatisering voorbereiden van voor het gevangeniswezen relevante taken met het oog op versobering en kosteneffectiviteit. Hierbij betrekt het kabinet de resultaten van de onderzoeken die in 2005 en 2009 zijn verricht naar de privatisering van het gevangeniswezen in het Verenigd Koninkrijk.

De informatieveiligheid en bescherming van persoonsgegevens worden verbeterd.

  • Voorgenomen maatregelen inzake opslag, koppeling en verwerking van persoonsgegevens worden zoveel mogelijk voorzien van een horizonbepaling en bij de voorbereiding nadrukkelijk getoetst aan effectiviteit.

  • Het kabinet komt met een voorstel voor een meldplicht voor alle diensten van de informatiemaatschappij, waaronder de overheid, in geval van verlies, diefstal of misbruik van persoonsgegevens waarbij alle datalekken worden gemeld aan de nationale toezichthouder die boetes kan opleggen indien de meldplicht niet wordt nageleefd.

  • Het toezicht op grootschalige informatiseringsprojecten en het oplossen van automatiseringsproblemen wordt structureel aangescherpt.

Het kabinet komt met een integrale aanpak van cybercrime.

3. Ouderenzorg

Steeds meer mensen worden ouder en blijven langer gezond en dat is mooi. Echter door de vergrijzing worden steeds meer ouderen vroeg of laat afhankelijk van zorg. Zij vallen terug op hun sociale netwerken en op collectief georganiseerde zorg. De zorg staat onder druk. De kosten lopen op en forse personeelstekorten dienen zich aan. We zijn het echter aan de ouderen die ons land hebben opgebouwd verplicht om zorg te dragen voor een goede oude dag, voor kwalitatief goede en toegankelijke zorg. Voor een sterke vermindering van uitdroging, doorligwonden en ondervoeding en voor een einde aan 24-uursluiers. Hiervoor is een compact kwalitatief programma voor de ouderenzorg samengesteld. We willen (veel) meer zorgmedewerkers, meer (bij)scholing, meer rechten, meer en betere kwaliteitsnormen, een sterkere Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), minder overhead, minder regeldruk, meer buurtzorg, kleinere zorginstellingen en meer maatregelen tegen ouderenmishandeling.

Binnen de gezondheidszorg verdienen ouderen, langdurig zieken en gehandicapten bijzondere aandacht. Het gaat om mensen die thuis afhankelijk zijn van zorg of mensen die in instellingen moeten wonen. De wensen en (on)mogelijkheden van deze mensen en hun omgeving zijn leidend. Mensen hebben behoefte aan zorg op buurt- en wijkniveau. De huisarts en de wijkverpleging staan daarin centraal. De schaal van de instellingen moet terugkeren naar de menselijke maat. De instellingen voor ouderenzorg krijgen meer financiële ruimte en kunnen weer investeren in kwaliteit van zorg en zorgpersoneel. Instellingen worden zo gestimuleerd om aan hoge kwaliteitsstandaarden te voldoen. Instellingen die onder de maat presteren zal de Inspectie hard aanpakken. De rechten van de patiënten in de instellingen worden uitgebreid.

• Een betere ouderenzorg

Het kabinet streeft naar verbetering van de kwaliteit van de ouderenzorg. Hiervoor is bijna 1 miljard euro vrijgemaakt. De zogenaamde zorgzwaartepakketten, inclusief de opleidingen, worden kostendekkend gemaakt. Zo krijgen zorginstellingen meer financiële armslag. Hierdoor kunnen 12 000 extra medewerkers aan het werk voor de dagelijkse verzorging van onze ouderen en gehandicapten. Daarnaast zal geïnvesteerd worden in de kwaliteit van zorg en personeel.

• Kwaliteit van instellingen voor ouderenzorg

Om de kwaliteit van de instellingen te verbeteren zal het veld ondersteund worden bij het opstellen van normen en het uitwisselen van best practices. Intercollegiale toetsing zal worden bevorderd. Er wordt daartoe een kwaliteitsinstituut opgericht ter ondersteuning van de instellingen in de ouderenzorg. Normen uit kwaliteitsprogramma’s die zich inmiddels bewezen hebben, zoals onder andere programma tegen doorliggen en ondervoeding, worden sectorbreed ingevoerd door ze op te nemen in de kwaliteitsnormen van de IGZ. Normen uit toekomstige nieuwe kwaliteitsprogramma’s moeten, zodra zij zich bewezen hebben, ook onderdeel worden van de kwaliteitsnormen van de IGZ.

• Patiëntenrechten

De rechten van patiënten worden versterkt. Hierbij is het uitgangspunt dat de rechten individueel afdwingbaar dienen te zijn, maar dat tevens geborgd moet worden dat er sprake is van redelijkheid en billijkheid bij de uitvoering van deze rechten. Dit wordt geregeld via een Wet Cliëntenrechten Zorg. Daarnaast komt er voor bewoners van instellingen een specifieke Zorginstellingen Beginselenwet die concrete rechten voor bewoners van zorginstellingen regelt zoals het recht om elke dag te douchen en dagelijks desgewenst enige tijd in de buitenlucht door te brengen.

• Inspectie voor de Gezondheidszorg

Het toezicht op de instellingen voor ouderenzorg wordt anders vormgegeven. Raden van Bestuur worden expliciet verantwoordelijk en aanspreekbaar op het functioneren van hun instellingen. De Inspectie voor de Volksgezondheid zal minder papieren verantwoording vragen en meer inspectie op de werkvloer uitvoeren. (Zware) Sancties volgen bij geconstateerde onregelmatigheden. De inspectie krijgt naast de reeds bestaande bevoegdheid van het uitdelen van boetes, ook de bevoegdheid een bevel te geven bij een structurele situatie van onverantwoorde zorg.

Bij goed presterende instellingen kan worden volstaan met toezicht door de IGZ op het systeem dat instellingen zelf hanteren voor het bewaken van kwaliteit. Interne systemen van goed presterende instellingen zorgen voor permanente feed back over de kwaliteit van de instelling. Klachten kunnen door de instelling zelf worden afgehandeld, bijvoorbeeld door gebruikmaking van een externe klachtencommissie.

Bij minder goed of slecht presterende instellingen zal de inspectie streng moeten toezien op de instelling zelf. De inspectie zal inspecteren op de werkvloer, ook via onaangekondigde bezoeken waarbij bijvoorbeeld mystery guests ingezet kunnen worden.

Naast het reguliere klachtenrecht komt er een mogelijkheid om bij ernstige klachten over persoonlijke verzorging en persoonlijke bejegening direct bij de IGZ te kunnen klagen. De inspectie komt bij zeer ernstige klachten onmiddellijk in actie (niet pas bij een structureel patroon van klachten). Men heeft altijd de mogelijkheid om bij de individueel geschonden rechten naar de rechter te stappen.

• Buurtzorg

De thuiszorg heeft flinke problemen zoals kwaliteitsverlies, vergrijzing, stijgende kosten en gebrek aan personeel. Buurtzorg richt zich niet op productie of het aantal uren zorg maar op duurzame zorguitkomsten: gezondheidswinst, oplossingen voor de cliënt, kwaliteit van leven en zorgonafhankelijkheid. Een belangrijk deel van de activiteiten van buurtzorg is de inschakeling van en afstemming met andere zorgprofessionals. De huisarts en de wijkverpleegkundige zijn hierin de belangrijkste schakels. Hij of zij weet wat er speelt en houdt alles scherp in de gaten. Buurtzorg is effectiever, het aantal uren per cliënt per jaar is lager, de doorlooptijd is korter en de hoeveelheid ongeplande zorg is lager. Naast «beter» is buurtzorg ook «goedkoper».

• Kleinere zorginstellingen

Het kabinet zal bevorderen dat er kleinere zorginstellingen komen. Een optimale schaalgrootte van zorginstellingen zorgt voor meer efficiëntie, lagere kosten, meer integraliteit, hogere klanttevredenheid en betere zorg. Het kabinet zal zorgen dat de schaalgrootte van zorginstellingen optimaliseert. Het ontstaan van zorggiganten wordt teruggedrongen.

Maatregelen die de kleinschaligheid kunnen bevorderen zijn ondermeer:

  • Een zorgspecifieke fusietoets door de IGZ en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) voorafgaand aan een eventuele mededingingstoets door de Nederlandse Mededigingsautoriteit (NMa).

  • De bevoegdheid van IGZ om een zorginstelling op te splitsen vanwege kwaliteitsargumenten. Hiertoe moet de relevante wetgeving (o.a. de Kwaliteitswet, het rechtspersonenrecht) worden gewijzigd.

• Minder overhead

Het kabinet streeft ernaar de overhead in de gezondheidszorg substantieel terug te dringen. Daartoe zal een normering per sector worden vastgesteld. In de gezondheidszorg hoort niet het management maar de uitvoering – en dus de werkvloer – centraal staan te staan. Het moet mogelijk zijn carrière te maken op de werkvloer. De verpleging en verzorging moeten hun vak terug krijgen zonder overbodige administratieve belasting. Het kabinet is bovendien voornemens een experiment met regelarme zorginstellingen te starten. Daartoe zal een inventarisatie worden gemaakt van regels in de zorg die afgeschaft kunnen worden en waarvan twijfel is over de noodzaak. De opbrengsten van het terugdringen van de overhead gaat terug naar de zorginstelling.

• Stop ouderenmishandeling

Het kabinet zal extra maatregelen nemen om ouderenmishandeling tegen te gaan, zoals een verplichte verklaring omtrent gedrag voor betaald zorgpersoneel.

Er komt een richtlijn ouderenmishandeling.

Het project stop ouderenmishandeling wordt voortgezet.

Er komt een meldplicht voor ouderenmishandeling.

Systeemkeuzes in de AWBZ

  • Omschakeling van handelingsfinanciering naar uitkomstfinanciering voor de AWBZ

    De huidige wijze van financiering per handeling in de AWBZ wordt veranderd in financiering op resultaat. Zo komt de behoefte van de patiënt centraal te staan. Dit leidt tot meer innovatie, minder bureaucratie op de werkvloer (zoals minutenregistraties), betere kwaliteit en meer doelmatigheid.

  • Wettelijke verankering persoonsgebonden budget

    Het persoonsgebonden budget (PGB) biedt cliënten een grote keuzevrijheid om de zorg in te richten zoals zij dat willen. Om dit recht onverkort te handhaven wordt de PGB-subsidieregeling opgeheven en worden PGB’s wettelijk verankerd, met in achtneming van bestaande financiële kaders.

  • Scheiden wonen en zorg

    In de AWBZ wordt overgegaan tot het scheiden van wonen en zorg. Hierdoor krijgen bewoners meer keuzevrijheid. Zorginstellingen zullen zich beter gaan richten op de woonwensen van cliënten. Ter compensatie van de extra woonlasten, wordt de huidige intramurale eigen bijdrage verlaagd. Bewoners die de woonlasten financieel niet kunnen dragen, komen in aanmerking voor de huurtoeslag. Voorwaarde voor de invoering is dat de achterblijvende partner op woonlasten niet financieel achteruit gaat ten opzichte van het huidige systeem en er voldoende eenpersoonskamers beschikbaar zijn.

  • Overhevelen functies dagbesteding en begeleiding naar de wet maatschappelijke ondersteuning

    De functies dagbesteding en begeleiding kunnen het best dichtbij de cliënt geregeld worden. Zij passen daarom beter binnen de systematiek van de wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) dan bij de AWBZ. De gemeente kent deze mensen en hun situatie beter dan de logge zorgkantoren.

    Daarom worden de functies dagbesteding en begeleiding overgeheveld van de AWBZ naar de Wmo.

  • Aansturing AWBZ

    Binnen de AWBZ vindt een aantal hervormingen plaats. Verzorging, verpleging, intramurale geestelijke gezondheidszorg en gehandicaptenzorg blijven onderdeel van de AWBZ. Momenteel wordt gewerkt met zorgkantoren per regio. Hun taken en de risico’s zullen door de zorgverzekeraars worden overgenomen. Dit zorgt er voor dat patiënten qua medische zorg nog maar met één loket te maken hebben. Het zorgt voor doelmatigheidsprikkels doordat zorgverzekeraars de instellingen zullen controleren op efficiency en kwaliteitsverbetering.

4. Financiën

Door de voorgestelde maatregelen stijgt de werkgelegenheid op lange termijn met één procent. Tot 2015 ligt de groei van de economie en de consumptie lager dan wat we gewend waren voor de crisis. Dat neemt niet weg dat we nog altijd mogen rekenen op een gemiddelde economische groei van 1¼ procent. Het totaal van de maatregelen drukt volgens het CPB de mediane koopkracht met ½%-punt per jaar. Inclusief het basispad resulteert een koopkrachtdaling van ¼% per jaar. De totale koopkrachtdaling voor werknemers is volgens het CPB afgerond 0 per jaar.

Begrotingsbeleid

Het kabinet houdt vast aan het trendmatige begrotingsbeleid. De uitgaven en de ontvangsten worden gescheiden. Alle conjunctuurgevoelige uitgaven worden weer onder de kaders gebracht. Meevallende rente-uitgaven leiden niet tot extra ruimte. Daarmee kunnen de risico’s voor de overheidsfinanciën beter worden beheerst. Het geeft ook meer zekerheid worden voor het realiseren van de budgettaire doelstelling. Aan de inkomstenkant wordt via een inkomstenkader automatische stabilisatie mogelijk gemaakt.

Indien Nederland voldoet aan de medium term objective-doelstelling van het SGP en het feitelijk EMU (Europese Monetaire Unie)-saldo bij de besluitvorming over de lastenkant in augustus meerjarig een overschot laat zien dan wordt 50% van het overschot bestemd voor aflossing van de staatsschuld en zal een lastenverlichting van 50% van het overschot boven de 0% BBP worden gegeven. Het feitelijk EMU-saldo wordt berekend inclusief de tariefverlaging, rekeninghoudend met toepassing van het vorenstaande en een behoedzame raming voor het saldo van de medeoverheden. 

Ook dragen de begrotingsregels (een nieuwe set zal gepubliceerd worden) bij aan de beheersing van de begroting. Met het oog op het beperken van risico’s worden de begrotingsregels over het verstrekken van garanties aangescherpt. Belastinguitgaven in enge zin worden beter gemonitord. Additioneel ingrijpen is vereist wanneer het EMU-saldo zich niet ontwikkelt in lijn met de afspraken uit het SGP of met budgettaire doelstellingen. Hiervan is sprake indien het geraamde EMU-saldo 1 procentpunt negatiever is dan het saldopad na doorrekening van het regeerakkoord.

De belegde ruimte in het Fonds Economische Structuurversterking (FES) van middelen op het gebied van Verkeer en Vervoer, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Duurzaamheid en Kennis en Innovatie wordt overgeheveld naar het Infrastructuurfonds respectievelijke de departementale begrotingen. Er vindt deze periode geen additionele voeding plaats van het FES. De onbelegde ruimte komt ten goede aan de algemene middelen.

Bij de budgettaire verwerking van dit akkoord zijn de bedragen in de financiële bijlage leidend. Ombuigingen worden geboekt op het betreffende begrotingshoofdstuk; intensiveringen worden aangehouden in enveloppen op de aanvullende post.

Bijlage I

Verklaring VVD, PVV, CDA

De drie partijen VVD, PVV en CDA verschillen van mening over aard en karakter van de islam. De scheidslijn zit hem in het karakteriseren van de islam als óf religie óf (politieke) ideologie.

Partijen accepteren elkaars verschil van inzicht hierover en zullen hier ook op grond van hun eigen opvattingen naar handelen.

Er is echter veel dat partijen bindt: het sterker, veiliger en welvarender maken van Nederland is daarbij het gemeenschappelijke doel en uitgangspunt.

Daarom is – met acceptatie van elkaars verschillen van mening en het volledig aan elkaar gunnen van de vrijheid van meningsuiting over bestaande verschillen van inzicht – overeengekomen dat de PVV het nader te onderhandelen regeerakkoord op onderdelen zal steunen vanuit een gedoogpositie. VVD en CDA zullen van hun kant in het overeen te komen gedoogakkoord wensen van de PVV honoreren.

In zo’n gedoogakkoord zullen in ieder geval de afspraken moeten staan over de invulling van de maatregelen van de bezuinigingen en harde afspraken over immigratie, integratie en asiel, veiligheid en betere ouderenzorg waarbij duidelijk is dat voor de PVV de bereidheid tot het steunen van bezuinigingen gekoppeld is aan de inhoud van de te maken afspraken op het gebied van immigratie, integratie en asiel, veiligheid en ouderenzorg.

30 juli 2010

Bijlage II

Begrotingsbeleid

Het kabinet wil de overheidsfinanciën weer gezond maken. Door de vergrijzing, de kredietcrisis en de Europese schuldencrisis is het saneren van de overheidsfinanciën een harde noodzaak. Doen we dat niet, dan schuiven we bezuinigingen en de gevolgen daarvan voor de maatschappij en de economie simpelweg door naar de toekomst ten laste van onze kinderen. Het bezuinigingspakket biedt onderliggend uitzicht op begrotingsevenwicht. Hiermee zal Nederland naar verwachting ook voldoen aan de vereisten van het Stabiliteits- en Groeipact.

Voor het budgettair beleid wordt vastgehouden aan het trendmatige begrotingsbeleid, waarbij de uitgaven en ontvangsten worden gescheiden. Het budgettair beleid wordt aangescherpt conform de adviezen uit het dertiende rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte. Zo worden alle conjunctuurgevoelige uitgaven weer onder de kaders gebracht en wordt voorgesteld om meevallende rente-uitgaven niet tot extra ruimte te laten leiden. Daarmee worden de neerwaartse risico’s beter beheerst en kan meer zekerheid worden verkregen over het realiseren van de budgettaire doelstelling. Aan de inkomstenkant wordt gewerkt met een inkomstenkader, waardoor de automatische stabilisatie aan de inkomstenkant mogelijk wordt gemaakt.

Indien Nederland voldoet aan de MTO-doelstelling van het SGP en het feitelijk EMU-saldo bij de besluitvorming over de lastenkant in augustus meerjarig een overschot laat zien dan wordt 50% van het overschot bestemd voor aflossing van de staatsschuld en zal een lastenverlichting van 50% van het overschot boven de 0% BBP worden gegeven. Het feitelijk EMU-saldo wordt berekend inclusief de tariefverlaging, rekeninghoudend met toepassing van het vorenstaande en een behoedzame raming voor het saldo van de medeoverheden. 

Ook dragen de begrotingsregels (een nieuwe set zal gepubliceerd worden) bij aan de beheersing van de begroting. Met het oog op het beperken van risico’s worden de begrotingsregels over het verstrekken van garanties aangescherpt. Belastinguitgaven in enge zin worden beter gemonitord.

Additioneel ingrijpen is vereist wanneer het EMU-saldo zich niet ontwikkelt in lijn met de afspraken uit het Stabiliteits- en Groeipact of met budgettaire doelstellingen. Hiervan is sprake indien het geraamde EMU-saldo 1 procentpunt negatiever is dan het saldopad na doorrekening van het regeerakkoord.

De belegde ruimte in het Fonds Economische Structuurversterking (FES) van middelen op het gebied van Verkeer en Vervoer, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Duurzaamheid en Kennis/Innovatie wordt overgeheveld naar het Infrastructuurfonds respectievelijke de departementale begrotingen. Er vindt deze periode geen additionele voeding plaats van het FES. De onbelegde ruimte komt ten goede aan de algemene middelen.

Bij de budgettaire verwerking van dit akkoord zijn de bedragen in de financiële bijlage leidend. Ombuigingen worden geboekt op het betreffende begrotingshoofdstuk; intensiveringen worden aangehouden in enveloppen op de aanvullende post en jaarlijks tranchegewijs uitgedeeld.

Totaaloverzicht (in € mld, +/+ is saldoverbeterend)

2011

2012

2013

2014

2015

struc

Terugdraaien eigen betalingen zorg (MLT)

0,00

– 0,31

– 0,64

– 0,95

– 1,26

– 1,26

Ombuigingen

1,54

5,60

9,38

13,36

18,26

25,42

Intensiveringen

– 0,48

– 1,91

– 2,60

– 2,94

– 3,51

– 4,73

Lasten

0,38

0,77

1,47

2,22

1,34

2,21

Subtotaal

1,44

4,16

7,61

11,69

14,83

21,64

Aansluiting MN / MLT 2011–2015 (stand september 2010)

1,43

2,36

2,79

2,97

3,14

3,14

Totaal

2,9

6,5

10,4

14,7

18,0

24,8

Totaal budgettair

In de onderstaande tabellen is het totaal aan ombuigingen en intensiveringen per thema weergegeven.

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

A

Kleinere overheid

0,2

1,2

2,7

4,1

6,1

6,6

B

Subsidies

0,2

0,5

0,8

1,1

1,4

2,5

C

Immigratie en Integratie

0,0

0,0

0,0

0,1

0,1

0,1

D

Internationale samenwerking

0,4

0,9

0,8

1,8

1,9

1,9

E

Gematigde loonontwikkeling

0,8

0,8

0,8

0,9

0,9

0,9

F

Inkomensoverdrachten

0,0

1,5

2,7

3,6

4,3

9,0

G

Onderwijs

0,0

0,5

1,0

1,1

1,3

1,5

H

Zorg (CARE)

0,0

0,0

0,1

0,3

0,7

0,9

I

Zorg (CURE)

0,0

0,2

0,3

0,3

1,4

1,8

J

Overig

0,0

0,0

0,1

0,1

0,2

0,4

 

totaal

1,5

5,6

9,4

13,4

18,3

25,4

 

Intensiveringen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

A

Zorg (CARE)

0,0

– 0,9

– 0,9

– 0,9

– 0,9

– 0,9

B

Veiligheid

– 0,4

– 0,4

– 0,4

– 0,5

– 0,5

– 0,5

C

Immigratie en Integratie

0,0

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

D

Infrastructuur

0,0

0,0

– 0,1

– 0,2

– 0,5

– 0,5

E

Kwaliteit onderwijs

0,0

– 0,5

– 1,0

– 1,1

– 1,3

– 1,5

F

Natuur en leefomgeving

0,0

0,0

– 0,1

– 0,2

– 0,3

– 1,4

 

totaal

– 0,5

– 1,9

– 2,6

– 2,9

– 3,5

– 4,7

 

Lasten

2011

2012

2013

2014

2015

struc

1

Podiumkunsten, kunst en verzamelvoorwerpen naar 19%

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

2

Afschaffen heffingskortingen box 3

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

3

Doorwerkbonus één jaar opschuiven

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

4

Aftrek levensonderhoud kinderen beperken tot 21 jaar

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

5

Giftenaftrek beperken tot ANBI’s met renseigneringsplicht

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

6

Leeftijdsgrens jongste kind naar 12 jaar bij alleenstaande (aanvullende) ouderkorting

0,0

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

7

Assurantiebelasting: gezinnen

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

8

Witteveen aanpassen (taakstellend)

0,0

0,0

0,7

0,7

0,7

0,7

9

Schrappen uitzonderingen OAHK (cohorten 63–72 en gezinnen met jonge kinderen)

0,0

0,2

0,2

0,3

0,3

0,4

10

Assurantiebelasting: bedrijven

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

11

Terugsluis bedrijven

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

12

Lastenverlichting bedrijfsleven (i.p.v. subsidies EZ)

0,0

– 0,1

– 0,3

– 0,4

– 0,5

– 0,5

13

SDE-plusheffing

0,0

0,0

0,1

0,2

0,3

1,4

14

Doorstroming huurmarkt

0,0

0,0

0,0

0,8

0,8

0,8

15

Vitaliteitsregeling

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

16

Effect ombuigingen cure

0,0

– 0,2

– 0,2

– 0,3

– 1,2

– 1,5

 

totaal

0,4

0,8

1,5

2,2

1,3

2,2

OMBUIGINGEN

A. Kleinere overheid

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

A

Kleinere overheid

0,20

1,17

2,74

4,10

6,14

6,56

1

Taakstelling Rijk, agentschappen en uitvoerende ZBO's

  

0,44

1,08

1,52

1,79

2

Nationale politie

– 0,09

– 0,04

0,03

0,05

0,08

0,23

3

Kosten evenementen

 

0,03

0,03

0,03

0,03

0,03

4

Rechtsbijstand

   

0,05

0,05

0,05

5

Toespitsen hoger beroep, cassatie

  

0,01

0,01

0,01

0,01

6

Minder groepstaakstraffen

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

7

Griffierechten

  

0,24

0,24

0,24

0,24

8

Politieonderwijs

    

0,06

0,06

9

ANPR (uitgavenkant)

   

0,01

0,01

0,01

10

verkorten RAIO-opleiding

    

0,00

0,01

11

Meldkamers

    

0,01

0,05

12

Plukze

– 0,01

– 0,01

– 0,01

0,00

0,02

0,04

13

Toezicht beroepsgroepen

   

0,01

0,01

0,01

14

Politietoezichthouder

 

0,01

0,02

0,03

0,03

0,04

15

Montfransgelden

 

0,08

0,08

0,08

0,08

0,08

16

Doelmatige inzetbaarheid Defensie en minder JSF’s

0,20

0,40

0,50

0,50

0,50

0,50

17

Stopzetten ISV/BLS

    

0,23

0,23

18

Leefomgeving en natuur

      
 

Schrappen bijdrage Afvalfonds

  

0,12

0,12

0,12

0,12

 

Bundeling verantwoordelijkheden waterschappen

  

0,01

0,02

0,02

0,02

 

Bodembescherming: minder beschikkingsmomenten

 

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

 

Efficiency winst uitvoering natuurbeheer

 

0,01

0,02

0,03

0,04

0,04

 

Geen inzet SBB buiten EHS (inclusief verkoop gronden)

  

0,01

0,02

0,03

0,04

 

Versoberingsmaatregelen

  

0,01

0,02

0,03

0,03

 

Afschaffen RodS

0,04

0,04

0,04

0,01

0,01

0,01

 

Ontstapeling gebiedscategorieën

0,01

0,02

0,02

0,02

0,03

0,03

 

Bodemsanering NS

    

0,01

0,01

 

Geluidsanering spoor doorberekenen

    

0,00

0,00

 

Gebiedsconcessies natuurgebieden

0,00

0,01

0,02

0,03

0,03

0,03

 

Bovenplanse verevening voor natuurinvesteringen

  

0,00

0,01

0,01

0,01

 

Kosten MER commissie doorberekenen

   

0,01

0,01

0,01

 

Robuuste verbindingen schrappen

0,01

0,03

0,04

0,05

0,05

0,05

19

Breder toepassen PPS bij aanleg infrastructuur

  

0,01

0,03

0,05

0,05

20

Verhogen opbrengst spoorsector en meer doelmatigheid

    

0,16

0,16

21

Aanbesteden OV grote steden

  

0,06

0,06

0,12

0,12

22

Niet invoeren kilometerheffing

 

0,04

0,04

0,04

0,30

0,00

23

Hogere gebruiksvergoeding spoor

    

0,05

0,05

24

Temporisering en versobering kaderrichtlijn water

0,02

0,02

0,02

0,04

0,05

0,05

25

Ruimtelijke inpassing bovenwettelijk

 

0,02

0,03

0,05

0,05

0,05

26

Vereenvoudiging omgevingsrecht

   

0,05

0,05

0,05

27

Doorwerking GF/PF via normeringssystematiek

 

0,31

0,70

1,06

1,34

1,34

28

Overige maatregelen openbaar bestuur

      
 

a. Taakverbreding provincies

 

0,13

0,13

0,10

0,09

0,09

 

b. Maatregelen waterschappen

 

0,00

0,00

0,05

0,10

0,10

 

c. vermindering aantal politieke ambtsdragers (25%)

 

0,00

0,00

0,00

0,12

0,12

 

d. verminderen aantal leden Staten-Generaal (33%)

     

0,01

29

Opzetten van regionale omgevingsdiensten

 

0,05

0,08

0,10

0,10

0,10

30

Overhevelen zorg voor jeugd naar gemeenten

    

0,08

0,30

31

Takenpakket publieke omroep

  

0,05

0,10

0,20

0,20

Toelichting

  • 1. De besparing bij het Rijk, ZBO’s en agentschappen wordt als volgt verdeeld:

    • c. Alle departementen (incl. baten-lastendiensten en uitvoerende ZBO’s) krijgen, bovenop de 231 mln waartoe het demissionaire kabinet reeds heeft besloten, een taakstelling van afgerond 1,5% (netto) per jaar in de periode 2013–2015 oplopend tot afgerond 4,5% (netto) in 2015 op personeel en materieel. In de grondslag zijn de gebruikelijke onderdelen van het rijk meegenomen, inclusief de begrotings- en premiegefinancierde ZBO’s3. Dit is exclusief de tariefgefinancierde delen van baten-lastendiensten (vanaf 2013) en ZBO’s. Daarvoor geldt wel dat deze onderdelen ook een efficiencyslag kunnen maken.

    • d. Daarboven komen er kortingen die ingevuld moeten worden met een vermindering van taken dan wel versoberingen. Departementen waarvoor aanzienlijke extensiveringen of verschuivingen van beleids- of uitvoeringsverantwoordelijkheid gewenst worden geacht krijgen een extra taakstelling. Het gaat hierbij om de departementen VROM, VenW, SZW, BuZa, EZ, BZK (excl. KLPD), LNV, OCW en Defensie (kerndepartement+baten-lastendiensten en MIVD). Dit leidt tot een aanvullende korting.

Deze variant leidt tot de volgende opbouw van de financiële taakstellingen in 2015.

Besparing per departement (netto, in mln. euro)

Generiek

Additioneel

Totaal

AZ

1

0

1

HCvS

12

0

12

BuZa (incl. Postennetwerk)

21

46

67

Jus (incl. ondersteuning OM+ZM + deel J&G)

175

0

175

BZK (excl. KLPD)

29

63

92

OCW (incl. deel J&G)

31

69

100

Financiën

139

0

139

Defensie (kerndep.+agentschappen+MIVD)

33

73

106

VROM (incl. WWI)

23

50

72

V&W

61

135

196

EZ (incl. Agentschap NL)

27

102

128

LNV

35

80

115

SZW (incl. deel J&G, UWV)

91

198

288

VWS (incl. deel J&G)

25

0

25

Totaal

702

815

1 517

De verdeling over de jaren is per departement als volgt:

Besparing per departement (in mln. euro)

2012

2013

2014

2015

Struc (2018)

AZ

0

0

1

1

2

HCvS

0

6

9

12

14

BuZa (incl. Postennetwerk)

0

18

48

67

78

Jus (incl. ondersteuning OM+ZM + deel J&G)

0

62

119

175

206

BZK (excl. KLPD)

0

25

67

92

109

OCW (incl. deel J&G)

0

27

72

100

117

Financiën

0

46

93

139

163

Defensie (kerndep.+agentschappen+MIVD)

0

29

77

106

125

VROM (incl. WWI)

0

20

52

72

85

V&W

0

53

142

196

231

EZ (incl. Agentschap NL)

0

34

94

128

151

LNV

0

31

83

115

135

SZW (incl. deel J&G, UWV)

0

80

209

288

339

VWS (incl. deel J&G)

0

7

16

25

30

Totaal

0

439

1 080

1 517

1 785

In de verdeling is rekening gehouden met extra besparingsverlies in de jaren 2012 en 2013 bij departementen met een aanvullende taakstelling. Taakstellingen van een dergelijke omvang kunnen niet worden ingevuld louter door het natuurlijk verloop van personeel. De regelingen die nodig zijn om ambtenaren af te laten vloeien brengen incidenteel kosten met zich mee. Er is rekening mee gehouden dat de additionele besparingen in 2012 volledig weglekken doordat incidentele kosten moeten worden gemaakt. Voor 2013 is ervan uitgegaan dat deze kosten de helft bedragen van de additionele besparingen in dat jaar. Deze kosten zijn in de departementale bedragen verwerkt. Ter beperking van dit besparingsverlies wordt het arbeidsrechtelijk regime voor ambtenaren (incl. onderwijs) gelijk gesteld aan dat in de marktsector. Hiermee kan mogelijk het budgettair veronderstelde besparingsverlies worden voorkomen. Departementen zullen vanaf het begin voortvarend van start gaan om de jaarlijkse taakstelling te realiseren.

Besparingen kunnen worden behaald door een vergaande standaardisering en samenwerking binnen de bedrijfsvoering van de «kernministeries» van de rijksdienst. De minister van BZK wordt verantwoordelijk gesteld voor de kaderstelling en het SGO voor het zware uitvoerings-programma dat hiervoor nodig is. Ook clustering van uitvoeringdiensten biedt aanzienlijke besparingsmogelijkheden. Besparingen zitten in sterke vereenvoudiging en standaardisering van processen, outsourcing en daarna samenvoeging. Gestart kan worden met de clustering van diensten rijksincasso, subsidies (inclusief uitvoering EU-subsidies) en vastgoed.

Verdergaand zou naar centralisatie van huisvestingsbudgetten gekeken kunnen worden. Ministeries gaan dan – zoals nu – niet meer over hun eigen huisvestiging. Door centralisatie kan op den duur een beter leegstandsbeheer worden gevoerd door optimalisatie van de werkplekken. Het gaat hierbij om budgetten voor huisvesting (incl. nutsvoorziening), facilitaire diensten, vervoer en gebouw- en werkplek gerelateerde ICT. Budgetten die onlosmakelijk zijn verbonden met het primaire proces moeten, om de integrale (beleids)afweging te kunnen blijven maken, nadrukkelijk niet gecentraliseerd worden.

  • 2. Er komt een nationale politie onder verantwoordelijkheid van de minister die belast is met de zorg voor veiligheid. Hierin gaan de regionele korpsen, het KLPD, de Voorziening tot samenwerking Politie Nederland en de Politieacademie op. Er komen tien politieregio's waarbij de grenzen van de tien arrondissementen van de gerechtelijke kaart leidend zijn. Het wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet (30880) wordt aangepast aan het voorgaande.

  • 3. Per 2012 worden de kosten van politie-inzet doorberekend aan de organisatie van een evenement. (Dit is conform maatregel 35 van Brede Heroverweging (BHO) 15)

  • 4. Besparingen in de rechtsbijstand worden gerealiseerd door het invoeren van de mogelijkheid om zonder tussenkomst van een advocaat een echtscheiding bij de rechter aan te vragen en door aanpassingen en/of niet-indexeren van de tarieven van de advocatuur in de gesubsidieerde rechtshulp. (Dit is conform maatregel 50 van BHO 15)

  • 5. In de civiele rechtspraak wordt de meervoudige rechtspraak beperkt. Alle civiele kantonzaken zullen in hoger beroep enkelvoudig worden behandeld. (Dit is conform BHO 15, maatregel 41)

  • 6. 90% van de huidige groepstaakstraffen wordt vervangen door individuele taakstraffen. (Deze maatregel is conform BHO15, maatregel 44)

  • 7. De rechtspraak wordt per 2013 bekostigd door degenen die daar gebruik van maken. Personen met lage inkomens worden gecompenseerd. (Dit komt overeen met maatregel 28 van BHO 15, zij het met versnelde invoering.)

  • 8. Aspiranten bij politie en Kmar ontvangen niet langer een salaris dan wel bijdrage in hun kosten voor levensonderhoud. Daarnaast wordt de opleidingsduur aan de politie-academie bekort. (Dit komt overeen met de maatregelen 29 en 37 van de BHO 15.)

  • 9. Door structureel gebruik te maken van automatische nummerplaatherkenning (ANPR) wordt 14 mln. aan extra strafrechtelijke inkomsten gegenereerd.

  • 10. De opleiding tot Rechterlijk Ambtenaar in Opleiding (RAIO) wordt bekort.

  • 11. Het aantal meldkamers wordt gereduceerd tot één meldkamerorganisatie met drie locaties.

  • 12. De activiteiten in het kader van het afnemen van met misdrijf verkregen financieel voordeel worden geïntensiveerd.

  • 13. De kosten van het toezicht op onder andere notarissen wordt vanaf 2014 doorberekend aan de beroepsgroep zelf, evenals de kosten van de tuchtrechtspraak. (Betreft maatregel 33 uit BHO 15).

  • 14. De functie van politietoezichthouder wordt ingevoerd. Dit type agent heeft minder (gewelds)bevoegdheden.

  • 15. Per 2012 vallen de zgn. Montfransgelden (voor sociale veiligheid) vrij. De hiermee bekostigde activiteiten worden niet gecontinueerd.

  • 16. De besparingen worden voor structureel 0,4 mld gerealiseerd met het uitgangspunt van een veelzijdig inzetbare krijgsmacht. Het totaal aantal aan te schaffen jachtvliegtuigen wordt verder verminderd om een additionele structurele besparing te realiseren van 0,1 mld in de exploitatie. Besparingen in de eerste jaren (taakstellend) worden gerealiseerd door o.a. aanpassing van de investeringsquote en in deze kabinetsperiode, op het 2e testtoestel na, geen JSF-toestellen aan te schaffen.

  • 17. De budgetten voor het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) en Budget Locatiegebonden Subsidies (BLS) worden geheel afgeschaft nadat de huidige juridisch verplichte convenantperiode afloopt.

  • 18. De totale besparing bedraagt 390 mln en wordt o.a. ingevuld door maatregelen uit de heroverwegingsvariant Maatschappelijk Efficiënt en Solide (MES), exclusief gebiedsgericht beheer bodemsanering, recentralisatie ILG en zelfrealisatie Nationale Landschappen. De maatregelen uit de heroverweging volgen de volgende invalshoeken: herziening wet- en regelgeving, verbeteren governance, alternatieve financiële arrangementen (vervuiler betaalt-principe en profijtbeginsel) en ambities aanpassen. Daar bovenop worden er gronden van Staatsbosbeheer verkocht en wordt RodS afgeschaft. De beschikbare middelen om robuuste verbindingen (incl. de Oostvaarderswold) binnen de EHS te realiseren worden geschrapt.

  • 19. De toegestane uitgaven aan beschikbaarheidsvergoedingen in het infrafonds wordt verhoogd van 10% naar 20%, waardoor meer PPS projecten kunnen worden opgestart. Ervaring met PPS projecten leert dat een efficiencywinst van 10% op infrastructuurprojecten goed haalbaar is. Verhoging van het aandeel PPS projecten leidt tot een besparing van structureel ca. 50 mln. (BHO 3, maatregel 2.3).

  • 20. Door efficiencyverbetering kan de opbrengst van de spoorsector worden vergroot (hogere concessieopbrengst, lagere rijksbijdrage aan ProRail).

  • 21. Door openbare aanbesteding van het stadsvervoer in de G3-stadsregio’s kan structureel ca 120 mln bespaard worden. De rijksbijdrage aan de BDU voor de drie grote stadsregio’s wordt met dit bedrag beperkt.

  • 22. Door af te zien van invoering van de kilometerheffing kan het hiervoor gereserveerde investeringsbedrag bespaard worden (BHO 3, maatregel 3.2.1).

  • 23. De kosten voor het gebruik van het spoor worden doorberekend aan de vervoerders (BHO 3, maatregel 3.3.1).

  • 24. In de periode tot 2027 wordt ca. 7 mld uitgegeven aan de Kader Richtlijn Water, waarvan ruim 3/4 wordt gedragen door regionale overheden. Door versobering en temporisering van de uitvoering van de rijksdoelstellingen wordt de bijdrage van het Rijk aan de Kader Richtlijn Water structureel met 50 mln verlaagd.

  • 25. Het Rijk betaalt bij de inpassing van rijksinfrastructuur alleen de meest kosteneffectieve maatregelen om te voldoen aan de wettelijke vereisten. (BHO 3, maatregel 4.1)

  • 26. Door het vereenvoudigen en stroomlijnen van het omgevingsrecht kan door kortere looptijden en minder bezwaarprocedures minimaal 10% bespaard worden op de plankosten die overheden, burgers en bedrijven moeten maken om ruimtelijke projecten te realiseren. Dat betekent dat op termijn een besparing gerealiseerd kan worden van 50 mln op het Infrastructuurfonds. Deze maatregel ligt in het verlengde van de Crisis- en Herstelwet.

  • 27. De ontwikkeling van de rente-uitgaven van het Rijk zijn niet langer relevant voor de ontwikkeling van het GF en PF. De normeringssystematiek «samen de trap op, samen de trap af» wordt verder met ingang van 2012 weer in werking gesteld, waarbij de begroting 2011 als startpunt geldt.

  • 28. Overige maatregelen openbaar bestuur:

    • a. De onderdelen van de EHS en ILG (incl. aandeel DLG, Subsidie Agrarisch Natuurbeheer, ganzenbeheer en het faunafonds) die na ombuigingen resteren en de Regionale Historische Centra worden gedecentraliseerd naar provincies met een korting op het budget van 25%. De huidige eigendomsverdeling van de grondvoorraad van DLG blijft gehandhaafd. De doelstelling EHS wordt neerwaarts bijgesteld. De wettelijke normering van de provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting wordt zodanig aangescherpt dat de kortingen niet worden afgewenteld (op autobezitters).

    • b. Een deel van de rijkstaken op terrein van water (beheer en onderhoud van primaire waterkeringen) wordt overgedragen aan waterschappen. Dit leidt tot een besparing op de rijksbegroting (Infrastructuurfonds). Waterschappen kunnen deze taken structureel financieren uit de efficiencywinsten uit operatie-Storm (eigen voorstel waterschappen). De eerste jaren financieren ze dit zelf voor door in te teren op hun vermogen (zonder extra lastenverhoging). De waterschapsbesturen worden indirect gekozen door gemeenteraden.

    • c. Verminderen van het aantal politieke ambtsdragers bij provincies, gemeenten en waterschappen levert een besparing op de loonkosten en de kosten aan directe ondersteuning (Variant BHO 18).

    • d. Verminderen van het aantal leden van de Staten-Generaal met éénderde levert een besparing op van 6 mln structureel. Hiervoor is een grondwetswijziging nodig.

  • 29. Door het oprichten en uitbouwen van regionale uitvoeringsdiensten (RUD’s) boeken decentrale overheden efficiencywinst op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Er is uitgegaan van een ingroeimodel van 4 jaar waarbij rekening is gehouden met invoeringskosten het eerste jaar. De besparingen worden afgeroomd via een verlaging van het provincie- en/of gemeentefonds.

  • 30. Gemeenten worden financieel en uitvoeringstechnisch verantwoordelijk voor de uitvoering van alle jeugdzorg die nu onder het Rijk, de provincies, de gemeenten, de AWBZ en de ZvW valt. Alle gelden die hier momenteel in omgaan zullen (inclusief 90 mln die provincies vanuit hun algemene middelen inzetten voor jeugdzorg), verminderd met een efficiencykorting (300 mln), worden overgeheveld naar gemeenten. Door het samenvoegen van de verschillende financieringsstromen en het laten vervallen/anders vormgeven van het recht op zorg zijn gemeenten in staat maatwerk te leveren en kan het stelsel van zorg voor jeugdigen doelmatiger en doeltreffender worden vormgegeven.

  • 31. Er vindt een bezuiniging plaats op de publieke omroep alsmede o.a. de themakanalen en het muziekcentrum voor de omroep. Hiertoe zal met ingang van 2016 het stelsel worden gewijzigd (de huidige erkenningperiode loopt tot en met 2015). Op grond van de mogelijkheden binnen het huidige stelsel worden vanaf 2013 de uitgaven aan de publieke omroep stapsgewijs verlaagd. Hiertoe zal per 1 januari 2013 een nieuwe Mediawet van kracht worden. De 200 mln taakstellende structurele besparing zal, indien dat een verschraling van kwaliteit tot gevolg mocht hebben, leiden tot één publiek net minder.

B. Subsidies

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

B

Subsidies

0,17

0,50

0,84

1,13

1,38

2,51

 

EZ

      

1

SDE

  

0,05

0,09

0,09

1,20

2

Themagerichte innovatiesubsidies

0,03

0,08

0,16

0,22

0,30

0,30

3

Ondernemingsklimaatsubsidies

0,02

0,06

0,12

0,14

0,20

0,20

4

VROM

      
 

SMOM-subsidie beëindigen

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

 

Instrumenten gebiedsontwikkeling

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

 

Bufferzones decentraliseren of stopzetten

   

0,01

0,01

0,01

 

Waddenfonds decentraliseren met efficiencykorting

0,00

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

 

Verdroging-budget duurz. ondernemen, duurzaam bodemgebruik en milieukwaliteit

   

0,02

0,02

0,02

 

Onderzoek en materieel

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

 

Taakstelling diverse kleine subsidies

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

 

Subsidies roetfilters geen vervolg geven

0,00

     
 

ProMT subsidies

  

0,00

0,00

0,00

0,00

 

OCW

      

5

Cultuursubsidies

0,03

0,05

0,10

0,15

0,20

0,20

6

Taakstelling

 

0,14

0,14

0,14

0,13

0,13

 

VWS

      

7

Taakstelling

0,01

0,04

0,07

0,10

0,10

0,10

 

LNV

      

8

Taakstelling subsidies / verkoop gronden ZBO's LNV

0,02

0,03

0,04

0,05

0,05

0,03

 

V&W

      

9

Taakstelling

0,01

0,03

0,04

0,06

0,08

0,08

10

Korting BDU/exploitatiebijdrage regionaal OV

0,03

0,06

0,09

0,12

0,16

0,20

 

SZW

      

11

Taakstelling

  

0,01

0,01

0,02

0,02

Toelichting

  • 1. De SDE stopt per 1-1-2011 en wordt omgevormd tot een SDE+ regeling. De reeds aangegane verplichtingen voor de SDE worden nog uit algemene middelen gefinancierd. Deze verplichtingen lopen af naar € 0 in 2029. Hiermee wordt een ombuiging gerealiseerd van 1,2 mld. De huidige verplichtingen MEP en SDE blijven uit algemene middelen gefinancierd.

  • 2. Innovatiemiddelen op de EZ-begroting worden geschrapt, waarbij de nadruk ligt op themagerichte innovatiesubsidies (o.a. Syntens, luchtvaartbeleid, ruimtevaartbeleid en innovatieprogramma’s).

  • 3. De besparing wordt gerealiseerd door het schrappen van subsidies gericht op het ondernemingsklimaat en internationale bedrijfslevenprogramma’s (onderdeel van HGIS, non-ODA). Het regionaal economisch beleid wordt waar mogelijk versoberd gedecentraliseerd (o.a. pieken in de delta en bedrijventerreinen).

  • 4. De totale besparing ad structureel 51 mln. wordt o.a. gerealiseerd door diverse ombuigingen op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu, zoals o.a. het afschaffen van subsidieregelingen voor milieuorganisaties, internationaal milieubeleid en een decentralisatie van het Waddenfonds (inclusief efficiencykorting bespaart dit 5 mln).

  • 5. De uitgaven aan cultuur worden verlaagd. De versobering heeft betrekking op de vierjarige- en langjarige cultuursubsidies, de Cultuurfondsen en overige programmakosten. De uitgaven aan behoud en beheer cultureel erfgoed, bibliotheken en het Nationaal Archief worden zoveel mogelijk ontzien. Uitgangspunt is dat in alle regio's een hoogwaardig cultureel aanbod blijft bestaan. Er komt een Geefwet.

  • 6. Deze ombuiging wordt gerealiseerd door een maximale omzetting van alle specifieke subsidies in de lumpsum, onder aftrek van de reeks ad 135 mln. Deze ombuiging komt in de plaats van de besparing op de Kinderopvangtoeslag in de Miljoenennota 2011.

  • 7. Dit betreft een taakstellende bezuiniging op subsidies van VWS voor onder andere beïnvloeding leefstijl, anti-roken en patiëntenverenigingen (opbrengst 50 mln). Voor de overige 50 mln. zal VWS een taakstelling ingeboekt krijgen.

  • 8. Verschillende subsidies op het LNV-domein komen te vervallen en daarnaast worden extra gronden uit de ZBO’s onder LNV verkocht. Met uitzondering van subsidies die reeds meelopen in de decentralisatie van de EHS en het ILG, betreft het ondermeer subsidies op het terrein van duurzaam ondernemen, innovatie en onderzoeksprogramma's DLO.

  • 9. De subsidies op het terrein van VenW worden beperkt. Daarbij zal het huidige takenpakket van het KNMI nader worden bezien (evt. privatisering).

  • 10. De rijksbijdrage aan de Brede Doeluitkering Verkeer en Vervoer wordt beperkt met 5%. Daarnaast wordt de reële groei van de BDU afgeroomd met 1,1% per jaar. Deze maatregel is aanvullend op de maatregel om het OV in de grote steden openbaar aan te besteden (BHO, maatregel 2.1.2).

  • 11. De subsidies op het terrein van SZW worden taakstellend beperkt.

C. Immigratie & Integratie

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

C

Immigratie en Integratie

0,00

0,02

0,04

0,06

0,08

0,11

1

Einde aan specifiek integratiebeleid

 

0,01

0,01

0,01

0,02

0,03

2

Leges regulier verhogen

  

0,01

0,01

0,03

0,03

3

Beperken instroom en verkorten doorlooptijden (max.)

 

0,01

0,02

0,03

0,03

0,03

4

Rationalisatie COA

   

0,00

0,01

0,02

5

Leges twv kostendekkend maken

  

0,00

0,00

0,00

0,00

6

Gevolgen onttrekken aan verplichte inburgering

pm

pm

pm

pm

pm

pm

Toelichting

Bij immigratie worden maatregelen genomen die een beperking van de kosten van de vreemdelingenketen en dempende werking op de instroom van asielzoekers tot gevolg hebben. Zo worden de doorlooptijden bij de IND en de Rechtbanken versneld. Dit heeft een kortere verblijfsduur van asielzoekers in de opvang tot gevolg. Verder worden de d-gronden voor asiel (art 29 VW2000) afgeschaft en er wordt een grotere verantwoordelijkheid voor het aantonen van zijn of haar identiteit bij de vreemdeling gelegd. Nederland blijft hiermee voldoen aan haar internationale verplichtingen. Dit levert 30 mln structureel op (grotendeels gebaseerd op BHO variant 14 A). Daarnaast worden de leges voor reguliere aanvragen kostendekkend gemaakt. Dit levert structureel 25 mln op (vanaf 2014).

Er wordt uiterlijk in 2013 een sociaal leenstelsel ingevoerd ten behoeve van inburgeringscursussen (zie onder de intensiveringen). Tot slot wordt het specifieke integratiebeleid geheel afgeschaft (dit betreft het integratiebeleid wat op artikel 4 van de oude begroting van Wonen Wijken en Integratie stond). Dit levert structureel 29 mln op (grotendeels gebaseerd op BHO variant 14 D3).

D. Internationale samenwerking

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

D

Internationale samenwerking

0,41

0,91

0,75

1,79

1,86

1,86

1

Ontwikkelingssamenwerking gemiddeld op 0,7% BNP-ODA per jaar in kabinetsperiode

0,34

0,84

0,66

0,69

0,75

0,75

2

Toerekening conform ODA-criteria

0,06

0,06

0,06

0,06

0,06

0,06

3

HGIS/vrijwillige afdrachten internationale organisaties

0,01

0,01

0,03

0,04

0,05

0,05

4

EU-afdracht

   

1,00

1,00

1,00

Toelichting

  • 1. De besparing wordt gerealiseerd door de uitgaven voor OS van 0,8% BNP-ODA terug te brengen naar gemiddeld 0,7% BNP-ODA (vanaf 2012) per jaar in de kabinetsperiode (inclusief internationaal klimaatbeleid).

  • 2. Volgens internationale afspraken is het mogelijk om de toerekening aan ODA te verhogen met 60 mln, door onder andere een hogere EU-toerekening en meer kosten toe te rekenen voor vrijwillige terugkeer asielzoekers.

  • 3. Vrijwillige bijdragen aan internationale organisaties worden verminderd of gestopt. De besparing bedraagt 0,05 mld, waarvan 0,04 mld op de begroting van buitenlandse zaken (zie bijlage 4 van BHO 13)

  • 4. Het ingeboekte bedrag heeft betrekking op het behouden van de huidige korting van 1 miljard op de EU-afdracht.

E. Gematigde loonontwikkeling

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

E

Gematigde loonontwikkeling

0,79

0,81

0,83

0,86

0,87

0,87

1

Loonontwikkeling collectieve sector

0,79

0,81

0,83

0,86

0,87

0,87

Toelichting

  • 1. De lonen in de collectieve sector (excl. zorg) worden in 2011 bevroren (nominaal nul). Dit betekent dat ook de loonbijstelling tranche 2011 voor wat betreft de ruimte voor contractloon (cls) niet wordt uitgedeeld. Mocht geen overeenstemming met de bonden worden bereikt over een nominale nullijn, dan vindt een wetswijziging plaats om het zogenoemde overeenstemmingvereiste te wijzingen ter voorkoming van besparingsverlies dan wel afwenteling op het voorzieningenniveau/programma-uitgaven.

F. Inkomensoverdrachten

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

F

Inkomensoverdrachten

– 0,04

1,48

2,72

3,59

4,34

9,01

1

AHK in referentieminimumloon afbouwen in 20 jaar

 

0,06

0,11

0,16

0,21

1,00

2

Bevriezen doelgroep zorgtoeslag

 

0,60

1,30

1,70

2,10

2,90

3

Beperken/samenvoegen Wajong, WSW en re-integratiebudgetten

      
 

Beperken Wajong tot volledig en duurzaam arbeidsongeschikten

 

0,02

0,04

0,07

0,09

0,90

 

Verlagen uitkering gedeeltelijk arbeidsongeschikten

– 0,03

– 0,03

– 0,03

0,05

0,10

0,00

 

Beperken nieuwe instroom WSW tot beschutte arbeid + loondispensatie voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten:

   

0,03

0,10

0,65

 

Maatregelen WWB

 

0,05

0,10

0,10

0,10

0,10

 

Gerichte re-integratie en begeleiding ontschotte WWB, Wajong en WSW (netto)

 

0,20

0,29

0,42

0,49

0,30

 

Gerichte re-integratie WW (bruto korting 0,1)

 

0,05

0,05

0,05

0,05

0,05

 

Gerichte bemiddeling

 

0,03

0,05

0,08

0,10

0,10

4

Maatregelen kindgebonden budget

 

0,20

0,21

0,22

0,23

0,23

5

Aanpassingen kinderopvangtoeslag

 

0,11

0,15

0,18

0,20

0,20

6

Afschaffen WWIK

 

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

7

Woonlandbeginsel WIA, ANW, AKW/WKB

– 0,01

0,01

0,01

0,02

0,02

0,03

8

Normeren lokaal inkomensbeleid

 

0,04

0,04

0,04

0,04

0,04

9

Uitzendbureaus bij ziekte verantwoordelijk voor werknemers

 

– 0,01

0,02

0,02

0,02

0,02

10

Selectieve en gerichte schuldhulpverlening

 

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

11

AOW vanaf pensioneringsdatum

 

0,07

0,07

0,07

0,07

0,07

12

Aanpak fraude

 

0,05

0,09

0,14

0,18

0,18

13

Niet exporteren kinderbijslag buiten EU

   

0,01

0,01

0,01

14

Verlengen termijn zelfstandig verblijfsrecht huwelijksmigranten

   

0,01

0,01

0,01

15

Geen AOW tegemoetkoming bij onvolledige opbouw

 

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

16

Vermogenstoets zorgtoeslag

  

0,17

0,17

0,17

0,17

17

Vermogenstoets kindgebonden budget

  

0,02

0,02

0,02

0,02

18

Verhogen AOW-leeftijd

     

2,00

Toelichting

  • 1. De afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting (ahk, in de fiscaliteit al vanaf 2009 afgebouwd) wordt doorvertaald naar de uitkeringshoogte (excl. AOW). Hierbij is uitgegaan van afbouw in 20 jaar met ingang van 2012.

  • 2. Vanaf 2012 worden in 4 gelijke stappen de normpercentages voor alleenstaanden en meerpersoonshuishoudens verhoogd van 2,7% naar 3,5% respectievelijk van 5% naar 7%, en het afbouwpercentage van 5% naar 6,5% in 2015. Het budgettaire beslag van de zorgtoeslag wordt hierdoor constant gehouden in de periode tussen 2010 en 2015, waarmee wordt voorkomen dat het aantal huishoudens dat zorgtoeslag ontvangt sterk oploopt.

  • 3. De bestaande budgetten voor WAJONG, WSW en WWB worden ontschot. Met ingang van 1-1-2012 wordt de Wajong alleen toegankelijk voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. De bestaande Wajong-populatie zal vanaf 1-1-2012 worden ingedeeld in «volledig en duurzaam» arbeidsongeschikt en «gedeeltelijk» arbeidsongeschikt, waarbij de uitkering van gedeeltelijk arbeidsongeschikten per 1-1-2014 wordt verlaagd naar 70% WML. Huidige WSW-ers worden niet herkeurd. De WSW blijft bestaan voor mensen die geïndiceerd zijn voor een beschutte werkplek. Het systeem van loondispensatie dat in de Wajong bestaat wordt ook mogelijk voor nieuwe instroom met een indicatie «begeleid werken». Deze mensen ontvangen een beloning (loon en/of een aanvulling daarop) tot maximaal WML. Bestaande groepen worden ontzien. Wel zal hierdoor de wachtlijst in de WSW worden beperkt. Het subsidiebedrag per WSW-plek zal worden afgestemd op eerder doorgevoerde wijzigingen in de WSW-CAO. Door samenvoeging van de re-integratie en begeleidingsbudgetten kunnen deze middelen gerichter en efficiënter worden ingezet, waarbij speciale aandacht zal worden besteed aan mensen met een arbeidshandicap. Ook het budget voor bemiddeling van het UWV zal gerichter worden ingezet.

  • 4. In de WWB wordt de bijstand voor inwonenden afgeschaft en wordt de toets op het partnerinkomen vervangen door een toets op het huishoudinkomen (met een beperkte vrijlatingsregeling voor minderjarige kinderen). De voorwaarden en sancties voor jongeren tot 27 jaar die een beroep doen op de bijstand (Wet investeren Jongeren) worden aangescherpt. Bij vaststelling van het zogenoemde I-deel wordt hier rekening mee gehouden. De wet Vazalo zal niet in werking treden.

  • 5. De verhoging van de tegemoetkoming van het kindgebonden budget (WKB) in 2011, wordt per 1 januari 2012 teruggedraaid. Daarnaast wordt met deze maatregel het kindgebonden budget vanaf 2012 tot en met 2015 niet jaarlijks geïndexeerd en wordt per 2012 de oploop in het kindgebonden budget afgeschaft vanaf het derde kind.

  • 6. Kinderopvangtoeslag. Per 1 januari 2012 worden drie maatregelen getroffen. In de eerste kind tabel wordt de vaste voet lineair afgebouwd van 33,3% naar 0 (BHO 5, p. 78 nr. 7). In de tweede kind tabel wordt het subsidiepercentage versneld afgebouwd naar 64% (BHO 5, p. 78 nr. 14). Tot slot wordt het maximum uurtarief verlaagd richting € 5,–. De invulling van deze laatstgenoemde maatregel wordt komend voorjaar in samenhang bezien met de invulling van de ombuigingen in de kinderopvangtoeslag die onderdeel uitmaken van de maatregelen vanaf 2012 uit de Miljoenennota.

  • 7. De WWIK wordt m.i.v. 2012 afgeschaft, waardoor dezelfde polisvoorwaarden gaan gelden als in de WWB.

  • 8. Invoering van het woonlandbeginsel voor de WIA, ANW, AKW/KGB leidt tot een verlaging van de uitkeringen. Het woonlandbeginsel wordt m.i.v. 2012 toegepast op alle landen.

  • 9. Om de armoedeval te beperken wordt de inkomensgrens van het gemeentelijk inkomensbeleid genormeerd op maximaal 110% WML, zodat inkomensaanvullingen gerichter worden verstrekt.

  • 10. Uitzendwerkgevers worden verantwoordelijk voor twee weken loondoorbetaling bij ziekte van hun werknemers.

  • 11. Met ingang van 2012 kan beroep worden gedaan op een meer selectieve en gerichte toepassing van schuldhulpverlening en nazorg.

  • 12. Het recht op de AOW-uitkering gaat m.i.v. 2012 in, op de dag dat men de AOW-leeftijd heeft bereikt.

  • 13. Uitkeringsfraude wordt harder aangepakt. Uitkeringsfraude wordt bestraft met het inhouden van de uitkering gedurende 3 maanden.

  • 14. De kinderbijslag en het kindgebonden budget worden niet meer buiten de EU geëxporteerd.

  • 15. Het recht op bijstand voor immigranten hangt samen met het rechtmatig verblijf in Nederland. Alleen wanneer een migrant over een geldige verblijfstitel beschikt kan deze een beroep doen op de bijstand. Huwelijksmigranten kunnen na 3 jaar een zelfstandige verblijfsvergunning aanvragen, voor andere migranten geldt een termijn van 5 jaar. De jareneis voor het verkrijgen van een zelfstandige verblijfsvergunning voor huwelijksmigranten wordt verhoogd van 3 naar 5 jaar. Dit levert een besparing op in de bijstand.

  • 16. De aow-tegemoetkoming wordt niet meer uitgekeerd aan personen die een onvolledige aow-uitkering hebben en in dat kader een aanvullende bijstandsuitkering aanvragen.

  • 17. Mensen met een box 3 vermogen boven de IB-vrijstelling plus 80 000 euro hebben geen recht op zorgtoeslag.

  • 18. Mensen met een box 3 vermogen boven de IB-vrijstelling plus 80 000 euro hebben geen recht op kindgebonden budget.

  • 19. De AOW-leeftijd wordt per 1 januari 2020 verhoogd naar 66 jaar.

G. Onderwijs

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

G

Onderwijs

0,00

0,54

0,98

1,10

1,33

1,45

1

Efficiencykorting raden en instituten

 

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

2

PO Gewichtenregeling

 

0,01

0,03

0,04

0,05

0,05

3

PO Budgettering Passend onderwijs

 

0,05

0,30

0,30

0,30

0,30

4

VO verminderen aantal profielen HAVO/VWO

   

0,02

0,05

0,05

5

VO vereenvoudigen bekostigingsmodel, tegengaan vertraging en versnellen excellente leerlingen

  

0,05

0,06

0,06

0,06

6

MBO Vereenvoudiging kwalificatiestructuur, tegengaan vertraging, verkorten en intensiveren (doorlopende) leerlijnen, kenniscentra breder organiseren.

  

0,03

0,05

0,14

0,16

7

MBO invoeren leeftijdsgrens 30 jr voor bekostiging

  

0,08

0,11

0,17

0,17

8

VO efficiencykorting lesmateriaal

   

0,03

0,03

0,03

9

HO geen OV-jaarkaart langstudeerders

  

0,01

0,01

0,03

0,03

10

HO aflossingstermijn van 15 naar 20 jaar

     

0,01

11

HO Invoeren sociaal leenstelsel masterfase

    

0,02

0,11

12

HO langstudeerders

      
 

a) verhoging collegegeld met € 3 000

 

0,18

0,17

0,15

0,14

0,14

 

b) efficiencykorting instellingen met € 3 000 per student

 

0,19

0,17

0,16

0,14

0,14

 

c) gedragseffect (in vier jaar oplopend tot 25%)

  

0,03

0,06

0,09

0,09

13

Efficiency onderzoek en innovatie

 

0,09

0,09

0,09

0,09

0,09

Toelichting

  • 1. Een efficiencykorting op adviesraden en instituten via de bijdrage van instellingen. Deze korting mag niet raken aan het primaire onderwijsproces en moet de bestuurlijke drukte en overbodige stapeling van instituties in het onderwijs terugdringen.

  • 2. De maatregel betreft het aanpassen van het totaalbudget voor de gewichtenregeling als gevolg van het dalend aantal doelgroepleerlingen. De besparing in de tabel is gebaseerd op het constant houden van het bedrag per schoolgewicht op het niveau van schooljaar 2010–2011.

  • 3. De invoering van passend onderwijs wordt voortgezet. Daarbij wordt het totale budget voor passend onderwijs gebudgetteerd en met € 300 mln verlaagd, puttend uit de voorstellen van de heroverwegingscommissie. Ter voorkoming van weglek worden LWOO en PRO tevens gebudgetteerd.

  • 4. In HAVO en VWO wordt het aantal profielen teruggebracht. De efficiencywinst blijft deels bij scholen; € 50 mln wordt ingeboekt.

  • 5. Het bekostigingsmodel wordt vereenvoudigd, daarbij wordt tevens ingezet op het versnellen van excellente leerlingen en het tegengaan van vertraging. Dit impliceert dat er voor scholen meer ruimte moet komen om het onderwijsproces in te richten. Door aanscherping van de exameneisen wordt diploma-inflatie voorkomen.

  • 6. De maatregel betreft het vereenvoudigen van de kwalificatiestructuur (waaronder het verminderen van het aantal opleidingen in relatie tot de arbeidsmarkt en het vereenvoudigen van de kwalificatiedossiers), het tegengaan van studievertraging en verkorten en intensiveren van (doorlopende) leerlijnen. Dit wordt via het bekostigingsysteem geregeld. De efficiencywinst boven de taakstelling blijft bij de scholen. Diploma-inflatie wordt voorkomen door versterking van onafhankelijke examinering en daarbij het centraal examineren van kernvakken.

  • 7. De maatregel introduceert een nieuwe leeftijdsgrens van 30 jaar voor publieke bekostiging van mbo-opleidingen.

  • 8. Door de invoering van gratis schoolboeken en toenemende digitalisering van lesmateriaal is er sprake van een bewuster inkoopbeleid. Op het budget voor lesmateriaal wordt daarom een efficiencykorting toegepast.

  • 9. De OV-kaart voor langstudeerders (nominaal+1) wordt afgeschaft.

  • 10. De terugbetalingstermijn voor studieleningen wordt met vijf jaar verlengd.

  • 11. Er wordt een sociaal leenstelsel ingevoerd voor studenten in de Masterfase. Fiscale weglek wordt voorkomen.

  • 12. Het collegegeld voor studenten die langer dan 1 jaar uitlopen in hun studie wordt verhoogd met € 3 000,–. De verhoging van de collegegelden voor de langstudeerders en een aanvullende efficiencykorting voor langstudeerders (eveneens 3 000 euro) worden in mindering gebracht op het instellingsbudget. In de raming is rekening gehouden met een gedragseffect van 25%, te bereiken in 4 jaar. De rijksbijdrage aan de instellingsbudgetten wordt navenant verlaagd. Fiscale weglek wordt voorkomen.

  • 13. Door schaalvergroting en door de samenwerking met het bedrijfsleven en onderzoeksinstituten te verbeteren is het mogelijk pro rato een efficiencykorting toe te passen op middelen voor onderzoek op universiteiten en praktijkgericht onderzoek op hogescholen.

H. Zorg (Care)

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

H

Zorg (CARE)

– 0,01

– 0,04

0,10

0,34

0,65

0,89

1

Scheiden wonen en zorg

    

0,10

0,30

2

Omschakeling handelingsfinanciering naar uitkomstfinanciering

     

0,00

3

Revalidatiezorg naar de Zvw

    

0,05

0,05

4

Functies dagbesteding en begeleiding naar de WMO

– 0,01

– 0,06

– 0,04

0,14

0,14

0,14

5

BTW-compensatiefonds care

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

6

Vermogensinkomensbijtelling AWBZ

  

0,08

0,08

0,08

0,08

7

Eigen bijdrage jeugdzorg breed

    

0,07

0,07

8

Beperken doelgroep AWBZ

 

0,02

0,06

0,12

0,21

0,25

Toelichting

  • 1. In de AWBZ wordt scheiden wonen en zorg doorgevoerd. Dit levert 0,1 mld aan doelmatigheidswinst op in 2015 en structureel 0,3 mld. Compensatie vindt plaats via een verlaging van de intramurale eigen bijdrage en verhoging van de huurtoeslag, waardoor gemiddeld op macroniveau geen koopkrachteffecten optreden.

  • 2. Kabinet is voornemens over te stappen naar een bekostigingssysteem gebaseerd op uitkomst/resultaat in plaats van handelingen ten einde de prikkelstructuur te verbeteren. De exacte vormgeving dient nader te worden uitgewerkt.

  • 3. Revalidatiezorg gaat over van de AWBZ naar de Zvw. Dit levert 0,05 mld. doelmatigheidswinst op wanneer de ex post risicoverevening volledig is vervallen en de revalidatiezorg meeloopt in de ex ante risicoverevening.

  • 4. De functies dagbesteding en begeleiding gaan over van de AWBZ naar de WMO. 2013 is een overgangsjaar, waarbij gemeenten verantwoordelijk zijn voor de mensen die zich na 1 januari 2013 melden. Vanaf 2014 ligt de verantwoordelijkheid geheel bij gemeenten. De eerste jaren leidt de overheveling tot transitiekosten; de opbrengst van 0,14 mld vanaf 2014 is een netto reeks.

  • 5. Introductie van een BTW compensatiefonds wordt onderzocht.

  • 6. De bijtelling voor het vaststellen van de eigen bijdrage AWBZ op basis van het box 3 vermogen wordt verhoogd van 4% naar 8% op het verzamelinkomen. Dit levert vanaf 2013 0,08 mld op.

  • 7. Binnen de jeugdzorg breed wordt een eigen bijdrage ingevoerd. Bij uithuisplaatsing wordt deze bijdrage (ten minste) gelijk gemaakt aan de besparing die in een gezin optreedt als gevolg van het uithuis plaatsen van een kind. Concreet wordt hierbij dan uitgegaan van een eigen bijdrage van 3 400 euro per kind per jaar. Daarnaast wordt er een eigen bijdrage ingevoerd voor (ouders van) jeugdigen die AWBZ zorg ontvangen. En verder wordt een eigen bijdrage ingevoerd in de extramurale jeugdzorgverlening. Rekening houdend met de inningskosten leveren deze maatregelen 0,07 mld op.

  • 8. In lijn met veel van de ons omringende landen wordt het IQ-criterium voor recht op zorg in de AWBZ aangepast (BHO 12, p.91, maatregel 4). De opgenomen besparingsreeks is voor de AWBZ taakstellend.

I. Zorg (Cure)

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

I

Zorg (CURE)

0,02

0,21

0,28

0,33

1,44

1,83

1

Marktwerking (uitbreiden B-segment, invoering DOT, afschaffen FB vanwege gelijktrekken bekostigingssystematiek, in verantwoord tempo afschaffen van de ex-post verevening)

   

0,04

0,09

0,33

2

Stringenter pakketbeheer

 

0,03

0,04

0,05

0,07

0,07

3

Verbeteren governance en beperken gouden handdrukken

 

0,01

0,01

0,01

0,01

0,11

4

Maatregelen GGZ

      
 

Driedrempelvariant eigen bijdrage GGZ

 

0,04

0,04

0,04

0,04

0,04

 

Zelf betalen no-show GGZ

 

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

 

Stimuleren zelfmanagement cliënt (E-health) en versterking eerstelijns GGZ

    

0,05

0,05

 

Versterken kwaliteit GGZ

 

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

 

Verlagen aantal zittingen eerstelijns psycholoog

 

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

 

Doelmatigheidsmaatregelen GGZ (scenario B IBO GGZ)

     

0,05

5

IVF slechts 1 behandeling vergoed

 

0,00

0,03

0,03

0,03

0,03

6

Fysiotherapie pas vergoed bij meer dan 15 behandelingen

 

0,03

0,03

0,03

0,03

0,03

7

Naar aanvullende verzekeringen overhevelen van aandoeningen met lage ziektelast

    

1,00

1,00

8

BTW-compensatiefonds cure

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

9

Aanpassing WGP basis

pm

pm

pm

pm

pm

pm

10

Werelddekking zorg buiten EU uit het basispakket

 

0,03

0,06

0,06

0,06

0,06

11

Toetsing rechtmatigheid van vergoeding conform ZVW

0,02

0,04

0,04

0,04

0,04

0,04

Toelichting

  • 1. De lijn, die vanaf 2006 met de Zvw is ingezet ten aanzien van de marktwerking in de curatieve zorg, wordt doorgetrokken conform BHO 11 variant B. Zo wordt DOT per 2012 ingevoerd en het B-segment uitgebreid onder gelijktijdige vergroting van risicodragendheid van verzekeraars voor de kosten van somatische zorg. De transitiefase dient behoedzaam ingericht te worden waarbij aandacht is voor de volgtijdelijkheid van de diverse te nemen stappen/maatregelen. Door het loslaten van de 10% kortingsgrens van collectiviteiten en een verbod op gelegenheidscollectiviteiten worden werkgevers geprikkeld tot het maken van afspraken over verzekerde prestaties en ingekochte zorg voor hun werknemers. Daarnaast wordt de toetreding van nieuwe aanbieders vergemakkelijkt, door inbreng van risicodragend kapitaal toe te staan. Winstuitkering wordt onder voorwaarden mogelijk gemaakt. Er wordt geen winst uitgekeerd gedurende de eerste drie jaar na het moment van investeren. Er wordt pas winst uitgekeerd na een positieve beoordeling van vooraf vastgestelde minimumkwaliteitseisen door een onafhankelijke toezichthouder, en na een positieve beoordeling van financiële buffers. Instrumenten en regelgeving om cruciale zorg de waarborgen bij financiële problemen van ziekenhuizen worden zoveel mogelijk gericht op eigen verantwoordelijkheid van ziekenhuizen en een early warning systeem. Voorwaarden hierbij is dat verzekeraars voldoende geprikkeld worden en macrobeheersing mogelijk is. Om de macrobeheersbaarheid van de zorguitgaven te realiseren resteren ten principale nog twee instrumenten: verkleinen van de collectieve pakketaanspraken en het verhogen van eigen betalingen. Verder wordt het wetsvoorstel Wet Marktordening Gezondheidszorg (WMG) doorgezet waar mee wordt beoogd de macro beheersing van de uitgaven in ieder geval in de transitiefase te versterken. De exacte juridische implicaties en gevolgen zijn afhankelijk van de uiteindelijk gekozen praktische invulling van de instrumenten uit het wetsvoorstel en dienen voor invoering nader te worden onderzocht. Tevens worden de geïnitieerde maatregelen ter bevordering van samenhangende sturing op kwaliteit, richtlijnconformiteit, verzekerde aanspraak en pakketbeheer voortgezet en verankerd middels samenvoeging van relevante instituties op dit terrein in een Kwaliteitsinstituut. Deze set aan maatregelen levert in 2015 0,09 en structureel 0,325 mld op.

  • 2. Over de toelating tot het collectief verzekerde basispakket wordt expliciet vooraf besloten, op basis van noodzakelijkheid, (kosten)effectiviteit en uitvoerbaarheid. Verouderde behandelingsmethoden en die niet voldoen aan de gestelde criteria worden uit het collectief verzekerde basispakket verwijderd. Stringent pakketbeheer vereist een aanpassing van de Zvw en een uitbreiding van de taak van de pakketbeheerder (CVZ). Deze maatregelen beperken de toekomstige groei van de zorguitgaven en leveren 0,025 mld in 2012 oplopend tot structureel 0,065 mld. op.

  • 3. De verantwoordelijkheid voor kwaliteit en de positie van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis wordt ten opzichte van de medisch specialisten versterkt. Dit wordt gerealiseerd door het wetsvoorstel WMG door te zetten, inclusief de implementatie van het beheersmodel medisch specialisten (ook m.b.t. tot hen die werkzaam zijn in Zelfstandige Behandelcentra) en de Wet Cliëntenrechten Zorg (WCZ). Daarnaast wordt de inzet van onder andere physician assistent (PA) en verpleegkundig specialisten (VS) geoptimaliseerd. Hiertoe zal de benodigde behandelingsvrijheid van niet-artsen geborgd worden in protocollen en relevante wet- en regelgeving zoals de Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BiG). Het beloningsbeleid van zorginstellingen verandert wanneer de wet normering topinkomens (WNT) in huidige vorm wordt aangenomen. Instellingen kunnen de bespaarde middelen zelf besteden, bijvoorbeeld aan kwalitatief betere zorg. Zorgkantoren houden bij het onderhandelen over tarieven rekening met het gevoerde beloningsbeleid. Tezamen leveren deze maatregelen structureel 0,02 mld. op.

  • 4. In de GGZ worden diverse maatregelen doorgevoerd. Zo wordt de eigen bijdrage in de eerstelijns GGZ en tweedelijns GGZ verhoogd (€ 155 voor 8 sessies eerstelijns en € 175 tweedelijns boven de 1 800 behandelminuten € 250 extra) en wordt het no-show tarief in de curatieve GGZ afgeschaft. Dit betekent dat de aanbieder de betreffende DBC voor de no-show niet meer kan declareren ten laste van het verzekerde pakket. Tevens wordt de eerstelijns GGZ versterkt, om zo tegen te gaan dat in de tweedelijn GGZ zorg wordt geleverd die (goedkoper) in de eerste lijn kan worden geleverd ook wordt het maximum aantal vergoede zittingen ELP (eerstelijns psycholoog) verlaagd van 8 naar 5. Als laatste wordt in de GGZ volledige risicodragendheid van verzekeraars voor de curatieve GGZ inclusief invoering van prestatiebekostiging ingevoerd en wordt de macronacalculatie voor de geneeskundige GGZ uiterlijk in 2015 afgeschaft. De totale structurele besparing van alle maatregelen is 0,12 mld.

  • 5. Op dit moment worden 3 IVF behandelingen collectief vergoed. Dit wordt beperkt tot 1e behandeling. Dit levert een besparing op van 0,025 mld.

  • 6. Het aantal fysiotherapiebehandelingen die cliënten zelf moeten betalen wordt verhoogd tot 15. Dit levert een besparing op van 0,03 mld.

  • 7. Verzekerde prestaties (geneeskundige zorg, geneesmiddelen en GGZ-zorg) gericht op behandeling van een lage ziektelast worden uit het basispakket gelicht; hiervoor kunnen aanvullende verzekeringen worden afgesloten. Dit leidt tot een structurele besparing van 1,0 mld.

  • 8. Introductie van een BTW compensatiefonds wordt onderzocht.

  • 9. Nadere bestudering moet uitwijzen of het mogelijk is om het aantal referentielanden voor de WGP uit te breiden dan wel te wijzigen.

  • 10. Het afschaffen van de werelddekking (buiten de EU) moet leiden tot een daling van de uitgaven met 0,03 mld vanaf 2012, oplopend tot 0,06 mld vanaf 2013.

  • 11. Een strenger toezicht door de NZa (o.m. door een verlaging van de tolerantiegrens bij accountantscontroles van 5% naar 3%) zal tot een kostenbesparing van 0,04 mld.

J. Overig

 

Ombuigingen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

J

Overig

0,00

0,01

0,10

0,07

0,18

0,35

1

Opbrengst licenties

 

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

2

Differentiëren heffings- en invorderingsrente met 1,5%

0,00

0,00

0,09

0,06

0,17

0,34

  • 1. Introductie van licentie-fee voor (of veiling van) vergunningen voor de exploitatie van internetkansspelen/loterijen.

  • 2. Er wordt een differentiatie aangebracht in de heffings- en invorderingsrente (HIR) van 1,5% tussen de te betalen en de te ontvangen HIR. De te betalen rente blijft 2,5%, de door de bedrijven en burgers te ontvangen rente bedraagt 1% (o.b.v. stand Q4 2010). De structurele opbrengst van 344 mln wordt behaald in 2017.

INTENSIVERINGEN

A Zorg (ouderenzorg CARE)

 

Intensiveringen

2011

2012

2013

2014

2015

struc

A

Zorg (CARE)

0,01

0,86

0,86

0,86

0,86

0,86

1

ZZP's inclusief opleidingen

 

0,82

0,82

0,82

0,82

0,82

2

Verstevigen Inspectie

 

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

 

1) verbeteren kwaliteitsnormen

      
 

2) uitbreiden bevoegdheden

      
 

3) introduceren individueel klachtenrecht

      

3

Ouderenmishandeling

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

 

1) richtlijn ouderenmishandeling

      
 

2) meldplicht ouderenmishandeling

      
 

3) verlengen project «Stop Ouderenmishandeling»

      
 

4) VOG voor zorgpersoneel en vrijwilligers

      

4

Taakstellend nader in te vullen

 

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

        

5

Terugdraaien eigen betalingen care en cure

0,00

0,92

1,22

3,47

4,87

4,87

 

Terugdraaien eigen risico MLT (cure)

0,00

0,62

0,61

2,58

3,70

3,70

 

Terugdraaien eigen betalingen MLT (care)

0,00

0,25

0,51

0,74

0,97

0,97

 

Terugdraaien eigen betalingen MLT WMO

0,00

0,05

0,10

0,15

0,20

0,20

Toelichting

  • 1. De prijzen van de zogenaamde zorgzwaartepakketten, inclusief de opleidingen, worden verhoogd. Daarnaast wordt de maatregel «verlaging contracteerruimte AWBZ» van ca. 142 mln structureel ongedaan gemaakt, voor 32 mln gedekt door een aanscherping op het geneesmiddelenterrein. De totale intensivering bedraagt daarmee 0,85 mld.

  • 2. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zal uitgebreider gebruik maken van bestaande (tuchtrecht, bevel e.d.) en recent verkregen bevoegdheden (Wubhv), intensiever toezien op opstellen en naleving van kwaliteitsnormen en gebruik maken van individuele klachten (die door klachtbehandelings-instanties worden behandeld) voor de uitvoering van risicogestuurd toezicht gericht op structurele tekortkomingen in de zorg.

  • 3. Er zullen maatregelen worden getroffen om oudermishandeling tegen te gaan.

  • 4. Een taakstellende nader in te vullen intensivering.

  • 5. Het verhogen van de eigen betalingen in de ouderenzorg uit de MLT wordt niet overgenomen, waardoor de totale intensiveringen in de ouderenzorg uitkomen op ongeveer 2 mld (0,86 + 0,97 + 0,20). Het verplicht eigen risico, zoals is verondersteld in de MLT, wordt ook niet overgenomen. Wel handhaaft het kabinet de voorgestelde verhoging van het eigen risico met 40 euro per 2012. Hierdoor resteert een intensivering ten opzichte van het basispad, die deels gedekt wordt door doorvoeren van bezuinigingen in de curatieve zorg. Voorzover er geen dekking is voor de intensivering, worden de hogere zorguitgaven afgedekt door een hogere zorgpremie.

B Veiligheid

 

Intensiveringen

2011

2012

2013

2014

2015

Struc

B

Veiligheid

0,40

0,42

0,44

0,46

0,47

0,47

1

Politie

0,30

0,32

0,34

0,36

0,37

0,37

2

Justitie keten (OM en ZM)

0,10

0,10

0,10

0,10

0,10

0,10

Toelichting

  • 1. Met dit bedrag kunnen 500 animal cops en 2 500 meer agenten gefinancierd worden dan zonder deze intensivering het geval zou zijn.

  • 2. De uitbreiding van de operationele sterkte van de Politie leidt tot meer druk op de rest van de keten: daarom vinden intensiveringen plaats ten behoeve van vervolging (OM) en berechting (ZM).

C Immigratie en Integratie

 

Intensiveringen

2011

2012

2013

2014

2015

Struc

C

Immigratie en Integratie

0,05

0,07

0,09

0,10

0,05

0,05

1

Maximaal versnellen asielprocedures (extra capaciteit IND)

0,003

0,003

0,003

0,003

0,003

0,003

2

Strafbaar stellen illegaliteit/ontwikkelen systeem biometrische gegevens

0,010

0,016

0,019

0,021

0,004

0,004

3

Sluitende controle/handhaving op referent naleving Vreemdelingewetgeving (extra capaciteit IND en Vreemdelingenpolitie)

0,015

0,020

0,030

0,032

0,012

0,012

4

Verkorten procedures i.g.v. fraude/bedrog/criminaliteit

0,002

0,002

0,002

0,002

0,002

0,002

5

AMV's versneld terugsturen+uitbreiden opvangcapaciteit land van herkomst

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

6

Onmiddellijke heroverweging alle vergunningen categoriaal beleid (extra capaciteit IND)

0,002

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

7

Uitbreiding politieliaisons bij ambassades

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

8

Reeds bij eerste aanvraag voor gezinsvorming strikt checken bij indicaties van fraude of misbruik

0,003

0,003

0,003

0,003

0,003

0,003

9

MVV alleen uit het buitenland + schrappen uitzonderingen: extra inzet IND buitenland

0,002

0,002

0,002

0,002

0,002

0,002

10

Intensiveren grenscontroles: project PARDEX (mensenhandel, controle documenten etc.)

0,004

0,010

0,015

0,016

0,009

0,009

11

Intensieve controle op criminaliteit en inkomensvereiste automatiseren

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

12

Standaard/sluitende controle op gebruik Europa-route (extra capaciteit IND)

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

13

Intensiveren controle op arbeids- en kennismigranten: extra capaciteit IND

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

14

Daadwerkelijk intrekken verblijfsvergunning i.g.v. beroep op bijstand door vreemdeling (uitbreiding handhavingscapaciteit/koppeling systemen UWV en SVB)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

15

Dubbel check door IND op inwilligingen verblijfsaanvragen door aparte unit (incl. einde behandelquota beslismedewerkers)

0,004

0,004

0,004

0,004

0,004

0,004

16

Intensiveren controle op arbeids- en kennismigranten (extra capaciteit arbeidsinspectie en DUO)

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

0,001

17

Sociaal leenstelsel inburgering

  

0,01

0,01

0,01

0,01

Op het gebied van immigratie wordt een pakket van maatregelen genomen dat enerzijds misbruik zoveel mogelijk moet inperken en anderzijds procedures zoveel mogelijk moet versnellen, zonder concessies aan de kwaliteit van beoordelingen te doen. Dit wordt onder andere bewerkstelligd door middel van extra capaciteit bij de IND, strengere controles en een betere (geautomatiseerde) gegevensuitwisseling. 

Op het gebied van integratie wordt vanaf 2013 een sociaal leenstelsel inburgering ingevoerd, omdat naar een stelsel wordt toegewerkt waarbij de kosten bij de inburgeraar wordt neergelegd.

D Infrastructuur

 

Intensiveringen

2011

2012

2013

2014

2015

Struc

D

Infrastructuur

  

0,10

0,20

0,50

0,50

 

Extra wegen en spoor

  

0,10

0,20

0,50

0,50

Toelichting

Het budget voor aanleg van wegen en ook spoor wordt verhoogd.

E Onderwijs

 

Intensiveringen

2011

2012

2013

2014

2015

Struc

E

Kwaliteit onderwijs

0,00

0,54

0,98

1,10

1,33

1,45

1

PO uitbreiding doelgroep VVE

 

0,03

0,05

0,05

0,05

0,05

2

PO/VO/MBO Versterken centrale een uniforme toetsing, mede t.b.v. meten leerwinst

 

0,08

0,08

0,08

0,08

0,08

3

PO/VO/MBO professionalisering onderwijspersoneel

 

0,10

0,15

0,15

0,15

0,15

4

PO/VO/MBO prestatiebeloning op basis van objectief gemeten leerwinst

 

0,01

0,02

0,04

0,20

0,25

5

PO/VO hoogbegaafden

 

0,02

0,03

0,03

0,03

0,03

6

PO/VO taal en rekenen

 

0,02

0,02

   

7

PO meer schakelklassen en summercourses

 

0,04

0,05

0,05

0,05

0,05

8

VO/MBO plusvoorzieningen en wijkscholen

 

0,03

0,03

0,03

0,03

0,03

9

MBO Kwaliteitsverbetering

  

0,15

0,15

0,15

0,15

10

HO verhogen intensiteit onderwijs

 

0,05

0,13

0,21

0,23

0,30

11

Kwaliteitsimpuls/reservering ramingsrisico

 

0,07

0,18

0,22

0,27

0,27

12

Innovatie en onderzoek

 

0,09

0,09

0,09

0,09

0,09

Toelichting

  • 1. Het bereik van VVE wordt via de wet OKE groter. Door middel van sterkere drang (via consultatiebureau, jeugdzorg, huisartsen, WMO-loket) wordt de doelgroep sterker gestimuleerd om deel te nemen aan VVE. Gemeenten zijn vrij om de voorschoolse educatie sterker te verbinden aan basisonderwijs.

  • 2. Er wordt geïnvesteerd in de centrale en/of uniforme toetsing op het PO, VO en MBO zodat de leerwinst objectief kan worden gemeten door de onderwijsinspectie. Daartoe wordt onder meer in het PO een centrale begin- (groep 3) en eindtoets verplicht en wordt in het MBO onafhankelijke examinering versterkt waarbij kernvakken centraal worden geëxamineerd.

  • 3. Er wordt geïnvesteerd in de kwaliteit van PABO’s en lerarenopleidingen, gekoppeld aan centrale examinering op basis van de Kennisbasis. Het al door de sector in ontwikkeling zijnde scholingsregister wordt uitgebreid met een verplichting voor het onderhoud en waar nodig verhoging van kennis en vaardigheden van docenten en schoolleiders. Hiervoor wordt extra scholingsbudget beschikbaar gesteld.

  • 4. Geobjectiveerd goede prestaties van docenten worden sterker beloond door het introduceren van opbrengstgerichte financiële beloningen voor (teams van) leraren.

  • 5. Er ontstaat meer ruimte voor extra lessen en een passend aanbod voor hoogbegaafde leerlingen.

  • 6. De invoering van referentieniveaus voor taal en rekenen wordt extra ondersteund.

  • 7. De intensivering betreft een uitbreiding van het aantal schakelklassen en summercourses.

  • 8. De intensivering betreft het structureel financieren van de plusvoorzieningen en de wijkscholen. Door middel van intensievere begeleiding van (potentiële) vsv-ers in het vmbo en mbo wordt het aantal voortijdig schoolverlaten teruggedrongen.

  • 9. De schooluitval in het MBO wordt bestreden door intensivering van de onderwijstijd in het eerste jaar, intensieve begeleiding, loopbaanoriëntatie en coaching.

  • 10. Er wordt geïnvesteerd in het verhogen van de intensiteit van het onderwijs in het Hoger Onderwijs. Intensieve studiebegeleiding en onderwijsprogrammering zijn nodig om de student te motiveren, uit te dagen en te binden.

  • 11. In het budgettair kader is de post kwaliteitsimpuls opgenomen oplopend tot € 270 mln in 2015 De bedoeling is dat deze middelen ten goede komen aan de kwaliteit van het onderwijs, waaronder ook het opvangen van de leerlingenramingen.

  • 12. Dit betreft extra geld voor onderzoek en innovatie.

F Natuur en leefomgeving

 

Intensiveringen

2011

2012

2013

2014

2015

Struc

F

Natuur en leefomgeving

0,03

0,03

0,13

0,23

0,30

1,40

1

Programmatische aanpak stikstof

0,03

0,03

0,03

0,03

  

2

Invoering SDE+

  

0,10

0,20

0,30

1,40

Toelichting

  • 1. Om de economische ontwikkeling te stimuleren en tegelijkertijd de milieucondities te verbeteren om de teruggang van biodiversiteit te remmen wordt er tijdelijk geïnvesteerd in de Programmatische Aanpak Stikstof.

  • 2. Het kabinet verbetert de SDE tot een meer efficiënte «SDE+», voor een deel gefinancierd uit een opslag op de energierekening4 (elektriciteit en gas) en mogelijk voor een deel uit een kolen- en gasbelasting voor grote stroomproducenten (rekening houdend met het internationale speelveld en EU wetgeving). De vervuiler betaalt is uitgangspunt bij de SDE+. Met het oog op de beheersbaarheid worden de uitgaven en ontvangsten samenhangend met de SDE+ regeling op de begroting verwerkt. De verdeling van de opslag over burgers en bedrijven is in lijn met de opbrengst van de Energiebelasting (circa 50% burgers en 50% bedrijven) en evenredig verdeeld over gas en elektriciteit. De totale uitgaven voor MEP/SDE en SDE+ bedragen in 2015 en verdere jaren maximaal 1,4 mld. In 2014 vindt een evaluatie plaats van de kosten en baten van het beleid mede in de context van het Europese beleid. Bij de evaluatie komen in ieder geval de actuele kostenraming, de mogelijke import en de optie van een verplicht aandeel duurzaam aan de orde.

LASTEN

 

Lasten

2011

2012

2013

2014

2015

struc

  

0,38

0,77

1,47

2,22

1,34

2,21

1

Podiumkunsten, kunst en verzamelvoorwerpen naar 19%

0,09

0,09

0,09

0,09

0,09

0,09

2

Afschaffen heffingskortingen box 3

0,12

0,12

0,12

0,12

0,12

0,12

3

Doorwerkbonus één jaar opschuiven

 

0,13

0,13

0,13

0,13

0,13

4

Aftrek levensonderhoud kinderen beperken tot 21 jaar

 

0,13

0,13

0,13

0,13

0,13

5

Giftenaftrek beperken tot ANBI’s met renseigneringsplicht

0,00

0,00

0,04

0,04

0,04

0,04

6

Leeftijdsgrens jongste kind naar 12 jaar bij alleenstaande (aanvullende) ouderkorting

 

0,25

0,25

0,25

0,25

0,25

7

Assurantiebelasting: gezinnen

0,19

0,19

0,19

0,19

0,19

0,19

8

Witteveen aanpassen (taakstellend)

  

0,70

0,70

0,70

0,70

9

Schrappen uitzonderingen OAHK (cohorten 63–72 en gezinnen met jonge kinderen)

 

0,15

0,20

0,25

0,31

0,40

10

Assurantiebelasting: bedrijven

0,06

0,06

0,06

0,06

0,06

0,06

11

Terugsluis bedrijven

– 0,06

– 0,06

– 0,06

– 0,06

– 0,06

– 0,06

12

Lastenverlichting bedrijfsleven (i.p.v. subsidies EZ)

 

– 0,12

– 0,25

– 0,37

– 0,50

– 0,50

13

SDE-plusheffing

  

0,10

0,20

0,30

1,40

14

Doorstroming huurmarkt

0,00

0,00

0,00

0,76

0,76

0,76

15

Vitaliteitsregeling

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

16

Effect ombuigingen cure

– 0,02

– 0,17

– 0,23

– 0,27

– 1,18

– 1,50

        

17

Doorwerking terugdraaien eigen risico cure op zvw-premie

0,00

0,61

0,58

2,52

3,61

3,61

  • 1. Podiumkunsten (niet circussen en bioscopen) en kunst en verzamelvoorwerpen worden onder het hoge tarief gebracht.

  • 2. In box 3 worden de diverse vrijstellingen (van de 1,2% rendementsheffing) behouden. De extra heffingskortingen die 1,3% van deze vrijstelling bedragen komen te vervallen, het gaat hierbij om: heffingskortingen voor groen beleggen, sociaal-ethisch beleggen, cultureel beleggen en beleggingen in durfkapitaal. Tevens vervalt de Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal en de (nog niet ingevoerde) tijdelijke vrijstelling etc. (2011–2015) i.v.m. het Alternext amendement.

  • 3. De ingangsleeftijd van de doorwerkbonus wordt 1 jaar later. Deze doorwerkbonus geldt voor oudere werknemers met een inkomen vanaf € 9 041, loopt geleidelijk op en is leeftijdsafhankelijk. Een werknemer die in belastingjaar 62 wordt krijgt momenteel € 2 340 per jaar, deze categorie schuift een jaar op.

  • 4. De aftrek voor levensonderhoud kinderen wordt beperkt van kinderen tot 30 jaar naar kinderen tot 21 jaar. Deze bedraagt momenteel een vast bedrag afhankelijk van de leeftijd en de mate van onderhoud.

  • 5. De giftenaftrek wordt beperkt tot giften aan Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI’s) en er komt een renseigneringsplicht voor de instelling die de gift heeft ontvangen. Er komt een Geefwet in de wet IB2001 en de successiewet om de geeffaciliteiten te stroomlijnen.

  • 6. Bij de alleenstaande (aanvullende) ouderkorting wordt de leeftijdsgrens voor het jongste kind naar 12 jaar verlaagd. Deze bedraagt momenteel voor de alleenstaande ouderkorting 27 jaar en voor de aanvullende alleenstaande ouderkorting 16 jaar.

  • 7. De assurantiebelasting wordt met 2% verhoogd, hiervan slaat 75% neer bij burgers en 25% bij bedrijven (zie ook 10).

  • 8. Te beginnen in 2013 wordt het Witteveenkader aangepast. Daardoor kunnen vanaf dat moment minder pensioenaanspraken met fiscale faciliëring worden opgebouwd. De richtleeftijd wordt verhoogd naar 66 jaar en de maximale jaarlijkse opbouwpercentages worden aangepast. De structurele opbrengst van deze aanpassing bedraagt 0,7 mld.

  • 9. Op dit moment is voor kostwinnergezinnen met jonge kinderen (t/m 5 jaar) en gezinnen met een niet-werkende partner die is geboren voor 1/1/1972 de volledige algemene heffingskorting overdraagbaar. Dit wordt in 13 jaar versoberd: de uitzondering voor gezinnen met jonge kinderen komt geheel te vervallen. De leeftijdsgrens voor niet-werkende partners schuift op naar 1/1/1963.

  • 10. Zie 7.

  • 11. Via Vpb en Wbso wordt de lastenverzwaring als gevolg van 10 voor bedrijven teruggesluisd.

  • 12. Ter compensatie van lagere subsidies aan de uitgavenkant worden de lasten voor bedrijven met 0,5 mld via de Vpb en Wbso verlaagd.

  • 13. Het kabinet verbetert de SDE tot een meer efficiënte «SDE+», voor een deel gefinancierd uit een opslag op de energierekening5 (elektriciteit en gas) en mogelijk voor een deel uit een kolen- en gasbelasting voor grote stroomproducenten (rekening houdend met het internationale speelveld en EU wetgeving). De verdeling van de opslag over burgers en bedrijven is in lijn met de opbrengst van de Energiebelasting (circa 50% burgers en 50% bedrijven) en evenredig verdeeld over gas en elektriciteit.

  • 14. Voor huurders van gereguleerde woningen met een huishoudinkomen tot 43 000 zal de maximale jaarlijkse huurstijging gelijk aan de inflatie zijn. De doorstroming op de huurmarkt wordt bevorderd door voor huurders van een gereguleerde woning, met een huishoudinkomen van meer dan 43 000 euro, jaarlijks een maximale huurstijging van inflatie+5% toe te staan. Dit gaat in per 1 juli 2011. Het aantal WWS-punten wordt in regio's met schaarste verhoogd met maximaal 25-punten, afhankelijk van de WOZ-waarde. Verhuurders, die meer dan 10 woningen verhuren, zullen bijdragen aan de huurtoeslag middels een jaarlijkse heffing met een opbrengst van 0,76 mld in 2015. Huurders van woningcorporaties krijgen het recht om hun woning tegen een redelijke prijs te kopen.

  • 15. De spaarloon- en levensloopregeling worden budgetneutraal geïntegreerd in een nieuwe vitaliteitsregeling.

  • 16. De ombuigingen in de cure leiden tot een lagere zvw-premie.

  • 17. Het terugdraaien van de verhoging van het eigen risico uit het basispad MLT impliceert een hogere nominale zvw-premie.


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

XNoot
2

Bron: SEO Economisch Onderzoek, Winst in de eigendomsstructuur; Eigendom, winstbestemming en zeggenschap binnen ziekenhuizen, Amsterdam, februari 2010.

XNoot
3

De personele en materiele uitgaven van baten-lastendiensten en ZBO's zijn volledig toegerekend aan het moederdepartement. De taakstelling dient door het moederdepartement evenredig te worden doorbelast aan derde-departementen die bijdragen.

XNoot
4

Een afzonderlijke duidelijk zichtbare heffing naast de energiebelasting die geheven wordt overeenkomstig de energiebelasting (vgl systematiek zoals uiteengezet in punt 2 van de brief minister van EZ dd. 26 november 2009, Kamerstukken II 2009/10, 31 239, nr. 77)

XNoot
5

Een afzonderlijke duidelijk zichtbare heffing naast de energiebelasting die geheven wordt overeenkomstig de energiebelasting (vgl systematiek zoals uiteengezet in punt 2 van de brief minister van EZ dd. 26 november 2009, Kamerstukken II 2009/10, 31 239, nr. 77).

XNoot
6

Zie ook de passage over dierenwelzijn in het regeerakkoord.