43 Strafrechtelijke onderwerpen

Aan de orde is het tweeminutendebat Strafrechtelijke onderwerpen (CD d.d. 03/06).

De voorzitter:

Aan de orde is het tweeminutendebat Strafrechtelijke onderwerpen. Ik heet de minister van Justitie en Veiligheid van harte welkom, alsook de leden.

Ik vraag even het volgende aan u. De heer Eerdmans heeft zich aangemeld voor dit tweeminutendebat, maar niet meegedaan aan de voorbereiding daarvan. Ik zeg hier alleen de Griffie na. Oké. Mijn vraag aan de andere leden is eigenlijk of u het toelaat dat de heer Eerdmans hier het woord voert. Ik zie instemming. Dan gaan we dat zo doen.

Dan is het woord als eerste aan de heer Van Nispen van de SP voor twee minuten.

De heer Van Nispen (SP):

Dank u wel, voorzitter. Twee moties van mijn kant. Die spreken voor zichzelf, dus die behoeven geen uitgebreide inleiding.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat op dit moment onderzoek wordt gedaan naar de wenselijkheid van feitenonderzoeken door advocaten en het Openbaar Ministerie op dit moment gebruikmaakt van feitenonderzoeken door advocaten bij bijvoorbeeld onderzoeken naar fraude;

verzoekt de regering met het OM te bespreken of het wenselijk is een richtlijn of kader te ontwikkelen waarin beschreven wordt waaraan een "zelfonderzoek" moet voldoen om door het OM in behandeling te worden genomen, waarbij specifiek ook aandacht moet zijn voor hoe omgegaan dient te worden met de geheimhoudingsplicht die advocaten hebben richting hun cliënt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen.

Zij krijgt nr. 664 (29279).

De heer Van Nispen (SP):

Dan kom ik op mijn tweede motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het draagkrachtbeginstel van artikel 24 Wetboek van Strafrecht op dit moment onderhevig is aan willekeur, omdat rechters hier verschillend mee omgaan en zij geen objectiveerbare gegevens hebben om de draagkracht van een persoon nauwkeurig te bepalen;

overwegende dat onderzoekers hebben geconcludeerd dat door deze willekeur een risico op rechtsongelijkheid bestaat en daarom gekeken moet worden hoe het draagkrachtbeginsel van artikel 24 Wetboek van Strafrecht systematischer en objectiever toegepast kan gaan worden, en wellicht op termijn ook bij OM-strafbeschikkingen;

verzoekt de regering nader te onderzoeken welke objectiveerbare gegevens nodig zijn om een betere weging van de draagkracht bij boeteoplegging mogelijk te maken, welke consequenties dit zou hebben voor de uitvoering, wat eventuele knelpunten daarbij zijn en hoe deze kunnen worden weggenomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen.

Zij krijgt nr. 665 (29279).

Ik dank u zeer. Dan is het woord aan de heer Azarkan van DENK, nadat de katheder is gereinigd. Even wachten. Een ogenblik. Is het klaar? Ja. Gaat uw gang.

De heer Azarkan (DENK):

Dank, voorzitter. Ik heb één motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het WODC ter uitvoering van de motie-Rosenmöller economisch onderzoek heeft gedaan naar de continuïteit van de bekostiging van de politie, het Openbaar Ministerie en de rechtspraak;

overwegende dat de bekostiging primair is gericht op de individuele organisaties en niet op het bevorderen van de ketensamenwerking;

verzoekt de regering bij de bekostiging van de politie, het Openbaar Ministerie en de rechtspraak mede te sturen op het bevorderen van de ketensamenwerking,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan.

Zij krijgt nr. 666 (29279).

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Ellian van de VVD. Gaat uw gang.

De heer Ellian (VVD):

Dank, voorzitter. Het Wetboek van Strafvordering is 100 jaar oud en moet bij de tijd gebracht worden. Ondanks een hoop aanpassingen en veel pleisters sluit het oude wetboek niet meer aan bij de moderne samenleving. Het is een van de fundamenten van de rechtsstaat. Daar moeten we zuinig mee omgaan. Herziening is noodzakelijk. Vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een nieuw Wetboek van Strafvordering noodzakelijk is voor versterking, verbetering en vernieuwing van de strafrechtketen en de aanpak van nieuwe vormen van criminaliteit;

constaterende dat de herziening van het nieuwe Wetboek van Strafvordering nu bij de Raad van State ligt;

overwegende dat deze grote wetgevingsoperatie zorgvuldige en intensieve parlementaire behandeling vereist, hetgeen de nodige tijd zal vragen;

overwegende dat een vroegtijdige en intensieve betrokkenheid van de Kamer past bij een zorgvuldige parlementaire behandeling;

van mening dat het om onnodige vertraging te voorkomen belangrijk is om de parlementaire behandeling tijdig te laten aanvangen;

verzoekt de regering het eerste wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering zo spoedig mogelijk naar de Kamer te sturen, zodat kan worden aangevangen met de parlementaire behandeling,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ellian.

Zij krijgt nr. 667 (29279).

Ik dank u zeer. Tot slot is het woord aan de heer Eerdmans van JA21.

De heer Eerdmans (JA21):

Dank, voorzitter, voor de coulance naar mij toe. Dat geldt hopelijk ook voor collega Van der Plas, want die staat als medeondertekenaar onder deze motie. Daar ga ik van uit. Deze motie richt zich op het belang van slachtoffers en van nabestaanden van slachtoffers, die zeer ernstig ontregeld kunnen worden indien de dader van een misdrijf na zijn straf terugkeert in de buurt van eerstgenoemden, waardoor die geconfronteerd kunnen worden met de dader, bijvoorbeeld de moordenaar van hun kind of van andere dierbaren.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de terugkeer na detentie van daders van ernstige gewelds- en zedendelicten in hun oude woonomgeving zeer confronterend kan zijn voor slachtoffers en hun naasten of nabestaanden;

overwegende dat slachtoffers en hun naasten of nabestaanden ook na detentie tegen deze daders beschermd moeten blijven worden;

verzoekt de regering te bewerkstelligen dat daders van ernstige gewelds- en zedendelicten na hun detentie niet terugkeren naar hun oude woonomgeving indien het aannemelijk is dat hun slachtoffers en hun naasten of nabestaanden daar met hen geconfronteerd zullen worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Eerdmans en Van der Plas.

Zij krijgt nr. 668 (29279).

Ik dank u zeer. Daarmee eindigt deze termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors voor enkele ogenblikken om de minister de gelegenheid te geven om de moties te zien en daarop te reageren.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Het woord is aan de minister van Justitie en Veiligheid.

Minister Grapperhaus:

Dank u wel, voorzitter. Ik zal de moties op de stukken nrs. 664 tot en met 667 behandelen en collega Dekker zal de motie op stuk nr. 668 van het lid Eerdmans doen.

De motie op stuk nr. 664 van de heer Van Nispen gaat over de richtlijn in het kader van het zelfonderzoek door advocaten. Vorig jaar heeft uw Kamer de motie aangenomen om de voor- en nadelen van dat zelfonderzoek onafhankelijk te laten onderzoeken. De voorbereiding van het WODC-onderzoek ter uitvoering van die motie is in volle gang. Deze motie loopt daar natuurlijk wel enigszins op vooruit. Ik vind dat op zichzelf niet bezwaarlijk, omdat hier vooral wordt gevraagd om met het OM te bespreken of een dergelijke richtlijn of kader wenselijk zou zijn. Dat staat letterlijk in de motie. Dus ik laat 'm oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 664: oordeel Kamer.

Minister Grapperhaus:

De motie op stuk nr. 665 van de heer Van Nispen verzoekt te onderzoeken hoe de draagkracht bij boeteoplegging mee kan worden gewogen en welke consequenties dat zou hebben voor de uitvoering. Daar geldt natuurlijk ook enigszins voor dat de Raad voor de rechtspraak naar aanleiding van het onderzoeksrapport van de DSP-groep een werkgroep heeft ingesteld om daar grondig over na te kunnen denken. Die komen eind dit jaar met hun advies. Ik kan de motie dus oordeel Kamer laten, met de aantekening dat dat nader onderzoek wel op enig moment moet worden ingepast in dat nadere advies van de werkgroep van de Raad voor de rechtspraak. Ik ga bekijken of we dat goed kunnen afstemmen.

De voorzitter:

Ik zie dat de heer Van Nispen dat begrijpt. Dus krijgt de motie op stuk nr. 665 oordeel Kamer.

Minister Grapperhaus:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 666 van de heer Azarkan. Ik zit toch een beetje met het volgende punt. De heer Azarkan weet dat ik natuurlijk ook zeer voor een goede samenwerking ben. We hebben in dat verband het Actieplan Strafrechtketen van de betrokken organisaties, dat nu in uitvoering is. We hebben ook de reactie van het kabinet op de aanbevelingen van dat rapport naar aanleiding van de motie-Rosenmöller. Ook hebben we de brief van 29 juni jongstleden over de effecten van de huidige financieringswijze en de investeringswensen, naar aanleiding van de motie van de heer Van Nispen. Ik zou nog wel even door kunnen gaan, maar ik hoop eigenlijk ten aanzien van deze motie dat de heer Azarkan inziet dat het toch het meest verstandig is om die aan te houden totdat er een reactie van het volgend kabinet is. Anders gaan we nu iets doen naar aanleiding van deze motie waarvan we nog niet weten welke richting dat opgaat. Ik zou 'm anders moeten ontraden, vrees ik. Dus het mooist zou zijn als hij 'm aanhoudt tot het volgend kabinet er is, want dan kun je hier ook inhoudelijk over spreken.

De voorzitter:

Ik kijk naar de heer Azarkan. Hij blijft zitten, dus ik schat in dat het oordeel vooralsnog "ontraden" blijft. De motie op stuk nr. 666 wordt dus ontraden. De heer Azarkan beweegt niet.

Minister Grapperhaus:

Lichaamstaaltechnisch zag ik een soort knikbeweging, maar het kan zijn dat de stoelen niet …

De voorzitter:

Maar als de heer Azarkan de motie wil aanhouden, zal hij naar de microfoon moeten komen. Dat kan overigens nog op een later moment. Maar vooralsnog …

De heer Azarkan (DENK):

Ik ga erover nadenken.

De voorzitter:

Hij gaat erover nadenken. Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 667 van de heer Ellian. Het is natuurlijk altijd jammer als je meteen de clou of de plot van je verhaal vertelt: ik geef de motie oordeel Kamer. Maar voor de eerlijkheid moet ik wel even het volgende tegen de heer Ellian zeggen. Ik denk dat we in het debat met elkaar hebben vastgesteld dat we allebei hetzelfde willen. We willen dat dit Wetboek van Strafvordering zo snel mogelijk in uw Kamer en daarna uiteraard in de Eerste Kamer kan worden behandeld. Daar is een breed politiek draagvlak voor. Om zo veel mogelijk tijd te winnen, heb ik in april dit jaar een advies gevraagd aan de Raad van State, vooruitlopend op financiering van de eenmalige implementatiekosten. Informeel heeft de Raad van State gezegd ernaar te streven in het eerste kwartaal van 2022 advies uit te brengen. Gelet op hoe omvangrijk dit project is, denk ik dat iedereen begrijpt dat zo'n adviestermijn echt onontkoombaar is. Ik zal dat advies zo snel mogelijk na ontvangst daarvan verwerken en een nader rapport opstellen. Uiteraard afhankelijk van de omvang en de ingrijpendheid van het advies zijn daarvoor ook wel enkele maanden nodig. Op basis daarvan kan de indiening van het wetsvoorstel bij de Kamer — ik wil daar heel reëel in zijn — zo snel mogelijk op z'n vroegst worden verwacht voor het zomerreces van 2022. Daarbij ga ik er ook even van uit dat het punt van de implementatiekosten helemaal rond is; dat is echt onder het volgende kabinet. Ik zeg dus oordeel Kamer, maar ik wil heel eerlijk zeggen dat het, als we alle zeilen bijzetten, dat gaat worden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 667: oordeel Kamer.

Minister Grapperhaus:

Ja.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:

Dat was het. Ik laat de vloer aan collega Dekker.

De voorzitter:

Ja, voor de motie op stuk nr. 668. Welkom ook aan de minister voor Rechtsbescherming. Gaat uw gang.

Minister Dekker:

Dank. De motie op stuk nr. 668 is van de heer Eerdmans en mevrouw Van der Plas. Ik zie het punt heel goed: slachtoffers van ernstig geweld en zedendelicten lopen ertegen aan dat het enorm heftig kan zijn als een dader weer in de woonplaats komt wonen. Sinds 2018 is de Wet langdurig toezicht in werking. Daarmee is de mogelijkheid ontstaan om zo'n gebiedsverbod inclusief een verhuisplicht op te leggen. Daarbij wordt een standaardtritsje afgelopen. Slachtoffers worden altijd gehoord en het Openbaar Ministerie neemt dat mee in de strafeis. Het is dus aan de rechter om bij het opleggen van de straf ook zo'n eis mee te nemen dat zo'n verhuisverplichting wordt meegenomen wanneer de straf ten einde komt. Die mogelijkheid is er dus al. Deze motie lijkt nog een stapje verder te gaan en zegt dat dit eigenlijk generiek moet gebeuren. Dat vind ik net weer een stapje verder gaan. Ik vind de zorgvuldigheid van de huidige procedure wat dat betreft juist goed. Ik voel dus heel erg mee met deze motie, maar in deze vorm moet ik haar helaas ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 668 is ontraden. Dank u zeer. Daarmee eindigt dit debat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik schors voor enkele ogenblikken. Dan gaan we verder met het tweeminutendebat over het algemene deel van de JBZ-Raad.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Naar boven