29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

Nr. 475 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 13 december 2018

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 8 november 2018 overleg gevoerd met de heer Dekker, Minister voor Rechtsbescherming, en de heer Grapperhaus, Minister van Justitie en Veiligheid, over:

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 1 mei 2018 inzake internationaal vergelijkend onderzoek naar toezeggingen aan getuigen in strafzaken (Kamerstuk 29 911, nr. 198);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 19 juni 2018 inzake rapport «Evaluatie Wet OM-afdoening» (Kamerstuk 29 279, nr. 440);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 19 juni 2018 inzake wettelijke strafverzwaring bij discriminatie (Kamerstukken 29 279 en 30950, nr. 442);

  • de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 20 juni 2018 inzake reactie op het verzoek van het lid Van Toorenburg, gedaan tijdens de regeling van werkzaamheden van 29 mei 2018, over het bericht «Volkert van der Graaf wint kort geding: meldplicht vervalt» (Kamerstuk 29 279, nr. 444);

  • de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 20 juni 2018 inzake eindrapport beleidsdoorlichting tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties en maatregelen en recidiverapport (Kamerstuk 33 199, nr. 25);

  • de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 28 juni 2018 inzake evaluatie van de Wet voorwaardelijke sancties en de Wet rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregelen (Kamerstuk 34 981, nr. 1);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 29 juni 2018 inzake ambitie, prioriteiten en doelstellingen strafrechtketen (Kamerstuk 29 279, nr. 449);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 29 juni 2018 inzake kwantitatieve prestaties strafrechtketen (Kamerstuk 29 279, nr. 447);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 11 juli 2018 inzake zorgvuldige en maatschappelijk effectieve strafrechtelijke interventies (Kamerstuk 31 753, nr. 153);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 13 juli 2018 inzake verslag audit CIOT naar de goede uitvoering van het besluit verstrekking gegevens telecommunicatie over 2016 (Kamerstuk 34 775 VI, nr. 116);

  • de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 7 september 2018 inzake beleidsreactie op het onderzoeksrapport «Evaluatie Wet Beperking Oplegging Taakstraffen» (Kamerstuk 29 279, nr. 456);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 8 oktober 2018 inzake vierde voortgangsrapportage modernisering Wetboek van Strafvordering (Kamerstuk 29 279, nr. 459);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 9 oktober 2018 inzake reactie op het advies van het Bureau ICT-toetsing (BIT) over de vernieuwing van het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) (Kamerstuk 26 643, nr. 571);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 15 oktober 2018 inzake Criminaliteit en Rechtshandhaving 2017 (Kamerstuk 33 173, nr. 12);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 1 november 2018 inzake beantwoording vragen commissie over pakkans en ophelderingspercentage (Kamerstuk 33 173, nr. 13).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Van Meenen

De griffier van de commissie, Hessing-Puts

Voorzitter: Van Meenen

Griffier: Hessing-Puts

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Buitenweg, Van Dam, Groothuizen, Krol, Markuszower, Van Meenen, Van Nispen en Van Oosten,

en de heer Dekker, Minister voor Rechtsbescherming, en de heer Grapperhaus, Minister van Justitie en Veiligheid.

Aanvang 15.05 uur.

De voorzitter:

We zijn nog even in afwachting van de Minister van Justitie en Veiligheid, voor degenen die zich afvragen waar ze naar kijken. Naar een wachtend gezelschap dus.

Ik heet de bewindspersonen van harte welkom, en in het bijzonder de Minister van Justitie en Veiligheid. Degenen die het algemeen overleg van vanochtend gevolgd hebben, weten al dat hij vandaag jarig is. Daar is al voor hem gezongen. Als hij eerder was geweest, hadden we dat hier misschien nog een keer gedaan. Misschien als we aan het eind tijd overhouden. Maar laat u dat niet weerhouden van een stevig debat met elkaar. Het debat duurt tot 18.00 uur, dus dat betekent dat we krap tijd hebben. Dat zeg ik tegen de leden. Ik wil, zowel gezien de veelheid van onderwerpen als het feit dat er twee bewindspersonen zijn, de gelegenheid geven tot drie interrupties. Maar dan moeten ze echt heel kort zijn. Dus niet «en dan citeer ik nu nog even de eerste drie pagina's van mijn verkiezingsprogramma» of zoiets dergelijks, of «ik zal het u nog allemaal eens even in een brede context schetsen». Nee: kort. Maar dat zeg ik ook tegen de bewindspersonen. Ook antwoorden moeten puntig zijn, kort. Ik zal u daar ook scherp op houden.

U heeft vier minuten spreektijd. De spelregels zijn vastgesteld. Ik geef als eerste het woord aan de heer Van Nispen van de SP.

De heer Van Nispen (SP):

De recidive bestrijden is slachtoffers voorkomen. Dat is dus van groot belang. Eerst daalde de recidive. Volgens de Minister komt dat door het beleid, maar volgens onafhankelijke experts is daarvoor geen bewijs. Inmiddels is de herhalingscriminaliteit weer aan het stijgen. Dat is ontzettend zorgelijk, vooral nu we niet duidelijk weten hoe dat komt. En belangrijker: of het beleid van de Minister wel heeft geholpen en in de toekomst gaat helpen om recidive weer terug te dringen. Hoe beoordeelt de Minister voor Rechtsbescherming dit? Zijn we nog steeds op de goede weg om recidive terug te dringen? Een belangrijke rol bij het terugdringen van recidive is weggelegd voor de reclassering. En om het nog preciezer te zeggen: de samenwerking tussen reclassering, DJI – Dienst Justitiële Inrichtingen – en de gemeenten. Wanneer komt de reclassering terug in álle gevangenissen? Hoe staat het daarmee? Dat zou geregeld gaan worden. Kan de Minister aangeven per wanneer?

Dan over de strafrechtketen. De ambities op papier zijn goed, maar kan de Minister concreter worden over de maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de doorlooptijden in de strafrechtketen korter worden? Oftewel, dat er geen plankzaken meer ontstaan? Ik lees te weinig terug over capaciteit, terwijl dat hier toch alles mee te maken heeft. Komt er meer capaciteit bij de politie? Dan moet er ook bij het OM en bij de rechtspraak meer capaciteit volgen om verstopping te voorkomen. Hoeveel geld komt er concreet bij voor bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie? Is dat inmiddels duidelijk? Volgens de cijfers daalt de geregistreerde criminaliteit, maar bijvoorbeeld ondermijnende criminaliteit komt maar heel beperkt terug in de cijfers. Soms omdat het ontbreekt aan rechtstreekse slachtoffers. Denk bijvoorbeeld aan drugshandel. En de aangiftebereidheid is laag. Niet alleen van bijvoorbeeld cybercriminaliteit, een sterk groeiende tak van sport.

Ik begrijp het dat mensen vaak niet meer bereid zijn om aangifte te doen. Zo kreeg ik laatst een mail van een meneer die mij schrijft: «Van mijn dienstvoertuig is een achterwiel gestolen. Daar moest ik van mijn werkgever aangifte van doen, dus dan doe ik dat braaf. Eerst werd gezegd: dat kan online. Dat bleek niet juist, dus ik moest een afspraak maken om een week later aangifte op een bureau op te laten nemen. Het proces-verbaal is opgesteld en ondertekend, en ik ga weer richting huis. Dan open ik mijn mail en zie ik een bevestiging van het proces-verbaal. Keurig. Maar nog binnen 30 seconden ontvang ik nog een mail met de boodschap dat er geen onderzoek zal volgen en dat het proces-verbaal verder niet behandeld zal worden.» Dit is toch eigenlijk heel erg? Dit is toch om moedeloos van te worden? Is ons systeem nou werkelijk zo overbelast? Welk signaal geven we aan dieven die autowielen stelen? Gaat u daarmee maar rustig door, want we doen er toch niets aan? Hoe moet je van slachtoffers blijven vragen om aangifte te doen als zij er niet op kunnen vertrouwen dat er werk van wordt gemaakt? Waar is de overheid als je die nodig hebt? We geven nu gewoon niet thuis. Dat is kennelijk de boodschap van deze Minister. Wat gaan we hieraan doen? Wanneer erkent de Minister dat de staat van de strafrechtketen niet al te best is, dat het heel zorgelijk is en dat er nog veel, heel erg veel moet gebeuren?

Over de OM-afdoening valt heel veel te zeggen. Ik ben er heel erg bezorgd over. Deugt het bewijs wel? Zijn mensen die door het OM veroordeeld worden wel goed geïnformeerd, et cetera? We gaan hier op een later moment uitgebreider over doorpraten, maar welke verbeteringen voert de Minister nu al door, op basis van de kritiek die nu al bekend is? En wanneer krijgen we precies de beleidsreactie van de Minister op de evaluatie van de Wet OM-afdoening?

Ook over de rechtsbijstand bij het politieverhoor en de rechtsbijstand bij ZSM valt veel te zeggen, maar de kern is volgens mij dat de rechtsbescherming van verdachten onvoldoende op waarde wordt geschat. De advocatuur moet zeuren en jarenlang overleggen over een fatsoenlijke beloning, die er nu nog steeds niet is. Dat is toch niet aanvaardbaar? Wat biedt het voor basis voor nader onderzoek en nieuw overleg als de boodschap vooral is dat er sowieso geen cent bij komt? Vindt de Minister het dan vreemd dat de advocatuur tegenwoordig weinig vertrouwen heeft in het ministerie? Dat vertrouwen wordt niet groter door het bericht dat mogelijk duizenden telefoongesprekken tussen gedetineerden en advocaten zijn opgenomen, en misschien ook wel uitgeluisterd.

De voorzitter:

Wilt u afronden?

De heer Van Nispen (SP):

Ga ik doen.

Er is jaren gestreden voor de maatregel van nummerherkenning. Eindelijk belooft het ministerie dit en nu blijkt er een gigadatalek. Hoe is dit mogelijk? Hoe kan het dat niet het ministerie of DJI maar de advocatuur hierachter komt? Wanneer horen we meer over het onafhankelijke onderzoek? Wie gaat dit doen, bijvoorbeeld? Kan de Minister uitsluiten dat er sprake is van kwade opzet?

De voorzitter:

Ik dank u zeer. Het woord is aan de heer Groothuizen van D66.

De heer Groothuizen (D66):

Dank u wel, voorzitter. Vandaag inderdaad een groot aantal brieven. Ik beperk mij tot een aantal thema's, waarmee ik uiteraard niets zeg over de relevantie van de andere thema's.

Voorzitter. Als eerste goed nieuws. Het gaat eigenlijk best goed met de bestrijding van de criminaliteit. De publicatie «Criminaliteit en rechtshandhaving» bevat veel goed nieuws. De geregistreerde criminaliteit daalt en ook het slachtofferschap dat mensen rapporteren, neemt af. Dat is waarschijnlijk te wijten aan het toenemende gebruik van sociale media en de ouder wordende bevolking, en niet onbelangrijk: investering en preventie. Daarmee is uiteraard niet gezegd dat het al goud is wat er blinkt. Zeker op het gebied van cybercriminaliteit en georganiseerde criminaliteit is er nog heel veel werk te doen. We hebben gewoon nog niet heel goed zicht op de aard en omvang van dat soort criminaliteiten. De impact van georganiseerde criminaliteit is groot. Daar worden we ons steeds bewuster van. Het is daarom belangrijk dat we blijven investeren in de strafrechtketen, zodat de politie meer feiten kan opsporen, het OM meer zaken beter en sneller kan vervolgen, en de rechtbanken die zaken zorgvuldig maar ook voortvarend kunnen berechten. Vooral het ophelderingspercentage baart mij daarbij zorgen. Dat schommelt al jaren rond de 25%, maar bij sommige soorten zaken, zeker vermogensfeiten, zoals woninginbraken maar ook vernieling, is het veel en veel lager. Hoe gaat het kabinet dat concreet aanpakken? Hoe gaan we ervoor zorgen dat we een beter ophelderingspercentage krijgen?

Voorzitter. Ik heb al diverse malen met de Minister van Justitie van gedachten gewisseld over de definitie van het ophelderingspercentage. Nog afgezien van het feit dat het niet heel hoog is, zit er namelijk ook niet in verdisconteerd wat het Openbaar Ministerie en de rechtbank met een aangehouden verdachte doen. De Minister heeft – en dat kost hem nogal wat discussie – die vraag uiteindelijk neergelegd bij het Bestuurlijk Ketenberaad. En hoera, deze maand kunnen we wat gaan verwachten, lees ik in de brief. Ik ben dus zeer benieuwd. Ik ben benieuwd of de Minister misschien al een inzicht kan geven in wat er in die brief staat. Hoe gaan we meer zicht krijgen op de daadwerkelijke prestaties van de hele keten? Graag een reactie van de Minister van Justitie.

Voorzitter. Het is maar een detail, maar in diezelfde brief lees ik dat de Minister streeft naar een ophelderingspercentage bij overvallen in 2018 van 50,8%. Als D66'er ben ik natuurlijk heel erg dol op nuance achter de komma, maar ik vroeg me toch af of dit niet een gebrek aan ambitie is, als je weet dat de realisatie in 2017 50,0% is. Misschien kan de Minister wat inzicht bieden in of zijn ambitie niet hoger is dan 0,8%, of dat hier sprake is van een schrijffout.

Voorzitter. Dan de executie. Ik vind het problematisch dat er een groep veroordeelden blijft die de dans regelmatig ontspringt. Dat is niet goed voor het vertrouwen in ons rechtssysteem. Als een rechter zegt dat iemand moet zitten, dan moet die ook gewoon zitten. Zeker als het gaat om zware feiten. In opsporingsprogramma's zoals Opsporing Verzocht en op sociale media wordt voor zover ik kan nagaan betrekkelijk weinig aandacht besteed aan de opsporing van veroordeelden. Ik vraag me af waarom dat zo is. Ik wil graag van de Minister weten hoe we dit soort middelen gebruiken voor de opsporing van mensen die vooral voor ernstige feiten zijn veroordeeld. Kunnen we dat niet vaker gaan doen? Is de Minister bereid om te kijken wat de mogelijkheden zijn, zodat we meer van dit soort mensen achter de tralies krijgen? Ik denk namelijk dat we op dit moment kansen daarop laten liggen.

Voorzitter. Tot slot. In de brief over de ambities in de strafrechtketen staan veel goede dingen. Een van die ambities gaat over het gebruik van multimedia en de waarheidsvinding. De laatste weken was er best wel wat nieuws over het thema «herziening van strafzaken». Een van de punten die daarbij aan de orde kwam – een probleem dat advocaten melden – is dat het bij een herziening regelmatig voorkomt dat niet alle bandopnames van verhoren terug te vinden zijn. Er lijkt soms slordig te worden gearchiveerd, maar volgens mij helpt ook de regelgeving niet. Opnames kunnen worden vernietigd, begrijp ik uit de aanwijzing, nadat een zaak onherroepelijk is. Maar je kunt vele jaren later nog steeds een herziening aanvragen. Ik neem aan dat de Minister het met mij eens is dat het niet wenselijk is dat bij een eventuele herziening materiaal ontbreekt. Is hij dan ook bereid om dit probleem eens tegen het licht te houden en zo nodig met aanvullende maatregelen te komen?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Buitenweg van GroenLinks.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dank u wel, meneer de voorzitter. Het is handig om iets verderop in de rij te zitten, want ik kan mij kortheidshalve aansluiten bij de opmerkingen die de twee collega's voor mij hebben gemaakt.

Laat ik zelf beginnen met een ander punt: de hatecrimes; de aanpak van geweld met een discriminatoir motief. Ik dank de Minister voor zijn brief naar aanleiding van de vragen van de heer Segers en mijzelf. Ik ben heel tevreden dat er een rechtsvergelijkend onderzoek zal worden uitgevoerd. Ik heb toch nog wel een paar vragen. Zoals de Minister misschien weet, neigen de heer Segers en ik ernaar om een initiatiefwetsvoorstel in te dienen om hatecrimes zwaarder te bestraffen. Daartegenover wordt weleens ingebracht dat rechters het discriminatoir motief nu al meewegen. Maar wat ons opvalt, is dat als dit gebeurt, het vaak niet expliciet wordt gedaan. Dat lees ik dus ook in de brief. Misschien leidt het dan wel tot een paar maanden hogere straf, maar als niemand weet dát er sprake is van een hogere straf en waardoor dit komt, dan is dat niet echt normbevestigend. Is de Minister dit met mij eens? Ik zou ook graag uitleg van de Minister willen van het feit dat een discriminatoir motief niet altijd wordt betrokken, omdat – zo staat er – «officieren van justitie de straf niet te veel willen laten oplopen». Maar moeten niet gewoon alle omstandigheden van de zaak worden meegewogen door de rechter? Ik zou willen dat onderzocht wordt hoe in de afgelopen jaren het discriminatoir motief is meegewogen in de strafeis en het uiteindelijke vonnis. Het feit dat er geen registratie van dit soort strafzaken is geweest, is geen argument om er geen onderzoek naar te laten doen. Graag een reactie.

Het tweede punt dat ik wil maken, staat niet op de agenda, maar is de afgelopen dagen wel veel besproken, en dat is het strafbaar stellen van het filmen van ongelukken en slachtoffers, en het delen daarvan op sociaal media. Het kwam in onze fractie aan de orde toen de ouders van mijn justitiemedewerker zelf een reanimatie zagen die door anderen werd gefilmd, en dat ze dat ontzettend pijnlijk vonden. Het gaat om mensen die in een hulpeloze toestand zitten en waarvan zo de menselijke waardigheid wordt aangetast. Iemand ligt daar op de grond en verwordt meer tot een object, en niet als een persoon die je moet helpen of waartoe je je menselijk moet verhouden. Die menselijke waardigheid moeten we als overheid beschermen. Ik begreep gisteren dat het CDA met een initiatiefwetsvoorstel wil komen. Ik heb zo langzamerhand het idee dat er meer wetsvoorstellen van fracties komen dan van de Minister. Maar goed, mij gaat het om de inhoud. Misschien kunnen we hierop als fracties samenwerken, maar voor nu zou ik toch graag van de Minister een inhoudelijke reactie willen of hij een wetsvoorstel, zoals al in Duitsland bestaat, ziet zitten.

De heer Van Oosten (VVD):

Ik zou mevrouw Buitenweg de vraag willen stellen of ze het met me eens is dat het eigenlijk bij het meest treurige af is dat je überhaupt over zo'n wet moet willen nadenken. Dat er blijkbaar mensen zijn die het normaal vinden om mensen die hulp geboden wordt, te gaan filmen en dat op sociaal media te zetten. Is mevrouw Buitenweg in het bijzonder het met mij eens dat het zonde van de politiecapaciteit is om achter figuren aan te moeten zitten die zich hieraan blootstellen? Ik zou veel liever hebben dat die agenten hulp verlenen, ondersteuning verlenen aan de slachtoffers.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik ben het er zeker mee eens dat het niet ten koste moet gaan van de hulp aan slachtoffers. Het kan niet zo zijn dat een politieagent ter plaatse moet gaan nadenken of hij gaat helpen met reanimeren of iemand een boete gaat geven. Nee, het is natuurlijk helder dat het belang van het slachtoffer vooropstaat. Achteraf valt er natuurlijk wel nog het nodige te doen, ook via social media, om te kijken wie er heeft staan filmen. Ik ben het heel erg met de heer Van Oosten eens dat het niet iets is waartoe we hadden moeten komen. Het is heel bizar dat het mensen in hun hoofd opkomt om eerst te gaan filmen, terwijl je weet dat er mensen in nood zitten. We hebben in de afgelopen dagen zelfs gehoord van situaties waarbij op een gegeven moment filmpjes en foto's geplaatst werden, waardoor familieleden nog eerder via social media zagen wat er met hun geliefde gebeurd was dan dat zij een telefoontje van de politie kregen. Dat is gewoon niet aanvaardbaar. Daarom wil ik kijken of dit een oplossing biedt. Ik weet dat we dat in Duitsland als voorbeeld hebben. Ik wil aan de Minister vragen om te kijken of hij daar ook een mogelijkheid toe ziet in Nederland.

De voorzitter:

De heer Van Oosten? Nee? Gaat u verder.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dan de OM-afdoening. Daar zitten veel voordelen aan, zeker voor de zittingscapaciteit, maar de evaluatie van de Wet OM-afdoening bevestigt wel dat er ook een zorgelijke kant aan zit. Zo legt de strafrechter na verzet tegen de OM-beschikking vaak een lichtere straf op dan het OM. Dat is in 38% van de gevallen. Ik zou de Minister willen vragen om met het OM in overleg te gaan hoe de strafoplegging beter kan worden afgestemd. Want als zij hogere straffen opleggen dan de strafrechter, is dat niet alleen erg oneerlijk, maar leidt het ook tot een perverse prikkel om maar in verzet te gaan tegen de strafbeschikking. Persoonlijk zou ik mijn kind altijd adviseren om in verzet te gaan. Ik denk dat de Minister, niet alleen als bewindspersoon maar ook als vader, dat ook zou doen. Graag een reactie daarop.

Klopt het dat relatief veel strafbeschikkingen naar jongeren gaan? Kan de Minister aangeven of het aantal jongeren met een strafblad – afgezet tegen het aantal gepleegde misdaden en overtredingen – in de afgelopen jaren is toegenomen?

Ten slotte. Heel mooi dat de recidive is teruggedrongen, maar zoals collega Van Nispen ook zei, het is niet helemaal duidelijk waar dat aan te danken is en welk overheidsbeleid het meest effectief was. Ik vraag me af of het mogelijk is te differentiëren naar verschillende aanpak, want ik kan me zo voorstellen – dat is dan mijn idee – dat de kans op recidive na een verblijf in een grootschalige gevangenis groter is dan na een verblijf in een kleinschalige voorziening. Maar dat weet ik helemaal niet zeker. De Minister weet dat volgens mij ook niet. Ik vraag me af of het toch mogelijk is om gedifferentieerder aan de slag te gaan, zodat we beter weten wat werkt en wat niet, en ons daarop kunnen focussen.

Hartelijk dank.

De voorzitter:

Ik dank u zeer. Dan is het woord aan de heer Markuszower van de PVV.

De heer Markuszower (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Om gelijk maar met mijn eerste vraag te beginnen: we hebben in Nederland de Minister voor Rechtsbescherming, maar welke belangen dient deze Minister eigenlijk? Dat zouden natuurlijk de belangen van Nederland moeten zijn. Dat zouden natuurlijk de belangen van slachtoffers en nabestaanden van misdrijven moeten zijn. Maar ik zie een Minister die vooral de belangen buiten Nederland dient, die daders accommodeert en slachtoffers schoffeert en links laat liggen. Want in Nederland sluit de Minister vier gevangenissen en op Bonaire opent hij een gevangenis. Deze Minister trakteert Volkert van der Graaf op thee en koffie en onderhandelt met hem alsof het een gelijkwaardige partner is.

Deze week nog gunde deze Minister verlof aan twee extreem gevaarlijke en gestoorde verkrachters en moordenaars. Dat is de zoveelste keer dat de Minister toestemming geeft voor dit soort verloven. En voor de zoveelste keer moesten wij dit vanuit de media vernemen, want zelf zwijgt de Minister erover. Beide gevallen hadden eigenlijk nog moeten vastzitten in de gevangenis, maar het perverse Nederlandse systeem stuurt deze moordmachines na een korte straf naar een tbs-kliniek. Tbs is eigenlijk gewoon een systeem van verloven. Eenmaal in de kliniek mag je, als het aan de adviescommissie tbs ligt, al snel op verlof. Ook op onbegeleid verlof. Over de twee moordenaars die deze week op verlof mochten, zeiden zelfs rechters vorig jaar: «Niet doen. Niet op verlof sturen. Ze tonen geen berouw. Ze hebben niet meegewerkt aan de behandeling. Ze waren, zijn en blijven levensgevaarlijk.» Dat zeiden vorig jaar zelfs de rechters. Maar enkele maanden later mochten ze van die gekke adviescommissie dan toch op verlof. Die commissieleden zijn vaak zelf knettergek en incompetent. Daarom hebben we in de wet vastgelegd...

De voorzitter:

Ogenblikje, meneer Markuszower. Ik ga maar vast bezwaar maken tegen wat u nu aan het doen bent. U kunt hier allerlei dingen in de richting van de bewindspersonen zeggen. Die zijn hier aanwezig. Die zullen daar zo ongetwijfeld op reageren, maar het is niet de gewoonte hier – en dat wil ik er graag inhouden – dat we hier ambtenaren in het voetlicht zetten en beledigen, dus ik zou u willen vragen om daar nu mee te stoppen. Kan ik erop rekenen dat u dat gaan doen?

De heer Markuszower (PVV):

Wat een belediging is of niet, dat is natuurlijk altijd aan de ontvanger.

De voorzitter:

In mijn ogen bent u de grens al over, dus ik zou u willen vragen om daarmee te stoppen. Gaat u verder.

De heer Markuszower (PVV):

Gelukkig zit hier wel een Minister die die ambtenaren kan verdedigen, dus dat scheelt.

De voorzitter:

Zo is dat, en zo is het ook geregeld in ons bestel.

De heer Markuszower (PVV):

Omdat die adviescommissie niet altijd doet wat ik zou willen – mag ik het dan zo formuleren – hebben we in de wet vastgelegd dat de Minister uiteindelijk beslist wie wel en wie niet op verlof mag. En hier gaat het dus mis. Hier zit het probleem met deze Minister. Hij reduceert zichzelf tot een stempelmachine van – sorry, ik zeg het toch weer – een incompetente commissie. Hij stuurt levensgevaarlijke...

De voorzitter:

Dat zegt u nou voor de tweede keer.

De heer Markuszower (PVV):

Dit ging over de commissie, niet over de commissieleden.

De voorzitter:

Wilt u dat terugnemen? U kunt zeggen dat de Minister incompetent is en dat die een verkeerde... Maar dit moet u echt even terugnemen. Nu. En anders ontneem ik u het woord. Ik heb u nu één keer gewaarschuwd, dus wilt u dat even terugnemen of het in ieder geval anders formuleren?

De heer Markuszower (PVV):

Terugnemen is altijd lastig. Wat ik kan zeggen, is dat de Minister zich reduceert tot een stempelmachine van een commissie die anders zou moeten beslissen. En het woord dat ik net heb gezegd, kan ik niet terugnemen, want de waarheid moet je altijd kunnen zeggen.

De Minister stuurt levensgevaarlijke moordmachines de straat op. Moordenaars en verkrachters van kinderen. Moordenaars en verkrachters waarvan zelfs rechters vorig jaar zeiden: doe het nou niet. Als wij als Kamer de Minister over dit soort gevallen bevragen, stuurt hij ons arrogant het bos in met de smoes dat hij niks over individuele gevallen kan zeggen. Onwaar en onjuist. De Minister heeft de laatste beslissingsbevoegdheid over het wel of niet toekennen van verlof. Niet als een soort discretionaire bevoegdheid. Nee, het is zijn wettelijke taak. En daardoor, als gevolg van dat artikel 6 in de Verlofregeling TBS, moet deze Kamer ook dit aspect van het werk van de Minister controleren.

De voorzitter:

Een interruptie van de heer Van Oosten.

De heer Van Oosten (VVD):

Mag ik de heer Markuszower de vraag stellen hoe hij het risico taxeert dat, indien je het systeem van verloven in het kader van tbs in het geheel zou afschaffen – wat de heer Markuszower volgens mij voor ogen heeft; het liefst schaft de heer Markuszower überhaupt tbs af – rechters tot de afweging zouden kunnen komen, los van wat wij er persoonlijk van vinden: «dan vind ik het opleggen van een maatregel als tbs dusdanig inhumaan dat ik er maar niet toe overga»? Weet u wat ik dan écht op ons af zie komen? Dat we in de situatie komen dat er mensen op enig moment op vrije voeten komen die levensgevaarlijk zijn, waarvan we dat van meet af aan hebben zien kunnen ontstaan, en die we niet hebben behandeld. Wil de heer Markuszower daar eens op reageren?

De heer Markuszower (PVV):

We hebben wel vaker argumenten gewisseld. In mijn ideale wereld zouden extreem levensgevaarlijke moordenaars en verkrachters levenslang opgelegd krijgen, waardoor ze niet in een tbs-systeem komen van verloven. Dat zou míjn geprefereerde oplossing zijn. In dit debat begrijp ik dat tbs nog bestaat, begrijp ik dat er een adviescommissie is en begrijp ik dat die verloven toekent. Maar wat ik dan niet begrijp in dit debat: rechters hebben over de meest extreem gevaarlijke moordenaars en verkrachters al gezegd dat ze naar de tbs moeten. Ik had liever gezegd dat ze levenslang de gevangenis in moeten, maar dat hebben ze niet gezegd. Maar diezelfde rechters – of andere rechters, maar in ieder geval rechters – hebben over diezelfde criminelen gezegd dat ze echt nog niet op verlof mogen, omdat zij echt levensgevaarlijk zijn. Nogmaals, ik wil een ander systeem, maar dan begrijp ik niet in het huidige systeem dat we een Minister hebben die enkele maanden nadat zo'n rechter zegt «doe dat nou niet, geef geen verlof aan deze extreem gevaarlijke mensen»... Dat zijn rechters die net als u vinden dat tbs wel een goed systeem is. Dat zijn enkele gevallen per jaar. Het gaat niet om álle verloven. Daar heb ik het niet eens over. Dat is een vorige motie van me, dat ik dat wil opschorten.

De voorzitter:

Wilt u afronden?

De heer Markuszower (PVV):

Ik heb het nu alleen over die extreem gevaarlijke moordenaars, extreem gevaarlijke verkrachters, waarvan zelfs rechters enkele maanden geleden eigenlijk impliciet aan de Minister hebben gezegd: doe dat nou niet; stuur deze mensen niet op verlof.

De voorzitter:

Meneer Markuszower, u herhaalt zichzelf een beetje. We stoppen nu even met het antwoord. Probeert u het ook beknopt te houden, net als de vragensteller. Meneer Van Oosten nog een keer.

De heer Van Oosten (VVD):

Prima dat de heer Markuszower specifiek over deze situatie vragen bij de Minister neerlegt. Dat snap ik ook. Ik heb gisteren, ook langs de weg van de pers, de zorgen van mijn kant laten weten. Maar dan vind ik het ook wel relevant om vast te stellen dat de heer Markuszower, anders dan op andere momenten, wel onderscheid maakt in de situaties die zich kunnen voordoen. Eigenlijk hoor ik hem zeggen: ik kan mij inderdaad wel inbeelden dat in het kader van behandeling iets van verlof bedacht kan worden, omdat je iemand moet kunnen behandelen en we dat tbs-stelsel als zodanig nodig hebben om ons land te beschermen. En daar hoort dat onvermijdelijkerwijs ook bij.

De voorzitter:

Meneer Markuszower. U hoeft er niet op te reageren. Ik heb geen vraag gehoord. U kunt ook uw betoog voortzetten.

De heer Markuszower (PVV):

Er zit een soort veronderstelling in. Ik blijf bij mijn standpunt, bij het standpunt van onze fractie, dat het beter is om die hele tbs af te schaffen en dit soort gevaarlijke moordenaars en verkrachters levenslang te geven.

De heer Markuszower (PVV):

De Kamer weet ook inmiddels dat ik een initiatiefwet heb ingediend met minimumstraffen die precies daarop ziet. Maar ik begrijp ook dat we in de huidige situatie, zolang we tbs hebben, een systeem moeten hebben waarbij de maatschappij beschermd wordt tegen fouten, tegen foute beslissingen. Ik denk dat de Minister deze week twee fouten heeft gemaakt. Hij had dat verlof niet moeten toekennen. Dat denk ik niet alleen, dat dachten die rechters enkele maanden geleden ook nog.

De voorzitter:

Dank u wel. Gaat u verder. U heeft nog iets meer dan een minuut.

De heer Markuszower (PVV):

En daarom, voorzitter, heb ik de volgende vragen. Vraag één. Volgens de wet moet er voorafgaand aan het toekennen van verlof een slachtofferonderzoek hebben plaatsgevonden. De PVV wil van de Minister precies weten hoe dit slachtofferonderzoek er heeft uitgezien. Is er vooraf gesproken met de nabestaanden van Sybine Jansons en Nadine Beemsterboer? Zo nee, waarom niet? En als u wel met de nabestaanden heeft gesproken – vraag twee – wat waren dan de conclusies van dat slachtofferonderzoek? Waarom heeft de Minister totaal geen rekening gehouden met de nabestaanden? Vraag drie: hoe heeft de Minister in vredesnaam tot deze beslissing – van verloftoekenning dus – kunnen komen? De Minister had dit verlof van de meest gevaarlijke tbs'ers van Nederland toch nooit mogen toestaan? Daarom zeg ik: stop hier onmiddellijk mee. Zet deze gestoorde moordenaars en verkrachters onmiddellijk terug achter slot en grendel. En vier: hoe is het mogelijk dat het adviescollege meer dan 90% van de aanvragen van verlof positief beoordeelt? Slechts één keer heeft de Minister het afgelopen jaar negatief advies over een verlofaanvraag uitgebracht, terwijl er in 2017 minimaal vier zeer ernstige incidenten waren waarbij tbs'ers betrokken waren. Die hebben mensen vermoord en verkracht. Beseft de Minister dat de Minister steeds voor deze misdaden van die beesten verantwoordelijk is? Want hij laat ze vrij. Beseft de Minister wel dat hij verantwoordelijk is voor het leed dat hij toevoegt aan de slachtoffers en nabestaanden door deze extreem gevaarlijke moordenaars steeds vrij te laten? En dan mijn een-na-laatste vraag: beseft de Minister wel dat het zijn taak is om Nederland veiliger te maken, maar dat hij door dit beleid, namelijk extreem gevaarlijke serieverkrachters en moordenaars op verlof sturen, Nederland onveilig maakt?

De voorzitter:

Wilt u gaan afronden?

De heer Markuszower (PVV):

Ik rond af met de laatste vraag: is de Minister bereid dit beleid te wijzigen en veel strengere voorwaarden aan het verlof te verbinden?

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Van Oosten van de VVD.

De heer Van Oosten (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ik wilde een paar punten inbrengen. Ik begin met de recidive en het bestrijden van herhaald fout gedrag. Dat doe ik naar aanleiding van een opmerking van de heer Otte, lid van het College van procureurs-generaal, in de NRC van afgelopen weekend. Hij geeft aan – dat vraagstuk hebben we wel vaker in dit verband met elkaar besproken – dat maar liefst 40% van de gedetineerden een psychisch probleem heeft, maar los daarvan dat een heel groot deel van de gedetineerden helemaal geen Nederlands spreekt, of niet op een niveau waarbij men reëel een kans maakt om na detentie aan de slag te komen. Dat baart mij toch wel behoorlijk wat zorgen, want uiteindelijk willen we dat iemand uit gevangenschap opnieuw aan de slag gaat, zeker in het geval dat het iemand is met een Nederlands paspoort, die hier dus ook gewoon blijft. Daarover wil ik de Minister de volgende vragen stellen. Kloppen de cijfers die ik daarover teruglees überhaupt? Zo nee, wat zijn dan wel de cijfers? Wat vindt de Minister van de suggestie om gedetineerden die de taal niet spreken te verplichten om Nederlands te leren? Ik zou daar een vraag aan willen toevoegen, namelijk: wat doen we met de gedetineerden die daar niet aan willen meewerken? Laten we hen dat ook ervaren gedurende detentie? Want het is een aanwijzing dat ze weinig bereidheid tonen om in de normale samenleving verder te functioneren. Zijn er regels of wetten die dat in de weg staan? Zijn er landen in de Europese Unie waar gedetineerden hiertoe worden gedwongen of ten minste worden gestimuleerd om de betreffende taal te leren? Welke landen zijn dat? Hoe werkt dat daar? Wat kunnen wij daarvan leren? Dat is het wat dit punt betreft.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik vind het heel verheugend dat de heer Van Oosten dit zegt. Ik kreeg onlangs een brief van iemand die zich zorgen maakte over het eens internationaal vooraanstaande gevangenisonderwijs, dat de afgelopen jaren mede onder leiding van de heer Teeven om zeep was geholpen. Kan de heer Van Oosten misschien wat meer reflecteren op de investeringen in het gevangenisonderwijs zoals die er de laatste tien jaar zijn geweest?

De heer Van Oosten (VVD):

Ik kan daar natuurlijk allerlei bomen over opzetten. Ik zie natuurlijk dat er stappen zijn gezet in het bibliotheekwezen et cetera, en dat er voor een deel een verschuiving heeft plaatsgevonden van boeken naar iPads et cetera. Maar als ik hier nu tegen aanloop en vaststel dat dit gewoon een probleem is, gesignaleerd door iemand die wat mij betreft in dit opzicht statuur heeft, vind ik het reëel, en dan vind ik het ook gewoon mijn taak, om dat te benoemen. Als u dat uitlegt als «dan had u dat een aantal jaren geleden ook kunnen oppakken» dan is dat prima. Ik doe het nu. Ik wil daar graag aan werken en ik vind het een vraagstuk dat ons bezig moet houden. We moeten ervoor zorgen dat we die mensen Nederlands laten spreken, zodat ze daarna aan de slag kunnen.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dan zal ik het u inderdaad niet tegenwerpen, want dat zou onaardig zijn. Ik hoop dat we kunnen samenwerken op dat punt, niet alleen wat betreft het Nederlands spreken, maar sowieso ook om te kijken op welke wijze mensen kunnen werken aan hun ontwikkeling in den brede. Ik bedoel echt onderwijs ín die gevangenissen. Dus misschien kunnen we samen kijken wat we daar kunnen betekenen aan extra investeringen in dat veld.

De heer Van Oosten (VVD):

Ik ben niet altijd meteen van de lijn dat het dan weer tot allerlei extra investeringen moet leiden. Het kan soms ook leiden tot andere keuzes waar je het dan uit kunt financieren. Het gaat primair om de vraag: vinden wij het normaal dat iemand die zich heeft misdragen uiteindelijk een kans verdient? Ik vind dat dat zo hoort in een geciviliseerde maatschappij, maar dan betekent dat ook dat je van iemand mag verwachten dat hij Nederlands spreekt. Ik vind dan ook dat, als je daar vervolgens niet toe bereid bent, dat een indicatie is van hoe je je daarna weer in die vrije samenleving gaat gedragen. Ik vind dat de Minister dat kan meewegen in de beoordeling van zo iemand bij een voorlopige voorwaardelijke invrijheidstelling. Dat koppel ik er ook aan.

Ik ga door met de andere punten die ik wilde inbrengen.

De voorzitter:

Meneer Van Oosten, een ogenblik. Er is een interruptie op dit punt van de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Ik zal proberen het zo positief mogelijk te brengen. Ik vind het positief als de VVD zegt: in een geciviliseerde samenleving verdienen mensen een tweede kans en laten we kijken wat we daaraan kunnen doen. We hebben de traditionele leefgebieden van werk, woning, inkomen et cetera en misschien is het in bepaalde gevallen heel zinnig om de Nederlandse taal te leren. Maar als de heer Van Oosten zegt dat dat allemaal niet per se met extra geld hoeft, dan zou dat zo kunnen zijn, ware het niet dat het werk de gevangenismedewerkers al tot aan de lippen staat. Dus hoe zou de heer Van Oosten dit willen organiseren, anders dan door de vraag weg te leggen bij de Minister? Want dat laatste is altijd makkelijk.

De heer Van Oosten (VVD):

Nou ja, daar begint het natuurlijk wel mee. Ik kan het niet mooier maken. Ik lees dat er zóveel mensen in onze gevangenissen zijn die de Nederlandse taal niet spreken, terwijl we wel willen dat die mensen niet opnieuw in de fout gaan en niet opnieuw slachtoffers maken. Ik denk dat het dan van nut kan zijn dat die mensen wel Nederlands spreken. Dus mijn eerste vraag is of die cijfers kloppen. En als die cijfers kloppen, is toch echt mijn vraag – daar volsta ik nu toch maar even mee – wat denkt de Minister eraan te kunnen doen om te bereiken dat die mensen wel degelijk die taal beheersen, zodat je ook kunt verwachten dat ze aan de slag gaan? Want ik zie daar anders gewoon grote problemen en volgens mij bent u dat ook wel met mij eens.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Van Nispen, kort.

De heer Van Nispen (SP):

Nogmaals, we zijn het wel met elkaar eens dat je moet kijken hoe mensen inderdaad niet nogmaals slachtoffers maken en dat de voorwaarden zijn geregeld dat mensen ook zelf weer succesvol aan de slag gaan en gaan solliciteren et cetera. Maar als je de doelgroep voor je ziet, dan zie je dat dat vaak heel ingewikkeld is. Het is ook heel ingewikkeld als je ziet wat er in gevangenissen voor mogelijkheden zijn voor penitentiair inrichtingswerkers om zinvolle arbeid aan te bieden en voor gedetineerden om diploma's te halen en dingen te leren. Het is echt ontzettend ingewikkeld. De heer Van Oosten moet zich dat wel realiseren als hij de vraag bij de Minister weglegt. Er komt wel meer bij kijken dan alleen de vraag stellen. Een analyse van de staat van ons gevangeniswezen hoort er ook bij. Kunnen we dat wel aan onze al overbelaste gevangenisbewaarders vragen?

De voorzitter:

Meneer Van Oosten, kort.

De heer Van Oosten (VVD):

Ik vind toch echt dat het begint met het stellen van vragen. Het is in de kern toch de bezigheid van een volksvertegenwoordiger om vragen op dat vlak bij de Minister neer te leggen. Dat doe ik dan ook langs deze weg. Los daarvan werken we toe naar een visie op het gevangeniswezen waarin op allerlei mogelijke manieren wordt geïnvesteerd, ook binnen detentie als het gaat om het bieden van kansen voor gedetineerden. Zo beschouw ik dat althans wel. De heer Van Nispen kan het daarmee oneens zijn, maar zo is het. Dat betekent dus ook het in staat zijn om te werken. Dat doe je dus met de Nederlandse taal. Wellicht zijn daarin prachtige combinaties denkbaar; ik verzin maar wat. Ik leg toch eerst even die vraag neer bij de Minister.

Als u mij wilt toestaan, wil ik nog een paar andere opmerkingen maken.

De voorzitter:

Zeker, heel graag.

De heer Van Oosten (VVD):

Witwassen. Ook dat kwam recent nog weer in de media, maar is natuurlijk niet voor het eerst in deze Kamer besproken. Misschien zit de kracht van de boodschap in de herhaling, maar volgens mij is het echt ontzettend belangrijk. Of het nu gaat om het bestrijden van ondermijningsvraagstukken, fraude, witteboordencriminaliteit of schoften die xtc-pillen verkopen en daar vervolgens gouden horloges voor willen kopen, uiteindelijk gaat het erom dat je keer op keer die overheidsdiensten in bundeling met elkaar aan de slag laat gaan en zo mogelijk ook diensten van buiten de overheid erbij betrekt. Ik vraag dus opnieuw aan de beide Ministers om voor mij hard te maken dat die bundeling en die afweging aan de voorkant inmiddels ook gewoon standaardprocedure is geworden. En dat er, wanneer je een zaak op het spoor bent gekomen, langs de weg van de politie of langs de weg van de woningcorporatie die het niet vertrouwt en denkt dat er hennepplantages of zoiets zijn, in samenwerkingsverband wordt nagedacht welke organisatie aan zet is om die drijfveren van die criminelen aan te pakken. Om te zorgen dat hun incentive wordt afgenomen, om te zorgen dat de slachtoffers worden beschermd en om te zorgen dat een wijk leefbaar blijft. Graag een reactie op dat punt.

De voorzitter:

U heeft nog één minuut.

De heer Van Oosten (VVD):

Dan maak ik het af met de doorlooptijd. Overigens maak ik ook een positieve opmerking. Absoluut. Die wilde ik eraan koppelen. In deze stukken zien we dat er een daling is van de geregistreerde criminaliteit en dat die wordt bevestigd met slachtofferenquêtes. We krijgen altijd de discussie dat wat niet geregistreerd is, dan toch vaak... Helemaal eens, maar ik vind het toch goed om even vast te stellen dat dat positieve ontwikkelingen zijn. Ik wil er wel iets aan koppelen en daar rond ik dan mee af. Want ik maak me zelf zorgen over de doorlooptijden. Doorlooptijd is ook zo'n eufemisme. Het komt er eigenlijk op neer dat je in het ergste geval je recht niet weet te halen, omdat er zaken geseponeerd kunnen worden. Ik heb met de Minister van Justitie een discussie gehad over bijvoorbeeld de situatie dat iemand in verzet komt tegen een transactie die is gegeven langs de weg van het Openbaar Ministerie en dat er later alsnog geseponeerd wordt. Ik zou dat heel graag voor willen zijn, zodat dat niet meer kan. Ik vraag op dat punt een reactie.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u zeer. Dan is het woord aan de heer Van Dam van het CDA.

De heer Van Dam (CDA):

Voorzitter. Mijn dag begon vandaag net als die van velen aan deze tafel met een ontbijt met een aantal burgemeesters uit Brabant. We spraken over ondermijning. Hoewel ik het een lastig onderwerp vind, breng ik het toch in. Men heeft binnenkort geen vertrouwde counterpart meer aan de zijde van het OM, want de hoofdofficier daar stapt op. Een uur voor deze vergadering werd bekend dat ook de hoofdofficieren in Den Haag en in Utrecht weggaan. Ik maak mij zorgen over de situatie bij het Openbaar Ministerie. Dat is dé partij in het veld die bij de strafrechtelijke handhaving een rol te vervullen heeft. Ik heb totaal niet de behoefte om hier op individuele gevallen in te gaan, dat laat ik graag aan andere Kamerleden over. Ik zou aan de Minister van Justitie en Veiligheid willen vragen om als het moment zich voordoet, maar het liefst op kortere termijn, toch in een brief te duiden wat hier nu aan de hand is en wat er speelt. Ik maak mij namelijk zorgen over hoe het gaat bij het Openbaar Ministerie.

Dan een paar andere punten. De evaluatie van de OM-afdoening. De Minister gaat die evaluatie bespreken met het Openbaar Ministerie. Ik vind dat in die evaluatie één punt onderbelicht is gebleven, namelijk de werkdruk die een strafbeschikking oplevert bij het Openbaar Ministerie en bij de politie. Die werkdruk volgt uit de aard der zaken. Dat volgt ook uit het rapport van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Alles moet namelijk goed onderbouwd zijn als het OM een beslissing neemt. In het verleden werd een transactie opgelegd bij een winkeldiefstal en dan kon je bij wijze van spreken met een korte verklaring van de verdachte volstaan. Maar nu wordt de eis gesteld – dat is ook wel begrijpelijk, gelet op het rechtskarakter van die strafbeschikking – dat de aangifte op papier komt, dat de getuigenverklaring op papier komt en dat alles op papier komt. Daardoor zitten mensen veel langer vast en moet er veel meer werk gedaan worden. Ik wil graag dat de Minister ook dat betrekt bij de evaluatie van de OM-strafbeschikking en dat meeneemt.

Dan ZSM en rechtsbijstand. Ik lees dat we weer gaan proberen en experimenteren in het land, nu in Zeeland-West-Brabant en in Rotterdam. Wat ik mis, is een standpunt van de Minister over een aantal principiële uitgangspunten ten aanzien van de pilots of de rechtsbijstand rond ZSM. Om een voorbeeld te noemen: het is niet verplicht dat je afstand doet ten opzichte van een advocaat. De ketenpartners hebben nu wel met elkaar afgesproken dat ze dat het prettigst vinden om te doen, maar als je de evaluatie goed leest, leidt het bijna meteen tot een verdubbeling van de rechtsbijstand die vervolgens nodig is. Dat is prima en dat zou heel goed zijn, maar ik vind dat we dat híér met elkaar moeten beslissen en híér met elkaar moeten bespreken. Een ander voorbeeld is het Salduzconsult. Het is niet verplicht dat je dat van een advocaat krijgt. Het kan ook van een hbo-jurist. Dat leidt tot een volstrekt andere werkwijze. Ik vind het prima dat dat zo is, maar ik vind dat wij dat híér met elkaar moeten beslissen en dat er niet geëxperimenteerd moet worden in Limburg en Zeeland en weet ik waar, waardoor je in dit land allerlei verschillende verschijningsvormen krijgt ten aanzien van rechtsbijstand rond ZSM. Ik vraag aan de Minister om daar een heldere brief over te schrijven.

Tot slot, de casus Volkert van der G. In de brief over deze kwestie van de Minister voor Rechtsbescherming lees ik dat het in bepaalde gevallen mogelijk is dat een veroordeelde die onder voorwaarden in vrijheid is gesteld en dus buiten de gevangenis zijn straf uitzit, zelfstandig naar het buitenland mag reizen. Kan de Minister aangeven aan welke gevallen ik dan moet denken, wellicht met een voorbeeld? Het lijkt mij erg lastig om vanuit Nederland invulling te geven aan toezicht op iemand die zich in het buitenland bevindt. Ook het woord «zelfstandig» komt vreemd over. Betekent dit onder meer dat de bestemming niet uitmaakt? Kan iemand die onder die voorwaarden vrij is ook naar Nieuw-Zeeland emigreren? Gezien de ophef rondom de kwestie Van der G. vraag ik de Minister ook waarom er in het aangekondigde wetsvoorstel, dat de detentiefasering behoudt en de voorwaardelijke invrijheidstelling wijzigt, geen aandacht is besteed aan emigrerende veroordeelden. Dat lijkt me toch een uitgelezen kans om dit onderwerp te regelen. Is de Minister bereid hier alsnog in te voorzien en de Kamer daarover te informeren?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dan is in deze eerste termijn ten slotte het woord aan de heer Krol van 50PLUS.

De heer Krol (50PLUS):

Dank u, voorzitter. Hoogbejaarde slachtoffers van straatroof of woninginbraak met zware mishandeling; het zullen je ouders, je buren of je vrienden maar zijn. Vanuit politiekringen horen we dat ouderen speciaal uitgezocht worden als slachtoffer. Het zijn immers gemakkelijke prooien. Misselijkmakend. Ja, statistieken laten zien dat ouderen minder vaak slachtoffer zouden zijn, maar van politiemannen en politievrouwen horen we een ander geluid. Het aantal oudere slachtoffers is volgens hen juist toegenomen. Die ouderen doen alleen veel minder vaak aangifte. Dat komt omdat ze niet meer zo mobiel zijn en omdat het politiebureau steeds verder weg is. Digitaal aangifte doen levert ook weer problemen op, zoals ook collega Van Nispen net al zei.

Ouderenmishandeling en ouderenberoving passen simpelweg niet in de beschaafde samenleving die wij met elkaar nastreven. Ouderen die nog zelfstandig wonen en zelfstandig boodschappen doen, verdienen extra bescherming, juist omdat ze nu eenmaal kwetsbaarder zijn.

De Minister gaat onderzoek doen naar het introduceren van een discriminatoir oogmerk als wettelijke strafverzwaringsgrond, ter aanvulling van het bestaande beleid. De fractie van 50PLUS steunt de Minister hierin, maar we hebben een aanvulling. Kan die strafverzwaring ook gelden als het om zwakkeren gaat, als het om ouderen gaat? Het uitzoeken van een bejaard slachtoffer zou in onze ogen ook een reden daarvoor moeten zijn. Wordt er in de praktijk al weleens strafverzwaring toegepast als een oudere het slachtoffer is? Strikt juridisch gezien is het misschien niet vergelijkbaar, want bij het uitzoeken van een homoseksueel slachtoffer is het homoseksueel zijn vaak de reden voor het misdrijf. Er is dan een discriminatoir motief. Bij het gewelddadig beroven van ouderen gaat het om die armband of die pinpas. Leeftijd is dan bijzaak; het gaat immers om de buit. Maar ouderenmishandeling komt veelvuldig voor. Daarover heeft de vaste commissie voor VWS pas nog uitgebreid gesproken. Vandaag in deze commissie pleit 50PLUS – dat doen we zeker niet als eerste – voor een strafverzwaring voor daders die het op ouderen gemunt hebben. Kan de Minister een opsomming geven van de juridische wegen die er zijn om dat mogelijk in de toekomst te regelen?

Voorzitter. 50PLUS opperde enige tijd geleden om discriminatie op grond van leeftijd op te nemen in het Wetboek van Strafrecht, net zoals discriminatie op grond van onder meer ras en godsdienst. Op 5 december vorig jaar schreef de Minister een brief waarin hij de deur op een kier zette voor deze suggestie. Daar waren we natuurlijk heel blij mee. De Minister schreef: «Ik voeg daaraan toe dat, mocht er op enig moment worden geconcludeerd dat meer dwingende regelgeving nodig is, met als uiterste optie ook strafrechtelijke handhaving, het voor de hand ligt om dergelijke normstelling toe te spitsen op regelgeving inzake gelijke behandeling in het kader van arbeid.» Leeftijdsdiscriminatie komt veelvuldig voor, ook op de arbeidsmarkt. De strafrechtelijke aanpak zal als een stok achter de deur kunnen werken, want een strafblad is toch echt iets heel anders dan een mogelijke boete van de inspectie. Hoe staat het met de gedachtevorming rond de eventuele strafrechtelijke aanpak van leeftijdsdiscriminatie?

Dank u wel, meneer de voorzitter.

De voorzitter:

Ik dank u zeer. Daarmee komt een einde aan de eerste termijn van de zijde van de Kamer.

De vergadering wordt van 15.52 uur tot 16.08 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik ga zo het woord geven aan de Minister van Justitie en Veiligheid. Ik druk beide bewindspersonen nog even op het hart dat bondigheid enorm gewaardeerd zal worden en niet-bondigheid niet. Ik geef het woord aan de Minister van Justitie en Veiligheid.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter, dank u. Dan zal ik mijn inleiding heel bondig houden. In Nederland koesteren we de rechtsstaat en onderdeel van de rechtsstaat zijn ons strafrechtelijk systeem en onze strafrechtketen. Die zijn in Nederland altijd op zeer hoog niveau geweest en dat moeten we echt zo houden. Dat zien collega Dekker en ik dan ook als een belangrijke taak. De meeste vragen vandaag gaan over de kwaliteit van de strafrechtketen.

Ik begin meteen met de doorlooptijden, het onderwerp dat ons allemaal na aan het hart ligt, en het budget van het OM. Ik heb samen met collega Dekker in de brief van 29 juni ons plan van aanpak voor de doorlooptijden toegelicht. Slachtoffers, verdachten, maar ook daders moeten natuurlijk snel en adequaat duidelijkheid krijgen over de inzet van de gekozen interventie bij strafrechtelijke vervolging en over de uitkomst van de strafzaak. Daarbij moet de samenleving kunnen vertrouwen op rechtvaardigheid en voorspelbaarheid van strafrechtspleging, want dan kun je zaken afdoen op een manier die iedereen recht doet en ook betekenisvol is.

De doorlooptijden zijn echt een belangrijk punt en het Bestuurlijk Ketenberaad, waarin alle onderdelen van de strafrechtketen op bestuurlijk niveau zijn vertegenwoordigd, kiest voor een gerichte aanpak om de doorlooptijden op zeven zaakstromen bij de strafzaken centraal te stellen en daarbij in te zetten op het realiseren van wat men noemt «trendbreuken». Dat zijn in dit geval dus zaakstromen waarbij de aanpak van de doorlooptijden in het bijzonder relevant is om die maatschappelijke legitimiteit te versterken. Het gaat dan om overtredingen, hoger beroep, ondermijning, zedenzaken, ernstige verkeersmisdrijven, jeugdzaken en ook om het aspect van de executie.

Bij de doorlooptijden gaat het om de juiste balans per zaak tussen tijd, effectiviteit en kwaliteit voor de al eerder door mij genoemde betrokkenen in een strafproces, namelijk slachtoffer, verdachte en dader, en daarbij op de achtergrond de samenleving. Ik blijf dat zeggen. We moeten de aanpak van doorlooptijden dan ook zo richten dat de professional in de keten wordt geholpen om de zaken op een goede manier te kunnen behandelen.

Het Bestuurlijk Ketenberaad werkt dit jaar de aanpak uit op al die zaakstromen die ik net omschreef. Dan worden ook de kwantitatieve en kwalitatieve professionele normen vastgesteld voor de thema's waarvoor die normen nog niet bestaan. Dan gaat het echt om normen die door professionals en direct belanghebbenden van waarde worden gevonden. De uitwerking zou dit jaar en de eerste helft van volgend jaar moeten leiden tot vaststelling van heldere professionele normen op het gebied van doorlooptijden voor alle zeven zaakstromen. Ten slotte, het Bestuurlijk Ketenberaad is op dit moment bezig om dat de komende tijd vorm te geven. Dat begrijpt u. Men heeft op dit moment – zo heb ik gevraagd – nog geen noodzaak voor extra capaciteit geconstateerd.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dus daar worden we allemaal nog nader over geïnformeerd. Zijn het kwantitatieve normen of zitten er ook kwaliteitsnormen aan vast? Is de Minister ervan op de hoogte dat vandaag weer naar buiten kwam dat 40% van de rechters overwerkt is of in ieder geval structureel overwerkt?

Minister Grapperhaus:

Ja, ik was op de hoogte van dat laatste, dat er sprake is van 40% overwerk in een aantal gevallen. Ik heb niet begrepen dat dat voor alle rechters geldt. Daarnaast is er nog een ander punt, waar het mevrouw Buitenweg vooral om gaat. Het gaat inderdaad om kwantitatieve én kwalitatieve normen, want het moet niet zo zijn dat we de lat alleen kwantitatief hoger leggen en het zo vervolgens alleen maar ernstiger maken.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik begreep niet helemaal wat de Minister bedoelt met «af en toe» over dat overwerk, want het is dus een gemiddelde. Worden deze zaken ook meegenomen bij de ketenaanpak? Wordt ervoor gezorgd dat het op zo'n manier gaat dat de professionals het niet ten koste van hun eigen gezondheid voor elkaar moeten krijgen?

Minister Grapperhaus:

Dit is echt een heel belangrijk punt. We hebben het misschien hier nooit zo... Ik geloof dat mijn zinnen worden afgemaakt door anderen. Dat is natuurlijk ook boeiend, maar ik wou het toch nog even zelf proberen. Mevrouw Buitenweg weet uit hoofde van het overleg omtrent de politie dat de gezondheid en arbeidsomstandigheden van mensen in die keten mij zeer aan het hart gaan. Daarop wordt zeker in het BKB ook gelet.

Voorzitter, misschien kan ik eerst nog even iets zeggen over wat het OM krijgt aan ketengelden. Dat is structureel oplopend naar 2021 20 miljoen aan middelen die bedoeld zijn om de keteneffecten van de investeringen bij de politie op te vangen. Dus om die extra capaciteit, waar de heer Van Nispen ook op wees, op te vangen. Feit is dat als je meer capaciteit hebt bij de politie, je ook gevolgen verderop in de keten krijgt. Met behulp van het Prognose Model Justitiële ketens, het bekende PMJ-model, worden de effecten in kaart gebracht. Op basis van die berekeningen en in samenhang met de uitkomst van de jaarlijkse herijking van de PMJ-raming – er wordt ieder jaar herijkt – worden de middelen beschikbaar gesteld aan de betrokken ketenorganisaties. Nu word ik heel technisch. Die middelen staan bij het Ministerie van Financiën op de aanvullende post «extra capaciteit strafrechtketen voor de jaren 2019 en verder» en zullen bij nood of een wijziging telkens worden toegevoegd aan de begroting van Justitie en Veiligheid. Voor 2018 ging het om 5 miljoen en die middelen zijn op basis van een grove schatting van de effecten verdeeld. Daarbij is ongeveer 2 miljoen naar het OM gegaan.

De heer Van Nispen (SP):

De Minister zei net dat hij mensen had gesproken, het Bestuurlijk Ketenberaad, die geen noodzaak zagen tot extra capaciteit in de strafrechtketen. Nu heb ik de laatste tijd ook heel veel mensen gesproken. En die keren hoorde ik dat ze eigenlijk geen extra capaciteit meer durven vragen. Omdat het zo evident is dat eigenlijk overal extra capaciteit nodig is, kan die vraag soms niet eens meer gesteld worden, omdat ze het al te vaak moeten vragen. Het is evident dat er capaciteit bij moet bij politie, OM en rechtspraak. Dus ik hoop dat ik de Minister wat dat betreft verkeerd heb begrepen. Ik snap de aandacht voor de doorlooptijden, maar in het geval dat ik noemde, waarbij iemand die thuiskomt een mail krijgt dat zijn zaak niet in behandeling wordt genomen, is de doorlooptijd natuurlijk fantastisch. Die is namelijk nul, want de zaak wordt gewoon niet in behandeling genomen. Mijn vraag gaat over die 20 miljoen van het OM. Voor extra capaciteit strafrechtketen staat in het regeerakkoord 20 miljoen. Zegt de Minister nou dat dat allemaal voor het Openbaar Ministerie is? Ga ik dan volgende week in het debat over het Nederlands Forensisch Instituut niet horen dat het NFI daar ook een deel van krijgt? Want dan gaan we geld aan meerdere posten geven en raak ik het overzicht echt totaal kwijt. Daarop wil ik dus heel graag een duidelijk antwoord van de Minister.

Minister Grapperhaus:

Het overzicht gaat u zeker niet kwijtraken, al was het maar omdat we daarover ook nog in het kader van de begroting komen te spreken. Het gaat om de extra capaciteit strafrechtketen, waarvoor de structurele middelen oplopen naar 20 miljoen per jaar. Deze middelen zijn bedoeld om de keteneffecten van de investering bij de politie op te vangen.

Wellicht ben ik inderdaad niet goed gehoord. Ik zei in het kader van het punt van de doorlooptijden dat ik het Bestuurlijk Ketenberaad heb bevraagd of men op dit moment in het kader van de verbetering van de doorlooptijden al de noodzaak tot extra capaciteit ziet. Daar is op dit moment over gezegd: niet. Dat kan, omdat men nog bezig is. Dat zou op zichzelf nog kunnen veranderen.

Ik verwijs nog een keer naar mijn antwoord van zojuist op de vraag van mevrouw Buitenweg. Die werkdruk is wel degelijk een punt dat in het geheel wordt meegenomen. Daaraan wil ik nog iets toevoegen, en dan beantwoord ik ondertussen ook een vraag van de heer Van Dam. Er is een experimenteerwet in voorbereiding waardoor het mogelijk wordt om te gaan experimenteren met audiovisuele registratie, waardoor niet alles schriftelijk hoeft te worden vastgelegd. Dat is overigens een traject in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. De verwachting is dat de werklast die op dit moment gemoeid gaat met de schriftelijke vastlegging dan in aanzienlijke mate verminderd wordt.

De voorzitter:

De heer Van Nispen nog?

De heer Van Nispen (SP):

Het kan zijn dat als je heel technisch alleen naar de doorlooptijden kijkt, misschien daarvoor geen extra capaciteit nodig is. Maar natuurlijk is er extra capaciteit nodig, en werkelijk overal in de strafrechtketen. Ik hoop dat de Minister dus erkent dat de staat van de strafrechtketen, hoe je er ook naar kijkt, die extra capaciteit gewoon nodig heeft. Maar ik wil dan wel heel concreet weten wanneer we nu precies horen hoeveel van die 20 miljoen naar het Openbaar Ministerie gaat en hoeveel naar het NFI. De Minister zei daarnet wel degelijk dat het OM 20 miljoen erbij krijgt in het kader van die extra middelen. Maar dat is dus niet zo. Dat bedrag moet verdeeld worden over diverse organisaties. Ik wil gewoon heel graag weten hoeveel welke organisatie erbij krijgt.

Minister Grapperhaus:

Dat heb ik ook gezegd. Ik heb gezegd dat we voor 2018 over een bedrag van 5 miljoen spreken, waarvan ongeveer 2 miljoen naar het OM zal gaan c.q. is gegaan. Dat is dus ongeveer 40% van het geheel. Ik wil best toezeggen dat ik in een brief bij u terugkom op de verdere uitsplitsing van dat bedrag, dat groeit naar 20 miljoen. Dat kan na de begrotingsbehandeling. Dat lijkt mij het meest logisch.

De voorzitter:

Dank u wel. Mijnheer Van Dam op ditzelfde punt.

De heer Van Dam (CDA):

Niet helemaal op hetzelfde punt, maar over de audiovisuele vastlegging van verhoren in relatie tot een vermindering van de werkdruk voor politie en OM. Ik wil dit toch iets nader specificeren, tenminste, als u mij antwoord gaf op dit punt. Bij de evaluatie van de OM-afdoening zou ik graag willen dat u uitdrukkelijker met het OM bespreekt of de transactie wellicht een betere weg is dan de OM-afdoening. Die transactie is nog steeds springlevend, zoals we recent uit een voorbeeld met een niet nader te noemen grote bank hebben mogen vernemen. Een transactie is qua karakter iets totaal anders en leidt naar mijn smaak tot minder administratieve verplichtingen dan een OM-afdoening, die eigenlijk gelijkstaat aan een rechterlijk vonnis. Met een OM-afdoening kom je Amerika niet meer binnen en met een transactie kom je Amerika wel binnen. Dat is dus een totaal ander rechtskarakter. Ik vind dat we niet alleen extra geld – daar ben ik ook altijd voor – maar ook minder werklast moeten organiseren in dat strafproces. Daar zie ik hier mogelijkheden voor. Misschien zijn er allerlei rechtsstatelijke principes die dat verhinderen, maar ik wil u uitdrukkelijk vragen om dat punt ook met het OM te bespreken en terug te rapporteren aan de Kamer.

Minister Grapperhaus:

We moeten natuurlijk vooropstellen dat die OM-afdoening als uitgangspunt juist die vermindering van druk op de strafrechtketen heeft. Ik voeg daar meteen aan toe dat ik het punt van de heer Van Dam inderdaad zal meenemen. Dus ook het punt van de vraag of transactie in bepaalde gevallen niet beter zou zijn. Goed. Dat komt dan aan de orde bij de kabinetsreactie – en dan antwoord ik meteen de heer Van Nispen – die begin december zal komen.

De voorzitter:

Mijnheer Van Dam nog? Nee? Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:

Ik wil even de heer Van Oosten nog antwoorden over de doorlooptijden bij verzetzaken. De heer Van Oosten heeft namelijk echt gelijk als hij zegt dat we moeten tegengaan dat verzetzaken blijven liggen en vervolgens worden geseponeerd als oud feit. Daar kan ik hem alleen maar gelijk in geven. Uit recente cijfers blijkt overigens dat het op dit moment beter gaat dan in het recente verleden. Daarover zal ik verder nog het een en ander schrijven en nader op ingaan in mijn beleidsreactie naar aanleiding van de evaluatie OM-afdoening. Dus daarop kom ik bij u nader en meer gespecificeerd terug.

Mevrouw Buitenweg zegt dat de officier van justitie hogere straffen oplegt dan de rechter in verzetzaken. Ik begrijp dat zij haar kinderen adviseert om toch vooral in verzet te gaan. Ik zeg het heel voorzichtig, maar ik adviseer mijn kinderen vooral om niet in de buurt van de strafrechtketen te komen. Nou ja, je weet natuurlijk niet altijd wat ze uitspoken. Ik zei het heel bondig. Ik wil mevrouw Buitenweg aangeven dat dit een van de onderwerpen is waarover ik in het kader van de voorbereiding van het kabinetsstandpunt van begin december spreek met het Openbaar Ministerie en de rechtspraak. Dus dat zal ook bij dat kabinetsstandpunt terugkomen.

Ik heb nog vragen van het CDA, de VVD en de SP over de OM-strafbeschikkingen en het rapport van de procureur-generaal van de Hoge Raad. Wat hebben we daar nu eigenlijk mee gedaan? Dat rapport is beschikt en gewogen. Ik zeg dat maar even voor iedereen hier aanwezig. Het bevat resultaten van een onderzoek naar de naleving van de wettelijke voorschriften bij het uitvaardigen van strafbeschikkingen. Naar aanleiding van dat rapport heeft het Openbaar Ministerie een aantal gerichte maatregelen genomen.

Allereerst, om te voorkomen dat strafbeschikkingen worden uitgevaardigd zonder dat de schuldvaststelling voldoende is vastgelegd, is de zorgvuldigheid waarmee de bewijsbeoordeling plaatsvindt, vergroot en zijn er stappen gezet om te verzekeren dat de identiteitsvaststelling van de verdachte steeds op de voorgeschreven wijze plaatsvindt. Deze verbetermaatregelen hebben onder andere geleid tot een daling van het aantal sepots bij de herbeoordeling van de OM-strafbeschikkingen na verzet.

Eind 2017 bracht de procureur-generaal bij de Hoge Raad een vervolgrapport uit. Hij is de toezichthouder op het Openbaar Ministerie; dat wil ik nog even goed uitgelegd hebben. In dat rapport geeft hij onder andere aan dat de belangrijkste conclusie is dat het OM met grote inzet en voortvarendheid gevolg heeft gegeven aan het eerdere rapport. Op zowel het gebied van de schuldvaststelling als de kwaliteit van de dossiers en de doorlooptijden zegt de pg in dat vervolgrapport dat er voortuitgang is geboekt. Ik heb daarover al eerder tegen uw Kamer gezegd dat er vooruitgang is geboekt, maar dat het OM verder aan de slag gaat om nog meer vooruitgang te boeken.

In de beleidsreactie, die al een paar keer aan de orde is gekomen, zal ik ook aandacht hebben voor de actuele stand van zaken met betrekking tot de maatregelen die het OM op dit punt heeft genomen.

Dan heb ik de OM-afdoening gehad en kom ik op de ophelderingspercentages. Dat is ook een belangrijk onderwerp. Hoe gaan we die ophelderingspercentages aanpakken? Eerst, het ophelderingspercentage is het aantal delicten waaraan door de politie een verdachte is gekoppeld ten opzichte van het totaal aantal delicten. Het is dus niet het aantal verdachten waarop uiteindelijk een interventie is gedaan. Het ophelderingspercentage schommelde de afgelopen jaren tussen de 25% en 27%, maar het ophelderingspercentage van de verschillende misdrijven loopt enorm uiteen. Zo is het ophelderingspercentage bij rijden onder invloed relatief hoog, omdat de politie bij de constatering van het strafbare feit de verdachte voor zich heeft staan. Bij fietsendiefstal is het relatief laag, omdat er bij dat delict over het algemeen sprake is van heel weinig opsporingsindicaties.

Door die grote verschillen is het stellen van een algemeen wenselijk niveau naar mijn mening weinig zinvol. Bij specifieke delicten kan dat wel zinvol zijn en gebeurt dat ook. Zo zijn in het kader van de lopende veiligheidsagenda doelstellingen geformuleerd om het ophelderingspercentage te laten stijgen bij high-impact crimes, dat wil zeggen roofoverval, straatroof, inbraken, kortom de dingen die veel impact hebben op de gewone burger. Dat is ook echt gelukt.

Tijdens het wetgevingsoverleg over ons justitie- en veiligheidsjaarverslag 2017 op 13 juni 2018 is door mij toegezegd dat het Bestuurlijk Ketenberaad van de strafrechtketen gevraagd zal worden of het wenselijk is om het ophelderingspercentage als indicator anders in te richten, met het doel om beter inzicht te krijgen in de prestaties van de strafrechtketen als geheel. Daarmee is men doende. Ik meen dat ik daarmee de heer Van Nispen antwoord geef, of nee, de heer Groothuizen, excuus. U krijgt daar deze maand antwoord op. En deze maand is november.

Als ik dan toch bij de heer Groothuizen ben, hij vond de stijging van de ophelderingspercentages bij overvallen niet zo ambitieus. Hij vroeg zich af of er sprake was van een schrijffout. Dan moet ik hem toch even meenemen naar het feit dat het ophelderingspercentage van roofovervallen in 2015 48,7% was, in 2016 49,2% – het gaat dus 0,5 procentpunt omhoog --49,9% in 2017 en het streven voor 2018 is 50,8%. Het past dus in een meerjarige reeks. Het is gewoon niet makkelijk het ophelderingspercentage van overvallen te verbeteren. Het jaarlijks verhogen met toch zo'n 0,6 procentpunt, en in dit geval zelfs 0,9 procentpunt het komende jaar, is echt een fatsoenlijke ambitie.

De heer Van Nispen vroeg wat ik ga doen om het niet in behandeling nemen of terzijde leggen van aangiften terug te dringen. Ik heb in Apeldoorn een werkbezoek gebracht. Dat raad ik de Kamerleden echt aan. Dat doe ik vaker aan uw Kamercommissie, voorzitter, en ik hoop niet dat u het opdringerig vindt. Daar heb ik gezien hoe een moderne aangifte van in dit geval stalking wordt opgenomen in een persoonlijk gesprek. Daarnaast heb ik gezien hoe de meldkamer van de politie interactief werkt met twee schermen, wat een enorme verbetering is. Dat is een pilot. Het derde dat ik daar gezien heb, is dat de politie steeds meer met zogenaamde bots werkt, enkelvoud bot. En voordat u denkt «waar gaat dit over?», daar zie je dat de politie heel ver is met het ontwikkelen van apps die het voor mensen mogelijk maken om te communiceren met een bot. Die reageert dus op vragen en kan heel snel afsplitsen naar wat er precies moet gebeuren en of het zinvol is om er iets mee te doen. Dan heb je het bijvoorbeeld over mensen die last hebben van geluidsoverlast van de buren en dergelijke dingen, maar inderdaad ook over dingen als «ik tref iemand aan» en «er is wat aan de hand» of wat dan ook. Laat duidelijk zijn dat dat niets afdoet aan alle meldnummers van de politie en het urgent ter plaatse zijn. Het zijn allemaal middelen om te kijken of de politie beter kan communiceren met de burger.

Bij een aantal politiebureaus, ook hier om de hoek bij bureau Schilderswijk, heb ik gezien hoe goed de politie inmiddels in staat is om ook via Facebook en Twitter met mensen te communiceren. U vraagt zich misschien af wat daar nu de zin van is. De zin daarvan is dat je door die manier van communiceren bijvoorbeeld uit verschillende invalshoeken bericht krijgt over iets wat er in de omgeving van het bureau aan de hand is. Excuus, voorzitter, dat ik hier niet bondig ben, maar ik zeg de heer Van Nispen dat er echt door de politie wordt gewerkt aan het verbeteren van aangiftemogelijkheden, het geven van meer mogelijkheden aan de mensen om bij de politie terecht te kunnen.

Ik had nog twee onderwerpen. Eentje was de kwestie van de discriminatie en de strafverzwaring, die als eerste door mevrouw Buitenweg en later onder anderen door de heer Krol aan de orde is gesteld. Kan daar onderzoek naar worden gedaan? Dat gebeurt al. Het is een kwalitatief onderzoek onder officieren en rechters om te zien hoe bepaalde discriminatoire motieven worden meegewogen. Mevrouw Buitenweg maakte zich daar zorgen over. Ze zei: rechters geven aan bang te zijn voor het stapelen van omstandigheden, maar moet een rechter niet gewoon toch alle aspecten meewegen bij een uitspraak? Dat is juist, maar goed, er zijn meerdere strafverzwaringsgronden. Rechters geven tot nog toe aan dat wanneer er sprake is van bijvoorbeeld belediging met een discriminatoir aspect gericht tegen een politieagent, het niet in verhouding zou zijn om dan twee keer een strafverdubbeling toe te passen, eerst omdat het gaat om een functionaris met een publieke taak en dan nog eens een keertje vanwege het discriminatoire aspect. Daarover kunnen we met elkaar in discussie gaan, maar die afweging is uiteindelijk aan de rechter. Overigens kan het OM daartegen al dan niet beroep aantekenen. Maar in dat opzicht wil ik in ieder geval zeggen dat er op dit punt nu onder auspiciën van het WODC-onderzoek plaatsvindt.

De voorzitter:

Mevrouw Buitenweg. O, pardon.

Minister Grapperhaus:

Ik wou net nog een vraag van mevrouw Buitenweg beantwoorden, als dat mag. Mevrouw Buitenweg vroeg mij of ik het met haar eens ben dat juist het expliciet benoemen van de wijze waarop een discriminatoir motief is meegewogen in de uitspraak normstellend werkt. Ja, dat is waar. Het ingewikkelde is dat tegenover het normstellende karakter het nadeel staat dat de drempel van de bewijslast in de praktijk zo hoog is, dat het OM vaak zal moeten beslissen dat een discriminatoir aspect niet kan worden bewezen in een specifieke zaak en dan ook niet moet worden meegenomen. Dat is misschien heel frustrerend, maar dat is om uiteindelijk toch op een goede, terechte, rechtvaardige uitkomst uit te komen. Maar goed. De door mij aangekondigde onderzoeken zullen mij helpen een afweging te maken om te beoordelen of een wettelijke strafverzwaringsgrond de juiste weg is om delicten met een discriminatoir aspect hoger te straffen. En ik hoop dat de Kamerleden Segers en Buitenweg mij daar dan in kunnen volgen. Ik streef ernaar dat die onderzoeken in de loop van volgend jaar worden afgerond.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik heb twee punten. Eén. De Minister zegt over het punt dat je de straf niet te veel moet laten oplopen, dat dat aan de rechter is om te bepalen. Dat was juist míjn argument. Het punt was dat de officieren van justitie dat dus niet voorleggen aan de rechter, terwijl mijn vraag juist was of het niet aan de rechter is om dat te beoordelen. Daar krijg ik graag nog een reactie op.

Wat betreft die onderzoeken: zoals ik het hier lees, gaan die toch net over iets anders. Het ene is internationaal rechtsvergelijkend en het andere beoogt inzicht te verschaffen in hoeverre de beleidsintensiveringen van de afgelopen jaren hebben bijgedragen aan het goed toepassen van de huidige strafverzwaringsgrond bij delicten met een discriminatoir motief. Daarbij zie ik niet of dat ook vaak expliciet genoemd wordt als er sprake is van een strafverzwaring. En dat was juist mijn vraag. Zit dat daarin? Dat lees ik er niet in. Ik denk dat het effect anders inderdaad heel beperkt is. Dan krijg je één maand meer, maar je hebt geen idee waarom. Dat kan uiteindelijk ook leiden tot enige rechtsongelijkheid.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter. Het gaat erom dat we vinden dat het discriminatoire aspect van het strafbare feit zwaarder bestraft moet worden. We vinden dat een omstandigheid die een zwaardere straf verdient.

Voorzitter. Ik ga toch even heel kort verantwoorden waarom ik deze twee onderzoeken heb gedaan. Wij hebben deze regeling niet, sommige andere landen hebben haar wel en weer andere landen hebben haar niet. Daarom vind ik het van heel groot belang om rechtsvergelijkend te kijken hoe deze in andere landen uitwerkt. Mevrouw Buitenweg en volgens mij de hele Kamer, wij allemaal, zijn het erover eens dat we discriminatie willen aanpakken, want in artikel 1 van de Grondwet staat dat iedereen gelijk is. Ik ben het in ieder geval met mevrouw Buitenweg eens dat discriminatie een strafverzwarende omstandigheid kan zijn. Maar ik wil weten hoe het uitwerkt in landen die inmiddels wel zo'n regeling hebben.

Het andere onderzoek is juist om te kijken of het ingezette beleid inderdaad zijn werking heeft gehad en of je dat in de strafrechtketen terugziet. Dus dat heeft wel degelijk met deze vraag te maken. Overigens zit in dit onderzoek ook de vraag hoe vaak en in welke mate het discriminatoire motief wordt meegenomen. Overigens is dit onderzoek een herhaling van het WODC-onderzoek uit 2016, maar die vraag zit erin.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Als het een herhaling is, dan moeten we dat natuurlijk al voor een deel kunnen vinden. Dat hoor ik dan graag, maar dat idee heb ik niet. Misschien is het goed als ik de onderzoeksopdracht een keer toegestuurd mag krijgen. Ik lees hier dat het ene internationaal rechtsvergelijkend is en dat het andere inzicht moet verschaffen in hoeverre de beleidsintensiveringen hebben bijgedragen aan het goed toepassen. Wat is dan «goed toepassen»? Dat het geëxpliciteerd wordt in een vonnis? Ik begrijp juist uit alles wat daarvoor staat dat het meestal juist níet geëxpliciteerd wordt in het vonnis. De manier waarop de Minister het interpreteert, is een interpretatie waarvoor ik nog niet precies een bodem vind in de tekst van de brief.

Minister Grapperhaus:

Dan is het in ieder geval heel goed dat we bij elkaar zitten, want ik leg nu voor de Handelingen vast dat dat wel degelijk in deze onderzoeksopdracht is begrepen. Ik vind het ook prima, voorzitter, om de onderzoeksopdracht met uw commissie te delen. Dat doe ik dan in een kort briefje. Want dit is een belangrijk onderwerp waarover we volgens mij allemaal een gelijkgestemde gedachte hebben. Als de Kamer daarin wil meedenken, is dat prima. Maar ik wil het hier gewoon hardop gezegd hebben. De vraag is of die beleidsintensivering inderdaad expliciet wordt meegenomen en die vraag zit in dit onderzoek.

De voorzitter:

Dank u wel. Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:

Dan kom ik bij de heer Krol. Ik ben nog steeds van mening dat leeftijdsdiscriminatie niet in het Wetboek van Strafrecht moet worden opgenomen. De wetgever heeft bij het ontwerpen van de strafbepalingen op het gebied van discriminatie van groepen als uitgangspunt genomen dat daarmee terughoudendheid moet worden betracht. In mijn brief van 5 december 2017 heb ik nog eens de achterliggende motieven daarvoor aan u uiteengezet en die wil ik hier niet weer in extenso gaan herhalen, met excuses aan de zaal en de kijkers thuis. Maar het is een brief van 5 december 2017, en daar zijn dus redenen voor.

Iets anders is natuurlijk dat niet alleen de samenleving in voldoende mate corrigerend kan en zal reageren op vormen van discriminatie die niet zozeer strafbaar als wel verboden zijn, en dat juist als het gaat om kwetsbare groepen of een kwetsbaar individu, het Openbaar Ministerie die wel degelijk meerekent in zijn strafeis en de rechter idem dito in zijn beoordeling van de zaak.

Voorzitter. Dan zijn er nog een paar losse punten die ik snel zal doen. Filmen van hulpbehoevende mensen: ik heb inmiddels al een aantal keren duidelijk gemaakt dat ik dat buitengewoon kwalijk vind. Het is in strijd met de privacy van de slachtoffers, maar ook in strijd met de privacy van de hulpverleners, want het zijn enorm kwetsbare momenten voor de slachtoffers en ook voor de hulpverleners. Het zijn momenten waarop je heel geconcentreerd aan de slag bent onder stressvolle omstandigheden. Zoals u heeft kunnen vaststellen, heeft de politie het afgelopen weekeinde bij een ongeluk mensen bij wie maar enigszins zichtbaar was dat ze filmden, expres op de bon geslingerd. Ik heb zelf overigens afgelopen weekend nog gereageerd op de nu gereedkomende bijzondere camerasoftware die het OM gaat inzetten om het werken met de telefoon achter het stuur nog veel beter te detecteren. Dus ik denk dat dit allemaal heel duidelijk is.

Het lid Van Toorenburg heeft al enige tijd geleden een initiatiefwetsvoorstel aangekondigd waarin het publiceren van dat soort beelden strafbaar wordt gesteld. Ik ben daarover met haar in gesprek gegaan. Ik begrijp dat mevrouw Buitenweg nu een voorstel zou willen doen dat ertoe strekt dat het filmen zelf strafbaar wordt. Dat kan ik op zichzelf alleen maar ondersteunen. Ik heb zelf een heleboel andere wetsvoorstellen ingediend of ben daarmee bezig. Dus ik zie het als positief dat er ook vanuit de Kamer initiatiefvoorstellen komen. Ik wil afsluiten met te zeggen – het kan niet genoeg gezegd worden en premier Rutte heeft het vandaag ook nog op zijn Instagramaccount aangegeven – dat ik het gewoon verwerpelijk vind dat je filmbeelden staat te maken van mensen, slachtoffers of anderszins, die in een stressvolle situatie zitten.

Ten slotte, voorzitter, heb ik nog twee dingetjes en dan ben ik er echt doorheen. Het witwassen van de heer Van Oosten, althans de vraag die hij daarover had. Nee, ik bedoel echt de vraag of dat witwassen krachtiger en meer aan de voorkant moet gebeuren. Ik ben het helemaal met de heer Van Oosten eens dat we dat heel erg aan de voorkant moeten aanpakken en in samenwerkingsverbanden. Dat komt ook binnen de aanpak Ondermijning. Binnenkort informeer ik uw Kamer over de actuele stand van zaken met betrekking tot het 100 miljoenfonds. Ik kan u verzekeren dat dit punt dan ook zeker aan de orde komt.

De heer Van Oosten (VVD):

Dat is goed. Ik ben ervan overtuigd dat we niet voor het laatst zullen spreken over ondermijningsvraagstukken. Ik ben nu al een paar jaar bezig met dit thema. En ik wil zo graag klip-en-klaar van de Minister van Justitie en Veiligheid horen: meneer Van Oosten, maakt u zich niet druk, het is inmiddels de standaardprocedure dat bij dit soort zware misdaadvormen aan de voorkant wordt nagedacht door de verschillende overheidsdiensten, Belastingdienst, OM, politie en misschien nog wel andere, over wie aan zet moet zijn om die slag te slaan en die crimineel aan te pakken en het geld af te nemen. Is dat nou de standaardprocedure? Ik weet dat er heel veel goede voorbeelden zijn, maar is het nu gewoon de standaardprocedure? Dat zou ik zo graag willen.

Minister Grapperhaus:

Ja, kan ik alleen maar zeggen.

De voorzitter:

Kijk, dat was bondig.

Minister Grapperhaus:

Ja, dan kan ik de volgende misschien weer wat langdradiger doen. De heer Van Dam had een vraag over de toestand van het Openbaar Ministerie. Ik wil er dit over zeggen. Vandaag is bekendgemaakt dat twee hoofdofficieren een overstap maken naar de rechterlijke macht. Dat is een door beiden gewenste carrièrestap en ik begrijp heel goed dat ze op een gegeven moment na een aantal jaren zo'n stap willen zetten. Dus dat is alleszins respectabel. Ik kan u ook zeggen dat door het college al langer over zo'n stap wordt gesproken met betrokkenen en dat het gewoon past binnen het mobiliteitsbeleid. Dus we moeten ons daar niet ineens zorgen over gaan maken.

Iets anders is dat ik zal reflecteren op de vraag of er sprake is van bovengemiddeld of abnormaal veel vertrekkende hoofdofficieren, wanneer de commissie-Fokkens komt met de bevindingen van haar onderzoek, een onafhankelijk onderzoek dat zoals u weet in juni van dit jaar geïnitieerd is door het College van pg's. En als dat al zo is, zal ik natuurlijk in ieder geval bekijken hoe we dat op een goede manier aanpakken en dat met uw Kamer bespreken.

De heer Van Dam (CDA):

Ik zou het op prijs stellen als de Minister niet alleen reageert op de uitkomsten van sec het onderzoek door Fokkens, maar dat er in die brief ook aandacht wordt besteed aan de werkcultuur, de werksfeer, bij het Openbaar Ministerie en dat er aandacht wordt besteed aan de continuïteit in het management. Ik vind het toch heel wat dat er in relatief korte tijd iets van vijf hoofdofficieren stoppen of wat anders gaan doen.

Minister Grapperhaus:

Nogmaals, over dat getalsmatige zeg ik dat dat ook gewoon kan door omstandigheden waarvoor geen bijzondere achtergrond is, maar die net zo uitkomen. Behalve het voorbeeld van die twee mensen van vandaag ga ik daar nu verder niets over zeggen. Maar iets anders is dat het onafhankelijke onderzoek door de commissie-Fokkens is geïnitieerd door het college zelf, overigens met instemming van mijn kant. Dus de onderzoeksopdracht aan de commissie-Fokkens is wat hij is. Maar ik zeg u hierbij toe dat ik in ieder geval waar dat aan orde is, zal ingaan op punten die de vraag betreffen of er in een organisatie meer mensen dan normaal vertrekken vanwege bijzondere, de werksfeer betreffende omstandigheden.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik vervolgens het woord aan de Minister voor Rechtsbescherming.

Minister Dekker:

Voorzitter, misschien is het goed dat ik aangeef welke onderwerpen ik zal behandelen. Ik wil beginnen met het algemene punt rond recidive. Daarover zijn een aantal vragen gesteld. In het kielzog daarvan zeg ik het een en ander over het leren van de Nederlandse taal in detentie. Dan heb ik een hele trits van wat kleinere onderwerpen: executie van vonnissen in relatie tot onvindbaren, het thema van emigratie tijdens vi naar aanleiding van de casus-Van der G., datalekken en de zorgen daarom, die ik overigens deel, de vragen over tbs en dan tot slot de rechtsbijstand.

Ik begin met de recidive of eigenlijk met de meer algemene vraag of we tevreden zijn met de cijfers en de resultaten uit de beleidsdoorlichting. In beginsel zou mijn antwoord daarop ja zijn. Over de periode 2002–2010 hebben we de ambitie van destijds om de recidive met 10 procentpunten terug te brengen, ruimschoots gehaald. Het geeft ook een doorkijkje naar 2012 en degenen die destijds zijn gestraft. Ook dat aantal blijft dalen. Maar bij recidive blijft het natuurlijk terugkijken, want voordat je er wat over kunt zeggen, ben je weer een aantal jaren verder. Dus er zit een vertraging in dat beleid, maar in de basis ben ik positief.

Het is natuurlijk de vraag in hoeverre het samenhangt met het beleid. Ik ben iets milder dan de onderzoekers die de beleidsdoorlichting hebben gedaan. Die zeggen – en misschien is dat ook wel terecht vanuit hun rol – dat het eigenlijk niet bewezen is, want de causaliteit is moeilijk vast te stellen. En dan zeg ik: dat klopt wel, maar er liggen ook veel onderzoeken aan ten grondslag die het aannemelijk maken dat het beleid een gunstige bijdrage heeft geleverd aan de daling van recidive. Vanuit de theorie weten we ook het een en ander over de elementen die een positieve bijdrage leveren aan het terugdringen van recidive.

Dat gezegd hebbende, zeg ik in de richting van mevrouw Buitenweg dat we ook bezig zijn om te kijken of we het bij nieuwe initiatieven steeds zo kunnen vormgeven dat we zo goed mogelijk gefundeerd uitspraken over succes kunnen doen. Neem bijvoorbeeld het initiatief van de kleinschalige voorzieningen dat nu nog loopt in Amsterdam, waar mevrouw Buitenweg volgens mij aan refereert. Je zou daar op termijn heel graag iets over willen zeggen met betrekking tot recidive. Overigens ben je dan wel weer een aantal jaren verder. Je probeert daar een aantal evaluatiebepalingen, een aantal onderzoeken, omheen te zetten die je zo veel mogelijk meegeven over hoe dat uitpakt. Het is nu gewoonweg nog te vroeg om wat te zeggen over recidive, want daar gaat nog tijd overheen. Als je dat nog niet hard kunt vaststellen, als je dat überhaupt al kan doen, vind ik het wel belangrijk dat je kijkt hoe goed het onderbouwd is. Daaraan ligt een onderzoek of een regioplan ten grondslag, dat aangeeft dat de aanpak theoretisch goed in elkaar zit als je kijkt naar de elementen die doorslaggevend zijn op recidive. Dus dat betekent dat er werkzame elementen in zitten, dat die vervolgens op een goede manier zijn geïmplementeerd en dat het daarmee een grote potentie heeft om impact te hebben. In termen van sociale wetenschap moet je het daar soms mee doen, het wordt dan «goed onderbouwd» genoemd. Dat is niet slecht en dan zijn we een heel eind.

De heer Van Nispen vroeg naar reclassering in gevangenissen als een van de onderdelen die een bijdrage kunnen leveren aan het verder terugdringen van recidive. Dat was een belangrijk onderdeel in de visie op het gevangeniswezen, de visie op gevangenisstraffen. Sinds het uitkomen daarvan zijn we begonnen met de implementatie van die maatregelen. Inmiddels komen er in elke penitentiaire inrichting regelmatig reclasseringswerkers over de vloer en we hebben met Reclassering Nederland de afspraak gemaakt om in gezamenlijkheid in kaart te brengen voor welke gedetineerde het effect van het werk van de reclassering het grootst is. Dat heeft ook met capaciteit te maken. Het is onmogelijk om voor alle gedetineerden de reclassering ten volle in te schakelen. Soms is ook de periode dat mensen in detentie zitten relatief kort. Maar we kunnen wel het een en ander, bijvoorbeeld bij het opstellen van de D&R-plannen en bij het goed screenen van de gedetineerden die we binnenkrijgen. Wat is er met hen aan de hand? Hoe zit het met de verschillende problematieken die ze mee naar binnen nemen, zoals verslaving, soms laagbegaafdheid of een verstandelijke beperking, noem maar op? Dan is natuurlijk de vraag hoe je dat gaat doen en waaruit je dat bekostigt. Er is in het regeerakkoord een aparte post vrijgemaakt van 20 miljoen die we juist voor het doel van recidivevermindering kunnen aanwenden.

Voorzitter. Dan kom ik bij een van de dingen die belangrijk kunnen zijn als je uit de gevangenis komt en weer naar buiten gaat, namelijk dat je de taal spreekt. De heer Rinus Otte haalde dat ook al aan in zijn interview. Dat weten we van de mensen die vanuit een bijstandsuitkering op een gegeven moment weer aan de slag willen, maar voor gedetineerden geldt dat natuurlijk net zo. De heer Van Oosten vroeg of die 40% klopt. We houden dat niet precies bij, dus ik kan het niet exact verifiëren. Maar dat taal een probleem is bij veel gedetineerden kan ik uit eigen ervaringen wel meegeven. Bij gesprekken die ik voer, ook gewoon gesprekken met gedetineerden, zie je dat niet iedereen even taalvaardig is. Daar wordt dan ook vanuit het gevangeniswezen nu al op ingezet, bijvoorbeeld met de Taalmeter die test wat iemands vermogen is en of er vermoedens van laaggeletterdheid zijn. Vervolgens zijn er verschillende programma's om daaraan te werken.

De heer Van Oosten wil nog een stapje verdergaan. Die zegt: kun je dat niet verplichten en zijn er andere landen in Europa die dat doen? Dat laatste weet ik niet; dat zou ik moeten nagaan. Maar ik zie wel mogelijkheden om daar in de toekomst verplichtender mee om te gaan dan nu het geval is. Ik vind dat wel in lijn met de visie op gevangenisstraffen die we in het voorjaar hebben gepresenteerd. Een van de dingen daarin was dat we re-integratie en het gedrag in gevangenissen minder vrijblijvend gaan maken. Ik kan me goed voorstellen dat we bijvoorbeeld de Nederlandse taal als een van de gedragsdoelen meenemen in die re-integratie- en detentieplannen. Dan kunnen we afspraken met gedetineerden maken dat dit een van de doelen is waaraan we gaan werken. En net zo goed als bij een aantal andere doelen, bijvoorbeeld arbeid of werken aan het terugdringen van je verslaving, verwacht ik dan ook dat een gedetineerde meewerkt. Als dat niet het geval is, heeft dat ook weer invloed op de vrijheden die hij in de toekomst kan krijgen. Ik denk dat dat een manier is om daar wat gestructureerder aan te werken.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik vroeg me af hoe de Minister dit precies voor zich ziet. Volgens mij is er fors bezuinigd op een flink aantal zaken, ook bijvoorbeeld op de bibliotheken. We weten allemaal dat de werkdruk, in ieder geval van het gevangenispersoneel, enorm is. We weten dat het aantal laagbegaafden in de gevangenis ook enorm is. Welke manier of intensivering of welk programma heeft de Minister op het oog om te zorgen dat er meer onderwijs in gevangenissen is? Of is het een LOI-cursus?

Minister Dekker:

Er verandert het een en ander met de bibliotheken, omdat ook in gevangenissen het een en ander steeds digitaler wordt. Maar het is niet zo dat er helemaal geen tijd is voor opleiding en arbeid in gevangenissen. Die is er wel degelijk. Op het gebied van laaggeletterdheid werken we nauw samen met Stichting Lezen & Schrijven. Verder is in iedere inrichting Nederlands lesmateriaal beschikbaar, zowel fysiek als online, en gedetineerden kunnen tussen de een en zeven uur per week begeleid de Nederlandse taal leren, natuurlijk bovenop de aanwezige mogelijkheden voor zelfstudie. Maar het is nu nog vrijblijvend. Ik begrijp de richting die de heer Van Oosten op wil. Die spreekt mij heel erg aan, omdat die uitgaat van meer gestructureerd werken aan iemands re-integratie. Je kunt kijken of je dat ook in het detentieplan een plek kunt geven door daaraan een voorwaarde te stellen.

De voorzitter:

Ik wijs u erop dat over drie weken het AO Gevangeniswezen nog komt. Dus, ja? Het is niet om u meteen af te schrikken, maar... Meneer Van Oosten nog.

De heer Van Oosten (VVD):

Ja, daar gaat dan mijn vraag over. Ik ben vreselijk blij met de toezegging van de Minister. Ik zeg «verplicht», de Minister zegt «verplichtender». Ik snap dat we elkaar daarin even moeten zien te vinden. Is het mogelijk dat we in aanloop naar dat AO Gevangeniswezen van de Minister misschien een korte uiteenzetting krijgen hoe hij dit precies gaat vormgeven? Dat zou mijn idee zijn. Ik snap wel dat er collega's zijn die daarbij dan ook weer vragen hebben. Dat begrijp ik goed. Mijn doel is om te voorkomen dat er nieuwe slachtoffers vallen en in dat AO kunnen we er dan nog wat uitgebreider over spreken.

De voorzitter:

Ja, dank u wel. Gaat u verder.

Minister Dekker:

Voorzitter, dat lijkt me een uitstekende suggestie. Ik schrijf u een korte brief in aanloop naar het AO.

De voorzitter:

Mijnheer Van Nispen. Even voor de orde, denk ik.

De heer Van Nispen (SP):

Ik wil graag dat de Minister in die brief meeneemt wat voor aanbod er nu is. Voordat je het moet hebben over «minder vrijblijvend» – daar wil ik best over meedenken – wil ik wel weten of het nu al zo is dat iedereen die de taal niet leert, die wel kán leren. Dat wil ik eigenlijk ook weten als het gaat om arbeid, om onderwijs et cetera. Dus, voordat we gaan nadenken over het minder vrijblijvend maken van dingen, wat is nu het aanbod?

De voorzitter:

Dat kan misschien in de brief.

Minister Dekker:

Voorzitter, dat zal ik doen. Dan loop ik een aantal van de losse onderwerpen langs. De heer Groothuizen vroeg naar de executie van vonnissen. Ik ben het volledig met hem eens. De woorden die hij sprak, zou ik zo kunnen herhalen: als een vonnis wordt opgelegd voor het rechtsgevoel en voor het vertrouwen in de rechtsstaat, moet de straf ook worden uitgevoerd. En ik constateer dat de executie in het verleden niet altijd bovenaan de lijst stond. Ik wil daar verandering in brengen, onder andere met het hele programma Onvindbaren.

De heer Groothuizen vroeg waar we dat terugzien en of je, net zoals je op zoek bent naar verdachten, ook mensen, burgers kunt inzetten in de zoektocht naar onvindbare veroordeelden. Ik vind dat een hele goede suggestie. Sterker nog, we zijn er op dit moment mee aan de slag en maken daarover afspraken met het Openbaar Ministerie en met de politie. Zo wordt binnenkort Opsporing Verzocht ook ingezet voor onvindbare veroordeelden met een zware straf. Het gezamenlijke opsporingsverband FAST en het landelijke team Opsporingscommunicatie hebben zich als doel gesteld om het komende seizoen van het programma daar per aflevering een zaak voor te dragen. Het gaat dan om zaken met openstaande straffen van meer dan 300 jaar. Dus ik wacht met spanning af, maar de plannen...

De voorzitter:

Pardon. U zei 300 jaar?

Minister Dekker:

Sorry, 300 dagen. Excuus. Daarnaast worden er ook cases verzameld voor de inzet van andere vormen van publiekscampagne en media, bijvoorbeeld via Facebook, zodat je bij wijze van spreken meer gericht kunt werken. Je kunt dat dan doen met locatie. We weten allemaal hoe dat is. Als je een locatie bepaalt, kun je ook via dat soort vormen van targetting en advertising heel gericht burgers benaderen in een bepaalde stad, als je het vermoeden hebt dat iemand daar zit.

De voorzitter:

Mijnheer Groothuizen.

De heer Groothuizen (D66):

Dank u wel, voorzitter. Dat is goed nieuws. Ik denk inderdaad dat we op die manier stappen kunnen zetten. Dus ik ben blij dat de Minister daarmee aan de slag gaat. Ik heb daar wel twee vragen over. Zit in het programma ook dat we gaan kijken wat we in het buitenland kunnen? We weten allemaal dat er nog weleens wat mensen in het buitenland zoek zijn, in Spanje of andere landen. Ik denk dat we daar winst kunnen boeken. Volgens mij zijn er weinig landen waar ze niet aan dit soort programma's doen. Ik heb ineens de naam van het Duitse programma in mijn hoofd, maar die ga ik hier niet zeggen. Als we mensen in uitzendingen brengen, is dan ook geborgd dat aan de achterkant voldoende mensen beschikbaar zijn om tips die leiden tot een mogelijke vindplaats uit te rechercheren? Dat is wel een vereiste. Dat is vaak ingewikkeld bij organisaties: je haalt een hoop informatie binnen, maar vervolgens doe je er niks mee. Is een en ander dan gegarandeerd?

Minister Dekker:

Dat eerste neem ik mee in die verkenning. Ik weet niet wat de afspraken tussen het Openbaar Ministerie en de politie zijn. Hetzelfde doet zich natuurlijk voor bij verdachten in het buitenland. Ik zie daarmee wel parallellen. Het tweede ben ik helemaal met u eens. Als je op televisie brengt dat je iemand zoekt en er komen vervolgens tips, moet je er wat mee kunnen doen. Daarom brengen we ook niet tien gevallen per aflevering, maar is het idee om per aflevering één geval te brengen. En dan moet er natuurlijk een goede achtervang zijn om aan tips follow-up te geven.

Voorzitter. Er waren vragen over, of eigenlijk naar aanleiding van, de zaak-Van der G. Er werden vragen gesteld over het nakomen van verplichtingen. Ik heb al eerder gezegd dat ik blij ben dat er weer een meldplicht is, want die was door de rechter tijdelijk opgeschort. Het Openbaar Ministerie zegt hiermee uit de voeten te kunnen. Daar ben ik blij om. Dat betekent ook dat als Van der G. zich niet houdt aan zijn meldplicht, het Openbaar Ministerie een vordering kan indienen bij de rechtbank om de resterende straf te herroepen. Ten aanzien van eventuele wensen van Van der G. om te emigreren, kan ik slechts zeggen dat dat pas aan de hand is wanneer er een concreet voornemen is en dat alsdan moet worden beantwoord, als het zich überhaupt voordoet voor het einde van de vi-periode in 2020.

Meer in zijn algemeenheid is de vraag of het is toegestaan om te emigreren als je onder toezicht staat. Daar kan ik in algemene zin van stellen dat een veroordeelde gedurende zijn vi-periode gebonden is aan voorwaarden en dus meestal onder reclasseringstoezicht staat. Dat maakt dat die veroordeelde tijdens die periode in principe in Nederland moet blijven. Vaak kan aan de bijzondere voorwaarden simpelweg niet voldaan worden als je ergens anders bent. De voorwaarden variëren natuurlijk nogal. Mocht blijken dat je wel aan je voorwaarden kunt voldoen, dan zijn er twee mogelijkheden om onder heel specifieke omstandigheden tijdens de uitvoer van de straf te verhuizen. In de eerste plaats zelfstandig, maar dan alleen als vanuit Nederland het toezicht kan worden ingevuld, de opgelegde voorwaarden iemand niet verplichten om in Nederland te blijven en de veroordeelde zich aan die voorwaarden blijft houden. Dat kan soms betekenen dat iemand net aan de andere kant van de grens in België of in Duitsland woont, daar bijvoorbeeld ook werk heeft, maar wel aan het Nederlandse toezicht kan voldoen. Dat kan per land verschillen. De tweede mogelijkheid is door overdracht van de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijk vonnis. Daarmee moeten de Nederlandse autoriteiten die belast zijn met uitvoering van het vonnis expliciet instemmen. Vaak is ook instemming van een ander land nodig. Dat land moet dan immers de uitspraak gaan uitvoeren. Daarbij wordt onder andere gekeken naar de binding van de betrokkene met het land waar hij naartoe wil. Hiervan is vaak sprake wanneer het gaat om gedetineerden met een niet-Nederlandse nationaliteit. Dat zijn beide uitzonderingen.

Dan het punt van het datalekken rond het advocatencontact. Ik heb u gisteren onmiddellijk een brief gestuurd. Ook ik ben geschrokken van het signaal dat wij binnenkregen vanuit de NOvA. Ik heb volgens mij in niet mis te verstane bewoordingen aangegeven dat ik de fout onacceptabel vind. Ik heb overigens geen enkele aanwijzing dat daarbij opzet in het spel is, zeg ik in de richting van de heer Van Nispen. Ik vind dat de fout onafhankelijk onderzocht moet worden en ik wil samen met de NOvA kijken op welke manier dat kan, ook omdat bij de inrichting van dit systeem destijds in gezamenlijkheid in een convenant afspraken zijn gemaakt, ook over de auditing van dit systeem. Bij mij rijst onmiddellijk de vraag hoe het kan dat als er iets fout zit, dat toen niet aan het licht is gekomen. Dat moet ik echt samen met de NOvA doen. Ik kan toezeggen dat ik u een brief stuur vlak voor het AO over het gevangeniswezen om aan te geven of we eruit zijn of waar we staan.

Voorzitter. Dan de tbs-verloven. Ik begrijp heel goed dat de boodschap dat een tbs-gestelde met verlof gaat voor nabestaanden en slachtoffers een enorme impact heeft en ook confronterend kan zijn. Tegelijkertijd is de tbs-maatregel een waardevol instrument. Ik kan niet anders dan constateren dat als je tbs afzet tegen het reguliere gevangeniswezen, de recidivepercentages beduidend lager liggen. Dat komt omdat de tbs-maatregelen erop gericht zijn dat iemand een behandeling krijgt en dat herhaling zo veel mogelijk wordt voorkomen. Onderdeel van die behandeling is het stapsgewijs toewerken naar verlof. Als je geen tbs zou hebben, zouden dat soort mensen eigenlijk al op vrije voeten zijn. En dat zijn ze niet. Dat verlof gebeurt heel zorgvuldig en stapsgewijs. Aan elke beslissing over verlof liggen adviezen van de behandelende kliniek ten grondslag. Bovendien is er een toetsing door het Adviescollege Verloftoetsing Tbs. Daarin zitten psychiaters en het heeft een onafhankelijke rechter als voorzitter. De adviezen zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderbouwde risicotaxatie-instrumenten waar ook slachtofferonderzoek deel van uitmaakt.

De heer Markuszower stelde de vraag hoe het kan dat er meestal positief wordt geoordeeld. Dat heeft ermee te maken dat klinieken pas een aanvraag doen voor een verlof als zij zelf al een strenge toetsing hebben gedaan. Met andere woorden: zij weten hoe het Avt toetst en waar het rekening mee houdt en ze gaan zelf natuurlijk ook niet lichtzinnig te werk. Ik vind het goed dat we het in Nederland niet alleen maar overlaten aan de kliniek, maar dat er nog eens een keer een tweede check plaatsvindt. Dat doen we met het Avt. Als een tbs-gestelde met verlof gaat, worden slachtoffers en nabestaanden desgewenst geïnformeerd. Adviezen die worden voorgelegd, worden in beginsel ook overgenomen.

Voorzitter. Mijn voorstel is dat als er vragen zijn over de specifieke casussen die afgelopen week in het nieuws zijn geweest, ik die schriftelijk beantwoord. Daar heeft de heer Markuszower ook naar gevraagd tijdens de regeling en dan kan ik die brief voor het AO Gevangeniswezen naar u toesturen.

Tot slot, de rechtsbijstand. De heer Van Dam haalt terecht het punt over rechtsbijstand bij ZSM-zaken aan. Ik vind het belangrijk, ook voor de rechtsbescherming, dat daar een goede vorm van rechtsbijstand plaatsvindt. We moeten kritisch bekijken op welke manier we dat precies gaan invullen. Mijn voorganger heeft daar het een en ander over gezegd, bijvoorbeeld dat het doen van afstand van een advocaat niet wettelijk verplicht is. Ook als het gaat om het Salduzconsult kun je kritisch kijken naar de manier waarop er invulling wordt gegeven, of dat door een advocaat moet gebeuren of anderszins kan. Ik wil dit graag betrekken in een bredere herziening en in een discussie rond de rechtsbijstand, over hoe we zorgen voor goede rechtsbijstand en een advocaat waar dat echt nodig is. Dat vind ik belangrijk, maar ik wil ook kijken naar andere en lichtere vormen van rechtsbijstand waar dat mogelijk is. Ik hoop u daarover voor de begrotingsbehandeling van Justitie nog een brief te sturen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is er nog een interruptie van... Ik weet niet wie er eerst was. Ik denk mijnheer Van Dam.

De heer Van Dam (CDA):

Meestal is de heer Groothuizen eerder, maar deze keer was ik dat. Naar aanleiding van de opmerking over de rechtsbijstand vraag ik expliciet aan de Minister of hij opnieuw wil kijken naar de standpunten die tot nu toe zijn ingenomen. Ik weet dat afstand van een advocaat door zijn voorganger is besproken, dan wel dat dit in de pilots als standpunt is ingenomen.

Ik maak een beetje misbruik van deze interruptie en vraag de Staatssecretaris of hij ten aanzien van de casus-Van der G. kan zeggen of die nu wel of niet in die nieuwe Wet voorwaardelijke invrijheidstelling wordt meegenomen. Misschien mag ik hem er nog even aan herinneren dat hij daarover nog een antwoord aan mij schuldig is.

Minister Dekker:

De pilots die nu lopen zijn van voor de tijd dat we spraken over een herziening van de rechtsbijstand. Ik vind dat we die nu niet terstond moeten afbreken, maar dat we daar in de herziening straks kritisch naar moeten kijken. Ik denk dat dit in lijn is met wat de heer Van Dam vraagt.

De tweede vraag gaat over vi en of er in het wetsvoorstel aanvullende eisen voor emigratie moeten komen. Ik acht dat niet onmiddellijk noodzakelijk, omdat het belangrijkste is dat iemand die in vi zit zich houdt aan zijn voorwaarden en het Openbaar Ministerie op dit moment voldoende instrumenten en ruimte heeft om die voorwaarden af te dwingen. Het staat niet in het wetsvoorstel zoals het destijds in consultatie werd gegeven. Dit komt waarschijnlijk binnenkort naar de Kamer en misschien moeten we daar dan die discussie in bredere zin voeren. Ik zie niet onmiddellijk een noodzaak daartoe.

De heer Van Dam (CDA):

Het is ook niet zozeer de bedoeling dat het in dat wetsvoorstel, in de tekst van de wet, komt te staan. Ik kan me heel goed voorstellen dat de Minister in de memorie van toelichting of anderszins deze situatie duidt en dan wellicht langs de lijnen die hij in de Kamer aangeeft. Want de ervaring leert dat als zo'n zaak zich voordoet, zich voor je het weet andere zaken voordoen. Een tweede reden, die ik ook belangrijk vind, is dat ik er niet zo heel veel zin in heb om als zich een concrete casus voordoet, het weer over die casus te moeten hebben. Het zou gewoon fijn zijn als de Kamer los van een concrete casus over de regelgeving kan praten. Dat lijkt toch een frissere discussie dan wanneer zich weer iets op de voorkant van een krant afspeelt.

Minister Dekker:

Dat laatste ben ik helemaal met u eens. Ik vind dat ook de manier waarop we het debat zouden moeten voeren, niet incident- of casusgedreven maar op dat niveau. Dan rijst wel de vraag of de casus een onderliggend probleem heeft blootgelegd. Als u dat fijn vindt, wil ik nog best eens even ruggespraak voeren met het Openbaar Ministerie of dat het gevoel heeft dat de nieuwe wet hier voldoende in voorziet of dat die wellicht nog tekortschiet. Ik heb in het voortraject geen signalen ontvangen dat het OM hier een probleem in ziet. Ik ga toch even af op die expertise, omdat zij degenen zijn die dat toezicht moeten vormgeven.

De heer Van Dam (CDA):

Daar kan ik mee leven.

De voorzitter:

De heer Groothuizen. Gaat uw gang.

De heer Groothuizen (D66):

Het kan zijn dat ik het even heb gemist, in welk geval ik met het schaamrood op de kaken de Handelingen erop zal nalezen, maar ik heb volgens mij het antwoord gemist op de vraag over de herziening en de problemen die optreden als bandopnames niet meer bestaan, als die vernietigd zijn, een zaak onherroepelijk is en in de aanwijzing wordt gezegd dat de bandopnames moeten worden vernietigd. Advocaten wijzen erop dat ze bij een herzieningsprocedure soms een punt willen maken over de verhoren en dat die bandopnames dan niet meer beschikbaar zijn. Misschien omdat ze vernietigd zijn, misschien omdat ze slecht zijn opgeslagen. Dat lijkt mij een reëel punt. Mijn vraag aan de Minister – ik moet eerlijk toegeven dat ik niet helemaal weet welke ik daarop moet aanspreken – is om hiernaar te kijken en desnoods met een aanpassing van regelgeving te komen.

Minister Dekker:

Mijn collega en ik gaan ook even kijken. Als het gaat om herziening in de ACAS hoort het bij de Hoge Raad en doe ik het, maar het gaat hier volgens mij om verhoor en de opslag daarvan en dat ligt meer in de lijn van de politie. Dan komt het in tweede termijn terug.

De voorzitter:

Wilt u er nog iets aan toevoegen?

Minister Grapperhaus:

Ja, ik kan er in ieder geval iets over zeggen. Het is even tussen Rechtsbescherming en Justitie en Veiligheid gevallen. Beleidsregels over opnames van verhoren komen uit de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren. Die kent de Kamer. De opnames worden opgeslagen bij de instantie die de verhoren auditief heeft geregistreerd. Bij de politie geldt sinds 2010 voor alle verhoren de opnameplicht. Als daarvan wordt afgeweken, moet er een proces-verbaal worden opgemaakt met daarin de reden van afwijking en de manier waarop het verhoor dan wel geregistreerd is. De vooropnamen die in de database bij de politie zijn opgeslagen, zijn daar ook in terug te vinden. Bij iedere politie-eenheid is er een beheerder voor het AVR, dat auditief en audiovisueel register, die verantwoordelijk is voor het terugvinden van de verhooropnamen in de AVR-database als daarom verzocht wordt. Dus vanaf 2010 zou in beginsel alles er moeten zijn.

De heer Groothuizen (D66):

Als dat zo is, zou dat goed nieuws zijn, ware het niet dat ik, toen ik de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten erop nasloeg, onder d de zinsnede aantrof dat als er een opsporingsonderzoek is geweest en de uitspraak onherroepelijk is geworden, er vernietigd moet worden. Dat is volgens mij bijvoorbeeld als je cassatie instelt onmiddellijk nadat een cassatieberoep ongegrond is verklaard. Dat zou de mogelijkheid openhouden dat er op dat moment vernietigd wordt. Als dat niet zo is, ben ik gerustgesteld en hebben we misschien alleen een probleem in oude zaken, dat we definitief kunnen herstellen, maar misschien zit hier toch een kleine nuance in. Dan laat ik mij graag voorlichten over de precieze betekenis van die zinsnede.

Minister Grapperhaus:

Ik zal u een genuanceerde brief over die nuance schrijven.

De heer Groothuizen (D66):

Daar kan ik alleen maar blij mee zijn.

De voorzitter:

De heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Ik ben ook erg voor genuanceerde brieven. We krijgen nog uitgebreide brieven over justitiële dwalingen, omdat er een beleidsreactie komt over de Wet hervorming herziening ten voordele. Ik vind het fijn als dit daarin terugkomt. Ik vond het een goed punt van collega Groothuizen, maar wil terug naar het punt van de rechtsbijstand bij ZSM, maar ook de rechtsbijstand bij het politieverhoor. Ik stelde dat al op voorhand de boodschap is dat er geen cent bij komt, maar dat er wel nader onderzoek gaat plaatsvinden. Ik vroeg mij af wat dit voor basis biedt voor het herstel van vertrouwen van de advocatuur in het ministerie, als op voorhand al de boodschap is dat we wel nader onderzoek gaan doen, maar er uiteindelijk geen cent bij komt. Hoe draagt dat bij aan het vertrouwen van de advocaten in het ministerie?

Minister Dekker:

Ik vind dat wij veel breder naar de rechtsbijstand moeten kijken. Als je kijkt naar wat Nederland uittrekt, bevinden we ons in de Europese top: ruim 400 miljoen aan rechtsbijstand. Dat is twee keer zoveel als de zuiderburen en drie keer zoveel als Duitsland. Ik vind alleen wel dat we het met dat beschikbare budget beter kunnen doen door te kijken waar rechtsbijstand echt nodig is en waar je op andere manieren problemen kunt oplossen, een beetje in lijn met wat de heer Van Dam vroeg. Moet je de rechtsbijstand bij het politieverhoor bijvoorbeeld door een advocaat laten doen of kan dat ook door een ander worden gedaan? Dat is de opgave waar we op dit moment voor staan in het kader van de herziening rechtsbijstand. Ik begrijp wel dat de heer Van Nispen vraagt waar de plannen blijven en of we nou eens met een brief komen. Nogmaals, ik hoop dat echt in de komende weken in aanloop naar de begroting te doen. Ik vermoed dat we er dan verder over zullen praten.

De heer Van Nispen (SP):

Voorzitter, met permissie heel kort. Kan de Minister toezeggen dat die brief er heel ruim voor de begroting is? Ik vind het prima om te horen dat het voor de begroting is, maar ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat over dit belangrijke onderwerp, waar al meer dan een jaar of eigenlijk de afgelopen jaren gedoe over is, de Minister niet precies weet of die brief aanstaande dinsdag komt, pas in de volgende ministerraad zit of de avond voor de begrotingsbehandeling naar de Kamer komt. Ik zou het erg op prijs stellen als de Minister iets meer duidelijkheid over deze belangrijke brief kan geven.

Minister Dekker:

Ik ga mijn best doen.

De heer Van Nispen (SP):

In tweede termijn dan.

De voorzitter:

Wat komt er in tweede termijn? Wat bedoelt u?

De heer Van Nispen (SP):

De Minister gaat zijn best doen om in tweede termijn meer duidelijkheid te geven wanneer die brief komt. Ik snap waar de Minister nu zijn best voor gaat doen.

De voorzitter:

Om die brief op tijd te sturen.

Goed. Ik kijk even of er behoefte is aan een tweede termijn. Die is er. U heeft dan ruim een minuut. Daar wens ik u veel succes mee. Ik geef als eerste het woord aan de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Voorzitter. Ik begin met die meneer die mij een mail stuurde over zijn gestolen achterwiel en die toen hij thuiskwam twee mails kreeg «wij hebben het proces-verbaal geschreven» en meteen daarna «maar we gaan er niks mee doen». In antwoord daarop zei de Minister van Justitie en Veiligheid: ik ben in Apeldoorn geweest en daar hebben we heel goede voorbeelden van hoe men communiceert met de burger; ook via social media communiceren we tegenwoordig heel goed met de burger. Als ik die meneer antwoord «beste meneer van het gestolen achterwiel van wie meteen het proces-verbaal in de prullenbak is gegooid; gaat u vooral in Apeldoorn kijken», dan is dat natuurlijk geen antwoord. Ik waardeer het antwoord van de Minister, er wordt ook heel veel goed werk gedaan door alle betrokken politieagenten, maar vanaf wanneer is nou de situatie beëindigd dat iemand die aangifte doet per direct de boodschap krijgt dat men niks gaat doen om zijn zaak op te lossen? Dat is de heel concrete vraag die ik stel.

Ten tweede. De Minister zei dat de samenleving moet kunnen vertrouwen op rechtvaardigheid en optreden van de overheid. Dat is zo. Alleen is dat nu niet het geval. Dat komt door de staat van de strafrechtketen: politie, OM, NFI, rechtspraak. Mensen kunnen er nu niet op vertrouwen dat hun zaak wordt opgepakt, dat hun zaak wordt onderzocht en dat de bijbehorende crimineel wordt opgespoord, vervolgd en in de gevangenis wordt gezet. Het is echt een noodkreet van jewelste vanuit de hele organisatie. Als de Minister zegt dat hij focust op de doorlooptijden, maar ik niet hoor dat er extra capaciteit nodig is, vind ik dat nog steeds moeilijk te begrijpen. Ik wil dat de Minister in de brief die hij heeft toegezegd aan de Kamer, waaruit onder andere blijkt dat er volgend jaar 20 miljoen extra bij komt voor het Openbaar Ministerie, inzichtelijk maakt welke bezuinigingen er de afgelopen jaren waren. Want dan pas kun je zien of de investering van bijvoorbeeld 20 miljoen in het Openbaar Ministerie enigszins voldoende kan zijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Er is een interruptie voor u van de heer Van Dam.

De heer Van Dam (CDA):

Ik wil aan de heer Van Nispen vragen wat dan wel goed zou zijn. Dat iedere aangifte opgepakt wordt in Nederland? Dat zou heel ideaal zijn. Wij kennen in Nederland het opportuniteitsbeginsel en dat er keuzes worden gemaakt in wat je wel en wat je niet doet. We hebben het daar in het plenaire debat naar aanleiding van een motie van de heer Hiddema ook weleens over gehad. Die wilde het Duitse systeem van het legaliteitsbeginsel invoeren dat iedere zaak moet worden opgepakt. Ik begrijp heel goed dat u die wat trieste casus aanhaalt van mensen die het sepot eerder ontvangen dan zij zelf thuis zijn. Dat is natuurlijk een heel nare situatie. Maar wat is uw ambitie hierin? Moet er meer opgespoord worden? Moet alles opgespoord worden? Ik wil daar een wat realistisch principe in hebben.

De heer Van Nispen (SP):

Het eerlijke antwoord is dat het realistisch is dat we meer gaan opsporen, maar ook dat we dan meer moeten investeren in de strafrechtketen dan nu het geval is. Daarvoor zijn middelen in het regeerakkoord opgenomen. Ik vind dat zelf oprecht te weinig. Daar ga ik u ook niet voortdurend de maat over nemen. Het eerlijke antwoord is dat ik ook niet iedereen kan beloven dat altijd iedere zaak wordt opgespoord. Maar ik vind het wel schrijnend dat iemand aangifte doet, thuiskomt en een e-mail heeft dat er niks aan zijn zaak wordt gedaan. Dat is niet de manier waarop je met mensen omgaat. Dan hoort daar in ieder geval de uitleg bij waarom dat zo is, maar ik vind eigenlijk dat dat gewoon niet kan. Ik vraag dus aan de Ministers: wat gaan we eraan doen om dit soort signalen te verzamelen en niet direct te zeggen dat je niet gaat onderzoeken omdat je daar de capaciteit niet voor hebt? Dat kan volgens mij echt.

De heer Van Dam (CDA):

Het punt is een beetje dat we het telkens hebben over versnelling in de strafrechtketen. Stel nou dat iemand aangifte doet van iets en er nul opsporingsindicatie is. Het is met alle respect ook een feit dat de prioriteit der dingen maakt dat je moet kiezen tussen mensenhandel, prostitutie of zo'n zaak waarvan we in het opportuniteitsbeginsel zeggen dat we daar verder geen aandacht aan geven. Ik wil het niet al te negatief duiden, maar ik vind het wel ingewikkeld als we kennelijk voor de burger een tijdje moeten wachten voordat we die mail versturen. Ik begrijp hoe beroerd die door de burger wordt opgepakt, maar tegelijkertijd is het een vorm van eerlijkheid, passend bij de keuzes die in ons systeem gemaakt worden.

De voorzitter:

Mijnheer Van Nispen. Kort graag.

De heer Van Nispen (SP):

Ik geloof onmiddellijk dat het vanuit de politieagent voortkomt uit eerlijkheid en niet vanuit een intentie om naar te doen, maar je weet niet direct of er opsporingsindicaties zijn. Misschien worden er in diezelfde straat meer achterwielen gestolen en is er ergens wel een camera. Dat weet je op dat moment nog niet. Ik vind het heel erg zuur en moeilijk uit te leggen dat we per direct aan het slachtoffer laten weten dat we het sowieso niet gaan onderzoeken. Dat was mijn vraag aan de Minister: wanneer komt aan die situatie een einde?

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Groothuizen. Die ziet er vanaf. Mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dank u wel, meneer de voorzitter. Allereerst dank voor de beantwoording door de Ministers. Ik begrijp dat we nog in een brief lezen wat de uitkomst is van het overleg van de Minister met het OM over hoe de strafoplegging beter op elkaar afgestemd kan worden, zodat het niet meer zo is dat het OM elke keer een hogere straf oplegt dan je bij de rechter kan krijgen, waardoor er een perverse prikkel ontstaat. Veel dank daarvoor.

Nog één ding ten aanzien van ZSM. Aanvankelijk was er gekort op de rechtsbijstand, althans een deel van de begroting was even gereserveerd. Nu komt er alsnog een intensivering van de rechtsbijstand, maar die kan pas in 2020 overal bereikt worden. Waarom pas zo laat? Waarom kan dat niet nu, nu we daartoe hebben besloten?

Ten slotte: er zijn een aantal ophelderingspercentages benoemd. Hartstikke belangrijk. Bestaat dat voor bijna elk type delict en is er ook zo'n ophelderingspercentages voor bijvoorbeeld milieucriminaliteit? Dan zou ik dat graag ruim voor de begroting willen hebben.

De voorzitter:

Dank u wel. Mijnheer Markuszower.

De heer Markuszower (PVV):

Dank u wel, voorzitter. De Minister beantwoordde mijn vraag door te verwijzen naar schriftelijke antwoorden die hij wil geven. Op zich kan ik daarmee leven. Ik heb daar wel een aantal vragen over. Neemt hij dan wel al mijn vragen mee? Want in de regeling waarnaar de Minister verwees, had ik het slechts over één casus, maar een dag later bleek uit de media dat een tweede moordenaar werd vrijgelaten. In mijn bijdrage vandaag heb ik daar ook vragen over gesteld. En ik heb natuurlijk veel meer vragen gesteld.

Wanneer is de Minister van plan dat feitenrelaas over die twee moordenaars, serieverkrachters, naar de Kamer te sturen? Is de Minister bereid tot die tijd de verloven van die twee extreem gevaarlijke moordenaars en verkrachters in te trekken, dus tot de brief met de Kamer gedeeld is en de Kamer kan oordelen of het een onverstandige, zelfs gevaarlijke, beslissing was van de Minister? Ik ben van mening dat het gevaarlijk is dat deze mensen op verlof gaan en ben bang dat de Minister er niet goed naar heeft gekeken, want anders had hij dezelfde conclusie gehad als ik. Ik denk dus dat de Kamer mee moet kijken naar deze casus en daarna met de Minister van gedachten moet wisselen of het nou verstandig was. Ik vraag of de Minister tot die tijd het verlof van deze gevaarlijke mensen kan intrekken.

De voorzitter:

Dat gaan we zo horen. Mijnheer Van Oosten.

De heer Van Oosten (VVD):

Ik wil alleen nog een vraag stellen aan de Minister van Justitie en Veiligheid. We hadden het net even over de standaardprocedure waarbij de overheidsdiensten zo efficiënt mogelijk aan de voorkant bekijken hoe de criminaliteit de zwaarst mogelijke slag kan worden toegebracht. Het is natuurlijk van belang dat de Belastingdienst is aangehaakt. Ik krijg daar wat verschillende signalen over en vraag of de Minister met zijn collega van Belastingen wil opnemen of de Belastingdienst daar de facto in zit en bereid is om actief mee te denken. Ik hoop dat dat zo is. Is het mogelijk dat we daarover een korte terugkoppeling krijgen voorafgaand aan de begrotingsbehandeling? Dan kan ik daar eventueel op terugkomen als ik daar aanleiding toe zie.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Van Dam.

De heer Van Dam (CDA):

Ik heb nog een verduidelijkingvraag aan de Minister van Justitie en Veiligheid. Die geeft aan dat het strafrechtelijk ketenberaad op zeven processen of terreinen met nadere doelstellingen of normen komt, als ik hem goed begrijp. De commissie is in het kader van het rapporteurschap ook bezig met die strafrechtketen, dus ik zou het echt heel erg prettig vinden als op zo'n kort mogelijke termijn de nadere informatie daarover naar de Kamer gestuurd kan worden, dan wel dat helder wordt gemaakt dat het een langduriger traject is.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ten slotte de heer Krol.

De heer Krol (50PLUS):

Dank u, voorzitter. Dank ook aan de bewindslieden. Ik ben vandaag vooral blij met de toezegging die de Minister deed aan het adres van de heer Groothuizen van D66, namelijk om te kijken of er meer aandacht kan komen voor wat we vroeger het politiebericht noemde. Ik ben daar vooral blij om omdat ik daarover al op 13 december 2017 een motie heb ingediend, die door de toenmalige Minister is afgewezen. D66 stemde toen tegen, maar soms heeft een goed idee twee jaar tijd nodig om te rijpen. Vandaar dat ik nog even terugkom op het verschil van mening dat ik heb met de andere Minister over de leeftijdsdiscriminatie. Dat werd al veel eerder door andere fracties bepleit, in 2010 al door mevrouw Halsema maar later ook door andere partijen. Ik zou heel graag vragen wat nu al de mogelijkheden zijn. Wordt er nu al iets gedaan voor hulpbehoevende mensen? Dan denk ik met name aan oudere slachtoffers. Kan de Minister ons daarover nader informeren? Een tweede vraag is: kan en wil de Minister ons helpen bij het zoeken naar het antwoord op de vraag wat de juridische mogelijkheden zijn om misdrijven gericht op hulpbehoevende mensen, waaronder veel ouderen, zwaarder te straffen?

De voorzitter:

Dank u wel. Ik kijk even naar de bewindspersonen. Kunnen die direct antwoorden?

Minister Grapperhaus:

Ja. De vraag van de heer van Nispen. Aangiftes worden zo snel mogelijk gescreend op de aanwezigheid van concrete opsporingsindicaties. Dat heb ik al in mijn eerste termijn gezegd. Ook het gewicht van de zaak is van belang. Als er geen opsporingsindicaties zijn en de zaak ook niet van een groot maatschappelijk gewicht is, zal de politie, zoals ook het lid Van Dam al heeft aangeroerd, toch moeten kijken naar de inzet van capaciteit en kan het zo zijn dat het niet effectief is om daar veel nader onderzoek naar te doen. Er wordt juist ingezet op aangiftes die kunnen leiden tot een kansrijke opsporing. Er zal altijd geprioriteerd moeten worden. Dat heb ik al eens bij een AO aangegeven. Dit kabinet zet in op structureel extra geld voor de politie en misdaadbestrijding en ook nog eens op extra geld op het punt van ondermijning en cybercrime, maar je zult op enig moment moeten kijken naar wat de prioriteiten zijn.

Dan de door de heer Van Nispen geschetste staat van de strafrechtketen. Ik heb een aantal dingen aangegeven over hoe het Bestuurlijk Ketenberaad kijkt naar betere afstemming, maar ik wil als laatste op dit punt toch echt zeggen dat alleen al de afname van het aantal high-impact crimes en het omhooggaan van het oplossingspercentage van die zaken aangeven dat het in een aantal opzichten op zichzelf goed gesteld is met de staat van de strafrechtketen. We moeten er nog steeds aan werken dat er meer verbetering in komt en dat doe ik ook.

Tegen mevrouw Buitenweg wil ik zeggen dat er niet voor elk type delict een ophelderingspercentage is. Voor milieudelicten in ieder geval niet, heb ik begrepen.

De voorzitter:

Mijnheer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

De Minister komt binnenkort met een overzicht van de investeringen. Komt daarin ook die 2 miljoen extra voor het OM voor komend jaar, zodat we dat te weten komen voor de begroting? Kan in dat overzicht ook komen te staan welke bezuinigingen er het afgelopen jaar op die organisaties zijn neergevallen, want dan kunnen we beter beoordelen of de investeringen voldoende zijn?

Minister Grapperhaus:

We moeten niet smokkelen met de tijd. Ik heb echt duidelijk gezegd dat de brief na de begroting komt. Het lijkt me dat we eerst in de begroting moeten vaststellen wat de definitieve posten zijn.

De heer Van Nispen (SP):

Dit vind ik heel raar, want als we een begroting bespreken, kunnen we niet blijven verwijzen naar een regeerakkoord dat er al meer dan een jaar ligt, waarin posten staan die nog steeds niet verdeeld zijn en die wel degelijk ook over volgend jaar gaan. Ik vraag de Minister om dat voor de begroting naar de Kamer te sturen, juist om een goed begrotingsdebat mogelijk te maken. Dan kunnen we kijken of we het daarmee eens zijn of dat er nog iets geschoven moet worden.

De voorzitter:

De Minister. Tot slot op dit punt.

Minister Grapperhaus:

Ik heb al aangegeven dat de brief over de uitwerking van de exacte verdeling van die strafrechtketengelden na de begroting komt en daar zal ik dan ook mee komen.

De heer Van Nispen (SP):

Nee.

De voorzitter:

U hebt andere middelen om de Minister te overtuigen als u het niet met elkaar eens bent.

De heer Van Nispen (SP):

Welke andere middelen dan?

De voorzitter:

Een motie, een VAO. Je kunt eindeloos doorgaan tot een van de twee toegeeft, maar dat zie ik eerlijk gezegd nog niet zo snel gebeuren.

De heer Van Nispen (SP):

De reden waarom ik dit punt maak, is dat de Minister vandaag zegt dat we 20 miljoen extra hebben voor de strafrechtketen en er 2 miljoen naar het OM gaat. Eerst zei hij dat er 20 miljoen naar het OM gaat, maar dat blijkt 2 miljoen te zijn. Volgende week hebben we een debat over het forensisch onderzoek. Dan gaat de Minister zeggen dat er extra geld is voor de strafrechtketen en dat een deel naar het NFI gaat. Ik moet dit toch goed kunnen beoordelen? Als ik mijn controlerende taak serieus wil nemen, niet alleen in dit debat maar ook in het debat volgende week over het forensisch onderzoek en zeker in het begrotingsdebat, dan moet ik toch weten waar ik het over heb en moet ik dit toch goed kunnen beoordelen? Voorzitter, zegt u er eens wat van.

De voorzitter:

Ik vind het lastig, maar ik zie wel dat u een zeker punt heeft, zeg ik eerlijk.

Minister Grapperhaus:

Was het een vraag aan mij? Ik dacht dat het een vraag aan u was, voorzitter.

De voorzitter:

Op het laatst wel, maar daarvoor was het twee keer een vraag aan u.

Minister Grapperhaus:

Laten we even beginnen bij het feit dat ik niet heb gezegd dat er van 20 miljoen 2 naar het OM gaan. Ik heb gezegd dat oplopend naar 2021 er voor extra capaciteit in de strafrechtketen een bedrag van 20 miljoen zal zijn. Ik heb uitdrukkelijk benoemd dat het in 2018 gaat om een bedrag van 5 miljoen waarvan 2 miljoen naar het OM gaat. En die 2 miljoen van die 5 miljoen heb ik zelfs geëxpliciteerd: dat is 40%. Dat heb ik allemaal gezegd. Dat is duidelijk en dat weten we nu. Ik heb u toegezegd dat ik, als de begroting is vastgesteld, kom met een brief hoe wij in de toekomstige jaren verdergaan met die verdeling van die structurele middelen, die dus in 2021 20 miljoen zijn.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter. Dan de vraag van de heer Van Oosten over de ontnemingen. Er wordt natuurlijk altijd gekeken naar de meest effectieve weg, strafrechtelijk, fiscaal en bestuurlijk. Ook als een partij niet aanwezig is, kan daar alsnog contact mee worden gezocht als daar aanleiding voor is. Maar het uitgangspunt is dat alle partijen, dus ook de FIOD respectievelijk de Belastingdienst, erbij betrokken worden waar dat zinvol is, als ze al niet als eerste partij betrokken zijn. Ik wil best toezeggen dat ik dat nog eens met collega Snel zal bestendigen voor de begroting. Ik vind het wat overdreven om dat in een brief te doen, maar zal u tijdens de begrotingsbehandeling desgevraagd daar nog wat over vertellen.

Dan de heer Krol. Toch nog even het punt wat de juridische mogelijkheden voor ouderen zijn. Strafbare feiten kunnen worden gemeld bij de politie. Discriminatie bijvoorbeeld bij de antidiscriminatievoorzieningen of bij het college. Ik heb het al gezegd: in een strafzaak zullen OM en rechter altijd kijken naar alle feiten en omstandigheden en weegt uiteraard de kwetsbaarheid mee. Dat kan zijn dat iemand heel jong of oud is, maar ook andere omstandigheden die maken dat iemand een kwetsbaar persoon is of de bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer.

Ten slotte wil ik de heer Van Nispen nog enigszins tegemoetkomen en hem wat zeggen over de meneer wiens achterwiel was gestolen. Excuus, ik ben even kwijt of het het voorwiel of het achterwiel was. Het achterwiel. Ik wilde daar nog dit over uitleggen: een aantal dingen wordt al in de praktijk gebracht, maar in Apeldoorn loopt een aantal pilots over hoe de politie de aangiftemethodieken voor de burger wil verbeteren en vereenvoudigen. De heer Van Nispen zou de meneer die hem hierover heeft aangeschreven erop kunnen wijzen dat de politie in ieder geval werkt aan een verbetering van allerlei aangifteprocessen, zodat burgers nog meer dan nu het geval is het gevoel hebben dat ze respons krijgen, even los van dat er misschien ten aanzien van dat achterwiel is gezegd dat er geen prioritering op staat.

De voorzitter:

De heer Van Dam had ook nog een vraag, maar ik weet niet wie van de bewindspersonen die gaat beantwoorden. Die ging over de doorlooptijden.

De heer Van Dam (CDA):

Over de zeven processen die benoemd waren en wanneer de Kamer daarover geïnformeerd wordt.

Minister Grapperhaus:

Dat zal begin volgend jaar zijn.

De voorzitter:

Begin volgend jaar. Ik verzin dat niet zelf, maar hoor de Minister.

Minister Grapperhaus:

Medio 2019, hoor ik.

De heer Van Dam (CDA):

Ik moet constateren dat ook de doorlooptijden van het formuleren van de doelen op de doorlooptijden voor verbetering vatbaar zijn. Maar ik zal mij daar politiek op beraden.

De voorzitter:

Doet u dat. Mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

We worden aan het eind van dit jaar meer geïnformeerd over het ketenberaad en de doorlooptijden. Dat gebeurt echt allemaal pas medio volgend jaar?

Minister Grapperhaus:

Om de doorlooptijd van deze bijeenkomst wat te versnellen, wil ik best tegen de heer Van Dam en mevrouw Buitenweg zeggen dat ik alles in het werk zal stellen om die termijn van medio volgend jaar naar voren te halen. Daar wil ik echt het nodige aan doen.

De heer Van Dam (CDA):

Is dan al wel bekend over welke zeven dingen het gaat? Of moet dat ook nog bedacht worden?

Minister Grapperhaus:

Die heb ik alle zeven benoemd.

De heer Van Dam (CDA):

Alle zeven benoemd. Dat is dan te snel gegaan voor mij.

De voorzitter:

Dat kunt u in alle rust nalezen.

De heer Van Dam (CDA):

Dat ga ik doen.

De voorzitter:

Er is Debat Gemist, het verslag.

We gaan naar de Minister voor Rechtsbescherming.

Minister Dekker:

Voorzitter. Om te beginnen het punt van mevrouw Buitenweg over de consultatiebijstand bij ZSM en de vraag waarom dat tot 2020 kost. Dat heeft ermee te maken dat het organiseren daarvan niet alleen financiële consequenties heeft, maar ook organisatorische consequenties voor Openbaar Ministerie, politie, noem maar op. Daarbij verschilt het heel erg van regio tot regio wat de uitgangspositie is als het gaat om de aantallen aangehouden verdachten, de ophoudlocaties, de geografische spreiding, aanrijtijden, soms ook huisvesting of ICT bij de politie, en noem het allemaal maar op. Dus dat vraagt enige tijd. Dit najaar is een projectbegeleider gestart om dit hele proces te faciliteren. Nu zijn politie, OM en advocatuur aan zet om per regio te bepalen hoe ze daar vorm aan willen geven. Met andere woorden: er wordt hard aan gewerkt, maar het is niet van vandaag op morgen geregeld.

Dan de heer Markuszower met de vragen over tbs. Dat waren er vier. De eerste vraag was: wanneer komt de brief? Dat heb ik al in eerste termijn gezegd, namelijk voor het AO van 29 november. Dan was de vraag of ik daar alle vragen over tbs in meeneem. Het antwoord is ja. Of dat ook gaat over de tweede casus? Het antwoord is ja. Of ik ook tot die tijd verloven ga intrekken? Het antwoord is nee. Dat heeft te maken met het feit dat ik zojuist al uitvoerig ben ingegaan op de zorgvuldige processen en alle afwegingen die gemaakt worden bij toekenningen, waarbij er niet over één nacht ijs wordt gegaan, maar er heel veel experts betrokken zijn om te kijken of en onder welke voorwaarden zoiets verantwoord is.

De voorzitter:

De heer Markuszower.

De heer Markuszower (PVV):

Alle vragen over tbs beantwoorden graag, maar vooral de vragen die ik in dit AO heb gesteld, dus misschien kunt u ze nalezen in de Handelingen. Ik heb misschien wel tien of twaalf vragen gesteld. Die gaan niet allemaal per se over de tbs-procedure. Ik stelde bijvoorbeeld ook de vraag of de Minister beseft dat hij zelf verantwoordelijk is als mensen, criminelen, worden vrijgelaten die vervolgens gaan moorden en verkrachten. Dat soort vragen zat ook in mijn inbreng en ik wil graag dat die vragen schriftelijk worden beantwoord.

Het tweede punt dat ik aan de voorzitter...

De voorzitter:

Als ik daarop even mag ingrijpen, dat gaan we niet doen wat mij betreft.

De heer Markuszower (PVV):

Niet doen?

De voorzitter:

Nee, dan had u na de eerste termijn even moeten zeggen welke vragen nog onbeantwoord waren. Zo doen we dat hier.

De heer Markuszower (PVV):

Ik heb dat ook net in mijn tweede termijn gezegd.

De voorzitter:

U heeft het net gezegd?

De heer Markuszower (PVV):

Dat heb ik net in mijn tweede termijn gezegd en toen was het antwoord dat die schriftelijk worden...

De voorzitter:

Ik weet niet of dat over deze vragen ging, maar ik kijk even naar de Minister.

Minister Dekker:

Het antwoord op deze vragen is vrij eenvoudig. Of ik verantwoordelijk ben? Ja, ik ben verantwoordelijk voor het hele stelsel en alles wat er gebeurt, ook als er dingen niet goed gaan.

De heer Markuszower (PVV):

Dan een vraag aan de voorzitter. Nu ik hoor van de Minister dat hij niet bereid is om die verloven, met name van die twee extreem gevaarlijke moordenaars, serieverkrachters, in te trekken tot wij hebben gewisseld of dat inderdaad een verstandige beslissing van de Minister was, wil ik graag een VAO aanvragen.

De voorzitter:

Dat is genoteerd. Gaat u verder. Of was u al klaar?

Daarmee komen we bijna aan het einde van dit algemeen overleg. U heeft een succesvol overleg gehad, want er zijn maar liefst elf toezeggingen en die ga ik nu even met u doornemen, want het is van belang om te zien of iedereen daar dezelfde beleving bij heeft.

  • De Minister van Justitie en Veiligheid informeert de Kamer na de begrotingsbehandeling over de verdere uitsplitsing van de 20 miljoen voor de strafrechtketen;

  • De Minister van Justitie en Veiligheid stuurt de Kamer begin december de kabinetsreactie op de evaluatie van de Wet OM-afdoening en zal daarbij ook ingaan op de mogelijkheid van transacties;

  • De Minister van Justitie en Veiligheid stuurt deze maand de uitkomsten van het Bestuurlijk Ketenberaad inzake ophelderingspercentages naar de Kamer;

  • De Minister van Justitie en Veiligheid stuurt de onderzoeksopdracht inzake het onderzoek naar strafverzwarende omstandigheden in discriminatiezaken naar de Kamer. Binnenkort, heel snel geloof ik;

  • De Minister van Justitie en Veiligheid informeert de Kamer bij de kabinetsreactie op het rapport-Fokkens over het vertrek van een aantal officieren van justitie indien dit een relatie heeft met de werksfeer bij het Openbaar Ministerie;

  • De Minister voor Rechtsbescherming zal de Kamer voor het algemeen overleg Gevangeniswezen informeren over het aanbod in gevangenissen op het gebied van taal, arbeid en onderwijs en de vraag of dit in zijn ogen meer verplichtend zou moeten zijn;

  • De Minister voor Rechtsbescherming stuurt de Kamer voor het algemeen overleg Gevangeniswezen een brief met de stand van zaken inzake het datalek dat in de gevangenis is ontstaan bij telefoongesprekken tussen gevangenen en hun advocaten;

  • De Minister voor Rechtsbescherming stuurt de Kamer voor het algemeen overleg Gevangeniswezen een brief met antwoorden op vragen in een individueel geval over verlofverlening, zoals ook is verzocht in de regeling van werkzaamheden;

  • De Minister voor Rechtsbescherming stuurt de Kamer voor de begrotingsbehandeling een brief over het toepassen van de Salduzjurisprudentie.

  • De Minister van Justitie en Veiligheid zal de Kamer informeren over het bewaren respectievelijk vernietigen van bandopnames van verhoren.

  • De Minister van Justitie en Veiligheid informeert de Kamer medio 2019 over het verkorten van de doorlooptijden op zeven terreinen benoemd door het Bestuurlijk Ketenberaad.

Dat zijn ze. Mijnheer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Ik begin even bij toezegging één. Nee hoor, dit is de enige opmerking die ik heb, voorzitter. Dat we de informatie krijgen na de begrotingsbehandeling vond ik op zichzelf vreemd, maar daar kunnen we niet zo veel meer aan doen. Mag ik wel horen voor wanneer dat dan is? Want ik vind het een vrij rekkelijke termijn om te zeggen «na de begrotingsbehandeling». Daar valt vrij veel onder. Kunnen we horen wanneer dat ongeveer zal zijn?

De voorzitter:

De Minister.

Minister Grapperhaus:

Zullen we zeggen dit kalenderjaar en zodanig dat het voor het kerstreces intreedt?

De voorzitter:

Dat lijkt me helder. Ik kijk even naar de leden of er nog andere opmerkingen over de toezeggingen zijn.

Minister Dekker:

Ik weet niet meer welke toezegging het is, voorzitter, maar mag ik de toezegging waarin u refereerde aan Salduz verbreden? Dat is een brief die gaat over de hele rechtsbijstand waarin ik specifiek ook aandacht aan Salduz zal geven.

De voorzitter:

Zijn we het daarover met elkaar eens? Dan mijnheer Van Dam.

De heer Van Dam (CDA):

Ik zit nog even na te denken over die laatste toezegging, dat de Minister ergens in 2000-weet-ik-wanneer die zeven doelstellingen gaat neerzetten. Dat u medio 2019 inzicht geeft in die zeven ketendoelstellingen.

Minister Grapperhaus:

Ja, hoe dat doorwerkt in het kader van de doorlooptijden. Ik heb ze hier alle zeven voor u. Ik mocht ze niet meer oplezen dus...

De heer Van Dam (CDA):

Nou als ik heel eerlijk ben, denk ik dat we die toezegging ook even kunnen laten op dit moment. Ik wil weten wat die zeven dingen zijn. Als het zo ver weg ligt, kunnen we bij de begroting die toezegging altijd nog rond krijgen. Ik vind de mogelijkheden om daar nog iets over te vragen aan de Minister een beetje beperkend. Ik heb liever dat we dan bij de begroting kijken of die toezegging al dan niet nog relevant is.

De voorzitter:

Als de rest van de commissie daarmee kan instemmen, halen we die toezegging van de lijst. Dan komen we op het mooie aantal van tien toezeggingen. U mag zichzelf feliciteren. We feliciteren ook nog een keer de Minister. Wij wensen hem een zeer aangenaam vervolg van zijn verjaardag. Je zou toch maar je hele verjaardag in de Kamer mogen zijn. Hopelijk wordt het nog leuker. Ik dank ook uiteraard de andere Minister, alle ambtenaren, de ondersteuning in alle vormen – het was allemaal weer perfect – en de mensen op de publieke tribune en elders. Ik wens u nog een mooie dag.

Sluiting 17.52 uur.

Naar boven