Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-2020nr. 61, item 32

32 Implementatiewet wijziging EU-kaderrichtlijn afvalstoffen

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (PbEU L 150) (Implementatiewet wijziging EU-kaderrichtlijn afvalstoffen) ( 35267 ).

De voorzitter:

De minister voor Milieu en Wonen blijft nog even in ons midden, want wij gaan meteen door met de Implementatiewet wijziging EU-kaderrichtlijn afvalstoffen. Daartoe hebben zich vijf leden ingeschreven.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik zie dat de heer Schonis van D66 zich ook bij ons voegt. Welkom! De eerste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Ziengs, lid van de fractie van de VVD. Ik geef het woord aan hem.

De heer Ziengs (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Ik moest even kijken of ik de juiste tekst bij me had, want het ging na het VAO zo snel. Dat heb ik inderdaad; gelukkig maar.

Voorzitter. De aanleiding voor dit plenaire debat was dat in december 2015 de Europese Commissie wijzigingsvoorstellen voor zes bestaande richtlijnen met betrekking tot het afvalbeheer heeft gepresenteerd. Dat was natuurlijk als deel van haar beleidspakket ter bevordering van de circulaire economie. Dit wetsvoorstel betreft een van die richtlijnen, die is opgesteld met het doel efficiënter om te gaan met grondstoffen om zo economische voordelen, sociale voordelen en milieuvoordelen te realiseren, dit alles ter stimulering van de circulaire economie. Dat spreekt onze partij ook wel aan. Via het wetsvoorstel wordt de nationale regelgeving omtrent de afvalstoffen in lijn gebracht met de wijzigingsrichtlijn.

Zowel op Nederlands als op Europees niveau zijn er aanzienlijke doelstellingen op het gebied van de circulaire economie. Wij hebben begrepen dat dit wetsvoorstel erin voorziet om het in lijn te brengen met de nationale regelgeving over afvalstoffen, zoals ik net al aangaf. Wat zijn nu eigenlijk de feiten? De wijziging van de grondslagen voor het vaststellen van de regelgeving betreft de volgende drie zaken: nationale criteria over de einde-afval- en bijproducten, een uitgebreide productenverantwoordelijkheid en het gescheiden inzamelen. Daar wil ik zo dadelijk nog het een en ander over zeggen.

Ik gaf al aan dat de wetswijziging als doel heeft de circulaire economie te stimuleren. Dat spreekt onze partij, zoals ik al aangaf, zeer aan. Het is natuurlijk heel positief. Een circulaire economie is niet alleen goed voor het milieu, maar geeft ook enorme kansen voor het bedrijfsleven. Er moet wel duidelijkheid verschaft worden over een aantal zaken. Het valt namelijk op dat eventuele financiële gevolgen en de gevolgen voor de regeldruk beperkt behandeld worden. Hier wil onze fractie meer duidelijkheid over. Wat zijn nu die financiële gevolgen? Er wordt aangegeven dat door middel van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid producenten verplicht worden om onder andere de financiële verantwoordelijkheid voor het beheer van de afvalfase van stoffen, mengsels of producten gedeeltelijk dan wel geheel te dragen. Onze vraag is dan: hoe wordt dit vormgegeven?

Dan het kopje regeldruk. Ik heb daar al aandacht voor gevraagd bij de inbreng, voorafgaand aan het debat. Er worden bedrijven nieuwe verplichtingen opgelegd, die pas later middels lagere regelgeving worden geïmplementeerd. Op dat moment worden de administratieve lasten nader in beeld gebracht. Dat is, zo lijkt het, te beperkt, want wat zijn precies die nieuwe verplichtingen? Wij staan voor minder lasten en minder verplichtingen voor onze Nederlandse bedrijven. Het moet hier toch te regelen zijn dat zij geen last krijgen van die aanvullende verplichtingen? Daar zet onze fractie op in, want in de stukken wordt gesteld dat de wijzigingsrichtlijn wordt geïmplementeerd op een wijze die de minst mogelijke lasten veroorzaakt. Wat doet de minister er concreet aan om de regeldruk te beperken?

Tot slot wordt onder het kopje gescheiden inzamelen gesteld dat ook textiel, bioafval en gevaarlijke fracties van huishoudelijk afval worden toegevoegd aan het lijstje van verplichte inzameling. Wat is daar nou precies de motivatie voor? Is het puur een maatregel om de burger op te voeden? Krijgt die straks nog meer containers voor zijn deur? Of kunnen we het, zoals meerdere steden op dit moment al doen, ook oplossen met een nascheiding? Dus geen voorscheiding, maar een nascheiding. Is dat goedkoper? Is dat makkelijker? Kan de minister daar een nadere duiding over geven? We hebben ook een amendement ingediend. Dat is volgens mij al rondgegaan, dus daar zal de minister vanzelf wel een appreciatie op geven, neem ik aan.

Voorzitter, ik ben ruim binnen de tijd zoals u ziet, dus wat dat betreft kunnen we met elkaar nog even full speed door.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ziengs. De tweede spreker van de zijde van de Kamer die zich heeft gemeld, is de heer Schonis. De heer Schonis is lid van de fractie van D66.

De heer Schonis (D66):

Voorzitter, ik heb een invalbeurt over het onderwerp afval. Ik moet namelijk collega Van Eijs vervangen, die in Brabant helaas in quarantaine zit.

Voorzitter. Stel je voor: je zet een kopje thee en op de verpakking van het theezakje staat dat het van biobased plastic is gemaakt. Dan de quizvraag: waar gooi je dat zakje na gebruik dan weg? Is dat a bij het groenafval, b bij plasticafval of c bij het restafval? Er is helaas geen antwoord te geven. Ik zal zo meteen uitleggen hoe dat komt. Ik wil met deze vraag vooral illustreren dat je, als je goed doordenkt over hoe we met de gebruikte producten en met afval omgaan, nog tegen een hoop gekke situaties aan kunt lopen. We zijn hard aan de slag om de transitie te maken naar een circulaire economie, een economie waarin we grondstoffen zo veel mogelijk hergebruiken. Dat is goed voor de planeet en biedt ook nieuwe economische kansen. De heer Ziengs doelde daar net ook al op. De nieuwe Europese richtlijn en daarmee dit wetsvoorstel zijn weer een stap in die transitie.

Voorzitter. Ik kan dus geen eenduidig antwoord geven op de quizvraag die ik net stelde over in welke afvalbak dat biobased plastic theezakje weggegooid moet worden. Sommige bioplastics mogen wel in de groenbak; andere producten moeten bij het restafval, ook al wordt vermeld dat ze biocomposteerbaar zijn. Dat is allemaal terug te vinden op www.milieucentraal.nl.

We vragen van mensen om hun afval te scheiden. Veel mensen willen dat gelukkig graag doen. Wat D66 betreft moeten we het mensen dan wel zo makkelijk mogelijk maken om hun afval goed te kunnen scheiden. De wirwar van teksten en logo's maken de verwarring compleet. Het is ook niet gek dat mensen per ongeluk fouten maken bij het scheiden van hun afval. D66 heeft net als enkele andere partijen in de Kamer al vragen gesteld over bijvoorbeeld plastic in compost. Ook het CPB-rapport van september over plastic wijst hierop. Producenten zijn wat D66 betreft ervoor verantwoordelijk om duidelijk aan te geven waar iets weggegooid moet worden. D66 kijkt dan ook uit naar de verdere uitwerking van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in de AMvB waar dit wetsvoorstel de grondslag voor biedt.

Voorzitter. Niet alleen voor ons thuis moeten we het makkelijker maken om ons afval goed te kunnen scheiden. Onder de huidige wet- en regelgeving wordt afval van maatschappelijke instellingen zoals bijvoorbeeld scholen als bedrijfsafval aangemerkt. Het gevolg hiervan is dat scholen en andere maatschappelijke instellingen of onderwijsinstellingen hun afval niet aan de gemeentelijke huisvuilophaaldienst kunnen meegeven. Net als bedrijven moeten ze contracten afsluiten met professionele afvalverwerkers. Bij hun kleine hoeveelheid afval loont het over het algemeen niet om dat afval gescheiden op te halen en aan te bieden. Hierdoor worden zij ontmoedigd en niet aangespoord om hun afval te scheiden. Deelt de minister de opvatting van D66 dat we het ook voor maatschappelijke instellingen makkelijker moeten maken om hun afval te scheiden? Ik overweeg op dit punt namelijk nog een amendement.

Tot slot, voorzitter. Wat is afval? Een eenvoudige vraag, die in de praktijk tot vele ingewikkelde juridische vragen blijkt te leiden, en nu al tot een vraag van mevrouw Kröger.

De voorzitter:

Zo is dat.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Ik was even benieuwd naar het aangekondigde amendement. Wij hebben hier namelijk ook vragen over. Het gaat om die categorie huishoudelijk bedrijfsafval, om het zo maar even te noemen. Dat gaat over scholen, sportscholen en allerlei andere plekken waar dus wel afval ontstaat, maar waarbij dat afval echt geen bedrijfsafval is. Waar denkt D66 aan? Hoe kunnen we dit tackelen?

De heer Schonis (D66):

Er zijn meerdere manieren om het te regelen. Zoals het voorstel nu voorligt zou je in ieder geval in de wet die gaat wijzigen een categorie moeten toevoegen. Je kunt zeggen: huishoudelijk bedrijfsafval. Nou ja, geef het beest een naam, maar je moet er een goede definitie voor vinden, die vervolgens in de AMvB verder zou kunnen worden uitgewerkt. Zoiets, maar dat is heel wetstechnisch. Maar ik denk wel dat we hetzelfde doel nastreven.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Heel fijn. Dat lijkt me een mooi amendement. Ik doe graag mee.

De heer Schonis (D66):

Nou, wie weet.

Ik was gebleven bij de vraag: wat is afval? Dat is een heel eenvoudige vraag, die dus in de praktijk tot heel complexe juridische vragen kan leiden. De taskforce die geadviseerd heeft over dit wetsvoorstel signaleert hierover dat dit niet alleen komt door de wet- en regelgeving. Ook de capaciteit van de juridische specialisten bij omgevingsdiensten schiet vaak tekort. Dat is kwalijk. Dit leidt tot een ongelijk speelveld tussen bedrijven, zowel buiten als binnen Nederland. Innovatie op het gebied van nieuwe toepassingen van secundaire materialen en grondstoffen wordt er zelfs door geremd. De taskforce signaleert dat vooral de kennisopbouw en de kennisontwikkeling binnen omgevingsdiensten op het gebied van afvalstoffenwetgeving moeten worden verbeterd. Hoe gaat de minister de omgevingsdiensten daarbij helpen, vragen wij ons toch af.

Voorzitter, ik rond af. Dat is best bijzonder, want na een bijzonderheid die wij hebben mogen delen in de parlementaire ondervragingscommissie, heb ik nou ook mijn eerste bijdrage bij een wetgevingsdebat plenair mogen leveren, dus ik heb daarmee in mijn ontwikkeling als Kamerlid weer een volgende horde genomen, waarvoor dank.

De voorzitter:

Mooi dat ik daar getuige van mocht zijn, meneer Schonis.

De derde spreker van de zijde van de Kamer is de heer Van Aalst van de PVV.

De heer Van Aalst (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Meer, meer, meer. Dat schreeuwen de deugknaapjes en de deugmadammetjes hier vandaag in koor. Meer dictaten uit Brussel om ons te vertellen hoe we ons afvalbeleid moeten inrichten. Meer regeldruk en kosten voor onze ondernemers. Meer zinloze duurzaamheidsregeltjes die onze burgers door de strot worden geduwd. Het credo van deze wetswijziging is: slikken of stikken. Alleen de PVV ziet hier de sadistische waanzin van in.

Want, voorzitter, de pot op met die EU-richtlijnen! We zitten helemaal niet te wachten op de implementatie van het geneuzel van eurocraten in onze Nederlandse wetgeving. Als wij ons afvalbeleid willen aanpassen, doen we dat zelf wel. Daar hoeft geen niet-gekozen EU-bobo aan te pas te komen. Wij vinden het dan ook ronduit absurd dat ook op basis van de wijziging van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen de Europese Commissie de bevoegdheid behoudt om uitvoeringsverordeningen vast te stellen. Deze bevoegdheid is zogenaamd wenselijk, omdat op die wijze het gelijke speelveld in de EU voor de betreffende afvalstroom het beste wordt gewaarborgd. Onzin, voorzitter. Complete onzin. De EU heeft weer een haakje gevonden om meer macht naar zich toe te trekken en de eurofiele partijen die hier vandaag het woord voeren, werken mee aan deze uitholling van onze Nederlandse soevereiniteit. Landverraad, dat is het. Tegen die Kamerleden en tegen deze minister, die hieraan meewerken, zeg ik: de verkiezingen komen eraan en de kiezer zal met u afrekenen.

Onze ondernemers worden door deze wijziging op enorme kosten gejaagd. De PVV vindt het ronduit stuitend dat deze minister in de nota naar aanleiding van het verslag ijskoud stelt dat dit wetsvoorstel geen financiële gevolgen heeft. Hoe rijmt deze minister dat wereldvreemde antwoord met de reactie van het Adviescollege toetsing regeldruk, dat keihard concludeert dat ondernemers alleen al tot wel €70.000 kwijt zullen zijn aan alle extra administratieve lasten? Deze minister, die de pfas-crisis persoonlijk veroorzaakte en onze ondernemers daarmee liet verzuipen, kan kennelijk niet wachten tot ze haar handen om de nek van de volgende sector heeft. Ook de afvalsector moet op wrede wijze kapot worden gemaakt door dit knettergekke beleid.

Voorzitter. Hoever zijn we gezonken als we ondernemers ook nog enorme producentenverantwoordelijkheid gaan opleggen? Maak je ballonnen, vochtige doekjes of tabaksproducten, dan ben je voor deze minister opgejaagd wild, want zij zal niet opgeven tot je bent bezweken aan de enorme regeldruk. Als ondernemer word je nu namelijk ook nog eens verantwoordelijk voor de afvalfase van een product. Hoe gaat dat er in de praktijk uitzien?

De voorzitter:

Meneer Van Aalst, er is een interruptie van mevrouw Kröger.

De heer Van Aalst (PVV):

Ik zie het.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Toen we beticht werden van landverraad, zat ik even te wachten tot het moment waarop de heer Van Aalst met keiharde bewijsvoering kwam voor deze grootse aantijging. Maar ik hoor dat hij tegen producentenverantwoordelijkheid is, dus het idee van bijvoorbeeld statiegeld op flesjes en blikjes, waarvan ik de heer Van Aalst volgens mij als warm pleitbezorger heb gehoord in de Kamer. Toch? Ook het electoraat van de heer Van Aalst vindt toch dat we al die blikjes in de bermen met statiegeld moeten oplossen? Nee?

De heer Van Aalst (PVV):

Nee, dan heeft de mevrouw van GroenLinks blijkbaar een black-out gehad. Ik heb hier nooit staan pleiten voor statiegeld. Nee, absoluut niet. Statiegeld levert namelijk geen bijdrage aan zwerfafval. Dat heeft u waarschijnlijk gemist. Ik zou u willen vragen om de Handelingen even terug te lezen, want dan heeft u toch echt wat gemist.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Kennelijk. Ik heb zeer veel contact met mensen die wellicht ...

De heer Van Aalst (PVV):

Ja, ik heb ook heel veel contact met mensen!

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Nee, ik was aan het praten over het contact dat ik heb met wellicht ook mensen die in uw electoraat zitten. Je ziet dat 80% tot 90% van de bevolking statiegeld wil. En waarom? Juist omdat het zo eerlijk is om producenten verantwoordelijk te maken voor hun afvalstroom, die wij nu met z'n allen betalen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten, wij met z'n allen betalen nu het opruimen van zwerfafval. Via statiegeld of een uitgebreidere producentverantwoordelijkheid, waarbij je ook naar andere stromen kijkt, betalen de bedrijven dat. Ook het electoraat van de heer Van Aalst wil dat heel graag.

De heer Van Aalst (PVV):

Laat ik in ieder geval afstand nemen van het idee dat het electoraat van GroenLinks hetzelfde is als dat van de PVV. Dat lijkt me heel stug. Wij hebben niet gepleit voor statiegeld. Juist niet. Zwerfafval pak je aan, en dat doe je door degenen aan te pakken die het veroorzaken. Het is te absurd voor woorden dat je een producent keihard gaat aanpakken omdat mensen afval zomaar in de berm gooien. Dat is precies ons punt. Ik snap dat GroenLinks daar anders in staat en de producent nu keihard wil aanpakken, maar als u denkt dat dat het oplost ... Nee, mevrouw Kröger, dan gaan zo meteen de prijzen omhoog en gaat de producent dat doorberekenen. Dan komt het keihard, keihard bij uw electoraat terecht.

De heer Schonis (D66):

Ik was een beetje verbaasd. Ik dacht: ik val even in voor mevrouw Van Eijs. Maar ik kom opeens in een discussie of ik al dan niet tot een groep landverraders behoor. Maar goed, dat even terzijde. Ik heb de afgelopen weken wel meer lastige klanten voor mijn tafeltje gehad.

Maar meneer Van Aalst, nu mijn vraag. U zegt: de mensen zijn helemaal niet bereid om meer afval te scheiden of om statiegeld te betalen. Maar uit recent onderzoek blijkt juist dat in de afgelopen zes jaar een steeds grotere groep Nederlanders a afval wil scheiden en b bereid is om daarvoor statiegeld te betalen. Dat is 83% van alle Nederlanders. Ik meende niet dat u zo'n grote achterban had dat er tussen die 83% geen kiezers van de PVV zouden zitten. Of vergis ik me dan?

De heer Van Aalst (PVV):

Het is mooi dat D66 nu met allerlei cijfers op de proppen komt, maar ik heb net gesteld dat ik mensen niet wil laten bloeden door middel van statiegeld, omdat ik constateer dat je zwerfafval niet oplost met statiegeld. Dat gaat namelijk niks oplossen. We gaan die mensen aanpakken die die rotzooi in het milieu gooien. Dat zou u ook moeten doen. Dan zou onze minister bijvoorbeeld niet daar in die afvalrivieren moeten zwemmen, maar hier het zwerfafval aan moeten pakken. Dat zou een goed idee zijn. Daar zou u voor moeten pleiten als coalitiepartij!

De heer Schonis (D66):

Ik denk juist dat statiegeld op bijvoorbeeld blikjes juist ontzettend kan helpen tegen zwerfafval. Daarover is een groot deel van Nederland het roerend met mij eens is en daarvoor komt een steeds groter draagvlak. Maar dat ziet u kennelijk anders?

De heer Van Aalst (PVV):

Nee, voorzitter. Het is wel gek, want deze collega van D66 heeft laatst allemaal van die mensen voor zijn deur gehad — of in ieder geval in zijn commissie en zo gehad — met wie hij gesproken had. Pak nou eens de mensen keihard aan die rotzooien. Dat heeft u in uw commissie op een andere manier moeten doen. Toen heeft u al verstek laten gaan. Pak die mensen aan voor dat zwerfaval. Die mensen moeten we aanpakken. Voor die rotzooi hoeft heel Nederland niet te bloeden. Daar hoeven we geen duur statiegeldsysteem voor in te voeren. Daar hoeven we producenten niet voor aan te pakken, waardoor alle prijzen zo meteen omhooggaan en iedereen meer moet gaan betalen om de rotzooi van een ander op te ruimen.

De heer Schonis (D66):

De logische vervolgvraag is dan wel: hoe gaat u dat dan aanpakken? U suggereert dat u op iedere hoek van de straat een agent gaat neerzetten. Ik weet niet of dat een zoveel voordeligere oplossing is dan statiegeld invoeren.

De heer Van Aalst (PVV):

Voorzitter, absurd. D66 wil een houtstookpolitie en een afvalpolitie invoeren. Hou toch op. Die gaat mij nu verwijten dat ik op de hoek van de straat wil gaan controleren? Onzin. Normen en waarden heet dat. Rotzooi gooi je niet op straat. Rotzooi gooi je in de afvalbak.

De heer Von Martels (CDA):

Ik ben ook erg benieuwd hoe de PVV het zwerfafvalprobleem nou echt wil oplossen. Is dat alleen door boetes uit te delen of ziet de PVV nog meer mogelijkheden? Ik ben het eens met de vorige spreker dat als het alleen op handhaving aankomt, dat allerlei grote problemen gaat opleveren. Ik zou eigenlijk ook wel willen pleiten voor die uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en daarnaast eventueel ook voor harder optreden. Hoe ziet de PVV dit?

De heer Van Aalst (PVV):

We moeten hard optreden. Producenten verantwoordelijk stellen waardoor de prijzen omhooggaan, dat wil ik mijn kiezers niet aandoen.

De heer Von Martels (CDA):

Misschien kan de heer Van Aalst dan heel duidelijk maken hoe dat harder optreden eruitziet. Hoe moet dat precies gebeuren? Dan kunnen we daarover meedenken. Zijn dat hoge boetes of gevangenisstraf? Wat gaat er gebeuren?

De heer Van Aalst (PVV):

U maakt er nu een karikatuur van. We moeten het met elkaar doen. Ik heb vaker gezegd in alle debatten die we hebben gehad over statiegeld: rotzooi ruim je met elkaar op en daar spreek je elkaar op aan. Dat is heel simpel. Dat is niet zo heel ingewikkeld. Dat veranderen we niet met statiegeld. Denkt u nou dat een puber in het vervolg als hij €0,25 statiegeld betaald heeft het blikje wel in de container gooit, dat dat helpt? Nee, dat heeft te maken met elkaar erop aanspreken en ervoor zorgen dat je je netjes gedraagt en je rotzooi opruimt.

De voorzitter:

Mevrouw Kröger, daar bent u weer.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

76% van het electoraat van de PVV hoopt echt op statiegeld op flesjes en blikjes. Bij het electoraat van GroenLinks ligt dat net iets hoger, maar het ontloopt elkaar niet veel. Wat ik niet snap, is dat de heer Van Aalst niet wil begrijpen dat die kosten van het opruimen van zwerfafval — dat gaat over honderden miljoenen — bij de gemeentes terechtkomen. Die gemeentes moeten dat financieren uit bronnen waar ze ook andere dingen mee kunnen doen. Dat zijn precies de dingen waarvan de heer Van Aalst en ik volgens mij heel graag willen dat gemeentes daar meer geld voor hebben. Meneer Van Aalst doet alsof het allemaal geen geld kost, dat opruimen van zwerfafval.

De heer Van Aalst (PVV):

Als mevrouw Kröger nou gewoon eens rondkijkt. De afgelopen weken heb ik de gemeentes gezien die dat geweldige diftarsysteem hebben ingevoerd. Weet u wat momenteel de grootste bron van zwerfafval in gemeentes is? Dat is de diftarproblematiek, veroorzaakt door met name de GroenLinksfracties in al die gemeentes die zeiden: "Geweldig, dat diftar. Dat moeten we overal invoeren. Lekker scheiden met elkaar." Het is er één grote teringbende van geworden. We hebben nog nooit zulke vervuilde afvalstromen gehad. Het lost helemaal niks op. Ongedierte loopt door de straten in Enschede. Gaat u daar dan eens kijken. Dat is het beleid waar GroenLinks voor staat. Nou, dat lijkt mij niet zo'n goed idee.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Volgens mij worden nu even twee totaal verschillende onderwerpen gemengd. Dat mag, op zich. Ik hou ze liever gescheiden, net als het afval. We hebben het volgens mij over het aanpakken van zwerfafval. Dan kan je heel veel handhavers en heel veel schoonmaakploegen op straat zetten. Dat doen we deels nu al en dat kost ongelooflijk veel geld. De VNG zegt: alstublieft, doe statiegeld. Nou zegt de heer Van Aalst: nee, dat is niet nodig en er is ook niet meer schoonmaak nodig. Wat is er dan wel nodig?

De heer Van Aalst (PVV):

Dat heb ik u net uitgelegd: gewoon heel normaal, netjes en fatsoenlijk met elkaar omgaan. Vervolgens hebben we een afdeling handhaving die daarnaar kijkt. Dus als u uw kinderen nu gewoon netjes opvoedt, doe ik dat ook. Dan zorgen we met elkaar ... Het was ooit nog een slogan van GroenLinks, geloof ik: verbeter de wereld, begin bij jezelf. Weet je, ruim de rotzooi gewoon op. Dat is het punt in deze discussie. Dat gaan we niet oplossen met een statiegeldverhaal. Helaas dat u nog niet zover bent, maar dat komt vanzelf.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

De heer Van Aalst (PVV):

De vraag waarmee ik geëindigd was, is: hoe gaat dit er nu in de praktijk uitzien? Komt de minister na de houtstookpolitie nu ook met een afvalpolitie? Graag een reactie van de minister. Dit is toch te zot voor woorden?

We moeten het nog hebben over de totale hypocrisie die ons afvalbeleid heet en waar deze minister volop aan meedoet. Want de eigen politieke zelfbevlekking van dit kabinet kent geen grenzen als het op milieudeugen aankomt, maar maakt ondertussen echt duurzaam afvalbeleid kapot. Neem bijvoorbeeld een mooi bedrijf als Twence in Hengelo, dat met afval energie opwekt. Dat moet toch fantastisch klinken in de oren van al die linkse partijen. Maar nee, zij moeten boeten door een verhoogd importtarief op afval uit het buitenland. Wat te denken van al die koffiebekers van ambtenaren, die zo lekker duurzaam worden gerecycled hier? Dat gebeurt namelijk niet. Die miljoenen, miljoenen, miljoenen bekertjes komen gewoon — huppakee — als bedrijfsafval bij elkaar en jagen we gewoon door die verbrandingsoven. Maar we zijn zo lekker duurzaam bezig.

Voorzitter. We komen nu bij de nutteloze diftar, waarmee afval scheiden wordt afgedwongen. Ik had het er net al over. Sommige afvalstromen zoals plastic zijn door dit soort stupide maatregelen vervuilder geworden dan ooit. Bij wie komt de rekening terecht? Bij de belastingbetaler. Je reinste geldklopperij, dat is het.

Voorzitter. Deze wetswijziging gaat vrolijk door op die ingeslagen weg. Vanaf 1 juni 2020 moet het ook verplicht zijn om papier, metaal, kunststof en glas te gaan scheiden. Op 1 januari 2025 komen daar textiel en gevaarlijke fracties van huishoudelijke afvalstoffen bij. Naast je groene en grijze container komen er dan nog zes containerbakken extra in je voortuin te staan. Lekker dan. Ik vraag me af wie die vierkante meters zo meteen op zijn WOZ-aanslag terug gaat zien.

Voorzitter. Wellicht heeft u het al een beetje uit onze bijdrage kunnen opmaken: de PVV zal tegen deze wetswijziging gaan stemmen. We hebben in Nederland namelijk geen afvalprobleem, maar een D66-wijsneuzenprobleem. Het enige wat echt verplicht als afval zou moeten worden bestempeld en direct in de verbrandingsoven zou moeten worden gekieperd, is deze wetswijziging.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Aalst. De volgende spreker is mevrouw Kröger van GroenLinks.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Voorzitter. Afgelopen vrijdag was ik met boswachter Jacques en tientallen vrijwilligers in De Biesbosch om plastic op te ruimen. Door het hoge water liggen de oevers helemaal vol met plastic. Het is echt ongelofelijk wat je daar dan aantreft. Van wattenstaafjes, tandenborstels, lege flesjes en worteldoek, veel worteldoek, tot halve matrassen. Dat is toch het trieste resultaat van de wegwerpeconomie die we hebben: aangespoeld vuil in een van onze mooiste en kwetsbaarste natuurgebieden.

Vandaag spreken we over afvalwetgeving, of beter gezegd — wat mij betreft — over wetgeving om afval te voorkomen. We zijn het er allemaal, of misschien bijna allemaal, over eens dat afval een grondstof is in de circulaire economie. We moeten er echt alles aan doen om ervoor te zorgen dat we minder afval produceren en dat we wat we produceren goed kunnen hergebruiken. Het is wat ons betreft belangrijk dat we met een Europese aanpak afval terugdringen en wetgeving harmoniseren. We hebben één markt, dus alle producten in Europa moeten aan dezelfde regels voldoen.

De heer Van Aalst (PVV):

Ik heb even een vraagje. We hebben heel veel van dit linkse beleid gezien om van alles te doen aan die afvalstromen. Wat constateren we nu? Wat zijn de feiten? De feiten zijn nu dat er nog nooit zo veel afval is geweest en dat de stromen nog nooit zo vervuild zijn geweest. Halleluja, wat een geweldig beleid. Vindt u ook niet, mevrouw Kröger van GroenLinks?

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Ik geloof dat ik de heer Van Aalst er niet aan hoef te herinneren dat GroenLinks nog nooit in het kabinet heeft gezeten. Het afvalbeleid en het circulaire-economiebeleid dat wij voorstaan is op dit moment nog niet de praktijk. Deze minister heeft circulaire economie volgens mij hoog in het vaandel staan. Ik hoop dat deze wet een stapje in die richting is. In die richting wil ik heel graag met haar doordenken.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Goed. Alle producten in Europa moeten aan dezelfde regels voldoen. We willen toe naar een volledig circulaire economie. Aangezien we verreweg de meeste consumentenproducten importeren, kan dat eigenlijk alleen goed met Europese afspraken. Wat ons betreft is deze wet dus een stapje; dat zei ik net al. Het is nog niet helemaal waar we uit moeten komen. Afval bestaat niet: daar moeten we heen. Maar het is wel een stap vooruit en dus steunt GroenLinks het wetsvoorstel.

Er spelen wel een aantal onderwerpen waar we ons zorgen over maken en waarvoor we alvast willen vooruitblikken op wat de volgende stappen zouden kunnen zijn. Ik begin met producentverantwoordelijkheid. Die circulaire economie begint wat ons betreft niet zozeer bij het scheiden van je afval, maar bij producenten, die onze producten ontwerpen. We willen producten die duurzaam zijn omdat ze langer meegaan en ook gerepareerd kunnen worden. We willen producten die duurzaam zijn omdat ze geen schadelijke stoffen bevatten of schadelijke stoffen nodig hebben voor hun productie. En we willen producten die aan het einde van hun levensduur gemakkelijk uit elkaar gehaald kunnen worden en waarvan de componenten eenvoudig weer kunnen worden hergebruikt. Dat ligt allemaal vast in een ander stuk regelgeving in Europa: de Ecodesignrichtlijn. Ik vraag me af — dat is een vraag aan de minister — hoe die Ecodesignrichtlijn en deze afvalwetgeving op elkaar inwerken. Waar zitten de dwarsverbanden waardoor het een het ander versterkt en wat kunnen we daarmee in de implementatie in Nederland?

Bij een goed geregelde producentverantwoordelijkheid is dit de manier waarop we producten maken en zorgt de producent er vervolgens ook voor dat de producten hersteld kunnen worden en aan het eind van hun levensduur weer teruggaan in het recycling- en hergebruikproces. Dat is geen kwestie van een gesponsorde afvalbak, maar van statiegeld, inzamel- en inruilpremies, minimumpercentages recyclaat en een productontwerp dat zich hiervoor leent. Deze wet zet dus stappen. De uitgebreide producentverantwoordelijkheid zal verder worden uitgewerkt in verschillende AMvB's, begrijpen wij.

Zijn er in andere Europese landen al voorbeelden van producten waar de uitgebreide producentverantwoordelijkheid voor geldt die wij nog niet hebben? Ik weet dat de minister veel optrekt met haar Europese collega's. Ziet zij Europese voorbeelden van uitgebreide producentverantwoordelijkheid waar zij enthousiast van wordt en die wij hier in Nederland ook tegemoet kunnen zien? Ik ben echt heel erg benieuwd. Wanneer kunnen wij de vervolgstappen concreet verwachten?

Ik heb het bijvoorbeeld over de uitgebreide producentverantwoordelijkheid voor textiel. Zouden we die zo kunnen inrichten dat we meteen het probleem van pfas in textiel kunnen tackelen? Is dat ook een manier om de pfas-vervuiling terug te dringen? En hoe voorkomen we dat we steeds maar nieuwe plastics en andere stoffen ontwikkelen die niet recyclebaar zijn? Waar zit de stok? Wat kan Nederland zelf doen? Hoe gaan we verder: per sector of per grondstof? En van welke stoffen, productieprocessen of producten durven we te zeggen dat we ze in de toekomst niet meer nodig hebben omdat we ze niet circulair kunnen maken en we er dus vanaf moeten? Eigenlijk vraag ik de minister naar een praktisch vervolg maar ook naar een langetermijnvisie.

De heer Van Aalst (PVV):

Ik was zomaar effe nieuwsgierig naar al die circulaire ideeën van GroenLinks, met name als we bijvoorbeeld kijken naar een elektrische auto. Hoe gaat u die circulair maken, en die wieken van die windmolens en die zonnepanelen? Hoe ziet u dat voor zich? Hoe gaan we die lekker circulair maken voor de toekomst?

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Ik vind dat een interessante vraag van de heer Van Aalst. De elektrische auto lijkt me bijvoorbeeld bij uitstek iets waar je een producentverantwoordelijkheid op zou willen hebben. Als je die auto koopt, dan blijft de producent verantwoordelijk voor de batterij en voor de verwerking van die stoffen om te zorgen dat die batterij en al die grondstoffen weer opnieuw gebruikt kunnen worden. Juist omdat de elektrische auto een heel nieuwe markt is, die zich gaat uitrollen in Nederland, kunnen we dat van begin af aan voorstellen. Dus ik zou willen voorstellen aan de heer Van Aalst: zullen we een voorstel doen aan de minister voor uitgebreide producentverantwoordelijkheid voor batterijen van elektrische auto's?

De heer Van Aalst (PVV):

Nee. Ik noem nog een aantal voorbeelden: maar hoe dan? Nee, wat ik nu constateer is dat GroenLinks denkt: "Wij hebben een natte droom. Dan doen we elektrische auto's, dan doen we windmolens, dan doen we zonnepanelen. Maar het probleem van hoe we het zo meteen gaan recyclen, hoe zo meteen het nieuwe asbest ontstaat in de natuur, leggen we lekker bij de producent neer. U regelt het maar." Maar het zijn uw ideeën. Dat zijn ideeën van GroenLinks: "Ga lekker elektrisch rijden. Windmolens. Zonnepanelen. Helemaal geweldig. Toppie! Kleine kindjes de kobaltmijntjes injagen. Hoppa! Accuutjes produceren." U moet niet naar de producent wijzen en zeggen: lost u het maar effe op. Nee, GroenLinks, los nu het probleem van het recyclen effe op dan!

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Het mooie van uitgebreide producentverantwoordelijkheid is dat dat een verantwoordelijkheid is die wij als overheid nemen. Dus ik leg die juist niet bij de producent neer. Ik zeg eigenlijk: goh, als overheid moeten wij voor productstromen waar veel gevaarlijke stoffen in zitten of die een hoog recyclingpotentieel hebben, regelen dat ze ingenomen worden en dat producenten de recycling en verwerking organiseren. Elektrische auto's vind ik echt een mooi voorbeeld, dus ik hoop dat de minister op het voorbeeld van de heer Van Aalst gaat reageren.

Ik had het over plastics. Ik vroeg me eigenlijk af of de minister denkt aan een percentage van gerecycled materiaal dat verplicht moet worden toegepast en dat langzaam, incrementeel, gaat groeien. Wat leggen we vast in regelgeving en wat gebeurt er in vrijwillige afspraken, zoals een Plastic Pact? Ik maak mij er zorgen over dat deze minister veel op basis van vrijwilligheid regelt. Enerzijds bewonder ik haar volharding bij het Plastic Pact en anderzijds maak ik me ook zorgen over al die achterblijvers. Hoe zorgen we ervoor dat de bulk van de bedrijven die zich niet aangesloten hebben, daadwerkelijk in actie komt?

Dan heb ik een vraag over de uitvoering en de rol van de verschillende bevoegde gezagen bij onder andere de vergunningverlening en de einde-afvalstatus. We streven Europese harmonisatie na. Dat is goed voor het milieu en duidelijk voor producenten en consumenten, maar de minister gaat nog heel veel uitwerken in AMvB's en ministeriële regelingen. Uiteindelijk beslissen de gemeenten op basis van de oordelen van de omgevingsdiensten. Klopt dat? Hoe is dat met elkaar te rijmen? Enerzijds hebben we de Europese regels, bijvoorbeeld REACH en POP, en aan de andere kant wordt er eigenlijk op een laag lokaal niveau besloten. Moeten de kaders niet per ministeriële regeling vastgelegd worden?

De minister wil per ministeriële regeling bepalen wanneer iets afval is. Welk deel vernietigd wordt en welk deel teruggaat naar de keten, zal voor elke groep apart moeten worden bepaald. Dat is een flinke klus. Het lijkt mij verstandig dat dit inderdaad vooral op ambtelijk niveau en per ministeriële regeling gebeurt, maar ik blijf als Kamerlid wel graag aangehaakt en betrokken. Wij willen ambitie en vooruitgang. Is de minister bereid om de Kamer hierbij te betrekken en haar actief op hoogte te houden over de stoffen, groepen en producten waarover het gaat? Ik overweeg op dit punt een motie.

Een punt van zorg dat ik al veel vaker heb benoemd, zijn de zeer zorgwekkende stoffen in de circulaire economie. Het Europees Parlement heeft zich zeer duidelijk erover uitgesproken dat de circulaire economie gifvrij moet zijn. We kunnen het ons niet permitteren om al die gevaarlijke stoffen die we in de afgelopen decennia met gebrekkige kennis hebben toegestaan, eindeloos te laten rondpompen, omdat afval weer grondstof wordt. Is de minister bereid om de onderdelen van het LAP3 met betrekking tot zeer zorgwekkende stoffen kritisch tegen het licht te houden en ook de aanbevelingen van het RIVM-onderzoek naar zeer zorgwekkende stoffen in de circulaire economie daarbij te betrekken? Komt er een plan van aanpak op basis van de aanbevelingen uit het RIVM-onderzoek? Want voor ons is er over veel stoffen nog veel onduidelijk. We moeten echt zorgen dat we die stoffen onder controle hebben, voordat we ze aanjagen in de circulaire economie.

Dan heb ik een vraag over de instrumenten die we hebben voor zeer zorgwekkende stoffen. Kunnen we de minimalisatieverplichting ook van toepassing laten verklaren op afvalstromen? Moeten we, aangezien afval in de circulaire economie weer tot grondstof wordt, niet streven naar een minimalisatieverplichting voor potentiële zeer zorgwekkende stoffen in afval? Door de strengere normen op emissies naar lucht en water verlaat bij bijvoorbeeld Chemours 95% van die zeer zorgwekkende stoffen het terrein nu als afvalstroom via de poort. Moeten we niet juist daar willen minimaliseren?

De heer Ziengs (VVD):

Ik hoop dat ik mevrouw Kröger goed begrepen heb. Ik snap goed dat ze de zeer zorgwekkende stoffen wil uitbannen uit het hele circulaire verhaal en daarover heb ik een vraag voor mevrouw Kröger. Er zijn stoffen die nu een probleem zijn. Ik denk dan bijvoorbeeld aan asbest. Dat wordt op dit moment onder de grond gestopt en afgedekt. Stel dat je daar alsnog iets mee kunt doen in de circulariteit, dus dat je er een bouwstof van kunt maken en de zorgwekkende stoffen die erin zitten, eruit zou kunnen elimineren. Is dat een optie in de circulariteit die past bij GroenLinks? Want dat is wel de richting waar wij vaak naar kijken.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Ik denk dat het belangrijk is dat we in het dossier van de zeer zorgwekkende stoffen hebben gezien dat we nu eigenlijk geconfronteerd worden met fouten of inschattingen — zo moet ik het noemen — van misschien wel tien of vijftien jaar geleden, toen nog helemaal niet duidelijk was wat de echte gevolgen van die stoffen waren. Het voorzorgsbeginsel moet hier dus echt leidend in zijn. Bij de circulaire economie maken we van afval weer grondstof. Mijn zorg is dat die zeer zorgwekkende stoffen eindeloos rondgaan, terwijl je er dan niet meer het zicht op hebt dat je wel hebt op primaire producten. Daarom stelde ik mijn vraag over de minimalisatieverplichting op afvalstromen, want dan beschouw je de afvalstroom weer helemaal als volwaardige grondstof, inclusief de regels die je hebt voor primaire grondstoffen. Het korte antwoord op de vraag van de heer Ziengs is dat ik mij goed kan voorstellen dat er stromen zijn waar je wel degelijk nog gebruik van kunt blijven maken, als je echt alle veiligheidsmaatregelen geborgd hebt. Maar daar moet je dan wel je regelgeving op aanpassen. Wat nu dreigt te gebeuren, is dat als iets afval is, het in die zin ook een beetje uit het zicht verdwijnt. Dan heb je daarop dus ook niet de zorg die we hebben op primaire grondstofstromen.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Tot slot een punt over het huishoudelijk bedrijfsafval. Ik sluit me op dat punt eigenlijk aan bij de opmerkingen van de heer Schonis. We hebben in Nederland een onderscheid tussen huishoudelijk afval en bedrijfsafval in ophaal- en verwerkingssystematiek. Dat is op zich logisch, maar er is natuurlijk een hele categorie van huishoudelijk bedrijfsafval, want heel veel bedrijven zijn geen Chemours, maar gewoon een kantoor of een winkel en ze produceren gewoon keukenafval en verpakkingsmateriaal. Ik zou de minister dus willen vragen of we toch kunnen kijken of we met die categorie iets kunnen, waardoor huishoudelijk bedrijfsafval ook gescheiden opgehaald kan worden en gewoon in dezelfde verwerkingssystematiek terechtkomt als het gewone huishoudelijke afval.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Kröger. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Von Martels. Hij spreekt namens de fractie van het CDA.

De heer Von Martels (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Ik ga even wat terug in de tijd. Het was de CDA'er Ad Lansink, die van 1977 tot 1988 lid van deze Kamer was, die de ladder van Lansink introduceerde. Hij was trouwens zelfs tot 1998 lid; laat ik hem niet tekortdoen. De ladder van Lansink is een standaard op het gebied van afvalbeheer en werd in 1979 een begrip toen hij een motie indiende. Het afvalbeleid werd er sindsdien op gericht prioriteit te geven aan de milieuvriendelijkste verwerkingswijzen. Deze staan bovenaan de ladder. Het beleid van de overheid moet erop gericht zijn zo veel mogelijk afval de ladder van Lansink te laten beklimmen. In de praktijk betekent dit dat altijd zal worden bekeken of een bepaalde stap gerealiseerd kan worden. Pas indien dit niet het geval is, zal een volgende, lagere stap in aanmerking komen. De ladder van Lansink is opgebouwd uit de volgende treden: preventie, hergebruik, sorteren en recyclen, verbranden en storten. We zijn nu inmiddels een paar decennia verder. Toen hadden we het over recycling of hergebruik. Nu heet dat "circulaire economie" en over afval wordt steeds vaker gedacht in de zin van grondstof. Heel veel afval is immers grondstof. In de betekenis van de ladder van Lansink zouden we nu een extra trede kunnen benoemen, namelijk de stap om afval als grondstof te gebruiken.

Voorzitter. De wijziging van de Wet milieubeheer die vanavond op de agenda staat, is nodig in verband met de implementatie van de EU-richtlijnen inzake afvalstoffen. Het betreft een van de richtlijnen die is opgesteld met als doel om efficiënter om te gaan met grondstoffen, zodat grote economische en sociale voordelen én milieuvoordelen kunnen worden gerealiseerd ter stimulering van de circulaire economie. Met dit wetsvoorstel wordt nationale regelgeving omtrent afvalstoffen in lijn gebracht met de wijzigingsrichtlijn en bepalingen uit de Kaderrichtlijn Afvalstoffen. In hoofdlijnen zijn wij positief over deze implementatie, maar wij hebben natuurlijk altijd wel enkele vragen en opmerkingen.

Wij zien dat er een landelijke wirwar van regels is over gescheiden inzameling van afval bij huishoudens. We begrijpen dat gemeenten verschillend beleid willen en soms moeten hebben, want apart gft inzamelen in de binnensteden, waar niet eens ruimte is om containers te herbergen, kun je gemeenten niet verplichten. Toch is er nog steeds onduidelijke regelgeving. Ook het bedrijfsleven heeft daar last van. Neem bijvoorbeeld de wirwar aan regels over plastic, metaal en drankkartons ofwel de PMD-verpakking. Blisterverpakking, bijvoorbeeld doordrukstrippen van tandenborstels, moeten wel apart in de PMD-zak, maar de doordrukstrips van medicijnen of kauwgum niet. Alle drinkblikjes wel, maar een leeg blik waar waterverf in zat niet. Consumenten en producenten zouden graag één duidelijke, logische richtlijn hebben voor heel Nederland, die de producenten dan dus ook op de verpakking kunnen zetten. Wil de minister bezien of er meer stroomlijning kan komen in de verschillende regels over de gescheiden afvalinzameling?

Voorzitter, dan iets anders. Het KRO-NCRV-programma De Monitor meldde een aantal weken geleden dat miljoenen koffiebekertjes die de overheid vorig jaar heeft weggegooid, in de verbrandingsoven zijn beland, terwijl het de bedoeling was dat ze gerecycled zouden worden. Het Rijk liet twee jaar geleden uitzoeken wat de duurzaamste bekertjes waren en kwam uit bij kartonnen exemplaren met een coating van bioplastic. Ze zouden worden gerecycled tot wc-papier of papieren handdoekjes, maar daarvan blijkt helaas weinig terechtgekomen te zijn, omdat meer dan 90% van alle bekertjes te vervuild was om hergebruikt te worden. In totaal ging het om 85 miljoen bekers; we praten wel ergens over. Mijn vraag is of daar ook de bekers van de Tweede Kamer bij zaten. Hebben wij zelf wel het goede voorbeeld gegeven? We weten dat er op het Binnenhof ook niet alleen maar zuivere koffie wordt gedronken. Wat zijn dus de uitkomsten hiervan?

Voorzitter. Wij hebben ook vragen rondom illegale dumping van afval. Illegale afvaldumpingen kunnen betrekking hebben op verschillende soorten afval, zoals asbest, drugsafval, huis- en bedrijfsafval en vervuild afvalwater. Het verbaast ons dat over de kosten van illegale dumping van de verschillende soorten afval geen cijfers worden bijgehouden. Alleen over dumpingen van drugsafval zijn wel wat cijfers bekend. De minister stelt dat het voorkomen en opruimen van afvaldumpingen primair de verantwoordelijkheid is van gemeenten, provincies en eigenaren van natuurterreinen, maar dat vinden wij een wat al te gemakkelijk antwoord. Hoe staat het met het doen van onderzoek naar de herkomst van het afval? En als er al daderindicaties zijn, hoe staat het dan met opsporing en vervolging van de daders? Wat doet het Rijk om dit te voorkomen?

Ten slotte, voorzitter, wil ik aandacht vragen voor kauwgum en sigarettenpeuken. De irritatie daarover is groot. Veel mensen ergeren zich daaraan. Dat kauwgum en sigarettenpeuken op straat liggen, heeft twee oorzaken: de fabrikanten die de producten maken en zich niet zo veel aantrekken van de irritatie en de overlast die ze veroorzaken en de kosten waarmee ze de overheden opzadelen, en de mensen die hun sigarettenpeuken of hun kauwgum achteloos weggooien. Die hebben natuurlijk ook een belangrijke rol. Men zegt vaak dat je afvalvermindering bij de bron moet aanpakken, maar ja, wat is nou de bron? Ik zie het zo dat niet de mensen de bron zijn, maar dat ook de fabrikanten een rol hebben. Ik maak geen afval; ik moet wel producten kopen waardoor ik met afval blijf zitten. Ik heb natuurlijk wel de verantwoordelijkheid om goed om te gaan met het afval waarmee ik opgezadeld word. Mijn vraag aan de minister is of ze beide veroorzakers zou willen aanpakken. Het bedrijfsleven heeft een verantwoordelijkheid voor het afval dat het met de verkoop van zijn producten veroorzaakt. En ook op het publiek moeten we een beroep doen. Dat moet zich fatsoenlijk gedragen. Zomaar een peuk of kauwgom weggooien is asociaal. Dat doe je niet.

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

We hebben nog een interruptie. De eerste is van de heer Van Aalst.

De heer Von Martels (CDA):

Ik zie er wel twee.

De heer Van Aalst (PVV):

Ja, ik heb even een vraagje. Ik hoor het CDA zeggen dat we zelfs kauwgum en sigaretten bij de producent neer gaan leggen. Maar we moeten dat ook zeker bij de mensen neerleggen. Ik zie namelijk nog niet hoe de heer Von Martels dat wil gaan doen, hoe hij de producent verantwoordelijk wil gaan stellen voor dat stukje kauwgum op straat. Of krijgen we nu voorstellen van het CDA om statiegeld in te voeren op kauwgum en sigaretten?

De heer Von Martels (CDA):

Het antwoord is nee, maar misschien wil de heer Van Aalst nog een verduidelijking. Zo ver willen we niet gaan, maar ik wil aangeven dat zowel de producent als de consument een verantwoordelijkheid heeft in het voorkomen van afval en zwerfafval.

De heer Van Aalst (PVV):

Maar wat wilt u de producent dan verwijten als burgers hun kauwgum of hun sigaret op straat gooien? Dat is toch iets wat je niet doet met elkaar? Dat is een stukje dat je vanuit huis meekrijgt; dat noemen we opvoeding. Dat moeten we met elkaar doen. Hoe wilt u de producent daarvoor verantwoordelijk stellen?

De heer Von Martels (CDA):

Je kunt de producent wel degelijk verplichten om mee te denken om een oplossing te zoeken zodat voorkomen kan worden dat er zwerfafval of afval in algemene zin ontstaat.

De voorzitter:

En meneer Ziengs heeft zich gemeld.

De heer Ziengs (VVD):

We hebben meerdere debatten gehad over dat zwerfafval. We weten ook dat sigarettenpeuken vallen onder de microplastics, met name vanwege de filtertjes die eraan zitten. Overigens is het goed dat mensen ook weten dat dat microplastics zijn, want ik denk dat het gros van de Nederlandse bevolking daar geen idee van heeft. Ik ben een keer te gast geweest op het jaarcongres van een bekende partij en daar zag ik de peukjes ook de struiken in vliegen. Ik kijk nu even naar de minister. Maar goed, het was een leuk congres. Ik heb ooit in een debat ingebracht dat het ook mogelijk zou zijn om gewoon een keer om tafel te gaan zitten met de branche zelf, om te kijken of die niet iets anders zou kunnen gaan produceren. En dan doet zich op dit dossier iets heel merkwaardigs voor, namelijk dat geen enkel ministerie kennelijk met die branche in gesprek wil, vanwege een artikel 5.3, dat overigens helemaal niets te maken heeft met zwerfafval et cetera. Zou de heer Von Martels gewoon eens met zijn collega op dat dossier, onder het genot van een kopje koffie of iets dergelijks — ook een ander product ligt weleens wat moeilijk bij het CDA — de optie willen bekijken om contact te zoeken met de branche, om te kijken of die zelf misschien bereid is om daar iets in te gaan doen?

De heer Von Martels (CDA):

Een hele lange inleiding. De heer Ziengs vraagt het zo vriendelijk dat je zijn verzoek haast niet kunt weigeren. Het zou zonder meer verstandig zijn om dat te doen, om dat gesprek aan te gaan, om te kijken naar verbetering.

De heer Ziengs (VVD):

De reden dat ik dat vraag is dat de heer Von Martels zo nadrukkelijk iedere keer spreekt over de producentenverantwoordelijkheid, terwijl er ook een verantwoordelijkheid ligt bij de overheid om te kijken of zij dat op vrijwillige basis willen doen. Ik heb lichtelijk de indruk dat dat wel het geval is, maar dat men daar ook niet de gelegenheid toe krijgt.

De heer Von Martels (CDA):

Aan het CDA zal het niet liggen, maar ik ben ook erg benieuwd naar het antwoord van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan zijn wij hiermee aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer. Dan kijk ik even naar de minister. Ik schors de vergadering tot 21.05 uur.

De vergadering wordt van 20.52 uur tot 21.08 uur geschorst.

De voorzitter:

Aan de orde is nog immer de Implementatiewet wijziging EU-kaderrichtlijn afvalstoffen. We zijn aanbeland bij de eerste termijn van de minister. Ik geef haar het woord.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dank u wel, voorzitter. Hartelijk dank aan de leden voor hun inbreng. Ik wil de beantwoording opdelen in drie blokjes; dan weet u ongeveer wanneer u wat kunt verwachten. Als eerste een aantal vragen die gesteld zijn over de wet zelf en over het instrument van de producentenverantwoordelijkheid. Daarna een aantal vragen die te maken hadden met afvalscheiding. Wanneer is een product nou afval? En dan nog een aantal overige vragen. Bij sommige vragen over dit wetsvoorstel worden er inderdaad ook lijnen getrokken in de richting van het algemeen overleg over circulaire economie dat we binnenkort zullen hebben. Wellicht zal ik bij een aantal vragen aangeven dat ik daar bij dat AO Circulaire economie op terug zal komen, omdat ze niet direct betrekking hebben op het wetsvoorstel dat hier ligt.

De herziene richtlijn is een belangrijke stap voorwaarts voor de circulaire economie. Dat is het zeker voor Nederland, maar ook met name voor een aantal andere landen, die nog veel minder ver zijn bij de ontwikkeling van de circulaire economie. Het brengt in heel Europa die circulaire economie een stap dichterbij. Dat is voor Nederland een kleinere stap dan het voor veel andere landen is, maar het is goed dat die ontwikkeling in heel Europa gelijkmatig voortgaat.

Nederland heeft al veel stappen gezet. We hebben ook nog veel ambities. We werken stap voor stap aan het dichterbij brengen daarvan. Dit wetsvoorstel is een eerste stap in de implementatie van de richtlijn in Nederlandse wetgeving. Conform standaard kabinetsbeleid is er op dit punt gewoon sprake van een zuivere implementatie. Dat wil zeggen dat we geen andere dingen tegelijkertijd implementeren. Dit wetsvoorstel draagt bij aan de circulaire economie doordat hierin een juridische basis wordt gelegd voor nadere regels omtrent uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en het gescheiden inzamelen van afvalstoffen. Hierdoor kunnen later op nationaal niveau regels worden opgesteld over de kaders waaraan regelingen omtrent uitgebreide producentenverantwoordelijkheid moeten voldoen, over welke stromen altijd gescheiden moeten worden ingezameld en ook over wanneer uitzonderingen mogelijk zijn. Ik kom daar later nog op terug.

Verder worden door dit wetsvoorstel de voorwaarden om te bepalen of er sprake is van eindeafval of een bijproduct opgenomen in de Wet milieubeheer. Er volgen nog twee algemene maatregelen van bestuur, een regeling en een uitwerking in het Landelijk Afvalbeheerplan. In het kader van het actieplan van de Europese Commissie voor een circulaire economie dat we binnenkort verwachten, worden ook nog een aantal relevante voorstellen gedaan voor zaken die het best op Europees niveau geregeld kunnen worden, zoals — mevrouw Kröger vroeg ernaar — het percentage gerecycled plastic in producten. Gezien de interne markt is het het meest effectief om dat voor een groot gedeelte van de interne markt te regelen. Zeker als je het verplicht, is dat belangrijk. Vrijwillig kun je natuurlijk makkelijker verder gaan. Dat is wat we met het Europese Plastic Pact doen. Met 90 partijen, 15 lidstaten en ook nog regionale overheden maken we afspraken om op vrijwillige basis al verder te gaan dan we op dit moment met de regelgeving kunnen gaan. Maar we verwachten natuurlijk ook nog het voorstel van de Europese Commissie.

Wat regelt het wetsvoorstel voor gescheiden inzamelen? Het regelt de grondslag voor het nader regels kunnen stellen met betrekking tot de gescheiden inzameling van afvalstoffen. Het uitgangspunt zal zijn, voor heel Europa dus, dat bioafval, kunststoffen, metaal, glas, papier, textiel en gevaarlijk afval gescheiden moeten worden ingezameld. Maar het is ook onder voorwaarden mogelijk om voor bepaalde stromen een uitzondering te maken. Die uitzonderingen worden ook opgenomen in de aankomende AMvB. De mogelijkheid om een beroep te doen op een uitzonderingsgrond sluit zo veel mogelijk aan bij de bestaande gemeentelijke praktijk. Alleen voor PMD en bioafval zijn uitzonderingen mogelijk.

Nascheiding van PMD — dat was een vraag van de heer Ziengs — blijft dus mogelijk als daardoor een vergelijkbaar milieuresultaat wordt behaald als bij bronscheiding. Voor bioafval geldt dat niet aan bronscheiding hoeft worden gedaan wanneer dat technisch niet haalbaar is of buitensporig hoge kosten met zich meebrengt. Dat betekent dat gemeenten in hun afvalstoffenverordening moeten aangeven waarom zij een beroep doen op de uitzonderingsgrond. In het LAP kan nader worden gestuurd op de mogelijkheden om per stroom een beroep te doen op de uitzonderingsgronden, dus wat als proportioneel of disproportioneel kan worden beschouwd. Natuurlijk gaan we hierover bestuurlijke gesprekken aan met de bevoegde gezagen om daaraan invulling te geven.

De heer Ziengs (VVD):

Nou raak ik toch even wat ongerust. Ik begrijp hieruit dat die uitzondering plaats kan vinden als het gaat om nascheiding bij PMD. Maar hoe zit het dan met glas en textiel, et cetera? Vallen die niet onder die nascheiding? Moeten die wel apart aangeleverd worden? Hoe gaat die aanlevering, die scheiding, dan? Moet het aan de bron gebeuren, dus bij de burger zelf, of kan het gebeuren bij de afvalverwerker?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Glas moet volgens mij nu sowieso al apart worden ingeleverd. Ik kom straks nog terug op textiel. Die uitzondering die mogelijk is op het uitgangspunt dat de richtlijn vastlegt voor gescheiden inzameling, geldt voor PMD, dus plastic, metaal en drankenkartons, en bioafval. Daarvoor is dat mogelijk.

De heer Ziengs (VVD):

Nou ben ik meer een man van de praktijk, maar ik weet dat er ook heel veel glas verdwijnt in de grijze container en dat dit vervolgens door de afvalverwerkers eruit gehaald kan worden. Daar is mijn vraag op gericht. De minister zegt nu dat glas apart moet worden ingezameld. Volgens mij is daar geen moeten bij. Volgens mij is dat een proces dat destijds ontstaan is door de bekende statiegelddiscussie. Toen is dat eraf gehaald. Uiteindelijk bleek dat de burger het apart wilde houden in de glascontainers.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Volgens mij geldt er voor glas ook producentenverantwoordelijkheid. Er is een afspraak gemaakt over de hoeveelheid glas die apart zou worden ingezameld. Die inzamelpercentages zijn vastgelegd. Volgens mij is de afspraak gemaakt om het gescheiden in te zamelen, maar ik weet uit mijn hoofd niet exact hoe het nu geregeld is en precies wat waar verplicht is. Daar kan ik zo meteen in tweede termijn nog even op terugkomen. Maar het feit dat niet iedereen zich houdt aan de afspraak dat het apart wordt opgehaald, omdat mensen het toch nog in een vuilniszak stoppen waarna het er alsnog uitgehaald wordt, is natuurlijk wat anders dan dat er een generieke mogelijkheid bestaat om aan voor- of nascheiding te doen. Dat is, denk ik, het verschil met de situatie waarop de heer Ziengs doelt.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Ook ik heb een vraag over de nascheiding. Is het niet zo dat nascheiding behoorlijk lastig is als je de natte fractie, dus het bioafval, er niet hebt uitgehaald? Want dat vervuilt gewoon enorm de kwaliteit van de nascheiding. Als die uitzonderingen dus gemaakt worden en er wordt aangestuurd op nascheiding, zou je dan niet in ieder geval het gft of het bioafval apart ingezameld moeten hebben?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Er zitten inderdaad haken en ogen aan, maar de richtlijn creëert die mogelijkheid voor bioafval nadrukkelijk wel. Het is dus wel mogelijk. Daar worden ook wel weer voorwaarden aan gesteld. Het gaat er dus eigenlijk om hoe die voorwaarden straks worden gedefinieerd. Zoals ik net heb aangegeven, gaan we over die vragen bestuurlijke gesprekken aan. Hoe definiëren we het? Wanneer is iets technisch onmogelijk? Wanneer is iets economisch onmogelijk? Daar zullen we bij de Kamer op terugkomen. Dat wordt dus nog nader uitgewerkt.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Oké, dan ben ik heel erg benieuwd naar die nadere uitwerking. Ik hoop dan dat de minister daarbij vooral kijkt naar de kwaliteit, los van of iets economisch haalbaar is. Ik hoop dat zij ook kijkt naar in hoeverre de stromen die je na nascheiding krijgt als er wel nog natte fractie bij zit, nog daadwerkelijk hoogwaardig recyclebaar zijn. Want volgens mij is dat wat je in de praktijk ziet: die stromen raken vervuild en verpest, waardoor ze veel minder hoogwaardig ingezet kunnen worden. Kan daarbij dus specifiek de mate van recyclebaarheid van de stromen na nascheiding betrokken worden?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

De richtlijn geeft aan wat de gronden zijn. Die geeft aan wat de terreinen zijn, maar ook hoe je moet omgaan met de beoordeling van die terreinen. Nascheiding, bijvoorbeeld de PMD-stroom, blijft mogelijk als daardoor een vergelijkbaar milieuresultaat wordt gehaald als bij bronscheiding. Zo geeft de richtlijn dus eigenlijk ook aan hoe je moet beoordelen wanneer er wel een uitzondering kan worden verleend en wanneer niet. Daarbij is wel beoogd om goed aan te sluiten bij bestaande praktijken. In de onderhandeling over de richtlijn is dat zo gedefinieerd. Dat zal nog nader uitgewerkt moeten worden. Dat doen we in goed overleg met alle besturen.

Voorzitter. Dan de producentenverantwoordelijkheid en een aantal andere vragen over het wetsvoorstel. Er zijn met name vragen gesteld over de administratieve lasten. Het wetsvoorstel brengt zelf geen nieuwe administratieve lasten met zich mee. Dat was even de vraag: zijn er administratieve lasten, en, zo ja, waar komen die vandaan? Het wetsvoorstel is ook getoetst door het Adviescollege toetsing regeldruk. Maar er komen nog een aantal AMvB's. Daar zitten wel kleine financiële gevolgen aan. Ik zal daar zo meteen nog op terugkomen.

De verschillende wijzigingen van dit wetsvoorstel zorgen overigens ook voor vereenvoudiging en hebben daarmee indirect een verlichtend effect op de regeldruk. Dat zit bijvoorbeeld in een verduidelijking van de voorwaarden voor bijproducten en eindeafvalstatus, en in de rechtstreekse toetsing aan deze voorwaarden.

Ik zal in de toelichting bij de AMvB's uitdrukkelijk ingaan op de regeldruk plus financiële gevolgen van de AMvB's. Dat was eigenlijk het punt waarnaar de heer Van Aalst verwees. Je hebt dus het onderscheid tussen het wetsvoorstel zelf, waaraan geen financiële gevolgen zitten, en de AMvB's, waarbij we er netjes op zullen ingaan wat dat betekent. Dat was ook een vraag van de heer Ziengs.

Wat we doen, vloeit voort uit de zuivere implementatie. Daar begon ik net ook even over. Wat we doen, moeten we doen, zeg ik maar even in huiselijke taal. Het vloeit dus rechtstreeks voort uit de verplichtingen van de richtlijn. We hebben dus ook geen keuze om te zeggen: we doen het niet. Maar we gaan wel voor een lastenluwe implementatie. Voor de lagere regelgeving zijn de administratieve lasten in beeld gebracht. Dat is dus ook getoetst door dat Adviescollege toetsing regeldruk.

Bij producentenverantwoordelijkheid geldt dat de financiële lasten per materiaalstroom worden toegelicht als er een AMvB wordt ingediend om ergens producentenverantwoordelijkheid voor in te dienen. Zo is er dus eigenlijk een gelaagdheid in wanneer er inzage wordt gegeven in de verschillende kosten.

De heer Ziengs zei dat hij ervan op de hoogte is dat er in een zekere branche wellicht wel interesse bestaat om enige initiatieven te nemen ter voorkoming van zwerfafval. Het is natuurlijk altijd heel goed om daar kennis van te nemen. In het kader van de implementatie van de SUP-richtlijn moet onderzocht worden hoe de producenten te benaderen. De huidige afspraken zijn dat we geen contact hebben met deze branche. Maar goed, de heer Ziengs is daarvan op de hoogte. Mocht er een initiatief onder onze aandacht worden gebracht, dan nemen we daar natuurlijk graag kennis van.

De heer Von Martels vroeg aandacht voor het probleem van kauwgom. Er bestaat nog geen EU-voornemen voor producentenverantwoordelijkheid voor kauwgom, maar we gaan wel kijken wat de beste beleidsopties zijn om kauwgomvervuiling aan te pakken en te voorkomen. Na de zomer zal ik u hierover informeren.

De heer Ziengs (VVD):

De minister gaf aan dat ze bereid is om te luisteren naar initiatieven van de branche waar niet rechtstreeks mee gesproken wordt door het ministerie. Als er inderdaad een initiatief komt om de filters van de sigaretten — daar hadden we het specifiek over — in een ander product te laten wijzigen, mag ik dan veronderstellen dat het ministerie, althans de minister, daadwerkelijk voornemens is om een dergelijk gesprek aan te gaan?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ik probeer de heer Ziengs aan te geven dat wij bepaalde richtlijnen hebben voor contacten met deze branches. Aan de andere kant zien we ook dat hier een afvalprobleem is. Ik probeer dus met de collega een manier te vinden waarop we zowel recht doen aan de afspraken zoals die in de breedte gelden voor de contacten hiermee, als een goede oplossing vinden voor dit afvalprobleem. Daarvoor moeten we natuurlijk altijd op de een of andere manier kennis kunnen nemen van wat er is. Wellicht kan de heer Ziengs zelfs een doorgeleidende rol spelen. Goede ideeën zijn altijd welkom.

De heer Ziengs (VVD):

Ik zal mijn best doen, want ik vond het een redelijk politiek correct antwoord.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

En dat ondanks dat het zo laat op de avond is.

Waar wordt de producentenverantwoordelijkheid geregeld? Een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid maakt producenten ook verantwoordelijk voor de afvalfase van hun product. Dat wordt dus neergelegd in een producentenverantwoordelijkheid, bijvoorbeeld voor verpakkingen en elektronische apparaten. De EU stelt minimumeisen aan de UPV's. Die worden in Nederland geïmplementeerd via een AMvB. Producenten moeten er onder zo'n UPV voor zorgen dat de doelstellingen voor afvalbeheer worden gehaald, dat er een passend inzamelsysteem is, dat er jaarlijks verslag wordt gedaan en dat consumenten worden geïnformeerd. Producenten moeten daar ook de kosten van dragen. Het is aan producenten om te bepalen hoe zij hun verantwoordelijkheid willen uitvoeren en met welke partijen zij willen samenwerken. De AMvB met algemene regels voor de UPV's heb ik in voorbereiding naar aanleiding van dit wetsvoorstel. Ik informeer uw Kamer daar dit voorjaar over.

Zijn er in andere EU-landen voorbeelden van producentenverantwoordelijkheid en zitten daar wellicht voorbeelden bij die interessant zouden kunnen zijn voor Nederland? Dat was een vraag van mevrouw Kröger. Ja, we volgen uiteraard nauwgezet wat er in andere landen gebeurt. We willen ook graag leren van ervaringen in andere landen. Op bijvoorbeeld het vlak van tariefdifferentiatie heeft Nederland nu interessante ervaringen opgedaan. Daar zijn andere landen weer in geïnteresseerd. We kijken dus waar we van kunnen leren. Richting het AO Circulaire economie zal ik op dit punt nog bij u terugkomen. Frankrijk is inderdaad wel een land dat, denk ik, erkend wordt als een koploper op het gebied van het benutten van het instrument van de producentenverantwoordelijkheid. Richting het AO Circulaire economie kom ik daarop terug.

Dan is er gevraagd: hoe werken nou eigenlijk de Ecodesignrichtlijn en de Afvalrichtlijn op elkaar in? Dat was ook een vraag van mevrouw Kröger. Via de producentenverantwoordelijkheid kan een connectie worden gemaakt tussen de afvalregels en de producteisen volgens ecodesign, bijvoorbeeld via de tariefdifferentiatie die ik net al noemde, waarbij producten met een lager tarief worden beloond als ze recyclebaar of repareerbaar zijn of geen schadelijke stoffen bevatten. Zo kan dus een combinatie worden gemaakt. Het eerste concrete voorbeeld in Nederland is de tariefdifferentiatie voor recyclebare verpakkingen. Maar ook op dit punt kijk ik uit naar het actieplan circulaire economie van de Europese Commissie. Dat moeten we nog ontvangen, maar dat zou een ruimere benutting van de Ecodesignrichtlijn voor het stimuleren van de circulaire economie kunnen bevatten.

Mevrouw Kröger vroeg of we de textiel-pfas-problematiek daar ook mee zouden kunnen tackelen. De Europese Commissie onderzoekt op dit moment het restrictievoorstel voor textiel. Mocht die route niks opleveren, dan kunnen we kijken of we het meenemen in de brede restrictie op pfas in producten. Maar wellicht dat dus die richting van restrictie op specifiek textiel ook al iets kan opleveren. De toepassing is nu nog niet verboden. Daarmee helpt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid niet om pfas tegen te gaan in textiel. Maar in het beleidsprogramma textiel, dat ik u op korte termijn toestuur, zal ik ook aangeven hoe ik omga met UPV in textiel. Wanneer we het hebben over de vraag wat je op nationaal niveau, op Europees niveau of zelfs eigenlijk het liefst in nog langere internationale ketens doet, dan is textiel natuurlijk wel een sector waar dat al heel snel om de hoek komt kijken als je gewoon effectief resultaat wilt hebben.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Mijn vraag over pfas en textiel ging niet zozeer over het uitbannen — waar ik ook een groot voorstander van ben; ik weet dat de minister daar op de lange termijn op inzet — maar vooral over al die pfas die nu in textiel zit. Op het moment dat je een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zou hebben, zou je als je bijvoorbeeld zo'n mooie regenjas met een pfas-laagje koopt, die naderhand ook weer kunnen inleveren en wordt die jas vervolgens goed verwerkt. Het is dus eigenlijk een manier om grip te houden op die gevaarlijke stoffen in de keten. In die context vroeg ik me of de minister daarnaar kan kijken.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Breder heeft mevrouw Kröger een vraag gesteld over pfas in de afvalstromen. Daar kom ik straks nog even op terug. Zij zoekt volgens mij eigenlijk naar een manier om, wanneer je weet dat er pfas in een bepaalde afvalstroom zit, te voorkomen dat die in de brede afvalstroom terechtkomt, omdat die daarmee wellicht het hergebruik van die brede afvalstroom zou beïnvloeden. Laat ik hierover nadenken, en ook specifiek over het punt van textiel. Ik zal richting het AO Circulaire economie nog even aangeven welke mogelijkheden we daarvoor zien.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Dan geef ik de minister heel graag nog iets mee om over na te denken. Een andere bekende stroom is natuurlijk het brandblusschuim. Er zijn heel veel brandblussers waar pfas in zit, die over een paar jaar niet meer gebruikt zullen worden omdat er nieuwe zijn. Hoe zorgen we er nou voor dat die oude brandblusapparaten die overal in kantoren en weet ik waar hangen, apart worden ingezameld en ook verwerkt kunnen worden? Een vorm van een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zou daar ook kunnen.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dank voor de suggestie. Het is inderdaad een hele duidelijk identificeerbare groep producten waarvan we ook weten dat het erin zit. We komen nog met een verzamelbrief richting het AO Circulaire economie. Dan zullen we ook terugkomen op de vraag of er een mogelijkheid is om deze stroom echt apart in te zamelen om te voorkomen dat deze pfas-houdende stoffen op andere wijze verder in het milieu terechtkomen of mogelijkerwijs de recyclebaarheid van andere stromen verminderen doordat ze dan pfas bevatten. Dus dank voor de vraag.

Dan kom ik bij een aantal vragen over afvalscheiding en over producten. Mevrouw Kröger zegt dat gemeenten op basis van de omgevingsdiensten beslissen over de status afval of niet. Klopt dat en hoe rijmen we dat met de EU-kaders? In Nederland kennen we inderdaad een gedecentraliseerd systeem waarbij een bevoegd gezag in het kader van de vergunningverlening toezicht en handhaving per geval beoordeelt wat de status is van een materiaal. Dit zijn gemeenten en provincies, en vaak de omgevingsdiensten in hun opdracht. Onderdeel van de beoordeling of iets afval is of niet, is ook de toetsing of het gebruik rechtmatig is. Het bevoegd gezag dient dan naar de wet- en regelgeving zoals REACH en POP te kijken en naar de mogelijke nadelige gevolgen voor mens en milieu. Dat is onderdeel van de toetsing. Hiervoor heb ik ook een handreiking opgesteld.

Eigenlijk was de vraag van mevrouw Kröger ook: hoe zorgen we ervoor dat het kennisniveau voldoende is om dat ook goed te kunnen beoordelen? We hebben dus een handreiking hiervoor opgesteld. We zullen hier ook blijvend aandacht aan geven, want de vraag of partijen weten wanneer het ook gerust als eindeafval kan worden toegestaan, is een belangrijke voorwaarde voor het benutten van kansen. Maar dat hangt dus ook wel echt af van de specifieke benutting daarvan.

In het verlengde van die vraag geef ik aan dat ik op dit moment ook bezig ben met een verkenning van de mogelijkheid om tot meer eindeafval- en bijproductencriteria te komen. De verkenning moet een lijst opleveren van reststromen waar mogelijk een ministeriële regeling voor kan worden gemaakt. Ik stuur u de resultaten van de verkenning toe. Het was een vraag van mevrouw Kröger om daarvan op de hoogte te worden gehouden. Uiterlijk 1 juli 2020 wordt u geïnformeerd over deze verkenning. Als op basis daarvan in de toekomst stromen worden toegelaten, zou het goed zijn als daar af en toe informatie over wordt gestuurd aan de Kamer. Misschien is het logisch om dat te koppelen aan de herzieningen van het LAP of zo, maar het lijkt me logisch als de Kamer in een relevant kader wordt geïnformeerd over de nieuwe beslissingen over wat als eindeafval kan worden gezien. Laten we dus nog even terugkomen op de manier waarop we dat goed kunnen doen.

Ook de heer Schonis zei dat de vraag "wat is afval?" een complexe vraag is. Hij noemde ook de Taskforce Herijking Afvalstoffen en de omgevingsdiensten. De conclusies en aanbevelingen van het onderzoek van de taskforce, het Adviesrapport Taskforce Herijking Afvalstoffen, en het signaal van de ILT zijn inderdaad bekend. Ik heb in november 2019 een brief gestuurd aan de Kamer, waarin staat dat ik voor de zomer een uitvoeringsagenda VTH aan de Kamer zal sturen. Dat was ook een beetje de vraag van mevrouw Kröger. Is er voldoende kennis en voldoende expertise? Zorgen we ervoor dat dit in het VTH-stelsel ook zo kan worden gevolgd en gemanaged dat dit op een goede manier gaat? De agenda gaat dan ook in op de kennisinfrastructuur — hoe zorgen we ervoor dat de kennis op peil is? — de professionalisering van de uitvoering, de onafhankelijkheid, ook van de omgevingsdiensten, en de nieuwe taken die er door wetgevingswijzigingen komen. Bij de uitwerking van deze thema's is capaciteit natuurlijk een van de onderdelen.

Mevrouw Kröger vroeg wat we in Nederland zelf kunnen doen en van welke producten we misschien af moeten. Als je niet oppast, verspreidt de vervuiling zich, zoals in het voorbeeld dat zij noemde van de brandblussers, de textiel en pfas. Als je niet oppast, verspreid je de vervuiling, dus kun je dat op een of andere manier isoleren? In het Uitvoeringsprogramma circulaire economie stimuleer ik met de CIRCO-aanpak, circulair ontwerpen, een beter ontwerp van producten. Het gaat dan inderdaad om beter repareerbaar en goed recyclebaar, maar ook om de toepassing van gerecycled materiaal en het voorkómen van zeer zorgwekkende stoffen. Dat zijn allemaal elementen. Tegelijkertijd moeten we constateren dat niet alle zeer zorgwekkende stoffen meteen uitgefaseerd zijn of kunnen worden. Dan moet je misschien meer inzetten op het isoleren van zo'n stroom, om te voorkomen dat ze in een bredere afvalstroom of in het milieu terechtkomen. Er zijn dus nog verschillende routes om te voorkomen dat zeer zorgwekkende stoffen het milieu belasten ofwel de circulaire economie bemoeilijken. We zullen ook steeds moeten kijken wat de stappen zijn die hierbij passen. Via CIRCO zullen producten die in Nederland worden gemaakt verder worden verduurzaamd. Producten die buiten Nederland worden geproduceerd kan ik niet verbieden. Daarom is het Europese spoor van de interne markt ook zo belangrijk om afspraken te maken voor al die producten die geïmporteerd worden.

De heer Schonis vroeg naar het gescheiden inzamelen op scholen. De afgelopen maanden ben ik uitvoerig in overleg geweest met de Vereniging Afvalbedrijven en de NVRD. Ik had tot zeer recent goede hoop op een positieve uitkomst. Mevrouw Kröger vroeg hier ook naar. Het ging dan eigenlijk om een soort van huishoudelijk afval, bijvoorbeeld bij scholen. We hoopten dat we tegen een redelijk tarief afval bij basisscholen gescheiden konden laten inzamelen. Het is op dit moment helaas niet gelukt om tot een akkoord te komen met de Vereniging Afvalbedrijven, maar we zijn toch nog verder aan het onderzoeken welke stappen er wel genomen kunnen worden. We komen hier voor het AO Circulaire economie per brief op terug. Ik moet natuurlijk afwachten hoe het amendement van de heer Schonis eruit komt te zien, maar het zou daar wellicht een rol in kunnen spelen omdat het in ieder geval een grondslag biedt om eventueel iets te kunnen doen. Ik wacht het amendement even af. Daarna zou ik erop kunnen terugkomen in een brief, voorafgaand aan het AO Circulaire economie.

De CDA-fractie vroeg naar de onduidelijkheid die ontstaat omtrent PMD: een blisterverpakking wel in PMD, maar doordrukmedicijnen en kauwgom niet. Ik sta zelf ook weleens met een van mijn gezinsleden bij de afvalbak en vraag me dan af: waar moet deze nou in? We moeten dat voor iedereen makkelijker willen maken. Dat zal nooit voor 100% zelfevident zijn, maar als er iets op de verpakking komt te staan over waar het in moet, helpt dat natuurlijk enorm. Dan weet je als consument gewoon waar je naar moet kijken als je je afval graag wilt scheiden. We zijn dus in gesprek en het zou fijn zijn als we wat meer uniformiteit zouden kunnen realiseren.

De heer Von Martels (CDA):

We zijn in gesprek, hoor ik de minister zeggen. Dan ben ik benieuwd naar de mogelijke oplossingsrichtingen. Kunnen we misschien met codering gaan werken? Hoe gaan we dat oplossen? In welke richting denkt de minister?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dit is er ook eentje die iets meer hoort bij het AO over circulaire economie, dus laat ik aangeven dat ik misschien kijk of we in de verzamelbrief al wat denkrichtingen kunnen opnemen om die met de Kamer te bespreken.

De heer Van Aalst (PVV):

Ik kom natuurlijk toch even terug op het scheiden, want de minister zegt dat we het allemaal mooi en makkelijk moeten maken. Het enige wat ik constateer is dat ik allemaal mensen zie rijden met auto's, want hun grijze container hebben ze moeten inleveren. Ze zijn allemaal lekker onderweg met hun auto, lekker goed voor de uitstoot, naar die ondergrondse containers om daar hun afval in te proppen, wat vervolgens niet lukt. Dat leidt tot bergen afval en ongedierte rondom die containers. Ik kan me niet voorstellen dat dat is wat de minister bedoelt met circulaire economie.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Circulaire economie gaat over hergebruik van afval, maar ook over voorkomen dat er afval ontstaat en ervoor zorgen dat het afval in ieder geval op die manier verzameld wordt dat het kwalitatief zo hoogwaardig mogelijk kan worden hergebruikt. Als er inderdaad een heleboel zakken uiteengescheurd worden, wat tot zwerfafval leidt, dan draagt dat absoluut niet daaraan bij. Dus ook de kwaliteit van het ophalen is natuurlijk een heel belangrijk onderdeel. Gemeenten zijn daarvoor verantwoordelijk. Zij kiezen daarvoor ook hun eigen systeem. Die vrijheid is er. Sommige gemeenten kiezen voor kliko's. Andere gemeenten zeggen: gezien de situatie in onze gemeente kiezen wij voor een nascheidingssysteem. Die mogelijkheden zijn er. Zoals ik net heb aangegeven, zijn er ook onder de richtlijn nog mogelijkheden om daarin zelf iets te kiezen. Maar ik deel met de heer Van Aalst dat het natuurlijk onwenselijk is dat je allemaal afvalzakken op straat hebt staan die makkelijk uit elkaar gescheurd zouden kunnen worden. Het is aan gemeenten om daarvoor een oplossing te vinden.

De heer Van Aalst (PVV):

Daarbij hoop ik toch wel op wat regie van de minister. Bij die nascheiding was het volgens mij veel praktischer zoals het was. Dat leidde tot minder zwerfafval rondom die afvalcontainers. In grote steden zoals Enschede en Hengelo en in de hele regio Twente zie je elke keer hetzelfde probleem opdoemen. Gemeentes hebben het nu eigenlijk zo gemaakt om hun begroting sluitend te maken. Het kan niet de bedoeling zijn dat afval gebruikt wordt om begrotingen sluitend te maken en om die tarieven maar te verhogen. Als we dan zo graag willen recyclen en als we zo graag willen dat mensen het afval scheiden, maak het dan makkelijk. Is het dan niet een goed idee dat de minister de regie neemt en zegt: laten we nu gewoon gaan nascheiden? We hebben dat gezien bij Twence in Hengelo. Die zeggen: wij willen met alle plezier nascheiden; we willen het regelen en we kunnen energie halen uit de afvalstromen die niet gerecycled kunnen worden. Kan de minister daar geen regierol in nemen, om dat op die manier in te richten?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Nee, dat lijkt mij niet verstandig, want gemeenten zijn verschillend. Voor de ene gemeente is nascheiding een goede oplossing en voor de andere gemeente is voorscheiding een goede oplossing. Maar het probleem dat de heer Van Aalst schetst, heeft volgens mij niet zozeer te maken met voor- of nascheiding. Dat heeft vooral te maken met de vraag: als er gebruikgemaakt wordt van ondergrondse containers, is er dan ook voorzien in voldoende capaciteit? Dat staat los van de vraag naar de capaciteit in die containers. In mijn gemeente kiezen ze bijvoorbeeld voor één container voor glas, één container voor papier en één container voor bio. Maar je kunt ook zeggen dat alles in al die containers mag. Dat staat los van de vraag of er voldoende capaciteit is. Daar moet de gemeente natuurlijk gewoon voor zorgen.

Mevrouw Kröger vroeg naar de verbetering bij het op huishoudelijk afval lijkende afval. Daar heb ik al op geantwoord richting de heer Schonis.

Dan was er nog de vraag over koffiebekers. Ja, dat was natuurlijk niet de bedoeling en daar baalt iedereen van. Als overheid willen we graag het goede voorbeeld geven. Op dit moment wordt uitgezocht hoe dat heeft kunnen gebeuren. Het is voor mij dan weer lastig te beoordelen of de bekers in de Tweede Kamer daarvan onderdeel uitmaakten, maar daarom keek ik al heel even naar de voorzitter en zijn ondersteuning. Wellicht weet de voorzitter daar nog nadere informatie over te geven. Mijn collega van EZK zal op dit punt terugkomen via het beantwoorden van de gestelde Kamervragen hierover, want die trekt op dit moment het onderzoek daarnaar.

De heer Van Aalst (PVV):

We hebben hier natuurlijk een aantal moties aangenomen. Geweldig dat we allemaal lekker bezig waren. We hebben ook op de stations allemaal van die gescheiden containers laten plaatsen, maar ik heb me laten vertellen dat dat allemaal bedrijfsafval is en dat dat allemaal gewoon tezamen in de verbrandingsoven gaat. Klopt dat?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

NS doet inderdaad een proef op dit moment, maar dit raakt eigenlijk ook een beetje aan de vraag die door mevrouw Kröger werd gesteld. Als het als bedrijfsmatig afval wordt gezien, worden er andere eisen aan gesteld. Ik ben op dit moment nog in gesprek met NS en ProRail over de resultaten van de proef en over wat daarvan het vervolg is. Als mensen heel veel haast hebben om naar de trein te gaan, denken ze toch vooral eerst even "haal ik de trein?" in plaats van: "waar gooi ik mijn beker weg?" Als het dan bedrijfsafval is, betekent dit, gezien de hoge eisen die daaraan gesteld worden, dat het moeilijker is om de kwaliteitseisen te halen.

De heer Van Aalst (PVV):

Dus al die moties die hier zijn aangenomen, dat was allemaal symboolpolitiek. Het is misschien wel goed om te weten voor al die linkse partijen die dat gesteund en ingediend hebben, dat het een bijdrage van totaal nul heeft geleverd en dat alles gewoon lekker naar de verbrandingsoven is gegaan. Het enige voordeel dat het misschien heeft gehad, is dat het nog wat huizen of bedrijven van energie heeft voorzien. Laten we dat dan als positief benaderen, maar dat was dan ook wel het enige.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ik ben blij dat de heer Van Aalst zo positief is, voorzitter.

Er was nog een vraag over de illegale afvaldumping. Hoe staat het met het onderzoek naar de herkomst? Wat kan het Rijk doen? Hoe kunnen gemeenten ondersteund worden? Dat was een vraag van de heer Von Martels. De verantwoordelijkheid voor het verhalen van kosten en voor het doen van onderzoek ligt bij het bevoegd gezag. Maar ik ben zeker van plan om dit ter sprake te brengen in het eerstvolgende bestuurlijke omgevingsberaad. Dan wil ik met deze partijen bespreken met welke kennis zij eventueel ondersteund kunnen worden. En dan zit er nog een vraag op het gebied van de inzet binnen de grenzen van de privacywetgeving.

Mevrouw Kröger had nog een vraag over gerecycled plastic. Kan dat verplicht worden toegepast of vrijwillig? Ik heb daar net in de aanloop al iets over gezegd. We hebben de Europese regelgeving. Datgene wat we verplicht stellen, moet ook passen bij wat er op de interne markt gebeurt. We verwachten een nieuw actieplan van de Europese Commissie voor de Europese regelgeving. Ik verwacht ook dat daar een aantal wetgevingsvoorstellen uit voortkomt. Daarnaast hebben we inderdaad met het Europese plasticpact geprobeerd om met name met die landen en die bedrijven die zeggen "wij willen eigenlijk verder gaan omdat we gewoon de mogelijkheid zien om sneller te gaan" afspraken te maken. Daarom kunnen ze ook alleen maar vrijwillig zijn, want anders moeten ze verplicht voor iedereen gelden. Maar zij hebben gezegd: "We gaan 20% minder plastic gebruiken. We gaan zorgen voor meer recyclingcapaciteit. We gaan zorgen voor het benutten van gerecycled materiaal in onze producten." Juist omdat al die partijen in de keten eraan meedoen, kunnen we op die manier sneller met elkaar voortgang maken. Het feit dat vijftien landen eraan meedoen, betekent ook dat je een groot deel van de interne markt eigenlijk hebt, waar overheid en partijen zeggen: dit is de richting die wij ingaan. Dat kan hopelijk ook weer helpen voor de Europese Commissie om te laten zien dat het gewoon kan en dat het sneller kan, en om de ambities dus ook op te nemen in de regelgeving, die uiteindelijk natuurlijk de borging vormt voor de landen die niet op vrijwillige basis meedoen. De mogelijkheden zijn er. De technologie is er. De logistieke stromen zijn op gang gekomen. Die voortgang kan ook worden benut door de andere landen, die nu nog wat aanhikken tegen: hoe snel kunnen we gaan?

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Ik snap de logica van werken met een kopgroep op basis van vrijwilligheid en dan kijken hoe snel we de regels verder krijgen. Een van de regels die we al hebben, zijn de essentiële eisen. Daar hebben we in een eerder debat over de circulaire economie ook het nodige over gewisseld, namelijk het idee dat je eigenlijk nu al verplicht bent om als producent zo min mogelijk materiaal te gebruiken. Toen heeft de minister gezegd: ik ga eens kijken of daar meer op gehandhaafd kan worden. Ik vroeg me af of zij in het kader van deze wet- en regelgeving, waarbij we bekijken hoe we de hoeveelheid afval terug kunnen dringen, geen haakje ziet om er veel duidelijker bovenop te gaan zitten, met die essentiële eisen.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

We zullen bekijken of het punt van die essentiële eisen nog aanknopingspunten biedt om bijvoorbeeld onder onzinverpakkingen uit te komen. Ik zal daar in de brief in aanloop naar het AO Circulaire economie nog even op terugkomen.

De heer Van Aalst had nog een punt over restafval en voor- of nascheiding. Hij had in zijn inbreng wat punten over diftar. Overigens hebben we daar ook heel positieve effecten van gezien, maar goed, dat verschilt ook. Laten we de hele discussie over diftar nu niet bij dit wetsvoorstel betrekken, maar in de praktijk leidt diftar vaak tot lagere kosten voor de burger, afhankelijk van de manier waarop de gemeenten diftar toepassen.

Het punt van de afvalpolitie had volgens mij betrekking op het punt van de zakken die naast de container staan. Het is belangrijk dat de gemeente dat goed handhaaft, maar ook zorgt voor voldoende capaciteit.

Er was nog een iets specifiekere vraag over gescheiden afval. Ook voor glas is nascheiding mogelijk, wanneer dat geen invloed heeft op de mogelijkheden om het afval te recyclen en tot dezelfde kwaliteit recyclaat leidt. Dat nog even in antwoord op de heer Ziengs.

Hoe staat het met het onderzoek naar de herkomst van afval? Daar heb ik net eigenlijk al iets over gezegd, dus deze zat in het verkeerde stapeltje.

GroenLinks vroeg nog of ik bereid ben om het LAP3 kritisch tegen het licht te houden. Het LAP3 is toegespitst op een zorgvuldige risicoanalyse, maar we blijven altijd scherp kijken of het in het licht van nieuwe kennis bijgesteld moet worden. Ik ga al wetgeving aanpassen om te voorkomen dat ZZS in afvalstromen niet gemeld wordt. Het RIVM-onderzoek van 3 februari is een steun voor onze aanpak in het LAP3.

Voorzitter, ik hoop dat ik daarmee de vragen van de leden heb beantwoord. Maar misschien nog niet alle vragen van mevrouw Kröger!

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Nee, helaas, of misschien wel niet helaas. Er ligt een waanzinnig of ten minste heel stevig RIVM-rapport over ZZS in de circulaire economie, een mooi rapport. Ik hoop dat de minister daar iets meer mee gaat doen dan alleen maar zeggen dat het ondersteuning is van het huidige LAP3. Er staan een heleboel aanbevelingen in, dus ik hoop eigenlijk dat zij daar gewoon een gedegen kabinetsreactie op geeft en ook echt die aanbevelingen gaat overnemen en implementeren in het LAP3.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Het is altijd een beetje lastig als je voor een bepaald wetsvoorstel komt en er worden andere onderwerpen, die daarmee overigens helemaal in lijn zijn, te berde gebracht. Er wordt gerefereerd aan een lijst met aanbevelingen. Het is voor mij even moeilijk om meteen voor de geest te halen welke dat allemaal zijn, maar de kennis van het RIVM is voor mij altijd een belangrijke bron om mijn acties op te baseren. Laten we in de brief richting het AO Circulaire economie nog even nader aangeven wat we hiermee gaan doen. Maar ik ga wetgeving aanpassen om te voorkomen dat ZZS in afvalstromen niet gemeld wordt. Verdere aanbevelingen worden hier ook gekwalificeerd als een steun voor de aanpak die we hebben, maar ik begrijp dat mevrouw Kröger graag iets meer tekst en uitleg wil. Daar zullen we in die brief even op terugkomen.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Heel fijn. Dat wordt een lijvige brief en een mooi debat.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Zeker. Het is altijd weer een mooi debat over circulaire economie.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Zeker. Ik begreep dat de minister klaar was met haar beantwoording. Ik heb nog één vraag, over de mogelijkheden om een minimalisatieverplichting voor potentiële ZZS in afvalstromen. Ik vraag dat omdat we in de praktijk zien dat die zeer zorgwekkende stoffen via afvalstromen de poort uit blijven gaan als je een minimalisatieverplichting hebt, bijvoorbeeld voor emissies naar de lucht of naar het water. Daar hebben we veel minder grip op. Door producenten scherp te houden op het minimaliseren van ZZS in afvalstromen, zou je de mogelijkheden voor de circulaire economie kunnen vergroten.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ja. Ik snap heel goed waarom mevrouw Kröger de vraag stelt, maar er zit een bepaalde gelaagdheid in het antwoord. De minimalisatieplicht voor ZZS betekent in eerste instantie dat je probeert om alle zeer zorgwekkende stoffen uit te faseren. Als je die uitfaseert, minder gebruikt, betekent dat ook al dat ze minder in afvalstromen terechtkomen. Die minimalisatieplicht geldt voor alle emissies van ZZS. Dus geen emissies van ZZS naar het milieu en als dat niet mogelijk is bijvoorbeeld door geschikte technieken of veilige alternatieven zo weinig mogelijk emissie naar lucht of water. In eerste instantie probeer je al de emissies naar de lucht zo veel mogelijk te verminderen en ook de emissies naar water zo veel mogelijk te verminderen. Dat kan tot een zekere mate.

Het kan zijn dat je doordat je de lucht filtert eigenlijk die ZZS opvangt. Die komen dat niet in de lucht terecht. Dat is precies wat we willen. Als er bijvoorbeeld nog geen alternatief is om ze niet te gebruiken in het productieproces, worden die ZZS dus opgevangen. Als je dan een specifieke minimalisatieplicht hebt op de afvalstroom, waar moet je dan met die afgevangen ZZS naartoe? Je wil generiek zo min mogelijk ZZS hebben, maar van datgene wat je hebt wil je juist dat het zorgvuldig verwerkt wordt. Dus daarmee wil je misschien meer inzet op een zo hoog mogelijke isolatie van ZZS, zodat je die afvalstroom zo veel mogelijk apart houdt en zo min mogelijk vermenging hebt van ZZS met andere afvalstromen. Maar dat is wat anders dan een generieke minimalisatieplicht op ZZS in afvalstromen per se. Je wil niet dat ze naar de lucht gaan en je wil niet dat ze naar het water gaan. Dus als je ze afvangt, wil je graag dat ze zorgvuldig verwerkt worden en dat zou dan in strijd zijn met een generieke minimalisatieplicht in afvalstromen.

Wat mevrouw Kröger volgens mij wil — daarom vond ik het voorbeeld van die brandblusser zo mooi — is dat je dan zorgt dat je ze zoveel mogelijk apart houdt zodat ze zo min mogelijk afvalstromen vervuilen. Op die manier wil ik daarnaar kijken. Er is nog een tweede wat daarin belangrijk is. Als het toch nog ergens in zit, moet het transparant zijn dat het erin zit. Dan kan de verwerking van die stroom gebeuren in lijn met het feit dat er ZZS in zitten, zodat ze uiteindelijk niet via de afvalstroom alsnog weer in het milieu terechtkomen. Zo zit er dus een bepaalde gelaagdheid in die aanpak. Dat is eigenlijk waar ik bij mevrouw Kröger aandacht voor vraag.

In de voorbereidende gesprekken die ik met medeoverheden voer over de aanscherping van de wetgeving, zal ik ook de vraag aan de orde stellen in welke situaties zij belang zien in een minimalisatieplicht voor ZZS in afvalstromen, maar, zoals ik heb uitgelegd, in die gelaagdheid. Daar zal ik dan de Kamer over informeren. Daarom vond ik de brandblussers een mooi voorbeeld. Als je die waarvan je weet dat er pfas-houdend schuim in zit apart houdt, voorkom je een vervuiling van de rest de stroom. Je houdt dan nog wel steeds een afvalstroom brandblussers over. Ik zou liever niet willen dat ze op elke brandweerkazerne apart in de fik worden gestoken. Je wil dan graag dat die apart goed verwerkt worden. Dat is eigenlijk wat je dan zou willen. Dat is wat anders dan een algemene minimalisatieplicht in de afvalstromen. Als we elkaar op deze manier goed begrijpen, bericht ik ook daarover de Kamer.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Ik denk dat we elkaar heel goed begrijpen. Wellicht zijn wij de enige twee mensen in deze hele zaal die dit volledig begrijpen.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Onderschat de collega's niet, mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Nee. Excuus, collega's. We gaan namelijk behoorlijk diep in de details. Hoe ik de uitleg van de minister hoor, sluit het een het ander niet uit. Ik denk dat ik het eens ben met de minister dat je vooral een specifieke stroom wilt creëren. Het is van belang voor producenten dat je als er aan twee knoppen gedraaid wordt, namelijk emissies naar de lucht en emissies naar water, op die derde stroom, namelijk het afval dat gewoon de poort verlaat, ook een verplichting op minimalisatie zet, omdat dat het hele productieproces efficiënter maakt. Daar zit volgens mij precies de reden, zeker als je zegt dat afval weer grondstof is. We moeten het zien als dat iets de poort verlaat dat gewoon een grondstof is en daarin wil je een minimalisatie van ZZS.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Mevrouw Kröger zegt "ik zet een aparte minimalisatieplicht op wat er de poort uitgaat" en voor mij valt dat al onder de algemene minimalisatieplicht. Je moet überhaupt proberen om zo min mogelijk van dat product te gebruiken en als je het dan ook nog eens niet uitstoot naar lucht en water, dus via de algemene minimalisatieverplichting, werkt dat ook al door in het afval. Maar als je een aparte minimalisatieverplichting voor het afval gaat inrichten, mag het niet meer via de lucht, mag het niet meer via het water en mag het ook niet via afval weg. Dan blijft het dus op het bedrijfsterrein. Dat wil je ook niet. Je wilt dat het zorgvuldig verwerkt wordt. Volgens mij werken wij dus in dezelfde richting, maar ik ben van mening dat dat gedeelte gedekt wordt door de algemene minimalisatieplicht aan de voorkant, dus in het hele productieproces. Daar waar het dit soort ZZS betreft die onder die minimalisatieplicht vallen, moeten we ervoor zorgen dat we zo veel mogelijk kijken waar eventueel isolatie van die stoffen uit bredere afvalstromen mogelijk is. Anders moet in ieder geval de transparantie er zijn, zodat je weet hoe je met die afvalstromen moet omgaan, zodat je niet de rotzooi verder verspreidt in de circulaire economie.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Ik zou de minister het volgende willen vragen. Ze gaat die verkenning doen en daar komt ze in de brief op terug.

De voorzitter:

Ja, er komt een brief.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Wil ze daarin heel helder aangeven ... Voor mij zit het probleem bij die algemene minimalisatieverplichting voor überhaupt het gebruiken van de stof. Daar is op dit moment eigenlijk geen toezicht en handhaving op en geen vergunning voor. We hebben een vergunning op uitstoot en lozing. We hebben geen vergunning in die zin op productie. Je kan wel een minimalisatie op afvalstromen hanteren. Daar kan je dan weer op handhaven. Daar zit voor mij de crux. Volgens mij begrijpt de minister mijn crux ...

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ik snap inderdaad waar het punt zit.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

... en krijgen we een hele mooie brief.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

We gaan proberen er een prachtige brief van te maken. Dan gaan we bij het AO Circulaire economie zien hoe ver we daarmee zijn. Ik snap het punt van mevrouw Kröger. Ze wil graag een aanhakingspunt om te kunnen beoordelen of de kraan voldoende wordt dichtgedraaid. De vraag is of dat al aan de voorkant kan, waar je dat bij de vergunningen naar lozingen heel nadrukkelijk kunt kwantificeren. We gaan ernaar kijken.

We hebben elkaar weer goed begrepen, voorzitter. Dat is ook weleens mooi aan zo'n debat, hè?

De voorzitter:

Ja. En ik ben het in ieder geval met u beiden eens dat dit uiterst technisch was.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Nou, wij vonden het eigenlijk best meevallen.

Voorzitter. Dan ben ik daarmee hopelijk aan het einde gekomen van de beantwoording van de vragen van de leden in de eerste termijn.

De voorzitter:

Dan zijn we daarmee aan het einde gekomen van de eerste termijn van de minister. Wij gaan meteen door naar de tweede termijn van de Kamer. Daarbij hebben de Kamerleden de gelegenheid om desgewenst moties in te dienen, maar dat hoeft niet. Ik geef als eerste het woord aan de heer Ziengs van de VVD.

De heer Ziengs (VVD):

Voorzitter. Ik neem nog even een slokje water voor een langdurig betoog. Ik heb nog wat tijd staan, zie ik. Maar ik zal het kort houden. Ik zal in ieder geval de minister niet gaan bevragen op hetgeen ze net allemaal uitgelegd heeft. Ik wacht de brief ook af. Ik keek al even naar collega Von Martels. Wij hadden ongeveer dezelfde blik en dachten: dat zal dan wel een hele dikke brief worden. Misschien wordt het wel een boekwerkje of een tijdschrift. Het was een zeer technisch betoog. Ongetwijfeld hebben we het allemaal meegekregen. Vannacht zal ik er vast nog even van dromen.

Over de eindeafvalstatus, zoals in feite beschreven staat in het stuk. De nieuwe oplossing lijkt in ieder geval een betere dan de oude bevoegdheid, waarmee de minister dat zelf kon aangeven. Maar het heeft ook onze instemming omdat het in ieder geval werkbaar blijft. Ik neem aan dat ik straks de appreciatie krijg op het amendement-Ziengs dat is rondgegaan.

Ik kom op de bevoegdheid van de gemeentes om te kiezen voor voorscheiding of nascheiding. Dat was een helder betoog. Het was me nog niet helemaal helder of we nu naar zeven, acht of negen containers toe kunnen gaan voor een plattelandsgemeente, waar ik bijvoorbeeld in woon. Misschien kan de minister daar nog wat meer duidelijkheid over verschaffen. Ik kreeg daarbij de indruk dat het toch echt de keuze was, ook bij gemeentes, om het in al die verschillende porties te moeten gaan aanleveren. Volgens mij werd die vraag ook gesteld door de heer Van Aalst. Ik had niet de indruk dat we daar echt een heel duidelijk antwoord op kregen.

Verder heb ik nog één toegevoegde vraag in dit debat. Ik heb die ook al eerder gesteld in een algemeen overleg. Waarom gaat de minister nou niet uit van de kwaliteit van de gescheiden stroom afval — denk met name aan PMD — maar kiest ze er nog steeds voor om te meten op hoeveelheid/gewicht? Ik zie mevrouw Kröger ook al knikken. Daar hebben we het vaker over gehad in het debat. Dat lijkt me een eerlijker systeem om te kijken hoe je die kwaliteit in dit geval echt kunt meten en wat de hoeveelheid is die daaraan te pas komt.

Tot zover, voorzitter. Daar wil ik het bij houden. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ziengs. Ik geef het woord aan de heer Schonis van D66.

De heer Schonis (D66):

Dank, voorzitter, en dank aan de minister voor de beantwoording. Blij om te horen dat omgevingsdiensten ondersteund zullen worden op dit vrij specifieke thema. Dat komt dan later terug bij de VTH-taken.

Op het amendement ga ik nog even broeden. Daar is ongetwijfeld een deadline voor. Maar goed, ik moest ook maar invallen vandaag, dus ik ben er nog niet aan toegekomen om dat even te schrijven.

Er is nog één punt. Dat gaat heel specifiek over de labeling van afvalstromen. Waar hoort iets nou in? We hebben het over die blisterverpakkingen gehad. Ik heb net het voorbeeld van dat theezakje gegeven. Ik denk dat het toch wel handig is dat we eens kijken of we dat toe kunnen voegen aan de AMvB die de minister toch nog op moet stellen. Vandaar deze motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het onduidelijk kan zijn in welke afvalbak producten en verpakkingen weggegooid horen te worden;

constaterende dat de wirwar aan teksten en logo's over de oorsprong of de composteerbaarheid van het materiaal de onduidelijkheid vergroot;

overwegende dat fouten in de afvalscheiding tot vervuiling van afvalstromen kunnen leiden;

verzoekt de regering om in de nog op te stellen AMvB de eis op te nemen dat producenten op producten of verpakkingen aangeven tot welke afvalstroom het materiaal behoort,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Schonis en Von Martels. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 9 (35267).

De heer Schonis (D66):

Dank u wel.

De voorzitter:

En amendementen kunnen inderdaad nog later ingediend worden. Meneer Van Aalst van de PVV.

De heer Van Aalst (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik zal het iets minder spetterend houden dan in eerste termijn. Ik zal het ook kort houden. Ik ga het vandaag toch niet eens worden met de minister.

We hebben nog een kort debatje gevoerd over de diftar. Ik hoop dat de minister daar meer de regierol gaat nemen, vooral omdat gemeentes ze als melkkoe gebruiken en ik liever zou zien dat de inwoners kunnen kiezen wat ze willen: willen ze voorscheiden of nascheiden en dat juist niet overlaten aan de gemeenteraden, met de wirwar die ontstaat en alle gevolgen van dien? Ik bedoel: als ik in de regio Twente kijk, zie ik elk weekend weer bergen met afval rondom de ondergrondse containers. Vaak heeft dat niet met capaciteit te maken maar gewoon met een container die niet functioneert, die kapot is, waarvan het elektronicasysteem niet werkt, of met afvalzakken die er niet in passen. Dan kom je toch weer bij de situatie dat mensen het ernaast gooien. Dat moet niet, maar ze moeten toch van hun afval af.

Verder is dit niet het eerste debat dat wij hebben gehad over afval, diftar, circulaire economie, het scheiden en wie waar verantwoordelijk voor is. Het zal ook niet het laatste debat zijn. Dus voorzitter, ik laat het hierbij.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Aalst. Ik geef het woord aan mevrouw Kröger van GroenLinks.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Voorzitter. Een tweetal moties. De eerste gaat over de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen in de circulaire economie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in een circulaire economie afvalstromen steeds meer secundaire grondstoffen worden;

overwegende dat het terugdringen van zeer zorgwekkende stoffen onderdeel is van de Europese doelstellingen voor een gifvrije circulaire economie;

constaterende dat er een minimalisatieverplichting is voor de emissie van zeer zorgwekkende stoffen naar lucht en water;

constaterende dat zeer zorgwekkende stoffen in afvalstoffen op enig moment in het milieu terecht kunnen komen;

verzoekt de regering om in kaart te brengen hoe ook voor afvalstromen een minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen vormgegeven kan worden, en de Kamer hier voor de zomer over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 10 (35267).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Dan nog een motie over de eindeafvalstatus en over wanneer via een ministeriële regeling wordt bepaald welke stoffen en producten afval zijn en welke niet. De minister heeft net toegezegd dat ze de Kamer daarover wil informeren, bijvoorbeeld bij een update van het LAP of iets dergelijks. Ik zou wel een stapje verder willen gaan, daar een systematiek voor willen hebben en daar als Kamer nog eens een vraag over kunnen stellen of een mening over kunnen hebben.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat voor de uitvoering van het nu voorliggende wetsvoorstel via een ministeriële regeling zal worden bepaald welke stoffen of producten afval zijn of niet en daarmee wat de verdere toekomst ervan is;

overwegende dat de Kamer graag geïnformeerd en betrokken blijft bij dit dossier;

verzoekt de regering om met enige regelmaat (bijvoorbeeld twee keer per jaar) de Kamer middels een brief en een lijst nieuwe stoffen te informeren en desgewenst de mogelijkheid te geven hierover vragen te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11 (35267).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Kröger. De laatste spreker is de heer Von Martels van het CDA.

De heer Von Martels (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de minister voor de heldere beantwoording. Wel triest, die 85 miljoen koffiebekers! Ik ben blij dat de minister het ook jammer vindt dat die actie niet geslaagd is. Ik ben eigenlijk benieuwd naar het vervolg. Dat krijg ik binnenkort te horen.

Dan de campagne tegen zwerfafval. Ik kan me herinneren dat de minister in eerdere debatten heeft aangekondigd dat er een campagne tegen zwerfafval komt. Ik heb de minister voorafgaand aan dit debat al twee handreikingen gedaan om te kijken hoe zo'n campagne nou ingevuld kan gaan worden. Wij dachten aan de AUB-campagne, afval uit de berm, of aan de ASO-campagne, afval stoort ons. Dat zijn twee suggesties. Ik hoop dat de minister daar iets mee kan gaan doen. Anders zullen er wel andere creatieve geesten zijn die met nog mooiere gedachten naar voren komen.

Dan heb ik nog een vraag aan de minister over statiegeld op blikjes. Hoe groot acht de minister de kans dat dit daadwerkelijk in 2022 van start gaat of geïntroduceerd wordt?

Ten slotte heb ik nog een motie. Die is helemaal in lijn met wat ik in de eerste termijn naar voren heb gebracht.

De voorzitter:

Ik ga u daarvoor de gelegenheid geven na de interruptie van mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Ik hoor de heer Von Martels aan de minister vragen hoe groot zij de kans acht. Ik denk dat we vooral naar onszelf moeten kijken. Zeggen wij als Kamer: ja, we gaan voor statiegeld op blikjes? Volgens mij zijn we daar heel helder in. Ik hoop dat de heer Von Martels daar net zo helder in is. Dan is het geen vraag aan de minister, maar een opdracht.

De heer Von Martels (CDA):

Ik ga er gewoon van uit dat het allemaal gaat gebeuren, maar ik ga er ook nog steeds van uit dat het in 2022 gaat plaatsvinden. Dat betekent dat er al snel initiatief moet worden getoond om voorbereidingen te treffen om dat daadwerkelijk mogelijk te maken. Vandaar mijn vraag om te kijken hoe het zit met die voorbereidingen. Gaan we die termijn halen? Want volgens mij heeft de Kamer een duidelijke uitspraak gedaan.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Is de zorg van de heer Von Martels niet dat er wellicht vertraging komt, als we nu dingen voorbereiden voor statiegeld op plastic flesjes en niet al meteen rekening houden met blikjes? Volgens mij deel ik die zorg. Moeten we eigenlijk nu al bij alle voorbereidingen zeggen: neem blik mee?

De heer Von Martels (CDA):

U kijkt erbij alsof ik een andere mening erop nahoud, maar mijn vraag is daarop gericht. Daarom ben ik ook benieuwd naar het antwoord van de minister. En dan nu de motie, voorzitter.

De voorzitter:

Daar komt ie.

De heer Von Martels (CDA):

Daar komt ie dan.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de kosten van illegale dumping van de verschillende soorten afval niet worden bijgehouden;

overwegende dat gemeenten, provincies en de eigenaren van natuurterreinen vaak geconfronteerd worden met aanzienlijke kosten als sprake is van afvaldumpingen;

verzoekt de regering om gemeenten, provincies en de eigenaren van natuurterreinen behulpzaam te zijn bij het verhalen van kosten door het doen van onderzoek naar de herkomst van het afval en het verstrekken van gegevens die noodzakelijk zijn om de kosten te verhalen op de veroorzakers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Von Martels. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12 (35267).

Hiermee zijn we aan het einde van de tweede termijn van de zijde van de Kamer gekomen. De minister vraagt om een enkele minuut schorsing. Ik geef daar gelegenheid toe. Daarna gaan we verder met de tweede termijn van de zijde van het kabinet.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de minister.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dank u wel, voorzitter. De eerste motie is van de heer Schonis en de heer Von Martels. Zoals de motie nu is opgesteld, wordt het lastig, want dit kan niet in de AMvB. Dergelijke voorschriften moeten op EU-niveau worden gesteld. Ik ben wel graag bereid om me hiervoor op EU-niveau in te zetten bij de Europese Commissie en in het kader van het Europees Plastic Pact. Maar de motie in de huidige vorm moet ik dus ontraden, omdat daarin verwezen wordt naar die AMvB, waarin dit op dit moment niet verankerd kan worden. Wat we wel doen, is kijken wat we kunnen verhelderen, in die zin dat er wat geüniformeerd wordt wat er in de PMD-bak komt. De gesprekken daarover lopen. Dat zijn we dus zeker aan het doen, maar zoals u de motie nu heeft geformuleerd, moet ik haar ontraden vanwege het feit dat daarin staat dat het in die AMvB moet worden opgenomen.

De heer Schonis (D66):

Ja, ik snap dat een aantal dingen op Europees niveau geregeld moeten worden, maar als je dit zou willen regelen, zou dat uiteindelijk toch wel in die AMvB moeten landen?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ja, maar het verplichten van een logo op een product is iets wat je alleen in Europees verband kunt afspreken. Dan wordt het dus ingewikkeld om die route verplichtend op te leggen. Ik heb wel tegen de heer Von Martels gezegd dat we natuurlijk gaan kijken hoe we het makkelijker kunnen maken voor iedereen. Op zich zou een logo hartstikke fijn zijn, maar dat is wel iets wat je via die Europese route moet gaan regelen. Dat kan ik dus niet op voorhand in die AMvB doen. Als we het Europees hebben geregeld en als het daarna neerslaat in de AMvB, dan is dat wat anders, maar zo lees ik de motie niet. Als de motie mij vraagt om hiervoor in Europees verband aan de slag te gaan, dan ben ik daar dus graag toe bereid, maar de directe link naar de AMvB is wat te kort door de bocht. Als de oproep is om me hiervoor in Europees verband in te zetten, dan ben ik daar graag toe bereid.

De heer Schonis (D66):

Volgens mij moet ik de motie nu eigenlijk aanhouden en overwegen om haar te wijzigen.

De voorzitter:

Maar u zou de motie ook gewoon kunnen wijzigen. Dan wordt zij gewijzigd ingediend en dan kan de minister daar nog een appreciatie van geven.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Zeker, voorzitter. Als het een oproep is om me in Europees verband hiervoor in te zetten, dan zou de motie oordeel Kamer krijgen.

De voorzitter:

Kijk!

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Maar het is altijd goed om de gewijzigde motie nog even te zien, voordat ik dat definitief uitspreek.

De voorzitter:

In deze vorm krijgt de motie ontraden. Als u de motie in deze zin aanpast, dan krijgt zij oordeel Kamer, maar de minister wil er dan wel graag nog even naar kijken.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

De motie van mevrouw Kröger op stuk nr. 10 gaat eigenlijk over de hele discussie die we net hadden. Daarvan heb ik ook aangegeven dat we daar nog op terugkomen. Die toezegging heb ik dus eigenlijk al gedaan. Ik zou mevrouw Kröger dus eigenlijk willen vragen om deze motie even aan te houden. Wanneer u de uitwerking ziet, kunt u beoordelen of u vindt dat daarin voldoende recht wordt gedaan of dat we toch nog iets gemist hebben. Dan hebben we de hele discussie van net niet voor niks uitgebreid met elkaar gevoerd.

De voorzitter:

Ik kijk even naar mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Volgens mij gaat het er bij de toezegging van de minister ook om dat ik voor de zomer of zelfs voor het AO Circulair hierover geïnformeerd zou worden.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Die brief over het AO Circulair proberen we over ongeveer een maand bij u te hebben. Ik weet dus niet of het lukt om dat helemaal uitgewerkt te hebben. Ik weet zelfs ook niet of dat helemaal tot in detail zou lukken voor de zomer. Dat is dus een extra reden om deze motie aan te houden, maar ik wil wel een begin maken met deze discussie. Als het kan, zeg ik daar al iets over in de brief voor het AO Circulair. Mocht dat niet kunnen, dan neem ik in ieder geval een procesvoorstel op waarin ik aangeef wanneer we dat wel denken te kunnen doen. Maar dit is een extra reden om te zeggen: houd u deze motie nou even aan. Want het was al een technische discussie, maar het kan ook nog even wat tijd kosten om te bedenken wat we daarmee kunnen.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Oké, ik hou de motie aan.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Hartelijk dank.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Kröger stel ik voor haar motie (35267, nr. 10) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

De motie op stuk nr. 11 verzoekt om de Kamer met enige regelmaat te informeren over zo'n lijst nieuwe stoffen. Ik heb aangegeven dat we denken aan de context van het LAP. Mevrouw Kröger wilde toch de motie indienen, omdat het misschien niet per se het LAP moet zijn. We laten u nog weten hoe we dat gaan doen, maar ik ondersteun wel de essentie van de motie: de Kamer wordt met enige regelmaat geïnformeerd over wat er gebeurt. Hoe we dat precies gaan doen, dat zien we op een gegeven moment nog. Maar dan kan deze motie oordeel Kamer krijgen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 11 heeft oordeel Kamer.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

En de Kamer kan altijd vragen stellen over alle brieven die we sturen. Dat is dus ook altijd een mogelijkheid op dit punt.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Dank voor het oordeel. De reden waarom ik de motie heb ingediend, is met name dat het LAP in mijn beleving eens in de zes jaar wordt herzien. Dit gaat veel vaker. Vandaar.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ja, precies. Nee, ik dacht even dat u heel specifiek twee keer per jaar wilde, terwijl ik dacht: we moeten een logisch moment vinden. Daarom dacht ik aan het LAP. Maar u vraagt om "met enige regelmaat". Nou, daar vinden we vast een logische regelmaat in, die het midden houdt tussen eens in de zes jaar — dat zou een beetje weinig zijn — en om de week een brief. We gaan daar dus een logische regelmaat in vinden.

De heer Ziengs vroeg of we niet meer moeten kijken naar de kwaliteit van gescheiden afval en niet alleen maar naar de kwantiteit. Zeker, het is en-en. Kwaliteit en kwantiteit zijn altijd belangrijk, en er kan ook een moment komen waarop je denkt: gaan we nu nog alles op alles zetten om de kwantiteit te vergroten of gaan we met elkaar een manier vinden om de kwaliteit te verhogen? We komen hierover nog nader met elkaar te spreken, maar een goede kwaliteit is natuurlijk een voorwaarde voor hoogwaardige recycling. Dit heeft dus absoluut mijn volle aandacht.

De heer Ziengs vroeg ook nog naar het aantal containers. Gemeenten zijn vrij om te bepalen welke inzamelmethode voor hen het beste past. Die vrijheid hebben we aan gemeenten gegeven. Dat betekent dat we ze niet allemaal gaan verplichten tot bronscheiding of tot nascheiding. Ze hebben daar zelf vrijheid in. Dat betekent ook dat ze een beetje kunnen kijken wat nou een logische manier van inzamelen is. Ik heb er alle vertrouwen in dat gemeenten dat ook op een enigszins logische manier doen.

Voorzitter. De heer Von Martels vraagt mij in zijn motie op stuk nr. 12 om de eigenaren van natuurterreinen behulpzaam te zijn bij het verhalen van kosten, eigenlijk vooral door hen te helpen bij het doen van onderzoek naar de herkomst van het afval. Ik heb daarover al iets gezegd toen de heer Von Martels dit inbracht. We moeten natuurlijk wel binnen alle regels van de privacywetgeving en dergelijke blijven, maar ik ben graag bereid om met het BOP te bespreken welke kennis kan helpen. Als ik de motie zo mag interpreteren, kan ik haar oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Ik zie instemmend geknik, dus de motie op stuk nr. 12 heeft oordeel Kamer.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dan vroeg de heer Von Martels naar statiegeld op blikjes. Dat ligt in het verlengde van dit debat, al was het niet helemaal het onderwerp van deze wetsbehandeling. Er liggen twee Kamermoties over blik, die vragen om een vergelijkbaar spoor als voor plastic flesjes. Als de doelen uit het vrijwillige spoor niet worden gehaald, moeten we ervoor zorgen dat statiegeld op blik kan worden ingevoerd, en dat de wetgeving daarvoor in ieder geval is voorbereid. Er is ook nog gezegd dat er een kostenonderzoek wordt gedaan, dat daarbij dan kan worden betrokken. We zijn dus gewoon de moties aan het uitvoeren die hierover in de Kamer liggen.

Dan, voorzitter, heeft de heer Ziengs een amendement ingediend, dat vroeg om een voorhang bij de AMvB gescheiden inzameling. Op basis van de bestaande procedures en systematiek in zowel de Wet milieubeheer als de toekomstige Omgevingswet geldt er geen voorhang bij de een-op-eenimplementatie in een AMvB. Als er wel dingen worden toegevoegd, is zo'n voorhang overigens wel de praktijk. Dus als er iets anders wordt gedaan dan een een-op-eenimplementatie, wordt er wel een voorhang gedaan, maar bij uitsluitend een een-op-eenimplementatie niet, omdat er gewoon geen beleidskeuzes zijn vanwege de een-op-eenimplementatie als je echt alleen die doet. Maar ik was even op zoek naar waar de heer Ziengs nou naar op zoek was. Hij wil natuurlijk goed geïnformeerd zijn, om ook te kunnen beoordelen of het een een-op-eenimplementatie is. Ik zou de heer Ziengs dus eigenlijk het volgende willen voorstellen. Ik stuur u een uitgebreide brief over de inhoud van de AMvB. Ik zou daar zelfs ook teksten bij kunnen voegen, zodat u die ook kunt beoordelen. Dan zouden we toch binnen de termijnen van het implementatietraject kunnen blijven. Ik kan me voorstellen dat de heer Ziengs de toets wil doen of het een een-op-eenimplementatie is. En aangezien we van plan zijn om ons daar netjes aan te houden, ben ik graag bereid om dat te doen. Als we namelijk een voorhang gaan doen, kunnen we die voorhang pas starten nadat dit allemaal is afgerond en gaan we dus in de vertraging in relatie tot de implementatie. Daarom is ook dat onderscheid gemaakt tussen de een-op-eenimplementatie-AMvB's en de AMvB's waar meer ruimte in zit.

De heer Ziengs (VVD):

Ik begrijp dat de minister eigenlijk aangeeft dat ze daarmee in een tijdklem terechtkomt.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ja. Dat is het probleem.

De heer Ziengs (VVD):

Dat is eigenlijk het probleem. Dat vind ik best een lastige, omdat ik best wel de overweging heb gehad om dit in een motie te gieten, maar een amendement altijd toch even wat sterker is, en ook aangeeft hoe het uitgevoerd moet gaan worden. Ik begrijp de uitleg van de minister ook. Ik heb even wat tijd nodig om daarover na te denken, want het is een goed doordacht amendement, maar ik wil het ook niet onmogelijk maken voor de minister. Ik begrijp uit de beantwoording dat het daardoor misschien wel onmogelijk wordt om dat tijdpad te halen. Het is niet mijn bedoeling om daar een blokkade op te zetten, dus ik houd het nog in beraad en ik kijk even hoe we daarmee omgaan. Daar heb ik het hele weekend nog voor.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Jazeker, want het wordt natuurlijk pas bij de stemming bepaald. Het zou mijn voorkeur hebben als dat amendement niet wordt aangenomen; laat ik het zo formuleren. We kunnen er wel voor zorgen dat we de Kamer op andere wijze tijdig informeren over wat er in die AMvB komt, zodat de heer Ziengs ook de informatie heeft waarnaar hij op zoek is en wat hij via dit amendement probeert te verzekeren. Ik hoop dat we dat wellicht op een andere manier kunnen doen. Ik laat het aan de heer Ziengs om daarover na te denken. Het zou mijn voorkeur hebben als dit amendement niet wordt aangenomen in verband met de implementatietermijn.

De voorzitter:

Ik probeer toch even tot een conclusie te komen in de terminologie die wij hier hanteren. De Kamer gaat er uiteindelijk over of zij een amendement aanneemt of niet.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Zeker.

De voorzitter:

Maar het kabinet ontraadt het amendement.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ja, ik ontraad het om die reden, maar ik snap het punt van de informatievoorziening. Ik ben graag bereid om daar op andere wijze invulling aan te geven, door een brief te sturen over de inhoud van de AMvB.

De heer Ziengs (VVD):

Ik vraag toch even een toelichting, want ik heb er nog even naar gekeken. In hoeverre is die tijdklem daadwerkelijk aanwezig? Wat zou dat betekenen voor het tijdpad dat er nu ligt? Misschien kan de minister nog even duiden — dat hoeft niet direct; dat mag ook per brief — waarom er een beperking zit in de tijd. De vraag van de minister was waar ik precies naar op zoek ben. Het gaat erom dat in al die AMvB's in het oorspronkelijke voorstel de minister een dusdanige bevoegdheid krijgt dat zij het vrij snel kan doen, zonder dat het voorligt bij de Kamer. Daar ligt mijn vraagstelling. Los van die besluiten die een-op-een geïmplementeerd moeten worden, want dat begrijp ik, krijgt de minister toch een vrij grote vrijheid in het oorspronkelijke voorstel. Dat is de reden dat ik het in een amendement heb laten gieten.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ja, maar het is wel belangrijk: als er iets anders wordt gedaan dan een-op-een-implementatie, komt er ook een voorhang. Dan heeft het parlement ook een afweging te maken. Het is belangrijk dat die afweging bij een voorhang gemaakt kan worden. Als het gaat om een-op-eenimplementatie, is er eigenlijk geen afwegingsruimte, want wij zijn verplicht om deze Europese regelgeving op die manier te vertalen naar Nederlandse regelgeving. Om die reden is er gezegd dat er anders vertraging optreedt en je moet wachten. De AMvB kan dan niet naar de Raad van State en dat betekent een vertraging, waardoor je uit de tijd zou kunnen lopen.

De heer Ziengs (VVD):

Nog een verduidelijkende vraag, zodat ik het even goed begrijp. Als het een-op-een inderdaad geïmplementeerd kan worden, middels zo'n AMvB, dan zal toch ook bij een voorhang, al is het een lichte voorhang, ...

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Een voorhang is altijd gebonden aan vaste termijnen.

De heer Ziengs (VVD):

Daar zit per se die termijn op? Als er een brief komt dat het een-op-eenimplementatie is, dan is de termijn daarmee niet ten einde? Als de Kamer daarmee akkoord gaat, gaat die termijn eroverheen? Zit daar die tijdklem in?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ik stel voor dat ik de heer Ziengs wat nadere uitleg geef. Hij is ernaar op zoek of het wel of niet een klem is en hoe we zorgen dat de Kamer goed geïnformeerd is. Dat snap ik heel goed. Ik vind het ook belangrijk om daar helder over te zijn, dus laat ik nog even uitleggen aan de heer Ziengs hoe dat precies zit met de lagere regelgeving die in voorbereiding is. Er is een algemene systematiek en daar zou je dan van afwijken. Ik snap ook heel goed dat de heer Ziengs dat zorgvuldig wil wegen, gezien de informatiepositie van de Kamer. Nogmaals, ik ben altijd bereid om die tijdig te verzekeren. Dan kan de heer Ziengs daarna beoordelen of hij zijn amendement in stemming wil brengen, ja of nee.

Voorzitter, dan hoop ik dat ik daarmee de vragen en opmerkingen van de leden heb beantwoord.

De heer Von Martels (CDA):

Na de tijdklem nog een klemmende vraag van mijn kant over de campagne tegen zwerfafval. Wanneer gaat die van start?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ook dat ligt in het verlengde van dit debat. We hebben daar volgens mij op allerlei manieren eerder over gedebatteerd. Het zal ook vast zo zijn dat we bij het komende AO Circulaire economie ook weer een volgende stap in deze beleidsontwikkeling nemen. Ik zal u daar zeker over informeren zodra ik daar nadere informatie over heb. Maar ik dank de heer Von Martels voor het mooie bord. We willen inderdaad geen zwerfafval in de berm. Overigens heeft iedereen daar zelf een rol in te spelen, want het komt niet vanzelf. We zijn er met elkaar bij.

De voorzitter:

Dan zijn we hiermee aan het einde gekomen van de wetsbehandeling van de Implementatiewet wijziging EU-kaderrichtlijn afvalstoffen.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor haar komst naar de Kamer, net als haar ambtenaren. De stemmingen over de ingediende moties en het amendement zijn volgende week dinsdag. U mag de minister zonder een hand te geven feliciteren met deze wetsbehandeling.