Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201519637 nr. 1986

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1986 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 9 april 2015

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft op 5 maart 2015 overleg gevoerd met Staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie over opvang, terugkeer en vreemdelingenbewaring.

(De volledige agenda is opgenomen aan het einde van het verslag.)

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Ypma

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Hessing-Puts

Voorzitter: Ypma

Griffier: Van Doorn

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Azmani, Ellemeet, Fritsma, Gesthuizen, Kuiken, Oskam, Schouw en Ypma,

en Staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Aanvang 10.00 uur.

De voorzitter: Ik open het AO Opvang, terugkeer en vreemdelingenbewaring. Ik heet de collega's, de Staatssecretaris en zijn ondersteuning en alle belangstellenden van harte welkom. De spreektijd bedraagt vijf minuten per fractie en er mogen maximaal twee interrupties worden gepleegd.

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter. We spreken vandaag onder meer over het thema «terugkeer», een onderwerp dat de afgelopen tijd in media en politiek gedomineerd is door de zaak-Amiri. Belangenbehartigers van deze naar Afghanistan teruggestuurde 1F'er kwamen met het verhaal dat de man tijdens zijn uitzetting is mishandeld. Media namen dit verhaal klakkeloos over. Ook in de Kamer werd de zaak meteen op de politieke agenda gezet. Dit dramatische verhaal bleek echter een theaterstukje te zijn. Van misstanden of onnodig geweld tijdens de uitzetting is in het geheel niets gebleken. De marechaussee heeft geen bijzondere incidenten gerapporteerd en in het betreffende KLM-vliegtuig is door personeel of passagiers helemaal niets in die richting waargenomen. Wat de fractie van de PVV bij dit alles het meest stoort, is dat medewerkers van de Koninklijke Marechaussee vals zijn beschuldigd. Zij doen ongelofelijk moeilijk werk onder zeer zware omstandigheden en verdienen geen onterechte zwartmakerij. In dat licht is het triest dat media en een deel van de politiek hier zo makkelijk in meegaan. In de praktijk zijn het juist de medewerkers van de marechaussee die vaak slachtoffer worden van geweld. Zij worden tijdens uitzettingen van vreemdelingen vaak geconfronteerd met bespugingen en worden gebeten, geschopt, geslagen. De verhalen zijn bekend. Ik roep de Staatssecretaris en het kabinet op om het beter voor deze mensen op te nemen. Waarom kon het kabinet het verzonnen verhaal rond de uitzetting van de heer Amiri niet meteen afdoen als onzin? Dan had de lastercampagne wellicht in de kiem gesmoord kunnen worden en had het personeel van de Koninklijke Marechaussee effectiever beschermd kunnen worden tegen dit soort laffe aantijgingen.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Net als de heer Fritsma maak ik mij zorgen over wat ik maar «waarheidsvinding» noem, maar tegen welk punt of suggestie in de media maakt hij precies bezwaar? Wat is volgens hem klinkklare onzin, wat zijn volgens hem leugens of wat is volgens hem een toneelstukje?

De heer Fritsma (PVV): Dat kan ik concretiseren; ik ben dan ook blij met de vraag. Het gaat om het verband dat is gelegd tussen verwondingen van deze man en de uitzetting. Er is op zijn zachtst gezegd gesuggereerd dat die verwondingen zijn ontstaan tijdens de uitzetting. Er is zelfs opgeroepen om de uitzettingen daarom op te schorten. Ik heb hier de Handelingen voor mij van een van de regelingen van werkzaamheden. Daarin heeft de heer Voordewind, die hier helaas niet is, letterlijk gezegd dat dit verband houdt met gebeurtenissen tijdens de uitzetting. Om de vraag van mevrouw Gesthuizen te beantwoorden: met die suggestie heb ik grote problemen. Nogmaals, medewerkers van de Koninklijke Marechaussee zijn vals beschuldigd. Zij verdienen dat niet.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Met dat laatste ben ik het uiteraard eens: valse beschuldigingen zijn uit den boze. Ik zou het alleen wel prettig vinden als hier ook recht werd gedaan aan het simpele feit dat de Kamer om informatie heeft verzocht en dat blijkt dat er geweld en dwangmiddelen zijn ingezet. Als de Kamer daar een heleboel vraagtekens bij plaatst, is het niet gek als zij opheldering vraagt aan de Staatssecretaris.

De heer Fritsma (PVV): Ik ben het met mevrouw Gesthuizen eens dat het nooit erg is om om opheldering te vragen, maar het gaat mij om het verband met de uitzetting, dat duidelijk gelegd is. Misschien heeft deze man echt verwondingen, maar die hadden ook kunnen ontstaan door een struikelpartij over een stoeptegel, om maar iets te noemen. Het verband dat tussen verwondingen en uitzetting is gelegd, had niet mogen worden gelegd. Het is oké als er opheldering wordt gevraagd. Ik heb het verzoek om een brief over dit incident ook gesteund, juist om de opheldering te krijgen. Zo kunnen medewerkers van de marechaussee in geval van valse beschuldigingen worden gezuiverd van deze blaam.

Ik hoef niet te herhalen hoe vreselijk de PVV het vindt dat het kabinet de asielinstroom enorm uit de hand laat lopen. In de ogen van de PVV is het verbazingwekkend, ook gelet op eerdere uitspraken van de Staatssecretaris, dat daarnaast vol gas wordt doorgegaan met het zelf uit het buitenland ophalen van vluchtelingen. Dat gebeurt in het kader van de hervestigingsprogramma's van de UNHCR. Waarom doet de Staatssecretaris dat? Hij heeft in een eerder AO aangegeven dat hij hiermee grote problemen heeft, gelet op de problemen die al veroorzaakt worden door de huidige asielinstroom. Andere landen, die vaak een veel kleinere asielstroom kennen dan Nederland, doen vaak niet eens mee aan de hervestigingsprogramma's. Maar de Staatssecretaris staat ondanks de massale komst van tienduizenden asielzoekers naar Nederland ook nog eens vooraan om uitgenodigde vluchtelingen op te halen. Dat bewijst toch dat Nederland de gekke Henkie van Europa is? Zijn de problemen rond de asielinstroom soms nog niet groot genoeg volgens de Staatssecretaris? Moeten woningzoekenden, die bij het verkrijgen van een sociale huurwoning steeds gepasseerd worden door toegelaten asielzoekers, nu weer extra gepasseerd worden door uitgenodigde vluchtelingen? Ik snap er helemaal niets van, maar concludeer dat de PvdA ook deze kwestie weer gewonnen heeft.

Er is helaas veel meer slecht nieuws.

De heer Azmani (VVD): In 2010 heeft de PVV gepoogd om een begin van verantwoordelijkheid te nemen voor dit land. In 2012 heeft zij de stekker eruit getrokken. In die periode vonden toch ook hervestigingszaken plaats? Wat is er anders ten aanzien van het hervestigingsquotum van 500 dan in die periode? Of stond de PVV toen ook op de barricaden om dat af te schaffen?

De heer Fritsma (PVV): De PVV stond inderdaad op de barricaden om de asielinstroom omlaag te brengen. Zij heeft daar zelfs concrete cijfermatige doelen voor gesteld. Dat zou de VVD ook moeten doen, maar de VVD is er helaas medeverantwoordelijk voor dat asielrecords worden gebroken. Mijn punt wat betreft de hervestigingszaken is dat het gekkenwerk is dat je tijdens zo'n hoge asielinstroom ook nog een keer zelf vrijwillig mensen gaat ophalen in het buitenland. Dat is gekkenwerk! Het valt mij tegen dat de VVD dat niet vindt.

De heer Azmani (VVD): Ik merk het al in de beantwoording van de vraag. De heer Fritsma probeert die te omzeilen. Het is gewoon een feit dat er ook in de periode 2010–2012, toen de PVV medeverantwoordelijkheid nam, ook ten aanzien van het vreemdelingen- en asielbeleid, hervestigingszaken waren. Het is een beetje goedkoop om hervestiging toe te dichten aan de Partij van de Arbeid terwijl de PVV daar ook mee heeft ingestemd.

De voorzitter: Hebt u nog een vraag?

De heer Azmani (VVD): Ja, voorzitter. Ik vraag de heer Fritsma wederom om dat te erkennen. Draai er niet omheen. Erken gewoon dat de PVV ook toen voorstander ervan was om mensen vanuit de hele wereld uit te nodigen in Nederland.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb hier het verslag van een eerder AO. De Staatssecretaris zei daarin dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden en dat we nu te kampen hebben met een zeer hoge asielinstroom en veel problemen. De Staatssecretaris gaf zelf aan dat gemeenten grote problemen ondervinden, zoals druk op de woningmarkt in de zin van de hoeveelheid beschikbare sociale huurwoningen. De Staatssecretaris heeft zelf gezegd dat hervestiging gewoon niet goed is. Daar komt het op neer. Tot mijn verbazing lees ik in de brief dat er toch mee wordt doorgegaan. De PVV vindt dat niet goed. Nogmaals, de VVD-fractie zou dit ook niet goed moeten vinden. Waarom zou je dit naast de huidige enorme asielinstroom doen? Nederland is gekke Henkie van Europa. Daarvoor is de VVD medeverantwoordelijk.

Er is nog meer slecht nieuws. Elk jaar krijgt de Staatssecretaris steeds minder uitgeprocedeerden en illegalen terug naar de landen van herkomst. De terugkeercijfers dalen nog sneller dan het zetelaantal van de coalitiepartijen in de peilingen. Ook vorig jaar was hier helaas geen uitzondering op. Slechts 4.070 vreemdelingen zijn in de eerste helft van 2014 aantoonbaar uit Nederland vertrokken. Dat geeft één ding aan, namelijk dat alternatieven voor vreemdelingenbewaring simpelweg niet werken. Dit betekent dat de Staatssecretaris een belofte heeft in te lossen. Hij heeft in 2013 voor de microfoon van Radio 1 beloofd dat hij terugvalt op vreemdelingenbewaring als blijkt dat andere instrumenten tekortschieten. Belofte maakt schuld. Ik roep de Staatssecretaris dus op om de daad bij het woord te voegen.

We hebben al vaak gesproken over de illegalenopvang. Helaas heeft de Staatssecretaris besloten om hiervoor geld beschikbaar te stellen aan gemeenten, terwijl hij daar op geen enkele wijze toe verplicht is. Ik wil graag de actuele stand van zaken weten hoeveel hiervoor betaald wordt. Ook wil ik graag een actuele stand van zaken omtrent de vertrekcijfers vanuit deze opvanglocaties voor illegalen. Ik blijf de Staatssecretaris oproepen om een streep te zetten door de illegalenopvang, maar we weten inmiddels dat we daar voor de verkiezingen geen uitsluitsel op mogen verwachten.

De voorzitter: U zit op vijf minuten, mijnheer Fritsma.

De heer Fritsma (PVV): Ik rond dan heel snel af met geweldsincidenten binnen azc's. We hebben die maanden geleden kunnen zien in Budel en Overloon, waarbij tientallen geweldplegers waren betrokken. Wat is de stand van zaken op dat punt? Hoeveel mensen worden vervolgd, hoeveel mensen zijn bestraft, hoeveel mensen zijn uitgezet en hoeveel verblijfsaanvragen van deze mensen zijn afgewezen? Ik had nog meer onderwerpen willen bespreken, maar helaas moet ik het hierbij laten.

De voorzitter: Dat kan misschien nog in tweede termijn.

Ik geef het woord aan mevrouw Ellemeet van GroenLinks, die mede namens de heer Voordewind spreekt omdat hij helaas ziek is.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks): Voorzitter. Het percentage in isolatie geplaatste asielzoekers blijft stijgen. Ook duurt de isolatie steeds langer. GroenLinks vindt dat ongewenst en zou graag zien dat de Staatssecretaris meer doet om het gebruik van de isolatiemaatregel terug te dringen. Uit een dinsdag uitgekomen rapport van Amnesty International blijkt dat vooral asielzoekers om suïcidale neigingen of verward gedrag in isolatie worden geplaatst. Dit zijn juist de mensen die hierdoor het ergst getraumatiseerd kunnen raken. Is de Staatssecretaris bereid om een nieuw actieplan op te stellen om isolatiemaatregelen terug te dringen, waarbij gekeken wordt naar meer inzet op preventie en de-escalatie?

Uit hetzelfde rapport van Amnesty blijkt dat bij deze asielzoekers in isolatie nog steeds visitatie wordt toegepast, ondanks dat de Staatssecretaris eerder heeft beloofd om hier iets aan te doen naar aanleiding van een uitspraak van de Kamer. Zo heeft hij bodyscans in gebruik laten nemen in het detentiecentrum in Rotterdam. Uit het rapport blijkt dat zelfs in dit centrum nog steeds visitaties worden uitgevoerd, ondanks de aanwezigheid van de bodyscans. Klopt het daarnaast dat vreemdelingen die weigeren zich te laten visiteren als strafmaatregel in een isoleercel geplaatst worden?

Visitaties zijn vernederende ingrepen die in strijd zijn met recht op respect voor de integriteit van het lichaam. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat hij zo snel mogelijk gaat zorgen dat binnen afzienbare tijd in geen enkel detentiecentrum meer visitaties worden toegepast? Het is voor GroenLinks onacceptabel dat onze Staat deze vorm van aanranding nog toepast.

Ik dank de Staatssecretaris voor zijn antwoorden op onze vragen over de zaak-Amiri, die wij vorige week kregen, alsook voor de antwoorden op de vragen van de heer Voordewind.

De heer Azmani (VVD): Ik zou bijna zeggen: nu doet mevrouw Ellemeet het weer, spreken over aanranding! Ik vind dat echt verwerpelijk en wil dat gezegd hebben. Ik hoop dat zij die woorden terug wil nemen dat er sprake zou zijn van aanranding. We proberen visitaties zo veel mogelijk te voorkomen; ik wijs op de bodyscans. Ik kan mij niet voorstellen dat mensen die de visitaties uitvoeren dat een prettige bezigheid vinden. Om te spreken over aanranding is wel heel zwaar. Ik hoop dat mevrouw Ellemeet die woorden wil terugnemen.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks): Deze ingreep bij deze vaak al zwaar getraumatiseerde mensen is enorm heftig. U kunt zich er bijna geen voorstelling van maken hoe traumatiserend deze ingreep voor hen kan zijn. Dat is de reden waarom wij met veel partijen in de Kamer protest aantekenen tegen het gebruik hiervan en waarom wij hebben aangedrongen op het gebruik van bodyscans. Ik kan geen bewoordingen verzinnen die krachtig genoeg zijn om aan te geven dat dit een ongewenste maatregel is en dat die om die reden zo snel mogelijk gestopt moet worden.

De heer Azmani (VVD): Wij delen dat standpunt: natuurlijk willen we dat zo veel mogelijk voorkomen. Het effect lijkt mij vreselijk. Daarin verschillen wij niet zo veel. Maar om dan de zware bewoordingen te gebruiken dat er sprake is van aanranding, is in mijn ogen te zwaar en doet geen recht aan de mensen die het moeten doen. Ik heb eerder gezien dat mevrouw Ellemeet die woorden in de pers gebruikte, maar ik verzoek haar om die woorden daar niet in te gebruiken.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks): Het is letterlijk een aantasting van het lichaam. Daarom heb ik deze bewoordingen heel bewust gekozen. Ik wil duidelijk maken dat dit onacceptabel is, dat dit voor deze mensen traumatiserend is en dat we hier zo snel mogelijk mee moeten stoppen.

Ik dank de Staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen van de heer Voordewind en mij over de zaak-Amiri. Ik realiseer mij dat het ongebruikelijk is dat specifieke informatie over een individuele casus wordt gegeven, alhoewel de aard van de zaak dit in mijn ogen wel rechtvaardigt. Ik heb nog wel een aantal vragen over deze zaak. In het eerste mutatieformulier van de marechaussee wordt gesproken over een incidentloze uitzetting. Vervolgens schrijft de Staatssecretaris in zijn brief van 25 februari over het gebruik van beperkte dwangmiddelen. Nu blijkt uit het meldingsformulier over dezelfde zaak dat er melding wordt gemaakt van toepassing van dwangmiddelen én geweld. Ik vraag de Staatssecretaris om opheldering over deze van elkaar verschillende informatiebronnen. Waarom schrijft hij in zijn brief niet over de inzet van geweld? Kan hij toelichten wat de geweldsinstructies zijn en onder welke omstandigheden geweld mag worden toegepast? De Staatssecretaris meldt dat de heer Amiri geen verwondingen heeft opgelopen bij het inzetten van de dwangmiddelen, maar is dat gecontroleerd en, zo ja, op welke manier?

Ik heb de Staatssecretaris gevraagd om aan te geven of en, zo ja, hoe de regering de situatie van de heer Amiri heeft gemonitord. Dat is niet gebeurd, zo blijkt uit zijn antwoord: «De Nederlandse overheid gaat niet na hoe het een individuele vreemdeling vergaat na diens terugkeer.» Voor GroenLinks is dat onacceptabel. Ik vind het ook onverstandig. Waarom kijkt de regering weg van de mogelijke gevolgen van haar eigen uitzettingen? Als de regering mensen blijft uitzetten naar risicogebieden als Afghanistan en Libië, is het van extra groot belang dat de gevolgen van deze uitzettingen goed gemonitord worden. Is de Staatssecretaris bereid om met de Minister van Buitenlandse Zaken om tafel te gaan om te bekijken of voor uitzettingen naar risicogebieden middelen kunnen worden vrijgemaakt om te monitoren hoe het deze personen vergaat, of zij in een veilige situatie verkeren en of zij toegang hebben tot voor hen noodzakelijke medische hulp? Dankzij een amendement van GroenLinks op de begroting voor Buitenlandse Zaken is er extra geld vrijgekomen voor diplomatie. Dat zou hier mooi voor kunnen worden aangesproken. Ik krijg hierop graag een reactie van de Staatssecretaris.

De heer Schouw (D66): Voorzitter. Ik heb een aantal punten, waaronder de vrijwillige terugkeer van vreemdelingen. Op verzoek van de Kamer heeft de Staatssecretaris een overzicht van de maatregelen om vrijwillige terugkeer te bevorderen aan de Kamer gestuurd. Mijn fractie spreekt haar waardering uit dat vrijwillige terugkeer ook in Europees verband wordt aangepakt. Het is goed om vast te stellen dat de Staatssecretaris die stap wil zetten. Ik wilde eigenlijk zeggen «het licht heeft gezien», maar dat klinkt te negatief. De Staatssecretaris schrijft dat hij met een drietal herkomstlanden een integrale pilot wil starten. Alle lof en waardering daarvoor, maar ik nodig de Staatssecretaris uit om dat hier eens wat handen en voeten te geven. Mijn fractie ziet veel heil in zo'n pilot. Kan de Staatssecretaris die nog eens even toelichten?

Mijn fractie heeft zorgen over isolatie en visitatie, punten waarover mevrouw Ellemeet al sprak. We hebben deze week het verontrustende rapport van Amnesty International gekregen en gelezen. Daaruit blijkt dat er nog steeds visitatie plaatsvindt voordat vreemdelingen in isolatie worden geplaatst in plaats van dat er effectief gebruikgemaakt wordt van de bodyscans. Ik laat het interruptiedebatje maar even voor wat het is, maar visiteren is toch een aantasting van de integriteit van het lichaam. Als dat niet nodig is en er een werkbaar alternatief voor is, dan moet natuurlijk dat alternatief worden gebruikt. Dat is een nadrukkelijke wens van de hele Kamer. Ik vraag de Staatssecretaris om daar nog eens heel goed naar te kijken en om te beloven aan de Kamer dat er echt een keer een einde komt aan de visitaties. Als er een tekort is aan het aantal bodyscanners, moet dat tekort maar worden opgeheven. Visitaties zijn immers niet iets wat we hier willen in dit land. Kan de Staatssecretaris hier de plechtige belofte doen dat het een keer afgelopen is met de visitaties omdat nu eenmaal een alternatief voorhanden is?

Over de heer Amiri is al veel verschenen, ook in beeld. Als Kamerlid vind ik het buitengewoon lastig om op dit punt aan waarheidsvinding te doen, want het is een beetje het ene woord tegen het andere. De Staatssecretaris zegt dat er eigenlijk niks aan de hand is, terwijl de familie van Amiri en de arts zeggen dat er wel wat aan de hand is. Ik nodig de Staatssecretaris nog eens uit om ons de garantie te geven dat er in deze casus helemaal niks is gebeurd wat niet had mogen gebeuren. In het verlengde daarvan vraag ik de Staatssecretaris of hij wil ingaan op incidenten uit het verleden met controle en toezicht door de KMar op het uitzettingsbeleid waarbij er wel incidenten zijn geweest die niet door de beugel kunnen, en wat hij daaraan heeft gedaan.

De Staatssecretaris heeft toegezegd aan de Kamer om te komen met een overzicht hoe het zit met grensdetentie in andere EU-landen. Dank voor het overzicht, maar mijn vraag is of dat overzicht compleet en adequaat is. Of de zogenaamde special transit centers de gesloten locaties betreffen, wordt uit de verstrekte informatie niet duidelijk voor mijn fractie. Is de Staatssecretaris bereid om daar nog eens een slagje overheen te doen en een completer en gedetailleerder overzicht aan de Kamer te sturen? Het gaat om een vergelijking van de Europese grensdetentie.

Het volgende punt sleep ik erbij: de Raad van State heeft gisteren uitspraak gedaan over het kinderpardon. We hebben nog 40 dossiers te gaan. Ik begrijp dat de Staatssecretaris zegt dat hij daar dit weekend keihard aan gaat werken en dat hij volgende week met een vervolg daarop komt. Mag ik ervan uitgaan dat hij de 40 kinderen die nog resten, onder zijn discretionaire bevoegdheid laat vallen?

Ik begrijp dat er een gesprek is geweest met de VNG over de vergoeding van de kosten rondom bed, bad en brood. Daarover heb ik twee vragen. Kan de Staatssecretaris ingaan op de bandbreedte van de vergoeding? Ik begrijp dat die tussen € 40 en € 60 per persoon per dag moet liggen. Klopt dat? Kan hij ingaan op de vraag of er mensen buiten die regeling gaan vallen?

Mevrouw Gesthuizen (SP): Voorzitter. Ik begin met een onderwerp dat we een aantal maanden geleden ook al met de Staatssecretaris hebben besproken: de opvang van grote aantallen vluchtelingen in gemeenten die daar niet altijd op berekend zijn. De afgelopen maanden heb ik steeds contact onderhouden met voornamelijk de inwoners van het dorpje Oranje. Keer op keer verbaast het mij hoe slecht de communicatie is, bijvoorbeeld als het gaat om het plaatsen van vreemdelingen in een pol (procesopvanglocatie) en om plannen om een azc op een bepaalde plek te vestigen. Het moge duidelijk zijn dat mijn fractie groot voorstander is van het opvangen van vluchtelingen, maar als je wilt dat dit kan blijven gebeuren in de toekomst, moet je rekening houden met belangen van bewoners van een bepaald gebied. De aankondiging dat er duizend mensen worden opgevangen in een dorpje waar 140 mensen wonen, stuit terecht op heel veel verwondering en verzet. Er zijn heel vragen over. Het is van groot belang dat je daar heel goed, duidelijk en eerlijk over communiceert, voor zover je dat in je eigen macht hebt. Hoewel dat ook bij het lokaal bestuur ligt, speelt zeker het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) daar een grote rol in. Kan de Staatssecretaris reageren op twee stellingen die ik daarover heb? In de eerste plaats lijkt het erop dat in ieder geval in Oranje mensen een beetje voor de gek zijn gehouden omdat er is gesteld dat er al een overeenkomst is en dat er een pol moet komen. Dat is alweer een aantal maanden geleden; ik begrijp dat de pol daar inmiddels weer weg is. In de tweede plaats lijkt er steeds niet zo heel veel verbeterd te zijn, ondanks het feit dat we daar al eerder aandacht voor hebben gevraagd in de Kamer. Er zijn nu plannen om een azc in Oranje te starten. Ook daarover hebben bewoners weer het idee dat ze pas in laatste instantie worden geïnformeerd en dat hun vragen en verzoeken daarover niet of nauwelijks serieus worden genomen. Dat lijkt mij niet de manier waarop we dat moeten doen. Ik kan mij ook niet voorstellen dat de Staatssecretaris er blij mee is.

Er is al een heleboel gezegd over isolatie in vreemdelingendetentie. De SP heeft de afgelopen jaren daarvan een heel groot punt gemaakt. Er is beloofd dat er minder zou worden geïsoleerd. Relatief gezien, gerelateerd aan het aantal mensen dat nu in detentie zit, gebeurt dat gewoon niet, zoals onder meer uit een rapport van Amnesty blijkt dat deze week is gepresenteerd. Mag ik daarop een reactie van de Staatssecretaris? Ik sluit mij kortheidshalve aan bij de uitstekende opmerkingen die mevrouw Ellemeet en de heer Schouw maakten over visitaties.

Ik kom te spreken over bed, bad en brood. De Staatssecretaris geeft keer op keer aan hoe moeilijk het is voor het Rijk om om te gaan met vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben, maar ook niet weggaan. In Den Haag is er nog steeds een pilot, waar de Staatssecretaris in het verleden vrij schamper over heeft gedaan. De gemeente geeft zelf aan dat het traject tot op heden zeer succesvol is gebleken, zoals onder meer blijkt uit een brief van afgelopen najaar. Van de 66 mensen is er maar eentje uit beeld geraakt. 20 mensen werken nog niet aan terugkeer of een nieuwe aanvraag, maar ze zijn nog wel in beeld. 40 mensen, een ruime meerderheid, werken wel aan hun terugkeer of aan een aanvraag op bijvoorbeeld medische gronden. Een groot deel van deze mensen was dus niet uitgeprocedeerd, terwijl dat wel altijd het argument is geweest van degenen die zeiden: zij hebben nergens meer recht op als ze ervoor kiezen in Nederland te blijven; zij moeten het dan maar zelf uitzoeken. Ik vind het heel belangrijk om te constateren dat het gaat om een groep mensen die in principe nog wel recht heeft op opvang.

Er is nieuw beleid aangekondigd rondom het inreisverbod, het zogenoemde trap-op-trap-afsysteem. Volgens onderzoek van het WODC is er onder de sleutelinformanten een vrij grote consensus dat het inreisverbod niet of nauwelijks een afschrikwekkende werking heeft en bijvoorbeeld niet zal leiden tot extra zelfstandige terugkeer van afgewezen asielzoekers. Ik begrijp dan ook niet zo goed waarom de Staatssecretaris hiermee komt. Wat verwacht hij hiervan? Welk heil mogen we hiervan verwachten?

Ik kom te spreken over het rapport van de VN European Committee for the Prevention of Torture, het CPT. Dat maakt zich zorgen over onder meer «fit to fly»-assessments. Al in 2011 gaf het aan dat iedere vreemdeling die via de lucht wordt uitgezet, de mogelijkheid moet krijgen om medisch onderzocht te worden. De Staatssecretaris schuift in mijn ogen die kritiek terzijde, terwijl het CPT eerder heeft gezegd dat de antwoorden van de Nederlandse regering niet overtuigend waren. Waarom denkt de Staatssecretaris dat hij nu wel wegkomt met het gewoon verwijzen naar «we doen ons best» en «het gebeurt wel»?

Ik kom bij de uitzetting van 1F'er de heer Amiri naar Afghanistan. Het is jammer dat de problematiek nu erg afleidt van het feit dat de uitzettingen naar Afghanistan op basis van 1F in heel veel gevallen discutabel zijn omdat we ons nog steeds baseren op het in mijn ogen idiote ambtsbericht waarin staat dat er altijd schuldigheid is aan oorlogsmisdrijven en aan schendingen van mensenrechten op het moment dat iemand daar onderofficier is geweest. Het roulatiesysteem bij de Khad/WAD is namelijk zeer betwist. Welke middelen zijn er precies gebruikt bij de uitzetting?

Tot slot. Ik heb begrepen dat op basis van artikel 3.1 Vreemdelingenbesluit bij het ontbreken van nieuwe feiten er niet wordt getoetst aan artikel 3 EVRM. Dat is een nieuwe kwestie. Ik vraag de Staatssecretaris of dat niet strijdig is met het Bahaddar-arrest.

De heer Azmani (VVD): Voorzitter. Vandaag houden we een verzamel-AO met verschillende brieven over opvang, terugkeer en vreemdelingenbewaring. We weten al sinds jaar en dag dat het terugkeerbeleid de achilleshiel is van het vreemdelingenbeleid. Er staat een brief op de agenda van 18 december 2014, die gaat over de verschillende instrumenten om vrijwillige terugkeer te stimuleren en te verbeteren. Het is een goede zaak dat in die brief als hoofdpunt wordt verwoord dat het in principe aan de vreemdeling is om Nederland te verlaten, dat het zijn eigen verantwoordelijkheid is. In de brief worden daarnaast allerlei instrumenten opgesomd waarbij de vreemdeling bij de hand wordt genomen en in mijn ogen beloond wordt voor zijn gedrag, wat eigenlijk indruist tegen de wet. Naast advies en voorlichting worden namelijk ook financiële bijdrages verstrekt. Een gezin met vier kinderen kan ruim € 7.000 meenemen als het bereid is om te vertrekken. Alsof dat nog niet genoeg is, hebben we herintegratie, ondersteuning, aanbod van opleidingen, opstellen van businessplannen en het kopen en verschepen van materialen in de aanbieding. Er staat nog net geen zak goud klaar in het land van herkomst wanneer iemand terugkeert. Misschien zou dat een ultieme prikkel zijn. Ik begrijp dat een prikkel nodig is, maar ik vraag mij soms wel af waar de balans in zit. Je hebt namelijk te maken met een samenleving waarin je met goed fatsoen moet kunnen uitleggen waarom je mensen die in strijd met de wet handelen – zij hebben namelijk zelfstandig de rechtsplicht om dit land te verlaten – deze voorzieningen biedt. Ik hoor graag de zienswijze van de Staatssecretaris daarop.

Hoe gaat het met de samenwerking op EU-gebied? Ik weet dat de Staatssecretaris zich er intensief voor inzet om te bekijken wat we kunnen doen met probleemlanden, landen die hun onderdanen niet accepteren, in het kader van de relaties met die landen, bijvoorbeeld financiële relaties. Ghana is een voorbeeld van zo'n land. Ik vraag mij af wat de stand van zaken is in dat proces.

De heer Schouw (D66): Het is nu mijn beurt om tegen de heer Azmani te zeggen dat hij goedkoop en makkelijk bezig is door te zeggen dat daar een pot goud klaarstaat. Goud is echt iets anders dan mensen stimuleren om terug te gaan. De VVD neemt al vier jaar verantwoordelijkheid voor dit beleid, maar zij is in die vier jaar nog nooit met een initiatiefwetsvoorstel of een motie gekomen om dit soort dingen terug te schroeven of te veranderen. Waar komt deze diepere, fundamentele wens opeens vandaan? Waarom is die de afgelopen vier jaar niet geuit?

De heer Azmani (VVD): Mijnheer Schouw, u zit hier al vier jaar, maar ik nog niet. Ik voer hier twee jaar deze debatten over de vraag hoe je terugkeer kunt bevorderen. De Staatssecretaris heeft bij zijn aantreden voorstellen gedaan om terugkeer in dat kader te bevorderen. In dat kader krijgt de Kamer nog een wetsvoorstel. Enerzijds staan daarin maatregelen ter verbetering, waarbij mensen niet meteen in bewaring worden gezet om terugkeer te bevorderen. Anderzijds bevat dat, voor de gevallen waarin het niet lukt, een zwaarder regime met bewaring om te bevorderen dat mensen terugkeren. Dat is ook punt. Waar zit de balans tussen enerzijds het vrijwillig laten vertrekken van mensen en het treffen van de daarvoor benodigde voorzieningen en anderzijds de prikkel die uitgaat van vreemdelingenbewaring, die bedoeld is als ultiem middel ter fine van de uitzetting? De heer Schouw weet donders goed dat ik eerder heb bepleit, onder meer in algemeen overleggen, dat er moet worden gekeken naar herhaaldelijk in bewaring stellen van vreemdelingen. Uit onderzoek volgt immers dat er een extra prikkel van uitgaat op het moment dat iemand twee, drie of vier keer in bewaring wordt genomen. Daarin hoort en past dat. Uiteindelijk is het de rechtsplicht van de vreemdeling zelf om dit land te verlaten. Als overheid moet je daar een terughoudende rol in hebben.

De heer Schouw (D66): Het zijn veel woorden, waarmee de heer Azmani eigenlijk bevestigt dat het een enigszins goedkope en smakeloze opmerking van de VVD is, twee weken voor de verkiezingen. Wat we hier al een aantal jaren doen, ook met een VVD-bewindspersoon aan het roer, is juist die balans zoeken en vinden. Het is een beetje raar dat nu ineens een vraag wordt opgeworpen over die balans zonder dat de VVD-fractie één concreet voorstel doet op dit punt. Ik vind dat goedkoop en smakeloos.

De voorzitter: Hebt u nog een vraag?

De heer Schouw (D66): Nee, niet. Het is een mededeling, een feitelijke constatering.

De heer Azmani (VVD): Zo ken ik de heer Schouw ook een beetje. Het is kennelijk verkiezingstijd, dus hij wil mij woorden in de mond leggen. Ik heb gezegd dat die pot goud er niet is en dat je je moet afvragen waar de grenzen liggen en wanneer je moet overgaan tot vreemdelingenbewaring. Het debat daarover volgt nog bij de behandeling van het wetsvoorstel dat daarover komt.

De heer Fritsma (PVV): De heer Azmani maakt het steeds erger door te vragen waar de grens ligt en wanneer je moet overgaan tot vreemdelingenbewaring. De vreemdelingenbewaring is dankzij de VVD juist helemaal uitgekleed. Dankzij de VVD kun je niet eens meer overgaan tot vreemdelingenbewaring. De heer Azmani zegt enerzijds problemen te hebben met de zak geld, de € 7.000 die hij noemde, maar anderzijds dat hij begrijpt dat die nodig is. Wat is het nou? Waarom gaat de heer Azmani om het te concretiseren niet gewoon mee met het credo «uitzetten of vastzetten»? Als je niet of nog niet kunt worden uitgezet, moet je gewoon worden vastgezet tot het moment dat uitzetting wel kan. Dan hoef je vreemdelingen ook niet te belonen.

De heer Azmani (VVD): Dit is makkelijke retoriek van de heer Fritsma. Juist hij weet door zijn eigen deskundigheid en ervaringen in het verleden dat je mensen niet zonder meer in vreemdelingenbewaring kunt stellen. Zeker als zij eenmaal in vreemdelingenbewaring zijn geweest, heb je een nieuwe titel nodig om hen opnieuw in vreemdelingenbewaring te stellen. De heer Fritsma weet dat donders goed. Het is heel makkelijk om te zeggen: het is óf zelfstandig vertrekken óf vreemdelingenbewaring. Zo zit het hele systeem niet elkaar. De heer Fritsma weet dat heel goed. Ik geef aan dat ik mij afvraag of je een financiële tegemoetkoming, bijvoorbeeld de € 7.000 voor een gezin met vier kinderen, zou moeten geven. Die vraag stel ik niet voor niks.

De heer Fritsma (PVV): De VVD heeft helaas een streep gezet door de strafbaarstelling van illegaliteit. De VVD heeft helaas een streep gezet door de vreemdelingenbewaring. Door de VVD worden vreemdelingen die zich niet aan de vertrekplicht houden, beloond met een zak geld – de VVD steunt dit beleid immers – en met de zoveelste pardonregeling. De VVD is er zelf verantwoordelijk voor dat wangedrag van vreemdelingen, namelijk het niet navolgen van de vertrekplicht, wordt beloond.

De voorzitter: Wat is uw vraag?

De heer Fritsma (PVV): Ik vraag de heer Azmani om daarmee op te houden; dat is heel simpel. De heer Azmani moet de daad bij het woord voegen!

De heer Azmani (VVD): Ook dit is weer heel makkelijk. Deze beloningen werden ook toegekend in de periode 2010–2012, waarbij de PVV die steunde. Het is heel gemakkelijke verkiezingsretoriek om dat zo neer te leggen in een interruptie. Ik vind dat jammer, want het gaat mij erom – de PVV en de VVD hebben wat dat betreft een gemeenschappelijk doel – dat deze mensen zo snel mogelijk het land verlaten wanneer zij uitgeprocedeerd zijn. Er zijn verschillende wegen om dat te bereiken. Ik vraag de Staatssecretaris om daarin de juiste balans te vinden, want we willen vertrek bevorderen. Volgens mij is dat ook de doelstelling die de Staatssecretaris heeft.

In de brief staat een en ander over het programma Versterking Vreemdelingentoezicht en Handhaving en over het project Lokale samenwerking, dat eind 2013 gestart is. In de vreemdelingenketen wordt samengewerkt met een aantal pilotgemeenten en maatschappelijke instellingen. Waarom staan deze pilots onder regie van de gemeenten? Nu vreemdelingenbeleid rijksbeleid is, zou dat volgens de VVD ook zo moeten blijven.

Over de opvang van uitgeproceerden in de vier grote steden staan twee brieven op de agenda. Daarover hebben we al verschillende keren gedebatteerd. We wachten de beslissing van de Raad van Ministers af, gelet op de bevindingen van het Europees Comité voor Sociale Rechten. Omwille van de tijd laat ik het daarbij.

Dan de brief van 16 januari. Ik complimenteer de Staatssecretaris met zijn voorstel om de duur van het inreisverbod aan te scherpen naargelang de duur van onrechtmatig verblijf van de vreemdeling hier te lande. Met andere woorden: hoe langer je illegaal in Nederland verblijft, hoe langer het inreisverbod. Dat geldt ook voor criminelen: dat zal zelfs nog verder worden verhoogd. Wanneer gaat de Staatssecretaris hieraan uitvoering geven? Na verloop van tijd ben ik benieuwd naar een evaluatie, want ik kan mij voorstellen dat het wat betreft de uitvoering lastig is. Ik kan mij voorstellen dat we meteen naar een inreisverbod van drie jaar gaan, dat wordt opgehoogd naargelang van de duur van het illegaal verblijf.

De reactie van de Staatssecretaris op het rapport van het Europese Comité inzake de voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, is adequaat. Dat gaat ook over de Frontex-vluchten. Is het de Staatssecretaris bekend welk vervolg het comité hieraan wil geven?

De brief van 27 januari ziet op een beleidswijziging op het landenbeleid van de DRC, de Democratische Republiek Congo. Voor de regio's Haut-Uele en Bas-Uele is het 15c-beleid afgeschaft, maar de verblijfsvergunningen worden niet ingetrokken. Waarom gebeurt dat niet? Het ambtsbericht uit 2012 sprak namelijk ook al een duurzame verbetering uit. Pas twee jaar later is een nieuw ambtsbericht uitgebracht waarin de positieve ontwikkeling verder is doorgezet. Dan is het toch ook tijd geworden om zaken weer individueel te beoordelen?

Over het 1F-beleid is veel gezegd. Ik denk dat de afgelopen weken maar weer bewijzen dat het niet verstandig is als Kamerleden zich mengen in individuele zaken. Voor de VVD is het gewoon glashelder, ook ten aanzien van het 1F-beleid, waarover we het in het vorige AO ook gehad hebben: wij willen geen schuilplaats voor oorlogsmisdadigers in het land. Ik vind het onbegrijpelijk dat er anno 2015, vijftien jaar na een deskundigenbericht waarover veel rechtspraak is, tot de hoogste rechter aan toe, waarin geoordeeld is dat officieren en onderofficieren van de Afghaanse veiligheidsdiensten onder het communistische bewind systematische mensenrechtenschendingen hebben gepleegd, nog steeds partijen zijn die hierover discussiëren, terwijl er aan de andere kant van de wereld verschillende wreedheden door aanhangers van IS worden gepleegd. Ik ben blij met de brief van de Staatssecretaris op dat punt, waarin staat dat er veel onderzoeken plaatsvinden naar Syrische vluchtelingen. Inmiddels is in tien zaken artikel 1F tegengeworpen. Kan de Staatssecretaris de Kamer verder voorlichten over de jurisprudentie naar aanleiding van hoger beroep in de Syrische zaken, want mijn interesse ...

De voorzitter: Ik ga u nu echt afkappen, mijnheer Azmani. Het woord is aan de heer Oskam van de CDA-fractie.

De heer Oskam (CDA): Voorzitter. Van mijn kant geen verkiezingsretoriek, maar wel wat andere accenten. De CDA-fractie heeft de Staatssecretaris tijdens de laatste debatten over terugkeer steeds aangespoord om de effectiviteit van zijn terugkeerbeleid te verbeteren. We hebben de brief daarover ontvangen: de trap-op-trap-afsystematiek. De ratio daarachter is dat hoe langer het onrechtmatig verblijf duurt, hoe langer het inreisverbod is. Ik heb daar wel een aantal vragen over. Ik wil van de Staatssecretaris weten wat de ondergrens is wanneer er nog een inreisverbod wordt opgelegd. Is het bijvoorbeeld de bedoeling dat een inreisverbod wordt opgelegd wanneer een uitgeprocedeerde asielzoeker wordt aangetroffen die niet heeft voldaan aan de plicht om binnen 28 dagen te vertrekken?

Ik kom te spreken over de brief van afgelopen dinsdag over het 1F-beleid. In 2014 zijn ongeveer 170 onderzoeken uitgevoerd naar vreemdelingen wegens vermoeden van gepleegde oorlogsmisdaden. Bij ongeveer 50 vreemdelingen heeft dat onderzoek daadwerkelijk geleid tot het tegenwerpen van artikel 1F. Hoeveel zaken daarvan zijn in 2014 daadwerkelijk afgerond? Die vraag is relevant omdat in 2014 30 1F'ers Nederland gedwongen hebben verlaten. Tien van hen zijn gedwongen door de Staatssecretaris en tien aantoonbaar zelfstandig. Twintig zijn er weggegaan. Betekent dit dan dat in die 30 andere gevallen de 1F-status niet is waargemaakt? Of om welke andere reden is niet tot uitzetting overgegaan? Waar zit hem dat in?

Afgelopen dinsdag is een rapport over isolatie in de vreemdelingendetentie verschenen van Dokters van de Wereld, stichting Landelijk Ongedocumenteerden Steunpunt (LOS) en Amnesty International. In de brief van januari jongstleden is de Staatssecretaris al op voorhand ingegaan op het verzoek van de commissie om in te gaan op de uitblijvende afname van het aantal plaatsingen in afzondering gerelateerd aan het aantal ingeslotenen in vreemdelingenbewaring. Naar aanleiding van het rapport van afgelopen dinsdag wil de CDA-fractie daar toch nog wel enige woorden aan wijden. Sinds 2011 lijkt een daling van het aantal asielzoekers dat opgenomen wordt in een isoleercel, niet door te zetten. Dat is een kwalijke gang van zaken. Tot en met oktober 2014 zaten 379 bestuursrechtelijk gedetineerde vreemdelingen in een isoleercel. De CDA-fractie hecht er waarde aan dat de Staatssecretaris vandaag onderschrijft dat isolatie ingrijpende gevolgen kan hebben voor de lichamelijke, maar zeker ook voor de geestelijke gezondheid van betrokkenen en dat hij zich inspant voor alternatieven voor vreemdelingendetentie. De CDA-fractie zou graag zien dat de Staatssecretaris dit dossier voortvarend oppakt, met als doel het aantal geïsoleerde asielzoekers tot een minimum te beperken en asielzoekers alleen te isoleren als dat echt noodzakelijk is.

Een punt dat collega's niet hebben genoemd, is de geloofsbekering. In juni 2014 heeft er een gesprek plaatsgevonden vanuit deze commissie over de toetsing van geloofwaardigheid van geloofsbekering in asielzaken. De toetsing hiervan blijkt in de praktijk zeer complex te zijn. Bij het bestuderen van individuele casussen merk ik dat dit een worsteling is voor iedereen, ook voor de IND. Daarom zijn er twee groepen deskundigen geformeerd op verzoek van de IND, die aan de hand van objectieve criteria bekeringsverhalen onderzoeken. De ene commissie bestaat uit geselecteerde theologen onder leiding van secretaris Arjan Plaisier van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) en de andere commissie bestaat uit onderzoekers van de Vrije Universiteit Amsterdam met godsdienstpsycholoog Joke van Saanen. Is de Staatssecretaris ermee bekend dat de uitgebrachte adviezen in grote meerderheid weggeschoven lijken te worden door de IND? Het is een positieve ontwikkeling dat de IND probeert middels deskundig advies een beslissing te nemen, maar dan moeten de adviezen wel serieus genomen worden. Als dat niet gebeurt, levert dat alleen extra frustratie en teleurstelling op bij de betrokkenen en draagt het ook niet bij aan het nut van het fenomeen van de deskundigenadviezen. Hebben er veranderingen plaatsgevonden sinds het gesprek in juni 2014 in de Kamer? Hoe gaat de IND daar op dit moment mee om?

Het is belangrijk om in Europees verband samen te werken aan effectieve terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers. De Staatssecretaris heeft in zijn brief van 18 december aangegeven dat samen met drie herkomstlanden een pilot opgestart gaat worden om te werken aan een integrale aanpak. Ik wil graag weten om welke landen het gaat en wat de stand van zaken is.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Voorzitter. Voordat ik begin, bedank ik mevrouw Ellemeet, want volgens mij is dit het laatste debat waaraan zij deelneemt. Mijn complimenten voor de samenwerking en voor haar zeer kundige wijze van opereren in zo'n korte tijd, waarin zo veel dossiers spelen.

Ik zie dat we positieve stappen zetten op het terrein van detentie: geen kind meer in de cel, alternatieven voor vreemdelingenbewaring waar dat kan, een betere screening et cetera. Dat neemt niet weg dat er natuurlijk nog altijd stappen te zetten zijn. Het rapport van Amnesty International en Dokters van de Wereld wijst ons daar ook op. Er zijn al een aantal vragen over gesteld. Ook mijn fractie vindt het niet acceptabel dat er nog steeds sprake is van visitatie terwijl er alternatieven voorhanden zijn. Ik wil graag een reactie van de Staatssecretaris daarop. Is het ook de mening van de Staatssecretaris dat dit zo snel mogelijk moet stoppen?

Vanaf 2011 zijn we niet meer in staat om het aantal vreemdelingen in isolatie naar beneden te brengen. Ik wil daar ambitie op zien. Er wordt in het rapport gerept over het Zweedse model. Ik begrijp dat dit een ander regime is, maar we kennen ook de praktijk van de geestelijke gezondheidszorg, waarin men het aantal vormen van gedwongen isolatie effectief heeft teruggedrongen. Ik zou graag willen dat de Staatssecretaris die praktijk meeneemt in het kader van het wetsvoorstel dat er nog aankomt, om ervoor te zorgen dat we van de ambitie om het aantal geïsoleerden te verlagen, de daadwerkelijke praktijk maken.

Het is in ons aller belang dat we de vrijwillige terugkeer stimuleren en verbeteren omdat die de voorkeur heeft boven gedwongen terugkeer, maar ook omdat we dan meer ruimte bieden voor andere mensen die hier gedwongen komen als vluchteling. Ik ben blij dat de Staatssecretaris extra geld uittrekt voor projecten. Klopt het dat dit een structureel bedrag is? Het is ook belangrijk dat we, afhankelijk van de wijze waarop we verdergaan met de discussie over bed, bad en brood, ook een duidelijke visie krijgen op de wijze waarop we omgaan met mensen die weliswaar niet vrijwillig meewerken, maar die hier toch onvrijwillig zijn. Hoe kunnen we de omslag maken om ervoor te zorgen dat de vrijwillige terugkeer stijgt?

Ik begrijp dat er wachttijden aan het ontstaan zijn voor onder anderen mensen uit Syrië die hun gezinsleden willen laten overkomen, terwijl men erkent dat die verzoeken gehonoreerd zullen worden. Is er inderdaad sprake van lange wachttijden en, zo ja, wat kunnen eraan doen om gezinsleden zo spoedig mogelijk te kunnen laten herenigen?

Gisteren heb ik een gesprek gehad met PAX. PAX wijst mij erop dat Nederland nauwe samenwerkingsverbanden heeft met Rwanda als het gaat om het versterken van het juridisch systeem daar. Dat verdient complimenten, maar gelijktijdig zijn er zorgen over het juridisch systeem omdat het nog steeds niet van voldoende kwaliteit is. Ik roep de Staatssecretaris ertoe op dat de beoordeling van gevallen van gedwongen terugkeer naar Rwanda zorgvuldig blijft gebeuren en dat goed wordt getoetst of het veilig is voor de individuen.

Tot slot – ik zal langzamerhand door mijn tijd heen zijn – heb ik nog een vraag over de invulling van het toezicht bij terugkeer. Dat lag voorheen bij de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer (CITT) en gaat nu naar Veiligheid en Justitie. Is dat al op een goede manier ingevuld en is er voldoende capaciteit voor?

De heer Schouw (D66): Ik maak van de gelegenheid gebruik om mevrouw Kuiken te vragen om te reflecteren op het kinderpardon. Dat onderwerp staat niet op de agenda, maar het is wel actueel. Gisteren heeft de Raad van State uitspraak gedaan. De Staatssecretaris heeft gezegd dat de Kamer er volgende week meer over hoort. Is de Partij van de Arbeid het met een aantal fracties in dit huis eens dat de 40 dossiers die er nog liggen, zo veel mogelijk onder de discretionaire bevoegdheid van de Staatssecretaris moeten vallen en dus ook moeten worden toegekend?

Mevrouw Kuiken (PvdA): Ik constateer dat er door de uitspraak van de Hoge Raad nu in ieder geval duidelijkheid is over de toepassing van de criteria. Die uitspraak moeten wij natuurlijk respecteren. Het is nu aan de Staatssecretaris om te beoordelen hoe het in de dossiers zit. Die ken ik uiteraard niet. Zoals altijd reken ik op een ruimhartige beoordeling van de dossiers.

De heer Schouw (D66): Ik maak die opmerking natuurlijk niet voor niets, want de politiek leider van de PvdA heeft een keer de indruk gewekt dat er een afspraak zou zijn dat 100 kinderen onder dat pardon zouden vallen. Aangezien de Staatssecretaris er dit weekend naar gaat kijken, denk ik dat wij zo breed mogelijk een oproep moeten doen aan de Staatssecretaris om de resterende 40 dossiers positief af te handelen. Ik vraag dus nog eens wat explicieter of mevrouw Kuiken die oproep deelt.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Ik maak eerst een opmerking voor het stenogram: ik zei «Hoge Raad», maar ik bedoelde uiteraard de hoogste rechter: de Raad van State. Wij hebben altijd gezegd dat wij rekenen op een ruimhartige beoordeling. Wij hebben niet gezegd dat wij ervan uitgaan dat alle 100 gevallen automatisch zouden mogen blijven. Het is goed dat de heer Schouw dat nog even expliciet maakt. Ik reken en hoop op een ruimhartige beoordeling, maar uiteindelijk is het de Staatssecretaris die een oordeel velt. Dat geldt voor alle gevallen, ook voor de gevallen die wij soms onderhands en soms gezamenlijk aandragen, maar uiteindelijk is het oordeel aan hem en helaas niet aan mij.

De heer Fritsma (PVV): Mevrouw Kuiken merkte op dat er wachtlijsten zijn ontstaan bij nareizigers van Syrische vluchtelingen, terwijl duidelijk is dat hun aanvragen gehonoreerd gaan worden. Hoe kan er duidelijkheid zijn over het honoreren van aanvragen als de aanvragen nog niet behandeld zijn?

Mevrouw Kuiken (PvdA): Het gaat hierbij veelal om Syrische vluchtelingen, die nagenoeg allemaal een status krijgen. Dat gebeurt omdat zij vluchteling zijn; zo werkt dat gelukkig in heel de wereld. Als een verzoek wordt gedaan om gezinshereniging, mag je ervan uitgaan dat dat in de meeste gevallen gehonoreerd wordt.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb zelf de Staatssecretaris gevraagd om ervoor te zorgen dat er bij nareizigers altijd wordt getoetst op alle voorwaarden. Er zijn heel veel problemen met familiebanden die niet aangetoond kunnen worden. Met Somaliërs hebben wij heel veel problemen gehad met nepkinderen, om het zo maar te noemen. Naar aanleiding van de opmerking van mevrouw Kuiken vraag ik de Staatssecretaris toch echt om te garanderen dat op elk individueel geval op alle voorwaarden getoetst wordt, ook bij de nareizigers. Gelet op de inbreng van mevrouw Kuiken maak ik mij daar wat zorgen over.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Uit elke interruptie van de heer Fritsma blijkt dat wij fundamenteel anders denken over vluchtelingen, over mensen die hun eigen land ontvluchten omdat er sprake is van oorlog of andere mensonterende omstandigheden. Daar zitten wij gewoon fundamenteel anders in. Wij kiezen voor mensen en de heer Fritsma niet.

Natuurlijk moet je altijd individueel toetsen, maar omdat het gaat om vluchtelingen uit Syrië, waarbij het merendeel van de aanvragen uiteraard gehonoreerd wordt, tenzij er sprake is van artikel 1F, mag je ervan uitgaan dat het merendeel van de gezinsherenigingen gehonoreerd wordt. Dat vraagt om snelheid, want er is een recht op familieleven. Je wilt kinderen niet onnodig alleen achterlaten in het land van herkomst. Dat is de achtergrond van mijn vraag.

De vergadering wordt van 11.01 uur tot 11.15 uur geschorst.

De voorzitter: Voordat ik Staatssecretaris Teeven het woord geef, deel ik u mee dat ik maximaal twee interrupties per woordvoerder toesta.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter. Ik dank de leden voor hun inbreng rondom deze onderwerpen die ons in de afgelopen tijd allemaal hebben beziggehouden. Als het kabinet de Kamer van informatie voorziet, in uitzonderingsgevallen over individuele zaken, dan moeten bewindslieden, omdat zij politiek verantwoordelijk zijn, zich natuurlijk baseren op informatie die zij uit het ambtelijk apparaat krijgen. Met de heer Fritsma ben ik volstrekt van mening dat er in deze situatie totaal geen aanleiding was om te denken dat de Koninklijke Marechaussee iets heeft gedaan wat niet door de beugel kan. Sterker nog, ik ben van mening dat precies is gehandeld conform de protocollen die daarvoor bestaan. Daarover is ook gerapporteerd. Ik heb die rapportages van de marechaussee over de desbetreffende uitzetting ook ingezien. Als een vreemdeling zich in het vliegtuig verzet tegen een gedwongen uitzetting, dan is het de marechaussee toegestaan om bijvoorbeeld een bodycuff aan te leggen. Iemand kan dan niet meer trappen met zijn benen. Als dat in het vliegtuig gebeurt, dan wordt daarover gerapporteerd. Dat is precies wat de marechaussee in deze concrete situatie heeft gedaan. Er wordt een document opgemaakt door de wachtmeesters. De heer Fritsma zegt dat de Staatssecretaris het meer voor de KMar had moeten opnemen, maar ik verwijs dan nog maar eens naar een mediabericht van mijn hand. Ik heb gezegd: naar mijn mening is alles gebeurd volgens de regels. Ik had geen enkele aanleiding om zelfs maar een onderzoek te laten instellen naar wat er zou zijn gebeurd. Zelfs daar was geen aanleiding voor. De leden van de commissie weten dat, als daar wel aanleiding toe is, zo'n onderzoek er ook komt. Nogmaals, ik heb geen enkele twijfel dat hier iets is gebeurd dat niet zou kunnen. Als een vreemdeling zich verzet, dan is het volgens de vigerende regels mogelijk dat er dwangmaatregelen worden toegepast die ook betrekking hebben op de fysieke omstandigheden. Dat is in deze concrete situatie gebeurd. Er is gerapporteerd dat er geen verwondingen zijn geweest en dat niemand een zak over zijn hoofd heeft gekregen. Volgens mij moeten wij het daarbij laten. Als mensen dit moeilijke werk op de goede wijze doen, dan moeten wij dat steunen. Daarom heb ik in de brief heel bewust gesproken van «vermeende verwondingen». In de rapportages die ik van de KMar heb gekregen, heb ik niet gelezen dat er verwondingen zijn geweest.

Mevrouw Gesthuizen (SP): De Staatssecretaris en ik zijn het erover eens dat de KMar op dit moment de wet uitvoert. De Staatssecretaris weet dat mijn fractie regelmatig vraagtekens plaatst bij de juistheid en eerlijkheid van de wetten, maar dit klopt. Ik ben op werkbezoek op Schiphol geweest en alles is mij daar duidelijk gemaakt, ook over de tiewraps en het anti-spuug- en -bijtmasker. Ik weet dat die middelen mogen worden ingezet. Dankzij mevrouw Ellemeet en de heer Voordewind heb ik het document van de KMar mogen inzien, maar waarom heeft de Staatssecretaris in de Kamerbrief niet heel helder geschreven dat er niet alleen dwangmiddelen zijn gebruikt, maar ook geweld?

Staatssecretaris Teeven: Ik heb duidelijk gecommuniceerd dat er dwangmiddelen zijn aangelegd, nadat daartoe aanleiding was na fysiek verzet. Als er dwangmiddelen worden gehanteerd, dan heeft dat ermee te maken dat iemand zich verzet. Als iemand zich bij het aanleggen van die dwangmiddelen verzet, dan worden die met geweld aangelegd. Dat is kenmerkend voor het optreden van politiemensen bij aanhouding en mensen van de KMar bij uitzetting van een vreemdeling.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Het is niet mijn bedoeling om het de Staatssecretaris zo moeilijk mogelijk te maken, maar ik constateer dat op het formulier dat de KMar heeft ingevuld, duidelijk onderscheid wordt gemaakt. Dat zou dan niet nodig zijn. Als er staat dat er dwangmiddelen zijn ingezet, dan zouden wij voldoende weten. Dan hoeft niet apart te worden vermeld dat er ook geweld is gebruikt, maar dat is nou juist het hele eieren eten. Je kunt uit vier dingen kiezen. De eerste is aangekruist: er is gebruikgemaakt van dwangmiddelen en van geweld. Dat wordt apart benoemd. Om iedere schijn te vermijden dat er dingen onder het tapijt worden geveegd of wat dan ook, lijkt het mij verstandiger om in dit soort gevallen direct open kaart te spelen en de Kamer zo volledig mogelijk te informeren, ook al heeft de Staatssecretaris enige terughoudendheid, omdat het om een individuele aangelegenheid gaat.

Staatssecretaris Teeven: Ik ben zelf de overtuiging toegedaan dat ik de Kamer volledig en goed heb geïnformeerd. Wat staat er nu precies? Er is aanleiding geweest om fysiek geweld te gebruiken. Wanneer is dat gebeurd? Dat is gebeurd bij het aanleggen van dwangmiddelen. Waarom zijn die aangelegd? Omdat er fysiek verzet plaatsvond. Als je die dwangmiddelen wilt aanleggen bij iemand die dat niet wil, dan moet je die middelen met kracht aanleggen. Dat staat in de rapportage en ook in mijn brief. Als je die middelen tegen de wil van betrokkene aanlegt, dan kan dat niet geruisloos. Ik heb meerdere malen handboeien bij mensen omgedaan. Als iemand dat niet wil, dan moet je geweld gebruiken om te zorgen dat je ze wel om krijgt. Zo zit het een beetje in elkaar.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks): In aanvulling hierop zou ik van de Staatssecretaris willen horen waarom er twee categorieën door de marechaussee worden gehanteerd. Het is mogelijk om aan te geven dat er dwangmiddelen zijn gebruikt en het is mogelijk om aan te geven dat er geweld is gebruikt. De Staatssecretaris heeft in zijn brief aangegeven dat er sprake was van gebruik van dwangmiddelen. Dat is toch echt wat anders, ook volgens de marechaussee en het formulier, dan dwangmiddelen én geweld. Wat was voor de Staatssecretaris de reden om dit niet expliciet te benoemen?

Staatssecretaris Teeven: Als er dwangmiddelen worden aangelegd, zoals in de rapportage van de KMar wordt aangegeven, ga ik ervan uit dat dat bijna niet zonder geweld te doen is. Als iemand zich fysiek verzet, omdat hij niet wil dat die dwangmiddelen worden aangelegd, dan moet je er met geweld voor zorgen dat iemand die hulpmiddelen wél krijgt aangelegd. Dat is concreet wat hier is gebeurd. Als ik schrijf dat er fysiek verzet was en dat daarbij dwangmiddelen zijn gebruikt, dan ga ik ervan uit dat dat eigenlijk bijna altijd met geweld gaat. Dat is dan mijn omissie en ik wil dat een volgende keer best in een brief vermelden. Er staat dat het met geweld is gebeurd. Ik wil dat best omschrijven, maar het zal in 99 van de 100 gevallen niet zonder geweld kunnen. Iemand verzet zich fysiek. Dat is de reden om die dwangmiddelen aan te brengen. Als iemand zich fysiek blijft verzetten, dan moet je daarbij geweld gebruiken om ervoor te zorgen dat mensen die dwangmiddelen krijgen aangebracht. Dat mag en daarover is gerapporteerd. Daarover verschillen wij niet van mening.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks): De Kamer was er niet van op de hoogte dat er geweld is gebruikt. Het zijn twee verschillende categorieën. Die zijn er niet voor niets. Die twee categorieën (dwangmiddelen en geweld) zijn er om een reden. Je moet uiterst terughoudend zijn met het gebruik van geweld. Er moet een fysieke dreiging voor de omgeving zijn. Pas dan moet er geweld worden toegepast. Ik heb toch het gevoel dat wij beperkt geïnformeerd zijn doordat de Staatssecretaris niet duidelijk heeft aangegeven dat er ook sprake was van geweld. Ik vraag de Staatssecretaris om dat in het vervolg wél expliciet te benoemen. Anders zouden deze twee categorieën van geen enkele waarde zijn.

Staatssecretaris Teeven: Volgens mij is er juist gerapporteerd door de Koninklijke Marechaussee. Daar is geen twijfel over. Wij verschillen ook niet van mening over het feit dat er bij het aanleggen van dwangmiddelen geweld moet worden gebruikt. Als iemand zich fysiek verzet – volgens mijn brief was daar sprake van – brengt dat eigenlijk automatisch met zich mee dat er geweld moet worden gebruikt om die dwangmiddelen aan te leggen. Iemand gaat niet stilliggen totdat hij ingepakt wordt in die bodycuff en hij beenbeschermers en tiewraps aangebracht krijgt. Zo werkt dat niet. Dat betekent dat er daadwerkelijk geweld bij wordt aangewend. Die geweldsrapportage is uiteraard voor intern gebruik en ter verantwoording in de lijn naar boven. Dat is precies zoals het hier gebeurd is. Als er dwangmiddelen worden aangebracht en er sprake is van fysiek verzet, dan lijkt het mij bijna een feit van algemene bekendheid dat dat niet zonder enig geweld kan. Daar ging ik eigenlijk van uit. Ik hoor met verbazing aan dat mevrouw Ellemeet denkt dat iemand zich fysiek verzet, dat er dwangmiddelen moeten worden aangebracht en dat er dan niet enig geweld moet worden gebruikt om ervoor te zorgen dat iemand die hulpmiddelen draagt. Het is een heel theoretische verhandeling, waarbij er in dit geval juist is gerapporteerd en er geen verwondingen zijn geconstateerd. Dat staat ook aangekruist. Vandaar ook mijn woorden «vermeende verwondingen». Ik denk dat de KMar het keurig volgens het boekje heeft gedaan. Dat is precies wat ik heb gemeld.

De heer Fritsma (PVV): Ik val de Staatssecretaris niet vaak bij, maar ik begrijp de voorgaande interruptie ook echt niet. De KMar-medewerkers valt helemaal niets te verwijten. Verwondingen zijn ten onrechte in verband gebracht met de uitzetting. Die medewerkers van de Koninklijke Marechaussee zijn gewoon vals beschuldigd van mishandeling. De Staatssecretaris heeft duidelijk gemaakt dat dat zo is. De brief was duidelijk, maar had hij niet eerder verstuurd kunnen worden? Dat zou media, belangenorganisaties etc. de wind uit de zeilen hebben genomen.

Staatssecretaris Teeven: Het is niet gepast voor het kabinet om op alle berichtgeving over individuele zaken te reageren, negatief, positief of nuancerend. Ik moet reageren op het moment dat er vragen van de Kamer zijn of dat de KMar in diskrediet wordt gebracht. Ik heb op enig moment gereageerd, omdat er Kamervragen werden gesteld. Ik heb daarover een brief aan de Kamer gestuurd. Daar heb ik totaal geen problemen mee, want de informatievoorziening moet op orde zijn. Ik denk dat ik daarover duidelijk ben. Het gaat te ver om als kabinet op alles wat er in de media wordt gemeld, zeker in deze individuele casus, te reageren. De ene keer gaat het naar links, de andere keer gaat het naar rechts. Ik was blij dat ik die rapportages van de ambtenaren had, want uit de media kon ik er op een gegeven moment geen chocola meer van maken.

De voorzitter: Ik denk dat de Staatssecretaris zijn betoog kan vervolgen.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter. Ik kom op de hervestiging, waarover al een interruptiedebat heeft plaatsgevonden. Het is bekend dat het kabinet opvang in de regio voorstaat. Hervestiging kan daartoe bijdragen. Door heel schrijnende gevallen binnen het quotum naar Nederland of andere landen binnen de Europese Unie te vervoeren, kunnen ook mensen in de regio beter worden geholpen. Er is dan meer ruimte voor het concept van opvang in de regio. De heer Azmani heeft de heer Fritsma al geïnterrumpeerd over de aantallen. Wij werken al jarenlang met het quotum van 500. Ik heb de Kamer aangegeven hoe de verdeling voor 2015 er langs de bestaande afspraken uitziet. Hervestiging is niet iets nieuws. Het gebeurt al heel lang met instemming van de Kamer. Het lijkt mij iets wat wij moeten voortzetten. Ik zie niet in dat wij dat voor schrijnende gevallen in de toekomst moeten afschaffen. Dat lijkt mij geen goede zaak.

De heer Fritsma (PVV): Met alle respect, maar dit is een heel ander verhaal dan het verhaal dat de Staatssecretaris een aantal weken geleden bracht. Naar aanleiding van een interruptie van de heer Voordewind zei de Staatssecretaris toen letterlijk dat «de situatie nu echt veranderd is». Hij zegt nu: wij doen het al jarenlang, dus wij gaan ermee door. Maar eerder zei hij dus dat de situatie veranderd is. Er is een enorme asielinstroom die veel problemen met zich meebrengt, bijvoorbeeld bij gemeenten die asielzoekers moeten huisvesten. De Staatssecretaris heeft letterlijk gezegd dat hervestiging gewoon geen goed idee is. Hij heeft zelfs gezegd dat het niet eerlijk is voor de reguliere asielzoekers die moeten worden gehuisvest. Ik ben benieuwd naar de totstandkoming van de besluitvorming op dit punt. Wat heeft de Staatssecretaris ertoe gebracht om in tegenstelling tot eerdere opmerkingen nu door te gaan met het ophalen van honderden uitgenodigde vluchtelingen?

Staatssecretaris Teeven: Ik herinner mij deze discussie feilloos. Wij spraken toen over 250 Syriërs extra. Bij die gelegenheid heb ik gezegd dat ik daar geen reden voor zag, ook omdat wij in de azc's schrijnende gevallen hebben. Ik zie niet in waarom ik mensen hier zou moeten benadelen met het toelaten van extra schrijnende gevallen. Daar hebben wij goed met elkaar over gesproken. Er is wel gediscussieerd over 250 extra, maar niet over de 500 mensen die wij al jarenlang uitnodigen. Ik heb heel duidelijk tegen de Kamer gezegd dat ik dat aantal niet ga verminderen. Mevrouw Kuiken heeft indertijd die angst uitgesproken, maar daarop heb ik letterlijk gezegd dat wij niet minder gaan doen, maar ook niet meer. Die discussie herinner ik mij dus heel goed, maar zij ging over schrijnende gevallen in de opvang. De heer Fritsma doet nu alsof wij er helemaal mee zouden stoppen. Het quotum van 500 bestaat al sinds jaar en dag. Ik heb nooit gezegd dat wij daar een eind aan moeten maken. Naar aanleiding van de pledging conference over Syrië van 9 november jongstleden in Rome heb ik gezegd dat wij doorgaan met 500 hervestigingen: 250 Syriërs, 100 noodsituaties aangebracht door de UNHCR en 150 mensen uit andere delen van de wereld. De heer Azmani heeft mij indertijd gevraagd of het toch niet meer zou worden.

De heer Fritsma (PVV): Ik zei het al in mijn inbreng: dit bewijst dat Nederland de gekke henkie van Europa is. Omliggende landen die niet eens zo'n enorme asielinstroom hebben als Nederland, doen niet eens mee aan die hervestigingsprogramma's. De Staatssecretaris staat vooraan bij het verwelkomen van tienduizenden asielzoekers én bij het zelf uit het buitenland ophalen van asielzoekers. Nogmaals, dit wijkt in Europees verband af. Ik vraag de Staatssecretaris om hier echt mee op te houden. De problemen rond de normale asielinstroom zijn al groot genoeg.

Staatssecretaris Teeven: Ik realiseer me dat het verkiezingstijd is, maar dit is een herhaling van zetten. Deze vraag stelt de heer Fritsma elke keer. En dit antwoord geef ik elke keer. Ik sta de mensen niet toe te zwaaien, maar mensen komen hierheen, soms met een gerechtvaardigd vluchtverhaal. Er zijn een aantal grote landen die naar mijn oordeel heel erg weinig doen aan resettlement. Ik noem in dit verband de Fransen. Andere grote en soms kleinere landen dan Nederland doen meer dan wij. Kijk eens in die lijst van 28 landen, zo zeg ik tegen de heer Fritsma. Dan zie je een groot aantal kleinere landen dan Nederland die verhoudingsgewijs veel meer doen dan Nederland. Het is dus niet dat Nederland bovenaan staat. Wij mogen allemaal ons eigen standpunt hebben, maar het is belangrijk om de feiten helder te hebben. Er zijn heel veel kleinere landen die verhoudingsgewijs meer doen dan Nederland, maar er zijn ook grotere landen die minder doen.

Voorzitter. De heer Fritsma vroeg of we de vreemdelingenbewaring weer gaan toepassen indien de alternatieven niet blijken te werken. Wij moeten ons realiseren dat in de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring wordt vastgelegd wat ook in de jurisprudentie staat: vreemdelingenbewaring is een ultimum remedium en kan niet worden toegepast op het moment dat feilloos vaststaat dat de vreemdeling die in bewaring zit, niet gedwongen kan worden uitgezet. Dan houdt de vreemdelingenbewaring een keer op. Ik denk dat wij ons moeten realiseren dat wij in Nederland met een aantal landen worden geconfronteerd waarnaartoe gedwongen uitzetting een buitengewoon ingewikkelde zaak is. Als je de vreemdelingenbewaring al niet opheft omdat je naar die landen niet kunt uitzetten, wordt het wel door de rechter gedaan. De vreemdelingenrechter corrigeert de overheid dan soms: nu heeft het lang genoeg geduurd en is het niet meer mogelijk om feitelijk uit te zetten. Ik ben het met de heer Fritsma eens dat vreemdelingenbewaring wel een noodzakelijk middel is. Ik denk namelijk dat vrijwillige terugkeer, waar door een aantal leden lovend over wordt gesproken, een stimulans krijgt als gedwongen terugkeer ook tot de mogelijkheden behoort.

De heer Fritsma vroeg mij wat er in Budel en Overloon is gebeurd. Naar aanleiding van de vechtpartij die in Overloon heeft plaatsgevonden, is in samenspraak met gemeente en politie een aantal maatregelen in het centrum genomen. Enkele bewoners die betrokken waren bij de vechtpartijen, zijn verhuisd naar andere locaties. Het team van beveiligers is uitgebreid en er is een alcoholverbod ingesteld. Er zijn drie arrestaties verricht. Die zaken liggen bij het Openbaar Ministerie, dat daarover nog een vervolgingsbeslissing moet nemen.

Mevrouw Ellemeet heeft aandacht besteed aan de individuele casus Amiri en in dat verband gesproken over monitoring. Waarom bekijkt de Nederlandse overheid niet wat er gebeurt als die mensen arriveren in het land van herkomst? Die discussie hebben wij eerder gevoerd. Ik heb toen gezegd dat de Nederlandse regering er niet voor is om mensen die gezond en wel zijn afgeleverd in het herkomstland, vervolgens te monitoren. Dat standpunt is niet gewijzigd, ook niet naar aanleiding van deze individuele casus. Uit de rapportages blijkt dat de betrokken persoon in deze casus weliswaar niet gezellig naar de uitgang is gewandeld – dat zal ik niet zeggen – maar wel gewoon naar de uitgang van het vliegveld is gelopen. Die constatering is daadwerkelijk gedaan. Er was dus geen aanleiding voor een verdere monitoring in deze concrete situatie. Ook in zijn algemeenheid willen wij dat niet doen.

Mevrouw Ellemeet, mevrouw Gesthuizen, mevrouw Kuiken en de heer Schouw hebben gesproken over de visitaties. De scans in Rotterdam en Zeist zijn op dit moment operationeel. De scan op Schiphol wordt zeer binnenkort operationeel. Wij hebben daarover met elkaar afspraken gemaakt en ik ben daar ook een groot voorstander van, omdat die visitaties van het lichaam dan niet meer hoeven plaats te vinden. Dat laat onverlet dat het in de nieuwe Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring, maar ook in de oude wetgeving, wel mogelijk blijft om in concrete situaties te visiteren. Dat laat onverlet dat ik vind dat je die visitaties tot het minimum moet beperken. Naar aanleiding van een concreet incident waarbij terecht werd gevisiteerd in Detentiecentrum Rotterdam, bleek dat men over een bepaalde periode de lijn had dat er, als er sprake was van isolatie, altijd werd gevisiteerd. Dat is inmiddels besproken met de leiding van het detentiecentrum. Het is geen algemene beleidslijn. Er was een korte periode dat er bij isolatie altijd werd gevisiteerd, maar die beleidslijn is verlaten. Daarover heb ik naar aanleiding van de constateringen met de leiding van het detentiecentrum gesproken. Er wordt nu alleen gevisiteerd als er in een concrete situatie aanleiding is om dat te doen. De wetgeving schept daarvoor de mogelijkheden. Het kan niet zo zijn dat er standaard altijd visitatie plaatsvindt als iemand in isolatie wordt gehouden. Het is wel mogelijk dat het bij iemand die in isolatie wordt opgesloten, uit een oogpunt van zijn eigen veiligheid niet voldoende is om het bij de scan te laten. Iedere keer moet in een concrete casus een individuele afweging worden gemaakt. Wat niet moest, maar wel gebeurde, was dat een individuele casus aanleiding heeft gegeven om gedurende een periode stelselmatig te visiteren als iemand in isolatie ging.

De heer Schouw (D66): Dank voor de heldere uiteenzetting. Ik ga ervan uit dat er geen andere beleidslijnen meer zijn voor visitatie. Ik neem aan dat de Staatssecretaris afspraken heeft gemaakt dat, als instellingen weer op eigen houtje een nieuwe beleidslijn introduceren, die linea recta bij hem op het bureau ligt.

Staatssecretaris Teeven: De heer Schouw heeft volstrekt gelijk. In vreemdelingenbewaring en detentiecentra is er een bodyscan om te voorkomen dat mensen worden gevisiteerd. Daarnaast kan in een individuele casus worden gevisiteerd, maar een incident kan geen aanleiding zijn om bij alle isolatie standaard te visiteren. Sinds een paar dagen gebeurt dat niet meer.

De heer Schouw (D66): Dat is helder, want ik wil niet dat we over een jaar weer worden geconfronteerd met een rapport van Amnesty. Kan ik met de Staatssecretaris afspreken dat die individuele gevallen geteld en geturfd worden en dat dat neerslaat in een bestaande rapportage? De overheid moet zelf bijhouden wat er gebeurt. Wij moeten niet geconfronteerd worden met wake-upcalls.

Staatssecretaris Teeven: De overheid houdt bij hoe vaak iemand in isolatie wordt geplaatst. Ik doe geen toezegging, maar ik zal het bekijken. Ik weet niet of de noodzaak bestaat om over elke individuele situatie te rapporteren of er gevisiteerd is. Nogmaals, één incident waarbij terecht gevisiteerd wordt, kan niet meer leiden tot een lijn dat bij alle isolaties visitatie plaatsvindt.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Ik bedank de Staatssecretaris voor deze verheldering en toezegging. Er waren ook praktische belemmeringen om visitatie uit te sluiten. De Staatssecretaris noemde in dat verband Schiphol. Wanneer zullen die praktische problemen zijn opgelost?

Staatssecretaris Teeven: De scan op Schiphol is vanaf vandaag operationeel. Daarmee hebben wij drie detentiecentra waar iedereen gescand kan worden. Het probleem was steeds dat er geen scan in gebruik was. Dan heb je namelijk maar één middel om mensen tegen zichzelf in bescherming te nemen en dat is standaardvisitatie. Kabinet en Kamer zijn het eens over de onwenselijkheid daarvan. Daarom hebben wij die apparatuur ook gekocht. Het blijkt goed te werken. De lijn is: mensen gaan door de scan en dat is het. Wij willen visitatie voorkomen, maar soms kan het zeker bij isolatiemaatregelen nodig zijn. Misschien kun je iets niet op de scan ontdekken, terwijl je de indicatie hebt dat iemand zo buiten zichzelf raakt dat hij zichzelf in gevaar kan brengen. In zo'n concreet geval kun je visiteren.

Natuurlijk moet je het aantal gevallen van isolatie tot een minimum beperken, zeker gezien de ervaringen in de ggz, maar soms is het noodzakelijk om mensen tegen zichzelf te beschermen.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks): Uit het rapport van Amnesty blijkt dat het een cultuur is: het wordt gezien als een noodzakelijke maatregel en er is weinig oog voor alternatieven. Binnen de ggz heeft men dat traject al doorlopen. Dat vraagt echt om een cultuuromslag. Medewerkers moeten zich er bewust van zijn dat je met preventieve maatregelen en met de-escalatie kunt voorkomen dat isolatie nodig is. Ik vraag de Staatssecretaris of hij met een actieplan wil komen waarbij ingezet wordt op die benodigde cultuuromslag.

Staatssecretaris Teeven: We moeten beseffen dat wij in gevangenissen en vreemdelingendetentie te maken hebben met een gedwongen situatie. Als mensen aan jou zijn toevertrouwd, moet je maximale zorg bieden. Ik herinner aan het debat rond Dolmatov in april 2013. Van het kabinet mogen maximale maatregelen worden verwacht om mensen tegen zichzelf in bescherming te nemen. Dat geldt zowel voor gevangenen als voor vreemdelingen die zich in vreemdelingenbewaring bevinden. Soms vraagt dat risico-uitsluiting. Je moet de risicoanalyse zo scherp mogelijk uitvoeren, maar anders dan in de ggz ontkom je in de gesloten detentiesituatie soms niet aan isolatie. Maar het moet niet een cultuur zijn: wij hebben een probleem, dus iemand moet in isolatie. Nee, daarover zijn wij het met elkaar eens. Soms wordt een strafmaatregel getroffen, waardoor isolatie noodzakelijk is. Soms gedragen mensen zichzelf zodanig, dat het beter is om ze in een cel met cameracontrole te plaatsen. Het is lang niet altijd in het belang van de gevangene/vreemdeling dat hij in een ruimte verblijft waar hij niet geobserveerd kan worden. Soms is het in het belang van de ingeslotene om geobserveerd te kunnen worden.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks): Dit antwoord stelt mij toch niet gerust. Isolatie is een uiterste noodmaatregel. Toepassing moet een grote uitzondering zijn. Uit het rapport van Amnesty blijkt dat het instrument niet op die manier wordt toegepast. Het wordt blijkbaar niet alleen in uiterste gevallen toegepast. Het gebruik is niet afgenomen, terwijl het wel de intentie was om daarop in te zetten. Er zal meer moeten gebeuren dan een constatering dat je terughoudend moet zijn. Daarover kun je het in theorie met elkaar eens zijn, maar in de praktijk blijkt het te vaak onnodig te worden toegepast. Daarom vraag ik de Staatssecretaris om actiever in te zetten op het terugdringen van het gebruik. Dat heeft alles te maken met de cultuur in organisaties en met het besef dat er ook alternatieven zijn. Ik ben het met de Staatssecretaris eens dat het een noodmaatregel moet zijn, maar wij kunnen nog heel veel stappen zetten om te voorkomen dat isolatie toegepast moet worden.

Staatssecretaris Teeven: Ik verzet me tegen de suggestie dat personeel in justitiële inrichtingen de maatregel te makkelijk zou nemen. Ik weet dat Amnesty dat opschrijft, maar ik hoef het niet met alles wat Amnesty opschrijft eens te zijn. Wij zijn het erover eens dat wij het gebruik van isolatie moeten terugdringen als daarvoor de mogelijkheid bestaat. De constatering dat het te makkelijk gebeurt en dat er een cultuur heerst, deel ik niet. De uitkomst delen wij wel: je moet het proberen te voorkomen. Daar zullen wij op inzetten.

Ik heb een overzicht verstrekt van landen waar grensdetentie plaatsvindt. De heer Schouw was er niet tevreden over, maar sommige lidstaten hebben niet gereageerd en andere lidstaten hebben een reactie gegeven waaruit wij niet alles konden destilleren. Het zou duidelijk worden als wij alle lidstaten zouden bezoeken om te bekijken hoe het geregeld is. Dat lijkt mij onevenredig veel tijd en geld te kosten. Ik zal mijn medewerkers wel vragen om nog eens bij de lidstaten die niet of onvoldoende hebben gereageerd na te gaan of er meer diepgang is te krijgen. Ik zal over het resultaat daarvan rapporteren.

De heer Schouw vroeg hoe wij verdergaan met het kinderpardon. Hij zei terecht dat het buiten de agenda is, maar ik zeg er graag iets over. De Raad van State heeft slechts één belangrijke nuancering aangebracht in het ingezette beleid, maar had er verder geen op- of aanmerkingen bij. De raad heeft mij wel gezegd dat het onderscheid dat door de uitspraak van de rechtbank in Arnhem werd gemaakt tussen actieve en passieve betrokkenheid en dat aanleiding heeft gegeven om scheiding aan te brengen tussen vreemdelingen die actief dan wel passief betrokken waren bij het buiten beeld zijn, niet goed is. Wij zijn op dit moment bezig en ik verwacht het halverwege volgende week te hebben afgerond. In 2 van de 42 zaken heeft de Raad van State een beslissing genomen. In de resterende 40 zaken doet het onderscheid tussen actieve en passieve betrokkenheid er niet meer toe. Zelfs bij actieve betrokkenheid zou er een situatie kunnen zijn die onder de uitzonderingen valt die de Raad van State heeft beschreven. Dan gaat het erom dat het verblijfsdossier bij de IND was gesloten, maar iemand nog wel in gesprek was met de Dienst Terugkeer & Vertrek. Dan is de buitenbeeldtermijn van drie maanden nog niet gaan lopen. Ook daarop zullen de dossiers worden nagezien. Halverwege volgende week zal ik de Kamer definitief informeren over de eindsituatie rondom het buitenbeeldcriterium. Als ik vergunningen niet afgeef en mensen dus blijvend geweigerd worden, zal een aantal mensen waarschijnlijk doorgaan met hun procedure.

Geeft dat aanleiding om de discretionaire bevoegdheid te gebruiken? Nee, want de zaken zijn allemaal al bekeken op de toepassing van de discretionaire bevoegdheid. De vraag die nu voorligt, is of de mensen wel of niet onder de regeling vallen, rekening houdend met de vier uitspraken van de Raad van State naar aanleiding van de uitspraken van de rechtbanken Haarlem, Arnhem, Groningen en nog een, die mij nu niet te binnen schiet. In die vier zaken is in hoger beroep een uitspraak gedaan. Die leggen wij bij elkaar. Halverwege volgende week nemen wij de beslissing over het aantal vergunningen dat nog wordt afgegeven en het aantal vergunningen dat wordt geweigerd.

De heer Schouw (D66): De Staatssecretaris hoeft hierop niet te reageren, maar hij krijgt van een ruime meerderheid van deze Kamer het signaal om hier soepel en ruimhartig mee om te gaan. Krijgen wij in de loop van volgende week een brief met het resultaat?

Staatssecretaris Teeven: De Kamer zal die brief eind volgende week dan wel begin van de week daarop ontvangen. Ik zal daarin een overzicht geven van de inventarisatie van de IND van de consequenties van de vier uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. Voor een aantal mensen zal het betekenen dat zij alsnog een vergunning krijgen. Voor anderen zal het betekenen dat zij geen vergunning krijgen. Het zal niet leiden tot het intrekken van hogerberoepsprocedures. De mensen die geen vergunning krijgen, zullen naar verwachting doorprocederen. Maar goed, wij kennen dan de jurisprudentielijn van de Raad van State. Daarin is overigens in stand gebleven dat handelingen en gedragingen van ouders – dat speelt bijvoorbeeld bij 1F – in het kader van het kinderpardon wel kunnen worden toegerekend aan kinderen. Ook daarover heeft de raad een uitspraak gedaan; het zit in de regeling van het kinderpardon.

De heer Schouw heeft mij ook gevraagd naar de afspraken met de VNG over de bed-bad-broodregeling. Hij sprak van een bandbreedte van 60–40. Dat herkende ik niet meteen. Er zijn wel gesprekken met de VNG gevoerd en er is over een bandbreedte gesproken, maar niet over een bandbreedte van 60–40. Wat is de stand van zaken? Die is niet anders dan ik in mijn brief heb beschreven. Op basis van nacalculatie zal ik de gemeenten tegemoetkomen in een sobere bed-bad-broodvoorziening. Dat doe ik omdat ik van mening ben dat gemeenten door de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 december in de situatie zijn gekomen dat zij tegen wil en dank een gedeelte van het rijksbeleid uitvoeren. Zij kunnen zich daar niet aan onttrekken. Wij voeren nu ambtelijk overleg met de VNG om te bekijken welke kosten daar wel en niet in zitten. Het kan nooit zo zijn dat een gemeente bijvoorbeeld voor vier jaar een locatie huurt en de kosten daarvan integraal in rekening brengt bij het Rijk. Het moet echt gaan om een sobere bed-bad-broodvoorziening: avondmaaltijd, stretcher, ochtendmaaltijd en onderdak tijdens de avondlijke en nachtelijke uren. Het zal duren tot maximaal twee maanden nadat er een resolutie komt van het Comité van Ministers, dan wel een eerdere beslissing van het Rijk om de sobere bed-bad-broodvoorziening op een andere manier te organiseren. Dat is iets voor de komende maanden.

Mevrouw Gesthuizen vroeg terecht aandacht voor de communicatie tussen het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers en omwonenden van azc's. Daarmee kwamen wij terug bij het dorpje Oranje, onderdeel van de gemeente Midden-Drenthe. Mevrouw Gesthuizen en ik hebben daar volgens mij allebei veel tijd in zitten. Wat zij zegt, herken ik dus allemaal wel. Er wordt rekening gehouden met de bewoners. Het COA had in eerste instantie de afspraak gemaakt om daar 1.400 bewoners onder te brengen. Naar aanleiding van mijn bezoek is gezegd: er zitten er nu 600 en wij gaan bekijken of wij dat kunnen uitbreiden naar 700. Als er dan grote problemen zijn, komt er een standstill. Dat zijn de afspraken die met het COA zijn gemaakt. Met die kleine groep bewoners van Oranje en die nog kleinere groep die grote bedenkingen heeft tegen de vestiging van het azc daar, moet je serieus omgaan. Ook de burgemeester zet zich daarvoor in. Het is niet mijn ervaring dat hij zich daar niet voor inzet. Bewoners zouden het idee hebben dat er soms niet serieus op hen wordt gereageerd. Ik zal nogmaals onder de aandacht van de leiding van het COA brengen dat het belangrijk is dat daar blijvend aandacht aan wordt besteed. Het gaat niet alleen om de grootte van de locatie en de opening, maar ook om het uitbreiden van het aantal bewoners. Steeds moet dat contact met de plaatselijke bevolking scherp worden onderhouden. Het is buitengewoon belangrijk dat er draagvlak is.

Hoe wordt de duur van het inreisverbod in de toekomst via de trap-op-trap-afsystematiek vastgesteld? Het huidige systeem werkt niet goed. Daarom is het nieuwe voorstel gedifferentieerder dan het voorstel dat door het WODC is onderzocht. Om in aanmerking te komen voor vermindering moet een vreemdeling Nederland uit eigen beweging hebben verlaten of een geldig reisdocument overleggen waarmee het vertrek kan worden gerealiseerd. De vreemdeling komt pas in aanmerking voor een vermindering als daadwerkelijk vaststaat dat hij Nederland gaat verlaten, dus op het allerlaatst mogelijke moment. Ik verwacht dat de instelling van wat wij nu met elkaar hebben afgesproken, mensen aanmoedigt om mee te werken aan terugkeer. Je moet niet alleen de negatieve kanten bekijken. Je kunt meer betrokken raken bij die vrijwillige terugkeer.

Mevrouw Gesthuizen is ook ingegaan op het «fit to fly»-principe. Hoe gaan wij daarmee om? Er wordt altijd bekeken of mensen in staat zijn om te vliegen. Dat is eigenlijk de enige norm. In die zin begrijp ik het commentaar van de Council of Europe Committee for the Prevention of Torture (CPT), maar de procedure is zorgvuldig. Als er twijfels zijn, wordt de medische dienst om advies gevraagd. IATA heeft daar richtlijnen voor opgesteld, waar wij ons aan houden. Dat geldt ook voor vreemdelingen. Ik zeg niet dat de CPT dat allemaal heeft miskend, maar de huidige procedure voldoet wel aan de eisen die de CPT heeft gesteld.

Mevrouw Gesthuizen heeft ook vragen gesteld over het 1F-beleid, het roulatiesysteem en het landenbeleid. De heer Azmani zei terecht dat we moeten vasthouden aan het ambtsbericht uit 2001. Dat is een duidelijk ambtsbericht waarover geprocedeerd is en waarover de Raad van State duidelijkheid heeft gegeven. De rang die iemand had in de Khad/WAD, kan natuurlijk van invloed zijn op de «wetenschap» die iemand geacht wordt te hebben gehad. Dat is ook precies de strekking van de tegenwerping die we plegen. Als je kolonel of majoor bent geweest bij de Khad/WAD, dan kun je niet heel makkelijk zeggen dat je nergens van hebt geweten. Ik denk dat dat de strekking is van het ambtsbericht. Het kabinet hield vast en blijft vasthouden aan het beleid hiervoor van de achtereenvolgende kabinetten. Zonder een concrete aanleiding kan er volgens mij geen sprake zijn van een wijziging of een versoepeling van dat beleid.

Onlangs heb ik een brief gekregen van de organisatie van Afghaanse vluchtelingen in Nederland – zeg maar de slachtofferkant – waarin aandacht wordt gevraagd om nadrukkelijk vast te houden aan het geldende 1F-beleid en daarin vooral geen versoepelingen aan te brengen. Er zijn nog heel veel mensen in Nederland die van tijd tot tijd mensen tegenkomen die betrokken waren bij mensenrechtenschendingen. Die organisatie zegt: geef nou geen ruimte aan mensen om dit land als vluchthaven te gebruiken. Ik spreek natuurlijk ook met deze organisaties die aandringen op continuering van het huidige Nederlandse 1F-beleid. Ik zie al met al op dit moment geen aanleiding om het beleid aan te passen.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Helaas is dit mijn laatste interruptie. Ik spreek die mensen ook weleens, maar ik neem aan dat er meteen een zaak is als deze mensen worden herkend. Dat lijkt mij evident of niet?

Staatssecretaris Teeven: Nee, dat is niet evident. Een slachtoffer kan wel iemand herkennen, maar vervolgens moeten politie en justitie, in dit geval het team oorlogsmisdrijven in Driebergen en het Openbaar Ministerie, bekijken of er in die concrete casus ook een zaak kan worden gebouwd. Dat is natuurlijk het probleem. Dan komt er ook iets anders van achter de horizon vandaan, want je krijgt dan te maken met feiten die gepleegd zijn in de periode tussen 1978 en 1992. De strafbare feiten moeten immers in die periode hebben plaatsgevonden. Dan komt de vraag aan de orde of de politie en het Openbaar Ministerie nu nog in staat zijn om het bewijs in een strafzaak boven water te halen.

Mevrouw Gesthuizen weet dat ons dat met de leidinggevenden van de Khad/WAD in 2007 is gelukt. Toen is het gelukt om mensen respectievelijk tot twaalf, negen en zeven jaar veroordeeld te krijgen. Dat waren mensen met de rang van generaal en luitenant-generaal. Maar dat lukt niet altijd. Naarmate de tijd verstrijkt, wordt het moeilijker om in individuele strafzaken bewijs te vergaren. Ik verwijs in dit verband graag naar de brief van 26 februari van de Favon, de Federatie van Afghaanse Vluchtelingen Organisaties in Nederland. Die brief is overigens ook naar een aantal leden van de commissie gestuurd. Deze brief maakte mij weer eens duidelijk dat we niet te lichtvaardig en te makkelijk moeten afwijken van het 1F-beleid dat het kabinet op dit moment voert.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik ken die brief en ik heb deze mensen het afgelopen jaar ook gesproken. Ik ken hun argumenten en ik voel een heel eind met hen mee. Sterker nog, ik denk dat iedereen in deze commissie zich hard zou willen maken voor het niet bieden van een vluchthaven voor oorlogsmisdadigers. Ik vind het tegelijkertijd uiterst inhumaan om het recht op een normaal bestaan op deze planeet te ontzeggen aan mensen als wij met de beste wil van de wereld nog geen spat bewijs kunnen leveren dat ze zich daadwerkelijk schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden.

Staatssecretaris Teeven: Ik ben het met mevrouw Gesthuizen eens dat de belemmering van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat jarenlang gold voor Afghanistan, het onmogelijk maakte dat het daadwerkelijk gedwongen vertrek van mensen werd geëffectueerd, ook al was hun artikel 1F tegengeworpen en was hun daardoor een verblijfsstatus ontzegd. Deze mensen zouden namelijk daadwerkelijk aan levensgevaar worden blootgesteld als ze gedwongen naar Kabul zouden worden uitgezet. Deze omstandigheid heeft ertoe geleid dat de tijd wel is gaan verstrijken. Daardoor heb je soms een lang tijdsverloop en dat leidt ertoe dat we mensen nu soms wel kunt uitzetten, maar dat die mensen wel jarenlang in een juridisch niemandsland hebben geleefd, doordat hun 1F is tegengeworpen. Dat is een feitelijke constatering. Ik vind dat niet inhumaan, want die mensen wisten dat ze niet in Nederland zouden worden toegelaten. Ze hadden ook zelf Nederland kunnen verlaten, toen ze wisten dat het er niet in zat. Ik begrijp natuurlijk ook dat dit soms ingewikkeld is, bijvoorbeeld omdat ze een echtgenote en kinderen hebben die inmiddels het Nederlanderschap hebben gekregen. Kinderen van deze mensen zijn vaak Nederlander en zij leven in dit concrete geval in de situatie dat hun vader geen verblijfsrecht in Nederland krijgt. Maar dat weten die mensen wel! Het is niet zo dat het allemaal onzin is wat er wordt tegengeworpen.

Voorzitter. Ik ga verder met artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit. Mevrouw Gesthuizen vroeg mij of dit artikel onder omstandigheden strijd met het EVRM kan opleveren. Voor artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit geldt hetzelfde als voor de toepassing van artikel 4.6 van de Algemene wet bestuursrecht: als er geen nieuwe feiten worden ingebracht, kan de IND een verzoek verkort afdoen. Als er toch bijzondere omstandigheden zijn die reden zijn om een schending van artikel 3 te vermoeden, kan de IND niet volstaan met zo'n verkort oordeel op grond van artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit of artikel 4.6 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat is ook hoe de rechter het op dit moment toetst als gevolg van het Bahaddar-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dat is de situatie op dit moment.

De heer Azmani heeft mij gevraagd te reageren op de balans. Houdt de Staatssecretaris de balans wel een beetje in de gaten? De heer Schouw interrumpeerde hem daarop om nadere uitleg te krijgen van de tekst die de heer Azmani uitsprak. Houden we de balans in de gaten tussen aan de ene kant de tegemoetkoming die mensen krijgen bij vrijwillige terugkeer en aan de andere kant de vertrekplicht? De heer Fritsma stelde hetzelfde probleem ook aan de orde; hij doet dat eigenlijk al jaren in elk algemeen overleg over dit onderwerp. Die balans houden we scherp in de gaten. Dat betekent dat vergoedingen bij vrijwillige terugkeer nooit bovenmatig kunnen zijn. Als je een vergoeding «in kind» doet – dat is het meegeven van contant geld – dan houden we altijd het walletje bij het schuurtje, om het zo maar te zeggen. We bekijken dus altijd of het, gezien het land waar iemand naartoe vertrekt, geen bovenmatige vergoeding is. Juist daarom proberen we dat soort vergoedingen buiten beschouwing te laten door mensen te stimuleren om op een andere manier terug te keren. Daarbij kan worden gedacht aan het starten van een project in het herkomstland. Daarvan zijn overigens goede voorbeelden, vooral in Burundi.

Hoe kunnen we die vrijwillige terugkeer stimuleren? We kunnen dat heel concreet doen door mensen die vrijwillig zijn teruggekeerd, hun verhaal te laten houden voor de groep van mensen die nog in Nederland is en hierover twijfelt. Een andere manier is wat de Belgische overheid doet. Ik heb daar laatst nog met de Belgische Staatssecretaris over gesproken. België ontmoedigt en ontraadt mensen in het land van herkomst om naar België te komen. Je kunt doodeenvoudig tegen hen zeggen: «Luister eens, in jullie land is geen sprake van een dusdanig onveilige situatie dat jullie kans maken op een verblijfsvergunning. Dus doe dat nou niet. Blijf in het land daar.» Dat betekent dat je dan dit soort vergoedingen niet zou hoeven betalen, doodeenvoudig omdat mensen niet komen.

De heer Azmani zei dat het 15c-beleid is afgeschaft voor regio's in de Democratische Republiek Congo en hij wil weten waarom ik de vergunningen dan niet intrek. Ik doe dat niet, omdat er dan wel beleidsmatig sprake moet zijn van een bestendige verbetering van de situatie in het land van herkomst. Geen 15c-situatie betekent meestal dat de situatie nog niet gedurende heel lange tijd bestendig is verbeterd. Dat geldt ook voor de DRC. Het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken laat bijvoorbeeld zien dat de ontwikkelingen rondom de LRA, een beweging die actief is in Oost-Congo, betekenen dat de situatie nog niet dusdanig veilig is dat je kunt spreken over een bestendig veilige situatie. Het is geen 15c, maar er is ook geen sprake van een bestendig veilige situatie. Ik zeg de heer Azmani wel toe dat we er bij Buitenlandse Zaken nadrukkelijk op zullen aandringen dat een volgend ambtsbericht wel kan leiden tot een situatie dat er sprake is van een bestendige situatie.

De heer Azmani (VVD): In het ambtsbericht van 2012 stond al positieve berichtgeving over deze regio's. Er is twee jaar gewacht op een nieuw ambtsbericht. Vervolgens wordt in 2014 aangegeven dat de veiligheidssituatie tijdens de verslagperiode betrekkelijk kalm is. Als je verder leest, kom je tot de conclusie dat de situatie inderdaad is veranderd. Het is dan ook een goede beleidsbeslissing om artikel 15c niet langer van toepassing te verklaren op deze regio's. Misschien kan de Staatssecretaris mij zeggen of hij nu weer twee jaar gaat wachten op een nieuw ambtsbericht om daarna te beslissen tot het intrekken van deze verblijfsvergunningen of kan er eerder een nieuw ambtsbericht worden opgevraagd? Kan met andere woorden misschien al over een jaar de conclusie worden getrokken dat deze verblijfsvergunningen kunnen worden ingetrokken? Ik vraag dat ook, omdat die voortgang er op dit moment al zo'n twee, drie jaar in zit. Ik vind dat je daarom verblijfsvergunningen moet gaan intrekken en individueel moet gaan beoordelen. Misschien zijn er risicogroepen op basis waarvan je de vergunning intact laat, maar het enkele feit dat iemand op grond van artikel 15c verblijfsrecht heeft gekregen, vind ik, gezien de ambtsberichten van 2012 en 2014 niet langer te rechtvaardigen. We moeten verblijfsvergunningen voor deze regio gewoon niet langer categoriaal toekennen.

Staatssecretaris Teeven: De heer Azmani heeft gelijk en daarom wacht ik het volgende ambtsbericht ook niet af. Vanuit een ander beleidsveld heb ik op dit moment intensief contact met de ambassade in Kinshasa en de directeur-generaal Migratie, die ook betrokken is bij de adoptie. Ik heb dus contact met zowel de Minister als de directeur-generaal. Toen ik in Kinshasa was heb ik de ambassade gevraagd om juist de situatie in het oosten van Congo goed te monitoren. De ambassade heeft ook mensen in het oosten van Congo, het noordelijke, oostelijke en zuidelijke deel van de provincie Kivu. Daar zitten mensen die dit kunnen waarnemen. Dat betekent dat de ambassade mij rechtstreeks zal berichten over veranderingen in de situatie. Ik ga dus niet zitten wachten op het volgende ambtsbericht. Ik ga echt in de gaten houden of de situatie daar veiliger wordt. Daarom zei ik ook dat we nu eerst even moeten kijken hoe het zit met de LRA. Zijn er nog steeds groepen van de LRA actief in die regio van Congo? Die groepen waren eerst actief in Uganda. Als dat nog steeds zo is, kun je niet spreken van een situatie die dermate bestendig is dat ik kan overgaan tot het intrekken van verblijfsvergunningen en het terugsturen van mensen naar de regio. Maar het is dus niet zo dat we wachten op een standaard ambtsbericht, omdat er actieve contacten zijn met het kabinet aldaar en met de ambassade aldaar. Dat betekent namelijk dat we echt de vinger aan de pols kunnen houden.

Ik kan de heer Azmani toezeggen dat ik de ontwikkelingen rond 1F en Syrië expliciet zal meenemen in de rapportage internationale misdrijven die nog voor de zomer naar de Kamer komt.

De heer Azmani heeft gevraagd naar de duur van het inreisverbod voor veroordeelden, maar ik denk dat ik daar al op ben ingegaan.

De heer Azmani heeft gevraagd welke gevolgen het CPT zal geven aan de kabinetsreactie op het rapport met de aanbevelingen. Op 5 januari jongstleden heeft het CPT ter afsluiting van het monitoren van de Frontex-vluchten het rapport en de kabinetsreactie op de website gepubliceerd. Daar kan hij teruglezen dat ze zeer tevreden waren met de wijze waarop aan die Frontex-vluchten uitvoering is gegeven.

De heer Azmani heeft mij gevraagd waarom de pilots lokale samenwerking onder regie van de gemeenten staan. In het kader van de lokale samenwerking gaat het om een nauwe samenwerking tussen het Rijk en de gemeenten. Binnen de pilots worden individuele zaken besproken om tot een oplossing te komen, waarbij terugkeer altijd een oplossing is. De gemeente is voorzitter van het overleg en ik wil niet direct spreken, zoals de heer Azmani wel doet, over regie door de gemeenten. Ik wil vooral nadruk leggen op de goede samenwerking op lokaal niveau. Dat het mij lood om oud ijzer is, is wat al te boud gezegd, maar het gaat mij er wel om dat mensen op goede wijze met elkaar samenwerken bij de uitvoering op rijksniveau. Maar er zijn ook voorbeelden van lokaal terugkeeroverleg. Ik vind dat niet het allerbelangrijkste. Wat ik het belangrijkste vind, is dat mensen daadwerkelijk vanuit dat lokaal terugkeeroverleg teruggaan en dat er sprake is van vrijwillige terugkeer.

De heer Oskam heeft mij gevraagd waarom er in 2014 een aantal 1F-onderzoeken zijn gedaan en in 2014 20 1F'ers Nederland hebben verlaten. Wat is de relatie tussen die twee parameters? Het aantal onderzoeken in het kader van 1F in één jaar zegt niets over het aantal gerealiseerde vertrekken. Er is ook geen lineair verband tussen die twee grootheden. De heer Oskam weet natuurlijk dat die terugkeer van een groot aantal andere omstandigheden afhankelijk is, bijvoorbeeld afgeronde juridische procedures, de aanwezigheid van reisdocumenten, de bereidheid van een 1F'er om actief te werken aan de eigen terugkeer. Die voorbeelden zijn er trouwens ook. Een afwijzing op grond van 1F in 2012 kan heel goed leiden tot terugkeer in 2014. Je kunt de cijfers over die jaren van het aantal 1F'ers en het aantal teruggekeerde 1F'ers niet rechtstreeks aan elkaar koppelen.

De heer Oskam heeft mij gevraagd naar de toetsing van bekeerlingen in asielzaken. In de praktijk worden er inderdaad met regelmaat brieven van deskundigen overlegd om de door de asielzoekers gestelde bekering nader te beschrijven. In de situaties dat de IND de bekering niet aannemelijk acht, dient de IND dit in een asielbesluit duidelijk en toetsbaar te motiveren. De rechtbank kan vervolgens beoordelen of de IND in redelijkheid tot zijn oordeel is gekomen.

Als de heer Oskam concrete voorbeelden heeft van zaken waarin de IND niet toetsbaar heeft gemotiveerd – ik krijg dat soort voorbeelden soms aan aangereikt van de heer Voordewind – waarom die bekering niet aannemelijk wordt gevonden, ontvang ik die graag. Als die voorbeelden er daadwerkelijk zijn, kunnen we die bespreken met de IND. Ik spreek nadrukkelijk de bereidheid uit om dat in de situaties waarvan de heer Oskam voorbeelden heeft, daadwerkelijk te doen.

Krijgt iemand bij het overschrijden van de ondergrens van 28 dagen op termijn een inreisverbod? Eerst wordt bepaald of iemand met een 1F-status een inreisverbod krijgt. Als er humanitaire of andere omstandigheden zijn die dat beletten, wordt daarvan afgezien. Aan wat voor voorbeelden moet je dan denken? Je moet dan bijvoorbeeld denken aan de situatie dat iemand een andere toezichtsmaatregel heeft gekregen, bijvoorbeeld een meldplicht waarbij de vreemdeling al onder toezicht van de overheid aan zijn vertrek werkt. Er zijn ook andere gevallen. In andere gevallen krijgt de vreemdeling wel een inreisverbod volgens het systeem dat we net hebben besproken naar aanleiding van de vraag over het trap-op-trap-afsysteem.

Ik heb nog één vraag van de heer Oskam niet beantwoord, namelijk zijn vraag over de pilot met betrekking tot de herkomstlanden. Op welke landen heeft dat precies betrekking? Daar kom ik aan het einde van beantwoording nog even op terug.

Mevrouw Kuiken vroeg of ik het Zweedse model voor isolatie een goed voorbeeld vind. Wij hebben daar kennis van genomen. Ik denk dat het belangrijk is dat in Zweden anders om wordt gegaan met straffen. In Zweden blijft bijvoorbeeld een vreemdeling die straf krijgt, soms niet in de vreemdelingendetentie omdat hij dan wordt overgebracht naar een strafgevangenis. Gezien het wetsvoorstel waarmee we nu bezig zijn, lijkt het mij goed dat iemand in zijn bestuursrechtelijke omgeving blijft. Vreemdelingen met zo'n zaak moeten we dus in vreemdelingendetentie houden. Ik sta wel achter het idee om het aantal afzonderingen, zowel als straf als als bescherming, te beperken. Dat heb ik echter al gedeeld naar aanleiding van de opmerking van mevrouw Ellemeet.

Mevrouw Kuiken heeft mij er nogmaals op gewezen dat ik voorzichtig moet zijn met Rwanda, zo vat ik het althans op. Ik heb goed gehoord wat zij daarvoor heeft gezegd. Ik denk dat het goed is om te constateren dat zowel mevrouw Ploumen als ik hierbij nadrukkelijk en nauw samenwerken. We zijn ons allebei ook bewust van de risico's die er zijn. Tegelijkertijd moeten wij ook constateren dat het justitiële en politionele apparaat van Rwanda een enclave van relatieve rust is in een regio waar het soms heel moeilijk is om iets terug te zien van de opbouw van een justitieel apparaat. Dat laat onverlet dat we onze ogen niet mogen sluiten voor de werkelijkheid, want die is soms heel weerbarstig. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en ik zijn echter wel van mening dat er sprake is van vooruitgang in het Rwandese justitiële bestel. Wij blijven Rwanda ook aanspreken op een eerlijke rechtsgang en het is dus zeker niet zo dat wij geen kritiek hebben. Juist omdat we Rwanda ondersteunen en omdat we daar mensen – twee rechters die de ontwikkelingen van zeer nabij volgen – hebben zitten, zijn we in staat om Rwanda daadwerkelijk aan te spreken op die vooruitgang.

Mevrouw Kuiken heeft mij gevraagd hoe het gaat met het toezicht door de inspectie. De inspectie inspecteert intensief. Net als voorheen selecteert de inspectie ook de vluchten waarop zij in het kader van de toezichtstaak meevliegt. Ik verwacht dat ik in het voorjaar een nieuwe monitor van de inspectie naar de Kamer kan sturen, zodat er in ieder geval een duidelijk beeld is van waarop de inspectie bij de aangekondigde inspecties inzet.

Er is gevraagd naar de structurele financiering van de Rean en de HRT. Voor de Rean-projecten is in de begroting een meerjarige reeks opgenomen, waarin de financiering voor de komende jaren is geregeld. Het HRT-project wordt gefinancierd uit de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken via de post migratie en ontwikkeling. Ik heb het nagetrokken en ik kan de commissie daardoor mededelen dat hierin geen wijziging is voorzien. De financiering van het laatstgenoemde project is dus ook meerjarig geregeld.

Mevrouw Kuiken heeft mij vragen gesteld over de achterstanden bij de nareis. Laten we constateren dat de IND ook achterstanden heeft bij de eerste aanvragen. Daar is de laatste tijd veel energie in gaan zitten. Zo is er een aantal weken gewerkt met avond- en weekendopenstelling bij de IND om achterstanden in te lopen. De achterstanden bij de nareis zullen we ook moeten inlopen. Daartoe zullen de komende tijd aanvullende maatregelen worden getroffen. Ik zeg de Kamer toe dat ik zal terugkomen op de concrete afspraken die ik ga maken met de IND over hoe hieraan vorm zal worden gegeven. Ik zal de Kamer dan tevens informeren over de achterstanden op het terrein van de eerste aanvraag.

De heer Oskam heeft nog een antwoord tegoed op zijn vraag over de stand van zaken rond de Europese samenwerking bij terugkeer. De raadsconclusies van juli vorig jaar geven de Commissie een mandaat voor de uitvoering. Dat gebeurt op dit moment met betrekking tot de landen Pakistan, Bangladesh en Nigeria. Op die landen heeft de pilot betrekking. Dat wordt ingevuld volgens het principe «more for more». We kijken dan ook nadrukkelijk naar wat die landen op het terrein van ontwikkelingssamenwerking kunnen krijgen. Het voornemen is ook omarmd door de nieuwe Commissie en heeft haar steun hiervoor uitgesproken. In Rome is inmiddels een eerste gezamenlijke bijeenkomst geweest van de JBZ-Raad en de Raad Buitenlandse Zaken. Op dit moment wordt er een werkbezoek van de Europese Unie aan Pakistan gepland.

Mijnheer Fritsma heeft mij gevraagd of de nareisaanvragen zorgvuldig worden getoetst. Ik vind het van belang dat dit zorgvuldig gebeurt. Die aanvragen mogen nu niet lichtvaardig worden ingewilligd, net zoals aanvragen ook niet lichtvaardig mogen worden afgewezen. Dat is de andere kant van het verhaal. Het heeft de aandacht van de IND en ik zal de Kamer berichten hoe wij omgaan met die achterstanden bij nareis.

Ik heb de heer Oskam eerder toegezegd de Kamer te zullen informeren over het aantal leefgeld- en onderdakzaken dat op dit moment onder de rechter is. Die toezegging zou ik bij dezen gestand willen doen. Tot en met 25 februari 2015 zijn er 375 verzoeken ingediend die zien op het verstrekken van leefgeld dan wel onderdak. Er zijn daarop 320 bezwaarschriften binnengekomen, waarna er vervolgens in 280 zaken beroep is ingesteld bij de rechtbank. Op dit moment wordt hard gewerkt om al die bezwaarschriften tijdig en zorgvuldig af te handelen. Dat is de stand van zaken.

Voorzitter, ik denk hiermee alle vragen te hebben beantwoord.

De voorzitter: We gaan verder met de tweede termijn. De eerste termijn was een goed debat. Ik heb de commissie verder uitgebreid de tijd gegeven voor haar eerste termijn. Gezien de tijd – het is 12.30 uur – wil ik de leden vragen zich te beperken tot één minuut spreektijd en één interruptie. Ik wil namelijk alle sprekers recht kunnen doen.

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter. Ik bedank de Staatssecretaris voor de gegeven antwoorden.

We zitten nu toch op het gebied van immigratie en asiel met een heel nare combinatie, namelijk de combinatie van een verschrikkelijk hoge instroom en een lage uitstroom, want de terugkeercijfers van uitgeproceerden en illegalen dalen gewoon sterk. Ik wil daarom van de Staatssecretaris horen of er zicht is op verbetering en wat de precieze doelstelling is voor de terugkeercijfers.

Ik heb slechts een minuut spreektijd en daarom nu snel mijn tweede punt: de geweldplegers in asielzoekerscentra. We herinneren ons allemaal de geweldexplosies in Budel en Overloon, waarbij tientallen asielzoekers betrokken waren. Ik hoor van de Staatssecretaris dat er drie arrestaties zijn verricht, dat er mensen zijn verhuisd en dat er alcoholverboden zijn opgelegd, maar zijn ook de verblijfsaanvragen van al die geweldplegers afgewezen? Zijn er met andere woorden al mensen teruggestuurd naar hun land van herkomst? Dat zou toch het antwoord moeten zijn op dit soort acties.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks): Voorzitter. Ik bedank de Staatssecretaris voor zijn beantwoording. Helaas moet ik wel constateren dat ik op een aantal punten nog niet de door mij gevraagde informatie heb gekregen. Ik ben verder teleurgesteld door de reactie van de Staatssecretaris. Om die reden vraag ik een VAO aan.

De marechaussee maakt duidelijk onderscheid tussen de begrippen «geweld» en «dwangmiddelen». Ik zou de Staatssecretaris willen vragen wat het belang is om dat onderscheid te maken, aangezien hij aangeeft dat het toch altijd samengaat.

Ik ben ook teleurgesteld over de antwoorden op de vragen over isolatie. Mijn fractie denkt dat het noodzakelijk is om wel te komen met een actieplan om ervoor te zorgen dat we het gebruik daarvan terugdringen en dat het alleen nog maar in een uiterste noodsituatie wordt gebruikt. Het mag zeker niet worden gebruikt als iemand weigert een formulier te tekenen, om maar een voorbeeld te geven van een geval waarin wel is overgegaan tot isolatie. Het wordt echt te vaak toegepast.

Om te toetsen of het uitzettingsbeleid geen gevaar oplevert voor de betrokkenen is het naar mijn idee noodzakelijk om wel te toetsen hoe het gaat met mensen die uitgezet zijn naar soms risicovolle gebieden.

De heer Schouw (D66): Voorzitter. Ik bedank de Staatssecretaris voor zijn beantwoording. Wat heeft dit debat opgeleverd? Mede dankzij het rapport van Amnesty International is per heden de scan op Schiphol in werking getreden. Toeval bestaat niet, maar ik denk dat we hiermee een goede stap hebben gezet om visitaties zo veel mogelijk te beperken.

Ik ben het eens met wat mevrouw Ellemeet zei over isolatie. Ook ik vraag de Staatssecretaris om wat preciezer en het liefst schriftelijk te reageren op de bevindingen in het rapport van Amnesty.

Ik vond het leuk wat de Staatssecretaris antwoordde op de vraag of er balans is in het uitzetbeleid. Hij reageerde daarmee op een indringende vraag van de VVD-fractie. Mag ik uit dat antwoord concluderen dat er volgens het kabinet balans is? Zo ja, dan is daarmee die vraag van de VVD beantwoord. Ik denk dat dit een belangrijke vaststelling is.

Ik schrik een beetje van de koppeling die de Staatssecretaris aanbrengt tussen het terugkeerbeleid en het geven van ontwikkelingshulp. Mijn fractie vindt dat een perverse prikkel en vraagt zich af of de Staatssecretaris weet heeft van het feit dat zijn collega-Minister Ploumen grote twijfels heeft bij de effectiviteit en daarnaar een nader onderzoek laat doen. Wil de Staatssecretaris dit soort opmerkingen niet meer maken totdat we de uitkomsten van dit onderzoek hebben?

Mevrouw Gesthuizen (SP): Voorzitter. Ik kom nog kort terug op de zaak-Amiri. Ik raad de Staatssecretaris aan om voortaan in zijn brieven iets vollediger te zijn. Als hij gewoon duidelijk had opgeschreven dat er zowel geweld als dwangmiddelen zouden zijn gebruikt, zou de discussie namelijk wellicht minder ontspoord zijn. Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik het niet weet. Ik ben best bereid om de Staatssecretaris te geloven als hij zegt dat hij vertrouwen heeft in de KMar en dat het op een goede manier is gegaan, maar dat laat onverlet dat er twee heel tegenstrijdige verhalen zijn. Ik neem aan dat de mensen die menen dat zij slachtoffer zijn geworden van disproportioneel geweld, weten dat zij de mogelijkheid hebben om aangifte te doen tegen de officieren of wie dan ook.

Ik vind het net als mevrouw Ellemeet van GroenLinks teleurstellend wat de Staatssecretaris over isolatie zei. Toen een paar jaar geleden de eerste cijfers bekend werden over het aantal isolaties in de vreemdelingendetentie, was – het zijn misschien grote woorden – in ieder geval de Kamer te klein. Wij schrokken daar allemaal ontzettend van en vervolgens is ons echt beloofd dat het anders en beter zou worden. De laatste cijfers over het aantal gedetineerden en het aantal isolaties geven mij de indruk dat er nauwelijks enige verbetering te zien is en dat baart mij ernstige zorgen.

Ik bedank de Staatssecretaris voor zijn toezegging dat hij het COA zal aanspreken op zijn verantwoordelijkheid tegenover de plaatselijke bevolking. Ik zal dit zeker in de gaten blijven houden.

Volgens mij staat in een rapport van het WODC over de effectiviteit van het inreisverbod op de bereidheid van mensen om te vertrekken precies het tegenovergestelde van wat de Staatssecretaris zegt. Volgens het WODC is er helemaal niet bewezen dat mensen genegen zijn om eerder te vertrekken als hen een langer inreisverbod boven het hoofd hangt. Ik begrijp de Staatssecretaris toch zeker goed als ik dat wel uit zijn woorden opmaak?

De heer Azmani (VVD): Voorzitter. Ik bedank de Staatssecretaris voor zijn beantwoording. Ik bedank hem ook voor zijn toezegging dat de Kamer zal worden geïnformeerd over de voortgang rond de Syrische 1F-dossiers en over de uitslag van de beroepszaken. Ik bedank de Staatssecretaris dat hij, anders dan in het verleden, niet zal wachten op een nieuw ambtsbericht over de Democratische Republiek Congo, maar zelf intensief contact zal houden met de lokale autoriteiten in Kinshasa, en dat dit op termijn zal leiden tot individuele beoordelingen van inmiddels verleende vergunningen.

De Staatssecretaris heeft het een en ander gezegd over het 1F-beleid voor Afghanistan en over «knowing participation». In het ambtsbericht is nadrukkelijk ingegaan op de rol van officieren en van onderofficieren bij het plegen van systematische mensenrechtenschendingen en dat betekent dat er behalve «knowing participation» ook een duidelijke «personal participation» is.

Tot slot moet het mij van het hart dat ik dit soort debatten onbevredigend vind. Dat geldt overigens niet voor de beantwoording van de Staatssecretaris. We hebben eerder een debat gehad over de rol van een vertrouwensarts bij een uitzetting. Toen zat de Kamer er ook bovenop en dat gaf mij ook een onbevredigend gevoel. Eigenlijk vond iedereen dat dit geen goede zaak was. Ook vandaag houd ik een onbevredigend gevoel over aan hoe makkelijk er in de media over een zaak bericht kan worden, doordat er een verhaal is. De uitkomst hiervan is echter voor iedereen onbevredigend. De uitkomst is immers zowel onbevredigend voor de Kamer als voor de beide partijen. Dat heeft ook te maken met het feit dat er geen consequenties aan worden verbonden als er zaken via de media naar buiten worden gebracht die bezijden de waarheid zijn. Ik heb dat ook al benadrukt bij de zaak van de vertrouwensarts en daarom krijg ik nu toch ook graag een appreciatie van de Staatssecretaris. Zouden we dat in de toekomst toch niet zo kunnen regelen dat het niet zonder consequenties is?

Mevrouw Gesthuizen (SP): Dit is nog eens een interessante suggestie! Het zou namelijk kunnen leiden tot een soort spreekverbod voor mensen die gewoon hun mening willen geven over een bepaalde gang van zaken. De heer Azmani kan dat toch niet serieus menen?

De heer Azmani (VVD): Nee, zeker niet. De vrijheid van meningsuiting staat bij mij hoog in het vaandel. Het gaat mij erom dat er verhalen via de media naar buiten worden gebracht die bezijden de waarheid zijn en waarin mensen ten onrechte zaken worden toegedicht. In dit geval treft dat de Koninklijke Marechaussee, maar eerder zagen we hetzelfde bij artsen die betrokken waren bij detentiecentra. De zaak van die vertrouwensarts kent mevrouw Gesthuizen ook heel goed. Ik vind het onbevredigend dat het zo makkelijk is om een bepaalde perceptie te geven van een zaak. Het staat kennelijk iedereen vrij om dat te doen, maar we zien nu hoe vervolgens het politieke proces loopt. Het uiteindelijke resultaat is bovendien voor alle partijen heel onbevredigend.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Laat ik voor mijn fractie spreken: ik vind het heel belangrijk om zowel wat de KMar op papier zet als de verklaring van de Staatssecretaris uiterst serieus te nemen. Tegelijkertijd vind ik het ook heel belangrijk om serieus te nemen wat andere mensen zeggen, mensen die misschien geen officiële positie in Nederland hebben maar wel het recht hebben om hun zorgen te uiten over een bepaalde gang van zaken. Misschien valt de heer Azmani mij wel bij als ik zeg dat mensen die menen dat hun groot onrecht is aangedaan, aangifte kunnen doen?

De heer Azmani (VVD): Daarover verschillen we niet van mening. Als mensen vinden dat ze aangifte moeten doen, moet dat kunnen. Je ziet nu echter dat het via het parlement wordt gespeeld. Ik zeg altijd: je moet terughoudend zijn ten opzichte van individuele zaken, omdat een parlementariër in een individuele zaak geen weging kan maken. Ik stel vast dat ook vergelijkbare eerdere debatten, bijvoorbeeld die over die vertrouwensarts, heel onbevredigend waren, zowel voor het parlement als de betrokkenen. Het is heel moeilijk voor de Staatssecretaris om op individuele zaken in te gaan, omdat hij dat eigenlijk alleen maar bij heel hoge uitzondering kan doen. Iedereen die betrokken is bij zo'n debat, is uiteindelijk een verliezer. Ik vind dus dat we terughoudend moeten zijn. Het is misschien ook wel te makkelijk om het via de media te spelen, omdat het geen consequenties heeft als je dergelijke verhalen in de wereld brengt.

De heer Schouw (D66): Ik vind het vreselijk dat de heer Azmani een onbevredigend gevoel heeft, maar eigenlijk snap ik zijn opmerking niet heel erg goed. Als je doordenkt, lijkt het er namelijk op dat de heer Azmani uit is op een soort mediacensuur en op censuur van Kamerleden. Het is toch gewoon de taak van een parlementariër om kwesties uit te spitten? Ik voeg daaraan toe dat kwesties altijd dossiers zijn die soms over een persoon en soms over een zaak gaan. De ene keer is een kwestie minder waar dan aanvankelijk leek, maar de andere keer is die meer waar. Is het niet gewoon de taak van een parlementariër in de Tweede Kamer om de vinger op kwesties te leggen?

De heer Azmani (VVD): Ik ben blij dat de heer Schouw die vraag stelt. Hierover verschillen de VVD en D66 blijkbaar echt van mening. Laat duidelijk zijn dat ik me met mijn punt zeker niet op de media richt. Ik snap dat media hierover berichten en daar zit het punt wat mij betreft dan ook niet. Wij verschillen klaarblijkelijk van mening over mijn punt dat we terughoudend moeten zijn met het geven van een oordeel over een individuele zaak. Dat is ook helemaal niet aan ons. Wij hebben niet voldoende kennis van die dossiers en weten daardoor niet precies wat er speelt. We moeten het zo gewoon niet doen?, omdat we de kennis en expertise daarvoor niet hebben. Wij zijn de controleurs van de regering en dat betekent dat we naar het beleid moeten kijken en eventueel met initiatiefwetgeving moeten komen. Je kunt ideeën hebben over het uitzettingsbeleid, hoe dat vorm moet worden gegeven en hoe de KMar daarbij moet optreden. Daar moeten we met elkaar over debatteren, maar ik vind het altijd heel erg ongemakkelijk om te debatteren over individuele zaken, omdat de uitkomsten van die debatten eigenlijk altijd onbevredigend zijn, zie daarvoor bijvoorbeeld de conclusie die mevrouw Gesthuizen uit dit debat trekt. Je kunt niet veel. Het is onbevredigend. We voeren een debat. De Staatssecretaris reageert in dit geval, maar voor hem is dat ook ongemakkelijk, omdat hij individuele zaken niet in het parlement kan toelichten. We moeten hiermee oppassen, want anders hebben we hier straks elke keer weer debatten over individuele zaken. Ik zou zeggen dat we dan beter zelf in de uitvoeringsorganisatie kunnen gaan zitten die die zaken beoordelen.

De heer Schouw (D66): De heer Azmani zit volgens mij een beetje met zichzelf in de knoop.

De heer Azmani (VVD): Helemaal niet.

De heer Schouw (D66): Helemaal wel!

Ik heb iets geleerd van de heer Spekman dat ik graag zou delen. Hij zei: aan de hand van een individuele casus kun je bezien of het beleid werkt of niet. Mijn fractie heeft de Staatssecretaris gewoon om opheldering gevraagd. Wij hebben dat net als andere fracties gedaan door schriftelijke vragen te stellen: hoe zit het, Staatssecretaris? Wij hebben dat gedaan, zonder daarmee een oordeel te vellen over de kwestie. Wij hebben dus alleen om opheldering gevraagd en ik vraag me toch echt af of de heer Azmani daarover nu zegt dat die fracties die vragen niet hadden mogen stellen.

De heer Azmani (VVD): Nee, dat zeg ik niet. Ik heb het verzoek bij de regeling van werkzaamheden gesteund, vanwege de argumenten van de heer Fritsma. Hij wilde meer informatie hebben, omdat deze zaak al zo politiek was geworden en al zo veel aandacht had gekregen in de media. Ook de heer Schouw heeft daarbij een rol gespeeld. Ik geef nu alleen maar aan dat je door het stellen van Kamervragen over individuele zaken die zaken groter maakt en soms zelfs zo groot dat er dus ook inhoudelijk over een individuele zaak moeten worden gedebatteerd. Ik zeg alleen maar dat we dat moeten voorkomen. Ik vind het onbevredigend dat we hierover moeten debatteren, omdat dat vrije spel er ook is.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks): Het is toch heel opmerkelijk dat de heer Azmani verschillende fracties verwijt dat we aan de hand van een individuele casus beleid ter sprake willen brengen. De heer Azmani is namelijk zelf begonnen over de drie haatimams en dat is volgens mij een heel vergelijkbare aanpak. Hij wil op die manier immers ook via een individuele casus iets breders aan de kaak stellen. Daar kun je inhoudelijk van alles van vinden, maar dat laat onverlet dat het de taak van parlementariërs is om te toetsen of het beleid deugdelijk is. Hoe kunnen wij dat doen zonder gebruik te maken van de casuïstiek in de samenleving? Dat is namelijk het levende bewijs van hoe beleid landt in Nederland. Daar zitten we hier voor en dat is onze taak. Wij proberen die taak zorgvuldig te doen door te controleren of de feiten juist zijn en om er eventueel voor te zorgen dat het beleid deugdelijk is.

De voorzitter: Ik ben bang dat we in herhaling vervallen, maar ik geef de heer Azmani de mogelijkheid om kort te reageren.

De heer Azmani (VVD): De vergelijking met de haatimams is een vergelijking tussen appels en peren, want dat is een veiligheidsvraagstuk. Het is van een geheel andere orde dan dit debat over individuele asieldossiers, want daar hebben we het nu eigenlijk met elkaar over. Ik vind dat het niet aan een parlementariër is om in een individueel asieldossier de feiten vast te stellen. De Kamer zou dat niet moeten willen, want dan kunnen we straks dagelijks debatteren over individuele zaken, die beslecht horen te worden door de uitvoeringsorganisatie. Bovendien kennen wij een trias politica met een rechtsprekende instantie die in dergelijke zaken een onafhankelijk oordeel kan vellen. De Kamer moet dit niet willen.

De heer Oskam (CDA): Voorzitter. Ik bedank de Staatssecretaris voor zijn antwoorden. Ik heb een nogal procedureel antwoord gekregen op mijn vragen over geloofsbekering. Het spreekt natuurlijk voor zichzelf dat de IND moet onderbouwen waarom ze een advies van deskundigen naast zich neerlegt en dat de gang naar de rechter altijd openstaat. Het is mooi en genereus van de Staatssecretaris dat hij zich bereid toont om door ons aangedragen individuele zaken te toetsen, maar het was natuurlijk de bedoeling dat dit advies zwaar zou wegen. Ik begrijp natuurlijk de argwaan van de IND wel, want mensen die zich bekeren, kunnen wat makkelijker in Nederland blijven. We hebben hierover in de zomer van 2014 gesproken en daarna is besloten dat de IND een groep deskundigen in het leven zou roepen. Dan moet de IND de adviezen van die groep ook serieus nemen, want nu lijkt het toch allemaal een beetje voor de vorm te zijn gedaan en dat sluit aan bij het signaal dat wij krijgen van de begeleiders van die asielzoekers, namelijk dat het een beetje aan de laars wordt gelapt. Herkent de Staatssecretaris dat en is hij bereid om hier nog een keer met de IND naar te kijken?

Mevrouw Kuiken (PvdA): Voorzitter. Ik bedank de Staatssecretaris voor zijn antwoorden. Ik heb nog twee punten.

Ik bedank de Staatssecretaris voor zijn toezegging over de visitaties.

Ik heb de Staatssecretaris gevraagd om te kijken naar de ggz-praktijk voor isolaties en naar het Zweedse model. Ik heb zijn antwoord op die vraag zo verstaan dat hij zegt: we zijn het met het wetsvoorstel eens en ik ben het eens met de oproep van de Kamer dat onze ambitie ertoe moet leiden dat het aantal isolaties naar beneden gaat. Hij gaat met andere woorden bekijken hoe we het in het wetsvoorstel zo goed mogelijk kunnen regelen. Dat moet ertoe leiden dat we over een jaar echte resultaten kunnen zien. Heb ik hem zo goed verstaan?

Tot slot een algemene opmerking. Er is een aantal keer gesproken over het inreisverbod. Dat is nog in consultatie en ik wacht de uitkomst daarvan af.

Er is een aantal keer gesproken over geweldtoepassing bij uitzetting. Het lijkt mij goed dat de Staatssecretaris nog een keer helder aangeeft wat precies bedoeld wordt met geweldtoepassing. Het is mij helder, maar ik denk niet dat dit ook geldt voor mensen die niet met eigen ogen hebben gezien hoe dit gaat.

Voorzitter: Fritsma

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter. Ik bedank de leden van de Kamer voor hun inbreng in tweede termijn.

Ik begin met de laatste vraag van mevrouw Kuiken, omdat verschillende leden hierover iets hebben gezegd. Wat ik bedoel met geweld is gepast geweld om iemand in bedwang te houden. Dat daarbij hulpmiddelen worden aangelegd, is een omstandigheid. Dat is waarop ik in de brief concreet heb gedoeld. Het is ook precies waarover ik sprak. Als er sprake is van fysiek verzet tijdens een gedwongen uitzetting, gebruikt de KMar gepast geweld om mensen in bedwang te houden. Daartoe is de KMar bevoegd. De KMar maakt daar rapport van op en dat is dus ook gebeurd in deze concrete situatie.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Ik heb een filmpje mogen zien over uitzetting onder dwang. Voor de helderheid: geweld is niet een kwestie van schoppen en slaan om iemand in bedwang te houden. Kan de Staatssecretaris beeldender aangeven wat verstaan wordt onder gepast geweld? We moeten het heel helder hebben, niet alleen voor de insiders maar ook voor de buitenwereld. Kan de Minister een voorbeeld geven van gepast geweld?

Staatssecretaris Teeven: Dat doe ik graag. Ik ben zelf een aantal keer aanwezig geweest bij een gedwongen uitzetting. Gepast geweld is, bijvoorbeeld het aanbrengen van een bodycuff bij iemand die zich tegen zijn uitzetting verzet. Als iemand zich blijft verzetten tegen het aanbrengen van die bodycuff, lukt het niet om die aan te brengen zonder dat je geweld gebruikt. Vier mensen van de KMar gaan dan elk op een arm of een been zitten om ervoor te zorgen dat iemand zijn armen en benen niet meer kan bewegen en daarna wordt de bodycuff aangebracht. Vervolgens wordt elke arm en been afzonderlijk onder controle gebracht in dat hulpmiddel. Dat is wat er concreet gebeurt. Arm voor arm en been voor been wordt iemand dan onder controle gebracht, zodat hij of zij zich op een gegeven moment niet meer kan bewegen en dus ook niet meer kan schoppen en slaan.

Een ander voorbeeld is dat ervoor wordt gezorgd dat iemand niet weg kan lopen door een beenband aan te brengen. Iemand kan dan zijn benen niet meer buigen. Als iemand zijn been niet wil strekken, zul je ervoor moeten zorgen dat hij dat wel doet. Daarvoor zijn soms één of twee personen nodig. Ik heb ook gezien dat dat werd gedaan. Dat zijn concrete voorbeelden.

Iemand krijgt dus niet een zak over zijn hoofd; ik heb de Kamer dat ook al geschreven. Het betekent ook niet dat iemand wordt geslagen. Dat speelt allemaal niet, maar het betekent wel dat er soms aan het lichaam van betrokkene getrokken of gesjord moet worden om hem in bedwang te houden. Dat is gepast geweld. Zo staat het overigens ook in de ambtsinstructie en de wet.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Het lijkt me een goed idee dat de Kamer in de gelegenheid wordt gesteld om een gedwongen uitzetting bij te wonen.

Voorzitter: Ypma

Staatssecretaris Teeven: Het lijkt mij geen enkel probleem dat individuele leden van de commissie – de hele commissie lijkt mij wat ingewikkeld – er prijs op stellen om daarbij te zijn. Ik heb daar geen enkel bezwaar tegen.

Voorzitter. Ik zeg nog maar een keer tegen de heer Fritsma dat het het doel van het terugkeerbeleid is dat vreemdelingen die niet langer in Nederland mogen blijven, Nederland ook daadwerkelijk verlaten. Bij voorkeur gebeurt dat vrijwillig, maar desnoods gaan wij over tot gedwongen vertrek. Dat is ook precies de lijn van het beleid: wat vrijwillig kan, doen we vrijwillig en wat niet vrijwillig kan, doen we gedwongen. Het is ook onze ambitie om het gedwongen te doen, want als je nooit iets gedwongen doet, droogt de vrijwillige terugkeer op. Dat is de andere kant van het verhaal.

Ik denk dat de heer Fritsma toch iets te pessimistisch is over de terugkeermaatregelen. Ik zie namelijk dat de vrijwillige en zelfstandige terugkeer stijgen en dat past in het huidige beleid van het kabinet. Wij zien liever dat mensen vrijwillig terugkeren dan gedwongen, laat dat volstrekt helder zijn.

De heer Fritsma (PVV): De onderliggende cijfers laten zien dat het zelfstandig vertrek met 3% is gestegen, maar daar staat tegenover dat het gedwongen vertrek met maar liefst 14% is gedaald. Die daling was in de jaren daarvoor bovendien ook al heel fors. Mijn vraag blijft dus staan: hoe gaat de Staatssecretaris dit verbeteren en wat is de cijfermatige doelstelling? Ik denk dat we die cijfermatige doelstelling zeker moeten kunnen krijgen.

Staatssecretaris Teeven: Terugkeer is de afsluitende schakel in het vreemdelingenbeleid. Dat is het bijna nooit, omdat het niet honderd procent kan worden geoptimaliseerd. De doelstelling is dat mensen die geen verblijfsrecht hebben in Nederland, worden verwijderd als ze niet uit zichzelf gaan. In eerste instantie proberen we mensen zover te krijgen dat ze uit zichzelf vertrekken.

De heer Fritsma (PVV): Waarom kan hieraan geen cijfermatige doelstelling worden gekoppeld? Het gedwongen vertrek is echt met tientallen procenten afgenomen en ik zou daarom graag zien dat de Staatssecretaris aangeeft met hoeveel procent hij het terugkeerpercentage wil verhogen. Er moet echt ambitie worden getoond bij het verbeteren van de terugkeer.

Staatssecretaris Teeven: Het kabinet heeft zijn ambitie voor de kwantitatieve en kwalitatieve doelstelling vertaald naar de inzet van de politie, de vreemdelingenpolitie en de controles. Ik zeg wel tegen de heer Fritsma dat een kwantitatieve doelstelling ingewikkeld is als je een hoog inwilligingspercentage hebt, want dat betekent noodzakelijkerwijs dat er in absolute aantallen minder mensen het land moeten verlaten, omdat er meer mensen mogen blijven. Dat is de andere kant van het plaatje.

De heer Fritsma heeft een vervolgvraag gesteld over Budel. Als er geweld is gepleegd, wordt er standaard aangifte gedaan. We zitten nu in de fase dat we moeten afwachten of er mensen worden veroordeeld. Als er veroordelingen plaatsvinden, worden die meegewogen door de IND. Als het de uitkomst is dat iemand wordt veroordeeld, kan dat zijn procedure negatief beïnvloeden, maar we spreken hier natuurlijk wel over een individuele toets.

Ik heb kennisgenomen van de teleurstelling van mevrouw Ellemeet over een aantal onderdelen van mijn beantwoording. Ik denk dat we het gewoon niet eens zijn. Mijn antwoorden blijven in ieder geval wat ze zijn en ik wacht daarom het VAO maar af. Ik bedank haar natuurlijk wel voor haar opmerkingen.

De heer Schouw heeft mij om een schriftelijke reactie gevraagd op het rapport van Amnesty International. Ik zeg die reactie toe. Ik zal de Kamer een brief sturen met mijn schriftelijke reactie op dat verhaal.

De koppeling «more for more» is tocht echt kabinetsbeleid. We hebben daar serieus met z'n allen over nagedacht. Vervolgens ben ik met die opdracht naar de internationale gremia gegaan. Het betekent niet dat we de ontwikkelingskraan dichtdraaien als er niet wordt meegewerkt aan terugkeer, maar het betekent wel dat de handelsvoordelen en de ontwikkelingssamenwerking toe kan nemen als een land meewerkt aan terugkeer. Dat gaat hand in hand en dat is dat onderdeel van het kabinetsbeleid. Ik zal noch nationaal, noch internationaal ophouden met het maken van opmerkingen hierover.

Als mensen vinden dat ze slachtoffer zijn van geweld door de overheid, dan moeten ze de mogelijkheid hebben om zich daarover te uiten en om daartegen bezwaar te maken dan wel aangifte te doen. Dat ben ik met mevrouw Gesthuizen eens, maar het wordt wel ingewikkeld als je nooit een bezwaar of een aangifte ziet, maar wel berichten in de media. Dat is voor het kabinet lastig, want dan hoor je links, rechts, boven en beneden allerlei verhalen, waar je geen chocolade van kunt maken en zonder dat ze tot een vervolg leiden. We wachten dan ook maar af wat er in individuele situaties gebeurt. Soms denk ik ook dat het beter is om me er maar even niet mee te bemoeien en misschien was dat ook wel beter geweest in het onderhavige geval.

Mevrouw Gesthuizen heeft een opmerking gemaakt over het inreisverbod. Het WODC heeft het huidige stelsel onderzocht, waarin eigenlijk alleen maar wordt gestraft met langere inreisverboden als iets niet gebeurt. Ik weet niet of mevrouw Gesthuizen dat over het hoofd heeft gezien, maar in mijn voorstel zit ook een trap-afverhaal, een bonus. Er zit dus niet alleen een malus in maar ook een bonus, en dat is echt een wijziging ten opzichte van het huidige stelsel. In die zin is het echt wat anders.

In reactie op mevrouw Ellemeet zei ik al dat het onze ambitie is dat het aantal isolaties in de vreemdelingendetentie daalt. We verschillen volgens mij over die ambitie niet van mening, want we vinden allebei dat het aantal isolaties teruggedrongen moet worden. We verschillen wel van mening over de constateringen die daarbij worden gedaan. Maar laat helder zijn dat ook ik liever nul isolaties heb dan honderd. Daarover verschillen we niet van mening, maar soms is het onontkoombaar.

Mevrouw Kuiken heeft ook een opmerking gemaakt over isolaties. Ik ben het maar eens dat we het in de nieuwe Wet terugkeer en bewaring moeten neerleggen. We gaan dat ook zorgvuldig doen en volgens mij is de behandeling van die wet dan ook het goede moment om deze discussie te hervatten.

Ik bedank de heer Azmani voor zijn opmerkingen, ook die over het 1F-beleid. Ik bedank verder ook de heer Oskam voor zijn opmerkingen. Herken ik me in het beeld dat de IND onvoldoende consequenties verbindt aan de opmerkingen van de deskundigen? Ik herken me niet in dit beeld, maar ik zal zijn verzoek inwilligen en dit nog een keer bespreken met de leiding van de IND. Als deskundigengroepen denken dat ze niet serieus worden genomen, is dat natuurlijk niet goed. Ik zal hierop dus terugkomen in mijn reguliere contacten met de leiding van de IND.

De voorzitter: Mevrouw Ellemeet heeft een VAO aangevraagd. Verder heeft de Staatssecretaris de volgende toezeggingen gedaan:

  • 1. De 1F-situatie met betrekking tot Syrië zal worden meegenomen in de rapportage internationale misdrijven, die in de zomer van 2015 naar de Kamer komt.

  • 2. De Staatssecretaris zal bespreken of er gerapporteerd zal worden over de visitatiecijfers.

  • 3. De Staatssecretaris zal bekijken of er nadere informatie kan worden gegeven over de vormgeving van grensdetentie in andere Europese landen.

  • 4. De Staatssecretaris geeft eind volgende week of in het begin van de week daarop een finaal overzicht van de resterende kinderpardonzaken. Hij doet dit naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter, het gaat niet om de resterende kinderpardonzaken, maar om de buitenbeeldzaken.

De voorzitter: Excuus, het gaat dus om de buitenbeeldzaken.

  • 5. De Staatssecretaris stuurt een brief over het nareisbeleid met daarbij een overzicht van de achterstand van de afhandeling van de eerste aanvragen.

  • 6. De Staatssecretaris komt met een schriftelijke reactie op het rapport van Amnesty International over isolatie in de vreemdelingendetentie.

Staatssecretaris, kun u aan deze laatste toezegging een termijn koppelen?

Staatssecretaris Teeven: Vier weken.

De voorzitter: Akkoord. Dan zijn we nu gekomen aan het einde van dit algemeen overleg. Ik sluit het overleg, maar niet dan nadat ik de aanwezigen heb bedankt voor hun belangstelling en de Staatssecretaris, zijn ondersteuning en de Kamerleden voor hun aanwezigheid.

Sluiting 13.01 uur.

Volledige agenda

1. UNHCR planning hervestiging

Kamerstuk 19 637-1935 – Brief regering d.d. 10-12-2014

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

2. Vrijwillige terugkeer vreemdelingen

Kamerstuk 29 344-123 – Brief regering d.d. 18-12-2014

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

3. Reactie op bericht over de uitblijvende afname van het aantal plaatsingen in afzondering gerelateerd aan het aantal ingeslotenen in vreemdelingenbewaring

Kamerstuk 24 587-611 – Brief regering d.d. 05-01-2015

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

4. Opvang en terugkeermogelijkheden van vreemdelingen in de G4

Kamerstuk 19 637-1941 – Brief regering d.d. 13-01-2015

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

5. Uitwerking beleidswijziging inreisverbod

Kamerstuk 19 637-1945 – Brief regering d.d. 16-01-2015

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

6. Uitkomsten van het overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) over de gevolgen van een voorlopige voorziening van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2014

Kamerstuk 19 637-1944 – Brief regering d.d. 20-01-2015

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

7. Afschrift van de open brief aan PAX betreffende de situatie in Rwanda, in het bijzonder in relatie tot het Nederlandse vreemdelingenbeleid

Brief regering d.d. 21-01-2015

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

8. Regeringsreactie op het rapport van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen (CPT) naar aanleiding van het ad hoc bezoek inzake een Frontex vlucht (16–18 oktober 2013)

Kamerstuk 29 344-124 – Brief regering d.d. 22-01-2015

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

9. Landenbeleid Democratische Republiek Congo

Kamerstuk 19 637-1946 – Brief regering d.d. 27-01-2015

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

10. Grensdetentie in andere EU (Schengen)landen

Kamerstuk 19 637-1949 – Brief regering d.d. 02-02-2015

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

11. Aantal toepassingen artikel 1F door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in 2014

Kamerstuk 19 637-52 – Brief regering d.d. 03-03-2015

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

12. Reactie op de radiouitzending van «Dit is de dag» van 16 februari

Kamerstuk 19 637-53 – Brief regering d.d. 04-03-2015

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

13. Reactie op het verzoek van het lid Voordewind, gedaan tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 24 februari 2015, over de gedwongen terugkeer van een uitgeprocedeerde Afghaanse vreemdeling naar Afghanistan

Kamerstuk 19 637-1951 – Brief regering d.d. 25-02-2015

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven