Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201833199 nr. 25

33 199 Beleidsdoorlichting Justitie en Veiligheid

Nr. 25 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 juni 2018

Hierbij bied ik u het eindrapport van de beleidsdoorlichting van artikel 34.3 «tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties en maatregelen» aan1. Deze beleidsdoorlichting betreft de periode 2008 tot en met 2014 en gaat in op de doelrealisatie, doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid in de betreffende periode.

De belangrijkste beleidsdoelstelling van de onderzochte periode betreft het verder terugdringen van de recidive door het ontwikkelen en implementeren van dadergericht beleid. Op basis van twee onafhankelijke onderzoeken is geconcludeerd, dat die doelstelling is gerealiseerd en dat het aannemelijk is dat het beleid daaraan een positieve bijdrage heeft geleverd.

Tegelijkertijd wordt in de beleidsdoorlichting geconcludeerd dat het bij de ontwikkeling van nieuw beleid te vaak ontbreekt aan concrete doelstellingen. Evenmin wordt al het gevoerde beleid altijd geëvalueerd op doelrealisatie, doeltreffendheid en doelmatigheid. Dit maakt het trekken van conclusies over de effecten van het beleid als het gaat om de overige strafdoelen (vergelding, generale preventie en onschadelijkmaking) lastig. De conclusies en aanbevelingen in het eindrapport adresseren deze onvolkomenheden. De aanbevelingen zullen worden meegenomen bij de ontwikkeling van nieuw beleid en de evaluatie van dat beleid.

Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) zijn onafhankelijke experts betrokken bij de uitvoering van de beleidsdoorlichting. Als bijlage in het rapport treft u het oordeel aan van professor dr. mr. C. Bijleveld (NSCR/VU) en drs. A. Menger (Hogeschool Utrecht). Alhoewel de onderzoekers een deel van de conclusies onderschrijven, zijn zij van mening dat niet voldoende is aangetoond dat het gevoerde dadergerichte beleid een positief effect heeft gehad op de daling van de recidive. Ik ben het overigens eens met de experts dat het zinnig is om te bezien of het mogelijk is om het gevoerde beleid op andere manieren, dan tot nu toe, wetenschappelijk te evalueren op doeltreffendheid en doelmatigheid.

Tevens is als bijlage de beantwoording van de motie van het lid Schouw inzake de evaluatie van het meerpersoonscelgebruik toegevoegd.2

Waar onderhavige beleidsdoorlichting de tenuitvoerlegging van sancties bij volwassenen als onderwerp heeft, richt de beleidsdoorlichting van artikel 34.5 zich op de tenuitvoerlegging van jeugdsancties. Ook die doorlichting is bijna gereed en zal u op korte termijn worden aangeboden.

Recidive

Naast de beleidsdoorlichting bied ik u ook het rapport «Recidive onder justitiabelen in Nederland, een verslag over de periode 2004 tot en met 2016» aan3. Deze rapportage zal vanaf heden tweejaarlijks aan uw Kamer worden aangeboden. Uit dit rapport van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) blijkt dat na een jarenlange daling van de recidive, nu sprake is van een lichte toename. Dit geldt zowel voor volwassen als jeugdige daders.

Bovenstaande betekent dat het succesvolle beleid van de afgelopen jaren niet alleen moet worden gecontinueerd maar ook verder versterkt. Hiervoor stelt het kabinet vanaf dit jaar extra middelen beschikbaar. In mijn visie op gevangenisstraffen «Recht doen, kansen bieden» kom ik hierop uitgebreid terug.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Kamerstuk 24 587, nr. 560.

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.